NL.IMRO.0202.893-0301 bestemmingsplan Bethaniënstraat 248-250 gemeentelijke overheid 0202 2016-12-22 PRPT2012
Bethaniënstraat 248-250    

Toelichting     

bij het bestemmingsplan

'Bethaniënstraat 248-250'

(plannummer: NL.IMRO.0202.893-0301)

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

De gemeente is al langere tijd op zoek naar een duurzame huisvestingsoplossing voor het speciale onderwijs in Arnhem. Hiervoor heeft het college onlangs ingestemd met het aangepast huisvestingsplan 'De Koers 2.0'.

Het Briant college (VSO) is momenteel gevestigd op een tweetal locaties in Arnhem: aan de Bethaniënstraat 250 en Bakenbergseweg 76. Het plan is om het Briant College op één locatie te huisvesten, te weten op de locatie aan de Bethaniënstraat. De Ommezwaai (SO), momenteel gevestigd aan de Doorwerthlaan 2, zal tevens naar deze locatie worden verplaatst. Dit vanwege het feit dat het huidige pand van de school zodanig is verouderd dat renovatie niet opweegt tegen nieuwbouw en bij vervangende nieuwbouw het centraliseren van de scholen gewenst is. Om de hiervoor genoemde ontwikkelingen mogelijk te maken is aanpassing van het huidige gebouw en aanvullende nieuwbouw noodzakelijk. De behoefte aan gymzalen van beide scholen zal worden geaccommodeerd in een nieuw te bouwen sporthal met 3 zalen tussen beide schoolgebouwen in. Deze sporthal komt voor medegebruik in aanmerking.

De voorgenomen ontwikkelingen zijn niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan "Presikhaaf 3", waardoor een partiële herziening noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. Hierbij zal worden aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met een 'goede ruimtelijke ordening'.

1.2 Situering en begrenzing plangebied     

Het plangebied omvat het perceel Bethaniënstraat 248-250 en is gelegen in de buurt Presikhaaf III (wijk Presikhaaf). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Bethaniënstraat aan de noordzijde, de Lange Water aan de oostzijde, bedrijven gevestigd aan de Vlamoven aan de zuidzijde en een maatschappelijke voorziening (dans- en muziekschool) aan de westzijde. In afbeelding 1.1 is de situering van het plangebied ten opzichte van de omgeving weergegeven. Opgemerkt wordt dat de begrenzing van het plangebied indicatief van aard is. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.

verplicht
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving

1.3 Opzet bestemmingsplan     

Een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. Op de kaart zijn de bestemmingen door middel van kleuren en tekens aangegeven. De regels bevatten de materiële inhoud van de bestemmingen. Deze bestemmingsplanonderdelen vormen tezamen het juridische toetsingskader voor ruimtelijke en functionele ontwikkelingen in het plangebied. De toelichting bevat met name de aan het plan ten grondslag liggende gedachten.

Dit plan is conform de Wro vormgegeven volgens de SVBP (Standaard voor vergelijkbare Bestemmingsplannen) 2012. Het SVBP geeft voorschriften over inrichting van de kaart (kleuren en tekens) en de opbouw van de regels.

Diverse facetbelangen zijn door andere regelgeving gewaarborgd, bijvoorbeeld de Wabo, de Wet milieubeheer, de Huisvestingswet en de Monumentenwet. Het is niet nodig dat het bestemmingsplan dezelfde waarborgen nogmaals schept.

1.4 Geldende plannen     

De locatie is gelegen binnen de begrenzing van het bestemmingsplan "Presikhaaf 3". Dit bestemmingsplan is op 5 juli 2011 vastgesteld door de gemeenteraad. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van dit bestemmingsplan opgenomen met daarin weergegeven het plangebied.

verplicht
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan "Presikhaaf III"

Op basis van het bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied bestemd als 'Maatschappelijk'. Binnen de bestemming is een bouwvlak met maatvoeringsaanduiding (maximale bouwhoogte) opgenomen. Tot slot is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'.

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor onderwijs, welzijn, religie, openbare dienstverlening, zorginstellingen en therapeutische functies. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd, waarbij geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.

De huidige bebouwingsmogelijkheden beperken zich tot het bouwvlak welke in het geldende bestemmingsplan vrij strak om de bestaande bebouwing is gelegd. Het uitbreiden van het bestaande schoolgebouw (Briant college) en het realiseren van de beoogde nieuwbouw (De Ommezwaai en gezamenlijke sporthal) is dan ook niet in overeenstemming met de geldende bouwregels. Voorliggend plan voorziet in de gewenste juridisch planologische kaders. In deze toelichting zal aangetoond worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke onderbouwing.

1.5 Leeswijzer     

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 de bestaande situatie in het plangebied beschreven.

In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Arnhem beschreven.

Hoofdstuk 4 omvat de ruimtelijke- en programmatische aspecten van de ontwikkelingen.

In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue.

In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de procedure.

Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie     

2.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk wordt eerst ingegaan op de huidige ruimtelijke en functionele structuur in en om het plangebied. Vervolgens wordt ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren, monumenten en archeologie, groenstructuur en tot slot water.

2.2 Ruimtelijke en functionele structuur     

De ontwikkellocatie ligt in een overgangszone tussen bedrijven op IJsseloord en het woongebied van Presikhaaf III. De gebouwen bevinden zich in een open/groene ruimte. Het groen is hierbij de ruimtelijke drager.

De ruimtelijke structuur in de omgeving van het plangebied wordt met name gevormd door de kenmerkende open bouwblok- en bouwstrokenverkaveling in de wijk Presikhaaf en de Bethaniënstraat welke onderdeel uitmaakt van de centrale verkeerslus (Bethaniënstraat-Keulse slag-Honigkamp). De functionele structuur van de omgeving wordt met name gekenmerkt door het wonen, maatschappelijke voorzieningen (o.a. kerk, muziek- en dansschool) en bedrijvigheid (bedrijventerrein IJsseloord 1).

Het plangebied wordt globaal begrensd door de Bethaniënstraat aan de noordzijde, de Lange Water aan de oostzijde, bedrijven gevestigd aan de Vlamoven aan de zuidzijde en een maatschappelijke voorziening (dans- en muziekschool) aan de westzijde.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie in het plangebied opgenomen.

verplicht
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie in het plangebied

Binnen het plangebied is in de huidige situatie een schoolgebouw met bijbehorende voorzieningen aanwezig. De bebouwing is recentelijk gerenoveerd en in gebruik door het Briant College. Op het voor- en zijterrein zijn parkeer- en verkeersvoorzieningen (brengen en halen) aanwezig. Door verwildering van het groen en achterstallig beheer oogt het onbebouwde deel van het plangebied (nieuwbouwlocatie) rommelig.

In afbeelding 2.2 en 2.3 zijn foto's van de huidige situatie in het plangebied opgenomen.

verplicht
Afbeelding 2.2: Bestaande bebouwing in het plangebied

verplicht
Afbeelding 2.3: Bestaande situatie beoogde nieuwbouwlocatie

2.3 Verkeer en parkeren     

Het plangebied wordt via de Bethaniënstraat ontsloten. Via deze weg wordt ontsloten op de Laan van Presikhaaf en de Lange Water en zijn de overige delen van de stad Arnhem te bereiken. Op de Bethaniënstraat en het Lange Water geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. Op de overige wegen in de directe omgeving, waaronder de Honigkamp, geldt een 30 km/uur regiem.

Het parkeren ten behoeve van de bestaande school vindt plaats op een tweetal centrale parkeervoorzieningen gelegen op het voor- en zijterrein. Daarnaast bevindt zich op het zijterrein een breng/haal-punt.

2.4 Monumenten en archeologie     

De bestaande bebouwing in het plangebied is niet aangemerkt als rijks- of gemeentelijke monumenten en zijn niet karakteristiek of anderszins beschermingswaardig. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 5.9.

2.5 Groenstructuur     

Het plangebied wordt aan de noord-, zuid- en westzijde omzoomt door forse groenvoorzieningen. De bomen gelegen binnen het plangebied, waaronder de wilgen langs de Bethaniënstraat, zijn niet aangemerkt als waardevolle bomen maar zijn wel beeldbepalend even als de elzen. Voor het overige is het plangebied wat betreft groen ingericht als gazon en oogt het braakliggende deel van het plangebied - door achterstallig beheer - enigszins verwilderd.

2.6 Water     

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Aan de oostzijde grenst het plangebied direct aan een watergang. Deze watergang heeft een waterpeil van circa 9,0 meter boven N.A.P. Op deze watergang is de Keur van het waterschap van toepassing.

Grondwater

Bekend is dat in de wijk Presikhaaf met enige regelmaat hoge grondwaterstanden optreden. Hoge grondwaterstanden spelen een rol in de fysieke woonomgeving en worden vaak ervaren als wateroverlast. De hoge grondwaterstanden in de wijk worden door verschillende factoren bepaald. Zo is de bodemopbouw in de wijk divers met verschillende moeilijk doorlatende lagen zoals klei en veen op de zandgronden die door de stuwwal zijn afgezet. Daarbovenop komt het effect van het infiltrerende regenwater. Dit water zijgt vanaf het maaiveld naar beneden en stagneert op de waterstroom vanuit de Veluwe. De werkelijke ontwatering, de afstand tussen maaiveld en grondwater, is dan ook kleiner. Daarnaast heeft de IJssel een grote invloed op de grondwaterstand. Bij een hoge rivierstand ontstaat een kwelstroom vanuit de rivier de wijk in. Hierdoor wordt de afstroming vanuit de Veluwe belemmert, waardoor deze stagneert en opstuwt. De opstuwing heeft een hogere grondwaterstand tot gevolg.

Afvalwatersysteem & Hemelwater

Nabij het plangebied ligt een gescheiden rioolstelsel. Voor wat betreft de wijze van afvoer van afval- en hemelwater wordt verwezen naar paragraaf 5.7.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleid en regelgeving     

3.1 Inleiding     

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en waar nodig doorvertaald op de verbeelding en in de regels.

3.2 Ruimtelijk beleid     

3.2.1 Rijksbeleid     

3.2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

De SVIR schetst het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid van het rijk in het perspectief van 2028 en 2040. De SVIR markeert een trendbreuk waarbij sterk wordt ingezet op decentralisatie van het ruimtelijk beleid naar provincies en gemeenten. In de nationale ruimtelijke hoofdstructuur maakt Arnhem deel uit van één van de negen 'stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren'; expliciet wordt 'Health Valley' in en rond Arnhem-Nijmegen genoemd en 'mode en design' in Arnhem als onderdeel van de aanwezige topsector ' Creatieve industrie'. Een 'aantrekkelijk vestigingsklimaat in en een goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren' wordt in de SVIR gemarkeerd als een nationaal belang.

3.2.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking     

In de SVIR wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond.

3.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid     

De SVIR laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. Het voornemen raakt dan ook geen rijksbelangen zoals opgenomen in de SVIR. In paragraaf 4.6 wordt de ontwikkeling getoetst aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking'. Hier wordt geconcludeerd dat het project in overeenstemming is met de ladder.

3.2.2 Provinciaal beleid     

3.2.2.1 Omgevingsvisie Gelderland     

Algemeen

De provincie Gelderland heeft een nieuwe integraal provinciaal beleidsplan, de Omgevingsvisie Gelderland. Provinciale Staten van Gelderland heeft de Omgevingsvisie op 9 juli 2014 vastgesteld.

In de Omgevingsvisie heeft de provincie twee doelen gedefinieerd die de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur benadrukken. De doelen zijn:

  • een duurzame economische structuurversterking,
  • het borgen van de kwaliteit en de veiligheid van onze leefomgeving.

Regio Arnhem Nijmegen

Regio Arnhem Nijmegen wordt gekenmerkt door:

  • het grootste stedelijke netwerk van Oost-Nederland;
  • hoge kwaliteit van het voorzieningenniveau;
  • kennisinstellingen: universiteit en hogescholen;
  • de strategische ligging halverwege de Randstad en het Ruhrgebied;
  • economische kracht: brede basis en topsectoren;
  • goede bereikbaarheid over weg, water en spoor;
  • de combinatie van stedelijke kwaliteiten en een mooie natuurlijke omgeving.

De kwaliteiten van de regio bepalen in belangrijke mate de ontwikkelingsmogelijkheden en daarmee ook de concurrentiepositie van Gelderland in internationaal en nationaal verband. De innovatieve kwaliteiten bepalen de potenties van de regio.

De inzet van gemeenten, maatschappelijke organisaties, ondernemers en provincie is nodig om in te kunnen spelen op de opgaven in de regio. De gezamenlijke inspanningen richten zich op vier speerpunten:

Innovatie en economische structuurversterking

- Topsector Health, Energie- en Milieutechnologie;

- creatieve industrie, logistiek, agro, toerisme;

- innovatie en samenwerking; overheid, ondernemingen, kennisinstellingen.
Bereikbaar en verbonden

- een goed bereikbare regio;

- verbeteringen bestaande infrastructuur weg, water, spoor;

- voorkomen, benutten, bouwen.
Sociaal economische vitaliteit en verstedelijking

- het belang van de bestaande woningvoorraad;

- het voorzieningenniveau van de kernen staat onder druk;

- voorkomen van overaanbod van bedrijventerreinen, detailhandel, kantoren.
Gebiedskwaliteiten benutten

- kwaliteiten van het buitengebied (natuur en cultuurhistorie) verbinden met ontwikkelingsmogelijkheden

Ten aanzien van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is het thema Sociaal economische vitaliteit en verstedelijking van belang alsmede de 'Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik'. Hierna wordt op de desbetreffende onderdelen nader ingegaan.

Sociaal economische vitaliteit en verstedelijking

Op het schaalniveau van wijken en kernen speelt het belang van voorzieningen, zowel commerciële als maatschappelijke voorzieningen. Voor de vitaliteit en leefbaarheid zijn goede en bereikbare voorzieningen van groot belang. Digitale ontwikkelingen, waaronder breedband/glasvezel, maken het mogelijk steeds meer zaken op afstand te regelen. Dat kan deels het wegvallen van fysieke voorzieningen compenseren.

Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik

De provincie heeft de rijksladder verbijzonderd voor Gelders gebruik. Dit betekent vooral dat de keuzes explicieter zijn gemaakt die de rijksladder al in zich heeft. Er wordt bijvoorbeeld gevraagd om bestaande gebouwen mee te wegen in een zorgvuldige afweging, in stedelijk gebied, in de randen rond het stedelijk gebied en erbuiten.

Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Gelderland

De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied voorziet in het uitbreiden van een bestaand schoolgebouw (VSO) en realisatie een nieuw schoolgebouw (SO) en een gezamenlijke sporthal. Met het plan wordt bijgedragen aan het verbeteren van de kwaliteit van bebouwing ten behoeve van maatschappelijke functies. Wat betreft de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik wordt opgemerkt dat sprake is van een binnenstedelijke locatie. Het behouden van bestaande gebouwen vormde een belangrijk uitgangspunt bij de planvorming het streven tot samenvoegen schoollocaties. Dit resulteerde in behoudt en aanpassing van het Briant-gebouw (Bethaniënstraat 250), het slopen van de overige bebouwing binnen het plangebied en het realiseren van nieuwbouw (schoolgebouw en sporthal). Voor de toetsing van de ontwikkeling aan de ladder zoals opgenomen in het rijksbeleid wordt verwezen naar paragraaf 4.6. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Gelderland.

3.2.2.2 Omgevingsverordening Gelderland     

De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Het plangebied is gelegen in een intrekgebied (grondwaterwinning). Hierdoor zijn met name artikel 2.6.3.1 van belang.

Artikel 2.6.3.1 Intrekgebied

In een bestemmingsplan krijgen intrekgebieden geen bestemming die de winning van fossiele energie, zoals aardgas, aardolie, schaliegas en steenkoolgas, mogelijk maakt.

Toetsing van het initiatief aan artikel 2.6.3.1

Dit bestemmingsplan voorziet niet in de planologische kaders om binnen het plangebied fossiele energie te winnen. Voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 2.6.3.1.

3.2.3 Gemeentelijk beleid     

3.2.3.1 Structuurvisie Arnhem 2020 (vastgesteld door raad, december 2012)     

Algemeen

Het gebruik van de ruimte in een stad verandert voortdurend. De gemeentelijke structuurvisie is een belangrijk kader voor het beoordelen en entameren van ruimtelijke initiatieven en plannen in de stad. In december 2012 is de Structuurvisie Arnhem 2020 met doorkijk 2040 vastgesteld door de gemeenteraad.

