direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Meridiaan 14 - Voormalige Vreekampgarage
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0307.BP00177-0201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Schoonderbeek BV is sinds mei 2017 eigenaar van het perceel Meridiaan 14, waar voorheen de Vreekampgarage was gevestigd. De garage is een aantal jaren geleden leeg gekomen. Boven de garage bevinden zich twee appartementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0001.png"

Voormalige garage Vreekamp (bron: www.bestegarage.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0002.png"

Luchtfoto 2015

Schoonderbeek BV is van plan om het huidige pand te slopen en op deze plek 30 woningen te ontwikkelen. De beoogde ontwikkeling is strijdig met het geldende bestemmingsplan 'Amersfoort-oost'. De bestemming 'Gemengd-2' laat op de begane grond bedrijvigheid en detailhandel toe. Het 'wonen' op de begane grond past dus niet binnen de huidige bestemming. Ook worden het maximaal toegestane aantal bouwlagen overschreden en wordt buiten het bouwvlak gebouwd. Om mee te kunnen werken met deze ontwikkeling is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

Op 2 juli 2019 is door de gemeenteraad het stedenbouwkundig plan voor de herontwikkeling van de voormalige Vreekamp garage vastgesteld (raadsbesluit 5953110). Dit stedenbouwkundig plan vormt de basis voor dit bestemmingsplan en het te ontwikkelen bouwplan.

1.2 Bestemmingsplan

1.2.1 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het bestemmingsplan 'voormalige Vreekampgarage” wordt gemaakt voor het perceel 'Meridiaan 14' in Amersfoort. De locatie ligt midden in de wijk 'De Koppel' en net buiten de binnenstad van Amersfoort. Het gebied van de tegenwoordige wijk wordt al in de middeleeuwen De Koppel genoemd. Het vormde de overgang van de binnenstad van Amersfoort naar het lager gelegen terrein tussen Amersfoort en Hoogland. Het gebied tussen het Valleikanaal, de spoorlijn en de Hooglandseweg werd pas in de periode 1962-1971 ontwikkeld. Enkele straatnamen in de wijk verwijzen naar geschiedenis en kenmerken van het gebied. Straten in De Koppel zijn genoemd naar gilden, sterrenbeelden, soorten schepen, plantkundige termen en landbouwtermen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0003.png"

Ligging planlocatie in de wijk De Koppel

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0004.png"

Begrenzing plangebied

Het plangebied heeft in totaal een oppervlakte van circa 1750 m². Het plangebied ligt op de hoek van de openbare wegen de Meridiaan en de Keerkring. Ten zuiden, aan de overkant van de Keerking, ligt de middelbare Vmbo-school Het Element. Aan de westkant ligt de toegangsweg/inrit die leidt naar het binnenterrein van de woningen aan de Meridiaan en het Zuiderkruis, met daarachter de achtertuinen en de woningen aan het Zuiderkruis. Aan de noordkant van het plangebied ligt het binnenterrein van de woningen aan de Meridiaan en de winkelstrip met bovenwoningen aan de Meridiaan.

1.2.2 Geldend bestemmingsplan

Meridiaan 14 ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Amersfoort-oost", vastgesteld op 2 oktober 2012. De bestemming van het perceel is 'Gemengd-2' met als functieaanduiding 'bedrijf'. Er geldt een dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2'.

De bestemming 'Gemengd-2' geeft voor de begane grond de mogelijkheid voor detailhandel, maatschappelijke voorzieningen, administratieve, financiële en zakelijke dienstverlening en een bedrijf uit categorie 1 of 2. Op de verdieping is de functie 'wonen' toegestaan. Aan de zijde van de Meridiaan zijn maximaal 2 bouwlagen toegestaan. Het deel van de bebouwing dat daarachter ligt mag maximaal 1 bouwlaag hoog zijn.

Het beoogde bouwplan is strijdig met het geldende bestemmingsplan.

De functie 'wonen' op de begane grond past niet binnen de bestemming. Op de verbeelding van het bestemmingsplan is een bouwvlak aangegeven. Hoofdgebouwen moeten binnen dit bouwvlak worden gebouwd. Een deel van de beoogde bebouwing valt hierbuiten. Bebouwing mag deels maximaal 1 en deels maximaal 2 bouwlagen hoog worden gebouwd. De beoogde bebouwing bestaat deels uit 3 en deels uit 5 bouwlagen.

Het geldende bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid om mee te kunnen werken aan de beoogde ontwikkeling. Om het plan te kunnen realiseren is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0005.png"

Verbeelding geldend bestemmingsplan "Amersfoort Oost"

1.3 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het bindende deel van het bestemmingsplan.

De toelichting begint na dit inleidende hoofdstuk met de voor het bestemmingsplan relevante beleidskaders in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 staat een beschrijving van het nieuwbouwplan. De omgevingsaspecten worden in hoofdstuk 4 uiteengezet. De juridische planopzet wordt toegelicht in hoofdstuk 5, waarbij een korte toelichting op de regels wordt gegeven. Tot slot behandelt hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

De regels zijn ingedeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 staan de regels voor de verschillende bestemmingen. Het betreft regels over bebouwing en gebruik van de gronden. Algemene regels, die betrekking hebben op alle bestemmingen, zoals algemene bouwregels, staan in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat het overgangsrecht en de slotregel.

Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen waar gelden. Door in de digitale verbeelding te klikken (zie www.ruimtelijkeplannen.nl), zijn alle relevante gegevens voor de betreffende locatie te zien.

Hoofdstuk 2 Beleidskaders

2.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid voor het bestemmingsplan "Voormalige Vreekampgarage". Dit beleid vormt het kader van toetsing van de huidige situatie en nieuwe ontwikkelingen. Het beschreven beleidskader is daarmee een van de belangrijkste bouwstenen voor de visie op het plangebied en de opzet van de juridische regelingen.

Vanwege de beperkte omvang en de binnenstedelijke ligging van de ontwikkeling is een beschrijving van het provinciale- en rijksbeleid achterwege gelaten. De ontwikkeling is niet in strijd met het beleid. De relevante milieuwetgeving komt aan de orde in Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten.

2.2 Modelkeuze voor procedure bestemmingsplan en startnotitie

Het nieuwbouwplan voor de ontwikkeling van appartementen is strijdig met het geldend planologisch regime, te weten het bestemmingsplan 'Amersfoort-oost'. Het is belangrijk om deze ontwikkeling uit te voeren, omdat de huidige bovenwoningen niet meer voldoen aan de eisen van deze tijd en genomineerd zijn voor sloop. Het gebouw staat op de begane grond leeg. Met de nieuwbouw ontstaan er woningen die aansluiten bij de vraag en de eisen van deze tijd. Er kan zo doorstroming ontstaan uit sociale huurwoningen naar woningen in het middeldure huursegment en koopsegment. Er wordt daarnaast een positief effect verwacht met betrekking tot het verbeteren van de leefbaarheid in de buurt en de wijk, doordat een einde komt aan een leegstandsituatie en met dit programma woningen worden gerealiseerd voor draagkrachtige huishoudens.

Modelkeuze

In de gemeente Amersfoort is de procedure voor de bestemmingsplannen vastgelegd in de notitie 'Rol van de Raad in RO-procedures' (januari 2010). In deze notitie wordt een driedeling gemaakt in soorten bestemmingsplannen: model 1, 2 en 3 plannen. Model 1 volgt in feite de wettelijk voorgeschreven behandeling met een zo kort mogelijke procedure, model 2 voegt hieraan een extra moment van kaderstelling door de raad toe en model 3 voorziet in de meest uitgebreide behandeling.

Op 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad ingestemd met het volgen van de procedure behorende bij model 2 voor dit bestemmingsplan. Model 2 wordt onder meer toegepast bij voor belangrijke ontwikkelingen die niet passen binnen het geldende planologische regime. Voor dit soort gebieden is het wenselijk dat de raad van te voren kaders vaststelt in de vorm van een startnotitie. Daarna kan het ontwerpbestemmingsplan ter inzage worden gelegd.

Startnotitie

In de vergadering van 1 oktober 2019 heeft de gemeenteraad bij besluitnummer 1127057 ook de startnotitie voor het bestemmingsplan “Voormalige Vreekampgarage - Meridiaan 14” vastgesteld. Deze startnotitie geeft een beeld van aanleiding, de uitgangspunten, de werkwijze en een planning, gebaseerd op het Stedenbouwkundig plan dat op 2 juli 2019 is vastgesteld door de raad, en de opzet van het nieuwe bestemmingsplan.

2.3 Structuurvisie Amersfoort 2030

De gemeenteraad van Amersfoort heeft de Structuurvisie Amersfoort 2030 op 9 juli 2013 vastgesteld. In de Structuurvisie geeft Amersfoort onder meer aan haar vitaliteit te willen vergroten door de kenniseconomie te versterken en het woonklimaat nog aantrekkelijker te maken.

Aangename woonwijken blijven onverminderd aantrekkelijk voor jong en oud, gezin en alleenstaand. Wijken worden aantrekkelijker door werken en voorzieningen waar dat kan meer te mengen. Wijken bieden uiteraard ook rustig en veilig woongenot waar dat hoort.

De openbare ruimte biedt voor mensen mogelijkheden om elkaar te ontmoeten. Vanuit de wijken willen we optimale verbindingen met het groen in de stad en het landschap buiten de stad. Werklocaties zijn voor Amersfoort vitaal en multifunctioneel. De bereikbaarheid daarvan verbeteren we door optimalisering van de infrastructuur. Zo ontstaat een nieuw en duurzaam evenwicht tussen economische dynamiek, de kwaliteit van de leefomgeving en de bereikbaarheid.

Uitgangspunten

Een uitnodigingsplanologie vraagt om uitgangspunten. Die worden in de structuurvisie dan ook meegegeven. Bijvoorbeeld dat plannen een bijdrage moeten leveren aan duurzaamheid, aan de fysieke, sociale of economische kwaliteit van de stad, moeten bijdragen aan de diversiteit van de stad of voortbouwen op bestaande cultuurhistorische kwaliteiten.

Amersfoortse principes

Naast de uitgangspunten zijn er negen Amersfoortse principes die voor bepaalde plekken in meer of mindere mate van toepassing zijn. Die principes hebben te maken met leefklimaat, bereikbaarheid en economie. Het gaat dan bijvoorbeeld om levendigheid, een goed netwerk van winkels, scholen en ontmoetingsplekken, een gevarieerd woningaanbod, ruimte voor de fiets, keuzevrijheid en mogelijkheden voor vervoermiddelen en functiemenging van wonen en werken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0006.png"

Uitsnede visiekaart Amersfoort 2030, plangebied ligt binnen het gebied waar stedelijke ontwikkelingen vanuit het Stadshart mogelijk zijn.

Relatie met dit bestemmingsplan

Met het herontwikkelen van deze locatie wordt een aantrekkelijker woonklimaat gerealiseerd in dit gebied. De wijk De Koppel is op de visiekaart 'Amersfoort 2030' aangeduid als een gebied waar stedelijke ontwikkelingen vanuit het Stadshart mogelijk zijn. Het stedelijk karakter van het Stadshart wordt versterkt door een groter en gevarieerder woningaanbod in en rondom het Stadshart. Als belangrijke plek voor nieuwe gevarieerde woonmilieus wordt in de visie onder andere de Meridiaan genoemd. Met het toevoegen van deze woningen in een compact gebouw van maximaal 5 bouwlagen wordt het stedelijk karakter versterkt. Bovendien wordt de differentiatie van de woningvoorraad in deze wijk vergroot. Doorstroming van sociale huurwoningen naar middeldure huurwoningen en sociale koopwoningen wordt met deze ontwikkeling mogelijk gemaakt. Dit past binnen de uitgangspunten en principes die voor Amersfoort gelden en sluit aan op het programma 'Amersfoort Vernieuwt'.

2.4 Woonvisie Amersfoort 2011-2020 en Strategie sociale woningbouw

Programma voor de stad

De vraag naar wonen in Amersfoort is en blijft groot. Voldoende nieuwbouw is belangrijk om de doorstroming op gang te houden zodat er in alle segmenten van de markt woningen beschikbaar komen. Voldoende planologische ruimte voor de realisatie van gemiddeld 900 woningen per jaar.

Uitgangspunt voor het woningbouwprogramma vormen de uitbreiding van het centrumstedelijk woonmilieu, het versterken van de naoorlogse wijken en de verdere uitbouw van het groenstedelijk wonen in Vathorst. Alleen voor de grotere nieuwbouwlocaties omschrijven we de gewenste woonmilieus en geven richting aan de wijze waarop deze locaties worden ingevuld (woonmilieuprofiel). Hierin worden de randvoorwaarden voor de planontwikkeling meegegeven over de woningdichtheid, functiemenging, parkeren, financiële doelgroepen en de openbare ruimte. Naast de uitbreiding van het groenstedelijk woningaanbod in Vathorst (sterk gericht op gezinnen) en met de vernieuwingsopgave van Amersfoort Vernieuwt, ligt er een opgave in de uitbreiding van het aanbod centrumstedelijk wonen in Amersfoort. Hiermee versterken wij de positie als stedelijk hart van de regio.

Nieuwbouw in bestaande wijken

Voor andere delen van de stad en bij ontwikkelingen op kleinere locaties zal de nieuwbouw moeten passen binnen het daar aanwezige woonmilieu en ligt de focus op een zorgvuldig proces van de programmakeuze.

Kwaliteitseisen

De centrumstedelijke compacte invulling van locaties rondom de binnenstad sluit aan bij de duurzaamheidsambitie die uitgaat van intensief ruimtegebruik. Voor een duurzame stad is het daarnaast nodig dat nieuwbouwwoningen voldoende kwaliteit en toekomstwaarde hebben. Vanuit woonbeleid zijn energiebesparende maatregelen en energiezuinige nieuwbouw belangrijk omdat energielasten een steeds groter onderdeel vormen van de woonlasten. Mensen met lage inkomens wonen veelal in slecht geïsoleerde woningen en worden daardoor extra getroffen door de stijgende energieprijzen. Bij nieuwbouw moet zoveel mogelijk gestreefd worden naar energieneutraal bouwen.

Strategie sociale woningbouw

Amersfoort kent een grote vraag naar betaalbare huurwoningen en een teruglopende huurwoningenvoorraad. De wachttijden voor een huurwoning lopen op en ook de vraag naar woningen voor urgente groepen wordt groter, door toename van het aantal statushouders en door veranderingen in de zorg die maken dat mensen steeds vaker zelfstandig wonen in plaats van in een instelling. In november 2015 hebben gemeenteraadsleden zich bij de raadspeiling 'Prioritering en inzet woonopgaven' positief uitgelaten over uitbreiding van de voorraad sociale huurwoningen, een meer actieve en interveniërende rol van de gemeente en de bijbehorende financiële middelen.

