direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Laak 2B - Laakse Tuinen
Status: ontwerp
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.BP00140-0201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding


Het voorliggende uitwerkingsplan 'Laak 2B - Laakse Tuinen' is een uitwerking als bedoeld in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Het uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding en planregels en gaat vergezeld van deze toelichting. Het plan is een nadere uitwerking van de bestemming 'Wonen - Uit te werken' van het bestemmingsplan Hooglanderveen en Vathorst, zoals dat door de raad op 25 juni 2013 (gewijzigd) is vastgesteld.

Het uitwerkingsplan 'Laak 2B - Laakse Tuinen' voorziet in de bouw van woningen van diverse typen, waaronder een aantal woonschepen in de Laak.

Dit uitwerkingsplan is volgens de IMRO-standaard (informatie model ruimtelijke ordening) opgesteld. Hierdoor is dit plan eenvoudig in te brengen in het gemeentelijk (raadpleeg-)systeem en kan het op eenvoudige wijze worden uitgewisseld met andere overheden zoals de provincie. Deze systematiek sluit ook naadloos aan bij de huidige eisen die aan een uitwerkingsplan worden gesteld.

1.2 Uitwerkingsplan

 

1.2.1 Ligging en begrenzing van het uitwerkingsplan

Het uitwerkingsplan 'Laak 2B - Laakse Tuinen' ligt in de wijk Vathorst gelegen aan de noordkant van Amersfoort en sluit aan op het gebied Laak 2A (Waterdorp).

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0001.png"

Ligging Plangebied

Het plangebied wordt begrensd door de Laak in het noorden, plandeel Laak 2A en de kleine Eem in het oosten, de Laakboulevard en de Calveense Wetering in het zuiden en Vathorst West in het westen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0002.jpg"

Plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen

1.2.2 Feitelijke situatie

Het plangebied ligt nu grotendeels braak. Aan de zuidkant van het plangebied bevindt zich het tijdelijke gronddepot en staat een antennemast. Verder kruist er een landweggetje door het gebied vanuit de hoek bij de Laakboulevard richting de Hogesteeg. Aan de noordkant van het plangebied ligt er nog een kleine paardenweide met daarin een kleine waterplas omgeven door bomen. Verder bestaat het gebied -op een paar houtwallen na- uit grasland, slootjes, maïs en een tijdelijke waterkering.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0003.jpg"

Feitelijke situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0004.jpg"

Gronddepot en antennemast

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0005.jpg"

Paardenweide met waterplas en bomen

1.2.3 Geldend bestemmingsplan

In het plangebied geldt op dit moment het bestemmingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst'. Dit bestemmingsplan is door de gemeenteraad (gewijzigd) vastgesteld op
25 juni 2013. In het kader van een beroepsprocedure over dit bestemmingsplan heeft de Raad van State (na een tussen uitspraak op 15 oktober 2014), 6 mei 2015 definitief uitspraak gedaan over het ingestelde beroep. Vrijwel het gehele bestemmingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst' is daarmee met ingang van 7 mei 2015 onherroepelijk geworden. Uitzondering hierop zijn de plandelen met de bestemmingen 'Wonen- 5' en 'Wonen – Uit te werken', voor zover die plandelen zijn gelegen binnen 250 meter van de naastgelegen stortlocatie .

Een van deze plandelen is gelegen binnen het plangebied 'Laak 2B - Laakse Tuinen'. Voor dit plandeel is het eerder planologische regime van toepassing zoals opgenomen in het bestemmingsplan Vathorst (vastgesteld 26-01-1999). Het betreffende plandeel is met lichtblauw aangeduid op de navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0006.jpg" 

Uitsnede bestemmingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst'

Op grond van het bestemmingsplan Hooglanderveen en Vathorst geldt ter plaatse van het plangebied de bestemming 'Wonen uit te werken'. Uitzondering hierop is het gedeelte dat lichtblauw omlijnd is en voorzien van kruisjes. Ter plaatse van dit deel geldt de bestemming 'uit te werken woondoeleinden, bedrijfsdoeleinden en kantoordoeleinden (UWBK)' uit het bestemmingsplan Vathorst.

Zowel de gronden met de bestemming 'Wonen uit te werken' als 'uit te werken woondoeleinden, bedrijfsdoeleinden en kantoordoeleinden' zijn bestemd voor woningen (grondgebonden en gestapeld), bijzondere woonvormen, maximaal 5 woonschepen ter plaatse van de aangeduide locatie, kleinschalige bedrijven en werkplaatsen (maximaal b.v.o. van 100 m2 en categorie 1 en 2), wegen, paden, parkeervoorzieningen, groen, water, nutsvoorzieningen en geluidwerende voorzieningen.

Ter plaatse of in de directe nabijheid van de aanduiding 'gemengd' zijn maatschappelijke voorzieningen, detailhandel en dienstverlening, horecabedrijven en recreatieve voorzieningen toegelaten.

Voor alle bestemmingen geldt dat deze moeten voldoen aan de uitwerkingsregels van artikel 35 van het bestemmingsplan Hooglanderveen en Vathorst dan wel artikel 4 van het bestemmingsplan 'Vathorst'.

1.2.4 Totstandkoming van het uitwerkingsplan

Voorliggend uitwerkingsplan betreft een nadere uitwerking van een deel van het bestemmingsplan 'Hooglanderveen en Vathorst' en een gering deel van het bestemmingsplan 'Vathorst. Directe aanleiding om dit gebied uit te werken is het voornemen van Ontwikkelingsbedrijf Vathorst om daadwerkelijk tot uitvoering van de planontwikkeling in het gebied te komen. Samen met stedenbouwkundig bureau West 8 is daarvoor een stedenbouwkundig plan opgesteld ( DO Stedenbouw Laakse Tuinen ).

De planning is erop gericht om voor de zomer van 2018 te starten het bouwrijp maken en na de zomer van 2019 te starten met de bouw van de woningen in Laak 2B - Laakse Tuinen. De planvorming voor de verschillende woningbouwclusters is nog niet geheel uitgewerkt. Om toch te kunnen bouwen op het moment dat er vraag is naar woningen op deze locatie, is besloten flexibele bouwregels op te nemen voor de woningbouwlocaties. Op termijn komen er mogelijk ook voorzieningen en een school in het plangebied. Deze plannen zijn nog niet van dien aard dat ze meegenomen kunnen worden in voorliggende uitwerkingsplan. Hiervoor wordt te zijner tijd een zelfstandige procedure gestart.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor het uitwerkingsplan 'Laak 2B - Laakse Tuinen'. Dit beleid vormt mede het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen.

2.2 Rijk

2.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Zij verdienen het vertrouwen dat ze dat op een goede manier doen. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie en natuur. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • Een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainport, greenports en de valleys.
  • Over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed.
  • Een onderwerp provincie- of landgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent, ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Voor dit uitwerkingsplan is er geen sprake van rijksverantwoordelijkheid en daarmee wordt beleid hierover overgelaten aan de provincie en de gemeente.

2.3 Provincie

2.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 – 2028 (herijking 2016) (PRS)

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016) (PRS) is door Provinciale Staten (PS) vastgesteld op 12 december 2016. Dit is een herijkte versie van de PRS zoals die door PS was vastgesteld op 4 februari 2013. In de structuurvisie staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van ruimtelijke ordening.

De ambitie voor Utrecht is om de provincie aantrekkelijk te houden om te wonen, werken en recreëren. Dit vraagt om een integrale aanpak die voor het ruimtelijk beleid resulteert in de volgende vier pijlers:

  • duurzame leefomgeving;
  • beschermen kwaliteiten;
  • vitale dorpen en steden;
  • dynamisch landelijk gebied.

De pijlers 'duurzame leefomgeving' en 'beschermen kwaliteiten' leggen de basis waarbinnen de ontwikkelingen in de 'vitale dorpen en steden' en het 'dynamisch landelijk gebied' plaats kunnen vinden. Het samenspel tussen deze pijlers leidt tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats:

  • inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling
    Ten minste 2/3 van de woningbouwopgave moet binnenstedelijk worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave.
  • behoud en versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied.
    Het aantrekkelijk landelijk gebied moet worden behouden en versterkt, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied.

Voor de gemeente Amersfoort wordt uitgegaan van een woningbouwprogramma van 10.000 woningen, waarvan 7000 binnen de rode contour en 3000 buiten de rode contour. Een grote locatie in het stedelijk gebied is de VINEX-locatie Vathorst, waar in de PRS periode nog 3000 woningen kunnen worden gerealiseerd. Uitbreiding buiten de rode contour wordt voorzien op de locatie Vathorst West, waar maximaal 3000 woningen kunnen worden gerealiseerd. Er worden geen nieuwe bedrijventerreinen opgenomen voor de gemeente Amersfoort.

Voorliggend plan richt zich op het realiseren van woningen binnen de VINEX-locatie Vathorst. Deze ontwikkeling past binnen de beleidskaders van de structuurvisie.

2.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening (herijking 2016) (PRV)

Bij de PRS is een Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (herijking 2016) (PRV) gemaakt. De verordening zorgt voor de doorwerking van de structuurvisie naar de gemeenten. De provinciale ruimtelijke verordening is gebaseerd op artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Op basis van dit artikel kunnen, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, Provinciale Staten regels stellen omtrent de inhoud, toelichting of onderbouwing van ruimtelijke plannen. Hieronder vallen de bestemmingsplannen (inclusief de uitwerkings- en wijzigingsplannen), besluiten o.g.v. de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waarbij afgeweken wordt van een bestemmingsplan, beheersverordeningen en projectuitvoeringsbesluiten op basis van de Crisis en herstelwet.

Doel van de verordening is om een aantal provinciale belangen te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. De regels van de verordening richten zich primair tot gemeenteraden, verantwoordelijk voor het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels van de verordening hebben betrekking op nieuwe planologische besluiten. Dit betekent dat bijvoorbeeld geldende bestemmingsplannen niet onder de werking van de verordening vallen.

De verordening bevat géén zogenaamde burgerbindende bepalingen. De normen uit de artikelen moeten eerst 'vertaald' worden in een gemeentelijk planologisch besluit. Pas dan worden burgers daardoor gebonden. De Provinciale Ruimtelijke Verordening is vastgesteld op 4 februari 2013 door de Provincie Utrecht, de herijking is vastgesteld op 12 december 2016.

Voorliggend uitwerkingsplan valt in de PRV binnen ‘stedelijk gebied’. Er gelden hier geen beperkingen vanuit de PRV waar rekening mee gehouden moet worden. De voorgenomen ontwikkelingen passen binnen de regels van het provinciale beleid.

2.4 Gemeente

2.4.1 Structuurvisie Amersfoort 2030

De gemeenteraad van Amersfoort heeft de Structuurvisie Amersfoort 2030 op 9 juli 2013 vastgesteld. In de Structuurvisie geeft Amersfoort onder meer aan haar vitaliteit te willen vergroten door de kenniseconomie te versterken en het woonklimaat nog aantrekkelijker te maken. Aangename woonwijken blijven onverminderd aantrekkelijk voor jong en oud, gezin en alleenstaand. Wijken worden aantrekkelijker door werken en voorzieningen waar dat kan meer te mengen. Wijken bieden uiteraard ook rustig en veilig woongenot waar dat hoort.

De openbare ruimte biedt voor mensen mogelijkheden om elkaar te ontmoeten. Vanuit de wijken willen we optimale verbindingen met het groen in de stad en het landschap buiten de stad. Werklocaties zijn voor Amersfoort vitaal en multifunctioneel. De bereikbaarheid daarvan verbeteren we door optimalisering van de infrastructuur. Zo ontstaat een nieuw en duurzaam evenwicht tussen economische dynamiek, de kwaliteit van de leefomgeving en de bereikbaarheid.

