direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Bakkeveen - Camping It Kroese Beamke
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In het buitengebied van de gemeente Opsterland ligt het natuurgebied De Bakkeveensterduinen ten oosten van de kern Bakkeveen. Aan de Nije Drintsewei 6, ten zuiden van het natuurgebied, is natuurcamping It Kroese Beamke gevestigd. De eigenaar van de camping is voornemens de camping op te waarderen door daarbij een kwaliteitsimpuls aan de bestaande camping te geven.

Het is de bedoeling om het terrein gefaseerd op te waarderen. Op korte termijn is het de bedoeling een aantal trekkershutten en lodges te realiseren en twee bestaande gebouwen te vervangen of te verbouwen als groepsaccommodatie. Ook wordt de veldindeling van het kampeerterrein gewijzigd en wordt de paardenstalling opgeknapt.

Op langere termijn is de wens om de camping een kwalitatieve impuls te geven door het maken van comfort kampeerplekken en extra voorzieningen voor campers. Verder wordt gedacht aan een verdere uitbreiding van de lodges, aanpassingen ten behoeve van zorgbehoevenden en het opzetten van aan de verblijfsrecreatie gerelateerde detailhandel en horeca.

Deze ontwikkelingen zijn niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Om deze reden wordt voor de locatie een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan vormt het juridisch-planologisch kader waarbinnen de gewenste situatie mogelijk is.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen ten oosten van de kern Bakkeveen in de nabijheid van De Bakkeveensterduinen. Het plangebied is gelegen aan de Nije Drintse Wei 6 te Bakkeveen. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0001.png"

Figuur 1 De ligging van het plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan

De gronden van het kampeerbedrijf zijn geregeld in het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Opsterland. Dit bestemmingsplan is bij besluit van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 16 september 2015 voor dit perceel in stand gebleven en dus onherroepelijk. De gronden van het kampeerbedrijf zijn voor wat betreft het bebouwde deel van het perceel bestemd als ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding 'paardenhouderij' (met mogelijkheden voor bedrijven in categorie 1 en 2) voor wat betreft de gronden waar de huidige (natuur)camping is gevestigd, de bestemming ‘Recreatie - Kampeerterrein’. De nadere aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie natuurcamping’ regelt dat maximaal 65 standplaatsen zijn toegestaan.). Het hiervoor beschreven initiatief is op basis van deze bestemmingen niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0002.png"

Figuur 2 Fragment geldend bestemmingsplan 'Buitengebied'

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgezet:

  • in hoofdstuk 2 volgt een beschrijving van het plan;
  • hoofdstuk 3 bevat een beschrijving van de relevante beleidskaders;
  • in hoofdstuk 4 vindt een toetsing plaats aan de wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten;
  • in hoofdstuk 5 wordt de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan aan de orde gesteld;
  • hoofdstuk 6 gaat in op de juridische regeling van het plan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied fungeert in de huidige situatie als natuurcamping waarin 65 standplaatsen in de vorm van mobiele kampeermiddelen zijn toegestaan. In het boerderijgebouw bevindt zich tevens een groepsaccommodatie voor 22 personen. Andere kenmerken van de camping zijn de paardenstallen, een winterstalling, de paardrijdbak, de paardenweide, de visvijver en enkele sanitaire voorzieningen. Op dit moment heeft het bedrijf op grond van het Activiteitenbesluit ook nog de mogelijkheid voor het houden van 50 paarden.

De camping wordt aan de noordoost -en noordwest kant omsingeld door beplanting. De zuidoost –en zuidwest kant heeft een open karakter met zichtlijnen richting de landbouwgronden in de omgeving. Op grotere afstand, ten noordwesten, ligt de kern Drachten.

Een luchtfoto van het plangebied en de directe omgeving is weergegeven in figuur 3. De figuren 4 en 5 geven een overzicht van de bestaande situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0003.png"

Figuur 3 Luchtfoto plangebied en directe omgeving

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0004.png"

Figuur 4 Overzicht bestaande situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0005.png"

Figuur 5 Overzicht bestaande situatie

2.2 Voorgestelde ontwikkeling

Het voornemen is om het kampeerbedrijf op te waarderen door daarbij een kwaliteitsimpuls aan de bestaande camping te geven. De noodzaak voor de ontwikkeling zijn ten eerste de veranderde marktontwikkelingen en ten tweede de noodzaak tot het verhogen van de exploitatie om een rendabel kampeerbedrijf uit te oefenen. De opwaardering van het kampeerbedrijf omvat (voor de periode van de komende 10 jaar) de volgende ontwikkelingen:

Op korte termijn:

  • De aanleg van 6 vaste lodges, met eigen parkeervoorzieningen, op deel vijverveld;
  • De aanleg van 4 trekkershutten, met eigen parkeervoorzieningen, langs noordkant aan Drentsche wijk;
  • Het vervangen van de oude wagenloods voor een nieuwe groepsaccommodatie voor 8 personen;
  • Het vervangen van de werktuigenschuur voor een nieuw groepsaccommodatie voor 20 personen;
  • Het wijzigen van de lay-out van het kleine- en het grote veld. In de nieuwe situatie is ruimte voor 65 kampeerplaatsen;
  • Het opknappen van de bestaande paardenstalling.