Op 24 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort aan de hand van de uitkomsten van de peiling het strategiedocument Sociale Woningbouw vastgesteld en de opgave voor sociale huurwoningen tot 2021 bepaald. Volgens dit document zet Amersfoort in op het vinden van huisvesting voor zo'n 2.000 huishoudens. We doen dit door: 'het omzetten van leegstaande kantoren naar woningen en nieuwbouw op bestaande en nieuwe plekken in de stad. Ook verkent de gemeente de mogelijkheden om in de bestaande voorraad sociale huurwoningen oplossingen te vinden, bijvoorbeeld door de doorstroom van scheefwoners te verbeteren'. Daarbij is de kanttekening opgenomen, dat het toevoegen van 2.000 woningen een ambitieuze opgave is omdat deze grotendeels gevonden moeten worden op locaties en in leegstaand vastgoed die geen eigendom van de gemeente zijn. De gemeente zoekt daarom samenwerking met partijen in de stad en kiest voor een aanpak waarbij we stapsgewijs werken aan de meest kansrijke oplossingen.

40 zoeklocaties zijn aangewezen voor de realisatie van de sociale woningbouwopgave. De locatie van de voormalige Vreekampgarage (in de strategie genoemd als 'garage Vreeman') is één van deze 40 aangewezen locaties.

Uitwerking Strategie Sociale Woningbouw

De gemeenteraad heeft in mei 2017 de uitwerking van de Strategie Sociale Woningbouw vastgesteld. Volgens het gemeentelijke Strategiedocument Sociale Woningbouw moeten er tot 2030 circa 13.000 woningen worden gebouwd, waarvan volgens de huidige schattingen 4.400 sociale huurwoningen. Met het vaststellen van deze strategie is besloten dat op elke locatie een verplicht percentage van minimaal 35% sociale woningbouw moet worden gerealiseerd.

In dat besluit zijn ook uitzonderingen geformuleerd waarbij het college kan afwijken en het percentage van 35% naar beneden kan bijstellen. Eén van deze redenen is dat het sociaal/maatschappelijk niet gewenst is om op te betreffende locatie vast te houden aan dit percentage.

Relatie met voorliggend plan

Het voorliggend plan maakt de realisatie mogelijk van 30 woningen. Hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de uitbreiding van het aantal woningen in Amersfoort om tegemoet te komen aan de grote vraag naar woningen.

Het programma is op de woningbehoefte van deze wijk afgestemd. De locatie Meridiaan 14 ligt in de wijk De Koppel en is onderdeel van een winkelstrip, waar relatief veel sociale overlast wordt ervaren. De gemeente verricht samen met partners in de wijk veel inspanning om de leefbaarheid in de buurt en rond de winkelstrip te verbeteren. Door op deze locatie middeldure huurwoningen en goedkope koopwoningen te bouwen, wordt verwacht dat draagkrachtige huishoudens aangetrokken kunnen worden. Daarnaast is er behoefte aan doorstroming vanuit sociale huurwoningen binnen de Koppel. De Koppel heeft met 60% het hoogste aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van alle wijken in Amersfoort. Daardoor is er weinig mogelijkheid om binnen de wijk door te stromen. Door middeldure huurwoningen en goedkope koopwoningen toe te voegen in deze wijk, wordt verwacht dat doorstroming vanuit sociale huurwoningen op gang wordt gebracht. Op 7 november 2017 heeft het college om bovenstaande sociaal/maatschappelijke redenen besloten om af te wijken met betrekking tot het percentage sociale woningbouw.

Met een EPC van 0,02 en een streven om ruimschoots voldoen aan BENG wordt voldaan aan de toekomstige Amersfoortse doelstellingen.

In bijlage 7 en paragraaf 4.7 wordt ingegaan op de toe te passen duurzaamheidsmaatregelen. Deze ontwikkeling is in overeenstemming met de woonvisie Amersfoort. 

2.5 Woningbehoefte - Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt per 1 juli 2017 als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Als er aantoonbaar sprake is van een behoefte aan de betreffende voorziening, kan die in een bestemmingsplan worden gefaciliteerd. In het andere geval kan dat niet en moet die herontwikkeling worden uitgesteld tot het moment waarop de behoefte daaraan wel kan worden aangetoond.

Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro).

Ligt een plangebied in bestaand stedelijk gebied én voorziet de stedelijke ontwikkeling in een aantoonbare actuele marktbehoefte dan wordt voldaan aan de Ladder van Duurzame Verstedelijking.

Relatie met voorliggend plan

De bouw van woningen aan de Meridiaan 14 voorziet in een actuele regionale behoefte. Amersfoort kent een grote vraag naar woningen.

Uit onderzoek door het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) blijkt dat volgens het meest realistische economische scenario het aantal huishoudens tot het jaar 2039 zal groeien met circa 20.800. Om die groei te kunnen faciliteren zijn er gemiddeld zo'n 800 nieuwe woningen per jaar nodig in de periode van 2020-2030. Amersfoort moet die groei grotendeels binnenstedelijk realiseren. Daarom zijn alle daarvoor in aanmerking komende woningbouwlocaties, waaronder de voormalige Vreekampgarage aan de Meridiaan 14, nodig. Het toevoegen van deze 30 woningen binnen dit plangebied betreft een binnenstedelijke ontwikkeling welke inspeelt op een actuele regionale behoefte. Dit plan past daarom binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0007.png"

Woningvraag naar type op gemeenteniveau, 2013-2040 (Bron EIB, "Verkenning Woningbouwprogrammering Regio Amersfoort 2013-2014, mei 2014")

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0008.png"

Huishoudenontwikkeling en gewenste uitbreiding woningvoorraad 2013-2039 (Bron EIB, "Verkenning Woningbouwprogrammering Regio Amersfoort 2013-2014, mei 2014").

 

2.6 Visie Werklocaties 2030

Op 26 april 2011 heeft de gemeenteraad de Visie Werklocaties 2030 vastgesteld.

In deze visie wordt de ambitie uitgesproken om nadrukkelijk een woon- én werkstad te blijven met een goede balans tussen wonen en werken. Met de Visie Werklocaties wordt de koers aangegeven voor het verbeteren van randvoorwaarden om een aantrekkelijke woon- en werkstad te blijven.

Meer functiemenging en werkgelegenheid in wijken en gemengde gebieden

We zien de verschuiving van werkgelegenheid van reguliere werklocaties naar wijken en gemengde gebieden (de ‘verspreide werklocaties’) en de verwachting is dat deze trend verder doorzet. Verspreide werklocaties worden dan ook steeds belangrijker: gezien de trend is er behoefte aan en ze zijn steeds meer nodig om voldoende ruimte te bieden voor banengroei. Wij willen voor werkfuncties op verspreide werklocaties meer ruimte bieden. Dit past bij de stedelijke dynamiek: wij staan er positief tegenover en zullen ruimhartig omgaan met functiemenging. Dit past ook in ons streven naar meer stedelijke woonmilieus, met name in en rond het centrum, zoals ook opgenomen in de Woonvisie.

Wij hanteren hier een breed begrip van ‘werken’. Naast kantoren of bedrijfsruimte kan het ook gaan om voorzieningen, cultuur, zorg, onderwijs en dergelijke. Bij functiemenging op verspreide werklocaties hebben we het over schone bedrijvigheid. Bovendien zal het in pure woongebieden overwegend gaan om kleine bedrijven. In meer gemengde en/of stedelijke gebieden zullen vaker ook grote bedrijven passen. Wij kunnen niet op voorhand bepalen waar en hoe meer functiemenging gaat ontstaan, daarvoor zijn marktpartijen aan zet.

Regeling bedrijven en beroepen aan huis

Begin 2010 zijn de mogelijkheden voor bedrijven en beroepen aan huis verruimd. De regeling bedrijven en beroepen aan huis geldt voor de hele stad. Het is onder voorwaarden toegestaan om aan huis een bedrijf te hebben met maximaal drie werkzame personen (eigenaar/bewoner en twee werknemers). Deze regeling zetten wij voort. Voor het grootste deel van de stad voorzien we hiermee in de mogelijkheden die er voor functiemenging zijn. Deze regeling is bedoeld om kleinschalige bedrijvigheid gekoppeld aan de woonfunctie in woongebieden mogelijk te maken, waarbij het woon- en leefklimaat behouden blijft.

Relatie met voorliggend plan

Aangezien het voorliggende bestemmingsplan uitsluitend wonen mogelijk maakt is op dit plan alleen de regeling voor bedrijven en beroepen aan huis van toepassing. Hiervoor zijn in de woonbestemming regels opgenomen.

2.7 Verkeer- en vervoerplan

Verkeer- en vervoerplan 2005

Het gemeentelijk beleid is gericht op het realiseren van een doelmatig verkeer- en vervoerssysteem voor alle vervoerswijzen om de bereikbaarheid in en van Amersfoort te waarborgen. Daarbij worden sluipverkeer en doorgaand verkeer geweerd en de verkeersveiligheid en leefbaarheid verbeterd. Stilstaand verkeer is slecht voor de luchtkwaliteit. Met de toenemende ontwikkelingen in de stad ligt hier een opgave om een efficiënt verkeer- en vervoerssysteem in te richten voor alle modaliteiten. De gemeente wil de beschikbare verkeersruimte op het wegennet optimaal gaan benutten. Dit houdt in dat gekeken wordt naar een slimmere indeling van bestaande rijstroken en ook, waar dit winst voor de totale afwikkeling oplevert, extra opstelstroken op kruispunten met verkeerslichten worden toegevoegd.

Verkeer- en vervoerplan 2030

In 2011 is er een visie voor het verkeer en vervoerplan opgesteld, die het college nu heeft vastgesteld. De gemeente wil vervolgens samen met onder andere de bewoners in de stad, de visie uitwerken tot een definitief Verkeer- en Vervoerplan 2030.

In het definitieve Verkeer- en Vervoerplan is er in ieder geval aandacht voor verkeersveiligheid en de keuzevrijheid van hoe wel willen reizen. Daarnaast investeert de gemeente de komende jaren veel in de bereikbaarheid van de stad en de regio. Dat gebeurt samen met buurgemeenten, de provincie en het Rijk in het samenwerkingsverband VERDER.

Amersfoort wil ook in de toekomst een stad zijn waar je fijn kunt leven. Een stad waarin inwoners zich gemakkelijk bewegen en waar de overlast van mobiliteit beperkt is. Dit betekent dat mobiliteit moet worden afgestemd op de wensen van de gebruiker en dat alternatieve en innovatieve mogelijkheden op het gebied van verkeer en vervoer nader moeten worden aangeboden en gestimuleerd. Iedere wijk in de stad is uniek en daarom is een gebiedsgerichte aanpak het meest passend.

Bij het uitwerken van de visie op verkeer en vervoer gaat het niet om mobiliteit als een op zichzelf staand thema, maar om de combinatie met toekomstige ontwikkelingen op het gebied van economie, ruimte, wonen en duurzaamheid.

Relatie met voorliggend bestemmingsplan

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan heeft voor het autoverkeer vooral een functie voor bestemmingsverkeer. De planlocatie ligt aan een snelfietsroute, waardoor er directe, snelle en comfortabele fietsverbindingen zijn naar verschillende stadsdelen en naar het centrum van de stad.

2.8 Nota parkeernormen

In de gemeentelijke Nota Parkeernormen 2014, gewijzigd januari 2019 zijn specifieke parkeernormen geformuleerd voor diverse functies. Ze geven een indicatie van het aantal auto's dat bij een bepaalde functie geparkeerd wordt in een bepaalde tijdsperiode. De normen worden gebruikt voor nieuwbouwsituaties of bij functiewijzigingen, waarvoor een vergunning of ontheffing dient te worden verkregen. Parkeren moet zoveel mogelijk op eigen terrein plaatsvinden zodat een ontwikkeling geen extra parkeerdruk in het openbaar gebied geeft.

In het gemeentelijke parkeerbeleid en de te hanteren parkeernormen is een onderscheid gemaakt naar locaties. Dit is gebeurd vanuit de doelstelling om bij te dragen aan een bewuster mobiliteitsgedrag en vervoerwijzekeuze. Daarbij zijn de parkeernormen afhankelijk gesteld van de plaats waar de ontwikkeling plaatsvindt in relatie tot onder andere de loopafstand tot een OV-punt. Dichtbij een OV-knooppunt mogen minder parkeerplaatsen worden gerealiseerd dan elders, om zo het gebruik van het openbaar vervoer te stimuleren. Bij woningen geldt als locatie-indeling: binnenstad, schil en rest bebouwde kom. De schil bestaat uit de parkeerreguleringsgebieden direct rondom de binnenstad. De planlocatie ligt in het gebied dat is aangewezen als 'rest bebouwde kom'.

Relatie met voorliggend plan

Het gemeentelijke beleid voor parkeren is opgenomen in de regels van voorliggend bestemmingsplan. Bij het in procedure brengen van een bestemmingsplan moet beoordeeld worden of het voldoende aannemelijk is dat aan de parkeernormen kan worden voldaan. De echte toets aan de parkeernormen vindt plaats bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen. Voor de woningen die met voorliggend bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt kan op eigen terrein (bewoners) en in openbaar gebied (bezoekers) worden voorzien in de parkeerbehoefte (zie ook paragraaf 3.3.2).

2.9 Groenvisie en bomenleidraad

2.9.1 Groenvisie

In 2004 is het programma Amersfoort Groene Stad vastgesteld. Een visie op de groene en blauwe structuren van de stad in combinatie met een uitvoeringsprogramma voor projecten voor de periode 2004-2015. Met het einde van het uitvoeringsprogramma hebben betrokken inwoners, vertegenwoordigers van de G1000-werkgroep 'Keigroen Samendoen!', Klankbordgroep Groenbeleid, SGLA, raadsleden en college samen het initiatief genomen om tot een integrale groenvisie te komen in coproductie met
de stad.

In november 2016 is de Groenvisie voor Amersfoort vastgesteld. In de visie wordt het belang van een groene stad benadrukt. Deze visie beschrijft onder andere de uitgangspunten die leidend zijn in de omgang met bomen. Daarbij gaat het steeds om "het afwegen van belangen en om het hanteren van de juiste principes om bomen in hun waarde te laten." (zie blz. 38 Groenvisie). Het beleid, zoals neergelegd in de Groenvisie wordt verder uitgewerkt. Onder andere in de Bomenleidraad (zie verder hieronder) en een Groenstructuurkaart (2018)

2.9.2 Bomenleidraad

De gemeenteraad heeft de Bomenleidraad vastgesteld op 12 december 2017. De Bomenleidraad geeft aan hoe we in Amersfoort met bomen omgaan en welke afwegingen we maken. De leidraad gaat over alle bomen in Amersfoort, dus zowel gemeentelijke bomen als bomen in eigendom van particulieren, woningbouwcorporaties of andere organisaties. De regelingen en bescherming zijn voor alle bomen gelijk.

Bomen vertegenwoordigen een grote verscheidenheid aan waarden en betekenissen voor de stad. Ze zorgen voor een prettig woon- en leefklimaat en dragen bij aan het bereiken van doelstellingen als een gezondere stad, het verminderen van de effecten van een veranderd klimaat, een betere milieukwaliteit (bomen reduceren fijnstof, CO2 en leveren zuurstof) en meer natuur in de stad.