Er zijn negen Amersfoortse principes die voor bepaalde plekken in meer of mindere mate van toepassing zijn. Die principes hebben te maken met leefklimaat, bereikbaarheid en economie. Het gaat dan bijvoorbeeld om levendigheid, een goed netwerk van winkels, scholen en ontmoetingsplekken, een gevarieerd woonaanbod, ruimte voor de fiets, keuzevrijheid en mogelijkheden voor vervoermiddelen en functiemenging van wonen en werken.
De Laak 2B - Laakse Tuinen wordt een wijk met een gevarieerd aanbod aan woningen en een groen, klassiek en duurzaam karakter. Wonen en werken kunnen eventueel gecombineerd worden en er wordt rekening gehouden met de mogelijke komst van voorzieningen en een school. Hiermee past deze ontwikkeling binnen de uitgangspunten en principes die voor Amersfoort gelden.

2.4.2 Woonvisie Amersfoort 2011-2020

In de woonvisie Amersfoort 2011 – 2020 (vastgesteld 27 september 2011) staat beschreven met welk woonbeleid de gemeente aan de slag gaat. Het is een van de bouwstenen voor de structuurvisie waar vooral de ruimtelijke invulling een plek moet krijgen. In de Structuurvisie Amersfoort 2030 is als ambitie vastgesteld dat Amersfoort zich verder ontwikkelt tot een duurzame, vitale stad met een centrumfunctie voor de regio. De kracht van Amersfoort zit in de goede mix van stedelijkheid en groene leefbare wijken, met een waardevol historisch centrum in een groene omgeving.

De vraag naar wonen in Amersfoort is en blijft groot. Voldoende nieuwbouw is belangrijk om de doorstroming op gang te houden zodat er in alle segmenten van de markt woningen beschikbaar komen. Uitgangspunt voor het woningbouwprogramma vormen de uitbreiding van het centrumstedelijk woonmilieu, het versterken van de naoorlogse wijken en de verdere uitbouw van het groenstedelijk wonen in Vathorst.

In de Woonvisie heeft Vathorst het gebiedstype Netwerkstad gekregen. De Netwerkstad betreft wijken die passen en functioneren binnen het stedelijk netwerk waar Amersfoort onderdeel van is. De Netwerkstad is een bij uitstek geplande stad. Centraal staan hier de gezinnen met kinderen en een optimale (automobiele) bereikbaarheid van woon- en werkplek en voorzieningen. Deze laatste twee liggen zowel binnen als buiten de grenzen van Amersfoort. In woonmilieutermen is in de Netwerkstad vooral het groenstedelijk woonmilieu te vinden. De kwetsbaarheid van deze wijken ligt op de lange termijn op de loer, wanneer het aandeel gezinnen met kinderen afneemt.

De Woonvisie streeft voor Vathorst naar hoogwaardig groenstedelijk wonen. Voor Vathorst geldt dat dit verder ontwikkeld moet worden als een wijk met een toekomstbestendige woonkwaliteit, met een eigen identiteit en hoogwaardige woonkwaliteit.

In de nieuwe wijk Laak 2B - Laakse Tuinen worden maximaal 1200 woningen gebouwd in een mix van sociale huur-, sociale koop- en vrije sectorwoningen. Het voorliggende plan is in overeenstemming met het gemeentelijke beleid uit de Woonvisie. Het woonprogramma past binnen de uitgangspunten, zoals die zijn vastgelegd in de afspraken met Ontwikkelingsbedrijf Vathorst. Met name de component sociale huur is belangrijk. Er is grote behoefte aan sociale huurwoningen. Uit het onderzoek Ontwikkeling Sociale Huur in de regio Amersfoort* blijkt dat er tot 2020 een tekort aan woningen is tot aan de huurtoeslaggrens. De categorie sociale koop is doorgaans bedoeld voor de inkomensgroepen die niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Ook aan betaalbare koopwoningen is behoefte.**

* Onderzoek en Statistiek gemeente Amersfoort, Ontwikkeling sociale huur in de regio Amersfoort, juni 2015 / in opdracht van het Bestuurlijk Overleg Ruimte & Wonen Regio Amersfoort)

** (Economisch Instituut Bouw; Verkenning Woningbouwprogrammering Regio Amersfoort / Langetermijn verwachtingen en Beleidsacties Woningbouw 2013-2040) (http://www.eib.nl/pdf/verkenning-woningbouwprogrammering-amersfoort.pdf).

2.4.3 Huisvestingsverordening

Op 24 november 2014 is de Huisvestingsverordening 2014 in werking getreden. Deze verordening vertaalt het beleid van de woonvisie naar meer concrete regelgeving. Zo zijn in deze verordening onder andere regels over de verdeling van woonruimte, inschrijving woningzoekenden, urgentie, kamerverhuur en splitsing opgenomen.

In dit uitwerkingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om kamergewijze verhuur mogelijk te maken. Uiteraard geldt wel een aantal beleidsregels waaraan moet worden voldaan. Verder is deze verordening van belang als het gaat om sociale woningbouw.

2.4.4 Visie Werklocaties 2030

Op 26 april 2011 heeft de gemeenteraad de Visie Werklocaties 2030 vastgesteld. In deze visie wordt de ambitie uitgesproken om nadrukkelijk een woon- én werkstad te blijven met een goede balans tussen wonen en werken, regionaal. Met de Visie Werklocaties wordt de koers aangegeven voor het verbeteren van randvoorwaarden om een aantrekkelijke woon- en werkstad te blijven.


Meer functiemenging en werkgelegenheid in wijken en gemengde gebieden

Er is een verschuiving zichtbaar van werkgelegenheid van reguliere werklocaties naar wijken en gemengde gebieden (de ‘verspreide werklocaties’) en de verwachting is dat deze trend verder doorzet. Verspreide werklocaties worden dan ook steeds belangrijker. Gezien de trend is er behoefte aan en ze zijn steeds meer nodig om voldoende ruimte te bieden voor banengroei. Voor werkfuncties op verspreide werklocaties wordt meer ruimte geboden.

Er wordt daarbij een breed begrip van ‘werken’ (of bedrijven, bedrijvigheid) gehanteerd. Naast kleinschalige bedrijfsruimte kan het ook gaan om voorzieningen, cultuur, zorg, onderwijs en dergelijke. Bij functiemenging op verspreide werklocaties gaat het om schone bedrijvigheid. Bovendien zal het in pure woongebieden overwegend gaan om kleine bedrijven. In meer gemengde en/of stedelijke gebieden zullen vaker ook grote bedrijven passen.


Regeling bedrijven en beroepen aan huis

Begin 2010 zijn de mogelijkheden voor bedrijven en beroepen aan huis verruimd. De regeling bedrijven en beroepen aan huis geldt voor de hele stad. Het is onder voorwaarden toegestaan om aan huis een bedrijf te hebben met maximaal twee werkzame personen (eigenaar/bewoner en twee werknemers). Deze regeling zetten wij voort. Voor het grootste deel van de stad wordt hiermee voorzien in de mogelijkheden die er voor functiemenging zijn. Deze regeling is bedoeld om kleinschalige bedrijvigheid gekoppeld aan de woonfunctie in woongebieden mogelijk te maken, waarbij het woon- en leefklimaat behouden blijft.

Relatie met voorliggend plan

Dit uitwerkingsplan is bedoeld om een woongebied te ontwikkelen. Geheel in lijn met de visie Werklocaties is de mogelijkheid opgenomen voor een bedrijf of beroep aan huis. Hierbij is geborgd dat het gaat om bedrijvigheid met een kleinschalig karakter, passend bij de woonfunctie.

2.4.5 Nota parkeernormen

In de nota parkeernormen Amersfoort 2009 (bijgesteld op 23 september 2014) zijn specifieke parkeernormen geformuleerd voor diverse functies. Ze geven een indicatie van het aantal auto's dat bij een bepaalde functie geparkeerd wordt in een bepaalde tijdsperiode. De normen worden gebruikt voor nieuwbouwsituaties of bij functiewijzigingen, waarvoor een vergunning of ontheffing dient te worden verkregen. In de parkeernormen wordt rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen in het autobezit. Vanuit de hoofddoelstelling uit het parkeerbeleidsplan ‘bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de openbare ruimte en de leefbaarheid' is het van belang dat er strikte bepalingen worden gehanteerd voor parkeren. Parkeren moet indien mogelijk zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden zodat een ontwikkeling geen extra parkeerdruk in het openbaar gebied geeft.

De belangrijkste voorwaarde is dan ook dat het aantal parkeerplaatsen volgens de norm moet worden aangelegd. Hiervoor zijn in Nota Parkeernormen Amersfoort normen opgenomen per type voorziening. In het parkeerbeleidsplan is tevens aangegeven dat bij het opstellen van parkeerbalansen rekening wordt gehouden met de mogelijkheid tot meervoudig gebruik van parkeerplaatsen.

Relatie met voorliggend plan

Het gemeentelijke beleid voor parkeren ligt ten grondslag aan de uitwerking van voorliggend plan wat inhoudt dat moet worden voldaan aan de norm. De geldende parkeernorm ligt daarom vast in de regels bij dit uitwerkingsplan. In hoofdstuk 3 van deze toelichting wordt nader op het parkeren ingegaan.

2.4.6 Bomenbeleid

Voor het kappen van bomen is in de meeste gevallen een omgevingsvergunning voor de activiteit kappen nodig. De grondslag voor deze omgevingsvergunning staat in artikel 2.2, lid 1 onder g van de Wabo. Dit is verder uitgewerkt in de artikelen 4.10 t/m 4.12 van afdeling 3 van de Algemene Plaatselijke verordening (APV). Bij de besluiten over het al dan niet verlenen van de vergunning worden alle relevante aspecten gewogen. Hierbij gaat het om de natuurwaarde, landschappelijke waarde, beeldbepalende waarde, cultuurhistorische waarde, waarde voor de leefbaarheid en de waarde voor de directe omgeving (stadsschoon). Wanneer een of meerdere van deze waarden in het gedrang komen, wordt de vergunning geweigerd.

In opdracht van Ontwikkelingsbedrijf Vathorst is een Bomen Effect Analyse uitgevoerd in het plangebied, waarbij alle aanwezige bomen in beeld gebracht zijn, de kwaliteit van de bomen is beoordeeld alsmede de te verwachten effecten van de ontwikkelingen op deze bomen. Het rapport 'Bomen Effect Analyse Laak 2B Vathorst Amersfoort (17-17BE/augustus 2017)' maakt als Bijlage 2 onderdeel uit van deze toelichting.

2.4.7 Welstandsnota

Volgens de Woningwet moeten bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is, voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Welke eisen dit zijn, heeft de gemeente vastgesteld in de Welstandsnota. Het doel van de nota is om zoveel mogelijk vrijheid te geven om bouwplannen uit te voeren maar daarnaast de stad haar eigen karakter laten behouden en zo mogelijk te versterken. Daarbij wordt gestreefd naar een goede balans tussen individueel belang en algemeen belang. De commissie ruimtelijke kwaliteit (CRK) is ingesteld om de kwaliteit van Amersfoort te bewaken. Dit doet zij mede aan de hand van de Welstandsnota. De definitieve plannen voor de diverse woningbouwclusters dienen eveneens geaccordeerd te worden door de CRK.

2.5 Conclusie beleid

De ontwikkeling van een woningbouwlocatie past binnen de beleidskaders op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau.
 

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van het plangebied beschreven. Hierbij komen diverse elementen aan bod, zoals de beoogde functies in het gebied en het verkeer en parkeren.

3.2 De planontwikkeling

3.2.1 De stedenbouwkundige structuur

De Laak staat voor de vaarverbinding van Amersfoort met het Randmeer. Elke stedenbouwkundige ontwikkeling in Vathorst aan de Laak, dus ook Laak 2B - Laakse Tuinen, dient dan ook georiënteerd te zijn op het landschap tussen het Nijkerkernauw en de Laak met wonen aan het water als belangrijk thema.

Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen vormt samen met het nog te ontwikkelen Velden 1F het sluitstuk van Vathorst. Het landschap aansluitend op deze stadsrand dient als uitspanning- en recreatiegebied voor Vathorst en wordt betrokken bij het ontwerp van Laak 2B - Laakse Tuinen en straks ook bij Velden 1F.

