direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Almere Pampus en Markermeer
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0034.BPalg05-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan regelt de bestemming en het gebruik van de gronden voor een bepaald gebied. Een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridische plan. De regels omvatten de omschrijvingen van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. In de toelichting worden de achtergronden en beweegredenen aangegeven die hebben geleid tot de bestemmingen. De plantoelichting heeft geen rechtskracht. Een bestemmingsplan wordt tijdens de verschillende procedurestappen langs elektronische (digitale) en analoge weg beschikbaar gesteld. Wanneer de inhoud van het digitale en analoge bestemmingsplan verschillend zijn, is de inhoud van het digitale bestemmingsplan beslissend.

1.2 Aanleiding voor dit bestemmingsplan

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat een verplichting om bestemmingsplannen eens in de 10 jaar te actualiseren. In dat kader werkt de gemeente Almere aan het actualiseren van alle bestemmingsplannen voor haar grondgebied. In het plangebied van dit bestemmingsplan gelden verschillende bestemmings- plannen (zie paragraaf 1.4). Deze plannen zijn in verschillende periodes tot stand gekomen, waardoor de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gebieden enigszins verschillen. Om voor het hele plangebied een eenduidige en actuele juridisch-planologische regeling te hebben heeft de gemeente besloten om voor het gebied bestaande uit Almere Pampus en een gedeelte van het Markermeer en het IJmeer een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Het bestemmingsplan wordt opgesteld in het kader van actualisering en is daarom conserverend van aard. In die zin worden er planologische ook geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

1.3 Begrenzing van het plangebied

Het plangebied wordt begrensd door:

- de Hogering aan de zuidoost zijde;

- de Botterweg en de bosstrook Pampushout aan de zuid-zuidwestzijde;

- Het IJmeer van de gemeenten Gooisemeren (sinds 1 januari 2016 ontstaan uit de voormalige gemeenten Muiden, Bussum en Naarden) en Waterland aan de west-noordwestzijde;

- het Markermeer van de gemeenten Edam-Volendam en Koggenland aan de west- en noordzijde;

- het Markermeer van de gemeenten Hoorn en Lelystad aan de noord-noordoostzijde.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0002.png"

figuur plangebied (in rood)

1.4 Vigerende bestemmingsplannen

Met dit nieuwe bestemmingsplan worden de geldende bestemmingsplannen voor de in het plangebied liggende gronden geheel of gedeeltelijk vervangen. Het gaat om de volgende bestemmingsplannen:

Naam   Nummer   Belangrijkste bestemmingen   Vastgesteld   In werking  
bestemmingsplan Pampushout   BP6Z01   bos; agrarisch; recreatie;   9 augustus 1983   3 januari 1984  
bestemmingsplan West en Oost   BP45alg01   Agrarische doeleinden / Bos   17 augustus 1983   31 januari 1984  
bestemmingsplan Gooi- en IJmeer   BP146alg01   Water; waterstaatsdoeleinden   20 juni 1983   6 januari 1984  

Voor het deel van het plangebied ten noorden van Almere Buiten, niet grenzend aan het deel bij Pampus, geldt geen enkel bestemmingsplan op dit moment.

1.5 Leeswijzer

Om de digitale raadpleegbaarheid van het bestemmingsplan te vergroten, is de toelichting opgezet rondom de in het plan gebruikte Bestemmingen. Na een beschrijving van het plangebied en de nieuwe ontwikkelingen (hoofdstuk 2) worden de Bestemmingen beschreven (hoofdstuk 3). Vanuit dit hoofdstuk worden koppelingen gemaakt naar het achterliggende Beleidskader ( hoofdstuk 4) en de Omgevingstoets (hoofdstuk 5). In het hoofdstuk Implementatie (hoofdstuk 6) wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Karakteristieken plangebied

Het plangebied bestaat voornamelijk uit water, landbouwgronden en bos. Hieronder volgt een beschrijving per deelgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0003.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0004.png"

figuren kenmerken deelgebieden

Ad 1. Markermeer en IJmeer (Natura 2000-gebied)

Delen van het Markermeer en IJmeer, inclusief een scheepvaartroute, zijn gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan en bestaan uit open water. Het Markermeer en IJmeer vervullen een belangrijke rol binnen de 'natte as' van Nederland en als centraal open water in het wetland van Noord-Nederland. Het Markermeer en IJmeer zijn dankzij de natuurlijke kwaliteiten belangrijke leefgebieden voor vele vogels. Daarnaast zijn deze gebieden internationaal belangrijk voor trekvogels.

Ad 2 en 3. Pampushout (NNN)

De Pampushout is een Natuurnetwerkgebied van zo'n 481 ha dat bestaat voornamelijk uit bos met hier en daar waterpartijen en open stukken. Het gebied is vrij toegankelijk via fiets-, wandel- en ruiterpaden. Het gebied is aangewezen als NatuurNetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd) door de provincie Flevoland. Aan de Botterweg 8 staat een gebouw van het Flevolandschap, dat voor onderhoud van het bos en als kantoor wordt gebruikt. Op het terrein bij dit gebouw staat sinds 2007 een zeecontainer van de kerkuilenvereniging die voor opslag wordt gebruikt.

Ad 3. Ecologische verbindingszone Kromslootpark - Oostvaardersplassen

Door de Pampushout is een natte verbindingszone gepland. Delen van deze natte zone zijn al aangelegd of worden op korte termijn aangelegd. Deze natte zone dient als verbinding tussen het Kromslootpark (ten zuiden van de A6) en de Lepelaarplassen (binnendijks plassengebied ten oosten van het plangebied). Het doel van de ecologische verbindingszone is om uitwisseling van soorten tussen de Oostvaardersplassen, Lepelaarplassen, Pampushout en het Kromslootpark mogelijk te maken.

Ad 4. Agrarisch gebied

Een groot deel van het binnendijks deel van het plangebied bestaat uit agrarische gronden die voor landbouw (akkerbouw) worden gebruikt. Een deel van dit agrarisch gebied, namelijk ten oosten van de Botterweg, mag ook voor recreatiedoeleinden worden gebruikt.

Ad 5. Tijdelijke windmolens

In het windmolenpark Jaap Rodenburg staan tien windmolens.

Ad 6. Manege

Op de Botterweg 2 bevindt zich Manege Pampushout. De manege ligt in het bos van Pampushout. Bij de manege staat een bedrijfswoning.

Ad 7. Garden of love and fire

Het kunstwerk Polderland Garden of Love and Fire van Daniel Libeskind aan de Pampushavenweg is één van de vijf bijzondere Land Art projecten in Flevoland.

2.2 Nieuwe ontwikkelingen

Dit bestemmingsplan betreft een actualisatieplan en is daarmee primair conserverend van aard. Dit brengt met zich mee, dat naast de bestaande situatie enkel nieuw beleid en nieuwe wetgeving een plek heeft gekregen in dit bestemmingsplan. Hierbij is geen ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, die nog niet concreet genoeg zijn en waarvan de ruimtelijke aanvaardbaarheid middels onderzoek nog niet is aangetoond. Gelet hierop is op de volgende wijze met de in het gebied spelende ontwikkelingen omgegaan.

Woningbouw Pampus en IJmeerlijn

In de Rijksstructuurvisie Amsterdam - Almere - Markermeer (RRAAM) uit 2013 wordt ingezet op versterking van de agglomeratiekracht van de Noordvleugel en daarmee op verbetering van de internationale concurrentiepositie van de Randstad als geheel. Het toekomstperspectief voor Almere is een westelijk georiënteerde stad met circa 60.000 nieuwe woningen ten opzichte van 2010 en een forse groei van het aantal arbeidsplaatsen met ca. 100.000 arbeidsplaatsen. Almere is volwaardig onderdeel van de Noordvleugel. Een IJmeerverbinding met hoogstedelijke ontwikkeling van Almere Pampus is hierbij stip op de horizon. Op moment dat de bouwlocaties in bestaand stedelijk gebied en langs de bestaande vervoersassen zijn benut kan worden gestart met de ontwikkeling van Almere Pampus. Een vervolgonderzoek (MIRT-verkenning) naar verdere infrastructuurmaatregelen voor de ontsluiting van Almere Pampus wordt gestart, als er in Almere ten opzichte van 2010 circa 25.000 woningen zijn gebouwd en er zicht is op afronding van de tweede fase Amsterdam IJburg. Na de MIRT-verkenning wordt een go/no-go-besluit genomen. Zowel een alternatief met IJmeerverbinding (brug en tunnel) als alternatief zonder IJmeerverbinding, waaronder een hoogwaardige openbaar vervoerverbinding in Almere aansluitend op de bestaande spoorcorridor via de Hollandse Brug, wordt dan onderzocht en betrokken bij de afwegingen. Een IJmeerverbinding is vergunbaar bij de uitvoering van natuurmaatregelen voor het Toekomstbestending Ecologisch Systeem (TBES) 1e fase (in geval van een brug) en 2e fase (in geval van een tunnel). Dit betekent dat de stedelijke ontwikkeling van Almere Pampus, de aanleg van een IJmeer- verbinding en de uitvoering van TBES onlosmakelijk aan elkaar zijn verbonden. De gemeente Almere en provincie Flevoland stellen bovendien positieve besluitvorming over de IJmeerverbinding als voorwaarde voor de ontwikkeling van Almere Pampus.

De ontwikkeling van Almere Pampus is naar verwachting niet voor 2025 aan de orde gelet op de lopende grondexploitaties in combinatie met de ambities voor andere majeure opgaven in Almere (Poort, Centrum, Floriade). Verder is de ontwikkeling van een stedelijk woonmilieu in Almere Pampus alleen mogelijk bij realisatie van de IJmeerverbinding. Start van de aanleg van de IJmeerverbinding vindt plaats in een bandbreedte vanaf ca. 2025 (bij een bouwtempo van 2.000 woningen per jaar en MIRT verkenning en borging financiering voor 2025) tot ca. 2040 (bij een bouwtempo van 1.000 woningen per jaar en MIRT verkenning en borging financiering na 2035).

Dit bestemmingsplan heeft een (wettelijk bepaalde) looptijd van tien jaar. De ontwikkeling van Pampus en de aanleg van de IJmeerlijn is gezien het bovenstaande pas na deze planperiode aan de orde. Daarnaast is de gebiedsontwikkeling nu nog onvoldoende concreet. De ontwikkeling van Pampus en de aanleg van de IJmeerlijn worden daarom nu niet meegenomen in dit plan. Indien de ontwikkelingen toch sneller gaan dan verwacht, zal daar op dat moment een nieuw bestemmingsplan of soortgelijk ruimtelijk plan voor worden opgesteld.

Windmolens

Windpark Jaap Rodenburg

De tien bestaande windmolens in windpark Jaap Rodenburg zijn via een bouwvergunning en artikel 19 WRO vrijstellingsprocedure in 1998 gebouwd. Deze zullen worden vervangen door nieuwe windmolens (zie hieronder nieuwe windmolens). Vanwege de vervangingsplannen worden de huidige windmolens niet bestemd. De aanwezige windmolens komen daarmee onder het overgangsrecht te vallen. Dit betekent overigens dat ze gewoon mogen blijven staan.

Nieuwe windmolens

Er is een initiatief van NUON en Almeerse Wind om de bestaande windmolens te vervangen door een nieuw windpark met 8 tot maximaal 15 molens. Er wordt momenteel gewerkt aan de randvoorwaarden, ontwerpeisen en ontwerpbeperkingen. Omdat het initiatief nog onvoldoende concreet is en de ruimtelijke inpasbaarheid niet via onderzoeken is aangetoond, kunnen de nieuwe windmolens nog niet in dit plan worden meegenomen. Onder andere staan de locaties, het aantal en de hoogte van de windmolens nog niet definitief vast en moeten de benodigde milieuonderzoeken (zoals een MER) uitgevoerd worden. Het initiatief voor de windmolens zal daarom met een afzonderlijke planologische procedure (uitgebreide wabo-procedure) gerealiseerd worden.

Project 'Gouden Randen' langs de Pampushout

De provincie Flevoland heeft in het kader van het Programma Nieuwe Natuur in Flevoland bedrijven, instanties of particulieren uitgenodigd om projectideeën in te dienen voor het realiseren van nieuwe natuur. Eén van de projecten, die is gehonoreerd, betreft de 'Gouden randen langs de Pampushout' van het Flevolandschap. Het betreft de aanleg van stroken wetland, bestaande uit open water en rietland met een belangrijke meerwaarde voor de natuur. Hiermee worden de ontbrekende schakels van de Ecozone Pampus, de ecologische verbindingszone (aangewezen als NNN) tussen de Lepelaarplassen en het Kromslootpark, ingevuld. Dit is overeenkomstig het Convenant Ecozone Pampus uit 2006 en de Intentieovereenkomst IAK Groenblauw 2011. De planning is dat in 2016 de gronden worden aangekocht en dat daarna in 2017 met de aanleg gestart kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0005.png"

figuur: Gouden Randen in het Pampushout (rood gearceerd)

Beleid- en wetgeving

De volgende beleidsnota's en wetgeving zijn vertaald in het bestemmingsplan:

Archeologie  

Het is verplicht op grond van de Erfgoedwet (die per 1 juli 2016 de Monumentenwet heeft vervangen) en de Wro om (te verwachten) behoudenswaardige archeologische waarden te beschermen via het bestemmingsplan en daarin integraal op te nemen. Dit is vastgelegd in gemeentelijk beleid (zie Bijlage 1 Beleidskader, 3.5 Sociale structuur, onderwijs en cultuur). Ten tijde van de hiervoor geldende bestemmingsplannen gold dit beleid nog niet. Dit leidt daarmee tot een wijziging met ruimtelijke gevolgen, zoals dat in bepaalde gevallen nu een onderzoeksplicht geldt. Zie verder paragrafen 3.3.1 tot en met 3.3.4.

NatuurNetwerk Nederland (NNN)

Vanwege de achteruitgang van de natuur en de biodiversiteit is in 1990 de EHS geïntroduceerd. De aanwijzing van gronden of gebieden als EHS is bedoeld om deze natuurgebieden te vergroten en met elkaar te verbinden. Ze worden door de provincie aangewezen, waarbij de natuurkwaliteit wordt beschreven. Verder wordt de EHS gebruikt als toetsbare doelstelling voor natuurgebieden. De Rijksoverheid heeft de algemene grenzen van de EHS aangegeven en de provincie heeft deze nader geconcretiseerd. In een bestemmingsplan waarin dergelijke gebieden aanwezig zijn, moet aan deze gebieden de juiste juridische bescherming worden gegeven. Ten tijde van de hiervoor geldende bestemmingsplannen gold dit beleid nog niet. Dit leidt daarom tot wijzigingen in de wijze van bestemmen en in de daaraan gekoppelde regels. Kortgeleden is de naam EHS gewijzigd in NNN maar de regels en doelstellingen zijn hetzelfde gebleven.

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000-gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Natuurbeschermingswet. Uitgangspunten van het Natura 2000-beleid zijn dat die maatregelen worden uitgevoerd die ecologisch nodig zijn om een achteruitgang van de kwaliteit van de habitats in de gebieden te voorkomen en om op den duur een gunstige staat van instandhouding te bereiken van de te beschermen habitats en soorten in het netwerk. Ten tijde van de vorige bestemmingsplannen gold dit beleid nog niet. Dit leidt daarom tot wijzigingen in de wijze van bestemmen en in de daaraan gekoppelde regels.

Hoofdstuk 3 Bestemmingen

In dit hoofdstuk zijn de bestemmingen omschreven en zijn de planuitgangspunten voor de bestemmingen benoemd. Als de uitgangspunten voortkomen uit een beleidskader of een onderzoek uit de omgevingstoets dan is een koppeling opgenomen naar deze informatie.

3.1 Toelichting op de juridische regeling

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Met de invoering van de Wro is de vormgeving van bestemmingen en planregels gestandaardiseerd. De standaarden zijn vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro). Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) en voldoet aan de vereisten op het gebied van digitalisering. Het bestemmingsplan voldoet tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die per 1 oktober 2010 in werking is getreden.

Opzet van de planregels

De planregels van dit bestemmingsplan zijn als volgt opgezet:

  • in Hoofdstuk 1 zijn de begrippen gedefinieerd en is de wijze van meten bepaald;
  • Hoofdstuk 2 bevat de regels voor de verschillende bestemmingen;
  • in Hoofdstuk 3 zijn algemene regels opgenomen, die gelden voor meerdere of alle bestemmingen;
  • Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotbepalingen.

Flexibiliteitsbepalingen

In het bestemmingsplan zijn diverse regels opgenomen waarmee flexibiliteit ten opzichte van de hoofdbestemming wordt ingebouwd. Afwijkingsregels zijn bedoeld voor afwijkingen binnen de bestemming zelf. Op basis van de afwijkingsregels kan een omgevingsvergunning worden verleend. Met wijzigingsbevoegdheden kan het college van burgemeester en wethouders wijzigingen aanbrengen binnen een bestemming of een bestemming wijzigen in een andere bestemming. Afwijkings- en wijzigingsregels kunnen worden gekoppeld aan een enkele bestemming, maar kunnen ook gelden voor meerdere bestemmingen (algemene afwijkingsregels of algemene wijzigingsregels). Bij afwijkings- en wijzigingsregels worden verschillende voorwaarden opgenomen die in acht moeten worden genomen. Het gaat bijvoorbeeld om een maximum oppervlakte of het uitgangspunt dat er geen sprake mag zijn van onevenredige afbreuk van de woon- of werksituatie.

3.2 Bestemmingen

In dit hoofdstuk worden de bestemmingen omschreven en de planuitgangspunten voor de bestemmingen benoemd. Voor zover de uitgangspunten voortvloeien uit een beleidsuitspraak of de omgevingsaspecten, is een koppeling naar de bijbehorende paragraaf opgenomen. Via de koppeling onderaan de paragraaf kan worden doorgeklikt naar de planregels. In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

3.2.1 Agrarisch

Functionele mogelijkheden

De landbouwgronden in het plangebied zijn in gebruik voor akkerbouw. Akkerbouw is het bedrijfsmatig (op commerciële basis) telen van gewassen. Voorbeelden van akkerbouwgewassen zijn suikerbieten, aardappelen, graansoorten en snijmaïs. In het vorige bestemmingsplan was het agrarisch gebruik bedoeld als tijdelijk gebruik, omdat verwacht werd dat de stedelijke ontwikkeling snel zou worden gerealiseerd. Omdat de ontwikkeling van Almere Pampus op dit moment niet voor 2015 wordt verwacht (zie paragraaf 2.2) worden de gronden daarom voor de komende planperiode van tien jaar conform het huidige gebruik voor 'Agrarisch' bestemd. De gronden zijn ook bestemd voor recreatie ter plaatse van de aanduiding daarvan, recreatief medegebruik en voor natuur. Dit laatste maakt de aanleg van onder meer het project de Gouden Randen (zie paragraaf 2.2 Nieuwe ontwikkelingen) mogelijk.

Bebouwing

Er zijn, net als in het hiervoor geldende bestemmingsplannen, geen bouwvlakken opgenomen voor bebouwing. Gebouwen zijn niet toegestaan behalve ten behoeve van nutsvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' zijn bouwwerken ten behoeve van recreatie toegestaan. Dit is ook overgenomen uit het voorgaande bestemmingsplan

In artikel 3 zijn de planregels van de bestemming 'Agrarisch' opgenomen.

3.2.2 Bos

Functionele mogelijkheden

De Pampushout is in de Wezenlijke kenmerken & Waarden EHS Almere (Arcadis, augustus 2009 i.o.v. provincie Flevoland), waarin de natuurwaarden in de EHS van Almere zijn vastgelegd, èn in de gemeentelijke nota 'Kleur aan Groen' getypeerd als bos. Het kenmerkende gebruik van de bossen bestaat uit natuurbeleving, wandelen, fietsen, natuureducatie, recreatie en cultuur. Binnen de bestemming 'Bos' zijn deze functies mogelijk. De Pampushout is door de provincie Flevoland aangewezen als NNN-gebied. Alle gronden die onderdeel uitmaken van de NNN hebben de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' gekregen. Het landschapskunstwerk Polderland Garden of Love and Fire in het bos grenzend aan de Oostvaardersdijk is apart aangeduid als 'cultuurhistorie', zodat dit beschermd en behouden kan worden.

Bebouwing

Binnen de bestemming 'Bos' mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten behoeve van observatiehutten en nutsvoorzieningen èn bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Alleen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd -1' is 400 m² aan bebouwing toegestaan. Dit betreft een opslag-, beheer- en kantoorgebouw van het Flevolandschap.

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels voor de bouw van bouwwerken, zoals beheersgebouwen, schuren, opslagloodsen, tot een gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte van 2.000 m² en een bouwhoogte van 7 m, mits de natuurwaarden niet worden aangetast en de beheerder van het gebied èn de provincie vooraf om advies is gevraagd.

In artikel 4 zijn de planregels van de bestemming 'Bos' opgenomen.

3.2.3 Groen

De bestemming 'Groen' is gelegd op twee behoudenswaardige vindplaatsen. Bebouwing is niet toegestaan om te voorkomen dat bebouwing de vindplaatsen aantast. In Artikel 5 staan de regels van deze bestemming.

3.2.4 Sport

Functionele mogelijkheden

In het plangebied, aan de Botterweg 2-4, is manege Pampushout gevestigd. De manege heeft de bestemming 'Sport' gekregen. Naast gebruik als een manege met bijbehorende voorzieningen zoals, stallen, stapmolens, paardenweiden, mestopslag e.d., is ook ondergeschikte horeca (ondergeschikt aan de hoofdfunctie manege) toegestaan. Bij de manege is één bedrijfswoning aanwezig. De uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen dan wel bedrijfsmatige activiteiten aan huis vanuit de bedrijfswoning is toegestaan.

Vrije beroepen

Het uitoefenen van vrije beroepen in huis is toegestaan, tenminste voor zover het vrije beroep vanuit het gebouw waarin wordt gewoond, wordt uitgeoefend. Kenmerk van deze beroepen is een sterke verweven- heid tussen wonen en werken. De in de bestemming "Sport" opgenomen bebouwingsmogelijkheden ten aanzien van de bedrijfswoning zijn ook van kracht bij het bouwen ten behoeve van een vrij beroep. Traditionele vrije beroepen, zoals een notaris, een huisarts, een tandarts, een accountant e.a. zijn binnen de woonbestemming altijd toegestaan, mits de woonfunctie in overwegende mate intact blijft en het beroepsmatig gebruik zich beperkt tot een vloeroppervlak van maximaal 33%.

Aan-huis-verbonden beroepen en bedrijfsmatige activiteiten

Bij de aan-huis-verbonden beroepen en bedrijfsmatige activiteiten aan huis moet aan de volgende beroepen en bedrijven worden gedacht, zoals opgesomd in de onderstaande lijst. Deze lijst is niet limitatief en is bedoeld als voorbeeld.

Omschrijving   Voorwaarden/toelichting  
Vrije beroepen   bijv. Notaris, huisarts, tandarts, accountant  
Uitgeverijen   Kantoren  
Grafische afwerking    
Reproductiebedrijven opgenomen media    
Vervaardiging van sieraden e.d.    
Reparatie t.b.v. particulieren   bijv. fietsen, maar reparaties van auto's en motorfietsen vallen hier niet onder  
Reisorganisaties    
Verzekeringsbedrijf/kantoor    
Verhuur van en handel in onroerend goed    
Computerservice- en informatietechnologiebureaus e.d.    
Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek    
Hoveniersbedrijven   Bedoeld wordt een eenmanszaak die zijn auto thuis parkeert, kantoor aan huis heeft en eventueel spullen opslaat. Het mag geen kwekerij zijn  
Meubel- en woningstoffeerderijen    
Cursussen    
Workshops    
Internetbedrijven / e-commerce   Max 25 m² v.v.o. verkoop aan huis c.q. afhaalpunt  
Kantoor algemeen    
Schoonheidsspecialisten, pedicures en manicures    
Bed&breakfast   Het gaat om het laten gebruiken van normale slaapkamers in de bedrijfswoning door reizigers/vakantiegangers, waarbij eventueel ook ontbijt mogelijk is. De bedrijfswoning moet wel een woning blijven. Er mag geen complete verbouwing plaatsvinden tot een hotel. De eigenaar/exploitant moet er ook blijven wonen. In beginsel zijn ten hoogste 5 gasten tegelijk mogelijk om nog ondergeschikt aan de woonfunctie te zijn.  
Gastouderschap, niet zijnde kinderdagverblijven   Opvang binnen de eigen woning, geen verbouwingen, geen professionele organisatie  
Wassalons en wasserettes   Geen wasmachines/drogers, alleen inzameling en afleveren van kleding  
Kappers    
Detailhandel   Maximaal 25 m² v.v.o.  
Buiten de hierboven genoemde gevallen   Activiteiten die naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de bovengenoemde activiteiten  

Aan-huis-verbonden beroepen en bedrijfsmatige activiteiten in de bedrijfswoning zijn onder voorwaarden toegestaan. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de specifieke gebruiksregels van de bestemming "Sport".

Bebouwing

Er mag gebouwd worden binnen het bestemmingsvlak tot een maximale bouwhoogte van 8 m. Binnen het bouwvlak zijn gebouwen toegestaan met een gezamenlijk bedrijfsvloeroppervlak van 4.000 m². Voor de bedrijfswoning geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter en een maximale inhoud van 750 m³.

In artikel 6 zijn de planregels van de bestemming Sport opgenomen.

3.2.5 Verkeer

Functionele mogelijkheden

Openbare, doorgaande wegen zijn in het bestemmingsplan voorzien van een verkeersbestemming.

Bebouwing

Alleen bebouwing ten behoeve van nutsvoorzieningen is toegestaan. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen toegestaan. Met een omgevingsvergunning is het mogelijk om af te kunnen wijken van de bouwregels voor grotere nutsvoorzieningen en voor een hogere antennemast.

In artikel 7 zijn de planregels van de bestemming Verkeer opgenomen.

3.2.6 Verkeer-Verblijfsgebied

Functionele mogelijkheden

Voor niet-autowegen (fiets en wandelpaden) en het gedeelte van de Oostvaardersdijk dat niet primair voor autoverkeer is bestemd, is de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen. Voor zover deze wegen of paden in een bosgebied liggen, zijn ze zoveel mogelijk als 'Bos' bestemd om de flexibiliteit zo groot mogelijk te houden en niet te gedetailleerd te bestemmen. Binnen de bosbestemming is namelijk ook de aanleg van wegen, fiets- en voetpaden en bermen toegestaan. Ook zijn bij de verkeers- verblijfsgebied bestemming behorende voorzieningen toegestaan zoals groen-, parkeer- en nutsvoorzieningen. Verder zijn functies uit de openbare ruimte toegestaan zoals straatmeubilair, voorzieningen voor (ondergrondse) afvalinzameling, geluidwerende voorzieningen, reclameobjecten en water.

Bebouwing

Alleen ten behoeve van nutsvoorzieningen zijn gebouwen toegestaan. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen toegestaan. Met een omgevingsvergunning is het mogelijk om af te kunnen wijken van de bouwregels voor grotere nutsvoorzieningen en voor een hogere antennemast.

In artikel 8 zijn de planregels van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' opgenomen.

3.2.7 Water

Functionele mogelijkheden

De belangrijke waterlopen, -gangen en -partijen hebben de bestemming 'Water' gekregen. Het gaat vooral om de hoofdwatergangen van het Rijk en van het Waterschap. Deze watergangen hebben een belangrijke waterhuishoudkundige functie in het plangebied. Het binnen het plangebied gelegen Markermeer en IJmeer behoren tot het Natura 2000-gebied 'Markermeer en IJmeer'. Deze gronden hebben naast een functie voor de scheeps- en recreatievaart en de visserij een natuurdoel. Het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden van het Natura 2000-gebied Markermeer en IJmeer zijn door middel van de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' beschermd. Voor bepaalde werkzaamheden o.a. ontgronden is op basis van de dubbelbestemming een vergunning noodzakelijk. Aan weerszijden van de Oostvaardersdijk, die een waterkerende functie heeft, liggen zones waarbinnen werken en werkzaamheden invloed kunnen hebben op het functioneren van de waterkering. Deze zones zijn daarom voorzien van de aanduidingen 'Vrijwaringszone dijk - 1' en 'Vrijwaringszone dijk - 2'.

Gebruik

Het is verboden om de bodem van de gronden met de bestemming 'Water' te verstoren, door bijvoorbeeld de winning van zand, de bodem te verlagen, verhogen of egaliseren. Dit is opgenomen, omdat hiervoor in veel gevallen vergunningen en/ of ontheffingen nodig zijn in het kader van de Ontgrondingenwet, de Natuurbeschermingswet, de Waterwet en de Wabo. Ook is mogelijk dat hiervoor een MER of MER-beoordeling noodzakelijk is. Nader onderzoek in hoeverre bijvoorbeeld zandwinning mogelijk is, is niet gedaan in dit bestemmingsplan vanwege het conserverend karakter ervan. Indien er een initiatief komt, zal dit via een afzonderlijke procedure geregeld moeten worden. Voor het verrichten van normaal onderhoud, afgraven van bestaande scheepvaartroutes en dergelijke geldt dit verbod niet.

Bebouwing

In artikel 9 zijn de planregels van de bestemming 'Water' opgenomen.

3.3 Dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen

Daar waar meerdere functies aanwezig zijn of verbijzondering van de juridische regeling noodzakelijk is, wordt (overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) gewerkt met dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen. In het bestemmingsplan zijn de volgende opgenomen:

3.3.1 Waarde-Archeologie 1

Gebieden, zoals aangeduid op de Archeologische Beleidskaart Almere 2016, met mogelijke archeologische waarden op een diepte vanaf 150 cm onder maaiveld (op dekzand en Oude Getijden- afzettingen) hebben ter bescherming en behoud van die mogelijke archeologische waarden de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 1" gekregen. Dit betekent dat er behalve de basisbestemming voor bijvoorbeeld groen of water, ook een bestemming voor archeologie geldt. Aan deze bestemming is een bouwverbod met ontheffingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningstelsel voor de activiteit 'aanleggen' gekoppeld om de mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen. Ook kan middels een wijzigingsbevoegdheid voor gronden, waar op basis van archeologisch onderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden zijn vastgesteld, de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' worden geschrapt. Indien wel behoudenswaardige vindplaatsen worden aangetroffen, dan wordt de bestemming 'Waarde - Archeologie 1' gewijzigd in 'Waarde - Archeologie 5'.

De regels voor de bestemming zijn opgenomen in Artikel 10.

3.3.2 Waarde-Archeologie 4

Gebieden, zoals aangeduid op de Archeologische Beleidskaart Almere 2016, met mogelijke archeologische waarden op een diepte vanaf 50 cm onder maaiveld (op oeverwallen), zijn bestemd voor "Waarde - Archeologie 4". Aan deze bestemming is een bouwverbod met ontheffingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningstelsel voor de activiteit 'aanleggen' gekoppeld om de mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen.

In Artikel 11 staan de regels voor deze bestemming.

3.3.3 Waarde-Archeologie 5

Voor archeologisch behoudenswaardige vindplaatsen geldt de bestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Een vindplaats bestaat uit twee onderdelen: een kern met aangetoonde behoudenswaardige archeologische resten en een 10 meter brede bufferzone rondom die kern. Deze buffer dient ter fysieke bescherming van de kern en om de toegankelijkheid daarvan voor de toekomst te garanderen. Roering van de bodem van de buffer is in principe onder voorwaarden mogelijk, met dien verstande dat dit geen (risico op) schadelijke effecten mag hebben op de archeologische resten in de kern van de vindplaats. Aan deze bestemming is een bouwverbod gekoppeld met afwijkingsmogelijkheden. Wel mag bij recht een bouwwerk worden gebouwd ten behoeve van de herkenbaarheid van de vindplaats, zoals een (erfgoed)marker. De afwijkings- mogelijkheden zijn opgenomen om toch bebouwing c.q. grondroering in de bufferzone mogelijk te maken ten behoeve van de samenvallende bestemmingen, op voorwaarde dat de archeologische waarden niet aangetast worden dan wel door middel van een archeologische opgraving voorafgaand aan het bouwen, ex situ veilig gesteld zijn (in een archeologisch depot of een museum). Daarnaast geldt een omgevingsvergunningenstelsel voor de activiteit 'aanleggen' ter bescherming van de archeologische waarden. Tevens geldt een verplichting tot inpassing en inrichting van de vindplaats.

In Artikel 12 zijn de planregels van de bestemming Waarde - Archeologie 5 opgenomen.

3.3.4 Waarde-Archeologie 6

Het buitendijkse water kan mogelijke archeologische waarden uit de prehistorie of scheeps- en vliegtuigwrakken bevatten en zijn daarom bestemd voor "Waarde - Archeologie 6". Aan deze bestemming is een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningstelsel voor de activiteit 'aanleggen' gekoppeld om de mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen.

De regels voor deze bestemming staan in Artikel 13.

3.3.5 Waarde-Ecologie

Aan delen van het plangebied is, naast de andere daar voorkomende bestemming(en), de dubbelbestemming "Waarde - Ecologie" toegekend. Het gaat om het Natura-2000 gebied (het buitendijks water) en de NNN-gebieden (delen van het binnendijks gebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0006.png"

figuur: NNN (op de figuur nog EHS genoemd)- en Natura 2000-gebieden in het plangebied

Het doel van deze dubbelbestemming is het behoud en de bescherming van de ecologische waarden van de gronden. In het kader van dit doel zijn gebouwen op de gronden met deze bestemming niet toegestaan met uitzondering van een bouwwerken, die volgens de onderliggende bestemming mogelijk zijn, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ecologische waarden. Een verdere bescherming van de ecologische waarden wordt geboden door een specifieke gebruiksregeling. Op de gronden zijn enkele werken en/of werkzaamheden mogelijk. Echter hiervoor is een omgevingsvergunning vereist, die slechts kan worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ecologische waarden van de gronden.

In artikel 14 zijn de planregels van de bestemming 'Waarde - Ecologie' opgenomen.

3.3.6 Waterstaat-Waterkering

De Oostvaardersdijk heeft een waterkerende functie en daarom de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Gronden met deze bestemming zijn naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, primair bestemd voor een waterkering. Aangrenzend zijn vrijwaringszones (zie paragrafen 3.3.7 en 3.3.8 ) opgenomen met aanvullende gebruiksbeperkingen. Dit zijn beschermingszones voor de waterkerende functie van de Oostvaardersdijk, die gelden op basis van de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland (zie voor de uitleg hiervan 5.9 Waterparagraaf).

In Artikel 15 zijn de planregels van de bestemming Waterstaat-Waterkering opgenomen.

3.3.7 Vrijwaringszone-dijk 1

Om de stabiliteit van de primaire waterkering de Oostvaardersdijk te garanderen geldt aan weerszijden van de dijk een terughoudend bouwbeleid. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in twee verschillende beschermingszones. De aanduiding 'Vrijwaringszone dijk - 1' heeft betrekking op de binnenbeschermingszone en bedraagt 20 meter vanuit de kernzone van de dijk. Deze vrijwaringszone dient onbebouwd te blijven (zie ook paragraaf 5.9 Waterparagraaf). Op grond van deze aanduiding is voor bepaalde werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig. Bebouwing is er niet toegestaan, behalve ten behoeve van waterstaatkundige functies. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning bouwen of aanleg van werken en werkzaamheden moet eerst advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder, het waterschap Zuiderzeeland.

In artikel 18.1 zijn de planregels van de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone dijk - 1' opgenomen.

