direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Het Onderdijks 2013, 2e herziening 't Hart, 3e fase
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0166.00991189-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggende partiële herziening heeft betrekking op een woningbouwlocatie in de wijk Het Onderdijks. In het plangebied zal een rij van 9 woningen worden gerealiseerd in collectief particulier opdrachtgeverschap. Verder is in dit plan de direct aangrenzende openbare ruimte meegenomen.

In het geldende bestemmingsplan 'Het Onderdijks 2013' geldt op de plek van de toekomstige woningen een bestemming "Woongebied - Uit te werken". Hiervoor had een uitwerkingsplan opgesteld kunnen worden. De aangrenzende straat, stoep en parkeerplaatsen hebben in dit plan echter grotendeels de bestemming Groen. Om die reden is er een partiële herziening opgesteld.

1.2 Bij dit plan behorende stukken

Het bestemmingsplan 'Het Onderdijks 2013, 2e herziening 't Hart, 3e fase' bestaat uit de volgende stukken:

  • deze toelichting;
  • de planregels;
  • de verbeelding met nummer NL.IMRO.0166.00991189-OW01.

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de onder het plan vallende gronden en opstallen aangegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van deze toelichting, waarin de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken en een planbeschrijving zijn opgenomen.

1.3 Ligging van het plangebied

De woningen zijn geprojecteerd langs de noordoostzijde van het centrumgebied, ten zuiden van De Bouwkamp.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991189-OW01_0001.jpg"

1.4 Geldend moederplan

De woningen en een deel van de openbare ruimte in het plangebied hebben in het bestemmingsplan 'Het Onderdijks 2013' de bestemming 'Woongebied - Uit te Werken'. In deze bestemming zijn voorwaarden gegeven waaraan de uitwerking moet voldoen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991189-OW01_0002.png"

In dit bestemmingsplan heeft de aan de woningen grenzende straat de bestemming 'Groen'.

1.5 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken:

  • De relevante beleidskaders van alle betrokken beleidsniveaus worden beschreven in hoofdstuk 2.
  • in hoofdstuk 3 wordt een beschrijving gegeven van de onderzoeksaspecten die gerelateerd zijn aan de gewenste ontwikkeling;
  • vervolgens wordt in hoofdstuk 4 een beschrijving gegeven van het plan;
  • De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan komen aan bod in hoofdstuk 5.
  • De juridische planopzet wordt behandeld in hoofdstuk 6. Hierin worden de gewenste planologische mogelijkheden en ontwikkelingen vertaald in een juridisch-planologische regeling. Hiermee vormt dit hoofdstuk een toelichting op de planregels;
  • Tot slot komen in hoofdstuk 7 Inspraak en overleg aan bod.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Europees-en Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie bevat de visie van het rijk op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028 meteen doorkijk naar 2040. in de structuurvisie wordt ingestoken op een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Het Rijk hanteert hierbij een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. De Rijksoverheid brengt de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat, laat meer over aan gemeenten en provincies. Hiernaast komt de gebruiker centraal te staan. Hierom kiest het Rijk voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slecht 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijk groei geënt op het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Om een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte te bevorderen, wordt een ladder voor duurzame verstedelijking geintroduceerd. Dat betekent: eerst kijken of er vraag is naar een bepaalde nieuwe ontwikkeling, vervolgens kijken of het bestaande stedelijk gebied of bestaande bebouwing kan worden hergebruikt en, mocht nieuwbouw echt nodig zijn, altijd zorgen voor een optimale (multimodale) bereikbaarheid. In hoofdstuk 3, paragraaf 3.6 Wonen wordt hier nader op ingegaan.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Overijssel (2009)

De Omgevingsvisie van de provincie Overijssel vormt een belangrijk beleidskader voor de gewenste ontwikkeling. Op 1 juli 2009 is het Omgevingsplan vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Overijssel en heeft nu de status van structuurvisie (onder de nieuwe Wet ruimtelijke ordening). Tevens geldt het omgevingsplan als Regionaal Waterplan, Milieubeleidsplan, Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan en Bodemvisie in het kader van ILG-afspraken met het Rijk. Leidende thema's in de Omgevingsvisie zijn duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Duurzaamheid wordt volgens de Omgevingsvisie gerealiseerd door een transparante en evenwichtige afweging van ecologische, economische en sociaal-culturele beleidsambities.

Ruimtelijke kwaliteit wordt volgens de Omgevingsvisie gerealiseerd door naast bescherming vooral in te zetten op het verbinden van bestaande kwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen. Bij het sturen op ruimtelijke kwaliteit in de Omgevingsvisie is een sleutelrol weggelegd voor de gebiedskenmerken. Dit zijn de ruimtelijke kenmerken van een gebied of een gebiedstype, die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit ervan. In de gekozen benadering zijn de natuurlijke laag, de laag van het agrarisch cultuurlandschap, de stedelijke laag en de lusten leisure laag bepalend voor de kenmerken van een gebied. Deze lagen staan niet los van elkaar. Vaak liggen de lagen over elkaar heen en hebben plekken te maken met kenmerken van verschillende gebieden. Als in een bepaald gebied een verandering aan de orde is, dan geven de gebiedskenmerken richting aan de manier hoe dit moet plaatsvinden. Bij de gebiedskenmerken is in de kolom 'sturing' onder de kop ‘norm’ aangegeven welke kenmerken altijd, met elke ontwikkeling, gerespecteerd en versterkt dient te worden, omdat ze gerekend worden tot het provinciale belang. Onder de kop ‘richting’ is een manier van omgang met kenmerken weergegeven, die de provincie zeer wenselijk vindt. Hier mag van worden afgeweken. Onder de kop ‘inspiratie’ staan ontwikkelingen vermeld die denkbaar zijn in het betreffende gebiedstype met respect voor de gebiedskenmerken. De gebiedskenmerken worden in de volgende paragraaf in het kader van de toets aan de Omgevingsverordening nader uitgewerkt.

2.2.2 Omgevingsverordening (2009)

Het uitvoeringsinstrument dat aan de omgevingsvisie is gekoppeld is de Omgevingsverordening Overijssel 2009 van de provincie. In deze verordening is juridisch vastgelegd dat bij bestemmingsplannen ingegaan moet worden op de verschillende lagen zoals deze zijn vastgelegd in de catalogus gebiedskenmerken, waarbij wordt onderbouwd dat de ontwikkeling bijdraagt aan versterking van de ruimtelijke kwaliteit.

Binnen het plan is het ontwikkelingsperspectief "steden als motor" van toepassing:

Gebieden voor dynamische en veerkrachtige woon-, werk- en voorzieningenmilieus waar de kwaliteiten en identiteit van de bestaande stad worden versterkt en benut voor herstructurering, transformatie, inbreiding en uitbreiding.
Het plan ligt in een nieuwe woonwijk die een uitbreiding van de stad Kampen is. De beoogde ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsperspectieven. 

De volgende vier lagen zijn op het plangebied van toepassing:

  • Natuurlijke laag: Oeverwallen. Oeverwallen werden als eerste bewoond en bewerkt. In dit geval wordt woonbebouwing op een oeverwal toegevoegd.
  • Laag van het agrarische cultuurlandschap: Oeverwallen.
  • Stedelijke laag: woonwijken 1955-nu: woonbebouwing voegt zich in aard, maat en het karakter naar het groter geheel.
  • Lust en leisurelaag: nvt

Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen uitbreiding van de woonfunctie past binnen het provinciale beleid.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Kampen 2030 (2009)

Op 28 mei 2009 is de Structuurvisie 2030 Kampen vastgesteld door de gemeenteraad. Dit strategische document bevat de uitgangspunten voor het ruimtelijk beleid. In de visie wordt aangegeven hoe de gemeente verwacht het ruimtelijk beleid te gaan uitvoeren in de komende jaren. De Structuurvisie is een richtinggevend document. In dit beleidsdocument wordt ingezet op inbreiding en afbouwen van in gang gezette ontwikkelingen, waaronder de woonwijk Het Onderdijks. Onderhavig plan past dan ook in het gemeentelijk beleid.

