direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Velp-Noord, locatie Van Tienhovenlaan 7
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0275.BPVN17-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

In een bestemmingsplan worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden van gronden en opstallen vastgelegd. Een bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (de kaart) en regels. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat het bestemmingsplan juridisch toelaat. Door het perceel op te zoeken waarover informatie wordt gewenst, kan worden afgelezen welke bestemming het heeft en wat de mogelijkheden zijn. Het digitale plan is bij een verschil ten opzichte van de papieren versie leidend. Een bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft geen juridische status.

1.2 Aanleiding bestemmingsplan

Het perceel Van Tienhovenlaan 7 is gelegen in het geldende bestemmingsplan Velp-Noord. De gronden zijn bestemd voor wonen. De bestaande woning wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats komt een nieuwe woning die anders op het perceel wordt gesitueerd. Het plan past niet binnen de toegelaten mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, gezien de ligging van het bouwvlak, de bouwhoogte en de oppervlakte aan bijgebouwen. Er wordt medewerking verleend aan het initiatief door herziening van het bestemmingsplan.

1.3 Ligging plangebied

Het plan heeft betrekking op het perceel Van Tienhovenlaan 7 te Velp. Dit deel van het dorp is te kenmerken als een woongebied. In de directe omgeving staan met name bungalows, bestaande uit één bouwlaag welke plat zijn afgedekt.


De ligging van de locatie in het dorp Velp is op de volgende twee kaarten met een blauwe stip respectievelijk blauwe cirkel aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVN17-VA01_0001.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVN17-VA01_0002.jpg"

luchtfoto Van Tienhovenlaan

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVN17-VA01_0003.png"

Foto Van Tienhovenlaan 7 (gele bungalow)

Het plangebied bestaat uit het perceel Van Tienhovenlaan 7 te Velp, kadastraal bekend gemeente Velp, sectie A nummer 587. De locatie (in blauw) en de directe omgeving zijn op onderstaande uitsnede uit de GBKN met daarop de kadastrale grenzen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVN17-VA01_0004.jpg"

GBKN 2013

1.4 Geldende bestemmingsplan

Voor onderhavig perceel geldt het bestemmingsplan Velp-Noord dat op 27 februari 2007 is vastgesteld. Het perceel heeft hierin de bestemming Wonen. Er mag één woning tot een hoogte van 4 m worden opgericht op de gronden aangeduid met de donkerste gele kleur. Op de gronden aangeduid met de middelste gele kleur mogen bijgebouwen worden opgericht.

Bij raadsbesluit van 29 juni 2010 is bij de 1e algehele herziening van alle toen geactualiseerde bestemmingsplannen een nadere invulling gegeven van de regels.

Daarbij zijn begripsbepalingen en bouwmogelijkheden binnen alle actualisatieplannen gelijk getrokken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVN17-VA01_0005.jpg"

Uitsneden uit de geldende plankaart Velp-Noord

Hoofdstuk 2 Gewenste situatie

2.1 Planbeschrijving

Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om binnen het bouwvlak een woning te bouwen bestaande uit maximaal 1 bouwlaag en een hoogte van maximaal 4 meter.

Zoals gebruikelijk is tevens een gebied aangewezen waarbinnen bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten. Qua systematiek wordt aangesloten op het bestemmingsplan Velp-Noord, zij het dat inmiddels landelijke digitale handreikingen zijn opgesteld met betrekking tot het opstellen van bestemmingsplannen (SVBP 2012). Hieraan dient voldaan te worden. Hierdoor wijkt het bestemmingsplan op onderdelen af van het vigerend bestemmingsplan.

2.2 Afweging

De bestaande bungalow op het perceel Van Tienhovenlaan 7 zal worden gesloopt ten behoeve van de bouw van een nieuwe woning. De stedenbouwkundige opzet voor dit deel van Velp-Noord wordt bepaald door een ruime opzet van de verkaveling en een rustige en luxueuze atmosfeer. De verschillende bouwmassa's zijn solitair gelegen en kennen een bescheiden hoogtemaatvoering. Aan- of bijgebouwen zijn geplaatst nabij de hoofdmassa's en ver teruggelegen ten opzichte van de openbare weg. De invloed van het Veluwebos is voelbaar en wordt versterkt door het groene decor van privé tuinen.

Het bestemmingsplan (Velp-Noord) gaat uit van de stedenbouwkundige context zoals beschreven. De royale en ruim van elkaar afgelegen bouwvlakken zijn voorzien van een beperkte maximale bouwhoogte. De zone bijgebouwen is veelal ver teruggelegen van de openbare ruimte en (ruim) achter de voorgevelrooilijn van de hoofdbebouwing gesitueerd. De bestaande bebouwing is het uitgangspunt voor de situering van de bouwvlakken op de percelen. Aan de Van Tienhovenstraat is voorts geen stedenbouwkundige waardevolle zone toegekend.

Het initiatief is op drie aspecten strijdig met het bestemmingsplan Velp-Noord: de situering van de hoofdbouwmassa, de hoogtemaatvoering van de hoofdbouwmassa en de toegestane bebouwingsoppervlakte op het perceel.