De structuurvisie benoemt de belangrijkste principes voor het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief van de stad en geeft een uitwerking van dit perspectief zowel naar een aantal thema's als naar gebieden in de stad, de zogenaamde 'koersgebieden'. Het plangebied is gelegen in het koersgebied 'Presikhaaf, naoorlogs woongebied herontwikkeld'

Koersgebied: 'Presikhaaf, naoorlogs woongebied herontwikkeld'

Karakteristiek

Presikhaaf is een typisch naoorlogse uitbreidingswijk die volgens het principe van licht, lucht en ruimte werd vormgegeven. De wijk kreeg een rationele verkaveling met open bouwblokken en strokenverkavelingen. Een hechte sociale structuur stond voor ogen door een mix van woningtypen voor uiteenlopende gezinssamenstellingen met een structuur van open bouwblokken en gemeenschappelijk groen. Presikhaaf is inmiddels meer dan 50 jaar oud en voldoet op sommige plaatsen niet meer aan de eisen van de tijd. Een herontwikkeling is in 2003 ingezet op basis van een ontwikkelingsplan. Dit is later uitgewerkt voor Presikhaaf 1 en 2 (het westelijk deel van Presikhaaf), het winkelcentrum en een aantal kleinere locaties ten zuiden en oosten van het winkelcentrum. Daarnaast vindt herontwikkeling plaats in het gebied Merwedeterrein (in de westpunt tussen beide sporen).

Ontwikkelingsrichting en opgaven

Het Ontwikkelingsplan is mede door de vastgoedcrisis aan evaluatie en herijking toe. Projecten zoals het winkelcentrum, op de voormalige ROC- locaties en Bethaniënstraat zijn stilgelegd. Een aantal terreinen ligt braak. Het bedrijventerrein Merwede wordt voorlopig niet ontwikkeld. Ook vinden er aanpassingen in het programma plaats, zoals appartementen die worden omgezet naar eengezinswoningen. Het Ontwikkelingsplan ging uit van realisatie voor 2020; voor onderdelen zal de realiseringstermijn langer worden.

Woningbouwprogramma voor Presikhaaf moeten in een bredere context tegen het licht gehouden worden. Kansen liggen indifferentiatie door toepassing van (collectief) particulier opdrachtgeverschap, realisatie van studentenwoningen en een grotere variatie door menging van functies zoals wonen en werken. Herijking van het middendeel (winkelcentrum en P3) is nodig voor de periode tot 2020 naast visie-ontwikkeling voor de periode na 2020 voor Presikhaaf Oost.

Toetsing van het initiatief aan de Structuurvisie Arnhem 2020

Met het voornemen wordt invulling gegeven aan het gemeentelijke huisvestingsplan om te komen tot een duurzame huisvestingsoplossing voor het speciale onderwijs in Arnhem. Door het uitbreiden van een bestaand schoolgebouw (VSO) en de realisatie van een nieuw schoolgebouw (SO) en gezamenlijke sporthal worden de maatschappelijke voorzieningen gecentraliseerd en gecombineerd. Dit past binnen de gewenste functionele differentiatie waarna in dit gebied gestreefd wordt. Daarnaast wordt met de voorgenomen ontwikkeling de bouwkundige staat van de bebouwing kwalitatief verbeterd, hetgeen een positief effect heeft op de algehele kwaliteit van de voorzieningen. Met het inrichten van het plangebied is nadrukkelijk rekening gehouden met bestaande groenvoorzieningen en de verkeer-/parkeersituatie ter plaatse. Voor een nadere toelichting op het voornemen en de bijbehorende aspecten wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat het project in overeenstemming is met de 'Structuurvisie Arnhem 2020'.

3.3 Welstandsbeleid     

3.3.1 Welstandsnota Arnhem 2015     

Op 13 juli 2015 heeft de gemeenteraad van Arnhem de nieuwe welstandsnota vastgesteld. Arnhem is een aantrekkelijke stad om te wonen en te verblijven. Het uiterlijk van de stad draagt daar aan bij. De gemeente wil dat zo houden.

De gemeente wil dat nieuwe bouwwerken in zijn algemeenheid passen in hun omgeving. De bestaande stad is dus het referentie- en inspiratiekader. Voor de meest voorkomende bouwwerken zijn verder in deze nota gebiedsgerichte criteria opgenomen. Deze criteria zijn per gebied (‘géén toets’, ‘lichte toets’ en ‘zware toets’) anders. Het plangebied valt in het gebied zonder welstandstoets



Gebieden zonder welstandstoets

In wijken met veel variatie in bouwstijl, in type woningen, oriëntatie van gebouwen op de openbare ruimte en dergelijke, worden bouwaanvragen niet meer vooraf getoetst. Als de wetgeving zegt dat een vergunning nodig is voor (ver)bouw dan blijven altijd de regels gelden die in het bestemmingsplan staan, zoals regels over grootte, bouwhoogte e.d. Maar de keuze voor materiaal, vorm en kleur is in deze gebieden vrij. De verantwoordelijkheid voor de invulling ligt bij de bewoners en eigenaren.

3.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Arnhem 2015     

Het plangebied is gelegen in een gebied zonder welstandstoets. Er hoeft geen toetsing aan de geldende welstandscriteria plaats te vinden. Het plan is in overeenstemming met de Welstandsnota Arnhem 2015.

3.4 Verkeersbeleid     

3.4.1 Rijksbeleid     

Op rijksniveau geeft de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 'Nederland concurrerend, bereikbaar leefbaar en veilig' (SVIR, 2012) de hoofdlijnen van het nationale verkeers- en vervoersbeleid voor de komende decennia. Het Rijk streeft naar een krachtige aanpak die gaat voor een excellent internationaal vestigingsklimaat, ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt.

Het mobiliteitssysteem moet robuust en samenhangend worden, meer keuzemogelijkheden bieden en voldoende capaciteit hebben om de groei van de mobiliteit op de middellange (2028) en lange (2040) termijn op te vangen. De ambitie is dat gebruikers in 2040 beschikken over optimale ketenmobiliteit door een goede verbinding van de verschillende mobiliteitsnetwerken via multimodale knooppunten (voor personen en goederen) en door een goede afstemming van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling. De regio Arnhem Nijmegen is aangeduid als stedelijke regio met een concentratie van topsectoren.

3.4.2 Provinciaal beleid     

Een van de kerntaken van de provincie Gelderland is zorgen voor een goede regionale bereikbaarheid en een goed regionaal openbaar vervoer. Ondanks de bezuinigingen heeft de provincie extra financiële middelen ter beschikking gesteld voor mobiliteitsmaatregelen. Dit is, omdat zij een goede bereikbaarheid belangrijk vindt, maar ook om de economische ontwikkeling in Gelderland te ondersteunen. De provincie geeft veel aandacht aan mobiliteitsbehoefte van inwoners en bedrijven in Gelderland en kijkt daarbij naar toekomstige ontwikkelingen als het digitale werken. Maar er is ook veel oog voor leefbaarheid en verkeersveiligheid.

Doelen bereikbaarheid

De provincie wil een goede bereikbaarheid voor wonen, werken en recreëren en de mobiliteit daarbij afstemmen op de economische ontwikkelingen. Daarom zet Gelderland in op het beter gebruik van (internationale) corridors. Daarnaast wordt samen met de andere wegbeheerders in de stedelijke gebieden aan een beter gebruik van de infrastructuur gewerkt om files te voorkomen en de doorstroming te bevorderen. De toegang tot bedrijventerreinen is ook een speerpunt van het provinciale beleid. Een andere ontwikkeling is de verschuiving van mobiliteitsvragen in het landelijk gebied door krimp en vergrijzing. Hier moet de aansluiting met de stedelijke gebieden gewaarborgd blijven.

Omgevingsvisie

De provincie heeft in juli 2014 de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld (geconsolideerde versie, juli 2015). Deze visie integreert en vervangt zeven beleidsplannen, waaronder het Provinciaal Verkeer en Vervoerplan 2 uit 2004. De omgevingsvisie beschrijft hoe de provincie de komende tien jaar om wil gaan met de ontwikkelingen en initiatieven ronde economische structuurversterking, duurzaamheid, innovatie en bereikbaarheid, maar ook met natuur, landschap, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is een andere wijze van werken; minder vastleggen wat wel of niet mag. De omgevingsvisie stelt kaders voor toekomstige activiteiten.

3.4.3 Gemeentelijk beleid     

De gemeente Arnhem heeft haar verkeersbeleid op hoofdlijnen verwoord in de Structuurvisie Arnhem 2020-2040 (vastgesteld 2012). Voor mobiliteit biedt het structuurplan een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief. Arnhem streeft naar een duurzame bereikbaarheid in een aantrekkelijke en veilige stad. Vooral in de bestaande stad geldt daarbij het principe: eerst de bestaande verkeersruimte beter benutten en pas daarna zoeken naar mogelijkheden tot uitbreiding van de (auto)verkeersruimte. De inzet van slim ruimtegebruik, voor versterking van fiets en openbaar vervoer, aangevuld met spitsmijdende maatregelen moet Arnhem de komende jaren bereikbaar houden.

In mei 2013 is een beleidsnota fietsverkeer 'Nieuwe verbindingen, nieuwe fietsers' vastgesteld. Deze nota is een uitwerking van de inzet voor versterking van het fietsgebruik. Inzet is de bestaande fietser beter faciliteren maar vooral automobilisten verleiden meer te fietsen. Uitgangspunten voor deze beleidsnota zijn:

  1. nadruk op utilitair fietsgebruik (de ritten naar werk, school en voorzieningen);
  2. inzetten op de nieuwe fietser, dat is de fietser die nu nog in de auto zit;
  3. aanleggen van kortsluitende verbindingen;
  4. aanleggen van hoogwaardige doorgaande verbindingen (snelfietsroutes);
  5. hoogwaardige stallingsvoorzieningen (belangrijk bij ketenverplaatsingen).



De bestaande fietser heeft vooral behoefte aan een samenhangend fietsnetwerk, veiligheid, comfort, snelheid en stallingsvoorzieningen. Om de nieuwe fietser te verleiden zullen we vooral moeten inzetten op de aanleg van nieuwe verbindingen. De opkomst van de elektrische fiets helpt hierbij.

In juni 2013 is de beleidsnota openbaar vervoer 'De reiziger centraal' vastgesteld. Deze nota heeft als doel het in stand houden van betaalbaar en kwalitatief goed openbaar vervoer en het doorgroeien naar emissieloos openbaar vervoer. Het openbaar vervoer wordt toekomstvast door een kwaliteitsslag met als maatregelen:

  • een hoogwaardig openbaar vervoernetwerk;
  • de reiziger centraal stellen;
  • een mobiliteit bieden voor iedereen;
  • een emissieloos openbaar vervoer.

Voor het onderdeel parkeren gelden beleidsregels en Arnhemse parkeernormen. Deze zijn opgenomen in de Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003', in december 2011 door het college vastgesteld.

3.4.4 Toetsing van het initiatief aan het Verkeersbeleid     

Wat betreft de toetsing van de aspecten verkeer en parkeren wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.5. Hier wordt geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met het gemeentelijk verkeersbeleid.

3.5 Milieu- en omgevingsbeleid     

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In de volgende subparagrafen wordt nader ingegaan op de van belang zijnde thema's, waaronder geluid, hinder, bodem, luchtkwaliteit en externe veiligheid.

In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Hier wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk milieu- en omgevingsbeleid en er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

3.5.1 Geluid     

Wet geluidhinder

De Wet geluidhinder heeft tot doel de mens te beschermen tegen geluidhinder. Dit is in de wet uitgewerkt in een normenstelsel voor de toelaatbare geluidbelasting in de woonomgeving. Alleen planologisch nieuwe situaties worden getoetst aan de wet. Naast woningen zijn er nog een aantal geluidgevoelige objecten aangewezen zoals scholen en zorginstellingen.

In de Wet geluidhinder staan regels voor weg- en railverkeerslawaai en voor gezoneerde industrieterreinen. De wet werkt verder met zones: dit zijn aandachtsgebieden rond geluidbronnen waarbinnen regels en normen gelden om de negatieve gevolgen van geluidhinder te beperken. Bij (planologische) wijzigingen moet er akoestisch onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen.

De Wet geluidhinder kent een normenstelsel met een voorkeurswaarde en grenswaarden. Als de geluidbelasting beneden de voorkeurswaarde blijft dan zijn er vanuit de wet geen belemmeringen voor nieuwe geluidgevoelige situaties. Bij een geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de grenswaarde moet er een gemotiveerd besluit genomen worden om nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen mogelijk te maken (hogere grenswaarde).

Voor het verlenen van een hogere grenswaarde is de nota “uitvoeringsbeleid hogere grenswaarde” van de gemeente Arnhem van toepassing.

Beleidsplan Geluid

In augustus 2008 is het beleidsplan Geluid door de raad vastgesteld. Het beleidsplan Geluid heeft tot doel geluidsnormen voor nieuwe situaties af te stemmen op de aard en de functie van een gebied. Hierdoor kan beter rekening gehouden worden met ontwikkelingen en verwachting van de gebruikers van een gebied. In het centrum en dichtbij goed openbaar vervoer wil de gemeente Arnhem veel functies mogelijk maken. De beleidslijnen hiervoor zijn opgenomen in het Structuurplan Arnhem 2010. Als gebieden intensiever gebruikt worden neemt de kans op geluidhinder ook toe. Andere gebieden zoals de parken worden juist gewaardeerd om hun relatieve rust. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een gebiedsgerichte invulling van geluidskwaliteiten binnen Arnhem. Naarmate de geluidbelasting hoger is neemt het belang van een zorgvuldige invulling van de totale leefomgevingskwaliteit toe.

3.5.2 Luchtkwaliteit     

Wet Luchtkwaliteit 2007

De Europese richtlijnen zijn geïmplementeerd in titel 5.2 van de Wet Milieubeheer. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.

Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende grenswaarden het meest relevant:

  • PM10 (fijnstof)
    1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/m3 mag met ingang van 1 januari 2005 niet worden overschreden;
    2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m3 mag met ingang van 1 januari 2005 niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden;
  • NO2 (stikstofdioxide)
    1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m3 mag met ingang van 1 januari 2010 niet worden overschreden;
    2. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m3 mag met ingang van 1 januari 2010 niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.

In de wet zijn de grenswaarden ten opzichte van eerdere regelgeving zijn ongewijzigd gebleven, maar de wet geeft net als het voorgaande BLK2005 (Besluit Luchtkwaliteit) meer armslag om ruimtelijke plannen die gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit uit te voeren. Hierbij wordt tevens de term “in betekenende mate (IBM)” geïntroduceerd. Dit wil zeggen dat projecten met een bepaalde mate van verslechtering toch doorgang kunnen vinden. De grens ligt bij een toename van maximaal 3%. Deze 3% is gekoppeld aan de IBM projecten opgenomen in het Nationale Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit (NSL). De NSL is in 2009 van kracht geworden.

Beleidsnota Lucht en Uitvoeringsprogramma Luchtkwaliteit

Het Arnhemse beleid op gebied van luchtkwaliteit is vastgelegd in de Beleidsnota Lucht uit 2005. Deze nota is erop gericht nieuwe overschrijdingen van de normen uit de Wet Milieubeheer te voorkomen en bestaande of dreigende overschrijdingen op te lossen. Daarnaast richt de Beleidsnota Lucht zich op het beperken van overlast door geurhinder. Voor wat betreft het halen van de normen uit het BLK2005 en de Wet Milieubeheer is de beleidsnota vertaald naar maatregelen in het Uitvoeringsprogramma Luchtkwaliteit 2010 - 2014.

3.5.3 Hinder     

In het kader van bedrijven en milieuzonering dienen de effecten van inrichtingen op hun omgeving (gevoelige bestemmingen, waaronder eventueel nieuw te ontwikkelen woningen) in beeld gebracht te worden. Voorbeelden van hinder zijn geluid, geur, stof of gevaar. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt.

Geurhinder van industriële bedrijven

Het beleidsplan Geur uit 2010 gaat in op geur afkomstig van industriële bedrijven waarvoor de gemeente Arnhem het bevoegde gezag is. Milieubeleid kan een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke thema's als gezondheid, veiligheid, leefbaarheid, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Geur is een milieuaspect dat een belangrijke bijdrage levert aan de leefbaarheid. Het geurbeleid van de gemeente Arnhem sluit, voor zover dat mogelijk is, aan op het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het doel van het geurbeleid is dat inwoners van Arnhem nu en in de toekomst niet worden blootgesteld aan geuroverlast door industriële bedrijven.