3.3.8 Vrijwaringszone-dijk 2

Ter bescherming van de stabiliteit van de primaire waterkering de Oostvaardersdijk is aangrenzend aan de beschermingszone zoals genoemd in paragraaf 3.3.7 de aanduiding 'Vrijwaringszone dijk - 2' opgenomen. Deze aanduiding wordt de buitenbeschermingszone genoemd. Binnendijks heeft deze zone een breedte van 80 meter, terwijl het buitendijks gaat om een zone met een breedte van 155 meter. In de buitenbeschermingszone geldt geen beperking voor bouwactiviteiten, maar wel een verbod op diepe ontgrondingen. (zie ook paragraaf 5.9 Waterparagraaf).

In artikel 18.2 zijn de planregels van de gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone dijk - 2' opgenomen.

3.4 Overige regels

3.4.1 Inleidende regels

Begripsbepalingen

In artikel 1 zijn de begripsbepalingen opgenomen van de regels. In dit artikel wordt uitgelegd wat onder bepaalde begrippen moet worden verstaan, die in de regels worden gebruikt. Bijvoorbeeld wat met nutsvoorzieningen of ondergeschikte horeca wordt bedoeld.

Wijze van meten

In artikel 2 is de wijze van meten opgenomen van de regels. In dit artikel staat hoe bij de toepassing van de regels moet worden gemeten, bijvoorbeeld hoe de bouwhoogte van een bouwwerk moet worden gemeten.

3.4.2 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

In artikel 16 is de anti-dubbeltelregel opgenomen. Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisatie daarvan, door feitelijke functie- of gebruiksverandering opnieuw (voor een tweede keer) gebruik zou kunnen worden gemaakt. Grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van een bouwplan, mag niet een tweede maal meetellen voor de toelaatbaarheid van andere bouwplannen. De anti-dubbeltelregel is een standaardregel, die is voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening.

Overschrijding grenzen

In artikel 17.1 is een regel opgenomen, dat bestemmings- en bouwgrenzen door bepaalde (ondergeschikte) onderdelen van een gebouw (zoals overstekken en afdaken) mogen worden overschreden. De regel biedt flexibiliteit ten aanzien van de situering van ondergeschikte onderdelen aan gebouwen.

Ondergeschikte bouwonderdelen op daken

In artikel 17.2 is een regel opgenomen, dat bepaalde (ondergeschikte) onderdelen van een gebouw (zoals installatiecontainers en liftschachten) niet worden meegerekend bij het bepalen van de hoogte van een gebouw. De regel biedt flexibiliteit ten aanzien van de situering van ondergeschikte onderdelen op gebouwen.

Afwijkingsregels

In artikel 19 zijn afwijkingsregels opgenomen. De afwijkingsregels mogen niet worden gebruikt, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Er kan worden afgeweken van de regels voor:

  • het afwijken van maten (maximaal 10 %);
  • het overschrijden van bouwgrenzen (maximaal 3 meter en het bouwvlak maximaal 10% groter);
  • het oprichten van ondergrondse pompgemalen voor riooltransportleidingen;
  • het bouwen van gebouwen voor nutsvoorzieningen met een lagere bouwhoogte of een lager bebouwingspercentage dan is voorgeschreven;
  • het oprichten van kleinschalige windmolens op of aan het hoofdgebouw: kleinschalige windmolens zijn te beschouwen als 'overige functioneel met de bestemming verbonden voorzieningen'. Voor het toestaan van deze windmolens moet worden voldaan aan de volgende randvoorwaarden:
      • a. de maximum bouwhoogte voor hoofdgebouwen mag met maximaal 3 m worden overschreden;
      • b. de rotordiameter van de windmolens mag maximaal 2 m bedragen.

Voor horizontale as windturbines (HAT) en verticale as windturbines (VAT) is in de onderstaande figuur weergegeven hoe de rotordiameter wordt gemeten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0007.png"

HAT VAT

Wijzigingsregels

In artikel 20 is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een bestemmingsvlak met maximaal 10% te vergroten. Dit mag indien dit nodig is voor een (steden)bouwkundig betere realisering van bestemmingen of bouwwerken of in verband met de werkelijke toestand van een terrein. Verder kan de Lijst van parkeernormen worden gewijzigd, indien ontwikkelingen op parkeergebied daartoe aanleiding geven.

Overige regelingen

In artikel 21 is aangegeven dat indien in de regels wordt verwezen naar regelingen of verordeningen, dat het dan gaat om de regelingen of verordeningen die gelden op het moment dat het ontwerp bestemmingsplan ter inzage is gelegd.

3.4.3 Overgangs- en slotregels

In artikel 22 is het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik opgenomen. In het overgangsrecht wordt bepaald op welke manier met situaties wordt omgegaan die op basis van het vorige bestemmingsplan wel waren toegestaan, maar niet in het nieuwe bestemmingsplan zijn opgenomen. Het overgangsrecht zijn standaardregels, die zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening.

In artikel 23 is de slotregel opgenomen. Hierin staat onder welke naam de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 4 Relevante beleidskaders

Het ruimtelijk beleid van rijk, provincie en gemeente werkt door in de manier van bestemmen van gronden en bouwwerken. In de onderstaande tabel staat op welke manier de verschillende beleidsdocumenten doorwerken in het bestemmingsplan. In Bijlage 1 Beleidskader is een uitgebreide beschrijving opgenomen van het beleidskader. Daarin worden ook beleidsdocumenten beschreven die niet direct tot een regeling in het bestemmingsplan leiden en daarom niet in tabel zijn opgenomen.

Beleidsdocument   Beleidsuitgangspunt   Vertaling in het bestemmingsplan  
Rijksbeleid  
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
 
Drievoudige schaalsprong in het gebied Amsterdam - Almere - Markermeer (woningbouw, infrastructuur en groen/blauw)   Nieuwe ontwikkelingen staan niet in dit plan en behoeven dus geen regeling  
  Ladder voor duurzame verstedelijking   n.v.t. omdat er geen stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden met dit plan.  
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2012)
Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (2012)  
Radarverstoringsgebieden   Geen mogelijkheid opnemen voor de bouw van nieuwe windturbines.
Kleinschalige windmolens op gebouwen onder voorwaarden toestaan.
 
  Primaire waterkeringen   De waterkering (Oostvaardersdijk) in het plangebied zijn voorzien van een dubbelbestemming, waarbinnen de bescherming van de waterkering wordt geregeld. De beschermings- zones zijn voorzien van aanduidingen.  
  NatuurNetwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische hoofdstructuur (EHS)   Deze gebieden krijgen de dubbelbestemming 'waarde-ecologie' zodat het behoud en bescherming ervan gewaarborgd is.  
RAAM-brief; Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer (2013);
Bestuursovereenkomst RRAAM (2013);
Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 (2013) (IAK2)  
Schaalsprong Almere: het toekomst- perspectief voor Almere is een westelijk georiënteerde stad met circa 60.000 nieuwe woningen ten opzichte van 2010 en een groei van het aantal arbeids- plaatsen met 100.000. Een adaptieve aanpak staat centraal: vraagafhankelijk realiseren van woningen, infrastructuur, economische activiteiten en voorzieningen.   De stedelijke ontwikkeling die onder meer in Pampus zou moeten plaatsvinden, vindt niet voor 2025 plaats, zodat deze ontwikkelingen nog niet in dit plan met een looptijd van tien jaar worden geregeld.  
Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015)   Robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem.   Grote waterpartijen bestemmen voor water en waterberging.  
Erfgoedwet (2016)   Beschermen van archeologische waarden   Opnemen van een dubbelbestemming voor gebieden met een hoge archeologische (verwachtings-) waarde.  
Kaderrichtlijn Water   Maatregelen waterkwaliteit o.a. voor Markermeer-IJmeer   Het plan vormt geen beperking voor de uitvoering van de KRW doelen.  
Provinciaal en regionaal beleid  
Omgevingsplan Flevoland (2006)   Het gebied is aangewezen als landelijk gebied, water, recreatie en toerisme, natuur, landschap/ cultuurhistorie/ archeologie en duurzame energie.   Het agrarisch gebied moet vitaal blijven. Dit gebeurt door het gebied dat agrarisch wordt gebruikt als agrarisch te bestemmen. Het Markermeer en de groene gebieden bieden ruimte voor recreatie, maar zijn ook aangewezen als NNN en/of Natura 2000-gebied Deze dienen voldoende bescherming te krijgen via het bestemmingsplan. De archeologische waarden worden in dit plan via een dubbelbestemming beschermd. Windenergie is mogelijk maar in overleg met de provincie. Dit krijgt dus geen directe regeling in dit plan.  
Verordening op de fysieke leefomgeving Flevoland (2012)   Gemeenten dienen het NNN te begrenzen en te beschermen via een bestemmingsplan.   Het NNN wordt in dit plan voldoende en conform de VFL beschermd middels een dubbelbestemming 'Waarde-ecologie'.  
Beleidsregel Windmolens (2008) & partiële herziening Omgevingsplan Wind (2016)   Opschalen en saneren van windmolens   Geen ruimte bieden aan nieuwe windmolenopstellingen.
Wel ruimte bieden aan kleine windmolens op gebouwen.  
Beleidsregel archeologie en ruimtelijke ordening (2008)   Beschermen van archeologische waarden   Opnemen van een dubbelbestemming voor gebieden met een archeologische verwachtingswaarde en vindplaatsen.  
Gemeentelijk beleid  
Ruimtelijke ontwikkeling  
Structuurplan Almere 2010 (2003)   Hoofdlijnen voor ontwikkeling van
Almere: meer verscheidenheid in
woningen, actief beheer van bestaand
stedelijk gebied en ruimte voor bedrijven. Focus ligt op westelijke oriëntatie voor Almere waaronder Pampus met suburbaan wonen en woon-werklandschappen.  
Ontwikkeling van Pampus is pas vanaf 2025 aan de orde. Dit regelt dit plan niet. Het groenblauwnetwerk wordt conform beschermd door parkbossen te behouden, te bestemmen voor extensieve recreatie en mogelijkheden voor fiets- en wandelpaden. De natuurbossen bieden beperktere recreatieve mogelijkheden. Het water kan beter worden benut voor bvb sport, horeca, jachthavens, maar de realisatie van bebouwde voorzieningen komt pas aan de orde vanaf de ontwikkeling van Pampus zelf, dus na 2025. Waterrecreatie is toegestaan, zoals zeilen, surfen en zwemmen.  
Concept Structuurvisie Almere 2.0 (2009)   Uitwerking van IAK1 (schaalsprong): meerkernige opzet benutten, verkleuren naar diverse samenleving, groenblauwe structuur is drager van nu en toekomst, diversiteit qua wonen, sterke en gedifferentieerde economie.   bevestigen van de dragende groenblauwe structuur middels passende bestemming.  
Energie Werkt! (2015)   Energieneutraliteit in Almere in 2022 door middel van 5 werklijnen   Op bestaande gebouwen worden kleinschalige windmolens toegestaan. Nieuwe windmolens moeten via aparte planologische procedure worden geregeld.  
Welstandsnota Almere 2014 (2015)   Welstandstoezicht voor:
- het groenblauwe raamwerk
- de hoofdstructuur
- de centrumgebieden
- bijzondere gebieden
- reclame.  
Voor het groenblauwe raamwerk en de dijken blijft het welstandstoezicht bestaan.  
Masten en antennes t.b.v. het mobiele telefoonnet (1999)   Plaatsing van masten is niet mogelijk in (toekomstige) woonwijken en natuurgebieden, maar wel op bedrijventerreinen, sportparken en langs hoofdinfrastructuur.   In verkeersbestemming langs Botterweg-Pampusdreef en de dijk kunnen via afwijking zendmasten worden toegestaan.  
Uitgiftebeleid benzineverkooppunten (2000)   Vestigingsbeleid benzineverkooppunten: nabij manege zou benzineverkooppunt kunnen worden gevestigd.   Geen ruimte bieden aan nieuwe benzineverkooppunten omdat concrete initiatieven daarvoor ontbreken.  
Werk in de stad  
Gemeentelijke Visie op het vestigingsbeleid (2010)   Gunstig vestigingsklimaat bieden voor bestaande en nieuwe bedrijven en voldoende werkgelegenheid.   Dit beleid is niet direct relevant voor het plangebied, omdat er behalve de manege geen bedrijven(terreinen) gevestigd zijn.  
Horecanota (2000)   De nota is een weergave van de situatie op moment van vaststelling ervan (2000), geeft uitgangspunten maar biedt ruimte voor uitzonderingen.   Het plangebied is een park en/ of groengebied. Nieuwe horeca is daar wel wenselijk, maar niet direct in het plan mogelijk gemaakt, omdat er geen concrete initiatieven voor zijn en dus omvang, locatie ed niet duidelijk zijn.  
Kansenkaart vrijetijdseconomie Almere (2014)   aanwijzen van locaties waar kansen liggen voor ontwikkeling van vrijetijdsvoorzieningen.   Pampushout-Zuid 'de Lusthof'' is aangewezen als kant voor ontmoetingsplek met horeca, natuur-cultuurgerichte activiteiten en kleinschalige evenementen. Concrete initiatieven ontbreken, zodat dit niet direct in het plan is geregeld.  
Uitvoeringsagenda Toerisme en recreatie (2016)   uitwerking van de kansenkaart door focus te geven en vervolgstappen: drie strategieën: placemaking, thematische versterking en samenwerking/organisatie   De agenda heeft geen directe gevolgen voor het plan. Wel is aangegeven dat het buitendijks gebied veel mogelijkheden biedt voor water-, verblijfsrecreatie en ontspannings- activiteiten en dat de bossen geschikt zijn voor natuurbeleving.  
Groene stad  
Kleur aan groen (2014)   spelregels voor zorgvuldige inpassing van initiatieven in het groenblauwe raamwerk van almere   Gebied is aangewezen als 'moeras en natte natuur', 'bos' en 'dijk, water- en recreatieve verbinding'. Aanleg van groen/bos en verbindingen is in de regels mogelijk gemaakt. Nieuwe gebouwde initiatieven zijn niet direct mogelijk. Deze worden eerst beoordeeld aan de Nota en vinden plaats via een aparte procedure.  
Ecologisch Masterplan (2005)   Beleidskader voor natuur in Almere. Uitgangspunten zijn: vergroten oppervlak en kwaliteit natuur, ontbrekende schakels in groen-blauwe raamwerk aanvullen, brongebieden veiligstellen,   Ecozone Pampus (tussen Kromslootpark, ecozone Poort, Lepelaarplassen) is mogelijk gemaakt in dit plan.  
Sociale structuur, onderwijs en cultuur  
Visie Cultuur 2.0 (2012)   Ontwikkelen culturele infrastructuur   Het landschapskunstwerk Polderland Garden of Love and Fire is beschermd in dit plan.  
Archeologienota (2016)   Beschermen van archeologische waarden   Onderzoeksplicht opnemen bij de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1, 4, 5 en 6'.  
Archeologieverordening (2016)   Archeologisch waardevolle terreinen op de ABA moeten overeenkomstig de verordening worden beschermd   Opnemen van dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1, 4, 5 en 6'.  

Hoofdstuk 5 Omgevingstoets

Om aan te kunnen tonen dat een bestemmingsplan uitvoerbaar is, moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan worden bekeken of de ontwikkelingen binnen het plan voldoen aan de regelgeving op het gebied van milieu, ecologie, archeologie en water.

5.1 Milieu-effectrapportage

Inleiding

Voor plannen en besluiten die ontwikkelingen bevatten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, geldt de verplichting om de procedure voor milieueffectrapportage te doorlopen of te beoordelen of het doorlopen van een dergelijke procedure noodzakelijk is (een mer-beoordeling). Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De categorieën van activiteiten waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer). De activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben staan genoemd in het Besluit milieueffectrapportage in de bijlagen. Het gaat om de C-lijst en de D-lijst waarin alle activiteiten staan genoemd waarvoor mer-verplichtingen kunnen gelden. De aard en omvang van de activiteit bepaalt in belangrijke mate welke verplichtingen gelden ten aanzien van de rapportages. Er is sprake van een vormvrije mer-beoordeling, een mer-beoordeling of een mer-plicht. De gevallen waarvoor een milieueffectrapportage verplicht is, staan in onderdeel C. De gevallen waarvoor een mer-beoordeling verplicht is, staan in onderdeel D. De gevallen in onderdeel D zijn overigens indicatief. De verplichting voor een mer-beoordeling geldt ook wanneer op grond van de selectiecriteria in bijlage III bij de EU-richtlijn 'betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten' niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Deze omstandigheden zijn:

  • 1. de kenmerken van de projecten (omvang project, gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder, risico en ongevallen en de cumulatie met andere projecten);
  • 2. de locatie van de projecten (bijzondere gebieden, bestaand grondgebruik, rijkdom/kwaliteit/regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen van het gebied, het opnamevermogen van het natuurlijk milieu);
  • 3. de soort en kenmerken van de potentiële effecten (in samenhang met de eerste twee criteria: bereik, grensoverschrijdende karakter van het effect, orde/grootte/complexiteit effect, waarschijnlijkheid effect, duur/frequentie/onomkeerbaarheid van het effect).

Voor de volgende gevallen geldt een mer-beoordelingsplicht:

  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van een jachthaven met 250.000 bezoekers 100 ligplaatsen , een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied (D 10);
  • de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen met een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer (D 11.2).

Beoordeling

In dit bestemmingsplan worden geen activiteiten mogelijk gemaakt of zijn activiteiten voorgenomen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, die worden genoemd in bijlagen C of D van het Besluit mer. In het plangebied ligt wel het Natura 2000-gebied 'het IJmeer/Markermeer' en nabij de Lepelaarplassen. Het bestemmingsplan maakt echter geen ontwikkelingen mogelijk (bestemt de huidige situatie), zodat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu uitgesloten kunnen worden. Een mer of mer-beoordelingsbesluit voor het bestemmingsplan is daarom niet nodig.

5.2 Verkeer

Autoverkeer

Ontsluiting

Passend binnen duurzaam-veilig is er in Almere sprake van een zelfverklarende infrastructuur:

  • stroomwegen (A6, A27, Hogering/ Buitenring/ Tussenring/ Waterlandseweg) = verkeersader
  • gebiedsontsluitingswegen (dreven) = verkeersader
  • erftoegangswegen (buurtwegen/woonstraten) = verblijfsgebied

De kruispunten van de Almeerse gebiedsontsluitingswegen zijn uitgevoerd in de vorm van rotondes of, in het geval van hoge verkeersintensiteiten, als verkeersregelinstallatie. Doorgaand autoverkeer is in het verblijfsgebied aanwezig.

Snelheid

Op de gebiedsontsluitingswegen bedraagt de maximum snelheid 50 km/h. Voor de stroomwegen in Almere geldt 80 km/h, of in het geval van een snelweg 100-120 km/h.

Parkeren

Parkeren vormt in het plangebied geen issue. Op de dijk is een aantal parkeerplaatsen aangelegd en bij de manege is parkeergelegenheid voor gebruikers ervan. Verder liggen hier en daar verspreid parkeerplaatsen ten behoeve van het recreatief gebruik van het bos.

Openbaar vervoer

Het gebied bevat geen voorzieningen voor openbaar vervoer.

Langzaam verkeer

Fietser

De hoofdfietsroutes in Almere hebben zo min mogelijk kruispunten en zijn verlicht. De hoofdroutes zijn zo veel mogelijk langs de rand van wijken gesitueerd in plaats van middendoor. De drukke hoofdroutes zijn als solitair fietspad uitgevoerd en zijn in principe voorzien van rood asfalt en van begeleidende voorzieningen met dag- en avondbezoek (stadscorridors). De recreatieve, alternatieve routes worden grotendeels gekenmerkt door het niet hebben van een recht beloop en door de afwezigheid van openbare verlichting.

 

5.3 Geluid

Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. In de wet zijn grenswaarden opgenomen die in acht moeten worden genomen bij de aanleg dan wel wijzigingen van een (spoor)weg of industrieterrein. Dit geldt ook bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan, wanneer de betreffende gronden in een geluidszone zijn gelegen. In het plangebied worden geen geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt en worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of gezoneerde industrieterreinen mogelijk gemaakt. De Wet geluidhinder is daarmee niet relevant. Ook is het aspect geluid in het kader van goede ruimtelijke ordening in dit plan niet relevant. Geluidshinder van bedrijven wordt bestreden middels voorschriften in de omgevingsvergunning dan wel op grond van het Activiteitenbesluit waarin algemene regels zijn opgenomen.

5.4 Luchtkwaliteit

Wet milieubeheer

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden, indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

  • a. de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;
  • b. de luchtkwaliteit tengevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • c. de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM-bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;
  • d. het project is opgenomen of past binnen het NSL.

In de Wet luchtkwaliteit is de wettelijke basis voor het NSL opgenomen. In het NSL staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit.

AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM)

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van NIBM, zijn vastgelegd in de AMvB-NIBM. Zo is bepaald dat een verslechtering van 3% van de luchtkwaliteit (c.q. een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als ‘niet in betekenende mate’ kan worden beschouwd. Het bestemmingsplan legt de bestaande situatie vast en geeft geen mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen. Een verslechtering is dus niet aan orde.

Conclusie

Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.

5.5 Externe veiligheid

Inleiding

Transport van gevaarlijke stoffen over de weg net buiten het plangebied is de voornaamste voor het plangebied relevante risicobron met ruimtelijke consequenties op gebied van externe veiligheid. Ten behoeve van dit bestemmingsplan is het document: 'Quickscan externe veiligheid bestemmingsplan Almere-Pampus en Markermeer', augustus 2016' opgesteld (zie Bijlage 3).

Plaatsgebonden risico

De wettelijke vereiste basisbescherming wordt geboden en er worden met dit bestemmingsplan geen kwetsbare of beperkt kwetsbare functies mogelijk gemaakt binnen de wettelijke milieukwaliteitseisen voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar. Het is niet nodig dit te borgen middels ruimtelijke maatregelen.

Verantwoordingselementen groepsrisico en hulpverlening

Voor andere onderwerpen die verband houden met externe veiligheid gelden geen wettelijke eisen, maar een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag. De in onderstaande paragrafen opgenomen overwegingen hebben geleid tot onderhavige invulling van deze verantwoordingsplicht. Door middel van deze toelichting en de bijbehorende onderliggende documenten zijn de bij deze ontwikkeling vastgestelde groepsrisiconiveaus (= kleine-kans-groot-effect risico's) verantwoord. Door middel van de hieronder genoemde ruimtelijke maatregelen wordt het groepsrisico en de potentiële effecten verkleind en de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid verhoogd. Het totale te bereiken externe veiligheidsniveau wordt aanvaardbaar geacht, zowel qua hoogte van de toekomstige relatief lage groepsrisico's, als ten aanzien van de bestrijdbaarheid van een calamiteit bij de betreffende risicobronnen en de zelfredzaamheid van de personen in het plangebied op gebiedsniveau. Incidenten kunnen altijd gebeuren, maar de kans hierop is klein en de effecten voor het plangebied zijn beheersbaar. Risico- en veiligheidsinformatie wordt gekenmerkt door onzekerheden; rekenpartijen geven geen resultaten die de werkelijkheid nauwkeurig zullen beschrijven. Er is dus een zekere speelruimte voor afwijkende uitkomsten.

Onderbouwing

Plaatsgebonden risico

Er wordt - zowel voor inrichtingen als transport - voldaan aan het wettelijk vereiste beschermingsniveau voor burgers (= plaatsgebonden risico). Met dit bestemmingsplan worden alleen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die deze milieukwaliteiteis op gebied van externe veiligheid in stand houden.

Groepsrisico wegtransport

Het plangebied ligt deels binnen de eerder genoemde 200 m van deze transportroutes. Echter, in dit deel van het plangebied ligt nu geen bebouwing en worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Gevolg hiervan is dat de toename van het groepsrisico ten gevolge van dit bestemmingsplan niet significant is.

Verantwoording groepsrisico en hulpverlening

Verantwoording groepsrisico

Het groepsrisico van de weg hoeft niet te worden verantwoord, omdat het groepsrisico niet meer dan 10% toeneemt ten opzichte van de situatie vóór vaststelling van het bestemmingsplan en het groepsrisico na vaststelling ervan onder de oriëntatiewaarde blijft.

Verantwoording hulpverlening spoor/buis/weg

Er zijn voldoende mogelijkheden om het plangebied van meerdere zijden te bereiken en tevens voldoende mogelijkheden om het plangebied te ontvluchten. Er worden geen ruimtelijke maatregelen in dit bestemmingsplan opgenomen om de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid te verhogen. Het bouwvlak van de manege ligt buiten de 100% letaliteitsgrens van ca. 85 m van een explosie (koude BLEVE van een LPG tankwagen op de Hogering). En ook buiten het effectgebied van een plasbrand (ca. 30 m vanaf de rand van de weg) als gevolg van het falen van een tankwagen met brandbare vloeistoffen op de Hogering. Deze ruimtelijke maatregel beperkt de omvang van de effecten (in termen van doden, gewonden en materiële schade) van een incident met gevaarlijke stoffen op de Hogering en ook van een incident met de buisleiding. Nadere ruimtelijke maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Brandweer

De Brandweer Flevoland is gevraagd advies uit te brengen over:

  • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op het spoor;
  • de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op het spoor een ramp voordoet.

Advies

In en om het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: transport van gevaarlijke stoffen over het IJmeer / Markermeer (basisnet), over de Hogering aan de zuidoost zijde van het plangebied en ten zuiden daarvan loopt een hogedruk aardgasleiding. Een incident met gevaarlijke stoffen kan overdruk, hittebelasting of toxiciteit in de omgeving veroorzaken. Voor een nadere beeldvorming van incident- scenario's met gevaarlijke stoffen die kunnen optreden wordt verwezen naar de website www.scenarioboekev.nl. De externe veiligheidsparagraaf dient nog wel uitgewerkt te worden. Tevens zijn er in het plangebied een reeks windturbines aanwezig. Bij een incident kan dit externe effecten hebben. Ook loopt een deel van de waterkering 'dijkring 8' in het plangebied, die bij falen een grootschalige overstroming van zuidoost Flevoland veroorzaakt. Het gebied kent nauwelijks bebouwing waardoor het voor de basisbrandweerzorg weinig risico kent. Om het risico te beheersen is er een aantal mogelijkheden:

  • a. Beperken van de bron

In een ruimtelijk plan worden activiteiten bestemd of strijdig gemaakt. In dit conserverende plan worden geen nieuwe risicovolle activiteiten mogelijk gemaakt. Transport over diverse modaliteiten is gereguleerd in het basisnet. Er is een vrijwaringzone opgenomen langs de waterkering in de planregels, deze mist echter op de verbeelding. Verder zijn hier geen nadere ruimtelijke maatregelen mogelijk.

  • b. Beperking van het effect

De risicobronnen in en om het plangebied hebben in het geval van een incident effecten in het plangebied. Om dit effect te beperken kan gekeken worden naar de gebouwde omgeving of naar de zelfredzaamheid van de gebruikers ervan.

    • 1. Gebouwde omgeving

Gezien de conserverende aard is het niet opportuun nadere ruimtelijke maatregelen te nemen. In de nabije toekomst mogelijk het vervangen van de windturbines (Zie Handreiking risicozonering windturbines) maar dat valt nog buiten dit plan.

    • 1. Zelfredzaamheid

Om bij een incident zelfredzaam te zijn moeten burgers op de hoogte zijn van risico's in hun omgeving en een idee hebben wat ze kunnen doen ten tijde van een incident. De veiligheidsregio en gemeente verzorgen vooraf de risicocommunicatie. Dit wordt ingevuld met landelijke kanalen als de risicokaart en het voorlichtingsdeel op www.crisis.nl. Bij een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen verzorgen de veiligheidsregio met de gemeente de alarmering en crisiscommunicatie. Middelen hiervoor zijn WAS-sirenes, omroepinstallaties, publieke omroepen (radio, televisie, internet), beschikbare netwerken (telefoonnetwerken, NL Alert) en de website www.crisis.nl. Het belangrijkste handelingsperspectief is vluchten uit het effect gebeid van een incident. Hiervoor dienen er mogelijkheden te zijn om van de bron af te vluchten. Het plangebied kent voldoende mogelijkheden om van de verschillende risicobronnen af te vluchten.

De uitgangspunten uit dit advies worden overgenomen en geacht onderdeel uit te maken van de toelichting en dus de verantwoording van dit plan.

5.6 Bedrijven en milieuzonering

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering (2009)' zijn richtafstanden opgenomen tussen bedrijfsmatige activiteiten en gevoelige functies. Voor een manege geldt een richtafstand van 50 meter. Deze maximale afstand wordt bepaald door het aspect geur. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op circa 280 meter van de manege. Dit zijn de woningen met bedrijfsunits aan de Josephine Bakerstraat in de wijk Muziekwijk. De manege bevindt zich op voldoende afstand van de omliggende woningen. Vanuit milieuzonering bestaan er dan ook geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.

5.7 Kabels en leidingen

Bestaande situatie

Alle nutsvoorzieningen voor bebouwing op uitgegeven kavels worden geleverd via kabels en leidingen, gelegen in gemeentelijke ondergrond. Een uitzondering hierop zijn draadloze telecommunicatie verbindingen. De ligging in gemeentelijke ondergrond is voor de nutsbedrijven belangrijk omdat deze ligging duurzaam is: er is een gegarandeerde toegang en daarmee zijn capaciteit aanpassing en onderhoud gewaarborgd. In dit gebied is nog maar beperkte dergelijke ondergrondse infrastructuur aanwezig. In het plangebied ligt geen leidingenstraat met de status als die langs de Hogering.

Toekomstige ontwikkelingen

Door de kabel- en leidingenbeheerder de ligging in de kabel- en leidingenzone voor te schrijven worden aanpassingen van en ruimteclaims in de bestaande en nog te ontwikkelen plannen binnen het gebied zoveel mogelijk voorkomen. In het kader van ontwikkelingen en toekomstige aanpassingen binnen en naast het gebied zullen mogelijk diverse nutsleidingen en riolen moeten worden gelegd. De toekomstige ondergrondse infrastructuur moet nog worden ingepast. Het gebied zal worden aangesloten op het stadsverwarmingsnet.

5.8 Ecologie

Wettelijk kader
De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998.

Gebiedsbescherming
De volgende aspecten zijn relevant ten aanzien van gebiedsbescherming

Natuurbeschermingswet
De bescherming van de natuur is in Europees verband vastgelegd in de Vogelrichtlijn (VR) en de Habitatrichtlijn (HR); de aldus beschermde gebieden vormen samen Natura 2000. Nederland heeft de richtlijnen voor gebiedsbescherming geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbwet). De Nbwet heeft betrekking op de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden die Nederland bij de Europese Commissie heeft aangemeld en beschermde natuurmonumenten. Ruimtelijke ingrepen die in of nabij deze gebieden plaatsvinden moeten worden getoetst op hun effecten op de instandhoudingsdoelen die voor deze gebieden zijn vastgelegd. Als uit deze voortoets blijkt dat het bestemmingsplan significante gevolgen kan hebben op het Natura 2000-gebied, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt (artikel 19j, lid 2 van de NB-wet). Indien blijkt dat er werkelijk sprake is van mogelijk significant negatieve effecten, dan kan alleen toestemming voor de activiteit gegeven worden als er geen alternatieven voor de activiteit zijn, er dwingende redenen van groot openbaar belang mee gediend zijn en de negatieve gevolgen gecompenseerd worden (de ADC-toets). Significant negatieve effecten dienen dus te worden voorkomen, zo nodig na het treffen van mitigerende maatregelen. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied kunnen invloed hebben op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudings- doelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.

Nieuwe wet natuurbescherming
Het Rijk is voornemens om de natuurbeschermingswetgeving in één wet onder te brengen en te vereenvoudigen. In de Wet natuurbescherming zullen de bepalingen uit de Flora- en faunawet,
Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet opgenomen. Daarnaast wordt zorg gedragen voor de totstandkoming en instandhouding van het Natuurnetwerk Nederland. Deze nieuwe wet zal naar verwachting op 1 januari 2017 van kracht worden. De huidige conceptteksten geven geen aanleiding om het oordeel over de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan anders in te schatten dan op basis van de nu bestaande wettelijke en bestuurlijke kaders het geval is.

Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur)
Het plangebied ligt voor een deel binnen het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) (zie figuur hieronder). Hoewel de naam van het netwerk aan natuur in Nederland is veranderd, gelden dezelfde regels als voorheen voor de EHS. Het NNN is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen. Het is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuur- gebieden in Nederland dat moet voorkomen dat dieren en planten geïsoleerd raken en uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen en bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het vormt de basis voor het Nederlands natuurbeleid. De provincie bepaalt om welke gebieden het precies gaat. De provincie Flevoland heeft de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN op 23 april 2013 aangewezen. Het NNN is planologisch verankerd in de verordening fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (VFL2012, zie ook bijlage 1, hoofdstuk 2 Provinciaal en regionaal beleid). Onderscheid wordt gemaakt tussen NNN prioritair gebied, ecologische verbindingszones, waardevolle gebieden en overig NNN. Artikel 10.4 van de VFL2012 geeft aan dat een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen ecologische hoofdstructuur:

  • a. mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling strekt van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied;
  • b. geen activiteiten mogelijk maakt ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

De toelichting op het artikel zegt het volgende met betrekking tot het bestemmen van het NNN: het NNN in bestemmingsplannen moet worden voorzien van een bestemming die aansluit bij de actuele en potentiële natuurwaarden en de doelstelling van de ecologische hoofdstructuur. Dit moet tot uitdrukking komen in de doeleindenomschrijving bij de bestemming en bij de gebruiks- en bouwbepalingen. Welke benaming de bestemming krijgt is als zodanig minder relevant en is daarom niet voorgeschreven. In dit plan hebben de gebieden die onder de NNN vallen een dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie' gekregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0008.png"

figuur: begrenzing NNN in het plangebied, zijnde het buitendijks water (Natura-2000 gebied) en de groene binnendijkse gebieden (EHS) (Bron: provincie Flevoland)

Spelregels NNN
De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het Rijk en de provincies hebben spelregels afgesproken met betrekking tot de planologische en kwalitatieve bescherming van dit netwerk aan natuur, welke zijn verwerkt in de 'Spelregels EHS' (LNV, 2007) en 'spelregels EHS, EHS-kaart en EHS-doelbenadering, een handreiking bij ruimtelijke ontwikkeling' (provincie Flevoland, 2010). De kern van de spelregels is overgenomen in de VFL2012. Hierin zijn de voorwaarden voor economische ontwikkelingen uitgewerkt. Wanneer de gemeente binnen de aangewezen gebieden planologische ontwikkelingen mogelijk wil maken die niet passen in het geldende bestemmingsplan en die strijdig zijn met de instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden en daarmee met de doelstellingen van het netwerk, dan geeft de VFL2012 een aantal mogelijkheden om de begrenzing aan te passen aan de gewenste ontwikkeling.

Nee, tenzij… (aanpassing NNN met compensatieregels):

  • Is de ontwikkeling van groot openbaar belang en zijn er geen reële alternatieven?
  • Zo ja, dan zorgvuldig inpassen (mitigeren) en de resterende negatieve effecten elders compenseren. Deze wijzigingsbevoegdheid is aan Provinciale Staten.
  • Zo nee, is sprake van een combinatie van ontwikkelingen die mede leiden tot een verbetering van de NNN op gebiedsniveau (saldobenadering). Zo ja, dan herbegrenzen en aanpassen wezenlijke kenmerken en waarden door middel van wijzigingsbevoegdheid voor PS.
  • Zo nee, is het een kleinschalige ontwikkeling met beperkte negatieve effecten?

Ja, mits…(herbegrenzing):

  • Zo ja, dan maatregelen nemen om de NNN in kwaliteit te versterken en, afhankelijk van de ontwikkeltijd van de te ontwikkelen natuur, tenminste het verlies aan oppervlakte elders compenseren.
  • Zo nee, dan kan geen planologische medewerking worden verleend.