Voor het ontwerp van de Laak 2B - Laakse Tuinen zijn de volgende randvoorwaarden van belang:

  • gasleiding: aan de noord en westkant van het plangebied liggen gasleidingen, wat betekent dat er voldoende afstand in acht genomen moet worden;
  • hindercontour vuilstort: in de zuidwestelijke hoek van het plangebied bevindt deze 'milieuzone - geur' waarbinnen geen woningen zijn toegelaten. Er ligt een besluit om deze hindercontour te verschuiven en dit juridisch te verankeren in een partiële herziening van het bestemmingsplan Hooglanderveen en Vathorst. De procedure om hier uitvoering aan te geven loopt.
  • ontsluiting Vathorst West: er moet rekening worden gehouden met een toekomstige ontsluiting van Vathorst West via een verbinding van de Laakboulevard richting de Zevenhuizenstraat en vervolgens naar de rijksweg A1;
  • peilvlakken: Laak 2B - Laakse Tuinen ligt in hetzelfde vlak als Laak 2A. De wijk is verbonden met de Laak waar spelenvaren mogelijk is. De regionale waterkering van Waterschap Vallei en Veluwe maakt hier onderdeel van uit;
  • Westerpark: aan de westrand van Laak 2B - Laakse Tuinen (en Velden 1F) is een nieuw stadspark voorzien dat de wijken Laak en Velden met het toekomstige Vathorst West gaat verbinden. In het park komt een doorgaande fietsroute van Amersfoort centrum naar Vathorst Noord. Dit park wordt separaat verder uitgewerkt en zal via een zelfstandige planologische procedure geregeld worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0008.png"

Structuurkaart Laak 2B - Laakse Tuinen DO Stedenbouw 

Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen wordt verdeeld in diverse stedenbouwkundige ruimtes gerelateerd aan de openbare ruimten en landschappen waaraan zij zijn gelegen. Dit heeft geleid tot de volgende ruimtes:

  • Laak: wonen aan en in de Laak met veel uitzicht, royale (over)tuinen en een gedifferentieerd beeld.
  • BinnenLaak: wonen aan de BinnenLaak gemaakt als gracht, waar het relatief autoluw is, de (over)tuinen aan het water liggen en het beeld kleinschalig is.
  • Parkrand: wonen aan het Westerpark met veel uitzicht, royale voortuinen waar het park op 2 plekken de wijk wordt ingehaald. Er komt een statige bebouwing van allure wat het beeld gevarieerd maakt.
  • Stadslaan: wonen aan de Stadslaan in panden met allure geschikt voor een combinatie van wonen en werken. Het karakter is stedelijk met hoge statige panden van 3 tot 4 lagen met kap in een gevarieerd beeld.
  • Kleine Eem: wonen aan de Kleine Eem in een romantisch en lommerrijk milieu in wisselende bebouwing aan of met doorzichten naar de Kleine Eem. De woningen meanderen mee met het water en zijn uniek en optimaal georiënteerd.
  • Lanen en Straten: de lanen en lommerrijke straten waarbij het gaat om een goede profilering van de openbare ruimte, waarbij de laanbomen, voortuinen, hagen, muurtjes en hekwerken een belangrijke rol spelen. De architectuur draagt bij aan een rijk straatbeeld en is aan weerszijden van straten met elkaar in samenhang. De dichtheid van bebouwing is hier het grootst.

Binnen de verschillende ruimtes zullen de volgende componenten van beeldkwaliteit een belangrijke rol spelen:

Op gebouwniveau:

  • Expressie van het wonen aan de openbare ruimte;
  • Ritmisering van het silhouet door daken;
  • Het adres aan de openbare ruimte
  • Materiaalgebruik.

Op blokniveau:

  • Tuinen met een zeer groen karakter;
  • Integratie van parkeerplaatsen;
  • Tuinmuren;
  • Nutsvoorzieningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0009.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0010.png" 

Impressie Laak Impressie BinnenLaak

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0011.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0012.png"

Impressie Parkrand Impressie Stadslaan

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0013.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0014.png"

Impressie Kleine Eem Impressie Lanen en Straten

3.2.2 De functies

Wonen

Het het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen is met name bedoel als woongebied waarbinnen sprake zal zijn van vrijstaande, halfvrijstaande, aaneengebouwde en gestapelde woningen. Daarnaast is het mogelijk om maximaal vijf woonschepen neer te leggen in de Laak.

Werken

Binnen het plangebied wordt geen specifieke locatie opgenomen voor de vestiging van kleinschalige bedrijven of kantoren. Wel bestaat de mogelijkheid om het werken met het wonen te combineren via de regeling 'beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten'.

Voorzieningen

Het stedenbouwkundig plan voor Laak 2B - Laakse Tuinen gaat uit van een school en een klein buurtwinkelcentrum in het westelijk deel van het plangebied. De uitwerking hiervan vindt plaats in samenhang met de verdere ontwikkeling van Vathorst West. Om deze reden zijn deze voorzieningen buiten dit uitwerkingsplan gelaten.

3.2.3 Verkeer

Laak 2B - Laakse Tuinen krijgt een eigen autocirculatiesysteem dat nagenoeg onafhankelijk is van de naastgelegen buurten. Alleen langs de BinnenLaak wordt het plangebied via een éénrichtingbrug over de Kleine Eem voor auto's verbonden met het naastgelegen Waterdorp.

De hoofdontsluiting van Laak 2B - Laakse Tuinen is de zogenaamde Stadslaan. Deze takt af vanaf de Bergenboulevard en gaat in de toekomst ook als ontsluiting van Vathorst West fungeren. Binnen de Laak 2B - Laakse Tuinen krijgen de lange lanen in noord-/zuidelijke richting een verdeelfunctie. Alle andere wegen binnen het plangebied worden ondergeschikte woonstraten.

Door de wijk komen belangrijke hoofdroutes voor fietsers en voetgangers langs het toekomstige voorzieningencentrum, maar ook als schakel in het recreatieve netwerk tussen oost - west en noord-zuid.

3.2.4 Parkeren

De parkeervoorzieningen die nodig zijn voor de te bouwen woningen worden op de beschikbare gronden opgelost volgens het gemeentelijke parkeerbeleid. Daarbij is het uitgangspunt dat de parkeerplaatsen zich niet alleen op het eigen erf zullen bevinden, maar dat er ook gekeken wordt naar efficiënte parkeervoorzieningen binnen de bouwvelden. Het bezoekersparkeren wordt in de straat opgelost.

3.2.5 Groen en water

Voor de bomen binnen het plangebied is een Bomen Effect Analyse uitgevoerd (zie Bijlage 2). Binnen het plangebied staan 232 bomen, welke in 2016 en 2017 allen zijn beoordeeld. Hierbij zijn diverse factoren in beeld gebracht, waaronder de conditie, de structuur, stabiliteit en de toekomstverwachting. Aan de hand van het stedenbouwkundige plan is vervolgens gekeken welke gevolgen voor deze bomen ontstaan en welke opties en oplossingen hiervoor zijn.

Geconcludeerd wordt dat er vanuit gegaan moet worden dat bijna alle huidige bomen moeten wijken. Voor circa 20 knotelzen zou een verplaatsing naar de open zones langs de nieuw aan te leggen watergangen aan de westzijde van het plangebied aan de orde kunnen zijn.

In het nieuwe plan is sprake van ruime compensatie van het verlies van de bestaande bomen. Er worden in Laak 2B - Laakse Tuinen meer dan 700 nieuwe bomen aangeplant, waarbij bomen in de toekomst een markanter ruimtelijke element in het gebied worden dan nu het geval is. In het plangebied zal een weefsel van groen aanwezig zijn bestaande uit houtwallen, laanbeplantingen, groene oevers, watergangen, grasveldjes en kleinere plantsoenen. Het geheel vormt een ecologisch netwerk binnen het gebied. Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen wordt aan de west- en noordkant begrensd door de groene gebieden Westerpark en Vathorst Noord.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

In het kader van de ontwikkeling van een gebieden moet onderzoek worden uitgevoerd om te bepalen of - en zo ja welke - omgevingsgerelateerde belemmeringen er in het plangebied aanwezig zijn. In dit hoofdstuk worden alle relevante omgevingsaspecten behandeld.

4.1 Geologie en geomorfologie

Vathorst ligt aan de noordzijde van Amersfoort, tussen de snelwegen A28 en A1. Het gebied ligt op de overgang van half-open dekzandlandschap (zuid-oost) naar zeer open zeeklei- en veenweidelandschap (noord en noordwest).

Het stedelijk deel van Vathorst is ontwikkeld met respect voor het oorspronkelijke landschap. Verschillende aspecten van dat oude landschap zijn als inspiratiebron gebruikt in het stedenbouwkundig plan van Vathorst. (Delen van) oude structuren en landschapselementen zijn behouden en dragen nu in grote mate bij aan de karakteristiek van Vathorst.

In delen van Vathorst is de verkavelingsstructuur van het voormalige landbouwgebied duidelijk terug te vinden. De richting van de parallelle, lange straten is overeenkomstig met het oude ontginningspatroon, dat binnen Vathorst meerdere richtingen had. Deze richtingsverwisseling geeft de deelplannen van Vathorst De Laak, De Bron en De Velden elk een eigen oriëntatie, wat bijdraagt aan een eigen karakteristiek. Ook de afstand tussen de parallelle straten komt voor een belangrijk deel overeen met de breedte die de kavels ooit hadden.

4.2 Bodem

4.2.1 Bodemkwaliteit

Voor de ontwikkeling van het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is. In opdracht van Ontwikkelingsbedrijf Vathorst is door Wematech Bodem Adviseurs B.V. te Roosendaal een verkennend (water)bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn vastgelegd in de rapportage 'gecombineerd verkennend (water)bodemonderzoek en asbestonderzoek Laak 2B Amersfoort' d.d. 11 april 2017. Deze rapportage maakt als Bijlage 3 deel uit van deze toelichting.

Bodem

De bovengrond in het noordelijk deel van het plangebied is licht verontreinigd met PAK. Het centrale deel van het plangebied (ten oosten van de waterkering) is de bovengrond licht verontreinigd met koper. De ondergrond is niet verontreinigt.

Het grondwater is licht (en op 1 plek matig) verontreinigd met barium, koper en/of nikkel. Verder is op een paar individuele plaatsen een lichte verontreiniging met zink, molybdeen, dichloorethenen en tetrachloormethaan aangetroffen. De oorzaak van het verhoogde nikkelgehalte in het grondwater is niet bekend. In deze omgeving worden vaker verhoogde gehaltes zware metalen in het grondwater aangetroffen zonder dat daar een bron van verontreiniging voor aan te wijzen is. Naar verwachting is hier ook sprake van een verhoogd achtergrondgehalte.

Geconcludeerd kan worden dat zowel de bovengrond als de ondergrond van het plangebied voldoet aan de achtergrondwaarde met uitzondering van de bovengrond ter plaatse van 2 boringen. De grond ter plaatse van deze boringen voldoet de bovengrond aan klasse wonen grond.

Voor een formeel oordeel van de toepassingsmogelijkheden van de vrijkomende grond (hergebruik) dient voldaan te worden aan hetgeen wat beschreven staat in de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit (aanwezigheid bodemfunctiekaart en/of AP04 onderzoek). Vooralsnog dienen voor de overtollige grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, de eisen van het binnen de gemeente van toepassing zijnde beleid in acht genomen te worden. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de gestelde hypothese "niet verdachte locatie" formeel gezien verworpen te worden. Gezien de geringe overschrijdingen en het van nature voorkomen van verhoogde achtergrondgehaltes met zware metalen in het grondwater is het echter gerechtvaardigd de gestelde hypothese te accepteren.

Op basis van het historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan gesteld worden dat binnen de huidige functieklasse geen gebruiksbeperkingen hoeven te worden gesteld aan het plangebied. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek.

Waterbodem

De onderzochte waterbodems in de watergangen voldoen aan de achtergrondwaarde, zijn toe te passen in oppervlaktewater en zijn verspreidbaar op de aangrenzende percelen.

Asbest

In het zuidelijk deel van het plangebied is geen asbest aangetroffen. In het noordelijk deel is een puinpad aangetroffen van circa 220 meter lang en 2,5 meter breed waarin een sterke verontreiniging met asbest werd verwacht. Daarmee was sprake van een ernstige bodemveronteiniging welke gesaneerd diende te worden. Intussen is dit gebeurd.