Het beleidsplan Geur uit 2010 gaat in op geur afkomstig van industriële bedrijven waarvoor de gemeente Arnhem het bevoegde gezag is. Milieubeleid kan een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke thema's als gezondheid, veiligheid, leefbaarheid, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Geur is een milieuaspect dat een belangrijke bijdrage levert aan de leefbaarheid. Het geurbeleid van de gemeente Arnhem sluit, voor zover dat mogelijk is, aan op het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het doel van het geurbeleid is dat inwoners van Arnhem nu en in de toekomst niet worden blootgesteld aan geuroverlast door industriële bedrijven.

3.5.4 Externe veiligheid     

Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd het PR (Plaatsgebonden Risico) en het GR (Groepsrisico).



Landelijk beleid

Voor bedrijven is op 28 oktober 2004 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi worden milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken. In het Bevi wordt een onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De 10-6 PR contour geldt ten opzichte van kwetsbare objecten als grenswaarde en ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het beoordelingskader voor het groepsrisico is een oriënterende waarde.

Voor ondergrondse (aardgas)leidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor de transportroutes (weg, water, spoor) het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). In het Btev zijn de milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken.

Gemeentelijk beleid

Op 21 november 2005 is het beleidsplan Externe Veiligheid vastgesteld dat op 9 maart 2015 wederom met 4 jaar is verlengd. Dit beleidsplan beschrijft de mate van gewenste externe veiligheid in Arnhem. Uitgangspunt hierbij zijn de landelijke normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In een groot gedeelte van de stad streven we naar het niet doen toenemen van de risico's. Op sommige plekken in de stad, op bedrijventerreinen voor zware industrie en de volgens het structuurplan stedelijke zone accepteren we een hoger risico dan op andere plaatsen. Wel moet daar extra aandacht zijn voor de beschikbare mogelijkheden voor rampenbestrijding, de zelfredzaamheid van mensen en de hulpverlening.

3.5.5 Groen en ecologie     

Flora- en Faunawet 2002

De opdrachtgever / initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de naleving van de Flora- en Faunawet. De wet gaat uit van het “nee-tenzij” principe, waarbij de mogelijkheid wordt geboden bepaalde ingrepen toe te staan middels ontheffing of vrijstelling. Daarnaast kent de wet een zorgplichtbepaling voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Eind januari 2005 is het Besluit houdende wijziging van een aantal algemene maatregelen van bestuur in verband met wijziging van artikel 75 van de Flora- en faunawet en enkele andere wijzigingen (AMvB artikel 75) van kracht. Er zijn 3 beschermingscategorieën:

  • tabel 1. algemeen beschermde soorten
  • tabel 2. beschermde soorten
  • tabel 3. streng beschermde soorten

Vogels zijn met name beschermd in het broedseizoen. Er is echter een lijst uit 2009 met vogelsoorten waarvan de nesten het hele jaar door zijn beschermd. Daarin is ook een lijst met vogelsoorten opgenomen die alleen jaarrond zijn beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen, de categorie 5-soorten.

Groenplan Arnhem 2004 – 2007 / 2015

Op 28 juni 2004 is het groenplan 2004-2007/2015 vastgesteld. De gemeente Arnhem streeft ernaar om de landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden van het groen, door versterking en zonering, optimaal tot hun recht te laten komen, waarbij voldoende ruimte voor gebruikswens moet zijn. De ontwikkelingsinitiatieven en het beheer in en om de stad worden afgestemd op dat streefbeeld.

De uitgangspunten uit het Groenplan dienen als randvoorwaarde voor herontwikkeling. Dit betekent dat het bestaande groen zoveel mogelijk behouden blijft, zo zuinig mogelijk wordt omgegaan met bestaande en potentiële kwaliteiten, op kansrijke plekken groen wordt aangeplant, en versnippering wordt voorkomen. Het oppervlakte groen en de bomen moeten dus eerst geïnventariseerd worden. In het bestemmingsplan is een groenbalans opgenomen, waarin is aangegeven hoe de groencompensatieregels zijn toegepast.

Vanuit ecologisch perspectief vormen gebieds- en soortbescherming het basisdoel.

Achterliggende ambitie is een versterking en verdere ontwikkeling tot een zo volledig mogelijk ecosysteem van kenmerkende Arnhemse natuur. Deze komt tot uitdrukking in de verscheidenheid aan planten en dieren in een samenhangend netwerk. Andere punten zijn:

  • Alleen inzetten op natuur daar waar deze kansrijk is, waarbij cultuurlijk en natuurlijk beeld en gebruik op elkaar afgestemd zijn;
  • Barrières van de stedelijke druk opheffen of zoneren.

Er worden 5 samenhangende natuurdoeltypen geformuleerd: Natuurkernen, Natuurzones en stapstenen, Natuurlijke groenzones, Overig groen en De Stenen stad. Aan de natuurdoeltypen zijn doelsoorten gekoppeld.

3.5.6 Water     

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021. Deze is vanaf 17 december 2015 van kracht. Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen hebben in dit plan een plek gekregen, net zoals enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie.

Daarnaast hebben Rijk, provincies, gemeente, waterschappen, en drinkwaterbedrijven afgesproken om gezamenlijk maatregelen te nemen voor een doelmatiger waterbeheer; het Bestuursakkoord Water (d.d. april 2011). De inzet ligt bij mooi, veilig, schoon, gezond en duurzaam beheer van watersysteem en waterketen. De kwaliteit moet omhoog tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012 is water in 3 nationale belangen terug te vinden. Daarbij gaat het om de bescherming van de grondwaterkwaliteit en –kwantiteit, de bescherming en verbetering van de waterkwaliteit, een goede zoetwatervoorziening en voldoende ruimte voor waterveiligheid. Nieuw is de aandacht voor klimaatbestendige (her)ontwikkelingen, waarin water een belangrijk aspect is.

In de Waterwet (22 december 2009) zijn ondermeer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor het vasthouden en afvoeren van regenwater en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht.

Provinciaal en regionaal beleid

Op provinciaal niveau maakt het waterbeheer onderdeel uit van de Omgevingsvisie Gelderland (vastgesteld 9 juli 2014).

Water maakt onderdeel uit van tweede centrale doelstelling namelijk het borgen van de kwaliteit en veiligheid van de leefomgeving. Het aspect Water heeft, net als andere beleidsvelden, geen autonoom beleidsplan meer, maar maakt onderdeel uit van de totale leefomgeving; het is nu verweven met aspecten waar het in de praktijk ook mee samenhangt. Realisatie van de doelstelling betekent onder meer:

  • ontwikkelen met kwaliteit, met respect voor ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten;
  • een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle functies; bij droogte, hitte en waterovervloed;
  • een gezonde en veilige leefomgeving
  • een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap.



Daarnaast is de provincie nog aanspreekpunt voor drie zaken:

  • onttrekkingen voor drinkwaterwinning;
  • onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen zoals koude- en warmte opslag (KWO);
  • industriële onttrekkingen meer dan 150.000 m³ per jaar.

Beleid waterschap en gemeente

Het stedelijk waterbeheer in Arnhem-Noord is overgedragen aan het Waterschap Rijn en IJssel waardoor de gemeente Arnhem rekening dient te houden met het vigerende beleid van het waterschap. Relevant beleid voor de gemeente Arnhem is het vastgestelde Waterbeheerplan (2016-2021) en de Keur en legger van het waterschap.

Het waterbeleid van de gemeente Arnhem is vastgelegd in de volgende beleidsplannen.

  • Gemeentelijk RioleringsPlan (2014-2018), vastgesteld op 2 november 2015.

    Dit plan richt zich vooral op het herstellen dan wel vervangen van slechte riolen en geeft invulling van de gemeentelijke zorgtaken voor grondwater en hemelwater
  • Waterplan Arnhem (2009-2015), vastgesteld op 19 oktober 2009.

    Door de gemeente Arnhem en haar waterpartners is dit TweedeWaterplan Arnhem opgesteld. Op 26 februari 2010 hebben gemeente en de beide waterschappen de intentieovereenkomst ondertekend. Het waterplan is gebaseerd op 4 hoofddoelstellingen:
  1. Arnhem aantrekkelijke waterstad;
  2. Klimaatbestendig watersysteem en waterketen;
  3. Goede kwaliteit water en waterbodem;
  4. Bewustwording.

Aanpak wateroverlast Arnhem-Noord (vastgesteld 2 november 2015)

Het plan heeft tot doel om Arnhem en vooral Arnhem-Noord, beter waterbestendig te maken tegen zware regenbuien. Daarom zal over elk plan een waterscan worden gelegd. Tijdens werkzaamheden in de openbare ruimte worden ruimtelijke maatregelen genomen die wateroverlast verminderen dan wel beperken.

Resumé

Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat:

  • negatieve verstoring van de grondwaterstanden en –stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen.
  • maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling.
  • bij nieuwbouw het regenwater binnen het plangebied afgekoppeld moet worden van de afvalwaterriolering.
  • voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie.
  • het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt.
  • het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan.
  • ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast.

3.5.7 Bodem     

Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Ook is getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

Als toetsingskader wordt gebruik gemaakt van onderstaande bodemregelgeving:

  • Wet Bodembescherming;
  • Beleidsnota bodem 2012, Provincie Gelderland, gemeente Arnhem en gemeente Nijmegen, 1 december 2012;
  • Besluit Bodemkwaliteit;
  • Nota Bodembeheer, september 2011

3.5.8 Cultuurhistorie en archeologie     

Rijksbeleid

Erfgoedwet 

Cultuurhistorische objecten die zeldzaam of schaars zijn en die voor mensen in hoge mate het beeld van Nederland bepalen, worden aangewezen als monumenten. In de Monumentenwet 1988 is vastgelegd hoe monumenten van bouwkunst en archeologie en stads- en dorpsgezichten beschermd moeten worden. Vanaf 1 juli 2016 maakt de Monumentenwet 1988 deel uit van de Erfgoedwet, dat hiermee het belangrijkste beschermingsinstrument voor het cultuurhistorisch én archeologisch erfgoed in Nederland is.

Bro

Cultuurhistorie moet op basis van de gewijzigde BRO (art 3.1.6 ) goed in bestemmingsplannen verankerd worden. Dit behelst niet alleen een beschrijving van de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden, maar ook een waardering ervan en een advies over toekomstige omgang ermee, gelet op de ruimtelijke opgave die in het bestemmingsplan aan de orde is. Aangegeven moet worden hoe met de cultuurhistorische waarden rekening is gehouden in het bestemmingsplan.



Provinciaal beleid

Programma's 'Gelderland Cultuurprovincie' (2013-2016) en 'Beleef het mee!' (2017-2020)

In 2012 is het Programmaplan voor Cultuur en Erfgoed 2013-2016 vastgesteld. De visie die hieraan ten grondslag ligt, is dat cultuur en erfgoed een wezenlijke bijdrage leveren aan de Gelderse samenleving, omdat zij bouwstenen voor een goede economische en maatschappelijke ontwikkeling zijn en mede de identiteit van Gelderland bepalen.

In juli 2016 is het Beleidsprogramma Cultuur en Erfgoed 2017 - 2020 'Beleef het mee!' vastgesteld. In dit programma ligt het accent op de beleving van mensen. Daarnaast zoekt de provincie de balans tussen de maatschappelijke, economische en intrinsieke waarde van cultuur en erfgoed. Cultureel ondernemerschap blijft onverminderd van belang en komt terug in de economische waarde van cultuur en erfgoed. Voor wat betreft erfgoed krijgt vooral het functioneel gebruik ervan aandacht. Daarnaast zoekt de provincie nieuwe manieren van samenwerking waardoor de uitvoeringskwaliteit van restauraties en archeologie wordt vergroot.

Gemeentelijk beleid

Erfgoednota 'Panorama Arnhem'

In de Erfgoednota 'Panorama Arnhem' wordt het accent verschoven van 'behoud door bescherming' naar 'behoud door ontwikkeling'. We gaan er vanuit dat de cultuurhistorie zo op een vroeg moment een actieve rol gaat spelen in veranderingsprocessen en ontwerpkeuzen. Het erfgoedbeleid wil de cultuurhistorische factor een zichtbare en samenhangende rol geven in deze stedelijke ontwikkelingen. Cultuurhistorie wordt ingezet als ontwikkelingskans en niet als belemmering.



Archeologische verwachtingenkaart

Archeologie is een integraal onderdeel van het erfgoedbeleid en als zodanig opgenomen in de erfgoednota. In de nota wordt voortgeborduurd op de uitgangspunten van het Verdrag van Malta. Behoud van archeologische waarden is het uitgangspunt en als dat niet mogelijk is, volgt veiligstelling door archeologisch onderzoek. Om permanente aandacht voor deze vorm van erfgoed te krijgen, is ingezet op constante voorlichting en educatie. Sinds 2008 beschikt de gemeente over een archeologische verwachtingenkaart voor heel Arnhem. De verwachtingenkaart geeft al in een vroeg stadium van planvorming globaal inzicht in de mate waarin archeologische resten in een gebied aangetroffen kunnen worden.

Conform de Erfgoedverordening geldt dat archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden als grondroerende werkzaamheden:

  • in archeologisch waardevolle gebieden (buiten monumenten) dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 30 m2;
  • in gebieden met een hoge archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 200 m2;
  • in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 500 m2;
  • in gebieden met een lage archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 2.000 m2.

Voor archeologisch waardevolle gebieden zijnde beschermde gemeentelijke of rijksmonumenten, geldt maatwerk. Voor rijksmonumenten beslist de Minister van OC&W. Gebieden die reeds onderzocht zijn en/of zijn vrijgegeven, zijn vrijgesteld van onderzoek. Aan het archeologische beleid dat in de verordening is verankerd, ligt de archeologische maatregelenkaart als basis.

Structuurvisie

De Structuurvisie Arnhem (2011) biedt een strategisch kader voor ruimtelijke planning op stedelijk niveau voor de lange termijn. Uitgangspunt is het voortbouwen op de karakteristieken van de historisch gegroeide stad. In de cultuurhistorische hoofdstructuur zijn de ruimtelijke, historische elementen weergegeven, die essentieel zijn voor Arnhem als geheel. Per landschappelijke karakteristiek zijn de ambities weergegeven. Vervolgens is een selectie gemaakt van die cultuurhistorische belangen en structuren die kansen bieden bij nieuwe gebiedsontwikkelingen in de stad: de 'Cultuurhistorische Kansenkaart'. De rijkdom van de Arnhemse cultuurhistorie is kader en inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad.

3.5.9 Energie en duurzaam bouwen     

Rijksbeleid

Nieuwe gebouwen en woningen moeten volgens landelijke regelgeving voldoen aan het Bouwbesluit. In het bouwbesluit worden de energieprestaties voor nieuwe gebouwen en woningen fasegewijs aangescherpt. Per 1 januari 2015 is de Energieprestatie-coëfficiënt (EPC) voor nieuwbouw van woningen aangescherpt tot 0,4. Voor utiliteitsbouw is de EPC-eis afhankelijk van de functie.

Nieuwe overheidsgebouwen moeten vanaf eind 2018 bijna energieneutraal (BENG) gebouwd worden. Voor alle overige nieuwe gebouwen (ook woningen) geldt deze BENG-eis vanaf eind 2020.

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met een gebruiksoppervlak groter dan 100 m2 moet een milieuprestatieberekening worden bijgevoegd.



Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijke beleid op het gebied van Energie en Duurzaam Bouwen is vastgelegd in het Programmaplan New energy made in Arnhem 2015-2020 (2015) en in de Structuurvisie 2020-2040 (2012).

De gemeente Arnhem hanteert de volgende voorkeursvolgorde inzake de ambities voor nieuwbouw:

  1. Energieneutraal,
  2. Bijna energieneutraal (BENG),
  3. Conform eisen bouwbesluit.

- Energievisie

De gemeente eist bij gebiedsontwikkelingen van meer dan 50 woningequivalenten een energievisie van de initiatiefnemer. Energieneutraliteit is hierbij het streven.



Met behulp van een energievisie kan een geschikte combinatie van energieconcepten gekozen worden. De energievisie brengt verschillende energieopties voor het plangebied in beeld en beschrijft de consequenties daarvan. De visie kan uitgebreid worden tot een duurzaamheidsvisie door bijvoorbeeld ook thema's als duurzaam bouwen, afval, groen, water, mobiliteit en openbare ruimte mee te nemen.

- GPR - Gemeentelijke Praktijk Richtlijn

Om een bredere duurzaamheidsafweging te maken waarbij naast energie ook thema's als milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde worden beschouwd, is GPR een bruikbare tool. GPR wordt als tool beschikbaar gesteld door de gemeente Arnhem en is zowel te gebruiken voor gebouwen als voor gebiedsontwikkeling.

