direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Poelwijk
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01

Toelichting



COLOFON

Betrokken ambtenaar:   J. Staps  
Projectleider Buro SRO:   E. Mekelenkamp / www.buro-sro.nl  


Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

De eigenaar van het agrarisch bedrijf op de locatie Poelwijkerlaan 16 in Oud-Zevenaar is voornemens om de agrarische functie te beëindigen. Hierbij zullen de agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt en worden vervangen door een zestal nieuw te bouwen woningen in erfopzet. De twee bestaande woningen blijven behouden.

Het realiseren van de nieuwe woningen is strijdig met het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief past op de locatie en gewenst is, wordt medewerking verleend aan het initiatief. Via voorliggend document wordt gemotiveerd waarom medewerking wordt verleend en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied net even ten noorden van Oud-Zevenaar. Onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0002.png"

Ligging plangebied in omgeving (bron: Openstreetmap.org)

1.3 Opbouw bestemmingsplan

Het bestemmingsplan is een bindend plan voor zowel overheid als burgers. In een bestemmingsplan wordt de bestemming, ofwel de functie van de grond aangewezen. Ook geeft het bestemmingsplan regels over het gebruik van de grond en wat daarop gebouwd mag worden. Omgevingsvergunningen moeten worden getoetst aan het bestemmingsplan. Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, een verbeelding en planregels.

Toelichting

De toelichting wordt opgesteld overeenkomstig artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de toelichting is opgenomen:

  • een verantwoording van de in het plan gemaakte keuze van bestemmingen;
  • een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding;
  • de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 Bro bedoelde overleg;
  • de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek;
  • een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken;
  • de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan.

Omdat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer is opgesteld, worden in de toelichting, conform artikel 3.1.6 lid 2 Bro, ten minste neergelegd:

  • een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden;
  • voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het plan begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied;
  • een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken.

Verbeelding

De verbeelding, een kaart, geeft de bestemming van de grond aan met daarbij eventuele aanduidingen zoals bouwvlakken. Door op de verbeelding te kijken is te zien welke bestemmingen en mogelijke aanduidingen er gelden. De verbeelding is opgesteld op basis van de laatste afspraken over InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) en Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.

Planregels

De planregels geven de gebruiksmogelijkheden aan van de grond en vaak ook op welke wijze de gronden bebouwd mogen worden. In het vormgeven van de planregels wordt aangesloten bij de SVBP 2012.

1.4 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tevens is in dit hoofdstuk ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 5 is vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie

2.1 Historisch perspectief

De locatie Poelwijk ligt op de oeverwallen aan de noordkant van het rivierengebied rondom de Rijn. In de oeverwal langs de Oude Rijn zijn in het verleden bij hoogwater doorbraakgeulen ontstaan. Langs een van deze doorbraakgeulen ontstond de nederzetting Zevenaar. Oud-Zevenaar was toen al bekend als buurtschap aan de dijk en niet lang daarna zou ook de Havezate Poelwijk op de hoger gelegen gronden ontstaan. De naam Poelwijk komt voor het eerst voor in 1370. Vanaf de late middeleeuwen is er sprake van een havezate (versterkt huis), bestaande uit Groot Poelwijk en Klein Poelwijk. De havezate met haar agrarische gebieden was ooit beeldbepalend voor het gebied. In de loop van de eeuwen gaat het eigendom over in verschillende (adellijke) families.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0003.png"

Beeld van Huis Poelwyk (bron: Gelders Archief)

Op de kaartbeelden uit 1733/1734 uit 1776 is Poelwijk te zien, met het kasteeltje en de omliggende gracht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0004.jpg"

Uitsnede kaartbeeld 1733-1734 (bron: Gelders Archief)

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0005.jpg"

Uitsnede Kaartbeeld Poelwijk 1776 (bron: Gelders Archief), bezien vanuit het noorden

George Kepper huurt in 1880 het eeuwenoude kasteel/havezate Poelwijk in Oud-Zevenaar en start daarin een protestantse jongeherenschool. In 1890 wordt het kasteel afgebroken. Op de afbeelding is het kasteel vlak voor de afbraak te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0006.png" Havezate Poelwijck in Oud-Zevenaar (eind 19e eeuw, kort voor de afbraak)

Op dezelfde plek wordt door architect B. Peteri een nieuwe boerderij ontworpen. Deze boerderij is de huidige boerderij met de naam Poelwijck. Opvallend is dat de gracht is blijven liggen, waarvan een groot deel tot op de dag van vandaag aanwezig is. Hiermee is het ensemble van Poelwijk als eenheid bewaard gebleven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0007.jpg"

Kaartbeeld Poelwijk uit 1924 met de nieuwe boerderij uit 1890 en de omliggende gracht (bron: Gelders Archief)

Het bijbehorende Klein Poelwijk (langs de huidige Ringbaan) werd in 1891 gesloopt, de schuur is blijven staan. De schuur is in de oorlog 1940/45 verwoest, waarna er na de oorlog op dezelfde plek een kleiner bijgebouw is gerealiseerd.

2.2 Ruimtelijke structuur

Kenmerkend voor de stedelijke structuur van Zevenaar is de relatief open zuidflank. De grote uitbreidingen vanuit het centrum zijn vooral noordwaarts gegaan richting de grootschalige komgronden en de A12. In het westen ligt een brede stedelijke schil en oostelijk wordt met de ontwikkeling van Groot-Holthuizen deze schil afgemaakt. Zuidelijk is er een kleinschalig landschap met Oud-Zevenaar en verspreide bebouwing in het oeverwallandschap ontstaan. Op organische wijze heeft zich een parkachtig woonlandschap richting het Rijnstrangengebied ontwikkeld. De sporenbundel geeft een barrièrewerking tussen de stad en het landschap.

Poelwijk ligt te midden van een kleinschalig open gebied, begrensd door de Ringbaan aan de noordzijde, de Dijkweg aan de oostzijde, de dorpsrand van Oud-Zevenaar aan de zuidzijde en het park de Tichelkamp aan de westzijde. Centraal in dit gebied ligt Poelwijk, met de historische boerderij en omliggende schuren en een nieuwere bungalow ten westen hiervan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0008.jpg"

Luchtfoto Poelwijk (bron PDOK)

In de afgelopen decennia is de bebouwde kom van Oud- Zevenaar dicht genaderd op Poelwijk. De bebouwing is goed zichtbaar vanuit het plangebied. De dorpsrand is voorzien van een brede watergang met rietzone. Op de luchtfoto is ook de grotendeels door laanbeplanting begeleide Poelwijkerlaan te zien.

In de afgelopen jaren heeft een aantal grootschalige invloeden hun intrede gedaan. Het spoortracé begon als een rails door de velden maar heeft zich ontwikkeld tot een brede zone voor regulier spoor en meest recent de Betuwelijn. De verkeersstructuur is als gevolg daarvan aangepast en heeft onder meer tot de Ringbaan zuid geleid. De oude verbindingen zijn doorsneden waarmee een fijnmazig en toegankelijk landschap is verdwenen. Dit beeld wordt versterkt door het hoogspanningstracé dat sinds de jaren '60 aanwezig is.

2.3 Huidige situatie plangebied

Op dit moment is er op Groot Poelwijk een gemengd agrarisch bedrijf gevestigd. Bij de boerderij met opstallen ligt in totaal circa 11 ha cultuurgrond verdeeld in grofweg 2 delen wisselteelt.

