direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Velp-Zuid, locatie Willemstraat 22
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

In een bestemmingsplan worden de gebruiks- en bouwmogelijkheden van gronden en opstallen vastgelegd. Een bestemmingsplan bestaat uit een digitale verbeelding (de kaart) en regels. Uit het samenstel van de verbeelding en de regels blijkt wat het bestemmingsplan juridisch toelaat.

Door het perceel op te zoeken waarover informatie wordt gewenst, kan worden afgelezen welke bestemming het heeft en wat de mogelijkheden zijn.
Het digitale plan is bij een verschil ten opzichte van de papieren versie leidend.

Een bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft geen juridische status.

1.2 Aanleiding bestemmingsplan

Bij het opstellen van het actualisatieplan voor Velp-Zuid in 2006 is bij vergissing de bouwmogelijkheid zoals die in het bestemmingsplan Grintakkers1985 was opgenomen, niet overgenomen. Dit wordt bij onderhavig plan hersteld.

1.3 Ligging plangebied

Het plan heeft betrekking op realiseren van een nieuw bouwvlak ten behoeve van een woning op het bestaande perceel Willemstraat 22 te Velp. Dit deel van het dorp is te kenmerken als een woongebied.

In de directe omgeving staan woningen, voornamelijk uit de jaren '20 en '30 bestaande uit 1 bouwlaag met een kap. Deze woningbouw wordt afgewisseld met woningen uit de jaren '60, '70 en '80 die bestaan uit meer bouwlagen.


De ligging van de locatie in het dorp Velp is op de volgende kaart met een groene cirkel aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0001.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0002.png"

luchtfoto Willemstraat, 2011

Het plangebied wordt begrensd door de achtertuinen van Willemstraat 28, Hugo de Grootstraat 31, Anthony Heinsiusstraat 9 en 7 en het perceel Willemstraat 20. Het bestemmingsplan heeft betrekking op het kadastrale perceel gemeente Velp, sectie G nummer 2217.

De locatie en de directe omgeving zijn op onderstaande uitsnede uit de GBKN met daarop de kadastrale grenzen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0003.jpg"

GBKN 2013

Hieronder is een foto van het aanzicht van het plangebied in juli 2012 afgedrukt

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0004.png"

1.4 Geldende bestemmingsplan

Voor onderhavig perceel geldt het bestemmingsplan Velp-Zuid dat op 26 juni 2007 is vastgesteld. Het perceel heeft hierin de bestemming Wonen, zij het dat ter plaatse geen bouwvlak is opgenomen. Er mogen bijgebouwen worden geplaatst binnen de middelste gele kleur. Aan de straatzijde mogen geen gebouwen worden geplaatst.

Bij raadsbesluit van 29 juni 2010 is bij de 1e algehele herziening van alle toen geactualiseerde bestemmingsplannen een nadere invulling gegeven van de regels.

Daarbij zijn begripsbepalingen en bouwmogelijkheden binnen alle actualisatieplannen gelijk getrokken.

Uitsneden uit de geldende plankaart Velp-Zuid zijn hieronder afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0005.png"

Ook aan de zuidzijde van de Willemstraat hebben de percelen in het geldende bestemmingsplan een woonbestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0006.png"

In het daarvoor geldende bestemmingsplan Grintakkers 1985 lag op onderhavig perceelsgedeelte, zie hieronder de uitsnede uit de plankaart, nog een bouwstrook.

afbeelding "i_NL.IMRO.0275.BPVZ10-ON01_0007.png"

uitsnede uit plankaart Grintakkers 1985

Binnen de bouwstrook was het toegelaten om binnen de bestemming Woondoeleinden woningen te bouwen met een goothoogte van 5 meter, een hoogte van 10 meter. Er mochten maximaal 3 woningen aaneen worden gebouwd, de minimale breedte van een woning bedroeg 4 meter. Voorts was een minimale en maximale dakhelling voorgeschreven.