De Bomenleidraad geeft aan hoe we met bomen willen omgaan en hoe we de waarden koesteren, beschermen en uitbouwen. De basis daarvan is het behoud en de bescherming van de bestaande bomen. We willen door goed beheer en zorg voor de groeiplaatsen onze bomen zo lang mogelijk vitaal en gezond houden. Daarmee bouwen we aan een bomenbestand en boomstructuur met meer kwaliteit en meer waarde. Het behouden en planten van bomen in een stedelijke omgeving is een uitdaging. Waardevolle bomen heb je niet van de ene op de andere dag. Bomen vragen tijd om tot volle wasdom te komen en dat maakt ze kwetsbaar in de concurrentiestrijd om de schaarse ruimte. We moeten daarom keuzes goed onderbouwd maken en het behoud, vergroten of het eventuele verlies aan waarde van bomen op een zorgvuldige en gelijkwaardige wijze afwegen ten opzichte van andere belangen en functies.

Bomen ter plaatse van het plangebied 

Binnen het plangebied staan enkele bomen (sparren) en struiken, verder is het terrein geheel bestraat. De bestaande bomen zijn van weinig waarde en kunnen, nadat hiervoor een omgevingsvergunning is afgegeven, worden gekapt.

In het nieuwbouwplan wordt aandacht besteed aan een groene invulling. In de nieuwe situatie wordt de stoep verlegd en komt het groen meer aan de weg te liggen. Er zal hier een bomengroep van drie bomen aangeplant worden in de openbare ruimte. Deze sluit aan bij het straatbeeld dat verder op de Keerkring te vinden is.

Op het achterterrein wordt een pergola met begroeiing aangelegd en daarbij 4 nieuwe bomen geplant. Dit vergroent het achterterrein, gaat hittestraling tegen en creëert daarbij privacy richting de omgeving. Zo wordt niet alleen de hoeveelheid groen verhoogd ten opzichte van de huidige situatie maar wordt het groen en de nieuwe bomen ook op een bewuste manier ingezet.

2.10 Welstandsnota en beeldkwaliteit

Welstandsnota

Volgens de Woningwet moeten bouwwerken waarvoor een vergunning nodig is, voldoen aan 'redelijke eisen van welstand'. Welke eisen dit zijn, heeft de gemeente vastgesteld in de Welstandsnota. Het doel van de nota is om zoveel mogelijk vrijheid te geven om bouwplannen uit te voeren maar daarnaast de stad haar eigen karakter laten behouden en zo mogelijk te versterken. Daarbij wordt gestreefd naar een goede balans tussen individueel belang en algemeen belang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0009.png"

Uitsnede uit de Welstandskaart 2017 met hierop aangegeven de locatie van het plangebied. De gebieden met een gele kleur zijn de gebieden die horen bij het
gebiedstype 'Wederopbouw in bloembladconcept. De rode lijn ten oosten van het plangebied is een 'aandachtsgebied-structuurlijn'.

Amersfoort had na de oorlog, net als vele andere steden, te kampen met een hoge woningnood. Op grote schaal moesten woningen worden bijgebouwd. Om bij de naoorlogse uitbreidingen de binnenstad weer het hart van de stad te maken, werden de uitbreidingen als bloembladen aan de oostkant van de stad gelegd volgens het “bloembladconcept” van Zuiderhoek en Rooimans.

Kenmerkend voor de structuur van de deze gebieden is de planmatige opzet met een duidelijk hiërarchisch opgezet wegenpatroon met brede profielen, robuuste groenstructuren en flankerende (middel)hoogbouw. Rond deze wegen en voorzieningenzones liggen kleinschalige woonbuurten met rustige woonstraten, woonerven en –paden of een eigen groene centrale ruimte.

Relatie met voorliggend plan

Een toets aan redelijke eisen van welstand vindt plaats bij het beoordelen van een definitief ontwerp bij de aanvraag om omgevingsvergunning. Een voorontwerp/principeplan is aan de welstandscommissie voorgelegd.

De stadsbouwmeester is van oordeel dat het te bouwen woongebouw denkbaar is. De positionering van de maisonnettes op de begane grond met de voordeuren in de voorgevels geeft een meerwaarde aan de leefbaarheid en de levendigheid van de openbare ruimte. De toepassing van de tuinmuurtjes met de geveltuintjes aan de zijde van Keerkring levert daar ook een goede bijdrage aan. De verspringingen in het bouwvolume ten gevolge van de setbacks langs zowel Keerkring als Meridiaan geven aan het geheel een levendigheid die gezocht wordt voor een dergelijke locatie.

Bij de verdere uitwerking wordt aandacht gevraagd voor een zorgvuldige detaillering en de toe te passen materialisering, zoals de te verwerken gevelsteen. Naar het oordeel van de stadsbouwmeester zou het contrast in de materialisering nog wel iets opgevoerd kunnen worden, hoewel ook niet te veel. Er gebeurt al genoeg in het ontwerp. Al met al is er waardering voor het plan en de nadere uitwerking hiervan naar een definitieve aanvraag wordt met belangstelling tegemoet gezien.

Op grond van de ingediende gegevens is de stadsbouwmeester van oordeel dat het in het kader van een vooroverleg behandelde plan, getoetst aan de door de gemeenteraad vastgestelde welstandscriteria, voldoende uitzicht biedt op een positieve welstandsadvisering.

2.11 Conclusie beleid

Voorliggend bestemmingsplan maakt het realiseren van 30 woningen op de locatie van de voormalige Vreekampgarage mogelijk. Het bouwen van woningen binnen de bestaande woonwijk past binnen de verschillende beleidsvelden.

 

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de bestaande situatie en van de situatie na realisatie van het plan. Daarbij wordt een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de nieuwbouw.

3.2 Bestaande situatie

De locatie Vreekampgarage maakt onderdeel uit van de winkelstrip langs de Meridiaan. Dit is één van de meer kwetsbare locaties in de buurt met betrekking tot sociale overlast. De gemeente verricht samen met de partners in de wijk veel inspanning om de leefbaarheid in de buurt en rond de winkelstrip te verbeteren.

Het gebouw van de voormalige Vreekampgarage is een aantal jaren geleden leeg gekomen. Boven de garage bevinden zich twee appartementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0010.png"  

Aanzicht winkelstrip met bovenwoningen Meridiaan, ten noorden van de planlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0011.png"

Aanzicht planlocatie vanaf hoek Meridiaan / Keerkring

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0012.png"

Aanzicht planlocatie vanaf Keerkring

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0013.png"

Schematische weergave bestaande situatie (Imoss presentatie plan, 11 februari 2019).

3.3 Nieuwe situatie

3.3.1 Stedenbouwkundig plan

Samengevat zijn de belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten uit het stedenbouwkundig plan:

  • Circa 30 appartementen en maisonnettes, in het middenhuursegment, dan wel in het koopsegment.
  • Een appartementengebouw met variërende bouwhoogtes:

- aan de Keerkring: 3 bouwlagen, waarvan de derde bouwlaag terug ligt (setback). Hiermee wordt aangesloten op de naastgelegen bebouwing van twee bouwlagen met een kap.

- aan de Meridiaan: 5 bouwlagen, waarvan de vierde en vijfde bouwlagen terug liggen. Hiermee sluit de hoogte van de derde bouwlaag aan bij de goothoogte van het naastgelegen blok aan de Meridiaan van drie bouwlagen met een kap.

- op de hoek van de Keerkring/Meridiaan een bescheiden hoogteaccent: 5 bouwlagen op de volledige hoek.

  • Entrees van de woningen op de begane grond en eerste verdieping komen aan de straat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0014.png"

Schematische weergave van stedenbouwkundige uitgangspunten (Imoss presentatie plan, 11 februari 2019)

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0015.png"

Ruimtelijke inpassing met setback op de goothoogte, accent op de hoek en entrees en adressen aan Meridiaan en Keerkring (Imoss presentatie plan, 11 februari 2019)

  • Parkeeroplossing:

- Aantal parkeerplaatsen conform de geldende gemeentelijke parkeernormen.

- Parkeren voor bewoners wordt volledig op eigen terrein opgelost, aangekleed met groen in de vorm van bomen en een pergola.

- Er worden maximaal 4 parkeerplaatsen voor bezoekers op terrein van de gemeente aangelegd.

- Overig aandeel parkeren voor bezoekers wordt op eigen terrein opgelost.

Omdat de herontwikkeling van de Vreekampgarage een particulier initiatief is, zijn de ruimtelijke randvoorwaarden het resultaat van een samenwerking tussen ontwikkelaar en de gemeente.

Op basis van deze uitgangspunten is door Imoss, stedenbouw, landschap en buitenruimte, in opdracht van Schoonderbeek BV, een stedenbouwkundig plan gemaakt. Dit is de basis voor uitwerking van het bouwplan in een voorlopig en definitief ontwerp.

Het plan omvat een appartementengebouw met 30 woningen. Hiervan zijn 21 appartementen in de categorie van 50-80 m² bruto vloeroppervlak (bvo). 8 maisonnettes van 80-120 m² bvo en 1 van 120-160 m² bvo.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0016.png"

Programmatische verdeling (Imoss presentatie plan, 11 februari 2019)

3.3.2 Verkeer en parkeren

Aan de rand van het gebied liggen de ontsluitingswegen Ringweg Koppel en Meridiaan en het gebied wordt ontsloten via de Keerkring. Langs deze wegen liggen vrijliggende fietspaden die aansluiten op de hoofdfietsroute Meridiaantunnel. De fietsers maken gebruik van de parallelwegen en fietspaden. In de omgeving binnen een loopafstand van circa 500m van het plangebied ligt de bushalte Kwekersweg.

Bij iedere woningbouwontwikkeling moet de parkeeroplossing voldoen aan de gemeentelijke parkeernorm (Nota Parkeernormen 2014). Het plangebied bevindt zich volgens de nota in het gebied 'rest Amersfoort'. Hiervoor gelden de volgende normen voor de categorieën niet-grondgebonden woningen:

  • 50-80 m² bvo een norm van 1,1 parkeerplaats per woning;
  • 80-120 m² bvo geldt een norm van 1,3 parkeerplaats per woning;
  • 120-160 m² bvo geldt een norm van 1,5 parkeerplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0017.png"

Voor dit plan met 30 woningen komt de parkeereis dan op 35 parkeerplaatsen (pp) uit. Een deel van deze parkeereis bestaat uit 25 pp voor bewoners en 10 pp voor bezoekers. De parkeerplaatsen bestemd voor de bezoekers dienen openbaar toegankelijk te blijven. Van deze 10 pp liggen 4 pp voor bezoekers in het openbaar gebied langs de Keerkring. De overige 6 pp voor bezoekers bevinden zich, samen met de 25 parkeerplaatsen voor bewoners, op het binnenterrein aan de achterzijde van deze woningen.

Op het binnenterrein worden totaal 31 pp gerealiseerd, waarvan 25 pp voor bewoners en een 6 pp voor bezoekers. Boven de parkeerplaatsen wordt gedeeltelijk een pergola met begroeiing gerealiseerd, 8 parkeerplaatsen bevinden zich voor een deel onder balkons die zich op de eerste verdieping aan de achterzijde van het hoofdgebouw bevinden. Zo worden de parkeerplaatsen gedeeltelijk aan het zicht onttrokken.

Met het realiseren van 31 parkeerplaatsen op het binnenterrein en 4 parkeerplaatsen langs de Keerkring wordt voldaan aan de normen die gelden op grond van de gemeentelijke parkeernota. De parkeerplaatsen bestemd voor de bezoekers dienen openbaar toegankelijk te blijven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0018.png"

Parkeren (Imoss)

3.3.3 Inpassing in de omgeving

Met dit bouwplan wordt aangesloten op de bestaande goot- en bouwhoogte van de omliggende bebouwing. Er wordt een 'setback' gerealiseerd om aan te sluiten op de goothoogte, er wordt een accent op de hoek Meridiaan / Keerkring aangebracht. De entrees en adressen liggen aan de Meridiaan en de Keerkring. Tussen de parkeerplaatsen op het binnenterrein en de achterkant van de woningen aan het Zuiderkruis zal groen worden ingeplant om te zorgen voor privacy bij zowel de bestaande woningen aan het Zuiderkruis als de te realiseren woningen aan de Meridiaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0019.png"

Bovenaanzicht bebouwing en buitenruimte met parkeren, pergola en bomen/groen

(Imoss presentatie plan, 11 februari 2019)

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0020.png"

Aanplant bomen ten behoeve van privacy (Imoss presentatie plan, 11 februari 2019)

Voor een nadere impressie van de inpassing van het plan in de omgeving zijn hieronder twee doorsnedes opgenomen. Hierin wordt inzichtelijk gemaakt hoe het plan aansluit op de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0021.png"

Doorsnede noord-zuid / evenwijdig aan Meridiaan

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0022.png"

Doorsnede oost-west / evenwijdig aan Keerkring

(Imoss presentatie plan, 11 februari 2019)

3.3.4 Mogelijke hoogbouw effecten

Op 19 juni 2019 heeft de gemeenteraad de hoogbouwvisie vastgesteld. Deze hoogbouwvisie bevat een beeld van waar de gemeente hoogbouw wil aanmoedigen, waar de gemeente geen hoogbouw wil en waar de gemeente voorzichtig is met hoogbouw. De afweging of en hoe hoogbouw op een plek kan, blijft maatwerk en wordt per locatie beoordeeld met de Hoogbouw Effect Rapportage (HER).

Tot en met 4 lagen is er geen HER nodig. De locatie 'Meridiaan 14' bevat gedeeltelijk 5 lagen en ligt in het gebied 'rest van de stad', waar we voorzichtig zijn met hoogbouw.

Er moet in dit gebied een HER worden opgesteld voor gebouwen met een hoogte vanaf 5 lagen. Voor het bestemmingsplan moet worden ingegaan op de bijdrage aan de Amersfoortse ambities ( (groei, duurzaam en inclusief) en de beleving en inpassing in de omgeving. Bij het beoordelen van de aanvraag om omgevingsvergunning worden de beeldkwaliteitsaspecten beoordeeld.

Voor deze ontwikkeling is een HER opgesteld (zie bijlage 13) waarin het effect van het beoogde gebouw met maximaal 5 bouwlagen is onderzocht op onder andere bezonning en privacy.

Amersfoortse ambities

De geplande bebouwing op deze plek draagt op verschillende manieren bij aan de Amersfoortse ambities. Op dit moment is er sprake van een leegstaande autoshowroom met daarboven twee appartementen. Herontwikkeling van de locatie naar woningen zal de levendigheid weer terug te brengen.

Het realiseren van 30 woningen draagt bij aan de binnenstedelijke woningbouwopgave die er is voor Amersfoort. De woningen worden gerealiseerd in het middensegment met verschillende afmetingen, zodat ruimte wordt geboden aan verschillende doelgroepen en bewoners.

Deze ontwikkeling draagt bij aan de duurzaamheidsambities. Bij de realisatie van deze appartementen wordt veel aandacht besteed aan de duurzaamheidseisen. Zo wordt duurzame energie toegepast en worden diverse maatregelen getroffen waaronder goede isolatie en duurzame materialen. Eén en ander is uitgewerkt in een notitie over duurzaamheid in bijlage 7 en nader beschreven in paragraaf 4.7.5.