Het hoofdhuis Groot Poelwijk is noordwaarts georiënteerd. De voorzijde van de boerderij wordt geflankeerd door grote bomen en de omliggende gracht. Aan de achterzijde liggen de opstallen voor vee, machinebergingen, mestopslagen en ruwvoeropslag vrij en zichtbaar aan het open veld. Enkele oude maar slechte bomen verzachten dit bedrijfsmatige beeld. De foto's geven een impressie van de huidige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0009.jpg"

Voorzijde boerderij Groot Poelwijk

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0010.jpg"

Achterzijde boerderij met opstallen

Iets noordelijker staat voormalig Klein Poelwijk ingesloten in een bosschage. Een recenter gebouwde bungalow staat naast Groot Poelwijk op de plek van de voormalige boomgaard en fungeert als tweede bedrijfswoning.

Het gebied wordt ontsloten door de Poelwijkerlaan en wordt begeleid met laanbeplanting. Op sommige plekken is deze laanbeplanting niet meer doorlopend of zijn de bomen in slechte conditie. De Poelwijkerlaan sluit aan de noordzijde aan op de Ringbaan en aan de zuidoostzijde op de Dijkweg en is alleen toegankelijk voor bestemmingsverkeer.

Hoofdstuk 3 Het initiatief

Uitgangspunt bij de herontwikkeling van de locatie Poelwijk is de aandacht voor de bijzondere geschiedenis van de plek. Door de compacte opzet van het erf in de bestaande situatie in combinatie met de gracht is nog iets voelbaar van de geschiedenis van de voormalige havezate Poelwijk. Uitgangspunt is om dit aspect te versterken.

De historische structuur van het erf vormt daarom de basis voor de herontwikkeling. Het agrarisch bedrijf zal worden beëindigd. De monumentale boerderij blijft behouden en blijft het hoofdvolume vormen op het perceel. Bij de boerderij zullen enkele bijgebouwen worden gehandhaafd en opgeknapt. Ook blijft de bestaande woning Poelwijkerlaan 14 (de bungalow ten westen van de boerderij) behouden.

De grote ligboxenstal zal worden gesloopt. Ook de kuilvoerplaten aan de zuidzijde van de locatie zullen worden verwijderd. Hiervoor in de plaats worden één bouwmassa met 4 woningen en twee vrijstaande woningen op het zuidelijk gedeelte van Poelwijk gerealiseerd. Herstel van de loop van de voormalige gracht vindt plaats in de vorm van een brede greppel met begeleidende bomenrij. De nieuwe 'gracht' krijgt ook een functie voor waterberging. Daarnaast zal de laanbeplanting langs de Poelwijkerlaan zoveel mogelijk worden hersteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0011.png"

Schetsontwerp 

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0013.png"

Overzichtskaartje van te verwijderen bebouwing en beplanting

De nieuwe woningen kennen qua uitstraling een landelijke, agrarische sfeer. De woningen vormen samen met de bestaande bebouwing een ensemble dat verwijst naar een agrarisch erf, maar door haar compacte opzet ook naar de vroegere havezate Poelwijk. Het geheel krijgt een hoogwaardige uitstraling en is hierdoor anders dan reguliere woningbouwprojecten in de omgeving.

Door de opzet blijft de bestaande boerderij Poelwijk het hoofdvolume en zijn de overige bebouwing nevenvolumes. Deze nevenvolumes dienen qua beeld en situering ondergeschikt te zijn aan de hoofdmassa. De bergingen worden in principe binnen de hoofdvolumes of in bestaande bijgebouwen gerealiseerd, zodat verrommeling wordt voorkomen. Het totaal aantal toe te voegen woningen is maximaal 6, waarvan er 4 onder één kap worden gerealiseerd (op de plek van de gesloopte ligboxenstal). De twee vrijstaande woningen aan de zuidzijde gaan zoveel mogelijk op in landschap door een relatief lage goothoogte en de realisatie van een groen talud. Zodoende blijft het groene karakter van het gebied gewaarborgd en is er een duidelijk onderscheid tussen de bebouwing van Poelwijk en de bebouwde kom van Oud-Zevenaar.

De beeldkwaliteit en verdere inrichting van het erf (materiaalkeuze, beplanting) is gebaseerd op een landelijke/agrarische sfeer en uitgewerkt in Bijlage 2 Beeldkwaliteitskader en landschappelijke inpassing. Verder wordt er ten westen van de nieuwe erfbebouwing een boomgaard met dierenweide ingericht, voorzien van incidentele kavelgrensbeplanting en natuurlijke hagen. Ook worden nieuwe wandelpaden aangelegd, zodat het maken van een ommetje mogelijk is. Deze paden zijn dan ook openbaar toegankelijk. Op het beeld hieronder is de landschappelijke inpassing te zien (ook opgenomen in de bijlage).

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0014.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0015.png"

Landschappelijke inpassing

Het nieuwe erf heeft voldoende parkeerruimte voor bewoners en bezoekers. Parkeren voor bewoners geschiedt zoveel mogelijk inpandig, waaronder voor een deel in de bestaande, op te knappen schuur.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, de ecologische hoofdstructuur, de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is "duurzame verstedelijking". Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. De ladder bestaat uit drie 'treden' die doorlopen moeten worden om te bezien of een ontwikkeling bijdraagt aan duurzame verstedelijking:

  • 1. de voorgenomen stedelijke ontwikkeling dient te voorzien in een actuele regionale behoefte;
  • 2. indien uit stap 1 volgt dat de ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte moet beschreven worden in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. indien uit stap 2 blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is. Daar wordt het volgende onder verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.

Door het ministerie van Infrastructuur en Milieu is een handreiking gemaakt. Deze 'handreiking ladder voor duurzame verstedelijking' werkt verder uit hoe met de ladder omgegaan moet worden. Voor een verdere uitleg van de ladder duurzame verstedelijking wordt naar die handreiking verwezen.

Planspecifiek

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van nationaal belang.

Gelet op de jurisprudentie behoeft voor een ontwikkeling die voorziet in 6 woningen de ladder voor duurzame stedenbouw niet doorlopen te worden. Vanuit het aspect van een goede ruimtelijke ordening vindt desalniettemin een toets aan de ladder plaats.

Door middel van een principebesluit heeft de gemeente Zevenaar laten weten onder bepaalde voorwaarden medewerking te kunnen verlenen aan de voorgenomen ontwikkeling van 6 woningen (zie bijlage 1). De ontwikkeling voorziet in de actuele behoefte, zoals nader is beschreven in paragraaf 4.3. Hiermee wordt voldaan aan trede 1 van de ladder voor duurzame verstedelijking.

De ontwikkeling betreft een herstructurering van een agrarisch bedrijf buiten bestaand stedelijk gebied (trede 2). Met de herstructurering kan ruimtelijke kwaliteitswinst ter plaatse worden geboekt. Daarnaast is het plangebied ontsloten op de Dijkweg en de Ringweg Zuid. Deze ontsluitingswegen vormen een geschikte ontsluiting om de verkeersbewegingen van de woningen te verwerken (trede 3).

Het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Gelderland

In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie Gelderland denkt dat de omgeving er in de toekomst uit moet zien. Het gaat over verkeer, water, natuur, milieu en ruimtelijke ordening en om een duurzame economie en een veilige leefomgeving van hoge kwaliteit. De inhoud is samen met inwoners, bedrijven en waterschappen bedacht. Naast de Omgevingsvisie is er de Omgevingsverordening. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

De provincie en haar partners streven samen naar een vitaal buitengebied:

  • met behoud van levendigheid;
  • met een verbetering van de kwaliteit van wonen, werken en vrijetijdsbesteding;
  • rekening houdend met grote verschuivingen door schaalvergroting in de landbouw, energietransitie en urbanisatie de komende jaren.