Het overige deel van het perceel heeft de bestemming Erven waarbinnen bijgebouwen zijn toegelaten tot een hoogte van 3 meter, waarbij 1/3 deel van de bestemming mag worden bebouwd tot 40 m² met een vrijstellingsmogelijkheid tot maximaal 60 m². Er moet 2,5 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd. Alleen op de gronden aan de voorzijde rustte de bestemming Tuinen waarbinnen alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde, waren toegelaten.

Hoofdstuk 2 Gewenste situatie

2.1 Planbeschrijving

Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om binnen het bouwvlak een woning te bouwen bestaande uit maximaal 1 bouwlaag en een hoogte van maximaal 8 meter.

Zoals gebruikelijk is tevens een gebied aangewezen waarbinnen bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten. Qua systematiek wordt aangesloten op het bestemmingsplan Velp-Zuid, zij het dat inmiddels landelijke digitale handreikingen zijn opgesteld met betrekking tot het opstellen van bestemmingsplannen.

2.2 Afweging

De reden om medewerking te verlenen aan het realiseren van een extra bouwvlak ten behoeve van een woning, is met name gelegen in het feit dat na de actualisering van het destijds vigerende bestemmingsplan gebleken is dat in het bestemmingsplan Velp-Zuid deze bouwstrook niet correct is overgenomen in de systematiek van bouwvlakken. Daaraan lag geen besluitvorming aan ten grondslag zodat de bouwmogelijkheid abusievelijk is wegbestemd. Het oprichten van een woning wordt nog steeds planologisch aanvaardbaar gevonden. Met de opgenomen maatvoeringen wordt aangesloten bij de omliggende bebouwing.


Niet is - uit onderzoek - gebleken dat belemmeringen aanwezig zijn. Hieronder wordt een en ander toegelicht. Geconcludeerd kan worden dat uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen argumenten voorhanden zijn die het leggen van de gewenste bestemming belemmeren.

Het gemeentebestuur wil derhalve meewerken aan het hiervoor beschreven gewenste situatie. Daarvoor is onderhavig plan in procedure gebracht.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

In dit hoofdstuk komt vooral het ruimtelijke beleid aan de orde. Bij de beoordeling van de haalbaarheid in Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op specifiek beleid.

3.1 Rijk

Het ruimtelijke beleid is op rijksniveau verwoord in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 in werking is getreden. In de SVIR zijn diverse beleidsnota's geactualiseerd en geïntegreerd, waaronder de nota Ruimte uit 2006 en de nota Mobiliteit. In de SVIR schetst het rijk de ambities voor concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid tot 2040 (lange termijn) en doelen, belangen en opgaven tot 2028 (middellange termijn).

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is vastgelegd welke nationale belangen moeten worden betrokken bij het vaststellen van een bestemmingsplan.

Onderhavig bestemmingsplan bevat geen aspect dat het Barro is vastgelegd. Evenmin raakt het rijksbeleid.

3.2 Provincie en stadsregio

Na de invoering van de Wet ruimtelijke ordening heeft het streekplan Gelderland 2005 de status van structuurvisie gekregen.
De provinciale visie op ruimtelijk gebied is vastgelegd in deze algemene structuurvisie. De structuurvisie is erop gericht de verschillende functies in regionaal verband een zodanige plek te geven dat de ruimtelijke kwaliteiten in Gelderland worden versterkt en er zuinig en zorgvuldig met de ruimte wordt omgegaan.

Het provinciale beleid richt zich op het groenblauwe raamwerk (natuur en water) en het rode raamwerk (stedelijke functies en infrastructuur). Het overige provinciale grondgebied wordt het multifunctionele gebied genoemd en is het domein van de gemeenten die daartoe in regionaal verband samenwerken.


De beschermingskaart en de beleidskaart ruimtelijke ontwikkeling behorende bij het streekplan zoomen niet in op Velp.