3.5.10 Stadsklimaat     

De gemeentelijke ambitie om Arnhem klimaatbestendig te maken is verwoord in de Structuurvisie 2020-2040 (december 2012). Voor nu en in de toekomst, onder invloed van de klimaatverandering, wordt tenminste gestreefd naar prettig toeven binnen- en buitenshuis en het vermijden van ongewenste gezondheidsrisico’s. In het realiseren van een prettig stadsklimaat wil de gemeente optimaal gebruik maken van de (huidige) gunstige uitgangssituatie van de stad met de natuurlijke luchtstromen die van de hoger gelegen stadsranden en vanuit de rivierzone de stad in stromen en zorgen voor koeling en tevens een relatief goede luchtkwaliteit. Ook het groene karakter van de stad draagt daaraan in grote mate bij. Het huidige stadsbestuur heeft de ambitie aangescherpt (coalitieakkoord 2014-2019) door te bepalen dat hitteplekken moeten worden bestreden door een effectieve inzet van groen op daken en gevels van gebouwen maar ook op de grond als (bv) bomen.

Op de Hittekaart van Arnhem is de gevoeligheid van de stad voor opwarming weergegeven. Bepaalde delen van de stad hebben een verhoogde kans op opwarming (stedelijke hitte-eilanden), wat ongewenste gevolgen voor het woon- en leefmilieu en het functioneren van deze gebieden kan hebben. Andere meer open en groene delen dragen hebben juist een verkoelend effect.

Het plangebied zelf ligt in een gebied waar sprake is van een beperkte opwarming tijdens warme perioden; zie hiervoor de Hittekaarten zelf (afbeelding 4.3). De gemeente Arnhem streeft bij gebiedsontwikkelingen in de oranje/geel gekleurde gebieden op de Hittekaart naar maatregelen om het huidige lokaal goede stadsklimaat te behouden.

verplicht verplicht
Afbeelding 3.1 Hittekaart van Arnhem (groen is koel, rood is warm)

3.5.11 Besluit milieueffectrapportage     

In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren:

  • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is;
  • Een plan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het plan wordt genoemd in kolom 3 (plannen).
  • Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het plan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig.



In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld of nog een omgevingsvergunning milieu moet worden verleend dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit.

Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'.

Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  • belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden.

3.6 Sport-, recreatie- en spelen beleid     

3.6.1 De Sportvisie (2011-2021)     

Op 19 december 2011 heeft de gemeenteraad 'De Sportvisie 2011-2021' vastgesteld. De nieuwe sportvisie is opgesteld om onder andere in te spelen op belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen, zoals vergrijzing (meer aandacht voor bewegen en een andere manier van sporten), ander type sporter, andere sportbehoefte, overgewicht jeugd, ander type vrijwilligeren de kandidatuur Olympische Spelen 2028 en Nederland Sportland 2016.

De ambitie van het nieuwe sportbeleid is: 75% van de Arnhemmers sport of beweegt in 2016. Hoewel bepaalde groepen in Arnhem intensief sporten, ligt de gemiddelde sportdeelname (in 2012 64%) van de Arnhemse bevolking net iets onder het gemiddelde van andere grote steden. Ruim 35% van de Arnhemmers sport/ beweegt niet of zeer weinig. Lagere percentages sporters/ bewegers vindt men vooral onder gehandicapten, jongeren van 12 tot18 jaar, 25 t/m 34-jarigen, 65-plussers en mensen met een lage sociaal economische status. Deze mensen moeten extra worden geactiveerd om te gaan bewegen en sporten.

De uitgangspunten van 'De Sportvisie' zijn:

  • Meer samenwerking tussen onderwijs, welzijn, zorg, veiligheid, wijk, corporaties, commerciële sportaanbieders en verenigingen. Verenigingen die hierin een voortrekkersrol (willen) spelen, maatschappelijk verantwoord bezig willen zijn, worden door middel van subsidies die in de tarieven worden verrekend gefaciliteerd.
  • Succes van 'Meedoen Alle Jeugd door Sport' (MAJdS) voortzetten en structureel inbedden bij verenigingen.
  • Stimuleren van vernieuwende initiatieven en van het activeren van 'moeilijke' doelgroepen.
  • Investeringen voor jeugd op het huidige niveau houden.
  • Meer investeren in bewegen en sporten in de openbare ruimte: flexibel, passend bij verschillende doelgroepen.
  • Inventarisatie van alle beweeg- en sportinitiatieven, projecten, acties in de wijken: betere afstemming, strakke regie, keuzes maken (ook iets niet doen).
  • Samenwerking verstevigen tussen de gemeente, CTO Papendal Arnhem en het NOC*NSF.
  • Keuze maken voor drie tot vijf Arnhemse kernsporten (incl. G-sport). De betreffende sportbonden uitnodigen om een meerjarig plan 'verbinding breedtesport- talentontwikkeling/topsport' (aangevuld met G-sport) op te stellen.
  • Het financieren van een dienstenpakket voor ambitieuze sporters en verenigingen binnen de kernsporten.
  • Topsportevenementen steviger verankeren in het beleid voor evenementen en citymarketing.



Een goede sportinfrastructuur is een harde voorwaarde om de beleidsdoelen voor sport en bewegen te realiseren. Hoewel er afgelopen jaren flink geïnvesteerd is in kunstgrasvelden voor buitensporten, in nieuwe sportaccommodaties en in multifunctionele centra, blijven er binnen de Arnhemse sport nog veel wensen over voor de sportaccommodaties. Om uiteindelijk te kunnen bepalen wat er wordt gedaan voor en met sportaccommodaties moet er een kader worden vastgesteld waarbinnen keuzes gemaakt kunnen worden. 'De Sportvisie' biedt dit kader. De gemeente Arnhem wil een nieuwe sportkoers gaan varen en onder andere met behulp van tarieven en subsidies zal worden gestuurd op gewenste ontwikkelingen. Er wordt in 'De Sportvisie' niet ingegaan op specifieke locaties zoals Elden.

3.6.2 Nota Ruimte voor de Jeugd (Spelennota) (2010 – 2020)     

De nota Ruimte voor de Jeugd uit 2009 geeft een overall visie op spelen en ontmoeten. De gemeente Arnhem onderstreept de noodzaak van speelruimte omdat spelen van groot belang is voor de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling van kinderen van 0 – 25 jaar. De gemeente streeft er naar, volgens de richtlijnen van de NUSO, per hectare netto woongebied 300 m2 (= 3%) te reserveren voor speelruimte (formeel en informeel).

Kinderen spelen niet alleen op formele ruimtes met toestellen, maar ook op informele ruimtes als trottoirs, pleinen, tuinen en parken. Met name natuurlijke speelruimtes zijn plekken die vaak veel uitdagender zijn om te spelen. Verder is er aandacht voor voorzieningen die voldoen aan de wensen van jongeren vanaf 13 jaar. In deze leeftijdscategorie is er niet zozeer sprake van 'spelen', maar gaat het vooral om ontmoeting en sport.

3.6.3 Toetsing van het initiatief aan sport-, recreatie- en spelen beleid     

Onderdeel van het voornemen betreft de realisatie van een nieuwe sporthal. De sporthal, welke 3 zalen zal omvatten, zal hoofdzakelijk in gebruik worden genomen door de twee onderwijsinstellingen. De sporthal komt echter voor medegebruik in aanmerking, waardoor de mogelijkheid voor derden wordt gecreëerd om gebruik te maken van de faciliteiten. Daarnaast zullen bij de basisschool diverse speelvoorzieningen worden aangelegd en bestaat het voornemen om op het terrein een speelplein te realiseren welke door beide scholen gebruikt kan worden. Geconcludeerd wordt dat het voornemen bijdraagt aan het voorzien in voldoende sport- en speelvoorzieningen.

3.7 Overige beleidsuitgangspunten     

3.7.1 Coffeeshopbeleid     

Algemeen

De nota Arnhems Coffeeshopbeleid (2009) geeft als hoofddoelstelling: het terugdringen van overlast c.q. het beperken van de inbreuk op het woon- en leefklimaat door softdrugshandel. Er is beleid geformuleerd om de handhaving te intensiveren. Tevens is aangegeven met welk instrumentarium dit wordt gedaan en door wie dit wordt uitgevoerd. Uitvoering van dit beleid waarborgt ook in dit plangebied beheersing van de problematiek. Er is geen aparte bestemmingscategorie voor de coffeeshops gecreëerd.



Toetsing van het initiatief aan het coffeeshopbeleid

Dit bestemmingsplan laat binnen het plangebied geen coffeeshops toe.

3.7.2 Prostitutiebeleid     

Algemeen

In de nota 'Van Rood naar Groen Arnhemse Prostitutie op weg naar normalisatie (2000)' is het Arnhems prostitutiebeleid vervat. De opheffing van het wettelijke bordeelverbod per 1 oktober 2000 was aanleiding voor het opstellen van dit beleid. Dit beleid is nog steeds van kracht.

Ten aanzien van de raamprostitutie, overige seksinrichtingen en de tippelprostitutie voert het gemeentebestuur van Arnhem een actief vestigingsbeleid. Het actief vestigingsbeleid bestaat uit de volgende elementen:

  • concentratie van de raamprostitutie op één plek;
  • het aan een maximum binden van het aantal ramen en werkplekken (120 en dat is een halvering van het aantal ramen en werkplekken ten opzichte van de voormalige raamprostitutielocatie in het Spijkerkwartier);
  • het aan een maximum binden van het aantal overige seksinrichtingen op 8 in heel Arnhem, waarbij – overgangsrechtelijke situaties uitgezonderd - in elke wijk ( CBS- wijkindeling) maximaal 1 seksinrichting gevestigd mag zijn, ook worden hierbij beperkingen toegepast;
  • concentratie van de tippelprostitutie.

 

Het gemeentebestuur bepaalt hiermee zélf de locatie waar deze vormen van prostitutie zich mogen manifesteren alsmede de omvang ervan en voorkomt hiermee dat de prostitutie zich ongecontroleerd over de stad uitspreidt. De gemeente wil hiermee voorkomen dat bepaalde vormen van prostitutie overlast voor de omgeving veroorzaken. Deze overlast zou kunnen ontstaan doordat er een concentratie van bijvoorbeeld privé-huizen in een bepaalde wijk ontstaat ( eerder zagen we immers dat vooral oudere wijken in Arnhem erg aantrekkelijk lijken te zijn voor de vestiging van seksinrichtingen) of doordat de prostitutiefunctie conflicteert met bepaalde andere functies.

Toetsing van het initiatief aan het prostitutiebeleid

Dit bestemmingsplan laat binnen het plangebied geen seksinrichtingen toe.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en programmatische aspecten van de ontwikkelingen     

4.1 Inleiding     

In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de bestaande situatie in en om het plangebied gegeven. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de concrete ontwikkeling binnen het plangebied en de uitgangspunten die naar aanleiding van de analyse zijn opgesteld.

4.2 Ruimtelijke opzet en structuur     

Voor de locatie is het 'Beeldkwaliteitplan op hoofdlijnen Presikhaaf' van toepassing de Bethaniënstraat is hierin aangeduid als hoofdgroenstructuur. Nieuwe bebouwing aan de hoofdgroenstructuur is ondergeschikt aan de groene open ruimte. Dit wil zeggen dat de hoogte, de massa en de afstand van het gebouw tot de weg zodanig zijn dat het groene open karakter van de ruimte bepalend is voor het beeld. De bebouwing ligt op de tweede lijn. Uit wordt gegaan van 3 losse gebouwen in het groen, te weten het te handhaven en uit te breiden schoolgebouw (VSO), de sporthal en het nieuw te bouwen schoolgebouw (SO). In onderstaande afbeelding is de toekomstige (indicatieve) situatie binnen het plangebied weergegeven.

verplicht
Afbeelding 4.1: Toekomstige (indicatieve) situatie binnen het plangebied

De belangrijkste groenstructuur loopt van oost naar west. Uitgangspunt is het handhaven van de groene laanstructuur aan de Bethaniënstraat. De beeldbepalende bomen worden gehandhaafd. Deze bomen zijn weliswaar niet aangemerkt als waardevol maar doen mee in de beleving van een groene laan van essen langs de Bethaniënstraat. Een smalle bosrand dient als visuele afscherming van het bedrijventerrein IJsseloord 1. De bestaande houtwal scheidt de school van het wijkgebouw aan de westzijde. Tevens zorgt het groen voor een geleding van de drie gebouwen. Het parkeren is met name aan de voorzijde geprojecteerd.

De toe te voegen bebouwing moet aansluiten op de omgeving. Dat betekent dat de ligging aan het Lange Water consequenties heeft voor de bebouwingskarakteristiek. Ook heeft dit consequenties voor de ordening van gebouwen. Voor de bebouwing aan de Bethaniënstraat geldt dat deze qua ordening moet aansluiten op de ordening van de bebouwing in Presikhaaf 3. Dat betekent dat de bebouwing parallel en haaks op de weg staat. De twee westelijke gebouwen sluiten qua maat en schaal aan bij de bebouwing ten westen van het plangebied. De hoogte is hier dan ook beperkt tot maximaal 8 meter. Het oostelijk gebouw heeft weliswaar een grotere gevellengte, maar zal door de verschillen in bouwhoogtes en daar waar mogelijk is, door het terug springen van de rooilijn, bij de verdere uitwerking van het bouwplan niet ogen als een massaal monotoon volume.

Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan zal aandacht besteed moeten worden aan:

  • behoud van voldoende brede bermen langs de weg tbv de laanstructuur;
  • de kwaliteit van de groene geledingszones in noord-zuid richting;
  • versterken van de straatoriëntatie van gebouwen;
  • ordening gebouwen in overeenstemming met opzet Presikhaaf (parallel en haaks op de weg).

4.3 Programma     

De gemeente Arnhem heeft met de schoolbesturen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs een programma opgesteld voor de verbetering van de huisvesting van de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs in Arnhem. Veel schoolgebouwen zijn bouwkundig verouderd. Bovendien voldoen ze niet meer aan de veranderde eisen die aan dit onderwijs worden gesteld. Enkele scholen zijn ook verspreid over meerdere gebouwen. Dit is geen optimale situatie.

(Voortgezet) speciaal onderwijs richt zich op leerlingen die door hun lichamelijke, verstandelijke of meervoudige beperking of gedragsproblemen behoefte hebben aan specialistische ondersteuning. Anders dan in het verleden wordt van scholen onder andere verwacht dat ze hun leerlingen voorbereiden op het volwaardig deel kunnen nemen in de maatschappij in wonen, werken, vrije tijd en burgerschap. Dat heeft gevolgen voor de inhoud van het onderwijs, maar ook voor de huisvesting. Om leerlingen voor te bereiden op het behalen van een startkwalificatie voor vervolgonderwijs of arbeidsmarkt, of te laten leren door praktijkervaring op te doen zijn ruimten voor theorie- en praktijklessen en voor arbeidssimulatie nodig. Specifieke ruimten zijn ook vereist voor het ontwikkelen van zelfstandigheid in wonen en vrije tijd en het leren omgaan met de beperking zodat deze geen handicap wordt.

In Arnhem volgen ongeveer 2.000 leerlingen een vorm van (voortgezet) speciaal onderwijs. Ze zijn deels afkomstig uit de stad en deels uit regiogemeenten met een brede spreiding. De gemeente en de schoolbesturen hebben in 2009 in het rapport "Passend onderwijs, passende huisvesting", toekomstvisie huisvesting speciaal en voortgezet speciaal onderwijs in Arnhem, geconstateerd dat concentratie en vernieuwing van schoolgebouwen noodzakelijk is. Onder de titel "De Koers 2.0" is vervolgens een programma ontwikkeld dat ondermeer voorziet in de bouw van drie nieuwe schoolcomplexen ter vervanging van bestaande gebouwen. Eén van de projecten was de bouw van een Scholencampus De Ommezwaai en Briant College in Schuytgraaf, een scholencomplex voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs ten behoeve van kinderen en jongeren met gedragsproblemen of psychische stoornissen. Deze scholen zijn momenteel gevestigd op verschillende locaties in Arnhem- Noord.

