direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hindersteinlaan, Het Lint, Maximapark
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doelstelling

De hoofddoelstelling van het bestemmingsplan is het beperken van de geldende horecabestemming door de fastfoodfunctie in de vorm van een drive thru weg te bestemmen en de nieuwe ontwikkelingen in de vorm van sport, creatieve bedrijvigheid, recreatie, culturele en maatschappelijke voorzieningen planologisch-juridisch mogelijk te maken. Het plan richt zich daarnaast op beheer van de bestaande situatie en het vastleggen van de functionele en ruimtelijke structuur.

In het plan zijn de wijzigingen in de wet- en regelgeving en het beleid van de verschillende overheden op het gebied van de ruimtelijke ordening, die zich in de loop van de tijd hebben voorgedaan, verwerkt. Met dit bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij recent tot stand gekomen bestemmingsplannen binnen de gemeente, om de uniformiteit van bestemmingen en regelgeving te bevorderen.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied ligt aan de westkant van Utrecht. Het plangebied is aan westzijde begrensd door de het Lint Vleuten, aan de oostzijde door de watergang de Vleutense Wetering en aan de zuidzijde door de spoorbaan tussen de stations Vleuten en Utrecht centraal. De plangrenzen van het bestemmingsplan sluiten aan op die van recente juridisch-planologische regelingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0001.jpg"

Afbeelding 1: Begrenzing

1.3 Geldende plannen

Dit bestemmingsplan vervangt voor de locatie van het plangebied de volgende bestemmingsplannen en verordeningen.

Beheersverordening   Vastgesteld door Raad   Onherroepelijk  
De Meern Noord, Maximapark, Vogelenbuurt, Wittevrouwen   27 oktober 2016    
     

1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder andere de ruimtelijke structuur, de historische ontwikkeling van het gebied en de beschrijving van de aanwezige functies worden hier beschreven. In hoofdstuk 4, de planbeschrijving, worden de mogelijkheden die het plan biedt aan de toekomstige ontwikkelingen beschreven. De diverse noodzakelijke onderzoeken ten aanzien van bijvoorbeeld milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod.

Hoofdstuk 2 Relevante beleidskaders

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna ook: SVIR) vastgesteld. In de SVIR geeft het kabinet een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Het kabinet schetst hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. In de structuurvisie worden belangrijke accenten geplaatst op het brede gebied van ruimtelijke ordening en bestuurlijke verantwoordelijkheden, die sterk verschillen met het voorgaande nationaal ruimtelijke beleid. Daarbij wordt het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.

De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteits Aanpak, de structuurvisie voor de Snelwegomgeving en de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de Agenda Landschap, de Agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta.

De nationale belangen uit de SVIR die juridische borging vragen, staan in de AMvB Ruimte (ook wel bekend als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening – Barro). De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van nationale belangen in bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen moeten gemeenten zich houden aan bij AMvB of verordening gestelde regels. Nieuwe of gewijzigde regels moeten binnen een bepaalde termijn in de bestaande bestemmingsplannen worden verwerkt. Dit kan betekenen dat gemeenten bestemmingsplannen moeten aanpassen aan de AMvB Ruimte.

Plangebied
De ontwikkeling die in dit bestemmingsplan centraal staat, heeft geen invloed op, dan wel een relatie met de in de structuurvisie genoemde onderwerpen.

2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2012)

Het kabinet heeft in de hiervoor genoemde Structuurvisie (SVIR) vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet. Het gaat om de volgende nationale belangen: rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte).

De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening, gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, vastgesteld op 30 december 2011) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij de Ecologische Hoofdstructuur (de artikelen worden later aan het Barro toegevoegd) en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Voor één onderwerp geregeld in dit besluit, voorziet het besluit niet in de (definitieve) begrenzing. Dit betreft de EHS. Ten aanzien van deze begrenzing is bepaald dat de provincies die grenzen (nader) bepalen.

Een deel van het Barro is gebaseerd is op eerdere PKB's en beleidsnota's die in de SVIR worden herbevestigd. Deze onderdelen kunnen na vaststelling van de structuurvisie de procedure volgen en vervolgens in werking treden. Het betreft de volgende onderdelen:

  • 1. project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • 2. kustfundament;
  • 3. grote rivieren;
  • 4. Waddenzee en waddengebied;
  • 5. defensie, en
  • 6. erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.


Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte.

Plangebied
Het plangebied is in het Barro aangewezen als een gebied voor erfgoederen met uitzonderlijke universele waarde in verband met Romeinse Limes. In het bestemmingsplan wordt hier rekening mee gehouden door onder andere de archeologische waardevolle gebieden de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te geven. Het Barro vormt geen belemmering voor onderliggend bestemmingsplan.

2.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede en derde lid) (2017)

De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en in 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat overheden een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting van het bestemmingsplan moeten motiveren. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt.

Het doel van de motivering op grond van de Ladder is een zorgvuldige afweging bij ruimtelijke besluiten die zorgt voor zuinig ruimtegebruik en tegengaan van overprogrammering en leegstand. Het besluit voldoet hiermee aan een goede ruimtelijke ordening.

De toetsing aan de Ladder kan bij het opnemen van uitwerkingsplichten en wijzigingsbevoegdheden in het bestemmingsplan, doorschuiven naar de fase van de vaststelling van het uitwerkings- of wijzigingsplan.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet een motivering bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling. Wanneer het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet het bestemmingsplan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De Ladder is kaderstellend voor alle juridisch verbindende ruimtelijke besluiten van de decentrale overheden, waaronder het bestemmingsplan.

Beschrijving behoefte
De behoefte is kort gezegd het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd. De Ladder bepaalt niet voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. De uitkomst van de beoordeling van de behoefte moet in de plantoelichting worden vermeld. Naast een kwantitatieve beoordeling vindt ook een kwalitatieve beoordeling plaats.

Beschrijving behoefte buiten het bestaand stedelijk gebied
Wanneer de beoogde ontwikkeling niet kan plaatsvinden binnen het stedelijk gebied door bijvoorbeeld het toepassen van een andere bestemming van een gebied, herstructurering van bestaande terreinen of door transformatie van bestaande gebouwen of gebieden moet een motivering worden opgenomen waarom dit niet mogelijk is. Het bestaande stedelijk gebied kan worden gedefinieerd als het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Sommige provincies hebben in een verordening de afbakening van het bestaand stedelijk gebied in woord of kaartbeeld vastgelegd, waaronder de provincie Utrecht.

Plangebied
De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op deze ontwikkeling waar horeca en andere stedelijke functies in de vorm van creatieve bedrijven, sport, uitsluitend in de vorm van fitness, sportschool en sportzaal, culturele voorzieningen, uitsluitend in de vorm van een atelier, creativiteitscentrum, dansschool, welness en muziekschool, recreatieve voorzieningen in de vorm van kanoverhuur, maatschappelijke voorzieningen, uitsluitend in de vorm van buitenschoolse opvang, praktijkruimte en verenigingsleven. De Stec Groep heeft een ladderonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1). Uit het onderzoek volgt dat het aantal inwoners in de wijken Vleuten-De Meern en Leidsche Rijn in de periode tot 2030 zullen toenemen met 27.350 personen. Omdat het huidige voorzieningenaanbod op hoofdlijnen kan voorzien in de huidige behoefte, groeit de vraag naar voorziengen door de groei van het aantal inwoners. Bovendien is de locatie goed bereikbaar zowel per auto, fiets als het OV. De planlocatie is een hiermee een logische plek om de eerder genoemde functies te kunnen huisvesten. Uit de behoefteanalyse volgt verder dat de ontwikkeling die in het bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt niet leidt tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten (zie verder het rapport van de Stec Groep). De ontwikkeling is in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

PROVINCIAAL

2.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 en Verordening 2013

De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (PRS) is op 4 februari 2013 vastgesteld. Bij de PRS is een Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) gemaakt. Van beide plannen zijn de herijkingen in december 2016 vastgesteld. De structuurvisie geeft aan wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling. De verordening zorgt voor de doorwerking van de structuurvisie naar de gemeenten.

De provincie moet aantrekkelijk blijven om te wonen, werken en recreëren. Het ruimtelijk beleidsvizier is daar op gericht. Het ruimtelijke beleid is gebaseerd op vier pijlers die bijdragen aan de aantrekkelijkheid, leefbaarheid en kwaliteit van de provincie:

  • een duurzame leefomgeving;
  • beschermen kwaliteiten;
  • vitale dorpen en steden;
  • dynamisch landelijk gebied.

Deze pijlers leiden tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats:

  • Accent op de binnenstedelijke opgave. Waarbij ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk gerealiseerd zal worden. Dit sluit aan bij de vraag, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave.
  • Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen. De zware terugval van financiële middelen voor natuur en recreatie om de stad kan onder andere worden opvangen door hier rood voor groenconstructies mogelijk te maken. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw. De aanwezigheid van zo'n 1,2 miljoen inwoners biedt afzetmogelijkheden voor de producten die dit oplevert. Bij dit alles is het kunnen beleven van rust en ruimte van belang.


Plangebied
Dit bestemmingsplan richt zich alleen op een aanpassing van de bestaande horecafuncties en het toevoegen van andere stedelijke functies in een bestaand stedelijk en bebouwd gebied (binnen rode contour van de provinciale structuurvisie) en is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

2.2.2 Provinciale milieuverordening 2013

De Provinciale milieuverordening 2013 is door Provinciale Staten op 4 februari 2013 vastgesteld en op 1 mei 2013 in werking getreden. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is de provincie verplicht een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. De provincie geeft aan deze verplichting invulling via de Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013 (PMV).