Velp is aangegeven als liggende in het rode raamwerk en behorende tot

het (inter)nationale stedelijke netwerk Knooppunt Arnhem Nijmegen (KAN)

en het bebouwd gebied 2000. Het verder ontwikkelen van het bestaand stedelijk gebied tot een aantrekkelijke regio voor huishoudens, bedrijven en bezoekers staat hier voorop. Bij stedelijke transformatie gaat het daarbij om beter, efficiënter en hoogwaardiger benutten van het stedelijke gebied.


In de Ruimtelijke Verordening Gelderland (RVG), laatstelijk gewijzigd op 27 juni 2012 welke wijziging op 5 juli 2012 in werking is getreden, zijn punten van provinciaal ruimtelijk beleid juridisch vastgelegd. Op onderhavig plangebied is deze locatie niet van toepassing.


De provinciale Woonvisie is de leidraad voor een voldoende aanbod van kwalitatief passende woningen en woonmilieus voor de Gelderse bevolking. Het woningaanbod moet aansluiten op de voorkeuren van bewoners. Het plan is niet strijdig met dit beleid.

De provinciale Milieuverordening geeft geen aanleiding voor opmerkingen ten aanzien van deze locatie.

Onderhavig plan is niet strijdig met het provinciale beleid.


Stadsregio Arnhem Nijmegen
Binnen de provinciale kaders zijn op regionaal niveau afspraken gemaakt. Ook in het regionale structuurplan van het voormalige Knooppunt Arnhem Nijmegen wordt niet verder ingezoomd op het dorp.

3.3 Gemeente

Het in 2006 vastgestelde gemeentelijke structuurplan Een droom om in te wonen zoomt niet in op de voorgestane ontwikkeling.


In de Woonvisie, vastgesteld door de raad op 26 mei 2009, is de lijn voor de jaren 2009 t/m 2013 dat expliciet aandacht uitgaat naar het verbeteren van de kwaliteit bestaande woningvoorraad. Omschreven is dat de gemeente Rheden streeft naar een toekomstbestendige woningvoorraad. In vergelijking met de voorgaande periode ligt de focus meer op kwaliteit en in het bijzonder op een kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad. Speerpunten zijn: werk maken van herstructurering, woningaanpassingen ten behoeve van senioren, investeren in duurzaamheid en particuliere woningverbetering. Daarnaast blijft nieuwbouw een belangrijk item.

Met het voorliggend bestemmingsplan wordt invulling gegeven aan de gemeentelijke Woonvisie.

In juni 2011 heeft de gemeenteraad een aantal uitgangspunten voor nieuwe woningbouw initiatieven vastgesteld. Op basis daarvan is de gemeente terughoudend bij het verlenen van medewerking aan nieuwe (particuliere) initiatieven waarbij per saldo meer dan 5 woningen aan de voorraad worden toegevoegd. In onderhavig plangebied worden minder woningen toegevoegd.

Hoofdstuk 4 Haalbaarheidsonderzoeken

Wanneer een bestemmingsplan wordt vervaardigd, dient dit plan binnen de planperiode uitvoerbaar te zijn. De uitvoerbaarheid wordt mede onderzocht door het te toetsen aan regelgeving, beleid van de gemeente en van andere overheden en uitkomsten van onderzoeken.

4.1 Geluid

De Wet geluidhinder is voor het onderdeel weg- en railverkeerslawaai van toepassing op geluidgevoelige gebouwen die zijn geprojecteerd binnen zones van (al dan niet) in het plangebied gelegen wegen. Wegen die deel uitmaken van een woonerf en van een 30-kilometer zone zijn daarvan uitgezonderd.


De locatie waarop onderhavig bestemmingsplan betrekking heeft, is gelegen aan de Willemstraat en is te kenmerken als een 30 km-zone. Gezien de aard van de ontwikkeling is het wettelijk onverplichte onderzoek evenmin nodig uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.

4.2 Bodem

Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.


