direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bornsche Maten 2014
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het bestemmingsplan 'Bornsche Maten' is op 28 oktober 2004 vastgesteld door de gemeenteraad van Borne. Dit bestemmingsplan voorziet onder andere in de realisatie van ca. 2300 woningen in de vorm van een integraal ontworpen woonwijk waar kwaliteit en duurzaamheid van de menselijke leefomgeving centraal staan. Een aanzienlijk deel van de woonwijk Bornsche Maten is inmiddels gerealiseerd binnen de kaders van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten', en de bij deze bestemmingsplannen behorende herzieningen en uitwerkingsplannen.

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, opnieuw moeten worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit bestemmingsplan geeft invulling aan deze actualisatieverplichting uit de Wro. Daarnaast voldoet dit nieuwe bestemmingsplan aan de verplichting die sinds 1 januari 2010 van kracht is om bestemmingsplannen digitaal te vervaardigen en digitaal beschikbaar te stellen.

Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard. Dit betekent dat de huidige (planologische) situatie zoveel mogelijk opnieuw wordt vastgelegd. Wijzigingen die tussentijds hebben plaatsgevonden zijn wel meegenomen in dit bestemmingsplan.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wijkt enigszins af van het plangebied van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten' uit 2004. Het plangebied is gelegen in het zuidoosten van gemeente Borne.Ten opzichte van het thans geldende bestemmingsplan wijkt het plangebied van voorliggend bestemmingsplan af op de volgende punten:

  • de woonbuurten Boswonen, Beekdalwonen en het oostelijk deel van De Veste maken geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan;
  • aan de noordzijde van het plangebied, aan de Piepersveldweg 5, is het plangebied uitgebreid en is aangesloten bij de plangrens van het op 7 februari 2012 vastgestelde bestemmingsplan 'Bornsche Maten, herziening Piepersveldweg 5'.

In figuur 1.1 wordt de begrenzing en ligging van het plangebied globaal weergegeven. In figuur 2.2. is een luchtfoto opgenomen van het plangebied. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0001.png"

Figuur 1.1) Situering plangebied in Borne (Bron: ArcGis)

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0002.png"

Figuur 1.2) Luchtfoto plangebied (Bron: Gemeente Borne)

1.3 Vigerende bestemmingsplannen

Binnen het plangebied is sprake van diverse geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen. Er wordt een globale beschrijving gegeven van de ontwikkelingen waarvoor de hierna genoemde bestemmings- en uitwerkingsplannen nu nog de planologische kaders bieden.

Na het onherroepelijk worden van voorliggend bestemmingsplan zullen deze geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen en de daarin opgenomen bestemmingen komen te vervallen en worden vervangen door nieuwe bestemmingen.

1.3.1 Bestemmingsplan Bornsche Maten

Het bestemmingsplan Bornsche Maten is vastgesteld door de gemeenteraad op 28 oktober 2004 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de Provincie Overijssel op 31 oktober 2006. Op 15 december 2006 is het plan in werking getreden.

Het voornemen bestaat uit de realisatie van 2700 woningen. Uit de destijds ingediende vooroverlegreactie van de Provincie Overijssel is gebleken dat de provincie vasthield aan de zogenoemde rode contour zoals opgenomen in het destijds geldende 'Streekplan Overijssel 2000+'. Buiten deze rode contour mochten geen woningen worden gerealiseerd. Daarom is er destijds voor gekozen om minder gronden tot ontwikkeling te brengen waardoor in eerste aanleg sprake was van 2.300 woningen tot de periode tot 2025. De overige 400 woningen zijn gepland in een reservelocatie voor de periode daarna.

1.3.2 Bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking School

Het bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking School is op 16 oktober 2007 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en op 7 december 2007 in werking getreden.

Dit uitwerkingsplan voorziet in de planologische kaders voor de realisatie van een school (basisschool De Vonder) ten noorden van De Bongerd en ten oosten van de Bornsebeek.

1.3.3 Bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking Watertorenpark

Op 4 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borne het bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking Watertorenpark vastgesteld. Het uitwerkingsplan is op 29 februari 2008 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel en in werking getreden op 18 april 2008.

Het uitwerkingsplan voorziet in de kaders voor de aanleg van een fietspad en de ontwikkeling van het park ten noorden van de watertoren en ten westen van de Rondweg.

1.3.4 Bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking Tuinstad

Het bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking Tuinstad is op 5 februari 2008 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en op 8 april 2008 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel. Op 30 mei 2008 is het uitwerkingsplan in werking getreden.

Het uitwerkingsplan heeft betrekking op de realisatie van een cluster van circa 400 woningen en een deel van de Bornsche Beeklaan. Het plangebied voor Tuinstad is gelegen in het zuidoosten van de woonwijk Bornsche Maten.

1.3.5 Bestemmingsplan Bornsche Maten, 1ste partiële herziening

Het bestemmingsplan Bornsche Maten, 1ste partiële herziening is op 9 december 2008 vastgesteld door de gemeenteraad en op 30 januari 2009 in werking getreden.

Dit bestemmingsplan voorzag in de reparatie en verduidelijking van een gedeelte van de voorschriften van het bestemmingsplan Bornsche Maten in verband met het beeldkwaliteitsplan. Tevens voorzag deze herziening, onder andere naar aanleiding van de afgeronde archeologische onderzoeken, in het schrappen van het aanlegvergunningenstelsel binnen de dubbelbestemming 'Archeologische locatie'.

1.3.6 Bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerking Landgoed Wildiek

Op 19 oktober 2010 heeft het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan 'Bornsche Maten, uitwerking Landgoed Wildiek' vastgesteld. Het bestemmingsplan is op 8 januari 2011 in werking getreden.  

Het uitwerkingsplan voorziet in de kaders voor de realisatie van 15 woningen en de inpassing van 1 bestaande kavel met 2 woningen en een monumentale schuur. Daarnaast voorziet dit uitwerkingsplan tevens in een maatschappelijke bestemming.

1.3.7 Bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Singelwonen, deelgebied Wilde Wonen

Het bestemmingsplan 'Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Singelwonen, deelgebied Wilde Wonen is op 8 februari 2011 door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. Op 2 april 2011 is het uitwerkingsplan in werking getreden.

Het uitwerkingsplan voorziet onder andere in de ontwikkeling van vrijstaande woningen in het zuiden van de woonwijk Bornsche Maten.

1.3.8 Bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Bornsche Beekpark

Op 5 april 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borne het bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Bornsche Beekpark vastgesteld. Het uitwerkingsplan is in werking getreden op 28 mei 2011. 

Het uitwerkingsplan voorziet in de ontwikkeling van het Bornsche Beekpark en delen van de Bornsche Beeklaan.

1.3.9 Bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Singelwonen 1ste fase

Het bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Singelwonen 1ste fase is op 15 november 2011 vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Het uitwerkingsplan is op 7 januari 2012 in werking getreden. 

Het uitwerkingsplan voorziet onder andere in de ontwikkeling van vrijstaande, twee-onder-één-kap en aaneen gebouwde woningen in het zuiden van de woonwijk Bornsche Maten, ten noorden van het deelgebied Wilde Wonen.

1.3.10 Bestemmingsplan Bornsche Maten, herziening Piepersveldweg 5

De gemeenteraad heeft op 7 februari 2012 het bestemmingsplan Bornsche Maten, herziening Piepersveldweg 5 vastgesteld. Dit bestemmingsplan is op 7 april 2012 in werking getreden.

Het bestemmingsplan Bornsche Maten, herziening Piepersveldweg 5 voorziet in de planologische kaders voor de realisatie van een gebouw voor het Christelijk Jongeren Verbond Borne (hierna: CJV Borne).

1.3.11 Bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Singelwonen 2de fase

Op 6 november 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders het bestemmingsplan Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Singelwonen 2de fase vastgesteld. Het uitwerkingsplan is op 29 december 2012 in werking getreden.

Het uitwerkingsplan voorziet onder andere in de ontwikkeling van vrijstaande, twee-onder-één-kap, geschakelde en aaneen gebouwde woningen ten zuiden van de woonbuurt Tuinstad.

1.3.12 Bestemmingsplan Bornsche Maten, herziening Waterveld

Op 1 oktober 2013 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan Bornsche Maten, herziening Waterveld vastgesteld. De herziening is op 23 november 2013 in werking getreden.

De herziening voorziet in onder andere de aanpassing van de bouwregels om meer flexibiliteit te creëren voor de realisatie van acht tot tien woningen en voor het aanleggen van woonstraten.

1.3.13 Bestemmingsplan Bornsche Maten, Partiële herziening Uitwerkingsplan Singelwonen 2e fase

Op 10 december 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met het ontwerpbestemmingsplan Bornsche Maten, Partiële herziening Uitwerkingsplan Singelwonen 2e fase. Het ontwerpbestemmingsplan ligt vanaf 20 december 2013 gedurende zes weken ter inzage.

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 betreft een beschrijving en analyse van de bestaande en/of toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid besproken. De verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor elk bestemmingsplan worden besproken in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 wordt aandacht besteed aan de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 en 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

2.1 Historische ontwikkeling plangebied

De eerste permanente nederzettingen in en rond het plangebied dateren uit 500 tot 1000 na Christus en bestonden uit kleine boerderijen. De boerderijen lagen voornamelijk op of langs kleine ruggen en kopjes in het dekzandgebied. De oude landwegen, die de nederzettingen met elkaar en met de landbouwgronden verbonden, bevonden zich op ruggen en hoger gelegen dekzandgronden.

De Bornsche Maten ontleent haar naam aan de beekdalen: daar waren van oudsher de ‘maten’ – de lager gelegen, nattere hooilanden – gelegen. De akkers lagen vooral op de hoger gelegen delen, daar waar de afwatering optimaal was. Akkers waren plaatselijk gegroepeerd tot zogenaamde escomplexen, die door meerdere boeren werden gebruikt, vrij open waren en omgeven werden door houtwallen of hagen. Dat geldt ook voor de oorspronkelijke Zuid Esch en de Stroom Esch.

In en rond het plangebied de Bornsche Maten bevonden zich ook vele éénmansessen, de zogenaamde kampen. Dit zijn min of meer blokvormige percelen, omheind met een haag of houtwal. Het ‘kampenlandschap’ was meer besloten dan de escomplexen. In en rond de Bornsche Maten zijn beide te vinden.

Verder van de nederzettingen bevonden zich tot ver in de 19e eeuw ‘woeste gronden’ (heide en (oer)bossen), die vooral gebruikt werden voor het weiden van vee. Het toezicht op de woeste gronden berustte bij zogenaamde ‘Marken’. De Bornsebeek vormde van oudsher de grens tussen verschillende marken rond Borne.

In de 17e eeuw was Borne een belangrijk textielcentrum in Twente. Eén van de terreinen die haar oorsprong heeft in die tijd is ´de Bongerd´ (benaming voor een boomgaard). Op het terrein van de Bongerd was de grutterij van de Erven Wed. A. ten Cate gevestigd. Het in de omgeving verbouwde boekweit werd er tot grutten vermalen. Het terrein wordt gezien als de bakermat van de industriële ontwikkeling van Borne.

De Bornsebeek had in deze tijd een functie als handelsroute en een aftakking van de beek stroomde door Borne waarbij tegenover het vroegere café 't Steerntje, nu Marktstraat 14, een haven aanwezig was. In figuur 2.1 is een historische kaart opgenomen die de topografische situatie rond 1900 en 1950 weergeeft.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0003.png"

Figuur 2.1) Historische kaarten Borne rond 1900 (links en 1950 (rechts) (Bron: Provincie Overijssel)

2.2 Woonwijk Bornsche Maten

2.2.1 Algemeen

De bestaande landschappelijke kwaliteiten vormden de opmaat voor het stedenbouwkundig ontwerp van woonbuurten in de Bornsche Maten. De woonwijk Bornsche Maten is opgebouwd uit 7 woonbuurten met elk een eigen woonsfeer. De zeven woonbuurten zijn gelegen om een centraal park (Bornsche Beekpark), dat oostelijk van de belangrijkste waterloop in het plangebied, de Bornsebeek, is gelegen. Het Bornsche Beekpark wordt aan de oostzijde begrensd door de wijkontsluiting voor autoverkeer. Het park is beeldbepalend en geeft de wijk een sterk eigen identiteit.

In figuur 2.2. worden de te onderscheiden woonbuurten weergegeven. Landgoed Wildiek en het Bornsche Beekpark worden niet gerekend tot één van de woonbuurten maar worden gezien als separate deelgebieden binnen de woonwijk Bornsche Maten. De woonbuurten Beekdalwonen, Boswonen en het oostelijk deel van de Veste worden in figuur 2.2. wel weergegeven maar maken geen onderdeel uit van dit plan en worden derhalve ook niet nader toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0004.png"

 Figuur 2.2) woonwijk Bornsche Maten (Bron: Gemeente Borne)

De woonbuurten Oost Esch, Nieuw Borne, Singelwonen, Tuinstad en de deelgebieden Landgoed Wildiek en het Bornsche Beekpark zijn inmiddels gerealiseerd, bouwrijp gemaakt of planologisch uitgewerkt in de vorm van een uitwerkings- of bestemmingsplan. Aan de hand van de voor deze gebieden opgestelde (beeldkwaliteits)plannen wordt hierna een globale beschrijving gegeven van het eindbeeld dat in deze woonbuurten, het Bornsche Beekpark en Landgoed Wildiek wordt nagestreefd.

De Veste is nog niet gerealiseerd of planologisch uitgewerkt. Van deze locatie wordt een korte beschrijving gegeven van het toekomstig eindbeeld.

2.2.2 Oost Esch

De buurt Oost Esch ligt tussen het Watertorenpark, de entree tot Borne, Zuid Esch en de Bornsebeek. Deze buurt is zowel op de Bornsebeek georiënteerd als op de bestaande bebouwde kom van Borne. Oost Esch is een overwegend eigentijdse, moderne woonbuurt. Dit uit zich in de verscheidenheid qua materiaalgebruik, kleuren en (kap)vormen. De kwaliteiten van de flankerende groene parken (het Bornsche Beekpark, het Watertorenpark en de parkzone langs de Bornsebeek) dringen door in deze woonbuurt.

Oost Esch kent drie deelgebieden (het Waterveld, Groene Hof en het Dorpsplein) en een appartementenzone (het Beekbalkon) die van elkaar worden gescheiden door oost-west gelegen groenzones. Zowel door de straten in de bouwblokken als door de groenzones tussen de deelgebieden is er zicht op de Bornsebeek. De drie deelgebieden vormen ieder op zich afgebakende eenheden met een eigen identiteit en duidelijke randen.

Het deelgebied Waterveld kenmerkt zich door de vrij uitgeefbare kavels in het midden en de geschakelde woningen langs de beek. De achterzijde van de woningen langs de beek liggen aan een rustige parkeerstraat. Vanuit het Bornsche Beekpark is er zicht op dit woonfront en de door het park lopende fietsroute is gelegen in het midden van dit deelgebied richting het ten westen van de Bornsche Maten gelegen centrum van Borne.

De deelgebieden Groene Hof en Dorpsplein zijn deelgebieden met projectbouw. In het midden van deze deelgebieden kent de bebouwing een variatie qua rooilijn, hoogte, dakopbouw en gevelindeling. De bebouwing aan de randen is meer eenduidig en rustig vormgegeven.

De appartementenzone, ook wel het Beekbalkon genoemd, is gelegen in de oksel van de Bornsebeek en de Rondweg. Dit gebied is nog niet tot ontwikkeling gebracht maar op termijn worden hier maximaal 3 appartementencomplexen ontwikkeld. Elk complex kent een eigen architectuur waarbij wel sprake dient te zijn van een onderlinge afstemming. De architectuur dient hoogwaardig te zijn aangezien dit gebied het gezicht van de nieuwe woonwijk bij de entree van Borne vanuit Hengelo bepaalt.

2.2.3 Nieuw Borne

De parkzones rondom de woonbuurt Nieuw Borne (Bornsche Beekpark, Park Oud Borne en het Watertorenpark) zorgen ervoor dat de buurt een autonome ligging heeft binnen de Bornsche Maten. De woonbuurt heeft een herkenbaar ‘hart’: een centraal gesitueerd buurtpark, gelegen aan de Deurningerweg. Deze oude landweg is als ‘herinnering’ aan het landelijke verleden van dit gebied opgenomen in de buurt en verbindt de buurt met de rest van de Bornsche Maten, met het buitengebied en met het centrum van Borne. Binnen de woonbuurt bepalen het centrale buurtpark, de beplanting langs de Deurningerweg en de overige breed gedimensioneerde buurtontsluitingswegen het groene karakter.

Om het buurtpark liggen drie verschillende deelgebieden, de Parkstrip, de Beekboog en Deurningerveld, met elk een eigen identiteit en sfeer. Op deze deelgebieden wordt hierna kort ingegaan.

Deelgebied de Beekboog kenmerkt zich door gebogen brede singels die een bocht in de Bornsebeek begeleiden. Kenmerken van de bebouwing, een deel van dit deelgebied is thans nog onbebouwd, zijn: 30-er jaren-stijl, roodbruine tinten, (voornamelijk) kappen, overstekken, horizontale lijnvoering, architectonische verbijzondering aan het buurtpark.