In de Provinciale milieuverordening zijn grondwaterbeschermingszones en stiltegebieden aangewezen. In de verordening zijn regels opgenomen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit met het oog op de drinkwatervoorziening. Daarnaast zijn regels opgenomen voor het behoud en de bescherming van stiltegebieden.

Plangebied
Het plangebied ligt in de boringsvrije zone De Meern ter bescherming van de grondwaterkwaliteit. In pargraaf 5.11.2 is dit aspect nader toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat het aspect grondwaterkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Coalitieakkoord 'Utrecht ruimte voor iedereen'

Op 1 juni 2018 is het coalitieakkoord 2018-2022 'Utrecht: ruimte voor iedereen' verschenen. Het coalitieakkoord bestaat uit drie onderdelen:

•        Plaats voor iedereen
Het eerste deel van het akkoord bevat verschillende maatregelen op het gebied van onderwijs, economie, werk, sport, welzijn, zorg en veiligheid. Samen met inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en vrijwilligers maken we van Utrecht een plaats voor iedereen.

•        Gezonde groei voor iedereen
Het tweede deel van het akkoord bevat maatregelen over wonen, mobiliteit, nieuwe energie en een gezonde omgeving om in te leven. We vinden dat er voor iedereen ruimte moet zijn om in Utrecht te wonen en dat Utrecht aantrekkelijk en bereikbaar moet blijven. Ook willen we graag koploper zijn in de verandering naar een duurzame energievoorziening en economie.

•        De kracht van iedereen
Het derde deel van het akkoord gaat over hoe we de genoemde doelen willen bereiken, samen met Utrechters en andere betrokkenen.

Plangebied
Dit bestemmingsplan maakt onder andere sport-, culturele-, maatschappelijke- en horecafuncties mogelijk. Deze gemengde functies vergoten de levendigheid en dragen bij aan een gezonde omgeving. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het coalitieakkoord.

2.3.2 Omgevingsvisie Utrecht

In de omgevingsvisie staat wat het gemeentelijke beleid is voor de 'fysieke leefomgeving'. Dit is de omgeving waarin we wonen, werken en recreëren. De ondergrond, de lucht en het water maken deel uit van de leefomgeving, maar ook de gebouwen, bestrating en planten. De omgevingsvisie bevat drie niveaus:

  • 1. De koers: het beleid voor de lange termijn.
    Utrecht kiest voor een gezonde groei als koers voor de lange termijn. Utrecht groeit van een gemeente met 340.000 inwoners in 2016 naar ongeveer 410.000 inwoners in 2030. Daarom bouwen we de komende jaren duizenden woningen. Bij het bouwen van nieuwe woningen staan gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid voorop. De gemeente wil de woningen binnen het stedelijk gebied bouwen en daarbij flink investeren in de openbare ruimte en voorzieningen.
  • 2. Thematisch beleid: het gemeentelijke beleid over een bepaald onderwerp.
    Het thematisch beleid, ook wel sectoraal beleid genoemd, beziet een bepaald aspect van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld geluidhinder, verkeer of bodemkwaliteit. Deze aspecten vertegenwoordigen een belang dat door het gemeentebestuur wordt meegewogen, als het bestuur een besluit neemt over een activiteit die invloed kan hebben op de fysieke leefomgeving. Bij het bouwen van een nieuwe woonwijk, onderzoekt de gemeente of dat wel kan gezien de geluidhinder rond die woonwijk, of het verkeer wel goed afgewikkeld kan worden en of de bodemgesteldheid het bouwen van woningen toelaat. De uitkomst van dat onderzoek kan bijvoorbeeld zijn dat de gemeente het bouwen niet gaat toestaan of onder bepaalde voorwaarden.
  • 3. Gebiedsbeleid: beleid dat alleen in een bepaald gebied geldt.
    In gebiedsbeleid staat wat de gemeente in een gebied, wijk of buurt wil. De koers en het thematische beleid worden vertaald in beleid voor dat gebied, voor zover dat mogelijk is. Uit het gebiedsbeleid kan afgeleid worden welke veranderingen de gemeente wil toestaan en welke waarden in het gebied behouden moeten blijven.


De omgevingsvisie is digitaal te raadplegen via: www.utrecht.nl/bestuur-en-organisatie/beleid/omgevingsvisie/.

Niet alle gemeentelijke beleidskaders hebben betrekking op het plangebied. Hieronder worden daarom alleen de relevante beleidskaders nader toegelicht.

2.3.2.1 De koers

Het ruimtelijke beleid voor de langere termijn is vastgesteld in de Ruimtelijke Strategie Utrecht (hierna: RSU). De RSU is in 2016 vastgesteld. In de RSU zijn de contouren voor de ontwikkelopgaven van de economische ontwikkelingsgebieden, verdichtingsgebieden en aandachtsgebieden in beeld gebracht. Utrecht groeit en we willen die groei vooral faciliteren door inbreiding. Belangrijke nieuwe woningbouwlocaties in de stad die daar - naast Leidsche Rijn - aan moeten bijdragen zijn het Beurskwartier en de Merwedekanaalzone. De Binnenstad, het Stationsgebied, het Utrecht Science Park en Leidsche Rijn (Centrum) worden beschouwd als economische hotspots waar we kansen willen creëren en benutten. Tevens willen we de openbare ruimte beter benutten en grotere betekenis geven als de plek waar de stad zich presenteert. Gezonde verstedelijking is in alle gevallen het uitgangspunt. Dat betekent focussen op bewegen, welbevinden, perspectief op wonen, werk en opleiding, duurzaamheid.

De RSU bevat tevens een Investeringsstrategie, waarmee een verbinding wordt gelegd tussen de ruimtelijke ambities van de stad met betrekking tot gezonde verstedelijking en de investeringsopgave die daarmee samenhangt.

Plangebied
Met deze ontwikkeling zijn onder andere de functies van leisure/ sport, horeca en maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt. De sportvoorziengen dragen bij aan een gezonde verstedelijking. Daarnaast versterken deze functies de mogelijkheden om elkaar te ontmoeten.

2.3.2.2 Thematisch beleid
2.3.2.2.1 Natuur

Groenstructuurplan Utrecht 'Stad en land verbonden' en 'Actualisatie van Groenstructuurplan Utrecht'
De gemeente Utrecht wil het groen in de stad voor iedereen bereikbaar houden en de kwaliteit verbeteren. Grote groengebieden en belangrijke groene verbindingen wil de gemeente verder ontwikkelen, verbeteren en beschermen.

Groen maakt een stad leefbaar, mooi en het is goed voor het milieu. Woont u in Utrecht? Dan willen we bijvoorbeeld dat u een mooie fietstocht kunt maken langs een groene route. Of dat u kunt ontspannen in een mooi park. Veel groen is ook aantrekkelijk voor bezoekers van de stad.

In het groenstructuurplan Utrecht Stad en land verbonden is dit verwoord in 3 ambities:

  • meer groen om de stad
  • sneller naar buiten
  • beter groen in de stad


Het groenstructuurplan van 2007 is bijgewerkt in de actualisatie groenstructuurplan Utrecht 2017 – 2030. Naast de 3 ambities ligt de nadruk meer op hoe we groen inzetten voor de gezonde stad. En hoe groen ons helpt om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen. Dit plan is op 8 maart 2018 door de gemeenteraad vastgesteld.

De groei van de stad vraagt om het vastleggen van de plekken die we groen willen houden in en om de stad, zodat bij ontwikkelingen daar rekening mee gehouden kan worden en het groen zoveel mogelijk beschermd kan worden. Daarnaast vraagt de groei van het aantal inwoners in de stad om ontwikkeling van nieuw groen, goede recreatieve en groene verbindingen en het verbeteren van bestaand groen.

De groengebieden die we extra beschermen zijn geselecteerd op basis van ecologische, landschappelijke, recreatieve of cultuurhistorische kwaliteiten. Deze gebieden staan aangegeven op de kaart in het groenstructuurplan. Als in die gebieden plannen zijn waardoor groen verdwijnt, moet de gemeenteraad daar eerst over beslissen. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst de gemeente concreet of deze in de groenstructuur ligt.

Plangebied
In de visie op de stedelijke groenstructuur Utrecht 2030 is het plangebied weergegeven als stedelijk groenstructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0002.png"

Afbeelding 2: Uitsnede groenstructuurplan

Voor deze delen van het plangebied geldt dat bestaande elementen van de stedelijke groenstructuur. Vermengen van het stedelijk groen met andere stedelijke functies is in principe mogelijk. Voorwaarde hiervoor is dat het groene karakter, de kwaliteiten en het gebruik van het groen worden behouden of verbeterd.

Bij de inrichting van het (bestaande en nieuwe) groen in het gebied moet rekening worden gehouden met de vijf hoofdopgaven uit de Actualisatie Groenstructuurplan. De bouwmogelijkheden worden niet verruimd ten opzichte van de geldende beheersverordening. Daarnaast zijnde bestemmingen mede bestemd voor groenvoorzieningen. De ontwikkeling is in overeenstemming met de Groenstructuurplan.