Onderzoeken naar de effecten van de hoogbouw

Er is een aantal onderzoeken gedaan naar de effecten van de hoogte van het gebouw.

Bezonning

Voor het onderzoek naar bezonning, wordt verwezen naar de bezonningsstudie die is opgenomen in de Hoogte Effect Rapportage (bijlage 13) De woningen aan het Zuiderkruis worden niet nadelig beïnvloed qua bezonning door de geplande bebouwing. Wel is er in de vroege ochtenduren enige toename van schaduwwwerking in de tuin van de naastgelegen woning aan de Meridiaan. Dit effect speelt in de ochtenduren tot 11 uur. Het is inherent aan wonen in stedelijk gebied dat er in voorkomende gevallen enige schaduwwerking optreedt. Gelet op de geringe duur van de schaduwwerking en de geringe toename van de schaduw is er geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat.

Privacy

In de huidige situatie zijn er 2 appartementen op de verdieping aanwezig. In de nieuwe situatie wordt dit aantal appartementen op de verdiepingen meer en neemt het aantal bouwlagen toe. De balkons / buitenruimtes van de woningen zijn vooral gelegen aan de straatkant van de Meridiaan en de Keerking. Op het binnenterrein krijgen 3 maisonnettes een buitenruimte boven de parkeerplaatsen, op de bouwlaag. Op het binnenterrein worden 4 bomen aangeplant, met het doel bij te dragen aan een groener binnenterrein, tegengaan van hittestraling en bijdragen aan het gevoel van privacy richting bestaande achtertuinen aan het Zuiderkruis. Daarnaast worden de kopgevels blind uitgevoerd, om inkijk richting de naastgelegen woningen te voorkomen.

Conclusie

Deze ontwikkeling, van leegstaande autoshowroom met 2 appartementen naar woongebouw met 30 maisonettes/appartementen heeft een positief effect op de locatie zelf en de omgeving. Een situatie van leegstand vertoont geen fraaie aanblik en draagt niet bij aan een goed woon- en leefklimaat van de wijk.

In de nieuwe situatie komt er een gebouw met 30 woningen, waarbij er aandacht is besteed aan een goede inpassing.

Daarnaast blijkt uit de bovengenoemde onderzoeken dat de omgeving van het plangebied nauwelijks negatieve effecten hoeft te verwachten van de bouw van deze woningen. Daar waar er gevolgen zijn voor privacy of bezonning, worden maatregelen genomen om deze gevolgen te beperken door het planten van bomen en groen en door het aangaan van gesprekken met de betreffende bewoners.

In de volgende fase, bij de uitwerking van het plan naar een aanvraag om omgevingsvergunning, zullen zaken met betrekking tot de beeldkwaliteitsaspecten, zoals de architectuur en vormgeving gedetailleerd uitgewerkt worden. Dit zal bij de aanvraag om omgevingsvergunning getoetst worden door de stadsbouwmeester aan redelijke eisen van welstand.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de omgevingsaspecten besproken die van belang zijn voor het bestemmingsplan. Vanwege de beperkte ontwikkeling ten opzichte van de geldende planologische mogelijkheden is ook de omvang van dit hoofdstuk beperkt.

De aspecten water, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodem, geluid, flora en fauna en archeologie komen aan de orde.

4.2 Archeologie

4.2.1 Beleid

Inleiding

Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta vormen de basis voor de omgang met archeologie in deze wet. Naast archeologie op het land en onder water heeft de Erfgoedwet betrekking op museale objecten, musea en monumenten. Samen met de in 2019 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samen gebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Op grond van de Monumentenwet is de raad verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Archeologische beleidskaart
Deze waarden en verwachtingen zijn aangegeven op de archeologische beleidskaart, die op basis van archeologische waarnemingen en vondsten en landschappelijke en historische gegevens tot stand is gekomen. De archeologische beleidskaart is samen met de erfgoedverordening door de gemeenteraad op 12 maart 2019 vastgesteld.

Deze beleidskaart kent een onderverdeling in gebieden. Per gebied is een beleidsadvies geformuleerd. Naast Rijksmonumenten en gemeentelijke ondergrondse monumenten zijn er gebieden met een hoge archeologische waarde aangewezen. Ook is er een verdeling gemaakt tussen gebieden met een hoge, middelhoge en een lage archeologische verwachting.

Ter voldoening aan artikel 38a van de Monumentenwet nemen we in bestemmingsplannen een regeling ten aanzien van de gebieden met archeologische waarden en verwachtingen op, voor zover die al niet (anderszins) zijn beschermd via de Monumentenwet.

Regeling in bestemmingsplan

Gezien de daarbij betrokken belangen en de wettelijke plicht om in de bestemmingsplannen nadrukkelijk rekening te houden met archeologie wordt in voorkomende gevallen gekozen voor een dubbelbestemming.

Het opnemen van een dubbelbestemming brengt goed tot uitdrukking dat archeologie op zichzelf dient te worden beoordeeld en ten opzichte van de medebestemming van primair belang is. De dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik, dat functioneert naast (of boven) de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.

4.2.2 Archeologie in relatie tot het plangebied

Archeologische waardevolle gebieden

Binnen het plangebied bevinden zich geen wettelijk beschermde archeologische monumenten of bekende archeologische waarden. Wel zijn er archeologische verwachtingen.

Archeologische waardevolle verwachtingsgebieden

Het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachting (Archeologische waardevol verwachtingsgebied 3). In geval van ontwikkelingen van terreinen groter dan 500m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Daarbinnen liggen enkele banen met een hoge verwachting (Archeologische waardevol verwachtingsgebied 2). In geval van ontwikkelingen van terreinen groter dan 100m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0023.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0024.png"

Uitsnede Archeologische Beleidskaart met locatie plangebied en legenda van de in de uitsnede aangegeven gebieden.

Archeologische verwachtingen 

Het plangebied ligt in een zone die zowel op de bodem- als op de geomorfologische kaart niet is gekarteerd wegens bebouwing ter plaatse. Extrapolatie maakt het echter aannemelijk dat het gebied in een dalvormige laagte op een dekzandvlakte ligt. Hierdoor is de verwachting op het aantreffen van sporen van zowel jagers-verzamelaars als van boeren laag. Onderzoeken in de directe omgeving bevestigen dit beeld. Niet ver ten oosten van het plangebied is een echter een barrière aangetroffen die op de kaart van Jacob van Deventer (circa 1560) staat afgebeeld. Op deze kaart ligt het plangebied zelf in een gebied tussen twee doorgaande routes. Er is geen bebouwing ingetekend. Op de kadastrale minuutplan uit 1832 ligt het plangebied echter ter plaatse van de Grebbelinie. Dit is een 18de-eeuwse verdedigingslinie, bestaande uit een dijklichaam en een inundatiegebied dat in ieder geval tijdens de Tweede Wereldoorlog in gebruik is geweest. De kans op het aantreffen van resten van deze linie is hoog.

In het plangebied Meridiaan 14 te Amersfoort worden resten verwacht van de Grebbelinie (18de eeuw tot en met circa 1945). Om deze verwachting te toetsen is een Inventariserend Veldonderzoek middels Proefsleuven de beste methode. Voor dit onderzoek is het opstellen van een Programma van Eisen verplicht.

Graag voorafgaand eerst contact opnemen met het Centrum voor Archeologie van de Gemeente Amersfoort (033-4637797).

4.3 Bedrijven- en milieuzonering

Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor een voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen.

4.3.1 Inrichting Besluit omgevingsrecht

Sinds 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer van kracht, kortweg het Activiteitenbesluit genoemd. Met de invoering van dit besluit wordt de systematiek gehanteerd dat alle inrichtingen (die voldoen aan de minimale omvangeisen) onder dit besluit vallen met uitzondering van die inrichtingen die zijn opgenomen in bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Wanneer een inrichting in bijlage 1 is opgenomen is een vergunning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (omgevingsvergunning) vereist.

In het plangebied komen geen bedrijven voor die zijn opgenomen in de genoemde bijlage 1 van het Bor.

4.3.2 Nota Stankbeleid

Het algemene stankbeleid is door het Ministerie van VROM beschreven in de Herziene Nota Stankbeleid en in aanvulling daarop in de Brief rijksbeleid geur (opgenomen in de NeR). Het algemene uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid.

Onderdeel van het geurbeleid is dat de lokale overheden de uiteindelijke lokale afweging moeten maken zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen om tot een duurzame kwaliteit van de leefomgeving te komen.

Het geurbeleid bestaat uit de volgende beleidslijnen:

  • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig;
  • als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van BBT afgeleid;
  • voor bepaalde branches is het hinderniveau bepaald en in een bijzondere regeling vastgelegd;
  • de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd gezag.
  • het landelijk geurbeleid is opgenomen in de NeR (Nederlandse emissierichtlijn lucht). De NeR wordt wel beschouwd als een belangrijke richtlijn met betrekking tot emissies aar de lucht. Het heeft echter geen wettelijke status.
4.3.3 Bedrijven- en milieuzonering in relatie tot het plangebied

In de directe omgeving is geen sprake van bedrijvigheid die in hun bedrijfsuitvoering belemmerd kunnen worden als gevolg van dit bestemmingsplan.

In het plangebied wordt de functie 'wonen' voorgestaan, wat geen belemmering voor de omgeving betekent.

 

4.4 Beschermde planten en dieren en beschermde gebieden

Voor het vaststellen van een ruimtelijke plan moet duidelijk zijn of natuurwetgeving en natuurbeleid, de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staan. Natuur wordt in Nederland beschermd op het niveau van soorten en gebieden.

Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (kortweg: Wnb) in werking. Deze wet vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Met de inwerkingtreding van de Wnb zijn de provincies het bevoegde gezag voor de ontheffing- en vergunningverlening voor plannen en projecten en voor het vaststellen van vrijstellingsregelingen. Bij provincie-overschrijdende projecten is dit de minister van EZ.

De aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden, beschermd middels de Wet natuurbescherming en via planologische bescherming van natuurgebieden en landschap is in onderstaande paragrafen weergegeven.

4.4.1 De Wet natuurbescherming: Soortenbescherming

De Wnb is gericht op het beschermen en ontwikkelen van de natuur en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit. In Artikel 1.11 van de wet wordt als algemene bepaling voorgeschreven dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in dat handelingen die leiden tot negatieve effecten zoveel mogelijk achterwege worden gelaten. Daarnaast zijn in de wet verbodsbepalingen opgenomen ten aanzien van beschermde soorten. Hierbij worden drie beschermingsregimes onderscheiden:

  • § 3.1 Wnb Beschermingsregime soorten vogelrichtlijn (Artikel 3.1 t/m 3.4)

Het is onder meer verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, nesten, rustplaatsen en eieren te beschadigen, eieren te rapen en vogels opzettelijk te storen.

  • § 3.2 Wnb Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Artikel 3.5 t/m 3.9)

Het is onder meer verboden in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen, te verstoren, eieren opzettelijk te vernielen of te rapen, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te vernielen en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

  • § 3.3 Wnb Beschermingsregime andere soorten (Artikel 3.10 en 3.11)

Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage bij de Wet, onderdeel A, natuurbescherming opzettelijk te doden of te vangen, de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen en vaatplanten genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij de Wet natuurbescherming, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Gedeputeerde staten en de Minister kunnen een ontheffing verlenen van verboden of bij verordening vrijstelling verlenen. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • er bestaat geen andere bevredigende oplossing,
  • er is voldaan aan een in Art 3.3 dan wel Art 3.8 genoemd belang,
  • er is geen sprake van een verslechtering van de (gunstige) staat van instandhouding van de desbetreffende soort.


Aan een ontheffing kunnen voorwaarden worden gesteld om schade te beperken of te compenseren zodat er geen afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding.

Relatie tot dit plangebied

Het plangebied ligt in het midden van Amersfoort in de wijk "De Koppel". De bebouwing bestaat uit een (voormalig) garagebedrijf op de begane grond en appartementen op de verdieping. Het perceel is grotendeels bestraat. Op het perceel staan enkele bomen en struiken.

In het kader van voorliggend plan, is door Staro natuur en buitengebied in opdracht van de ontwikkelaar een quickscan flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 6. Vervolgens is een nader vleermuizenonderzoek uitgevoerd door Eco Groen Vleermuisonderzoek en advies, zie Bijlage 8.

Amfibieën, vissen en insecten

Uit het uitgevoerde veldonderzoek is gebleken dat in het plangebied de aanwezigheid van beschermde soorten planten, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, weekdieren en kevers kan worden uitgesloten.

Voor algemene en niet-kritische amfibiesoorten is het plangebied mogelijk geschikt als land- en overwinteringshabitat. Voor de soorten bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen in de Provincie Utrecht een vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming. Voor de Alpenwatersalamander geldt deze vrijstelling niet en moet tijdens de werkzaamheden gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode.

Vogels

Het plangebied is ongeschikt als foerageergebied voor vogels, de voorgenomen werkzaamheden zullen dus geen effect hebben op foerageermogelijkheden. Het plangebied biedt geschikte nestmogelijkheden in de bomen/struiken. Het snoeien of kappen van bomen en struiken moet worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Ook is van belang, ongeachte de periode, of een broedgeval in de struiken of bomen aanwezig is. Het gebouw binnen het plangebied biedt geen geschikte nestgelegenheden voor huismus en gierzwaluw.

Vleermuizen

De stootvoegen van het gebouw binnen het plangebied bieden mogelijk toegang tot verblijfplaatsen voor vleermuizen. Bij het slopen van het gebouw kunnen dus mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en individuen worden verwond of gedood. Dit is een overtreding van de Wet Natuurbescherming. Na deze constatering in de Quickscan volgde een nader onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen. Uit dit onderzoek blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van vaste rust- en verblijfsplaatsen van vleermuizen.

Kleine zoogdieren

Het slopen van het gebouw kan negatieve effecten hebben op het leefgebied van kleine grondgebonden zoogdieren. Echter geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen in de Provincie Utrecht een 10 van 11- vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming voor algemene (spits)muizen en egels. Voor deze soorten hoeven geen mitigerende maatregelen genomen te worden.

Voor alle aanwezige soorten in het plangebied geldt de algemene zorgplicht.

In onderstaande tabel is een overzicht van de mogelijk aanwezige soorten en de maatregelen die genomen moeten worden weergegeven. De bron van deze conclusie en van de tabel is de Toets flora en fauna van Staro natuur en buitengebied, Bijlage 6.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0025.png"

Maatregelen:

  • Werken volgens gedragscode voor Alpenwatersalamander, graafwerkzaamheden onder bomen en struiken in het plangebied uitvoeren tussen half april en half oktober.
  • Het snoeien of kappen van bomen en struiken moet worden uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot en met juli. In het kader van de Wet Natuurbescherming wordt voor het broedseizoen echter geen standaardperiode gehanteerd. Ook is van belang, ongeachte de periode, of een broedgeval in de struiken of bomen aanwezig is.
  • Werkzaamheden overdag uitvoeren en het plangebied niet extra verlichten.
4.4.2 De Wet natuurbescherming: Natura 2000

De Wnb heeft tot doel het beschermen en in stand houden van Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden die op grond van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn bescherming genieten, omdat er bijzondere soorten of leefgebieden (habitats) voorkomen. Het effect van projecten en andere handelingen op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden wordt geregeld in artikel 2.7 tot en met artikel 2.9 van de Wnb. Hieruit volgt dat voor een plan dat direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie (in cumulatie) met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, een passende beoordeling noodzakelijk is.