2.3.2 Woonvisie

De behoefte aan woningen is beschreven in de gemeentelijke woonvisie. De gemeenteraad heeft op 3 juni 2010 de "Woonvisie Kampen 2010-2020" vastgesteld. De Woonvisie geeft richting aan het woonbeleid voor doelgroepen (senioren/starters/zorgbehoevenden et cetera) en aan het kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwprogramma. De Woonvisie vormt tevens het kader voor de prestatieafspraken met de woningbouwcorporaties en de provincie Overijssel.

De verschillende woonbelangen worden in balans gebracht. De visie is daarom niet alleen gericht op de kwantiteit en kwaliteit van nieuw te bouwen woningen, maar ook op de bestaande voorraad en niet alleen gericht op een passende sociale huurvoorraad, maar ook bijvoorbeeld op het stimuleren van particuliere bouw met vrije bouwkavels. Daarnaast wordt gestreefd naar maatwerk voor diverse doelgroepen. Het bevorderen van samenhang tussen wonen, welzijn en zorg is daarvan een voorbeeld. In de Woonvisie worden bepaalde doelen nagestreefd. Zo streeft de gemeente Kampen met het woningbouwprogramma naar een duurzame kwaliteitsverdeling tussen wijken, buurten en dorpskernen, met een variatie aan woningtypen en bewoners.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Algemeen

Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in combinatie met artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht het college van burgemeester en wethouders onderzoek te doen naar de relevante feiten en de af te wegen belangen die bij de aangevraagde bestemmingsplanherziening komen kijken. In dit hoofdstuk zal dan ook op de voor het onderhavige plangebied relevante aspecten worden ingegaan. Het betreft hier niet alleen de ruimtelijke problematiek maar ook de aspecten die samenhangen met het milieu, de archeologie, ecologie, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

3.2 Milieu

Het uitgangspunt is dat met de realisering van het plan een goede omgevingssituatie ontstaat. Daarom zijn in het kader van deze ruimtelijke onderbouwing de (wettelijk) noodzakelijke toetsen verricht.

3.2.1 Milieuzonering

Als uitgangspunt geldt dat het project niet leidt tot milieuoverlast bij milieugevoelige functies in de omgeving. Ten behoeve van de milieuzonering rond bedrijven is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) ontwikkeld in de vorm van een bedrijvenlijst. Daarin worden op basis van de SBI-code indicatieve afstanden bepaald voor allerlei vormen van bedrijfsactiviteiten. De afstandcriteria hebben betrekking op de milieuaspecten geluid, stank, stof en gevaar.

De partiële herziening laat woningen en een ontsluitingsweg toe. Een school voor basisonderwijs valt onder de SBI-code 852 (2008) met een richtafstand van 30 meter voor geluid. De school met het schoolplein (als grootste geluidsbron) is gesitueerd op circa 49 meter van de woningen. Het toestaan van woningen in dit plangebied voldoet daarmee aan de afstanden genoemd in de VNG-richtlijn.

3.2.2 Bodem

Het beleid ten aanzien van de bodemkwaliteit is op nationaal niveau vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Gestreefd wordt naar een duurzaam bodembeheer. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er gezondheidsrisico's of ecologische risico's daardoor zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Om deze vragen te beantwoorden is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.

Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is, dat de kwaliteit ervan zodanig dient te zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de beoogde functie(s). Door Grontmij is in het verleden een bodemonderzoek (verkennend bodemonderzoek Stadsuitbreiding Onderdijks (fase 1), projectnummer 1117201, 3 augustus 2000) uitgevoerd. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat ter plaatse maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond in de grond en het grondwater. Deze gehalten vormen geen risico voor de volksgezondheid.

Het gebruik van de locatie (agrarisch) is na het uitvoeren van het onderzoek niet gewijzigd. Omdat maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond en het gebruik van de locatie niet is gewijzigd, wordt het onderzoek als representatief beschouwd voor de locatie. Het is daarom niet noodzakelijk om opnieuw bodemonderzoek uit te voeren. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

3.2.3 Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij ruimtelijke ontwikkelingen aandacht te worden besteed aan het aspect geluid. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Van zonering van een nabijgelegen industrieterrein is geen sprake. Evenmin is de Luchtvaartwet van toepassing.

De woningen binnen het plangebied zijn niet gelegen in een zone in het kader van de Wet geluidhinder voor wat betreft de Hanzelijn, de N50, de Niersallee en Venedijk Noord. Ten gevolge van deze verkeersassen wordt de (huidige) voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder dan ook niet overschreden. De wegen en woonerven in en nabij het plangebied zelf bestaan uit wegen met een maximale snelheid van 30 km/u en hebben van rechtswege geen zone. Op grond hiervan is geen nader onderzoek verplicht.

3.2.4 Externe veiligheid

Algemeen 

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet binnen redelijke grenzen gewaarborgd worden dat door de (toekomstige) vestiging van bedrijven geen onverantwoorde veiligheidsrisico's ontstaan voor de omgeving. Ook andere risicobronnen moeten worden geïnventariseerd en beoordeeld om een uitspraak te kunnen doen over de aanvaardbaarheid van de risico's en de mogelijkheden tot het beperken ervan. In en rond het plangebied kunnen verschillende ramptypen zich voordoen.

Hoe risico's met betrekking tot externe veiligheid moeten worden verantwoord staat in verschillende regelingen beschreven. Daarnaast heeft de gemeenteraad in 2013 de beleidsnota “Kampen IJsselsterk Veilig” vastgesteld waarin specifiek staat vermeld hoe omgegaan moet worden met risico's van bedrijven (inrichtingen) in 4 verschillende soorten gebieden (woongebieden, overige gebied, bedrijventerreinen en industrieterreinen). De partiële herziening valt onder de gebiedstypering “woongebied”.

Niet alle veiligheidsaspecten worden in het kader van de ruimtelijke ordening (bij de vaststelling van dit bestemmingsplan) beschreven of verantwoord omdat hiervoor specifieke regels gelden die toegepast moeten worden bij bijvoorbeeld het verlenen van een milieuvergunning of een ontheffing voor een gevaarlijk transport. Alleen als voorzienbaar is dat door de mogelijkheden die het ruimtelijke plan biedt later niet-vergunbare of onverantwoorde situaties (kunnen) ontstaan, dient het plan voldoende waarborgen te bieden dat dit niet voorkomt (bijvoorbeeld door vestiging van bepaalde functies uit te sluiten).

Ook ruimtelijk niet relevante aspecten blijven in een bestemmingsplan buiten beschouwing, omdat deze aspecten niet zijn te borgen in het plan. In algemene zin geldt dat het bestemmingplan dient te voorkomen dat ongewenste veiligheidssituaties ontstaan voor zover te voorzien en voor zover dit niet (later) op grond van andere (specifiekere) regelingen geborgd is. Om te bepalen of iets wel of niet verantwoord wordt geacht wordt onderscheid gemaakt tussen het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Met betrekking tot het eerste aspect geeft bijvoorbeeld het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi) aan dat afhankelijk van de soort bestemmingen (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar) en het plaatselijke risico welke bestemming op welke afstand van de risicobron nog is toegestaan.

Voor het groepsrisico bestaat geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Zeker als er sprake is van een toename van het groepsrisico dient dit verantwoord te worden, waarbij onder andere rekening gehouden moet worden met aspecten als bereikbaarheid van de locatie, de bestrijdbaarheid van een ramp en de zelfredzaamheid van de personen binnen het invloedsgebied (van belang bij een eventuele ontruiming van het gebied bij een calamiteit). Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan wordt niet alleen gekeken naar het mogelijk effect van een ongeluk maar ook naar de kans dat een dergelijk ongeluk zich voordoet.

Het risico is het product van deze kans en het effect. De hulpdiensten gaan bij hun advisering uit van het meest waarschijnlijke scenario behorend bij de aanwezige of geplande risicobron. De advisering richt zich onder andere op de bereikbaarheid (ook vluchtwegen en zelfredzaamheid van te evacueren personen) en de bestrijdbaarheid. De calamiteit moet voldoende bereikbaar en bestrijdbaar zijn en de in het effect- en invloedsgebied aanwezige personen moeten zich zoveel mogelijk zelf in veiligheid kunnen brengen.