Bomenbeleid Utrecht (2009)
De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Een van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu.
Voor 2030 zet de gemeente in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur. Dit zal gebeuren door twee beleidsdoelstellingen:

  • Waar mogelijk ontbrekende bomen in de bomenstructuur aanvullen om zo een samenhangende structuur te creëren. Dat betekent bij de ruimtelijke plannen in de komende jaren bezien waar bomen kunnen worden toegevoegd om zo de bomenlanen en pleinen te completeren. Daarnaast bij ingrepen in de huidige structuur op basis van een goed programma van eisen de structuur weer aanvullen;
  • De bomenstructuur verder verbeteren door extra zorg aan beheer en onderhoud te besteden. Dit kan resulteren in extra zorg bij aanplanting van bomen, bij groeiplaatsen van oudere bomen, bij de verzorging van de bomen in de jeugdfase en bij bomenziekten.


Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen.

Plangebied
In het plangebied zijn bomen aanwezig. Het is mogelijk om bebouwing te realiseren zonder bomen te rooien. De bouwmogelijkheden worden niet verruimd ten opzichte van de geldende beheersverordening. Daarnaast is in de APV de verplichting opgenomen dat elke te kappen boom moet worden gecompenseerd en als dat niet mogelijk financiële compensatie moet plaatsvinden.

2.3.2.2.2 Bouwen

Welstandsnota Utrecht 'De schoonheid van Utrecht' (2004)
In de Welstandsnota Utrecht "De schoonheid van Utrecht", welke in juli 2004 is vastgesteld, is geformuleerd op welke wijze het welstandsbeleid van de gemeente Utrecht uitgevoerd zal worden. Dit betreft vanzelfsprekend de welstandstoetsing van vergunningplichtige bouwwerken en toetsing op basis van de loketcriteria.

De nota, die verplicht is om welstandsbeleid te kunnen voeren, kent de volgende doelen:

  • het plaatsen van de welstandsbeoordeling binnen een inhoudelijk, objectief kader waarmee de rechtszekerheid voor de initiatiefnemer wordt gediend;
  • het verhogen van de kwaliteit van de welstandsadvisering;
  • het vastleggen van efficiënte en transparante procedures voor de welstandszorg;
  • het bieden van meer samenhang in het beleid dat zich richt op het uiterlijk van de stad.

Voor vergunningplichtige bouwwerken geldt het volgende:

  • op basis van een gebiedsgerichte analyse per buurt of wijk worden in hoofdlijnen een ruimtelijke karakteristiek gegeven;
  • ambities worden vertaald in beleidsniveaus per gebied; deze beleidsniveaus zijn: behoud, respect en open; de drie niveaus onderscheiden zich onderling in mate van vrijheid in omgaan met de bestaande structuur en architectuur;
  • algemeen geldende beoordelingscriteria verschillen alleen per beleidsniveau en niet per gebied.

Plangebied
Het plangebied is aangeduid met het beleidsniveau 'respect'. In het welstandsniveau 'respect' worden de essentiële eigenschappen van de aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristieken worden gerespecteerd. Dit betekent:

  • samenhang en structuur van het stedelijke (en landelijke) beeld staat voorop;
  • respect voor het kenmerkende bebouwingsbeeld met zijn architectonische verschijningsvorm;
  • nieuwe interpretaties, veranderingen en transformaties zijn mogelijk.


In dit bestemmingsplan worden de bouwmogelijkheden niet verruimd ten opzichte van de geldende beheersverordening. De beoogde functies zijn uitvoerbaar binnen de gestelde criteria benoemd in de Welstandsnota. In de uitvoeringsfase, bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning, komt het aspect architectuur en welstand aan bod. Op grond van artikel 2.10 lid 1 onder d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moet een omgevingsvergunning voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Als het niet voldoet moet de vergunning worden geweigerd, tenzij het college van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend.

2.3.2.2.3 Erfgoed en cultuurhistorie


Archeologie
De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde - Archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.

Plangebied
In het bestemmingsplan is ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen de dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen. In paragraaf 5.12 van dit plan wordt verder ingegaan op de archeologie in het plangebied.

2.3.2.2.4 Verkeer en mobiliteit

Nota Stallen en Parkeren (2013)
De gemeenteraad heeft op 28 maart 2013 de Nota Stallen en Parkeren vastgesteld. Hiermee is het nieuwe parkeerbeleid van kracht. Met de uitwerkingsnota 'Parkeernormen Fiets en Auto' bepaalt de gemeente de benodigde capaciteit van het (fiets)parkeren. Voor de veiligheid, leefbaarheid en aantrekkelijkheid van Utrecht geeft de gemeente meer ruimte aan voetgangers en fietsers. Dit betekent dat er op sommige plekken op straat minder ruimte komt voor geparkeerde auto's. De gemeente stimuleert auto's om langs de rand van de stad te parkeren: in één van de drie herkenbare grote P+R terreinen, bij NS-stations en andere OV-knooppunten. Als stimulans voor binnenstedelijke ontwikkelingen, en daarmee voor een aantrekkelijke en bereikbare stad zijn de autoparkeernormen in betaald parkeergebied verlaagd. Ook schept de gemeente flexibiliteit door de vrijstellingsmogelijkheden van de parkeernormen te verruimen. Nieuw in de gemeentelijke aanpak is de verplichting om bij nieuwbouw, uitbreiding van bestaande gebouwen of in geval van een functiewijziging ook fietsenstallingen te realiseren. De parkeernormen hebben een bandbreedte, om optimale flexibiliteit en maatwerk te bieden bij de realisatie van bouwplannen.

Plangebied
In de algemene bouwregels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen over parkeren. In paragraaf 4.2.3 wordt verder ingegaan op het parkeren in het plangebied.

Slimme routes, slim regelen, slim bestemmen (2016)
De gemeenteraad heeft op 26 mei 2016 dit mobiliteitsplan vastgesteld. Dit plan bestaat uit 3 delen:

  • 1. Slimme Routes gaan over het handiger inrichten van de verbindingen voor voetganger, fiets, bus, tram, trein en auto. Bijvoorbeeld met doorfietsroutes, het kwaliteitsnet goederenvervoer en knooppunten;
  • 2. Slim Regelen gaat over het slimmer organiseren van de stromen voetgangers, fietsers, openbaar vervoer en auto's. Bijvoorbeeld door verkeerslichten met elkaar te laten 'praten', persoonlijke reisinformatie en informatie over vrije parkeerplaatsen voor auto's en fiets;
  • 3. Slim Bestemmen zorgt dat nieuwe woningen, kantoren en bezoekersfuncties op de juiste plekken komen en dat deze goed worden ontworpen. Dit draagt bij aan slimmer vervoer en bijvoorbeeld goede bevoorradingsmogelijkheden.

De belangrijkste uitgangspunten van het beleid zijn:
Meer ruimte voor de voetganger en de fietser
Lopen en fietsen zijn de meest gezonde, milieuvriendelijke en ruimte-efficiënte vormen van vervoer. Om fietsers aan te moedigen, krijgt de stad nieuwe en snelle doorfietsroutes: extra brede en prettige fietspaden, los van de autodrukte.


Aantrekkelijk openbaar vervoer voor de langere afstanden
Naast de voetganger en de fietser is het openbaar vervoer belangrijk. De bus en tram leggen snelle verbindingen met de binnenstad, Utrecht Sciencepark, Leidsche Rijn Centrum, wijken, de regio en de rest van Nederland. Hierdoor wordt het openbaar vervoer een betere keuze.

Auto's langs de juiste routes
In de binnenstad, Leidsche Rijn Centrum, Utrecht Science Park is de auto te gast, met 30 km per uur als standaard maximumsnelheid. Stedelijke verbindingswegen verbinden de wijken met de RING. Waar het kan, krijgen wegen een stadsboulevard: veilig en goed oversteken en meer groen. Een aantrekkelijke plek voor bewoners, 50 km per uur geldt als snelheidslimiet. De gemeente wil automobilisten, die niet uit de stad komen of naar de stad gaan, zoveel mogelijk laten rijden via de RING. Hierdoor ontstaat er ruimte voor automobilisten die in stad moeten zijn. De beleidslijn uit de nota Stallen en Parkeren sluit aan bij de beleidslijn van dit Mobiliteitsplan. In dit Mobiliteitsplan is daarom geen nieuw beleid ten aanzien van het stallen van fietsen opgenomen.

Plangebied
In paragraaf 4.2.1 wordt de verkeerssituatie toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat bestemmingsplan in overeenstemming is met het mobiliteitsplan Slimme routes, slim regelen, slim bestemmen.

2.3.2.2.5 Gezond stedelijk leven

Volksgezondheid 'Bouwen aan een gezonde toekomst 2015-2018' (2015)
De nota 'Bouwen aan een gezonde toekomst 2015-2018 is in 2015 vastgesteld. In deze nota wordt de verbinding gelegd tussen fysieke, sociale en economische vraagstukken, die kansen bieden om bij te dragen aan gezonder wonen, werken en leven in Utrecht. De stad wordt uitgenodigd om initiatief te nemen en samenwerking te zoeken en samen bij te dragen aan een gezonde stad. Er wordt gewerkt aan het bevorderen van gezondheid via gezond duurzaam lokaal voedsel, gezonde leefstijl en gezond gedrag.

Plangebied
In paragraaf 5.14 wordt het aspect gezondheid toegelicht. Uit deze paragraaf blijkt dat het plan bijdraagt aan de doelstellingen van nota 'Bouwen aan een gezonde toekomst 2015-2018'.

Geluidnota Utrecht 2014-2018 (2014)
De Geluidnota Utrecht 2014-2018 is op 11 februari 2014 vastgesteld. Dit beleid gaat over het beperken en minimaliseren van geluidhinder bij ruimtelijke ontwikkelingen in Utrecht.