De gevolgen van de economische recessie en de vastgoedcrisis zijn ook op het platteland sterk voelbaar. In veel regio's willen gemeenten het wonen, de detailhandel en het werken zo veel mogelijk concentreren in de kernen. Bij deze opgave zouden partijen samen moeten inspelen op nieuwe kansen voor de plattelandseconomie en samen moeten anticiperen op bevolkingsdaling, ontgroening en vergrijzing, en op de discrepantie tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het voldoen aan een andere behoefte voor wonen en werken vraagt een slagvaardige overheid en om actief burgerschap en zelforganiserend vermogen van groepen en organisaties.

De provincie stelt bij initiatieven voor functieverandering dat deze de aanwezige en te ontwikkelen economie en gebiedskwaliteiten moeten versterken. Dit kunnen initiatieven zijn voor wonen en werken. Bijvoorbeeld bij functieverandering of nieuwe landgoederen.

Voor nieuwe stedelijke functies in het buitengebied geldt dat deze afgewogen worden in het licht van de Ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Ook bij nieuwe landgoederen en functieverandering. Hiermee krijgen functies een plek die in principe ook in bestaande steden en dorpen gelokaliseerd kunnen worden. In deze gevallen zal de behoefte (Gelderse ladder) aangetoond moeten worden. Bijvoorbeeld de behoefte aan 'landelijk wonen'. Dit betekent dat onderbouwd wordt waarom de woningen niet in de bestaande steden en dorpen gebouwd worden.

De Gelderse regio's kregen met het Streekplan 2005 de mogelijkheid voor een regionale invulling van het beleidskader voor functieverandering van agrarische gebouwen. Deze invulling werd door het college van Gedeputeerde Staten geaccordeerd. De provincie kiest voor een andere rol. Zij vraagt geen apart beleidskader om door de provincie vast te stellen, maar juicht toe dat hierover beleid en afspraken in regionaal verband zijn gemaakt of verder worden gemaakt. De provincie draagt graag bij aan de evaluatie van dit beleid.

Planspecifiek

Op basis van de kaart behorend bij de Omgevingsvisie zijn de aspecten windenergie (windturbines zijn uitgesloten) en glastuinbouw (beperkte uitbreidingsmogelijkheden voor glastuinbouw) van belang, maar beide aspecten leveren geen belemmeringen op voor de uitvoering van het plan. Daarnaast doet het plan recht aan de benutting van de aanwezige gebiedskwaliteiten. De oorspronkelijke structuren en cultuurhistorie worden in ere hersteld en beleefbaar gemaakt. Dit is in lijn met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Tevens is het aantal toe te voegen woningen afgestemd met de gemeente en ook regionaal afgestemd. Hiermee wordt voldaan aan de Gelderse ladder. Het provinciaal beleid staat uitvoering van het initiatief niet in de weg.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Zevenaar

In februari 2013 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie "Samen kijken naar de toekomst 2012-2030" vastgesteld. De visie is opgesteld als kader voor het ruimtelijk beleid tot het jaar 2030 en betreft het gehele grondgebied van Zevenaar. In de structuurvisie wordt ingezet op een vijftal hoofdopgaven:

  • 1. Versterken van de identiteit van Zevenaar met aandacht voor de diversiteit in landschappen, kernen en functies
  • 2. Voldoende plek voor stedelijke ontwikkelingen tot 2030
  • 3. Behoud van kwalitatief goede woon- en werkgebieden en goede voorzieningen
  • 4. Tegengaan van versnippering van de leefomgeving inclusief het leefbaar houden van de kernen
  • 5. Nadrukkelijker inzetten op een duurzame ontwikkeling

De opgaven worden benaderd vanuit de drie kernwaarden: 'verbinden', 'diversiteit' en 'kwaliteit'. Deze kernwaarden vormen de rode draad van waaruit de gemeente Zevenaar de komende jaren werkt.

Planspecifiek

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0016.jpg"

Structuurvisieplankaart 2012-2030 (plangebied in gele cirkel)

De structuurvisie zet voor wat betreft het zuidelijk deel van Zevenaar in op landschapsversterking. Voor het gebied Oud Zevenaar en Ooy (waar het plangebied deel van uitmaakt) is het voornemen om recreatieve verbindingen te leggen in het kader van het groene parelsnoer. Bij eventuele nieuwbouw moet ingezet worden op een meer gedifferentieerd woningaanbod, met name gericht op ouderen en starters.

De locatie Poelwijk wordt specifiek in de structuurvisie benoemd in het kader van het tegengaan van versnippering van de leefomgeving. Het is van belang de deelgebieden met elkaar te verbinden.

Om een directe verbinding te realiseren tussen het landgoed Huys Sevenaer met Poelwijk, Panoven/Breuly en het Rijnstrangengebied moet het spoor overgestoken worden. Een mogelijkheid is het realiseren van een agroduct waar zowel mens als dier gebruik van kan maken.

Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van vrijstaande woningen en geschakelde schuurwoningen voor ouderen en starters. Hiermee wordt ingezet op een gedifferentieerd woningaanbod. Daarnaast levert de nieuwe erfinrichting een bijdrage aan de gewenste landschappelijke verbindingen in de omgeving van Poelwijk. Gesteld kan worden dat het beleid uit de structuurvisie het initiatief niet in de weg staat.

4.3.2 Woonvisie Zevenaar

In de Woonvisie Zevenaar is de koers ten aanzien van wonen tot 2025 bepaald. Naast het visiedeel is er een uitvoeringsprogramma waarin is vastgelegd hoe deze koers vormgegeven gaat worden in de komende vier jaar. Het uitvoeringsprogramma wordt iedere 4 jaar bekeken en indien nodig bijgesteld.

De gemeente blijft zich inzetten om een jonge populatie en hogere inkomensgroepen aan zich te binden. Dat is goed voor de lokale economie en noodzakelijk om voldoende draagvlak te behouden voor de voorzieningen. Deze voorzieningen zijn belangrijk voor een prettige woonomgeving en om de leefbaarheid op peil te houden.

In de Woonvisie wordt de focus op de drie belangrijkste opgaven gelegd:

  • Het aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad.
  • Het verbeteren van de positie van doelgroepen met een kwetsbare positie;
  • Bewaken dat de woningbouw aansluit bij de behoefte: om de potentiële groei maximaal op te vangen én tegelijkertijd het voorkomen van overaanbod;

Bij de invulling van deze drie opgaven komt ook het beleid en ambitie rondom duurzaamheid, wonen en zorg, leefbaarheid en het ruimtelijk beleid aan bod.

Zevenaar blijft de centrumgemeente in de Liemers en biedt met het woningbouwprogramma ruimte om te groeien. Naast voldoende woningaanbod is een transparante woningmarkt, een goede bereikbaarheid, een aantrekkelijk voorzieningenaanbod en voldoende werkgelegenheid cruciaal om deze ambitie waar te kunnen maken.

Woningbehoefte

Het bepalen van de gewenste woningtypen wordt overgelaten aan de markt.

Verwacht dat in de toekomst de behoefte naar rijwoningen minder wordt, omdat de huidige bewoners (voor een belangrijk deel leeftijdsklasse 55-75) doorstroomt naar (senioren) appartementen. Zevenaar kent nu al een ruim aanbod van rijwoningen en zeker op de lange termijn (bij een verdere ontspanning van de woningmarkt) is er risico van vraaguitval en kans op leegstand in de oudere woningen op minder gewilde plekken. De ruimte om goedkope koopwoningen toe te voegen in de nieuwbouw wordt beperkt, met uitzondering van toevoegingen op kleine schaal in de kleine dorpen.