Wijzigen van de begrenzing is tevens mogelijk om de samenhang of de ruimtelijke inpassing van de NNN te verbeteren. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn aan Gedeputeerde Staten.

Ecologisch Masterplan Almere

In het Ecologische Masterplan 2006 is de visie van Almere op het gebied van ecologie vastgelegd. In acht uitgangspunten staat concreet aangegeven hoe Almere als natuurstad versterkt kan worden. Hieronder valt onder andere de realisatie van een aantal ecologische verbindingszones die de brongebieden voor planten en dieren met elkaar verbinden. De in 2006 aangegeven "aan te vullen ecologische verbindingszone" is op dit moment voor een groot deel gereed. Daarnaast maakt het Markermeer / IJmeer grenzend aan de Pampushout onderdeel uit van een nat brongebied (zie onderstaande figuur 1). Gezien het conserverende karakter van het bestemmingsplan is er vanuit het Masterplan geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0009.jpg"
Figuur: Ecologische structuur Almere (Bron: Ecologisch Masterplan Almere).

Soortbescherming

Flora- en faunawet

De Flora- en faunawet (Ff-wet) heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, op een aantal vissen, libellen en vlinders, op enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde diersoorten (uit de groepen kevers, mieren, schelp- en schaaldieren) en op een honderdtal vaatplanten. Welke soorten planten en dieren wettelijke bescherming genieten, is vastgelegd in een aantal bij de Ff-wet behorende besluiten en regelingen. De Ff-wet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier -en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust of verblijfplaatsen. Artikel 2 van de Ff-wet schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven. In de meeste gevallen kan voor de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd voor de in het gebied voorkomende beschermde soorten. Bepaalde algemeen voorkomende soorten planten en dieren vallen onder de zogenaamde vrijstellingsregeling indien het werk te omschrijven is als bestendig beheer of onderhoud, of een ruimtelijke ontwikkeling. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Ten aanzien van de criteria die voor vrijstellingen en ontheffingen gelden, worden verschillende groepen soorten onderscheiden. Deze zijn ingedeeld in drie 'tabellen' waarbij in Tabel 1 de lichtst beschermde, of algemeen voorkomende, soorten zijn opgenomen en in Tabel 3 de zwaarst beschermde soorten. In Tabel 2 zijn de overige soorten opgenomen.

De Nationale Database Flora en Fauna is geraadpleegd voor een eerste inventarisatie van voorkomende beschermde soorten. Het plangebied maakt onderdeel uit van het leefgebied van verschillende beschermde soorten. Hieronder staan ze per soortgroep benoemd.

  • Planten: groeiplaatsen van rietorchis (beide Tabel 2 Ff-wet) zijn aangetroffen binnen het plangebied.
  • Broedvogels: de buizerd is veelvuldig waargenomen binnen het plangebied en heeft een broedlocatie. Deze is jaarrond beschermd. Ook de sperwer is vaak waargenomen. Mogelijk vormt het plangebied leefgebied voor meerdere soorten vogels met jaarrond beschermde nesten. Voor algemene broedvogels vormt het plangebied een geschikt leefgebied. Het Markermeer / IJmeer is daarnaast geschikt leefgebied voor watervogels zoals genoemd onder 'Natuurbeschermingswet'.
  • Vleermuizen: het plangebied wordt naar verwachting door verschillenden soorten vleermuizen gebruikt als foerageergebied. De gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse en ruige dwergvleermuis en meervleermuis zijn waargenomen. Mogelijk zijn verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig.
  • Vissen: de paling, rivierdonderpad en kleine modderkruiper (Tabel 2 Ff-wet) zijn waargenomen.
  • Zoogdieren: de bever (Tabel 3 Ff-wet) komt voor binnen de ecozone.
  • Amfibieën: de rugstreeppad (Tabel 3 Ff-wet) is een keer waargenomen. Geschikt leefgebied is naar verwachting niet aanwezig.

De aanwezigheid van reptielen kan op basis van habitatgeschiktheid en verspreidingsgegevens worden uitgesloten. Algemene soorten grondgebonden zoogdieren en amfibieën (Tabel 1 Ff-wet) zoals egel, mol, konijn en ree en gewone pad en bruine kikker komen wel binnen het plangebied voor.

De aanwezigheid van deze algemeen voorkomende en de voorgenoemde zwaar beschermde soorten staat goedkeuring van het bestemmingsplan niet in de weg. Met dit bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen voorzien, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten in het geding komt. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, zal voorafgaand onderzoek naar aanwezigheid van beschermde soorten moeten worden uitgevoerd en indien noodzakelijk rekening mee gehouden moeten worden.

Boswet: herplantplicht
Houtopstanden groter dan 10 are (0,1 ha) of rijbeplantingen van meer dan 20 bomen die zijn gelegen buiten de bebouwde kom zoals deze in het kader van de Boswet is vastgelegd, worden in principe beschermd door de Boswet (de bebouwde kom wijkt daarbij af van de bebouwde kom die is opgenomen in de Verkeerswet). Bij de kap geldt een meldingsplicht en herplantplicht. De kap van houtopstanden moet een maand van tevoren worden gemeld bij de Dienst Regelingen. De provincie ziet toe op de naleving van de herplantplicht. De linde, paardenkastanje, Italiaanse populier en treurwilg vallen niet onder de Boswet.

Plangebied

Binnen het plangebied zijn een aantal NNN gebieden gelegen (zie figuur met NNN-gebied hiervoor). De gebieden hebben de volgende gebiedskenmerken (bron: Almere EHS wezenlijke waarden, provincie Flevoland, 2009):

Pampushout

De Pampushout is een NNN-gebied van 481 ha. Het gebied bestaat voornamelijk uit bos, met hier en daar waterpartijen en open stukken. Het bos bevat percelen met monoculturen van Beuk, Eik of Populier of gemengd loofhout, afgewisseld met open stukken met grasland en akkers (o.a. graan, biet; buiten de NNN-begrenzing). Door het bosgebied loopt de natte Ecologische verbindingszone Pampus (zie hierna) aangelegd. Delen van deze natte zone zijn aangelegd of worden op korte termijn aangelegd. In Almere Poort is gestart met de bouw van 12.000 woningen en ook in Almere Pampus worden in de toekomst woonwijken aangelegd. Hierdoor komt de Pampushout midden in de stad te liggen. In het structuurplan Almere 2010 wordt de Pampushout dan ook ingedeeld in de categorie 'parkbossen' (in het beheerplan Pampushout wordt ook 'stadsbos' genoemd). In deze visie wordt gesteld dat de recreatieve aantrekkelijkheid van deze bossen voor een belangrijk deel samenhangt met de natuurkwaliteit. In het gebied zijn nagenoeg geen kunstlichtbronnen aanwezig. Lichtbronnen bevinden zich in het aan de Pampushout grenzende deel van Almere Stad en in bouwterreinen in Almere Poort. De belangrijkste geluidsbelasting komt vanuit deze bouwterreinen alsmede van het verkeer op de doorkruisende wegen. Het gebied is vrij toegankelijk op fiets-, wandel- en ruiterpaden, welke in ruime mate vertegenwoordigd zijn.

Ecologische verbindingszone Pampus (Kromslootpark-Lepelaarplassen)

De ecozone Pampus is een natte verbinding die loopt door Poort, Pampus, de Kwelzone naar de Lepelaarplassen. Het doel van deze ecozone is om uitwisseling van soorten tussen Oostvaardersplassen, Lepelaarplassen, Pampushout en Kromslootpark mogelijk te maken. Gezien de aard van het bestemmingsplan (conserverend), kan op voorhand een negatief effect op het NNN en de doelen daarvan worden uitgesloten.

Natura-2000

Binnen het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Dit gebied is op 23 december 2009 door de minister van LNV (nu EZ) definitief aangewezen als Natura 2000-gebied (nr. 073). Het gebied omvat (delen van) de Vogelrichtlijngebieden IJmeer en Markermeer en het Habitatrichtlijngebied Markermeer & IJmeer (voorheen Gouwzee en Kustzone Muiden). Kernopgaven voor dit gebied zijn:

  • 1. Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid

Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels. Behoud van de specifieke betekenis van afgesloten zeearm van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen.

  • 2. Evenwichtig systeem

Nastreven van een meer evenwichtig systeem met goede waterkwaliteit voor waterplanten, vissen en schelpdieren (met name in kranswierwateren en meren met krabbescheer en fonteinkruiden), mede t.b.v. vogels zoals kleine zwaan, tafeleend, kuifeend en nonnetje.

  • 3. Rui- en rustplaatsen

Voldoende open water met ruiplaatsen en rustgebieden voor watervogels zoals fuut, ganzen, slobeend en kuifeend.

  • 4. Moerasranden

Moerasvorming aan de randen van de meren voor land-water interactie, paaigebied vis, noordse woelmuis en voor moerasvogels als roerdomp en grote karekiet.

Toekomstbestendig Ecologisch Systeem
Voor het Markermeer-IJmeer is het toekomstperspectief een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES), waardoor een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ontstaat met aantrekkelijke natuur- en recreatiegebieden. Door te investeren in natuur ontstaat er meer juridische ruimte voor ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld recreatie en infrastructuur. De opgave voor het realiseren van een beter ecologische situatie in het Markermeer-IJmeer hangt samen met:

  • Verminderen van het slibgehalte;
  • Vergroten van de habitatdiversiteit en dynamiek;
  • Verbinden van watersystemen.

De gebiedspartners van het Markermeer-IJmeer hebben het TBES als doel gesteld om ruimte te bieden aan maatschappelijke initiatieven zonder de ‘goede staat van instandhouding’ in gevaar te brengen. TBES is gericht op ondersteuning van de formele natuur- en waterdoelen (Natura2000 en KRW) maar ook op (en deels door middel van) vergroting van de robuustheid en flexibiliteit van het systeem, onder meer door vergroting van de habitatdiversiteit. De mate van robuustheid en flexibiliteit van TBES zijn niet gekwantificeerd, maar dienen minimaal de negatieve effecten van toekomstige gebruiksactiviteiten te omvatten, ten minste de relevante ecologische gebiedsdoelen te realiseren en bij voorkeur ook bij te dragen aan landelijke doelen. Om het TBES te bereiken dienen vooral de (abiotische) systeemcondities uitgebreid en versterkt te worden door het uitvoeren van maatregelen. Ingezet wordt op een gefaseerde aanpak, zodat maximaal kan worden ingespeeld op de wijze waarop de natuur daadwerkelijk reageert op de maatregelen. De vier belangrijkste systeempijlers die zijn onderzocht zijn (Integraal tussenadvies NMIJ 2014, par 6.1):

Gevolgen plan Natura 2000 en NNN

In het plangebied ligt Natura 2000 gebied. Handelingen die schadelijk kunnen zijn voor natuurwaarden in Natura 2000 gebieden, mogen niet worden uitgevoerd zonder vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt "externe werking" genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Aangezien het bestemmingsplan een hoofdzakelijk conserverend karakter heeft, waarbij geen nieuwbouwprojecten in of direct grenzend aan het plangebied aan de orde zijn, mag verwacht worden dat er geen significant negatieve effecten optreden. De instandhouding van de Natura 2000 - gebieden is gegarandeerd. De vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan zal geen significant negatieve gevolgen voor de kwaliteiten van het Vogelrichtlijngebied hebben. Ditzelfde geldt voor de wezenlijke kenmerken van de NNN. Ook deze waarden worden niet door het bestemmingsplan aangetast.

Conclusie

Vanuit ecologie zijn er geen belemmeringen voor dit plan.

5.9 Waterparagraaf

Watertoets 

Overeenkomstig artikel 3.1.6 lid 1, onder b, Besluit ruimtelijke ordening geldt voor dit bestemmingsplan de verplichting een beschrijving te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Het doel van de Watertoets is waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen meer expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets beschrijft drie thema's: veiligheid, voldoende water en schoon water. Het binnendijkse deel van het plangebied valt in het werkgebied van Waterschap Zuiderzeeland. Voor de buitendijkse wateren, het Markermeer en IJmeer, is Rijkswaterstaat de beheerder. Aangezien het plan van conserverende aard is, is het voor de onderhavige watertoets voldoende om te verwijzen naar hetgeen in deze paragraaf is toegelicht. Onderhavig plan is afgestemd met het Waterschap en Rijkswaterstaat. Zie Bijlage 2 voor de uitgevoerde watertoets.

Waterkering

In de Legger primaire, secundaire en regionale waterkeringen (hierna: Legger) zijn de eisen vastgelegd waaraan de waterkeringen volgens de wettelijke veiligheidsnorm moeten voldoen naar richting, vorm, afmeting en constructie. In de Legger van de primaire waterkering zijn ook de juridische begrenzingen opgenomen. Dit zijn het waterstaatswerk, de binnen-, tussen- en buitenbeschermingszones, het profiel van vrije ruimte en de ruimtelijke reserveringszone in verband met dijkversterking.

Zonering
In de Legger zijn van de Oostvaardersdijk naast ontwerpgegevens, ook de keurzones, te weten de kernzone, de beschermingszone en de buitenbeschermingszone aangegeven. De kernzone is het centrale gedeelte van de waterkering. Dit deel bestaat uit het dijklichaam, het benedenbeloop aan de polderzijde van de dijk en de kwelsloot. In het algemeen komt het er op neer dat de kernzone van de dijk wordt begrensd door de kadastrale eigendomsgrens. Meestal is binnen de huidige kernzone nog ruimte voor toekomstige dijkversterkingen, uitgaande van een peilverhoging in het IJsselmeer van 1 meter in 2100. In enkele gevallen bij Ketelhaven, Lelystad en Almere is uit berekeningen gebleken dat het ruimtebeslag van de toekomstige dijk groter is dan de beschikbare ruimte binnen de kadastrale eigendomsgrens. Op deze plaatsen is de kernzone breder dan de eigendomsgrens van het waterschap. De kernzone heeft het strengste beheersregime. De beschermingszones zijn gronden aan weerszijden van de kernzone en die op hun beurt weer te onderscheiden in:

  • 1. Binnenbeschermingszone: dit is een strook, direct aan weerszijden van de kernzone, die
    technisch/fysisch een bijdrage levert aan de stabiliteit van de waterkering.
  • 2. Buitenbeschermingszone: dit is een strook aan weerszijden van de binnenbeschermingszone.

De kernzone is het gebied met het strengste verbods- en gebodsregime en de buitenbeschermingszone is het gebied met het minst strenge verbods- en gebodsregime. De totale breedten van de beschermingszones staan vermeld in de Keur van Waterschap Zuiderzeeland (hierna: Keur). Voor de Oostvaardersdijk geldt een binnenbeschermingszone van 20 meter en een buitenbeschermingszone van 80 meter binnendijks en 155 meter buitendijks. In het plan is voor de Oostvaardersdijk de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Zie ook paragraaf 3.3.6. De beschermingszones aan weerszijden van de waterkering zijn voorzien van de aanduidingen 'Vrijwaringszone-dijk 1' en 'Vrijwaringszone-dijk 2'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0010.jpg"

Figuur: Omvang beschermingszones in stedelijk gebied

Op basis van de Keur is het verboden zonder vergunning van het college van Dijkgraaf en Heemraden handelingen te verrichten in, op, boven, over of onder waterstaatwerken, beschermingszone en/of beschermd buitendijks gebied. Voor de primaire waterkering Oostvaardersdijk geldt het volgende:

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0011.jpg"

Voor de hier volgende handelingen moet een vergunning aangevraagd worden:

  • A. ontgrondingen of afgravingen te verrichten alsmede seismische onderzoeken te verrichten;
  • B. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben;
  • C. heiwerkzaamheden te verrichten of werken, waaronder begrepen gebouwen, bouwwerken geen gebouw zijnde te plaatsen, te wijzigen of te verwijderen;
  • D. kabels, drukleidingen en/of drukvaten te plaatsen en/of te hebben;
  • E. werkzaamheden te verrichten;
  • F. opgaande (hout)beplantingen te plaatsen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen;
  • G. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen;
  • H. zich anders dan als rechthebbende te bevinden, indien dat op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven;
  • I. vaste stoffen, voorwerpen of dieren te brengen of te hebben of te (be)houden;
  • J. buiten openbare verharde wegen met rij- of voertuigen, dan wel met een lastdier te rijden of vee te drijven;
  • K. op andere wijze bemesting toe te passen dan door het college is bepaald;
  • L. de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden.

Bouwbeleid van het waterschap inzake primaire waterkeringen

De Nota Beleid Bouwen Nabij Primaire Waterkering geeft het beleid ten aanzien van bouwen nabij de primaire waterkeringen weer. De Nota Beleid Bouwen Nabij Primaire Waterkering schept het kader voor bouwen nabij de primaire waterkering. Hierin is ook de maatvoering van de verschillende beschermings- zones van de primaire waterkering beschreven. Binnen de kernzone en de binnenbeschermingszone mag geen nieuwbouw gepland worden. Hierbij dient in ieder geval geanticipeerd te worden op toekomstige ontwikkelingen en moet worden aangetoond dat de ontwikkeling de stabiliteit van de kering niet aantast. In de buitenbeschermingszone geldt geen beperking voor bouwactiviteiten. Wel geldt er een verbod op diepe ontgrondingen. De belangrijkste voorwaarde is dat het waterkeringsbelang en het beheer en onderhoud niet in het geding komen. Voor de activiteiten dient een keurontheffing aangevraagd te worden. Binnen de aanduidingen Vrijwaringszone-dijk 1 en Vrijwaringszone-dijk 2 zijn voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning nodig. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning moet eerst advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder, het waterschap Zuiderzeeland.

Doelen Kaderrichtlijn Water

Het Markermeer-IJmeer is voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) een formeel begrensd waterlichaam van het type M21: grote diepe gebufferde meren. Een KRW-waterlichaam kent doelen voor de ecologische toestand en de chemische toestand. Voor het realiseren van de KRW-doelen zijn vooral herstelmaatregelen nodig op het vlak van de ecologische toestand. De huidige kwaliteit voor waterflora en vis zijn belangrijke knelpunten. Voor het Markermeer-IJmeer is het toekomstperspectief een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES), waardoor een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ontstaat met aantrekkelijke natuur- en recreatiegebieden. TBES is gericht op ondersteuning van de formele natuur- en waterdoelen (Natura2000 en KRW) maar ook op (en deels door middel van) vergroting van de robuustheid en flexibiliteit van het systeem, onder meer door vergroting van de habitatdiversiteit.

Conclusie

De belangrijkste waterhuishoudkundige elementen zijn als zodanig bestemd. Er is een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de waterkering en aanduidingen voor de aan weerskanten van de waterkering aanwezige beschermingszones. Vanuit het aspect water zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.10 Bodemkwaliteit

Historie

De bodem van Almere ligt op de bodem van de voormalige Zuiderzee. In de ondergrond komen voornamelijk pleistocene dekzanden voor die tijdens de laatste ijstijd (Weichselien) zijn afgezet als gevolg van verstuivingen en rivierafzettingen. Na de laatste ijstijd is tijdens het Holoceen (ca. 10.000 jaar geleden) een pakket slappe klei-, zavel- en veenlagen op het pleistoceen zandpakket afgezet. Hierna ontstond een zoetwatermeer dat eerst 'Flevo' heette, maar in de Romeinse tijd de naam 'Aelmere' kreeg. Vanaf het begin van onze jaartelling veranderde het zoetwatermeer langzaam in de zoute 'Sudersee' waardoor lokale afzettingen nog steeds veel zout bevatten. Na de aanleg van de Afsluitdijk in 1932 veranderde de Zuiderzee in het zoete 'IJsselmeer'. In 1968 is de zuidelijke IJsselmeerpolder drooggevallen, waarmee de voormalige zeebodem een landbodem werd. Voordat met de bouw van woningen werd begonnen, is de grond met circa 1 meter zand uit het Markermeer opgehoogd. In 1974 is de eerste paal voor de bouw van Almere-Haven de grond in gegaan en vanaf dat moment is Almere ontwikkeld.

Bodemkwaliteit

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening, dient in geval van ruimtelijke ontwikkelingen te worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In het gebied Pampus zijn slechts incidenteel een paar bodemonderzoeken uitgevoerd. Hierdoor valt geen uitspraak te doen over de kwaliteit van de bodem. Omdat dit deel van Almere, met uitzondering van een aantal windmolens, voornamelijk agrarisch en/of recreatief gebruik kent, ligt het niet in de lijn der verwachting dat er bodemverontreinigingen aanwezig zijn. Uit de bodemkwaliteitskaart van Almere blijkt dat voor zowel de kwaliteit van ontgraven grond (ontgravingskaart) als de toepassingseisen voor de toe te passen grond (toepassingskaart) in het gebied Pampus de bodemkwaliteitsklasse 'Landbouw/ Natuur' van toepassing is. Elke aanvraag voor een omgevingsvergunning moet vergezeld gaan van de resultaten van een bodemonderzoek. Als hieruit blijkt dat de bodem geschikt is of wordt gemaakt voor woningbouw wordt door de Omgevingsdienst Flevoland Gooi- en Vechtstreek een geschiktheidsverklaring afgegeven. Ook bij uitgifte is een bodemonderzoek vereist om de juridische aansprakelijkheid van eventueel aanwezige verontreinigde grond te regelen. Indien er aanwijzingen zijn voor mogelijke aanwezigheid van explosieven, moet onderzoek (explosievenonderzoek) hierover uitsluitsel geven. Ten aanzien van de geldigheid van bodemonderzoeken wordt door de Omgevingsdienst Flevoland Gooi- en Vechtstreek een termijn aangehouden van vijf jaar, tenzij een vermoeden bestaat van bodembedreigende activiteiten.

Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) stelt regels voor het gebruik van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie die in contact kunnen komen met regenwater, grondwater of oppervlaktewater. Het gaat om onder meer asfalt, bitumineuze dakbedekkingen, baggerspecie, ophoogzand, grond, dakpannen, tegels, nieuwe bakstenen, heipalen, straatstenen, beton- en menggranulaat. In sommige gevallen moet de gebruiker die een bouwstof gebruikt dit melden aan het bevoegd gezag. Het bevoegde gezag beoordeelt de meldingen van eigenaren en opdrachtgevers van een werk over de toepassing van bouwstoffen. Ook ziet het bevoegd gezag toe op de naleving van het Besluit bodemkwaliteit. Hergebruik van vrijkomende grond en/of zand zou idealiter zo veel mogelijk binnen het gebied plaats moeten vinden. Over de hergebruiks- mogelijkheden en voor nadere informatie over het Besluit bodemkwaliteit, de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan kan contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst.

Grondwater en kwel

De grondwaterstand in het gebied Pampus wordt sterk beïnvloed door de regulatie van het oppervlaktewaterpeil en wordt in Almere op ca. 1 tot 1,5 meter onder het maaiveld gehouden. Door handhaving van vaste polderpeilen zijn de fluctuaties in de grondwaterstand gering. Als gevolg van de kweldruk van het grondwater zou in een ongereguleerde situatie het grondwater net boven of net onder het maaiveld staan. Het gehele plangebied staat onder invloed van kwel, dat aan het maaiveld uittreedt. De kwel bestaat uit Markermeerwater dat onder en door de dijk heen stroomt. Het kwelwater is relatief schoon. Als gevolg van de grote invloed van kwel- en regenwater in het plangebied is de waterkwaliteit als goed te karakteriseren. Ditzelfde geldt voor de kwaliteit van het grondwater. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied waardoor er geen belemmeringen zijn voor mogelijkheden voor warmte- en koudeopslag in de bodem.

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie

Cultuurhistorische waarden is de verzamelnaam voor het geheel aan waarden die een historische, en menselijke oorsprong hebben. In het kader van dit bestemmingsplan kunnen historisch-geografische waarden, (steden)bouwkundige waarden en archeologische waarden worden onderscheiden.

Historische-geografische waarden

Historisch-geografische waarden zijn elementen in het landschap die door menselijk handelen zijn ontstaan. In het plangebied ligt het landschapskunstwerk Polderland Garden of Love and Fire (1992 - 1997) van Daniel Libeskind. Dit is één van de vijf Land Art projecten in Flevoland. Het kunstwerk ligt aan de Pampushavenweg en is volgens de kunstenaar bedoeld als een tuin om te mediteren. Het werk omvat een stelsel van drie kanalen dat wordt doorsneden door een vierde betonnen strip die een sculptuur draagt. De vijfde lijn is een voetgangerspad met bruggen over de kanalen.

Een cultuurhistorisch relict van de ooit geplande Markerwaard is de noordelijke dijk van de Pampushaven. Het was voorzien als de zuidelijke dijk van die polder en is in 1959 aangelegd. Later zou binnen de polder een tweede dijk aangelegd worden, waarna tussen de dijken een breed kanaal zou komen, het Oostvaardersdiep. De Pampushaven fungeerde vlak na de inpoldering bij de aanleg van Almere Haven als aanvoerhaven voor bouwmaterialen.

Archeologische waarden

Aan het einde van het Paleolithicum (de Oude Steentijd), 11.500 jaar geleden, was Almere al bewoond. Het gebied van Almere bestond toen uit een glooiend zandlandschap waar de rivier de Eem doorheen stroomde. Door het alsmaar natter en warmer wordende klimaat, gepaard gaand met oprukkend veen en een oostwaartse verplaatsing van de kust, was het gebied van Almere rond 3800 voor Chr. veranderd in een uitgestrekt moerasgebied onder invloed van de zee. Wonen werd hier wordt steeds moeilijker en was uiteindelijk niet langer mogelijk. Maar voor die tijd was het leven hier goed: een landschap met allerhande voedselbronnen, groot en klein wild, vis, planten en vruchten. Hiervan hebben de mensen destijds gebruik van gemaakt. Zij woonden overal in het landschap en leefden als jagers en verzamelaars. Tijdens de Midden Steentijd en het vroege Jonge Steentijd is men langzaam aan overgegaan op een combinatie van jacht en akkerbouw. Rond het jaar nul was in het moeras een reeks meren gevormd. Na de Romeinse tijd is door aaneensluiting van deze wateren één groot meer ontstaan, dat het Lacus Flevum genoemd werd. Hieruit ontstond later het Aelmere, dat rond de 8e eeuw na Chr. een feit was en vanaf 1340 Sudersee en weer later Zuiderzee genoemd werd. De Zuiderzee was lange tijd het economisch hart van Nederland. Er is in en na de Middeleeuwen druk gevaren, getuige de scheepswrakken die ook in Almere zijn gevonden. Uit de onderzoeken blijkt dat dekzandkoppen van het oude landschap en de bij de Eem behorende oeverwallen in de Steentijd zeer geschikte locaties voor bewoning vormden.

In het plangebied zijn in het verleden slechts beperkt archeologische onderzoeken uitgevoerd. In 2009 is een onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van de Ecozone en langs de Oostvaardersdijk (project 6004 respectievelijk project 6002 op onderstaande figuur). Daarbij zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0012.jpg"

Uitsnede Archeologische Beleidskaart met het westelijke deel van het plangebied, onderzochte gebieden en vindplaatsen.

Recenter is onderzoek dat op het Markermeer is uitgevoerd ten behoeve van de geplande zandwinning Markerzand (ca. 12 km lang, 350 meter breed en 50 meter diep). Hierbij zijn resten van een vliegtuig aangetroffen (zie rood gearceerd vlak op figuur hieronder). Andere vindplaatsen zijn bij toeval aangetroffen tijdens grondwerkzaamheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0013.jpg"

Uitsnede Archeologische Beleidskaart met het oostelijk deel van het plangebied, onderzochte gebieden en vindplaatsen.

Vondsten

De Zuiderzeeparel (beschermd rijksmonument), nr 6_2

Dit vrachtschip (15,4 bij 4,3 m) moet, zo blijkt uit enkele vondsten uit het schip, rond 1500 zijn vergaan. Het vrachtschip is na een kort archeologisch onderzoek in 1983 "ingekuild" (afgedekt door folie en een grondlaag). Zo blijft het ter plaatse behouden. Sinds 2009 wordt het monument de plek gemarkeerd met een kunstwerk: De Zuiderzeeparel. Dit is een roestvrijstalen 'spriet' waarop een barokke parel balanceert. De parel is een monument voor schipbreukelingen. Omdat er geen gemeentelijke regels aan zijn verbonden, wordt het rijksmonument niet op de verbeelding weergegeven.

De Kerkkap, nr. 6_3
In 1983 zijn geprefabriceerde houten balken aangetroffen, waarschijnlijk een afgeschoven scheepslading. De onderdelen zijn in 1984 opgegraven, getekend en ter plekke herbegraven. De delen passen aan elkaar en vormen een kap en een torentje van een waarschijnlijk belangrijk gebouw, bijvoorbeeld een kerk, kapel of raadhuis.

De Golf, nr. 6_6

In 1989 werd bij werkzaamheden ten noorden van het Fischerpad het wrak van een 19e-eeuws vrachtschip gevonden. Het schip van 12 x 3,6 m was geladen met rode bakstenen. Ter bescherming is het wrak afgedekt met een grondlaag. Hierdoor is de locatie van het wrak goed herkenbaar als verhoging in het landschap. Op het wrak is een kunstwerk geplaatst dat een grote golf verbeeldt die een schip verzwelgt.

Kuil van Marken, nr. 0H_6

Begin februari 2000 is tijden het verdiepen van de vaargeul Amsterdam-Lemmer ter plekke van de zogenoemde 'Kuil van Marken' met de cutterzuiger een scheepswrak geraakt dat dateert uit eind 18e eeuw - midden 19e eeuw. Een groot deel van het schip is vernield, maar de rest is waarschijnlijk in de bodem achter gebleven.

De Pikhaak, nr 0H_7

Bij het onderzoek Markerzand is een klein houten scheepswrakje aangetroffen (3,4 x 2,7 m). Het wrak is redelijk intact en ligt grotendeels weggezakt in de bodem. Binnen het wrak zijn door duikers enkele losse objecten, waaronder een pikhaak, aangetroffen. Het scheepje zal voorafgaand aan de zandwinning geborgen worden.

Heinkel 115B 2218, nr 6_7 (He115B 2218)

In 1974 werden de resten van een Duits watervliegtuig van het type Heinkel He 115B (werknummer 2218) door Defensie gevonden op kavel AZ104. Het toestel was om onbekende redenen verongelukt op 2 september 1940 na het leggen van zeemijnen. De stoffelijke resten van de bemanning en delen van het toestel zijn in mei 1974 door Defensie geborgen. Het is niet onmogelijk dat er zich nog kleinere resten van het vliegtuig in de bodem bevinden.

Avro Lancaster ED706, nr 6_8 (ED706)

In de nacht van 30 april op 1 mei 1943 stortte na een bombardement op Essen (Duitsland) een Britse Lancaster met serienummer ED706 in de Zuiderzee. De bemanning maakte deel uit van het RAF No. 57 Squadron. Geen van de bemanningsleden heeft de crash overleefd. Het toestel is geborgen in september 1978. Het lag in de buurt van het Brikpad op kavel AZ71. Het is niet onmogelijk dat er zich nog kleinere resten van het vliegtuig in de bodem bevinden. De locatie is gemarkeerd door een silhouet en de datum van de crash op de naastgelegen windmolen. Langs de dijk is ook een markering met informatie aangebracht door de Stichting Ongeland.

Short Stirling, nr OH_1 (BK710)

Bij het onderzoek Markerzand zijn verspreid over een groot gebied metaaldelen in de meerbodem gesignaleerd. Het betreft zeer waarschijnlijk wrakdelen van de Britse bommenwerper Short Stirling BK710, die in 1943 in het IJsselmeer is neergestort. In 2009 zijn enkele wrakdelen van dit vliegtuig door de Stichting Aircraft Recovery Group (ARG) 1940-1945 geborgen en tentoongesteld in het Luchtoorlogmuseum in Heemskerk. Het vermoeden bestaat dat zich in het wrak nog steeds stoffelijke overschotten van zes bemanningsleden bevinden. Uit een nota van de Britse Ambassade te Den Haag d.d. 8 augustus 2011 blijkt dat de Britse regering de locatie als oorlogsgraf beschouwt dat met rust gelaten moet worden. Op 27 december 2011 heeft het ministerie van Defensie een rapport (Rapportage Historisch Onderzoek WOII-vliegtuigwrak, IJsselmeer Gemeente Almere) uitgebracht over de crashlocatie. Op Marken is een herdenkingsmonument opgericht ter nagedachtenis aan de crash en de omgekomen bemanning.

Locatie 101 / 103 in het Markermeer

In 1947 zijn losse wrakdelen van waarschijnlijk dezelfde crashsite van een Amerikaans vliegtuigwrak gevonden.

Locatie 122 in het Markermeer

Hier zijn in 1966 wrakstukken geborgen van een Amerikaanse B-24U "Liberator".


Bescherming archeologische waarden
Binnen de bestemmingsplangrenzen van dit bestemmingsplan zijn op de Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) verschillende terreinen vrijgesteld van archeologische verplichtingen. Deze terreinen zijn vrijgesteld, omdat ze bebouwd zijn (geweest) of anderszins verstoord zijn. Deze terreinen zijn op de ABA aangeduid met een donkergrijze kleur. De overige gebieden zijn aangeduid met 'Waarde-Archeologie 1, 4, 5, of 6'. In deze gebieden moet in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen rekening worden gehouden met mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen uit de steentijd. Dergelijke vindplaatsen kunnen worden aangetroffen in de top van het pleistocene zand en in de daarboven gelegen Oude Getijdenafzettingen. De verschillende waarden zijn hieronder nader uitgewerkt:

  • 1. een groot deel van het binnendijkse gebied is aangeduid met de bestemming “Waarde - Archeologie 1" (lichtgroene kleur op figuren hierboven). In deze gebieden moet in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen groter dan 500 m² rekening worden gehouden met mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen uit de steentijd. Dergelijke vindplaatsen kunnen worden aangetroffen in de top van het pleistocene zand en in de daarboven gelegen Oude Getijdenafzettingen.
  • 2. de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' (oranje gekleurd gebied) is sterk vergelijkbaar met de vorige dubbelbestemming, zij het dat het hier gaat om oeverwallen/ rivierduinen en een onderzoeksplicht bij bouwwerken groter dan 100 m².
  • 3. het gebied bevat vier behoudenswaardige vindplaatsen: drie scheepswrakken (nrs 6_2, 6_3 en 6_6) en een vliegtuigwrak (BK710). Het rijksmonument De Zuiderzeeparel (nr. 6_2) is een rijksmonument en behoeft geen bescherming in dit plan, omdat het al via de rijksmonumentenregeling is beschermd. Uitsluitend bebouwing ten behoeve van de vindplaatsen is toegestaan, zoals een marker. Archeologische vindplaatsen moeten beleidsconform worden ingepast, dat wil zeggen, de vindplaats moet herkenbaar, beleefbaar en recht doend aan de aangetroffen archeologische waarden worden ingericht. Inrichtingsplannen, gecombineerd met monitoring- en beheerplannen, moeten ter goedkeuring aan de stadsarcheoloog worden voorgelegd. Binnen terreinen met behoudenswaardige vindplaatsen zijn bodemingrepen zonder vergunning niet toegestaan. Deze vindplaatsen zijn bestemd voor 'Waarde - Archeologie 5';
  • 4. het buitendijks gebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6'. Ook daar kunnen archeologische waarden worden aangetroffen.

In de Archeologieverordening worden regels gegeven die het bestuur hanteert in de omgang met bekende en verwachte archeologische waarden die zijn aangegeven op de ABA (zie paragraaf 3.5 Sociale structuur, onderwijs en cultuur).