De Parkstrip is gelegen langs de Rondweg en bestaat voornamelijk uit noord-zuid gerichte bouwstroken die evenwijdig aan Park Oud Borne lopen. Dit deelgebied is, met uitzondering van het voormalig terrein van de CJV Borne, nagenoeg volledig ingevuld. Kenmerken van de bebouwing alhier zijn: okertinten, kappen, overwegend 2 bouwlagen met een kap en beperkte verspringingen qua rooilijn. Het voormalig terrein van de CJV Borne wordt ingevuld met appartementen of rijenwoningen waarbij sprake dient te zijn van een samenhangend ontwerp aan weerszijden van de hoofdontsluiting. De bouwhoogte van de bebouwing bedraagt bij zowel de appartementen als de rijenwoningen maximaal 11 meter.

Het Deurningerveld kenmerkt zich door de lintbebouwing langs de Deurningerweg met daarachter de hofjes omringd door woningen. Dit deelgebied kenmerkt zich door een gevarieerd beeld in de hofjes en continuïteit langs de beek, de parkranden en de Deurningerweg. In de meer besloten hofjes dragen de centraal gelegen groenplekken, solitaire bomen en de voortuinen bij aan een groen beeld van de buurt.

2.2.4 Singelwonen

De woonbuurt Singelwonen maakt onderdeel uit van de tweede fase van de Bornsche Maten. Deze woonbuurt is mede gezichtsbepalend voor de entree van Borne. Het is een moderne en gevarieerde woonbuurt, verlopend van intensief stedelijk nabij de hoofdontsluiting naar extensief aan de groene bufferzone langs de Europalaan. Het stedenbouwkundig raamwerk voor Singelwonen wordt gevormd door de randen van Singelwonen. Dit zijn de randen langs de Bornsche Beeklaan, langs de bufferzone en langs de Vossenbeek. Minder beeldbepalend maar wel dragers van de structuur zijn de tussen het park en de bufferzone ‘opgespannen’ gebogen woonstraten; de zogenaamde singels.

De woonbuurt is grofweg op te delen in een drietal deelgebieden, te weten: Wilde Wonen, Singelwonen 1e fase en Singelwonen 2e fase.

Het Wilde Wonen betreft het zuidelijke deel van het Singelwonen, gelegen ten zuiden van de te verleggen Hesselerbeek. Het Wilde Wonen kent geen redelijke eisen van welstand waardoor de woningen bijna geheel naar eigen wensen en stijlen zijn vormgegeven. Wel zijn voorwaarden gesteld aan de situering van de voor-, achter-, zijgevels van het hoofdgebouw. Hierdoor is sprake is van een gevarieerde mix van woningtypen binnen een vaste structuur. Het Wilde Wonen is nog niet geheel ingevuld met woningbouw.

Singelwonen 1e fase is voor een deel gelegen langs de Bornsche Beeklaan waarbij de bebouwing de Bornsche Beeklaan als het ware begeleidt. Daarnaast omvat dit gebied ook een bebouwingsstrook, een singel, direct ten noorden van de verlegde Hesselerbeek. De bebouwingsrand langs de Bornsche Beeklaan is gevarieerd maar wel aaneengesloten waarbij een hoogwaardig stedelijk en gezichtsbepalend front wordt gevormd.
De singel ten noorden van de verlegde Hesselerbeek verschilt qua ruimtelijke opbouw aanzienlijk van de bebouwing langs de Bornsche Beeklaan. In tegenstelling tot de bebouwing langs de Bornsche Beeklaan kenmerkt de singel zich door de ruimere kavels en de rustige woonstraten. Ook hier is in het straatbeeld sprake van een duidelijke ruimtelijke samenhang. Singelwonen 1e fase is op het moment van het opstellen van dit bestemmingsplan in ontwikkeling.

Het deelgebied Singelwonen 2e fase is een gebied dat voor een deel in ontwikkeling is, en voor een deel nog tot ontwikkeling moet worden gebracht. Langs de Vossenbeek wordt de ruimtelijke invulling bepaald door een ritmiek van vrijstaande woningen en twee-onder-één-kapwoningen. Door gebruik te maken van andere architectuur en diversiteit onderscheidt deze strook woningen zich ten opzichte van de eenduidige zuidrand van de woonbuurt Tuinstad. De informele langzaamverkeersroute steekt hier tussen de bebouwing door.
Het overgrote deel van Singelwonen 2e fase wordt gevormd door de singels en dwarsstraten. De dwarsstraten zorgen voor variatie en flexibiliteit qua verkaveling en dragen bij aan een levendig beeld van de buurt. De bebouwing in dit deel bestaat uit een mix van vrijstaande, twee-onder-één-kapwoningen, geschakelde woningen en rijenwoningen. Elke singel en dwarsstraat heeft een eigen herkenbaar karakter door middel van architectuur, materiaal, hoogte en kapvorm.

Langs de groene bufferzone langs de Europalaan wordt het beeld van de kavels van uit het deelgebied Wilde Wonen doorgezet. Kenmerkend is het beeld van sprongen tussen de woningen en de verscheidenheid in architectuur.

2.2.5 Tuinstad

Tuinstad vormt samen met Singelwonen en de Veste de tweede fase van de Bornsche Maten. Tuinstad ligt tussen de Mekkelhorstweg met Boomkamp Gardens, de Vossenbeek, de groene bufferzone langs de Britanniëlaan en het toekomstig Bornsche Beekpark. Tuinstad is een buurt bestaande uit woningen met een eenduidig ruimtelijk karakter, refererend aan de stijl van het traditionele tuindorp. De buurt vormt een sterke eenheid met een centraal gelegen groengebied en een interne ringstructuur en wijkt qua architectuur en uitstraling duidelijk af van de woonbuurten Singelwonen en de Veste zodat aan de Bornsche Beeklaan een gevarieerd bebouwingsbeeld ontstaat.
De woonbuurt Tuinstad is onder te verdelen in de deelgebieden Bornsche Beeklaan, de Omloop, de Tuin en de rand: Mekkelhorstweg, Vossenbeekzone, Bufferzone. Daarnaast kent de woonbuurt Tuinstad ook nog het afzonderlijke deelgebied Vossenbeekzone, gelegen tussen de Vossenbeek en de Tuinlaan. Op deze gebieden wordt hierna kort ingegaan.

Langs de Bornsche Beeklaan, de buitenste rand met bebouwing, is sprake van een hoogwaardige, meer besloten en stedelijke begeleiding door een aaneengesloten bebouwingswand. Er zijn geen voortuinen anders dan de souterrains en opgangen, trappen en stoepen voor de woningen (in combinatie met lage hekwerken). Alle woningen hebben hier een lichtgekleurde gevel en een oranje-rode kap. De nokrichting van de kappen ligt evenwijdig aan de Bornsche Beeklaan waardoor het stedelijk karakter wordt versterkt.

De Omloop betreft de 2e ring met bebouwing binnen het deelgebied Tuinstad. Hier is sprake van een variatie in woningtypen waarbij twee-onder-één-kap woningen regelmatig worden afgewisseld met enkele blokken rijenwoningen en vrijstaande woningen. Ook hier hebben alle woningen de oranje-rode kap, evenwijdig aan de ringvormige buurtontsluitingsweg en de lichtgekleurde gevels. Dit deelgebied kent wel voortuinen waarbij de terreinafscheidingen voornamelijk gevormd worden door hagen.

In het hart van Tuinstad ligt het deelgebied de Tuin. De architectuur in dit deelgebied wijkt af van die aan de ringstructuur, maar blijft binnen het totaalbeeld: lichte woningen met oranje-rode daken. In dit deelgebied wordt het gevoel van gezamenlijk wonen aan een groene hof bevorderd door het groene plein met ruime speelmogelijkheden en de openbare parkeerplaatsen.

De meer extensief bebouwde zijden langs de Mekkelhorstweg, de Vossenbeek en de groene bufferzone langs de Britanniëlaan, verschillen in dichtheid duidelijk van de Bornsche Beeklaan, maar minder in architectuur en materialisering. De noord-, oost- en zuidrand bestaat veelal uit vrijstaande woningen. Om de kenmerkende eenheid van Tuinstad te bewaren, is op twee hoekpunten projectbouw gerealiseerd die het kenmerkende beeld van Tuinstad doorzet tot aan de randen van de woonbuurt.

Het afzonderlijke deelgebied Vossenbeekzone omvat ca.15 woningen met een éénduidig karakter die in contrast staan tot zowel Tuinstad als de zuidelijk gelegen woonbuurt Singelwonen. De Vossenbeekzone is een ensemble van bebouwing in een parkachtige setting, opgebouwd rond een binnenplein, met zowel een aantrekkelijke binnen- als buitenzijde.

2.2.6 De Veste

De Veste is een centraal in de wijk Bornsche Maten gelegen kleinschalig woon- en voorzieningengebied die nog tot ontwikkeling gebracht dient te worden (in de huidige situatie is sprake van braakliggende gronden). Vanwege het aanbod van voorzieningen in het centrum van Borne en de beperkte afstand van de Bornsche Maten tot het centrum wordt een pakket van basisvoorzieningen voldoende geacht voor de wijk Bornsche Maten.

Als woonbuurt is De Veste als het waren in twee helften te verdelen. Het oostelijke deel van de woonbuurt is meer monofunctioneel met grondgebonden woningen. Dit oostelijk deel wordt niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Het westelijke deel van De Veste, grenzend aan de Bornsche Beeklaan, is het meest stedelijke deel, met voorzieningen en appartementen. Centraal binnen dit gedeelte is een openbare ruimte gesitueerd, met functies als parkeren, fietsenstalling, speelruimte voor kinderen, alsmede ontmoeten en verblijven. Vanuit het midden van deze openbare ruimte loopt een groene langzaamverkeersas naar het oostelijke deel, die de samenhang tussen de 2 helften van de woonbuurt De Veste moet versterken.

2.2.7 Bornsche Beekpark

Het Bornsche Beekpark vormt het hart van de wijk met daar om heen de verschillende woonbuurten. Het park ontleent haar kenmerkende vorm aan twee belangrijke structuren: de Bornsebeek met haar meanders (westzijde) en de hoofdverkeersontsluiting de Bornsche Beeklaan (oostzijde). Het park vormt het intermediair tussen de buurten en voorzieningen aan weerszijden van het park en kent diverse wandel- en fietspaden. Enkele 'lange lijnen' die het park in oost-west richting kruisen refereren aan de oorspronkelijke landwegen.

Het Beekpark is een recreatieve zone waar men kan sporten, spelen, wandelen en verblijven. Ten behoeve hiervan zijn in het park diverse speel- wandel-, fiets-, rust- en andere recreatieve voorzieningen aangebracht. Naast de belangrijke recreatieve waarde is het park tevens het belangrijkste onderdeel van het duurzame groenblauwe raamwerk van de Bornsche Maten doordat het park een functie vervult voor zowel de regionale als de lokale waterretentie. Bij de inrichting van de Bornsebeek en het Bornsche Beekpark zijn tevens ecologische verbindingszones aangelegd, die een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit.

De Bornsche Beeklaan en basisschool De Vonder zijn gelegen in dit deelgebied. De Bornsche Beeklaan vormt de hoofdontsluitingsweg van de Bornsche Maten. Door een licht gebogen lijnvoering en de aankleding van deze weg met bomen en grasbermen maakt de Bornsche Beeklaan qua uitstraling als het ware onderdeel uit van het Bornsche Beekpark.

Basisschool De Vonder is gelegen ten noorden van De Bongerd. Het gebouw ten behoeve van de school is in dezelfde richting en met dezelfde dakhellingen gebouwd als het gebouw van De Bongerd. Ten noorden van de school is momenteel een aantal noodlokalen aanwezig. Tussen de school en De Bongerd loopt een langzaamverkeersroute (de Bongerdsweg) die het westelijk en het oostelijk deel van de Bornsche Maten met elkaar verbindt. De schoollocatie wordt voor het autoverkeer aan de oostzijde ontsloten via de Bornsche Beeklaan en het parkeren ten behoeve van de school vindt plaats op de recent gerealiseerde parkeerplaats bij De Bongerd.

2.2.8 Landgoed Wildiek

Landgoed Wildiek ligt ingeklemd tussen de Bornsebeek met daarachter de woonwijk Stroom Esch, de woonbuurten Nieuw Borne en Beekdalwonen en de Rondweg met aan de andere zijde het beschermde dorpsgezicht Oud Borne. Landgoed Wildiek, ten tijde van het opstellen van dit bestemmingsplan is de eerste woning in aanbouw, wordt vormgegeven als een landschapspark waarbij de aanwezige boerderij behouden blijft en de beplanting het beeld van een authentiek landschapsdecor versterkt.

Alle woningen (15 nieuwe woningen en 2 bestaande woningen) binnen het landschapspark zijn gesitueerd rondom een centraal in het plangebied gelegen brink. Deze brink heeft een informeel karakter en vormt een overwegend groene ruimte binnen het plan. De brink vormt als het ware het erf; de route naar de afzonderlijke woningen, de speelplek buiten de tuinen en de gezamenlijke ruimte die de ruimtelijke samenhang binnen het landschapspark vormgeeft. De woningen, uitsluitend vrijstaande woningen, binnen het landschapspark zijn met de voorzijde georiënteerd op de brink waarbij de voortuinen van de woningen de overgang vormen van de brink naar de woningen.

De randen van het landschapspark, gelegen langs de oevers van de Bornsebeek, worden groen vormgegeven. Deze groene buffer vormt tevens de overgang naar de achterliggende woonwijk Stroom Esch. Daarnaast zal een langzaamverkeersverbinding gerealiseerd worden tussen de twee woonwijken middels een brug over de Bornsebeek.

In het bestemmingsplan Bornsche Maten uitwerkingsplan Landgoed Wildiek is opgenomen dat er twee oeververbindingen gerealiseerd moeten worden tussen het landgoed Wildiek en de Stroom Esch en het kampenlandschap richting de Deurningerbeek. De doelstelling voor de doorsteken en de oeververbindingen was al in eerdere plannen vormgegeven namelijk in het Structuurplan Uitbreiding Borne: 'door de ontwikkeling van Landgoed Wildiek wordt de unieke ruimtelijke en visuele relatie tussen Oud Borne en het kampenlandschap in stand gehouden' en het Masterplan Bornsche Maten: 'Landgoed Wildiek' wordt een landschapspark, met behoud van aanwezige boerderijen en beplantingen in een meer authentiek landschapsdecor. Het Landgoed Wildiek moet voldoen aan het zicht op Oud Borne en de verbindingen tussen Borne en het landschappelijk gebied (recreatief, ecologisch en hydrologisch). Fiets en wandelroutes door het Landgoed Wildiek moeten een goede verbinding garanderen met niet alleen het landelijk gebied maar ook met de wijk Stroom Esch'.

2.3 Functionele structuur

In de voorgaande paragraaf is integraal ingegaan op de stedenbouwkundige invulling van de woonwijk Bornsche Maten. In deze paragraaf zal worden ingegaan op de functionele structuur binnen het plangebied. In de voorgaande paragraaf zijn diverse functies al benoemd en toegelicht, om herhaling te voorkomen worden deze functies in deze paragraaf slechts kort benoemd en eventueel toegelicht.

2.3.1 Wonen

Wonen is de voornaamste functie in het plangebied. In de voorgaande paragraaf is uitgebreid ingegaan op de opbouw van de verschillende woonbuurten en deelgebied.

2.3.2 Maatschappelijke voorzieningen

Binnen het plangebied komen diverse maatschappelijke voorzieningen voor. De thans aanwezige en ook als zodanig in gebruik zijnde maatschappelijke voorzieningen zijn:

  • basisschool De Vonder (Bongerdsweg 2);
  • CJV Borne (Piepersveldweg 5).

Daarnaast is binnen het plangebied sprake van enkele bestemmingen die de uitoefening van een maatschappelijk voorziening mogelijk maken, maar waar nog geen maatschappelijke voorziening aanwezig is. In de volgende uitwerkingsplannen is voorzien in een bestemming die de uitoefening van een maatschappelijke voorziening mogelijk maakt:

  • Bornsche Maten, uitwerking Landgoed Wildiek - bestemming 'Maatschappelijk' (ter hoogte van de aansluiting van de Deurningerweg op de rotonde in de Rondweg);
  • Bornsche Maten, Uitwerkingsplan Bornsche Beekpark - bestemming 'Maatschappelijk' (Bongerdsweg 5-7).

Binnen de bestemmingen 'Maatschappelijk', zoals hiervoor genoemd, is het uitoefenen van activiteiten en het verlenen van diensten op het gebied van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, onderwijs, lichamelijke en/of geestelijke volksgezondheid, verenigingsleven, opvoeding en cultuur toegestaan.

Daarnaast wordt met de ontwikkeling van De Veste tezijnertijd ook voorzien in enkele maatschappelijke voorzieningen zoals een basisschool en sporthal.