Voor dit bestemmingsplan is een bodemonderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek van MWH b.v., genaamd Verkennend bodem- en infiltratieonderzoek Willemstraat 22 te Velp, gedateerd 30 november 2012 en genummerd M12B0330, dat in de bijlage is opgenomen, geeft aan dat dit project op het gebied van de bodemkwaliteit door kan gaan.

4.3 Milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om te kijken naar de omliggende functies in relatie tot de nieuwe functie.
De VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 wordt als hulpmiddel gebruikt om te beoordelen of een voldoende scheiding aanwezig is tussen milieubelastende bedrijven enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen bedrijven en woningen. In deze uitgave worden per bedrijfstype richtafstanden gegeven. De lijst geeft richtafstanden voor de aspecten geur, stof, lawaai en gevaar.

Daarbij wordt uitgegaan van gemiddeld moderne bedrijven.

Aldus wordt een ruimtelijke scheiding bereikt tussen hinderveroorzakende functies en hindergevoelige functies.


In onderhavige situatie betekent milieuzonering het volgende. In de omgeving zijn geen bedrijven aanwezig. Aan de westzijde van de kruising met de Hugo de Grootstraat/Dr. W.Dreeshof is en winkel aanwezig. Aldus kan geconcludeerd worden dat de toegelaten woning niet is gelegen binnen een milieucontour van een inrichting.

4.4 Luchtkwaliteit

De eisen voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet kent grenswaarden en voor enkele stoffen ook plandrempels. De Wm heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging, onder andere als gevolg van het verkeer. Indien het uitoefenen van bevoegdheden, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van onderstaande gevallen (artikel 5.16 Wm):

  • het bestemmingsplan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden;
  • de luchtkwaliteit verbetert per saldo als gevolg van het bestemmingsplan blijft ten minste gelijk;
  • het bestemmingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen;
  • de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

In het Besluit niet in betekende mate bijdragen, laatstelijk gewijzigd op 7 juni 2012, is dit verder uitgewerkt.

Bij ministeriële regeling, de Regeling Niet in betekenende mate bijdragen (Regeling NIBM), zijn categorieën van gevallen aangewezen, waarin het vaststellen van een bestemmingsplan in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Voor onder meer woningbouwlocaties en kantoorlocaties zijn categorieën van gevallen aangewezen.

Wanneer een ontwikkeling valt onder de categorieën van gevallen is het niet nodig te toetsen aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit. In de praktijk zal daarom voor de nieuwbouw tot ongeveer 1.500 woningen geen luchtkwaliteitsonderzoek meer nodig zijn.

Dit bestemmingsplan voorziet in de realisering van één woning, verder onderzoek naar het effect van dit plan op de luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

4.5 Externe veiligheid

Bij externe veiligheid gaat het onder meer om de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en objecten wordt voldaan aan de normen. Artikel 1 van het Besluit externe veiligheid bepaalt hierbij dat woningen, scholen, gezondheidscentra en dagverblijven kwetsbare objecten zijn. Beperkt kwetsbare objecten zijn gebouwen/voorzieningen zoals kantoren, winkels en parkeerterreinen.


Naar het aspect externe veiligheid is geen onderzoek verricht. Dit vanwege het feit dat het plangebied buiten de invloedsgebieden van gevaarlijke inrichtingen of aandachtsgebieden voor transportroutes ligt.

4.6 Verkeer

De toename van het aantal verkeersbewegingen door de komst van een woning is beperkt en de Willemstraat heeft een meer dan voldoende capaciteit om dit aan te kunnen.

Het terrein kan direct op deze straat worden ontsloten, op voldoende afstand van de kruising met de Hugo de Grootstraat/Dr. W. Dreeshof.

Uitgangspunt is dat op het bijbehorende terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Van dit uitgangspunt kan onder voorwaarden worden afgeweken. Dit aspect wordt getoetst bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan de normen die de Bouwverordening bevat. Vooralsnog bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat het parkeren niet kan worden opgelost.