4.2.2 Conclusie

Op basis van het uitgevoerde onderzoek is geconcludeerd dat het in het kader van de ontwikkelingen van het gebied nodig is het asbesthoudend puinpad te saneren. Er mag ter plaatse van dit pad geen grondroering plaatsvinden zonder instemming van bevoegd gezag Wbb en ILent.

Voor de delen van het plangebied aan de Hogesteeg 5 en 9, welke in gebruik zijn als gronddepot, moet na ontmanteling van de depots nog bodemonderzoek uitgevoerd worden.

Voor het overige mag op basis van de resultaten van het onderzoek geconcludeerd worden dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van de toekomstige woningbouwplannen in het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen.

4.2.3 Conventionele explosieven

De gemeente Amersfoort heeft voor haar gehele beheersgebied een Historisch Vooronderzoek laten uitvoeren om in een vroeg stadium belanghebbenden te kunnen informeren over potentiële risico's. Uit dit onderzoek blijkt dat er voor wat betreft de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven aan de zuidkant van het plangebied een risicoprofiel 'hoog' geldt.

In opdracht van Ontwikkelingsbedrijf Vathorst heeft ECG (Explosive Claerance Group) een second opinion uitgevoerd naar de aanwezigheid van mogelijke explosieven uit WOII voor ondermeer het plangebied. De resultaten zijn te vinden in het rapport 'Vooronderzoek naar de kans op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘Vathorst – Hooglanderveen te Amersfoort’ van 26 oktober 2016. Dit onderzoek maakt als Bijlage 4 deel uit van deze toelichting.

De conclusie van dit onderzoek is de volgende: 'Op basis van het geraadpleegde bronnenmateriaal zijn er geen gegevens achterhaald die eenduidig erop wijzen dat het onderzoeksgebied betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Er is geen sprake van een feitelijk herleidbare aantoonbare structureel verhoogde kans op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied. Het onderzoeksgebied wordt derhalve op de CE-bodembelastingskaart aangemerkt als onverdacht'.

De conclusie van het onderzoek is door de gemeente Amersfoort overgenomen en de het gemeentelijk kaartmateriaal is hierop aangepast. Nader onderzoek op de onderzochte locatie is niet nodig. Wel dient er in het plangebied gewerkt te worden met het protocol Spontaan Aantreffen.

4.3 Water

De basis voor de waterstructuur in Vathorst is uitgewerkt in het Waterstructuurplan 2001 en 2007. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat het oorspronkelijke niveau van de waterafvoer door de ontwikkeling van Vathorst niet verhoogd zal worden. Binnen het totale plangebied van Vathorst is en wordt dan ook voorzien in een ruime waterbergingscapaciteit. De benodigde wateroppervlakten zijn als ruimtelijk structurerende elementen in het plan opgenomen. Een tweede uitgangspunt is het beperken van verdroging. Hier wordt invulling aan gegeven door regenwater waar mogelijk te infiltreren in de grond, dan wel waar nodig via natuurlijke voorzuivering te lozen op en te bergen in oppervlaktewater. Het oppervlaktewater in Vathorst is opgedeeld in drie deelstroomgebieden:

  • Het stroomgebied van de Malewetering;
  • Het stroomgebied van de Calveense Wetering;
  • Het stroomgebied van de Laak.


Om de afvoeren van de verschillende stroomgebieden beperkt te houden is er in de drietal stroomgebieden een bepaalde hoeveelheid berging gecreëerd. Deze berging is gecreëerd door open water maar ook door middel van infiltratieriolering, waterbergingssystemen in wegfunderingen en doorlatende verharding wordt de afvoer van regenwater beperkt.

Vanuit plantechnisch oogpunt is voor de realisatie van geheel Vathorst minimaal 33 ha. wateroppervlakte vereist. Daarnaast is er voor elk stroomgebied apart een minimale hoeveelheid berging vastgesteld. Kijkend naar de huidige stand van zaken zal er aan de 33 ha. wateroppervlakte worden voldaan. Voor een groot deel is deze 33 ha. al gerealiseerd, een ander deel is in de planfase opgenomen en moet dus nog worden gerealiseerd.

De drie verschillende stroomgebieden worden weergegeven in navolgende afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0015.jpg"
De drie verschillende stroomgebieden in Hooglanderveen en Vathorst

De stroomgebieden zijn opgedeeld in verschillende peilvlakken met streefpeilen. Net zoals de bouw van Vathorst wordt ook het watersysteem gefaseerd aangelegd.

Hemelwater

Het is van belang dat het grondwater wordt beschermd tegen vervuiling, ook in stedelijk gebied. Om hieraan bij te dragen mogen bij ruimtelijke ontwikkelingen geen uitloogbare materialen worden gebruikt zoals koper, lood, zink en geïmpregneerd hout op plekken waar die met regenwater in aanraking kunnen komen. Het regenwater in het plangebied moet zoveel mogelijk worden verwerkt op eigen terrein, bijvoorbeeld door infiltratie in de bodem. Daarnaast is een gescheiden stelsel aanwezig waardoor het wordt aangeboden op het gemeentelijke riool.

Grondwater

De grondwaterstand in de Vathorst varieert tussen de 2,0 en 0,5 meter beneden maaiveld. Onderzoek naar klimaatgevolgen heeft uitgewezen dat de grondwaterstand ten gevolge van klimaatontwikkelingen op verschillende locaties in Amersfoort nog zo’n 20 tot 30 cm gaat stijgen. In onderstaande figuur is het worst case scenario te zien voor Amersfoort. Het onderzoek dat is uitgevoerd laat geen toekomstbeeld zien voor geheel Vathorst.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0016.png"


Voor nieuwe ontwikkelingen in de in- en uitbreidingen geldt dat deze zo moeten worden geordend en ingericht dat dit past bij de bestaande grondwaterstanden. Het is sterk aan te raden om op locatie met grondwaterstanden hoger dan 1.00 m onder maaiveld kruipruimteloos te bouwen.

Watertoets

Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een watertoets. In dat kader is het Waterschap Vallei en Veluwe over dit uitwerkingsplan geïnformeerd en gevraagd daarover een oordeel te geven.


Het waterschap kan met het plan instemmen en ziet vanuit de belangen van de waterhuishouding geen belemmeringen. In de waterbalans van Vathorst is rekening gehouden met ontwikkeling van Laak 2B - Laakse Tuinen. Daarmee hoeft in het gebied van dit uitwerkingsplan geen specifieke waterberging als compensatie van verhard oppervlak te worden gecreëerd. Met het oog op het vorenstaande kan dan ook (met instemming van het waterschap) van afzonderlijk vooroverleg (op grond van artikel 3.1.1. Bro) over dit uitwerkingsplan met deze instantie worden afgezien.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Wettelijk kader

De 'Wet luchtkwaliteit' is opgenomen in de Wet milieubeheer onder hoofdstuk 5, titel 2. De kern van de Wet luchtkwaliteit bestaat uit luchtkwaliteitseisen voor de buitenlucht die in bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn vastgelegd. Uit de Wet volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden;
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen;
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

De relevante stoffen ten gevolge van wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De bijbehorende grenswaarden zijn hieronder weergegeven. Doorslaggevend voor de beoordeling van NO2 is de jaargemiddelde concentratie. Voor PM10 is de 24-uurgemiddelde concentratie het meest kritisch.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0017.png"

Grenswaarden luchtkwaliteit voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).

4.4.2 Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied

Vathorst is als IBM (In Betekenende Mate) project opgenomen in het NSL (zoals bedoeld onder punt 4 hierboven). Onderdeel van dit project is, naast bedrijvenpark en kantoren, de bouw van ongeveer 10.000 woningen. De woningen die worden gebouwd in Laak 2B zijn onderdeel van deze 10.000 woningen.


Omdat Vathorst is opgenomen in het NSL is een uitgebreid onderzoek naar de luchtkwaliteit niet nodig. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hieronder wel ingegaan op de situatie rond het plangebied.

Bij het NSL hoort een jaarlijkse monitoring van de concentraties NO2 en PM10. Overheden, waaronder de gemeente Amersfoort, leveren hiervoor gegevens aan. De door de gemeente opgegeven gegevens worden verwerkt samen met landelijke luchtkwaliteitsinformatie en gegevens over emissies van voertuigen. De berekende concentraties worden voor de stedelijke wegen bepaald op een afstand van 10 m uit de wegrand. Bij rijkswegen kan deze afstand groter zijn. De resultaten van de monitoring zijn te vinden op www.nsl-monitoring.nl.

Hieronder zijn voor het plangebied de jaargemiddelde concentratie voor NO2, het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uurgemiddelde concentratie voor PM10 en de EC concentratie uit de monitoring 2016 weergegeven voor het jaar 2015. EC staat voor elementair koolstof, oftewel roet. Roet is op lokaal niveau de belangrijkste indicator in relatie tot gezondheid. Voor roet bestaat geen wettelijke norm.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0018.png"

De berekende jaargemiddelde concentratie NO2 langs de Laakboulevard / Bergenboulevard ter hoogte van Laak 2B was in 2015 ongeveer 21 g/m3. Dat is ruim onder de wettelijke norm van 40 g/m3. In de prognoses voor latere jaren zijn de concentraties lager, omdat de luchtkwaliteit dankzij allerlei maatregelen (op Europees, landelijk en lokaal niveau) steeds beter wordt.

Voor alle concentraties geldt dat die zijn berekend langs de drukke wegen. Langs minder drukke straten zullen de concentraties lager zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0019.png"

Het maximum aantal van 35 overschrijdingsdagen voor PM10 wordt rond het plangebied niet overschreden. Het aantal overschrijdingsdagen langs de Laakboulevard / Bergenboulevard ter hoogte van Laak 2B lag in 2015 rond de 7. De berekende jaargemiddelde concentratie voor PM10 (niet weergegeven) lag hier op 19,5-20 g/m3. Dat is ruim onder de wettelijke norm van 40 g/m3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0020.png"

De berekende jaargemiddelde concentratie voor EC / roet langs de Laakboulevard / Bergenboulevard ter hoogte van Laak 2B lag in 2015 tussen 0,75 en 1 mg/m3. Voor roet bestaat geen wettelijke norm.

4.4.3 Conclusie

Rond het plangebied wordt overal ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit. Omdat Vathorst is opgenomen in het NSL is een uitgebreid onderzoek naar de luchtkwaliteit niet nodig.

 

4.5 Externe veiligheid

4.5.1 Beleid en normstelling

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven.

4.5.2 Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor bedrijvigheid staat dit in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat dit in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt, zie onder 'Basisnet'). Voor buisleidingen staat dit in het Besluit externe veiligheid buisleidingen.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).

Wanneer een (beperkt) kwetsbaar object in het invloedsgebied van een bedrijf, buisleiding of transportroute wordt toegelaten, moet het groepsrisico worden verantwoord. Hierbij moet meestal advies worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Utrecht (VRU).

4.5.3 Basisnet

Op 1 april 2015 is het Basisnet in werking getreden. Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen. Voor Amersfoort zijn de snelwegen en spoorwegen van belang.

Het Basisnet heeft als doel een evenwicht te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen en de bebouwde omgeving die hier langs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt aan de ene kant regels aan het vervoer van gevaarlijke stoffen en geeft aan de andere kant aan welke beperkingen gelden in het gebied rond de betreffende routes. Zo wordt aan iedereen die dicht bij deze snelwegen en spoorwegen woont of verblijft een basisbeschermingsniveau geboden.