Op langere termijn:

  • Het creëren van comfort kampeerplekken;
  • Het aanleggen van voorzieningen voor campers;
  • De verdere uitbreiding van het aantal lodges;
  • Het aanpassen van de voorzieningen voor zorgbehoevenden;
  • Het opzetten van een (aan het kampeerbedrijf gelieerde en ondergeschikte) winkel/ restaurant.

Door de opwaardering van het bedrijf richting een kwalitatief volwaardig verblijfsrecreatief bedrijf, vervalt de functie als paardenhouderij. Uitgangspunt is dat de aanvrager een melding op grond van het Activiteitenbesluit doet waarin wordt aangegeven dat er geen (50) paarden meer worden gehouden.

De nieuwe eenheden voorzien in de veranderde kampeerbehoefte vraag vanuit de markt waarin een verschuiving plaatsvindt van verblijven in mobiele kampeereenheden naar verblijven in vaste eenheden. Tevens is sprake van meer behoefte aan luxe en comfort. Ten slotte zorgt de ontwikkeling voor een verlenging van het kampeerseizoen.

Een indicatieve inrichtingsschets van de nieuwe situatie is in figuur 6 weergeven. Figuur 7 geeft fragment weer van de nieuwe groepsaccomodatie en de 6 lodges bij het vijverveld. Figuur 8 geeft een fragment weer van de nieuwe zwerfhutten aan de zuidoostkant van de camping.

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0006.png"

Figuur 6 Nieuwe situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0007.png"

Figuur 7 Nieuwe situatie groepsaccomodatie en nieuwe lodges

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0008.png"

Figuur 8 Nieuwe situatie 4 nieuwe zwerfhutten

2.3 Ruimtelijk-functionele inpassing

De voorgenomen groepsaccommodaties worden gerealiseerd op de footprint van de bestaande bebouwing, die van slechte kwaliteit zijn met een verpauperde uitstraling. De overige ontwikkelingen vinden tevens plaats binnen de plangrenzen van het bestaande kampeerterrein. Er is geen sprake van een uitbreiding van het terrein. De herontwikkeling van deze gebouwen zorgt voor een visuele kwaliteitsimpuls. Dit park is als geheel landschappelijk ingepast. De beplanting blijft hierbij gehandhaafd. Het zicht vanuit de omgeving op het kampeerterrein blijft gehandhaafd. De huidige ruimtelijke kwaliteit wordt hiermee gecontinueerd.

Verder kan worden gesteld dat de camping functioneel past in zowel het provinciale als het gemeentelijke beleid. Dit wordt in het volgende hoofdstuk verantwoord.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op het ruimtelijk beleid dat het kader vormt voor dit bestemmingsplan. Op het beleid van Wetterskip Fryslân wordt in paragraaf 4.3 ingegaan.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. De nieuwe Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vervangt verschillende bestaande nota's zoals de Nota Ruimte, de agenda Landschap en de agenda Vitaal Platteland. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Deze 13 nationale belangen zijn:

  • 1. Rijksvaarwegen;
  • 2. Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • 3. Kustfundament;
  • 4. Grote rivieren;
  • 5. Waddenzee en waddengebied;
  • 6. Defensie;
  • 7. Hoofdwegen en hoofdspoorwegen;
  • 8. Elektriciteitsvoorziening;
  • 9. Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen;
  • 10. Ecologische hoofdstructuur;
  • 11. Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • 12. IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • 13. Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Ten aanzien van de bovenstaande belangen is voor het plangebied de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van belang. Ten noorden van het plangebied grenst het EHS gebied en tevens Natura-2000 gebied De Bakkeveensterduinen. Het volgend hoofdstuk gaat hier specifiek op in. Hieruit blijkt dat de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de beschermde natuurgebieden.

Geconcludeerd wordt dat de ontwikkelingen in het plangebied passen in het beleid van de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 13 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Voor de bescherming van beschermde gebieden wordt bij de provinciale verordening regels gesteld. Dit bestemmingsplan raakt verder geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro.

3.2 Provinciaal beleid

Streekplan Fryslân 2007

Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (bestemmingsplan)beleid. Dit is onder meer neergelegd in het Streekplan Fryslân 2007 'Om de kwaliteit van de Romte', vastgesteld op 13 december 2006.