Op 1 augustus 2014 is de wet Passend Onderwijs ingegaan. Passend Onderwijs moet ervoor zorgen dat iedere leerling een passende onderwijsplek krijgt. Of dat nu binnen het regulier onderwijs is of binnen het speciaal onderwijs. Om passend onderwijs voor iedere leerling te organiseren, werken alle scholen in dezelfde regio met elkaar samen in een samenwerkingsverband. Samen hebben zij de zorgplicht voor alle leerlingen in de regio. Zij zijn samen verantwoordelijk voor het bieden van een passend onderwijsaanbod aan deze leerlingen, ongeacht hun beperking of ondersteuningsbehoefte. Dat kan leiden tot een andere verdeling van zorgleerlingen over regulier en speciaal onderwijs en tot een andere spreiding van leerlingen die specifieke ondersteuning nodig hebben over de scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs. In het vernieuwingsprogramma voor het (voortgezet) speciaal onderwijs en bij het uitwerken van de afzonderlijke projecten is/wordt rekening gehouden met deze ontwikkeling door onder andere een conservatieve inschatting van het aantal leerlingen.

Nadien is - rekening houdend met de wet Passend Onderwijs - een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd waarbij de toekomstvisie 'De Koers 2.0' tegen het licht is gehouden. Uit dit onderzoek is gebleken dat het project Scholencampus Schuytgraaf geen doorgang kan vinden. Het voornemen is nu om de bestaande schoollocatie aan de Bethaniënstraat te herontwikkelen, waarbij het bestaande schoolgebouw wordt uitgebreid en een nieuwe basisschool (SO) en sporthal wordt gerealiseerd.

Het programma voor deze locatie bestaat uit een complex met nieuwe, geïntegreerde huisvesting voor:

  • de school voor speciaal basisonderwijs De Ommezwaai: SO (4 tot 12 jaar);
  • de school voor voortgezet speciaal onderwijs Briant College: VSO beroepsgericht (VMBO bbl en kbl) en theoretisch (VMBO tl / HAVO), verdeeld over een onder- en een bovenbouw;
  • een sportvoorziening van drie gymzalen;
  • aanvullend een buitenterrein en parkeervoorzieningen (taxibusjes).

De scholen De Ommezwaai (basis onderwijs) en Briant College (voortgezet onderwijs) bieden huisvesting aan totaal 430 leerlingen, verdeeld over 100 leerlingen speciaal onderwijs (De Ommezwaai) en 330 leerlingen voortgezet speciaal onderwijs (Briant College). Het aantal leerlingen is gebaseerd op het aantal van voorgaande jaren en de verwachting van De Onderwijsspecialisten ten aanzien van het effect van 'Passend Onderwijs'. In totaal zal dan ook sprake zijn van circa 430 leerlingen. Het hiervoor genoemde aantal leerlingen en de uitgangspunten/eisen die worden gesteld aan het speciaal onderwijs brengt onderstaande ruimtevraag wat betreft bebouwing en buitenterrein met zich mee.



De Ommezwaai Briant College Sporthal Totaal
Aantal m2 (BVO) 1.250 4.396 (2 x 2.198) 1.365 7.011
Totaal m2 (buitenruimte/kavel) 13.000

4.4 Groen en water     

Groen

De bestaande groenvoorzieningen welke de locatie omzoomd zullen voor zover mogelijk worden gehandhaafd en tussen de gebouwen worden zogenaamde 'groene corridors' aangelegd.

Bij de verdere uitwerking van de parkeerterreinen dient aandacht te worden besteedt aan een groen verschijningsvorm door op verschillende plaatsen bomen toe te voegen. Hierdoor wordt het beeld van een monotoon parkeerterrein doorbroken.

Water

Binnen het plangebied wordt geen oppervlaktewater gerealiseerd. Het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel, het hemelwater wordt bij voorkeur vertraagd afgevoerd naar de naastgelegen watergang. Wordt toch gekozen om het hemelwater via het hemelwaterriool af te voeren, dan moet uitgezocht worden of het hemelwaterriool de extra hoeveelheid water kan verwerken. Bij het ontwerpen/realiseren van de nieuwe bebouwing zal rekening worden gehouden met mogelijke hoge grondwaterstanden.

4.5 Verkeer en parkeren     

4.5.1 Verkeer (ontsluiting)     

De bestaande entree tot het plangebied bij het Briant College zal worden behouden. Het terrein van De Ommezwaai zal middels één nieuwe in- en uitrit worden ontsloten. De centrale parkeervoorziening voor halen/brengen wordt middels een aparte inrit en een uitrit ontsloten.

Door de nieuwe ontwikkelingen zal het aantal verkeersbewegingen in de omgeving toenemen. De Bethaniënstraat en de omliggende wegen zijn in voldoende mate ingericht om deze verkeerstoename eenvoudig en veilig af te kunnen wikkelen. Vanuit verkeerskundig oogpunt zijn er geen bezwaren tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

4.5.2 Parkeren     

De beide scholen hebben straks ieder een eigen parkeergelegenheid, direct ontsloten vanaf de Bethaniënstraat. Tussen beide terreinen komt een centrale voorziening voor halen/brengen van de leerlingen, vooral met behulp van busjes. De totale behoefte aan parkeerruimte en haal/breng plaatsen moet op eigen terrein van de ontwikkeling worden gerealiseerd.

Wat betreft de sporthal wordt opgemerkt dat deze voorziening onderdeel uitmaakt van de scholen. Eventueel hergebruik zou normaliter plaatsvinden buiten de schooluren, waardoor meervoudig gebruik kan worden gemaakt van de aanwezige parkeervoorzieningen.

Nabij de ingangen van de scholen worden tevens stallingsvoorzieningen voor fietsen aangebracht.

In de regels is de noodzaak tot aanleggen van parkeerplaatsen tevens vastgelegd, ter waarborging dat er in de toekomstige situatie sprake zal zijn van voldoende parkeergelegenheid.

4.6 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6, lid 2 Bro)     

4.6.1 Algemeen     

De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van het Rijk en per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Bro. Overheden moeten op grond van het Bro alle nieuwe stedelijke ontwikkelingen motiveren aan de hand van de drie treden van de Ladder. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is verankerd in het Bro in de artikelen 1.1.1 en 3.1.6. De tekst uit het Bro luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.'
verplicht
Afbeelding 4.5: Ladder voor duurzame verstedelijking (Bron: Ministerie van Infrastructuur en Milieu)

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de in afbeelding 4.5 genoemde begrippen 'regionale behoefte' en 'bestaand stedelijk gebied'.

4.6.1.1 Regionale behoefte     

Uit de nota van toelichting behorende bij artikel 3.1.6 Bro (Staatsblad 2012, 388, pp. 49-50) blijkt dat met regionale behoefte niet per se wordt gedoeld op een bovengemeentelijke behoefte (regionaal in de zin van meerdere gemeenten omvattende). Centraal staat een passend regionaal schaalniveau; in geval van een lokale ontwikkeling kan het daarom ook gaan om een lokale (binnen de gemeente) vallende behoefte. Een dergelijke behoefte kan dan worden gezien als “regionale behoefte” zoals bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

4.6.1.2 Bestaand stedelijk gebied.     

De ruimtevraag moet bij voorkeur worden opgevangen in het bestaand stedelijk gebied. Op basis van gebiedsspecifieke situatie dient bepaald te worden wat wordt ervaren als stedelijk gebied.

In de Bro is in artikel 1.1.1 een definitie opgenomen voor bestaand stedelijk gebied. De provincie Gelderland hanteert in haar Omgevingsverordening dezelfde definitie. De betreffende definitie luidt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

4.6.2 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking     

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (3.1.6 Bro). Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' wordt in Bro 1.1.1 als volgt gedefinieerd: stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

In voorliggend geval is er sprake van het herontwikkelen van een binnenstedelijke locatie ten behoeve van maatschappelijke functies. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Trede 1:  

'Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte'.



Volgens trede 1 van de Ladder moet iedere stedelijke ontwikkeling binnen het plan óf kwantitatief óf kwalitatief voorzien in een actuele regionale behoefte. Idealiter voorziet een nieuwe stedelijke ontwikkeling zowel kwantitatief als kwalitatief in een actuele regionale behoefte. Hierna wordt per functie de actuele regionale behoefte onderbouwd.

Scholen (speciaal (voortgezet) onderwijs)

Zoals in paragraaf 4.3 is beschreven is er regionale behoefte aan scholen voor speciaal onderwijs. Dit blijkt onder andere uit het aantal leerlingen en de wettelijke noodzaak voor speciaal onderwijs (de wet Passend Onderwijs). Daarnaast wordt opgemerkt dat het gaat om vervangende schoollocaties en is van volledige nieuwvestiging van een school geen sprake. Gesteld wordt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling voorziet in zowel de kwantitatieve (voldoende scholen) als kwalitatieve (speciaal onderwijs) behoefte.

Trede 2:

'Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins'.

Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied: de locatie wordt volledig omsloten door het bestaand bebouwd gebied, is gelegen binnen de bebouwde kom van Arnhem, maakt onderdeel uit van een bestemmingsplan voor het stedelijk gebied en is in de huidige situatie reeds bestemd ten behoeve van stedelijke functies (maatschappelijke voorzieningen).

Van belang bij trede 2 is echter ook om te kijken of de functie kan worden ondergebracht in een bestaand (leegstaand) gebouw.

Achtergrond locatiekeuze

Het gaat bij SO De Ommezwaai en VSO Briant College om een regionale school voor leerlingen met gedragsproblemen en psychiatrische stoornissen in de leeftijd van 4 tot 20 jaar. Dat stelt eisen/ randvoorwaarden aan de locatie op het gebied van:

  • De omgeving; Het speciaal onderwijs bereidt leerlingen voor op een zo volwaardig mogelijke deelname aan de maatschappij. Dat vraagt om een locatie in een omgeving waarin de samenleving kan worden ervaren. Tegelijkertijd zijn voor deze leerlingen een rustige groene setting en de afwezigheid van sterke prikkels belangrijk.
  • De omvang van de locatie; De footprint van het schoolgebouw is relatief groot. Vanwege de beheersbaarheid en de pedagogische veiligheid wordt het schoolgebouw gerealiseerd in maximaal twee bouwlagen. Daarnaast hebben scholen voor speciaal onderwijs behoefte aan meer buitenruimte dan reguliere scholen ten behoeve van gescheiden pauzeruimten voor leerlingen met internaliserend (naar binnen gericht) en externaliserend (naar buiten gericht) gedrag. In deze school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs geldt dit dubbel in verband met de scheiding van kinderen in de basisschoolleeftijd tot 12 jaar en middelbare schooljongeren van 13 tot 20 jaar. Ten slotte zal op de locatie ook ruimte moeten zijn voor het brengen en halen van leerlingen. In totaal is een locatie van circa 13.000 m2 nodig.
  • De bereikbaarheid vanuit de stad en de regio; Kinderen en jongeren met een lichamelijke beperking worden gebracht en gehaald met taxibusjes en auto's. Daarom is het belangrijk dat de locatie aansluit op de stedelijke en regionale hoofdwegenstructuur. Voor zelfstandig reizende jongeren is de aansluiting op fiets- en openbaar vervoerroutes van belang.

De locatiekeuze voor SO De Ommezwaai en VSO Briant College aan de Bethaniënstraat is het resultaat van een traject voor verbetering van de huisvesting van scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs dat in 2007 is gestart. In 2009 is de nota "Passend onderwijs, passende huisvesting, toekomstvisie huisvesting speciaal en voortgezet speciaal onderwijs", gepresenteerd. De visie is in 2011 concreet vertaald in een uitvoeringsprogramma "De Koers 2.0", waarin op basis van onderzoeken de projecten en locaties zijn vastgelegd. Vervolgens is samen met de schoolbesturen de (financiële) haalbaarheid - mede in het kader van de wet Passend Onderwijs - verder onderzocht en uitgewerkt. Uit dit onderzoek is gebleken dat het oorspronkelijke plan (Campus Schuytgraaf) geen doorgang kan vinden. Daarnaast is geconstateerd dat de huidige locatie aan de Bethaniënstraat 250 voldoet aan alle gestelde eisen/randvoorwaarden. Wel dient een deel van de bebouwing gesloopt te worden en nieuwbouw plaats te vinden. Er zijn geen andere leegstaande schoolgebouwen beschikbaar, noch locaties in de bestaande stedelijke structuur die geschikt zijn of geschikt te maken zijn. Leegstaande kantoorgebouwen zijn niet geschikt en/of geschikt te maken voor dit type onderwijs in verband met de onderwijskundige eisen én de eisen ten aanzien van omgeving en buitenruimte.



Leegkomende schoolgebouwen

De scholen zijn momenteel verspreid over meerdere kleinere vestigingen in Arnhem-Noord. Daar zijn geen mogelijkheden voor de beoogde concentratie vanwege de benodigde omvang.

Door de bouw van de nieuwe scholen binnen het plangebied ontstaan er 2 leegstaande schoollocaties. Deze zijn eigendom van de gemeente.

De (toekomstige) bestemming van de huidige vestigingen van De Ommezwaai en het Briant College is als volgt:

Leegkomende schoollocaties Toekomstige invulling
1. Doorwerthlaan 2 Dit gebouw wordt als het leeg komt verkocht en krijgt een nieuwe functie.
2. Bakenbergseweg 76 Dit gebouw wordt als het leeg komt verkocht. Een mogelijke optie is dat in de voormalige school een woon-zorg complex wordt gerealiseerd (in combinatie met de naastgelegen kerk).

Trede 3:

'Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld'.

Vanwege het feit dat het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en hiermee is voldaan aan trede 2, hoeft er niet getoetst te worden aan trede 3. Wel wordt opgemerkt dat de leerlingen van de scholen woonachtig zijn in de regio en deze locatie goed bereikbaar is per fiets en voor personenauto's/busjes (A12 en N325).

4.6.3 Conclusie     

Gezien het vorenstaande wordt gesteld dat wordt voldaan aan de 'Ladder van duurzame verstedelijking'.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten     

5.1 Inleiding     

In dit hoofdstuk worden de beperkingen gegeven die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. De op de kaart aangegeven contouren en straalpaden kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Het is echter ook mogelijk dat oplossingen worden gevonden door ter plaatse maatregelen te treffen of randvoorwaarden op te nemen in milieuvergunningen. De contouren hebben dus met name een signalerende functie voor eventuele nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

5.2 Geluid     

Een schoolgebouw wordt op basis van de Wet geluidhinder aangemerkt als ander geluidsgevoelig object. Hierna wordt ingegaan op de aspecten wegverkeers- en spoorwegverkeerslawaai en industrielawaai.

Wegverkeerslawaai

Een schoolgebouw (onderwijsinstelling) wordt op basis van de Wet geluidhinder aangemerkt als 'ander geluidsgevoelig object'. In dat kader heeft DGMR een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van de schoolgebouwen.

Wegverkeerslawaai

Een schoolgebouw (onderwijsinstelling) wordt op basis van de Wet geluidhinder aangemerkt als 'ander geluidsgevoelig object'. In dat kader heeft DGMR een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van de schoolgebouwen.

Adviesbureau DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. heeft ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

Rekenresultaten en conclusies

De geluidsbelasting van de Bethaniënstraat op de uitbreiding van de school is maximaal 54 dB na aftrek van 5 dB conform artikel 110g Wet geluidhinder in de dagperiode. De maximale geluidbelasting van 54 dB voldoet aan het geluidbeleid van de gemeente. Ten behoeve van het bestemmingsplan is voor de uitbreiding van het bestaande schoolgebouw en realisatie van het nieuwe schoolgebouw een hogere grenswaarde benodigd (voor de sporthal is deze niet nodig).

Door de nieuwbouw zal het geluid vanwege de Bethaniënstraat op de tegenover gelegen bestaande bebouwing Stellingwerfstraat maximaal 1 dB toenemen ten opzichte van de huidige situatie: deze toename ontstaat door de reflectie van het geluid in de nieuwe gebouwen.

In het kader van de VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering” wordt bij 'Onderwijs' aangegeven dat sprake kan zijn van verkeersaantrekkende werking. Daarom is inzicht gegeven in de verkeersaantrekkende werking van de scholen en de sporthal: de geluidsbelasting ter plaatse van de bestaande woningen aan de Stellingwerfstraat zal hierdoor niet (verder) toenemen.



Industrielawaai

In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, als bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de scholen wordt verwezen naar paragraaf 5.4 (milieuzonering). Het aspect industrielawaai vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.



Railverkeerlawaai

In de nabijheid van het plangebied ligt een spoorlijnverbinding. Deze spoorlijnverbinding heeft een wettelijke geluidszone van 400 meter aan weerszijden van het spoor. Het plangebied is gelegen op een afstand van meer dan 500 meter en is hiermee buiten de wettelijke geluidszone gelegen. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek railverkeerslawaai is in voorliggend geval niet noodzakelijk.

5.3 Luchtkwaliteit     

Adviesbureau DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. heeft ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting.

Berekeningen van de luchtkwaliteit zijn zowel zonder als met de verkeersaantrekkende werking van de scholen en sporthal uitgevoerd. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarden van NO2 en PM10: aan de normen voor de luchtkwaliteit wordt voldaan.