Situering

Het voorliggende plan gaat uit van een hoofdmassa dat niet geheel is gelegen binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak. Het bouwvlak is gebaseerd op de situering van het huidige hoofdgebouw op het perceel. Deze ligt enigszins gedraaid ten opzichte van de richting van de openbare weg. Voorgesteld wordt om de nieuwbouw de andere kant op te draaien ten behoeve van het uitzicht vanuit de woning en de mogelijkheid om te parkeren onder de woning.

Het oorspronkelijke stedenbouwkundige principe gaat uit van solitaire bouwmassa's gelegen binnen een bouwblok (gevormd door Beekhuizenseweg, Den Bruyl, Van Tienhovenlaan en Thijsselaan) met aangewezen voorste bouwgrenzen. Bij de actualisatie van het vorige bestemmingsplan (waarbinnen dit principe stond verbeeld) bepalen de feitelijke bouwmassa's de situering van de bouwvlakken.

De voorgestelde draaiing van de hoofdbouwmassa is gelegen binnen het oorspronkelijke bouwblok en blijft achter de denkbeeldige bebouwingsrooilijn. Vanuit deze optiek wordt gesteld dat de wijziging in situering van de hoofdbouwmassa op het perceel geen afbreuk doet aan de stedenbouwkundige structuur ter plaatse.

Hoogtemaatvoering

Op basis van het bestemmingsplan mag binnen het bouwvlak bebouwing worden opgericht in één bouwlaag tot een maximale nokhoogte van 4 meter. De huidige bungalow op het perceel voldoet hieraan. Binnen de zone bijgebouwen mag bebouwing worden opgericht tot 3,50 meter en maximaal 5 meter ten behoeve van een kapconstructie. Onderhavig terrein is geaccidenteerd. Bij de toets naar de bouwhoogte wordt uitgegaan van het gemiddelde maaiveld. Geconstateerd is dat de nokhoogte van het geprojecteerde hoofdgebouw 4,50 meter bedraagt. De maximale hoogtemaatvoering binnen het bouwvlak is afgestemd op de hoogtemaatvoering van de bestaande bebouwing. De maximale bouwhoogte in de Van Tienhovenlaan varieert van 4 tot 7 meter. Eén bouwlaag is overal het uitgangspunt.

Ten aanzien van onderhavig geval wordt bepaald dat wederom een bungalow op het perceel verrijst. De aanbouw in de zone bijgebouwen is ondergeschikt (in bouwhoogte) aan de hoofdbouwmassa. Het wordt stedenbouwkundig acceptabel geacht af te wijken van de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale bouwhoogte van 4 meter binnen het bouwvlak. De bouwmassa's waarvoor een maximale hoogte van 4 meter staat voorgeschreven zijn gesitueerd op de percelen aan de noordzijde van de Van Tienhovenlaan. In de zuidelijke helft worden hogere nokhoogten toegestaan. Dit als gevolg van het afwaartse verloop van de Van Tienhovenlaan in zuidelijke richting.

Bebouwingsoppervlakte

De bebouwingsoppervlakte op het perceel wordt op basis van het bestemmingsplan gebaseerd op het bouwvlak en de zone bijgebouwen. De bouwvlak mag volledig worden bebouwd en de zone bijgebouwen voor 40% met een maximum van 75m². In onderhavig geval betekent dit dat binnen het bouwvlak ca. 157m² mag worden opgericht (9,50 m * 16,50 m) en de zone bijgebouwen maximaal 75m². Het totale bebouwingsoppervlak dat op het perceel van toepassing is, is dus 157m² + 75m² = 232m². Het schetsplan overschrijdt deze oppervlaktemaat. Blijkens het schetsplan wordt ca. 242m² bebouwing opgericht. Het voorliggende schetsplan overschrijdt het huidige bebouwingsoppervlak met 10m². Gezien de royale stedenbouwkundige opzet van de bebouwing in deze omgeving, de oppervlaktemaat van het perceel en het feit dat deze overschrijding geen substantiële afbreuk doet aan de stedenbouwkundige structuur en het straatbeeld ter plaatse kan worden ingestemd met deze geringe oppervlakte overschrijding.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat de gewijzigde situering op het perceel alsmede de geringe verruiming van het bebouwingsoppervlak (zoals beoogd in onderhavig plan) geen afbreuk doet aan de stedenbouwkundige structuur en het straatbeeld en derhalve op stedenbouwkundige goedkeuring kan rekenen.

Niet is - uit onderzoek - gebleken dat belemmeringen aanwezig zijn. Hieronder wordt een en ander toegelicht. Geconcludeerd kan worden dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen argumenten voorhanden zijn die het leggen van de gewenste bestemming belemmeren. Het gemeentebestuur wil derhalve meewerken aan het hiervoor beschreven gewenste situatie. Daarvoor is onderhavig plan in procedure gebracht.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

In dit hoofdstuk komt vooral het ruimtelijke beleid aan de orde. Bij de beoordeling van de haalbaarheid in Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op specifiek beleid.

3.1 Rijk

Het ruimtelijke beleid is op rijksniveau verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 in werking is getreden. In de SVIR zijn diverse beleidsnota's geactualiseerd en geïntegreerd, waaronder de nota Ruimte uit 2006 en de nota Mobiliteit. In de SVIR schetst het rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is vastgelegd welke nationale belangen moeten worden betrokken bij het vaststellen van een bestemmingsplan.