Het imago van Fryslân wordt in sterke mate bepaald door de (cultuur)toeristische en recreatieve mogelijkheden die de provincie te bieden heeft. De te koesteren kernkwaliteiten van Fryslân staan daar borg voor. De toeristische sector is een belangrijke bron van werkgelegenheid en is daarmee een belangrijke sociaal-economische factor die tevens bijdraagt aan de instandhouding van het voorzieningenniveau in dorpen. De consument wordt hierbij steeds kritischer en vraagt om meer afwisseling, meer kwaliteit en ruimte in het aanbod van recreatieve voorzieningen. De provincie streeft hierbij naar kwaliteitsverbetering van recreatieve voorzieningen.

Naast versterking van de stedelijke gebieden, wordt met het Streekplan ingezet op een vitaal platteland. Binnen dit vitale platteland, waar ontwikkelingen binnen de aanwezige kwaliteiten en binnen de plaatselijke verhoudingen mogelijk zijn, worden stedelijke en regionale centra en recreatiekernen en overige kernen onderscheiden. Nieuwe grootschalige initiatieven worden primair geconcentreerd in deze gebieden. Bakkeveen is één van deze recreatiekernen.

Aard en schaal van recreatieve ontwikkelingsmogelijkheden sluiten aan bij de karakteristiek en de functie van de recreatiekern, rekening houden met omgevingsfactoren. Binnen de recreatiekernen biedt de provincie, naast uitbreiding en vernieuwing van bestaande voorzieningen, met name een opvangtaak voor nieuwe voorzieningen, waaronder verblijfsaccommodaties. De meeste recreatiekernen, waaronder ook het plangebied, liggen bij natuurgebieden waar recreatief medegebruik mogelijk is.

De provincie biedt daarom zowel ruimte voor kwaliteitsverbetering met inbegrip van de daarvoor benodigde uitbreiding van bestaande recreatieve voorzieningen, als voor het ontwikkelen van nieuwe initiatieven. Voorwaarde hiervoor is wel dat deze verantwoord in de landschappelijke en natuurlijke omgeving kunnen worden ingepast. Ook zetten zij cultuurhistorische waarden actiever in om de recreatie een impuls te geven. Voor de verblijfsrecreatie wordt ingezet op verbetering van de kwaliteit van het bestaande aanbod. Hieronder valt onder meer de omzetting van bestaande standsplaatsen voor kampeermiddelen in recreatiewoningen, waarbij aandacht is gewenst voor behoud van voldoende mogelijkheden voor betaalbare recreatie.

Met de herontwikkeling van het recreatieterrein is sprake van een kwaliteitsverbetering van de recreatieve voorzieningen. Er is slechts sprake van een herontwikkeling van het bestaande recreatieterrein. Het plan is daardoor niet in strijd met de provinciale beleidsuitgangspunten.

Structuurvisie Grutsk op 'e Romte

In het Streekplan worden de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: 'die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen'. Het Streekplan bevat een beschrijving van welke kernkwaliteiten er zijn en kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. De thematische structuurvisie Grutsk op 'e Romte, zoals vastgesteld op 26 maart 2014, vormt deze uitwerking en geeft de provinciale belangen en ontwikkelingsrichting ten aanzien van de kernkwaliteiten.

Volgens de kaart bij de structuurvisie ligt het plangebied in de Zuidelijke Wouden. Het project stelt de opwaardering van een kampeerterrein voor binnen het bestaande oppervlak. Deze doet geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de Zuidelijk Wouden. Het bestemmingsplan voldoet aan het beleid van Grutsk op 'e Romte.

Verordening Romte Fryslân

Op 25 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân vastgesteld. In de verordening zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.

De Provinciale Verordening Romte Fryslân geeft aan dat in een ruimtelijk plan een uitbreiding van een bestaand kampeerterrein wordt toegestaan, waarbij het aantal standplaatsen mag toenemen tot 200, dan wel het bestaande aantal standplaatsen met 100 mag toenemen, mits in de plantoelichting is onderbouwd dat de uitbreiding bijdraagt aan kwaliteitsverbetering van het kampeerterrein.

In onderhavig plan is niet specifiek sprake van een uitbreiding, maar meer van een inbreiding waarbij sprake is van het opwaarderen van de bestaande standplaatsen in de vorm van lodges, trekkershutten, een verbeterde indeling van de layout van het veld en het vervangen en hergebruiken van bestaande bebouwing in de vorm van groepsaccomodaties.

Verder is in de verordening de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aangeduid. Het plangebied ligt in de nabijheid van de EHS. Een plan dat betrekking heeft op deze gronden mogen geen activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Het volgend hoofdstuk gaat hier specifiek op in. Hieruit blijkt dat de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de Ecologische Hoofdstructuur.

De ontwikkeling is dan ook passend binnen de regels uit de Verordening Romte Fryslân.