4.7 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en waterlast voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Daarom is het noodzakelijk dat gebiedseigen water zo lang mogelijk in het gebied zelf blijft. Dit gebeurt door middel van het afkoppelen van het schone hemelwater (regen) wat op verhardingen valt zoals bijvoorbeeld de daken.

In het gebied Velp-Zuid is sprake van een wisselende bodemgesteldheid en een naar het zuiden toe hoger wordende grondwaterstand ten opzichte van het maaiveld. Er zijn enkele watergangen en vijvers aanwezig die afvoeren naar de IJssel.

In de omgeving van de Willemstraat zijn de grondwaterstanden relatief laag maar de bodem bevat op plaatselijk minder goed doorlatende zeer fijne zanden. Infiltreren is mogelijk in de aanwezige wel goed doorlatende zandlagen.

In de Wet ruimtelijke ordening is afstemming tussen ruimtelijke ontwikkelingen en water voor ruimtelijke plannen vastgelegd.

In de onderstaande tabel wordt aangegeven welke waterthema's voor het bestemmingsplan relevant zijn. Na de tabel volgt een toelichting op de relevante aspecten.

waterhuishoudkundig aspect   relevant   omschrijving  
1   veiligheid   nee   in het plangebied liggen geen gronden die behoren tot het zomer- en/of winterbed van de IJssel.  
2   wateroverlast   nee   er is geen toename van verhard oppervlak met meer dan 500 m²;
in het plangebied bevinden zich geen natte en laag gelegen gebieden, beekdalen en/of overstromingsvlaktes  
3   riolering   ja   voorkomen dient te worden dat schoon regenwater wordt afgevoerd via het riool (vasthouden-bergen-afvoeren)  
4   watervoorziening   nee   het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor drinkwaterwinning;
het plangebied ligt niet in een regionaal waterbergingsgebied  
5   volksgezondheid   nee   binnen het plangebied is geen oppervlakte- water aanwezig;
in het plangebied bevinden zich geen gemengde riooloverstorten  
6   bodemdaling   nee   in het plangebied gaat het hoofdzakelijk om zandige ondergrond;
eventuele zettingen zijn niet relevant  
7   grondwateroverlast   nee   in het plangebied is geen sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond  
8   oppervlaktewaterkwaliteit   nee   in de omgeving van het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig  
9   grondwaterkwaliteit   nee   binnen het plangebied ligt geen grondwater- beschermingsgebied voor een drinkwater- voorziening of infiltratiegebied voor (kwel- afhankelijke) natuurgebied  
10   verdroging   nee   het plangebied bevat geen hydrologische beïnvloedingszones rond natuurgebieden of ecologische wateren (HEN of SEN);
in de omgeving is geen gebied aangemerkt als (gering) verdroogd  
11   natte natuur   nee   het plangebied bevat geen hydrologische beïnvloedingszones rond natuurgebieden of ecologische wateren (HEN of SEN);
het plangebied grenst niet aan een gebied met kwelafhankelijke land- en waternatuur  
12   inrichting en beheer   nee   binnen het plangebied bevinden zich geen oppervlaktewateren van waterschap Rijn en IJssel  

- ad 3 riolering

In het plangebied is overwegend een gemengd rioolstelsel aanwezig. Het afvalwater wordt ingezameld en afgevoerd via deze riolering. Voor afvoer van afvalwater naar de openbare riolering is thans nog de gemeentelijke aansluitverordening van toepassing.

Bij nieuwe ontwikkelingen moet met hemelwater worden omgegaan overeenkomstig de provinciale beslisboom hemelwater (waarbij de volgorde vasthouden, bergen, afvoeren wordt gehanteerd). Het hemelwater en huishoudelijk afvalwater dient van elkaar gescheiden te blijven. Het is niet toegestaan grondwater af te voeren via het (gemengde) riool.

Het is in de Wet milieubeheer en het Gemeentelijk Riolerings Plan aangegeven dat hemelwater op eigen terrein verwerkt moet worden indien dat mogelijk is.