Voorafgaand aan de vaststelling van een ruimtelijk plan wordt echter ook nadrukkelijk de afweging gemaakt tussen het effect van een calamiteit, de mogelijkheden voor bestrijding daarvan, de hulpverlening en de kans dat de calamiteit zich voordoet. Omdat dit een ruimtelijk plan betreft wordt niet ingegaan op welke plaats bluswatervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Die zijn ruimtelijk in principe overal mogelijk. Standaard wordt bij de aanleg van de waterleiding in overleg met Vitens voorzien in een basiscapaciteit welke wordt afgestemd op de aard van het gebied.

Indien op grond van (latere) meer concrete gegevens (bouwvergunning/milieuvergunning) een grotere capaciteit vereist is wordt hierin voorzien door bronnen of oppervlaktewater. Ook andere eisen aan de (brand)veiligheid worden in deze kaders meegenomen.

Beschrijving van het plangebied en de veiligheidsrisico's. 

In het plangebied zijn op een afstand van ca 95 meter een tweetal gasleidingen van de Gasunie gelegen. Hierna worden de volgende risico's beschreven inclusief in het kader van welke regeling deze worden beoordeeld. Voor zover nodig wordt tevens een verantwoording geven van het groepsrisico.

Luchtverkeer 

Risico's m.b.t. luchtverkeer worden in dit plan buiten beschouwing gelaten als niet relevant. De kans op een calamiteit ten gevolge van een ongeluk met luchtverkeer is zo klein dat dit risico verwaarloosbaar is.

Spoorwegverkeer 

Ten noorden van het plangebied is de spoorlijn Hanzelijn gelegen op een afstand van ca. 1 Km. Over dit baanvak worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Voor het bestemmingsplan Het Onderdijks is een QRA uitgevoerd om te kijken wat de veiligheidsrisico's zijn van de Hanzelijn op het plangebied. De QRA van bureau Save is toegevoegd als bijlage 1. Aan de hand van de QRA kan gesteld worden dat er geen overschrijding plaatsvindt van het plaatsgebonden risico en dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Risico's m.b.t. vervoer over het spoor zijn voor het plangebied vanwege de afstand verwaarloosbaar klein.

Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg 

Ten noorden van het plangebied is de rijksweg N50 gelegen op een afstand van ca. 1,2 Km. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Voor het bestemmingsplan Het Onderdijks is een QRA uitgevoerd om te kijken wat de veiligheidsrisico's zijn van de N50 op het plangebied. De QRA van bureau Save is toegevoegd als bijlage 1. Aan de hand van de QRA kan gesteld worden dat geen overschrijding plaatsvindt van het plaatsgebonden risico en dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden.

Transport over water

Ten Oosten van het plangebied is de vaarweg de IJssel gelegen op een afstand van ca 700 meter. Voor het bestemmingsplan Onderdijks is een QRA uitgevoerd om te kijken wat de veiligheidsrisico zijn van de IJssel op het plangebied. De QRA van bureau Save is toegevoegd als bijlage 1. Aan de hand van de QRA kan gesteld dat er geen 10-6 contour is gelegen. En dat daarnaast 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden.

Inrichtingen

In het plangebied zijn geen, qua externe veiligheid, relevante inrichtingen aanwezig.

Buisleidingen 

Inleiding 

Het bestemmingsplan maakt de bouw van een 9 woningen mogelijk op een afstand van ca 95 van een gasleiding van de gasunie. Onderzocht zal worden of het plaatsgebonden risico en er een overschrijding van het groepsrisico plaatsvindt. Bureau Save heeft in het kader voor het bestemmingsplan Onderdijks voor de twee gastransportleidingen in het plangebied op 27 september 2012 een QRA opgesteld om te kijken of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. De ontwikkelingen binnen het plangebied zijn in deze QRA meegenomen. De QRA van bureau Save is toegevoegd als bijlage.

Toetsingskader 

Voor ruimtelijke plannen in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen en leidingen voor aardolieproducten met een externe veiligheidscontour is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt dat er binnen de risicocontour van PR 10-6/jr. geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Voor het GR geldt, indien er kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied liggen, een verantwoordingsplicht. In een aantal situatie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het GR. Het betreft de volgende situatie:

  • het plangebied ligt buiten het gebied behorende bij de afstand waar nog 100% van de aanwezigen kan komen te overlijden of bij toxische stoffen het plangebied ligt buiten de grens waarbij het PR 10-8/jr per jaar is, of;
  • het GR is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde, of; - het GR neemt met minder dan 10% toe terwijl de oriënterende waarde niet wordt overschreden.

Bij een beperkte verantwoording kan worden volstaan met het vermelden van:

  • de personendichtheid in het invloedsgebied van de buisleiding;
  • het GR per kilometer buisleiding vergeleken met de oriënterende waarde;
  • de mogelijkheden tot bestrijding en beperking van rampen;
  • de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het plangebied.

In verband met de bescherming en het beheer van de leiding, wordt tevens een belemmeringenstrook bestemd. Binnen deze strook is in beginsel geen bebouwing toegestaan.

Onderzoek 

In de omgeving van het plangebied liggen twee planologisch relevante leidingen. Op deze leidingen zijn de gegevens uit de onderstaande tabel van toepassing.

Tabel 1. Planologisch relevante leidingen

soortleiding     diameter (mm)     druk (bar)     afstand PR 10-6/jr.     Belemmeringenstrook    
Gastransportleiding
N-570-15-KR-001 t/m 003    
219.1 (8.63 inch)     40     0     4    
Gastransportleiding
N-570-29-KR-013 t/m 016    
168.3 (6.63 inch)     40     0     4    

Buiten het plangebied ligt een belemmeringenstrook bestemd ten behoeve van de bescherming en het beheer van de leiding. De breedte van deze strook is 4 m aan weerszijden van de leiding.

Op 95 meter van het plangebied, bevinden zich twee aardgastransportleidingen. Het gaat om een aardgasleiding met een diameter van 219.1mm en 168.3mm en een druk van 40 bar. De PR 10 -6 contour van deze leiding ligt niet buiten de belemmeringenstrook. Binnen deze strook zijn geen gebouwen aanwezig of voorzien. Hierdoor zijn binnen de PR 10-6-contour geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig of voorzien. De PR 10-6-contour heeft derhalve geen gevolgen voor de omgeving.

Het plangebied ligt binnen op de rand van het invloedsgebied voor het GR van de leiding of wel de 2e ring genoemd in het scenarioboek. Daardoor dient het GR te worden verantwoord. Het bestemmingsplan maakt de bouw van 9 woningen mogelijk maar het GR blijft ruim onder de oriënterende waarde liggen. Uit de berekening naar het groepsrisico blijkt dat de hoogte van het groepsrisico in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde ligt en in de toekomstige situatie eveneens onder de oriëntatiewaarde ligt. Door het voorgenomen ruimtelijke besluit is sprake van een toename van minder dan 10% van het groepsrisico.

Verantwoording van het groepsrisico 

Personendichtheid 

Binnen het invloedsgebied zijn een 9 woningen in de bijlage van de QRA van bureau Save is dit weergegeven. Daarnaast lopen diverse wegen door het invloedsgebied. Het gebruik van deze weg levert een bijdrage aan het aantal personen binnen het invloedsgebied. Het is niet precies bekend om hoeveel personen het gaat. De verblijftijd van deze groep is in ieder geval zeer kort.

Zelfredzaamheid 

Een gasbrand in de hoge druk gasleiding is goed zichtbaar en hoorbaar. De hittestraling is duidelijk voelbaar voor de aanwezigen in het invloedsgebied. Alarmering middels de WAS-palen is dan ook niet nodig om de aanwezigen op het gevaar te duiden. De beste strategie voor zelfredzaamheid is het ontvluchten van het invloedsgebied of schuilen als op voldoende afstand wordt verbleven. De 3 kW/ m2 grens is gelegen op ca 95 meter en de 1 kW/ m2 is gelegen op de ca. 160 meter (zie afbeelding 3).