De Geluidnota heeft betrekking op weg-, rail- en industrielawaai. Hiervoor is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. Daarbinnen is echter ook ruimte voor gemeentelijke beleidsvrijheden. In de Geluidnota wordt aangegeven hoe hier mee wordt omgegaan.

De belangrijkste regels uit de Geluidnota zijn:

  • nieuw te bestemmen woningen beschikken over een geluidsluwe gevel, een rustige buitenruimte en een akoestisch goede woningindeling;
  • behoud van goed akoestisch woon- en leefklimaat in rustige woonwijken bij bestemmen van nieuwe woningen en bedrijven in elkaars nabijheid.


Ook onderwerpen, die meer algemeen onder het begrip "een goede ruimtelijke ordening" vallen, worden in de Geluidnota beschreven.

Plangebied
In paragraaf 5.4 wordt het aspect geluid toegelicht. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de geluidnota.

Nota externe veiligheid (2007)
De Nota externe veiligheid, welke in 2007 is vastgesteld, gaat in op het beleid van de gemeente Utrecht voor de beheersing van risico's als gevolg van het werken met gevaarlijke stoffen in inrichtingen (bedrijf, productielocatie of kantoor) en het vervoer van gevaarlijke stoffen. De genoemde risico's zijn veiligheidsrisico's voor mensen die zich in de buurt van de inrichting of het transport bevinden.

De beleidskeuzes hebben betrekking op nieuwe situaties, waarin een risicobron zich vestigt of uitbreidt of een risico-ontvanger, zoals een woning, planologisch mogelijk wordt gemaakt. De randvoorwaarden en regels zijn vertaald in afstandseisen tussen risicobronnen (bedrijven, transportroutes (weg, spoorweg, vaarweg) of buisleidingen) en omgevingsobjecten. De gemeente Utrecht kiest ervoor om geen zwaardere veiligheidseisen op te leggen dan die vermeld staan in de risiconormering van de rijksoverheid. In sommige gevallen biedt de rijksregelgeving ruimte tot afwijken van de normering. In de Nota spreekt de gemeente zich uit om terughoudend om te gaan met de mogelijkheid tot afwijken.

Plangebied
In paragraaf 5.6 wordt het aspect externe veiligheid toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Nota externe veiligheid.

Actieplan luchtkwaliteit Utrecht 'Lucht voor ambitie'
Op 3 december 2009 heeft de gemeenteraad het Actieplan Luchtkwaliteit 2009 vastgesteld. Schone lucht, een bereikbare stad en duurzame groei. Dat zijn de doelstellingen van het Actieplan Luchtkwaliteit Utrecht (ALU). Het ALU bevat een samenhangend pakket maatregelen om de luchtkwaliteitsknelpunten op te lossen, bewoners, werkenden en bezoekers te stimuleren meer met het openbaar vervoer en de fiets te reizen en knelpunten in het autoverkeer op te lossen.

Plangebied
In paragraaf 5.7 van deze toelichting wordt het aspect water toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

2.3.2.2.6 Bodem, ondergrond en water

Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017)
In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de voorliggende Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven is de vraag naar bouwgrond in Utrecht groot. Deze bouwgrond wordt momenteel van elders (vaak over lange afstand) aangevoerd. De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie.

Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen.

De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebiedsspecifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid.

Het gebiedsspecifieke beleid bestaat uit:

  • een uitbreiding van het beheergebied en acceptatie van bodemkwaliteitskaarten uit omringende gemeenten;
  • lokale maximale waarden op gebiedsniveau om zo gebruik te maken van de toegestane kwaliteit die past bij de bodemfunctie. Het betreft enkele wijken van Leidsche Rijn en de gemeentelijke hoofdwegen aan de oostzijde van de stad. Met deze lokale maximale waarden sluiten we aan bij de (toekomstige) woonfunctie van de wijken of industriefunctie van de hoofdwegen;
  • lokale maximale waarden voor de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB's) en organochloor bestrijdingsmiddelen (OCB's) binnen bepaalde gebieden. Bij beide stofgroepen is met de lokale maximale waarden aangesloten bij de gebiedseigen kwaliteit;
  • lokale maximale waarden voor het Noorderpark. Aangesloten is bij de gebiedseigen kwaliteit;
  • een strengere eis met betrekking tot het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond.

Ander gemeentelijk beleid bestaat uit:

  • strengere onderzoekseisen bij bodemonderzoek en hergebruik van arseenhoudende veenlagen afkomstig van bodemlagen dieper dan 2 meter;
  • een strengere eis met betrekking tot het volumepercentage bodemvreemd materiaal bij het toepassen van grond;
  • regels voor het toepassen van grond met zichtbare asbestdeeltjes (dit is geen verplichting, maar een advies. De gemeente heeft hierin een voorbeeldfunctie en verplicht zichzelf wel) ;
  • regels voor het toepassen van grond vanuit diepere bodemlagen;
  • tijdelijke uitname van grond bij kabels- en leidingen cunetten (uitgravingen).
  • Verminderde onderzoeksinspanning voor gebieden met een verhoogde kans op bestrijdingsmiddelen.


Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebiedsspecifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen.

Plangebied
In paragraaf 5.8 wordt het aspect bodem toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat er op basis van de onderzoeksresultaten geen aanleiding bestaat voor de uitvoering van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de Nota Bodembeheerplan.

Plan Gemeentelijke Watertaken 2016-2019
Het Plan Gemeentelijke Watertaken beschrijft de invulling van de wettelijke gemeentelijke zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Ook de wijze van beheer van oppervlaktewater wordt beschreven. Op basis van de zorgplichten heeft de gemeente op het gebied van water de volgende taken:

  • 1. een veilige inzameling en transport van afvalwater, zonder risico's voor de volksgezondheid en het milieu;
  • 2. het inzamelen en verwerken van hemelwater zonder dat er wateroverlast optreedt;
  • 3. het voorkomen en verminderen van structurele grondwateroverlast;
  • 4. het samen met de waterschappen realiseren van veilig, gezond en aantrekkelijk oppervlaktewater waarlangs het goed wonen, werken en recreëren is.


Plangebied
In paragraaf 5.11 van deze toelichting wordt het aspect water toegelicht. Uit deze paragraaf volgt dat het aspect water geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

2.3.2.2.7 Energie

Utrecht: energiek middelpunt van het land, Energieplan Utrecht en duiding van het college bij het Energieplan (2016) en de Utrechtse Energieagenda's 2016 - 2019
De gemeenteraad heeft op 14 januari 2016 het Energieplan besproken en het document Duiding van het College bij het Energieplan vastgesteld. Deze documenten geven samen richting aan het energiebeleid in Utrecht voor de komende jaren. Het Energieplan is door 165 Utrechters opgesteld en hierbij stond de volgende vraag centraal: realiseer een klimaatneutraal Utrecht. Aan de hand van de onderwerpen wonen, werken, vervoer en centrale energievoorziening in Utrecht zijn, om dit te bereiken, te nemen maatregelen geformuleerd. Bewustwording via het verbeteren van informatievoorziening is hierbij belangrijk en de gemeente heeft een grote en pro-actieve rol bij de overgang naar duurzame energie.


In het najaar van 2015 zijn de Utrechtse Energieagenda's verschenen, welke een vervolg zijn op het Energieplan en de duiding daarop van het college. Hierin worden de concrete gemeentelijke werkzaamheden gepresenteerd en de inzet van middelen welke leiden tot een klimaatneutraal Utrecht richting 2030. Om deze ambitie te bereiken zijn de volgende ambitieuze doelstellingen voor 2020 geformuleerd:

  • 20% CO2-reductie ten opzichte van 2010;
  • 20% van het totale energieverbruik wordt duurzaam opgewekt;
  • 10% van de daken zijn voorzien van zonnepanelen.


Met het coalitieakkoord 'Utrecht: Ruimte voor iedereen' (2018) zijn voorgaande doelstellingen vervangen. Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn en om hiertoe te komen worden de volgende stappen genomen:

  • de gemeentelijke energie-inkoop is in 2020 volledig verduurzaamd;
  • in 2025 ligt op 20% van de Utrechtse daken zonnepanelen;
  • in 2030 is het Utrechtse systeem van stadsverwarming verduurzaamd;
  • in 2030 zijn minimaal 40.000 bestaande woningen van het gas af;
  • het gemeentelijke vastgoed is in 2040 volledig verduurzaamd.

Plangebied
In paragraaf 5.15 van deze toelichting wordt het aspect duurzaamheid toegelicht.Uit deze paragraaf volgt dat het aspect energie geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

Visie op de warmtevoorziening (2017)
Op 2 november 2017 heeft de gemeenteraad de Visie op de warmtevoorziening vastgesteld. De CO2-uitstoot in onze stad wordt voor een derde veroorzaakt door het verwarmen van huizen en gebouwen met aardgas (inclusief de stadsverwarming). Ook gebruiken gebouwen op dit moment relatief veel warmte door een lage isolatiegraad en installaties met een laag rendement. Om de doelstelling te behalen om als Utrecht in 2030 klimaatneutraal te zijn, is een omschakeling naar een duurzame warmte- en koudevoorziening nodig. Met het nieuwe coalitieakkoord is de doelstelling opgenomen om zo snel mogelijk klimaatneutraal te zijn en 40.000 bestaande woningen van het gas af te halen. Een duurzame warmtevoorziening kan gerealiseerd worden door de vraag naar warmte te beperken, te stoppen met het gebruik van aardgas en over te stappen op duurzame warmtebronnen. Dit vraagt om ingrijpende aanpassingen in gebouwen, de energieinfrastructuur en door nog meer gebruik te maken van duurzame warmtebronnen. Natuurlijke momenten, op zowel gebouw- als gebiedsniveau, moeten worden benut om de warmtetransitie te versnellen. Een klimaatneutrale warmtevoorziening moet aan de voorwaarden duurzaam, betaalbaar en betrouwbaar voldoen.