2.3.3 Detailhandel en dienstverlening

Vooralsnog is er binnen het plangebied geen detailhandel of dienstverlenende bedrijvigheid aanwezig. Incidenteel kan voor wat betreft dienstverlenende bedrijvigheid sprake zijn van een aan huis verbonden beroep of bedrijf ondergeschikt aan de woonfunctie.

Met de ontwikkeling van De Veste wordt tezijnertijd een kleinschalig voorzieningengebied tot ontwikkeling gebracht waarbij sprake zal kunnen zijn van diverse vormen van detailhandel en dienstverlening.

2.3.4 Horeca

Binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan komen geen zelfstandige horecavoorzieningen voor.

2.3.5 Bedrijven

Binnen het plangebied komen, met uitzondering van aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie, geen bedrijven voor.

2.3.6 Sport-, speel- en recreatieve voorzieningen

Het Bornsche Beekpark vormt het groene hart van de wijk waarbinnen men kan sporten, spelen, recreëren, rusten of anderszins verblijven. Binnen dit park zijn diverse voorzieningen zoals speel- wandel-, fiets-, rust- en andere recreatieve voorzieningen aangebracht. In subparagraaf 2.2.7 is hier al op ingegaan.

Naast het Bornsche Beekpark vervullen ook het Watertorenpark, de parkzone aan de oostelijke zijde van de Bornsebeek, het buurtpark langs de Deurningerweg, de groene bufferzone langs de Europa- en Britanniëlaan, de groene hofjes en de overige openbare voorzieningen een belangrijke functie op het gebied van sport, spel en recreatie.

2.3.7 Kabels, leidingen en straalpaden

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels en of leidingen aanwezig. Langs de oostelijke plangrens, op grondgebied van de gemeente Hengelo, loopt een buisleiding voor brandstof (Defensie Pijpleiding Organisatie) van het ministerie. De zogenoemde belemmeringenstrook van deze leiding bedraagt 12 meter en reikt tot in het plangebied.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland ( de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

In de SVIR wordt een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau gegeven. In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

3.1.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan geeft invulling aan de actualisatieverplichting uit de Wro waarbij bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar opnieuw moeten worden vastgesteld. Hierbij wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen waardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en de huidige (planologische) situatie wordt opnieuw vastgelegd. Derhalve wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen raakt.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Uitgangspunten van de Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel is het integrale provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving van Overijssel. In 2009 is de Omgevingsvisie en -verordening 2009 vastgesteld. Naar aanleiding van monitoring en evaluaties is de Omgevingsvisie en -verordening op onderdelen geactualiseerd. De Actualisatie Omgevingsvisie en -verordening is op 3 juli 2013 vastgesteld door Provinciale Staten en is op 1 september 2013 in werking getreden.

Het provinciaal beleid voorziet primair in de ontwikkeling van woningbouw in bebouwd gebied of in aansluiting op de kernen. De rust en de ruimte van het buitengebied bieden echter ook andere aantrekkelijke woonmilieus, waar mensen goed en plezierig wonen, nu en in de toekomst. De ambitie van de provincie met betrekking tot de invulling van de woonomgeving is gericht op: Aantrekkelijke en gevarieerde woonmilieus die voorzien in woonvraag.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. generieke beleidskeuzes;
  • 2. ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hierna nader toegelicht.

3.2.3.1 Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zogenaamde 'SER-ladder' gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaande bebouwing en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Ecologische Hoofdstructuur en verbindingszones etc. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

3.2.3.2 Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

3.2.3.3 Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisure-laag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

Figuur 3.1 geeft dit schematisch weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0005.png"

Figuur 3.1) Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

3.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien dit bestemmingsplan wordt getoetst aan het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

3.2.4.1 Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' wordt opgemerkt dat met dit bestemmingsplan niet wordt voorzien in nieuwe ontwikkelingen. Dit bestemmingsplan legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Enkel wijzigingen die tussentijds hebben plaatsgevonden, worden meegenomen in dit conserverende bestemmingsplan. Na het onherroepelijk worden van voorliggend bestemmingsplan zullen deze geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen (voor wat betreft het plangebied waar voorliggend bestemmingsplan betrekking op heeft) en de daarin opgenomen bestemmingen komen te vervallen en worden vervangen door de bestemmingen uit dit bestemmingsplan.

Omdat de woonwijk Bornsche Maten nog niet volledig is ontwikkeld en gronden nog onbebouwd zijn of bijvoorbeeld in gebruik zijn als agrarische gronden wordt hierna wel nader ingegaan op de artikelen 2.1.3 en artikel 2.2.2 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 2.1.3: SER-ladder voor de Stedelijke omgeving

Bestemmingsplannen voorzien uitsluitend in stedelijke ontwikkelingen die een extra ruimtebeslag door bouwen en verharden leggen op de groene omgeving wanneer aannemelijk is gemaakt:

  • 1. dat er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied en de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en/of transformatie;
  • 2. dat mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

In de Omgevingsverordening Overijssel is het begrip 'bestaand bebouwd gebied' nader gedefinieerd als: 'de gronden die benut kunnen worden voor stedelijke functies op grond van geldende bestemmingsplannen en op grond van voorontwerp-bestemmingsplannen voor zover de provinciale diensten daarover schriftelijk een positief advies hebben uitgebracht in het kader van het vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro/artikel 10 BRO'.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.1.3 van de Omgevingsverordening Overijssel

Het bestemmingsplan Bornsche Maten is op 28 oktober 2004 vastgesteld door de gemeenteraad van Borne. In de Wro is bepaalt dat bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, opnieuw moeten worden vastgesteld door de gemeenteraad. Dit bestemmingsplan geeft invulling aan deze actualisatieverplichting uit de Wro. Ten aanzien van artikel 2.1.3. van de Omgevingsverordening Overijssel is met name het begrip 'bestaand bebouwd gebied' gebied van belang.

Het thans nog geldende bestemmingsplan Bornsche Maten biedt momenteel al de planologische kaders om de gronden binnen het plangebied, eventueel na uitwerking, te benutten ten behoeve van stedelijke functies zoals woningbouw. Dit bestemmingsplan is op 31 oktober 2006 goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel. Ook aan de daarop volgende bestemmings- en uitwerkingsplannen, voor zover gelegen binnen de grenzen van het plangebied, heeft de provincie Overijssel haar goedkeuring verleend (op basis van de oude WRO) of hiervan heeft zij aangegeven (op basis van de 'nieuwe' Wro) in te kunnen stemmen met deze bestemmings- en uitwerkingsplannen.

Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan artikel 2.1.3. uit de Omgevingsverordening Overijssel. De binnen het plangebied opgenomen gronden worden immers aangemerkt als 'bestaand bebouwd gebied' en kunnen benut worden ten behoeve van stedelijke functies.

Artikel 2.2.2: Nieuwe woningbouwlocaties

  • 1. Bestemmingsplannen en "projectbesluiten" voorzien in de totstandkoming van nieuwe woningbouwlocaties voor zover de nieuwe woningbouwlocatie naar aard, omvang en locatie in overeenstemming is met een woonvisie waarover overeenstemming is bereikt met de buurgemeenten en met Gedeputeerde Staten van Overijssel.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 geldt de eis van overeenstemming met buurgemeenten niet voor buurgemeenten buiten de provincie Overijssel. In dat geval is het voldoende dat aangetoond is dat afstemmingsoverleg heeft plaatsgevonden.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.2.2. van de Omgevingsverordening Overijssel

Het voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Wel biedt het voorliggende bestemmingsplan de nieuwe juridische-planologische kaders voor de verdere ontwikkeling van de woonwijk Bornsche Maten. Hoewel hierbij geen sprake is van een nieuwe woningbouwlocatie wordt, ook om aan te geven dat voldaan wordt aan de provinciale voorwaarden ten aanzien van nieuwe woningbouwlocaties, hier toch nader op ingegaan.

In het thans nog geldende bestemmingsplan Bornsche Maten is uitgebreid onderbouwd dat de woningbouwontwikkeling van de Bornsche Maten in overeenstemming is met het provinciaal beleid (destijds het Streekplan Overijssel 2000+). Dat de ontwikkeling van de woonwijk Bornsche Maten in overeenstemming is met het provinciaal beleid blijkt ook wel uit het feit dat Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel op 31 oktober 2006 haar goedkeuring heeft verleend aan het bestemmingsplan Bornsche Maten.

In de Prestatieafspraken die zijn gemaakt tussen de provincie Overijssel en de gemeente Borne is uitgegaan van een uitbreidingsbehoefte van 555 woningen in de periode van 2010 tot 2015. Tezamen met de vervangende woningbouw en de maatschappelijk opvang komt dat neer op een bouwopgave in die periode van 730 woningen waarvan minimaal 20% (inspanningsverplichting 30%)) dient te worden weggezet in het bestaand stedelijk gebied en 80% in de uitleggebieden (Bornsche Maten). Dit is tevens in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie (zie paragraaf 3.3.3), die is afgestemd met de buurgemeenten.

Overigens is uit een marktanalyse is gebleken dat, rekening houdend met de huidige woningmarkt en de zich voordoende financieel-economische crisis, het oorspronkelijk geplande uitgiftetempo van 250 woningen op jaarbasis niet langer realistisch is. De gemeente heeft daarom besloten tot een tijdelijke temporisering van de woningbouw in Bornsche Maten, waarbij wordt uitgegaan van een uitgiftetempo van circa 105 woningen per jaar. Dit leidt tot een latere voltooiing van de wijk dan oorspronkelijk was gepland. Uitgangspunt blijft het realiseren van het totaalprogramma van 2.700 woningen.

Gezien het vorenstaande en het feit dat het voorliggende bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe woningbouwontwikkelingen maar de huidige (planologische) situatie opnieuw vastlegt, wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan ook in overeenstemming is met artikel 2.2.2. uit de Omgevingsverordening Overijssel.

3.2.4.2 Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied kent op basis van de ontwikkelingsperspectievenkaart van de provincie Overijssel de ontwikkelingsperspectieven:

  • 'Dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus - Woonwijk';
  • 'Dorpen en kernen als veelzijdige leefmilieus - Geplande woonwijk';
  • 'Buitengebied accent veelzijdige gebruiksruimte - Mixlandschap met landbouw, natuur, water en wonen als goede buren'.

Naast de bovengenoemde ontwikkelingsperspectieven zijn de Bornsebeek en enkele andere gronden binnen het plangebied aangemerkt met de ontwikkelingsperspectieven: 'Realisatie blauwe hoofdstructuur' en 'Beekdal'. De Rondweg en de ten westen van de Rondweg gelegen gronden (waaronder het Watertorenpark), voor zover behorend tot het plangebied, zijn tot slot ook aangeduid als 'Stadsrandgebied'.

Figuur 3.2. bevat een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0006.png"

Figuur 3.2) Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Ten aanzien van de voornoemde ontwikkelingsperspectieven wordt opgemerkt dat voorliggend bestemmingsplan enkel invulling geeft aan de actualisatieverplichting uit de Wro waarbij bestemmingsplannen binnen een periode van tien jaar opnieuw moeten worden vastgesteld. Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen maar wordt de huidige (planologische) situatie opnieuw vastgelegd. Enkel wijzigingen die tussentijds hebben plaatsgevonden worden meegenomen in dit conserverende bestemmingsplan. Los hiervan wordt geconstateerd dat de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt aansluiten bij de ontwikkelingsperspectieven.

3.2.4.3 Gebiedskenmerken

Bij toetsing van het ruimtelijke initiatief aan de gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) wordt opgemerkt dat er sprake is van een conserverend bestemmingsplan. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt en de huidige (planologische) situatie wordt opnieuw vastgelegd. Omdat er geen sprake is van een ontwikkelingsgericht bestemmingsplan hoeft ook niet getoetst te worden aan de gebiedskenmerken.

3.2.5 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat dit bestemmingsplan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Borne (ontwerp)
3.3.1.1 Algemeen

De gemeente Borne heeft begin 2008 besloten om voor het totale grondgebied van de gemeente een structuurvisie op te stellen. Deze structuurvisie heeft betrekking op de periode 2010-2030. In het kader van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, die per 1 juli 2008 in werking is getreden, is elke gemeente verplicht één of meerdere structuurvisies op te stellen voor het gehele grondgebied. Naast deze wettelijke verplichting maken nieuwe inzichten, diverse grootschalige plannen en ontwikkelingen in en rond Borne een actueel ruimtelijk sturingsmiddel noodzakelijk. In de structuurvisie zijn ondermeer keuzes gemaakt over de wijze waarop Borne zich binnen de Netwerkstad wil profileren én via welke strategie zij deze keuze concreet wil verwerkelijken. Hiertoe is ingegaan op het imago dat de gemeente Borne wil uitstralen, het profiel dat de gemeente nastreeft en de vraag hoe aan het stedelijk gebied, de bedrijventerreinen en het landelijk gebied ontwikkelen een ‘Borns’ karakter kan worden gegeven.

De structuurvisie omvat tevens een kaart waarop schematisch de voorgestane ontwikkelingen worden weergegeven. Een uitsnede van deze structuurvisiekaart is opgenomen in figuur 3.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0007.png"

Figuur 3.3) Uitsnede structuurvisiekaart (Bron: Gemeente Borne)

Realisatie van de woonwijk Bornsche Maten maakt, zoals ook blijkt uit figuur 3.3., onderdeel uit van de in de structuurvisie benoemde ontwikkelingen. Hierna wordt, aan de hand van de ontwikkelingsvisie voor het stedelijk gebied, een beschrijving gegeven van de woonwijk Bornsche Maten en de ontwikkelingen/ maatregelen die een direct raakvlak hebben met, en van belang zijn voor de woonwijk.

3.3.1.2 Woonwijk Bornsche Maten

Met de woonwijk Bornsche Maten wordt ruimte geboden aan zowel de lokale als een deel van de regionale woningbehoefte. De gemeentelijke ambitie was om in 2030 de wijk Bornsche Maten afgerond te hebben waarbij ruimte wordt geboden aan in totaal 2.700. In het vigerende bestemmingsplan Bornsche Maten zijn circa 2.300 woningen opgenomen waarmee in elk geval kan worden voorzien in de behoefte tot en met 2025. Het uitgangspunt blijft echter de realisatie van 2.700 woningen, deze overige 400 woningen zijn gepland in een reservelocatie.

Ten aanzien van de ambitie om in 2030 de woonwijk Bornsche Maten afgerond te hebben wordt opgemerkt dat door de huidige economische crisis het oorspronkelijk geplande uitgiftetempo van 250 woningen op jaarbasis niet langer realistisch is. De gemeente heeft daarom besloten tot een tijdelijke temporisering van de woningbouw in Bornsche Maten, waarbij wordt uitgegaan van een uitgiftetempo van circa 105 woningen per jaar. Dit leidt tot een latere voltooiing van de wijk dan oorspronkelijk is gepland.

Het eindbeeld van de Bornsche Maten is een wijk die past binnen de identiteit en het karakter van de gemeente Borne. De woningen in de wijk zijn van hoge kwaliteit en geschikt voor alle doelgroepen. In de wijk wordt voldoende ruimte geboden aan water (met name de Bornsebeek) en groen en de wijk kent goede uitloopmogelijkheden naar het aangrenzende buitengebied.

Om de aansluiting van de woonwijk Bornsche Maten op de kern Borne te verbeteren is de gemeente voornemens een 'knip' aan te brengen in de Rondweg/ N743 ter hoogte van Bornsche Maten. Dit wordt noodzakelijk geacht omdat de huidige Rondweg als gevolg van een hoge verkeersintensiteit een barrière vormt tussen de kern van Borne en de woonwijk Bornsche Maten. Deze 'knip' maakt een goede aansluiting en oriëntatie van de Bornsche Maten op de kern van Borne mogelijk en zal de ruimtelijke kwaliteit sterk verbeteren.

De 'knip' kan echter pas gerealiseerd worden als er een goede alternatieve route voorhanden is in de vorm van een nieuwe randweg aan de westzijde van Borne. Inmiddels is duidelijkheid verkregen omtrent de route van deze nieuwe randweg. In subparagraaf 3.3.5 wordt hier nader op ingegaan.

3.3.2 Structuurplan uitbreiding Borne
3.3.2.1 Algemeen

Het Structuurplan Uitbreiding Borne is in 2002 vastgesteld, waarna in 2004 een verkeersparagraaf (Verkeersstructuur Uitbreiding Borne; nut en noodzaakstudie) is toegevoegd. Het structuurplan is opgesteld om op (korte) termijn de ontwikkeling van woningbouw- en bedrijvenlocaties mogelijk te maken en een samenhangende en integrale ruimtelijke visie voor het te voeren ruimtelijk beleid voor het gemeentelijk grondgebied te hebben. Het structuurplan heeft een looptijd tot 2020.