3.3 Gemeentelijk beleid

Bestemmingsplan Buitengebied

In het bestemmingsplan 'Buitengebied' zijn de gronden deels bestemd voor ‘Bedrijf’ (paardenhouderij) en deels bestemd voor ‘Recreatie - Kampeerterrein' waar een natuurcamping is toegestaan (zie paragraaf 1.3). Het beschreven voornemen is op basis van deze bestemmingen niet mogelijk, maar sluit wel aan op het beleid ten aanzien van de kwalitatieve verbetering van verblijfsrecreatieve voorzieningen (zie hierna).

Notitie 'Kansen benutten'

Voor nieuw op te richten toeristisch-recreatieve voorzieningen is het beleidskader gehanteerd dat neergelegd is in de notitie 'Kansen Benutten' dat oorspronkelijk is vastgesteld in 2008. De gemeente Opsterland wil ruimte bieden aan de ontwikkeling van de toeristische sector door in voorwaardenscheppende zin actief bijdragen aan het optimaliseren van de toeristische mogelijkheden in de gemeente. Als onderdeel daarvan wordt ruimte geboden voor het stimuleren voor nieuwe vormen van kwalitatief hoogwaardige verblijfsvoorzieningen.

Camping It Kroese Beamke in Bakkeveen wordt in de notitie aangemerkt als natuur- en landschapscamping. In het nieuwe bestemmingsplan voor het Buitengebied is daarom die status ook weer overgenomen. In die nota wordt een natuurcamping omschreven als campings met 50 tot 65 standplaatsen die zijn ontstaan als nevenactiviteit voor agrarische bedrijven in de nabijheid van EHS gebieden, als compensatie voor een substantiële milieureductie en inkomensderving. De betreffende camping is weliswaar ooit als zodanig ontstaan, maar is zoals uit paragraaf 2.1 blijkt, niet als landschaps- of natuurcamping aan te merken. Het bedrijf manifesteert zich al van vóór het nieuwe ingezette beleid van de Notitie kansen benutten als een combinatie van een paardenhouderij met verblijfsrecreatie in de vorm van een groepsaccommodatie en kamperen met bijbehorende faciliteiten. Er is daardoor in feite meer sprake van een anderssoortige verblijfsrecreatieve voorziening dan van een natuur- of landschapscamping. Voor deze voorzieningen gelden andere beleidsregels. Doelstellingen van beleid voor verblijfsrecreatieve voorzieningen die genoemd zijn in de notitie zijn onder andere:

  • kwaliteit van het bestaande aanbod verbeteren en stimuleren van nieuwe particuliere initiatieven;
  • aanbod versterken met hoogwaardige en kleinschalige aanbieders en het stimuleren van nieuwe vormen van kwalitatief hoogwaardige verblijfsvoorzieningen;
  • ruimte bieden voor kleinschalige ontwikkelingen;
  • het vergroten van de diversiteit en keuzemogelijkheden in de verblijfsrecreatie;
  • inspelen op de vraag naar kwaliteit en luxe in het aanbod.

Het inititief, zoals omschreven in paragraaf 2.2, past hier uitstekend binnen.

Voor wat betreft de uitbreiding van groepsaccommodatieruimte kan gesteld worden dat de gemeente ruimte wil bieden om de vernieuwing en ontwikkeling in het segment van het recreatieve groepsaccomodatie aanbod gestalte te geven. Dat kan door veranderingen binnen de bestaande accommodaties, maar ook door vestiging van nieuwe. Tegelijkertijd wil de gemeente een duidelijke grens leggen om verschraling in het zich vernieuwende en ontwikkelende aanbod te voorkomen. Binnen de groepsaccommodaties kan het brede scala van groepsruimten tot en met "low budget hotel" worden ingevuld. Nieuwe accommodaties moeten zich vestigen binnen bestaande panden in het buitengebied. Vrijgekomen boerderijen zijn geschikte vestigingsplaatsen voor deze accommodatie. Daar is in de regel voldoende ruimte. In principe is vestiging alleen mogelijk in een boerderij of vergelijkbare bouwvorm die een positieve bijdrage levert aan de beeldkwaliteit.

Primair zal de groepsruimte binnen het bestaande bouwvolume gerealiseerd moeten worden. Uitbreiding van de bebouwde oppervlakte is mogelijk mits deze de boerderij niet gaat overheersen en in vorm daarop is afgestemd. De bouwruimte kan worden ingevuld met groepsruimten en / of kamers. De veiligheidstoets zal daarbij een grote rol spelen.

Bijzondere aandacht krijgt de ruimtelijk-landschappelijke kwaliteit en de beeldkwaliteit van de gebouwen, evenals de landschappelijke integratie. Het gaat om een redelijk geconcentreerde vorm van verblijf. Dit betekent dat er een goede ontsluiting moet zijn, die is afgestemd op de omvang van de accommodatie.