Voor elke basisnetroute is een zogenaamde risicoruimte en een zone met ruimtelijke beperkingen vastgesteld. Door het vastleggen van de risicoruimte wordt het vervoer van gevaarlijke stoffen gebonden aan een maximaal risico, zowel ten aanzien van het plaatsgebonden risico als het groepsrisico. Bij ruimtelijke afwegingen voor nieuwe bestemmingen moet rekening gehouden worden met de externe veiligheidsrisico's die horen bij een volledig gebruik van de risicoruimte. De risicoruimte fungeert daardoor enerzijds als een plafond voor de toegestane groei van de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen en anderzijds als een gebied waarbinnen beperkingen gelden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

4.5.4 Plasbrandaandachtsgebied

Voor wegen en hoofdspoorwegen waarover vervoer van aanzienlijke hoeveelheden brandbare vloeistoffen plaatsvindt, zijn in de Regeling basisnet plasbrandaandachtsgebieden (PAG) aangewezen. Een PAG is een zone van 30 meter aan weerszijden van het wegvak of baanvak, gemeten vanaf de buitenste kantstrepen van de weg of vanaf de buitenste spoorstaven van de spoorbundel voor het doorgaand verkeer, waar bij het realiseren van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten rekening moet worden gehouden met de mogelijke gevolgen van een ongeval met brandbare vloeistoffen. Het bevoegd gezag moet motiveren waarom de ontwikkeling op die plek mogelijk gemaakt wordt. Daarnaast gelden er volgens het Bouwbesluit 2012 aanvullende bouwvoorschriften in een plasbrandaandachtsgebied.

In Amersfoort geldt er een PAG langs het hele traject van de rijkswegen A1 en A28 door de gemeente. Voor het spoor geldt binnen Amersfoort een PAG voor het traject Baarn – Amersfoort West – Amersfoort Oost (tot de splitsing van het spoor richting enerzijds Zwolle en anderzijds Apeldoorn) en voor het traject Amersfoort Oost – Putten (richting Zwolle). Voor de spoortrajecten Amersfoort richting Utrecht, Amersfoort Oost richting Apeldoorn en voor de Ponlijn geldt geen PAG.

 

4.5.5 Externe veiligheid in relatie tot het plangebied

Voor het plangebied is beoordeeld of er sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Dit onderzoek is vastgelegd in het rapport 'Externe Veiligheid Omgevingsplan Laak 2B en Velden 1F (RUD Utrecht, Z-AD-2017-0411 d.d. 1 maart 2017)' en maakt als Bijlage 5 deel uit van deze toelichting. De toekomstige school alsmede de voorzieningen zijn in dit onderzoek meegenomen. Deze maken geen deel uit van dit wijzigingsplan, maar zijn wel betrokken in de conclusie.

Uit de landelijke risicokaart kan afgeleid worden of een locatie nabij een risicoveroorzakend object is gelegen. Er is voor het plangebied sprake van buisleidingen.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0021.jpg"

Uitsnede risicokaart

Conclusie

Het plangebied ligt ten dele binnen het invloedsgebied van twee nabijgelegen buisleidingen. Uit de berekeningen volgt dat er geen belemmeringen zijn vanwege het plaatsgebonden risico. Het groepsrisico neemt vanwege het plangebied toe maar blijft ruim beneden de oriënterende waarde. Omdat het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt en het plangebied tevens binnen de 10% letaliteitsgrens van de buisleidingen ligt moet het groepsrisico uitgebreid worden verantwoord. Hiertoe wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van de rapportage in Bijlage 5.

Het scholencluster is ten opzichte van de buisleidingen vanwege externe veiligheid niet op een gunstige locatie gekozen. Het verdient aanbeveling om deze locatie verder van de buisleidingen te kiezen. Meerdere vluchtroutes nabij het scholencluster liggen in de richting van de buisleidingen. Indien het niet mogelijk is om het scholencluster verder van de buisleidingen te kiezen dan wordt aanbevolen specifiek rekening te houden met mogelijke vluchtroutes in tegenovergestelde richting van de buisleidingen.

De belemmeringenstrook vanwege de buisleidingen moet in het bestemmingsplan worden weergegeven. De grootte hiervan alsmede de bepalingen welke voor de belemmeringenstrook gelden zijn in hoofdstuk 4 aangegeven.

VRU

Ingevolge artikel 12, tweede lid van het Bevb wordt het bestuur van de VRU in de gelegenheid gesteld om te adviseren over het groepsrisico.

4.6 Geluid

4.6.1 Wet geluidhinder

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor- ) wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Bij de vaststelling van een uitwerkingsplan komen in de volgende gevallen de regels van de Wgh aan de orde:

  • het bestemmen van gronden voor nieuwe of gewijzigde geluidgevoelige objecten nabij (spoor-)wegen en industrieterreinen;
  • het bestemmen van gronden voor de realisatie of wijziging van (spoor-) wegen (met uitzondering van rijksinfrastructuur) en industrieterreinen;
  • het wijzigen van zonegrenzen van industrieterreinen.

De Wgh werkt met een systeem van voorkeursgrenswaarden en maximaal toegestane geluidsbelastingen. Indien een voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, kan onder bepaalde voorwaarden een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Hierbij mag de geluidsbelasting nooit hoger zijn dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort.

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van spoorwegen, industrieterreinen of rijkswegen. Dit betekent dat alleen het voor het plangebied relevante verkeerslawaai is beschouwd.

4.6.2 Verkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (Wgh art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in

een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg (zie tabel hierna).

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0022.jpg"

In geval van een nieuwe of gewijzigde weg of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

4.6.3 Geluidsnota Amersfoort Wet geluidhinder

De gemeente heeft beleid opgesteld met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden (Geluidsnota Amersfoort Wet geluidhinder, september 2015). Hierin is o.a. aangegeven hoe wordt omgegaan met het verlenen van hogere waarden en welke aspecten worden meegenomen in het onderzoek. Ook zijn voorwaarden opgenomen die aan de hogere grenswaarde worden verbonden.

4.6.4 Geluid in relatie tot het plangebied

In het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen wordt een nieuwe weg, de Stadslaan, aangelegd en worden nieuwe woningen gebouwd. Om inzicht te krijgen in de akoestische randvoorwaarden voor deze nieuwe weg en de aanliggende woningen is een akoestische onderzoek uitgevoerd (Laak 2B - Laakse Tuinen, Akoestisich onderzoek, Goudappel Coffeng, kenmerk OBV164/Kzj/1163, 22 december 2017).Dit onderzoek maakt als Bijlage 6 deel uit van deze toelichting.

In dit onderzoek zijn de volgende situaties onderzocht:

  • Nieuwe woningen binnen de geluidszone van een bestaande weg (Bergenboulevard - Laakboulevard);
  • Nieuwe woningen binnen de geluidszone van een nieuwe weg (Stadslaan);
  • Bestaande/geprojecteerde woningen binnen de geluidszone van een nieuwe weg;
  • Bestaande woningen binnen de geluidszone van een weg in reconstructie.

De wegen die naast de Stadslaan worden aangelegd in het plangebied zijn 30 km/uur-wegen. Hoewel deze wegen geen formele geluidszone hebben, is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de situatie langs de 30 km/uur-wegen wel beschouwd. De in gezoneerde situaties geldende normen zijn hierbij als richtwaarde gehanteerd.

Nader uit te werken bestemmingen

Aan de westzijde van het plangebied, direct ten noorden van de Stadslaan, is een gebied dat nog nader uitgewerkt wordt. De exacte invulling voor dit gebied is nog niet bekend. Voor deze locatie is de beoogde bebouwing wel ingevoerd in het geluidmodel, zodat rekening gehouden is met geluidsafschermingen en reflecties voor de omliggende woningen. Voorlopig zal de geluidbelasting veel lager zijn dan waar mee gerekend is, omdat Vathorst West nog niet gerealiseerd is, terwijl hier al wel rekening mee is gehouden in de verkeersintensiteiten. Bij de nadere invulling van dit gebied zal gekeken worden of de bebouwing (voldoende) overeenkomt met waar nu mee gerekend is, of dat de geluidbelasting op de achterliggende huizen nog berekend moet worden met de dan geplande bebouwing in het uit te werken gebied.

Resultaten

Nieuwe woningen, nieuwe weg: Stadslaan

Voor de geluidssituatie langs de Stadslaan is sprake van de situatie nieuwe woning, nieuwe weg. In deze situatie geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 58 dB. Op verschillende waarneempunten is de geluidsbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting is 58 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt daarmee niet overschreden. De overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde zijn met name berekend op de eerstelijns bebouwing. Door de aaneengesloten eerstelijns bebouwing ontstaat voor de achterliggende grondgebonden woningen echter wel een gunstig geluidsklimaat, door de afscherming van de bebouwing in de eerste lijn.

Nieuwe woningen, nieuwe weg: 30 km/uur-wegen

Voor een aantal maatgevende punten langs de 30 km/uur-wegen is de geluidssituatie berekend. Uit de resultaten blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de 30 km/uur-wegen ten hoogste 55 dB bedraagt. De geluidsbelasting is daarmee hoger dan de richtwaarde van 48 dB, maar blijft onder de in gezoneerde situaties geldende maximale ontheffingswaarde van 58 dB.

Nieuwe woningen, bestaande weg

Voor de geluidssituatie langs de Bergenboulevard - Laakboulevard is sprake van de situatie nieuwe woning, bestaande weg. In deze situatie geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale ontheffingswaarde bedraagt 63 dB. Uit de resultaten blijkt dat op enkele waarneempunten de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 53 dB. Deze geluidsbelasting is berekend voor de oostelijke en zuidelijke gevel van het appartementencomplex nabij de Bergenboulevard/Laakboulevard. Voor de overige locaties zijn geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde berekend. In geen geval is sprake van een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde.

Bestaande woningen, nieuwe weg

Voor de aanleg van de Stadslaan moet de geluidssituatie niet alleen worden bepaald voor de nieuwe woningen, maar ook voor de al aanwezige of geprojecteerde woningen. Voor deze situatie is sprake van een bestaande woning, langs een nieuwe weg. Er geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB en een maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Uit de resultaten blijkt dat voor negen bestaande woningen langs de Bergenboulevard - Laakboulevard sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het verkeer op de Stadslaan. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt in geen geval overschreden.

Geluidssituatie woningen Laak 2a

In een eerder akoestisch onderzoek is de geluidssituatie voor de woningen binnen plangebied Laak 2a, direct ten oosten van plangebied Laak 2b, onderzocht. Daaruit bleek dat de geluidsbelasting vanwege de Stadslaan op enkele woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor deze woningen leek toen een hogere waarde van 55 dB nodig te zijn. Op basis van de geactualiseerde uitgangspunten is de geluidssituatie voor de woningen binnen Laak 2a opnieuw beschouwd. Uit de resultaten blijkt dat de hoogst berekende geluidsbelasting 57 dB bedraagt.

Overigens blijkt dat de aanpassing van het kruispunt Bergenboulevard-Laakboulevard (zie hieronder) niet leidt tot andere inzichten ten aanzien van de hogere waarden die nodig zijn vanwege de Laakboulevard voor de nieuwbouw binnen Laak 2a.

Reconstructie Bergenboulevard-Laakboulevard

Bij de aanpassing van bestaande wegen, zoals hier bij de aansluiting van de Stadslaan op de overgang Bergenboulevard - Laakboulevard, moet een zogenaamd reconstructieonderzoek worden uitgevoerd. Bij een reconstructieonderzoek wordt de geluidsbelasting in de plansituatie vergeleken met de 'heersende waarde'. Dit is de geluidsbelasting in de huidige situatie, of een eerder vastgestelde hogere waarde (de laagste van deze twee is maatgevend). Wanneer de geluidsbelasting met 2 dB of meer toeneemt als gevolg van de plannen, is sprake van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder en dient de toepassing van geluidsreducerende maatregelen te worden beschouwd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB geldt hierbij als ondergrens. Wanneer vanwege overwegende bezwaren geen geluidsreducerende maatregelen worden toegepast, of wanneer deze onvoldoende effect sorteren, is ontheffing voor een hogere waarde mogelijk. De maximale ontheffingswaarde bedraagt voor reconstructies 68 dB. Er geldt echter een maximale toename van 5 dB in geval van een reconstructiesituatie.

Uit de resultaten van de berekeningen van het reconstructieonderzoek blijkt dat voor diverse woningen sprake is van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder. De berekende geluidstoenames van 2 dB zijn met name het gevolg van de verwachte toename van verkeer tussen 2017 en het toekomstjaar 2030.

Mogelijke maatregelen

Uit het onderzoek is gebleken dat in diverse situaties sprake is van overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde. Bovendien is er vanwege de aanpassing van de Bergenboulevard - Laakboulevard sprake van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder. Daarom moet de toepassing van geluidsreducerende maatregelen worden onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat verdere bron- en overdrachtsmaatregelen niet mogelijk of wenselijk zijn. Daarom worden hogere waarden vastgesteld voor alle woningen waarbij de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en voor de woningen met een reconstructiesituatie.