Woningbouwopgave

De ambitie van de gemeente om te groeien is niet blijvend: in de verre toekomst wordt krimp verwacht. De gemeente gaat de risico's actief monitoren om in te kunnen spelen op de daadwerkelijke marktontwikkelingen. Er wordt ingezet op een programmerings- en ontwikkelstrategie die bijsturen mogelijk maakt: zoals kleinschalige (organische) ontwikkelingen en minder (vaste) lange termijn afspraken.

Bouwplancapaciteit

Er is sprake van een overaanbod in de plancapaciteit van woningbouw in de gemeente. Het huidig planaanbod wordt regelmatig tegen het licht gehouden om plannen die niet aansluiten bij de vraag en niet tot ontwikkeling komen in te trekken. Dat draagt bij in het terugbrengen van de overcapaciteit en geeft enige ruimte voor herinvulling van leegkomende locaties om de kwaliteit van de woongebieden te behouden.

Planspecifiek

Voorliggende ontwikkeling betreft een herontwikkeling van een agrarisch bedrijfsperceel. De 4 beoogde schuurwoningen zijn gericht op starters, de 2 vrijstaande woningen richten zich op de overige marktsegmenten. Het is een kleinschalige, bijzondere locatie met een eigen doelgroep. De uitgangspunten van de Woonvisie staat uitvoering van het initiatief niet in de weg.

4.3.3 Beheersverordening Buitengebied Zevenaar

Het plangebied is gelegen binnen de beheersverordening "Buitengebied Zevenaar", zoals vastgesteld op 25 september 2013 door de gemeente Zevenaar. Op dit moment (december 2016) wordt er een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied opgesteld (heeft als voorontwerp ter inzage gelegen). Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0017.jpg"

Bron: Ruimtelijke plannen.nl

In het vigerende plan heeft het plangebied de bestemming ''Agrarisch" met een agrarisch bouwvlak. Binnen deze bestemming is de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan (met dienstwoningen) evenals enkele vormen van extensieve dagrecreatie. Daarnaast heeft het plangebied de dubbelbestemming "Leiding - Hoogspanningsverbinding" voor het transport van elektriciteit met bijbehorende veiligheidszone. De dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" geeft aan dat het verboden is op de bedoelde gronden een bodemingreep uit te voeren of te laten voeren zonder of in afwijking van omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden. De functieaanduiding "specifiek vorm van waarde - hoge archeologische verwachting" geeft aan dat in dit geval voor bodemingrepen groter dan 200 m2 en dieper dan 0,5 m een omgevingsvergunning noodzakelijk is. Dit dient gepaard te gaan met een archeologisch onderzoek.

Om de realisatie van 6 woningen mogelijk te maken in het plangebied zal het bestemmingsplan ter plaatse moeten worden herzien.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (milieu, kabels en leidingen, water, ecologie, verkeer en cultuurhistorie en archeologie) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1 Milieu

5.1.1 Bodem

In de Wet Bodembescherming (Wbb) is opgenomen dat aangetoond moet worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hiermee wordt in beeld gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen.

Planspecifiek

Voor dit plan is een verkennend en indicatief bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3) om een indicatie te krijgen van de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek is gebaseerd op de in de NEN 5740 genoemde strategie voor een onverdachte locatie. Om een indicatie te krijgen van de bodemkwaliteit ter plaatse van een weiland ten westen van de onderzoekslocatie, zijn op die locatie 4 boringen tot een diepte van 1 m –mv uitgevoerd.

Resultaten

Ten aanzien van de onderzoekslocatie wordt de hypothese ‘onverdachte locatie’ op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek genuanceerd aanvaard. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde nieuwbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie.

Ten aanzien van het rapport zijn door de ODRA, namens de gemeente Zevenaar, een aantal vragen gesteld, waarop een aanvullend onderzoek is verricht (zie bijlage 3). Doel van het aanvullend bodemonderzoek is een indicatie te krijgen van de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van een gedempte gracht en ter plaatse van een voormalige bovengrondse brandstoftank (dieselolie).

Uit het aanvullend bodemonderzoek blijkt dat er geen zintuiglijke waarnemingen gedaan die wijzen op eventuele bodemverontreiniging. Tevens zijn er geen olie-water reacties waargenomen. Op en onder het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Ter plaatse van de voormalige locatie van een bovengrondse dieseltank is in de grond voor minerale olie geen verhoogd gehalte gemeten. Op basis van het aanvullend en voorgaand verkennend en indicatief bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er vanuit miliehygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling.

Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend of nader onderzoek. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

5.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

Sinds juni 2008 is de luchtkwaliteitsrichtlijn 2008/50/EG van de Europese Unie (EU) van kracht. Deze richtlijn bevat normen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens en de natuur. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). De grenswaarde hiervan bedraagt 40 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (paragraaf 5.2). De Wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het dichtstbijzijnde rekenpunt 15567706 (aan de Babberichseweg, N336) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 (stikstofdioxide)   PM10 (Fijn stof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2013 (µg/m3)   20,2µg/m3   22,1 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang (toevoeging van 6 woningen) ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

5.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

  • woningen;
  • geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);
  • andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh):
    • 1. een verzorgingstehuis;
    • 2. een psychiatrische inrichting;
    • 3. een kinderdagverblijf.

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Verder gaat de Wgh onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen, geluidbelastingkaarten en actieplannen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Voor voorliggend document is het van belang te kijken naar de mogelijke gevolgen van wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Conform de Wet geluidhinder (Wgh) is een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 9) naar de geluidbelasting ten gevolge van zoneringsplichtige geluidbronnen waarvan de zone het plangebied overlapt. Het plangebied is gelegen binnen de zone van de Ringbaan-Zuid en het spoortraject Zevenaar. De Babberichseweg en Fergusonbrug vallen buiten deze zone. De geluidbelasting is getoetst aan het stelsel van voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. De Dijkweg is een 30 km/uur-weg en derhalve niet voorzien van een zone. De geluidbelasting ter plaatse van de woningen ten gevolge van deze weg is wel inzichtelijk gemaakt in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het onderzoek naar weg- en railverkeerslawaai is uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012.

De berekende geluidbelasting, inclusief de aftrek overeenkomstig artikel 110g Wet geluidhinder bedraagt ten hoogste 42 dB ten gevolge van het wegverkeer over de Ringbaan-Zuid. De berekende geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting (exclusief de aftrek overeenkomstig artikel 110g van de Wet geluidhinder) ten gevolge van de Dijkweg (30 km/uur) berekend. De berekende geluidbelasting bedraagt ten hoogste 37 dB. Opgemerkt wordt dat deze geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder respecteert. In het kader van een goede ruimtelijke ordening en overeenkomstig het geluidbeleid van de gemeente Zevenaar is de gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g van de Wet geluidhinder), ten gevolge van alle wegen (zoneplichtig en niet zoneplichtig) berekend. De cumulatieve geluidbelasting bedraagt ten hoogste 44 dB ter plaatse van de nieuwe woningen. Gezien het feit dat de milieukwaliteit overeenkomstig ‘methode Miedema’ te classificeren is als ‘goed’, is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een onderzoek naar mogelijke maatregelen is derhalve niet aan de orde.

De berekende geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer bedraagt ten hoogste 55 dB. De berekende geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Tevens wordt voldaan aan de ambitiewaarde van 55 dB uit het geluidbeleid van de gemeente Zevenaar. Een nader onderzoek naar mogelijk te treffen maatregelen om de geluidbelasting terug te brengen is dan ook niet noodzakelijk.