Parkeergelegenheid moet op eigen terrein worden gerealiseerd. Vestiging is, met inachtneming van de hiervoor gegeven voorwaarden, in principe overal in de gemeente mogelijk. Wel zal gestimuleerd worden, dat de vestiging plaatsvindt in de nabijheid van bosen natuurgebieden en / of in de waterzone.

Geconcludeerd kan worden dat het voorgenomen initiatief aansluit op de beleidskaders van de gemeente Opsterland voor kwaliteitsverbetering van de verblijfsrecreatieve voorzieningen.

Hoofdstuk 4 Planologische randvoorwaarden

Naast het feit dat ontwikkelingen in het plangebied binnen het beleidskader van Rijk, provincie en gemeente tot stand moeten komen, dient ook rekening te worden gehouden met de aanwezige functies in en rond het plangebied. Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In de volgende paragrafen worden de omgevingsaspecten en eventueel daaraan verbonden planologische randvoorwaarden behandeld.

4.1 Milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen danwel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden. Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijfsmatige activiteiten heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de handreiking “Bedrijven en milieuzonering” opgesteld (verder genoemd de VNG handreiking). Deze VNG handreiking is opgesteld uitgaande van de standaardbedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De lijst is onderverdeeld in bedrijfsklassen en bedrijfstypen. Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven en voorzieningen milieuhinder (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie) kunnen veroorzaken, kent de lijst aan de bedrijven en voorzieningen een milieucategorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de milieu-indeling op van 1 t/m 6, met bijbehorende richtafstanden tot een “rustige woonwijk” of een “gemengd gebied”.

Een recreatieterrein is aangewezen als inrichting uit milieucategorie 3.1. Hierbij geldt een richtafstand van 50 meter tot aan gevoelige bestemmingen, zoals woningen. De bepalende factor voor deze afstand betreft geluidhinder. Hieraan voldoet het plangebied ruim, de dichtstbijzijnde woning bevindt zich namelijk op ruim 100 meter.

Daarnaast geldt ook voor de verblijfsaccommodaties dat een goed leefklimaat gerealiseerd moet worden. Op ruim 250 van het plangebied is een agrarisch bedrijf uit categorie 2.1 aanwezig, met een richtafstand van 30 meter die voor milieugevoelige objecten moet worden aangehouden. Omdat het plangebied ruim voldoet aan de richtafstand, kan gesproken worden van een goed leefklimaat, zoals op het kampeerterrein nu ook al sprake van is.

Vanuit milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.2 Geluid

In het kader van geluid is de Wet geluidhinder van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst.

In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. Daarbij onderscheidt de Wgh geluidsgevoelige gebouwen enerzijds en niet-geluidsgevoelige functies anderzijds. Het uitgangspunt is dat op de gevels van geluidsgevoelige functies voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Indien hier niet aan wordt voldaan, kan een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Wegen waarvoor de zoneplicht niet geldt, zijn woonerven en wegen waarop een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.

De camping is gelegen aan de Nije Drintse Wei (60 km/u -weg). De weg heeft een wetteijke geluidszone van 250 meter vanaf de as van de weg. Recreatie is een niet-geluidgevoelige functie volgens de Wgh. Wel is van belang dat er vanuit een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbare omgevingssituatie is. Er is sprake van een bestaande situatie waar geen toename plaatsvindt van het aantal geluidsgevoelige objecten. Het akoestisch klimaat verslechtert daarmee niet.

4.3 Water

Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het bestemmingsplan op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit.

Het projectgebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het project is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap(kenmerk: 20150916-2-11580 ).

Omdat het plan door een toename van de verharding invloed heeft op de waterhuishouding is bepaald dat de normale watertoetsprocedure gevolgd moet worden. Het wetterskip heeft middels een wateradvies gereageerd op het plan. Dit advies is opgenomen in de bijlage 2. Het wetterskip geeft een positief wateradvies.

In de Leidraad Watertoets staan de uitgangspunten waarmee bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. De beschrijving van de wateraspecten sluit zoveel mogelijk aan bij de indeling van het Waterbeheerplan en de Leidraad Watertoets in de thema's Veilig, Voldoende en Schoon.

Compensatie

Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen.

In dit geval wordt de groepsaccommodatie op de bestaande footprint gebouwd waardoor er geen sprake is van een verhardingstoename voor deze gebouwen. De zwerfhutten en de lodges zorgen voor een toename verhard oppervlakte van circa 240 m2.

In het verleden is er een volledig nieuwe sloot gegraven met een oppervlakte van 350 m². Deze sloot biedt voldoende compensatie voor de nieuwe en potentiele verharding in de toekomst. In het geval de initiatiefnemer in de toekomst zijn lange termijn plannen wil gaan uitvoeren dient, wanneer sprake is van een toename van meer dan 1.500 m2 oppervlakteverharding (recentelijke beleidsregel Wetterskip Fryslân), opnieuw watercompensatie plaats te vinden.

