direct naar inhoud van Regels
Plan: Emmen, Delftlanden
Status: vastgesteld
Plantype: beheersverordening
IMRO-idn: NL.IMRO.0114.2015012-B701

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

1.1 verordening:

de beheersverordening Emmen, Delftlanden van de gemeente Emmen;

1.2 verordeningsgebied:

het gebied waarop deze verordening van toepassing is, vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0114.2015012-B701 met bijbehorende bestanden;

1.3 achtererf:

gedeelte van het erf dat aan de achterzijde van het gebouw is gelegen;

1.4 achtererfscheiding:

een van de weg afgekeerde zijde van een bouwperceel, met dien verstande, dat wanneer daarvoor volgens het plan meerdere zijden in aanmerking kunnen komen, burgemeester en wethouders bepalen welke zijde als achtererfscheiding dient te worden aangemerkt;

1.5 achtergevel:

de van de weg afgekeerde zijde van een gebouw, met dien verstande, dat wanneer daarvoor volgens het plan meerdere gevels in aanmerking komen, burgemeester en wethouders bepalen welke gevel als achtergevel dient te worden aangemerkt;

1.6 ander(e) bouwwerk(en):

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, waaronder o.a. ondergrondse containers worden begrepen;

1.7 ander(e) werk(en):

een werk, geen gebouw zijnde;

1.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken;

1.9 bebouwingsgrens:

een op de verbeelding aangegeven lijn die, door gebouwen niet mag worden overschreden, behoudens overschrijdingen die krachtens deze regels zijn toegestaan;

1.10 bebouwingspercentage:

de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van nader aangewezen gronden;

1.11 bedrijfswoning / dienstwoning:

een woning in of bij een dienst- of bedrijfsgebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) personen, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

1.12 beroepsmatig gebruik van een woning (beroep aan huis):

Het, met behoud van de woonfunctie, gebruik van een gedeelte van een woning en/of een daarbij behorend(e) bijgebouw voor het zelfstandig en onder eigen naam uitoefenen van een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied door een daarvoor specifiek opgeleid persoon. De ruimtelijke uitwerking of uitstraling van het aan huis verbonden beroep moet met de woonfunctie in overeenstemming zijn;

1.13 bestaand gebruik:

het gebruik of mogelijk gebruik van gronden en bouwwerken op het moment van inwerkingtreding van de beheersverordening voorzover dat niet strijdig is met de op dat moment geldend planologisch besluit;

1.14 bestaande bouwwerken:

bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig zijn en niet strijdig met het op dat moment geldend planologisch besluit, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een omgevingsvergunning voor bouwen;

1.15 besluitvakgrens

een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een besluit(sub)vlak;

1.16 besluit(sub)vlak:

een op de verbeelding aangegeven door besluitvakgrenzen omsloten vlak van gronden met dezelfde bestemming;

1.17 bijgebouw(en):

een gebouw, dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, zoals een aan-of uitbouw en aangebouwd en/of vrijstaand bijgebouw;

1.18 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel, of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;

1.19 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en vliering voor zover deze niet toegankelijk is voor personen

1.20 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige bebouwing met één of meer bij elkaar horende bouwwerken is toegestaan;

1.21 bouwperceelgrens:

de lijn, welke de scheiding vormt tussen twee bouwpercelen of tussen bouwperceel en een aangrenzend terrein;

1.22 bouwvlak:

een door bebouwingsgrenzen op de verbeelding aangegeven oppervlak, waarbinnen volgens deze regels bepaalde gebouwen mogen worden opgericht

1.23 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal dat, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.24 dakopbouw:

de bovenste bouwlaag van een hoofdgebouw,waarbij de oppervlakte maximaal 70 % van de basisoppervlak van het hoofdgebouw bedraagt;

1.25 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.26 eindwoning:

woning in rij altijd aan het einde/ begin van een rij is gesitueerd, waarna direct een nieuwe rij met begin/ eindwoning volgt zonder dat de woningen worden gescheiden door een openbare weg of openbare ruimte; (kan echter wel gescheiden worden door een brandpad); 

1.27 erker:

een hoek- of rondvormig uitgebouwd deel van een hoofdgebouw, waaronder ook een entreeportaal, bouwkundig bestaande uit een “lichte” constructie met een overwegend transparante uitstraling waarbij het entreeportaal een meer besloten karakter mag hebben;

1.28 escortbedrijf:

het bedrijfsmatig aanbieden van prostitutiediensten die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte van het escortbedrijf wordt uitgeoefend;

1.29 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.30 geluidswal en/of geluidsscherm

geluidsreducerende constructie/bouwwerk in de vorm van een geluidswal of geluidsscherm of aan deze constructies gelijk te stellen bouwwerk/ constructie;

1.31 groen:

een openbaar gebied dat is ingericht als berm, park, groenstrook, plantsoen, speelveldje en dergelijke;

1.32 hoekwoning:

woning in rij, (smalle) twee-onder-één/ geschakeld of vrijstaand altijd op een hoek gesitueerd aan de openbare weg of openbare ruimte  (dus met twee zijden grenzende aan de openbare ruimte);

1.33 hoofdgebouw:

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw is aan te merken;

1.34 horecabedrijf:

een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt. De volgende categorieën horeca-instellingen worden onderscheiden:

  • 1. horeca-A: horecabedrijven gericht op het verstrekken van al dan niet voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren, met als nevenactiviteit het verstrekken van zwak- en niet alcoholische dranken zoals cafetaria's, snackbars, lunchrooms, broodjeszaken en daarmee vergelijkbare horecabedrijven;
  • 2. horeca-B: horecabedrijven gericht op het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken zoals restaurants, bistro's, grillrooms, en daarmee vergelijkbare horecabedrijven;
  • 3. horeca-C: horecabedrijven gericht op het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met eventueel daaraan ondergeschikt het verstrekken van etenswaren of maaltijden voor gebruik ter plaatse, zoals (eet)cafés, met uitzondering van discotheken en nachtclubs;
  • 4. horeca-D: horecabedrijven gericht op het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse, waarbij het doen beluisteren van overwegend elektrisch versterkte muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormen, zoals discotheken, alsmede horecabedrijven gericht op het verstrekken van dranken en kleine etenswaren voor gebruik ter plaatse, ook tussen 02.00 en 6.00, zoals nachtclubs;
  • 5. horeca-E: horecabedrijven gericht op het verstrekken van logies met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden of dranken voor gebruik ter plaatse, zoals hotels en pensions;
1.35 maatschappelijke en commerciële dienstverlening:

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen banken, kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf;

1.36 maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van educatieve,sociaal-medische, religieuze, culturele en overheidsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen;

1.37 nutsvoorzieningen of nutsbedrijven en semi-openbare nutsvoorzieningen:

voorzieningen/bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak zijn gericht op:

  • 1. de levering van elektriciteit, gas, water en warmte;
  • 2. de verzorging van telecommunicatie;
  • 3. de afvoer en verwerking van afvalstoffen zoals riool, rioolgemaal, waterzuivering en
  • 4. voorzieningen of gebouwen die naar aard daarmee gelijk te stellen zijn;
1.38 peil:

het peil overeenkomstig de bouwverordening, dan wel indien geen peil overeenkomstig de bouwverordening is vast te stellen, de hoogte van het afgewerkte bouwterrein; indien in of op het water wordt gebouwd het Nieuw Amsterdams Peil (of een ander plaatselijk aan te houden waterpeil);

1.39 perceelsgrens:

de lijn, welke de scheiding vormt tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een aangrenzend terrein;

1.40 planzone:

de op de verbeelding aangegeven gebeiden, waarvoor bepaalde aanvullende bepalingen gelden;

1.41 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden tegen vergoeding;

1.42 prostitutiebedrijf en/of escortbedrijf:

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, waaronder mede wordt begrepen een voer- of vaartuig, waarin bedrijfsmatig prostitutie wordt bedreven. Onder een prostitutiebedrijf en/of escortbedrijf wordt in ieder geval begrepen: raamprostitutie, een privé-huis, een erotische massagesalon, sekstheater, seksbioscoop, sexautomatenhal, bordeel of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. Onder prostitutiebedrijf en/of escortbedrijf wordt uitdrukkelijk niet begrepen de thuisprostitutie;

1.43 stadsboerderij:

hieronder wordt begrepen de bestaande voormalige agrarische bebouwing, ingericht en gebruikt ten behoeve van agrarische-, sociale-, educatieve-, onderwijs- en/of recreatieve doeleinden zoals een kinderboerderij. Tevens mag de bebouwing gebruikt worden voor exposities, tentoonstellingen en vergaderingen door en ten behoeve van derden, en mede detailverkoop van hoofdzakelijk binnen de bestemming landschapsvenster geteelde agrarische en/of tuinbouwproducten met een daaraan verbonden koffie- of theehuis en restaurant (horeca categorie A en B) wordt begrepen.

1.44 technische infrastructuur:

onder technische infrastructuur wordt verstaan de 380 kV hoogspanningslijnen en de aardgastransportleiding;

1.45 thuisprostitutie:

onder thuisprostitutie wordt verstaan een vorm van prostitutie waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostituee en waarbij ook alleen door deze prostituee op dit adres wordt gewerkt als prostituee;

1.46 tussenwoning:

woning in de rij tussen twee andere woningen in (dus met beide zijden direct grenzende aan een andere rijwoning);

1.47 verkeerspleintje:

verkeersoplossing ter plaatse van asverschuiving of richting- verandering van de hoofdontsluiting met eventueel daaraan gekoppeld een halteplaats ten behoeve van het openbaar vervoer;

1.48 voorerf:

gedeelte van het erf dat aan de voorzijde van het gebouw is gelegen;

1.49 voorgevel:

de naar de weg gekeerde zijde van een gebouw, met dien verstande, dat wanneer daarvoor volgens de verordening meerdere gevels in aanmerking kunnen komen, burgemeester en wethouders bepalen welke gevel als voorgevel dient te worden aangemerkt;

1.50 voorgevelrooilijn:

de lijn die, behoudens toegelaten afwijkingen, bij het bouwen aan de wegzijde met het vooraanzicht vanaf de weg, niet mag worden overschreden;

1.51 waterlopen:

een sloot, goot of greppel t.b.v. opvang en afvoer van gebiedseigen water en mede bedoeld als verbinding tussen de voor water bestemde gronden;

1.52 weg(en):

alle voor het verkeer openstaande wegen of paden, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten, vallen in beginsel onder het begrip weg;