Aan de hand van een uitgebreid vooronderzoek is uiteindelijk een voorkeursmodel gekozen. Dit model vormt de basis voor het structuurplan. In dit voorkeursmodel staat de kwaliteit van het landschap voorop. Het programma voor onder andere woningbouw is daarop aangepast. In figuur 3.4 is een uitsnede van de plankaart behorende bij het Structuurplan uitbreiding Borne opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0008.png" Figuur 3.4) Uitsnede structuurplankaart (Bron: Gemeente Borne)

3.3.2.2 Woonwijk Bornsche Maten

Ten aanzien van de woonwijk Bornsche Maten is in het structuurplan het volgende bepaald:

  • Er wordt uitgegaan van ongeveer 2.700 woningen in de Bornsche Maten. Stedelijke dichtheden zijn niet gewenst. De Bornsche Maten wil voorzien in de Twentse behoefte aan groenstedelijke en landelijke woonmilieus, gericht op midden- en hoge inkomens.
  • De nieuwe woonwijk krijgt een landelijk karakter, doordat de natuur zichtbaar wordt.
  • De integratie van de Bornsebeek heeft een natuurontwikkelings-, een recreatieve en een visueel-ruimtelijke functie.
  • De beken maken onderdeel uit van een brede groenstructuur. Op deze wijze kunnen herkenbare woonbuurten van een beperkte omvang worden gecreëerd, die optimaal gebruik kunnen maken van de aanwezige landschappelijke kwaliteiten.
  • In het woongebied wordt water gescheiden op basis van kwaliteit.
  • De groene bufferzone is bedoeld als een merkbare scheiding tussen Borne en Hengelo.
  • De Bornsche Maten is vooral gericht op de voorzieningen van het huidige Borne.
  • De Bornsche Maten wordt mogelijk aangesloten op het Hoogwaardig Openbaar Vervoersnetwerk.

Het wonen in de Bornsche Maten kenmerkt zich door de vele uitloopmogelijkheden naar het buitengebied. Het aantrekkelijke landschap is op vele plaatsen vanuit de wijk te zien. In dit gebied is tevens de Bornsebeek geïntegreerd in de geleding van de verschillende buurten. De nieuwe woonwijk heeft een landelijk karakter, doordat de natuur zichtbaar is gemaakt. Naast geleding van de wijk heeft dit water ook een natuurontwikkelings-, een recreatieve en een visueel-ruimtelijke functie. De beken maken onderdeel uit van een brede groenstructuur. Op deze wijze zijn herkenbare woonbuurten van een beperkte omvang gecreëerd die optimaal gebruik maken van de aanwezige landschappelijke kwaliteiten. Het nieuwe woongebied kenmerkt zich doordat het oppervlakte ‘niet-uitgeefbaar’ verhard terrein (straten en pleinen) relatief laag is ten opzichte van het onverharde terrein (openbaar groen, tuinen en oppervlaktewater).

3.3.3 Woonvisie Borne (2010)
3.3.3.1 Algemeen

De Woonvisie Borne 2010-2014 heeft het Woonplan 2002-2006 vervangen. Met de Woonvisie Borne 2010-2014 wordt geen volledig nieuw beleid ingezet, maar wordt in grote lijnen het ingezette beleid voortgezet. Er doen zich echter diverse fundamentele ontwikkelingen voor, waardoor de woningmarkt sterk verandert. Zo neemt landelijk en regionaal de bevolkingsgroei af en verandert de samenstelling van de bevolking; de vergrijzing neemt toe, het aantal personen per huishouden blijft nog even dalen en het aantal eenpersoonshuishoudens neemt toe. Hiermee houdt deze nieuwe Woonvisie rekening.

De woonvisie is voorgelegd aan onder andere de buurgemeenten, waarbij overeenstemming is bereikt over het te voeren woonbeleid zoals dat in de Woonvisie omschreven is.

3.3.3.2 Visie op het wonen

De woningvoorraad van Borne is niet alleen permanent onderhevig aan vernieuwing en verbetering, maar wordt de komende jaren tevens uitgebreid. Borne biedt ruimte aan zowel de lokale als een deel van de regionale woningbehoefte in het uitbreidingsplan Bornsche Maten. In de visie staan de volgende punten centraal:

  • Groei en kwaliteit: de toevoeging van woningen met hoge kwaliteit voor alle doelgroepen, waarbij de mogelijkheid geboden wordt om een volledige wooncarrière op te bouwen.
  • Stad en landelijk gebied: het optimaal benutten van kansen vanuit het landelijk als vanuit het stedelijk gebied.
  • Vitale voorzieningen en een aangename kleinschaligheid: inzetten op sociale structuren, fysieke omstandigheden en economische dynamiek op kleinschalige, Bornse schaal.
  • Doelgroepen: levensloopbestendige woningen voor senioren, een actief doorstromingsbeleid om een wooncarrière binnen Borne mogelijk te maken, realiseren van passende woon- en opvangprojecten voor bijzondere doelgroepen.
3.3.3.3 Woningbouwprogramma

De gemeente Borne heeft voor de periode tot voorbij 2020 een omvangrijk woningbouwprogramma waarvan een groot deel in het uitbreidingsgebied Bornsche Maten wordt ontwikkeld. Over dit woningbouwprogramma zijn prestatieafspraken met de provincie gemaakt. Daarin zijn de in de afgelopen jaren gemaakte afspraken met betrekking tot het woningbouwprogramma verdisconteerd (zie ook 3.2.4.1).

Aangezien het hierbij gaat om een relatief groot aantal woningen voor een kleine gemeente, is er voortdurend sprake van monitoring en evaluatie en zijn een adequate planning en fasering voor de realisatie van Bornsche Maten van groot belang. Daartoe heeft de gemeente een marktanalyse (STEC) laten opstellen. Hieruit is gebleken dat, rekening houdend met de huidige woningmarkt en de zich voordoende financieel-economische crisis, het oorspronkelijk geplande uitgiftetempo van 250 woningen op jaarbasis niet langer realistisch is. De gemeente heeft daarom, naar aanleiding van de hierboven genoemde marktanalyse en de gemaakte Prestatieafspraken met de provincie, besloten tot een tijdelijke temporisering van de woningbouw in Bornsche Maten, waarbij wordt uitgegaan van een uitgiftetempo van circa 105 woningen per jaar. Dit leidt tot een latere voltooiing van de wijk dan oorspronkelijk gepland. Uitgangspunt blijft het realiseren van het totaalprogramma van 2.700 woningen.

Voor 2.300 woningen daarvan geldt dat deze in het vigerend bestemmingsplan Bornsche Maten, en ook in het voorliggend bestemmingsplan zijn opgenomen. Dit aantal is eveneens doorvertaald in het woningbouwprogramma zoals opgenomen in de woonvisie. Met deze 2.300 woningen kan de gemeente Borne vooruit tot 2025. De overige 400 woningen zijn gepland in een reservelocatie voor de periode daarna.

3.3.3.4 Aanvulling Woonvisie 2010-2014

Op 2 oktober 2012 is de 'Aanvulling Woonvisie 2010-2014' door de gemeenteraad vastgesteld. Deze aanpassing was noodzakelijk om, vanuit het woonbeleid en het bijbehorende woningbouwprogramma, individuele verzoeken tot toevoegingen van woningbouw in bestaand stedelijk gebied beter te kunnen reguleren. Het toevoegen van extra woningen naar aanleiding van individuele verzoeken ging namelijk ongewenst ten koste van het woningbouwprogramma voor andere woningbouwprojecten zoals de Bornsche Maten. Om dit te voorkomen, is de woonvisie aangevuld. Hierbij is opgenomen dat de toevoeging van woningen in het bestaand stedelijk gebied alleen toegestaan wordt als er aantoonbaar sprake is van het oplossen van een ruimtelijk-maatschappelijk ongewenste situatie.

3.3.4 Masterplan Bornsche Maten

Het planconcept voor de Bornsche Maten is vastgelegd in het Masterplan Bornsche Maten (zie figuur 3.6). De hoofdstructuur bestaat uit een duurzaam raamwerk dat is samengesteld uit het centraal gelegen Bornsche Beekpark, het Park Oud Borne als overgang naar het landschap, een bufferzone tussen Hengelo en Borne en een combinatie van waterlopen, groenzones, oude landwegen, nieuwe fietsroutes en bebouwingswanden. De hoofdstructuur begeleidt de verstedelijking en omkadert de zeven verschillende woonbuurten die in de Bornsche Maten worden gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0009.png"

Figuur 3.6) Planconcept Bornsche Maten (Bron: Gemeente Borne)

De stedenbouwkundige hoofdstructuur zoals beschreven in het Masterplan Bornsche Maten, het masterplan is eveneens opgenomen in Bijlage 1 bij deze toelichting, is juridisch doorvertaald in het bestemmingsplan Bornsche Maten. Het masterplan legde de nadere invulling van de wijk Bornsche Maten slechts op hoofdlijnen vast. Het bestemmingsplan Bornsche Maten kreeg daarom een globaal karakter en werd met het oog op flexibiliteit voor een groot deel voorzien van een uitwerkingsplicht.

Het voert te ver om het Masterplan Bornsche Maten, mede gezien het feit dat in paragraaf 2.2 al een beschrijving is gegeven van de diverse woonbuurten en deelgebieden, hier uitgebreid toe te lichten. Dit temeer omdat de juridisch relevante uitgangspunten zijn doorvertaald in het bestemmingsplan Bornsche Maten en het voorliggend bestemmingsplan conserverend van aard is en de huidige (planologische) situatie enkel opnieuw vastgelegd. Wel is het Masterplan Bornsche Maten, althans de beschrijving zoals opgenomen in het bestemmingsplan Bornsche Maten, integraal opgenomen als bij deze toelichting.

3.3.5 Mobiliteitsvisie 2011-2020
3.3.5.1 Algemeen

Borne wil nu en in de toekomst kunnen voorzien in de mobiliteitsbehoefte van haar eigen inwoners en van de productie-, distributie- en (landbouw)bedrijven in haar gemeente. Om dit te bereiken is het Integraal VerkeersPlan (IVP) opgesteld. De Mobiliteitsvisie 2011-2020, vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2012, is een verdieping van het IVP en vindt met name zijn beslag in de recente onderzoeken die zijn uitgevoerd naar een aantal grotere infrastructuurprojecten waarvoor de gemeente Borne zich de komende jaren gesteld ziet.

Ten aanzien van de woonwijk Bornsche Maten is met name de 'knip' in de Rondweg (N743) van belang. Hierop wordt hierna ingegaan.

3.3.5.2 'Knip' in de Rondweg

Om de barrièrewerking van de N743 ter hoogte van de Bornsche Maten op te heffen, zal de N743 in toekomst fysiek worden geknipt. Die knip kan pas worden gemaakt als een alternatieve route in de vorm van een Westelijke Randweg is gerealiseerd. De Randweg moet een oplossing bieden voor het doorgaande verkeer door Borne én Zenderen.

Door het aanbrengen van een knip in de N743 ter hoogte van Bornsche Maten ontstaat de mogelijkheid om de huidige N743 tussen de Regionale Westelijke Randweg en rotonde 'Bontekoe' als erftoegangsweg in te richten.

3.3.6 Groenbeleidsplan

De gemeente Borne heeft haar groenbeleid voor de bebouwde kommen in de gemeente uitgewerkt in het groenbeleidsplan 2008-2018. De gemeente wil nadrukkelijk streven naar behoud en verbetering van haar groenstructuren en de kwaliteit van de groene ruimte. Ze wil deze zo goed mogelijk verankeren in de toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen. De verbeterpunten zijn middels streefbeelden vastgelegd. In het beleidsplan is met name de kwaliteit van afwikkeling van de dorpsranden en de opwaardering van de groenvoorzieningen op buurtniveau genoemd.

Dit bestemmingsplan omvat geen nieuwe ontwikkelingen maar legt enkel de bestaande (planologische) situatie opnieuw vast. De grotere groenstructuren krijgen een groenbestemming. De groenelementen die de wegen in het plangebied begeleiden worden veelal opgenomen binnen een verkeersbestemming.

3.3.7 Conclusie

Realisatie van de Bornsche Maten is in nagenoeg elk hiervoor behandeld beleidsdocument een belangrijk speerpunt van het gemeentelijk beleid. Het voorliggend bestemmingsplan vormt het nieuwe juridisch-planologisch kader voor de woonwijk Bornsche Maten. Hierbij wordt niet voorzien in geheel nieuwe ontwikkelingen maar wordt de huidige (planologische) situatie opnieuw vastgelegd en zodoende invulling gegeven aan de actualisatieverplichting uit de Wro. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Besluit milieueffectrapportage

4.1.1 Algemeen

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r.

Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:

  • Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is;
  • Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen).
  • Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordlingsplichtig.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.
4.1.2 Situatie plangebied

In het kader van het bestemmingsplan Bornsche Maten is een MER opgesteld. Deze MER is gebruikt om op inzichtelijke wijze de te maken ruimtelijke keuzes in beeld te brengen, afgezet tegen de relevante milieugevolgen, waarbij uiteindelijk op basis van één van de uitgewerkte inrichtingsvarianten gekomen is tot een meest milieuvriendelijk alternatief. Hierbij is de Commissie voor de m.e.r. in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over de opgestelde rapportage. De Commissie m.e.r. heeft een positief toetsingsadvies uitgebracht over het milieueffectrapport Bornsche Maten.

De uitgewerkte inrichtingsvariant is uiteindelijk juridisch-planologisch verankerd in het bestemmingsplan Bornsche Maten. Het voorliggend bestemmingsplan betreft een actualisatie van dit bestemmingsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de actualiseringsverplichting uit de Wro. Dit bestemmingsplan is dan ook overwegend conserverend van aard en voorziet ten opzichte van het geldend planologisch regiem niet in nieuwe ontwikkelingen die op basis van het geldend bestemmingsplan al niet bij recht mogelijk waren.

Hoewel dit bestemmingsplan conserverend van aard is, omvat dit plan wel een nog uit te werken plandeel in de vorm van de bestemming 'Gemengd - Uit te werken', zijn binnen de diverse bestemmingen afwijkingsmogelijkheden opgenomen en is een algemene wijzigingsregel opgenomen waarmee onder andere woningbouw mogelijk gemaakt kan worden. Het uit te werken plandeel is echter beperkt van aard en omvang en de diverse afwijkingsmogelijkheden maken het enkel mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Ook de algemene wijzigingsregel leidt niet tot een wezenlijk ander plan en is beperkt van aard en invloed.

Gezien het vorenstaande en de aard van dit bestemmingsplan wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan niet zodanige ontwikkelingen mogelijk maakt dat sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 voor de realisering van bepaalde 'projecten' binnen het bestemmingsplan is dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

Wel is dit bestemmingsplan kaderstellend (kolom 3 (plannen)) aangezien sprake is van een nog uit te werken plandeel en een wijzigingsbevoegdheid waarmee bestemmingen kunnen worden gewijzigd ten behoeve van onder andere woningbouw. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is bepaald dat stedelijke ontwikkelingsprojecten m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van:

  • een oppervlakte van 100 hectare of meer:
  • indien het gebied 2000 woningen of meer omvat;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien het vorenstaande en de omvang van het nog uit te werken plandeel (circa 150 tot 200 woningen op een oppervlakte van circa 1,78 hectare) en overige ontwikkelingsregels van dit bestemmingsplan kan ook bij een maximale invulling worden geconcludeerd dat geen sprake is van een m.e.r.-plichtige activiteit. In de gebieden waar momenteel al woningbouw mogelijk is, kunnen nog circa 500 woningen worden gerealiseerd. De oppervlakte van deze gebieden bedraagt aanzienlijk minder dan 100 hectare waardoor ook hier geen sprake van een een m.e.r.-plicht.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er dat sprake is van een ander schaalniveau en een activiteit die kleinschaliger is. Daarnaast blijkt uit de navolgende paragrafen dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure

4.1.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.2 Geluid

4.2.1 Wettelijk kader

De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De Wgh heeft tot doel om geluidhinder te voorkomen en te beperken. Om deze hinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidsniveaus zijn verschillende grenswaarden opgenomen in de Wgh. In de Wgh zijn twee soorten grenswaarden opgenomen; de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare gevelbelasting.

  • Voorkeursgrenswaarde: met deze waarde wordt voor geluidgevoelige bebouwing binnen de invloedssfeer van een geluidsbron (weg, spoorweg enz.) een vrij goede woon-/leefsituatie gegarandeerd.
  • Maximaal toelaatbare gevelbelasting: deze waarde geeft de maximaal toelaatbare gevelbelasting voor geluidgevoelige bebouwing binnen de invloedssfeer van een geluidsbron weer.

De hoogte van de maximaal toegestane gevelbelasting is onder andere afhankelijk van de geluidsbron (weg- of railverkeer) en de ligging van de geluidgevoelige bebouwing (stedelijk of buitenstedelijk gebied). Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk.

Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een ‘hogere waarde’ genoemd (‘hoger’ in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.

4.2.2 Situatie plangebied
4.2.2.1 Wegverkeer

Ten aanzien van de woonwijk Bornsche Maten is de geluidsbelasting van een drietal wegen met name van belang. Dit betreffen:

  • Rondweg (N743);
  • Bornsche Beeklaan;
  • Europalaan/ Britanniëlaan.