Voor projecten of andere handelingen die de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen, is een vergunning nodig van Gedeputeerde Staten. Ook activiteiten buiten het Natura 2000-gebied kunnen vergunningplichtig zijn als die activiteiten negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied (kunnen) veroorzaken. Dit wordt de 'externe werking' van de bescherming genoemd. Denk daarbij aan handelingen die van invloed zijn op grondwaterstromen of luchtkwaliteit en stikstofdepositie.

Projecten waar op basis van andere wettelijke bepalingen een passende beoordeling verplicht is (bijvoorbeeld Tracéwet of de Spoedwet wegverbreding) zijn uitgezonderd van deze vergunningprocedure.

Op grond van de Wet natuurbescherming is er door middel van het afgeven van een vergunning toestemming nodig voor het realiseren van een project, als het project de natuurlijke kenmerken van Natura 2000 gebieden kan aantasten of als het tot verslechtering van de kwaliteit van habitattypen of leefgebieden van soorten kan leiden. Dat kan het geval zijn als een project tot een toename van stikstofdepositie leidt op habitattypen of in leefgebieden van soorten die gevoelig zijn voor stikstof. Voor de Veluwe geldt dat er sprake is van stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van soorten en overschrijding van Kritische Depositie Waarden.

De afgelopen jaren was het Programma Aanpak Stof (PAS) het kader waarbinnen op grond van de Wet natuurbescherming toestemming werd verleend voor uitvoering van projecten met toename van stikstofdepositie. Omdat de Raad van State het PAS in mei 2019 vernietigd heeft als toestemmingsbasis voor projecten, is dat niet meer mogelijk.

De toetsingskaders voor de nieuwe situatie waarin het PAS niet meer gebruikt kan worden zijn in ontwikkeling. Op dit moment is het zo dat geen enkele toename van stikstofdepositie in Natura 2000- gebieden is toegestaan. Op grond van het stappenplan Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten is er geen vergunning in het kader van Wet natuurbescherming nodig als het projecteffect 0,00 mol N/ha/jaar is.

Relatie tot dit plangebied 

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Amersfoort en maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Arkemheen. Arkemheen heeft echter geen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden welke deze stikstofgevoelige habitattypes wel bevatten zijn Veluwe en de Oostelijke Vechtplassen. Beide gebieden liggen op ongeveer 17 km afstand van Amersfoort.

Door Spa WNP ingenieurs is er twee maal een onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie ten gevolge van het project Meridiaan 14. Het eerste onderzoek dateert van 8 mei 2019 met de 'oude' AERIUS-berekeningsmethodiek en het tweede onderzoek van 11 november 2019 betreft een actualisatie hiervan met gebruikmaking van de 'nieuwe' AERIUS Calculator 2019. De berekening is uitgevoerd voor zowel de aanlegfase als voor de permanente gebruiksfase. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als Bijlage 9, de berekeningen zijn te vinden in Bijlage 11 en Bijlage 12.

Uit de AERIUS berekeningen volgt dat er voor zowel de aanlegfase en de gebruiksfase geen effecten op natuurgebieden zijn met rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar.

4.4.3 Planologische bescherming natuurgebieden en landschap

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; voorheen Ecologische Hoofdstructuur), is een netwerk van natuurgebieden, agrarische beheergebieden en verbindingszones,ten behoeve van de uitbreiding van flora en fauna en behoud van leefgebied. Het doel van het NNN is om van de bestaande en nieuwe natuur een goed functionerend netwerk te maken. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) vormen het achterliggende beleidskader. Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op 'behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden'. Op plannen, projecten of handelingen binnen het NNN is conform de Provinciale Ruimtelijke Verordening het 'nee, tenzij'-regime van toepassing. Hoofdlijn is daarbij dat nieuwe ontwikkelingen in de NNN per saldo niet mogen leiden tot significante aantasting van het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én geen alternatieven.

In aanvulling op het NNN heeft de provincie gebieden aangeduid als Groene Contour. Deze gebieden zijn van belang voor het functioneren van het Natuurnetwerk. De provincie streeft ernaar deze gebieden aan het NNN toe te voegen. Tot die tijd blijft het bestaand gebruik ervan toegestaan. Wel geldt dat er geen onomkeerbare ingrepen en processen mogen plaatsvinden die het realiseren van natuur onmogelijk maken, tenzij er grote publieke belangen in het spel zijn. Is dat het geval, dan is compensatie nodig.

Gedeputeerde Staten kunnen gebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als 'bijzondere provinciale natuurgebieden' en 'bijzondere provinciale landschappen'.

Daarnaast zijn in de Verordening natuur en landschap (VNL) regels opgenomen die het landschap ruimtelijk beschermen. Het gaat hierbij enerzijds om het voorkomen van slootdempingen en het beschermen van kleine landschapselementen. Anderzijds wordt voorkomen dat het Utrechtse landschap er rommelig uitziet.

Conclusie plangebied

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Amersfoort en maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland of de Groen Contour. Negatieve effecten ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland zijn niet aan de orde.

4.4.4 Bescherming van het landschap

De provincie Utrecht hecht veel waarde aan de bescherming van het landschap. Daarom hebben zij het behouden van de kwaliteit ervan als provinciaal belang opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS). Dit beleid is vertaald naar regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Dit betekent dat bij ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in het landelijk gebied rekening moet worden gehouden met het landschap. Daarnaast zijn in de Verordening natuur en landschap (VNL) regels opgenomen die het landschap ruimtelijk beschermen. Het gaat hierbij enerzijds om het voorkomen van slootdempingen en het beschermen van kleine landschapselementen. Anderzijds wordt voorkomen dat het Utrechtse landschap er rommelig uitziet.

Conclusie plangebied

Binnen het bestemmingsplangebied komen geen beschermde kleine landschapselementen voor.

4.5 Bodem

4.5.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Volgens het Bro zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging.

Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op daarvoor geschikte gronden te worden gerealiseerd.

4.5.2 Wet bodembescherming

De Wet Bodembescherming bevat de voorwaarden die kunnen en worden verbonden aan het verrichten van handelingen in of op de bodem. Primair komt bescherming en sanering in de wet aan bod. De wet heeft betrekking op zowel landbodems als waterbodems. De Wet bodembescherming geeft aan wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en of er dan ook gesaneerd moet worden.

De hoeveelheid grond dan wel grondwater (beide in m³) en de mate van vervuiling, gemiddeld boven de interventiewaarde, zijn de criteria voor een geval van ernstige bodemverontreiniging.

De interventiewaarde is de waarde, waarboven er risico’s zijn voor mens, flora en fauna. De spoedeisendheid, de noodzaak om te saneren, hangt hiervan af maar ook van de mate van verspreiding van de bodemverontreiniging.

Voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging is er bij niet gewijzigd grondgebruik soms geen noodzaak tot saneren. Voorbeelden zijn voormalige stortplaatsen en kleine verontreinigingen in het diepere grondwater.

De gevallen van ernstige bodemverontreinigingen zijn door de Gemeente Amersfoort in beeld gebracht. In een aantal gevallen is in een beschikking Wet bodembescherming aangegeven wat er met een geval van ernstige bodemverontreiniging moet gebeuren. Nadat er is gesaneerd, kunnen er restverontreinigingen aanwezig zijn. Soms zijn er gebruiksbeperkingen.

4.5.3 Besluit bodemkwaliteit

In 2013 is een bodemkwaliteitskaart en een bodembeheerplan voor de gehele gemeente opgesteld. Op deze kaart ligt het bestemmingsplangebied “Voormalige Vreekampgarage" in een zone die op basis van de bodemkwaliteitskaart is gekwalificeerd als wonen. Grondverzet kan plaatsvinden conform het Besluit Bodemkwaliteit.

4.5.4 Bodemenergie

Met de invoering van de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Bodemenergie op 1 juli 2013 zijn de regels voor open bodemenergiesystemen geharmoniseerd en de proceduretijd verkort. Daarnaast voert de AMvB regels in voor gesloten bodemenergiesystemen, die tot 1 juli 2013 nog geen wettelijk kader kenden. Bij bodemenergiesystemen wordt onderscheid gemaakt tussen open en gesloten systemen. De open systemen circuleren grondwater en worden 'Warmte Koude Opslagsystemen' (WKO) genoemd. De gesloten systemen wisselen warmte en koude uit via een gesloten buizenstelsel in de ondergrond en worden daarom 'Bodemwarmtewisselaars' genoemd. Voor de aanleg van open en gesloten systemen geldt een vergunningplicht.

In het plangebied zijn goede mogelijkheden voor ondergrondse energieopslag voor open en gesloten systemen. Nieuwe systemen en grondwateronttrekkingen kunnen worden gerealiseerd indien er geen negatieve beïnvloeding is van bestaande systemen. Binnen het plangebied zijn nog geen systemen gerealiseerd (bron: www.wkotool.nl ) en is geen specifiek beleid voor interferentie van toepassing. Het bestemmingsplangebied ligt buiten de invloedssfeer van grondwaterbeschermingsgebieden. Het gebied is geschikt voor bodemenergiesystemen.

4.5.5 Bodem in relatie tot het plangebied

Op de bodemkwaliteitskaart ligt het bestemmingsplangebied in een zone met de gebruiksfunctie “ Wonen” en met een bodemkwaliteit “Wonen”. Grondverzet kan plaatsvinden conform deze nota en het Besluit Bodemkwaliteit.

Van de locatie is het volgende bodemonderzoek aanwezig dat inzicht geeft in de bodemkwaliteit: P&J Milieuservice, Verkennend bodemonderzoek Meridiaan 14 Amersfoort (De Koppel), kenmerk 1657901A, 29 september 2016 (Bijlage 1)

Uit de rapportage blijkt dat er geen sprake is van een onacceptabele kwaliteit van de bodem bij de huidige functie. De milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt op basis van de beschikbare informatie geen belemmering voor de wijziging van de functie naar wonen.

Geconcludeerd wordt dat de kwaliteit van de bodem geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik, (her) ontwikkeling ten behoeve van woningen.

4.6 Conventionele Explosieven

De gemeente Amersfoort heeft voor haar gehele beheersgebied een Historisch Vooronderzoek laten uitvoeren om in een vroeg stadium belanghebbenden te kunnen informeren over potentiële risico's. De kaart behorende bij dit onderzoek is op de gemeentelijke website te vinden ( link naar informatie over niet gesprongen explosieven).

Voorliggend project in relatie tot conventionele explosieven

Uit het bovengenoemde onderzoek blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een risicogebied voor niet gesprongen explosieven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0026.png"

Het kaartmateriaal van Historisch Vooronderzoek bevestigt dat hier geen sprake is van verdacht gebied:

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0027.jpg"

Een nader onderzoek naar niet gesprongen explosieven is daarom niet nodig.

4.7 Duurzaamheid

4.7.1 Duurzame stad algemeen

In 2030 wil Amersfoort een stad zijn zonder CO2 uitstoot en daarnaast wil zij afvalloos en klimaatbestendig zijn. Deze ambitie, van een Duurzame Stad, vraagt een aanpak die alle betrokken partijen verbindt en helpt deze ambities te realiseren. Er moet vergaande samenwerking en afstemming tussen alle ontwikkelende partijen plaats gaan vinden om lange termijnopgaven zoals een CO2-, klimaatbestendige-, en energie neutrale stad in 2030 te kunnen realiseren. De gemeente Amersfoort heeft daartoe een duurzaamheidsprogramma dat gaat over meerdere aspecten van duurzaamheid te weten:

  • Energie
  • Circulariteit
  • Klimaatbestendigheid, groen, natuurinclusief en biodiversiteit
  • Duurzame mobiliteit


Om een bijdrage te kunnen leveren aan het gehele duurzaamheidsprogramma van Amersfoort moet in alle stadia van het ontwerp- en bouwproces rekening worden gehouden met duurzaam- en milieubewust bouwen. Zo ook in dit bestemmingsplan.

Om CO2 (klimaat) neutrale wijken te realiseren moet de gemeente kiezen voor alternatieve, duurzame energiebronnen zoals zon, wind, aardwarmte, oppervlaktewater en restwarmte. We zien nieuwbouw of grootschalige renovatie en herontwikkeling dan ook als kans om de wijkopgave te verkleinen, duurzame energie aan te jagen of om er aan bij te dragen door middel van energieleverende nieuwbouw. Per locatie worden keuzes gemaakt in het verduurzamen van de lokale warmtevoorziening, om zo te komen tot energie-neutrale of energieleverende gebiedsontwikkelingen.

4.7.2 Rijksbeleid

In 2021 moeten alle nieuwbouw gebouwen voldoen aan de BENG normen (Bijna-Energie-Neutraal-Gebouw). De energieprestatiecoëfficiënt (EPC) methodiek wordt vervangen door de BENG berekeningsmethodiek. Om Europese afspraken omtrent het beperken van klimaatverandering te behalen moet de gemeente een stevige vermindering van CO2-uitstoot en forse beperking van energieverbruik gaan realiseren. Het landelijke beleid is om in 2050 een CO2 arme gebouwde omgeving te realiseren en geen aardgas meer te gebruiken. De gemeente Amersfoort werkt ook aan deze opgave en stuurt er op aan om in 2030 een CO2 neutrale gemeente te zijn. Amersfoort heeft daartoe in maart 2017 de Green Deal Aardgasvrije Wijken getekend en in mei 2017 is de motie van de raad aangenomen over 'Aardgasloze Nieuwbouw'. Het rijk zet ook stappen naar een 'aardgasloze', gebouwde omgeving. Het rijk heeft daartoe de wettelijke verplichting om nieuwbouw woningen aan te sluiten op het gasnet vanaf juli 2018 laten vervallen.

Bouwbesluit

Het Bouwbesluit vormt het minimaal te realiseren kwaliteitsniveau in Nederland. Het is zaak om toekomstbestendig te bouwen en slimme investeringen te doen die bijdragen aan een CO2 neutrale, afvalloze- en klimaatbestendige stad.

MPG

Vanaf januari 2018 is een MPG berekening, De Milieu Prestatie Gebouwen, voor woningen en kantoren verplicht. De MPG methodiek geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100m².

De MPG is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. Na jaren van ervaring opdoen met de Milieuprestatieberekening Gebouw (MPG) is MPG vanaf 1-1-2018 verplicht, het resultaat moet voldoen aan de grenswaarde van 1,0 €/m2/bvo per jaar. Met de MPG is een belangrijke stap gezet om de effecten van het gebruik van grondstoffen in de bouw serieus als criterium geaccepteerd te krijgen.