1.53 wijkcentrumdoeleinden:

gebouwen of gebouwcomplexen ten dienste van wijkcentrumdoeleinden, waaronder wordt begrepen bebouwing en gebruik ten behoeve van detailhandel, waaronder een supermarkt, maatschappelijke- en commerciële dienstverlening, horeca categorie a tot en met c, wijk- of buurtvoorzieningen, openbare en/of bijzondere doeleinden waaronder wordt begrepen het gebruik van de gebouwen ten behoeve van openbaar bestuur, verenigingsleven, religie, onderwijs, kunsten, cultuur, fysieke en geestelijke volksgezondheid en daarmee naar de aard gelijk te stellen bebouwing, al of niet met bijbehorende (dienst)woningen, voorzover deze voorzieningen een specifiek wijkgebonden karakter dragen; met dien verstande dat hieronder mede incidentele bebouwing en gebruik voor sportvoorzieningen met een bovenwijks karakter wordt begrepen;

1.54 wijk- en buurtvoorzieningen:

wijkgeoriënteerde voorzieningen zoals medische voorzieningen (dokterspost, apotheek), maatschappelijke voorzieningen, recreatieve- en sport voorzieningen, op passend schaalniveau van de wijk;

1.55 woning:

een (gedeelte van een) gebouw dat uitsluitend dient voor de huisvestiging van één afzonderlijke huishouding;

1.56 woning 2-onder-1 kap / geschakeld / dubbel:

woningen aan 1 zijde gesitueerd op afstand van de erfgrens, woningen geschakeld aan elkaar, waaronder begrepen niet geschakelde woningen waarbij het bijgebouw aangebouwd aan het hoofdgebouw op de perceelsgrens wordt gerealiseerd;

1.57 woning rij (rijwoning) / woning aaneengesloten:

meer dan 2 woningen onder 1 kap (3, 4, …..);

1.58 woning smalle twee-onder-één kap:

twee grondgebonden aan elkaar geschakelde woningen waarbij de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens maximaal 2 m is;

1.59 woning vrijstaand:

een grondgebonden woning waarbij het hoofdgebouw vrijstaat van naast gelegen hoofdgebouwen;

1.60 woongebouw:

een gebouw, dat twee of meerdere geheel of gedeeltelijk naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

1.61 woonhuis(zen):

een zelfstandig gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij dubbel, hetzij geschakeld dan wel aaneen gebouwd, dat slechts één woning omvat;

1.62 zijerfscheiding:

een scheiding tussen twee bouwpercelen of tussen een bouwperceel en een daarop aansluitende bestemming, met dien verstande dat wanneer daarvoor volgens de verordening meerdere zijden in aanmerking kunnen komen, burgemeester en wethouders bepalen welke zijde als zijerfscheiding dient te worden aangemerkt;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de (bouw)hoogte / nokhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van het bouwwerk, ondergeschikte bouwdelen als schoorstenen en antennes niet meegerekend;

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend;

2.3 de dakhelling:

de hellingshoek langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

buitenwerks, bovengrondse bouwonderdelen vanaf 1,00 meter boven peil meegerekend;

2.5 inhoud van een bouwwerk:

boven peil tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.6 de afstand tot de (zijdelingse) perceelsgrens:

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (zijdelingse) perceelsgrens;

2.7 bebouwingspercentage:

het mogelijk te bebouwen oppervlak van het bouwperceel uitgedrukt in een percentage van het bouwperceel;

2.8 bouwlagen:

als bouwlaag wordt niet aangemerkt een geheel of nagenoeg geheel onder een schuin dakvlak gelegen onvolledige verdieping, evenmin als souterrains, kelders, garages of daarmede gelijk te stellen ruimten.