Veranderingen in inrichting van vergunningsplichtige gebieden en behoudenswaardige vindplaatsen

Voor zover dat bodemingrepen niet in aanmerking komen voor een ontheffing, moet archeologisch vooronderzoek worden uitgevoerd en inzicht te worden verkregen in de aan-/afwezigheid van 'behoudenswaardige vindplaatsen van nationaal belang', en de noodzakelijke omgang daarmee. Het onderzoek moet voldoen aan wat daarover is vastgelegd in de Nota Archeologische Monumentenzorg 2016. Overeenkomstig de vastgestelde beleidsuitgangspunten, moeten vastgestelde behoudenswaardige archeologische vindplaatsen beleidsconform worden ingepast, dat wil zeggen: de vindplaats moet herkenbaar, beleefbaar en recht doend aan de aangetroffen archeologische waarden worden ingericht. Inrichtingsplannen, gecombineerd met monitoring- en beheerplannen, moeten ter goedkeuring aan de stadsarcheoloog worden voorgelegd. Binnen terreinen met behoudenswaardige vindplaatsen zijn bodemingrepen zonder vergunning niet toegestaan. Voor ingrepen op beschermde rijksmonumenten is op grond van artikel 9.1 Erfgoedwet (voorheen artikel 11 Monumentenwet) altijd een monumentenvergunning van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig.

Toevalsvondsten

Het is denkbaar dat er zich binnen het plangebied onder het maaiveld nog onbekende scheepswrakken bevinden. Men dient er dan ook rekening mee te houden dat scheepsresten, evenals andersoortige archeologische resten, aangetroffen kunnen worden bij het uitvoeren van grondwerkzaamheden. Een dergelijk aantreffen dient conform Erfgoedwet gemeld te worden aan de stadsarcheoloog van de gemeente Almere. Ter voorkoming van verdere beschadiging dienen de werkzaamheden ter plaatste direct gestaakt te worden. Na vaststelling van de waarde en het belang van de aangetroffen resten, zal in overleg met de stadsarcheoloog besloten worden welke maatregelen nodig zijn.

 

5.12 Radarverstoringsgebied en laserstraalvrije gebied

Radars voor militaire luchtvaart

Zoals bij de beschrijving van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening is aangegeven (zie Bijlage 1 Beleidskader, Hoofdstuk 1 Rijksbeleid) is op het plangebied het ruimtelijke regime van radars voor militaire luchtvaart van toepassing. Het plangebied valt niet in een radarverstoringsgebied waarin een maximale hoogte voor bouwwerken geldt. Het plangebied ligt in twee radarverstoringsgebieden (AOCS Nieuw Milligen en Soesterberg). Omdat het plangebied op grotere afstand dan 15 km van de daar opgestelde radarantennes is gelegen, zijn er geen hoogtebeperkingen voor bouwwerken, met uitzondering van windturbines. De hoogtebeperking voor windturbines is vanwege het radarverstoringsgebied van AOCS Nieuw Milligen 118 m en van Soesterberg 128 m. De tippen van de wieken van windturbines mogen deze hoogtes niet overschrijden. Zijn de windturbines wel hoger, dan is een radarverstoringsonderzoek vereist.

Het onderhavige bestemmingsplan maakt de bouw van windturbines niet mogelijk en voldoet aan de eisen van radarverstoringsgebieden Het onderhavige bestemmingsplan maakt de bouw van windturbines niet mogelijk. In het plangebied staan 10 tijdelijke (vergunde) windmolens. De tippen van de wieken van de windmolens zijn lager dan 118 meter resp. 128 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0014.png"

figuur: invloed radarstations

Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL)

LVNL beheert technische installaties en systemen ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging. Een belangrijk deel hiervan betreft de apparatuur voor communicatie-, navigatie-, en surveillance infrastructuur (cns). CNS apparatuur wordt gebruikt om het radiocontact tussen de verkeersleiding en de piloten te onderhouden, navigatie in het naderingsgebied en en-route mogelijk te maken en de plaatsbepaling van vliegtuigen zeker te stellen. LVNL is verplicht haar taken te verrichten overeenkomstig het bepaalde in Nederland verbindende verdragen (artikel 5.23, lid 7 Wet luchtvaart), zoals het verdrag van Chicago. Op basis van het verdrag van Chicago, dat Nederland heeft geratificeerd, is de International Civil Aviation Organisation (ICAO) opgericht. ICAO vaardigt internationale burgerluchtvaartcriteria uit die de Nederlandse Staat dient te implementeren. LVNL dient aldus te handelen conform ICAO. Voor het veilig afwikkelen van vliegverkeer gelden rondom de technische systemen van LVNL maximaal toelaatbare hoogtes voor objecten: de zogenaamde toetsingsvlakken. In dit kader beoordeelt LVNL of de uitvoering van voorgenomen (bouw)plannen inderdaad van invloed zijn op de correcte werking van cns apparatuur. De afmetingen van de toetsingsvlakken is gebaseerd op berekeningsvoorschriften in de internationale burgerluchtvaartcriteria (ICAO EUR DOC 015).

In onderstaande figuur is het toetsingsvlak voor de VOR/DME PAM opgenomen. Binnen een toetsingsvlak moet indien de maximaal aangegeven hoogte dit vlak doorsnijdt, advies worden ingewonnen bij LVNL over het effect hiervan op de correcte werking van de VOR/DME PAM. Het toetsingsvlak kent een 600 meter vrije straal gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte. Vanaf het 0 meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog tot een hoogte van 51,56 m(NAP) op een afstand van 3 km. Vanaf de straal van 3 km geldt een apart windturbinevlak met een toetsingshoogte vanaf 51,56m (NAP) tot een straal van 10 km gemeten vanaf de basis van de antenne. Dit deel van het toetsingsvlak (vanaf 3 km tot 10 km) is enkel van toepassing op windturbines. Voor het plangebied zou dit toetsingsvlak dus alleen gelden voor windturbines met een hoogte vanaf 51,56 m. Dit plan maakt dergelijke nieuwe windturbines niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0015.png"

Figuur Hoogteradialen luchtvaartverkeer

Indien de huidige windmolens van het windmolenpark Jaap Rodenburg worden vervangen door nieuwe, geldt dus het toetsingsvlak van 3 tot 10 km. Als de windmolens hoger worden dan 51,56 m, dient advies te worden ingewonnen bij de LVNL over het effect ervan op de correcte werking van de VOR/DME PAM.

Laserstraalvrijegebied Luchthavenbesluit Lelystad

Naast de grenswaarden en gebruiksregels bevat het Luchthavenbesluit de aanduiding van het luchthavengebied en de bestemmingen die daarin gelden. De regels binnen het luchthavengebied beperken zich tot het aanwijzen van de gronden bestemd voor de start- en landingsbanen. Ook bevat het Luchthavenbesluit de beperkingengebieden buiten het luchthavengebied met de daarin geldende ruimtelijke regels in verband met de geluidbelasting en het externe veiligheidsrisico van het luchtverkeer en in verband met de vliegveiligheid. De regels in de beperkingengebieden kennen verschillende regimes. Zo gelden in de beperkingengebieden in verband met de geluidbelasting en het externe veiligheidsrisico van het luchtverkeer regels omtrent de toelaatbaarheid van gebouwen. Er zijn gebieden waar voor bepaalde gebouwen geldt dat ze moeten worden gesloopt en gebieden waar bepaalde nieuwe gebouwen verboden zijn. In de gebieden in verband met de vliegveiligheid leiden de regels onder andere tot hoogtebeperkingen van bestaande objecten (zoals bomen) en nieuwe gebouwen of bouwwerken (zoals windmolens) en daarnaast tot beperking van vogelaantrekkende bestemmingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0016.png"

Zoals uit de bovenstaande figuur blijkt, is het laserstraalvrije gebied niet van toepassing op het plangebied. Dit behoeft dus geen verdere regeling in het plan.

Hoofdstuk 6 Implementatie

6.1 Planning en fasering

Het plan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Een planning of fasering daarvoor is er niet. Na 2025, waarschijnlijk in 2030 zal, indien aan de voorwaarden is voldaan, de stedelijke ontwikkeling van Pampus worden gestart overeenkomstig de RRAAM.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het exploitatieplan

Op grond van artikel 6.12 Wro, lid 1 (afdeling 6.4 grondexploitatie) stelt de gemeenteraad bij de vaststelling van (onder meer) een bestemmingsplan een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen, indien het kostenverhaal niet op een andere wijze is verzekerd.

Het moet gaan om een bouwplan, omdat de effectuering van het kostenverhaal op grond van het exploitatieplan altijd gekoppeld is aan de verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. In het Besluit ruimtelijke ordening is aangegeven wat onder een bouwplan moet worden verstaan (Art. 6.2.1 Bro):

  • de bouw van een of meer woningen;
  • de bouw van een of meer hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1000m2 of met een of meer woningen;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor kantoor- of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1500 m2 (was 1000 m2) bedraagt;'
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1000 m2.

Op grond van artikel 6.12, tweede lid van de wet kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan indien:

  • a. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • b. het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is, en
  • c. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels, als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is,

of

bij algemene maatregel van bestuur aangegeven gevallen (artikel 6.2.1a van het Bro):

  • d. het totaal der exploitatiebijdragen dat met toepassing van artikel 6.19 van de wet kan worden verhaald, minder bedraagt dan €10.000,-;
  • e. er geen verhaalbare kosten zijn als bedoeld in artikel 6.2.4, onderdelen b tot en met f Bro;
  • f. de verhaalbare kosten, bedoeld onder b., uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

Het begrip bouwplan moet bovendien zo worden uitgelegd, dat niet sprake hoeft te zijn van een concrete bouwaanvraag. Het feit dat het nieuwe bestemmingsplan een directe bouwtitel geeft voor een of meer van bovengenoemde bouwplannen, leidt tot verplichting voor de gemeente om zo'n exploitatieplan op te stellen. Echter, indien het voorgaande bestemmingsplan dezelfde mogelijkheid ook al bood, maar die rechten in de voorgaande planperiode niet zijn benut, hoeft geen exploitatieplan te worden gemaakt.

Een exploitatieplan is niet vereist, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld via gronduitgifte, precarioverordening of (exploitatie)overeenkomsten. Uiteraard is een exploitatieplan ook niet noodzakelijk, als realisering van het bouwplan geen kosten vergt van de overheid.

Toets of bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is

Een plan is economisch uitvoerbaar, indien de te verwachten investeringen die voortvloeien uit het vast te stellen bestemmingsplan worden gedekt uit bijvoorbeeld de verkoop van grond, exploitatiebijdragen van derden (ontwikkelende partijen) dan wel uit overige middelen als subsidie. In het bestemmingsplangebied vinden geen ontwikkelingen plaats die op grond van artikel 6.2.1 Bro leiden tot verplicht kostenverhaal. Op grond van bovenstaande analyse blijkt dat de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is verzekerd waar het nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden betreft. Dientengevolge is het niet noodzakelijk om (gelijktijdig met het bestemmingsplan) een exploitatieplan vast te stellen.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg

Het plan is op 16 juni in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening aan de volgende overlegpartners gezonden:

  • gemeente Waterland
  • gemeente Edam-Volendam
  • gemeente Koggenland
  • gemeente Hoorn
  • gemeente Lelystad
  • gemeente Amsterdam
  • gemeente Blaricum
  • gemeente Gooisemeren (Muiden, Naarden, Bussum)
  • brandweer Flevoland
  • stichting Flevolandschap
  • provincie Flevoland
  • provincie Noord-Holland
  • KPN
  • Liander
  • Luchtverkeersleiding Nederland
  • Gasunie
  • Natuur en Milieu Flevoland
  • NUON Wind
  • ProRail
  • Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
  • Rijkswaterstaat regio Midden-Nederland
  • Rijksvastgoedbedrijf
  • Staatsbosbeheer
  • Tennet
  • Vitens
  • Vogel- en Natuurwacht Zuid-Flevoland
  • Waterschap Zuiderzeeland

Het was mogelijk tot en met 13 juli te reageren. De volgende reacties hebben wij ontvangen:

1.  ProRail (e-mail 20 juni): ProRail geeft aan dat ze in dit stadium geen opmerkingen heeft. 

Reactie: dit nemen we voor kennisneming aan.

2. Rijkswaterstaat (e-mail 22 juni):

  • a. op p. 78 (paragraaf 5.9 Water) staat dat het plan met het Waterschap is afgestemd. Rijkswaterstaat is echter voor het grootste deel van het water in dit plangebied de verantwoordelijk waterbeheerder.

Reactie: dit nemen we ter harte en we zullen daar rekening mee houden.

  • b. De Kaderrichtlijn Water wordt genoemd in de toelichting maar vrij algemeen. Uitgegaan wordt dat het over schoon binnendijks water gaat. Ook het KRW-gebied Markermeer-IJmeer dient aan bod te komen.

Reactie: dit wordt aangevuld/ aangepast in de toelichting.

3. Liander (mail 24 juni): Liander geeft aan dat tussen de N702 (Hogering) en de sloot parallel daaraan een hoogspanningsverbinding loopt welke eigendom is van Liander. Deze verbinding ligt buiten het op te stellen bestemmingsplan en wel in het bestemmingsplan Hoofdwegen. Daarom heeft Liander geen op- of aanmerkingen op het plan Almere Pampus en Markermeer.

Reactie: dit nemen we voor kennisneming aan.

4. Luchtverkeersleiding Nederland (mail 30 juni):

  • a. LVNL geeft aan dat zij een wettelijke taak in het beheer van technische installaties en systemen ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging. CNS-apparatuur is bedoeld om radiocontact te houden tussen de verkeersleiding en piloten, navigatie en plaatsbepaling van vliegtuigen zeker te stellen. De apparatuur maakt gebruik van radiogolven. Objecten (gebouwen, windmolens, bomen) vormen in potentie een bedreiging voor een correcte werking van deze apparatuur omdat ze uitgezonden radiogolven kunnen verstoren. Het plangebied bevindt zich in het toetsingsvlak van de VRO/DME PAM. Dit vlak kent een 600 m vrije straal (toetsingshoogte van 0 m, zodat elk object in deze zone potentieel verstorend is). Daarna loopt het vlak trechtervormig op tot 51,56 m tot 3 km. Daarna geldt een toetsingshoogte vanaf 51,56 m tot 10 km. Dit laatste vlak geldt alleen voor windturbines. Het windpark Jaap Rodenburg bevindt zich in dit vlak.

Reactie: dit nemen we voor kennisneming aan.

  • b. LVNL heeft een actuele van het toetsingsvlak van de VOR/DME PAM bijgevoegd. Dit is gebaseerd op de internationale burgerluchtvaartcriteria (ICAO EUR DOC 015). Dit is geactualiseerd en LVNL heeft de toetsingsvlakken daarmee in overeenstemming gebracht. Dit houdt in dat voor het plangebied het windturbinevlak is teruggebracht tot 10 km. Voor het nieuwe plan moet worden uitgegaan van dit nieuwe toetsingsvlak en de figuur hoogteradialen luchtvaartverkeer in hoofdstuk 5.12 van de plantoelichting aan te passen.

Reactie: dit wordt aangepast.

  • c. Het plan om de huidige windmolens te vervangen door nieuwe windmolens maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. LVNL verzoekt te borgen dat bij verdere ontwikkelingen rekening wordt gehouden met het toetsingsvlak van de VOR/DME PAM en te borgen dat indien een windturbine het toetsingsvlak doorsnijdt advies wordt ingewonnen bij LVNL over het effect hiervan op de correcte werking van de VOR/DME PAM.

Reactie: dit advies wordt doorgegeven aan de verantwoordelijke collega's.

5. Het Flevo-Landschap (mail 30 juni):

  • a. Pampushout is in het plan bestemd voor 'Natuur'. Dat is prima. De natuur bestaat voor groot deel uit bos, met primair een natuur- en recreatiefunctie, maar ook bosbeheer. Pampushout staat echter onder bestemming 'Bos' (p. 59 plantoelichting). Dat klopt niet helemaal.

Reactie: gelet op het feit dat het Pampushout voornamelijk uit bos bestaat, zowel in de feitelijke situatie als beleidsmatig (Nota Kleur aan Groen van de gemeente en de wezenlijke kenmerken en waarden EHS Almere van de provincie), is besloten het Pampushout de bestemming 'Bos' te geven. Binnen deze bestemming zijn bossen en bosbeheer toegestaan, maar ook natuur en recreatie. Dit biedt derhalve voldoende bescherming ter behoud van het bos en de natuur. Voor zover het gebied valt onder de EHS, is het bovendien bestemd voor 'waarde-ecologie'. Dit doet recht aan de bijzondere status als EHS en beschermt dit deel van het gebied extra tegen mogelijke ongewenste ontwikkelingen.

  • b. Een kleinschalige (horeca)voorziening is nu niet mogelijk. Dit is met oog op ontwikkeling van Pampus en toenemend recreatief gebruik in kader van Nota Kleur aan Groen wel wenselijk. Kan dit geregeld worden?

Reactie: Omdat het gewenst is eventuele nieuwe initiatieven, die op basis van de Nota Kleur aan Groen in het plangebied wenselijk kunnen zijn goed te toetsen aan deze nota alvorens medewerking te verlenen, is ervoor gekozen deze functies niet op voorhand te regelen in de bestemmingen met mogelijke nieuwe functies. Eventuele initiatieven die niet passen binnen de bestemmingen worden beoordeeld aan de hand van de essentie en de ontwikkelprincipes van de nota Kleur aan Groen. Wanneer het initiatief op basis daarvan goed inpasbaar blijkt, kan worden besloten van het bestemmingsplan af te wijken, dan wel het bestemmingsplan (op onderdelen) te herzien. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de toekomstige stedelijke ontwikkeling in het gebied. Deze ontwikkeling mag niet onmogelijk worden.

  • c. Landschapskunstwerk Polderland Garden of Love and Fire is wel zichtbaar op de kaart en valt in bestemming 'Natuur'. Dit heeft echter geen specifieke aanduiding Cultuur of kunst. Gezien het (inter)nationale belang is dit volgens Flevo-landschap wel verstandig.

Reactie: het kunstwerk heeft de aanduiding 'cultuurhistorie' zodat dit de benodigde bescherming krijgt.

  • d. Het beheersgebouw van Flevo-landschap is meer dan alleen opslag: het heeft een kantoorfunctie en er worden ook groepen ontvangen. Verzoek om de bestemming daarop aan te passen.

Reactie: met dit verzoek kunnen we instemmen. De aanduiding is gewijzigd van 'opslag' in 'specifieke vorm van gemengd-1', zodat ook kantoor en educatie mogelijk is.

  • e. Flevo-landschap mag van de provincie een project uitvoeren, genaamd Gouden Randen Pampushout, in het programma Nieuwe Natuur Flevoland van de provincie. Dit bestaat uit de aanleg van stroken wetland (rietland en open water) langs de bosrand en langs watergangen. Deels wordt hiermee invulling gegeven aan de het Convenant Ecozone Pampus (2006) en de intentieovereenkomst IAK Groenblauw casco (2011). De Ecozone is door de provincie als waardevolle EHS aangeduid op de NNN-kaart. Verwacht wordt dat nog dit jaar met het Rijksvastgoedbedrijf afspraken gemaakt kunnen worden over verwerving van de gronden. Het zou goed zijn deze ontwikkeling direct mee te nemen in het bestemmingsplan.

Reactie: De Gouden Randen worden gerealiseerd op gronden met de bestemming 'Agrarisch'. Deze gronden zijn mede bestemd voor gebruik als natuur of bos. Ook gebruik als water is mogelijk. De Gouden Randen, bestaande uit stroken wetland, zijn hierin zonder meer te realiseren.

6. Gemeente Waterland (brief van 28 juni): de gemeente Waterland constateert dat het bestemmingsplan wordt opgesteld in het kader van de actualisatie en daarom conserverend van aard is. Planologisch worden ook geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling van Pampus en de aanleg van de IJmeerlijn zijn daarom ook niet meegenomen in het plan. Het concept plan geeft daarom geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Reactie: deze reactie nemen wij voor kennisneming aan.

7. Brandweer (mail van 7 juli): De brandweer heeft advies uitgebracht.

Reactie: het advies is overgenomen (zie paragraaf 5.5 Externe veiligheid).

8. Gasunie (brief van 5 juli): Buiten het plangebied loopt een gastransportleiding met een invloedssfeer die tot binnen het plangebied reikt. Aan de externe veiligheidsaspecten is weinig tot geen aandacht besteed. Graag opnemen in het plan.

Reactie: In de Quickscan externe veiligheid (zie Bijlage 3) wordt de bedoelde gastransportleiding besproken. Deze leiding ligt ten westen (dus buiten) het plangebied. Erop is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Uit eerdere berekeningen met CAROLA is gebleken dat deze buisleiding geen PR van 10-6/jaar heeft. Er wordt dus voldaan aan de grens- en richtwaarde hiervan. Het invloedgebied van de leiding bedraagt ca. 140 m en valt deels over het plangebied. Echter het plangebied ligt buiten de 100%-letaliteitsgrens (70 m) van de leiding. Dit betekent dat de verantwoording GR niet van toepassing is.

In de toelichting zijn de externe veiligheidsaspecten ten aanzien van de gastransportleiding opgenomen. Daar wordt ook verwezen naar de hierboven vermelde Quickscan externe veiligheid.

9. Waterschap (brief van 14 juli): 

  • a. De dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ alsmede de aangrenzende vrijwaringszones ‘dijk 1’ en ‘dijk 2’ ontbreken op de verbeelding. In de toelichting en in de regels van het bestemmingsplan zijn de dubbelbestemming en de vrijwaringszones wel opgenomen. Vanwege het belang van de dubbelbestemming en de vrijwaringszones van de Oostvaardersdijk, verzoeken wij u voor de volledigheid de bijgewerkte versie van de verbeelding ter afstemming/advisering aan het waterschap voor te leggen.

Reactie: De aangepaste versie van de verbeelding leggen wij aan het Waterschap voor.

  • b. Conform de verbeelding is aan het hele plangebied een archeologische dubbel-bestemming toegekend, hetgeen betekent dat dit gebied mogelijk archeologisch waardevol is. Uitzondering hierop is onder meer de Oostvaardersdijk, enkele ‘vlekken’ ten zuidwesten en ten noorden daargelaten. Deze ‘vlekken’, met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 4’, liggen deels op de Oostvaardersdijk. Het waterschap vraagt zich af met welke reden deze delen van de Oostvaardersdijk wel zijn voorzien van een archeologische dubbelbestemming. Daar zijn weinig tot geen behoudenswaardige archeologische waarden te verwachten, omdat met de aanleg van de Oostvaardersdijk, grond tot enkele meters onder de zeebodem is afgegraven en later is aangevuld met grond van elders (het huidige dijklichaam). Aansluitend vraagt het waterschap zich af wat dit concreet betekent voor mogelijk toekomstige (versterkings)werkzaamheden aan de Oostvaardersdijk? Wij willen u verzoeken een nadere toelichting te geven op bovenstaande vragen en de archeologische dubbelbestemming ter hoogte van de Oostvaardersdijk aan te passen indien hiertoe aanleiding is.

Reactie: uit nader onderzoek en navraag bij de collega's van archeologie blijkt dat de Oostvaardersdijk geheel vrijgesteld is van archeologisch onderzoek. De dijk zal dan ook geen dubbelbestemming archeologie meer krijgen. 

  • c. Conform de verbeelding is de kwelsloot langs de Oostvaardersdijk evenals de watergangen tussen de (landbouw)kavels -kavelsloten- en de watergangen langs de wegen -wegsloten- binnen het gebied specifiek met ‘Water’ bestemd. Het waterschap constateert dat binnen het gebied de Galjoottocht, ten zuiden van de Galjootweg, ten oosten van de Botterweg en door het natuur-/bosgebied ‘Pampushout’ richting Almere Poort, niet specifiek met ‘Water’ is bestemd. Vanwege het grote waterhuishoudkundige belang van de Galjoottocht, onder meer vanwege de (enige) afvoerende functie van oppervlaktewater uit Almere Poort richting de Noorderplassen, verzoeken wij u hierbij deze tocht specifiek te bestemmen met ‘Water’.

Reactie: na overleg met onze waterdeskundige is besloten vanwege het waterhuishoudkundige belang dit water te bestemmen voor 'water'. Overigens zijn de kavelsloten, wegsloten en de kwelsloot langs de Oostvaardersdijk niet langer voor 'water' bestemd. Deze sloten hebben geen groot waterhuishoudkundig belang, dat een specifieke bestemming behoeft. Bovendien is binnen de nu hiervoor opgenomen bestemming 'Agrarisch' ook de functie water toegestaan.

10. Gemeente Amsterdam (mail van 20 juli): het plan geeft geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

Reactie: dit wordt voor kennisneming aangenomen.

11. Provincie Flevoland (mail van 14 juli):

  • a. De verbeelding moet terzake van de dubbelbestemming 'waterstaat-waterkering' en de bijbehorende binnen- en buitendijkse beschermingszone (vrijwaringszones 1 en 2) voor de Oostvaardersdijk nog aangevuld worden.

Reactie: Dit wordt op de verbeelding opgenomen.

  • b. In de toelichting moet ook aandacht worden geschonken aan de Partiële herziening Omgevingsplan Flevoland voor windenergie. In deze partiële herziening (als zijnde opvolger van de Noodverordening Wind) wordt aangegeven welke windmolens nog toelaatbaar zijn. Overigens voldoet het plan materieel aan deze herziening.

Reactie: dit wordt aangepast.

  • c. De tijdelijke windmolens van het Jaap Rodenburg windmolenpark worden wegbestemd en daarmee onder het overgangsrecht gebracht. Dit past binnen het provinciaal beleid van het opschalen en saneren.

Reactie: dit wordt voor kennisneming aangenomen.

  • d. De Nieuwe wet Natuurbescherming gaat waarschijnlijk 1 januari 2017 in werking. Voor het Flora- en faunawetgedeelte betekent dit dat de soortenlijsten worden aangepast. Dit kan van invloed zijn of er wel/niet vervolgprocedures moeten worden doorlopen bij ontwikkelingen.

Reactie: Indien de nieuwe wet voordat dit plan wordt vastgesteld in werking treedt, wordt dit in dit plan verwerkt. Ontwikkelingen worden in dit plan niet mogelijk gemaakt dus dat heeft geen verdere invloed op het plan.

  • e. Pag. 77 onderaan moet zijn plangebied Natura 2000 gebied.

Reactie: dit wordt aangepast.

  • f. Er wordt aangegeven dat het bestemmingsplan een hoofdzakelijk conserverend karakter heeft. Welke ontwikkelingen worden in het bestemmingsplan mogelijk gemaakt, die effect kunnen hebben op het Natura 2000-gebied en waarom heeft dit geen significante gevolgen? En waarom hebben deze ontwikkelingen geen effect op het Natura 2000 gebied?"

Reactie: het plan is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk in of direct grenzend aan het plangebied. Dit betekent dat zowel directe als indirecte effecten op de instandhoudingsdoelen op voorhand uit te sluiten zijn.

  • g. De toetsing van het plan aan de Flora- en faunawet ontbreekt, evenals een beschrijving van de huidige situatie. Of er beschermde soorten voorkomen in het bestemmingsplangebied zijn of niet? Afhankelijk daarvan kan gezegd worden of een ontheffing verleend kan worden of niet. Heeft er een gebiedsbezoek plaatsgevonden? Wat is de verwachting van de ecoloog? Is er gekeken naar de gegevens van de NDFF? Is er contact geweest met de ecoloog van de gemeente Almere?

Reactie: in het plangebied komen algemeen voorkomende en zwaar beschermde soorten voor (zie paragraaf 5.8 van de plantoelichting). Dit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg, omdat het plan geen ontwikkelingen mogelijk maakt waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten in het geding komt. Een ontheffing is derhalve niet nodig. De bovengenoemde ecologieparagraaf is opgesteld door de ecoloog van de gemeente.

  • h. Worden er door het bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk gemaakt in de EHS? Zo ja welke? En hebben deze effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. Bij mogelijke effecten dient een 'Nee,tenzij' toets doorlopen te worden.

Reactie: nee, het plan maakt vanwege het conserverend karakter geen ontwikkelingen mogelijk die negatieve effecten hebben op de EHS.

12. Vogel- en Natuurwacht Flevoland (mail van 12 juli):

  • a. De dubbelbestemming 'waarde-ecologie' doet recht aan het behoud en beschermen van de ecologische waarden, maar deze is niet terug te vinden op de verbeelding.

Reactie: de dubbelbestemming wordt op de verbeelding opgenomen.

  • b. Het wordt zeer ongewenst gevonden dat er wordt gewind- en gekitesurfd in de Pampushaven en andere gebieden waar regelmatig groepen vogels zich bevinden om te rusten of foerageren. De planregels sluiten surfen niet uit. Surfverboden blijken ook slecht handhaafbaar. Het is daarom noodzakelijk dat de surfmogelijkheden in een zo vroeg mogelijk stadium worden beperkt en reclamant verzoekt daarom surfen in de Pampushaven te verbieden. Andere vormen van recreatievaart kunnen ook verstorend zijn voor vogels, maar vinden zelden plaats in de periode oktober-april wanneer er massaal vogels in Pampushaven zijn.

Reactie: een surfverbod wordt niet geregeld via een bestemmingsplan. Dit is niet het juiste instrument daarvoor. Een verbod is al geregeld via het Binnenvaartpolitiereglement. Er is nu geen aanleiding dit ook nog eens te regelen via het bestemmingsplan.

  • c. Het is ongewenst dat Pampushaven als overslaghaven wordt gebruikt, bijvoorbeeld voor zand. Graag bevestiging dat dit met dit plan is uitgesloten.

Reactie: het huidige bestemmingsplan sluit dit niet uit. Vanwege het conserverend karakter van het nieuwe plan wordt dit ook niet in het nieuwe plan verboden. Dit gebruik wordt buiten het bestemmingsplan om via andere regels, zoals de Natuurbeschermingswet, geregeld. Tegen een op basis van deze wet verleende vergunning of ontheffing kan desgewenst in rechte worden opgekomen. Het is daarom niet nodig dit nog eens in het bestemmingsplan op te nemen.

  • d. In de bouwregels voor Natuur zijn erf- en terreinafscheidingen tot 3 m hoog mogelijk. Dit is opvallend, omdat in het onlangs vastgestelde bestemmingsplan Groenzone Noorderplassen-De Vaart en Oostvaardersbos deze 2 m hoog mogen zijn en langs de openbare weg slechts 1 m. Een hoogte van 3 m doet afbreuk aan de landschappelijke waarde. Indien een dergelijke hoogte toch noodzakelijk blijkt te zijn, dan graag via een omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan.

Reactie: de bestemming 'Natuur' is vervangen door de bestemming 'Bos' (zie reactie Flevolandschap onder 5). In de bestemming 'Bos' zijn erf- en terreinafscheidingen mogelijk tot 1 m langs de openbare weg en andere tot 2 m. Dit is overeenkomstig uw reactie. Een hogere hoogte mogelijk maken via omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan is niet noodzakelijk.

Zienswijzen

PM

Bijlagen

Bijlage 1 Beleidskader

Hoofdstuk 1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het Rijk is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Ze schetst de ontwikkelingen en ambities voor Nederland in 2040. Ingezet wordt op het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen en laat meer over aan gemeenten en provincies. Deze nationale belangen. zijn:

  • 1. Een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. Efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. Een robuust hoofdnetwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. Betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem;
  • 7. Het instandhouden van het hoofdnetwerk van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van de mobiliteitssysteem te waarborgen;
  • 8. Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her) ontwikkeling;
  • 10. Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. Ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele plannen.

Daarnaast blijft het Rijk betrokken bij gebiedsontwikkelingen van nationaal belang, waaronder Schaalsprong Almere, de Zuidas en Rotterdam-Zuid.

Almere maakt onderdeel uit van het MIRT-gebied Noordwest-Nederland. Het MIRT-gebied Noordwest-Nederland beslaat de provincies Noord-Holland en Flevoland en het IJsselmeergebied. De Metropoolregio Amsterdam is binnen dit gebied de grootste stedelijke regio. Een opgaven van nationaal belang in dit gebied is onder meer het mogelijk maken van de drievoudige schaalsprong in het gebied Amsterdam-Almere-Markermeer (woningbouw, infrastructuur en groen/blauw) samen met betrokken overheden (RRAAM).

Het gebied van en rond de Metropoolregio Amsterdam kent een grote ruimtedruk. De regio staat voor een forse woningbouwopgave, zowel kwantitatief als kwalitatief. In het gebied van de Noordvleugel (exclusief het Utrechtse deel) is er tot 2040 vraag naar bijna 290.000 extra woningen om in de groei van het aantal huishoudens te voorzien. Tegelijkertijd is er de opgave om woningen die niet meer voorzien in de behoefte te vervangen (tot 2040 ruim 140.000 woningen).

Verder is in de SVIR de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Het Rijk wil met de introductie van de ladder vraaggerichte programmering bevorderen. De ladder beoogt een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro: artikel 3.1.6 lid 2). Hierin is vastgelegd dat provincies en gemeenten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken (in respectievelijk een provinciale verordening of een bestemmingsplan) de ladder moeten doorlopen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het plan voorziet hoofdzakelijk in actualisering en uniformering van de op het gebied van toepassing zijnde regels. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de nationale belangen in de SVIR. Op het RRAAM en de Noordvleugel wordt hierna ingegaan.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (2012)

In de SVIR is aangegeven dat voor een aantal onderwerpen algemene regels door het Rijk moeten worden gesteld. Deze regels zijn concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) door te werken in de ruimtelijke besluitvorming van provincies en gemeenten. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is deze algemene maatregel van bestuur waarin de nationale belangen uit de SVIR juridisch zijn geborgd. De ministeriële regeling die bij het Barro hoort (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) is gelijk met het Barro in werking getreden. De onderwerpen waar het Rijk in het Barro ruimte voor vraagt zijn onder andere: de bescherming van de waterveiligheid in het Kustfundament, bescherming en behoud van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en de uitoefening van defensietaken.

Op 1 oktober 2012 is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de volgende onderwerpen (Barro, eerste aanvulling): veiligheid rond rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, elektriciteitsvoorziening, ecologische hoofdstructuur, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament, verstedelijking in het IJsselmeer en de toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. De bepalingen voor primaire dijken buiten het kustfundament hebben betrekking op gronden waarop een primaire waterkering ligt en gronden die deel uitmaken van een beschermingszone. Het betreft hier begripsbepalingen en regels. In Almere gaat het om de Gooimeerdijk, IJmeerdijk en Oostvaardersdijk. Ook bevat de Barro per 1 oktober 2012 een bepaling voor buitendijks bouwen. Uitgangspunt is dat buitendijks niet gebouwd mag worden en dat landwinning niet tot de mogelijkheden behoort, maar artikel 2.12.2 kent een uitzondering voor Almere. Binnen de gemeente Almere is bebouwing en landwinning mogelijk van ten hoogste 700 hectare. Ten hoogste 12 hectare in het Gooimeer ten behoeve van het project Hoogtij en het overige oppervlak in het Markermeer ten behoeve van het project Schaalsprong Almere. De wijziging van het Barro ging vergezeld van een wijziging van de Rarro. Ook deze wijziging trad op 1 oktober 2012 in werking. De Rarro bevat een uitwerking van het al eerder in het Barro gepubliceerde ruimtelijke regime rond radars voor militaire luchtvaart.