Onderhavig bestemmingsplan bevat geen aspect dat in het Barro is vastgelegd. Evenmin raakt het rijksbeleid.

3.2 Provincie en stadsregio

Na de invoering van de Wet ruimtelijke ordening heeft het streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen. De provinciale visie op ruimtelijk gebied is vastgelegd in deze algemene structuurvisie. De structuurvisie is erop gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten in Gelderland worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan. Het provinciale beleid richt zich op het groenblauwe raamwerk (natuur en water) en het rode raamwerk (stedelijke functies en infrastructuur). Het overige provinciale grondgebied wordt het multifunctionele gebied genoemd en is het domein van de gemeenten die daartoe in regionaal verband samenwerken.


De beschermingskaart en de beleidskaart ruimtelijke ontwikkeling behorende bij het streekplan zoomen niet in op Velp. Velp is aangegeven als liggende in het rode raamwerk en behorende tot het (inter)nationale stedelijke netwerk Knooppunt Arnhem Nijmegen (KAN) en het bebouwd gebied 2000. Het verder ontwikkelen van het bestaand stedelijk gebied tot een aantrekkelijke regio voor huishoudens, bedrijven en bezoekers staat hier voorop. Bij stedelijke transformatie gaat het daarbij om beter, efficiënter en hoogwaardiger benutten van het stedelijke gebied.


In de Ruimtelijke Verordening Gelderland (RVG), laatstelijk gewijzigd op 27 juni 2012 welke wijziging op 5 juli 2012 in werking is getreden, zijn punten van provinciaal ruimtelijk beleid juridisch vastgelegd. Op onderhavig plangebied is deze locatie niet van toepassing.


De provinciale Woonvisie is de leidraad voor een voldoende aanbod van kwalitatief passende woningen en woonmilieus voor de Gelderse bevolking. Het woningaanbod moet aansluiten op de voorkeuren van bewoners. Het plan is niet strijdig met dit beleid. De provinciale Milieuverordening geeft geen aanleiding voor opmerkingen ten aanzien van deze locatie. Onderhavig plan is niet strijdig met het provinciale beleid.


Stadsregio Arnhem Nijmegen
Binnen de provinciale kaders zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt. Ook in het regionale structuurplan van het voormalige Knooppunt Arnhem Nijmegen wordt niet verder ingezoomd op het dorp.

3.3 Gemeente

Het in 2006 vastgestelde gemeentelijke structuurplan Een droom om in te wonen zoomt niet in op de voorgestane ontwikkeling.


In de Woonvisie, vastgesteld door de raad op 26 mei 2009, is de lijn voor de jaren 2009 t/m 2013 dat expliciet aandacht uitgaat naar het verbeteren van de kwaliteit bestaande woningvoorraad. Omschreven is dat de gemeente Rheden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. In vergelijking met de voorgaande periode ligt de focus meer op kwaliteit en in het bijzonder op een kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad. Speerpunten zijn: werk maken van herstructurering, woningaanpassingen ten behoeve van senioren, investeren in duurzaamheid en particuliere woningverbetering. Daarnaast blijft nieuwbouw een belangrijk item.

Met het voorliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke Woonvisie.

In juni 2011 heeft de gemeenteraad een aantal uitgangspunten voor nieuwe woningbouw initiatieven vastgesteld. Op basis daarvan is de gemeente terughoudend bij het verlenen van medewerking aan nieuwe (particuliere) initiatieven waarbij per saldo meer dan 5 woningen aan de voorraad worden toegevoegd. In onderhavig plangebied worden geen woningen toegevoegd.

Hoofdstuk 4 Haalbaarheidsonderzoeken

Wanneer een bestemmingsplan wordt vervaardigd, dient dit plan binnen de planperiode uitvoerbaar te zijn. De uitvoerbaarheid wordt mede onderzocht door het te toetsen aan regelgeving, beleid van de gemeente en van andere overheden en uitkomsten van onderzoeken.

4.1 Geluid

De Wet geluidhinder is voor het onderdeel weg- en railverkeerslawaai van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn geprojecteerd binnen zones van (al dan niet) in het plangebied gelegen wegen. Wegen die deel uitmaken van een woonerf en van een 30-kilometer zone zijn daarvan uitgezonderd.


De locatie waarop onderhavig bestemmingsplan betrekking heeft, is gelegen aan de Van Tienhovenlaan en is te kenmerken als een 30 km-zone. Gezien de aard van de ontwikkeling is onderzoek wettelijk niet verplichte onderzoek evenmin nodig uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

4.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.


Voor dit bestemmingsplan is een bodemonderzoek uitgevoerd (Kobessen milieu, Verkenend bodemonderzoek Van Tienhovenlaan 7 Velp, d.d. 23 september 2013, zie Bijlage 3 Bodemonderzoek).

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie als onverdacht kan worden beschouwd ten aanzien van de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 onderzoeksstrategie voor een onverdachte locatie. Het grondwaterspiegel bevindt zich ter plaatse dieper dan 5 m m-mv, waardoor het plaatsen van peilbuizen ten behoeve van het onderzoek van de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater achterwege kan blijven.