Hoofdstuk 2 Gebruiks- en bouwregels

Artikel 3 Gebruiksregels

3.1 Bestaand gebruik
  • a. Bestaand gebruik van in het verordeningsgebied gelegen gronden en bouwwerken, dat op het tijdstip van inwerking treden van deze verordening plaats heeft op basis van een rechtsgeldig planologisch besluit, mag worden voortgezet, waarbij de volgende besluitvlakken met bijbehorende besluitsubvlakken gelden:
    • 1. Bos (B);
    • 2. Centrum (C);
    • 3. Groen (G);
    • 4. Groen - Landschapsvenster (G-L);
    • 5. Groen - Structuurgroen (G-S);
    • 6. Verkeer (V);
    • 7. Verkeer - Verblijf (V-V);
    • 8. Water (W);
    • 9. Wonen - Bos dubbel (W- Bd);
    • 10. Wonen - Bos vrijstaand (W-Bv);
    • 11. Wonen - Centrum aaneengesloten (W-Caeg);
    • 12. Wonen - Centrum dubbel 1(W-Cd1);
    • 13. Wonen - Centrum dubbel 2 (W-Cd2);
    • 14. Wonen - Centrum dubbel 3 (W-Cd3);
    • 15. Wonen - Centrum dubbel 4 ( W-Cd4);
    • 16. Wonen - Centrum gestapeld (W-Cg);
    • 17. Wonen - Centrum vrijstaand 1 (W-Cv1)
    • 18. Wonen - Centrum vrijstaand 2 (W-Cv2)
    • 19. Wonen - Centrum vrijstaand 3 (W-Cv3)
    • 20. Wonen - Landelijk dubbel 1 (W-Ld1);
    • 21. Wonen - Landelijk dubbel 2 (W-Ld2)
    • 22. Wonen - Landelijk vrijstaand 1 (W-Lv1)
    • 23. Wonen - Landelijk vrijstaand 2 (W-Lv2)
    • 24. Wonen - Landelijk vrijstaand of dubbel (W-Lvd)
    • 25. Wonen - Stedelijk aaneengesloten 1 (W-Saeg1) ;
    • 26. Wonen - Stedelijk aaneengesloten 2 (W-Saeg2) ;
    • 27. Wonen - Stedelijk aaneengesloten 3 (W-Saeg3) ;
    • 28. Wonen - Stedelijk dubbel (W-Sd);
    • 29. Wonen - Stedelijk gestapeld 1 (W-Sg1)
    • 30. Wonen - Stedelijk gestapeld 2 (W-Sg2)
    • 31. Wonen - Terp dubbel (W-Td)
    • 32. Wonen - Terp vrijstaand (W-Tv)
    • 33. Wonen - Tuindorp aaneengesloten (W-Tuaeg)
    • 34. Wonen - Tuindorp dubbel 1 (W-Td1)
    • 35. Wonen - Tuindorp dubbel 2 (W-Td2)
    • 36. Wonen - Tuindorp vrijstaand 1 (W-Tv1)
    • 37. Wonen - Tuindorp vrijstaand 2 (W-Tv2)
    • 38. Wonen - Tuindorp vrijstaand 3 (W-Tv3)
    • 39. Leiding - Gas (L-G);
    • 40. Leiding - Hoogspanningsverbinding (L-H);
    • 41. Waarde - Archeologie 1 (WR-A1);
    • 42. Waarde - Archeologie 4 (WR-A4);
3.2 Aanvullend gebruik
  • a. Ter plaatse van het besluitvlak Bos (B) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens worden gebruikt voor waterpartijen, waterlopen, watergangen, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, bermen, verbindingen ten behoeve van het verkeer waaronder de volledige aansluiting op de hoofdstructuur, wijkontsluitingswegen, paden voor de ontsluiting van aanliggende erven, voet- en fietspaden, uitsluitend worden gebruikt voor geluidsschermen en geluidswallen, ter plaatse van de gebiedsaanduiding "Geluidwering", voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen), bruggen, tunnels en viaducten en andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming;
  • b. Ter plaatse van het besluitvlak Centrum (C) mogen de gronden tevens gebruikt worden voor wijkcentrumdoeleinden, woonhuizen en woongebouwen, met daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken, tuinen en woonerven, verbindingen ten behoeve van het verkeer waaronder ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, pleinen, (winkel)erven en parkeergelegenheden, waterpartijen, waterlopen, watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, groenvoorzieningen waaronder wegbermen, speel- en sportgelegenheden, kunstwerken van artistieke aard, voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen); met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming;
  • c. Ter plaatse van het besluitvlak Groen (G) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor bermen, andere bouwwerken, fiets- en voetpaden, sport en speelgelegenheden, waterpartijen, waterlopen, watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, nutsvoorzieningen, inritten en parkeren;
  • d. Ter plaatse van het besluitvlak Groen - Landschapsvenster (G-L) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor groenvoorzieningen met een overwegend open karakter, park, het telen/kweken van agrarische producten en verkoop van eigen gekweekte en gefokte producten, voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen), speelgelegenheden en kunstwerken van artistieke aard; sportvelden, ijsbaan en manifestatieterrein; fiets- en voetpaden; geluidswallen en of geluidsschermen, ter plaatse van de gebiedsaanduiding "Geluidwering", waterpartijen, waterlopen, watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en bermen; infrastructurele voorzieningen ter ontsluiting van de aangegeven stadsboerderij met daarbij horende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming;
  • e. ter plaatse van het gebiedsaanduiding Stadsboerderij mogen de gronden tevens gebruikte worden voor stadsboerderij, kinderboerderij en landschapseducatie, als ruimte voor exposities en tentoonstellingen, ruimte voor vergaderingen; horeca-A en horeca-B, speelgelegenheden en kunstwerken van artistieke aard waterpartijen, waterlopen, watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en bermen; infrastructurele voorzieningen ter ontsluiting van de binnen deze bestemming aangegeven stadsboerderij met daarbij horende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming.
  • f. Ter plaatse van het besluitvlak Groen - Structuurgroen (G-S) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor groenvoorzieningen met een deels opstaand karakter, fiets- en voetpaden, fietsbrug, waterpartijen, waterlopen, watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, oevers en bermen, speelgelegenheden, kunstwerken van artistieke aard, houtwallen en solitaire bomen van hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde, geluidswallen en geluidsschermen, ter plaatse van de gebiedsaanduiding "Geluidwering", voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen);met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming;
  • g. Ter plaatse van het besluitvlak Verkeer (V) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor verbindingen en behoeve van het verkeer waaronder hoofdontsluitingswegen en wijkontsluitingswegen. voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen), waterpartijen, waterlopen en watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, bruggen, tunnels en viaducten of aanverwante bouwwerken, groenvoorzieningen waaronder bermen, met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen
  • h. Ter plaatse van het besluitvlak Verkeer - Verblijf (V-V) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor verbindingen ten behoeve van het verkeer waaronder hoofdontsluitingswegen, wijkontsluitingswegen en paden voor de ontsluiting van de aanliggende erven, voet- en fietspaden, pleinen, erven en parkeergelegenheden, voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen), waterpartijen, waterlopen en watergangen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, geluidsschermen en geluidswallen, ter plaatse van de gebiedsaanduiding "Geluidwering, groenvoorzieningen waaronder bermen, met daarbij behorende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming, met uitzondering van verkooppunten voor motorbrandstoffen, sport en speelgelegenheden;
  • i. Ter plaatse van het besluitvlak Water (W) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterpartijen, waaronder waterlopen en watergangen, oeverstroken, bermen, voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut (nutsvoorzieningen), kunstwerken van artistieke aard, verbindingen ten behoeve van het (water) verkeer, zoals bruggen met daarbij horende andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming;
  • j. Ter plaatse van de besluitvlakken Wonen - Bos dubbel (W-Bd), Wonen - Bos vrijstaand (W-Bv), Wonen - Centrum aaneengesloten (W-Caeg), Wonen - Centrum dubbel 1 (W-Cd1), Wonen - Centrum dubbel 2 (W-Cd2), Wonen - Centrum dubbel 3 (W-Cd3), Wonen - Centrum dubbel 4 (W-Cd4), Wonen - Centrum gestapeld (W-Cg), Wonen - Centrum vrijstaand 1 (W-Cv1), Wonen - Centrum vrijstaand 2 (W-Cv2), Wonen - Centrum vrijstaand 3 (W-Cv3), Wonen - Landelijk dubbel 1 (W-Ld1), Wonen - Landelijk dubbel 2 (W-Ld2), Wonen - Landelijk vrijstaand 1 (W-Lv1), Wonen - Landelijk vrijstaand 2 (W-Lv2), Wonen - Landelijk vrijstaand of dubbel (W-Lvd), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 1 (W-Saeg1), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 2 (W-Saeg2), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 3 (W-Saeg3), Wonen - Stedelijk dubbel (W - Sd), Wonen - Stedelijk gestapeld 1 (W-Sg1), Wonen - Stedelijk gestapeld 2 (W-Sg2), Wonen - Terp dubbel (W-Td), Wonen - Terp vrijstaand (W-Tv), Wonen - Tuindorp aaneengesloten (W-Tuaeg), Wonen - Tuindorp dubbel 1 (W-Td1), Wonen - Tuindorp dubbel 2 (W-Td2), Wonen - Tuindorp vrijstaand 1 (W-Tv1), Wonen - Tuindorp vrijstaand 2 (W-Tv2), Wonen - Tuindorp vrijstaand 3 (W-Tv3) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik voor wonen aaneengesloten, wonen dubbel, wonen vrijstaand, wonen gestapeld tevens gebruikt worden voor bijgebouwen, andere bouwwerken, tuin en erven, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, achterpaden, inritten en erfontsluitingswegen;
  • k. Ter plaatse van de besluitvlakken Wonen - Bos dubbel (W-Bd), Wonen - Bos vrijstaand (W-Bv), Wonen - Centrum aaneengesloten (W-Caeg), Wonen - Centrum dubbel 1 (W-Cd1), Wonen - Centrum dubbel 2 (W-Cd2), Wonen - Centrum dubbel 3 (W-Cd3), Wonen - Centrum dubbel 4 (W-Cd4), Wonen - Centrum gestapeld (W-Cg), Wonen - Centrum vrijstaand 1 (W-Cv1), Wonen - Centrum vrijstaand 2 (W-Cv2), Wonen - Centrum vrijstaand 3 (W-Cv3), Wonen - Landelijk dubbel 1 (W-Ld1), Wonen - Landelijk dubbel 2 (W-Ld2), Wonen - Landelijk vrijstaand 1 (W- Lv1), Wonen- Landelijk vrijstaand 2 (W- Lv2), Wonen- Landelijk vrijstaand of dubbel (W-Lvd), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 1 (W-Saeg1), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 2 (W-Saeg2), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 3 (W-Saeg3), Wonen - Stedelijk dubbel (W- Sd), Wonen - Stedelijk gestapeld 1 (W-Sg1), Wonen - Stedelijk gestapeld 2 (W-Sg2), Wonen - Terp dubbel (W-Td), Wonen - Terp vrijstaand (W-Tv), Wonen - Tuindorp aaneengesloten (W-Tuaeg), Wonen - Tuindorp dubbel 1 (W-Td1), Wonen - Tuindorp dubbel 2 (W-Td2), Wonen - Tuindorp vrijstaand 1 (W-Tv1), Wonen - Tuindorp vrijstaand 2 (W-Tv2), Wonen - Tuindorp vrijstaand 3 (W-Tv3) dienen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik voor wonen aaneengesloten, wonen dubbel, wonen vrijstaand, wonen gestapeld gebruikt te worden voor minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein bij rijwoningen en smalle twee-onder-een-kapwoningen en minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein(naast of achter elkaar) bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen/ geschakelde woningen;
  • l. Ter plaats van de besluitvlakken 'Wonen - Stedelijk aaneengesloten 1 (W-Saeg1), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 2 (W-Saeg2), Wonen - Stedelijk aaneengesloten 3 (W-Saeg3), Wonen - Stedelijk dubbel (W-Sd), Wonen - Stedelijk gestapeld 1 (W-Sg1), Wonen - Stedelijk gestapeld 2 (W-Sg2) mogen poorten/overkluizingen, alwaar op het begane grondniveau een maximaal 7 meter brede doorgang ten behoeve van verkeersontsluitingsdoeleinden is toegestaan;
  • m. Ter plaats van de besluitvlakken Wonen - Tuindorp aaneengesloten (W-Tuaeg), Wonen - Tuindorp dubbel 1 (W-Td1), Wonen - Tuindorp dubbel 2 (W-Td2), Wonen - Tuindorp vrijstaand 1 (W-Tv1), Wonen - Tuindorp vrijstaand 2 (W-Tv2), Wonen - Tuindorp vrijstaand 3 (W- Tv3) mogen poorten/overkluizingen, alwaar op het begane grondniveau een maximaal 7 meter brede doorgang ten behoeve van verkeersontsluitingsdoeleinden is toegestaan;
  • n. Ter plaatse van het besluitvlak Leiding - Gas (L-G) mogen de gronden mede worden gebruikt voor beheer en de instandhouding van een ondergrondse aardgastransportleiding met de daarbij behorende belemmeringenstrook.
  • o. Ter plaatse van het besluitvlak Leiding - Hoogspanningsverbinding (L-H) mogen de gronden en bouwwerken naast het bestaande gebruik tevens gebruikt worden voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van 380kV en 110kV, beheer en de instandhouding van de verbinding (en) met de daarbij behorende gebouwen;
  • p. Ter plaatse van het besluitvlak Waarde - Archeologie (WR-A) worden de gronden tevens gebruikt voor archeologie;
3.3 Specifieke gebruiksregels

Specifieke gebruiksregels

  • 1. Tot een strijdig gebruik van de gronden in alle besluitvlakken wordt in ieder geval gerekend:
    • a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
    • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel;
    • c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf en/of escortbedrijf en/of tippelzone.
    • d. het niet hebben van minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein bij rijwoningen en smalle twee-onder-een-kapwoningen uitgezonderd de woningen gebouwd binnen besluitvlak Wonen- Stedelijk aaneengesloten 3 hier hoeft geen auto op eigen terrein;
    • e. het niet hebben van minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein(naast of achter elkaar) bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen/ geschakelde woningen;
    • f. voor parkeren in de openbare ruimte geldt dat voor iedere woning minimaal 0,4 bezoekersparkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden;
    • g. het gebruik van gronden voor de opslag of storten van afvalstoffen, schroot-, afbraak- en bouwmaterialen;
    • h. voor het gebruik van de gronden ter plaatse van het besluitvlak 'Groen' geldt tevens als strijdig gebruik het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen en/of parkeerplaats,

Artikel 4 Bouwregels

4.1 Bestaande bouwwerken

Bestaande bouwwerken, waarvoor op het tijdstip van inwerking treden van deze verordening, rechtsgeldig planologisch besluit een geldend, planologisch besluit is genomen, mogen op dezelfde locatie worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen.

4.2 Nieuwe bouwwerken Bos

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Bos' mogen de gronden als volgt worden bebouwd:

  • a. geen gebouwen mogen worden opgericht;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 10,00 meter mag bedragen, met uitzondering van de geluidsschermen geluidswallen, bruggen, tunnels en viaducten inclusief constructiewerken met een maximum hoogte van 25 meter;
  • c. binnen de bestemming maximaal 50 meter mag worden geschoven met de situering van de hoofdontsluitingsweg met daarbij behorende andere bouwwerken, waaronder geluidswallen, geluidsschermen bruggen, tunnels en viaducten;
  • d. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden:
Het is verboden op of in de gronden van het besluitvlak 'Bos' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. het oprichten van bouwwerken;
  • 2. het vellen of rooien van houtopstand;
  • 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • 4. het wijzigen van het bodemprofiel;
  • 5. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • 6. diepploegen;
  • 7. het aanleggen of verharden van paden;
  • 8. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • 9. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • 10. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • 11. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • 12. het aanleggen van picknickplaatsen;
  • 13. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transportenergie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

Toegestane werkzaamheden

Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

  • 1. die nodig zijn ten behoeve van de aanleg van geluidswallen en geluidsschermen, respectievelijk taluds ten behoeve van fiets-en voetpaden en de wijkontsluitingswegen;
  • 2. die normaal onderhoud en beheer betreffen, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan diepploegen;
  • 3. die noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  • 4. die al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de verordening mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning;

Weigering

De in artikel 4.2 bedoelde vergunning wordt in ieder geval geweigerd wanneer de voorgenomen werken, of werkzaamheden de waarden van een gebied zodanig zullen aantasten of de mogelijkheden tot herstel daarvan zodanig zullen verkleinen, dat dit niet door het stellen van voorwaarden aan de vergunning kan worden voorkomen.