Op het plangebied is alleen het ruimtelijke regime van radars voor militaire luchtvaart van toepassing. Het voorheen geldende regime is aangepast op basis van nieuwe technische inzichten en ontwikkelingen op het gebied van radarverstoring. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken in het algemeen en windturbines. Het regime geldt niet voor bestaande bouwwerken en windturbines. Voor windturbines gelden ruimere radarverstoringsgebieden dan voor overige bouwwerken. Het plangebied valt niet in een radarverstoringsgebied waarin een maximale hoogte voor bouwwerken geldt. Het plangebied ligt wel in twee radarverstoringsgebieden (AOCS Nieuw Milligen en Soesterberg) waarbinnen maximale hoogten gelden voor de tippen van de wieken van windturbines. Voor het radarverstoringsgebied AOCS Nieuw Milligen geldt een maximale bouwhoogte van 118 meter t.o.v. NAP en voor radarverstoringsgebied Soesterberg geldt een maximale bouwhoogte van 128 meter t.o.v. NAP. Het onderhavige bestemmingsplan maakt de bouw van windturbines niet mogelijk.

Naast de primaire radars is er apparatuur die de luchtverkeersleiding en de luchtvaartnavigatie ondersteunen, zoals secundaire radars, bakens en landingsinstrumenten. In de omgeving van deze apparatuur gelden bouwbeperkingen. Deze apparatuur en de bouwbeperkingen zijn geen onderdeel van de regeling voor primaire radars in het Barro en Rarro. In paragraaf 5.12 Radarverstoringsgebied en laserstraalvrije gebied wordt ingegaan op het radarverstoringsgebied voor burgerluchtverkeer.

EHS

Met een provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan in gebieden behorende tot de Ecologische Hoofdstructuur geen bestemmingen mogelijk maakt ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan, die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden. Voor de wijze waarop de provincie de Ecologische Hoofdstructuur heeft geborgd in haar verordening wordt verwezen naar hoofdstuk 2 Provinciaal en regionaal beleid van de bijlage. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met de verordening.

Nieuwe bebouwing/landaanwinning

Een bestemmingsplan mag geen bestemmingen bevatten die ten opzichte van het bestemmingsplan dat gold op 22 december 2009, nieuwe bebouwing of landaanwinningen mogelijk maken. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe bebouwing en/of landaanwinning mogelijk. Zie ook onder RAAM.

Waterkering

Een bestemmingsplan bevat de dubbelbestemming waterkering voor grond waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering heeft. De Oostvaardersdijk heeft deze dubbelbestemming gekregen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Barro en Rarro.

RAAM-brief

Rijk en regio willen de internationale concurrentiekracht en de duurzaamheid van de Noordelijke Randstad een impuls geven. In het programma Randstad Urgent zijn vijf grote projecten aangewezen die daaraan moeten bijdragen:

  • schaalsprong Almere;
  • verbetering openbaar vervoer tussen Schiphol, Amsterdam, Almere en Lelystad;
  • verbetering van de ecologische kwaliteit van het Markermeer en het IJmeer (toekomstagenda Markermeer-IJmeer);
  • de ontwikkeling van de luchthaven Lelystad in relatie tot de ontwikkeling van Schiphol;
  • verbetering van de bereikbaarheid via de weg en het openbaar vervoer tussen Almere, 't Gooi en Utrecht.

Deze vijf projecten worden bij de uitwerking en besluitvorming in samenhang bezien. Als onderdeel van deze aanpak heeft het Kabinet een aantal principekeuzes vastgesteld voor de ontwikkeling van het gebied tussen Amsterdam, Almere en Markermeer. Deze keuzes zijn gepresenteerd in de RAAM-brief die het Kabinet op 6 november 2009 heeft gepubliceerd.

'RAAM' staat voor 'Randstad-besluiten Amsterdam – Almere – Markermeer'. De RAAM-brief geeft de koers voor de na te streven ontwikkelingen aan. In de RAAM-brief heeft het kabinet ingezet op een westelijke ontwikkeling van Almere en dus niet voor een dominante ontwikkeling in oostelijke richting. Hier is het principe ontstaan dat de stedelijke ontwikkeling aan de westzijde van Almere plaatsvindt. Oosterwold krijgt een meer landelijke invulling.

Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer (2013) (RAAM)

In het Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer (verder: RRAAM) werken het Rijk, de provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland en de gemeenten Almere en Amsterdam samen om de drievoudige ambitie op het gebied van woningbouw, bereikbaarheid en ecologie in de Noordelijke Randstad vorm te geven. Binnen RRAAM is onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Infrastructuur en Milieu in november 2013 de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer vastgesteld.

De Noordvleugel van de Randstad is nationaal gezien één van de belangrijkste economische motoren en kan zich meten met andere topregio’s in Noordwest-Europa, zoals Londen, Parijs, het Ruhrgebied en Milaan. De Noordvleugel omvat het samenhangende stedelijke netwerk van het Noordzeekanaalgebied tot en met Utrecht, Amersfoort en Almere, met Amsterdam in het centrum. De regio kent aan de zuidkant een aaneenschakeling van grote functies als de Mainport Schiphol, het zakencentrum de Zuidas, de Jaarbeurs Utrecht en diverse grote woon- en werkgebieden. Met deze Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer wordt ingezet op versterking van de agglomeratiekracht van de Noordvleugel en daarmee op verbetering van de internationale concurrentiepositie van de Randstad als geheel.

Het toekomstperspectief van het Rijk voor de Noordvleugel is een sterke internationaal concurrerende regio, waarin een aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt gecreëerd met een goede bereikbaarheid en unieke natuur- en recreatiegebieden in en rond het Markermeer-IJmeer. Daarbij kiest het Rijk ervoor om de verstedelijking in deze regio zoveel mogelijk te concentreren in bestaand stedelijk gebied en langs de bestaande infrastructuurcorridors op de as Haarlemmermeer-Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad. Zodoende wordt de agglomeratiekracht versterkt. Het betekent een verdere groei van Almere met hieraan gekoppeld een verbetering van de bereikbaarheid tussen Amsterdam en Almere. Ook de infrastructuur tussen Almere en Utrecht dient op orde te zijn. Daarnaast zal er sprake zijn van een vooruitgang van de ecologische kwaliteit in het Markermeer-IJmeer.

Het toekomstperspectief voor Almere is een westelijk georiënteerde stad met circa 60.000 nieuwe woningen ten opzichte van 2010 en een forse groei van het aantal arbeidsplaatsen. Het is hier prettig om te wonen, te werken en te recreëren. Almere is volwaardig onderdeel van het regionale mobiliteitsnetwerk van de Noordvleugel. Een IJmeerverbinding met een hoogstedelijke ontwikkeling van Almere Pampus is hierbij de stip op de horizon. Deze verbinding is een metroachtig systeem dat Almere, in het bijzonder de locatie Pampus en Diemen direct verbindt met Amsterdam. Een deel van de regionale behoefte aan nieuwe woningen kan in Almere worden opgevangen. Dit verbetert de leefomgeving in de Noordvleugel en daarmee het internationale vestigingsklimaat. Voor het Markermeer-IJmeer is het toekomstperspectief een Toekomstbestendig Ecologisch Systeem (TBES), waardoor een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ontstaat met aantrekkelijke natuur- en recreatiegebieden. Het ecologisch systeem van het Markermeer-IJmeer is vitaal, gevarieerd, robuust en biedt, door natuurinvesteringen, juridische ruimte om de gewenste ruimtelijke en recreatieve ontwikkelingen mogelijk te maken.

In de Rijksstructuurvisie staat een adaptieve aanpak centraal. Deze aanpak is gericht op de toekomst: duurzaam en robuust. Daarmee is zij in staat om veranderingen op te vangen. De Rijksstructuurvisie geeft een beschrijving van het toekomstperspectief voor de drievoudige ambitie en hoe die kan worden bereikt. Dit toekomstperspectief met een westelijke ontwikkeling van Almere, een IJmeerverbinding en een TBES, is een gezamenlijk perspectief van het Rijk en de overheden in de Noordvleugel. Het gaat daarbij niet om een blauwdruk voor de toekomst, maar om een perspectief dat richting geeft aan de stappen die tussen nu en de lange termijn genomen moeten en kunnen worden. Ze verbindt daarmee de korte en (middel)lange termijn met elkaar zonder daar van te voren vaste termijnen of data aan te koppelen. De woningbehoefte kan lager of hoger uitvallen dan de huidige berekeningen, afhankelijk van de daadwerkelijke economische en demografische ontwikkelingen. De woningen en de bijbehorende infrastructuur komen daarom in stappen tot stand, reagerend op de behoefte op de woningmarkt en de mobiliteitsontwikkelingen. Ook voor natuur is een stapsgewijze aanpak op zijn plaats. Afhankelijk van het verloop van de ecologische processen zijn er minder of meer natuurmaatregelen nodig.

Overheden, maatschappelijke organisaties en private partijen zijn al volop bezig met het realiseren van het toekomstperspectief. Ter verbetering van de bereikbaarheid binnen de Noordvleugel wordt de komende jaren gewerkt aan de capaciteitsvergroting van de bestaande rijkswegen en spoorlijnen in de corridor Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad. Voor het spoor wordt aanvullend daarop een investering voor de middellange termijn gedaan, waarmee een kwaliteitssprong naar hoogfrequent spoorvervoer wordt gerealiseerd. De woningbouwontwikkeling in Almere en het commitment van partijen hierop is een voorwaarde voor een succesvolle realisatie van OV SAAL en omgekeerd. Met de realisatie van deze uitbreidingen is de bereikbaarheid ook voor de langere termijn op orde. Verder wordt de bereikbaarheid tussen Almere en Utrecht verbeterd; dit betreft onder andere het verbreden van de A27 tussen Utrecht en knooppunt Eemnes en een pilot met een snelbus tussen Almere en Utrecht De Uithof.

Almere groeit in fasen en organisch op locaties langs de bestaande vervoersassen (A6, A27 en Flevolijn) volgens het bestaande meerkernige stadsconcept. De locaties Poort, Nobelhorst, Centrum Weerwater en Oosterwold bieden ruimte aan een aanzienlijk aantal woningen, voorzieningen en aan bedrijvigheid. De locatie Centrum Weerwater wordt ontwikkeld tot een locatie met (boven-)regionale centrumfuncties. De Floriade in 2022 is een eerste initiatief en hierdoor zal het imago van Almere als aantrekkelijke suburbane stad een internationale impuls krijgen.

Samen met de groei van Almere zal ook de stedelijke infrastructuur en groenblauwe structuur meegroeien. Tegelijkertijd wordt een volwaardig voorzieningenpakket op het gebied van onderwijs, werkgelegenheid, cultuur, sport en duurzaamheid ontwikkeld. Door de verstedelijking langs de bestaande vervoersassen te concentreren, wordt druk opgebouwd die nodig is voor een verdere westwaartse groei van Almere en worden de investeringen in deze vervoersassen maximaal benut.

Om het toekomstperspectief en de stappen daar naartoe te realiseren, hebben het Rijk en de overheden in de Noordvleugel gezamenlijke afspraken gemaakt voor de komende jaren. Die afspraken staan in de realisatieparagraaf van de Rijksstructuurvisie en in de Bestuursovereenkomst RRAAM en de Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0. Tezamen vormen zij de agenda voor de komende jaren. De samenhang tussen de stapsgewijze ontwikkelingen naar het toekomstperspectief wordt geborgd door het monitoren van de voortgang van de maatregelen en de effecten van de ontwikkelingen. Zo kan door het Rijk en de overheden in de Noordvleugel tussentijds worden bijgestuurd.

Om de agglomeratiekracht en daarmee de internationale concurrentiepositie van de Noordvleugel te versterken, is het in lijn met de Gebiedsagenda Noord-Holland, Utrecht en Flevoland de opgave om zoveel mogelijk woningen in bestaand stedelijk gebied in de regio's Amsterdam, Utrecht en Amersfoort en langs bestaande infrastructuurcorridors te bouwen op de as Haarlemmermeer-Schiphol-Amsterdam-Almere-Lelystad. Aanvullende verstedelijkingslocaties worden in de directe nabijheid daarvan gezocht. Daarnaast hebben het Rijk en de overheden in de Noordvleugel geconcludeerd dat Almere goede mogelijkheden biedt om een aanzienlijk deel van de woningbehoefte van de Noordvleugel te accommoderen: richtpunt is 60.000 woningen: 25.000 woningen uit Noord-Holland, 15.000 uit de regio Utrecht en 20.000 woningen voor de autonome ontwikkeling van Almere.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0017.png"

Naast het grote aantal woningen dat in Almere wordt toegevoegd, is het van belang ook andere functies mogelijk te maken, zodat een sociale diverse, aantrekkelijke en leefbare stad ontstaat. Hierover wordt in de Structuurvisie aangegeven dat Almere, als 'new town', ruimte heeft voor nieuwe werk- en woonmilieus, experimenten, en vernieuwend ondernemerschap. Door dit mogelijk te maken en te stimuleren, wordt tevens bijgedragen aan de florerende economie van de Noordvleugel en aan een versterking van de internationale concurrentiepositie. De groei van Almere in de drie aangewezen kernen past bij de bestaande meerkernige structuur van de stad.

Met een gefaseerde aanpak wordt toegewerkt naar het toekomstperspectief voor de Noordvleugel, de stip op de horizon. Dit toekomstperspectief geeft invulling aan de drie samenhangende ambities op het gebied van verstedelijking, bereikbaarheid, natuur en recreatie ter versterking van deze regio. Het geeft richting aan het handelen van overheden, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en burgers. Het is nu niet nodig om voor de lange termijn definitieve keuzes te maken ten aanzien van verstedelijking en bereikbaarheid. De beoogde woningbouwopgave is gebaseerd op de verwachte vraag naar woningen in de komende decennia. De woningbehoefte kan lager of hoger uitvallen dan de huidige berekeningen, afhankelijk van de daadwerkelijke economische en demografische ontwikkelingen. De woningen en de bijbehorende infrastructuur komen daarom in stappen tot stand in reactie op de behoefte op de woningmarkt en de mobiliteitsontwikkelingen. De aanpak van vraagafhankelijk bouwen geldt niet alleen voor woningen, maar ook voor economische activiteiten en voorzieningen. Zodra de markt of burgers initiatieven ontplooien, wordt hierop gereageerd vanuit de basishouding dat dit mogelijk is. De essentie van vraagafhankelijk bouwen is dat de vragers de ontwikkeling zelf bepalen. Overheden stellen alleen de hoognodige kaders op, waarbinnen initiatiefnemers bepalen wat op welk moment gebouwd wordt.

De economische structuur in Almere ontwikkelt zich verder. Om een vitale stad te ontwikkelen, is vooralsnog een ambitie van 100.000 arbeidsplaatsen gedefinieerd. Met haar jonge bevolking levert Almere human capital aan de economie van de Noordvleugel. Almere heeft als new town ruimte voor nieuwe werk- en woonmilieus, experimenten en vernieuwend ondernemerschap. Hierbij is excellent gastheerschap voor nieuwe en zittende ondernemers belangrijk. In de jonge economie van de stad zijn zelfstandigen zonder personeel (ZZP-ers) en het midden- en kleinbedrijf (MKB) relatief sterk vertegenwoordigd. Zij krijgen alle ruimte om zich verder te ontplooien. Daarnaast ontstaat met de groei van de stad al een forse autonome groei van het aantal banen door bevolkingsvolgende groei. Naast de autonome groei is het de ambitie om banen te creëren in een aantal stuwende sectoren. Deze zijn in het economisch programma “Almere Werkt!” vastgelegd: Duurzaam bouwen & Gebiedsontwikkeling, Health, ICT & Media, Lelystad Airport en Wellness & Life Sciences.

Een goede, complete en kwalitatief hoogwaardige onderwijsinfrastructuur is een zeer belangrijke vestigingsfactor. De eerste kansen zijn al verzilverd door de investeringen van het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Almere met de komst van Hogeschool Windesheim en de Christelijke Agrarische Hogeschool Vilentum. In samenwerking met het bedrijfsleven moet vooral in het middelbaar en hoger onderwijs een aanbod ontstaan dat aansluit bij de toekomstige behoeften en waarmee bedrijven kunnen worden verleid om zich in Flevoland te vestigen.

Zowel de culturele als de sportieve infrastructuur is van eminent belang voor de sociale samenhang in nieuwe en oudere delen van Almere. Op cultureel gebied wordt ingezet op het koppelen van nationale voorzieningen aan Almeerse kwaliteiten (eigen profiel), het versterken van het cultureel middenveld, het ruimte bieden aan zelforganisatie en ondernemerschap en het besteden van aandacht aan cultuureducatie en talentontwikkeling. Op het terrein van sport ligt de focus op een wijkgericht aanbod aan breedtesport, sectoroverstijgende talentontwikkeling en een gericht aanbod aan topsportevenementen en -voorzieningen.

Op 13 november 2013 is de Bestuursovereenkomst RRAAM ondertekend door het Rijk, de provincies Flevoland, Noord-Holland en Utrecht, de stadregio Amsterdam en de gemeenten Amsterdam en Almere (verder: RRAAM). De Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer is bindend voor het Rijk. Met deze bestuursovereenkomst leggen partijen de afspraken vast om tot uitvoering te komen van de drievoudige ambitie op het gebied van verstedelijking, bereikbaarheid en natuur & recreatie ter versterking van de internationale concurrentiepositie van de Noordvleugel, zoals uitgewerkt in de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer.

Partijen hebben ten aanzien van de stedelijke ambitie afgesproken dat met de adaptieve aanpak de (markt)vraag naar woningen en bedrijfslocaties van doorslaggevend belang is voor het tempo en de invulling van het ontwikkelen van het toekomstperspectief. Partijen monitoren voor het gebied de Noordvleugel de kwantitatieve en kwalitatieve actuele vraag naar en het aanbod van woningen. Onder duovoorzitterschap van de provincie Noord-Holland en het Rijk (namens deze vertegenwoordigers van de minister voor Wonen en Rijksdienst), wordt deze monitoring vanaf 2014 uitgevoerd. Partijen brengen de gezamenlijke rapportage jaarlijks uit.

Voor het plangebied betekent dit er op dit moment geen ontwikkelingen in het kader van RAAM worden mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. De ontwikkeling van Almere Pampus is niet voor 2025 aan de orde. Dit gelet op de lopende grondexploitaties, in combinatie met de ambities voor andere majeure opgaven in Almere (Poort, Centrum, Floriade). Verder is de ontwikkeling van een stedelijk woonmilieu in Almere Pampus alleen mogelijk bij realisatie van de IJmeer- verbinding.
Start van de aanleg IJmeerverbinding vindt plaats in een bandbreedte vanaf ca. 2025 (bij een bouwtempo van 2.000 woningen per jaar en MIRT verkenning en borging financiering voor 2025) tot ca. 2040 (bij een bouwtempo van 1.000 woningen per jaar en MIRT verkenning en borging financiering na 2035).

Dit bestemmingsplan heeft een (wettelijk bepaalde) looptijd van tien jaar. De ontwikkeling van Pampus en de aanleg van de IJmeerlijn is naar verwachting na deze planperiode aan de orde. Daarnaast is de gebiedsontwikkeling nog onvoldoende concreet. De ontwikkeling van Pampus en de aanleg van de IJmeerlijn worden daarom nu niet meegenomen in dit plan.

Overigens worden er in dit plan geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt, die de toekomstige ontwikkelingen en de aanleg van de IJmeerverbinding kunnen frustreren.

Uitvoeringsovereenkomst Almere 2.0 (2013) (IAK2)

Het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Almere hebben op 20 november 2013 in de Uitvoeringsovereenkomst de afspraken vastgelegd om tot uitvoering te komen van de stedelijke ambitie Almere, zoals uitgewerkt in de Rijksstructuurvisie Amsterdam-Almere-Markermeer. Deze overeenkomst vervangt het eerdere Integraal Afsprakenkader (IAK) uit 2010. De afspraken in de uitvoeringsovereenkomst hebben betrekking op de integrale stedelijke ontwikkeling (Almere 2.0) en heeft betrekking op:

  • de gebieden: Almere Oosterwold, Almere Centrum Weerwater inclusief Floriade, Almere Pampus in samenhang met de IJmeerlijn, Almere Poort, Nobelhorst, alsmede de stedelijke ontwikkeling in het huidige stedelijke gebied van Almere;
  • de thema's stedelijke bereikbaarheid, groenblauw, duurzaamheid, onderwijs, cultuur, sport en economie;
  • het behoud van de concurrentiepositie van het huidige stedelijke gebied (Almere Tafel);
  • de samenwerking tussen het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Almere alsmede het gezamenlijk financieel kader ten behoeve van de realisatie.

In de overeenkomst hebben partijen afgesproken dat het realiseren van de stedelijke ambitie (60.000 woningen) is gestart op 1 januari 2010. De vraag van de markt is een bepalende factor voor het tempo waarop de gebiedsontwikkelingen in Almere plaatsvinden. De gebiedsontwikkeling Almere Centrum Weerwater kan op basis van de uitvoeringsovereenkomst door de gemeente Almere worden opgestart. De gemeente Almere voert de regie over de afstemming tussen de gebiedsontwikkelingen in Almere middels onder meer de gemeentelijke programmeringscyclus (Meerjaren Programmering Grondexploitatie Almere).

Ten behoeve van de realisatie van Almere 2.0 wordt één gezamenlijk Fonds Verstedelijking Almere ingesteld. Het fonds is bestemd voor investeringen in projecten ten behoeve van de integrale ontwikkeling van Almere 2.0. Het gaat daarbij om projecten op het gebied van de Almere Tafel, Onderwijsstructuur, Culturele infrastructuur, Sportinfrastructuur, Economie en Floriade, Duurzaamheid, Programma groenblauw en Stedelijke bereikbaarheid.

Deze overeenkomst heeft op dit moment geen gevolgen voor het bestemmingsplan. De focus van de uitvoering van de stedelijke ambitie voor Almere ligt de komende jaren nog niet op het plangebied.

Structuurvisie Windenergie op Land (2014)

Op 28 maart 2014 heeft de Ministerraad de Structuurvisie Windenergie op land (SvWOL) vastgesteld. Daarmee is het beleid van kracht geworden om ruimte te bieden voor grootschalige windparken om de doorgroei naar ten minste 6.000 megawatt (MW) windenergie op land in 2020 te realiseren. Het voornemen om een structuurvisie voor Windenergie op land op te stellen is aangekondigd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De belangrijkste reden voor het ontwikkelen van de SvWOL is de wens van het kabinet om grootschalig windenergievermogen te concentreren in de daarvoor meest geschikte gebieden. Op die manier kan de landschappelijke versnippering en verstoring worden beperkt. Bovendien zal het aanwijzen van gebieden voor grootschalige windenergie in een structuurvisie de procedure voor realisatie van grote projecten versnellen.

Naast grootschalige windparken zijn ook kleinschalige initiatieven (kleiner dan 100 MW) noodzakelijk om de 6.000 MW windenergie op land in 2020 te halen. De ministers van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken hebben met de provincies afspraken gemaakt over de realisatie van 6.000 MW in 2020, die deel uitmaken van de Structuurvisie.

In de Structuurvisie Windenergie op land zijn 11 gebieden in Nederland aangewezen waar grootschalige opwekking van windenergie (meer dan 100 MW) mogelijk is. Hiermee biedt de SvWOL het ruimtelijk kader voor deze grootschalige windprojecten, waarop de rijkscoördinatieregeling (RCR) van rechtswege van toepassing is

De gebieden zijn in overleg met de provincies aangewezen.

In onderstaande afbeelding zijn de gebieden in Flevoland aangewezen die in aanmerking komen voor grootschalige windenergie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0018.png"

Figuur: aangewezen gebieden (in donkergeel) voor grootschalige opwekking van windenergie

Het plangebied valt niet in een gebied dat in de Structuurvisie Windenergie op Land (SvWOL) is aangewezen voor grootschalige opwekking windenergie. Het bestemmingsplan maakt dan ook geen grootschalige opwekking van windenergie mogelijk.

Structuurvisie Randstad 2040 (2010)

In de Structuurvisie Randstad 2040 (2010) heeft het kabinet keuzes gemaakt om van de Randstad in 2040 een duurzame en concurrerende Europese topregio te maken waar mensen graag wonen, werken en recreëren. Groene woon- en werkmilieus zijn daarbij nodig om de variatie in vestigingsmilieus te vergroten. Mogelijkheden daarvoor liggen onder meer in Almere. Grootschalige stedelijke ontwikkeling van Almere is noodzakelijk voor het opvangen van de groei in de noordelijke Randstad tot 2040. Ook in deze structuurvisie is aangegeven dat de opgave bestaat om tot 2030 60.000 woningen te bouwen.

Het bestemmingsplan is niet in strijd met de Structuurvisie Randstad 2040.

Europese Kaderrichtlijn Water (2000)

De Europese Kaderrichtlijn Water is vastgesteld in 2000. De kaderrichtlijn heeft als doelstellingen:

  • een goede ecologische toestand van de oppervlaktewateren (zoete, kust- en overgangswateren);
  • het tot nul terugbrengen van de lozing van gevaarlijke stoffen;
  • een goede toestand van het grondwater;
  • een duurzaam gebruik van water;
  • afzwakking van de negatieve gevolgen van overstromingen en perioden van droogte.

Sinds 1 november 2003 is er een wettelijke verplichting om een watertoets uit te voeren bij ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet inzichtelijk worden gemaakt wat de gevolgen zijn van een ruimtelijke ontwikkeling voor het waterbeheerssysteem en op welke wijze de ruimtelijke ontwikkeling en het waterbeheer op elkaar worden afgestemd.

Het Markermeer-IJmeer is voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) een formeel begrensd waterlichaam van het type M21: grote diepe gebufferde meren. De status is ‘sterk veranderd’ omdat hydromorfologische herstelingrepen niet uitgevoerd kunnen worden zonder negatieve effecten voor een aantal gebruiksfuncties, waaronder scheepvaart, peilbeheer, drinkwatervoorziening en waterhuishouding. Een KRW-waterlichaam kent doelen voor de ecologische toestand en de chemische toestand. Gegeven het watertype en de status van sterk veranderd waterlichaam, zijn ecologische doelen vastgesteld voor het Markermeer-IJmeer. Voor het realiseren van de KRW-doelen zijn vooral herstelmaatregelen nodig op het vlak van de ecologische toestand. De huidige kwaliteit voor waterflora en vis zijn belangrijke knelpunten. Deze zijn gebaat bij versterking van de volgende systeemcondities:

  • Ondiepe zones met helder water (vooral voor waterplanten);
  • Geleidelijke land-waterovergangen (oevervegetatie);
  • Ecologische verbindingen (vismigratie met aanliggende watersystemen).

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water. Het plan heeft geen invloed op de te realiseren doelen uit de kaderrichtlijn.

Het Nationaal Bestuursakkoord Water (2008)

Dit akkoord is op 25 juni 2008 onder andere in verband met de implementatie van de Europese Kaderrichtlijn Water geactualiseerd. Met de actualisatie van het NBW onderstrepen de betrokken partijen, rijk, provincies, gemeenten en waterschappen nogmaals het belang van samenwerking om het water duurzaam en klimaatbestendig te beheren. In het akkoord staat onder meer hoe met klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur moet worden omgegaan. Ook is er meer aandacht voor het realiseren van schoon en ecologisch gezond water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 het watersysteem in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering. Het gaat hierbij om de verwachte zeespiegelstijging, bodemdaling en klimaatverandering. Nederland krijgt hierdoor steeds meer te maken met extreem natte en extreem droge periodes.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Nationaal Bestuursakkoord Water.

Nationaal Waterplan 2016-2021 (2015)

Het Nationaal Waterplan (NPW2) geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor 2016
tot 2021 en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico's. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene
strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van
het NWP2. De verschillende NWP2 onderdelen met bijbehorende mijlpalen en onderlinge relaties zijn
samengevat in een routekaart. Tegelijk met het NWP2 is het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 (Bprw) vastgesteld met daarin de operationele uitwerking van het NWP2 voor de rijkswateren: de rollen en taken van Rijkswaterstaat en de hoofdlijnen van het beheer en onderhoud. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode
2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met het NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Hierbij streeft de overheid naar een integrale benadering door economie, natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Nationaal Waterplan. Grote waterpartijen worden bestemd voor water en waterberging.

Rijksbeleid en wetgeving cultuurhistorische waarden

Het nationaal beleid voor de archeologische monumentenzorg staat in het teken van het behoud en beheer van het erfgoed. Op gelijke voet staat het streven naar herkenbaarheid van het archeologisch erfgoed voor het publiek door het te gebruiken als inspiratiebron voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. Dit beleid geldt voor alle cultuurhistorische waarden, dat wil zeggen voor zowel archeologische, historisch-geografische als bouwkundige waarden. Het beginpunt van dit beleid is gelegen in de Nota Belvedère uit 1999. In deze nota geeft het Rijk te kennen dat de cultuurhistorische identiteit van gebieden sterker richtinggevend moet worden voor de ruimtelijke inrichting. Het Rijk streeft naar het ontwikkelingsgericht inzetten van bestaande cultuurhistorische kwaliteiten, waarbij vervlechting van cultuurhistorie in het ruimtelijke ordeningsbeleid uitgangspunt vormt.

Het beleid is onder meer geworteld in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz). Via de Wamz is het Verdrag van Malta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving. Daartoe zijn behalve de Monumentenwet 1988 ook de Woningwet, de wet Milieubeheer en de Ontgrondingenwet gewijzigd. Het beleid is daarnaast geworteld in de Nota Belvedère uit 1999 en de Notitie 'Kunst van leven' hoofdlijnen Cultuurbeleid uit 2007. In 2008 is de Monumentenwet 1988 opnieuw gewijzigd waardoor onder andere de rol van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) in het adviestraject voor vergunningverlening is beperkt. In 2007 is het Project Modernisering Monumentenstelsel (MoMo) van start gegaan. Doel hiervan is onder meer een integrale modernisering van de Monumentenwet 1988. Sinds december 2008 heeft de minister van OC en W drie beleidsstukken uitgebracht: De discussienotitie 'Een lust geen last' (2008), de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (eind 2009) en de Visie Cultureel Erfgoed 'Kiezen voor karakter' (juni 2011).

Als consequentie van de Beleidsbrief is de Monumentenwet 1988 gewijzigd. Per 1 januari 2012 is de 50-jaren termijn voor wettelijk beschermde monumenten uit de wet gehaald. Ook is op 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Op grond van artikel 3.1.6 Bro moeten naast archeologische waarden nu ook bovengrondse cultuurhistorische waarden bij de vaststelling van het bestemmingsplan worden meegewogen.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is voor het onderwerp 'cultureel erfgoed' aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van het landschap is geen rijksverantwoordelijkheid meer, maar laat zij over aan de provincies.

Op 1 september 2007 is de Monumentenwet 1988 (herziening 2007) van kracht geworden. Uitgangspunten van de wet zijn onder meer:

  • behoud in situ van waardevolle archeologische resten;
  • de verstoorder betaalt;
  • vooronderzoek, zo ver mogelijk voorafgaande aan de planontwikkelingen;
  • het is in de ruimtelijke ordening (bestemmingsplannen) verplicht om rekening te houden met (mogelijke) archeologische waarden;
  • gemeenten worden verantwoordelijk voor de archeologie en de archeologische monumentenzorg;
  • liberalisering van de opgravingsmarkt.

Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen en vervangen door de Erfgoedwet. De artikelen 11 t/m 14a uit de Monumentenwet blijven, totdat de Omgevingswet van kracht wordt echter van toepassing op basis van de Erfgoedwet, artikel 9.1, lid 1, sub a. Deze wetswijziging heeft daarom geen consequenties voor de uitgangspunten van het beleid en regelgeving.

De notitie 'Kunst van Leven, hoofdlijnen cultuurbeleid' (juli 2007) is de agenda voor het cultuurbeleid in de komende jaren. Het kabinetsbeleid is in deze notitie uitgewerkt langs de thema's excellentie, innovatie en e-cultuur, participatie, mooier Nederland en een sterke cultuursector.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het rijksbeleid en de wetgeving voor cultuurhistorische waarden.

Overig rijksbeleid

Van een aantal beleidskaders is geen samenvatting opgenomen. De nota's zijn wel beoordeeld, maar niet (direct) van ruimtelijk belang voor het plangebied bevonden. Het betreft de volgende nota:

  • Structuurvisie buisleidingen 2012-2035 (2012)

Hoofdstuk 2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsplan Flevoland 2006

In het Omgevingsplan Flevoland 2006 (Omgevingsplan) is het integrale omgevingsbeleid van de provincie Flevoland voor de periode 2006-2015 neergelegd, met een doorkijk naar 2030. Het Omgevingsplan is een samenbundeling van de vier wettelijke plannen op provinciaal niveau: Streekplan (onder de Wet ruimtelijke ordening nu een Structuurvisie), Milieubeleidsplan, Waterhuishoudingsplan en Provinciaal Verkeer- en Vervoerplan. Het Omgevingsplan bevat tevens de hoofdlijnen van het economische, sociale en culturele beleid.

Het belangrijkste doel van de provincie is het creëren van een goede woon-, werk- en leefomgeving in heel Flevoland. De verstedelijking moet ingepast worden in een hoogwaardige landelijke omgeving en moet passen bij de gerealiseerde en geplande infrastructuur. De creatie van aantrekkelijke woongebieden in een groen-blauwe omgeving maakt Flevoland concurrerend met andere gebieden. Zo is niet alleen sprake van overloop uit de drukke en dure Randstad naar een ruimer en goedkoper Flevoland, maar kiezen mensen bewust voor het attractieve woonmilieu van Flevoland.
Op regionale schaal moet worden voorzien in behoeften aan gevarieerde huisvesting, werkgelegenheid en het sociaal-cultureel voorzieningenniveau. Daarbij hoort onder meer het benutten van de ligging aan het water van Lelystad en Almere voor daaraan gerelateerde woonmilieus, werkgelegenheid en recreatie. Nieuwe bebouwing zal gebundeld worden in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied.

Zuidelijk Flevoland, en dan vooral de stad Almere, is onderdeel van het stedelijk netwerk van de Noordvleugel van Randstad Holland. Dit gebied moet ruimte bieden aan functies vanuit de Randstad. Almere heeft een bijzondere relatie met Amsterdam. In het kader van het zogenaamde Noordvleugelprogramma staat de verstedelijking aan de westzijde van Almere in combinatie met verbetering van de bereikbaarheid centraal. Daarnaast is ook een ontwikkeling aan de oostzijde van Almere van toepassing waarmee groene woonmilieus worden gerealiseerd voor de Noordvleugel, de samenhang met het economisch kerngebied van de regio Utrecht wordt versterkt en een meerzijdige ontsluiting wordt ontwikkeld. De groeitaakstelling van Almere moet worden gecombineerd met ecologische functies, bijvoorbeeld aan de westzijde bij het IJmeer en aan de noordoostzijde met de robuuste ecologische verbinding tussen Oostvaardersplassen en de Veluwe. Hier is ook een combinatie met waterberging, landelijk wonen en met toeristisch-recreatieve voorzieningen gewenst. Deze voorzieningen kunnen van (boven-) regionale betekenis zijn. De provincie geeft ruimte voor doorgroei van de verstedelijking in de provincie tot ongeveer 650.000 inwoners in 2030. Almere heeft in 2030 bijna 350.000 inwoners, indien tussen 2010 en 2030 70.000 woningen worden gebouwd. Het bij de doorgroei behorende provinciale groeitempo van gemiddeld 5.600 woningen per jaar hangt af van economische en demografische ontwikkelingen. Binnen de provincie zal tenminste gebouwd worden voor eigen behoefte met een jaarlijkse groei van het woningbestand van ruim 2.000. Daarmee wordt een inwonertal van maximaal 500.000 inwoners bereikt in 2030.