Uit het vooronderzoek is gebleken dat er op de onderzoekslocatie een ondergrondse HBO-tank is gelegen. Deze ondergrondse tank is in 1982 leeggehaald, waarna de tank in 1999 is gesaneerd (afgevuld met zand) door een KIWA-gecertificeerde aannemer. Voor de ondergrondse tank is een KIWA-certificaat afgegeven. Naar verwachting zal de ondergrondse tank bij het slopen van het bestaande woonhuis worden verwijderd.

Uit de resultaten van het bodemonderzoek (veld- en laboratoriumwerkzaamheden) blijkt dat de hypothese 'onverdachte locatie' bevestigd is. In het bovengrond(meng)monster is de parameter lood zeer licht verhoogd aangetroffen, terwijl de overige geanalyseerde parameters niet verhoogd zijn aangetroffen. In het ondergrond(meng)monster is geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetroffen.

De vastgestelde milieuhygynische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen nieuwbouw van een woongebouw op de onderzoekslocatie. De resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek.

4.3 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om te kijken naar de omliggende functies in relatie tot de nieuwe functie.
De VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 wordt als hulpmiddel gebruikt om te beoordelen of een voldoende scheiding aanwezig is tussen milieubelastende bedrijven enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen bedrijven en woningen. In deze uitgave worden per bedrijfstype richtafstanden gegeven. De lijst geeft richtafstanden voor de aspecten geur, stof, lawaai en gevaar.

Daarbij wordt uitgegaan van gemiddeld moderne bedrijven.

Aldus wordt een ruimtelijke scheiding bereikt tussen hinderveroorzakende functies en hindergevoelige functies.


In onderhavige situatie betekent milieuzonering het volgende. In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig. Aldus kan geconcludeerd worden dat de toegelaten woning niet is gelegen binnen een milieucontour van een inrichting.

4.4 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. De Wm heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van onderstaande gevallen (artikel 5.16 Wm):

  • het bestemmingsplan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit verbetert per saldo als gevolg van het bestemmingsplan blijft ten minste gelijk;
  • het bestemmingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen;
  • de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

In het Besluit niet in betekende mate bijdragen, laatstelijk gewijzigd op 7 juni 2012, is dit verder uitgewerkt. Bij ministeriële regeling, de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM), zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen. Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig te toetsen aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen geen luchtkwaliteitsonderzoek meer nodig zijn. Dit bestemmingsplan voorziet in de realisering van één woning, verder onderzoek naar het effect van dit plan op de luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

4.5 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het onder meer om de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en objecten wordt voldaan aan de normen. Artikel 1 van het Besluit externe veiligheid bepaalt hierbij dat woningen, scholen, gezondheidscentra en dagverblijven kwetsbare objecten zijn. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen/voorzieningen zoals kantoren, winkels en parkeerterreinen.


Naar het aspect externe veiligheid is geen onderzoek verricht. Dit vanwege het feit dat het plangebied buiten de invloedsgebieden van gevaarlijke inrichtingen of aandachtsgebieden voor transportroutes ligt.

4.6 Verkeer

De toename van het aantal verkeersbewegingen door de komst van een woning is beperkt en de Van Tienhovenlaan heeft meer dan voldoende capaciteit om dit aan te kunnen. Het terrein kan direct op deze straat worden ontsloten. Uitgangspunt is dat op het bijbehorende terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Van dit uitgangspunt kan onder voorwaarden worden afgeweken. Dit aspect wordt getoetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan de normen die de Bouwverordening bevat. Vooralsnog bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat het parkeren niet kan worden opgelost.

4.7 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en waterlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van het schone hemelwater (regen) wat op verhardingen valt zoals bijvoorbeeld de daken.

In het gebied Velp-Noord is sprake van een wisselende bodemgesteldheid en een naar het zuiden toe hoger wordende grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld.

In de omgeving van de Van Tienhovenlaan zijn de grondwaterstanden relatief laag maar de bodem bevat op plaatselijk minder goed doorlatende zeer fijne zanden. Infiltreren is mogelijk in de aanwezige wel goed doorlatende zandlagen.

In de Wet ruimtelijke ordening is afstemming tussen ruimtelijke ontwikkelingen en water voor ruimtelijke plannen vastgelegd.

In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke waterthema's voor het bestemmingsplan relevant zijn. Na de tabel volgt een toelichting op de relevante aspecten.

waterhuishoudkundig aspect   relevant   omschrijving  
1   veiligheid   nee   in het plangebied liggen geen gronden die behoren tot het zomer- en/of winterbed van de IJssel.  
2   wateroverlast   nee   er is geen toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m²;
in het plangebied bevinden zich geen natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en/of overstromingsvlaktes  
3   riolering   ja   voorkomen dient te worden dat schoon regenwater wordt afgevoerd via het riool (vasthouden-bergen-afvoeren)  
4   watervoorziening   nee   het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor drinkwaterwinning;
het plangebied ligt niet in een regionaal waterbergingsgebied  
5   volksgezondheid   nee   binnen het plangebied is geen oppervlakte- water aanwezig;
in het plangebied bevinden zich geen gemengde riooloverstorten  
6   bodemdaling   nee   in het plangebied gaat het hoofdzakelijk om zandige ondergrond;
eventuele zettingen zijn niet relevant  
7   grondwateroverlast   nee   in het plangebied is geen sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond  
8   oppervlaktewaterkwaliteit   nee   in de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig  
9   grondwaterkwaliteit   nee   binnen het plangebied ligt geen grondwater- beschermingsgebied voor een drinkwater- voorziening of infiltratiegebied voor (kwel- afhankelijke) natuurgebied  
10   verdroging   nee   het plangebied bevat geen hydrologische beïnvloedingszones rond natuurgebieden of ecologische wateren (HEN of SEN);
in de omgeving is geen gebied aangemerkt als (gering) verdroogd  
11   natte natuur   nee   het plangebied bevat geen hydrologische beïnvloedingszones rond natuurgebieden of ecologische wateren (HEN of SEN);
het plangebied grenst niet aan een gebied met kwelafhankelijke land- en waternatuur  
12   inrichting en beheer   nee   binnen het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren van waterschap Rijn en IJssel  