In de onderhavige situatie wordt voor zowel weg- als railverkeerslawaai de voorkeursgrenswaarde gerespecteerd. Er is derhalve geen sprake van cumulatie in de zin van de Wet geluidhinder. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van de woningen.

5.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

Planspecifiek

Het plangebied ligt in het landelijk gebied direct ten noorden van de kern Oud Zevenaar. Met het verdwijnen van het huidige gemengd agrarisch bedrijf verbetert de geursituatie in de directe omgeving van het plangebied.

In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich twee agrarische bedrijven. Het betreft een grondgebonden agrarisch bedrijf op Dijkweg 49 (circa 250m afstand) en een intensieve veehouderij op Ooysedijk 2 (circa 450m afstand). In de Wet geurhinder en veehouderij is aangegeven dat buiten de bebouwde kom de afstand tussen een agrarische inrichting waar vaste afstandsdieren worden gehouden (grondgebonden agrarisch bedrijf) en een geurgevoelig object (zoals woningen) ten minste 100 m (binnen bebouwde kom) en 50 m (buiten bebouwde kom) moet bedragen. De afstand van het plangebied tot het grondgebonden agrarisch bedrijf op Dijkweg 49 bedraagt circa 250 meter. Gezien grote afstand tot beide bedrijven en de vele tussengelegen geurgevoelige objecten vormt de voorgrondbelasting geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Met betrekking tot de achtergrondbelasting is de geurverordening geraadpleegd. In 2008 is door de gemeenteraad van Zevenaar de geurverordening vastgesteld op basis van de beleidsnotitie 'geurhinder en ruimtelijke ordening'. De geurverordening is afgekaderd, het ziet alleen toe op bepaalde gebieden waar het plangebied geen deel van uit maakt. Gezien het feit dat er in de ruime omgeving slechts 1 intensieve veehouderij op grote afstand aanwezig is (en voor de kern Oud zevenaar geen afwijkende geurbelasting is vastgelegd) kan geconcludeerd worden dat de achtergrondbelasting op de locatie geen belemmering vormt voor de realisatie van een goed woon- en leefklimaat.

Met betrekking tot de omgekeerde werking van de wet (voor wat betreft de beperkingen voor de twee bedrijven als gevolg van het plan) kan gesteld worden dat beide bedrijven reeds te maken hebben met meerdere geurgevoelige bestemmingen tussen het bedrijf en het plangebied. De bedrijven worden dus niet beperkt door de voorgenomen ontwikkeling.

Het bestemmingsplan is hiermee uitvoerbaar op het gebied van geur.

5.1.5 Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.


Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie.

Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek

Het bestaande gemengd agrarisch bedrijf in het plangebied zal worden beëindigd en plaats maken voor 6 nieuwe woningen. In de nabije omgeving zijn de volgende bedrijven aanwezig, waarbij ook de bedrijfscategorieën en hinderafstanden zijn aangegeven:

  • Dijkweg 29: Meijer Technical Support, reparatie van consumentenartikelen. Hinderafstand bedraagt 10 m (categorie 1). Afstand van bouwvlak Dijkweg 29 tot nieuw bestemmingsvlak: ca. 60 m.
  • Dijkweg 35-37: Hendriks Groente en Fruit, handelsbedrijf in groente, fruit en aardappelen. Vergelijkbaar met groothandel in groente, fruit en consumptie-aardappelen: hinderafstand van 50 m (categorie 3.1). Afstand bouwvlak Dijkweg 35 tot nieuw bestemmingsvlak: ca. 110 m.
  • Oude Zevenaarseweg 66: Ariës, natuursteenhandel. Indien ook bewerking van natuursteen plaatsvindt, dan valt dit bedrijf in cat 3.1 van de VNG lijst met een hinderafstand van 50 m. Afstand bouwvlak Oude Zevenaarseweg 66 tot nieuw bestemmingsvlak: ca. 260 m.
  • Dijkweg 17: Glashandel Aluminiumbouw Oud-Zevenaar, Fabricage en handel in ramen, deuren en serres. Vergelijkbaar met aannemersbedrijf met werkplaats < 1.000 m2: hinderafstand van 30 m (categorie 2). Afstand bouwvlak Dijkweg 17 tot nieuw bestemmingsvlak: ca. 133 m.
  • Dijkweg 23A: Glastuinbouw (agrarisch). Hinderafstand van 30 m (categorie 2). Afstand bouwvlak Dijkweg 23A tot nieuw bestemmingsvlak: ca. 70 m.

Het plangebied valt buiten de genoemde hinderafstanden. Bovendien worden de genoemde bedrijven in de huidige situatie omgeven door dichterbij gelegen woningen, waar in de bedrijfsvoering reeds rekening mee moet worden gehouden. Er worden door het initiatief geen nieuwe belemmeringen opgeworpen. Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect milieuzonering.

5.1.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op: risicovolle inrichtingen vallende onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

  • risicovolle inrichtingen vallende onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
  • vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het ruimtelijk beleid beleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd.

Toetsingskaders vanuit wet- en regelgeving zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.

Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR).

Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkt kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Bij groepsrisico is niet een contour bepalend, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Bij groepsrisico wordt gewerkt met een oriëntatiewaarde en niet met een grenswaarde. Hoe meer mensen dicht op de bron zijn bij een bepaalde calamiteit, hoe groter het effect. Hierbij is de 1% letaliteit belangrijk. Zolang deze oriëntatiewaarde niet overschreden wordt is er geen specifieke motivatie noodzakelijk. Indien de 1% letaliteit wel overschreden wordt dient in de ruimtelijke planvorming dit risicoaspect bewust geaccepteerd te worden met daarbij de motivatie waarom dat acceptabel gevonden wordt. Via inrichtingsmaatregelen (op basis van de gebruiksvergunning en de bouwverordening) en rampenplannen e.a. kan het effect bij een calamiteit beperkt worden.

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar

Kwetsbare objecten zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

(Bevi-)inrichtingen

De regelgeving omtrent externe veiligheid bij inrichtingen (bedrijven) is geregeld in het Bevi. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten. Het besluit (en bijbehorende regeling) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb gaat uit van grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoordingsplicht van het groepsrisico (GR).

De regeling voor buisleidingen is hiermee vergelijkbaar met de regeling voor inrichtingen Het ministerie heeft het Handboek buisleidingen in bestemmingsplannen gepubliceerd, waarin praktische informatie en voorbeelden staan voor het opnemen van buisleidingen met gevaarlijke stoffen in bestemmingsplannen.

De aanpak richt zich op veiligheidsafstanden rond buisleidingen, het beheer en toezicht en de registratie van de ligging van buisleidingen. In de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) wordt de regelgeving verder uitgewerkt en worden regels gesteld ten aanzien van risico's en zonering langs buisleidingen, het opnemen van regels in bestemmingsplannen, technische eisen, het aanwijzen van een toezichthouder, melding van incidenten en beschikbaarheid van noodplannen. Als categorieën buisleidingen waarvoor het Bevb geldt zijn voorlopig alleen buisleidingen met een druk vanaf 16 bar en een uitwendige diameter van respectievelijk 50 en 70 mm voor het transport van aardgas en vloeibare brandstoffen aangewezen.

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen is vanaf 1 april 2015 vastgelegd in de Wet Basisnet en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wgvs). Voor ruimtelijke ordening in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Dit besluit is gebaseerd op de Wro en de Wm. Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone (PR) worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt is een verantwoording van het groepsrisico is niet verplicht.