In de gebiedsinrichting dient er rekening gehouden te worden met voldoende vluchtmogelijkheden loodrecht van de bron (gasleiding) af tot minimaal aan de 1kW/m2 grens. Doordat de weg de Waker mogelijk wordt gemaakt wordt hieraan voldaan en kan het gebied worden ontvlucht vanaf de risicobron. Zoals uit het bovenstaande blijkt is zelfredzaamheid van de omwonenden en voorlichting over hoe te handelen belangrijk. Het plan ligt in de tweede ring volgens het scenarioboek. In de tweede ring kunnen secundaire branden optreden en is de warmtebelasting ca 12,5 kW/m². De woningen worden gebouwd volgens het bouwbesluit, het bouwbesluit geeft aan dat gebouwen bestand moeten zijn tegen een warmtestraling tot ca 15 kW/m². Dit betekend voor de bewoners van deze woningen mocht er een ontsteking van de leiding zich voor doen schuilen in de woning de beste optie is. Voordat de leiding ontsteekt is vluchten de beste optie tot voorbij de 1 kW/m² grens.
 
afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991189-OW01_0003.png"

Afbeelding de 1kW/m² en 3 kW/m² grens 

Vanwege het feit dat buiten het plangebied meerdere ontwikkelingen hebben plaatsgevonden is ervoor gekozen extra maatregelen aan de aardgastransportleiding uit te voeren (signaleringslint). Dit signaleringslint is al in eerdere fase aangelegd. Hiermee wordt het groepsrisico welke ook zonder maatregelen al ruim onder de oriënterende waarde is gelegen - nog aanzienlijk verder verkleind wordt. Op basis hiervan acht het college het verantwoord om deze wijk verder aan te leggen.

Bestrijdbaarheid 

Een gasbrand van enige omvang is niet te blussen en kan alleen worden bedwongen door het afsluiten van de gastoevoer. Door de intense hitte is de vlam niet voldoende bereikbaar. Daarnaast is het niet wenselijk om de gasbrand te blussen. Blussen van een ontstoken gasbrand heeft als gevolg dat er een vrije uitstroom van gas onder hoge druk ontstaat met een groot explosiegevaar. Dit scenario wordt ook door de Gasunie bevestigd.
De brandweer zal indien mogelijk inzetten op het redden van mensen en de bestrijding van mogelijke secundaire branden in de 2e ring.

Zoals aangegeven wordt een eenmaal ontstoken gaslekkage niet geblust, maar wordt gewacht tot het Nutsbedrijf het getroffen deel van het leidingtracé heeft ingeblokt en het resterende gas is opgebrand. Afhankelijk van de locatie kan het ingeblokte deel van het tracé tot 10 km lengte hebben en kan het enkele uren duren voordat de gasvlam is opgebrand.

Bereikbaarheid 

Bij een leidingbreuk en ontsteking in de hoge druk gasleiding is het voor de hulpdiensten door de intense hitte niet mogelijk om het leidingtracé zelf te bereiken. De brandweer zal met name inzetten op het blussen van secundaire branden in de 2e ring. De brandweervoertuigen worden buiten de 3e ring opgesteld op (>160 meter) van de gasbrand. Tot de 2e ring ca 95 meter kan hittestraling voorkomen tot 12 kW/m². De bereikbaarheid van deze grens is over het algemeen goed in het plangebied. Het advies van de brandweer is toegevoegd als bijlage 2.

Conclusie 

Het bestemmingsplan voldoet aan de grenswaarde voor het PR. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van het GR. Door het voorgenomen ruimtelijke besluit is sprake van een zeer geringe toename van minder dan 10% van het groepsrisico. Zoals uit het bovenstaande blijkt is zelfredzaamheid van de omwonenden en voorlichting over hoe te handelen belangrijk. Het plan ligt in de tweede ring volgens het scenarioboek. In de tweede ring kunnen secundaire branden optreden en is de warmtebelasting ca 12,5 kW/m². De woningen worden gebouwd volgens het bouwbesluit, het bouwbesluit geeft aan dat gebouwen bestand moeten zijn tegen een warmtestraling tot ca 15 kW/m². Dit betekend voor de bewoners van deze woningen mocht er een ontsteking van de leiding zich voor doen schuilen in de woning de beste optie is. Voordat de leiding ontsteekt is vluchten de beste optie tot voorbij de 1 kW/m² grens.

Door de weliswaar zeer geringe maar toch aanwezige kans blijft er altijd een restrisico dat er slachtoffers kunnen vallen ondanks de genomen maatregelen. Al met al kan gesteld worden dat het een aanvaardbare risico betreft gezien de geringe kans op een calamiteit.

3.2.5 Luchtkwaliteit

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. De wet is enerzijds bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.

Op grond van de Wet mogen nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de normen (grenswaarden) die aan een aantal verontreinigende stoffen zijn gesteld.

Op basis van artikel 5.16 Wm kan, samengevat, een bestemmingsplan worden vastgesteld, indien:

  • a. het bestemmingsplan c.q. het projectbesluit leidt niet tot het overschrijden van de in d wet genoemde grenswaarden;
  • b. de luchtkwaliteit verbetert per saldo als gevolg van het bestemmingsplan c.q. het projectbesluit of blijft ten minste gelijk;
  • c. het bestemmingsplan c.q. de vrijstelling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen.
  • d. de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Bij ministeriële regeling (de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen) zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan c.q. het nemen van een projectbesluit in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen (zie onderstaande opsommende lijst). Bedrijventerreinen zijn niet opgenomen in een categorieaanwijzing.

  • woningbouw: minimaal 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitende weg of minimaal 3.000 woningen bij 2 ontsluitende wegen;
  • infrastructuur: minimaal 3% concentratiebijdrage (verkeerseffecten gecorrigeerd voor minder congestie)
  • kantoorlocaties: minimaal 100.000 m2 brutovloeroppervlak bij 1 ontsluitende weg, minimaal 200.000 m2 brutovloeroppervlak bij 2 ontsluitende wegen.

Voorliggend bestemmingsplan maakt een ontwikkeling mogelijk, die onder de gestelde normen blijft. Dit betekent dat de luchtkwaliteit niet zal verslechteren ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan. Op grond van het bepaalde in de Wet milieubeheer is in dat geval geen onderzoek naar de luchtkwaliteit vereist. Er wordt immers voldaan aan het gestelde in artikel 5.16 lid b: de luchtkwaliteit blijft ten minste gelijk ten gevolge van de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.3 Water

3.3.1 Watertoets

Bij de totstandkoming van ruimtelijke plannen moet de watertoets worden toegepast. Dit houdt in dat alle ruimtelijke plannen een waterparagraaf moeten bevatten. De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het kader van de watertoets is vanaf 1 november 2003 wettelijk verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Het beleid van het Waterschap staat beschreven in het Waterbeheerplan 2016-2021, de beleidsnota Leven met Water in Stedelijk Gebied, Strategische Nota Rioleringsbeleid 2007, Visie Beheer en Onderhoud 2050, Beleid beheer en onderhoud stedelijk water 2013 - 2018 en het Beleidskader Recreatief Medegebruik. Daarnaast is de Keur van het Waterschap Groot Salland een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. Op gemeentelijke niveau is het in overleg met het waterschap opgestelde gemeentelijk Waterplan en het (verbreed) gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van belang.

Watersysteem
Het plangebied is gesitueerd aan de rand van de bebouwde kom van de kern Kampen en maakt onderdeel uit van het moederplan Onderdijks dat een omvang heeft van ca. 80 ha. Het gebied is een voormalige uiterwaard die later is binnengedijkt. Binnen het gebied zijn gronden door de IJssel afgezet. Het plangebied is een bemalen gebied (polder) en watert af op watergang RB0185-RB0450 die in verbinding staat met het watersysteem Kampen.