- ad 3 riolering

In het plangebied is overwegend een gemengd rioolstelsel aanwezig. Het afvalwater wordt ingezameld en afgevoerd via deze riolering. Voor afvoer van afvalwater naar de openbare riolering is thans nog de gemeentelijke aansluitverordening van toepassing.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet met hemelwater worden omgegaan overeenkomstig de provinciale beslisboom hemelwater (waarbij de volgorde vasthouden, bergen, afvoeren wordt gehanteerd). Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater dient van elkaar gescheiden te blijven. Het is niet toegestaan grondwater af te voeren via het (gemengde) riool. Het is in de Wet milieubeheer en het Gemeentelijk Riolerings Plan aangegeven dat hemelwater op eigen terrein verwerkt moet worden indien dat mogelijk is.

Bij het verkennend bodemonderzoek dat in paragraaf 4.2 reeds is aangehaald zijn boorprofielen bepaald waaruit blijkt dat de bodem tot 2 meter beneden maaiveld uit zand bestaat. Daaruit kan geconcludeerd worden dat de doorlatendheidscoëfficiënt voldoende is voor hemelwaterinfiltratie.

Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.8 Cultuurhistorie

De locatie waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, ligt niet in een beschermd dorpsgezicht. Het perceel is evenmin aangewezen als beschermd monument.

Op een luchtfoto uit 1944 is te zien dat dit deel van Velp agrarisch in gebruik is, op een enkel perceel staat bebouwing. De woonbebouwing aan de Van Tienhovenlaan is in de jaren '50 en '60 opgericht. Het vervangen van een woning op een perceel waar nu een woning staat, heeft geen gevolgen voor de ruimtelijke structuur van deze buurt en evenmin voor de typologie. De straat kan worden gekenschetst als opgebouwd uit een vrijstaande woningen veelal in een laag.

Ook ondergronds kunnen waarden aanwezig zijn. Gezien de verwachtingswaarde is onderzoek naar archeologische relicten gevraagd (zie paragraaf 4.9).

Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering is voor uitvoer van dit bestemmingsplan.

4.9 Archeologie

Bureauonderzoek

Voor de locatie Van Tienhovenlaan 7 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd

(Bijlage 1 Archeologisch onderzoek - bureauonderzoek). Samengevat zijn de verwachtingen als volgt. Het plangebied valt in een breed en relatief vlak naar het zuiden toe uitwaaierend erosiedal. Voor deze gebieden geldt een hoge tot middelmatige archeologische verwachting vanwege de gunstige bodemkundige eigenschappen voor (prehistorische) landbouw. Archeologische resten zijn hier bovendien waarschijnlijk afgedekt door een meer dan 50 cm dikke conserverende laag in de vorm van een esdek en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd. In de nabijheid van het plangebied zijn in 1935 zijn aan het Gasthuisveld ten westen van Klein Beekhuizen, potten en scherven van handgevormd aardewerk aangetroffen. Omdat veel materiaal intact was, wordt hier een grafveld vermoed uit de periode late bronstijd-Romeinse tijd (catalogusnummer 69). In 2004 is tijdens verkennend archeologisch booronderzoek één fragment handgevormd aardewerk opgeboord uit de periode bronstijd-Romeinse tijd. Het stuk aardewerk bevond zich in een oude akkerlaag die is aangetroffen tussen 70 en 120 cm beneden maaiveld (catalogusnummer 136). De diepte van de aangetroffen scherf (meer dan 70 cm beneden maaiveld) duid op een goede conservering van de archeologische resten. De aanwezigheid van de oude akkerlaag geeft bovendien aan dat de bodem geschikt was voor landbouw. De datering van de akkerlaag is echter onzeker. Omdat het plangebied in de nabijheid ligt van beide vindplaatsen, is bij een intact bodemprofiel de verwachting op resten uit de periode bronstijd-Romeinse tijd en vroege- en volle middeleeuwen onverminderd hoog. Het voorkomen van oudere of jongere resten is echter zeker niet uitgesloten. De archeologische resten uit prehistorie en Romeinse tijd worden voornamelijk verwacht in de overgang van het esdek / bouwvoor naar de onderliggende C-horizont. Het is goed mogelijk dat

sporen zijn afgedekt door zandige löss, dekzand, hellingafzettingen of stuifzand waardoor het voorkomen van meerdere sporen- en vondstniveaus mogelijk is.