De provincie richt zich ook op de afstemming op hoofdlijnen tussen de verschillende woon- en werkmilieus. Ze speelt bij verstedelijking vooral een rol als het gaat om de stimulering van de economie en het bevorderen van de sociale kwaliteit. Bij de voorzieningen liggen accenten op jeugdzorg, cultuur en het hoger onderwijs. Voor de economische ontwikkeling liggen de accenten op innovatie, de internationalisering van het bedrijfsleven en het starters- en arbeidsmarktbeleid. Ten slotte richt het omgevingsplan zich op de bescherming van natuurlijke en landschappelijke waarden. De Provincie is primair verantwoordelijk voor de bescherming van natuurlijke waarden binnen de ecologische hoofdstructuur.

'Landelijk gebied': het is belangrijk om het landelijk gebied vitaal te houden. Daarnaast is sprake van schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. Duurzame productie bedrijven en nieuwe functies die verweven zijn met de landbouwfunctie en het economisch draagvlak verbreden krijgen kansen en ruimte. De nieuwe functies mogen niet de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten (de dijken en het landschapskunstwerk Polderland garden of love and fire) aantasten en er moet met de landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten (niet aanwezig in het plangebied) rekening worden gehouden. Nieuwe activiteiten dienen kleinschalig te zijn en ongewenste effecten (milieu, landschap en verkeer) moeten worden voorkomen.

'Nieuwe nationale of regionale stroomweg en spoorlijn (nieuw)': vanwege de groei van Almere moet de openbaarvervoerverbinding met Amsterdam verbeterd worden door de aanleg van de IJmeerlijn. In nieuwe bestemmingsplannen dient daarom rekening te worden gehouden met ruimtelijke reserveringen hiervoor. Omdat de mogelijke aanleg van de IJmeer nog van veel factoren afhankelijk is wordt er geen reservering opgenomen. Het plan geeft echter ook geen bouwmogelijkheden voor nieuwe initiatieven.

'Water': het gebied is aangeduid als 'agrarisch water' (norm voor wateroverlast 1 x per 80 jaar), 'aandachtsgebied beperkte drooglegging' (drooglegging is te beperkt voor het huidig landgebruik), 'aandachtsgebied wateroverlast 2050' (in 2050 dient te zijn voldaan aan het minimale beschermingsniveau tegen wateroverlast) en als 'te ontwikkelen bijzondere waterkwaliteit. Dit is richtinggevend voor de waterbeheerder (inspanningsverplichting) voor de realisatie van deze functies en doelen. Daarnaast bevat het plangebied primaire waterkeringen. Deze dienen veiligheid te bieden en de kans op overstroming binnen de normen te houden. Het waterschap Zuiderzeeland is beheerder ervan. In het gebied ligt de hoofdvaarweg met internationale distributiefunctie 'Amsterdam-Lelystad- Lemmer-Delfzijl'. Deze moet behouden blijven en geschikt voor minimaal 3-laags containervaart. Verder spelen vaartechnische, nautische, waterhuishoudkundige (peilbeheer, stroming, afvoer) eisen een rol. Op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water wordt gezocht naar mogelijkheden voor een zo natuurvriendelijk mogelijke inrichting zodat de oevers beschermd worden.

'Recreatie en toerisme': De provincie ziet mogelijkheden om de sector recreatie en toerisme verder te ontwikkelen (verwachte groei van 5% p/j). In de polder is ruimte, waar die op het oude land ontbreekt. Daarvoor is nodig onder meer het ontwikkelen van goede en veilige fietspaden, wandelroutes en vaarroutes, toegankelijke natuurgebieden, aantrekkelijk en veilig vaarwater, attractieve stranden en bossen en vergroting van de hotelcapaciteit. Ontwikkelingen moeten wel goed ingepast worden in het landschap. Elke kern moet dan ook voldoende recreatiemogelijkheden hebben, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Dichtbij de kern is ruimte voor intensieve en/ of extensieve functies. Almere is geschikt voor bovenregionale en intensieve recreatievormen om zich als recreatiegemeente te kunnen profileren. In groengebieden biedt de provincie dan ook meer ruimte aan recreatief gebruik, zeker gelet op de groei van Almere. Almere staat verder bekend om de ruime en groene opzet. De toegankelijkheid en diversiteit kan nog verbeterd worden. Zo is er op grond van het recreatiebeleid behoefte aan recreatief uitloopgebied. In groengebieden wil de provincie dan ook dat er meer ruimte wordt geboden voor de recreatieve functie ervan. Zo is er op grond van het recreatiebeleid behoefte aan nieuw recreatief uitloopgebied. In stedelijke groengebieden wil de provincie dan ook dat er meer ruimte wordt geboden voor de recreatieve functie ervan. Almere is een geschikte plek voor bovenregionale en intensieve vormen van recreatie, zodat Almere zich sterker kan profileren als recreatiegemeente in de Noordvleugel. Meer ruimte voor recreatief gebruik van groengebieden, ruimte aan de kust van Marker-, IJ- en Gooimeer voor het waterpark van de Noordvleugel (centraal recreatiegebied) met een waterfront met stedelijke ontwikkeling, hoogwaardig maritiem woon- en werkmilieu, stranden en jachthavens, mits inpasbaar. Hier geldt een 'nee, tenzij'-regime vanwege de status als Natura 2000 gebied. Dit betekent naast ontwikkeling ook gelijktijdig een verbetering van de water- en natuurkwaliteit zodat het gebied ook aantrekkelijk wordt.

'Natuur': in het plangebied bevinden zich veel natuurgebieden: het buitendijks water is aangemerkt als 'Natura 2000-gebied' (onderdeel van de EHS) en diverse groengebieden zijn aangeduid als overig of waardevol EHS gebied. De provincie moet op grond van Natuurwetgeving en wil de natuur beschermen en ontwikkelen, maar ook ruimte hebben om andere maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw en recreatie optimaal vorm te geven. De natuurwetgeving hanteert een 'nee, tenzij'-regime: nieuwe activiteiten zijn niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat de beschermde habitats en soorten daarvan geen schade ondervinden. Slechts indien een blijvende gunstige staat van instandhouding voor soorten en habitats gegarandeerd is, kan 'nee, tenzij' worden omgebogen in een door de provincie gewenst 'ja, want'. De provincie wil hiervoor gebruik maken van een systeem van saldobenadering. Het uitgangspunt van deze benadering is dat de maatschappelijke en ecologische ontwikkelingen zodanig vorm worden gegeven dat zij elkaar niet belemmeren, maar versterken. Als elders binnen het Flevolandse natuursysteem een vergelijkbare of grotere verbetering wordt gerealiseerd, kan plaatselijk een verslechtering van de natuurkwaliteit acceptabel zijn. De uitwerking van de saldobenadering is voor het Natura 2000 netwerk en de EHS verschillend, omdat op grond van de wettelijke kaders voor beide verschillende afwegingscriteria gelden. Verder bevat het gebied een ecologische verbinding: lintvormig element met natuurlijke begroeiing, zodat diersoorten en beschutting vinden en de oversteek naar een ander natuurgebied durven te nemen. Ter bescherming van de EHS en het Natura 2000-gebied krijgen deze gebieden de dubbelbestemming 'waarde-ecologie'. Het buitendijks water dat Natura 2000-gebied is, is voor de hoofdfunctie 'Water' bestemd, maar tevens bestemd voor de bescherming van de aanwezige natuurwaarden. Ook hier wordt de dubbelbestemming waarde-ecologie toegepast.

'Landschap, cultuurhistorie, archeologie': de provincie wil de Flevolandse karakteristieken (polder, ontginning) behouden en inzetten als ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen. Kernkwaliteit in het plangebied zijn de dijken en het landschapskunstwerk Polderland Garden of Love and Fire. Daarnaast heeft de provincie een taak aangaande archeologie. Het plangebied is grotendeels (binnendijks gebied en Markermeer) als archeologisch aandachtsgebied aangemerkt en daarom van provinciaal belang. Deze gebieden bevatten een relatief hoge dichtheid aan goed geconserveerde archeologische waarden. Deze dienen opgespoord te worden en beschermd dan wel opgegraven. In het gebied is een drietal archeologische vindplaatsen aanwezig. Deze wordt conform beschermd. De uitwerking van de archeologische aandachtsgebieden is een gemeentelijke aangelegenheid.

'Duurzame energie': de provincie wil als windrijke provincie gebruik maken van de milieuvoordelen en economische potenties van windenergie zonder aantasting van de landschappelijke kwaliteiten. De huidige windmolenopstellingen zullen moeten veranderen. Het is mogelijk met minder molens meer energie op te wekken. Aan nieuwe molens wordt alleen meegewerkt als gelijktijdig een zelfde aantal wordt vervangen waarbij hoeveelheid energie en netto inkomsten bepalend zijn. Nieuwe projecten dienen aan de provincie te worden voorgelegd conform de beleidsregel Windmolens.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Omgevingsplan.

Partiële herzieningen Omgevingsplan Flevoland (2008, 2009, 2015)

In het kader van de komst van de Wet ruimtelijke ordening per 1 juli 2008 is het Omgevingsplan op onderdelen herzien. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de juridische doorwerking van het Omgevingsplan na inwerking treden van de Wro. Een tweede herziening van het Omgevingsplan heeft betrekking op de waterhuishouding. Bij de vaststelling van het Omgevingsplan op 2 november 2006 is bepaald dat het onderdeel waterhuishouding van het plan in 2009 op twee onderwerpen nader uitgewerkt wordt in een partiële herziening. Het eerste onderwerp is waterkwaliteit, naar aanleiding van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). In deze partiële herziening worden de waterlichamenkaart en de waterkwaliteitsdoelen en –maatregelen vastgelegd. Het tweede onderwerp is de wateropgave, ook wel bekend onder de naam Waterbeheer 21-ste eeuw of kortweg WB21. Bij de vaststelling van het Omgevingsplan in 2009 was er nog onvoldoende duidelijkheid over de omvang van de wateropgave en de wijze waarop deze in onze zich nog sterk ontwikkelende provincie kan worden opgelost. In deze partiële herziening zijn de aanpak en de rolverdeling bij het oplossen van de wateropgave nader bepaald en vastgelegd. Tenslotte is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele kleinere zaken te repareren c.q. meer uitvoeringsgericht te maken.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de partiële herzieningen van het Omgevingsplan.

Partiële herziening Omgevingsplan Flevoland voor windenergie (2016)

De provincie wil optimaal gebruik maken van de milieuvoordelen en economische potenties van de opwekking van windenergie zonder de landschappelijke kwaliteiten aan te tasten. Daarvoor moet op termijn het aantal windmolens afnemen, maar tegelijk het opgesteld vermogen toenemen en de landschappelijke kwaliteit verbeteren door ordening van molens in lijnopstellingen op een beperkt aantal locaties: principe 'opschalen en saneren'. Nieuwe molens mogen ook alleen voor een bepaalde periode. Uitzondering zijn solitaire windmolens op bedrijventerreinen, kleine windmolens en testwindmolens te Lelystad. Nieuwe molens kunnen alleen na indienen van een projectplan en onder bepaalde voorwaarden.

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe molens mogelijk. De realisatie van kleine windmolens op gebouwen is wel toegestaan. Het plan is in overeenstemming met deze partiële herziening.

Verordening op de fysieke leefomgeving Flevoland (2012)

In de Verordening op de fysieke leefomgeving Flevoland zijn in één verordening alle publiekrechtelijke regelingen voor Flevoland opgenomen. De verordening omvat de volgende onderwerpen: stortplaatsen en afvalwater, bodemsanering, watersystemen, grondwaterontrekkingen, wegen en vaarwegen, ontgrondingen, bescherming landschap en ecologische hoofdstructuur.

Op 18 december 2012 hebben Gedeputeerde Staten de wijziging van de Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012 (VFL2012) ten behoeve van de ecologische hoofdstructuur vastgesteld en de bijbehorende aanwijzing van de wezenlijke kenmerken en waarden. In de VFL2012 is onder andere uitgewerkt hoe gemeenten met de EHS om moeten gaan in hun ruimtelijke plannen. Doel is het begrenzen, aanwijzen en beschermen van de EHS, aanwijzen en veiligstellen van wezenlijke kenmerken en waarden én het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen en voorwaarden voor herbegrenzing. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied binnen de EHS strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, en maakt geen activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van die kenmerken en waarden of significante vermindering van de oppervlakte of samenhang van die gebieden.

Spelregels EHS
Wanneer de gemeente binnen de aangewezen gebieden planologische ontwikkelingen mogelijk wil maken die niet passen in het geldende bestemmingsplan en die strijdig zijn met de instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden en daarmee met de doelstellingen van de ecologische hoofdstructuur, dan geeft de VFL2012 een aantal mogelijkheden om de begrenzing aan te passen aan de gewenste ontwikkeling. Deze werkwijze is beschreven in de zogenaamde Spelregels EHS die door Provinciale Staten zijn vastgesteld als uitwerking van het Omgevingsplan Flevoland 2006. De kern van de spelregels is overgenomen in de VFL2012 en kent de volgende opbouw.

I. Nee, tenzij…(aanpassing EHS met compensatieregels):

A. Is de ontwikkeling van groot openbaar belang en zijn er geen reële alternatieven?

1. Zo ja, dan zorgvuldig inpassen (mitigeren) en de resterende negatieve effecten elders compenseren. Deze wijzigingsbevoegdheid is aan Provinciale Staten.

2. Zo nee, is sprake van een combinatie van ontwikkelingen die mede leiden tot een verbetering van de EHS op gebiedsniveau (saldobenadering).

  • Zo ja, dan herbegrenzen en aanpassen wezenlijke kenmerken en waarden door middel van wijzigingsbevoegdheid voor PS.
  • Zo nee, is het een kleinschalige ontwikkeling met beperkte negatieve effecten?

II. Ja, mits…(herbegrenzing):

A. Zo ja, dan maatregelen nemen om de EHS in kwaliteit te versterken en, afhankelijk van de ontwikkeltijd van de te ontwikkelen natuur, tenminste het verlies aan oppervlakte elders compenseren.

B. Zo nee, dan kan geen planologische medewerking worden verleend.

Wijzigen van de begrenzing is tevens mogelijk om de samenhang of de ruimtelijke inpassing van de EHS te verbeteren. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn aan Gedeputeerde Staten.

Het plangebied ligt deels in de EHS. Hiermee wordt in de bestemming rekening gehouden. Daarmee is de EHS begrensd en beschermd overeenkomstig het provinciaal beleid.

Beleidsregel Windmolens (2008)

Het windmolenbeleid is neergelegd in het Omgevingsplan Flevoland 2006. Het voorziet in opschaling en sanering van de huidige situatie gericht op het bereiken van een grotere ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Door middel van opschaling kan met minder windmolens meer vermogen gerealiseerd worden en tevens een kwaliteitsverbetering in ruimtelijke en landschappelijke zin gehaald worden. Daarmee kunnen de nadelen van de huidige situatie worden weggenomen en kan ingespeeld worden op ontwikkelingen in de markt. Om de bestaande situatie geleidelijk over te laten gaan in een nieuwe situatie met meer ruimtelijke kwaliteit, is het nodig sanering en ontwikkeling bij het nemen van planologische besluiten aan elkaar te koppelen en gericht ontwikkelingsplanologie te bedrijven. Met het instellen van de tijdelijke stop op de plaatsing van windmolens is de huidige situatie geconsolideerd. De voortzetting van de exploitatie van de windmolens betekent (op termijn) meegaan in de schaalvergroting die de marktontwikkeling oplegt aan de windenergiebranche. Dit bepaalt tegelijkertijd het kader voor de bedrijfsvoering, de herinvesteringen en de acceptatie van de gewenste sanering. In de praktijk zullen de huidige eigenaren hun belangen en verkregen rechten dienen samen te brengen in nieuwe exploitatievormen waarmee minder maar grotere windmolenopstellingen in Flevoland ontstaan. Alleen op deze manier kan de gewenste landschappelijke en ruimtelijke kwaliteitsverbetering worden bereikt. Ook dient aandacht besteed te worden aan uniformering qua type en grootte van de windmolens.

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe opstellingen windmolens mogelijk. De realisatie van kleine windmolens op gebouwen wordt wel mogelijk gemaakt. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de beleidsregel windmolens.

Beleidsregel archeologie en ruimtelijke ordening 2008

In deze beleidsregel hebben GS aangegeven op welke wijze zij omgaan met de uitgangspunten in het Omgevingsplan met betrekking tot archeologie. Hierbij maken GS onderscheid tussen behoudenswaardige en niet-behoudenswaardige archeologische waarden. Voor zover in een plangebied behoudenswaardige archeologische waarden en/of hoge archeologische verwachtingen liggen, mogen deze in principe niet als gevolg van de uitvoering van het ruimtelijk plan worden beschadigd of vernietigd. Met dien verstande dat een archeologische verwachting vervalt op het moment dat de archeologische waarden hierbinnen zijn gelokaliseerd en begrensd.

In het bestemmingsplan zijn de te verwachten behoudenswaardige archeologische waarden beschermd via een passende dubbelbestemming.

Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied (2008)

Deze beleidsregel is inhoudelijk een voortzetting van de beleidsregel "Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijke gebied 2007" maar is procedureel aangepast aan de Wro, die op 1 juli 2008 van kracht is geworden. Deze beleidsregel geeft aan op welke wijze de provincie omgaat met de uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 zijn geformuleerd met betrekking tot kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. De provincie wil verdere ontwikkeling van de landbouw stimuleren zodat het landelijk gebied vitaal en duurzaam blijft. Zij vindt het daarom van belang meer ruimte te bieden aan nieuwe agrarisch aanverwante (maar ook niet- agrarische functies) en de mogelijkheid te bieden om (voormalige) agrarische bouwpercelen te vergroten. Dit mag er dan uiteraard niet toe leiden dat de reeds in het landelijk gebied aanwezige functies gehinderd worden, noch dat het landelijk gebied verstedelijkt. Puur agrarische activiteiten worden gestimuleerd. De uitbreiding van de oppervlakte aan agrarische bouwwerken is daarom goed mogelijk; het betreft een agrarische activiteit. De voorwaarden die gesteld worden aan een uitbreiding van het bouwperceel zijn:

  • 1. voor uitbreidingen van (voormalige) agrarische bouwpercelen tot in totaal 2,5 hectare kan een binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid in het bestemmingsplan worden opgenomen voor zover dat niet reeds in het vigerende bestemmingsplan is opgenomen;
  • 2. Voor samenvoeging van twee naast elkaar gelegen (voormalige) agrarische bouwpercelen kan een binnenplanse vrijstelling in het bestemmingsplan worden opgenomen;
  • 3. voor uitbreidingen waarbij het (voormalige) agrarische bouwperceel in totaal groter wordt dan 2,5 hectare is een herziening van het bestemmingsplan of een projectprocedure noodzakelijk.

Verder is vergroting van het bouwperceel alleen mogelijk als de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten niet worden aangetast. Hiervoor geldt dat de vergroting van het agrarische bouwperceel landschappelijk wordt ingepast, door middel van het herstellen of opnieuw aanplanten van de erfsingel.

Het plangebied bevat geen agrarische bouwpercelen waarop bebouwing mogelijk is. Een groot deel van de gronden is wel als agrarisch gebied in gebruik (akkerbouw), maar de beleidsregel is daarop niet van toepassing.

Waterbeheerplan 2016-2021 (2015)

De Wet op de waterhuishouding verplicht waterbeheerders eens in de vier jaar een waterbeheerplan op te stellen. In dit plan geven zij aan hoe zij het rijks- en provinciebeleid op het gebied van water vertalen naar concrete doelen en maatregelen voor hun beheergebieden. Momenteel is het Waterbeheerplan 2016-2021 van het Waterschap Zuiderzeeland van kracht. Het Waterbeheerplan beschrijft welke doelen het waterschap zichzelf stelt en welke maatregelen worden genomen om die doelen te bereiken in de periode 2010-2015. Voor het waterschap is het Waterbeheerplan een belangrijk strategisch document dat een leidraad voor de organisatie is. Waterschap Zuiderzeeland streeft ernaar om samen te werken aan integraal waterbeheer voor een veilige, kwalitatief goede en aantrekkelijke leefomgeving op een open en verantwoorde werkwijze. Deze missie is vertaald naar vier belangrijke doelen: waterveiligheid, schoon water, voldoende water en water en ruimte

Waterveiligheid

Hoog water is een reële bedreiging voor de veiligheid in Flevoland. De primaire keringen beschermen
Flevoland tegen deze bedreiging. In 2017 komen er nieuwe wettelijke veiligheidsnormen voor primaire waterkeringen. Die houden rekening met de kans op overstromingen en met de schade die daardoor kan ontstaan. Het waterschap wil ook in de toekomst de veiligheid blijven waarborgen door zich voor te bereiden op sociale, ruimtelijke, economische en klimatologische ontwikkelingen. Ook worden de primaire waterkeringen getoetst aan de nieuwe normen en zonodig versterkt. De veiligheid van Flevoland tegen overstromingen wordt binnendijks ondersteund door een compartimenteringsdijk (de Knardijk). Ook de Knardijk wordt onderzocht om te kijken of versterking nodig is. De buitendijkse gebieden worden door middel van regionale keringen beschermd tegen de dreiging van hoog water. Maatschappelijk is er vraag naar bebouwing van of op de waterkeringen aan de randen van de polder. Technisch kan het en daarom werkt het waterschap aan ruimtelijke oplossingen mits de veiligheid gewaarborgd kan worden.

Schoon water

Samen met gebiedspartners wordt gewerkt aan een ecologisch gezond watersysteem in het stedelijk en landelijk gebied. Goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden (structuurdiversiteit) voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied zijn noodzakelijk. Zo worden natuurvriendelijke oevers en vispassages aangelegd. Tegelijk wordt vestiging en verspreiding van exoten tegengegaan. Het Waterschap streeft naar een goede oppervlaktewaterkwaliteit waarbij de aanwezigheid van schadelijke stoffen in het water en de waterbodems geen probleem is. Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water doordat water wordt verontreinigd. Door goed om te gaan met afvalwater zorgt het Waterschap ervoor dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Het waterschap zet de 1e stappen naar een duurzaam afvalwatersysteem: door energie en grondstoffen terug te winnen uit afvalwater wordt de uitstoot van broeikasgassen verminderd en wordt zuinig omgegaan met schaarse nutriënten.

Voldoende water

Het Waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige
klimaatveranderingen. Dit betekent dat het watersysteem zo is ingericht dat wateroverlast wordt
voorkomen tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De andere kant van de verwachte
klimaatveranderingen is dat ook extreem droge periodes vaker voor zullen komen. Het robuuste
watersysteem dat het Waterschap nastreeft zal dan ook in staat moeten zijn om te anticiperen op
watertekort tijdens extreme droogte. Daarbij is de feitelijke situatie van het watersysteem ook
daadwerkelijk zoals in de legger is beschreven. Het beheer en onderhoud richt zich op het goed
functioneren van het watersysteem, daarnaast is het ook afgestemd op het ter plekke gewenste ecologische functioneren van de watergang. Grondwaterbeheer (uitgezonderd drinkwaterwinning, grote industriële onttrekkingen van meer dan 500.000 m³ per jaar en koude-warmte opslag) ligt vanaf 2009 bij het Waterschap. De verschillende eisen die gebruiksfuncties stellen aan het peil, de voorraad en de kwaliteit van het grondwater zullen goed moeten worden afgestemd.

Water en ruimte

Samen met gemeenten gaat het waterschap op zoek naar nieuwe maatregelen om overlast van hevige neerslag of extreme droogte te voorkomen. De ruimtelijke ambities zijn groot (uitbreiding in Almere met 60.000 woningen) en het watersysteem biedt prachtige kansen. Daarom wil het waterschap vroeg bij nieuwe ontwikkelingen worden betrokken.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Waterbeheerplan.

Waterkader (2013)

Om aan te geven wat er voor het waterbeheer in, maar ook ná het watertoetsproces belangrijk is, heeft Waterschap Zuiderzeeland dit Waterkader opgesteld. Het Waterkader geeft richting en houvast voor waterzaken binnen ruimtelijke plannen. Voor het bestemmingsplan is de watertoets doorlopen en is het waterkader toegepast. In paragraaf 5.9 Waterparagraaf is de watertoets voor het bestemmingsplan opgenomen.

Overig provinciaal en regionaal beleid

Van een aantal beleidskaders is geen samenvatting opgenomen. De nota's zijn wel beoordeeld, maar niet (direct) van ruimtelijk belang voor het plangebied bevonden. Het betreft de volgende nota's:

  • Beleidsregel voor de beoordeling van geurhinder 2008
  • Beleidsregel bescherming landschap 2008
  • Verordening groenblauwe zone
  • Structuurvisie werklocaties Flevoland 2011 en Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2011
  • RO Visie Werklocaties 2015 (2015)

Hoofdstuk 3 Gemeentelijk beleid

Het beleidskader van de gemeente Almere en een overzicht van de beleidsdocumenten kan worden geraadpleegd via de website: http://www.almere.nl/bestuur/gemeentelijk-beleid/

3.1 Ruimtelijke ontwikkeling

Almere Principles (2009)

Almere wil in 2030 de meest duurzame stad van Nederland zijn. In 2007 zijn op basis van de Cradle to cradle uitgangspunten zeven Almere Principles ontwikkeld. De principes dienen als leidraad bij de verdere ontwikkeling van de stad en luiden als volgt:

1. Koester diversiteit

2. Verbind plaats en context

3. Combineer stad en natuur

4. Anticipeer op verandering

5. Blijf innoveren

6. Ontwerp gezonde systemen

7. Mensen maken de stad

Almere kent een goede uitgangspositie om de schaalsprong vanuit duurzaamheids principes te benaderen. De keuze is ook niet los te zien van de historie van de stad. Almere is vanaf het begin bedacht en opgebouwd vanuit duurzaamheid. Dat bewijzen de blauwgroene structuur, het meerkernige stadsconcept, het gescheiden verkeerssysteem en de doordachte afvalstructuur. Omdat Almere daarnaast een jonge stad is, is de basiskwaliteit van gebouwen en omgeving hoog. Almere stelt duurzaamheideisen aan zowel de bestaande stad als aan de nieuw te bouwen stadsdelen. Het gaat niet alleen om de gebouwde omgeving, maar ook om de openbare ruimte, om beheer en om duurzame sociale en economische processen.

In bestemmingsplannen is duurzaamheid geen apart benoemd thema. Ruimtelijke oplossingen voor structurerende duurzaamheidsthema's zoals water, ecologie en verkeer worden in de betreffende delen uitgewerkt. Omdat een bestemmingsplan niet het meest geëigende middel is, worden niet tot weinig ruimtelijke thema's als energiebesparing, materiaalkeuze en gezondheidsaspecten hier niet in uitgewerkt. Deze aspecten krijgen in andere stadia van projectontwikkeling voldoende aandacht.

Structuurplan Almere 2010 (2003)

Met dit structuurplan zijn de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Almere tot 2010 weergegeven. Tevens wordt een doorkijk geboden tot 2030. Centraal staat de afronding van de oorspronkelijke opgave van Almere als een volwaardige en evenwichtige stad met 250.000 inwoners (met nieuwe stadsdelen zoals Almere Poort, Almere Hout en Almere Pampus (binnendijks, inclusief kustzone). De kwaliteitsimpuls voor de oorspronkelijke opgave leidt tot vier extra opgaven die betrekking hebben op de verbetering van het raamwerk van groen en water, en van infrastructuur. Dit zijn:

  • 1. kwaliteitsverbetering groenstructuur;
  • 2. betere benutting water;
  • 3. inhaalslag externe bereikbaarheid;
  • 4. verbetering interne bereikbaarheid;

Verder zijn er de vijf extra opgaven die de verschillende stedelijke milieus betreffen:

  • 5. verdere uitbreiding en verdieping voorzieningenaanbod;
  • 6. meer verscheidenheid in woningen en woonmilieus;
  • 7. actief beheer bestaand stedelijk gebied;
  • 8. kwalitatieve werkgelegenheidsimpuls;
  • 9. ruimte voor startende en groeiende ondernemingen.

Het structuurplan gaat uit van een westelijke oriëntatie voor Almere. Opgenomen is dat er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van Almere Poort en aan het planvormingsproces voor het binnendijkse deel van Almere Pampus (inclusief kustzone). De ontwikkeling van het westelijke deel van Almere Hout wordt hierbij voor de periode tot 2010 opgevoerd in het kader van de extra opgaven om in Almere meer verscheidenheid in woon- en werkmilieus te bewerkstelligen. Hier komen, naast suburbane wijken, zogenaamde woon- werklandschappen. Het Structuurplan Almere 2010 vervangt het structuurplan uit 1983 en de recenter vastgestelde structuurplannen voor Overgooi (juli 1999), Almere Poort (december 1999) en Almere Hout (mei 2001). De ruimtelijke hoofdstructuur die in deze structuurplannen voor deelgebieden is vastgelegd, is in het Structuurplan overgenomen.

Groenblauw raamwerk 
Om de differentiatie van het groenblauwe raamwerk daadwerkelijk vorm te kunnen geven dienen delen van het groenblauwe raamwerk te worden gereconstrueerd. Voor de parken geldt dat vòòr 2010 de ontwikkeling van Groenendaal en de vernieuwing van veel parkgebieden, zoals Zuidoever Weerwater, Lumièrepark en het Beatrixpark. Vòòr 2010 zal eveneens gewerkt worden aan de vernieuwing en ontwikkeling van parkbossen.

Het stedelijk water zal de komende jaren worden uitgebreid, waarmee binnen de huidige gemeentegrenzen sprake is van voldoende waterbergend vermogen. De uitbreiding van de Noorderplassen (Noorderplassen-West) zal vòòr 2010 plaatsvinden. De verbinding tussen de Noorderplassen en Pampushaven met de realisatie van een sluis nabij de waterkering is voorzien vòòr 2010. Dit geldt ook voor de water-as Stichtsekant - Almere Hout. Het aantal toeristisch-recreatieve concentratiepunten zal flink toenemen. Voorbeelden zijn de Zuidoever Weerwater, Waterfront Stadscentrum, Kasteel Almere, Sluis Pampushaven en het Natuurbelevingscentrum Oostvaardersplassen. Block van Kuffeler staat hier als extra opgave benoemd.

Op de plankaart is de minimale groene hoofdstructuur van Almere vastgelegd. Het opofferen van groen aan stedelijke functies is binnen de contouren van de stedelijke groenstructuur (parken en parkbossen) in principe niet toegestaan. Wel kunnen er (stedelijke) functies in het groen worden ontwikkeld als ze de groenstructuur versterken of als ze gerelateerd zijn aan het groen. Voor de groene hoofdstructuur is een differentiatie aangegeven, waarbij intensiteit van menselijk gebruik en mate van natuurlijkheid van het groen de leidende principes zijn. Hierbij is een indeling gemaakt in parken, parkbossen en natuurgebieden. Verder zijn er ook plantages en landbouwgebieden.

  • De parken kennen een hoge gebruiksintensiteit, een hoog inrichtingsniveau, een optimale toegankelijkheid en ondersteunende stedelijke voorzieningen. In het structuurplan zijn de in de nota 'Almere Parkstad' geformuleerde uitgangspunten voor stadsparken en wijk-/buurtparken overgenomen. De in deze nota voor de parken weergegeven begrenzing zijn voor de stadsparken wel op de structuurplankaart aangegeven. Voor de wijk-/buurtparken wordt verwezen naar de parkennota. De Oostelijke Groene Wig, Fanny Blankers-Koenpark en het Meridiaanpark zijn voorbeelden van parken.
  • De parkbossen vormen het grootste deel van het groene raamwerk. De parkbossen vervullen een dubbelrol: ze zijn mede drager van de stedelijke ecologische hoofdstructuur en ze zijn belangrijk als verblijfsgebied voor aanliggende wijken en stadsdelen. Tegelijkertijd vormen de parkbossen de dragers voor het recreatieve netwerk van Almere; het net van fiets-, wandel- en skateroutes (stadscorridors) dat wijken en stadsdelen onderling en met de omgeving verbindt. Boswachterij Almeerderhout en Pampushout zijn voorbeelden van parkbossen.
  • De plantages zijn tijdelijke groene inrichtingselementen, waarbij bomen worden gekweekt die in een later stadium ten dele naar andere plekken in het te ontwikkelen plangebied worden overgeplant. Met plantages wordt dus geanticipeerd op toekomstige verstedelijking.
  • De landbouwgebieden zijn primair gericht op agrarisch gebruik en in principe niet vrij toegankelijk.
  • De natuurgebieden zijn de meest extensieve gebieden binnen de groene hoofdstructuur. Het menselijk ingrijpen blijft hier beperkt tot behoud of ontwikkeling van natuurwaarden. De natuurgebieden zijn zeer beperkt toegankelijk voor de mens. In en bij Almere gaat het hierbij om de twee erkende rijksnatuurmonumenten, onderdeel van de ecologische hoofdstructuur: de Lepelaarplassen (grondgebied Almere) en de Oostvaardersplassen (grondgebied Lelystad).

Water

Het aanwezige water (Markermeer, IJmeer, Gooimeer) moet beter benut worden. De kust biedt potenties (woningen, jachthavens, stranden, watersport, horeca, uitzichten). Maar het beter benutten kent beperkingen: nationale belang voor waterberging, drinkwaterwinning en Natura 2000-gebied.

De ontwikkeling van de stad in Pampus is vooralsnog nog niet gepland. Dit is voor de langere termijn. Daarom is hierover in dit plan geen mogelijkheid voor opgenomen. Ook de ontwikkeling van een waterfront ligt niet binnen tien jaar in de rede. Daardoor zal ook de IJmeerlijn (spoor en/ of snelweg tussen Amsterdam en Almere) de komende jaren niet aan de orde zijn. In ieder geval wordt dit niet in dit plan geregeld. Mocht het toch eerder dan verwacht tot planvorming komen, zal een apart plan hiervoor gemaakt worden. De bossen krijgen de bestemming 'Bos'.

Concept structuurvisie Almere 2.0 (2010)

De Concept Structuurvisie Almere 2.0 is vastgesteld als richtinggevend integraal beleidskader (ecologie, sociaal, economie, ruimtelijk) voor de uitwerking van het Integraal Afspraken Kader (IAK), waarbij de belangrijkste richtinggevende inhoudelijke kaders betreffen:

  • Almere benut en versterkt de oorspronkelijke suburbane meerkernige opzet van Almere

De suburbane meerkernige opzet in een blauwgroene omgeving wordt verbreed en versterkt door het toevoegen van nieuwe milieus in Pampus, de Weerwaterzone en Oosterwold. Een klassieke grootschalige binnenstedelijke verdichting in kader van de schaalsprong past niet in de oorspronkelijk meerkernige suburbane opzet. De meerkernige opzet is tevens basis voor de diversiteit en leefbaarheid van de stad.

  • De groenblauwe structuur is de drager van de huidige stad en de toekomstige ontwikkelingen

Verbondenheid van stad en natuur geeft Almere een onderscheidende kwaliteit ten opzichte van de metropoolregio. De waterlandschappen aan de westzijde en de groene landschappen aan de oostzijde en de ca. 40 km kustlengte vormen condities om de diversiteit te vergroten. De groenblauwe structuur blijft de drager van de nieuwe ontwikkelingen; zowel aan de westkant (ecologische impuls IJmeer en Markermeer) als aan de oostzijde (uitbreiding van het groenblauwe casco in het polderlandschap).

  • Almere verkleurt van gezinsstad naar een diverse samenleving
  • In Almere ontwikkelt een sterke en gedifferentieerde economie
  • De primaire westelijke groei van Almere versterkt de Noordelijke Randstad met de IJmeerlijn als nieuwe drager van de metropoolvorming

De groei met 60.000 woningen betekent per definitie een groei aan de oost- en westflank van de stad: versterkte oriëntatie op de metropoolregio Amsterdam en op de Utrechtse regio. Aan de westzijde van de stad komt het zwaartepunt te liggen van de nieuwe gebiedsontwikkelingen. De IJmeerlijn is de drager van de metropoolvorming en conditionerend voor de westelijke ontwikkeling van Almere.