4.7.3 Proces duurzaam bouwen

Bij bouwprojecten dient vroegtijdig te worden overlegd met de afdeling Milieu van de gemeente Amersfoort over de sturing van ontwerp- en materiaalkeuzen. Doel van dit overleg is:

  • het vroegtijdig bepalen van de milieu-ambities en het in beeld brengen van kansen;
  • een programma van 'dubo'-eisen opstellen;
  • de aanpak van duurzaam bouwen in vullen;
  • vast te stellen hoe tijdens het ontwerp en de bouw wordt getoetst op de uitgangspunten van duurzaam bouwen door de afdeling Vergunningen-, Toezicht en Handhaving (VTH).
4.7.4 Materiaalgebruik nieuwbouw

Doelstelling is om een woongebouw te ontwikkelen met een lage onderhoudslast door de toepassing van hoogwaardige materialen. Deze toe te passen materialen moeten allemaal een lage LCA score hebben (Levens Cyclus Analyse). Daarnaast houden we bij de keuze van materialen rekening met de milieubelasting. Voorbeelden zijn uitsluitend gebruik van FSC gecertificeerd hout of gemodificeerd hout en het verbod op gebruik van uitlogende materialen als koper, lood en zink.

4.7.5 Duurzaamheid in relatie tot het plangebied

Bij de ontwikkeling van het plangebied is hetgeen in de vorige paragrafen is geschreven over duurzaamheid het uitgangspunt.

Ondanks dat de BENG-normering nog geen regelgeving is, is in de Anterieure Overeenkomst tussen gemeente en ontwikkelaar afgesproken dat deze ontwikkeling aan de BENG-normen moet voldoen.

Er zijn vier duurzame energie componenten in dit appartementencomplex opgenomen:

• WKO (Warmte Koude Opslag)-installatie

• PV-panelen

• Warmteterugwinning uit ventilatielucht;

• Isolatie van de schil.

Aan de hand van deze maatregelen wordt ruimschoots voldaan aan de BENG- normering, waarbij door de extra toe te passen zonnepanelen de grens van EPC 0 benaderd wordt.

Er worden hoogwaardige materialen toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met de milieubelasting van de materialen, en ook met het toekomstig onderhoud en de levensduur van de materialen. Bij de sloop van het bestaande gebouw wordt zoveel mogelijk voor hergebruik geschikt gemaakt.

Er wordt aandacht besteed aan een goed binnenklimaat, met veel daglicht, hoge plafonds, goede isolatie, vloerverwarming en goede geluidswering. De woningen worden optimaal ingedeeld, er wordt rekening gehouden met de zonligging.

De toekomstwaarde is hoog. Er is een tekort aan dit type woning in het middensegment (70% middeldure huur en - koop) en naar verwachting een blijvende vraag. Wijkbewoners kunnen doorstromen vanuit een sociale huurwoning naar een middeldure woning, waardoor deze bewoners hun wijk niet hoeven te verlaten.

De architectuur, vormgeving en toe te passen materialen voldoen aan de moderne eisen waardoor dit complex duurzaam en toekomstbestendig is.

Tot slot worden maatregelen getroffen tegen hitte accumulatie (o.a. toepassen lichte kleur dakbedekking en zonnepanelen op het dak), wateroverlast, wordt voorzien in een goede waterbuffering, wordt hittestraling tegengegaan (o.a. aanbrengen pergola met groen en planten bomen), wordt met de keuze voor het type beplanting rekening gehouden met de biodiversiteit en worden nestkasten geïntegreerd in de gevel voor gierzwaluwen, huismussen en vleermuizen.

Voor een uitgebreidere toelichting op dit aspect wordt verwezen naar bijlage 7 Duurzaamheid.

4.8 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Vanuit het externe veiligheidsbeleid worden veiligheidsnormen gesteld voor risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen ten opzichte van:

  • kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen en scholen);
  • beperkt kwetsbare objecten (bijvoorbeeld winkels of bedrijfsgebouwen).
4.8.1 Beleid en normstelling

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen in de directe omgeving lopen als gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt en transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De aan deze activiteiten verboden risico’s moeten aanvaardbaar blijven.

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door leidingen.
4.8.2 Plaatsgebonden risico en groepsrisico

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor bedrijvigheid staat dit in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat dit in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In alle drie besluiten zijn de centrale begrippen het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken ) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur.

Het groepsrisico (GR) drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval in een inrichting waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde (inspanningsverplichting). Indien de oriënterende waarde voor het GR wordt overschreden, legt dit in het algemeen ook ruimtelijke beperkingen op aan een gebied buiten de 10-6-contour (PR).

4.8.3 Besluit externe veiligheid transportroutes / Basisnet

Landelijk is een basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoorwegen en vaarwegen ontwikkeld. Het basisnet geeft zekerheid over de te verwachten transportfrequenties en de daarbij behorende zonering. De uitgangspunten van het basisnet, waaronder de transportfrequenties waarmee gemeenten bij risicoanalyses dienen te rekenen, zijn wettelijk verankerd door middel van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling basisnet. Het Bevt beschrijft de afstanden tussen transportroutes en (beperkt) kwetsbare objecten en bestemmingen. Dit zijn alle plaatsen waar zich regelmatig personen bevinden m.u.v. verkeersdeelnemers. De transportfrequenties, opgenomen in de Regeling basisnet, corresponderen met de maximale gebruiksruimte voor het vervoer.

4.8.4 Externe veiligheid in relatie tot het plangebied

Voor het plangebied is beoordeeld of sprake is van activiteiten met gevaarlijke stoffen in en in de omgeving van het plangebied, die mogelijk risico's zouden kunnen opleveren. Meer specifiek is gekeken naar de aanwezigheid van bedrijven die zijn aangewezen in het Bevi, waaronder LPG-tankstations en daarnaast naar transportroutes over weg, spoor en water en door leidingen.

Voor de inhoudelijke beoordeling inclusief berekeningen wordt verwezen naar Bijlage 3 bij deze toelichting.

Middels de risicokaart kan worden beoordeeld of een locatie nabij een risicoveroorzakend object is gelegen. Onderstaande figuur is een uitsnede van de risicokaart ter plaatse van het plangebied. Ten zuidoosten van de locatie loopt het doorgaande spoor door Amersfoort waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De afstand tot het spoor is ongeveer 180 meter. Verder liggen er geen objecten in de omgeving van de locatie welke relevant zijn qua externe veiligheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0028.png"

Uitsnede uit de risicokaart

Op ongeveer 180 meter vanaf de Meridiaan 14 ligt het doorgaande spoor door Amersfoort. De nieuwbouwlocatie ligt buiten de maatgevende risicocontour voor het plaatsgebonden risico.

Het groepsrisico is berekend met behulp van RBMII en bedraagt in de huidige situatie per kilometer maximaal 0,074 maal de oriënterende waarde bij 560 slachtoffers. Voor de toekomstige situatie is een groepsrisico berekend van maximaal 0,075 maal de oriënterende waarde bij 560 slachtoffers.

Aangezien het groepsrisico lager dan 0,1 maal de oriënterende waarde is moet deze beperkt worden verantwoord. Hiertoe wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van de rapportage Externe Veiligheid Meridiaan 14 Amersfoort Bijlage 3

4.9 Geluid

4.9.1 Wet geluidhinder

De basis voor de ruimtelijke afweging van geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor- ) wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd dient te worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

Bij vaststelling van een bestemmingsplan komen in de volgende gevallen de regels van de Wgh aan de orde:

  • het bestemmen van gronden voor nieuwe of gewijzigde geluidgevoelige objecten nabij (spoor-) wegen en industrieterreinen;
  • het bestemmen van gronden voor de realisatie of wijziging van (spoor-) wegen (met uitzondering van rijksinfrastructuur, zie § 4.9.2) en industrieterreinen;
  • het wijzigen van zonegrenzen van industrieterreinen.

De Wgh werkt met een systeem van voorkeursgrenswaarden en maximaal toegestane geluidsbelastingen. Indien een voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, kan onder bepaalde voorwaarden een hogere grenswaarde worden vastgesteld. Hierbij mag de geluidsbelasting nooit hoger zijn dan de maximaal toegestane geluidsbelasting. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting voor nieuwe of bestaande geluidgevoelige bestemmingen verschillen per locatie en per geluidssoort.

4.9.2 Swung 1

Per 1 juli 2012 is Swung 1 in werking getreden. Het gaat om een wijziging van de Wet milieubeheer die onder andere heeft geresulteerd in de invoering van geluidsproductieplafonds voor rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorwegen). Een geluidsproductieplafond geeft de toegestane geluidsproductie (geluidwaarde in Lden) vanwege een weg of spoorweg aan. Geluidsproductieplafonds gelden op referentiepunten langs rijkswegen en spoorwegen. De ligging van de referentiepunten, de grenswaarden en de bijbehorende gegevens zijn opgenomen in een openbaar, elektronisch toegankelijk geluidsregister. De wegbeheerders (Rijkswaterstaat en Prorail) moeten aan de grenswaarden op de referentiepunten voldoen en dat jaarlijks aantonen.

De nieuwe regels zijn, wat de rijksinfrastructuur betreft, in plaats gekomen van de regels in de Wet geluidhinder omtrent de aanleg en reconstructie van een weg en de aanleg of wijziging van een spoorweg. Bij bouwen langs rijkswegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder gelden, maar moet bij de berekening van de geluidsbelasting gebruik gemaakt worden van de brongegevens uit het register. Ook op decentraal beheerde wegen en spoorwegen blijft de Wet geluidhinder van toepassing.

4.9.3 Verkeerslawaai

In de Wgh is bepaald dat elke weg van rechtswege een geluidszone heeft (Wgh art. 74 lid 1). Een uitzondering hierop zijn wegen die zijn gelegen in een 30 km/uur-zone of in een woonerf. De breedte van de geluidszones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van een weg (zie tabel).

  aantal rijstroken   zonebreedte (meter)  
stedelijk gebied   1 of 2   200  
  3 of meer   350  
buitenstedelijk gebied   1 of 2   250  
  3 of 4   400  
  5 of meer   600  

Tabel: zonebreedte langs wegen

In geval van een nieuwe of gewijzigde weg of nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen zones langs wegen is akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige bestemmingen bedraagt in de meeste gevallen 48 dB (Lden). De maximaal toegestane geluidsbelasting bedraagt 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

4.9.4 Spoorweglawaai

Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie.

4.9.5 Industrielawaai

Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen.

De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.

4.9.6 Geluidsnota gemeente Amersfoort

De gemeente heeft beleid opgesteld met betrekking tot het vaststellen van hogere grenswaarden (Geluidsnota Amersfoort Wet geluidhinder, september 2015). Hierin is o.a. aangegeven hoe we omgaan met het verlenen van hogere waarden, welke aspecten we meenemen in het onderzoek en hoe we omgaan met transformaties. Ook zijn voorwaarden opgenomen die aan de hogere grenswaarde worden verbonden.

4.9.7 Geluid in relatie tot het plangebied

Het plangebied valt binnen stedelijk gebied. In het kader van dit bestemmingsplan is het wegverkeerslawaai en spoorweglawaai van belang. Het plangebied ligt niet in de zone van industrie of bedrijvigheid, waarmee industrielawaai niet van belang is voor dit plangebied.

Voor dit bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door SPA WNP Ingenieurs. Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij deze toelichting te vinden.

Railverkeer

Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de spoorbaan Amersfoort - Nijkerk/Hoevelaken.

De ten hoogste toelaatbare geluidbelasting voor geluidgevoelige bestemmingen (o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen etc.) binnen zones langs spoorwegen, is maximaal 55 dB. Uit de berekeningen blijkt dat de nieuwe woningen een geluidbelasting (Lden) zullen ondervinden van maximaal 54 dB ten gevolge van de spoorlijn. Dit is lager dan de voorkeurswaarde van 55 dB.

Wegverkeer

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de planlocatie binnen de geluidszones van de Meridiaan ligt en ook vanwege de Keerkring een geluidsbelasting heeft vanwege wegverkeer. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarden worden overschreden door de geluidsbelasting als gevolg van het wegverkeer op de Meridiaan en Keerkring. De geluidsbelasting vanwege de Meridiaan bedraagt ten hoogste 49 dB. De geluidsbelasting vanwege de Keerkring bedraagt ten hoogste 52 dB.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0029.png"

Afbeelding: Geluidsbelasting t.g.v. Meridiaan na aftrek 5 dB art 110g Wgh (bron: Akoestisch onderzoek SPA ingenieurs)

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0030.png"

Afbeelding: Geluidsbelasting t.g.v. Keerkring na aftrek 5 dB art 110g Wgh (bron: Akoestisch onderzoek SPA ingenieurs).

Indien de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden en de geluidsbelasting redelijkerwijs niet kan worden teruggebracht, kan een ontheffing tot een ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van in dit geval 63 dB (wegverkeerslawaai van de Meridiaan), een zogenaamde hogere waarde worden verleend. Er is onderzocht of maatregelen kunnen worden getroffen om de geluidsbelasting te reduceren. De onderzochte maatregelen zijn te vinden in hoofdstuk 6 van het akoestisch onderzoek.

Daarom moeten hogere waarden worden vastgesteld bij het bestemmingsplan. Voor de woningen waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld, dient er bij de bouw voor gezorgd te worden dat de wettelijke binnenwaarde van 33 dB niet wordt overschreden. Er wordt voldaan aan het vereiste van ten minste een geluidluwe gevel, conform het gemeentelijk geluidbeleid.

4.10 Luchtkwaliteit

4.10.1 Wettelijk kader

Uit de Wet luchtkwaliteit volgt dat een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar is indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden;
  • 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen;
  • 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging;
  • 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal;
  • 5. Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL).


Ad. 3 De Regeling NIBM geeft voor een aantal categorieën van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Eén van die categorieën zijn woningbouwlocaties. Indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1500 nieuwe woningen omvat, dan wel in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer bedraagt dan 3000 woningen dan is er sprake van een NIBM project.
Indien een voorgenomen ontwikkeling binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig mits de voorgenomen ontwikkeling niet valt onder het Besluit gevoelige bestemmingen.

In het Besluit NIBM is een anticumulatiebepaling opgenomen, die het 'opknippen' van projecten moet tegengaan. Projecten moeten als één locatie worden beschouwd als ze a) gebruikmaken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en b) binnen 1000 meter van elkaar liggen. Projecten waarvan de toename van de concentraties ter plaatse niet meer bedraagt dan 0,1 µg/m3 kunnen buiten beschouwing blijven.

Het Besluit gevoelige bestemmingen is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), met name kinderen, ouderen en zieken. Daartoe voorziet het besluit in zones waarbinnen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is: 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.

4.10.2 Luchtkwaliteit in relatie tot het plangebied

Binnen het plangebied worden 30 woningen mogelijk gemaakt. Binnen een afstand van 1000 meter van dit plangebied is gebruikmakend van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur, één ontwikkeling relevant. Aan dezelfde ontsluitingsweg, aan de overzijde van de Meridiaan, is een bouwplan in ontwikkeling van 200 woningen. Het bestemmingsplan 'Keerking 5' voor dit plangebied is vastgesteld op 13 september 2016. Verder zijn er geen lopende projecten relevant. Het aantal woningen blijft in totaal ruim binnen de NIBM-grens. Onderzoek naar de luchtkwaliteit kan in het kader van dit bestemmingsplan daarom achterwege blijven.