Hoofdwatergang

Langs het plangebied ligt een hoofdwatergang. Hoofdwatergangen hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoer functie. Voor het onderhoud van deze watergangen is aan beide zijden een beschermingszone van 5 meter vanaf de oever noodzakelijk. In dit gebied mag geen bebouwing of opgaande houtbeplanting worden gerealiseerd.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0009.jpg"

Figuur 9 Overzicht hoofwatergang (blauwe lijn)

Waterwet
Voor alle activiteiten in en nabij het watersysteem, waaronder het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater, het onttrekken van grondwater of het aanbrengen van een wijziging in het watersysteem, dient een vergunning aangevraagd te worden of een melding te doen bij Wetterskip Fryslân.

Schoon

Afvalwater en regenwatersysteem

Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren. In dit geval wordt afvalwater op het gemeentelijke drukrioolsysteem afgevoerd. Schoon hemelwater vanaf de verhardingen wordt afgevoerd op de watergangen in de omgeving.

Mogelijk is het noodzakelijk dat de aanwezige capaciteit van de pompinstallatie van het drukrioolsysteem vergroot zal moeten worden door de uitbreiding van gebouwen en kampeermogelijkheden. Bij de uitvoering van de plannen zal hiermee rekening worden gehouden.

Waterkwaliteit

De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn om verontreiniging van het water te voorkomen. In dit geval zal gebruik worden gemaakt van milieuvriendelijke (bouw)materialen.

Vervolg

Waterwet

Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet tijdig een vergunning worden aangevraagd of een melding worden gedaan in het kader van de Waterwet.

Proces

Bij de uitvoering van de plannen worden de adviezen uit het wateradvies opgevolgd. Het Wetterskip heeft in dat geval geen bezwaren tegen het plan en geeft een positief wateradvies.

4.4 Bodem

Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie.

Over de toestand van de bodem in het plangebied zijn geen onderzoeken bekend. Wel wordt er vanuit gegaan dat er geen sprake is van een verdachte locatie, hiervoor zijn geen aanwijzingen bij de gemeente. Een bodemonderzoek in het kader van de omgevingsvergunningenprocedure zal dit moeten uitwijzen. In dat kader zal gekeken worden waar gebouwd gaat worden in relatie tot de historische activiteiten.  

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van het erfgoed is de Monumentenwet 1988. Ter implementatie van het Verdrag van Malta, is deze wet gewijzigd. De kern van de wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ).

De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van art. 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Zover hier sprake van is, dient daarnaast aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de historische (steden)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan.

Cultuurhistorische waarden

Voor de inventarisatie van de cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied is de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) geraadpleegd. Deze kaart omvat 23 categorieën van cultuurhistorische elementen en structuren.

Langs het plangebied liggen ingevolge de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK2) een tweetal cultuurhistorisch waardevolle paden, zijnde een onverharde reed en een landschapspad. Deze paden blijven bij de opwaardering van het verblijfsrecreatieve terrein instand. Met de intensivering en kwaliteitsverbetering van het bedrijf, worden er geen cultuurhistorische waarden aangetast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0010.png"

Figuur 10 Fragment Cultuurhistorische Kaart Fryslân

Archeologie
Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg als onderdeel van de Monumentenwet in werking getreden. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. De wet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen en projecten rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden.

Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. Volgens deze kaart kunnen zich in het plangebied en in de omgeving archeologische resten bevinden uit de periode ijzertijd - middeleeuwen. De provincie beveelt aan om bij grote ingrepen (5.000 m2 of groter) archeologisch onderzoek uit te voeren.

Dit project stelt geen grote bodemingrepen voor. De ontwikkeling is kleiner dan 5.000 m2. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is dus niet noodzakelijk. Indien bij bodemingrepen archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 53 van de Monumentenwet een meldingsplicht.

Ten aanzien van archeologie zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.6 Ecologie

In het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met het beleid en de wetgeving voor de natuurbescherming. Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Uitgangspunt is dat met beide geen strijdigheid ontstaat.

Gebiedsbescherming

Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, beleid) en/of om gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied (Natuurbeschermingswet).

Het gebied aan de noordkant van het plangebied maakt deel uit van het Natura-2000 gebied Bakkeveense Duinen. Dit gebied is tevens onderdeel van de EHS. Een plan dat betrekking heeft op deze gronden mogen geen activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. In dit geval is sprake van een kwaliteitsverbetering op de bestaande oppervlakte, waarbij er per saldo geen noemenswaardige verkeersaantrekkende werking ontstaat.

Daarnaast is er geen sprake meer van een agrarische functie en is de functie als paardenhouderij niet meer actueel. Met de nieuwe ontwikkelingen voor verblijfsrecreatie die ook als zodanig worden inbestemd, zijn agrarische activiteiten niet meer mogelijk, waardoor de milieusituatie verbeterd (o.a. ammoniakreductie). Effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS worden op voorhand dan ook niet verwacht.