Conclusie

Uit bovenstaande kan worden opgemaakt dat luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.4 Hinder     

Hinder

Op basis van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering geldt voor bedrijven/inrichtingen een richtafstand ten opzichte van milieugevoelige objecten (bijv. woningen en scholen). Een richtafstand gaat uit van voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en een milieugevoelige functie als wonen anderzijds kan worden gecreëerd.

Op basis van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering ligt de locatie in een gemengd gebied en is de school een milieucategorie 2 inrichting met een richtafstand van 10 meter ten opzichte van woningen. Binnen 10 meter bevinden zich geen woningen. In het kader van hinder zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

Geur

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijven waarbij geur een rol speelt.

5.5 Externe veiligheid     

Vanuit externe veiligheid zijn er geen voorwaarden omdat het plangebied niet voorziet in nieuwe risicovolle activiteiten. Daarnaast ligt het plangebied niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

5.6 Groen en ecologie     

In september 2016 heeft EKOZA een Quickscan uitgevoerd naar de natuurwaarden en het effect van de ontwikkeling. Hierna zijn de resultaten en conclusies uit de quickscan opgenomen. Voor de volledige quickscan wordt verwezen naar Bijlage 2 van deze toelichting.

Beschrijving bestaande situatie

Het plangebied Bethaniënstraat 250 te Arnhem bestaat uit een school met sportzaal en omliggend groen (bomen, struiken en gras). De school bestaat uit een gemetseld één tot twee verdiepingen hoog gebouw met plat dak en een fietsenstalling. Ook heeft de school her en der gevelbetimmering. Aan de oostkant ligt een sloot, aan de zuidzijde struweel. Aan de Bethaniënstraat staat een bomenrij.

Er zijn geen waardevolle bomen aanwezig van de 'Waardevolle bomenlijst".

Natuurwaarden

  • Verblijfplaatsen van eekhoorns, steenmarters of andere middel- tot zwaarbeschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden in het plangebied niet verwacht.
  • Er zijn op diverse plaatsen ruimten aanwezig achter met name de stootvoegen en de gevelbetimmering maar ook in de gaten in de daklijsten en rond regenpijpen, welke toegankelijk zijn voor vleermuizen.
  • Er zijn ekster, roodborst, koolmees en merel waargenomen in of nabij het plangebied. Er zijn verder geen mogelijk jaarrond beschermde nesten gezien. Van huismussen en gierzwaluwen zijn de nesten jaarrond beschermd maar worden er gezien het platte dak zonder mogelijkheden en de grote bomen aan de noordkant (versperring aanvliegroute) niet verwacht.
  • Er zijn geen amfibieën en reptielen aangetroffen. Het plangebied biedt geen mogelijkheden voor de voortplanting van vissen, amfibieën of reptielen.

Bron: Quickscan flora en fauna. Bethaniënstraat 250, Arnhem. Projectnummer: 16.095. EKOZA. 28 september 2016.

Beschrijving ontwikkelingen

Gebiedsbescherming

Het terrein ligt buiten het Gelders Natuur Netwerk en op minstens 400 meter van het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied. Invloed op deze beschermde natuurgebieden kan door de betreffende sloop en nieuwbouw worden uitgesloten. Vergunningen of andere vervolgprocedures zijn daarmee niet aan de orde.



Soortbescherming

De ingrepen hebben alleen effect op de mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen en enkele algemene broedvogels.

Binnen het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig in het te

slopen (sporthal) en te renoveren deel van het gebouw. Nader onderzoek moet de aan- of afwezigheid aantonen. Dit onderzoek moet voorafgaand aan de sloop en renovatie worden uitgevoerd. Het onderzoek moet, wanneer uitgevoerd volgens de gebruikelijke en door bevoegd gezag (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) vereiste onderzoeksmethode (het Vleermuisprotocol), plaats vinden in de periode half mei - half september (vier bezoeken).

Gezien de resultaten uit eerder onderzoek zal de kans op verblijfplaatsen vrij klein zijn. Wanneer verblijven worden aangetroffen, kunnen die worden gemitigeerd in de nieuwbouw. Er is geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging.

Het huidige gebouw is een potentiële broedplek voor algemene vogelsoorten. Het gebouw biedt geen mogelijkheden voor huismussen, gierzwaluwen of andere vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest. Bomen en struiken aan de randen van het plangebied blijven behouden.

Er moet buiten het broedseizoen (half maart - half augustus) worden gesloopt of vóór het broedseizoen potentiële verblijfplaatsen ongeschikt worden gemaakt.

Groenbalans

De bestemmingsplanwijziging betreft een wijziging in het bouwvlak. Het plangebied is in het geldende bestemmingsplan geheel bestemd als 'Maatschappelijke doeleinden'. Er is geen groenbestemming opgenomen en dat betekent dat het volledige terrein kan worden verhard.

De groenbalans moet binnen het ontwerpproces volgens de gemeentelijke regels groencompensatie worden opgesteld. Er wordt uitgegaan van minimaal een neutrale groenbalans. Door nieuwbouw zal het feitelijke oppervlak groen kleiner worden. Dit wordt kwalitatief gecompenseerd, door

  • Een deel van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" wordt bestemd als "groen". Het betreft de zone met bomen aan de Bethaniënstraat, aan de westzijde van het schoolterrein én de zone aan de zuidzijde (aansluitend op de aanwezige bestemming 'Groen"). In totaal wordt bijna 4.000 m2 meer als groen bestemd dan volgens het geldende bestemmingsplan.
  • De bomen langs de Bethaniënstraat en langs de westzijde van het plangebied blijven behouden. Hiervoor is in het bestemmingsplan een functieaanduiding 'bomenrij' met een vergunningplicht voor het kappen opgenomen.
  • In het nieuwe ontwerp voor de school en het terrein wordt zorgvuldig gekeken naar de inpassing van oude bomen en naar duurzame plekken voor nieuwe bomen met voldoende boven- en ondergrondse groeiruimte.

De feitelijke groenbalans zal in het ontwerpproces bepaald worden en zal minimaal neutraal zijn.

Conclusie

Er zijn geen belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging, want:

  • Er wordt in dit bestemmingsplan bijna 4.000 m2 als groen bestemd. In het geldende bestemmingsplan is geen bestemming 'groen' opgenomen en dat betekent dat het bestaande groen nu wordt beschermd.
  • Er wordt eerst gebouwd en daarna (na het nader onderzoek vleermuizen) gesloopt en gerenoveerd. Hierdoor kunnen de (mogelijke) vleermuisverblijven in de oudbouw worden gemitigeerd in de nieuwbouw.

Verder gelden in het ontwerpproces en de uitvoering van de ingreep de volgende voorwaarden:

  • Groenbalans: De feitelijke groenbalans zal in het ontwerpproces bepaald worden en zal minimaal neutraal zijn.
  • Flora en faunawet - broedvogels: Er moet buiten het broedseizoen (half maart - half augustus) worden gesloopt of vóór het broedseizoen potentiële verblijfplaatsen ongeschikt worden gemaakt.
  • Flora- en faunawet - vleermuizen: Nader onderzoek uitvoeren naar vleermuisverblijven, die de aan- of afwezigheid moet aantonen in de bestaande bouw. Dit onderzoek zal, wanneer uitgevoerd volgens de gebruikelijke en door bevoegd gezag (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) vereiste onderzoeksmethode (het Vleermuisprotocol), plaats moeten vinden in de periode half mei - half september (vier bezoeken).
  • Flora- en faunawet - vleermuizen: In de nieuwbouw ten minste 4 vleermuisverblijven (kasten in de zuid- / zuidwestgevel) inpassen (mitigatie).

5.7 Water     

Hierna wordt een beschrijving gegeven het toekomstige watersystemen in het plangebied. De beschrijving van het huidige watersysteem is terug te lezen in paragraaf 2.6.

Oppervlaktewater

Afhankelijk van de oplossing hoe de toename aan verhard oppervlak wordt gecompenseerd, kan het zijn dat nieuw oppervlaktewater wordt aangelegd. In eerste instantie moet de compensatie dan binnen het plangebied gerealiseerd worden. Als dat niet voldoende mogelijk is, dan kan buiten het plangebied naar ruimte gezocht worden.

Grondwater

Voor de realisatie van de nieuwbouw zal het nodig zijn om funderingspalen aan te brengen. Het gebouw krijgt geen kelders. Daardoor heeft de ontwikkeling geen effect op de grondwaterstanden of -stromingen.

Afvalwatersysteem en hemelwater

In voorliggend geval hebben de betreffende gronden reeds een maatschappelijke bestemming op basis waarvan er verharding mag worden aangelegd. Vanuit de planologische situatie is dan ook geen sprake van een toename van verharding, in tegendeel het bestemmingsplan voorziet in een grotere omvang aan groenbestemming waardoor verharding ter plaatse wordt uitgesloten.

Feitelijk gezien zal als gevolg van de ontwikkeling het oppervlak verhard gebied wel toenemen. Dit moet worden gecompenseerd. Dat kan op meerdere manieren op gebouwniveau. Als dat maar gedeeltelijk of zelfs helemaal niet mogelijk is, dan kan de initiatiefnemer aan gemeente en waterschap vragen of het mogelijk is om de compensatie elders te realiseren. Dat kan zowel binnen als buiten het plangebied. Hoeveel de compensatie precies bedraagt is afhankelijk van de toename aan verhard oppervlak en eventuele andere compenserende maatregelen. Om te verzekeren dat in de toekomst voldoende waterberging wordt gerealiseerd is in de regels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel, het hemelwater wordt bij voorkeur vertraagd afgevoerd naar de naastgelegen watergang. Wordt toch gekozen om het hemelwater via het hemelwaterriool af te voeren, dan moet uitgezocht worden of het hemelwaterriool de extra hoeveelheid water kan verwerken.

Bij transport van hemelwater dat over parkeerplaatsen afstroomt, moet rekening gehouden worden met de waterkwaliteit voordat het geloosd wordt op het oppervlaktewater. Dat geldt ook voor eventuele lozing op een hemelwaterriool.

Conclusie 

Vanuit waterhuishoudkundig oogpunt zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

5.8 Bodem     

Beschrijving bodemkwaliteit in het plangebied

Voor het bestemmingsplan is een inventarisatie uitgevoerd naar de bekende (mogelijke) gevallen van ernstige bodemverontreiniging in het betreffende plangebied. Daarnaast is een inventarisatie uitgevoerd naar alle beschikbare bodemkwaliteitsgegevens en historische gegevens in het plangebied. Daarbij is gebruik gemaakt van het bodeminformatiesysteem van de gemeente Arnhem en zijn bodemrapporten/-documenten geraadpleegd.

Uit deze inventarisatie is gebleken dat het bestemmingsplangebied gelegen is binnen het geval van ernstige bodemverontreiniging Bethaniënstraat e.o. (bislocatienummer 0007). In Presikhaaf (ter plaatse van het huidige IJsseloord I) heeft een steenfabriek gezeten. Voor het maken van bakstenen is klei gewonnen uit de wijk Presikhaaf, waaronder ook uit het plangebied. Voorafgaande aan de bouw van de wijk Presikhaaf III en Over het Lange Water de gaten voor kleiwinning opgevuld met puin, huisvuil en bedrijfsafval. Op grond van uitgevoerde onderzoeken in dit gebied bleek dat er sprake is van geval van ernstige grond- en grondwaterverontreiniging veroorzaakt door de voormalige stortactiviteiten.

verplicht
Afbeelding 5.1 Contour voormalige stort Bethaniënstraat

In november 2002 heeft de gemeente Arnhem een beschikking ernst en urgentie afgegeven (Sb/rwb/02/1315). Hierin is opgenomen dat er sprake is van ernstige bodemverontreiniging, maar dat er géén (gezondheids)risico voor bewoners is (niet urgent). Sanering van het terrein bleek niet noodzakelijk. Wel gelden er een aantal gebruiksbeperkingen:

  • niet in het stortmateriaal graven;
  • geen groenten verbouwen;
  • geen grondwater onttrekken/gebruiken.



Direct aangrenzend aan het bestemmingsplangebied liggen de volgende grondwaterverontreinigingen:

Adres BISnr. Omschrijving
1 Lange Water/IJssellaan 0290 Grondwater verontreinigd met VOCl (oplosmiddelen)
2 Raadsheerplein/Hanzestraat 145 4144 Grondwater verontreinigd met VOCl (oplosmiddelen)
3 Blankenweg 22 0164 Grondwater verontreinigd met VOCl (oplosmiddelen)

Op het plangebied zijn meerdere bodemonderzoeken verricht. Het meest actuele onderzoek is van 21 augustus 2008, Grontmij Nederland bv, projectnummer 259485. Formeel is dit onderzoek te oud (ouder dan vijf jaar) en is het onduidelijk of de bodemkwaliteit in de tussenliggende jaren 2008-2016 is gewijzigd.

De algehele conclusie van het bodemonderzoek van Grontmij kan als volgt worden samengevat:

Deklaag

De deklaag heeft een gemiddelde dikte van circa 0,5 m. Over de gehele deellocatie zijn zwakke tot plaatselijk matige bijmengingen aan puin, baksteen en kolengruis aangetroffen. Plaatselijk is ook asbest aangetroffen (boring 527(oostelijk deel van plangebied)) Analytisch zijn in de deklaag van het westelijk deel van plangebied licht verhoogde gehalten aan metalen en PAK aangetroffen. In het oostelijk deel van plangebied is de deklaag matig tot en met sterk verontreinigd met zware metalen. In boring 527 is het gehalte aan asbest in de deklaag 63 mg/kg d.s.. Dit ligt onder de achtergrondwaarde 2000/interventiewaarde. In de rest van de deklaag waar zintuiglijk geen asbest is aangetroffen liggen de waarden beneden de detectiegrens.

Stortpakket

Het stortpakket begint vanaf circa 0,5 m –mv. In het stortpakket zijn zintuiglijk zwakke tot sterke bijmengingen aan puin, kolengruis, baksteen, sintels en ijzer aangetroffen.

Analytisch zijn zeer sterk verhoogde gehalten aan zware metalen en matig tot sterk verhoogde gehalten met PAK aangetroffen.

Grondwater

Het grondwater binnen het plangebied is licht verontreinigd met metalen en VOCl. Op grond van de beschikking ernst en urgentie maakt het grondwater echter ook onderdeel uit van het geval van ernstige bodemverontreiniging.

Saneringsvisie

In 2009 is een saneringsvisie voor de stort Presikhaaf opgesteld (Tauw bv, projectnummer 4581637). Hierin zijn afwegingen opgenomen van de aanpak van saneringen binnen dit gebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen ontwikkellocaties, bestaande situaties en werkzaamheden in openbaar gebied. Op 5 mei 2010 is de saneringsvisie door de gemeente Arnhem vastgesteld.

Gezien de aangetroffen verontreinigingen zijn er sanerende maatregelen nodig om locatie geschikt te maken voor de beoogde functies. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de eisen voor ontwikkellocaties zoals die in de hierboven genoemde saneringsvisie opgenomen zijn.

Ook dient men rekening te houden dat op en nabij de locatie grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. Mocht er bemalen moeten worden, dan kan vooraf een melding Wbb art 28.3/ 28.1 nodig zijn.

De graafwerkzaamheden en de eventuele bemalingswerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als de gemeente Arnhem als bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) met het deelsaneringsplan en art 28 lid 3 melding heeft ingestemd. Verdere informatie over de bodemkwaliteit in Arnhem kunt u vinden op de internetsite www.arnhem.nl/bodem.

Bij functiewijziging of bij nieuwbouwplannen kan voor aanpassing van het bestemmingsplan en/of aanvraag van een (omgevings)vergunning om een recent bodemonderzoek worden gevraagd.

Conclusie

De geïnventariseerde en getoetste bodemgegevens geven voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Er is een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig (voormalige stort Bethaniënstraat e.o.). Direct aangrenzend aan het plangebied liggen een aantal grondwaterverontreinigingen. Voor de ontwikkeling van het terrein zijn sanerende maatregelen nodig. Daarnaast dient men bij eventueel noodzakelijke bemaling ook rekening te houden met de ter plaatse aanwezige grondwaterverontreiniging en de mogelijke beïnvloeding van de omliggende grondwaterverontreinigingen en de mogelijke saneringskosten hierbij.

De gemeente levert bouwrijpe grond aan de bouwheer (De Onderwijsspecialisten). Alle werkzaamheden die hiervoor benodigd zijn (inclusief eventuele sanering e.d.) komen voor rekening van de gemeente. De kosten zijn reeds globaal geraamd en komt uit de begroting Onderwijshuisvesting. In voorliggend geval zijn saneringskosten gedekt en is het plan vanuit het aspect bodem financieel uitvoerbaar.