De waterafvoer vanuit Het Onderdijks verloopt via hoofdwatergangen gelegen in het plan De Maten naar de hoofdwatergang Middenwetering die afwatert naar het hoofdafwateringskanaal langs de Flevoweg naar het uitwateringsgemaal Roggebot. In het uitwateringskanaal langs de Flevoweg in het landelijkgebied wordt een zomerpeil van 0,65m1-NAP en een winterpeil van 0,85m1-NAP gehanteerd. Inmiddels hanteert het waterschap, uit praktische overweging, in het uitwateringskanaal in het landelijk gebied een zomerpeil van 0,70m1-NAP en een winterpeil van 0,85m1-NAP. Op de overgang tussen het landelijke en stedelijke gebied is een stuw geplaatst om in het stedelijk gebied waterberging te creëren en de afvoer uit het stedelijke gebied te begrenzen / doseren. Met behulp van de stuw wordt in het stedelijk gebied een zomer- en winterpeil gecreëerd van ca.0,70m1-NAP. Bij regenval werkt de stuw als debietbegrenzer naar het landelijkgebied. Het water wordt geborgen in het watersysteem van het stedelijk gebied. In de stuwconstructie is een vistrap meegenomen.

Regenwater en vuilwater worden gescheiden afgevoerd. Het regenwater wordt afgekoppeld zodat de hydraulische afvoer van het plangebied het rioleringsysteem niet overbelast. Regenwater afkomstig van wegen en dakvlakken wordt bovengronds afgevoerd, het regenwater wordt zo lang mogelijk in het plangebied vastgehouden en geborgen in Wadi's en in waterbergend oppervlaktewater.

Rioleringssysteem
Het rioleringssysteem in Het Onderdijks bestaat uit een DWA-stelsel dat onder vrijverval loost op het rioolgemaal Het Onderdijks. Het rioolwater wordt door rioolgemaal Onderdijks verpompt naar het rioleringsysteem Kampen. De persleiding loost in het hoofdgemaal van het Waterschap. Vanuit het hoofdgemaal van Waterschap wordt het rioolwater samen met het rioolwater uit de kern Kampen naar de RWZI-Kampen getransporteerd.

Waterhuishouding
Voor de waterafvoer van het Bestemmingsplan Het Onderdijks is de intentie om het hemelwater en het vuilwater te scheiden. Het regenwater wordt afgekoppeld zodat de hydraulische afvoer van het plangebied het rioleringsysteem niet overbelast. Het regenwater afkomstig van dakvlakken, wegen en groenvoorzieningen loost bovengronds op Wadi's en watergangen in het plangebied welke dienst doen als retentie en gedoseerd lozen op het hoofdwatergangen stelsel van Kampen. De toe te passen materialen van afwaterend verhard oppervlak moeten duurzame niet uitloogbare bouwmaterialen zijn. Het beheer en onderhoud van de openbare ruimte op eigen terrein moeten duurzaam worden onderhouden om de waterkwaliteit in het gebied te handhaven. Schoon regenwater wordt zo min mogelijk vermengd met minder schoon water. Bij de aanleg van watergangen wordt rekening gehouden met de ecologische waarde van open water.

3.3.2 Overstromingsrisico

In de omgevingsverordening (paragraaf 2.14.4) heeft de provincie Overijssel aangegeven dat voor gebieden met het risico op overstroming een onderbouwing in het bestemmingsplan moet worden opgenomen in de vorm van een overstromingsrisicoparagraaf. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen minder snel en ondiep onderlopende gebieden en snel diep onderlopende gebieden.

De waterveiligheid in het gebied rondom Kampen wordt bepaald door een complex samenspel van factoren. Naast de afvoer van de rivier IJssel is de grootste dreiging voor Kampen de opstuwing vanaf het IJsselmeer bij noord-wester storm.

afbeelding "i_NL.IMRO.0166.00991189-OW01_0004.png"

Afbeelding Dijkring 11 

Dijkringgebied 11 ligt in de provincies Gelderland en Overijssel (zie afbeelding 4). Aan de noord- en oostzijde ligt de IJssel en aan de westzijde het Vossemeer. Voor de keringen van dijkring 11 geldt een vastgestelde veiligheidsnorm van 1/2.000 per jaar. Dat betekent dat de keringen bestand moeten zijn op zowel maatgevend hoogwater door opstuwing door storm op het IJsselmeer dat 1/2.000 per jaar kan optreden, als maatgevend hoogwater op de IJssel dat 1/2.000 per jaar kan optreden. In het overgangsgebied tussen “meergedomineerd” en “riviergedomineerd” zijn de combinaties van hoogwater door opstuwing van het IJsselmeer en hoogwater door hoge rivierafvoer van belang. De keringen van dijkring 11 hebben weinig overhoogte en oversterkte ten opzichte van dit veiligheidsniveau.

De overstromingsdreiging in dijkring 11 ontstaat door storm op het IJsselmeer of door hoogwater op de IJssel. De maatgevende omstandigheden langs de benedenloop van de IJssel worden vanaf de IJsselmonding tot net stroomopwaarts van Kampen vrijwel volledig bepaald door een hoge IJsselmeerwaterstand. De maatgevende omstandigheden langs de IJssel worden vanaf een aantal kilometers bovenstrooms van Kampen vrijwel volledig door de rivierafvoer bepaald. Tussen beide gebieden ligt een overgangsgebied, waar maatgevende omstandigheden kunnen ontstaan ten gevolge van een hoge IJsselmeerwaterstand in combinatie met een hoge rivierafvoer.

Evacuatie
Om het aantal slachtoffers te beperken kan de dijkring preventief worden geëvacueerd. Dit betekent dat de overstromingsdreiging voortijdig moet worden onderkend en dat besloten moet worden tot evacuatie. Algemeen wordt aangehouden dat dit proces twee dagen in beslag neemt (Kolen, 2009). De duur van de uitvoering is afhankelijk van de gekozen strategie. Literatuuronderzoek (Kolen, 2009) geeft aan dat 10 tot 20% van de bevolking geen gehoor geeft aan de oproep tot evacueren, deze blijven om voor hen moverende redenen, achter in het gebied. Dit betekent dat preventief evacueren het aantal slachtoffers met 80 tot 90% reduceert.

In geval van een hoogwater op de rivier kan worden aangenomen dat er voldoende tijd is om de dreiging te onderkennen en te besluiten (vergelijk de Betuwe in 1995). Voor dijkring 11 geldt dat het niet in alle gevallen mogelijk zal zijn om tijdig te besluiten tot evacueren. Bij storm of het plotseling falen van de waterkeringen zal er onvoldoende tijd zijn voor besluitvorming en uitvoering.

Zelfredzaamheid van de omwonenden en voorlichting over hoe te handelen is belangrijk. Het verplaatsen van mensen naar buiten de dijkring in reactie op het ontstaan van een bres is vrijwel onhaalbaar gezien de snelheid waarmee de overstroming zich door het gebied verplaatst. Na een doorbraak is het daarom verstandiger om te vluchten naar een hogere plek (de zolder). In geval van een doorbraak door storm op het IJsselmeer is het, door de storm zelf, onmogelijk om mensen te verplaatsen of zelfs hulp te bieden in het gebied. Tenslotte zijn mensen slecht voorbereid op een mogelijke overstroming omdat deze gebeurtenissen zich vrijwel nooit voordoen (veiligheidsnorm is gemiddeld eens in de 2000 jaar). Als een dijkdoorbraak plaatsvindt zijn evacuatiemogelijkheden naar elders nagenoeg onmogelijk. Wel is dan nog evacuatie naar bovenverdiepingen mogelijk.

3.4 Ecologie

Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

3.4.1 Gebiedsbescherming

Ten aanzien van gebiedsbescherming zijn in het kader van de Europese richtlijnen in Nederland speciale beschermingszones aangewezen die een hoge wettelijke bescherming kennen. Hiervoor zijn Natura 2000 en gebieden onderdeel uitmakend van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) aangewezen. Hiernaast zijn binnen de gemeente Kampen een aantal gebieden aangewezen als Weidevogelgebied en/of Ganzenfoerageergebied.

Het plangebied ligt op circa 500m van de dichtstbijzijnde speciale beschermingszone: de IJssel. Het voorliggende plan kent geen andere functies dan wonen. De wijziging ten opzichte van het bestemmingsplan Het Onderdijks 2013 is dermate gering dat dit geen effecten heeft op Natura 2000 gebieden. Er hoeft geen stikstofberekening uitgevoerd te worden.