Naar verwachting wordt in 2019 een nieuwe regierol voor de gemeente op het gebied van energietransitie vastgelegd (Klimaatakkoord). Dit betekent dat gemeenten in 2021 een transitievisie Warmte en een Regionale Energiestrategie moeten opstellen. Beide documenten zullen worden verankerd in de Omgevingsvisie.

Plangebied
In paragraaf 5.15 van deze toelichting wordt het aspect duurzaamheid toegelicht.Uit deze paragraaf volgt dat dit aspect geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

2.3.2.2.8 Sport, recreatie en toerisme

A room with a view, Beleidsnota hotels Utrecht 2010-2020 (2010)
Het hotelbeleid is weergegeven in de nota A room with a view, Beleidsnota hotels Utrecht 2010-2020 (2010). De komende 10 jaar wordt een gemiddelde groei van de toeristische sector van 3%-5% per jaar voorzien. Gezien de groei van de stad, de ambities op toeristisch en cultureel vlak en het huidige tekort aan kamers op piekmomenten, gaat Utrecht uit van 5% groei. Dat betekent dat er tot 2020 marktruimte is om 1000 kamers toe te voegen aan het huidige bestand van 1400 kamers. Die groei wil de gemeente faciliteren.

Plangebied
Een hotel is in dit bestemmingsplan niet toegestaan. Alleen andere vormen van horeca zijn in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Het bestemmigsplan is niet in strijd met het hotelbeleid.

Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2018
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan, in verband met de overlast die horecabedrijven voor omwonenden kunnen meebrengen, onderscheid gemaakt worden in categorieën van horecabedrijven in een bestemmingsplan of een beheersverordening bij het toelaten van horecabedrijven aan de hand van ruimtelijk relevante criteria als aard, omvang en parkeerdruk. Deze categorieën zijn vastgelegd in het op 12 april 2018 in werking getreden en door de raad vastgestelde Ontwikkelingskader horeca Utrecht 2018 en overgenomen in de bijlage bij de regels, de Lijst van Horeca-activiteiten. In de Lijst van Horeca-activiteiten is een functionele differentiatie in 'zachte' tot 'harde' typen van horecabedrijven opgenomen. De regeling geeft een kwalitatieve beperking ten aanzien van het type horecabedrijf dat zich mag vestigen in de woonomgeving. De regeling heeft tot doel de nadelige invloeden van de vestiging van horecabedrijven op het woon- en leefklimaat in de omgeving te voorkomen. De Lijst van Horeca-activiteiten kent een indeling in vier categorieën. De categorieën van A tot en met D lopen af in de zwaarte van de overlast die horecabedrijven voor omwonenden kunnen meebrengen. In geval van meerdere soorten activiteiten in één inrichting telt de activiteit in de zwaarste categorie voor de type-indeling van de inrichting.

Plangebied
Het plangebied ligt in Profiel 8:Leidsche Rijn en Vleuten-De Meern. In dit bestemmingsplannen zijn de brancheringsprogramma's horeca B,C, D1 en D2 opgenomen. Van belang is dat op deze plek al horeca is toegestaan volgens de geldende beheersverordening. In dit bestemmingsplan is een drive-thru expliciet uitgesloten. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met het Ontwikkelingskader Horeca Utrecht 2018.


Sportnota 2017-2020 'Utrecht Sportief en gezond' (2016)
De sportnota 'Utrecht Sportief en gezond' is in 2016 vastgesteld. Met een optimaal sport- en beweegklimaat in de stad wil de gemeente Utrecht bijdragen aan een gezonde leefstijl en daarmee aan een gezonde toekomst voor al haar bewoners. De Sportnota bevat zestien ambities, op het gebied van sportstimulering, sportaccommodaties, topsport en talentontwikkeling en sportevenementen.

Sportstimulering: Door sportstimulering wordt ervoor gezorgd dat nog meer mensen in de stad gaan sporten en bewegen. Het accent wordt gelegd op de buurten met de grootste achterstand in de gezondheid en in sportdeelname. De gemeente werkt hieraan door onder andere de samenwerking tussen sport en andere sectoren zoals gezondheid, welzijn, jeugd, onderwijs en werk en inkomen te versterken.

Sportaccommodaties: Een goede sportinfrastructuur vormt de basis voor een goed sportklimaat. Het aantal sportaccommodaties zal mee moeten groeien met de groei van de stad en het aantal inwoners. Hierbij wordt gestreefd naar een efficiënter gebruik van de accommodaties.

Topsport en talentonwikkeling: Utrecht ambieert een goed topsportklimaat, met aandacht voor ondersteuning van topsportverenigingen en talentontwikkeling. Hiervoor werkt de gemeente samen met sportverenigingen, sportorganisaties, onderwijs en het bedrijfsleven.

Sportevenementen: Topsport- en breedtesportevenementen wordt als middel gebruikt om zoveel mogelijk Utrechters kennis te laten maken met sporten en bewegen. Evenementen bieden een podium waarop talenten zich kunnen meten met de (inter)nationale top.

Plangebied
Het bestemmingsplan maakt sportfuncties in de vorm van fitness, sportschool en sportzaal mogelijk. Het plan is in overeenstemming met de ambities zoals verwoord in de sportnota.

2.3.2.3 Gebiedsbeleid

In gebiedsbeleid maakt de gemeente de koers en het thematische beleid passend binnen een specifiek gebied. Voor het plangebied is gebiedsbeleid opgesteld.

Omgevingsvisie deelgebied Vleuten-De Meern
Utrecht groeit hard en gaat richting 400.000 inwoners. Dit heeft ook gevolgen voor Vleuten – De Meern. De groei van de stad brengt kansen met zich mee, maar de ontwikkeling moet wel passen bij de wijk en bij de wensen en waarden van inwoners. Vleuten – De Meern voelt als een dorp in een stad. Dit is een belangrijke en unieke waarde voor de wijk. De koers in Vleuten – De Meern is dan ook ontwikkelen met dorps karakter. De huidige leefomgeving is al erg goed.

Bewoners hebben input gegeven aan de gemeente over wat zij belangrijk vinden. Daaruit kwamen de volgende thema's:

  • voldoende groen;
  • elkaar makkelijk ontmoeten;
  • fijne woon- en werkomgeving;
  • prettig kunnen verplaatsen.


Nieuwe ontwikkelingen en trends, bijvoorbeeld de groei van de stad, kunnen bijdragen aan het goed houden, verbeteren van deze thema's. In de omgevingsvisie is met een lijst 'kaders en ambities' beschreven welke initiatieven een bijdrage kunnen leveren aan de wijk.

Plangebied
Het bestemmingsplan maakt onder andere sport-, culturele- en horecafuncties mogelijk. Deze functies dragen bij aan het thema ontmoeten. Ook is het hele plangebied naast bovengenoemde gemengde functies bestemd als groen. Het bestemmingsplan geeft dus ruime mogelijkheden om het gebied groen in te richten. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de omgevisie deelgebied Vleuten- de Meern.

Hoofdstuk 3 Bestaande situatie

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft inzicht in de huidige situatie in het plangebied en analyseert de wijk/gebied in ruimtelijk en functioneel opzicht. Voor zover de verschillende onderdelen van dit hoofdstuk daartoe aanleiding geven, wordt aan het einde van de verschillende paragrafen een aantal conclusies en uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

3.2 Beschrijving van het plangebied

3.2.1 Historische ontwikkeling

Tijdens de zeventiende eeuw begon het vervoer over land door nieuwe en betere wegen voorzichtig toe te nemen. De aanleg ervan werd betaald uit de opbrengst van wegtollen. Op den
duur werden de wegtollen gebruikt om wegen te verbeteren en te onderhouden. In 1811 schafte Napoleon alle rijkstolle in in ons land af, maar daarna voerde koning Willem I het systeem van tolheffing weer in om de weg- en waterbouw te stimuleren.

Tussen 1855 en 1858 werd de spoorlijn Utrecht-Rotterdam aangelegd. In 1865 werd het tolhuis bij de tol Klein Alenvelt vergroot. Het tolhuis fungeerde als administratiekantoor, maar waarschijnlijk ook als woonhuis van de tolgaarder en als café voor dorstige passanten.


afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0003.png"

Afbeelding 3: De tol ‘Klein Alenvelt’ te Vleuten met rechts de tolboom (Foto: ca. 1910).

In 1918 trok het provinciaal bestuur van Utrecht de sinds 4 augustus 1831 verleende concessie tot tolheffing “op den Zandweg van Utrecht tot nabij de hofstede Aleveld” bij koninklijk besluit in. De tolboom van Klein Alenvelt verdween, maar het tolhuis behield zijn functie als café, toen ook wel koffiehuis genoemd (Bron: Het Vleutense Café De Tol en omgeving https://docplayer.nl/2623085-Het-vleutense-cafe-de-tol-en-omgeving-deel-1-van-2.html).