Luwe zijde

Volgens de Geluidsnota Amersfoort Wet geluidhinder moeten alle woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld tenminste één geluidluwe zijde hebben. Uit het onderzoek blijkt dat alle grondgebonden woningen deze luwe zijde hebben. Voor de appartementen geldt dat de indeling nog niet bekend is. Daarom moet hier bij het ontwerp aandacht aan besteed worden.

Maximale binnenwaarde

Voor alle woningen moet voldoende gevelwering gerealiseerd worden, zodat voldaan wordt aan de vereiste binnenwaarde. De in het akoestisch onderzoek berekende gecumuleerde geluidsbelasting moet hierbij als uitgangspunt worden gehanteerd. Ook bij de woningen die alleen een hoge geluidbelasting ondervinden van 30 km/uur wegen, en dus geen hogere waarde krijgen, zal voor de geluidwering van de gevels uitgegaan worden van de cumulatieve geluidbelasting. Voor de bestaande woningen is het van belang om inzicht te hebben in de huidige isolatiewaarde van de gevels. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk. Mocht blijken dat de huidige isolatiewaarde van de woningen onvoldoende is, dan moeten hiervoor aanvullende maatregelen aan de woning worden getroffen. Op basis van de gecumuleerde geluidsbelasting kan het benodigde geluidsisolerend vermogen van de gevel bepaald worden. De hoogste gecumuleerde geluidsbelasting bedraagt 64 dB. Om te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB moet het geluidsisolerend vermogen van de gevel in dat geval ten minste 31 dB zijn.

Conclusie

Er worden hogere waarden vastgesteld voor de nieuwe woningen langs de Stadslaan, als gevolg van de geluidbelasting vanwege de Stadslaan en / of de Bergenboulevard – Laakboulevard. Daarnaast worden hogere waarden vastgesteld voor een aantal bestaande woningen als gevolg van de nieuw aan te leggen Stadslaan en als gevolg van de ontstane reconstructiesituatie door de aansluiting van de Stadslaan op de overgang Bergenboulevard – Laakboulevard. Hiermee wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Alle woningen hebben in ieder geval een geluidluwe zijde en er zal worden voldaan aan de vereiste binnenwaarde. Door de aaneengesloten eerstelijns bebouwing aan de Stadslaan ontstaat voor de achterliggende grondgebonden woningen een gunstig geluidsklimaat, door de afscherming van de bebouwing in de eerste lijn.

Hiermee zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van het plan wat betreft het aspect geluid.

4.7 Geur

4.7.1 Afvalverwerkingsbedrijf

Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen ligt in de directe nabijheid van een afvalverwerkingsbedrijf. Bij dit bedrijf wordt onder andere bagger en afvalstoffen gestort, groenafval gecomposteerd en afval op- en overgeslagen en bewerkt. Dit betekent dat er in de omgeving van het bedrijf rekening gehouden moet worden met het aspect geur.

Het zuidwestelijk deel van het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen ligt binnen de invloedsfeer van het afvalverwerkingsbedrijf. Concreet betekent dit dat er op de verbeelding van het ter plaatse geldende bestemmingsplan een zone is aangeduid waarbinnen het bouwen van woningen en andere geurgevoelige functie niet mogelijk is. Dit verbod geldt tot het moment waarop de voor het plangebied bepalende delen van het afvalverwerkingsbedrijf buiten gebruik zijn gesteld en afgewerkt. Zodra hier sprake van is kan de contour verkleind worden waardoor het mogelijk wordt hier woningen en andere geurgevoelige functies te bouwen. Intussen is gebleken dat er geen belemmeringen meer zijn voor het verkleinen van de hindercontour. Om de contour formeel te verkleinen is het bestemmingsplan 'Aanpassing hindercontour vuilstort' in procedure gebracht.

4.8 Duurzaamheid

4.8.1 Normen en beleid

In 2030 wil Amersfoort een stad zonder CO2 uitstoot zijn. Deze ambitie van een duurzame stad vraagt een aanpak, die alle betrokken partijen verbindt en helpt deze ambities te realiseren. Er moet vergaande samenwerking en afstemming tussen alle ontwikkelende partijen plaats gaan vinden om lange termijnopgaven - zoals klimaat- en energieneutrale stad in 2030- te kunnen realiseren. Om CO2 (klimaatneutrale) wijken te realiseren moet de gemeente kiezen voor alternatieve, duurzame energiebronnen zoals zon, wind, aardwarmte en restwarmte. Bij alle nieuwbouwplannen worden per locatie keuzes gemaakt in het verduurzamen van de lokale warmtevoorziening.

Volgens het Rijksbeleid moeten in 2021 alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG normen (Bijna-Energie-Neutraal-Gebouw). De EPC-methodiek (energieprestatiecoëfficiënt) wordt vervangen door de BENG berekeningsmethodiek. Om Europese afspraken over het beperken van klimaatverandering te behalen moet de gemeente stevige vermindering van CO2- uitstoot en forse beperking van energieverbruik gaan realiseren. Het landelijke beleid is om in 2050 een CO2 arme gebouwde omgeving te realiseren en geen aardgas meer te gebruiken. Gemeente Amersfoort heeft ambitie om in 2030 al een klimaatneutrale gemeente te zijn. Amersfoort heeft onlangs de 'Green Deal Aardgasvrije Wijken' getekend (maart 2017) en in mei 2017 is de motie van de raad aangenomen over 'Aardgasloze Nieuwbouw'. Het Rijk zet ook stappen op dit vlak en wil de wettelijke verplichting om nieuwbouw woningen aan te sluiten op het gasnet vanaf januari 2018 laten vervallen.

4.8.2 Duurzaamheid Vathorst Algemeen

Vanuit natuur, milieu en ecologie zijn (ecologische duurzaamheid) doelstellingen geformuleerd voor het wonen, werken en recreëren in Vathorst. Milieuvriendelijk bouwen, beperken van energie- en watergebruik, integraal waterbeheer, stimuleren van openbaar vervoer, klimaatbestendig bouwen (minimaliseren van bestrating en het regenwaterdirect infiltreren), circulair bouwen (grondstoffenproblematiek en circulaire economie) en beperken van automobiliteit zijn daarbij uitgangspunten. Omdat de wijk ruimte wil bieden aan een verscheidenheid aan leefvormen en behoeften, óók voor toekomstige generaties, is flexibiliteit het uitgangspunt; de wijk moet veranderingen in de tijd kunnen opnemen, technisch solide zijn en in beeld en gebruiksmogelijkheden blijven appelleren aan de behoeften. Flexibiliteit van de basisstructuur is één duurzaamheidaspect en richt zich op de functionele duurzaamheid. Flexibel betekent hier dat woningen zonder grote (milieu)problemen kunnen worden aangepast, gesplitst of samengevoegd of zelfs van functie kunnen veranderen. Compact bouwen rond haltes, stations en centrumvoorzieningen draagt bij aan het beperken van de mobiliteit en leidt tot energiebesparing.

4.8.3 Economische en sociale duurzaamheid

Economische duurzaamheid richt zich op de fysieke en functionele levensduur van de wijk. Duurzaamheid in deze zin betekent het voorkomen van kapitaalvernietiging door slijtage en gebrek aan flexibele gebruiksmogelijkheden. Maar evenzeer moet gedacht worden aan de aanwezigheid van economische functies, gericht op het functioneren van de wijk. De mogelijkheid van hun ontwikkeling mag niet worden beperkt door de ruimtelijke structuur en de (afwezigheid van) relaties en verbindingen.

Vanuit het oogpunt van sociale duurzaamheid zijn aan de wijk gehechte bewoners nodig. De basis hiervoor is een aangename wijk, waar het woongenot wordt bepaald door de woning en de woonomgeving en door de voorzieningen en relaties. De verscheidenheid en menging van leefstijlen, de vele functionele mogelijkheden, het kunnen veranderen van woning binnen de wijk (wooncarrière), de vrije keuzes in individualiteit en collectiviteit zijn enkele van de aspecten die hiertoe bijdragen.

4.8.4 Energievisie in Vathorst

Er zijn diverse mogelijkheden om aan de landelijke en gemeentelijke ambities op het gebied van energie te voldoen. Er zal daarom een keuze moeten worden gemaakt voor een energieconcept. Hierbij kan worden gekozen voor lokale of collectieve oplossingen. Voor elke nieuw te ontwikkelen locatie dient een energievisie gemaakt worden die per gebied, de bestaande kansen en kwaliteiten in kaart brengt.

Er wordt optimaal gebruik gemaakt van passieve zonne-energie door een optimale zongerichte verkaveling en ontwerp, bouwtechnische maatregelen (onder andere extra isolatie, toepassen van zonneboilers, geclusterd compact bouwen en warmteterugwinsystemen uit ventilatielucht). Er wordt gestreefd naar maximale energie inzet, afkomstig van duurzame bronnen (zon, warmte- en koude opslag, biomassa).

4.8.5 Grondstoffen / afval

De inzet bij de planontwikkeling van Vathorst richt zich enerzijds op het beperken van het gebruik van grondstoffen. Dit betreft zowel de materiaaltoepassing bij de realisatie van de wijk (beton, zand, hardhout) als het gebruik van energie en water. Anderzijds wordt er naar gestreefd het milieu zo min mogelijk te belasten met afvalstoffen en met vervuiling van bodem, water en lucht.

Vanaf januari 2018 is in het Bouwbesluit de verplichting opgenomen om een MPG berekening (Milieu Prestatie Gebouwen) voor woningen en kantoren te maken. De MPG methodiek geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100m².

De MPG is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Na jaren van ervaring opdoen met de MPG, is deze vanaf 1-1-2018 verplicht en moet het resultaat voldoen aan de grenswaarde van 1,0 €/m2 Bvo per jaar. Met de MPG is een belangrijke stap gezet om de effecten van het gebruik van grondstoffen in de bouw serieus als criterium geaccepteerd te krijgen.

Voor uitlogende bouwmetalen (koper, lood en zink) voor zover deze worden toegepast op plaatsen die zijn blootgesteld aan weersinvloeden, geldt een toepassingsverbod gebaseerd op het gemeentelijk bodembeleid (Nota bodembeheer 2013). Daarnaast dient FSC gecertificeerde hout of gemodificeerd hout zoals verhit vuren (o.a. Plato) of geacetyleerd hout (Accoya) te worden toegepast. Naast FSC gecertificeerd hout wordt ook hout met het PEFC keurmerk geaccepteerd. Het PEFC gecertificeerde hout is anders gecertificeerd dan FSC gecertificeerd hout, maar beide keurmerken streven naar duurzaam geproduceerd hout.

Amersfoort wil in 2030 een stad zonder afval zijn. Een integraal, op duurzaamheid gericht, afvalbeheer behelst een samenhang tussen de wijze van afvalinzameling en de daaruit voortvloeiende stedenbouwkundige maatregelen. Afvalinzameling in het plangebied gebeurt bovengronds. De gemeente heeft beleid voor de inzameling van afval bij huishoudens in de laagbouw en de hoogbouw in Amersfoort. Het raadsvoorstel en bijbehorend uitwerkingsplan nieuwe afvalinzameling zijn op 6 december 2016 vastgesteld in de raad. Dus dit afvalbeleid geldt ook voor alle nieuwe bouwlocaties. Hierin is omgekeerd inzamelen uitgewerkt voor laagbouw, voor hoogbouw is nu alleen de restafvalinzameling met ondergrondse afvalcontainers geregeld.

Amersfoort gaat de komende jaren over op 'omgekeerd inzamelen'. Hierbij worden papier en GFT (groente, fruit en tuinafval), PMD (plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankenkartons) voortaan aan huis opgehaald. De afvalcontainers voor deze grondstoffen worden op eigen terrein geplaatst. Amersfoorters brengen voortaan het restafval zelf weg naar ondergrondse containers in de buurt. Deze ondergrondse afvalcontainers worden wel in openbare ruimte gesitueerd. Dit betekent dat bewoners geen minicontainer aan huis meer krijgen voor restafval. In plaats daarvan komt een minicontainer met oranje deksel aan huis; deze is voor PMD. Er moeten gemiddeld 100 huishoudens worden aangesloten op een ondergrondse restafvalcontainer. Deze ondergrondse restafvalcontainer moet binnen 150 meter liggen van de huishoudens. Standaard moet er bij elke nieuwbouw ontwikkeling in overleg met ROVA een nieuwe afval ophaalsysteem ontwikkeld worden.