Bij het verkennend bodemonderzoek dat in paragraaf 4.2 reeds is aangehaald, is tevens de infiltratiecapaciteit van de bodem bepaald. De bodem bestaat tot 5 meter beneden maaiveld uit zand en de doorlatendheidscoëfficiënt bedraagt circa 1 meter per dag.

Uit het onderzoek blijkt derhalve dat infiltratie van hemelwater op het perceel mogelijk is.


Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect water geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.8 Cultuurhistorie

De locatie waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, ligt niet in een beschermd dorpsgezicht. Het perceel is evenmin aangewezen als beschermd monument.

Op de kadastrale kaart uit 1832 is te zien dat dit deel van de huidige Willemstraat (ruim) is verkaveld; op een enkel perceel staat bebouwing. De bebouwing aan deze straat is nadien verdicht en ten noorden en zuiden ontstonden de huidige straten.

Het toelaten van een woning op een onbebouwd perceel heeft geen gevolgen voor de ruimtelijke structuur van deze buurt en evenmin voor de typologie. De straat kan worden gekenschetst als opgebouwd uit een diversiteit van woningtypen. Woningen uit de jaren rond 1900 zoals op onderhavig perceel worden omgeven door vooral woningbouw uit de jaren '20 en '30. Ook in de jaren '60, '70 en '80 van de vorige eeuw zijn woningen gebouwd. Ook dan blijft het aandeel particulier opdrachtgeverschap in het oostelijke deel van de Willemstraat opvallend. Velp-Zuid kent naar verhouding veel woningen die eigendom zijn van een woningcorporatie.

Ook ondergronds kunnen waarden aanwezig zijn. Gezien de verwachtingswaarde en de omvang van het bouwperceel is geen onderzoek naar archeologische relicten gevraagd.

Dit laat onverlet dat toevalsvondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd zijn. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijk) waardevolle relicten. Dit melden dient terstond te gebeuren. Hiervoor kan contact worden opgenomen met de gemeente.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering is voor uitvoer van dit bestemmingsplan.

4.9 Ecologie

Het plangebied bevindt zich niet in, of in de buurt van, een speciale beschermingszone als bedoeld in de Vogel- en/of Habitatrichtlijn of in de buurt van de ecologische hoofdstructuur of natuurgebieden. Gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde.

Soortbescherming ingevolge de Flora- en faunawet is wel van toepassing op het plangebied. De nu aanwezige bebouwing en omliggende inrichting is van geen bijzondere waarde waardoor geen ontheffingen noodzakelijk zijn in het kader van de Flora- en faunawet.

Bij sloop van bebouwing en het verwijderen van beplanting dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht vanuit de flora- en faunawetgeving.


Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmering is voor uitvoer van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Algemeen

Een bestemmingsplan is een juridisch instrument en bestaat uit een verbeelding en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en regels leggen de bouw- en gebruiksmogelijkheden vast van de grond en de opstallen. Het plan is voor iedereen juridisch bindend: burger, bedrijf of overheid.

In de digitale omgeving zijn de bestemming en daarbij geldende regels reeds gekoppeld. In de analoge versie kan op de verbeelding de locatie worden opgezocht waarover informatie wordt gewenst. Op basis van de gevonden bestemming kan in de regels worden nagelezen welke mogelijkheden zijn vastgelegd.

De digitale versie is bindend bij een verschil met de papieren versie.


De toelichting is een beschrijving van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt en bevat de resultaten van het overleg met gemeenten, waterschappen en diensten van de provincie en rijk wiens belangen in het plan in geding zijn.