Restaurant-café De Tol was tot 2003 gelegen aan de Hindersteinlaan. In het bestemmingsplan Leidsche Rijn Park is deze horecavoorziening verplaatst naar de overzijde van de weg om reconstructie van de weg (aansluiting Noordelijke Stadsas en Stroomweg De Tol) mogelijk te maken.

3.2.2 Monumenten, beeldbepalende elementen en cultuurhistorie

Er zijn geen monumenten aanwezig in het bestemmingsplangebied. De meest nabijgelegen monumneten zijn de gepleisterde boerderij Alenvelt aan de Hindersteinlaan 36 en de langhuisboerderij aan de Utrechtseweg 1.

Boerderij Alenvelt
De markant gesitueerde Dwarshuis-boerderij Alenvelt (Hindersteinlaan 36), met monumentaal voorhuis, dateert uit 1869 en is ontworpen door D. van de Werff. De boerderij is markant gesitueerd en architectonisch van belang vanwege de hoofdvorm en gevelindeling en van plaatselijke historische betekenis. In afbeelding 4 is boerderij Alentvelt in het rood aangegeven.

Langhuisboerderij
De monumentale langhuisboerderij met rietgedekt zadeldak, neo-renaissance details en met een erachter gelegen kapberg is omringend door een sloot van de voormalige ridderhofstad Huis te Vleuten. Het complex is van belang als cultuurhistorisch en architectonisch waardevol boerderijcomplex met nog gave oorspronkelijke structuur. Markant gesitueerd nabij het restant van de ridderhofstad Huis te Vleuten. Het is van grote historische betekenis voor de nederzettingsgeschiedenis van Vleuten. Huis te Vleuten was een middeleeuwse woontoren met de status van ridderhofstad in het Utrechtse wijkdeel Vleuten. In de periode voor Huis te Vleuten was vermoedelijk reeds sprake van een voorloper van het kasteelcomplex. Huis te Vleuten is waarschijnlijk gebouwd in het tweede kwart van de 14e eeuw. Het grondplan was circa 9,6 bij 9,2 meter en de toren kende muren van 1,5 meter dikte. De woontoren was destijds voorzien van een grachtencomplex met een ophaalbrug. De eerste maal dat Huis te Vleuten werd vermeld was in 1412 bij de verkoop door Willem van Vleuten aan zijn dochter. In 1536 werd het door de Staten van Utrecht erkend als ridderhofstad. Rond 1800 is de woontoren afgebroken. Tot 2005 is de gracht nog zichtbaar geweest, daarna is het kasteelterrein bij de verbreding van de spoorlijn Utrecht-Woerden onder het talud verdwenen. In de omgeving van Huis te Vleuten waren nog andere woontorens. In afbeelding 4 is de langhuisboerderij in het blauwgemarkeerde vlak aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0004.png"

Afbeelding 4: ligging van monumenten en cultuurhistorische elementen

3.2.3 Structuurbepalende elementen

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0005.png"

Afbeelding 5: Structuurbepalende elementen

Het plangebied ligt aan de westkant van Utrecht. Aan drie zijden van het plangebied ligt openbare ruimte. Aan de westzijdeligt het Lint Vleuten. Dit is een 8 km lange, gemiddeld zes meter brede asfaltweg. Voor gemotoriseerd verkeer is dit verboden terrein. Aan de oostzijde ligt de watergang de Vleutense Wetering. De Vleutense Wetering is een watergang in het westelijke deel van Nederlandse gemeente Utrecht die gevormd wordt door een deel van de oude loop van de rivier de Rijn. Vanaf de 8e eeuw tot omstreeks 1935 lag er tussen het huidige stadscentrum en deze rivierloop een kunstmatige watergang die ook wel zo deels werd genoemd en tevens bekendstond als Vleutense Vaart en Stadswatering. In de stad Utrecht herinnert de straatnaam Vleutensevaart nog aan de waterweg die daar liep (deze liep vroeger ook over de Vleutenseweg). In het noordoosten ten opzichte van het plangebied ligt een een verkeesplein waarop de wegen Hindersteinlaanlaan en de Tol aansluiten. Ten oosten van het plangebied ligt een kruising van de Hindersteinaan en de Haarrijnserading. De Haarrijnserading is een belangrijke weg die aansluit op de A2 en loopt van het noorden naar het zuiden. De Hindersteinlaan loopt van het westen naar het oosten. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de spoorbaan tussen de stations Vleuten en Utrecht centraal.

3.3 Beschrijving van de bestaande functies in het plangebied

Het perceel is nu een grasland waar enkele bomen staan. In de geldende beheersvordening zijn de gronden bestemd als horeca.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0006.png"

Afbeelding 6: Luchtfoto bestaande situatie

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Projectbeschrijving

4.1.1 Programma

Het perceel heeft volgens de geldende beheersverordening al een horecafunctie. Deze functie wordt iets ingeperkt. In dit bestemmingsplan is horeca in de categorie B, C, D1 en D2 toegestaan met een brutovloeroppervlakte van ten hoogste 1.400 m². Een drive-thru is niet toegestaan. Daarnaast zijn er functies in de vorm van creatieve bedrijvigheid, sport, culturele voorzieningen, recreatieve voorzieningen en maatschappelijke voorzieningen voorzien. Deze functies zijn toegestaan tot een maximum brutovloeroppervlakte van 774 m².

4.1.2 Stedenbouwkundig plan

Het beoogde parkrestaurant/parkpaviljoen omvat een compact gebouw met maximaal 2 lagen. 4,50 meter begane grond en eventueel 4,00 meter kap. De voorgestelde bouwmassa heeft in ieder geval tenminste een gevel parallel aan de 'Vikingrijn'. De beoogde bouwstijl past in de architypische traditie van parkpaviljoens. Het ontwerp moet een alzijdig volume doen ontstaan. Zonder achterkant. Het paviljoen heeft een duidelijk zichtbaar dak en ornamentale kwaliteiten van de gevels. De beeldkwaliteit en. De architectuur van het parkpaviljoen zijn 'welstandplichtig' dat wil zegen onderhevig aan de beoordeling/ goedkeuring van de parksupervisor van het Máximapark.

4.2 Verkeer en openbare ruimte

4.2.1 Verkeer

Bestaande situatie
Het plangebied is gesitueerd nabij een intensief gebruikte ontsluitingsroute. Forenzen uit de omliggende woonbuurten rijden met de auto via de Hindersteinlaan en Haarrijnse Rading naar de A2. In de huidige situatie is tijdens de spitsuren, vooral tijdens de avondspits, op en rond de Hindersteinrotonde sprake van een moeizame verkeersafwikkeling. De ontsluiting van het perceel is voorzien op deze rotonde.

Probleemstelling
De ontwikkeling van het plangebied leidt tot een toename van de verkeersintensiteiten op de omliggende infrastructuur, vanwege de ontsluiting via de Hindersteinrotonde. Bovendien leidt het tot een frequentere kruising van de langzaamverkeersroute Het Lint, zowel bij de oversteek van de rotonde als de nieuwe oversteek naar het plangebied. Uit meldingen blijkt dat de verkeerssituatie door gebruikers van Het Lint als onveilig wordt ervaren. Een zo laag mogelijk aantal kruisingen van Het Lint van/naar de ontwikkeling is daarom gewenst. Er is onderzocht of de ontwikkeling van het plangebied, binnen de kaders van het voorliggende bestemmingsplan, leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie (zie Bijlage 2).

Methode
De huidige belasting van de rotonde is berekend en als uitgangspunt genomen . Ook is de belasting berekend als het plangebied wordt ontwikkeld binnen de kaders van het bestemmingsplan. Deze situaties zijn vervolgens geanalyseerd. Beoordelingscriteria bij deze analyse zijn de belastingsgraad op de toeleidende takken van de rotonde. De belastingsgraad geeft een theoretisch beeld over wanneer de rotonde haar capaciteitsgrens heeft bereikt en de doorstroming van het verkeer stagneert (filevorming). Er wordt gesproken van een kritische belastingsgraad tussen 0.70 en 0.80.

Het onderzochte scenario
Om de effecten van een mogelijke toekomstige ontwikkeling in beeld te brengen is het worstcase scenario, 1.400 m2 bvo restaurant + 774 m2 bvo sportschool, onderzocht. De oosttak, vanaf de Haarrijnse Rading, heeft in de huidige situatie een belastingsgraad van 0.66 tijdens de avondspits. Als in het plangebied een restaurant van 1400m² bvo en een sportschool van 774m² wordt gerealiseerd, zal de belastingsgraad op 0.70 liggen. Daarmee valt het net in het kritische gebied. De toename van het verkeer op de rotonde als gevolg van de ontwikkeling is echter per saldo beperkt ten opzichte van het totaal aan verkeer op de rotonde. Deze toename van verkeer kan worden gecompenseerd door een aanpassing in het VRI systeem en het verlagen van de drempels bij de kruising van Het Lint, waardoor de doorstroming op de rotonde verbetert.

Conclusie
De verkeersafwikkeling van de omliggende infrastructuur is in de huidige situatie aanvaardbaar, maar niet optimaal. De ontwikkeling van het plangebied mag derhalve niet leiden tot een grote verkeerstoename. Uit het onderzoek blijkt dat het onderzochte scenario, wat betreft verkeersbelasting en kruisingen van Het Lint, acceptabel is.

4.2.2 Openbare ruimte en groen

In het bestemmingsplan is geen openbaar gebied voorzien. In het bestemmingsplan wordt wel rekening gehouden met groen zodat een een groene invulling mogelijk is. Er zijn op dit moment geen plannen om de bestaande bomen te kappen. Vooralsnog blijven deze bomen staan.