In 1953 stuitte men bij het maken van een rioolsleuf in de Beekhuizenseweg en de Beukenweg op een oud, vermoedelijk laat-middeleeuws, twee meter breed wegdek van veldkeien (catalogusnummer 69). Dit wegdek, dat op een laag plaggen rust, bevindt zich op een diepte van bijna één meter onder het huidige wegdek. De aanwezigheid van deze weg geeft aan dat het omliggende gebied tot op zekere

hoogte reeds in gebruik was genomen (jacht, akkerbouw, heideland). Maar omdat er geen aanwijzingen zijn dat het plangebied vanaf eind 18e eeuw tot de bouw van het huidige huis in 1957 een ander gebruik heeft gekend dan bos, braakliggend land, heide of akkerland wordt het onwaarschijnlijk geacht dat dit in de periode daarvoor anders is geweest. De verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode vanaf de late middeleeuwen is dan ook laag. Uitgezonderd de verwachting op het aantreffen van resten die te maken hebben met de Duitse stelling uit 1945; die blijft hoog. Het ingraven van de olietank zal zeer waarschijnlijk het mogelijk aanwezige bodemarchief ter plaatse van de huidige toegangsweg hebben verstoord. Ook de bouw van de villa in 1957 heeft voor een bepaalde mate van bodemverstoring gezorgd. In dit verband wordt gemeld dat onder de vloer van de huiskamer graafwerkzaamheden hebben plaatsgevonden tot 65 cm beneden peil. De plaatsen waar het huis is gefundeerd zullen eveneens verstoord zijn. Voor andere delen binnen het plangebied zijn echter geen duidelijke aanwijzingen voor grondverstoring. Bovendien kunnen archeologische sporen en vondsten nog onder deze eventueel aanwezige recente verstoringen aanwezig zijn.

Om de mogelijk aanwezige verstoringen in kaart te brengen en tegelijkertijd een eventueel aanwezige vindplaats op te sporen, dient voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden een karterend booronderzoek uitgevoerd te worden. Omdat er een hoge verwachting is op resten uit de Tweede Wereldoorlog dient tegelijkertijd met het booronderzoek een metaaldetectoronderzoek te worden uitgevoerd. Verwacht wordt dat resten uit deze periode met name aanwezig zijn in de bovenste bodemlagen en bestaan uit metalen. De locatie van de ondergrondse olietank dient bij het onderzoek vermeden te worden. Het archeologisch booronderzoek en detectoronderzoek dient te worden uitgevoerd door een daartoe gecertificeerd archeologiebedrijf. Hiervoor dient een Plan van Aanpak met boorpuntenkaart te worden opgesteld. Dit PvA dient voorafgaand aan het archeologisch onderzoek door de regioarcheoloog te zijn goedgekeurd.

Karterend booronderzoek

Hamaland Advies heeft een Karterend booronderzoek en een detectieonderzoek uitgevoerd voor de vervangende nieuwbouw van een woning aan de Van Tienhovenlaan 7 te Velp (zie Bijlage 2 Archeologisch onderzoek - karterend booronderzoek archeologie en detectoronderzoek).

In het plangebied zijn de op basis van het bureauonderzoek verwachte moderpodzolgronden en holtpodzolgronden op grindrijke gestuwde afzettingen niet aangetroffen. Wel is sprake van een dekzandpakket waarop in de volle middeleeuwen en de nieuwe tijd een oud plaggendek is gevormd. Dit gemiddeld circa 50 cm dikke plaggendek is ontstaan als gevolg van jarenlange bemesting met potstalmest. Er is sprake van een hoge bruine enkeerdgrond. Deze eerdlaag wordt afgedekt door een subrecent geroerde menglaag van geelbruin zand. Waarschijnlijk is deze laag opgebracht t.b.v. de tuininrichting na de bouw van de bestaande bungalow. De menglaag wordt afgedekt door teeltaarde en een graszode of betonklinkers

(ter plaatse van het terras). De veronderstelde aanwezigheid van een FLAK-stelling uit de Tweede Wereldoorlog kon niet worden bevestigd met behulp van het

metaaldetectieonderzoek. Daarmee kan de hoge verwachting voor vindplaatsen uit WOII bijgesteld worden naar laag. Wel is in het plaggendek een scherf handgevormd

ijzertijdaardewerk aangetroffen. Deze indicator is waarschijnlijk door eerdere

grondbewerking (ploegen of spitten) vanuit de top van het dekzandpakket in de eerdlaag terecht gekomen. Op basis van deze indicator wordt verondersteld dat in of nabij het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats (nederzetting, erf) uit de ijzertijd. De hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen van landbouwende samenlevingen vanaf de bronstijd kan hiermee gehandhaafd worden. De exacte omvang en aard van de vindplaats zijn (nog) niet bekend. Op grond van het vervolgonderzoek door middel van een Archeologische Begeleiding conform KNA protocol Opgraven dient vastgesteld te worden wat de precieze omvang, kwaliteit en horizontale en verticale begrenzing is van de vindplaats.