4.3 Nieuwe bouwwerken Centrum

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Centrum mogen de gronden worden bebouwd met gebouwen en andere bouwwerken waarvoor de volgende bepalingen gelden:

  • a. bouwwerken mogen uitsluitend binnen de aangegeven besluitvlakgrenzen worden opgericht;
  • b. de bouwhoogte van een gebouw voor wijkcentrumdoeleinden mag niet meer dan 10 meter bedragen, tenzij boven op deze gebouwen woningen worden gerealiseerd dan mag de bouwhoogte maximaal 25,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een woongebouw mag niet meer dan 25,50 meter bedragen en niet minder dan 9 meter bedragen;
  • d. grondgebonden woningen bestaan uit maximaal 3 bouwlagen, met een maximale bouwhoogte van 10 meter, geïntegreerd in de bebouwing ten behoeve van de wijkcentrumdoeleinden;
  • e. er mogen geen aparte bijgebouwen bij de woningen gerealiseerd worden;
  • f. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan;
  • g. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • h. de hoogte van andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming mag ten hoogste 10m bedragen;

Rijwegbreedte

  • i. de rijwegbreedte van (woon)straten mag niet minder dan 4 meter en niet meer dan 6,00 meter bedragen, exclusief kantopsluitingen en parkeerstroken;
  • j. de rijwegbreedte van ontsluitingswegen en straten mag niet meer dan 6,50 meter bedragen, exclusief kantopsluitingen en parkeerstroken;

Geluid

  • k. de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder mag niet worden overschreden;

Parkeren

  • l. ten aanzien van parkeren geldt dat per woning minimaal 1 parkeerplaats op eigen terrein gerealiseerd moet worden, met dien verstande dat bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen/ geschakelde woningen minimaal 2 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden;
  • m. per woongebouw dient voor iedere woning op eigen terrein een parkeerplaats gerealiseerd te worden;
  • n. voor het parkeren in de openbare ruimte geldt dat voor iedere woning minimaal 0,4 bezoekersparkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden, voor de overige wijkcentrumdoeleindenvoorzieningen gelden de CROW -parkeernormen.
4.4 Nieuwe bouwwerken Groen

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Groen mogen de gronden als volgt worden bebouwd:

  • a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden opgericht;
  • b. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 1 m bedragen;
  • c. de hoogte van overige andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5 m bedragen en een maximaal van 15 m² vloeroppervlak beslaan.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen de gronden in het besluitvlak "Groen" worden gebruikt voor parkeervoorzieningen mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
4.5 Nieuwe bouwwerken Groen - Landschapsvenster

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Groen - Landschapsvenster mogen de gronden als volgt worden bebouwd:

  • a. geen gebouwen mogen worden opgericht, met uitzondering ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij";
  • b. de bestaande bebouwing, ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij" aanwezig ten tijde van de ter inzage legging van de ontwerpbeheersverordening mag niet naar aard en omvang worden vergroot;
  • c. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan;
  • d. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • e. de hoogte van andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van het besluitvlak 'Groen- Landschapsvenster' mag ten hoogste 6 m bedragen.
  • f. ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij" is bebouwing toegestaan ter oppervlakte en met een bouwhoogte van de bestaande bebouwing aanwezig ten tijde van de ontwerpbeheersverordening ten behoeve van de ontwikkeling van een bij het karakter van het landschapsvenster passend bebouwing (stadsboerderij), met dien verstande dat na amovering van de bestaande bebouwing tot maximaal 50% van het oppervlak van de geamoveerde bebouwing mag worden teruggebouwd.
  • g. de bestaande bebouwing, ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij" aanwezig ten tijde van de ter inzage legging van de ontwerpbeheersverordening mag niet naar aard en omvang worden vergroot;
  • h. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij" mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan;
  • i. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij" mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • j. de hoogte van andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij" mag ten hoogste 6 m bedragen.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden:
Het is verboden op of in de gronden van het besluitvlak 'Groen- Landschapsvenster' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. het oprichten van bouwwerken;
  • 2. het vellen of rooien van houtopstand;
  • 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • 4. het wijzigen van het bodemprofiel;
  • 5. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • 6. diepploegen;
  • 7. het aanleggen of verharden van paden;
  • 8. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • 9. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • 10. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • 11. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • 12. het aanleggen van picknickplaatsen;
  • 13. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transportenergie of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

Toegestane werkzaamheden

Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

  • 1. die nodig zijn ten behoeve van de aanleg van geluidswallen en geluidsschermen, respectievelijk taluds ten behoeve van fiets-en voetpaden en de wijkontsluitingswegen;
  • 2. die normaal onderhoud en beheer betreffen, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan diepploegen;
  • 3. die noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  • 4. ter plaatse van het gebiedsaanduiding "Stadsboerderij"
  • 5. die al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de verordening mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning;

Weigering

De in artikel 4.5 bedoelde vergunning wordt in ieder geval geweigerd wanneer de voorgenomen werken, of werkzaamheden de waarden van een gebied zodanig zullen aantasten of de mogelijkheden tot herstel daarvan zodanig zullen verkleinen, dat dit niet door het stellen van voorwaarden aan de vergunning kan worden voorkomen.

4.6 Nieuwe bouwwerken Groen - Structuurgroen

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Groen - Structuurgroen mogen de gronden als volgt worden bebouwd:

  • a. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan;
  • b. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • c. de hoogte van geluidswallen en geluidsschermen mag 10 meter bedragen;
  • d. de hoogte van andere bouwwerken en voorzieningen ten dienste van de bestemming mag ten hoogste 5 m bedragen.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden:
Het is verboden op of in de gronden van het besluitvlak 'Groen- Structuurgroen' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. het vellen of rooien van houtopstand;
  • 2. het kappen, vellen of rooien van houtwallen en solitaire bomen van hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarde;

Toegestane werkzaamheden

Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

  • 1. nodig zijn ten behoeve van de aanleg van geluidswallen en geluidsschermen, respectievelijk taluds ten behoeve van fiets-en voetpaden en de wijkontsluitingswegen;
  • 2. normaal onderhoud en beheer betreffen, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan diepploegen;
  • 3. noodzakelijk zijn in verband met het op de bestemming gerichte beheer of gebruik van de grond;
  • 4. al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de verordening;
  • 5. mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning;

Weigering

De in artikel 4.6 bedoelde vergunning wordt in ieder geval geweigerd wanneer de voorgenomen werken, of werkzaamheden de waarden van een gebied zodanig zullen aantasten of de mogelijkheden tot herstel daarvan zodanig zullen verkleinen, dat dit niet door het stellen van voorwaarden aan de vergunning kan worden voorkomen.

4.7 Nieuwe bouwwerken Verkeer

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Verkeer mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. geen gebouwen mogen worden opgericht;
  • b. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan;
  • c. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • d. de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 10,00 meter mag bedragen, met uitzondering van bruggen, tunnels en viaducten inclusief constructiewerken hiervan bedraagt de maximum hoogte 25 meter;
4.8 Nieuwe bouwwerken Verkeer - Verblijf

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Verkeer - Verblijf mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. geen gebouwen mogen worden opgericht;
  • b. de hoogte van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut mogen maximaal 3 meter bedragen en maximaal 15m² vloeroppervlak beslaan;
  • c. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • d. de hoogte van geluidswallen en geluidsschermen mag 10 meter bedragen;
  • e. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 5,00 meter bedragen en maximaal 15m2 vloeroppervlak beslaan, met dien verstande dat de hoogte van lichtmasten maximaal 10 m mag bedragen.
4.9 Nieuwe bouwwerken Water

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Water' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 5,00 meter mag bedragen, met uitzondering van de bedoelde verbindingen ten behoeve van het (water)verkeer en bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding;
  • b. de hoogte van kunstwerken van artistieke aard mag 15 meter bedragen met een maximaal vloeroppervlak van 6m²;
  • c. de bestemming Water, althans voor zover deze bestemming direct grenst aan de besluitvlak centrum, voor maximaal 50% mag worden omgezet in voor subvlak Groen- Landschapsvenster met dien verstande dat de benodigde waterbergingscapaciteit in het plan gewaarborgd blijft.
4.10 Nieuwe bouwwerken Wonen - Bos dubbel

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Wonen - Bos dubbel mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Bos dubbel" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos dubbel' mag per bouwperceel maximaal 150 m² bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 50 m² aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend geschakelde- en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn dan wel 1 m vóór of 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos dubbel' tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen
  • h. hoofdgebouwen binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos dubbel' bestaan uit minimaal 1,5 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap of dakopbouw waarbij de goothoogte minimaal 4,5 m en maximaal 6,5 m bedraagt. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m;
  • i. bijgebouwen binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos dubbel' dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos dubbel' tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt mag het bijgebouw op minimaal 4 m achter de voorgevelrooilijn opgericht worden;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos dubbel' mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • k. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • l. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • m. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • n. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • o. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1m buiten de voorgevel van het hoofdgebouw gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70 % van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt.
  • p. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • q. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. bijgebouwen 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.11 Nieuwe bouwwerken Wonen - Bos vrijstaand

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Wonen - Bos vrijstaand mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Bos vrijstaand" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel tot een maximum van 175 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 50 m² aan bijgebouwen.
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn dan wel 1 m vóór of 1 m achter de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan alle zijden minimaal 3 meter te bedragen;
  • h. hoofdgebouwen binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' bestaan uit minimaal 1,5 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap of dakopbouw waarbij de goothoogte minimaal 4,5 m en maximaal 6,5 m bedraagt. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m.
  • i. bijgebouwen binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gesitueerd mag worden;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • k. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • l. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • m. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • n. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • o. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1 m buiten de voorgevel van het hoofdgebouw gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70 % van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt.
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. binnen het besluitvlak 'Wonen - Bos vrijstaand' het gezamenlijke bebouwde oppervlakte worden vergroot tot 200 m², onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. bijgebouwen 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.12 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum aaneengesloten