Het Besluit gevoelige bestemmingen is niet van toepassing. De herontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Luchtkwaliteit is daarom geen belemmering om de bestemming wonen op te nemen in voorliggend bestemmingsplan. Overigens wordt in de omgeving van het plan ruimschoots voldaan aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Zie voor de situatie ter plekke www.nsl-monitoring.nl.

4.11 M.e.r. beoordeling

Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in:

  • 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.);
  • 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.).


Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht. Wanneer het bestemmingsplan een activiteit mogelijk maakt die is opgenomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling is in ieder geval verplicht als de drempelwaarde die in onderdeel D is opgenomen, wordt overschreden.

Wijziging Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.)

Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Deze wijziging impliceert dat vanaf die datum een toets uitgevoerd moet worden of belangrijke nadelige milieugevolgen in verband met een voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. (milieueffectrapportage)-beoordeling gehanteerd.

De vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarde blijven (en daarmee dus niet m.e.r.-plichtig zijn). De herontwikkeling van de locatie Meridiaan 14 naar wonen, valt onder de categorie D11.2 stadsontwikkelingsproject. (zie onderstaande tabel uit onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r.). De drempel die gegeven wordt is een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aantal van 2000 woningen of meer, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0031.png" De

Voorliggend plan betreft de bouw van 30 woningen. De oppervlakte van het plangebied is 1750 m² (0,175 hectare) en er wordt geen bedrijfsvloeroppervlakte mogelijk gemaakt. Dit aantal valt ruim onder deze drempel en is derhalve niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders) beslist of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten of dat een m.e.r. moet worden opgesteld. Omdat er bij voorliggend plan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht wordt een vormvrije m.e.r. toegepast. Het belang van de vormvrije m.e.r. is dat al in een vroeg stadium wordt beoordeeld of het plan of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft.

Hoewel er geen wettelijke verplichting is tot het doorlopen van de uitgebreide m.e.r.-procedure, geeft de Wet milieubeheer aan dat voor de geplande activiteiten wel een vormvrije m.e.r. beoordelingsplicht van toepassing is. Deze beoordeling gebeurt aan de hand van een m.e.r. aanmeldnotitie. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders) beslist aan de hand van de m.e.r. aanmeldnotitie of het project belangrijke nadelige milieugevolgen heeft die alsnog aanleiding kunnen geven tot het doorlopen van een uitgebreide m.e.r. procedure.

Ten behoeve van de vormvrije m.e.r. beoordeling is voor dit bestemmingsplan een m.e.r. aanmeldnotitie opgesteld door het bureau SPA WNP ingenieurs.(zie Bijlage 10)

Vormvrije m.e.r.

In de vormvrije m.e.r. dient het navolgende te worden beschreven: (1) de kenmerken van het project; (2) de plaats van het project en (3) de kenmerken van het potentiële effecten van het project.

1. Kenmerken van het project

Voorliggend plan betreft de bouw van 30 woningen, het plangebied heeft een oppervlakte van ongeveer 1750 m2 (0,175 hectare). Dit ligt ruim onder de drempelwaarden uit categorie D 11.2 van het Besluit m.e.r.

2. Plaats van het project

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van één of meer kwetsbare gebieden zoals bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden of het Natuur Netwerk Nederland. Het plan heeft daarmee geen invloed op kwetsbare gebieden.

3. Kenmerken van het mogelijke effect

In de m.e.r. aanmeldnotitie zijn de potentiële (milieu)effecten beoordeeld die kunnen optreden met betrekking tot geluid, trilling, geur, luchtkwaliteit, bodemkwaliteit, (afval)water, energie, verkeer en vervoer, natuurgebieden, landschap en archeologie. Er zijn geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, Natura-2000 gebieden of en/o waardevolle structuren of elementen in het gebied.

Conclusie

De milieugevolgen zijn beschreven in hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten en de m.e.r. aanmeldnotitie in Bijlage 10. Het bouwproject heeft ten opzichte van de bestaande situatie geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Er zijn geen essentiële milieueffecten, die door middel van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden.
 

4.12 Water

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de zogenaamde watertoets uitgevoerd worden. Hierbij moeten de initiatiefnemer en de waterbeheerder overleg voeren over de wateraspecten die verband houden met de voorgenomen ontwikkeling. Naast de watertoets spelen de volgende beleidslijnen een belangrijke rol:

4.12.1 Europese Kaderrichtlijn Water (2000)

De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; verbetering van emissies; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

4.12.2 Nationaal Waterplan 2016-2021)

Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

4.12.3 Provinciaal Bodem- Water- en Milieuplan 2016-2021

Het beleidsterrein bodem, water en milieu is de laatste jaren sterk in ontwikkeling geweest. De wetgeving voor bodem, water en milieu is aan verandering onderhevig, internationaal zijn er regels en afspraken bij gekomen en nationaal zijn wetten samengevoegd en vereenvoudigd. Bovendien zijn bevoegdheden tussen overheden verschoven.

Het veranderingsproces dat zich voltrekt, levert een vernieuwde provinciale beleidsinsteek op. Deze is veel meer dan voorheen gericht op het voorkomen van problemen en vooral op het verbeteren van de Utrechtse leefkwaliteit. De gebiedsgerichte aanpak staat hierbij centraal. In dit kader is het 'Bodem- Water en Milieuplan 2016-2021' opgesteld. Hierin richt de provincie zich op het behoud en verder verbeteren van het aantrekkelijke woon-, werk- en leefklimaat in de provincie.

Voor bodem, water en milieu betekent dit dat er gestreefd wordt naar:

  • een robuust bodem- en watersysteem. Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden;
  • bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied;
  • een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden;
  • een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio.


De rol van stedelijke gebieden wordt steeds belangrijker. In stedelijke gebieden wonen, werken en recreëren mensen relatief dicht op elkaar waardoor ogenschijnlijk kleine ontwikkelingen relatief veel effect op de fysieke leefomgeving (kunnen) hebben. Om te komen tot een duurzaam gebruik van het bodem- en watersysteem is het vinden van een balans, tussen de groei van het gebruik enerzijds en de bescherming van de leefkwaliteit anderzijds, noodzakelijk. Ook het inspelen op de gevolgen van de klimaatverandering wordt een steeds belangrijkere factor bij de inrichting van gebieden. Zowel in het landelijk als het stedelijk gebied neemt de urgentie toe van het treffen van voorzieningen om wateroverlast door hoge neerslagintensiteiten te voorkomen, overstromingsrobuust te bouwen en het vasthouden van water om droogteperioden te overbruggen.

Ten aanzien van grondwater is de doelstelling dat de grondwatervoorraad mag benut worden, zonder dat deze wezenlijk wordt aangetast of andere belangen worden geschaad. Het stand still-beginsel - het op peil houden van de huidige hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater - is de minimale ambitie voor het beleid. Het kan echter nodig zijn om lokaal de grondwaterkwantiteit of -kwaliteit te verbeteren (step forward), bijvoorbeeld omdat er anders negatieve effecten optreden op natuur die van grondwater afhankelijk is.

4.12.4 Waterbeheerprogramma 2016-2021 Waterschap Vallei en Veluwe

In het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 geeft Waterschap Vallei & Veluwe inzicht in de doelen en maatregelen die het waterschap in deze periode van 6 jaar gaat bereiken. De maatregelen zijn hierin op hoofdlijnen beschreven. Dit plan is mede kader voor de wijze waarop omgegaan wordt met water in het plangebied.

4.12.5 Waterplan gemeente Amersfoort 2005-2015

Het Waterplan Amersfoort 2005-2015 is het kader voor integraal en duurzaam waterbeheer in Amersfoort. Het plan is gezamenlijk opgesteld door de Gemeente Amersfoort, Waterschap Vallei & Veluwe en Hydron Midden-Nederland. Het Waterplan Amersfoort is gebaseerd op een integrale beschouwing van het systeem van oppervlaktewater, ondiep grondwater en de waterketen vanaf de inzameling van afvalwater tot en met de zuivering van afvalwater.

Aan de hand van drie streefbeelden wordt geschetst hoe het waterbeheer er in 2030 uit zou moeten zien: water met allure, water van de wijk en water voor natuur. Het gaat hierbij met name om het oppervlaktewatersysteem en het ondiepe grondwater en de interactie tussen de waterketen en het oppervlaktewatersysteem.

4.12.6 Gemeentelijk rioleringsplan 2012-2021

De afgelopen planperiode 2007-2011 werden de 'Wet gemeentelijke watertaken' en de Waterwet van kracht. Met deze wetten zijn de gemeentelijke watertaken verbreed en hebben gemeenten de zorgtaak gekregen voor het:

Doelmatig inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater (Wet milieubeheer, artikel 10.33),

Inzamelen en verwerken van hemelwater dat redelijkerwijs niet op particulier terrein kan worden verwerkt (Waterwet, artikel 3.5), en

Treffen van doelmatige maatregelen tegen structurele grondwateroverlast en verwerking van ingezameld grondwater (Waterwet, artikel 3.6).

De beleidsmatige invulling van deze (verbrede) gemeentelijke watertaken wordt vastgelegd in het wettelijke verplichte gemeentelijke rioleringsplan (Wet milieubeheer, artikel 4.22), daarom ook wel het 'verbreed gemeentelijke rioleringsplan' genoemd.

4.12.7 Watertoets

Bij ruimtelijke plannen geldt vanaf 1 november 2003 de wettelijke verplichting van een waterparagraaf/watertoets. De watertoets is één van de pijlers van het Waterbeleid voor de 21 eeuw, waarin aan water een meesturende rol in de ruimtelijke ordening is toegekend. Met de watertoets wordt beoogd waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken. De watertoets betreft het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van een waterparagraaf is een samenhangend beeld te geven van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met duurzaam waterbeheer en de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het voorkomen van negatieve effecten op de waterhuishouding staat bij de watertoets voorop. Dan pas komen inrichtingsmaatregelen en compensatie in beeld.

4.12.8 Water in relatie tot het plangebied

Huidige Situatie

Oppervlaktewater:

Binnen en grenzend aan het plangebied is geen open water aanwezig.

Hemelwater:

Het grootste deel van het plangebied is momenteel verhard met terreinverharding en het dakoppervlak van het bestaande gebouw. Hemelwater afkomstig van het plangebied wordt gescheiden van het afvalwater via de hemelwaterriolering ingezameld en afgevoerd naar oppervlaktewater in de omgeving.

Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) ligt in de huidige situatie op circa 1,1 meter onder maaiveld.

Afvalwater

In de omgeving van het plangebied ligt een gescheiden rioolstelsel. Het afvalwater wordt via de vuilwaterriolering ingezameld en afgevoerd naar de rioolwaterzuivering.

Nieuwe situatie

Oppervlaktewater

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

Hemelwater

Voor het hemelwater dat valt in het plangebied gelden twee belangrijke principes:

a) Vasthouden - bergen - afvoeren

Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen een plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen/geïnfiltreerd en dus niet afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen.

b) Schoon houden - scheiden - schoon maken

Het is van belang dat het grondwater wordt beschermd tegen vervuiling. Om hieraan bij te dragen mogen bij de ontwikkeling van het terrein geen uitloogbare materialen worden gebruikt zoals koper, lood, zink en geïmpregneerd hout op plekken waar die met regenwater in aanraking kunnen komen.

De gemeente wil haar stedelijke gebied klimaatbestendig inrichten. Daarom moet binnen het plangebied een bui met een volume van 60 mm volledig kunnen worden geborgen. Dit komt overeen met een bui die theoretisch éénmaal per 100 jaar voorkomt. Het realiseren van voldoende waterberging is in dit gebied mogelijk.

Grondwater

Voor nieuwe ontwikkelingen geldt dat deze zo moeten worden geordend en ingericht dat dit past bij de bestaande grondwaterstanden. Om problemen door grondwateroverlast in de toekomst te voorkomen moeten eventuele kelders en parkeergarages tot aan maaiveld waterdicht zijn.

Onderzoek naar klimaatgevolgen heeft uitgewezen dat de grondwaterstand ten gevolge van klimaatontwikkelingen op verschillende locaties in Amersfoort nog zo'n 20 tot 30 cm gaat stijgen. In onderstaande figuur is het worst case scenario te zien voor Amersfoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.0307.BP00177-0201_0032.png"

Afvalwater

In de Meridiaan / Keerkring e.o. is een gescheiden rioolsysteem aanwezig. Het afvalwater vanuit het plangebied kan via de vuilwaterriolering worden ingezameld en afgevoerd naar de rioolwaterzuivering.

Compensatie

Met het Waterschap Vallei en Veluwe is de afspraak gemaakt dat voor plannen waarvan het verhard oppervlak met meer dan 1000 m2 toeneemt, een watertoets en watercompensatie nodig is.

In de huidige situatie is het plangebied bijna volledig verhard. Met de herontwikkeling van het terrein neemt de totale omvang van de verharding af. Omdat het verhard oppervlak afneemt, is in dit geval watercompensatie niet nodig.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

5.1.1 Wat is een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bepaalt hoe de gronden gebruikt mogen worden, of er ergens gebouwd mag worden en wat voor bebouwing dat mag zijn. Het gaat om het toelaten van bepaalde gebruiksmogelijkheden (toelatingsplanologie). De grondgebruiker (zoals eigenaar, huurder) mag de functie die het bestemming geeft uitoefenen. Dit houdt in dat de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een aangewezen bestemming daadwerkelijk te realiseren, maar ook dat de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen die in strijd is met de gegeven bestemming, of in strijd met het bestemmingsplan mag bouwen.

Het is belangrijk om voor de toekomstige en bestaande bebouwing en functies een bestemmingsregeling te ontwerpen die zo veel mogelijk ruimte biedt voor verandering en aanpassing aan veranderende wensen. Het plan dient, met andere woorden, flexibel en doelmatig te zijn, en dient rechtszekerheid te bieden omtrent de ruimte voor verandering. Daar staat tegenover, dat het plan de nodige bescherming moet bieden tegen ontwikkelingen die schadelijk zijn voor anderen. Bescherming tegen een zodanige ontwikkeling wordt samengevat in de term rechtsbescherming.

5.1.2 Waaruit bestaat een bestemmingsplan

Een bestemmingsplan bestaat uit:

  • De verbeelding.
  • De regels.
  • De toelichting.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouw- en gebruiksregels gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. Hierin staat hoe een plan tot stand is gekomen, een beschrijving van het gebied en wat de bedoelingen van de gemeente zijn in het plangebied.

5.1.3 Principe-opzet plangebied

In het voorliggende plan heeft een en ander geleid tot de volgende principe-opzet:

Aan de gebruiker van gronden en opstallen worden zo veel mogelijk vrijheden gegeven om zijn eigen beleid te voeren, zonder dat de overheid daarin regels stelt. Deze vrijheden worden zonder beperking als recht in het plan geformuleerd.