4.8.6 Duurzaamheid in relatie tot het plangebied

Bij de ontwikkeling van het plangebied is hetgeen in de vorige paragrafen is geschreven over duurzaamheid het uitgangspunt. Amersfoort heeft de ambitie om in 2030 een stad zonder CO2 uitstoot te zijn. Dit betekent dat alle nieuwbouw vanaf nu minimaal energieneutraal en aardgasloos moet worden gebouwd. Bij de nieuwe wijkuitbreiding Laak 2B - Laakse Tuinen wordt maximaal ingezet op energie afkomstig van duurzame bronnen (zon, warmte- en koude opslag, maximale warmtevraag beperking door zeer hoge isolatiewaarde woningen). Het betekent dat deze nieuwe wijkuitbreiding aardgasloos ontwikkeld wordt en er daarnaast gestreefd wordt het geheel zo veel als mogelijk energieneutraal te realiseren.

4.9 Flora en fauna

Wet natuurbescherming

Op 1 januari 2017 is de nieuwe Wet natuurbescherming in werking getreden. Hierin zijn de Natuurbeschermingswet 1988, de Boswet en de Flora- faunawet samengevoegd. Met inwerkingtreding van deze wet is het decentralisatieproces van het natuurbeleid formeel afgerond. Daarmee hebben de provincies de regie over het natuurbeleid in de regio, waarbij ook de bevoegdheden van het Rijk naar de provincies zijn overgedragen.

Versterking regionaal natuurbeleid

De decentralisatie van deze verantwoordelijkheden naar provincies geeft provincies meer mogelijkheden hun natuurbeleid vanuit een eigen regionale benadering en in samenspraak met regionale partners te versterken. Goed regionaal ingebed natuurbeleid draagt bij aan het behouden, ontwikkelen en verbinden van de natuur. Provincies stellen hiertoe onder meer een eigen provinciale natuurvisie op. In de op grond van de nieuwe wet opgestelde provinciale verordeningen zijn de provinciale regels voor bescherming van gebieden (Natura 2000), dieren en bomen opgenomen.

Extra verantwoordelijkheden provincies

Voor onderdelen van de oude natuurwetgeving, zoals ontheffingen in het kader van schadebestrijding, waren provincies al verantwoordelijk. Deze provinciale verantwoordelijkheden worden uitgebreid met verantwoordelijkheden die tot 1 januari 2017 nog aan het rijk toebehoorde. Dit betreft met name de verlening van vergunningen en ontheffingen in het kader van de bescherming van dieren, planten bij ruimtelijke ingrepen. Voortaan moet bijvoorbeeld ook het kappen van bomen ook bij de provincie worden gemeld en zien zij toe op de uitvoering van de herplantplicht. In beide gevallen worden provincies ook verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving. Tot 1 januari lagen al deze verantwoordelijkheden nog bij het Rijk (i.c. de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland).

Faunabeheer en faunaschade 

Het faunabeheerplan wordt het centrale plan voor het gehele faunabeheer. Populatiebeheer, schade- en overlastbestrijding en de jacht op de wildsoorten moeten conform het faunabeheerplan wordt uitgevoerd. De provincies stellen in hun verordeningen regels vast waar deze faunabeheerplannen aan dienen te voldoen. Het faunabeheerplan wordt opgesteld door de faunabeheereenheid. De wet natuurbescherming regelt dat in het bestuur van de faunabeheereenheden ook maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zijn. Provincies hebben hierover afspraken gemaakt met de faunabeheereenheden. De verlening van tegemoetkomingen voor faunaschade is naar de twaalf afzonderlijke provincies gedecentraliseerd. Tot 1 januari 2017 was hiervoor een zelfstandig bestuursorgaan (het Faunafonds) verantwoordelijk. De provincies hebben met elkaar afgesproken dat zij de uitvoering van deze taak gezamenlijk vorm blijven geven in de gezamenlijke uitvoeringsorganisatie BIJ12.

4.9.1 Natuurwaarden in relatie tot het plangebied

Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen wordt in het geheel bouwrijp gemaakt om de beoogde woningbouw te kunnen realiseren. Concreet betekent dit dat de bodem wordt opgehoogd, watergangen worden gedempt en de aanwezige bomen en groenstroken verwijderd worden. Om inzicht te krijgen in de gevolgen hiervan voor de eventueel aanwezige natuurwaarden is een natuurtoets uitgevoerd door middel van een literatuuronderzoek aangevuld met een veldonderzoek in de periode februari - juli. De resultaten zijn te vinden in het rapport van juli 2017 'Natuurtoets Laak 2B, Amersfoort Vathorst' van Viridis, onderzoeksbureau voor natuur en landschap. Dit onderzoek maakt als Bijlage 7 deel uit van deze toelichting.

Binnen de begrenzing van het plangebied zijn beschermde soorten aangetroffen. Het gaat om de dwergvleermuis, rosse vleermuis, bruine kikker en kleine watersalamander. De aanwezige soorten kunnen mogelijk negatieve effecten ondervinden.

De bruine kikker en kleine watersalamander zijn opgenomen op de algemene vrijstellingslijst van de provincie Utrecht waardoor er geen ontheffing noodzakelijk is. Er worden geen essentiële onderdelen van het leefgebied van de dwergvleermuis en rosse vleermuis aangetast.

Het niet noodzakelijk om een ontheffing van de Wet natuurbescherming te vragen voor de vleermuizen. Dit valt of staat wel met het behoud van de primaire vliegroute aan de oostzijde van het plangebied waardoor het zeer belangrijk is dat deze vliegroute behouden blijft en dat er voldoende maatregelen worden genomen om de functionaliteit van deze vliegroute te garanderen.

  • Bij het uitvoeren van de werkzaamheden in de omgeving van de vliegroute dient het gebruik van nachtelijke verlichting vermeden te worden. Indien er toch in de nachtelijke uren gewerkt wordt mag deze verlichting niet uitstralen in de richting van de vliegroute;
  • Eventuele permanente verlichting langs de bomenrij dient naar beneden gericht te zijn, deze verlichting mag niet naar boven uitstralen;
  • Eventuele aanwezige of in de toekomst te ontstane gaten dienen (direct) opgevuld te worden met nieuwe aanplant.

Met betrekking tot vogels dienen de volgende algemene maatregelen uitgevoerd te worden:

  • Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met mogelijke broedgevallen van algemene broedvogels. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden in het broedseizoen (half maart – eind juli) dient het gebied voor aanvang gecontroleerd en vrijgegeven te worden door een deskundige;
  • Vanwege de al aanwezige kolonie oeverzwaluwen dient er tijdens uitvoering van de werkzaamheden zorg voor gedragen te worden dat er geen steile zandwanden (1:1) aangelegd worden. Oeverzwaluwen keren elk jaar terug naar hun broedlocaties en koloniseren daarbij snel potentiële broedlocaties.
  • Ook buiten het broedseizoen zijn broedgevallen mogelijk, indien tijdens het uitvoeren van werkzaamheden een broedgeval aangetroffen wordt dienen de werkzaamheden onmiddellijk stilgelegd te worden en dient er contact opgenomen te worden met een ter zake kundige.

In het kader van de zorgplicht dienen de aanwezige watergangen en vijver voor aanvang van de werkzaamheden leeggevist te worden waarbij de aanwezige soorten naar nabij gelegen watergangen verplaatst worden. Verder dienen alle werkzaamheden in één richting uitgevoerd te worden zodat eventueel aanwezige fauna de mogelijkheid heeft om te vluchten.

Conclusie

Wanneer de mitigerende maatregelen worden uitgevoerd, zijn negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling op strikt beschermde soorten uitgesloten. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek.

4.10 Archeologie

Op 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (als onderdeel van de Monumentenwet 1988) in werking getreden. Hiermee zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

In lijn met de archeologiewetgeving is de Amersfoortse ABP-kaart omgezet in een archeologische beleidskaart waar per gebied wordt aangegeven hoe moet worden omgegaan met de archeologie bij het ontwikkelen en uitvoeren van plannen/ bodemverstorende projecten (28 september 2010 vastgesteld door de gemeenteraad). De nieuwe beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden met verschillende kleuren. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Zo zijn er gebieden met hoge archeologische waarden en gebieden met een hoge, een middelmatige of een lage archeologische verwachting.

Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen ligt in een gebied dat volgens de Archeologische Beleidskaart Gemeente Amersfoort is aangeduid als een gebied met een lage en middelhoge archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat voor bodemingrepen met een oppervlakte van respectievelijk meer dan 10.000m² en 500 m² en dieper dan 30 cm, vooraf een archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

4.10.1 Archeologie in relatie tot het plangebied

Het Centrum voor Archeologie (CAR) van de gemeente Amersfoort heeft in opdracht van Ontwikkelingsbedrijf Vathorst middels een archeologische inventarisatie een archeologische verwachting opgesteld voor het plangebied Laakse Tuinen. De resultaten zijn opgenomen in het rapport 'Archeologische inventarisatie (BO) Laak 2B Vathorst' , nr. 55, 2017 en is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting.

Het plangebied ligt in een relatief laag gelegen dekzandvlakte met daarbinnen twee oost-west lopende kleine dekzandruggen. Door deze lagere ligging lijkt het waarschijnlijk dat het plangebied tussen het Mesolithicum en de Late Middeleeuwen door de natte omstandigheden niet bewoonbaar was. Tijdens het Mesolithicum kunnen de dekzandruggen tijdelijk in gebruik zijn geweest als uitvalsbasis om te jagen of te vissen.

Het gebied is in de 13de/14de eeuw ontgonnen. Net buiten het plangebied is toen de eerste boerderij (De WesterLaak) gebouwd, hoogstwaarschijnlijk bovenop een terp. Van de oudste bekende boerderijen in het plangebied (De Hoge Steeg en De Lage Steeg) zijn de stichtingsdata niet bekend, maar ze waren in ieder geval in 1666 aanwezig. Vanaf de 19de eeuw zijn meer boerderijen in het plangebied gekomen.

Tijdens het verkennend booronderzoek zijn twee duidelijke dekzandkopjes waargenomen. Deze dekzandkopjes zijn ook te vinden op de geomorfologische kaart. Het hoogteverschil tussen deze kopjes en de directe omgeving ligt tussen de 70 en 120 cm. Daarmee is er voor het plangebied een concrete verwachting van sporen en vondsten uit het Mesolithicum en de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Dit komt overeen met de verwachting zoals geformuleerd op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart.

Het huidige archeologiebeleid is gericht op behoud van archeologische waarden. Waar behoud in situ niet mogelijk is, wordt gestreefd naar behoud door registratie (opgraving). Archeologische resten worden binnen het plangebied blijkens de uitgevoerde inventarisatie weliswaar verwacht, maar zijn daarmee niet vastgesteld of gewaardeerd. Het opgestelde archeologische verwachtingsmodel geeft wel een indicatie van de kwaliteit van het bodemarchief in het onderzoeksgebied en de verwachte aard, vorm en datering ervan. Dit levert de basis voor het advies over de omgang met de archeologie in relatie tot de planontwikkeling en realisatie. Het advies heeft conform het beleid, behoud van de mogelijk aanwezige archeologische waarden als uitgangspunt.

Hoewel de planvorming zich nog in een vroeg stadium bevindt, is duidelijk dat bij de realisatie ervan door bodemverstorende werkzaamheden het aanwezige bodemarchief plaatselijk kunnen verstoren.