Per 1 januari 2010 geldt de verplichting dat bestemmingsplannen volgens een landelijke digitale opzet worden opgesteld. De Wro geeft voorts een aantal verplichtingen, die bij de totstandkoming van een bestemmingsplan gevolgd moeten worden. Daarmee wijkt onderhavig bestemmingsplan in de (benaming) van bestemmingen, gebruikte symbolen en de (opbouw) van regels af van de systematiek zoals die is gehanteerd voor de actualisatie van de bestemmingsplannen en daarmee van het bestemmingsplan Velp-Zuid. De strekking van hetgeen in het thans voorliggende digitale plan wordt geregeld, sluit wel aan bij de werkwijze die voorheen werd gehanteerd.

5.2 Procedure bestemmingsplan

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken en het ontwerpbesluit, moet worden gepubliceerd waarbij de gelegenheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen bij de gemeenteraad. Nadat de gemeenteraad een besluit over de vaststelling van dit bestemmingsplan heeft genomen, ligt het plan wederom ter inzage. Belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, evenals belanghebbenden die niet kunnen worden verweten geen zienswijze te hebben ingediend, kunnen dan in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de wijzigingen die bij de vaststelling in het bestemmingsplan zijn aangebracht, kan iedere belanghebbende beroep instellen.
De herziening treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als geen beroep is ingesteld.

Is wel beroep ingesteld dan treedt de herziening ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak op het beroepschrift.

5.3 Dit bestemmingsplan

De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Ze moeten in samenhang worden bezien en toegepast.

De wijze waarop een bestemmingsplan vorm krijgt, is vastgelegd in landelijke standaarden.

Verbeelding

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemmingen de gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak.
In onderhavig bestemmingsplan wordt de bestemming Wonen gelegd. Binnen het bouwvlak kan een hoofdgebouw worden gebouwd. De maatvoering is afgestemd op de bebouwing in de naaste omgeving. Voorts is een gebied aangeduid waarbinnen bijbehorende bouwwerken zijn toegelaten.

Regels

De planregels zijn verdeeld over vier hoofdstukken.

1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels bepaald (artikel 2);


 2 Bestemmingsregels

In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen de (mogelijke) ontheffingsmogelijkheden met betrekking tot de bouw en/of het gebruik.

In onderhavig plan wordt alleen de bestemming Wonen gelegd. Daarbij is de maatvoering afgestemd op de naaste omgeving.


Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere regels relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld.


Tevens is het toegelaten dat een bewoner aan huis een bedrijf of beroep uitoefent. Ook hiervoor gelden voorwaarden. In een Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis -opgenomen als bijlage bij de regels van dit plan - is na te lezen welke bedrijven dit zijn.


Opgemerkt wordt dat ten aanzien van de vereiste parkeergelegenheid op het bijbehorende terrein, derhalve ook bij de uitoefening van een bedrijf of beroep aan huis, in de bouwverordening voorwaarden zijn gesteld. In een bijlage bij de bouwverordening zijn onder andere bruikbaarheidsvereisten en de normen per functie vastgelegd. Wat voldoende is, wordt op basis van de bouwverordening bepaald bij de beoordeling van een bouwaanvraag.


3 Algemene regels
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Denk aan de anti-dubbeltelregel en ontheffingen. In dit hoofdstuk worden ook regels gegeven over het bouwen van nutsvoorzieningen en het ondergronds bouwen.


4 Overgangs- en slotregels
In het laatste hoofdstuk wordt het overgangsrecht geregeld en wordt bepaald hoe het bestemmingsplan heet (de slotregel).

5.4 Vergelijking met geldende bestemmingsplan

Ter plaatse van het bouwvlak voor de nieuw toegelaten woning, met een goothoogte van 3 meter en een bouwhoogte van 8 meter, zijn in het bestemmingsplan Velp-Zuid bijgebouwen toegelaten.

Volgens de algemene actualisatie uitgangspunten zijn bijgebouwen tot maximaal 3,5 m hoog toegelaten, dan wel tot een bouwhoogte van maximaal 5 meter als voorzien wordt in een kap en één goothoogte maximaal 3,5 meter bedraagt. Zij mogen een oppervlakte hebben van 75 m², met dien verstande dat de zone bijgebouwen voor ten hoogste 40% mag worden bebouwd. Deze zone grenst aan de omliggende percelen.