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak Wonen - Centrum aaneengesloten mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum aaneengesloten" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 135 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum aaneengesloten' mogen uitsluitend aaneengesloten(rij) woningen en smalle twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. bij eindwoningen binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum aaneengesloten' dient het hoofdgebouw op minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum aaneengesloten' bestaat uit 2 bouwlagen met dakopbouw of kap met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • j. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum aaneengesloten' mogen in de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden tenzij de (bouw)hoogte hoger is dan 3 m dan dienen de bijgebouwen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • k. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • l. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum aaneengesloten' ,mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • m. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • n. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • o. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • p. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • q. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. binnen het besluitvlak de totale oppervlakte aan bijgebouwen bij een hoofdgebouw worden vergroot tot 50 m², onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.13 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum dubbel 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen- Centrum dubbel 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' mogen uitsluitend geschakelde en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden,
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt,
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' , tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' "bestaat uit 2 bouwlagen met kap of dakopbouw met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale van 7 m. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m;
  • j. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' , tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt mag het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • k. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' ,mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • l. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • m. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • n. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Dubbel 1", "met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen- Centrum dubbel 1' , met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • p. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • q. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.14 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum dubbel 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen -Centrum dubbel 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum dubbel 2" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen -Centrum dubbel 2' mogen uitsluitend geschakelde en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden,
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt,
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' , tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' bestaat uit 3 bouwlagen plat afgedekt of 2 bouwlagen met lessenaarsdak. De goothoogte bedraagt minimaal 5,5 m en de (bouw)hoogte mag maximaal 10 m bedragen waarbij in het geval van afdekking met een lessenaarsdak geldt dat de hoge zijde aan de straatzijde gesitueerd wordt;
  • j. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' " tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • k. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • l. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • m. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' ,mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • n. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 2' met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • p. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • q. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.15 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum dubbel 3

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 3' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum dubbel 3" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 3' mogen uitsluitend geschakelde en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt, met uitzondering van hoofdgebouwen binnen het besluitvlak "Wonen - Centrum dubbel 3" waarbij, tot een (bouw)hoogte van 3 m, de afstand tot de achterliggende perceelsgrens 3,5 m mag bedragen;
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 3' tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 3' bestaat uit 2 bouwlagen met kap of dakopbouw met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale van 7 m. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m;
  • j. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • k. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 3' mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • l. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • m. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • n. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 3' met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • p. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • q. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.16 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum dubbel 4

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' ' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum dubbel 4" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' mogen uitsluitend geschakelde en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' mag de voorgevel van het hoofdgebouw maximaal 1 m achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' bestaat uit 2 bouwlagen met kap of dakopbouw met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale van 7 m. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m;
  • j. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • k. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • l. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • m. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • n. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum dubbel 4' met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • p. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • q. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.17 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum gestapeld

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Centrum gestapeld' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • b. binnen het 'Wonen - Centrum gestapeld' mag maximaal 50% van het bouwperceel bebouwd worden, waarbij de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 10% van het bouwperceel mag bedragen:
  • c. als hoofdgebouw binnen het 'Wonen - Centrum gestapeld' mogen uitsluitend woongebouwen worden gebouwd (maximaal 2);
  • d. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • e. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • f. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Wonen - Centrum gestapeld" bestaat uit maximaal 6 bouwlagen plat afgedekt. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 20 m;
  • g. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht,
  • h. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het 'Wonen - Centrum gestapeld' mag maximaal 3 m bedragen;
  • i. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • j. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • k. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • l. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • m. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak maximaal 6,0 m mag bedragen;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.18 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum vrijstaand 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum vrijstaand 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel bebouwd worden tot een maximum van 175 m2, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 1' bestaat minimaal uit 1,5 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap of dakopbouw waarbij de goothoogte minimaal 4,5 m en maximaal 7 m mag bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10;
  • j. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 1' bestaat uit 2 bouwlagen voorzien van kap of dakopbouw waarbij de goothoogte minimaal 5,5 m en maximaal 7 m mag bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • k. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt mag het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gesitueerd worden;
  • l. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd te worden;
  • m. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • n. de (bouw)hoogte van een aangebouwd bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • p. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • q. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • r. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.19 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum vrijstaand 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum vrijstaand 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel bebouwd worden tot een maximum van 175 m2, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 2" bestaat minimaal uit 1,5 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap of dakopbouw waarbij de goothoogte minimaal 4,5 m en maximaal 7 m mag bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Wonen - Centrum vrijstaand 2" dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd te worden,indien de afstand van het hoofdgebouw tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt mag het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gesitueerd worden;
  • a. bijgebouwen mogen in de voorgevelrooilijn gesitueerd worden;
  • b. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • c. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • d. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • e. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak , met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • f. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • g. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak een bijgebouw bij een hoofdgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.20 Nieuwe bouwwerken Wonen - Centrum vrijstaand 3

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 3' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Centrum vrijstaand 3" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel bebouwd worden tot een maximum van 175 m2, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding "trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak 'Wonen - Centrum vrijstaand 3' bestaat uit 2 bouwlagen voorzien van kap of dakopbouw waarbij de goothoogte minimaal 5,5 m en maximaal 7 m mag bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd te worden;
  • k. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt mag het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gesitueerd worden
  • l. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrenzen gesitueerd te worden;
  • m. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • n. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • p. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • q. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen dienen binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden met uitzondering van hoekwoningen hier mag aan de zijkant van de woning een erker of entreeportaal 1 meter buiten het bouwvlak gerealiseerd worden over maximaal 70 % van de gevelbreedte van de woning;
  • r. bijgebouwen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de bijgebouwen niet boven de geluidswal uit komen;
  • s. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • t. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • u. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.21 Nieuwe bouwwerken Wonen - Landelijk dubbel 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Landelijk dubbel 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Landelijk dubbel 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel mag maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend geschakelde en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • h. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit minimaal 1 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 2,5 m en maximaal 7 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • i. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m achter de voorgevelrooilijn opgericht mag worden;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • k. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • l. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • m. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • n. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • o. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1 m buiten het bouwvlak gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70 % van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt;
  • p. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • q. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden mag bedragen;
  • b. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • e. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.22 Nieuwe bouwwerken Wonen - Landelijk dubbel 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Landelijk dubbel 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Landelijk dubbel 2" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel mag maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend geschakelde en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • h. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 2 bouwlagen voorzien van kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 5,5 m en maximaal 7 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • i. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m achter de voorgevelrooilijn opgericht mag worden;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • k. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • l. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • m. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • n. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • o. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1 m buiten het bouwvlak gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70 % van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt;
  • p. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • q. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden mag bedragen;
  • b. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • e. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.23 Nieuwe bouwwerken Wonen - Landelijk vrijstaand 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Landelijk vrijstaand 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Landelijk vrijstaand 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel bebouwd worden tot een maximum van 175 m2 , dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • h. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit minimaal 1 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 2,5 m en maximaal 7 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • i. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn opgericht mag worden;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • k. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • l. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • m. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • n. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • o. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1 m buiten het bouwvlak gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70 % van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt;
  • p. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • q. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden mag bedragen;
  • b. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • e. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.24 Nieuwe bouwwerken Wonen - Landelijk vrijstaand 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Landelijk vrijstaand 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Landelijk vrijstaand 2" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel bebouwd worden tot een maximum van 175 m2 , dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de bouwdiepte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • h. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 1,5 -2 bouwlagen voorzien van kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 4,5 m en maximaal 7 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • i. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn opgericht mag worden;
  • j. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • k. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn opgericht mag worden;
  • l. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • m. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • n. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • o. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • p. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • q. bijgebouwen in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1 m buiten het bouwvlak gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70 % van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt;
  • r. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • s. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden mag bedragen;
  • b. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • e. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.25 Nieuwe bouwwerken Wonen - Landelijk vrijstaand of dubbel

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Landelijk vrijstaand of dubbel' mogen de gronden conform de gestelde regels onder 4.21 of 4.23 gebouwd worden.

4.26 Nieuwe bouwwerken Wonen - Stedelijk aaneengesloten 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Stedelijke aaneengesloten 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Stedelijk aaneengesloten 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 135 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend aaneengesloten(rij) woningen en smalle twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. bij eindwoningen binnen het besluitvlak dient het hoofdgebouw op minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • i. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort /overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort gerealiseerd worden met een (bouw)hoogte van maximaal 14 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m;
  • j. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 2 bouwlagen met dakopbouw of 3 volledige bouwlagen, plat afgedekt met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • k. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • l. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden tenzij de (bouw)hoogte hoger is dan 3 m dan dienen de bijgebouwen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • m. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • n. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • o. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • p. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • q. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • c. de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot tot 50 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.27 Nieuwe bouwwerken Wonen - Stedelijk aaneengesloten 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Stedelijke aaneengesloten 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Stedelijk aaneengesloten 2" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 135 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend aaneengesloten(rij) woningen en smalle twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. ter hoogte van het gebiedsaanduiding "accent” binnen het besluitvlak mag het hoofdgebouw 3 m tot 5 m uit de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd worden;
  • g. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • h. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • i. bij eindwoningen binnen het besluitvlak dient het hoofdgebouw op minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • j. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort /overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort gerealiseerd worden met een (bouw)hoogte van maximaal 14 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m;
  • k. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 2 bouwlagen met kap of dakopbouw met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale goothoogte van 7 m. De maximale (bouw)hoogte bedraagt 10 m;
  • l. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “accent” binnen het besluitvlak bestaat het hoofdgebouw uit 2 bouwlagen met dakopbouw of 3 volledige bouwlagen met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale goot- en (bouw)hoogte van 12 m;
  • m. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • n. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden tenzij de (bouw)hoogte hoger is dan 3 m dan dienen de bijgebouwen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • o. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • p. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • q. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • r. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • s. binnen het besluitvlak mag een doorgang/ontsluiting gerealiseerd worden dat naar een binnenterrein leidt waarmee parkeervoorzieningen op eigen terrein ontsloten worden;
  • t. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • c. de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot tot 50 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.28 Nieuwe bouwwerken Wonen - Stedelijk aaneengesloten 3

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Stedelijke aaneengesloten 3' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Stedelijk aaneengesloten 3" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 135 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw mogen binnen het besluitvlak uitsluitend aaneengesloten(rij) woningen en smalle twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel binnen het besluitvlak mag achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd worden en ter hoogte van de gebiedsaanduiding "accent” mag de voorgevel maximaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn worden opgericht;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • h. bij eindwoningen binnen het besluitvlak dient het hoofdgebouw op minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • i. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort /overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort gerealiseerd worden met een (bouw)hoogte van maximaal 14 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m;
  • j. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 2 bouwlagen met kap of dakopbouw met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale goothoogte van 7 m. De maximale (bouw)hoogte bedraagt 10 m;
  • k. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “accent” binnen het besluitvlak bestaat het hoofdgebouw uit 2 bouwlagen met dakopbouw of 3 volledige bouwlagen met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale goot- en (bouw)hoogte van 12 m;
  • l. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • m. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden tenzij de (bouw)hoogte hoger is dan 3 m dan dienen de bijgebouwen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • n. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • o. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • p. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • q. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • r. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • c. de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot tot 50 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.29 Nieuwe bouwwerken Wonen - Stedelijk dubbel