Vanuit de Natuurbeschermingswet zijn geen aanvullende onderzoeken of vergunningen nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0011.png"

Figuur 11 Ligging van het plangebied ten opzichte van de Ecologische Hoofdstructuur

afbeelding "i_NL.IMRO.0086.01BPNDrintsewei6-0201_0012.png"

Figuur 12 Ligging van het plangebied (blauw) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: Alterra).

Soortenbescherming

Op grond van de Flora- en faunawet geldt een algemeen verbod voor het verstoren en vernietigen van beschermde plantensoorten, beschermde diersoorten en hun vaste rust- of verblijfplaatsen. Onder voorwaarden is ontheffing van deze verbodsbepalingen mogelijk. Voor soorten die vermeld staan in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn en een aantal Rode-Lijst-soorten zijn deze voorwaarden zeer streng.

In verband met de sloop van de stallen is het op voorhand niet uit te sluiten of de bebouwing geschikt is als biotoop voor beschermde soorten. Om die reden is ecologisch onderzoek uitgevoerd plaatsgevonden (zie bijlage 1).

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied geen geschikt biotoop is voor beschermde planten. Ten aanzien van beschermde diersoorten zijn in het plangebied de volgende soorten aangetroffen:

- Huismus

In de mogelijk te slopten overkapping zijn sporen van huismusnesten aangetroffen. Om de aanwezigheid van huismussen aan te tonen is het plangebied in de optimale periode, die loopt van 1 april – 15 mei, tweemaal onderzocht met een tussenliggende periode van 10 dagen. Deze bezoeken hebben plaatsgevonden op 19 april 2016 en 9 mei 2016. Om de aanwezigheid van huismussen aan te tonen is gekeken naar nest indicatief gedrag. Door het open karakter van de schuur konden de nestelende huismussen zeer goed worden waargenomen.

Ten tijde van het eerste bezoek op 19 april waren de huismussen nog druk bezig met nestelen en tijdens het tweede bezoek op 9 mei waren de mussen druk doende met het voeren van de jonge dieren. Tijdens beide bezoeken zijn in totaal 8 huismusnesten aangetroffen.

Nestplaatsen van de huismus zijn jaarrond beschermd. Voor het te slopen gebouw waarin nestplaatsen van deze soort zijn aangetroffen wordt een ontheffing aangevraagd. Onderdeel van de ontheffing is mitigatie van het aantal verloren nestplaatsen en werken buiten de kwetsbare periodes. Het aantal nestplaatsen dient ten met factor 2 gecompenseerd te worden. Er zijn acht nesten aangetroffen wat resulteert in een compensatie van 16 vervangende broedgelegenheden voor huismussen.

Op het moment dat de plannen worden uitgevoerd zal voorafgaand aan de sloop(melding) een ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet worden aangevraagd, waarbij mitigatie van het aantal verloren nestplaatsen zal plaatsvinden.

- Algemeen voorkomende broedvogels

Alle broedvogels in Nederland zijn tijdens de broedtijd beschermd; hun nesten en legsels mogen niet worden verstoord of vernield. Door te werken buiten het broedseizoen (globaal de periode 15 maart – 15 juli) kan verstoring voorkomen worden.

- Licht en niet beschermde soorten 

Er kan een aantal licht beschermde soorten voorkomen in het plangebied, zoals bijvoorbeeld verschillende soorten amfibieën en kleine zoogdieren. Voor schade aan licht beschermde soorten geldt in principe een vrijstelling. De zorgplicht (zie Bijlage I) van de Ff-wet schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door voorafgaand aan de werkzaamheden dekking te verwijderen. Hierdoor worden eventueel aanwezige dieren vooraf bewogen een andere verblijfplaats te zoeken. Hiermee wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden.

4.7 Externe veiligheid

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is het van belang te kijken naar gevaarzettende functies in of in de nabijheid van het plangebied. Op grond van de AMvB Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) wordt daarom gekeken naar zogenaamde risicovolle inrichtingen. Daarnaast wordt gekeken naar vervoer van gevaarlijke stoffen en hoofdgasleidingen op grond van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Doel hiervan is om zowel individuele personen als groepen mensen een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Ten aanzien van risicovolle inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen worden de risico's gemeten in twee maten: plaatsgebonden risico (voor individuen) en groepsrisico (voor groepen mensen).

In en rond het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig die invloed kunnen hebben op het plangebied.

4.8 Luchtkwaliteit

Een onderdeel van de Wet milieubeheer betreft luchtkwaliteit. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, aan te pakken.

Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing.

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van 21 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 21 µg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). De huidige luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed.