Rondweg (N743)

Het voornemen bestaat om ter hoogte van de Bornsche Maten de Rondweg fysiek te knippen. Met de realisatie van deze knip zal de geluidsbelasting als gevolg van de Rondweg ter hoogte van de Bornsche Maten (grotendeels) verdwijnen. Deze knip kan echter pas worden gemaakt als een alternatieve route in de vorm van een Westelijke Randweg is gerealiseerd (zie ook subparagraaf 3.3.5.2).

In het bestemmingsplan Bornsche Maten was ook rekening gehouden met het knippen van de Rondweg door ter hoogte van deze weg enkele wijzigingsbevoegdheden op te nemen waarmee de verkeersbestemming gewijzigd kon worden. Deze wijzigingsbevoegdheden zijn integraal, in artikel 6.6 overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

Echter omdat de weg in het bestemmingsplan Bornsche Maten bestemd was als 'Verkeersdoeleinden' en deze weg haar regionale ontsluitingsfunctie nog steeds had (en nog steeds heeft), is in het kader van het bestemmingsplan Bornsche Maten akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van deze weg op de omgeving. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn de geluidscontouren van 50 dB(A) en 55dB(A)) op de plankaart van het bestemmingsplan Bornsche Maten opgenomen.

Met de ontwikkeling van de woonbuurten Oost Esch en Nieuw Borne (de woonbuurten waar directe bouwmogelijkheden gelden) zijn voor die delen van de woonbuurten die zijn gelegen binnen de geluidscontour van de Rondweg hogere grenswaarden verleend. Ten behoeve van de diverse uitwerkingsplannen is, voor zover hierbij sprake is van geluidsgevoelige objecten die zijn gelegen binnen de zone van de Rondweg, akoestisch onderzoek verricht. Indien noodzakelijk zijn ook hiervoor hogere grenswaarden verleend.

Gezien het vorenstaande is er voor wat betreft de bestemmingen waarbinnen de realisatie van woningen (geluidsgevoelige objecten) mogelijk is, geen sprake meer is van belemmeringen. Deze bestemmingen worden derhalve ook overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan zonder restricties ten aanzien van de realisatie van geluidsgevoelige objecten.

Bornsche Beeklaan

Ten aanzien van de Bornsche Beeklaan is in het kader van het bestemmingsplan Bornsche Maten indicatief akoestisch onderzoek verricht. Inmiddels is de Bornsche Beeklaan nagenoeg gerealiseerd en ligt het tracé van deze weg vast. In het kader van de aanleg van deze weg, die voor een groot deel is meegenomen in het uitwerkingsplan Bestemmingsplan Bornsche Maten, uitwerkingsplan Bornsche Beekpark, is gericht akoestisch onderzoek verricht naar de geluidsbelasting van de Bornsche Beeklaan. In het verrichte onderzoek is uitgegaan van de meest ongunstige situatie waarbij de Rondweg ter hoogte van de Bornsche Maten is geknipt (zie ook 3.3.5.2). Gebleken is dat de 48 dB contour op circa 30 meter vanuit de as van de weg is gelegen.

Ook in het kader van de uitwerkingsplannen voor de woonbuurten Singelwonen en Tuinstad zijn akoestische onderzoeken verricht. Uit deze onderzoeken is gebleken dat slecht in enkele gevallen voor woningen gelegen langs de Bornsche Beeklaan en gelegen op een afstand van circa 30 meter uit de as van de Bornsche Beeklaan, de geluidsbelasting 1 á 2 dB hoger was dan 48 dB. In deze gevallen zijn hogere grenswaarden vastgesteld.

Op basis van het bestemmingsplan Bornsche Maten wordt in het geval van de woonbuurten Nieuw Borne en Oost Esch voorzien in directe bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Woondoeleinden'. Deze woonbuurten zijn nog niet geheel gerealiseerd. Ook in dit bestemmingsplan wordt, voor wat betreft enkele nog niet met woningbouw ontwikkelde delen, voorzien in een woonbestemming, dit conform het geldende bestemmingsplan. Tussen deze woonbestemming en de Bornsche Beeklaan bevindt zich voor een groot deel het Bornsche Beekpark waardoor er sprake is van een ruime tussenliggende afstand. In verband hiermee en gezien het vorenstaande mag ervan worden uitgegaan dat de geluidsbelasting op de hier nog te realiseren woningen niet hoger zal zijn dan 48 dB.

Ten aanzien van het nog uit te werken gebied (De Veste)) wordt opgemerkt dat in de uitwerkingsregels als voorwaarde is opgenomen dat bij de uitwerking de in de Wet geluidhinder aangegeven maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel van een woning in acht dient te worden genomen. De maximaal toelaatbare geluidbelasting op de gevel kan ook de toegestane geluidsbelasting betreffen nadat een hogere grenswaarde is vastgesteld.

Europalaan/ Britanniëlaan

Binnen de zone van de Europalaan/ Britanniëlaan bevinden zich de woonbuurten Singelwonen, Tuinstad en een klein deel van het Bornsche Beekpark. Enkel binnen de woonbuurten Singelwonen en Tuinstad is daarbij sprake van geluidsgevoelige objecten.

Ten behoeve van de voor deze woonbuurten opgestelde uitwerkingsplannen is, o.a. in verband met de Europalaan/ Britanniëlaan, akoestisch onderzoek verricht. Indien noodzakelijk zijn hierbij al hogere grenswaarden verleend waardoor er voor wat betreft deze woonbuurten en de nog te realiseren geluidsgevoelige objecten geen sprake meer is van belemmeringen. De voor deze woonbuurten uitgewerkte bestemmingen worden overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan zonder restricties ten aanzien van de realisatie van geluidsgevoelige objecten.

4.2.2.2 Railverkeerslawaai

Dit bestemmingsplan is conserverend van aard en de huidige (planologische) situatie wordt opnieuw vastgelegd. Daarbij is het plangebied ruim buiten de wettelijke geluidszone van de spoorlijn Hengelo-Almelo gelegen. Het aspect railverkeerslawaai vormt derhalve geen belemmering.

4.2.2.3 Industrielawaai

Het plangebied is niet gelegen binnen de zone van een gezoneerd bedrijventerrein. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de binnen het plangebied toegestane en in de omgeving aanwezige bedrijvigheid.

4.2.3 Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Het aspect geluid vormt voor de reeds tot ontwikkeling of planologisch uitgewerkte delen geen belemmering.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

4.3.1 Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (2009) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

4.3.2 Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken met het gebiedstype 'rustige woonwijk' aangezien het plangebied zich kenmerkt door woningbouw.

4.3.3 Situatie plangebied

Met het leggen van de bestemmingen in het kader van het bestemmingsplan Bornsche Maten en de daarop volgende uitwerkingsplannen is rekening gehouden met in de omgeving voorkomende bedrijvigheid. Zo is in het geldend bestemmingsplan aan de zijde van het bedrijventerrein Westermaat een aanduiding 'bufferzone' op de plankaart opgenomen. In de regels is hierbij bepaald dat deze zone uitsluitend bedoeld is voor groen-, water- en sportvoorzieningen alsmede voor verkeer- en verblijfsdoeleinden. In diverse uitwerkingsplannen is deze 'bufferzone' nader uitgewerkt in definitieve bestemmingen waarbij geen bouwmogelijkheden voor woningen of andere milieugevoelige functies geboden worden. Deze bestemmingen worden in dit bestemmingsplan overgenomen. Hierdoor is geen sprake van belemmeringen voor de bedrijven op het bedrijventerrein Westermaat. Daarnaast is hiermee een goed woon- en leefklimaat in het plangebied verzekerd.

Voor wat betreft het nog uit te werken gebied, het westelijk deel van De Veste, brengt het voorliggend bestemmingsplan geen wijzigingen met zich mee qua bouw- en gebruiksmogelijkheden. Dit gebied behoud een uit te werken bestemming.

Ten aanzien van dit agrarisch bedrijf wordt opgemerkt dat op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' de grootste richtafstand ook veelal geldt voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningplichtige veehouderijen bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.12 nader op ingegaan. Indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten, geldt veelal een grootste richtafstand van 30 of 50 meter (afhankelijk van het type bedrijf) voor het aspect geluid. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf, betreft het agrarisch bedrijf aan de Deurningerweg 51, op een afstand van circa 435 meter van het plangebied. Gezien het feit dat ruimschoots wordt voldaan aan deze richtafstand wordt geconcludeerd dat dit agrarisch bedrijf in het kader van milieuzonering geen belemmering vormt.

Binnen het plangebied komen, met uitzondering van aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie, geen bedrijven voor. Wel komen er diverse functies voor of worden er functies gerealiseerd die tevens worden genoemd in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. In het voorliggend geval betreffen dit de thans aanwezige maatschappelijke voorzieningen (zie 2.3.2) en de hierbij behorende bestemming en enkele vormen van detailhandel en dienstverlening (zie ook 2.3.3) die nog gerealiseerd moeten worden in woonbuurt De Veste. Ten aanzien van deze (nog te realiseren) functies in relatie tot de binnen en buiten het plangebied aanwezige milieugevoelige functies (zoals woningen) wordt opgemerkt dat deze functies, op basis van de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering', veelal ingeschaald worden in de milieucategorie 1. Slechts in enkele gevallen zal hierbij sprake zijn van of de kaders worden geboden voor een functie in de milieucategorie 2. Overigens worden beide milieucategorieën over het algemeen, gezien hen geringe milieubelasting, toelaatbaar geacht naast of onmiddellijk boven woonbebouwing.

4.3.4 Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard en legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Ten aanzien van het aspect milieuzonering wordt geconcludeerd dat geen sprake is van belemmeringen.

4.4 Bodem

4.4.1 Wettelijk kader

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd.

4.4.2 Situatie plangebied

Het voorliggende bestemmingsplan betreft een actualisatie van enkele geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen. Het plan ten opzichte hiervan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en legt enkel de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Om deze reden is een bodemonderzoek niet vereist.

Overigens zijn in het kader van de ontwikkeling van de Bornsche Maten wel diverse bodemonderzoeken uitgevoerd. Het voert te ver om de resultaten van al deze onderzoeken, mede gezien het feit dat deze in het kader van dit bestemmingsplan niet relevant zijn, hier toe te lichten. Samengevat kan worden geconcludeerd dat daar waar sprake is van directe bouwmogelijkheden, onderzoek heeft aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik.

4.4.3 Conclusie

Het voorliggend bestemmingsplan is conserverend van aard en legt enkel de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Gezien het feit dat voorliggend bestemmingsplan niet voorziet in nieuwe ontwikkelingen en niet direct bodemroerende activiteiten tot gevolg heeft, is het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van deze bestemmingsplanherziening niet noodzakelijk.

4.5 Archeologische en cultuurhistorische waarden

4.5.1 Archeologie
4.5.1.1 Algemeen

Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'.

Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer, voorafgaand aan bodemingrepen, archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

4.5.1.2 Situatie plangebied

Algemeen

De gemeente Borne heeft op 18 november 2002 RAAP Archeologisch Adviesbureau opdracht gegeven voor het opstellen een gespecificeerd verwachtingsmodel voor onder andere het plangebied van de Bornsche Maten. Het onderzoek bestond uit het vervaardigen van een verwachtingskaart (bureauonderzoek) en een beknopte veldinspectie om de verwachtingskaart te toetsen. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 2 bij deze toelichting. De uitgevoerde verwachtingskaart is achter het onderzoek gevoegd.

Op basis van de resultaten van dit archeologisch onderzoek zijn er aanbevelingen gedaan voor een nader inventariserend archeologisch onderzoek door middel van kartering (boringen) en proefsleuven. In dit onderzoek wordt diverse malen verwezen naar gebieden (bijvoorbeeld Zuid Esch of Grutterskamp). De locatie van deze gebieden wordt tevens weergegeven op de verwachtingskaart.

Archeologisch vooronderzoek: kartering en proefsleuven Bornsche Maten

Tussen 2004 en 2006 heeft in het plangebied een inventariserend veldonderzoek plaatsgevonden (opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting). Dit onderzoek (projectcode: BOWW2 - datum: mei 2006), dat voortborduurde op de resultaten van de veldinspectie uit 2003, bestond in eerste instantie uit een combinatie van karterend booronderzoek en oppervlaktekartering (in dit onderzoek wordt diverse malen verwezen naar gebieden (bijvoorbeeld Zuid Esch of Grutterskamp). De locatie van deze gebieden wordt weergegeven op de archeologische verwachtingskaart).

Uitkomst van het onderzoek, voor zover relevant, was dat in twee gebieden, Zuid-Esch en Grutterskamp, sprake was behoudenswaardige vindplaatsen die in aanmerking kwamen voor opgraving. Het proefsleuvenonderzoek op de Aakamp heeft uitgewezen dat deze vindplaats niet behoudenswaardig was. Een opgraving werd hier niet zinvol geacht.

Opgemerkt wordt dat de gemeenteraad op 30 juni 2009 een archeologische verwachtingskaart voor het gehele grondgebied van de gemeente heeft vastgesteld. De resultaten van de hiervoor genoemde onderzoeken zijn verwerkt in deze archeologische verwachtingskaart. De resultaten van de hierna genoemde onderzoek of opgravingen zijn niet meegenomen in de archeologische verwachtingskaart.

Opgraving Zuid Esch

Op de locatie Zuid Esch heeft een opgraving plaatsgevonden. In de rapportage Bornsche Maten - Zuid Esch (projectcode: BOWW4 - datum: 21 september 2007) worden onder andere de resultaten en de vondsten beschreven. Omdat de resultaten en vondsten in het kader van dit bestemmingsplan niet relevant zijn is dit onderzoek niet opgenomen als bijlage.

Naar aanleiding van de diverse uitgevoerde onderzoeken en deze opgraving is met de vaststelling van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten, 1ste partiële herziening' de aanduiding 'archeologische locatie', zoals was opgenomen op de verbeelding van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten', voor wat betreft de deelgebieden Nieuw Borne en Oost Esch komen vervallen. Archeologische resten waren immers niet aanwezig of zijn, voor zover deze aanwezig waren en behoudenswaardig, opgegraven.

Opgraving Grutterskamp

Ook op de locatie Grutterskamp heeft een opgraving plaatsgevonden. In de rapportage Bornsche Maten - Grutterskamp (projectcode: BOWW7 - datum: 4 juli 2009 ) worden onder andere de resultaten en de vondsten beschreven. Omdat de resultaten en vondsten in het kader van dit bestemmingsplan niet relevant zijn is dit onderzoek niet opgenomen als bijlage.

Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek deelgebied Wilde Wonen

Het deelgebied Wilde Wonen kon in het kader van het inventariserend veldonderzoek (zie Bijlage 2 en Bijlage 3) niet onderzocht worden vanwege het ontbreken van toestemming van de toenmalige eigenaar. Nadat de gemeente het gebied in eigendom heeft gekregen is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd.

Het onderzoek (projectcode: BOBM - datum januari 2011) heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de aanwezigheid van substantiële archeologische resten in de ondergrond. Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek werd daarom geen aanvullend archeologisch onderzoek aanbevolen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de onderzoeksrapportage die is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting.

4.5.2 Cultuurhistorie
4.5.2.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

4.5.2.2 Situatie plangebied

Rijksmonumenten komen binnen het plangebied niet voor. Wel komt binnen het plangebied een gemeentelijk monument voor aan de Deurningerweg 1/3 (Erve Wildiek). Van de hier aanwezige opstallen is één van de schuren, een oud woonhuis, aangemerkt als een gemeentelijk monument. Hier is sprake van een eeuwenoud eiken binnenwerk met oude lettertekens. Een constructie die veel voorkwam in Twentse schuren/ boerderijen. Dit monument wordt beschermd via de gemeentelijke monumentenverordening. In het bestemmingsplan is daarom geen beschermende regeling opgenomen.

Voor het overige komen binnen het plangebied geen monumenten voor. Wel is sprake van enkele cultuurhistorisch waardevolle panden en terreinen. Dit betreffen De Bongerd en de gedenkplaats voor gevallen in de W.O. II.

De Bongerd

Cultuurhistorisch gezien hebben de boomgaard en de fundering van de Bongerd de grootste waarde. Ten aanzien hiervan wordt opgemerkt dat voor wat betreft De Bongerd en ter bescherming van eventueel aanwezige waarden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' is opgenomen. De boomgaard is niet specifiek bestemd of beschermd op basis van voorliggend bestemmingsplan.

Gedenkplaats gevallen W.O. II

De gedenkplaats voor gevallen van W.O. II wordt beschouwd als een beschermingswaardig object. In de regels van dit bestemmingsplan is de gedenkplaats, binnen de bestemming 'Groen' specifiek aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding - oorlogsmonument'. In de regels zijn bepalingen opgenomen voor de instandhouding en bescherming van de gedenkplaats.

4.5.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe bestemmingen maar legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Daar waar noodzakelijk wordt, zoals in het voorgaande beschreven, een regeling in dit bestemmingsplan opgenomen ter bescherming van archeologische en/of cultuurhistorische waarden.