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Stedelijk dubbel mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Stedelijk dubbel" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend geschakelde- en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht, met de volgende uitzonderingen:
  • f. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “accent” binnen het besluitvlak dient de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • g. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • h. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • i. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • j. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort /overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort gerealiseerd worden met een (bouw)hoogte van maximaal 14 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m;
  • k. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 2 bouwlagen met kap of dakopbouw met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale goothoogte van 7 m. De maximale (bouw)hoogte bedraagt 10 m;
  • l. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “accent” binnen het besluitvlak mag het hoofdgebouw tevens uitgevoerd worden in 3 volledige bouwlagen (plat afgedekt) met een maximale (bouw)hoogte van 12 m;
  • m. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • n. bijgebouwen gebouwd aan het hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • o. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • p. de (bouw)hoogte van een bijgebouw bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • q. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • r. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • s. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • c. de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot tot 50 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.30 Nieuwe bouwwerken Wonen - Stedelijk gestapeld 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Stedelijk gestapeld 1 mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • b. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 50% van het bouwperceel worden bebouwd, waarbij de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 10 % van het bouwperceel mag bedragen;
  • c. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend woongebouwen worden gebouwd;
  • d. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • e. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • f. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit minimaal 5 bouwlagen en maximaal 7 bouwlagen, plat afgedekt en een maximale (bouw)hoogte van 24 m;
  • g. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort /overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort gerealiseerd worden met een (bouw)hoogte van maximaal 14 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m;
  • h. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • i. de (bouw)hoogte van een bijgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 3 m bedragen
  • j. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • k. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • l. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 6 m krijgen;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.31 Nieuwe bouwwerken Wonen - Stedelijk gestapeld 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Stedelijk gestapeld 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • b. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 50% van het bouwperceel worden bebouwd, waarbij de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen maximaal 10 % van het bouwperceel mag bedragen;
  • c. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend woongebouwen worden gebouwd;
  • d. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • e. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • f. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit minimaal 3 bouwlagen en maximaal 4 bouwlagen, plat afgedekt en een maximale (bouw)hoogte van 14 m;
  • g. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort /overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort gerealiseerd worden met een (bouw)hoogte van maximaal 14 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m;
  • h. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • i. de (bouw)hoogte van een bijgebouw binnen het besluitvlak mag maximaal 3 m bedragen
  • j. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • k. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • l. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. carports, tot maximaal 20 m², 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • b. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 6 m krijgen;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.32 Nieuwe bouwwerken Wonen - Terp dubbel

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Terp dubbel' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Terp dubbel" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 250 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend geschakelde- en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak mag tot maximaal 3 m achter de voorgevelrooilijn worden gebouwd;
  • f. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • g. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 1 bouwlaag voorzien van kap of dakopbouw. De goothoogte mag maximaal 3,5 m bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 7 m;
  • h. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak dienen minimaal 6 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • i. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • j. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw en de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 meter lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • k. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen tot in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • l. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • m. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • n. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het besluitvlak mag maximaal 11 m bedragen;

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • h. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte worden vergroot tot 200 m², onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.33 Nieuwe bouwwerken Wonen - Terp vrijstaand

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Terp vrijstaand' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Terp vrijstaand" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% van het bouwperceel bebouwd worden tot een maximum van 175 m², dit is inclusief maximaal 50 m² aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak dient in de voorgevelrooilijn te worden opgericht;
  • f. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • g. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 1-1,5 bouwlagen met kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 2,5 m en maximaal 4,5 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 8 m;
  • h. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • i. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw en de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 meter lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • j. vrijstaande bijgebouwen met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen tot in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • k. vrijstaande bijgebouwen met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • l. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/ of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • m. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het besluitvlak "Vrijstaand" mag maximaal 10 m bedragen;

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden mag bedragen; een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte worden vergroot tot 200 m², onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.34 Nieuwe bouwwerken Wonen - Tuindorp aaneengesloten

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Tuindorp aaneengesloten' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Tuindorp aaneengesloten" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 135 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 35 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend aaneengesloten(rij) woningen en smalle twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. ter plaatse van het gebiedsaanduiding “accent” mag de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd dient te worden;
  • g. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • h. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Wonen - Tuindorp aaneengesloten", bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • i. bij eindwoningen dient het hoofdgebouw binnen het besluitvlak op minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • j. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bestaat uit 2 bouwlagen met kap met een minimale goothoogte van 5,5 m en een maximale goothoogte van 7 m. De maximale (bouw)hoogte bedraagt 10 m;
  • k. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort / overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort op de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden met een goot- en (bouw)hoogte van maximaal 10 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m.
  • a. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht;
  • b. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden tenzij de (bouw)hoogte hoger is dan 3 m dan dienen de bijgebouwen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • c. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • d. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • e. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • f. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • g. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot tot 50 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • b. carports, tot maximaal 20 m2, 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.35 Nieuwe bouwwerken Wonen - Tuindorp dubbel 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Tuindorp dubbel 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Tuindorp dubbel 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend geschakelde- en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden;
  • f. ter plaatse van de gebiedsaanduiding “accent” waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd dient te worden;
  • g. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • h. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • i. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • j. hoofdgebouwen binnen het besluitvlak bestaan uit 2 bouwlagen met kap waarbij de goothoogte minimaal 5,5 m en maximaal 7 m bedraagt. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m;
  • k. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort / overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort op de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden met een goot- en (bouw)hoogte van maximaal 10 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m.
  • l. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • m. bijgebouwen gebouwd aan een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • n. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • o. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • p. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • q. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • r. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • s. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • t. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. toestaan dat het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • b. carports, tot maximaal 20 m2, 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. en bijgebouw 3m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.36 Nieuwe bouwwerken Wonen - Tuindorp dubbel 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Tuindorp dubbel 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Tuindorp dubbel 2" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 150 m2 bebouwd worden, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend geschakelde- en twee-onder-één kapwoningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw mag maximaal 1 m achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd worden;
  • f. ter plaatse van de gebiedsaanduiding “accent” waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd dient te worden;
  • g. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • h. de bouwdiepte van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak bedraagt maximaal 15 m vanuit de voorgevelrooilijn waarbij de afstand tot de achterliggende perceelsgrens minimaal 5 m bedraagt;
  • i. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot de zijdelingse perceelsgrens dient aan 1 zijde minimaal 3 m te bedragen;
  • j. hoofdgebouwen binnen het besluitvlak bestaan uit 2 bouwlagen met kap waarbij de goothoogte minimaal 5,5 m en maximaal 7 m bedraagt. De (bouw)hoogte bedraagt maximaal 10 m;
  • k. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort / overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort op de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden met een goot- en (bouw)hoogte van maximaal 10 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m.
  • l. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw op minimaal 4 m uit de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • m. bijgebouwen gebouwd aan een hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen in de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd worden of dienen minimaal 1 m uit de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd te worden;
  • n. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • o. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • p. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • q. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • r. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • s. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • t. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. toestaan dat het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • b. carports, tot maximaal 20 m2, 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. en bijgebouw 3m achter de voorgevel van het hoofdgebouw mag worden opgericht;
  • d. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.37 Nieuwe bouwwerken Wonen - Tuindorp vrijstaand 1

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Tuindorp vrijstaand 1' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 1" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% bebouwd worden tot een maximum van 175 m2, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden, met uitzondering van:
  • 1. ter plaatse van de gebiedsaanduiding “accent” waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd dient te worden;
  • f. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 1" tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • h. het hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Vrijstaand 1" bestaat minimaal uit 1,5 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 4,5 m en maximaal 7 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m.
  • i. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort / overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort op de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden met een goot- en (bouw)hoogte van maximaal 10 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m.
  • j. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 1" tot één van de zijdelings e perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • k. bijgebouwen gebouwd aan een hoofdgebouw binnen het besluitvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 1", dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • l. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • m. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • n. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • o. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitvlak met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • p. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • q. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • r. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de totale oppervlakte aan bijgebouwen worden vergroot tot 50 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • b. carports, tot maximaal 20 m2, 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • c. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.38 Nieuwe bouwwerken Wonen - Tuindorp vrijstaand 2

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Tuindorp vrijstaand 2' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% bebouwd worden tot een maximum van 175 m2, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden
  • f. ter plaatse van de gebiedsaanduiding “accent” waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd dient te worden;
  • g. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • h. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • i. het hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" bestaat minimaal uit 1 bouwlaag met kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 3 m en maximaal 7 meter te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m;
  • j. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort / overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort op de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden met een goot- en (bouw)hoogte van maximaal 10 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m.
  • a. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, met uitzondering van:
  • 3. indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • b. bijgebouwen gebouwd aan een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • c. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • d. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • e. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" of "" met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • f. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • g. bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 2" in de vorm van erkers of entreeportalen mogen tot 1 m buiten het bouwvlak gerealiseerd worden met een maximale breedte van 70% van de gevelbreedte met dien verstande dat indien de erker of entreeportaal aan de zijkant van het hoofdgebouw gerealiseerd wordt deze niet aan de zijde van het bijgebouw gerealiseerd wordt. Een uitzondering op het gestelde in de vorige volzin wordt gevormd door bebouwing ter hoogte van de gebiedsaanduiding “accent”, erkers of entreeportalen dienen hier binnen het bouwvlak gerealiseerd te worden.
  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • c. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden bedragen;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. carports, tot maximaal 20 m2, 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • d. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • e. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.39 Nieuwe bouwwerken Wonen - Tuindorp vrijstaand 3