4.10 Ecologie

Voor het onderhavige bestemmingsplan is een quick scan flora en fauna uitgevoerd (zie Bijlage 4 Flora- en faunatoets). In het kader van de Flora- en faunawet is het van belang te onderzoeken welke wettelijk beschermde planten en dieren in het plangebied voorkomen en of mogelijk verbodsbepalingen worden overtreden. Het uitgevoerde onderzoek geeft eerst een algemene beschrijving van de locatie en spitst zich vervolgens toe op het voorkomen van beschermde en bedreigde planten en dieren in en rond het plangebied. Vervolgens zijn de effecten van de voorgenomen maatregelen beschreven en is het plan getoetst aan de Flora- en faunawet. Het rapport wordt afgesloten met aanbevelingen voor de uitvoering, gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van schade.

De van Tienhovenlaan bevindt zich op enkele honderden meters afstand van het Natura 2000 gebied Veluwe. De aard van de ingreep, het slopen en de nieuw-bouw van een woning, is niet zodanig dat effecten op de beschermde waarden van het Natura 2000 gebied verwacht kunnen worden. Het is door deze afstand niet nodig de maatregelen te toetsen aan de Natuurbeschermingswet, effecten op beschermde natuurgebieden zijn op voorhand uit te sluiten.

De sloop van woning en nieuwbouw heeft ongetwijfeld invloed op de aanwezige flora en fauna. De flora van het terrein is van geringe betekenis. Het voorkomen van beschermde planten kan worden uitgesloten. De tuin bevat diverse schuilplaatsen voor kleine zoogdieren. Omdat deze soorten licht beschermd zijn geldt een vrijstelling bij ruimtelijke ingrepen. Wel geldt er de algemene zorgplicht voor deze soorten.

In voorjaar en zomer zullen broedvogels aanwezig zijn in de tuin en rond de woning.

Alle vogels zijn streng beschermd. Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd moet worden voorkomen dat nesten van vogels verstoord worden. Vaste verblijfplaatsen van vleermuizen worden niet verwacht. Er zijn geen effecten op deze soorten te verwachten.

Voor alle soorten binnen het plangebied geldt de algemene zorgplicht (artikel 2 Flora- en faunawet). Dit houdt in dat bij verstoring van dieren tijdens de werkzaamheden deze de gelegenheid dienen te krijgen om te vluchten naar een nieuwe leefomgeving.

Om tijdens de uitvoering schade aan beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken dient met onderstaande richtlijnen rekening te worden gehouden.

  • Tijdens de werkzaamheden alert zijn op het voorkomen van beschermde planten en dieren en zo nodig gepaste maatregelen nemen. In het voorjaar kunnen bijvoorbeeld overwinterende amfibieën worden aangetroffen onder opgeslagen materialen, achter betimmering e.d . indien deze worden aangetroffen kunnen ze worden verplaatst naar een veiliger plaats.
  • Geen werkzaamheden uitvoeren waarbij kans staat op het verstoren of beschadigen van nesten. Indien er toch werkzaamheden in deze periode plaats vinden moeten de locaties vooraf worden gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten. Zijn er nesten aanwezig, dan moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot na het broeden. Het verdient aanbeveling om voorafgaand aan het broedseizoen alle heesters, bomen en struiken te verwijderen die voor de sloop en de nieuwbouw moeten wijken. Te denken valt hierbij aan de heesters die tegen aan gevel groeien en beplanting op de plaats waar uitbreiding van de woning plaats vindt.

Indien aan deze richtlijnen wordt voldaan kunnen de werkzaamheden zonder grote schade en zonder overtredingen van de flora/ en faunawet uitgevoerd worden.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering is voor uitvoer van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Algemeen

Een bestemmingsplan is een juridisch instrument en bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en regels leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden vast van de grond en de opstallen. Het plan is voor iedereen juridisch bindend: burger, bedrijf of overheid.

In de digitale omgeving zijn de bestemming en daarbij geldende regels reeds gekoppeld. In de analoge versie kan op de verbeelding de locatie worden opgezocht waarover informatie wordt gewenst. Op basis van de gevonden bestemming kan in de regels worden nagelezen welke mogelijkheden zijn vastgelegd.

De digitale versie is bindend bij een verschil met de papieren versie.


De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt en bevat de resultaten van het overleg met gemeenten, waterschappen en diensten van de provincie en rijk wiens belangen in het plan in geding zijn.


Per 1 januari 2010 geldt de verplichting dat bestemmingsplannen volgens een landelijke digitale opzet worden opgesteld. De Wro geeft voorts een aantal verplichtingen, die bij de totstandkoming van een bestemmingsplan gevolgd moeten worden. Daarmee wijkt onderhavig bestemmingsplan in de (benaming) van bestemmingen, gebruikte symbolen en de (opbouw) van regels af van de systematiek zoals die is gehanteerd voor de actualisatie van de bestemmingsplannen en daarmee van het bestemmingsplan Velp-Noord. De strekking van hetgeen in het thans voorliggende digitale plan wordt geregeld, sluit wel aan bij de werkwijze die voorheen werd gehanteerd.

5.2 Procedure bestemmingsplan

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit, moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, evenals belanghebbenden die niet kunnen worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen de wijzigingen die bij de vaststelling in het bestemmingsplan zijn aangebracht, kan iedere belanghebbende beroep instellen. De herziening treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld. Is wel beroep ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroepschrift.

5.3 Dit bestemmingsplan

De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Ze moeten in samenhang worden bezien en toegepast.

De wijze waarop een bestemmingsplan vorm krijgt, is vastgelegd in landelijke standaarden.