Omdat in het plangebied het kampeerterrein gedeeltelijk wordt omgezet in een terrein met zwerfhutten, lodgeswoningen en groepsaccommodaties is de toename van het aantal verkeersbewegingen hooguit zeer beperkt. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

4.9 Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.


In of nabij het plangebied lopen geen hoofdkabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de in de Wro opgenomen bestemmingsplanprocedure:

Concept-ontwerpbestemmingsplan
Over het concept-ontwerpbestemmingsplan heeft ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) overleg plaatsgevonden met diverse instanties. Van de provincie Fryslân, de N.V. Nederlandse Gasunie, het Ministerie van Defensie en Brandweer Fryslân is een reactie ontvangen. De drie eerstgenoemde instanties geven aan geen opmerkingen ten aanzien van het plan te hebben.

De brandweer adviseert om het terrein dusdanig in te richten, dat elke campingplaats tot een afstand van ten hoogste 40 meter met een brandweervoertuig te benaderen is. Verder concludeert zij dat de primaire waterwinning is binnen het plangebied niet toereikend en adviseert door het aanleggen van geboorde putten op strategische punten de primaire waterwinning binnen het bestemmingsplan te verbeteren.

Bij de uitvoering van de plannen zal rekening worden gehouden met de adviezen van de brandweer. Wel wordt erop gewezen dat er op en nabij het terrein voldoende

watervoorzieningen aanwezig zijn voor bluswater. Op het terrein is een diepe vijver aanwezig en aan de oostkant van het kampeerterrein ligt een vrij brede waterloop. Het aanleggen van extra putten is dan ook niet direct noodzakelijk.

Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan ligt gedurende zes weken ter inzage gelegen voor zienswijzen (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is een ieder in de gelegenheid zienswijzen in te dienen. Deze zienswijzen worden voorzien van een antwoord en leiden mogelijk tot aanpassing van het plan.

Vaststelling
Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt 6 weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te stellen tegen het besluit en het plan.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is het van belang te weten of het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

De ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten voor het realiseren van de ontwikkelingen op het recreatiepark worden gedragen door de initiatiefnemer.

Grondexploitatie

Doel van de grondexploitatieregeling is het inzichtelijk maken van de financiële haalbaarheid en het bieden van meerdere mogelijkheden voor het kostenverhaal waardoor er meer sturingsmogelijkheden zijn. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van een overeenkomst. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden.

In het voorliggende plan is er op basis van artikel 6.2.1 Bro geen sprake van een bouwplan. De grondexploitatieregeling is daarom niet van toepassing. Om deze reden wordt door de gemeente van het opstellen van een grondexploitatieplan afgezien. De kosten van het bestemmingsplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer en de kosten van de bestemmingsplanprocedure worden verhaald via de leges.

Hoofdstuk 6 Juridische vormgeving

6.1 Inleiding

Dit hoofdstuk gaat in op de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. Daarbij wordt in eerste instantie ingegaan op de algemene afspraken die hiervoor (landelijk) zijn gemaakt. Vervolgens wordt een toelichting gegeven op de juridische regeling van dit specifieke bestemmingsplan, door de gehanteerde bestemming toe te lichten.

6.2 Algemeen

Dit bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.

Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

6.3 Toelichting op de bestemmingen

Binnen het plangebied komt de volgende bestemming voor:

Recreatie - Kampeerterrein

De gronden met de bestemming 'Recreatie - Kampeerterrein' is van toepassing op het gehele plangebied. Binnen deze bestemming worden de kampeerplaatsen, chalets, trekkershutten, groepasaccommodaties en voorzieningengebouwen (met bedrijfswoning) ten dienste van het kampeerterrein mogelijk gemaakt. Ondergeschikt zijn de bij de verblijfsrecreatie gewenste voorzieningen mogelijk. Daarbij gaat het om onder meer sport- en speelvoorzieningen, wegen, parkeervoorzieningen en waterpartijen.

De inrichting van het terrein wordt in beginsel overgelaten aan de exploitant van het terrein. Voor het aantal kampeermiddelen, chalets en zwerf- c.q. trekkershutten gelden geen restricties, wel is de omvang per gebouw vastgelegd. Voor de voorzieningen, met inbegrip van de groepsaccommodaties, bedrijfswoning en stallen, geldt een beperking van de gezamenlijke oppervlakte. Gebouwen ten behoeve van het onderhoud en beheer, alsmede sanitaire voorzieningen mogen daar waar nodig gerealiseerd worden.

In de specifieke gebruiksregels zijn enkele vormen van gebruik van bedrijfsgebouwen en kampeermiddelen en dergelijke uitgesloten. Daarbij gaat het om onder andere permanente bewoning. Specifieke regels zijn ook opgenomen over het beheer van een verblijfsrecreatieve functie. Daarin is opgenomen dat per terrein maximaal een beheerder aanwezig mag zijn. Door deze regeling blijft de maatschappelijke exploitatie bij een beheerder.