In onderhavig bestemmingsplan wordt wederom een regeling voor bijgebouwen (thans bijbehorende bouwwerken genaamd) opgenomen. Inmiddels kunnen volgens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook vergunningvrij gebouwen worden opgericht tot 30 m². Om die reden is met het actualisatieplan voor de Kanaalzone in Dieren en Spankeren de lijn ingezet dat het maximum aantal vierkante meters aan bijbehorende bouwwerken per bouwperceel op 50 wordt gesteld.

5.5 Reikwijdte bestemmingsplan

Om te beoordelen of een ontwikkeling kan worden gerealiseerd, is het soms niet voldoende om alleen af te gaan op de inhoud van het bestemmingsplan. Ook indien het bestemmingsplan een ontwikkeling toestaat, kan het voorkomen dat andere regelgeving of dat gesloten verdragen de daadwerkelijke uitvoering verhinderen of pas na bijvoorbeeld vergunningverlening of onderzoek mogelijk maken.


De kaders die het bestemmingsplan biedt ten aanzien van nieuwe bouw- mogelijkheden, bieden geen garantie voor de te verlenen omgevingsvergunning voor het bouwen. Bouwplannen zullen naast de toets aan onderhavig bestemmingsplan tevens worden getoetst aan, en dienen te voldoen aan, zowel het landelijke Bouwbesluit als de door de gemeenteraad vastgestelde bouwverordening. Waarbij de onafhankelijke welstandscommissie adviseert of het bouwplan op basis van de Welstandsnota zoals die op 26 februari 2013 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 4 april 2013 in werking is getreden, voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Het perceel is geen eigendom van de gemeente en de particuliere eigenaar draagt de kosten van het bouwplan alsmede de kosten van uitwegen en het aansluiten op nutsvoorzieningen. Aldus is de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan niet aan de orde.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Inspraak en vooroverleg

De gemeente kent een op grond van de Gemeentewet een inspraakverordening. Deze verordening verplicht niet tot het geven van inspraak bij de voorbereiding van bestemmingsplannen. Gezien de beperkte omvang en inzichtelijkheid van de ontwikkeling bestaat ook geen aanleiding om onverplicht inspraak te geven.

Het voorontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg gezonden ana het waterschap Rijn en IJssel. Bij brief van 3 juli 2013 heeft het waterschap bericht geen op- of aanmerkingen te hebben over de waterparagraaf. De reactie is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.

Het provinciale beleid omtrent de toepassing van de instrumenten die de provincie heeft ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft aan dat plannen van lokaal belang niet voor overleg behoeven te worden aangeboden. Ook gezien de aard van het bestemmingsplan bestaat hiertoe geen aanleiding.

7.2 Zienswijzen

De Wro voorziet erin dat, voordat de formele procedure wordt gestart met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, wordt kennis gegeven van het voornemen om een bestemmingsplan te vervaardigen. Deze vooraankondiging is op 5 juni 2013 geplaatst in de Regiobode, een huis-aan-huis blad. En daarnaast geplaatst op de gemeentelijke website www.rheden.nl.

De tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan met het ontwerpbesluit is op < ........... > bekend gemaakt in de Regiobode, de Staatscourant en op de gemeentelijke website. Gedurende de termijn van terinzagelegging van < ..... > tot en met < .... > heeft een ieder de mogelijkheid gehad zienswijzen omtrent het ontwerpbestemmingsplan naar voren te brengen bij de gemeenteraad.

In deze periode was het bestemmingsplan met het ontwerpbesluit via www.ruimtelijkeplannen.nl digitaal te raadplegen. De analoge versie lag ter inzage in het gemeentehuis en in het gemeentelijk informatiecentrum te Velp.


De beantwoording van de ingebrachte zienswijzen zal plaatsvinden via een bijlage bij het raadsbesluit omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.