Planspecifiek

Op minder dan 200 meter van het plangebied is de Betuweroute gelegen, een spoortraject waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd. Als gevolg van voorliggend plan zal het aantal personen in het plangebied toenemen. Op dit moment zijn er twee wooneenheden aanwezig, in de toekomst worden dit 8 wooneenheden. Het aantal personen dat maximaal kan verblijven in de nevenfuncties (Bed & breakfast) bedraagt 10. Om te beoordelen of de risicobron mogelijk een belemmering vormt voor de wijzigingen binnen de planlocatie is een onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 5). In de komende alinea's worden de belangrijkste bevindingen beschreven.

Risicoafstanden

Plaatsgebonden risico

In het kader van het plaatsgebonden risico is de contour waarbinnen geen kwetsbare objecten (bv woningen) mogen worden opgericht de 10-6-contour. Binnen deze contour is het ontwikkelen van beperkt kwetsbare objecten alleen onder bepaalde voorwaarden mogelijk. Voor het spoortraject Betuweroute Meteren-Emmerich (D) ter hoogte van Zevenaar bedraagt de PR 10-6 contour 30 meter. Het plangebied valt buiten deze contour.

Plasbrandaandachtsgebied (PAG)

Bij een planontwikkeling in een PAG dient rekening te worden gehouden met de effecten van een plasbrand. Rekening houden met de effecten van een plasbrand bestaat uit een verantwoording van de keuze om in dat gebied te gaan bouwen. Die verantwoording lijkt op hetgeen bij groepsrisico vereist is. Voor het spoortraject Betuweroute Meteren-Emmerich (D) geldt een PAG. Deze reikt tot 30 meter aan weerszijden van de spoorbaan.

De bestaande en nieuw te realiseren woningen en het gebouw met de nevenfunctie liggen ruimschoots buiten de PR 10-6 en het PAG. Het PR en het PAG levert dan ook geen belemmeringen op voor de planvorming.

Hoogte groepsrisico

De hoogte van het groepsrisico veroorzaakt door de spoorlijn ligt in de bestaande situatie lager dan de oriëntatiewaarde. Uit een berekening van de toekomstige situatie blijkt dat de hoogte van het groepsrisico binnen het maatgevende kilometervak niet toeneemt als gevolg van de planvorming. Aangezien de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden én het groepsrisico als gevolg van de planontwikkeling niet toeneemt is voor de planvorming slechts een beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico aan de orde.

Beperkte verantwoording groepsrisico

Ten aanzien van de criteria bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. De Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) heeft naar aanleiding van het verkregen conceptplan aangegeven dat de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van de Betuweroute voldoet aan de gestelde prestatie-eisen. Ten aanzien van de zelfredzaamheid wordt aangegeven dat het dun bevolkt gebied betreft, waar de aanwezigen voldoende zelfredzaam worden geacht. Desondanks adviseert de VGGM een aantal maatregelen om de zelfredzaamheid te vergroten. Deze maatregelen, alsook een beschouwing daarvan, is opgenomen als bijlage 6 Beoordeling groepsrisico.

Conclusie

Ten aanzien van het groepsrisico ligt het plan in het invloedsgebied van de Betuweroute. Op basis van de beperkte verantwoording groepsrisico en de uitgevoerde risicoberekening kan worden geconcludeerd dat het ruimtelijk initiatief geen significant effect heeft op het groepsrisico dan wel de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee wordt het groepsrisico verantwoord geacht en wordt het restrisico geaccepteerd. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op dit vlak.

5.2 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen en dergelijke kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken, dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Planspecifiek

Een groot deel van het oppervlak waar de bestemmingswijziging betrekking op heeft, bevindt zich binnen de indicatieve magneetveldzone van de 150 KV lijn Nijmegen-Zevenaar (netbeheerder TenneT). Vanuit het RIVM gelden richtlijnen voor vrij te houden zones voor bebouwing gericht op langdurig verblijf. Deze zone is op basis van de spanning te bepalen. Op navolgende tekening is de zone indicatief ingetekend op 80 meter vanuit het hart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0018.png"

Indicatieve zone hoogspanning

Vanuit netbeheerder Tennet gelden er ook wensen voor onbebouwde zones. Deze zijn beperkter dan de RIVM zone en richten zich o.a. op de beperkingen die hoogspanning geeft om in het geval van calamiteit te blussen.

De indicatieve zones zijn de meest ruime afstanden waar rekening mee moet worden gehouden. De nieuwe woningen liggen buiten voornoemde zones. Vanuit het aspect kabels, leidingen en straalpaden zijn er derhalve geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.3 Water

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. De Waterweg kent nu nog slechts één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Om te onderzoeken of het initiatief uitvoerbaar is op het gebied van water, is de watertoetstabel van het waterschap Rijn en IJssel ingevuld.

Thema   Toetsvraag   Relevant   Intensiteit#  
Veiligheid
 
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade)
2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?  
Nee

Nee  
2

2  
Riolering en Afvalwaterketen   1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur?
2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ?
3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?  
Nee
Nee
Nee  
2
1
1  
Wateroverlast (oppervlaktewater)
 
1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 2500m2?
2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2?
3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?
4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?  
Nee

Nee

Nee

Nee  
2

1

1

1  
Oppervlakte-
waterkwaliteit  
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?
 
Nee
 
1  
Grondwater-
overlast  
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren?
5. Beoogt het plan aanleg van drainage?  
Nee

Nee
Nee
Nee  
1
1
1
1  
Grondwater-
kwaliteit  
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?   Nee   1  
Inrichting en beheer   1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap?
2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?  
Nee

Nee  
1

2  
Volksgezondheid
 
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde stelsel?
2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?  
Nee

Nee  
1


1  
Natte natuur   1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ?
2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur?
4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?  
Nee
Nee
Nee

Nee  
2
2
1
1  
Verdroging   1. Bevindt het plangebied zich in een TOP-gebied?   Nee   1  
Recreatie   1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?   Nee  
2  
Cultuurhistorie   1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?   Nee   1  

In het plangebied wordt een stal gesloopt, een gedeelte van de verharding alsook de kuilvoerplaten verwijderd en hiervoor in de plaats worden enkele woningen gebouwd. Hierdoor blijft de aanwezige hoeveelheid verharding nagenoeg gelijk. Daarnaast wordt de in het verleden gedempte gedeelte van de gracht weer zichtbaar gemaakt, wat weer extra ruimte biedt om water te bergen. Deze laagte biedt ruim voldoende bergingsmogelijkheden voor de nieuwbouw in het plangebied en de omgeving. De nieuwe woningen zullen worden aangesloten op het ter plaatse aanwezige riool, hiervoor zullen de benodigde technische maatregelen worden getroffen. Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen voor dit initiatief.

5.4 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

Gebiedsbescherming

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de EHS) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN is de verantwoordelijkheid van de verschillende provincies. In het NNN liggen:

  • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
  • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;
  • alle Natura2000-gebieden.

De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:

  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • beschermde Natuurmonumenten;
  • wetlands.

Soortenbescherming

De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister van EZ (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. Het Rijnstrangengebied, ten zuiden van het plangebied, is aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Diverse agrarische percelen rondom deze bos-en natuurgebieden zijn aangewezen als GO. Dit gebied ligt op enige afstand van het plangebied, vanaf circa 380 meter (zie navolgende afbeelding).