4.6 Waterparagraaf

4.6.1 Beleid
4.6.1.1 Europees- en rijksbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

Het Nationaal Waterplan (december 2009) geeft op hoofdlijnen aan welke beleid het Rijk in de periode 2009-2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstroming, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan zal het beleid uit de Vierde Nota Waterhuishouding voortzetten. Het beleidsdoel is het realiseren of in stand houden van duurzame en klimaatbestendige watersystemen. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

4.6.1.2 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

4.6.1.3 Waterschap Regge en Dinkel

Waterschap Regge en Dinkel heeft een waterbeheerplan opgesteld voor de periode 2010-2015. Het waterbeheerplan is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap op 28 oktober 2009. Het plan gaat over het waterbeheer in het hele stroomgebied van Regge en Dinkel en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.

Het waterbeleid van het waterschap is met name gericht op een duurzame aanpak van het waterbeheer: geen afwenteling, herstel van de veerkracht van het watersysteem, streven naar een meer natuurlijker waterbeheer, zoeken naar meer ruimte voor water, water toepassen als ordenend principe middels het gebruik van waterkansenkaarten en water langer vasthouden mede door flexibeler peilbeheer. Ook het streven naar een betere waterkwaliteit als onderdeel van duurzaamheid is een belangrijk speerpunt (tegengaan van lozingen, minder belasting van het water en het zoveel mogelijk tegengaan van diffuse verontreinigingen).

De twee belangrijkste onderdelen van het waterplan worden gevormd door:

  • het tekort aan waterberging in het landelijk gebied;
  • de inpassing van inrichtingsmaatregelen binnen de maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water.
4.6.1.4 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk rioleringsplan 2011-2016 is gericht op het creëren van een gezond en veerkrachtig watersysteem en een duurzame waterketen. Concreet houdt dit onder meer in dat hemelwater niet wordt vermengd met vuil water, maar afzonderlijk wordt verwerkt. Het schone hemelwater wordt bij voorkeur op de locatie waar het valt vastgehouden of geborgen. Als dat niet kan, wordt het afgevoerd naar oppervlaktewater.

In het beleid is de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater uitgewerkt.

4.6.2 Watertoets
4.6.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

4.6.2.2 Situatie plangebied

De huidige (planologische) situatie wordt met dit bestemmingsplan opnieuw vastgelegd. In het kader van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten' heeft de gemeente in samenspraak met het waterschap een waterstructuurplan opgesteld. Dit waterstructuurplan is opgenomen in Bijlage 5 bij deze toelichting. De belangrijkste uitgangspunten uit dit plan zijn:

  • Schoon houden wat schoon is;
  • Volledig gescheiden afvoerstelsel voor hemelwater en afvalwater;
  • Voldoende veiligheid tegen overstromingen;
  • Grondwaterneutraal, maar ook droge voeten en geen grondwateroverlast;
  • Behoud afvoerfunctie oppervlaktewater;
  • Geen afwenteling van het waterbezwaar;
  • Voldoende regionale retentie.

Naar aanleiding van een nieuw rekenmodel zijn naderhand nieuwe berekeningen uitgevoerd omtrent de retentieopgave die gecompenseerd diende te worden. Op basis van dit nieuwe rekenmodel is de retentieopgave bijgesteld van 50.000 m3 naar 8.000 m3. Dit is door het waterschap Regge en Dinkel per brief bevestigd. De bewuste brief is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting.

Bij de ontwikkeling van de Bornsche Maten zijn de voorgaande uitgangspunten en de hiervoor genoemde retentieopgave als leidraad gehanteerd. Zowel op hoofdstructuurniveau (o.a. Bornsche Beekpark) als op straat- en woningniveau is en zal, waar relevant, het water een belangrijk en herkenbaar onderdeel (zijn) van de woonomgeving. De retentieopgave is reeds integraal verwerkt in het ontwerp voor de woonomgeving.

In dit bestemmingsplan zijn de bestaande waterpartijen binnen het plangebied voorzien van een passende bestemming die is gericht op het behoud van deze waterpartijen. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een verandering van de waterhuishouding. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen, die middels een separate procedure planologisch geregeld worden, wordt gestreefd naar een verbetering van de waterhuishouding.

Het waterschap Regge en Dinkel is ook geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Dit betekent dat het voorliggende bestemmingsplan in het kader van vooroverleg voorgelegd moet worden aan het waterschap Regge en Dinkel. De bij deze 'normale procedure' behorende uitgangspuntennotitie is opgenomen als Bijlage 7 bij deze toelichting.

4.6.3 Conclusie

Gesteld wordt dat dit bestemmingsplan geen invloed heeft op het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied. In het kader van vooroverleg (zie paragraaf 7.3) wordt het plan voorgelegd aan het waterschap Regge en Dinkel.

4.7 Flora en fauna en de natuurbeschermingswet (Natura 2000)

4.7.1 Soortenbescherming
4.7.1.1 Algemeen

Sinds 1 april 2002 regelt de Flora- en faunawet de bescherming van in het wild voorkomende inheemse planten en dieren. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden (algemene verbodsbepalingen, artikelen 8 t/m 12). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende planten en dieren (zorgplicht, artikel 2). Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. De Flora- en faunawet heeft dan ook belangrijke consequenties voor ruimtelijke plannen.

4.7.1.2 Situatie plangebied

Algemeen

Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Dit bestemmingsplan voorziet niet in ontwikkelingen die ook al niet mogelijk waren op basis van de thans nog geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen. In het kader van dit bestemmingsplan is het uitvoeren van een quickscan flora & fauna niet noodzakelijk, er is immers sprake van bestemmingen die directe bouwmogelijkheden bieden. Voor wat betreft de nog uit te werken gebieden zal tezijnertijd worden bekeken of het uitvoeren van een quickscan flora & fauna noodzakelijk is.

Ten aanzien van het vorenstaande wordt tevens opgemerkt dat in 2003 uitgebreid natuuronderzoek is verricht in het plangebied van de Bornsche Maten. In oktober 2011 heeft Adviesbureau Mertens B.V. in het plangebied een actualiserende quickscan flora- en faunawet uitgevoerd. De resultaten van deze actualiserend quickscan worden hierna weergegeven. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar Bijlage 8 bij deze toelichting.

Actualiserende quickscan flora- en faunawet

In 2003 is uitgebreid natuuronderzoek verricht in het gebied de Bornsche Maten te Borne. In verband met de afronding van de Bornsche Maten is aan onderhavig bureau gevraagd om een actualiserend onderzoek Flora- en faunawet. Van de in 2003 aangetroffen beschermde soorten waarvoor ontheffing is verleend (zie bijlage 2 van de in Bijlage 8 opgenomen onderzoeksrapportage) bestaat voor de licht beschermde soorten een algemene vrijstelling. Bermpje en steenmarter zijn matig beschermd. Bermpje is echter sinds halverwege 2010 ondergebracht onder de Visserijwet en is daardoor niet meer beschermd. De steenmarter is niet vastgesteld; vermoedelijk door de vele activiteiten binnen de Bornsche Maten en het zeer weinig beschikbaar zijn van rustplaatsen. Het voorkomen van andere matig beschermde soorten wordt uitgesloten.

Vleermuizen zijn de enige zwaar beschermde soorten die voorkomen in de Bornsche Maten. De Bornsche Maten zijn foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis en de Bornsebeek voor de watervleermuis. Er bevinden zich daarnaast enkele baltsplaatsen van gewone dwergvleermuis. Bij een baltsplaats vliegt een vleermuis rond en zendt ondertussen sociale geluiden uit. Gedurende en na de reconstructie is het mogelijk dat de vleermuizen er blijven foerageren en baltsen. In de reeds gerealiseerde deelgebieden werden namelijk gelijke aantallen aangetroffen. Effecten op vleermuizen worden derhalve niet voorzien.

Binnen de te realiseren delen komen algemene broedvogels voor als broedvogel. Voor deze vogels geldt dat op een manier moet worden gewerkt dat gebruikte nesten niet verloren gaan. Dit betekent dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd buiten het broedseizoen of er moet worden voorkomen dat vogels tot nestelen komen.

Geconcludeerd kan dan ook worden dat de verdere afbouw van de Bornsche Maten kan plaats vinden zonder ontheffing van de Flora- en faunawet als rekening wordt gehouden met het broedseizoen van vogels. De Flora- en faunawet staat de verdere afbouw en het gebruik van de Bornsche Maten derhalve niet in de weg.

4.7.2 Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Algemeen

Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 beschermd.

De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De EHS is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de EHS geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

4.7.2.2 Situatie plangebied

Het plangebied omvat geen (delen van) Natura 2000-gebieden of de EHS. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Lonnekermeer. Dit gebied is gelegen op een afstand van circa 4,5 kilometer van het plangebied. De EHS is gelegen op een afstand van ruim 1.500 meter van het plangebied.

Het opnieuw vastleggen van de bestaande (planologische) situatie heeft geen negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden (zie ook 4.1) of de EHS. Het uitvoeren van een onderzoek in verband met de aanwezigheid van deze gebieden is dan ook niet noodzakelijk.

4.7.3 Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan is conserverend van aard en legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. In verband hiermee en gezien het feit dat ten opzichte van de nu nog geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, heeft het voorliggend bestemmingsplan geen negatieve effecten en gevolgen voor bijzondere en/of beschermde flora en fauna en is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.

4.8 Luchtkwaliteit

4.8.1 Wettelijk kader

Volgens de Wet milieubeheer is het nodig een planontwikkeling te toetsen aan luchtkwaliteitseisen. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden, met als doel om alle overschrijdingen van de luchtkwaliteitsnormen op te lossen. Het NSL omvat een omvangrijk pakket maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren.

4.8.1.1 Niet in betekende mate

Alleen projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging wanneer aannemelijk is (door berekening of motivering) dat de 3% grens niet wordt overschreden. Deze grens is 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Dit criterium is een 'of-benadering', wanneer een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit.

De 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in een ministeriële regeling omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld:

  • woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen;
  • kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen.
4.8.1.2 Grenswaarden

De Wet luchtkwaliteit stelt grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In 2011 moet aan de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 worden voldaan. Het jaargemiddelde concentratie mag maximaal 40 µg/m3 zijn en maximaal 35 dagen overschrijding van de 24 uurs gemiddelde concentratie PM10.

Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Het jaargemiddelde concentratie mag maximaal 40 µg/m3 zijn en maximaal 35 dagen overschrijding van de 24 uurs gemiddelde concentratie NO2.

4.8.2 Situatie plangebied

Dit bestemmingsplan voorziet enkel in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bestaande (planologische) situatie in het plangebied. Ten opzichte van de nu nog geldende bestemmingsplannen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het bestemmingsplan draagt derhalve 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.8.3 Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het bestemmingsplan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Ter plaats wordt voldaan aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

4.9 Externe veiligheid (inrichtingen en vervoer gevaarlijke stoffen)

4.9.1 Beleidskader

Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van een risico-opleverende activiteit met gevaarlijke stoffen. Het kan daarbij gaan om industriële activiteiten, distributieroutes of buisleidingen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/ bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Het BEVI heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Het doel wordt in het BEVI vertaald naar begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat minimaal 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Naast de aanwezigheid van stationaire bronnen kan transport van gevaarlijke stoffen een rol van belang vormen bij externe veiligheid. De vigerende regels hiervoor vinden we in de circulaire RNVGS.

4.9.2 Situatie plangebied
4.9.2.1 Algemeen

Aan hand van de Risicokaart Overijssel is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende figuur is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0147.BpBM2014-vo01_0010.png" Figuur 4.1) Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

Binnen het plangebied zelf komen geen risicobronnen voor. Buiten het plangebied is sprake van diverse risicobronnen. In verband hiermee is in het kader van het bestemmingsplan Bornsche Maten uitgebreid onderzoek verricht naar de aanvaardbaarheid van de gehele woonwijk Bornsche Maten in relatie tot het aspect externe veiligheid. Sinds de vaststelling van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten' zijn er geen nieuwe risicobronnen bijgekomen. In het kader van het destijds verrichte onderzoek is geconcludeerd dat er voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de woonwijk Bornsche Maten.

Hoewel het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt wordt hierna kort ingegaan op de nabij het plangebied voorkomende (binnen een straal van 500 meter) en op de risicokaart weergegeven risicobronnen.

4.9.2.2 Rijksweg A1

De Rijksweg A1 is gelegen op een afstand van ruim 450 meter van het plangebied. De Rijksweg kent geen plaatsgebonden risicocontour buiten de contouren van de weg. Uit het onderzoek dat in het kader van het bestemmingsplan 'Bornsche Maten' is uitgevoerd, is gebleken dat het groepsrisico van het wegtransport over de in beschouwing genomen wegvakken minimaal is en dat de oriënterende waarde van het groepsrisico niet wordt overschreden. In de Externe Veiligheidsvisie van de gemeente Borne is eveneens aangegeven dat er nergens een knelpunt optreedt ten aanzien van het groepsrisico van deze weg. Ook ten aanzien van overige aspecten op het gebied van externe veiligheid is geen sprake van belemmeringen.

4.9.2.3 Buisleiding voor brandstof

Ten zuiden van het plangebied, parallel aan de Europalaan, is een buisleiding voor brandstof van het ministerie gelegen (Defensie Pijpleiding Organisatie). Aan weerszijden van deze leiding dient een afstand van 12 meter te worden vrijgehouden. Binnen deze zone gelden belemmeringen voor de bouw van woningen. De belemmeringenstrook van 12 meter is deels gelegen binnen het plangebied en bestemd als 'Leiding - Brandstof'. Binnen deze zone bevinden zich geen kwetsbare objecten als woningen en zijn tevens geen bestemmingen neergelegd die hiervoor bouwmogelijkheden bieden. Daarnaast worden binnen de dubbelbestemming 'Leiding - Brandstof' geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan.

4.9.2.4 Benzineservicestation met LPG

Benzineservice station Shell 'Het Plein'

Aan de Rondweg is benzineservice station Shell 'Het Plein' gelegen met een LPG-installatie. Zowel de plaatsgebonden risicocontouren van het vulpunt (45 meter), het LPG-reservoir (25 meter) als de LPG-afleveringsinstallatie (15 meter) liggen niet over het plangebied heen.

Het invloedsgebied voor het groepsrisico bij dit benzineservicestation met LPG-installatie bedraagt 150 meter. Het plangebied is gelegen op een afstand van circa 140 meter vanuit de grens van deze inrichting. De dichtstbijzijnde bestemming waarbinnen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd, in dit geval een woonbestemming gelegen binnen het deelgebied Wilde Wonen, bevindt zich op een afstand van circa 200 meter en daarmee buiten het invloedsgebied voor het groepsrisico. In verband daarmee is een nadere verantwoording van groepsrisico niet noodzakelijk.

Benzineservice station Bekenhorst B.V.

Benzineservice station Bekenhorst B.V. is gelegen aan de Bekenhorst en beschikt over een LPG installatie. Ook hier geldt dat zowel de plaatsgebonden risicocontouren van het vulpunt (45 meter), het LPG-reservoir (25 meter) als de LPG-afleveringsinstallatie (15 meter) niet tot het plangebied reiken. De afstand van het plangebied tot aan de grens van deze inrichting bedraagt circa 275 meter, daarmee is het plangebied ruim buiten het invloedsgebied voor het groepsrisico van deze inrichting gelegen.

4.9.3 Conclusie

Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe bestemmingen maar legt de huidige (planologische) situatie opnieuw vast. Voorheen was geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico en ook na vaststelling van het voorliggend bestemmingsplan zal hier geen sprake van zijn.

4.10 Fysieke veiligheid en brandweer

4.10.1 Algemeen

Wanneer de fysieke veiligheid in gevaar komt, is directe hulpverlening vaak noodzakelijk. Door het vooraf treffen van de juiste infrastructurele, bouwkundige en technische maatregelen kunnen ongelukken zoveel mogelijk worden voorkomen of kan, in geval van een incident, zo goed mogelijk hulp worden geboden. Een goede bereikbaarheid van gebieden alsmede de aanwezigheid van voldoende bluswater is een voorwaarde voor een snelle hulpverlening. Een goede bereikbaarheid van inwoners van een wijk is ook nog op een andere manier van belang. In geval van een zwaar ongeval of ramp, is het noodzakelijk om de bevolking in de omgeving zo snel mogelijk te kunnen informeren en adviseren ('ramen en deuren sluiten'). Via het sirenenet kan de bevolking worden bereikt en erop worden geattendeerd om de radio of televisie in te schakelen (de zogenaamde 'rampenzender').