Als in bepaalde gevallen een mogelijke beschadiging van de belangen van andere burgers wordt verwacht, geeft het plan als recht iets beperktere mogelijkheden. Voor uitzonderingssituaties biedt het plan in dat geval wel verruimde mogelijkheden; het is in dit soort situaties niet goed mogelijk om vooraf te bepalen onder welke voorwaarden en in welke situaties deze extra mogelijkheid zal kunnen worden toegekend. Daarom zijn ze voorwaardelijk in het plan opgenomen, in de vorm van een “afwijkingsbevoegdheid”. Het kan in uitzonderlijke gevallen wenselijk zijn nadere eisen te stellen om bepaalde, met name genoemde, waarden te beschermen. De procedure is gelijk aan die voor een afwijking.

5.1.4 Procedurebepalingen bij afwijking en wijziging

De Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat in afdeling 3.4 bepalingen over de openbare voorbereidingsprocedure van een groot aantal uiteenlopende besluiten van bestuursorganen. De procedure is van toepassing als dat bij wettelijke regel is bepaald, of als het bestuursorgaan (in casu het gemeentebestuur) dit zelf heeft bepaald.

Uit praktische overwegingen is het zinvol zoveel mogelijk die uniforme openbare voorbereidingsprocedure te volgen in de gevallen dat een procedure, met o.a. publicatie van het ontwerp-besluit en bezwaarmogelijkheden, nodig wordt geacht.

Het voorliggende bestemmingsplan bevat enige afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die qua “zwaarte” en reikwijdte directe gevolgen kunnen hebben voor andere belanghebbenden dan de aanvrager van de afwijking.

 

5.2 Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. In de volgende paragraaf wordt nog een nadere uitleg gegeven over de regels in het bestemmingsplan.

5.2.1 Regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

  • 1. Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels.
  • 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Elk artikel kent de volgende opzet: eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw-en/of gebruiksregels.
  • 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het gehele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels en een bepaling uitsluiting aanvullende werking bouwverordening.
  • 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

Hieronder volgt een uitleg van een aantal bestemmingen die het bestemmingsplan kent. Sommige bestemmingen spreken voor zich en worden daarom niet nader toegelicht.

Naast de bestemmingen kent het bestemmingsplan ook dubbelbestemmingen. Een dubbelbestemming omvat een eigen stelsel van regels voor bouwen en gebruik voor het behoud en de bescherming van de in de dubbelbestemming aangegeven waarden. De dubbelbestemming functioneert naast de regeling die is verbonden aan de onderliggende bestemming.

Behalve bestemmingen en dubbelbestemmingen zijn binnen het bestemmingsplan aanduidingen te onderscheiden. Deze aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen en dubbelbestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Functieaanduidingen en bouwaanduidingen worden opgenomen in het artikel van de bestemming waarin ze voorkomen. Gebiedsaaanduidingen hebben een eigen artikel omdat deze aanduidingen zich meestal over meerdere bestemmingen uitstrekken.

5.2.1.1 Groen

In het plangebied kom een groene strook voor tussen de rijbaan en het trottoir aan de Keerkring en op het parkeerterrein aan de achterzijde van de gestapelde woningen. Voor deze strook geldt dat het groene karakter in stand moet worden gehouden. De gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Er wordt geen bebouwing mogelijk gemaakt. Er mogen binnen deze bestemming enkel nutsvoorzieningen worden gerealiseerd en 'andere bouwwerken' zoals masten en verlichtingselementen.

5.2.1.2 Tuin

In het deel van het plangebied dat een woonkarakter krijgt, hebben de voortuinen bij de woningen de bestemming "Tuin" gekregen. Binnen deze bestemming mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de aangrenzende woonbestemming. De bestemmingsgrens tussen de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' aan de Keerkringzijde mag worden overschreden door balkons. Parkeren in deze bestemming is opgenomen als een verboden gebruik.

5.2.1.3 Verkeer - verblijfsgebied

De bestemming Verkeer - Verblijfsgebied is in de eerste plaats bedoeld voor woonerven, woonstraten, ontsluitingswegen en pleinen. Binnen deze bestemmingen zijn daarnaast de voor verblijfsgebieden gebruikelijke functies toegestaan zoals, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, groen en water.

De bestemmingsgrens tussen de bestemming 'Wonen' en de bestemming 'Verkeer- Verblijfsgebied' mag, uitsluitend op de eerste verdieping aan de achterzijde van de gestapelde woningen aan de Meridiaanzijde, worden overschreden door de balkons / dakterrassen. Aan de achterzijde van de woningen is, naast parkeerplaatsen voor de bewoners en bezoekers, tevens een pergola-constructie toegestaan waar groene beplanting tegenaan moet worden geleid.

Binnen deze bestemmingen mogen verder nutsvoorzieningen en 'andere bouwwerken' zoals palen, masten en verlichtingselementen worden gerealiseerd.

5.2.1.4 Wonen

In het plangebied komt de bestemming Wonen-4 voor. Deze bestemming wordt gegeven aan gestapelde woningen. Op de verbeelding ligt het bouwvlak bij deze bestemming om het gebouw. Binnen het bouwvlak is de bebouwing voor gestapelde woningen toegestaan, waarbij voldaan moet worden aan een aantal regels.

Het maximum aantal bouwlagen is aangegeven op de verbeelding. De grens van het bouwvlak valt samen met de bestemmingsgrens.

De bouwgrens / bestemmingsgrens tussen de bestemming 'Wonen' en de bestemming 'Verkeer- Verblijfsgebied' mag, uitsluitend op de eerste verdieping aan de achterzijde van de gestapelde woningen aan de Meridiaanzijde, worden overschreden door de balkons / dakterrassen.
Aan de voorzijde van de gestapelde woningen mag de bouwgrens/bestemmingsgrens tussen de bestemming 'Wonen' en 'Tuin' aan de Keerkringzijde worden overschreden door balkons.

In alle woonbestemmingen is een regeling opgenomen voor beroepen en bedrijven aan huis. Deze regeling biedt de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een beroep of bedrijf aan huis uit te oefenen.

5.2.1.5 Waarde - archeologie 3 (dubbelbestemming)

Het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachting (Archeologische waardevol verwachtingsgebied 3). In de regels en op de verbeelding is hiervoor de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 3" opgenomen. In geval van ontwikkelingen van terreinen groter dan 500m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Daarbinnen liggen enkele banen met een hoge verwachting (Archeologische waardevol verwachtingsgebied 2). In geval van ontwikkelingen van terreinen groter dan 100m2 met bodemingrepen dieper dan 30 cm onder het maaiveld dient voorafgaand een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Inleiding

Bij de beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan gaat het zowel over het overleg dat bij de voorbereiding van het plan gevoerd is, als om de economische uitvoerbaarheid. Bij de uitvoerbaarheid speelt ook de handhaving een belangrijke rol.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan 'Voormalige Vreekampgarage' betreft het juridische en planologische instrumentarium voor de ontwikkeling van 30 woningen op de locatie van de voormalige Vreekampgarage aan de Meridiaan 14.

Gelet op het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening moet de gemeenteraad een exploitatieplan vaststellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (= Besluit ruimtelijke ordening) aangewezen bouwplan is voorgenomen.

Op grond van artikel 6.2.1a Bro wordt een bouwplan van een of meer woningen (te weten 30 woningen) toegestaan. Er moet een afweging worden gemaakt over het vaststellen van een exploitatieplan. Dit is niet aan de orde als er sprake is van een overeenkomst.

6.2.1 Exploitatieplan of overeenkomst

Gemeenten zijn op grond van de Wro verplicht om de kosten van de grondexploitatie te verhalen. Ingeval de gemeente de uitgeefbare gronden in eigendom heeft, vindt verhaal van de kosten van de grondexploitatie plaats door verkoop van bouwrijpe grond. Ingeval de gemeente niet over de gronden beschikt, kan de gemeente een overeenkomst over grondexploitatie aangaan waarbij de grondeigenaar zich verbindt de kosten van grondexploitatie aan de gemeente te voldoen. Indien het niet mogelijk is het kostenverhaal bij overeenkomst te verzekeren dient er, gelijktijdig met het bestemmingsplan, een exploitatieplan vastgesteld te worden. In dat laatste geval worden de kosten van de grondexploitatie verhaald door een financiële voorwaarde aan de bouwvergunning te verbinden. Kostenverhaal met behulp van een exploitatieplan wordt het verplichte kostenverhaal genoemd, in tegenstelling tot het vrijwillige kostenverhaal bij overeenkomst. Overeenkomsten die tot stand komen voorafgaand aan de vaststelling van een exploitatieplan worden anterieure overeenkomsten genoemd. Ook na vaststelling van een exploitatieplan is het mogelijk een overeenkomst over grondexploitatie aan te gaan. Laatstbedoelde overeenkomsten worden posterieure overeenkomsten genoemd.

6.2.2 Conclusie

Met de ontwikkelaar is een overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst kan worden aangemerkt als een anterieure overeenkomst. Op grond van deze overeenkomst komt de ontwikkeling en realisatie van het project in beginsel voor rekening en risico van de ontwikkelaar. De door de gemeente gemaakte en te maken plan- en apparaatskosten evenals de mogelijk uit te keren tegemoetkomingen in schade (planschade) worden door de ontwikkelaar aan de gemeente vergoed.

Het bestemmingsplan is vanuit gemeentelijk perspectief financieel en economisch uitvoerbaar.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.3.1 Inleiding

De procedure voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot de vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

6.3.2 Inspraak

De Wet ruimtelijke ordening zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen b.v. op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Inspraak zal plaatsvinden volgens de in de "Rol van de Raad" opgenomen gevallen. In deze notitie wordt een driedeling gemaakt in soorten bestemmingsplannen; model 1, 2 en 3 plannen. Model 1 volgt in feite de wettelijk voorgeschreven behandeling met een zo kort mogelijke procedure, model 2 voegt hieraan een extra moment van kaderstelling door de raad toe en model 3 voorziet in de meest uitgebreide behandeling.

Dit bestemmingsplan voldoet aan de voorwaarden om de procedure behorende bij model 2 te volgen omdat het gaat om een bestemmingsplan met urgente en belangrijke ontwikkelingen die niet passen binnen het geldende planologische regime. Dit betekent dat er geen inspraak wordt gehouden over het concept-ontwerpbestemmingsplan.

Wanneer de procedure behorende bij model 2 wordt gevolgd, betekent dit dat er (na het vooroverleg met instanties, zie paragraaf 6.3.3.) direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd. Omdat er geen inspraak is gehouden over het conceptontwerpbestemmingsplan, is er op 11 februari 2019 een inloopavond georganiseerd waarvoor naar alle adressen rondom het plangebied een uitnodiging is gestuurd. een avond voor de buurt georganiseerd. Op deze avond heeft Schoonderbeek BV haar intenties voor deze ontwikkeling gepresenteerd en is een toelichting gegeven op het planproces.

6.3.3 Wettelijk (voor)overleg

Het Besluit ruimtelijke ordening geeft in artikel 3.1.1 aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

De ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met voorliggend bestemmingsplan raakt geen rijksbelang, provinciaal belang of waterschapsbelang. Op grond van de overleglijst van de provincie (Gedeputeerde Staten, 11 november 2008) is vastgesteld dat vooroverleg over het plan Voormalige Vreekampgarage met de provincie niet nodig is. In het kader van de watertoets is heeft voorliggende aanpassing van het plan geen invloed op het aspect water, zodat overleg op dit punt achterweg kan blijven. Voor dit bestemmingsplan kan het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro achterwege gelaten worden.

6.3.4 Vaststelling bestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan Meridiaan 14 - Voormalige Vreekampgarage wordt gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd, waarbij iedereen de mogelijkheid krijgt om een zienswijze over het plan kenbaar te maken. De resultaten worden bij de vaststelling van het bestemmingsplan in deze toelichting verwerkt.

6.4 Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de (gemeentelijke) overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke controle en handhaving ligt op basis van artikel 7.1 van de Wet ruimtelijke ordening bij de gemeente. Daarnaast zijn ook de VROM-Inspectie en de provincie bevoegd tot opsporing van feiten die in het bestemmingsplan strafbaar zijn gesteld. Daarnaast kunnen ook derden belanghebbenden vorderen dat de bepalingen van het bestemmingsplan worden nageleefd.

De grondslag voor een goed werkend handhavingsbeleid wordt gevormd door een grondige inventarisatie van de feitelijke situatie (grondgebruik en bebouwing) van het plangebied tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan en een deugdelijk mutatie-registratiesysteem bij de uitvoering van het bestemmingsplan, onder andere met betrekking tot verleende vergunningen.

Belangrijk aspect van handhaving is daarnaast dat het draagvlak heeft. Het gaat hierbij om bestuurlijk draagvlak, ambtelijk draagvlak en maatschappelijk draagvlak. Een lastig onderwerp als handhaving heeft grote kans om aan de aandacht te ontsnappen of terzijde te worden gelegd als het geen draagvlak heeft. Steun, of in ieder geval begrip, van alle bij de handhaving betrokkenen, is dan ook zeer gewenst. Het bestuurlijke en ambtelijke draagvlak kan worden verkregen door tijdens het opstellen van het handhavingsbeleid regelmatig met elkaar om tafel te zitten, door de ins en outs van handhaving te bespreken, door de behaalde resultaten door te spreken en door toetsbare afspraken met elkaar te maken. Daarnaast is ook de "maatschappij" bij de handhaving betrokken via bijvoorbeeld de wijkbeheerteams en de gemeentelijke wijkmanagers.

Handhaving kan nadrukkelijk plaatsvinden via publiekrechtelijke maar tevens via privaatrechtelijke en strafrechtelijke weg. Dit laatste is afhankelijk van het Openbaar Ministerie. In het ruimtelijk bestuursrecht is de gemeente op grond van de Gemeentewet bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang en het opleggen van een dwangsom ten aanzien van ontwikkelingen die strijdig zijn met de belangen van het bestemmingsplan. Deze vormen van handhaving vallen onder de zogenoemde repressieve handhaving. Hiermee wordt gedoeld op de middelen en/of het instrumentarium waarmee de gemeente naleving kan afdwingen, dan wel tegen normafwijkend gedrag correctief kan optreden. De wijze van toepassing van deze bevoegdheden is geregeld in afdeling 5.3. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Daarnaast wordt de preventieve handhaving onderscheiden. Deze komt voornamelijk tot uitdrukking in het toezicht op het gebruik van gronden en gebouwen. Preventieve handhaving geschiedt over het algemeen door informele middelen, waaronder bijvoorbeeld informeel contact tussen de met handhaving belaste personen en de grondgebruikers. Aan preventieve handhaving wordt bovendien bijgedragen door duidelijke, consistente en handhaafbare bestemmingsregelingen en het geven van goede voorlichting, een en ander in nauw overleg met de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving (Stadsberichten, folders, gemeentelijke website).

In het plan zijn instrumenten van toezicht opgenomen. Genoemd kunnen worden de afwijkingsbevoegdheden, wijzigingsbevoegdheden en de bevoegdheid om nadere eisen te stellen. Deze instrumenten maken een toetsing mogelijk voordat met de beoogde activiteit (bouwen, gebruiken, het verrichten van werken en/of werkzaamheden) een aanvang wordt gemaakt. De te nemen besluiten op basis van de genoemde bevoegdheden dienen te berusten op een deugdelijke motivering.