In het plangebied worden een stal gesloopt, enkele bomen gekapt, een gedeelte van de verharding en de kuilvoerplaten verwijderd en hiervoor in de plaats worden enkele woningen gebouwd. Een oude schuur wordt gerenoveerd en deels omgebouwd tot carport voor de nieuwe woningen. Er vindt geen ruimtebeslag op het GNN of de GO plaats. Bij het toetsingskader van het GNN/GO is geen sprake van externe werking. Nadelige effecten voor, tijdens en na inrichting van het plangebied op het GNN of de GO zijn niet te verwachten door de aard van de werkzaamheden. De kernkwaliteiten van het GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0019.png"

Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone, bron: Provincie Gelderland 2016

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' ligt op enige afstand van het plangebied, vanaf circa 400 meter. Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden (o.a. 'Veluwe') en het Duitse 'Unterer Niederrhein' liggen op grotere afstand, vanaf ruim 6km. Ten oosten van Doetinchem ligt het beschermd Natuurmonument 'De Zumpe' op ruim 16 km afstand. Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken.

Door de beperkte omvang van de geplande ruimtelijke ontwikkeling worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven voor de Rijntakken verwacht. Door de kleinschaligheid van de plannen zijn negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen op voorhand uit te sluiten. De bouwwerkzaamheden zullen (mogelijk) tijdelijk een verstorend effect hebben, maar van aantasting van de instandhoudingsdoelen hierdoor is geen sprake. Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet is niet noodzakelijk voor Natura 2000-gebied 'Rijntakken'.

Door de afstand tot de overige Natura 2000-gebieden zoals 'Veluwe' en 'Unterer Niederrhein', het beschermd Natuurmonument 'De Zumpe'en de beperkte omvang van de geplande ontwikkeling in het plangebied zijn nadelige effecten op deze beschermde Natura 2000 gebieden evenmin te verwachten. Verdere toetsing of een vergunningsaanvraag in het kader van de Natuurbeschermingswet is niet noodzakelijk voor deze overige Natura 2000-gebieden.

Soortenbescherming

Voor het plangebied is een quickscan natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 7). Hierin zijn de effecten op de flora en fauna en de wettelijke consequenties ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden. Het plangebied bestaat uit een erf met een woonhuis met gracht, verschillende schuren, verharding, kuilvoerplaten, enkele (laan)bomen en overige (tuin)beplantingen.

Tijdens het veldbezoek zijn geen groeiplaatsen van licht beschermde soorten (Flora-en faunawet, tabel 1) in het plangebied vastgesteld. Door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen worden matig en streng beschermde soorten (Flora-en faunawet, tabel 2 en 3) niet verwacht in het plangebied. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroep.

In de bermen van de Poelwijkerlaan, grenzend aan het plangebied, is de zeldzame weidegeelster aangetroffen. De soort is hier vrij talrijk aanwezig. Het is belangrijk om zorgvuldig met de groeiplaats om te gaan bij de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Op de, in navolgende afbeelding aangegeven locaties, dienen geen werkzaamheden aan de berm plaats te vinden. Ook dient hier geen materieel/materiaal opgeslagen te worden, waardoor de planten kunnen beschadigen. Voortzetting van het huidige beheer en onderhoud van de bermen lijkt verder voldoende geschikt voor het duurzaam in standhouden van de populatie weidegeelsterren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0299.BP00POELWIJK-ON01_0020.png"

Groeiplaatsen weidegeelsterren (geel) rondom het plangebied (rood)

Er zijn geen vogelsoorten aangetroffen waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. De te slopen en te renoveren gebouwen in het plangebied bieden een potentiële nestlocatie voor de steenuil. Er zijn echter geen geschikte en/of toegankelijke nestlocaties aanwezig. Het plangebied is eveneens ongeschikt als nestlocatie voor overige soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties.

Tijdens het veldbezoek zijn binnen het plangebied geen (sporen van) beschermde zoogdieren waargenomen.

Het plangebied potentieel geschikt als leefgebied voor de matig beschermde steenmarter (Flora-en faunawet, tabel 2). Het voorkomen van de matig beschermde steenmarter (Flora-en faunawet, tabel 2) is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied.

De verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aanwezig en ook niet te verwachten door het ontbreken van geschikte gebouwen en bomen met (geschikte) schuilgelegenheden. De groenstructuren in en rond het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en/of vliegroute voor vleermuizen. Er worden echter slechts 2 bomen gekapt, waardoor er geen sprake is van aantasting van de functionaliteit van een foerageergebied en/of vliegroute. De aanplant van nieuwe groenelementen en het uitbreiden van de gracht zal in de toekomst voor extra foerageergebied zorgen. De geplande ingreep heeft geen negatief effect op vleermuizen.

Amfibieën, reptielen, vissen en beschermde soorten ongewervelde dieren zijn niet in het plangebied aangetroffen.

Conclusie

Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Flora-en faunawet is niet noodzakelijk. Met betrekking tot de diergroep broedvogels wordt aangeraden de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten (tussen 15 maart en 15 juli). De populatie weidegeelsterren in de berm vallen buiten het plangebied van de ontwikkeling, hier zijn geen ingrepen voorzien.

Gezien de resultaten wordt dit bestemmingsplan uitvoerbaar geacht ten aanzien van ecologie.

5.5 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.

Het plangebied wordt momenteel ontsloten via de Poelwijkerlaan, die uitsluitend gebruikt wordt door bestemmingsverkeer. De Poelwijkerlaan heeft aan de noordkant aansluiting op de Ringbaan Zuid en aan de zuidkant op de Dijkweg. Op dit moment zijn er twee woningen aanwezig bij het agrarisch bedrijf in het plangebied. Na uitvoering van voorliggend plan zijn in het plangebied in totaal 8 wooneenheden aanwezig. Het betreft 4 vrijstaande woningen en 4 geschakelde woningen. Daarnaast is er een bed & breakfast voor maximaal 10 personen aanwezig in een bijgebouw.

Verkeer

Met de ontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen per etmaal iets toe. Op dit moment zijn er verkeersbewegingen door het agrarisch bedrijf en de twee vrijstaande woningen. In de toekomst komen in de plaats van het bedrijf 6 nieuwe woningen en een bed & breakfast.

De extra verkeersbewegingen van de woningen zal op basis van kencijfers van de CROW (publicatie 317) circa 62 verkeersbewegingen bedragen (8,2 per vrijstaande woning en 7,4 per geschakelde woning). Gezien de ruime opzet van de omliggende verkeersstructuur bij het plangebied (Dijkweg en Ringbaan Zuid) worden geen problemen verwacht omtrent de verwerking van deze verkeersbewegingen. Tevens neemt het agrarisch bedrijfsverkeer door de beëindiging van het agrarisch bedrijf af. De aan te leggen wandelpaden worden opengesteld voor het publiek.

Parkeren

Als gevolg van de ontwikkeling van 6 nieuwe woningen zal de parkeerbehoefte in het plangebied toenemen.

Voor de 2 vrijstaande woningen wordt uitgegaan van 5 extra parkeerplaatsen (2x2,4, kencijfer CROW). Voor de geschakelde woningen zijn 8 extra parkeerplaatsen nodig (4x2 kencijfer CROW). Er is voldoende ruimte in het plangebied om deze extra parkeerbehoefte op te vangen op eigen terrein.

Het plan is uitvoerbaar met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren.

5.6 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.

Archeologie

Het groeiende besef dat de toenemende ruimtelijke ontwikkelingen - en de bodemingrepen die daarmee gepaard gaan - op termijn het bodemarchief vernietigen, heeft in 1992 geleid tot de Conventie van Valletta (Verdrag van Malta). In dit Europese verdrag is vastgelegd dat het archeologisch erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter beschermd moet worden.Het Nederlandse parlement heeft dit verdrag in 1998 goedgekeurd.