Opgemerkt wordt dat rekening moet worden gehouden met het feit dat in het kader van de bouwaanvraag/functiewijziging een actueel onderzoek kan worden gevraagd.

5.9 Cultuurhistorie     

In het voorliggende geval zijn er in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Uit de Gelderse Cultuurhistorische Atlas en de gemeentelijke monumentenviewer blijkt dat er in de omgeving van het plangebied eveneens geen sprake is van cultuurhistorische waarden die van belang zijn in het kader van dit bestemmingsplan. Cultuurhistorische waarden vormen, vanwege het ontbreken ervan, geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.10 Archeologie     

De archeologische verwachtingswaarde van gronden zijn in het geldende bestemmingsplan beschermd middels dubbelbestemmingen. Het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie (hoge verwachting)'. In deze dubbelbestemming is bepaald dat bij bodemingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 40 centimeter onder maaiveld archeologisch onderzoek noodzakelijk kan zijn.

Zoals reeds verwoord in paragraaf 5.8 heeft het plangebied onderdeel uitgemaakt van een voormalige stortlocatie. De bodem bestaat uit een deklaag van 0,5 meter, daaronder bevindt zich het stortpakket. De bodemlaag waarvoor de archeologische verwachting geldt is gelegen onder het stortpakket. Verwacht wordt dat als gevolg van de ontwikkeling, gelet op de diepte van de archeologische laag, geen archeologische waarden worden aangetast. Op dit moment is echter nog geen bouwplan beschikbaar en zijn de omvang en diepte van de bodemingrepen niet bekend.

In het kader van dit bestemmingsplan is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. De geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie (hoge verwachting)' wordt overeenkomstig het geldende bestemmingsplan overgenomen, zodat de planologische bescherming ten aanzien van archeologie intact blijft. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen of het uitvoeren van werken / werkzaamheden wordt getoetst of archeologisch onderzoek noodzakelijk is of niet.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Eventuele archeologische waarden worden middels de opgenomen dubbelbestemming in voldoende mate beschermd.

5.11 Stadsklimaat     

De klimaatbestendigheidsambitie is voor wat betreft hitte in de stad vertaald naar aanbevelingen voor specifieke gebieden. Op de Hitte-attentiekaart (zie afbeelding 5.2) ligt het plangebied in een als geel aangegeven klimatologische eenheid. De gemeente Arnhem streeft bij gebiedsontwikkelingen in de geel gekleurde gebieden op de Hittekaart naar behoud van de bestaande situatie. Voor het plangebied betekent dit specifiek:

  1. behoud van het huidige relatief goede stadsklimaat door het behoud van de verhouding tussen bebouwing en open groene ruimte.
  2. het benutten van kansen tot het zoveel mogelijk vergroenen van de openbare ruimte.
  3. het benutten van kansen om gebouwen te voorzien van verticaal groen en dakgroen ter voorkoming opwarming van het gebouw zelf en uitstraling warmte naar omgeving. Dakgroen is daarbij vooral effectief voor een beter binnenklimaat (en daarmee de energievraag).
  4. gebruik maken van de juiste materialen voor gebouwen waarmee de opwarming van de gebouwen en de omgeving kan worden verminderd.

Er is feitelijk sprake van een toename van bebouwing in het plangebied. Gelet op het bovenstaande betekent dit dat ingezet moet worden op het vergroenen van de gebouwen en het zoveel mogelijk vergroenen van de buitenruimte (openbaar en particulier).

verplicht
Afbeelding 5.2: Hitte-attentiekaart van Arnhem

5.12 Duurzaamheid     

Wat betreft duurzaamheid wordt opgemerkt dat de gebouwen worden gebouwd conform de principes van het 'Programma van Eisen - Frisse Scholen' van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Het uiteindelijke doel van dit document is een zo gezond, comfortabel en energiezuinig mogelijke school binnen het beschikbare budget.

Het Programma van Eisen - Frisse Scholen gaat in op vijf thema's:

  1. energie,
  2. lucht: binnenluchtkwaliteit,
  3. temperatuur: thermisch comfort,
  4. licht: visueel comfort,
  5. geluid: akoestisch comfort.

Voor ieder thema zijn drie ambitieniveaus vastgesteld:

  • klasse C (acceptabel),
  • klasse B (goed) en
  • klasse A (zeer goed).



Daaraan zijn (prestatie)eisen gekoppeld. Klasse C is het basisniveau; gebaseerd op geldende wet- en regelgeving, zoals deze in het Bouwbesluit tot 2012 van kracht waren. De eisen zijn zo geformuleerd dat alle eisen die bij C staan ook voor B en A gelden, tenzij daar een zwaardere eis is opgenomen. In 2012 en 2015 zijn de eisen in het Bouwbesluit voor nieuwbouw zodanig verzwaard, dat u bij nieuwbouw voor de thema's energie en lucht minimaal klasse B moet realiseren.

De nieuwe bebouwing zal worden gerealiseerd worden conform klasse B en voldoen aan het bepaalde in het Bouwbesluit.

Conclusie

De nieuwe bebouwing zal voldoen aan de duurzaamheidseisen opgenomen in het Bouwbesluit en het PvE.

5.13 Besluit milieueffectrapportage     

5.13.1 Besluit milieueffectrapportage     

5.13.1.1 Situatie plangebied     

Artikel 19j, lid 2 van de Natuurbeschermingswet 1998

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het gebied 'Rijntakken', is gelegen op een afstand van circa 460 meter van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 19j van de Natuurbeschermingswet 1998 is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.

Drempelwaarden Besluit m.e.r.

Dit bestemmingsplan voorziet in een directe eindbestemming voor wat betreft de binnen het plangebied geplande woningbouwontwikkeling en voldoet daarmee aan de definitie van een 'besluit' als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Er is daarom in elk geval geen sprake van een direct m.e.r.-plicht. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.

De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden:

  1. een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
  3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (100 hectare of meer) kan worden geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

Indien de mogelijkheden van dit plan worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Daarnaast blijkt uit dit hoofdstuk dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken.

5.13.1.2 Conclusie     

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

5.14 Kabels, leidingen en straalpaden     

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels, leidingen of straalpaden gelegen waarmee in het kader van dit bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden.

Hoofdstuk 6 Planbeschrijving en -verantwoording     

6.1 Inleiding     

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

6.2 Opzet van de regels     

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht.

De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid.

Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende plankaart waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze plankaart kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De plankaart en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten);
  2. Bestemmingsregels;
  3. Algemene regels (o.a. afwijkingen);
  4. Overgangs- en slotregels.

6.2.1 Inleidende regels     

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten:

  1. Artikel 1 Begrippen

    In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  2. Artikel 2 Wijze van meten

    Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Op de planverbeelding zijn bouwhoogten en bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen.

6.2.2 Bestemmingsregels     

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de planverbeelding is de bestemming aangegeven.

Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in o.a.:

  1. Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.);
  2. Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.);
  3. Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels;
  4. Verboden gebruik: welke vormen van gebruik zijn uitgesloten.

In paragraaf 6.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangeven waarom daarvoor is gekozen.

6.2.3 Algemene regels     

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  1. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

    Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend.
  2. Artikel 7 Algemene bouwregels

    Hierin zijn de algemene bouwregels opgenomen zoals de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak en de uitleg van het bebouwingspercentage.
  3. Artikel 8 Algemene gebruiksregels

    In dit artikel zijn algemene regels met betrekking tot het gebruik van de gronden en opstallen in het plangebied opgenomen. Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan.
  4. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

    In dit artikel worden de voorwaarden beschreven waaronder kan worden afgeweken van een bestemmingsregel. Deze afwijkingen kunnen worden toegepast op alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De afwijkingen die uitsluitend gelden voor een bepaalde bestemming zijn in het betreffende artikel van die bestemming opgenomen.
  5. Artikel 10 Overige regels

    In dit artikel is de standaardregeling ten aanzien van het parkeren en het laden en lossen opgenomen.

6.2.4 Overgangs- en slotbepalingen     

In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.

6.3 Verantwoording van de regels     

6.3.1 Algemeen     

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt.

Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Deze situatie kan gaandeweg de planperiode wijzigen, bijvoorbeeld door veranderd stedenbouwkundig inzicht, functiewijziging veranderingen in gebruik. Ook ruimtelijke ontwikkelingen en vernieuwing van o.a. ruimtelijk, economisch, verkeerskundig en milieubeleid dragen bij aan de veroudering van geldende bestemmingsplannen.

Om recht te doen aan een goede ruimtelijke ordening binnen het plangebied wordt daarom aangegeven in welke situaties de bestemming wordt gekozen gelijk aan de oude bestemming (na strijdige situatie te hebben gewraakt) en in welke situaties een nieuwe bestemming wordt gegeven (positief bestemmen), waarmee de strijdige situatie wordt gelegaliseerd. Daarnaast wordt, indien van toepassing, aangegeven wanneer een strijdige situatie onder het overgangsrecht wordt gebracht.

In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

6.3.2 Afzonderlijke bestemmingen     

In de volgende subparagrafen worden de afzonderlijke bestemmingen die voorkomen in het bestemmingsplan besproken.

6.3.3 Groen     

In het Groenplan (zie paragraaf 5.6) is voor de groenvoorzieningen een onderscheid gemaakt tussen structureel groen en snippergroen. De groenstroken die structuurbepalend zijn op wijkniveau, zijn bestemd als 'Groen'. Binnen deze bestemming is het toegestaan om groen in de breedste zin (grasvelden, struiken, speelvelden) aan te leggen en in stand te houden. Daarnaast zijn de belangrijkste waterlopen en waterpartijen opgenomen in deze bestemming. Het aanleggen van voetpaden, fietspaden en voorzieningen voor bestemmingsverkeer zijn eveneens toegestaan. Wegen voor doorgaand autoverkeer en parkeren is niet toegestaan.

Bebouwing binnen de groenbestemming is uitsluitend toegestaan indien dit binnen de bestemming past zoals speeltoestellen en verlichting met een maximumbouwhoogte van 4 meter.

De bestaande bomenrij langs de Bethaniënstraat, waarbij sprake is van landschappelijke kwaliteit, heeft in dit bestemmingsplan meer bescherming gekregen. De bomenrijen zijn expliciet aangeduid als 'bomenrij', waaraan een omgevingsvergunningstelsel werken en/of werkzaamheden is gekoppeld. Hiermee wordt de waardevolle bomenrij in voldoende mate beschermd.

Vergelijking met het vigerend bestemmingsplan

In het vigerend bestemmingsplan is ter plaatse van het plangebied geen groenvoorziening opgenomen, inhoudende dat vanuit planologisch oogpunt de bestaande bomen geen bescherming genieten. Dit bestemmingsplan voorziet wel in deze bescherming.

6.3.4 Maatschappelijk     

De bestemming 'Maatschappelijk' (Artikel 4) is bedoeld voor functies ten behoeve van onderwijs, welzijn, zorginstellingen, cultuur, religie, openbare dienstverlening en therapeutische functies. Voorbeelden hiervan zijn scholen, ziekenhuizen en kerken. Aan de hoofdfunctie ondergeschikte horeca (kantine) is eveneens toegestaan.

Vergelijking met het vigerend bestemmingsplan

De maatschappelijke bestemming wordt overeenkomstig het geldende bestemmingsplan gehandhaafd, met uitzondering van de groenvoorzieningen welke een aparte bestemming hebben gekregen. Wel is het bouwvlak uitgebreid om zodoende de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

6.3.5 Dubbelbestemmingen     

De SVBP geeft ook de mogelijkheid dubbelbestemmingen op te nemen. Dubbelbestemmingen zijn bestemmingen die liggen over meerdere enkelbestemmingen en daar iets over zeggen. In dit bestemmingsplan is één dubbelbestemmingen opgenomen, te weten Waarde - Archeologie (hoge verwachting) (Artikel 5).

Deze dubbelbestemming geldt voor de zone in het gebied waarvoor een hoge archeologische verwachting geldt. Dit artikel bevat een aantal naast de andere bestemmingsbepalingen geldende beschermende bouwvoorschriften en nadere eisen. De zone waarbinnen sprake is van een hoge archeologische verwachting is op de planverbeelding nader aangeduid.

Vergelijking met de vigerende bestemmingsplannen

In het vigerende bestemmingsplan is nagenoeg dezelfde dubbelbestemming opgenomen. In dit bestemmingsplan is echter aangesloten op de gemeentelijk archeologiebeleid, namelijk een onderzoeksgrens van 200 m² en bodemingrepen dieper dan 40 cm bij gebieden met een hoge archeologische waarde.

6.4 Handhaving     

Bestemmingsplannen zijn bindend voor overheid en burger. Enerzijds kan de gemeentelijke overheid naleving van bestemmingsplannen afdwingen (optreden tegen strijdig gebruik en/of bebouwing). Anderzijds vormt het bestemmingsplan ook het juridisch kader voor de burger waar deze uit af kan leiden wat zijn eigen bouw- en gebruiksmogelijkheden zijn, maar ook wat de mogelijkheden en onmogelijkheden zijn van zijn buren en directe omgeving. Het bestemmingsplan geeft immers de gewenste planologische situatie voor het betreffende gebied binnen de planperiode aan.

In de nota “beleidsuitgangspunten handhaving bestemmingsplannen” zijn de volgende uitgangspunten opgenomen:

  • stringent beleid: als uitgangspunt geldt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt;
  • géén stilzwijgend gedogen;
  • gewenste maar illegale ontwikkelingen zo mogelijk vooraf maar in ieder geval zo snel mogelijk legaliseren;
  • gedogen van illegale gevallen alleen in uitzonderlijke gevallen, bij voorkeur alleen tijdelijk en met redenen omkleed.

Deze beleidsuitgangspunten zijn geëvalueerd in de nota "Handhavingsplan Fysieke Leefomgeving 2011-2014". De destijds geformuleerde uitgangspunten pretenderen dat alle overtredingen worden opgespoord en aangepakt. Deze ambitie blijkt met de beschikbare menskracht te ambitieus en daarom is in de nieuwe nota een prioriteitsstelling opgenomen waarin wordt aangegeven aan welke handhavingsonderwerpen op het gebied van bouwregelgeving en de gebouwde omgeving de komende periode met name aandacht wordt besteed. Dit houdt in dat het uitgangspunt dat in principe elke overtreding wordt aangepakt afhankelijk wordt van de prioriteitsstelling uit het Handhavingsplan. De prioriteitsstelling is ondermeer afhankelijk van het type overtreding en het type gebied (beschermd stadsgezicht, buitengebied, industrieterrein enz.) waar de overtreding wordt geconstateerd en zal op basis van politieke realiteit per looptijd van het Handhavingsplan worden geactualiseerd.

De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een inventarisatie van het feitelijke gebruik en de bestaande bebouwing zo kort mogelijk voor respectievelijk het in ontwerp ter visie leggen van casu quo het in werking van een bestemmingsplan. Als vervolg op deze inventarisatie zullen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen en gevolgde afwijkingsprocedures worden geregistreerd.

Handhavend optreden tegen overtredingen van bestemmingsplannen kan niet alleen plaatsvinden via publiekrechtelijke, maar ook via de strafrechtelijke weg. De opsporingsambtenaren van de gemeente of politie zullen in die gevallen proces-verbaal van de overtreding maken. Het (reguliere) bestuursrechtelijke traject zal gelijktijdig worden ingezet.

6.5 Exploitatie     

Grondexploitatie

Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 rust op de gemeente op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet de verplichting tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren waarmee niet gecontracteerd is. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5. van het Bro) zoals grondverwervingskosten, plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen verhaald worden door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan, wijzigingsplan of projectbesluit moet worden vastgesteld.

De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van één of meer woningen, bouw van één of meer hoofdgebouwen, bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m2).

Het bestemmingsplan voorziet in zowel nieuw- als verbouw binnen het plangebied ten behoeve van maatschappelijk functies. Deze ontwikkeling maakt daarmee bouwplannen mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk. In voorliggend geval is de gemeente in het kader van dit bestemmingsplan initiatiefnemer. Hiermee zijn de gemeentelijke kosten anderszins verzekerd en is het maken van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 lid 2 Wro niet nodig.