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Wonen - Tuindorp vrijstaand 3' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. het maximaal aantal hoofdgebouwen per besluitvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" bedraagt het in het bijbehorende "besluitsubvlak aantal" aangegeven aantal;
  • b. gebouwen mogen uitsluitend binnen het besluitvlak worden gebouwd;
  • c. binnen het besluitvlak mag per bouwperceel maximaal 40% bebouwd worden tot een maximum van 175 m2, dit is inclusief maximaal 50 m2 aan bijgebouwen;
  • d. als hoofdgebouw binnen het besluitvlak mogen uitsluitend mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • e. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden, met uitzondering van:
  • f. als hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd;
  • g. de voorgevel van het hoofdgebouw dient in de voorgevelrooilijn opgericht te worden, muv ter plaatse van de gebiedsaanduiding “accent” waarbij de voorgevel van het hoofdgebouw op 3 m van de aan de voorzijde gelegen perceelsgrens gesitueerd dient te worden;
  • h. de voorgevel van de woningen met de gebiedsaanduiding “trapsgewijze voorgevelrooilijn” dient haaks op de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden waarbij één hoek van het hoofdgebouw in de voorgevelrooilijn gesitueerd dient te worden;
  • i. de afstand van een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" tot de zijdelingse perceelsgrens dient voor alle zijden minimaal 3 m te bedragen;
  • j. het hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" bestaat minimaal uit 1,5 bouwlaag en maximaal 2 bouwlagen voorzien van kap waarbij de dakhelling niet minder dan 35 graden mag bedragen. De goothoogte dient minimaal 4,5 m en maximaal 7 m te bedragen met een maximale (bouw)hoogte van 10 m.
  • k. ter hoogte van de gebiedsaanduiding “poort / overkluizing” mag een hoofdgebouw of poort op de zijdelingse perceelsgrens gerealiseerd worden met een goot- en (bouw)hoogte van maximaal 10 m, de doorrijhoogte bedraagt minimaal 4,2 m.
  • a. bijgebouwen dienen minimaal 5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw te worden opgericht, met uitzondering van:
  • 1. de bijgebouwen behorende bij het hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" deze mogen in de voorgevelrooilijn gesitueerd worden;
  • 2. indien de afstand van het hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" tot één van de zijdelingse perceelsgrenzen 6 m of meer bedraagt het bijgebouw in of achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd mag worden;
  • b. bijgebouwen gebouwd aan een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" dienen minimaal 2 m uit de zijdelingse perceelsgrens gesitueerd te worden;
  • c. de goothoogte van een bijgebouw mag maximaal 3 m bedragen;
  • d. de (bouw)hoogte van een bijgebouw mag maximaal 6 m bedragen, waarbij de dakhelling niet meer mag bedragen dan de dakhelling van het hoofdgebouw;
  • e. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp "vrijstaand 3" met een maximale (bouw)hoogte tot 3 m mogen in de zijdelingse perceelsgrenzen worden opgericht, doch uitsluitend indien zij achter het hoofdgebouw worden opgericht;
  • f. vrijstaande bijgebouwen bij een hoofdgebouw binnen het besluitsubvlak "Wonen - Tuindorp vrijstaand 3" met een (bouw)hoogte hoger dan 3 m dienen minimaal 3 m uit de zijdelingse perceelsgrens opgericht te worden;
  • g. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen gelegen langs een openbare weg en/of langs het gedeelte van het zijerf, dat loopt vanaf de openbare weg tot aan de voorgevelrooilijn, mag maximaal 1 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn maximaal 2 m mag bedragen;
  • h. de hoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10 m bedragen;
  • i. erf- en terreinafscheidingen mogen tegen en in de geluidswal worden gerealiseerd mits de technische structuur/constructie van de geluidswal niet wordt aangetast en mits de erf- en terreinafscheidingen niet boven de geluidswal uit komen.

Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de gebouwen, ten behoeve van:

  • a. de woonsituatie;
  • b. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. brandveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding;
  • f. milieusituatie;
  • g. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen/mag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden:
  • a. de dakhelling van hoofdgebouwen minder dan 35 graden bedragen;
  • b. het gezamenlijke bebouwde oppervlakte mag worden vergroot tot 200 m2, onder voorwaarde dat het zij- en achtererf behorend bij het hoofdgebouw niet meer dan 50% mag worden bebouwd;
  • c. carports, tot maximaal 20 m2, 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • d. een bijgebouw 3 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden opgericht;
  • e. bijgebouwen een maximale bouwhoogte tot 7,5 m krijgen, mits de (bouw)hoogte van het bijgebouw minimaal 2 m lager is dan de (bouw)hoogte van het hoofdgebouw;
  • 2. Indien de waarden en/of belangen onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de genoemde afwijking geen toepassing.
4.40 Leiding - Gas

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Leiding - Gas' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. binnen de op de verbeelding aangeduide belemmeringenstrook van de ondergrondse aardgastransportleiding mag, in afwijking van het bepaalde elders in deze regels, niet worden gebouwd, uitgezonderd gebouwen ten dienste van de leiding;
  • b. bebouwing ten dienste van de leiding mag een maximale oppervlakte van 25 m² beslaan;
  • c. de maximale bouwhoogte van de bebouwing ten dienste van de leiding bedraagt 3 meter.
  • d. op het tracé van de aardgastransportleiding mogen uitsluitend andere bouwwerken, ten behoeve van de gasvoorziening of openbaar nut worden gebouwd;
  • e. de bouwhoogte van een ander bouwwerk mag maximaal 3 meter bedragen met dien verstande dat:
    • 1. de maximale te bebouwen oppervlakte ten behoeve van openbaar nut maximaal 25 m² bedragen;
    • 2. de maximale bouwhoogte van een erf- en terreinafscheiding maximaal 2 meter bedraagt;

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen de gronden in het besluitvlak 'Leiding - Gas' bebouwd worden zoals toegestaan ingevolge de andere besluitvlakken, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de leidingenstrook en het geen omgevingsvergunning voor het realiseren van kwetsbare objecten betreft.
  • 2. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, nadat ter zake schriftelijk advies is ingewonnen van de beheersinstantie van de bedoelde leiding. De beslissing met betrekking tot de omgevingsvergunning, wordt aan de beheersinstantie medegedeeld In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend;

Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het bouwen van gebouwen en bouwwerken binnen een afstand van 4 meter aan weerszijden van de op de verbeelding aangeduide ondergrondse aardgastransportleiding, uitgezonderd bebouwing ten dienste van de leiding;

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden:
Het is verboden op of in de gronden van het besluitvlak 'Leiding - Gas zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. het oprichten van bouwwerken;
  • 2. het aanbrengen van hoogopgaand en/of diepwortelende beplanting, waaronder onder andere rietbeplanting;
  • 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • 4. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • 5. diepploegen;
  • 6. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • 7. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • 8. het (permanent) opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • 9. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • 10. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair;

Toegestane werkzaamheden

Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

  • 1. normaal onderhoud en beheer betreffen, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan diepploegen;
  • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • 3. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning;

Schriftelijk advies

Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de samenvallende bestemming(en) te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade;

Weigering

De in artikel 4.40 bedoelde vergunning wordt in ieder geval geweigerd als de beheerders van de technische infrastructuur negatief adviseren over de voorgenomen werken, of werkzaamheden omdat deze zich verzetten tegen de belangen van de technische infrastructuur, dat dit niet door het stellen van voorwaarden aan de vergunning kan worden voorkomen.

4.41 Leiding - Hoogspanningsverbinding

Bouwregels

Ter plaatse van het besluitvlak 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' mogen de gronden als volgt bebouwd worden:

  • a. binnen de op de verbeelding aangegeven afstand van 36 meter ter weerszijden van de hoogspanningsleiding mag, in afwijking van het bepaalde elders in deze regels, niet worden gebouwd, uitgezonderd gebouwen ten dienste van de leiding;
  • b. de maximale oppervlakte van bebouwing ten dienste van de leiding bedraagt 25m2 per gebouw;
  • c. de maximale bouwhoogte van bouwwerken ten dienste van de leiding bedraagt 3 meter;
  • d. de maximale bouwhoogte van een 110 kV mast mag 35 meter bedragen en de maximale bouwhoogte van een 380kV mast 65 meter.

Afwijken van de bouwregels

  • 1. Met een omgevingsvergunning kunnen de gronden in het besluitvlka 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' bebouwd worden zoals toegestaan ingevolge de andere besluitvlakken, indien door de bouw en situering van de betreffende bebouwing geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de bedrijfsveiligheid van de leidingenstrook.
  • 2. Een omgevingsvergunning wordt slechts verleend, nadat ter zake advies is ingewonnen van de beheersinstantie van de bedoelde leiding. De beslissing met betrekking tot de omgevingsvergunning, wordt aan de beheersinstantie medegedeeld.
  • 3. De toepassing van de genoemde afwijking is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en
  • 4. bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, en van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden:
Het is verboden op of in de gronden van het besluitvlak 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • 1. het oprichten van bouwwerken;
  • 2. het aanbrengen van hoogopgaand en/of diepwortelende beplanting, waaronder onder andere rietbeplanting;
  • 3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  • 4. het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  • 5. diepploegen;
  • 6. het aanbrengen van gesloten verhardingen;
  • 7. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • 8. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • 9. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen;
  • 10. het plaatsen van objecten zoals lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair.

Toegestane werkzaamheden

Het verbod is niet van toepassing op werken en/of werkzaamheden:

  • 11. normaal onderhoud en beheer betreffen, waaronder normaal spit- en ploegwerk, anders dan diepploegen;
  • 12. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • 13. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.

Schriftelijk advies

Alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning ten behoeve van de samenvallende bestemming(en) te beslissen, winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de leidingbeheerder omtrent de vraag of door de voorgenomen werken en/of werkzaamheden de belangen in verband met de leiding niet worden geschaad en welke voorwaarden dienen te worden gesteld ter voorkoming van eventuele schade;

Weigering

De in artikel 4.41 bedoelde vergunning wordt in ieder geval geweigerd als de beheerders van de technische infrastructuur negatief adviseren over de voorgenomen werken, of werkzaamheden omdat deze zich verzetten tegen de belangen van de technische infrastructuur, dat dit niet door het stellen van voorwaarden aan de vergunning kan worden voorkomen.