3.4.2 Soortenbescherming

De werkingssfeer van de Flora- en Faunawet is niet beperkt tot of gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in Nederland bescherming. Op grond van de Flora- en Faunawet gelden algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten en het beschadigen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten.

In artikel 75 van de Flora en faunawet worden de ontheffingsmogelijkheden weergegeven. In principe zijn alle zoogdieren, vogels, amfibieën, reptielen en vissen die in Nederland voorkomen, beschermd. De aanvraag van een ontheffing en de toetsing aan de Flora- en Faunawet gebeurt niet in het kader van het bestemmingsplan, maar in de vergunningenfase van een initiatief.

Om te beoordelen of dit bestemmingsplan ook uitvoerbaar is, wordt hierop vooruitlopend, een verwachting uitgesproken over de eventuele gevolgen voor de beschermde planten- en diersoorten in het plangebied.

In de wet is een differentiatie aangebracht in niveau van bescherming. Op 23 februari 2005 is de zgn. “AMvB art. 75” van de Flora- en faunawet in werking getreden, waarin dit verschil is verwoord:

  • alle soorten, opgenomen in Habitat richtlijn bijlage IV, de Vogelrichtlijn en beschermde soorten van de Rode Lijst zijn beschermd onder het zwaarste regime (soorten van tabel 3);
  • soorten met vrijstelling bij een vastgestelde gedragscode (soorten van tabel 2);
  • soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt.

De Flora- en Faunawet geldt daar waar beschermde soorten voorkomen, los van de vraag of dat specifieke gebied ook wettelijk beschermd is. Het ministerie van EZ heeft voor Onderdijks een ontheffing van de Flora- en faunawet afgegeven tot eind 2012. Voor het verstrijken van de ontheffingsperiode is het plangebied waarvoor deze partiële herziening van toepassing is bouwrijp gemaakt. Deze partiële herziening heeft geen invloed op de contouren van het bouwrijp gemaakte terrein waarvoor ontheffing is verleend. Nader natuuronderzoek voor deze partiële herziening is daarom niet nodig. Uiteraard moet tijdens de uitvoering rekening gehouden worden met de zorgplichtbepalingen van de Flora- en Faunawet. Daarbij moet gedacht worden aan broedende eenden of andere vogels in de groenzone langs de sloot. Na de vaststelling van het bestemmingsplan blijft de verplichting bestaan om bij elke wijziging van activiteiten (bouw of anderszins) conform de vereisten van de Flora- en Faunawet te werken.

3.5 Cultuurhistorie

3.5.1 Archeologie

In het Europese Verdrag van Malta, ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland, is de veiligstelling van het (Europese) archeologische erfgoed als doelstelling opgenomen. In 1998 is dit verdrag goedgekeurd door het Nederlandse parlement. Ter implementatie van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving is in 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Dit is een aanpassingswet waarmee de Monumentenwet 1988 gewijzigd is op het onderdeel archeologie. Door middel van de gewijzigde Monumentenwet moet het archeologisch erfgoed in de bodem bescherming krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid.

Als gevolg van Europese en nationale weteving stellen rijk en provincies zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologisch erfgoed moet worden omgegaan. De meeste ingrepen in de ruimtelijke ordening vinden plaats op gemeentelijk niveau. De Monumentenwet verplicht gemeenten bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met de in hun bodem aanwezige waarden.

Op plankaarten geeft de gemeente voor het eigen grondgebied aan waar zich bekende archeologische vindplaatsen bevinden. Voor het overige gebied gelden verwachtingswaarden. De kern van de huidige archeologiewetgeving behelst bescherming van waardevolle oudheidkundige resten in de bodem. Bij ruimtelijke ingrepen op locaties met vindplaatsen moeten de aanwezige resten intact blijven. Wanneer verstoring onvermijdelijk is, dient oudheidkundig bodemonderzoek plaats te vinden. De informatie van de bij bodemonderzoek onderzochte resten wordt behouden door middel van documentatie.

Voor gebieden waar reële verwachtingen bestaan ten aanzien van archeologische waarden, die bedreigd worden door ruimtelijke ingrepen, moet inventariserend onderzoek plaatsvinden om uit te maken of daadwerkelijk waardevolle archeologische resten aanwezig zijn. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Op basis van dit onderzoek kan besloten worden tot behoud van de vindplaats, verder onderzoek of vrijgave van de locatie. De beslissingsbevoegdheid over archeologische monumentenzorg met betrekking tot het grondgebied van de gemeente Kampen berust bij de overheid als bevoegd gezag. In de meeste gevallen is dit de gemeente.

De planlocatie is gelegen in het Onderdijks, in zones die in 2001, 2002 en 2005 onderzocht zijn.
Ter plaatse bevindt zich de flank van een rivierduin waar mogelijk prehistorische vindplaatsen aanwezig zijn geweest. Het rivierduin, en de directe omgeving, zijn dermate gehavend, door egalisatie tijdens agrarisch landgebruik, dat intacte archeologische resten niet te verwachten zijn. Op grond van deze onderzoeken is voor het grootste deel van het Onderdijks vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend door middel van een selectiebesluit.
Voor onderhavige planlocatie, die gelegen is in de zone waar de vrijstelling voor geldt,  is geen archeologisch onderzoek noodzakelijk.

3.5.2 Monumentenzorg

Er zijn geen monumenten in het plangebied of directe omgeving.

3.6 Wonen

3.6.1 Woonvisie

In het voorliggende plangebied wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de Woonvisie 2010-2020 zoals beschreven in paragraaf 2.3.2. Het betreft een blok van 9 woningen die in collectief particulier opdrachtgeverschap (CPO) wordt gerealiseerd. Het stimuleren van starters tot collectief particulier opdrachtgeverschap is één van de uitvoeringsmaatregelen in de Woonvisie.

3.6.2 Regionale woonafspraken

Op 27 januari 2016 heeft de gemeente Kampen de regionale Woonafspraken met de provincie Overijssel ondertekend. Gemeenten in Overijssel hebben hierin afgesproken dat er maximaal 100% van de gemeentelijke vraag voor de komende 10 jaar naar woningen beschikbaar wordt gemaakt in harde plannen.

De gemeente Kampen heeft beleid opgesteld (nog niet vastgesteld) op welke wijze de woningmarkt in balans moet worden gebracht. De woningen in het voorliggende plangebied hebben een bestemming “Woongebied - Uit te werken”. Het beleid gaat uit van een afwaardering van de plancapaciteit van uitwerkings- en wijzigingsplannen in Onderdijks van 243 naar 128 woningen. De woningen in het plangebied behoren niet tot de af te waarderen woningen.

3.6.3 Ladderonderbouwing

Sinds 1 oktober 2012 kent het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking. De in artikel 3.1.6 lid 2 Bro opgenomen ladder moet bewerkstelligen dat een zorgvuldige afweging wordt gemaakt over ruimtegebruik. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet voldoen aan een aantal voorwaarden. Een uitzondering wordt gemaakt op het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling als sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan niet van toepassing. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling bij kleine op zichzelf staande woningbouwplannen.

Uit jurisprudentie volgt dat er sprak is van een klein woningbouwplan als in de bouw van niet meer dan 11 woningen wordt voorzien (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). In dit geval gaat het om de bouw van 9 woningen en is dus geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het plan CPO Fase 2 omvat 9 woningen en is op basis van jurisprudentie kleinschalig te noemen. Bovendien gaat het hier om woningen die in het moederplan Het Onderdijks 2013 een bestemming “Woongebied - uit te werken” hadden. In die zin is de ontwikkeling ook niet geheel nieuw.

In dit geval wordt uitwerkingscapaciteit omgezet naar directe bouwtitel. Daardoor neemt de totale harde plancapaciteit niet toe en wordt de 100% niet overschreden.

3.7 Verkeer

De woningen hebben geen parkeerplaatsen op eigen terrein. Het benodigde aantal parkeerplaatsen is gebaseerd op de richtlijnen uit het CROW. Uitgangspunt is een parkeernorm van 1.9 p.p.p.w. Er worden 9 woningen gerealiseerd, dus er moeten 18 parkeerplaatsen komen. In de inrichtingsschets zijn 15 parkeerplaatsen voor de woningen langs de Wake ingetekend en drie ten zuiden van het blokje. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde norm.