  • De grootschalige gebiedsontwikkelingen vinden plaats langs de schaalsprongas met dicht stedelijke ontwikkelingen aan de westzijde (Almere Pampus, eventueel Almere IJland), een nieuwe centrumontwikkeling (Almere Centrum Weerwater) en ruimte voor organische groei aan de oostkant (Almere Oosterwold)

De ontwikkeling van west - en oostzijde biedt mogelijkheden voor nieuwe en gedifferentieerde woon-, werk- en leefmilieus, van belang voor de metropoolregio en de diversiteit binnen Almere. Met aanleg van de IJmeerlijn wordt binnendijks ruimte gecreëerd voor Almere Pampus, dat zo verbonden is met het centrum van Almere én het centrum van de metropoolregio. Mogelijkheden om in relatief hoge dichtheden te bouwen aan een boulevard. Optioneel is de ontwikkeling van Almere IJland voor de kust van Almere Pampus (gekoppeld aan de IJmeerlijn). Hier doet zich de gelegenheid voor om unieke woon-, werk- en recreatiemilieus te koppelen aan de ecologische ambities voor het IJmeer. De verbrede A6 wordt bij het Weerwater overkluisd, zodat midden in de stad een hoogwaardige ontwikkellocatie ontstaat. De uitstekende ontsluiting en centrale ligging bieden mogelijkheden voor grootschalige nieuwe woon- en werkconcepten voor de uitbreiding van het stadscentrum.

  • Almere loopt voorop bij innovaties op het gebied van duurzame gebiedsontwikkeling

Voor het plangebied betekent dit dat de bestaande dragende groenblauwe structuur wordt bevestigd met de bestemmingen 'natuur, bos en water'. De ontwikkeling van het plangebied tot een nieuw stedelijk milieu en de realisatie van de IJmeerlijn is vooralsnog niet aan de orde, zoals eerder al gezegd en wordt daarom niet in dit plan geregeld.

Voor het plangebied betekent dit dat de bestaande dragende groenblauwe structuur wordt bevestigd met de bestemmingen 'natuur, bos en water'. De ontwikkeling van het plangebied tot een nieuw stedelijk milieu en de realisatie van de IJmeerlijn is vooralsnog niet aan de orde, zoals eerder al gezegd en wordt daarom niet in dit plan geregeld.

Afspraken Duurzaam Almere 2012-2014 (2012)

Het gaat hier om een bestuurlijke inspanningsverplichting van het Rijk, de provincie Flevoland, de gemeente Almere en het Waterschap Zuiderzeeland om gezonde systemen te ontwerpen ten behoeve van de duurzame ontwikkeling van de stad. Dit geldt voor zowel de toekomstige stedelijke gebieden als voor de bestaande stad. Systeeminnovaties worden ontwikkeld ter bevordering van duurzame gebiedsontwikkeling. De innovaties hebben betrekking op energie, mobiliteit, water en productief landschap. De doelstellingen in de afspraken zijn:

  • Bij de ontwikkeling van Almere wordt ernaar gestreefd dat de gemeente – met gebruikmaking van de directe omgeving – energieneutraal (exclusief mobiliteit) is vanaf 2025. Hierbij wordt minimaal 40% van de energievraag binnen de gemeente op een duurzame manier opgewekt. De gebiedsontwikkelingen van Almere zijn energieneutraal en zo mogelijk energieproducerend. De energiedoelstelling wordt bereikt door energiebesparing en door toepassing van duurzame vormen van energieopwekking (o.a. zonne-energie, windenergie, groen gas, biogas, warmte-koudeopslag).
  • Bij de groeiopgave worden de mogelijkheden benut om duurzame vormen van mobiliteit uit te breiden. Focus ligt op schone en energiezuinige mobiliteit en voorkomen van milieuproblemen (geluid, fijnstof etc). Ambities zijn dat voor het personenvervoer nieuwe mogelijkheden ontstaan voor de gewenste verschuiving van het traditionele gemotoriseerd vervoer, in de richting van een groter aandeel openbaar vervoer en een groter aandeel elektrisch vervoer.
  • De groenblauwe omgeving wordt waar mogelijk en wenselijk – naast haar traditionele gebruiksvormen t.a.v. cultuur, natuur en recreatie – ingezet om ruimte te bieden aan de gezonde systemen van de stad. Het gaat hierbij om de gezonde systemen van energie, water en mineralen kringloop (o.a. lokale voedselproductie en gft-verwerking). Indien deze nieuwe functies in de groenblauwe omgeving leiden tot exploitatie-opbrengsten, zullen deze mede ingezet worden voor de uitbreiding, kwaliteitsverhoging en beheer van de groenblauwe omgeving.
  • De ontwikkeling van Almere zal gepaard gaan met de ontwikkeling van een bijbehorend duurzaam watersysteem. De opgaven van wateroverlast en droogte worden verbonden met de ruimtelijke opgaven van Almere. Almere wordt een klimaatbestendige stad.

De partijen bieden ruimte aan duurzaamheidinitiatieven die bijdragen aan het realiseren van de duurzaamheiddoelstellingen voor water, energie, mobiliteit en productief landschap conform deze Afspraken Duurzaam Almere.

Voor het plangebied betekent dit op gebouwen de mogelijkheid wordt geboden om kleinschalige windmolens te realiseren. Verder zullen de bestaande windmolens niet worden opgenomen in het plan, aangezien deze een tijdelijke status hebben. Er zijn plannen om de molens te vervangen binnen enkele jaren (zie hieronder bij Programmaplan Energie Werkt!. Hiervoor zal een aparte procedure doorlopen worden.

Energie Werkt! (2015)

In Almere wordt vanaf 2008 gewerkt aan de ambitie om in 2025 energieneutraal te zijn. De Almere Principles (2008) vormen de basis van een aantal opvolgende afspraken. Met het Rijk en de Provincie Flevoland zijn energie afspraken vastgelegd in het Integraal Afspraken Kader (IAK Almere 2.0, 2010) en meer specifiek uitgewerkt in de Afspraken Duurzaam Almere 2012-2014. Daarin is onder andere afgesproken dat de gemeente Almere streeft naar energieneutraliteit in 2025. Almere heeft de ambitie om in 2022 al energieneutraal te zijn (exclusief mobiliteit). Om dit te bereiken is het noodzakelijk om focus te brengen in de vereiste gezamenlijke inspanning met, door en voor de stad, om een versnelling in hernieuwbare energievoorziening te realiseren. Dit is aanleiding geweest om te komen tot (en tevens het doel van) het Programmaplan Energie Werkt! Het programmaplan richt zich op de periode 2015 - 2018. Het programma bevat een werkwijze langs 5 inhoudelijke werklijnen:

  • Werklijn 1 Zon

In deze werklijn wordt langs vier speerpunten ingezet op het vergroten van hernieuwbare (elektrische) energieopwekking uit zon. Het stimuleren van extra panelen op particuliere daken en daken van gemeentelijk vastgoed, scholen en verenigingen wordt in deze werklijn vormgegeven. Ook wordt gekeken hoe we grootschalige panelen kunnen realiseren op huurwoningen en wordt onderzocht hoe en waar zonnevelden op (braakliggende) gronden kunnen ontstaan.

  • Werklijn 2 Warmte

Deze werklijn legt de focus op het verduurzamen van het bestaande warmtenet en het aanleggen en voeden van eventuele nieuwe warmtevoorziening op hernieuwbare energiebronnen. Voor het bestaande net wordt in het programma een beeld gegeven van de mogelijke opties om het net te verduurzamen en welke investeringen daarbij horen. Er wordt verkend of en hoe met partner Nuon samengewerkt gaat worden. Het bespreken van de hoogte en differentiatie in aansluittarieven maakt deel uit van deze verkenning. Voor nieuwe gebieden wordt ingezet op innovatieve technieken.

  • Werklijn 3 Wind

Windenergie kan zowel binnen als buiten Almere opgewekt worden. De keuze in deze werklijn is dat Almere binnen de gemeentegrenzen initiatieven faciliteert als bewoners of bedrijven daarom vragen. Binnen deze werklijn zijn hiervoor strikte criteria opgesteld en worden initiatieven daarin begeleid. Voor investeringen in windenergie buiten Almere wordt verkend hoe op passende wijze aangesloten kan worden op lopende ontwikkelingen binnen de Provincie Flevoland. In deze werklijn is opgenomen dat in elk nieuw bestemmingsplan kleinschalige windinstallaties mogelijk worden gemaakt via binnenplanse afwijking van de bouwregels, waarbij de windinstallatie op het hoofdgebouw of aan de gevel van het hoofdgebouw geplaatst moet worden. De toegestane bouwhoogte voor hoofdgebouwen mag met maximaal 3 meter worden overschreden en de rotordiameter van de windinstallaties mag maximaal 2 meter bedragen (zie Programmaplan Energie werkt!, juli 2015, pagina 26).

  • Werklijn 4 Scholen en verenigingen
  • Werklijn 5 Bewoners en bedrijven

Voor het plangebied betekent dit kleinschalige windmolens op hoofdgebouwen toegestaan worden in de planregels via een afwijking. Het bestaande windmolenpark Jaap Rodenburg van tien molens is een tijdelijk park. Dit zal geen definitieve bestemming in dit plan krijgen, aangezien op termijn in het gebied een stedelijke ontwikkeling zal plaatsvinden. De windmolens in het gebied dienen bovendien financieel bij te dragen aan het omvormen en meer recreatief kunnen invullen van het Groenblauw raamwerk. Provincie heeft eigen beleid, waarop aangehaakt kan worden.

Er is een initiatief (van NUON en Almeerse Wind) om het windpark Jaap Rodenburg in Pampus te vervangen door een nieuw windpark van 8 tot maximaal 15 turbines van circa 100m ashoogte. Er wordt momenteel gewerkt aan de randvoorwaarden, ontwerpeisen en ontwerpbeperkingen. Omdat het initiatief nog onvoldoende concreet is, worden de nieuwe windmolens niet in dit plan meegenomen. Zo is de precieze locatie van de windmolens nog niet bekend en er moeten nog milieuonderzoeken uitgevoerd worden. Het initiatief voor de windmolens zal dan ook met een afzonderlijke planologische procedure gerealiseerd worden.

Kadernota Grondbeleid (2009)

Voor de periode 2009-2030 formuleert de gemeente Almere de volgende specifieke doelen van het grondbeleid:

  • 1. Het faciliteren van de realisatie van de Almere Principles. Het grondbeleid moet bijdragen aan het realiseren van diversiteit, ecologisch gezonde systemen en de participatie van duurzame stakeholders en met name eindgebruikers en eindbeheerders vanaf de allereerste stadia.
  • 2. Het bevorderen van ruimtelijke kwaliteit. Het grondbeleid moet de basis leggen voor ruimtelijke kwaliteit, aansluitend bij de dynamische vraag van huishoudens en bedrijven.
  • 3. Het faciliteren van de stedelijke economie. Het grondbeleid dient een belangrijke bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van de stedelijke economie door het creëren van ruimte voor een gedifferentieerde bedrijvigheid en werkgelegenheid in het kader van de stedelijke ontwikkeling en herstructurering.
  • 4. Het inspelen op de Schaalsprong. Dat omvat de bouw van 60.000 woningen in twintig jaar (gemiddeld 3.000 woningen per jaar) en de realisatie van de accommodatie voor 100.000 banen (gemiddeld 5.000 banen per jaar). Het grondbeleid moet er dus voor zorgen dat er tijdig aantrekkelijke en gedifferentieerde locaties worden aangeboden die aansluiten op de dynamische vraag van huishoudens en bedrijven. Voorts moet het grondbeleid eraan bijdragen dat de gevolgen voor de Schaalsprong voor de gemeente positief zijn.
  • 5. Het faciliteren van het programma voor de bestaande stad. Het gaat hierbij om het leveren van een bijdrage aan een gebiedsgerichte aanpak, gericht op een duurzame samenleving.
  • 6. Het veiligstellen van de betaalbaarheid van sociale woningen en maatschappelijk vastgoed. Een essentiële component van de stedelijke dynamiek is dat substantiële delen van de huur- en de koopwoningvoorraad betaalbaar en financieel bereikbaar zijn en blijven voor huishoudens met een bescheiden inkomen. De betaalbaarheid van sociale huur- en koopwoningen en maatschappelijk vastgoed is een punt van aandacht, niet alleen in de investeringsfase maar ook in de beheersfase. Dit heeft ingrijpende gevolgen voor het functionele grondprijsbeleid en gronduitgiftebeleid.
  • 7. Het faciliteren van particulier opdrachtgeverschap. Uit het vorige punt vloeit vooral dat het grondbeleid in een deel van de stedelijke ontwikkeling en herstructurering gunstige condities schept voor individueel en collectief particulier opdrachtgeverschap en mede-opdrachtgeverschap.
  • 8. Het beheersen van de financiële risico's en het benutten van financiële kansen. Het grondbeleid gaat noodzakelijkerwijze gepaard met financiële risico's voor de gemeente, marktpartijen en huishoudens. Het grondbeleid dient er mede op gericht te zijn dat de financiële risico's voor de gemeente adequaat worden beheerst, en voorts dat kansen op positieve exploitatieresultaten worden benut.

Naast deze doelen heeft de gemeenteraad ingestemd met een repertoire aan beleidsinstrumenten, bestaande uit verwervingsbeleid, kostenverhaal, kostenverevening en grondprijs- uitgiftebeleid.

Voor het plangebied betekent dit dat de gronden in het plangebied niet ongeschikt mogen worden gemaakt voor de toekomstige schaalsprong van Almere.

Welstandsnota Almere 2014 (2015)

Met de Welstandsnota Almere 2015 heeft de gemeente Almere een ommezwaai gemaakt in het
welstandsbeleid. De woongebieden en bedrijventerreinen in Almere zijn met het nieuwe beleid
welstandsvrij geworden. In deze gebieden behoeven bouwplannen niet meer preventief getoetst te
worden op het welstandsaspect.

De verplichte welstandstoets blijft gehandhaafd voor de volgende gebieden en thema's:

  • Het groenblauwe raamwerk

Het landschap in Almere vormt het groenblauwe raamwerk waarin de stadsdelen zijn gevat. Voor dit
groenblauwe raamwerk geldt een restrictief bouwbeleid: alleen gebouwen die een positieve bijdrage
leveren aan het functioneren van het groenblauwe raamwerk zijn welkom. In de nota 'Kleur aan groen' (zie Groene stad) is dit beleid vastgelegd en uitgewerkt.

  • De hoofdinfrastructuur

Het stelsel van hoofdwegen, spoorlijnen en vaarten vormt het raamwerk waarlangs mensen zich door
Almere voortbewegen. Het betreft zowel het aanzien van de gebouwde bestandsdelen van deze
hoofdinfrastructuur zoals bruggen, viaducten en geluidschermen als de beeldbepalende elementen van de bebouwing langs de hoofdinfrastructuur die het stadsbeeld mede bepalen.

  • De centrumgebieden

nvt

  • Bijzondere gebieden

nvt

  • Reclame

Met het aanbrengen van reclameborden in de openbare ruimte en aan gebouwen zijn grote financiële
belangen gemoeid. Het risico van wildgroei bij het vrijlaten van reclame in de openbare ruimte is groot. Beperking is noodzakelijk, om te voorkomen dat de architectuur geheel ondergeschikt wordt aan reclame. Een regulerend beleid beschermt bovendien winkels en bedrijven met een kwaliteitsuitstraling.

Op onderstaande kaart is aangegeven in welke gebieden het welstandsbeleid van toepassing is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0019.png"

Wanneer een gebied welstandsvrij is wil dat overigens niet zeggen dat er geen regie is. Voor de
omvangrijkere (her)ontwikkelingsgebieden kan supervisie door kwaliteitsteams worden ingesteld en weer worden opgeheven. Ook kan bewonerswelstand worden ingesteld indien 2/3 meerderheid in een gebied aangeeft dat welstandstoetsing gewenst is. Voor het hele grondgebied van de gemeente geldt verder de excessenregeling. De excessenregeling is het instrument om bouwwerken, die in ernstige mate ontsierend zijn voor de omgeving, te laten aanpassen. De excessenregeling is gericht op het uiterlijk en is niet bedoeld om de plaatsing van bouwwerken tegen te gaan.

Het plangebied is in de Welstandsnota in zijn geheel gelegen binnen het groenblauwe raamwerk. De verplichte welstandstoets blijft voor dit gebied gehandhaafd. Binnen dit gebied geldt een restrictief bouwbeleid. De hoofdinfrastructuur (in dit gebied de dijken en Buitenring (buiten plangebied maar wel direct grenzend daaraan) is ook aan een welstandstoets onderhevig. Dit gaat om zowel de gebouwde delen van de infrastructuur zelf (bruggen, geluidsschermen) als de beeldbepalende bebouwing die erlangs ligt.

Beleidsnota kleine bouw 2008 (2009, 2010)

In deze nota worden kaders benoemd voor de uitbreiding van woningen, het gebruik van woningen voor beroepen en bedrijven aan huis, bouwwerken nabij woningen en bedrijven, de oprichting van antennemasten e.d. Als een bouwplan aan de voorwaarden uit de nota voldoet, dan wordt medewerking verleend aan een bouwaanvraag, ook als deze niet past in het bestemmingsplan. Voor nieuwe bestemmingsplannen is het uitgangspunt dat de regeling uit de Nota hierin wordt overgenomen. Deze kaders scheppen duidelijkheid voor inwoners en bedrijven.

Samengevat regelt de nota de volgende bouw- en gebruiksmogelijkheden:

  • a. uitbreiding van of een bijgebouw bij woongebouwen;
  • b. uitbreiding van of een bijgebouw bij niet-woongebouwen (bijvoorbeeld winkels, scholen, bedrijfsgebouwen);
  • c. realiseren van gebouwen voor openbaar nut, openbaar vervoer of wegverkeer;
  • d. oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bijvoorbeeld schuttingen, kunstobjecten, overkappingen);
  • e. realiseren van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie;
  • f. regeling met betrekking tot aan-huis-gebonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten in huis;
  • g. oprichten van antenne-installaties.

Voor dit plangebied betekent dit dat de uitgangspunten van de nota zijn verwerkt in de regels en op de verbeelding.

Masten en antennes t.b.v. het mobiele telefoonnet (1999)

Naast het nationale en provinciale antennebeleid heeft de gemeente ook een eigen 'antennebeleid'. Dit beleid houdt in dat zendmasten niet in (toekomstige) woonwijken en natuurgebieden mogen worden geplaatst. Wel is plaatsing mogelijk op bedrijventerreinen, sportparken en langs hoofdinfrastructuur.

Voor het plangebied betekent dit langs de Botterweg-Pampusdreef en langs de dijk via afwijking zendmasten gerealiseerd zouden kunnen worden. In het overige (agrarisch- en natuur)deel van het gebied zijn masten niet toegestaan.

Aanwijzing en nadere regels ligplaatsen van vaartuigen in de gemeente Almere (2013)

De regels in de Aanwijzing en nadere regels ligplaatsen van vaartuigen zorgen ervoor dat de watergangen in de stad op een verantwoorde manier gebruikt kunnen blijven worden. In artikel 5:19, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 2011 is een verbod opgenomen om met een vaartuig in openbaar water een ligplaats in te nemen, een ligplaats te hebben dan wel beschikbaar te stellen. In de aanwijzing en nadere regels ligplaatsen is geregeld dat dit verbod niet van toepassing is op de aangewezen gedeelten van het openbaar water die als ligplaatsen woonschepen zijn aangegeven op kaart die bij de aanwijzing hoort. Op de kaart bij de aanwijzing zijn ook vaste ligplaatsen, afmeeroevers, passantenligplaatsen, wachtplaatsen, particulier water en particuliere oevers aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0020.png"

Binnen het plangebied zijn geen ligplaatsen voor woonschepen aangewezen. Wel is er een locatie voor passantenligplaatsen in het water aangewezen. Dit behoeft geen specifieke bestemming. In de bestemming 'Water' is in de bestemmingsomschrijving aanleggelegenheid opgenomen, waardoor het gebruik als afmeeroever op grond van het bestemmingsplan is toegestaan.

Prostitutiebeleid Almere (2000)

Het beleid is gericht op concentratie van bepaalde vormen van seksinrichtingen (in het uitgaanscentrum met bepaalde dominante functies zoals horeca en uitgaan, waar ruime mogelijkheden zijn m.b.t. sluitingstijden). In de Nota Prostitutiebeleid wordt vestiging van een bedrijf in een woonwijk ontoelaatbaar geacht. Daarnaast wordt het buitengebied uitgesloten omdat dit óf een blijvend recreatiegebied óf een toekomstig woongebied is.

Dit betekent dat seksinrichtingen in het plangebied niet zijn toegestaan.

Coffeeshopbeleid gemeente Almere 2013 (2012)

Het Coffeeshopbeleid gemeente Almere 2013 bevat de uitgangspunten en criteria die worden gehanteerd bij de behandeling van de (aanvragen voor) vestiging van koffieshops in Almere. Binnen de gemeente Almere worden maximaal vier gedoogbeschikkingen afgegeven voor het exploiteren van een coffeeshop. Voor de stadskern Almere Stad maximaal twee, voor de stadskern Almere Haven maximaal één en voor de stadskern Almere Buiten maximaal één. Als dit maximum van vier is bereikt worden verdere aanvragen op grond daarvan afgewezen. Een coffeeshop kan slechts gevestigd worden op een locatie met een horecabestemming. Een coffeeshop valt onder Categorie I “ lichte horeca”. Vestigingscriteria ten aanzien van de locatie zijn onder andere:

  • geen vestiging van coffeeshops in woonwijken;
  • situering ten opzichte van scholen: de loopafstand dient minimaal 350 meter te zijn tussen een school (basis- en voortgezet onderwijs) en een coffeeshop (uitgezonderd Festivalplein);
  • dusdanig gesitueerd dat maatschappelijke controle en controle door controlerende instanties mogelijk is;
  • vestiging aan de rand van bedrijventerreinen is toegestaan, tenzij geen controle mogelijk is;
  • vestiging in het centrum is toegestaan.

Voor het plangebied betekent dit dat er geen coffeeshops zijn toegestaan.

Nota bedrijfswoningen in het buitengebied en groene stedelijke gebieden (2000)

De nota 'bedrijfswoningen in het buitengebied en groene stedelijke gebieden' vormt het kader voor toetsing van verzoeken voor de bouw van een bedrijfswoning bij een voorziening/ bedrijf. Vanwege de bedrijfsvoering of veiligheidsoverwegingen is het vrijwel altijd noodzakelijk/wenselijk om een bedrijfswoning te realiseren bij een vestiging in het buitengebied of in de groene stedelijke gebieden. Vanuit deze gedachte is in beginsel één bedrijfswoning toegestaan. De bedrijfswoning dient wel inpandig in het bedrijfsgebouw te worden geïntegreerd. Hiermee kan opsplitsing van bedrijf en woning zoveel mogelijk worden voorkomen. Indien inpandig realiseren van een bedrijfswoning niet mogelijk is, kan met een vrijstellingsprocedure een solitaire bedrijfswoning worden toegestaan. Bij herziening van de bestemmingsplannen voor bestaande terreinen kunnen alleen de aanwezige bedrijfswoningen worden/blijven gelegaliseerd en zal een beperkte overgangsregeling gelden.

Er zijn geen agrarische bedrijven (bebouwing of bouwvlakken) in het plangebied aanwezig. Alleen een deel van de gronden is in agrarisch gebruik. Bedrijfswoningen worden dan ook in dit agrarisch deel van het plangebied niet toegestaan. De bestaande bedrijfswoning bij de bestaande manege is in het verleden (1991) toegestaan. Dit is conform het beleid: bij een recreatieve voorziening of bedrijf is in beginsel vanuit bedrijfsoogpunt (veiligheid) een bedrijfswoning toegestaan, mits de noodzakelijkheid ervan is aangetoond. De woning mag maximaal 150 m² bouwoppervlak zijn en een inhoud van 600 m³. Hieraan wordt voldaan. Aan bijbehorende bouwwerken is 60 m² toegestaan.

Uitgiftebeleid benzineverkooppunten (2000)

Op 19 mei 2000 heeft het college van B&W het 'uitgiftebeleid benzineverkoop' vastgesteld. Het beleid gaat uit van de uitgifte van alleen solitaire tankstationlocaties. Daarnaast is in de nota een spreidingskaartje voor benzineverkooppunten opgenomen. Op deze kaart staat aangegeven waar benzineverkooppunten gerealiseerd mogen worden.

Voor het plangebied is in het gebied nabij de huidige manege (ten westen van de Buitenring) een mogelijke nieuwe locatie aangewezen voor een benzineverkooppunt. Echter concrete plannen voor nieuwbouw in de planperiode (tien jaar) zijn er niet. Als er in de toekomst hier een aanvraag voor een benzineverkooppunt komt, dan wordt daarvoor een aparte procedure doorlopen. Voor het plangebied nu heeft dit beleid geen gevolgen.

3.2 Bereikbaarheid en mobiliteit

Nota Mobiliteitsplan Almere (2012)

Keuzes op het gebied van verkeer en vervoer zijn in belangrijke mate voorwaardenscheppend voor stedelijke ontwikkelingen. Ze werken ook door in het dagelijks leven op straat. Het gaat dan met name om een goede bereikbaarheid, maar óók om de wijze waarop verkeer en vervoer wordt ingebed in het stedelijk weefsel. De volgende 8 hoofdkeuzes worden gemaakt:

  • 1. Stimuleren economische ontwikkeling door verbeteren regionale bereikbaarheid, handhaven goede interne bereikbaarheid en versterken van wijkeconomie met introductie stadsstraten;
  • 2. Betere inpassing infrastructuur in stedelijk weefsel en aanwenden infrastructuur ter ondersteuning van organische groei;
  • 3. Handhaven van een gezond, verkeersveilig en duurzaam verkeerssysteem met aandacht voor initiatieven uit de markt;
  • 4. Vasthouden kwalitatief hoogwaardig openbaar vervoer waarbij de sociale veiligheid en de inpassing in het stedelijk weefsel verbeteren;
  • 5. Realiseren hoger fietsgebruik door het aanbieden van een kwalitatief hoogwaardig, sociaal veilig en kostenefficiënt hoofdfietsnetwerk;
  • 6. Aanbieden van veilige en prettige looproutes in woonwijken en winkelcentra en openbaar vervoer voorzieningen;
  • 7. Vasthouden van de goede interne bereikbaarheid per auto met aandacht voor inpassing, beleving en oriëntatie;
  • 8. Parkeeroplossingen op maat voor bewoners, bezoekers en werknemers.

Doelstellingen met ruimtelijke betekenis zijn:

  • Meer functiemenging;
  • Maken van stadsstraten: straten of lanen die een meer stedelijke uitstraling hebben door het verkeer niet meer strikt van de omgeving te scheiden; ook ter versterking van de wijkeconomie;
  • Concentratie van voorzieningen rondom knooppunten (m.n. stations);
  • Verbetering sociale veiligheid op fietsroutes (onder andere bundeling met auto-infrastructuur cq langs (woon)bebouwing), looproutes en openbaar vervoer. Tenminste één sociaal veilige fietsroute tussen stadsdelen;
  • In nieuwe gebieden met de gebruikelijke Almeerse dichtheid en hoger wordt het systeem van verkeersscheiding grotendeels doorgezet (eventueel eigen rijstrook, in plaats van aparte infrastructuur). In nieuwe gebieden met lagere dichtheden kan in principe van dit systeem worden afgestapt. In bestaand gebied geen grote ingrepen;
  • Openbaar vervoer en fiets krijgen prioriteit boven de auto;
  • Hoofdfietsnetwerk met ongelijkvloerse kruising van de dreven;
  • Doorgaand autoverkeer weren uit woongebieden;
  • Aandacht voor verkeersveilige schoolomgeving;
  • Capaciteitsvergroting regionale vervoersverbindingen (ov en auto);
  • Op langere termijn een IJmeerverbinding als voorwaarde voor gezonde groei Almere;
  • Bij interne bereikbaarheid krijgen economisch belangrijke gebieden (zoals het Stadscentrum en het centrum van Almere Buiten inclusief Doemere) prioriteit.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de uitgangspunten van dit beleidsplan.

3.3 Werk in de stad

Gemeentelijke visie op het vestigingsbeleid (GVV) (2010)

Om Almere te ontwikkelen tot een complete stad met een eigen economisch identiteit én daarmee de concurrentiepositie van de Randstad te versterken, is meer werkgelegenheid nodig voor een evenwichtige woonwerkbalans. Deze visie beoogt de economische ontwikkeling te versterken, de mobiliteit te beheersen, de infrastructuur efficiënt te gebruiken en de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid te verbeteren. Hiermee kan Almere een gunstig vestigingsklimaat bieden voor bestaande en nieuwe bedrijven én haar inwoners voldoende, gevarieerde werkgelegenheid bieden. Hoofdpunten zijn:

  • 1. Almere Principles zijn vertrekpunt voor de ontwikkeling van toekomstige vestigingslocaties. De Principles zijn geoperationaliseerd naar uitgangspunten voor de vestigingsvisie. Deze zijn vertaald naar onderdelen voor een uitvoeringsprogramma, welke praktisch kan worden gekoppeld aan de levenscyclus van vestigingslocaties (fase van ontwikkeling, realisatie, beheer, herstructurering).
  • 2. programmering van vestigingslocaties gericht op voldoende (direct beschikbare, geplande en gereserveerde) voorraad. Voor het scheppen van 100.000 extra banen moeten verschillende typen vestigingslocaties worden aangeboden. Voor de lange termijn (2030) is 680 extra hectare voor bedrijventerreinen, 1 miljoen m2 extra kantoorvloeroppervlak en 250 hectare voor (grootschalige) voorzieningen gereserveerd.
  • 3. formuleren van uitgangspunten voor duurzame gebiedsontwikkeling.
  • 4. faciliteren en stimuleren van functiemenging op vestigingslocaties.
  • 5. behoud van werkgelegenheid op bedrijventerreinen als uitgangspunt voor herstructurering en het uitwerken van het beheer en de herstructureringsopgave.

De visie is vertaald in een overzicht van typen vestigingslocaties, waarin is aangegeven of, en zo ja onder welke voorwaarden, functies als detailhandel (regulier, pdv en gdv), kantoor, voorzieningen, wonen e.d. mogelijk zijn. Analoog aan de provinciale beleidsregel "locatiebeleid stedelijk gebied 2008" wordt onderscheid gemaakt in centrummilieus (grootstedelijk en overig), gemengde woon-werkmilieus (gemengd wonen-werken en binnenstedelijk) en specifieke werkmilieus (kantoren, voorzieningen, regulier bedrijventerrein en industrieterrein).

Voor het plangebied is dit beleid niet direct relevant. Nieuwe functies zijn onder bepaalde voorwaarden wellicht mogelijk, maar concrete initiatieven of plannen zijn er niet. Onderzoek naar nieuwvestiging is ook niet uitgevoerd voor dit plan. Op moment dat de woningbouw in het gebied concreet wordt, ongeveer vanaf 2025 (zie paragraaf 2.2), zal ook onderzocht worden welke economische functies en voorzieningen in het gebied gerealiseerd zouden moeten worden.

Horecanota Almere (2000)

De horeca heeft als branche te maken met vele regelingen en beleidsmaatregelen die de gemeente Almere behartigt. Omwille van een eenduidig overzicht en toegankelijk beleid is een nota opgesteld die dit in een meer integraal kader plaatst. De horecanota bevat in hoofdzaak een 'foto' van het bestaande gemeentelijke horecabeleid anno 2000. Deze 'foto' is in overleg met diverse in- en externe betrokkenen gemaakt. Wat betreft ruimtelijk beleid is aangegeven dat ten behoeve van de bestemmingsplannen een uniforme omschrijving van drie gedefinieerde typen horeca (licht-, middel- en zware horeca) zal worden gehanteerd. Deze is opgesteld en wordt als Staat van Horeca-activiteiten opgenomen in de bestemmingsplannen. Verder is er een indeling gemaakt van gebieden waar horeca kan worden toegevoegd of verminderd:

  • Consolidatiegebied: geen uitbreiding van horeca mogelijk;
  • Ontwikkelingsgebied: nieuwe horeca is mogelijk;
  • Concentratiegebied: sterke concentratie van horeca is mogelijk;
  • Deconcentratiegebied: horeca zal worden verminderd.

Deze indeling van gebieden is vertaald naar woongebieden, centra, Poort, Hout, bedrijventerreinen en kantoorgebieden en buitengebied, stadscorridors en parken.

Het plangebied valt onder de laatste drie gebieden: Buitengebied, stadscorridors en parken. Daarin voert de gemeente een beleid, gericht op nieuwvestiging van horeca, o.a. via Parkennota. Voor het plangebied betekent dit dat in deze gebieden nog te weinig horeca is ontwikkeld. Ook is niet bepaald waar welke horeca gevestigd kan worden. Via nieuw beleid wordt hier op ingespeeld, bijvoorbeeld via de Parkennota. Deze nota is onlangs vervangen door de Nota Kleur aan Groen. In paragraaf 3.4 van deze bijlage wordt hier nader op ingegaan.

Detailhandelsvisie Almere 2014

De Detailhandelsvisie Almere 2014 geeft in hoofdlijnen antwoord op de vraag hoe Almere in de komende jaren met detailhandel in de stad wil omgaan.

De belangrijkste uitgangspunten voor de detailhandelsstructuur zijn:

  • de fijnmazigheid van winkelvoorzieningen;
  • de positie van het stadscentrum als hét centrale (winkel)centrum van Almere;
  • ruimte bieden aan ondernemers;
  • e-commerce faciliteren.

Dit vindt zijn uitwerking in:

  • Concentratie van dagelijkse detailhandel in of aan buurt-, wijk- en stadsdeelcentra
  • Concentratie van niet-dagelijkse detailhandel in of aan stadsdeelcentra
  • Prioriteit voor kansrijke innoverende concepten
  • Verruimen van mogelijkheden voor kleinschalige detailhandel buiten de winkelgebieden
  • Vergroten van de verzorgingsfunctie en complementariteit van warenmarkten
  • Behouden van ruime mogelijkheden winkelopening
  • Handhaven van regels
  • Programmering gericht op kwaliteit
  • Uitvoeringsparagraaf 'samenwerking markt en overheid'

De detailhandelsvisie bevat een aantal relevante begripsbepalingen, waaronder PDV en GDV. Het (toelatings)kader bevat een verdere vertaling van het beleid:

Economische segmenten   Dagelijks   Niet dagelijks   E-commerce  
    Recreatief   Doelgericht (PDV)   web- winkel   internet- winkel   afhaal-punten  
Milieus en Locaties              
stadscentrum en stadsdeelcentra   ja   ja   ja*   ja   ja   ja  
wijk- en buurtcentra   ja, supermarkt van (elk) maximaal 1.500 m² w.v.o.*/**   ja   nee   ja   ja   ja  
retailcentra***   nee   ja, mits passend binnen het thema   ja, mits passend binnen het thema   ja   ja   ja  
woonwijken (inclusief bedrijfs- woningen op bedrijventerreinen)   ja, mits < 25 m² w.v.o. aan huis   ja, mits < 25 m² w.v.o.   nee   ja   ja*   ja****  
binnenstedelijke, modern gemengde bedrijventerreinen   nee   nee, tenzij ondergeschikt maximaal 20% van het aantal m² b.v.o. met een maximum van 100 m² w.v.o.   alleen daar waar het volgens de geldende bestemmings- plannen mogelijk is, met uitzondering van ABC goederen¹)   ja   nee   ja****  
hoogwaardige bedrijventerreinen   nee   nee, tenzij ondergeschikt maximaal 20% van het aantal m² b.v.o. met een maximum van 100 m² w.v.o.   nee   ja   nee   ja****  
logistieke bedrijventerreinen   nee   nee, tenzij ondergeschikt maximaal 20% van het aantal m² b.v.o. met een maximum van 100 m² w.v.o.   nee   ja   nee   ja****  
industrieterreinen (De Vaart 1-3 en 4)   nee   nee, tenzij ondergeschikt maximaal 20% van het aantal m² b.v.o. met een maximum van 100 m² w.v.o.   nee   ja   nee   nee  
agrarische bedrijventerreinen, zoals Buitenvaart   ja, mits < 25 m² w.v.o. in de bedrijfswoning ***** en m.b.t. ondergeschikte detailhandel maximaal 20% van het aantal m² b.v.o. met een maximum van 100 m² w.v.o. *****   nee, tenzij ondergeschikt maximaal 20% van het aantal m² b.v.o. met een maximum van 100 m² w.v.o.*****   nee, met uitzondering van 1 tuincentrum   ja*****   ja*****   nee  

* Mits wordt voldaan aan de randvoorwaarden met betrekking tot bereikbaarheid, parkeren, laden, lossen en milieu-eisen (5 parkeerplaatsen per 100 m² b.v.o.).