Er zijn in het plangebied twee duidelijke dekzandkopjes waargenomen. Om vast te stellen of zich op deze dekzandkopjes archeologische resten bevinden, moet er een vervolgonderzoek plaatsvinden. Geadviseerd wordt dit vervolgonderzoek in de vorm van een karterend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Tijdens dit Inventariserend Veldonderzoek middels proefsleuven - karterende fase wordt ter plaatse de aard, omvang van het bodemarchief vastgesteld. Wanneer blijkt dat er archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn, kan het onderzoek worden voortgezet waarbij tijdens dit vervolgonderzoek een waardering van deze resten plaatsvindt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00140-0201_0023.jpg"

Het vervolg van dit onderzoek wordt in het najaar van 2017 uitgevoerd. Voordat er met werkzaamheden in het plangebied begonnen kan worden, dient dit archeologisch vervolg onderzoek afgerond te zijn. Met het afronden van dit vervolgonderzoek is voldoende rekening gehouden met archeologie binnen het plangebied en is het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' niet nodig.

4.11 M.e.r.-beoordeling

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).


Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden.

De ontwikkeling Laakse Tuinen is geen activiteit dat voorkomt in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zodat geen m.e.r.-plicht geldt. In onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. wordt een stedelijke ontwikkeling van woningen vermeld onder D 11.2. Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig wanneer het betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied betreft en 2000 of meer woningen omvat. In het plangebied Laakse Tuinen mogen maximaal 1200 woningen worden gebouwd, wat maakt dat er geen m.e.r.-beoordeling nodig is.

Wanneer toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu, geldt de verplichting voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling ook voor activiteiten waarvan de drempelwaarde niet wordt overschreden. In deze gevallen moet gemotiveerd worden of een m.e.r.-beoordeling al dan niet nodig is. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor deze toets gelden geen vormvereisten; daarom wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten op het gebied van milieu voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De conclusie van alle onderzoeken is dat nadelige milieugevolgen als gevolg van de plannen voor het bouwen van woningen in het plangebied zijn uitgesloten.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

Het voorliggende plan vormt een uitwerking van de bestemming 'Wonen uit te werken' uit het bestemmingsplan Hooglanderveen en Vathorst en de bestemming 'uit te werken woondoeleinden, bedrijfsdoeleinden en kantoordoeleiden (UWBK)' uit het bestemmingsplan Vathorst. Het betreft hier een globale bestemming die door burgemeester en wethouders dient te worden uitgewerkt. De uitwerkingsplicht en het kader waarbinnen dit moet gebeuren is te vinden in de regels van genoemde bestemmingsplannen (artikel 35 en 5).

Het uitwerkingsplan bestaat uit een verbeelding en bijbehorende regels en gaat vergezeld van deze toelichting. Op de verbeelding worden via een combinatie van coderingen, arceringen en lijnen de bestemmingen van de gronden aangegeven. De materiële inhoud van de bestemmingen is opgenomen in de regels.

De procedure die bij de totstandkoming van het uitwerkingsplan gevolgd dient te worden is te vinden in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. De belangrijkste punten in deze procedure zijn de terinzagelegging gedurende zes weken en vervolgens het vaststellen van het uitwerkingsplan door het college van burgemeester en wethouders. Tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders over de vaststelling kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.1.1 Principe opzet plangebied

In het voorliggende uitwerkingsplan is gekozen voor een regeling met een zekere mate van flexibiliteit. Dat wil zeggen dat er een binnen de gestelde grenzen een bepaalde keuzevrijheid is bij de omvang en situering van de gewenste ontwikkelingen binnen de bestemmingen. Door een uitgebreid stelsel van regels is bereikt dat de toekomstige belanghebbenden in het gebied de nodige rechtszekerheid wordt geboden. Het kan in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn nadere eisen te stellen om bepaalde, met name genoemde, waarden te beschermen.

In voorliggend uitwerkingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen:

  • Wonen - 5
    De gronden binnen deze bestemming zijn bedoeld voor de ontwikkeling van woningbouw in alle vormen. Hierbij geldt wel dat de bouwhoogte maximaal 12 meter mag bedragen en het totaal aantal woningen de 1200 niet mag overschrijden. Als uitzondering op deze regel geldt dat 20% van de woningen een hoogte van maximaal 21 meter mag hebben. Verder is het plangebied, binnen de in de regels gestelde kaders, flexibel in te vullen.
  • Verkeer en Verkeer - Verblijfsgebied
    De in het plangebied gelegen Stadslaan wordt gekenmerkt als een gebiedsontsluitingswegen en krijgt daarom de bestemming 'Verkeer'. De overige wegen zijn de erftoegangswegen. Van deze erftoegangswegen zijn de lange lanen in noord-zuid richting van belang voor de structuur van het plangebied en zijn om die reden bestemd als 'verkeers- en - verblijfsgebied'. Alle overige woonstraten kunnen binnen woonbestemming aangelegd worden.
  • Groen
    Het plangebied Laak 2B - Laakse Tuinen krijgt een zeer groen karakter. De gronden die van belang zijn om dit karakter in stand te houden zijn bestemd als 'Groen'. Het gaat dan met name om grotere groenvoorzieningen, parkjes en plantsoenen. De belangrijkste laanbeplantingen worden via een aanduiding op de verbeelding opgenomen. deze bevinden zich veelal binnen de bestemming 'Verkeer en 'Verkeer - verblijf'. Binnen de bestemming 'Groen' mag niet gebouwd worden, anders dan enkel nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en verlichtingselementen.
  • Water
    Net als bij de bestemming 'Groen' geldt voor water dat de belangrijkste watergangen, die karakteristiek worden voor het plangebied bestemd als 'Water'. Dit geldt eveneens voor de watergangen in het plangebied die door het waterschap zijn geclassificeerd als primaire watergangen. Het is mogelijk om aanlegsteigers , bootinlaatplaatsen en kadetrappen te maken. Daarnaast wordt in de Laak ruimte geboden aan maximaal vijf woonschepen. Het gebied waarbinnen deze mogen komen is met een aanduiding aangegeven, met daaraan gekoppeld de regels die gelden voor de woonschepen.
  • Tuin
    Voor de woonschepen in de Laak is op de oever een gedeelte grond met een bestemming 'Tuin' opgenomen. Deze grond is bedoeld voor een kleine berging en voor een kavelafscheiding met een maximale hoogte van 1 meter.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Bij de beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan gaat het zowel over het overleg dat bij de voorbereiding van het plan gevoerd is, als om de economische uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid speelt ook de handhaving een belangrijke rol.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Gelet op het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (= Besluit ruimtelijke ordening) aangewezen bouwplan is voorgenomen. Echter, bij de vaststelling van een uitwerkingsplan hoeft geen exploitatieplan te worden vastgesteld.

Voor de realisering van het bestemmingsplan Vathorst is de gemeente Amersfoort een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met Ontwikkelingsbedrijf Vathorst. De uitvoering is voor rekening en risico van Ontwikkelingsbedrijf Vathorst. De plankosten voor het opstellen van het uitwerkingsplan zijn verhaald. Op basis van de op dit moment beschikbare informatie is het uitwerkingsplan economisch uitvoerbaar.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Inleiding

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Het concept uitwerkingsplan is daarom voor commentaar toegestuurd naar de provincie Utrecht, de Regionale Uitvoeringsdienst RUD en het waterschap Vallei en Veluwe. Het concept is bovendien voorgelegd aan de Veiligheidsregio Utrecht.

Het uitwerkingsplan is in overeenstemming met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan Hooglanderveen en Vathorst. Dit plan is in 2013 vastgesteld. Over dit plan (en daarmee over de uitwerkingsregels) is overleg gevoerd met diverse instanties en bestond voor iedereen de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen.
Er zijn destijds geen reacties ontvangen waaruit blijkt dat de mogelijke ontwikkelingen in het voorliggende plangebied onacceptabel zijn. Daarom is het vooroverleg ook beperkt tot de bovengenoemde instanties.

6.3.2 Reacties op het concept uitwerkingsplan

In antwoord op het toegestuurde concept uitwerkingsplan heeft de Veiligheidsregio Utrecht (verder: VRU) per brief op het plan gereageerd. Het Waterschap en de provincie hebben respectievelijk per mail en mondeling aangegeven met het plan in te kunnen stemmen. Omdat van de RUD geen reactie is ontvangen, gaan we er vanuit dat ook zij met de inhoud van het uitwerkingsplan instemmen.

Advies van de VRU

De VRU heeft kennis genomen van het concept uitwerkingsplan Laak 2B - Laakse Tuinen' en komt kort samengevat tot het volgende:

  • 1. Het leidingtracé is (nog) niet voorzien van een belemmeringenstrook.
  • 2. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van buisleidingen waardoor transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Als gevolg van de ontwikkeling neemt het groepsrisico per kilometer toe, wat een toename van het potentieel aantal slachtoffers betekent van 26 naar 132. De beoogde locatie van de school is buiten het uitwerkingsplan gelaten, maar wel in de berekening van het groepsrisico meegenomen. Vathorst-West en Vathorst Noord zijn niet meegenomen. Geadviseerd wordt om berekening van het groepsrisico uit te breiden met de verwachte gegevens over gebruik en populatie van deze 2 toekomstige uitbreidingen. Daarnaast wordt geadviseerd om te zoeken naar een andere locatie voor de school, gelegen buiten het invloedsgebied van de aanwezige aardgastransportleiding.
  • 3. De huidige infrastructuur behoeft aanpassing voor de eventuele komst van de school in verband met het faciliteren van vluchtroutes die van de buisleiding aflopen.
  • 4. Wanneer er in de toekomst toch een school komt op de beoogde locatie in dit gebied, wordt geadviseerd de kans op een breuk van de aardgastranportleidingen te verkleinen. Dit kan door het aanbrengen van speciale gele kunststof beschermingsplaten boven de transportleidingen binnen 260 meter van de school.
  • 5. Geadviseerd wordt geen activiteiten op en/of nabij de gasleidingen te laten plaatsvinden, waarbij er gevaar is dat de aardgasleiding kapot kan gaan.
  • 6. Over de gedetailleerde planuitwerking graag in overleg treden met het VRU in verband met de bereikbaarheid en bluswatervoorziening van het plangebied en de risicobronnen.

Gemeentelijke reactie op advies VRU

Ad 1: Op de verbeelding van het uitwerkingsplan zoals dat voor iedereen ter inzage is gelegd, is het leidingtracé voorzien van een belemmeringenstrook.

Ad 2: Op het moment dat het groepsrisico is berekend, was er nog sprake van de komst van de school. Vandaar dat deze in de berekening meegenomen is. Intussen is onzekerheid ontstaan over de locatie van de school. Wanneer daar meer duidelijkheid over is, dient daar een zelfstandige procedure voor gevolgd te worden. Daarbij zal uiteraard opnieuw gekeken worden naar het groepsrisico.
Er is op dit moment geen aanleiding om het onderzoek aan te passen in verband met de ontwikkeling van Vathorst-West en Vathorst-Noord. Er is weliswaar besloten dat in deze gebieden nog ontwikkelingen plaatsvinden, maar deze zijn onvoldoende uitgewerkt om aannames op te doen. Voor beide gebieden zullen bestemmingsplannen opgesteld worden waarbij tevens sprake zal zijn van een onderzoek naar externe veiligheid.

Ad 3: Zie hiervoor onder 2. In het geval de school toch binnen het gebied Laak 2B - Laakse Tuinen gebouwd worden, moet dit aspect bekeken worden en waar nodig dienen gepaste maatregelen getroffen te worden.

Ad 4: Dit advies wordt meegenomen in het geval er wordt besloten tot de komst van een school op de locatie zoals meegenomen in het onderzoek.

Ad 5: Ter plaatse van de gasleiding is de bestemming 'Groen' opgenomen. Hier zullen geen activiteiten toegelaten worden waarbij er kans bestaat op het kapot maken van de aardgasleiding.Daarnaast beschermd te
omgevingsvergunningplicht zoals opgenomen in de dubbelbestemming
'Leiding - gas' de leiding tegen ongewenste grondbewerkingen.

Ad 6: Het gevraagde overleg zal worden gepland.

6.3.3 Procedure uitwerkingsplan

Het uitwerkingsplan zal de procedure doorlopen zoals die is bepaald in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat het uitwerkingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. De uitkomsten van deze terinzagelegging zullen in dit hoofdstuk worden verwerkt. De verwachting is dat hiermee de maatschappelijke uitvoerbaarheid bevestigd wordt.