Hoofdstuk 4 Het Plan

4.1 Programma en ruimtelijke context

In het plangebied zal een rij van 9 woningen worden gerealiseerd in collectief particulier oprachtgeverschap (CPO). CPO houdt in dat de toekomstige bewoners samen de beslissingen nemen over bijvoorbeeld de erfafscheidingen en de keuze van de aannemer. Verder zijn alle beslissingen individueel. De breedte, de diepte en de hoogte van de woningen kunnen variëren en de gevelsteen en gevelindeling kan naar eigen wens worden gekozen. De kavel ligt in het verlengde van het eerste CPO project.

De voorzijden van de woningen zijn gelegen aan een straat met daarvoor een brede watergang. Direct voor de woningen ligt een trottoir met daarachter de parkeerplaatsen. De achterzijde van de woningen grenst aan een nader in te vullen plangebied.

De woningen zijn gelegen langs de oostzijde van het centrumgebied. Aan de voorkant van de huizen ligt een fraaie watergang. Aan de zuidkant van de locatie is een prachtig park aangelegd waar jong en oud kan genieten van de mooie groene omgeving. Deze groene long van Het Onderdijks zal deels doorlopen in het gezamenlijke plein, waar een mooie ontmoetingsplek onstaat voor de hele wijk. Verder wordt er in de nabije toekomst in Het Hart een kinderdagverblijf, zorgvoorzieningen en kleinschalige detailhandel gerealiseerd.

Naast wonen zijn er in het centrumgebied maatschappelijke voorzieningen te realiseren, bijvoorbeeld bijzondere woonvormen, kleinschalige detailhandel en zorgvoorzieningen. De noordelijke zijgevel grenst aan de Bouwkamp en de zuidelijke zijgevel grenst aan de Waker.

Het centrum van Het Onderdijks en het park vormen samen het 'Hart van Het Onderdijks'. Belangrijke wijkvoorzieningen, zoals een nieuwe basisschool, kinderopvang in combinatie met zorg, maatschappelijke voorzieningen en woningbouw krijgen een plek in 't Hart van Het Onderdijks. De stedenbouwkundige structuur en het ruimtelijke concept spelen in op genoemde functies.

Het groene karakter van 't Hart van het Onderdijks wordt benadrukt door het versmelten van 'plein in park' en 'park in plein', het geeft het gebied een unieke sfeer. Dit sluit aan bij de gewaardeerde groene woonkwaliteit van Het Onderdijks. De combinatie van voorzieningen zorgt ervoor dat 't Hart ook een levendige plek is waar buurtkinderen en buurtbewoners elkaar dagelijks ontmoeten, samen spelen, een praatje maken of gezamenlijk activiteiten ondernemen. Het is de belangrijkste verblijfs- en ontmoetingsplek voor de wijk.

4.2 Stedenbouwkundige aspecten

De woningen en nog te realiseren gebouwen achter de woningen vormen een gesloten bouwblok. De tussenliggende erfafscheidingen worden gevormd door een beukenhaag of muur met raster, die de bewoners zelf dienen aan te leggen op eigen grond.

Om te komen tot een gesloten bouwblok is als voorwaarde voor het bouwplan gesteld dat de zijgevels van de woningen in de aangegeven rooilijn worden gebouwd. De erfafscheiding aan de achterzijde moet worden mee-ontworpen met de woning, waarbij tevens rekening wordt gehouden met een berging en de achteringang.

Aan de voorzijde van de woning moet op de erfgrens een haag worden geplant, tenzij de voorgevel van de woning aansluit aan het trottoir of een zgn. Delftse stoep heeft van 1 m. breed. De bewoners moeten gezamenlijk zorgen voor de aanplant, onderhoud en beheer van een uniforme haag op eigen grond.

Met het bouwvlak liggen de uiterste contouren van het bouwblok vast. De woningen moeten dus binnen de contouren van het bouwvlak worden gebouwd. De zijgevel van de eindwoningen moet in de aangegeven rooilijn komen te liggen. De voorgevelrooilijn is flexibel, er is een zone opgenomen van 2.00 meter waarbinnen de voorgevel kan bewegen. De voor- en zijgevels van de woningen zijn representatief. De voorgevels van de woningen zijn georiënteerd op de watergang, de gevels dienen een transparant/open karakter te krijgen. De entrees van de woningen zitten in deze voorgevel. Er moet extra aandacht worden geschonken aan gevelopeningen in de zijgevels. Voor de buitenste woning aan de Bouwkamp wordt een stedenbouwkundig accent voorgeschreven. Het pad tussen de rijen zorgt ervoor dat de tussenwoningen ook vanaf de achterzijde zijn te bereiken. Het tussenpad is indicatief weergeven, omdat het aantal woningen in een rij en de beukmaat bepalen waar het tussenpad komt te liggen. Uitgangspunt is een tussenpad van 2.00 meter.

De woningen dienen een bouwhoogte te krijgen tussen de 6.00 en 10.00 meter met een individuele kapvorm: plat of lessenaar echter niet het hele blok mag een plat dak of lessenaarsdak hebben van dezelfde hoogte.

De richting van de lessenaarsdaken is niet vastgesteld om een gunstige oriëntatie op de zon en het gebruik van zonnepanelen mogelijk te maken. Een voorwaarde is dat aan de straatzijde een minimale bouwhoogte of nokhoogte van 9.00 meter wordt gerealiseerd. Platte daken bieden mogelijkheden voor aanvullende maatregelen op het gebied van duurzaamheid.

4.3 Beeldambitie

Voor de nieuwbouw geldt dat er samenhang is in vormentaal en eenheid in kleur- en materiaalgebruik. Deze wijkt af van de omringende woningbouw. Er wordt gewerkt met natuurlijke materialen en het kleurgebruik is rustig en eenduidig. Naast glas komen maximaal twee verschillende materialen voor die de grondtoon van de woningen bepalen. Het gaat om natuurlijke materialen met een duurzaam karakter De woningen moeten met twee materialen kunnen worden gerealiseerd. Daarom wordt voorgesteld naast glas te werken met baksteen en hout. Deze materialen bepalen de grondtoon van alle woningen.

Qua kleurgebruik onderscheidt 't Hart van Het Onderdijks zich van de rode baksteentinten van de woonbebouwing in haar omgeving. Lichte aardetinten, uit het kleurenspectrum van de leistenen van de bestaande basisschool Het Stroomdal, vormen de grondtoon voor alle gebouwen. Het kleurgebruik van de verschillende materialen in één gebouw wordt zorgvuldig op elkaar afgestemd. Uitgangspunt is één kleur per gebouw. Door de verschillende materialen ontstaan diverse kleurnuances. Het kleur- en materiaalgebruik dient tevens te worden afgestemd op de overige bebouwing, die al gerealiseerd en/of in aanbouw is. Omdat in 't Hart van Het Onderdijks meerdere exploitanten, ontwerpers en bouwers aan de slag gaan, geldt het principe wie het eerst bouwt bepaalt. Dit betekent dat kleur- en materiaalgebruik worden afgestemd op reeds gerealiseerde bebouwing, gebouwen in aanbouw en/of goedgekeurde bouwaanvragen. In het kleurenspectrum van de verschillende woningen zijn kleurnuances toegestaan. De kleurnuances zijn zo subtiel dat de eenheid en samenhang intact blijft.

Wanneer het bouwplan beantwoord aan genoemde samenhang kan van de toegepaste materialen worden afgeweken onder de voorwaarde dat het resultaat gelijk moet zijn aan de uitgangspunten uit het beeldregieplan.

4.4 Toetsing

Toetsing van het bouwplan voor de CPO-woningen vindt plaats in het beeldregieteam Het Onderdijks. In het beeldregieteam vindt afstemming plaats met de disciplines Stedenbouw en Natuur & Landschap en de welstand.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijk uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan zal overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) gedurende zes weken ter inzage liggen en worden toegestuurd aan overleginstanties. Tijdens deze periode wordt de mogelijkheid geboden voor het indienen van zienswijzen. Verder komt ten aanzien van de omgevingsaspecten, de uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een plan kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de maatschappelijk uitvoerbaarheid en de economische uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. Bij het tweede gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is.