Verbeelding

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak.
In onderhavig bestemmingsplan wordt de bestemming Wonen gelegd. Binnen het bouwvlak kan een hoofdgebouw worden gebouwd. De maatvoering is afgestemd op de bebouwing in de naaste omgeving. Voorts is een gebied aangeduid waarbinnen bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten.

Regels

De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken.

1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2);


2 Bestemmingsregels

In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) ontheffingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik.

In onderhavig plan wordt alleen de bestemming Wonen gelegd. Daarbij is de maatvoering afgestemd op de naaste omgeving.


Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld.


Tevens is het toegelaten dat een bewoner aan huis een bedrijf of beroep uitoefent. Ook hiervoor gelden voorwaarden. In een Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis -opgenomen als bijlage bij de regels van dit plan - is na te lezen welke bedrijven dit zijn.


Opgemerkt wordt dat ten aanzien van de vereiste parkeergelegenheid op het bijbehorende terrein, derhalve ook bij de uitoefening van een bedrijf of beroep aan huis, in de bouwverordening voorwaarden zijn gesteld. In een bijlage bij de bouwverordening zijn onder andere bruikbaarheidsvereisten en de normen per functie vastgelegd. Wat voldoende is, wordt op basis van de bouwverordening bepaald bij de beoordeling van een bouwaanvraag.


3 Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Denk aan de anti-dubbeltelregel en ontheffingen. In dit hoofdstuk worden ook regels gegeven over het bouwen van nutsvoorzieningen en het ondergronds bouwen.


4 Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

5.4 Vergelijking met geldende bestemmingsplan

Ter plaatse van het bouwvlak voor de nieuw toegelaten woning, met een bouwhoogte van 4,5 meter, zijn bijgebouwen toegelaten. Volgens de algemene actualisatie uitgangspunten zijn bijgebouwen tot maximaal 3,5 m hoog toegelaten, dan wel tot een bouwhoogte van maximaal 5 meter als voorzien wordt in een kap. Zij mogen een oppervlakte hebben van 75 m², met dien verstande dat de zone bijgebouwen voor ten hoogste 40% mag worden bebouwd. Deze zone grenst aan de omliggende percelen.

In onderhavig bestemmingsplan wordt een vergelijkbare regeling voor bijgebouwen (thans bijbehorende bouwwerken genaamd) opgenomen.

5.5 Reikwijdte bestemmingsplan

Om te beoordelen of een ontwikkeling kan worden gerealiseerd, is het soms niet voldoende om alleen af te gaan op de inhoud van het bestemmingsplan. Ook indien het bestemmingsplan een ontwikkeling toestaat, kan het voorkomen dat andere regelgeving of dat gesloten verdragen de daadwerkelijke uitvoering verhinderen of pas na bijvoorbeeld vergunningverlening of onderzoek mogelijk maken.


De kaders die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van nieuwe bouwmogelijkheden, bieden geen garantie voor de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen. Bouwplannen zullen naast de toets aan onderhavig bestemmingsplan tevens worden getoetst aan, en dienen te voldoen aan, zowel het landelijke Bouwbesluit als de door de gemeenteraad vastgestelde bouwverordening. Waarbij de onafhankelijke welstandscommissie adviseert of het bouwplan op basis van de Welstandsnota zoals die op 26 februari 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 4 april 2013 in werking is getreden, voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Het perceel is geen eigendom van de gemeente en de particuliere eigenaar draagt de kosten van het bouwplan alsmede de kosten van uitwegen en het aansluiten op nutsvoorzieningen. Aldus is de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inspraak en vooroverleg

De gemeente kent een op grond van de Gemeentewet een inspraakverordening. Deze verordening verplicht niet tot het geven van inspraak bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Gezien de beperkte omvang en inzichtelijkheid van de ontwikkeling bestaat ook geen aanleiding om onverplicht inspraak te geven.

Het provinciale beleid omtrent de toepassing van de instrumenten die de provincie heeft ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft aan dat plannen van lokaal belang niet voor overleg behoeven te worden aangeboden. Ook gezien de aard van het bestemmingsplan bestaat hiertoe geen aanleiding.

7.2 Zienswijzen

De Wro voorziet erin dat, voordat de formele procedure wordt gestart met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, wordt kennis gegeven van het voornemen om een bestemmingsplan te vervaardigen. Deze vooraankondiging is op 21 augustus 2013 geplaatst in de Regiobode, een huis-aan-huis blad. En daarnaast geplaatst op de gemeentelijke website www.rheden.nl.

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met het ontwerpbesluit is op 4 juni 2014 bekend gemaakt in de Regiobode, de Staatscourant en op de gemeentelijke website. Gedurende de termijn van terinzagelegging van 5 juni 2014 tot en met 16 juli 2014 heeft een ieder de mogelijkheid gehad zienswijzen omtrent het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen bij de gemeenteraad.

In deze periode was het bestemmingsplan met het ontwerpbesluit via www.ruimtelijkeplannen.nl digitaal te raadplegen. De analoge versie lag ter inzage in het gemeentehuis en in het gemeentelijk informatiecentrum te Velp.


De beantwoording van de ingebrachte zienswijzen zal plaatsvinden via een bijlage bij het raadsbesluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.