Economische uitvoerbaarheid

De gemeente is eigenaar van de gronden binnen het plangebied. Voor het project is een Meerjaren Investerings Planning als onderdeel van de Meerjaren Programma Begroting (MJPB) van de gemeente opgesteld. Voorliggend plan maakt onderdeel uit van de totale financiële kaderstelling, waarbij de kosten zijn gedekt door bijdragen van de gemeente en het schoolbestuur. Geconstateerd is dat de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 7 Procedure     

7.1 Vooroverleg     

Communicatie 

Er wordt voor omwonenden tijdens de periode van ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan een informatiebijeenkomst georganiseerd. De omwonenden worden voor deze informatieavond per brief uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomst komen de plannen voor de locatie en de te volgen bestemmingsplanprocedure aan de orde.

Publicatie voornemen ontwikkeling

Volgens artikel 1.3.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening moet het voornemen tot een ontwikkeling worden gepubliceerd. Aan deze verplichting is voldaan met het publiceren van de kennisgeving van het bestemmingsplan in de Staatscourant, in het digitaal gemeenteblad en op de gemeentelijke website.



Artikel 3.1.1 Bro overleg

Het concept-bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro naar Waterschap Rijn en IJssel toegezonden. Het Waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn met het bestemmingsplan.

7.2 Terinzagelegging (ontwerp-bestemmingsplan)     

Het ontwerp-bestemmingsplan 'Bethaniënstraat 248-250' heeft van 25 oktober 2016 tot en met 5 december 2016 ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend en het bestemmingsplan is op 19 december 2016 door de gemeenteraad ongewijzigd vastgesteld.

Bijlagen bij de toelichting     

 

Regels     

van het bestemmingsplan

Bethaniënstraat 248-250

(plannummer: NL.IMRO.0202.893-0301)

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan:     

Het bestemmingsplan Bethaniënstraat 248-250 met identificatienummer NL.IMRO.0202.893-0301 van de gemeente Arnhem.

1.2 Bestemmingsplan     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlage;

1.3 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik of het bebouwen van deze gronden.

1.4 Aanduidingsgrens     

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.6 Bebouwingspercentage     

Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage dat de grootte van een gedeelte van een bestemmingsvlak of gedeelte van een bouwvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd;

1.7 Bedrijfswoning / dienstwoning     

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of terrein noodzakelijk is.

1.8 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming

1.9 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.10 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.11 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.12 Bouwperceel     

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.13 Bouwperceelgrens     

Een grens van een bouwperceelgrens.

1.14 Bouwvlak     

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.15 Bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.16 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen het uitstallen ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan diegenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; dienstverlening door een horecabedrijf en internetverkoop wordt hieronder niet begrepen.

1.17 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.18 Geluidsgevoelig object     

een woning of ander geluidsgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 1 Wet geluidhinder;

1.19 Gezondheids- en welzijnszorg     

  • geneeskundige verzorging en verpleging zoals ziekenhuizen;
  • medische, tandheelkundige en paramedische praktijken;
  • apotheken;
  • verpleeg- en verzorgingshuizen;
  • dag- en nachtvoorzieningen voor gehandicapten, psychiatrische patiënten, jongeren en maatschappelijke opvang met (therapeutische) behandeling inclusief overnachting;
  • maatschappelijke dienstverlening zonder overnachting: dienstverlening gericht op ouderen en gehandicapten, kinderopvang en buitenschoolse opvang, jeugdzorg, maatschappelijk werk en dergelijke.

1.20 Horecabedrijf     

Een bedrijf of instelling gericht op het verstrekken van logies, van maaltijden en spijzen of van dranken, alsmede het exploiteren van zaalaccommodatie; detailhandel wordt hier niet onder begrepen.

1.21 normaal onderhoud, gebruik en beheer     

Gebruik gericht op het in zodanige conditie houden van objecten of de terreingesteldheid dat het voortbestaan van deze objecten of de terreingesteldheid op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt gehouden. Onder normaal onderhoud, gebruik en beheer wordt ook dunning van beplanting begrepen

1.22 Onderbouw     

Een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer, waarvan de bovenkant minder dan 1,20 meter boven peil is gelegen.

1.23 Peil     

  1. voor een gebouw , waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of pad grenst: de hoogte van die weg of dat pad ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  3. voor een ander bouwwerk: de hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw.
  4. voor zover als zodanig aangegeven in de bestemmingsregels: Normaal Amsterdams Peil (N.A.P.)

1.24 Onderwijs     

Georganiseerde communicatie van niet-incidentele aard met als doel overdracht van kennis, vermeerdering van inzicht en/of aanleren van vaardigheden zoals primair en speciaal onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar (beroeps)onderwijs en educatie, tertiair onderwijs en overig onderwijs en bij onderwijs behorende sportvoorzieningen.

1.25 Openbare dienstverlening     

  • openbaar bestuur en overheidsdiensten zoals een politiebureau, gemeentehuis, gerechtsgebouw, brandweerkazerne, bibliotheek en penitentiaire inrichting;
  • uitvaartverzorging, crematoria en begraafplaatsen.

1.26 Overig bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.27 Pand     

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig- constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.28 Prostitutie     

Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.29 Prostitué(e)     

Degene, die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.30 Raamprostitutie     

Een vorm van prostitutie waarbij de werving van klanten geschiedt door een prostitué(e) die door houding, gebaren, kleding of anderszins, vanuit een vitrine de aandacht op zich vestigt en waarbij de seksuele handelingen in een voor het publiek besloten ruimte plaatsvinden.

1.31 Seksinrichting     

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte (hieronder wordt mede begrepen een voer- of vaartuig) waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van pornografische aard plaatsvinden.

Onder seksinrichtingen wordt in elk geval verstaan een (raam)prostitutiebedrijf, een seksclub, een privé-huis, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.32 Straatmeubilair     

Onverminderd het bepaalde in bijlage II van het Besluit omgevingsrecht wordt onder straatmeubilair voor de werking van dit bestemmingsplan mede verstaan: papier-, glas- en andere inzamelbakken, toegangsconstructies voor ondergrondse voorzieningen; kunstwerken, speeltoestellen en draagconstructies voor reclame, alsmede abri's en kleinschalige bouwwerken ten behoeve van (openbare) nutsvoorzieningen.

1.33 Thuisprostitutie     

Vorm van prostitutie waarbij de seksuele dienstverlening plaatsvindt op het woonadres van de prostituté(e) en waarbij ook alleen door deze prostitué(e) op dit adres gewerkt wordt als prostitué(e).

1.34 Werken, werkzaamheden van geringe omvang     

Werken of werkzaamheden die geen wezenlijke verandering van de terreingesteldheid of van een inrichting tot gevolg hebben.

1.35 Woning     

Een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één huishouding, een bijzondere woonvorm of een kamerverhuurbedrijf.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten

2.1 De inhoud van een bouwwerk     

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.2 De bouwhoogte van een bouwwerk     

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftopbouwen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.3 De oppervlakte van een bouwwerk     

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Groen     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. groen- en speelvoorzieningen;
  2. watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding;
  3. bestaande ontsluitingswegen;
  4. fiets- en wandelpaden, straatmeubilair en speelvoorzieningen;
  5. geluidwerende voorzieningen.

3.2 Bouwregels     

Op deze gronden mogen uitsluitend in de gegeven bestemming passende bouwwerken worden gebouwd met een maximumbouwhoogte van 4 meter.

3.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

3.3.1 Verboden werk en/of werkzaamheden     

Het is ter plaatse van de aanduiding 'bomenrij' verboden om houtgewassen te vellen, te rooien of te beschadigen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

3.3.2 Uitzonderingen omgevingsvergunningsplicht     

Het in lid 3.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden:

  1. die op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, in uitvoering zijn;
  2. die van geringe omvang zijn, dan wel het normale onderhoud betreffen.
3.3.3 Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden     

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 3.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien:

  1. deze verband houden met de doeleinden, die aan het desbetreffende bestemming zijn toegekend, en
  2. hierdoor dan wel door daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen de landschappelijke kwaliteiten niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.

Artikel 4 Maatschappelijk     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor Maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. onderwijs en zaalsport;
  2. gezondheids- en welzijnszorg;
  3. levensbeschouwelijke functies;
  4. politieke-, belangen- en ideële organisaties/verenigingen en hobbyclubs;
  5. openbare dienstverlening:

en ondergeschikt voor:

  1. voorzieningen ten behoeve van het verkeer, groen- en speelvoorzieningen en straatmeubilair;
  2. ondergeschikte horeca en detailhandel, uitsluitend ten dienste van bovengenoemde bestemmingsomschrijvingen;
  3. watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding;

4.2 Bouwregels     

Op deze gronden mogen, met inachtneming van de aangegeven maximumbouwhoogten en, voor zover aangegeven, het bebouwingspercentage, uitsluitend in de gegeven bestemming passende bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' de afstand tussen gebouwen minimaal 15 meter dient te bedragen.

4.3 Afwijken van de bouwregels     

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 7.1 ten behoeve van het buiten het bouwvlak bouwen, van kleine bouwwerken passend in de bestemming zoals fietsenstallingen, hekwerken en zitbanken met een maximumbouwhoogte van 3 meter.

4.4 Specifieke gebruiksregels     

4.4.1 Strijdig gebruik     

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van gebouwen als geluidsgevoelig object ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - 1'.

4.4.2 Voorwaardelijke verplichting waterberging     
  1. Voor de verwezenlijking van de bestemming moet worden voorzien in voldoende waterberging, waarbij geldt dat de binnen het plangebied te realiseren waterberging aanwezig moet zijn binnen één jaar na ingebruikname van de school;
  2. Het bepaalde in sub a is niet van toepassing indien op andere wijze is voorzien (of kan worden voorzien) in voldoende waterberging voor de verwezenlijking van het plan;
  3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van de in sub a gestelde termijn indien er dringende redenen of omstandigheden zijn, waardoor de gestelde termijn van één jaar redelijkerwijs niet gevergd kan worden.

Artikel 5 Waarde - Archeologie (hoge verwachting)     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - Archeologie (hoge verwachting)' aangewezen gronden zijn naast de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

5.2 Bouwregels     

Binnen de voor deze bestemming aangewezen gronden mogen:

  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn;
  2. bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen worden gebouwd, indien het betreft:
    1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid of
    2. een bouwwerk waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte ten hoogste 200 m2 bedraagt.
    3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst

5.3 Afwijken van de bouwregels     

  1. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in lid 5.2 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels.
  2. Afwijken als bedoeld in lid 5.3 sub a. kan, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologische deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad.
  3. Afwijken als bedoeld in lid 5.3 sub a. kan voorts, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken regels te verbinden gericht op:
    1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
    2. het doen van opgravingen;
    3. begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

5.4.1 Verboden werkzaamheden     

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (hoge verwachting)' zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  1. grondwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter, waartoe worden gerekend het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het verwijderen van funderingen en het aanleggen van drainage;
  2. het verlagen of verhogen van het waterpeil;
  3. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
  4. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
5.4.2 Toelaatbaarheid     

De werken of werkzaamheden, waarvoor het verbod van lid 5.4.1 geldt, zijn slechts toelaatbaar, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologisch deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad of mogelijk schade kan worden voorkomen door aan de vergunning regels te verbinden gericht op:

  1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  2. het doen van opgravingen;
  3. begeleiding van de aanlegwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.
5.4.3 Uitzonderingen     

Het verbod, als bedoeld in lid 5.4.1, is niet van toepassing indien:

  1. de werken die, voor zover deze zijn gelegen binnen deze bestemming, een oppervlakte hebben tot ten hoogste 200 m2 of een omvang van 200 m1;
  2. de werken of werkzaamheden mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het bouwen, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of een ontgrondingvergunning;
  3. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van in werking treden van het plan;
  4. behoren tot het normale onderhoud en beheer van de gronden;
  5. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid     

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (hoge verwachting)' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat:

  1. op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn;
  2. wel aanwezige archeologische waarden in voldoende mate zijn veilig gesteld.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels     

7.1 Bouwen binnen bouwvlak     

  1. Indien binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven mag, behoudens andersluidende bepalingen in deze regels, uitsluitend worden gebouwd binnen dit bouwvlak.
  2. Indien in een bestemmingsvlak geen bouwvlak is aangegeven, mag uitsluitend worden gebouwd voor zover daartoe in de betreffende bestemmingsregel uitdrukkelijk mogelijkheden zijn opgenomen.

7.2 Bebouwingspercentage     

  1. Indien in een bouwvlak geen bebouwingspercentage is aangegeven, mag dit vlak geheel worden bebouwd.
  2. Indien binnen een bestemmingsvlak een bouwvlak en een bebouwingspercentage zijn aangegeven is het bebouwingspercentage van toepassing op de gronden binnen het bouwvlak.
  3. Indien in een bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak slechts één bebouwingspercentage is aangegeven geldt dit percentage voor het gehele bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak.
  4. Indien in een bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak meerdere bebouwingspercentages zijn aangegeven, gelden deze percentages voor die delen van het bestemmingsvlak respectievelijk bouwvlak waarin ze zijn aangegeven.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels     

Onder gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan:

  1. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning;
  2. het gebruik van de gronden ten behoeve van thuisprostitutie, raamprostitutie en seksinrichtingen.
  3. het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de in de geldende Arnhemse beleidsregels voor parkeren opgenomen normen.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels     

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van:

  1. de in deze regels opgenomen bebouwingsregels, voor zover betreffende de maximum bouwhoogte, het maximumoppervlak en de maximuminhoud, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in de regels vastgelegde maten;
  2. de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak, zoals bedoeld in lid 7.1 mits:
    1. de overschrijding van het bouwvlak niet meer bedraagt dan twee meter, de bestemmingsgrens niet wordt overschreden en het de bouw betreft van erkers, luifels, balkons, keldergaten (koekoeken) of galerijen;
    2. het de bouw van volledig beneden peil gelegen bouwwerken betreft, mits:
      • een diepte van 6 meter niet wordt overschreden;
      • het maaiveld wordt afgewerkt op een wijze die past binnen de bestemming;
      • geen onevenredige toename van de parkeerdruk plaatsvindt;
      • de bestemmingsgrens niet wordt overschreden;
  3. de bestemmingsbepalingen voor het oprichten van:
    1. kunstobjecten en niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorstations, rioolgemalen, schakelhuisjes, telefooncellen voorzover met een inhoud groter dan 3 m3, en haltes van vervoersdiensten, alle met een inhoud van maximaal 75 m3;
    2. sirenemasten met een hoogte van maximaal 18 meter;
    3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van (tele)communicatie:
      • voorzover vrijstaand, met een hoogte van maximaal 20 meter;
      • voorzover op of aan een ander bouwwerk te plaatsen, met een hoogte van maximaal 8 meter boven de aangegeven maximumbouwhoogte;
    4. geluidwerende voorzieningen voor zover deze noodzakelijk zijn ingevolge de bepalingen van de Wet geluidhinder.
  4. de in deze regels opgenomen bepalingen omtrent de maximum bouwhoogte voor het oprichten van hekwerken ten behoeve van het gebruik van platte daken als dakterras tot een maximum van 1 meter boven de maximaal toegestane bouwhoogte mits:
    1. dit passend is in het bebouwingsbeeld van de omringende bebouwing en
    2. de belangen van omwonenden met betrekking tot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 10 Overige regels     

10.1 Parkeren     

  1. Indien de omvang of bestemming van een gebouw of terrein daartoe aanleiding geeft, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.
  2. De onder a. bedoelde ruimte voor het parkeren van personenauto's moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.
  3. Aan het bepaalde onder a. wordt geacht te zijn voldaan indien de ruimte voor parkeren of stallen voldoet aan de in de Arnhemse beleidsregels voor parkeren daartoe opgenomen normen.

    Voor zover deze regels gedurende de planperiode worden gewijzigd, gelden deze wijzigingen vanaf het tijdstip van bekendmaking.

10.2 Laden of lossen     

Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden en lossen van goederen, dient, onverminderd het bepaalde elders in de regels van dit plan, in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in, of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

10.3 Afwijken     

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de leden 10.1 en 10.2:

  1. voor zover op andere wijze in de benodigde parkeer- of stallingsruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien of
  2. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 11 Overgangsrecht     

11.1 Overgangsrecht bouwwerken     

11.1.1 Overgangsbepaling     

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
11.1.2 Afwijken     

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sublid 11.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sublid 11.1.1 met maximaal 10%.

11.1.3 Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken     

Het bepaalde in lid 11.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor

geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

11.2 Overgangsrecht gebruik     

11.2.1 Overgangsbepaling     

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

11.2.2 Strijdig gebruik     

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 11.2.1 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

11.2.3 Verbod hervatten strijdig gebruik     

Indien het gebruik, bedoeld in lid 11.2.1 na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

11.2.4 Uitzondering op het overgangsrecht gebruik     

Het bepaalde in lid 11.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Bethaniënstraat 248-250.