4.2.3 Parkeren

Om te bepalen of voldaan kan worden aan de parkeerbehoefte is de Nota Stallen en Parkeren (2013) met de bijbehorende bijlage met parkeernormen het toetsingskader. Het plangebied valt volgens de nota onder het gebied ‘zone C1 suburbaan’. Uitgaande van de worstcasesituatie geldt voor de functie restaurant per 100 m² brutovloeroppervlak een norm van minimaal 8 en maximaal 10 parkeerplaatsen. Uitgaande van de minimumnorm van 8 parkeerplaatsen (1.400 : 100 x 8 =) moet rekening worden gehouden met 112 parkeerplaatsen. Van de overige gemengde functies kan de functie sportschool/ fitness worden aangehouden als worstcasesituatie. Hiervoor geld per 100 m² brutovloeroppervlak een norm van minimaal 2,1 en maximaal 3,9 parkeerplaatsen. Uitgaande van de minimumnorm van 2,1 parkeerplaatsen moet rekening worden gehouden met (774 : 100 x 2,1 =) 16,254 parkeerplaatsen. In totaal moet dan rekening worden gehouden met 128 à 129 parkeerplaatsen. Binnen het plangebied is meer dan voldoende ruimte voor de vereiste parkeerplaatsen. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van 5.434 m². Aangezien ten hoogste 20% van het bouwvlak bebouwd mag worden zou in theorie het overige gedeelte 4.347,2 m² als parkeerterrein kunnen worden ingericht. Het plangebied is trouwens nog groter: circa 6.000 m².

Hoofdstuk 5 Onderzoek en randvoorwaarden

5.1 Inleiding

In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.

5.2 Milieueffectrapportage

Kader
Het doel van een milieueffectrapportage (m.e.r.) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten.

Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding plannen en besluiten, die activiteiten mogelijk maken welke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

In onderdeel C van de bijlagen bij het Besluit m.e.r. wordt aangegeven welke activiteiten altijd m.e.r.-plichtig zijn. Bij de activiteiten die in lijst D van die bijlage genoemd worden moet beoordeeld worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Uit deze m.e.r.-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een m.e.r. moet worden opgesteld.

Plansituatie en conclusie
De in dit plan opgenomen activiteit(en) staat(n) vermeld in lijst D van de bijlage Besluit m.e.r., waarvoor een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Gezien de kenmerken, omvang en ligging van het project en effecten volgens de criteria van bijlage III bij de EU-richtlijn, is de conclusie dat er geen sprake is van aanzienlijke nadelige milieugevolgen. Daarom hoeft er geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

5.3 Bedrijven en milieuzonering

Kader
In de gemeente Utrecht wordt gestreefd naar een situatie waar wonen en werken in de stad op een goede manier met elkaar samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook dient voorkomen te worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed hebben op de woonomgeving, of dat omgekeerd de bedrijvigheid wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen in de directe nabijheid. Van belang zijn in dit kader de gevolgen van geluid, geur, veiligheid en luchtkwaliteit van het bedrijf op gevoelige bestemmingen in het bestemmingsplan.

Het streven is om werkfuncties in de omgeving te integreren om daarmee levendigheid in de woonwijken te vergroten. Deze werkfuncties mogen alleen geen (onevenredige) overlast veroorzaken. De bedrijven die (te veel) geur of geluidhinder veroorzaken, overlast geven of andere risico's voor gezondheid en veiligheid met zich meebrengen, moeten ruimtelijk worden gescheiden van de gevoelige bestemmingen zoals wonen. Dit wordt bereikt door milieuzonering.

Plansituatie
Er zijn op korte afstand van het plangebied geen bedrijven gesitueerd. Daarnaast maakt het bestemmingsplan geen functies mogelijk waarvoor een bedrijfszonering geldt. Creatieve bedrijvigheid is geen functie waarvoor milieucategorieen gelden. Ook maakt het bestemmingsplan geen milieugevoelige functies mogelijk.

Conclusie
Het aspect bedrijven- en mileuzonering vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.4 Geluidhinder

Kader
Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidsbelaste object - hiervoor kent de wet "geluidsgevoelige bestemmingen" zoals woningen en scholen. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een bestemmingsplan:

  • bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen;
  • bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe (gezoneerde) wegen (niet bij woonerven of wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt);
  • reconstructie van wegen;
  • gezoneerde industrieterreinen.


De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidsgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidsbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidsgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels', kan hierop een uitzondering worden gemaakt. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 48-63 dB, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A).

Bij een geluidsbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde dient akoestisch onderzoek uitsluitsel te geven over de te verwachte geluidsbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. Onder bepaalde voorwaarden, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke geluidnota, kan door burgemeester en wethouders een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting worden vastgesteld. De voorwaarden uit de Geluidnota Utrecht 2014 op basis waarvan een hogere waarde kan worden vastgesteld, zijn:

  • Iedere woning moet beschikken over een geluidsluwe gevel;
  • De woning bevat voldoende verblijfsruimten aan de geluidsluwe gevel, te weten 30% van het aantal verblijfsruimten of 30% van de oppervlakte van het verblijfsgebied;
  • Als de woning beschikt over een buitenruimte, dan ligt deze bij voorkeur aan de geluidsluwe zijde. Het geluidsniveau mag er in ieder geval niet meer dan 5 dB hoger zijn dan op de geluidsluwe gevel.

Plansituatie
Het bestemmingsplan maakt onder andere horeca en maatschappelijke functies mogelijk. De maatschappelijke voorzieningen bestaan uitsluitend in de vorm van buitenschoolse opvang, praktijkruimte en verenigingsleven. Dit zijn geen geluidgevoelige bestemmingen op grond van de Wet geluidhinder (Wgh). Ook de buitenschoolse opvang is geen geluidgevoelige bestemming.

Een bestemmingsplan moet daarnaast voldoen aan een goede ruimtelijke ordening. Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een goede belangenafweging is daarvoor nodig. Het kan dan belangrijk zijn om ook objecten akoestisch te beschouwen die geen geluidgevoelig object zijn. Vanwege het kwetsbare karakter van verblijvende kinderen op een naschoolse opvang wordt juist voor deze functie daarom alsnog de akoestische situatie in beeld gebracht en beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De belangrijke toekomstige geluidsbronnen zijn het spoor en de verkeerswegen Haarrijnse Rading en de Hindersteinlaan. Bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid hebben we aansluiting gezocht bij de normen op basis van de Wet geluidhinder die gelden voor geluidgevoelige gebouwen zoals scholen en kinderdagverblijven.

Railverkeer
In onderstaande afbeelding zijn de geluidscontouren weergegeven van het railverkeer op de 2e bouwlaag (maximale bouwhoogte) binnen het plangebied. Omdat op de naschoolse opvang alleen gedurende de dagperiode verbleven wordt, is alleen de geluidbelasting in de dagperiode (7-19 uur) beoordeeld.


afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0007.png"

Afbeelding 7: Geluidbelasting vanwege het railverkeer op 2e bouwlaag in de dagperiode.

In de Wet geluidhinder geldt voor railverkeer een voorkeursgrenswaarde van 53 dB en een maximale waarde van 68 dB voor geluidgevoelige gebouwen. Het gebied met een geluidbelasting onder de voorkeurswaarde is groen gekleurd in de afbeelding 7. In het zuidoostelijk deel van het plangebied wordt deze waarde (beperkt) overschreden. Het treffen van aanvullende geluidmaatregelen vinden we niet doelmatig in relatie tot de geringe overschrijding en het feit dat er al geluidschermen staan langs het spoor. Voor woningen geldt een voorkeursgrenswaarde van 55 dB voor railverkeer. Aan deze waarde wordt wel voldaan.

Wegverkeer

In Afbeelding 8 is de geluidbelasting vanwege het totale wegverkeer weergegeven (Haarrijnse Rading en Hindersteinlaan gezamenlijk).

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0008.png"
Afbeelding 8:Geluidbelasting vanwege gezamenlijke wegverkeer op 2e bouwlaag (excl. aftrek art.110 g Wgh1)

In deze studie is gebruik gemaakt van zogenaamde poldercontouren. Wanneer het plangebied wordt bebouwd, zullen interne afschermingen en reflecties voor een iets ander akoestisch plaatje zorgen. De gevelbelasting zal daardoor naar verwachting nog wat lager zijn.

Conclusie
Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.5 Trillingshinder

Kader
In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen ten gevolge van het treinverkeer. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. De volgende richtlijnen en beleidsregels worden daarbij gebruikt:

  • SBR-richtlijn;
  • Beleidsregel trillinghinder spoor;
  • Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening.

De afstand tussen een trillingsbron en een trillingsgevoelige functie is niet altijd een goede indicator. De bodemopbouw speelt een grote rol bij de voortplanting van een trilling. Daarbij kunnen trillingen in de bodem op korte afstand niet tot overschrijding leiden. En trillingen op iets grotere afstand wel. Het onderzoeksgebied van trillingen bij (spoor)wegen ligt binnen een afstand van 100 meter vanaf de bron. Buiten dit gebied treden bijna nooit voelbare trillingen op. Daarom heeft ProRail aangegeven dat voor woningen die op meer dan 100 meter afstand van het spoor liggen geen trillingshinderonderzoek hoeft te worden uitgevoerd.