** In stadsdeel Haven maximaal 1.200 m² w.v.o.

*** Retailcentra vallen onder het locatietype 'voorzieningenmilieu' uit de Gemeentelijke Visie op het Vestigingsbeleid (GVV, 2010) en Doemere is een voorzieningenmilieu voor PDV en het toekomstig retailpark Poort is een voorzieningenmilieu voor GDV. Ook de eventuele toekomstige detailhandelszone op Twentsekant is aangewezen als een voorzieningenmilieu voor PDV/GDV (pas op zijn vroegst na 2020 in ontwikkeling).

**** Op nog nader te bepalen locaties en onder nog nader te bepalen voorwaarden/criteria.

***** Gelieerd aan de hoofdbestemming (verbreed agrarisch) binnen het nieuwe bestemmingsplan Agrarisch gebied Buitenvaart.

¹) ABC-goederen kunnen zich ook vestigen op de binnenstedelijke en modern gemengde bedrijventerreinen als voldaan wordt aan de ruimtelijk relevante criteria als goede bereikbaarheid en ruimtelijke inpassing buiten de PDV zones.

In het gebied is geen detailhandel toegestaan volgens de Detailhandelsvisie. Alleen in de bedrijfswoning bij de manege is maximaal 25 m2 verkoopvloeroppervlak aan detailhandel toegestaan waaronder webwinkels en internetwinkels, voor zover wordt voldaan aan randvoorwaarden met betrekking tot parkeren e.d. Deze eisen zijn opgenomen in de bestemmingsregel inzake aan-huis-verbonden beroepen of bedrijfsmatige activiteiten.

Kansenkaart vrijetijdseconomie Almere (2014)

Almere heeft de vrijetijdssector veel te bieden en wil de kansen niet laten liggen maar juist benutten. De vrijetijdssector is goed voor de kwaliteit van de stad en het imago. Bovendien trekken vrijetijdsvoorzieningen bezoekers en wordt met de ontwikkeling van de vrijetijdssector de werkgelegenheid vergroot en het investeringsklimaat verbeterd.

De kansenkaart is opgesteld in samenwerking met de Stichting Leisurebelang Almere (SLBA) en Almere City Marketing (ACM). In de kansenkaart zijn 16 locaties in de stad aangewezen waar kansen liggen voor de ontwikkeling van vrijetijdsvoorzieningen. De locaties zijn geen volledige opsomming. Op de kaart zijn met name de locaties in het groen en aan het water opgenomen.

Voor het plangebied is de mogelijke locatie 'Pampushout Zuid: Lusthof' van belang. In dit gebied wordt een gebied van 15 hectare organisch ontwikkeld tot een bijzondere recreatieve voorziening. Dit moet een ontmoetingsplek worden met horeca, eventueel met een bedrijfswoning, natuur- en cultuurgerichte activiteiten en kleinschalige evenementen. De Kansenkaart is met name bedoeld om initiatiefnemers expliciet te wijzen op deze locaties. Voor het plangebied zelf en de daarbij behorende regels heeft het geen directe gevolgen.

Agenda Toerisme & Recreatie 2016-2022

Almere biedt volop kansen voor de ontwikkeling van een sterke toeristisch-recreatieve sector. De markt ziet veel mogelijkheden en het is tijd daarop in te spelen. De agenda is gericht op meer bezoekers, bestedingen en grotere naamsbekendheid. De rol van de gemeente is vooral faciliterend maar ook aanvullend en investerend. Deze agenda borduurt voort op de Kansenkaart Vrijetijdseconomie door focus te geven en vervolgstappen te maken. Er zijn een drietal strategieën uitgewerkt:

  • 1. Placemaking: vier gebieden doorontwikkelen tot volwaardige toeristisch recreatieve bestemming: focus leggen, duidelijkheid. Het gaat om Almere Centrum, kustzone Almere Poort, Boswachterij Almeerderhout/ Kemphaan en Oostvaardersplassen.
  • 2. Thematische versterking: bepaalde toeristische thema's beter en slimmer onder de aandacht te brengen. Het gaat om shoppen, architectuur, waterrecreatie, natuurbeleving en evenementen.
  • 3. Samenwerking en organisatie: netwerken optimaal benutten.

Voor het plangebied is de agenda van belang inzake punt 2. Het buitendijks gebied biedt vele mogelijkheden voor waterrecreatie, verblijfsrecreatie en ontspanningsactiviteiten. Daarnaast bieden de bossen en wateren een grote diversiteit aan vogels en andere fauna. De bossen hebben een eigen en bijzonder karakter en zijn daarmee geschikt voor natuurbeleving.

3.4 Groene stad

Waterplan Almere (2005)

Het Waterplan geeft aan welke rol het binnendijks water binnen de stad speelt en wat er nodig is om die rol te vervullen. Bij herstructurering van de bestaande stad of nieuwbouw, geeft de watervisie richting aan de omgang met water. Een belangrijk onderdeel van de watervisie is de waterfunctiekaart waarop drie functies zijn weergegeven: een natuurlijke, recreatieve of stedelijke functie. De functie bepaalt hoe het water moet worden ingericht, beheerd en onderhouden.

Gemeente en Waterschap dragen de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het water in de stad. Het waterplan biedt een kader voor deze samenwerking. Het waterplan is opgesteld om zowel de huidige knelpunten in het watersysteem op te lossen als te anticiperen op toekomstige veranderingen en kansen.

Voor het plangebied is een watertoets uitgevoerd (zie de plantoelichting, paragraaf 5.9 Waterparagraaf)

Waterstad Almere. Toeristisch recreatief beleidsplan (1996)

Het doel van het toeristisch recreatief beleidsplan is het verder in gang zetten van de toeristisch recreatieve ontwikkeling van Almere. Het aanbod van toeristisch recreatieve voorzieningen dient minimaal evenredig te zijn aan het aantal inwoners van Almere. Er wordt uitgegaan van een ruimtelijke concentratie van voorzieningen en investeringen. De interne en externe bereikbaarheid van gebieden en voorzieningen dient gewaarborgd te zijn. Op plekken waar de stadscorridors overige vormen van verkeer (autowegen, vaarwegen, openbaar vervoer) kruisen, ontstaan knooppunten. Deze knooppunten zijn de aantrekkelijkste vestigingsplaatsen voor toeristisch recreatieve voorzieningen. Zo ontstaat een ruimtelijk spreidingspatroon welke op een kaart is weergegeven in het beleidsplan.

Pampushaven en omgeving heeft grote toeristisch-recreatieve potenties door zijn unieke ligging aan een kruispunt van watersportroutes. In deze beleidsnota is de Pampushaven aangewezen als mogelijke locatie voor realisatie van een nieuwe jachthaven. Dit wordt overgelaten aan particulier initiatief, waarbij de gemeente alleen de randvoorwaarden schept. Op lange termijn kan Pampushaven ontwikkeld worden tot een watersportwalhalla met naast de jachthaven woningbouw, op watersport gerichte bedrijvigheid, verblijfsrecreatie, boulevard met horeca en winkels. Watersportfaciliteiten kunnen op kortere termijn al worden gerealiseerd. Daarnaast zullen aanlegplaatsen gerealiseerd moeten worden bij bosgebieden. Dit werkt sfeer verhogend en heeft een positief effect op de ontwikkelingsmogelijkheden van Almere. In de nota is aangegeven dat de realisering afhankelijk is van de geplande woningbouw. Woningbouw is vooralsnog niet aan de orde, wat betekent dat de genoemde toeristisch-recreatieve ontwikkelingen binnen de planperiode ook niet gerealiseerd zullen worden. Dit krijgt dan ook geen regeling in dit plan. Bovendien zou voor de aanleg van een dergelijk grootschalige ontwikkeling met een jachthaven een Mer(beoordeling) plaats moeten vinden. Dat is niet gedaan.

Kleur aan Groen (2014)

De nota Kleur aan Groen geeft de spelregels voor een zorgvuldige inpassing van initiatieven binnen het groenblauwe raamwerk. Almere wil het unieke netwerk van natuur en landschap ook in de toekomst koesteren en behouden. De nota legt daarom de hoofdstructuur (het raamwerk) vast op kaart en beschrijft de betekenis ervan (de essentie). De essentie en de groene kwaliteit van de landschappen stellen voorwaarden aan alle ontwikkelingen in het raamwerk. Daarbij biedt Kleur aan Groen bewoners en ondernemers nadrukkelijk de ruimte om hun ideeën in het groen en blauw te realiseren. Op die manier kunnen zij de inrichting en gebruiksmogelijkheden versterken.

De basis van de nota is de kaart van het groenblauwe raamwerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0021.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0034.BPalg05-on01_0022.jpg"

Op de kaart zijn landschapstypes aangegeven. Zij laten zien dat er verschillende landschappen zijn met elk hun eigen ruimtelijke karakteristieken en kenmerkend gebruik. Er wordt onderscheid gemaakt in: bos, moeras, park, voorzieningenpark, water en identiteitsdragers.

Om te kunnen beoordelen of een initiatief een verbetering voor (het gebruik van) het groenblauwe raamwerk oplevert, zijn de kwaliteiten van het raamwerk samengevat in 'de essentie'. Initiatieven zijn uitsluitend mogelijk als ze recht doen aan de essentie. Zo wordt bepaald of het raamwerk de beste plek is voor het initiatief, of dat het beter past op een bedrijventerrein of een centrumlocatie.

De volgende essenties zijn opgenomen in de Nota Kleur aan Groen:

Het groenblauwe raamwerk:

  • 1. heeft een waarde op zichzelf;
  • 2. is voor de stad en haar bewoners;
  • 3. is het fundament van de groene stad Almere;
  • 4. is verbonden met de stad;
  • 5. geeft Almere identiteit.

In aanvulling op de essentie gelden ontwikkelprincipes. Ze geven de condities voor een zorgvuldige inpassing en het bereiken van een optimale kwaliteitsbijdrage aan het groen en blauw.

Deze ontwikkelprincipes zijn:

  • 1. De groengebieden en het water vormen een samenhangend geheel;
  • 2. Het initiatief versterkt de identiteit van het gebied;
  • 3. Het initiatief is verbonden met het gebied;
  • 4. Het initiatief draagt blijvend bij aan het beheer van het gebied. De kwaliteit van het groen staat hierbij centraal, niet de financiering ervan.
  • 5. Er geldt terughoudendheid bij het bouwen in het groen, waarbij ingrepen gericht zijn op de versterking van de kwaliteit van het groenblauwe raamwerk. Voor bebouwing geldt een extra kwaliteitstoets, op basis van de nota kleur aan groen.
  • 6. Het college informeert de raad vooraf per raadsbrief over initiatieven die daadwerkelijk in aanmerking komen voor realisatie, indien deze afwijken van de bepalingen in de nota Kleur aan Groen. Hierbij schetst het college waarom afwijken van de nota meerwaarde heeft.

Door deze spelregels verschuift de aandacht. De functie op zich is niet doorslaggevend. Het gaat om de kwaliteit die een initiatief op een specifieke plek kan toevoegen.

De Nota Kleur aan Groen is binnen het plangebied van dit bestemmingsplan van toepassing op het hele plangebied. Het is op de kaart van het groenblauwe raamwerk ten eerste aangegeven als 'moeras en natte natuur'. Dit betreft de stapsteen Pampushout. Een moeras is overgangsgebied tussen water en land en heeft een grote natuurwaarde. Het zijn brongebieden voor planten en dieren, Belangrijkste gebruik voor de mens is natuurbeleving middels educatie, fietsen en wandelen. Daarnaast is het Pampushout aangeduid als 'bos'. Het kenmerkende gebruik hierin is natuurbeleving, wandelen, fietsen, natuureducatie, recreatie en cultuur. Het zijn gebieden met een dichte beplanting, waardoor het doorzicht veelal beperkt is. Het bos vormt een belangrijke, natuurlijke tegenhanger van het stedelijk gebied. Een groot deel is daarbij nog aangeduid als EHS. Tenslotte is het gebied aangewezen als 'dijk', 'waterverbinding' en 'recreatieve verbinding'. De verbindingen geven structuur en identiteit. Het versterkt de beleving van de groenblauwe stad. De polderdijk is een robuust element, goed zichtbaar en biedt goed zicht op de omgeving. Als water wordt het gebruikt om te varen, recreatie, sport en natuurbeleving. De verbindingen zijn geschikt als plekken voor eten&drinken en cultuur.

Het bos heeft in dit bestemmingsplan de bestemmingen 'Bos' gekregen en het moeras de bestemming 'Natuur'. De waterverbinding is bestemd voor 'Water'. De dijk is voor 'verkeer-verblijfsgebied' bestemd en heeft bovendien een dubbelbestemming om de waterkerende functie te beschermen.

Omdat het gewenst is eventuele nieuwe initiatieven in het gebied goed te toetsen aan de nota Kleur aan Groen alvorens medewerking te verlenen, is ervoor gekozen deze bestemmingen niet op voorhand uit te breiden met mogelijke nieuwe functies. Eventuele initiatieven die niet passen binnen de bestemmingen worden beoordeeld aan de hand van de essentie en de ontwikkelprincipes van de nota Kleur aan Groen. Wanneer het initiatief op basis daarvan goed inpasbaar blijkt, kan worden besloten van het bestemmingsplan af te wijken, dan wel het bestemmingsplan (op onderdelen) te herzien. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de toekomstige stedelijke ontwikkeling in het gebied. Deze ontwikkeling mag niet onmogelijk worden.

Ecologisch Masterplan (2006)

In het Ecologisch Masterplan is het beleid opgenomen gericht op de natuur in Almere. In het Masterplan zijn de volgende uitgangspunten benoemd.

  • 1. De aan water en moeras gebonden natuur wordt in oppervlak vergroot en in kwaliteit versterkt.
  • 2. De kwaliteit van het bestaande blauw en groen wordt beter afgestemd op de ontwikkelingen van de stad en de wensen van haar bewoners. Voor toekomstige uitbreidingsgebieden wordt de blauwgroene ontwikkeling tijdig en gelijkwaardig aan nieuwe rode ontwikkelingen gekoppeld.
  • 3. Het groen-blauwe casco wordt aangevuld met de drie ontbrekende schakels (ecologische slagaders).
  • 4. De brongebieden voor de natuur in de stad worden kwalitatief versterkt en planologisch veilig gesteld. Een brongebied is een gebied van waaruit soorten naast gelegen gebieden bevolken; bijv. de Lepelaarplassen zijn brongebied van vele rietvogels voor de grachten en parken van de stad).
  • 5. Op het niveau van de stadsdelen wordt een raamwerk aan leefgebieden gerealiseerd.
  • 6. Door in te zetten op het omvormen van regulier beheer naar gedifferentieerd beheer wordt de natuurkwaliteit van het openbaar groen vergroot.
  • 7. Initiatieven van bewoners om mee te doen aan het beheer van de directe woonomgeving, worden gefaciliteerd en gestimuleerd.
  • 8. De betrokkenheid van alle leeftijdsgroepen bij de natuur van Almere wordt bevorderd.

Het beleid van het Ecologisch Masterplan wordt op integrale wijze benaderd, d.w.z. met oog voor landschappelijke, recreatieve en ruimtelijke ontwikkelingen. Het masterplan betreft de 2e fase in het beleidsproces om te komen tot een sectorale visie op de natuur van Almere. Met het plan zijn de uitgangspunten door de raad vastgesteld die vervolgens richtinggevend zouden worden voor het op te stellen kaderplan. De uitvoering van deze derde fase heeft niet plaatsgevonden.

Het gebied is aangeduid als 'aan te vullen ecologische verbinding', 'nat brongebied' (buitendijkse zone langs de kust) en 'droog brongebied'(bos Pampushout). Voor de ecozone Pampus, de schakel tussen de Kromslootpark, de Ecozone Poort, Lepelaarplassen en de Kwelzone bij de Noorderplassen is al in 2005 gestart met de planontwikkeling van een natte verbindingszone om het blauwgroene casco aan te vullen, zodat er één functionele ecologische structuur ontstaat. Doel is om de uitwisseling van soorten mogelijk te maken. De toekomstige stedelijke ontwikkeling van het gebied dient hiermee rekening te houden. De brongebieden worden kwalitatief versterkt en planologisch veilig gesteld. Dit zijn gebieden van waaruit soorten naast gelegen gebieden bevolken.

Beleidsplan wandelen en hardlopen 2003-2010 "stap voor stap door Almere" (2003)

Het beleidsplan 'wandelen en hardlopen 2003-2010' is vastgesteld door de gemeenteraad op 12 juni 2003. Hierin staat aangegeven dat op de eerste plaats de wandelinfrastructuur dient te worden uitgebreid. Daarbij gaat het om het aanleggen van paden in gebieden waar ze ontbreken en in nieuw te ontwikkelen gebieden. Daarnaast gaat de aandacht uit naar het verhogen van de kwaliteit van de paden. Door de groei van de stad neemt de druk op bestaande voorzieningen toe. Om de toegankelijkheid en de begaanbaarheid van de paden jaarrond te garanderen, is het van belang veel gebruikte graspaden te voorzien van (half)verharding. Tot slot is het wenselijk om gebruikersgroepen te scheiden. Op dit moment maken wandelaars op veel plaatsen gebruik van fietspaden. Dat komt noch de verkeersveiligheid, noch de belevingswaarde voor de recreant ten goede. Het aanleggen van specifieke voetpaden naast fietspaden moet nader uitgewerkt worden.

Verder is geconstateerd dat verschillende gebruikersgroepen uiteenlopende eisen stellen aan de belevings- en gebruikswaarde van routes en voorzieningen. Er wordt naar gestreefd meer variatie aan te brengen in de gebieden, zodat alle gebruikersgroepen bediend kunnen worden. Er moeten mogelijkheden gecreëerd worden voor liefhebbers van struinnatuur en voor fysiek beperkte wandelaars. Het aantal hardlooproutes kan uitgebreid worden in Buiten en Haven. Naast het realiseren van routes wordt in het plan aandacht besteed aan voorzieningen die hiermee samenhangen. Voorbeelden hiervan zijn horecagelegenheden en uitspanningen, rustpunten, informatievoorzieningen op parkeerplaatsen in buitengebieden etc.

Voor het plangebied betekent dit dat de bestaande wandel- en fietspaden in het gebied een passende bestemming krijgen.

Gemeentelijk Waterhuishoudingsplan 2011-2016

Per 1 januari 2008 is er veel veranderd voor alle gemeenten, met de Wet gemeentelijke watertaken. De nieuwe wetgeving stelt gemeenten beter in staat een bijdrage te leveren aan de aanpak van watervraagstukken in bebouwd gebied. Gemeenten hebben zorgplichten voor de inzameling en verwerking van overtollig hemelwater en grondwater. De gemeente moet hiermee rekening houden bij het opstellen van haar Gemeentelijk Riolering Plan (GRP). De gemeente heeft drie zorgplichten:

  • 1. de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater (Wet Milieubeheer);
  • 2. de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet);
  • 3. het treffen van maatregelen in het openbaar gebied teneinde structureel nadelige gevolgen van de
    grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te
    beperken (Waterwet).

De noodzaak tot actualisatie en verbreding van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) is aangegrepen om de bestaande beleidsdocumenten op het gebied van water te integreren en de samenhang in de waterhuishouding te verstevigen:

  • 1. Waterplan Almere (visie)
  • 2. Regionale bestuursovereenkomst stedelijk water Flevoland
  • 3. Maatwerkovereenkomst (hier is het B&O plan stedelijk water onderdeel van)
  • 4. Beleidskader onderhoud kapitaalgoederen
  • 5. Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)
  • 6. Nationaal Bestuursakkoord Water
  • 7. Bestuursakkoord Waterketen

Het Gemeentelijk Waterhuishoudingsplan Almere 2011-2016 bundelt de hoofdlijnen van deze beleidsdocumenten en geeft daarmee structuur en samenhang aan de gemeentelijke waterhuishouding. Met dit Gemeentelijk Waterhuishoudingsplan wordt nogmaals de visie uit het waterplan bevestigd.

Voor het plangebied betekent dit dat een watertoets wordt gedaan. Zie daarvoor paragraaf .. van de plantoelichting.

3.5 Sociale structuur, onderwijs en cultuur

Toekomstvisie vrije tijd “De (vrije) tijd van je leven!" (2008)

De Toekomstvisie Vrije tijd Almere geeft richting aan de ontwikkeling van een integraal vrijetijdsbeleid tot 2020, met doorkijkjes naar 2030. De twee elkaar versterkende hoofddoelen van de voorliggende visie zijn:

  • 1. het creëren van een hechte, leefbare samenleving;
  • 2. het versterken van de identiteit van de stad.

De gekozen koers laat zich vertalen in drie speerpunten:

  • 1. Het huis uit, de wijk in;
  • 2. Verbinden en versterken;
  • 3. Volwaardige stad in de regio.

Om een hechte samenleving te bereiken, dient zonder aarzelen te worden gekozen voor het niveau van de wijk en woonomgeving. Het bevorderen van contact en ontmoeting zal in Almere de belangrijkste opgave zijn. Het verfraaien, verbeteren en verlevendigen van die omgeving is daarvoor een middel. Als het gaat om de identiteit van de stad zijn de sleutelwoorden 'versterken' en 'verbinden'. Dit houdt in het aantrekkelijker maken van bestaande voorzieningen, stadsparken en natuurgebieden en het realiseren van een netwerk voor wandelen, fietsen, skeeleren en varen. Daarnaast is op enkele punten een versterking van de stedelijke infrastructuur gewenst. Daarbij kunnen de kwaliteiten die de stad heeft verder worden uitgebouwd en benut. Vanuit een aantal thema's wordt een bovenregionale profilering voorgesteld die Almere op de kaart kan zetten.

Voor het plangebied betekent dit het overeenstemt met de doelstellingen uit de visie.

Visie Cultuur 2.0 (2012)

Dit document geeft een visie op cultuur in Almere in 2030. De ontwikkeling van de culturele
infrastructuur vindt plaats langs vier programmalijnen:

  • 1. nationale voorzieningen koppelen aan Almeerse kwaliteiten;
  • 2. versterking van het cultureel middenveld;
  • 3. ik maak mijn eigen cultuur in Almere;
  • 4. cultuureducatie en talentontwikkeling.

Voor het plangebied betekent dit dat het bestaande landschapskunstwerk Polderland Garden of Love and Fire gehandhaafd blijft en behouden dient te worden. Planologisch wordt dit kunstwerk beschermd.

Sportnota 2013-2016 (2013)

Deze nota geeft de speerpunten en doelstellingen voor het sportbeleid voor 2013-2016 weer. "Almere: sportieve stad!" is de hoofddoelstelling of missie van het Almeerse sportbeleid voor 2013-2016. Via zeven speerpunten en bijbehorende doelstellingen streeft Almere er naar om de hoofddoelstelling te realiseren. Deze speerpunten zijn:

1. Laagdrempelige sportmogelijkheden dichtbij huis.

Iedereen kan dichtbij huis in een veilige en plezierige omgeving sporten.

2. Integrale samenwerking sport en andere terreinen.

Een aantoonbare groeiende sport- en beweegdeelname in alle gebieden van Almere en onder alle bevolkingsgroepen van Almere.

3. Kwalitatief hoogwaardige sportaccommodaties.

Er is een voldoende en goed aanbod van sportaccommodaties dat voldoet aan de behoefte en omvang van de Almeerse bevolking.

4. Vitale sportverenigingen.

Versterking van de sportverenigingen in Almere zodat iedereen in Almere de mogelijkheid heeft om bij een vitale sportvereniging te sporten.

5. Talent.

Iedereen de mogelijheid bieden om het maximale uit zichzelf te halen.

6. Topsportaccommodaties.

Optimaal benutten van het Topsportcentrum Almere en de overige Almeerse topsportaccommodaties en kansrijke uitbreidingen van het aanbod faciliteren.

7. (Top)sportevenementen.

In Almere worden bij de stad passende aansprekende top- en breedtesportevenementen gehouden.

Voor het plangebied betekent dit dat met de manege ruimte wordt geboden aan een sportvoorziening voor Almere. Deze ligt relatief dicht bij de Muziekwijk en Poort, zodat bewoners van die wijk maar ook andere bewoners een sportvoorziening nabij hun woning hebben.

Archeologie

Archeologienota (2016)

Almere voert een actief beleid inzake de archeologische monumentenzorg, gericht op:

  • het veiligstellen van de meest waardevolle vindplaatsen in de gemeente;
  • het zoveel mogelijk integreren van deze locaties in de diverse inrichtingsplannen;
  • het kenbaar en herkenbaar maken van de bijzondere geschiedenis van Almere aan het publiek.

De hoofdlijnen van het beleid inzake de archeologische monumentenzorg in Almere staan beschreven in de Nota Archeologische Monumentenzorg 2016. Op 7 april 2016 heeft de raad dit beleid vastgesteld, evenals de Archeologieverordening 2016 en de toelichting daarop. De Archeologische Beleidskaart Almere (ABA) is als onderdeel van het door de raad vastgestelde beleid gelijktijdig vastgesteld. Het beleid is een uitwerking van de Monumentenwet 1988. Op 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. De artikelen 11 t/m 14a blijven totdat de Omgevingswet van kracht wordt echter van toepassing op basis van de Erfgoedwet, artikel 9.1, lid 1, sub a. Deze wetswijziging heeft daarom geen consequenties voor de uitgangspunten van het beleid en regelgeving.

Het beleid richt zich op het behoud van een representatief deel van behoudenswaardige vindplaatsen (scheepsresten en steentijdvindplaatsen). De vergunningsplichtige gebieden, behoudenswaardige vindplaatsen (waaronder wettelijk beschermde rijksmonumenten) en gebieden die zijn vrijgesteld van archeologische verplichtingen zijn op de ABA aangegeven. Om te zorgen dat het noodzakelijke onderzoek daadwerkelijk plaatsvindt worden daartoe aangewezen gebieden beschermd via het bestemmingsplan (zie paragrafen 3.3.1 t/m 3.3.4 van de plantoelichting). De onderzoeksplicht geldt alleen, indien aan twee voorwaarden is voldaan:

  • 1. de voorgenomen bouw- en aanlegactiviteiten komen niet in aanmerking voor een vrijstelling; en
  • 2. de betreffende gronden zijn niet eerder bebouwd / overbouwd is geweest met bijvoorbeeld een weg of woningen.

De inzet van beschikbare middelen van de gemeente inzake monumentenzorg richt zich op gebieden, waarin zich representatief te achten prehistorische landschappelijke zones bevinden. De verwachting is dat dit doorgaans de hogere delen van het prehistorisch dekzandlandschap betreffen en oeverwallen die voorkomen binnen de Oude Getijdenafzettingen. Voor ingrepen of wijzingen die niet in aanmerking komen voor een vrijstelling is een omgevingsvergunning vereist. Deze vergunning kan al dan niet tijdelijk en/of onder voorwaarden worden verleend. De vergunning moet geweigerd worden, indien de werkzaamheden de archeologische waarden aantasten of risico´s daarop kunnen opleveren.

Archeologieverordening (2016)

In de Archeologieverordening 2016 is vastgelegd hoe Almere omgaat met behoudenswaardige archeologisch vindplaatsen en voor welke terreinen een archeologische vergunningsplicht dan wel een vrijstelling hiervan geldt. Onderscheid wordt gemaakt tussen de dubbelbestemmingen “Waarde-Archeologie 1 t/m 6”.

  Archeologisch relevante laag   Horizontale vrijstelling   Verticale vrijstelling  
Waarde 1   wad- en kwelderafzettingen, dekzand   500 m²   150 cm  
Waarde 2   dekzand   500 m²   100 cm  
Waarde 3   dekzand   500 m²   50 cm  
Waarde 4   oeverwallen/ rivierduinen   100 m²   50 cm  
Waarde 5   behoudenswaardige vindplaats   geen   geen  
Waarde 6   buitendijks   25.000 m²   geen  
Vrijgesteld   nvt   nvt   nvt  

Deze waarden zijn gekoppeld aan gebieden op de Archeologische Beleidskaart Almere. Binnen deze gebieden wordt gewerkt met een vergunningsplicht met afwijkingen en uitzonderingen. De eventueel vergunningsplichtige gebieden en behoudenswaardige vindplaatsen worden beschermd door een archeologievergunning (zie voor een uitgebreidere beschrijving hiervan paragrafen 3.3.1 t/m 3.3.4). De vergunning kan (al dan niet tijdelijk en/of onder voorwaarden) worden verleend. De vergunning moet geweigerd worden, indien het project/ de werkzaamheden de archeologische waarden aantast of risico's daarop kan opleveren.

Archeologisch waardevolle terreinen zijn gebieden, waar op basis van onderzoek behoudenswaardige archeologische vindplaatsen vastgesteld zijn. Uitgangspunt is om aangetroffen vindplaatsen en scheepswrakken van voldoende kwaliteit in situ te behouden door middel van inpassing, inrichting, monitoring en beheer. Voor de inpassing geldt dat op het terrein geen andere inrichting is toegestaan dan die het behoud, beheer, onderzoek en beleefbaarheid ten dienste staat. Voor deze terreinen geldt dat er, in bepaalde gevallen, wel kleinschalige ingrepen kunnen worden toegestaan, zolang deze ingrepen recht doen aan de archeologische betekenis van het terrein en de archeologische waarden niet schaden. Buiten de vastgestelde archeologisch waardevolle gebieden liggen gebieden, waar archeologische vindplaatsen worden verwacht maar nog niet zijn vastgesteld.

Het is altijd mogelijk dat in de bodem niet ontdekte archeologische waarden bij toeval te voorschijn komen (de zogenaamde toevalsvondsten). In Almere zal het dan waarschijnlijk meestal gaan om scheepsresten of vliegtuigwrakken. Indien dergelijke resten buiten het kader van een officieel archeologisch (voor)onderzoek worden aangetroffen, geldt een meldingsplicht op grond van de Erfgoedwet (voorheen artikel 53 van de Monumentenwet 1988). De meldingsplicht geldt voor heel Almere, dus ook voor gebieden buiten de behoudenswaardige vindplaatsen, evenals in gebieden waar het archeologische vooronderzoek is afgerond.

In de Archeologieverordening 2016 is dwingend opgenomen dat zowel de waardevolle terreinen als de vergunningsplichtige gebieden (als vermeld op de ABA) integraal in alle toekomstige ruimtelijke plannen en juridisch-planologische kaders moeten worden overgenomen, met een met de verordening overeenkomende bescherming.

Een klein deel van het plangebied van het bestemmingsplan 'Almere Pampus en Markermeer' is aangemerkt als gebied dat is vrijgesteld. Daar geldt geen onderzoeks- of vergunningsplicht. Een veel groter deel is aangeduid als gebied, waar behoudenswaardige archeologische waarden aangetroffen zouden kunnen worden. Deze zijn via de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' beschermd, zodat er eerst onderzoek gedaan moet worden alvorens gebouwd kan worden of aanleg van werken kan plaatsvinden bij bouwwerken groter dan 500 m². Een deel van het gebied is aangemerkt met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Daar kunnen ook archeologische waarden worden aangetroffen. Dit gebied is beschermd en er kan pas worden gebouwd bij bouwwerken groter dan 100 m² na onderzoek. Het gebied bevat vier behoudenswaardige vindplaatsen. Deze zijn middels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' beschermd met uitzondering van het rijksmonument (zie 5.11 Archeologie en cultuurhistorie). Bebouwing of aanleg van werken is daarop in beginsel niet toegestaan. Echter ten behoeve van de vindplaatsen zijn wel kleinschalige bouwwerken toegestaan. Het grootste deel van het plangebied (het buitendijkse deel) is bestemd voor 'Waarde - Archeologie 6'. Ook daar kunnen archeologische waarden worden aangetroffen en is eerst archeologisch onderzoek nodig voordat een gebouwd kan worden. In het hele gebied met uitzondering van de al aangetroffen vindplaatsen geldt dat er toevalsvondsten gedaan kunnen worden. Deze moeten dan zo spoedig mogelijk worden gemeld waarna door het bevoegd gezag wordt besloten hoe verder.

Steentijdwildernis in Almere. Visie en toolbox voor invulling, visualisatie en gebruik van steentijdvindplaatsen (2012)

Deze toolbox is een inrichtingsconcept waarmee de archeologische vindplaatsen uit de steentijd beleefbaar en bruikbaar worden gemaakt. De gemeente heeft als doelstelling dat in 2030 de Almeerse archeologie onderdeel is geworden van het collectieve geheugen van de Almeerders, onder andere door cultuureducatie.

De vindplaatsen zijn conform deze toolbox ingericht en herkenbaar gemaakt.

3.6 Overig gemeentelijk beleid

Van een aantal beleidskaders is geen samenvatting opgenomen. De nota's zijn wel beoordeeld, maar niet (direct) van ruimtelijk belang voor het plangebied bevonden. Het betreft de volgende nota's:

  • Woonvisie Almere 2.0 op weg naar 2030 (2009)
  • Kaderplan Bestaande Stad (2004)
  • Meerjarenplan Startershuisvesting (2004)
  • Plan van aanpak studentenhuisvesting (2011)
  • Beleidslijn tuinvergrotingen 2012 (2013)
  • Verkeersveiligheid rond basisscholen (2001)
  • De Economische Kracht van Almere, economische agenda 2015-2019 (2015)
  • Gemeentelijke visie op het vestigingsbeleid (2010)
  • Detailhandelsvisie Almere 2014 (2014)
  • Afhaalpunten (2014)
  • Kringloopwinkels (2014)
  • Nota Hotelmarkt Almere, hotelvestigingsbeleid Almere (2002)
  • Economisch Masterplan voor de locatie A6/A27 (2004)
  • Werken in de wijk (2005)
  • Veiligheid gebouwde omgeving (checklist veiligheid in ruimtelijke planvormingsproces, 2003)
  • Vuurwerknota 2005, Ruimtelijke implementatie Vuurwerkbesluit (2005)
  • Sociale Structuurschets, 'Almere mensenwerk' (2004)
  • Samenhangend jeugdbeleid "Jonge stad, stad voor jongeren en jeugd" (2005)
  • Verordening op de speelautomaten en speelautomatenhallen (2003)
  • Inrichting schoolpleinen (1999)
  • Cultuurnota 2009-2012 (2008)
  • Cultuurbrief 2013-2016, Modern - zelfbewust - toegankelijk (2012)
  • Nota 'Evenementen in Almere' (2011)