In Nederland is het verdrag van Malta geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz). Deze wet is op 1 september 2007 van kracht geworden. Door middel van de Wamz is de omgang met het bodemarchief verankerd in onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Op basis hiervan zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening in relatie tot de Monumentenwet kan vooronderzoek naar mogelijke waarden nodig zijn zodat, waar nodig, die waarden veiliggesteld kunnen worden en / of het initiatief aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente en dit moet bij vaststelling van bestemmingsplannen (en andere ruimtelijke besluiten) meegenomen worden.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

De gemeente Zevenaar heeft samen met de gemeente Rijnwaarden een cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. Deze waardenkaart gaat specifiek in op de cultuurhistorische waarden per deelgebied. Hierin is de Poelwijkerlaan aangeduid als restant van de historische infrastructuur. De gemeentelijke en rijksmonumenten in Zevenaar worden beschermd in het gemeentelijk monumentenbeleid. Het plangebied is niet opgenomen op de monumentenlijst. Uitvoering van het initiatief doet recht aan de oorspronkelijke cultuurhistorie van de plek. Een deel van de gracht wordt hersteld en de bebouwing in één ensemble refereert naar de oorspronkelijke havezathe met bijbehorende tuin. De boerderij uit 1890 blijft behouden. Het initiatief is daarmee uitvoerbaar ten aanzien van cultuurhistorie.

Archeologie

Voor het plangebied geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Vroege IJzertijd - Nieuwe tijd. Bovendien is het plangebied deels gelegen ter plaatse van een Middeleeuws kasteelterrein.

Het booronderzoek heeft met name in de zuidoostelijke hoek van het plangebied plaatsgevonden, buiten de gracht. Hier bleek het bodemprofiel diep verstoord, wat overeen komt met de informatie over de aanleg van de sleufsilo's en het mestbassin (zie paragraaf 3.5). Ook wanneer rekening wordt gehouden met de relatief hoge ligging van het maaiveld, dient geconcludeerd te worden dat een aanzienlijk deel van het oorspronkelijke bodemprofiel hier verloren is gegaan. Verder archeologische onderzoek wordt hier derhalve niet zinvol geacht.

Binnen de gracht worden met name resten verwacht die verband houden met het kasteelterrein. Ook oudere resten kunnen aanwezig zijn, maar die zullen (grotendeels) verstoord zijn geraakt door ingrepen in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. De resten die verwacht worden op het kasteelterrein kunnen tot aan het maaiveld reiken (bijvoorbeeld muurwerk). Binnen de gracht is één boring gezet, waaruit bleek dat plaatselijk sprake is van diepe verstoringen/een dik ophogingspakket (tot 1,4 m -mv). Hieronder zijn oeverafzettingen aangetroffen. De verstoring die in de boring is aangetroffen houdt vermoedelijk verband met de bouw van de naastgelegen stal. Voor de aanleg van de kelders van deze stal is een circa 2 m diepe bouwkuip uitgegraven. Het merendeel van de eventueel aanwezige archeologische sporen zal hierbij verloren zijn gegaan. Uitzondering vormt de historische gracht. Verwacht wordt dat de basis van deze gracht mogelijk nog intact aanwezig is.

In het westelijke deel van het plangebied zijn geen boringen gezet, omdat hier vooralsnog geen bodemingrepen gepland zijn. Hier blijft de hoge verwachting voor archeologische resten uit de periode Vroege IJzertijd - Nieuwe tijd, zoals die in het bureauonderzoek is opgesteld, behouden. Bodemingrepen dieper dan de bouwvoor vormen hier een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden.

De ingrepen zijn vooralsnog in de oostelijke en zuidoostelijke hoek van het plangebied gepland. Dit is ook het gebied waar de belangrijkste historische structuren worden verwacht (zie figuur 12). Ter plaatse wordt verwacht dat sprake zal zijn van een complexe (archeologische) stratigrafie. Geadviseerd wordt om hier geen bodemingrepen plaats te laten vinden (de ontwikkelingsplannen zijn nog niet definitief). Indien toch bodemingrepen plaats gaan vinden wordt geadviseerd om voorafgaand aan de bodemingrepen een archeologisch proefsleuvenonderzoek uit te voeren om te bepalen of/welke archeologische resten aanwezig zijn, wat de archeologische waarde van deze resten is en op welke diepte deze resten zich bevinden (zie figuur 20 van het onderzoek). Uitzondering hierop wordt gevormd door de locatie van de bestaande stal, voor zover deze ten noorden van de historische gracht ligt, en het terrein met de sleufsilo's en het mestbassin. Hier wordt verwacht dat eventueel aanwezige archeologische resten (grotendeels) verloren zullen zijn gegaan.

Binnen de noordwestelijke hoek van het plangebied zijn vooralsnog geen ingrepen gepland die een bedreiging vormen voor eventueel aanwezige archeologische waarden (bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv). Mochten dergelijke bodemingrepen hier in de toekomt alsnog plaats gaan vinden, dan wordt geadviseerd om hier een karterend booronderzoek uit te voeren.

De te beschermen gebieden zijn met een dubbelbestemming Waarde - Archeologie beschermd. Met betrekking tot het aspect archeologie is het initiatief daarmee uitvoerbaar.

5.7 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Deze overeenkomst zal als een separate rapportage worden opgenomen. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

6.1 Algemeen

Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van de planregels. Tot slot maken de bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

6.2 Verbeelding

Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

6.3 Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt Hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld.

Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde.

Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

6.4 Wijze van bestemmen

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • Agrarisch, waarbij het behoud van aanwezige landschappelijke waarde wordt geregeld met bij de bestemming behorende bouwwerken en voorzieningen;
  • Wonen-1, waarbij de functie wonen wordt geregeld. Deze bestemming betreft de burgerwoningen binnen het plangebied, bestaande uit de twee bestaande hoofdgebouwen en eventuele bijgebouwen en/of overkappingen, conform de systematiek die in het buitengebied wordt gehanteerd. De nieuw te bouwen woningen worden mogelijk gemaakt binnen de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – nieuwe woning 1' (die voorziet in maximaal 4 aaneengebouwde woningen) en 'specifieke bouwaanduiding – nieuwe woning 2' (die voorziet in 2 vrijstaande woningen) , waardoor deze meer specifiek gepositioneerd worden op het terrein. Dit heeft ook te maken met het hanteren van de gewenste afstand ten opzichte van de hoogspanningslijn.

Dit plan kent verder de dubbelbestemmingen:

  • Leiding-Hoogspanningsverbinding. De betreffende gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de bovengrondse hoogspanningsverbinding. In de planregels is een bouwverbod opgenomen, met een afwijkingsmogelijkheid. Daarnaast bevat de dubbelbestemming een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden ter waarborging van het behoud van een veilige ligging en de continuïteit van de hoogspanningsleiding.
  • Waarde – Archeologie. De betreffende gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Daartoe zijn regels opgenomen die de archeologische waarden beschermen in relatie tot bodemingrepen.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt dit vooroverleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Onderhavig plan is als concept toegestuurd aan de provincie Gelderland. Naar aanleiding hiervan is er een overleg geweest tussen provincie, gemeente, initiatiefnemers en adviseurs. De provincie heeft aangegeven te kunnen instemmen met het plan. Het plan is ook toegestuurd aan het Waterschap Rijn en IJssel, opmerkingen hiervan zijn verwerkt in het plan.

7.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Het plan is op 6 november 2015 aan de buurt gepresenteerd tijdens een goed bezochte informatiebijeenkomst. De reacties waren, behoudens enkele opmerkingen omtrent specifieke nader uit

te werken planonderdelen, positief.

7.4 Verslag zienswijzen

In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.