4.10.2 Bluswatervoorziening

Om branden te kunnen blussen maakt de brandweer doorgaans gebruik van water. Om in geval van een brand voldoende bluswater beschikbaar te hebben of te krijgen, moeten van tevoren maatregelen getroffen worden. Deze maatregelen worden aangeduid als 'de bluswatervoorziening'. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen:

  • De primaire bluswatervoorziening voorziet in de mogelijkheid om snel een redelijke hoeveelheid bluswater permanent beschikbaar te hebben. Over het algemeen bestaat de primaire bluswatervoorziening uit ondergrondse brandkranen die zijn aangesloten op het waterleidingnetwerk. Op 40 meter van elk object moet zich een ondergrondse brandkraan bevinden die een minimale hoeveelheid bluswater van 60 m3/uur levert. In bepaalde omstandigheden (geen hoogbouw, geen bijzondere risicofactoren, geen bijzondere objecten met veel personen tegelijkertijd aanwezig) kan 30 m3/uur voldoende zijn;
  • Een secundaire bluswatervoorziening is een bluswatervoorziening naast de primaire bluswatervoorziening, die wordt gebruikt als de primaire bluswatervoorziening uitvalt of ontoereikend is of om onnodig gebruik van leidingwater te voorkomen. Onder secundaire bluswatervoorziening worden blusvijvers of brandputten verstaan met een minimale capaciteit van 90 m3/uur gedurende minimaal 4 uur;
  • Tertiaire bluswatervoorzieningen zijn bedoeld ten behoeve van de rampenbestrijding (neergestort vliegtuig, ontplofte LPG-tankwagen) en moeten in principe onbeperkt grote hoeveelheden bluswater kunnen leveren. Met behulp van dompelpompen wordt dit bluswater van bijvoorbeeld meren of kanalen naar het rampgebied getransporteerd.

Bij de ontwikkeling van de woonwijk Bornsche Maten zijn als onderdeel van het bouwrijp maken bluswatervoorzieningen gerealiseerd. Dit betreffen bluswatervoorzieningen in de vorm van brandkranen. Daarnaast zijn er in het plangebied diverse secundaire bluswatervoorzieningen aanwezig en kan de Bornsebeek dienst doen als tertiaire bluswatervoorziening.

Ook bij de nog te ontwikkelen gebieden zullen bij het bouwrijp maken bluswatervoorzieningen worden gerealiseerd. Voor wat betreft deze bluswatervoorzieningen zal worden voldaan aan de (wettelijke)normen.

4.10.3 Bereikbaarheid en brandweerzorgnorm

Aan de hand van een analyse van enige honderden branden in woningen in Nederland zijn gegevens verkregen over de relatie tussen de opkomsttijd van de brandweer en het verloop (en de gevolgen) van branden. In de Handleiding brandweerzorg (Ministerie van Binnenlandse Zaken, Den Haag, mei 1992) zijn de resultaten opgenomen van onderzoek naar de relatie tussen opkomsttijd en de volgende onderwerpen:

  • De ontwikkeling van schade;
  • De kans op dodelijke slachtoffers; en
  • De kans op het slagen van reddingen.

Kort samengevat blijkt de opkomsttijd van de brandweer sterk van invloed te zijn op de schade die ontstaat bij brand, de kans op dodelijke slachtoffers door brand en op het slagen van reddingen bij brand. Dit geldt ook voor hulpverleningen (verkeers- en bedrijfsongevallen met veelal beknellingen) en voor ongevalbestrijding: een korte opkomsttijd geeft de grootste kans op het beperken van het aantal, het overleven en het herstel van slachtoffers. Een goede bereikbaarheid van branden en ongevallen heeft dan ook een belangrijke invloed heeft op de effectiviteit van het brandweerwerk en daarmee op de veiligheid van de burgers.

De woonwijk Bornsche Maten is door de ligging nabij de Rondweg en de interne verkeersstructuur uitstekend bereikbaar. De aspecten bereikbaarheid en opkomsttijd vormen dan ook geen belemmering.

4.10.4 Alarmeren bevolking

Op grond van de Brandweerwet 1985 is de regionale brandweer, in geval van een calamiteit, verantwoordelijk voor het waarschuwen en alarmeren van de bevolking door middel van het Waarschuwings- en alarmeringsstelsel (WAS).

De sirenes zijn dusdanig gepositioneerd dat een optimale dekking is gerealiseerd binnen de gemeente. Het plaatsen van een sirene is met name afhankelijk van de geïdentificeerde risico's in het gebied en de directe omgeving.

Het plangebied valt binnen het dekkingsgebied van sirenes.

4.11 Kabels en leidingen

In het plangebied zijn geen kabels en of leidingen aanwezig die een belemmering kunnen vormen.

Ten zuiden van het plangebied, parallel aan de Europalaan/ Britanniëlaan, is een buisleiding van VROM gelegen. Zoals in 4.9.2.3 al is vermeld, is de belemmeringenstrook van deze leiding deels gelegen binnen het plangebied en vormt deze geen belemmering. Ter bescherming van de leiding is de belemmeringenstrook, voor zover gelegen binnen het plangebied, opgenomen op de verbeelding waarbij in de regels.

Voor het overige zijn er in of in de nabijheid van het plangebied geen planologisch relevante leidingen aanwezig. Derhalve wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan.

4.12 Geurhinder

4.12.1 Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt primair het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Tevens moet bij de realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten (zoals woningen) worden getoetst aan de normen zoals die gelden in de Wgv. De Wgv beschermt de burger tegen geurhinder afkomstig van veehouderij

Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin melkkoeien en/of vrouwelijk jongvee worden gehouden en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom een afstand van 100 meter en buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter te worden aangehouden. Voor de overige dieren welke binnen de inrichting worden gehouden, is in de Wet geurhinder en veehouderij een geurnorm opgenomen. Deze bedraagt voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom 14 odour units per kubieke meter lucht. Voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom bedraagt deze 3 odour units per kubieke meter lucht.

4.12.2 Verordening lokaal geurbeleid gemeente Borne

De Wgv biedt de mogelijkheid aan gemeenten om andere dan de wettelijke normen te stellen, mits dit gewenst is vanwege de geursituatie. Wanneer er afwijkende normen worden vastgesteld moet dit gebeuren in een gemeentelijke geurverordening. Bij het opstellen van deze geurverordening worden de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijen en de mogelijkheid om op relatief korte afstand van deze bedrijven woningen en andere geurgevoelige objecten te kunnen realiseren, afgewogen tegen de geurhinder voor geurgevoelige objecten.

De gemeente Borne heeft er voor gekozen uitsluitend voor melkveehouderijen een geurverordening vast te stellen. Het doel van deze gemeentelijke geurverordening is om op een verantwoorde wijze zowel ruimte voor groei te bieden voor melkrundveebedrijven en voor de inpassing van nieuwe gevoelige functies, als voldoende bescherming te garanderen tegen geurhinder voor de huidige en toekomstige geurgevoelige objecten.

Met het vaststellen van de gemeentelijke geurverordening dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin melkkoeien en/of vrouwelijk jongvee worden gehouden en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom een afstand van 50 meter (i.p.v. 100 meter) en buiten de bebouwde kom een afstand van 25 meter (i.p.v. 50 meter) te worden aangehouden.

4.12.3 Situatie plangebied

In het voorliggende geval is slechts één veehouderij van invloed op het plangebied. Dit betreft de intensieve veehouderij aan de Deurningerweg 51. Het betreft hier een varkenshouderij die is gelegen op een afstand van circa 435 meter van het plangebied. De geurbelasting van het bedrijf leidt niet tot een overschrijding van de norm van 3 odour units per kubieke meter lucht binnen het plangebied.

Overigens wordt het agrarisch bedrijf eveneens niet extra belemmerd in haar bedrijfsvoering als gevolg van dit bestemmingsplan.

Opgemerkt wordt dat het bedrijf heeft aangegeven deel te willen nemen aan de stoppersregeling in het kader van het Actieplan Ammoniak Veehouderij. Op basis hiervan worden maatregelen genomen die er toe leiden dat de veestapel, en hiermee de geurcontour, van het bedrijf inkrimpt.

4.12.4 Conclusie

In het kader van het voorliggende conserverend bestemmingsplan levert het aspect geurhinder geen belemmeringen op.

Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Inleiding

De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.

5.2 Opbouw van de regels

5.2.1 Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen.

De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels (begrippen en wijze van meten);
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels (o.a. afwijkingsregels);
  • 4. Overgangs- en slotregels.
5.2.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

In dit artikel zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.2.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving: de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;
  • Bouwregels: in de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding;
  • Nadere eisen (indien van toepassing): in deze bepaling wordt een opsomming gegeven van de regels waaraan burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen. Alleen daar waar het wenselijk is om bij de vergunningverlening sturend te kunnen optreden, heeft de bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen toegevoegde waarde. De bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen dient objectief begrensd te zijn en duidelijke criteria te bevatten;
  • Specifieke gebruiksregels (indien van toepassing): in dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;
  • Afwijken van de bouwregels (indien van toepassing): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan;
  • Afwijken van de gebruiksregels (indien van toepassing): in dit onderdeel is aangegeven dat met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via deze afwijkingsmogelijkheid kunnen geen 'nieuwe' bestemmingen worden toegestaan. Met andere woorden: de afwijkingsregeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien van toepassing): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat door werken of werkzaamheden (bijvoorbeeld werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd) gronden minder geschikt kunnen worden voor het beoogde gebruik en/of hierdoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige waarden.
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien van toepassing): voor die bouwwerken die niet worden beschermd door bijvoorbeeld de Monumentenwet 1988 of de gemeentelijke monumentenverordening en waarvan het ongewenst is dat deze worden gesloopt, is een bepaling opgenomen die het verbied het bewuste bouwwerk zonder vergunning geheel of gedeeltelijk te slopen.
5.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Dit artikel bevat regels omtrent het maximaal aantal toegestane woningen binnen het plangebied en algemene regels ten aanzien ondergronds bouwen van bouwwerken en de bestaande maatvoering van bouwwerken.

In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn.

Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

In deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking.

Dit artikel bepaalt welke procedure dient te worden gevolgd bij de voorbereiding van een besluit tot het stellen van nadere eisen;

In deze regel wordt aangegeven hoe de wettelijke regelingen waarnaar in dit plan wordt verwezen gelezen moeten worden.

5.2.5 Overgangs- en slotregels

In Hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

5.3 Bestemmingen

Hoofdstuk 2 van de regels omvat alle binnen het plangebied voorkomende bestemmingen. Waar dit noodzakelijk wordt geacht is gebruik gemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. Voor het leggen van bestemmingen is zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige (planologische) situatie. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Groen (Artikel 3)

Het aanwezige beeldbepalend-, structureel- en begeleidend groen is in dit bestemmingsplan bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming zijn naast groenvoorzieningen onder andere recreatief medegebruik, wandel- en fietspaden, speelvoorzieningen en kunstwerken, inritten en uitwegen, parkeervoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Daarnaast is bepaald dat ter plaatse van de aanduiding:

  • 'speelvoorziening' tevens een speelveld is toegestaan;
  • 'houtwal' de aanwezige houtwal in stand dient te worden gehouden;
  • 'houtsingel' de gronden zijn bedoeld voor de aanleg en instandhouding van een houtsingel;
  • 'geluidwal' tevens geluidwerende voorzieningen zijn toegestaan;
  • 'evenemententerrein' tevens evenementen zijn toegestaan;
  • 'groenvoorziening' uitsluitend groenvoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen worden toegestaan.

De gedenkplaats voor gevallenen van W.O. II is binnen de bestemming 'Groen' specifiek aangeduid als 'specifieke bouwaanduiding - oorlogsmonument'. In de regels zijn bepalingen opgenomen voor de instandhouding en bescherming van de gedenkplaats.

In de bouwregels zijn voor diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximale bouwhoogten opgenomen. Tevens is bepaald dat de bestaande maatvoering voor de gedenkplaats voor gevallenen van W.O. II gehandhaafd dient te worden.

Maatschappelijk (Artikel 4)

De binnen het plangebied aanwezige maatschappelijke voorzieningen en bestemmingen die de uitoefening van een maatschappelijke functie toestaan zijn ook als zodanig bestemd. De bestemming 'Maatschappelijk' is onder andere bedoeld voor het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening. Eén en ander met de daarbij behorende ondergeschikte horeca, tuinen en erven, speelvoorzieningen en parkeervoorzieningen.

Qua bouwregels is onderscheid gemaakt in het bouwen van hoofd- en bijgebouwen en het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bouwregels voor hoofd- en bijgebouwen zoals opgenomen in de geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen zijn hierbij als leidraad gehanteerd voor dit bestemmingsplan. Een wijziging ten opzichte van de nu nog geldende bestemmingsplan is dat ook binnen deze bestemming het Envelop-principe dient te worden toegepast voor hoofdgebouwen.

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is geen onderscheid gemaakt qua bouwregels. Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde is gebonden aan een maximale maatvoering.

Tuin (Artikel 5)

De bestemming 'Tuin' is toegekend aan het overgrote deel van de voortuinen van woonpercelen. Daar waar op hoekpercelen niet gebouwd mag worden en geen andere regeling is opgenomen is tevens aan een strook de bestemming 'Tuin' toegekend. Naast tuinen en verhardingen is deze bestemming tevens bedoeld voor inritten en uitwegen, parkeervoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Perceel- en terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen voor de voworden gebouwd tot een hoogte van 1 meter.
Binnen deze bestemming is ook de bouw van een portaal of erker aan een voorgevel of zijgevel (mits gericht op de weg of het openbare groen) van het hoofdgebouw toegestaan. Hierbij geldt wel een maximale oppervlaktemaat van 6 m2, een maximale dieptemaat van 1,5 meter, een maximale goothoogte van 3 meter en de afstand tussen de portaal of erker tot de voorperceelsgrens moet minimaal 1 meter bedragen.

Verkeer (Artikel 6)

De belangrijke doorgaande verkeersroutes zoals de Rondweg en de Bornsche Beeklaan zijn bestemd als 'Verkeer'. Dit betreft verkeersroutes met een belangrijke ontsluitingsfunctie voor de Bornsche Maten (de Bornsche Beeklaan) of de kern Borne (de Rondweg). Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wegen met hoofdzakelijk een verkeersfunctie, groenvoorzieningen, waaronder bermen, parkeervoorzieningen, kunstwerken en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden binnen deze bestemming toegestaan. Hierbij is bepaald dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter mag bedragen.

Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 7)

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is toegekend aan de wegen in het plangebied waar sprake is van openbaar gebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen (zoals de buurtontsluitingswegen). Tevens is deze bestemming bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en kunstwerken, parkeervoorzieningen en water- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Binnen deze bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd. Hierbij is bepaald dat de bouwhoogte van speelvoorzieningen en kunstwerken maximaal 5 meter mag bedragen. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen.

Water (Artikel 8)

De grotere waterpartijen in het plangebied en de Bornsche Beek zijn bestemd als 'Water'. Deze bestemming is bedoeld voor water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en taluds, kruisingen en overbruggingen ten behoeve van verkeersdoeleinden, medegebruik voor extensieve recreatie, speelvoorzieningen, kunstwerken en natuurontwikkeling.

Gebouwen mogen binnen deze bestemming niet worden gebouwd. Uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen aanlegsteigers zijnde, mogen worden opgericht tot een bouwhoogte van maximaal 3 meter.

Wonen (Artikel 9)

Algemeen

De deelgebieden Nieuw Borne en Oost-Esch waren in het moederplan 'Bornsche Maten' grotendeels bestemd als 'Woondoeleinden'. Deze bestemming biedt directe bouwmogelijkheden voor woningen en een aanzienlijk deel van deze woningen is inmiddels ook al gerealiseerd. Ook de uitwerkingsplannen voor Singelwonen 1e fase, Singelwonen 2e fase en Tuinstad bieden directe bouwmogelijkheden voor woningen. In dit bestemmingsplan is aan die gebieden waar woningbouw mogelijk is of al woningen aanwezig zijn de bestemming 'Wonen' toegekend.

De bestemming 'Wonen' is onder andere bedoeld voor het wonen met daaronder begrepen beroep-aan-huis. Tevens is deze bestemming bedoeld voor tuinen en erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen en groen- en speelvoorzieningen.

Het gemeentelijk beleid is erop gericht de kwaliteit van de woonomgeving te behouden. De kwaliteit van de woonomgeving wordt onder andere behouden door gebruik te maken van specifieke aanduidingen waarmee bepaalde woningtypen worden toegestaan of juist uitgesloten. Zo is bijvoorbeeld bepaald dat ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' vrijstaande woningen toegestaan, ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' zijn twee-aaneen gebouwde woningen en/of geschakelde woning toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' dienen meer dan twee-aaneen gebouwde woningen te worden gebouwen.

Naast de bestaande situatie en de bestaande mogelijkheden die voortvloeien uit de vigerende regeling, is bij het toekennen van de bestemmingen het bieden van voldoende erfbebouwingsmogelijkheden voor de bestaande woningen het uitgangspunt.

Hoofdgebouwen

In de regels is bepaald dat de hoofdgebouwen opgericht moeten worden binnen het bouwvlak. Ter waarborging van het stedenbouwkundig beeld in de diverse wijken is wel de voorwaarde opgenomen dat de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen bij vrijstaande woningen ten minste 2,5 meter moet bedragen. De afstand van twee-aaneen gebouwde of geschakelde woning tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan één zijde minimaal 2,5 meter. De maximale goot- en bouwhoogte wordt weergegeven op de verbeelding.

Envelop-principe (Bijlage 1)

Voor wat betreft de dakhelling geldt voor het overgrote deel van de woningen het zogenoemde Envelop-principe. Dit principe is gekozen omdat het vastleggen van een verplichte dakhelling architectonisch als te beperkend wordt ervaren. Het Envelop-principe maakt allerlei creatieve en architectonisch fraaie bouwmogelijkheden mogelijk binnen bepaalde marges.