In het kader van de ontwikkeling van de woonwijk 'Het Onderdijks' is een gemeentelijke grondexploitatie opgesteld. Hierin zijn alle kosten en opbrengsten opgenomen. De grondexploitatie wordt elk jaar geactualiseerd. De gemeente heeft alle grond in haar bezit, waardoor het kostenverhaal is verzekerd. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.

Hoofdstuk 6 Juridische regeling

In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het deel uitmakende planregels van een nadere toelichting voorzien. Qua vormgeving en planregels is voor zover mogelijk aangesloten bij de SVBP2012 en de binnen de gemeente Kampen gehanteerde bestemmingsplanregels en begripsbepalingen.

6.1 Inleiding

Het bestemmingsplan 'Het Onderdijks 2013, 2e herziening 't Hart, 3e fase’ dient te voldoen aan de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Daarnaast dient het bestemmingsplan te voldoen aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Deze ministeriële regeling heeft met name invloed op de vorm van het plan. Zo zijn in deze ministeriële regeling hoofdgroepen van bestemmingen opgenomen en worden er standaard regels voor de begrippen en de wijze van meten gegeven. In dit hoofdstuk worden de van het plan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien.

De bij dit plan behorende regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten:

  • 1. Inleidende regels.
  • 2. Bestemmingsregels.
  • 3. Algemene regels.
  • 4. Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 1 worden in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 worden de op de kaart aangegeven gedetailleerde bestemmingen omschreven en worden per bestemming de bouwregels vermeld. Bij sommige bestemmingen worden ook de wijzigingsbevoegdheid voor functieverandering, uitwerkingsregels, afwijkingen van de bouwregels en specifieke gebruiksregels omschreven. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels die gelden voor het gehele bestemmingsplan. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels.

6.2 Plansystematiek

6.2.1 Verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding zijn tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.

6.2.2 Regels
6.2.2.1 Inleidende regels

Het opnemen van begripsbepalingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen.

6.2.2.2 Wijze van meten

Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven bij het toepassen van de regels. Dit betreft onder meer het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met erkers, luifels en dergelijke. In de SVBP2008 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing worden deze één op één overgenomen.

6.2.2.3 Bestemmingsregels

Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de specifieke gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning;
  • wijzigingsbevoegdheden.

Bestemmingsomschrijving:

De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming en eventueel daaraan verbonden voorwaarden. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Niet hier genoemd gebruik is strijdig met de bestemming.

Bouwregels:

In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bij het afwijken van de bouwregels kan onder voorwaarden worden afgeweken van hetgeen is geregeld. Bijvoorbeeld in het toestaan van een grotere hoogte of het uitbreiden van het bouwvlak.

Specifieke gebruiksregels:

In de specifieke gebruiksregels staat in aanvulling op de bestemmingsomschrijving expliciet beschreven wat wel of niet wordt toegestaan. Het gaat dan vaak om functies of activiteiten waarover onduidelijkheid kan bestaan. Ook hier kan onder voorwaarden van af worden geweken.

Omgevingsvergunning:

Onder de omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het uitvoeren van werken of werkzaamheden. In het verleden werd wel gesproken van de aanlegvergunning.

Wijzigingsbevoegdheden:

In een enkele bestemming is een wijziginsgbevoegdheid opgenomen. Hiermee is het mogelijk middels een afzonderlijk plan de bestemming waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft te wijzigen. De voorwaarden waaronder dit kan plaatsvinden staan in de regels vermeld.

6.3 Bestemmingen

In het bestemmingsplan 'Het Onderdijks 2013, 2e herziening 't Hart, 3e fase' komen de volgende bestemmingen voor:

6.3.1 Verkeer - Verblijfsgebied

De hoofdwegen hebben de bestemming ‘Verkeer’ gekregen. In de bestemming ‘Verkeer - Verblijfsgebied’ zijn de lokale wegen en de verblijfsgebieden zoals straten en pleinen opgenomen. Hier zijn naast verkeersdoeleinden ook groen en speelvoorzieningen mogelijk. Ter plaatse van de aanduiding ‘markt’ zijn de bestaande markten en standplaatsen met bijbehorende marktkramen mogelijk gemaakt. Een ontheffing is opgenomen om medewerking te kunnen verlenen voor het gebruik van gronden voor een terras.

De bestemming ‘Verkeer en verblijfsgebied’ wordt gelegd op gebieden met een verblijfskarakter. Dit zijn woongebieden of centrumgebieden. Binnen de bestemming vallen fietspaden, voetgangersgebieden, pleinen, parkeerterreinen, wegen, alsmede groenvoorzieningen, bermen en water.

6.3.2 Wonen

De CPO-woningen hebben de bestemming ‘Wonen’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn grondgebonden woningen toegestaan. De hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Op de verbeelding is de maximum goot- en bouwhoogte aangegeven.

Het gebied buiten het bouwvlak behoort tot het erf. Op het erf is het mogelijk om bijgebouwen te realiseren. De algemene regel is dat 50m² aan bijgebouwen kan worden gerealiseerd, mits niet meer dan 50% van het erf wordt bebouwd.

Binnen de bestemming Wonen is het met afwijking en onder bepaalde voorwaarden mogelijk om een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen.

Afwijken en wijzigen

Middels het afwijken van de regels is het mogelijk zowel beroepen als kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten aan huis uit te oefenen. Hierdoor zijn zaken als kapsalons en schoonheidssalons aan huis nu ook met een makkelijke procedure mogelijk. Hiernaast is ondergeschikte productiegebonden detailhandel toegestaan. Denk hierbij aan batterijenverkoop bij een horlogemaker, het zalfje en poedertje bij de schoonheidsspecialist, de haargel bij de kapper. Ook is het middels het afwijken van de regels mogelijk om een Bed & Breakfast aan huis te voeren. In de definitie van B&B wordt geregeld dat B&B-kamers niet kunnen worden omgezet naar permanente bewoning. Zo mag er geen zelfstandige kookgelegenheid aanwezig zijn. Al deze activiteiten zijn enkel in ondergeschikte vorm aan de woonbestemming mogelijk en mogen het woonkarakter niet aantasten. In de regels staan alle voorwaarden benoemd waaraan moet worden voldaan om af te wijken van het plan.

6.3.3 Waarde - Archeologie

Binnen de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn de aanwezige en te verwachten archeologische waarden beschermd. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden. Bepaalde bodemingrepen die (te verwachten) archeologische waarden verstoren zijn enkel mogelijk wanneer archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 7 Vooroverleg

7.1 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening wordt geëist dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg wordt gevoerd met die diensten van het rijk en de provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

De wet (artikel 3.1.1.2 Bro) biedt de provincie de mogelijkheid om plannen aan te wijzen waarvoor geen vooroverleg is vereist. In 2011 is van deze wettelijke mogelijkheid gebruik gemaakt door vaststelling van een lijst waarop ruimtelijke plannen zijn aangegeven waarvoor het verplichte vooroverleg achterwege kan blijven. Vorig jaar is de lijst op onderdelen aangepast naar aanleiding van recente ontwikkelingen en actulisering van de Omgevingsverordening Overijssel.

Woningbouw in bestaand stedelijk gebied is niet meer opgenomen in de “uitzonderingslijst vooroverleg ruimtelijke plannen”. Recente ontwikkelingen en jurisprudentie inzake woningbouwplannen in relatie tot de ladder voor duurzame verstedelijking zijn voor de provincie aanleiding geweest om deze plannen weer voor vooroverleg aan te laten bieden, dit teneinde zicht te houden op een evenwichtige regionale programmering en op het doorstaan van de rechterlijke toets bij de Raad van State.

De provincie Overijssel heeft in de e-mail van 16 maart 2016 ingestemd met het plan. Deze e-mail is als bijlage 3 bij dit plan gevoegd.