4.42 Waarde - Archeologie 1

De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor het andere daar voorkomende gebruik, ook in gebruik voor:

  • a. terreinen van zeer hoge archeologische waarden;
  • b. bescherming en veiligstelling van de vastgestelde archeologische waarden, met dien verstande dat de bestemming niet geldt voor het gebied dat is gelegen binnen de dubbelbestemming Leiding - Gas;

Voor het bebouwen van de genoemde gronden gelden de volgende bepalingen:

  • a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd;
  • b. zonder omgevingsvergunning is drainage van de gronden niet toegestaan;
  • c. zonder omgevingsvergunning zijn bodemingrepen dieper dan 30 cm niet toegestaan;
  • d. de aanvrager van een omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, die betrekking heeft op gronden, die op de verbeelding zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 1, legt een rapport over waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.
  • e. bouwen, drainage en bodemingrepen dieper dan 30cm mogen plaatsvinden als uit het rapport als bedoeld onder d genoegzaam blijkt dat:
    • 1. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;
    • 2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de bouwvergunning verbonden voorschriften.
  • f. In de situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, kunnen burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
  • g. lid a is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:
    • 1. normaal onderhoud en beheer;
    • 2. bodemingrepen tot ten hoogste 30 cm;
    • 3. niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het verbeteren van de verdichte bodemstructuur (niet-kerend woelen) ) tot ten hoogste 10 cm onder de bouwvoor betreffen, de zogenaamde woellaag ( tezamen met sub b het 30 cm +10 cm principe);
    • 4. al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
    • 5. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingsvergunning,
    • 6. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd
  • h. Indien lid f, onderdeel 3 van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.
  • i. Op een aanvraag die betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een omgevingsvergunning is afgegeven, de onderdelen b en c, niet van toepassing. Burgemeester en wethouders kunnen in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels van

het bepaalde:

  • a. onder a voor herbouw met dezelfde maatvoering als het oorspronkelijke bouwwerk, dat wil zeggen dat de funderingen dezelfde horizontale en verticale afmetingen hebben of wanneer werkzaamheden vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd;
  • b. onder b voor het oprichten van een gebouw of ander bouwwerk groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm; mits de aanvrager, van een omgevingsvergunning, een archeologisch (inventariserend) onderzoek heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij, in het belang van de archeologische monumentenzorg, aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden kunnen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Beperking op het afwijken van de bouwregels

De toepassing van de genoemde afwijkingen is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden

  • 1. ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde gebruik, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, een werk geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  • 2. bodemingrepen vanaf 1000 m² en op een grotere diepte dan 30 centimeter, ter plaatse van Waarde-Archeologie.

Toegestane werkzaamheden

Het verbod als bedoeld in 'Verboden werkzaamheden' is niet van toepassing op werken en / of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • b. plaatsvinden in relatie tot archeologisch onderzoek;
  • c. al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de beheersverordening;

mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning.

Combinaties

Voor zover voor meerdere werken en / of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.

Voorwaarden

De bedoelde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend als:

  • a. de aanvrager een rapport/advies heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld en de archeologische deskundige Burgemeester en Wethouders positief heeft geadviseerd omtrent het uitvoeren van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

Verbinding voorschriften

Voor zover de in 'Verboden werkzaamheden' genoemde bodemingrepen dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze bodemingrepen kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden alleen worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
  • c. de verplichting om de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Vervallen onderzoeksverplichting

Alvorens tot onderzoek over te gaan kan aan een archeoloog namens de gemeente advies worden gevraagd omtrent de noodzaak tot onderzoek, indien deze schriftelijk verklaard dat een onderzoek niet noodzakelijk is vervalt de verplichting tot onderzoek als bedoeld in de 'Voorwaarden'.

Verlening

De bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend wanneer:

  • a. de voorgenomen bodemingrepen, dan wel de directe of indirect gevolgen van deze bodemingrepen niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.
4.43 Waarde - Archeologie 4

De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor het andere daar voorkomende gebruik, ook in gebruik voor:

  • a. terreinen van middelhoge of hoge archeologische verwachtingen;
  • b. bescherming en veiligstelling van de middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarden.

Bouwregels

Voor het bebouwen van de genoemde gronden gelden de volgende bepalingen:

  • a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd;
  • b. het gestelde onder a geldt niet voor:
    • 1. het verbouwen van bestaande gebouwen, waarbij de bestaande oppervlakte van het gebouw, gelegen op minder dan 1 meter boven peil, in generlei opzicht wordt vergroot of veranderd;
    • 2. het bouwen van een gebouw of ander bouwwerk tot maximaal 1000 m², waarbij het gaat om een totaal aan te verstoren bodemoppervlak binnen een plangebied of bouwvlak van een samenhangend project dat niet opgedeeld kan worden in deeluitwerkingen en waarbij de bodemingreep niet meer dan 30 cm mag bedragen, en bij agrarisch gebruik mag tevens een woellaag van 10 cm diepte onder de bouwvoor gehanteerd worden.

Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en Wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels van

het bepaalde:

  • a. onder a voor herbouw met dezelfde maatvoering als het oorspronkelijke bouwwerk, dat wil zeggen dat de funderingen dezelfde horizontale en verticale afmetingen hebben of wanneer werkzaamheden vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd;
  • b. onder b voor het oprichten van een gebouw of ander bouwwerk groter dan 1000 m² en dieper dan 30 cm; mits de aanvrager, van een omgevingsvergunning, een archeologisch (inventariserend) onderzoek heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld, waarbij, in het belang van de archeologische monumentenzorg, aan de omgevingsvergunning de volgende voorwaarden kunnen worden verbonden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
    • 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Beperking op het afwijken van de bouwregels

De toepassing van de genoemde afwijkingen is beperkt tot incidentele gevallen, waarbij het functioneren van de bestemming begrepen doeleinden en omliggende bestemmingen niet mag worden aangetast. In de afweging om omgevingsvergunning te verlenen worden in ieder geval de woonsituatie, het straat- en bebouwingsbeeld, de cultuurhistorie, de verkeersveiligheid, de (sociale) veiligheid, brandveiligheid/ externe veiligheid en rampenbestrijding, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen in acht genomen. Indien de genoemde waarden en of belangen onevenredig worden geschaad wordt de omgevingsvergunning niet verleend.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Verboden werkzaamheden

  • 1. ongeacht het bepaalde in de regels bij andere op deze gronden van toepassing zijnde gebruik, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, een werk geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
  • 2. bodemingrepen vanaf 1000 m² en op een grotere diepte dan 30 centimeter, ter plaatse van Waarde-Archeologie.

Toegestane werkzaamheden

Het verbod als bedoeld in 'Verboden werkzaamheden' is niet van toepassing op werken en / of werkzaamheden die:

  • a. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • b. plaatsvinden in relatie tot archeologisch onderzoek;
  • c. al in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de beheersverordening;

mogen worden uitgevoerd krachtens een al verleende vergunning.

Combinaties

Voor zover voor meerdere werken en / of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken.

Voorwaarden

De bedoelde omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt verleend als:

  • a. de aanvrager een rapport/advies heeft overlegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in voldoende mate is vastgesteld en de archeologische deskundige Burgemeester en Wethouders positief heeft geadviseerd omtrent het uitvoeren van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

Verbinding voorschriften

Voor zover de in 'Verboden werkzaamheden' genoemde bodemingrepen dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze bodemingrepen kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden alleen worden verleend, indien aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende voorschriften worden verbonden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of
  • c. de verplichting om de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Vervallen onderzoeksverplichting

Alvorens tot onderzoek over te gaan kan aan een archeoloog namens de gemeente advies worden gevraagd omtrent de noodzaak tot onderzoek, indien deze schriftelijk verklaard dat een onderzoek niet noodzakelijk is vervalt de verplichting tot onderzoek als bedoeld in de 'Voorwaarden'.

Verlening

De bedoelde omgevingsvergunning wordt verleend wanneer:

  • a. de voorgenomen bodemingrepen, dan wel de directe of indirect gevolgen van deze bodemingrepen niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal danwel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning of moest worden genomen, hetzij als bouwperceel, hetzij anderszins, dient als zodanig bij de beoordeling van een latere aanvraag om omgevingsvergunning buiten beschouwing te worden gelaten.

5.1 Ondergeschikte bouwonderdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bebouwingsvlakken of besluitvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen en gevel- en kroonlijsten buiten beschouwing gelaten, mits de grenslijn van de bebouwing resp. de besluitvlakken met niet meer dan 1,00 meter wordt overschreden.

Artikel 6 Algemene afwijkingsregels

  • 1. Indien niet op grond van een andere bepalingen in deze regels kan worden afgeweken, kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de regels door:
  • a. voor het afwijken van de voorgeschreven maten ten aanzien van dakhellingen, goothoogten, nokhoogten en bebouwingsoppervlakken met ten hoogste 10%;
  • b. voor geringe afwijkingen, welke in het belang zijn van een ruimtelijke of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in situering niet meer dan 3,00 meter bedraagt;
  • c. voor het in geringe mate, doch niet meer dan 5,00 meter afwijken van een besluit(sub)vlak, de vorm van een plein, alsmede van de vorm van bebouwingsoppervlakken, voor zover dat noodzakelijk en/of wenselijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen;
  • d. voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van maximaal 25,00 meter met dien verstande dat wanneer het gaat om antennes dient naar het oordeel van burgemeester en wethouder de noodzaak daartoe voldoende te zijn aangetoond;
  • e. voor het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een hoogte van maximaal 25,00 meter met dien verstande dat wanneer het gaat om kunstwerken van artistieke aard het bruto vloeroppervlak maximaal 25 m2 mag bedragen;
  • f. het gebruik van een deel van de woning ten behoeve van de uitoefening van een aan huis gebonden kleinschalige beroeps-of bedrijfsactiviteiten, waarbij de volgende bepalingen gelden:
  • 1. de woonfunctie moet in overwegende mate gehandhaafd blijven en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  • 2. de woonfunctie moet in ruimtelijke zin en visuele zin primair blijven;
  • 3. de beroeps- of bedrijfsactiviteit wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning;
  • 4. maximaal 40% van het te bebouwen vloeroppervlak mag gebruikt worden voor huisverbonden activiteiten met een maximum van 50 m²;
  • 5. detailhandel mag niet plaatsvinden behoudens een beperkte verkoop in het klein in direct verband met het aan huis verbonden beroep/ en bedrijf;
  • 6. er geen onevenredige parkeerdruk voor de omgeving optreedt.
  • g. Indien de waarden en/of belangen als genoemd onder artikel 6, onder f onevenredig worden geschaad en/of de uitvoerbaarheid niet is aangetoond vindt de onder artikel 6, onder f genoemde afwijkingsbevoegdheid geen toepassing.
  • 7. Burgemeester en wethouders kunnen bij de verlening van de afwijking voorwaarden ten aanzien van de situering van bouwwerken stellen, teneinde een ruimtelijke verantwoorde plaatsing daarvan ten opzichte van de omgeving te waarborgen.
  • 8. De genoemde afwijkingen mogen slechts worden verleend indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bebouwingskarakteristiek van de straat/ woonmilieu en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken en de voorkeursgrenswaarde als bedoeld in de Wet geluidhinder niet wordt overschreden;

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 7 Overgangsrecht bouwen

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van de verordening mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in subartikel a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in subartikel a. met maximaal 10%.
  • c. Subartikel a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat bestemmingsplan.

Artikel 8 Overgangsrecht gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in het eerste artikel, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste artikel, na het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste artikel is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 9 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van de beheersverordening Emmen, Delftlanden.