Uitgangspunten voor dit principe zijn:

  • de maximale goothoogte;
  • een maximale dakhelling van 60 graden;
  • de diepte van het bouwvlak.

In Bijlage 1 is door middel van enkele tekeningen en foto's aangegeven hoe de 'envelop' moet worden bepaald of met andere woorden: binnen welke marges een architect zijn bouwplannen kan ontwikkelen. Daarbij kan nog de volgende kanttekening worden gemaakt.

Een hoofdgebouw kan 'meerdere' enveloppen hebben: zo kan de kniklijn liggen op:

  • de achter- en voorgevels;
  • de beide zijgevels;
  • de achter-, voor- en zijgevels.

Overschrijding van de denkbeeldige lijnen is mogelijk voor dakkapellen, schoorstenen en andere uitstekende delen van ondergeschikte betekenis. De formulering van 'ondergeschikte betekenis' is nader ingekaderd door de bepaling, dat de uitstekende delen aan de voorgevel niet meer dan twee derde van de breedte van het dakvlak mogen beslaan.

Opgemerkt wordt dat niet voor alle woningen het envelop-principe geldt. In de regels zijn hier enkele uitzonderingen op gemaakt.

Bijgebouwen

De gronden achter en deels naast het hoofdgebouw c.q. de woning zijn te gebruiken voor uitbreiding van het hoofdgebouw of voor de bouw van bijgebouwen. In de bijbehorende regels zijn onder andere bepalingen opgenomen met betrekking tot de afstand tot de voorgevel, de maximale oppervlakte en bouwhoogte. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen is afhankelijk van de oppervlakte van het bouwperceel. Op deze manier worden er voldoende erfbebouwingsmogelijkheden geboden, terwijl de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig wordt aangetast.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen het gehele bestemmingsvlak worden bouwwerken, geen gebouwen en/of carports en of overkappingen zijnde toegestaan. De bouwhoogte hiervan voor de voorgevellijn mag maximaal 1 meter bedragen. Achter de voorgevellijn mag de bouwhoogte 2 meter bedragen. Uitzonderingen hierop zijn tuinmeubilair en speelvoorzieningen, de bouwhoogte hiervan mag 3 meter bedragen.

Carports en overkappingen

Carports en overkappingen mogen in principe binnen het gehele bestemmingsvlak worden gebouwd tot een maximale oppervlakte van 30 m2. De bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen of de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.

Aan-huis-gebonden beroepen

Binnen de woonfunctie is het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen in hoofdgebouwen mogelijk. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw worden benut ten behoeve van de aan-huis-gebonden beroepen met een maximum van 45 m².

Wonen - Landgoed Wildiek (Artikel 10)

Algemeen

Het uitwerkingsplan voor Landgoed Wildiek kent een specifieke planregeling. Deze planregeling wijkt aanzienlijk af van de overige woonbestemmingen uit de geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen. Voor dit gebied heeft dit te maken met het stedenbouwkundig beeld dat hier wordt nagestreefd. Ter waarborging van het stedenbouwkundig beeld is ervoor gekozen de woonbestemming uit het uitwerkingsplan voor Landgoed Wildiek qua bouwregels zoveel mogelijk over te nemen in dit bestemmingsplan.

Hoofdgebouwen

Met het toekennen van de bouwvlakken is zoveel mogelijke aangesloten bij de planologische situatie. Binnen deze bestemming is bepaald dat het hoofdgebouw opgericht dient te worden binnen het bouwvlak en dat uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. Per bouwvlak mag maximaal één hoofdgebouw worden gebouwd. Uitzondering hierop is het bouwvlak waarin een aanduiding ' 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen. In dit bouwvlak mag het aantal woningen maximaal het aangegeven aantal mag bedragen.

Voor het overige is qua bouwregels voor hoofdgebouwen onder andere vastgelegd dat de bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan 11 meter en dat de inhoud van een hoofdgebouw minimaal 900 m3 dient te bedragen.

Bijgebouwen, aan- en uitbouwen

De gronden tot op 3 meter van de voorgevel en/of de zijdelingse perceelsgrens van het hoofdgebouwen mogen worden gebruikt voor de bouw van een aan- of uitbouw of voor de bouw van bijgebouwen. In de bijbehorende regels zijn onder andere bepalingen opgenomen met betrekking tot de goot- en bouwhoogte en de maximaal toegestane oppervlakte aan aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Tot slot is ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen' één op zichzelf staand bijgebouw toegestaan.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen het gehele bestemmingsvlak worden bouwwerken, geen gebouwen en/of carports en of overkappingen zijnde toegestaan. De bouwhoogte hiervan voor de voorgevellijn mag maximaal 1 meter bedragen. Achter de voorgevellijn mag de bouwhoogte 2 meter bedragen. Uitzonderingen hierop zijn tuinmeubilair en speelvoorzieningen, de bouwhoogte hiervan mag 3 meter bedragen.

Carports en overkappingen

Carports en overkappingen mogen tot in de voorgevellijn worden gebouwd. De oppervlakte van deze bouwwerken mag niet meer bedragen dan 65 m2, de bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen. Uitsluitend ene kap mag maximaal 0,5 meter voor de voorgevellijn uitsteken.

Indien men voornemens is een grotere oppervlak dan 65 m2 aan carports en overkappingen te realiseren gaat dit ten koste van de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen.

Aan-huis-gebonden beroepen

De regels voor aan-huis-gebonden beroepen zijn in dit bestemmingsplan allemaal gelijkgesteld en gelden derhalve ook voor deze woonbestemming. Dit betekend dat binnen de woonfunctie het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen in hoofdgebouwen mogelijk is. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw worden benut ten behoeve van de aan-huis-gebonden beroepen met een maximum van 45 m².

Wonen - Wilde Wonen ( Artikel 11 )

Algemeen

Het uitwerkingsplan voor het binnen de woonbuurt Singelwonen gelegen deelgebied Wilde Wonen kent ook een specifieke planregeling die afwijkt van de overige woonbestemmingen uit de geldende bestemmings- en uitwerkingsplannen. In dit deelgebied heeft dit te maken met het feit dat hier een gevarieerde mix van woningtypen wordt nagestreefd en relatief veel vrijheid wordt geboden om woningen naar eigen wens en stijl vorm te geven. De bouwregels uit het voor dit gebied geldende uitwerkingsplan zijn zoveel mogelijk overgenomen in dit bestemmingsplan.

Hoofdgebouwen

Bepaald is dat per bouwperceel één hoofdgebouw mag worden gebouwd en dat uitsluitend vrijstaande woningen mogen worden gebouwd. Ter waarborging van de privacy van naastgelegen bouwpercelen worden in de bouwregels afstanden genoemd tot de voorste bouwperceelsgrens, de zijdelingse bouwperceelsgrens en de achterste bouwperceelsgrens. De bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 11 meter, met dien verstande dat binnen een afstand van 8 m vanaf de achterste bouwperceelgrens de goot- en bouwhoogte van het hoofdgebouw maximaal 4 m en 6 m bedragen.

Bijgebouwen

De gronden tot op 3 meter van de voorgevellijn mogen worden gebruikt voor de bouw van bijgebouwen. In afwijking hiervan mogen voor de voorgevel dan wel de zijgevel van een hoofdgebouw die grenst aan de weg of het openbare groen, een portaal of erker worden gebouwd met een oppervlakte van 6 m², een diepte van maximaal 1,5 m en een goothoogte van maximaal 3 m.

In de regels zijn verder bepalingen opgenomen met betrekking tot de goot- en bouwhoogte en de maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen het gehele bestemmingsvlak worden bouwwerken, geen gebouwen en/of carports en of overkappingen zijnde toegestaan. De bouwhoogte hiervan voor de voorgevellijn mag maximaal 1 meter bedragen. Achter de voorgevellijn mag de bouwhoogte 2 meter bedragen. Uitzonderingen hierop zijn tuinmeubilair en speelvoorzieningen, de bouwhoogte hiervan mag 3 meter bedragen.

Carports en overkappingen

Carports en overkappingen mogen in principe binnen het gehele bestemmingsvlak worden gebouwd tot een maximale oppervlakte van 30 m2. De bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen of de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.

Aan-huis-gebonden beroepen

De regels voor aan-huis-gebonden beroepen zijn in dit bestemmingsplan allemaal gelijkgesteld en gelden derhalve ook voor deze woonbestemming. Dit betekend dat binnen de woonfunctie het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen in hoofdgebouwen mogelijk is. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw worden benut ten behoeve van de aan-huis-gebonden beroepen met een maximum van 45 m².

Woongebied (Artikel 12)

Algemeen

De Vossenbeekzone is, conform het geldend uitwerkingsplan, bestemd als 'Woongebied'. Ook het Beekbalkon, gelegen in de oksel van de Bornsebeek en de Rondweg, is bestemd als 'Woongebied'. Voor deze bestemming is gekozen omdat deze gebieden nog niet zijn ingevuld met woningbouw en hiervoor momenteel nog geen concreet bouwplan voorhanden is.

Deze bestemming is, evenals de overige binnen het plangebied voorkomende woonbestemmingen, bedoeld voor het wonen met daaronder begrepen beroep-aan-huis. Eén en ander met de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen, water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, groen- en speelvoorzieningen, wegen en paden en verkeers- en verblijfdoeleinden.

Qua bouwregels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde en carports en overkappingen.

Hoofdgebouwen

Binnen deze bestemming is geen gebruik gemaakt van bouwvlakken. Bepaald is dat per bouwperceel maximaal één hoofdgebouw mag worden gebouwd. De oppervlakte aan gebouwen binnen deze bestemming is afhankelijk van het ter plaatse toegestane maximum bebouwingspercentage. In de Vossenbeekzone worden uitsluitend vrijstaande, twee-aaneen gebouwde woningen en/of geschakelde woningen toegestaan. In het gebied Beekbalkon worden uitsluitend gestapelde woningen toegestaan. Voor het overige zijn in de regels bepalingen opgenomen ten aanzien van de goot- en/of bouwhoogte en gelden voor de grondgebonden woningen in de Vossenbeekzone bepalingen ten aanzien van de afstanden van woningen tot de zijdelingse perceelsgrenzen.

Bijgebouwen

Ook hier mogen de gronden tot op 3 meter van de voorgevellijn worden gebruikt voor de bouw van bijgebouwen. De maximaal toegestane oppervlakte aan bijgebouwen is in dit geval afhankelijk van de oppervlakte van het bouwperceel. Verder zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van de maximale oppervlakte per bijgebouw en de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte van bijgebouwen.

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen het gehele bestemmingsvlak worden bouwwerken, geen gebouwen en/of carports en of overkappingen zijnde toegestaan. De bouwhoogte hiervan voor de voorgevellijn mag maximaal 1 meter bedragen. Achter de voorgevellijn mag de bouwhoogte 2 meter bedragen. Uitzonderingen hierop zijn tuinmeubilair en speelvoorzieningen, de bouwhoogte hiervan mag 3 meter bedragen.

Carports en overkappingen

Carports en overkappingen mogen in principe binnen het gehele bestemmingsvlak worden gebouwd tot een maximale oppervlakte van 30 m2. De bouwhoogte mag maximaal 3 meter bedragen of de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw.

Aan-huis-gebonden beroepen

De regels voor aan-huis-gebonden beroepen zijn in dit bestemmingsplan allemaal gelijkgesteld en gelden derhalve ook voor deze woonbestemming. Dit betekend dat binnen de woonfunctie het uitoefenen van aan-huis-gebonden beroepen in hoofdgebouwen mogelijk is. Om te garanderen dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft, mag ten hoogste 40% van het vloeroppervlak van het hoofdgebouw worden benut ten behoeve van de aan-huis-gebonden beroepen met een maximum van 45 m².

Maatschappelijk - Voorlopig ( Artikel 13 )

Basisschool De Vonder heeft de beschikking over enkele noodlokalen. Voor deze noodlokalen is destijds een tijdelijke ontheffing verleend zodat deze lokalen binnen de bestemming 'Groen' gerealiseerd konden worden. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische uitwerking van de verleende tijdelijke ontheffing door de noodlokalen te bestemmen als 'Maatschappelijk - Voorlopig'. Deze bestemming is met name bedoeld voor het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening.

In de bouwregels is bepaald dat de oppervlakte, goot- en bouwhoogte van de bouwwerken niet mag worden vergroot. De geldigheidstermijn van deze voorlopige bestemming bedraagt ten hoogste 5 jaar, gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Na afloop van deze termijn zijn de gronden bestemd voor 'Groen'.

Gemengd - Uit te werken (Artikel 14)

Het westelijk deel van het deelgebied De Veste is in dit plan, conform het geldende bestemmingsplan, bestemd als 'Gemengd - Uit te werken. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor wonen in gestapelde en niet gestapelde vorm, uitoefening van aan huis gebonden beroepen, lichte bedrijvigheid voor zover genoemd in de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten (Bijlage 2) in de categorieën 1 en/ of 2, tuinen en erven, detailhandel, zakelijke dienstverlening en horeca passend in een woonbestemming, maatschappelijke dienstverlening en buiten- en binnensportvoorzieningen. Op deze gronden mag pas worden gebouwd indien de bestemming is uitgewerkt. Bij de uitwerking dienen de uitwerkingsregels in acht te worden genomen. In deze uitwerkingsregels is onder meer bepaald dat het maximum aantal woningen binnen het plangebied van de Bornsche Maten niet mag worden overschreden en dat de gemiddelde bruto woningdichtheid minimaal 20 woningen per hectare moet bedragen.

Leiding - Brandstof (Artikel 15)

In het oosten van het plangebied ligt een klein deel van de belemmeringenstrook van buisleiding voor brandstof van het ministerie. Ter bescherming van de leiding is de belemmeringenstrook bestemd als 'Leiding - Brandstof'. In de regels is bepaald dat binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht ten dienste van de bestemming 'Leiding - Brandstof'. Het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de onderliggende basisbestemming is enkel toegestaan indien de belangen van deze dubbelbestemming niet op een onevenredige wijze worden geschaad.

Waarde - Archeologie (Artikel 16)

Zoals in 4.5.2 verwoord wordt de ondergrond van De Bongerd als archeologisch waardevol beschouwd. Ter bescherming van de hier eventueel aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

In de regels bij deze bestemming is bepaald dat enkel bouwwerken mogen opgericht ten behoeve van aanvullend of definitief archeologisch onderzoek. Het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de onderliggende primaire bestemmingen is uitsluitend toegestaan indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige archeologische (meer) relicten aanwezig zijn of archeologisch onderzoek door middel van opgraving wordt uitgevoerd of het bouwplan betrekking heeft op wijziging of vervanging van bestaande bebouwing en de bestaande fundering wordt benut.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Het onderhavige bestemmingsplangebied maakt onderdeel uit van een groter exploitatiegebied. Voor dit exploitatiegebied is een gemeentelijke grondexploitatie beschikbaar. Deze grondexploitatie is op 21 mei 2013 voor het laatst vastgesteld door de gemeenteraad van Borne en laat een positief resultaat zien. Wanneer alleen gekeken wordt naar de resultaten van de deelgebieden welke het onderhavige bestemmingsplan vormen (zie tabel) laat dit eveneens een positief resultaat zien. De economische uitvoerbaarheid is hiermee aangetoond.

KOSTEN      
Verwerving   30.800.000  
Bouw- en woonrijp maken   33.900.000  
Financieringskosten en indexering   15.000.000  
Overige kosten, plankosten en bijdragen   28.000.000  
       
OPBRENGSTEN      
Grondopbrengsten   104.300.000  
Overige opbrengsten, bijdragen en subsidies   4.900.000  
       
RESULTAAT (positief) per eind project   1.500.000  

Kostenverhaal

Alle in het bestemmingsplangebied te ontwikkelen percelen zijn in eigendom van de gemeente Borne. Een exploitatieplan is hierdoor niet noodzakelijk. Kostenverhaal is verzekerd middels een haalbare gemeentelijke grondexploitatie.

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak

7.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties, waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Daarnaast is er de gelegenheid om in het voortraject belanghebbenden te laten inspreken conform de gemeentelijke verordening. Pas daarna wordt de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan opgestart (artikel 3.8 Wro).

7.2 Inspraak

De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak en is in de Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal plaatsvinden volgens de in de Inspraakverordening gemeente Borne 2005 opgenomen procedure. Het resultaat van de inspraak zal verwoord worden in een inspraakverslag.

7.3 Vooroverleg

7.3.1 Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.3.2 Provincie Overijssel

In het kader van vooroverleg wordt het plan voorgelegd aan de provincie Overijssel. Tezijnertijd zullen de resultaten van dit vooroverleg in deze subparagraaf worden opgenomen.

7.3.3 Waterschap Regge en Dinkel

De resultaten van het vooroverleg met het waterschap Regge en Dinkel zullen tezijnertijd worden opgenomen in deze subparagraaf.

7.4 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens de artikelen 3.7 t/m 3.9 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kan een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Het plan zal daarna, al dan niet gewijzigd, ter vaststelling worden aangeboden aan de gemeenteraad.