Plansituatie
Het plangebied ligt binnen 100 meter van het spoor. Al in de geldende beheersverordening zijn verblijfsfuncties mogelijk: zaalverhuur en partycentrum. In zoverre is geen sprake van een verzwaring. Daarnaast worden bestemmingsplannen van de gemeente Utrecht automatisch aangemerkt als een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte (artikel 7g, lid 4, onder p en artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, hierna Chw). In dit bestemmingsplan is een vergunningstelsel opgenomen op bais van artikel 7c, lid 14, van het Besluit uitvoering Chw. Voor het aanvangen of wijzigen van het gebruik van gronden of bouwwerken voor buitenschoolse opvang moet aan de hand van trillingshinderonderzoek zijn aangetoond dat voldaan wordt aan de SBR-richtlijn. Ook moet bij de beheerder van het spoor (ProRail) advies zijn ingewonnen.

Als een vergunning voor zo'n activiteit wordt aangevraagd, moet het college van burgemeester en wethouders aan de hand van bovengenoemde voorwaarden nagaan of de activiteit kan worden vergund, waarbij de vergunning moet worden verleend als de conclusie is dat aan de voorwaarden wordt voldaan (zie ABRvS 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2772).

Conclusie
Het aspect trillingshinder vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.6 Externe veiligheid


Kader

Het werken met, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten. Om deze risico's te beheersen worden in bestemmingsplannen de relaties tussen deze activiteiten en hun omgeving conform wet- en regelgeving verantwoord en vastgelegd. Daartoe moeten in de eerste plaats risicobronnen geïnventariseerd worden. Vervolgens wordt een toets uitgevoerd aan de betreffende wet- en regelgeving.


Wettelijk kader
De normen en richtlijnen zijn onder andere vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb; voor transport door buisleidingen). Het Bevb geeft antwoord op vragen hoe om te gaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van buisleidingen. In het Bevb staan twee soorten risico's beschreven waarop normen en richtlijnen van toepassing zijn. Het betreft het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Naast risiconormeringen kent het Bevb tevens een extra afstandsbepaling, de zogenaamde belemmeringenstrook. Bebouwing binnen deze strook is in beginsel niet toegestaan. De belemmeringenstrook is onder andere bedoeld voor de bereikbaarheid en onderhoud van de leiding.

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft aan hoe groot de overlijdenskans is indien een persoon zich permanent op een bepaalde plek bevindt. De wetgever beschouwt een overlijdenskans van eens in de miljoen jaar (aangeduid met 10-6) voor nieuwe situaties als acceptabel. In de wetgeving is dit risico vertaald naar een afstandsnormering (PR=10-6 contour). Voor de afstand tussen de risicoveroorzakende activiteiten en kwetsbare objecten is die norm een harde grenswaarde. Voor de afstand tot beperkt kwetsbare objecten is die norm een richtwaarde waarvan mag worden afgeweken als daar een gegronde reden voor is.

Het groepsrisico (GR) geeft de kans aan op het overlijden van een groep mensen als gevolg van een calamiteit. Het Bevb verplicht ertoe dat bij bestemmingsplannen het groepsrisico wordt beschreven en gemotiveerd. Voor het toetsen van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde oriëntatiewaarde. Dit is geen harde wettelijke norm maar een houvast om te toetsen of het groepsrisico acceptabel is al dan niet in combinatie met maatregelen voor de bestrijding van ongevallen.


Plansituatie
In en direct rond het plangebied is een inventarisatie gedaan naar de risicoveroorzakende activiteiten door de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (hierna: RUD). In Bijlage 3 van deze toelichting is het advies van de RUD opgenomen. Uit dit advies (pagina 4 en verder) volgt het het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor dit bestemmingsplan.

Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.7 Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met stof, door met name verkeer. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Wegverkeer is samen met de hoge achtergrondconcentratie in Utrecht, in belangrijke mate van invloed op de luchtkwaliteit. In november 2007 is de wijziging van de Wet milieubeheer met betrekking tot luchtkwaliteit in werking getreden. Deze wetswijziging staat bekend als de "Wet luchtkwaliteit". Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Op basis van deze wet, opgenomen in artikel 5.16 lid 1 Wet milieubeheer, dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, rekening te houden met de effecten op de luchtkwaliteit.

Voor het bestemmingsplan PM geldt dat hierin nauwelijks nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt. Het betreft een actualiseringplan, gericht op het vastleggen van de bestaande situatie. Het bestemmingsplan bevat wel de mogelijkheid tot meer functiemenging. Indien op de begane grond een woonfunctie aanwezig is, mag deze woonfunctie worden vervangen door dienstverlening of lichte bedrijvigheid. Voorwaarde voor het toepassen van deze mogelijkheid is dat er geen sprake mag zijn van verkeersaantrekkende werking.

Conclusie
Het bestemmingsplan legt in hoofdzaak de de gelden planologische situatie vast. Op voorhand kan redelijkerwijs worden uitgesloten dat er negatieve gevolgen zijn voor de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering bij het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan, zodat geen aandacht besteedt hoeft te worden aan effecten op de luchtkwaliteit en geen luchtonderzoek nodig is.

5.8 Bodem

5.8.1 Bodemkwaliteit

Bij het bestemmingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Wet bodembescherming:

  • Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en als er toch bodemverontreiniging ontstaat, moet de bodem direct worden gesaneerd. Een geval van bodemverontreiniging waarbij de verontreiniging geheel of grotendeels ná 1987 is ontstaan, is een "nieuw geval". Deze zorgplicht houdt in dat nieuwe gevallen van bodemverontreiniging zoveel mogelijk ongedaan dienen te worden gemaakt.
  • Overige gevallen van ernstige bodemverontreiniging moeten binnen een bepaalde termijn worden gesaneerd als er ook sprake is van risico's. Het gaat daarbij om humane of milieuhygiënische risico's en om risico's voor verspreiding van de verontreiniging. De sanering gebeurt functiegericht en kosteneffectief.
  • Nieuwbouw op of graafwerkzaamheden in een geval van ernstige bodemverontreiniging zijn ongeacht de risico's niet toegestaan zonder saneringsmaatregelen.
  • Hergebruik van (schone of licht verontreinigde) grond kan bij onverdachte terreinen plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart en het bodembeheerplan.

Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor nieuwbouw moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek en/of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet rekening gehouden worden met nabij gelegen grondwaterverontreinigingen.

Plansituatie
In het gebied zijn het tolhuis en café-restaurant De Tol aanwezig geweest. Er waren woningen aanwezig en een fruitteelt bedrijf met bedekte teelt (kassen, donker blauwe vlakken), en in de noordpunt een ketelhuis (met stookolietanks, roze vierkanten) en een werkplaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0009.png"

Afbeelding 9:

In het gebied zijn in de periode vóór 2006 meerdere bodemonderzoeken verricht: ter plaatse van Hindersteinlaan 97. Hierbij zijn in de grond licht tot plaatselijk sterke verontreinigingen aangetroffen met zware metalen, PAK (erfverharding, gedempte sloot langs oostzijde) en minerale olie (bij ketelhuis). In het grondwater is sprake van een plaatselijke verontreiniging met nikkel, door het gebruik als kas. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Uit een evaluatierapport van 2008 blijkt dat er een bodemsanering heeft plaatsgevonden in 2004, waarbij langs de oostzijde van het terrein matig tot sterk verontreinigingde grond is ontgraven. Het terrein wordt geschikt geacht voor de toekomstige bestemming. Ter plaatse van Hindersteinlaan 99 (zuidoosthoek) is in 2001 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij is plaatselijk in een puin- en koolashoudende laag, een sterke verontreiniging met lood aangetoond. Langs het spoor is sprake van verontreinigingen met zware metalen en PAK in de bovengrond.

Op onderstaande luchtfoto's is te zien dat op het terrein in 2007 verder grondverzet heeft plaatsgevonden, waarschijnlijk met gebiedseigen grond. Hierna ligt het terrein braak, waarbij eventuele dumpingen van grond en afval niet kunnen worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0010.png"

Afbeelding 10: Luchtfoto 2005

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0011.png"

Afbeelding 11: Luchtfoto 2007

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0012.png"

Afbeelding 12: Luchtfoto 2009

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0013.png"

Afbeelding 13: Luchtfoto 2010

Op basis van de Nota bodembeheer 2017-2027 moet bij grondverzet rekening gehouden worden met de toepassingseis woonkwaliteit.

In het gebied zijn geen (omvangrijke) grondwaterverontreinigingen of nazorgcontouren bekend. Het plangebied ligt in de schone zone van het Gebiedsplan gebiedsgericht grondwaterbeheer. Dit betekent dat bij bouwbemalingen, grondwateronttrekkingen en voor de aanpak of verplaatsing van grondwaterverontreiniging de gevalsaanpak van de Wet bodembescherming geldt en dat er geen sprake is van een gebiedsgerichte aanpak.

Ondergrond
Het terrein ligt binnen de boringsvrije zone van het drinkwaterbeschermingsgebied Leidsche Rijn, met regels in de Provinciale Milieu Verordening 2013. Dit betekent dat er een dieptebeperking geldt voor het doorboren van de scheidende laag tussen het eerste en tweede watervoerend pakket op een diepte van circa 40 m. Er mogen alleen bodemenergiesystemen worden aangelegd in het eerste watervoerend pakket.

Het gebied is minder gevoelig voor zetting.

De ondergrond biedt kansen voor de duurzame energie (bodemenergie), waterberging (klimaatadaptatie), ruimte voor groen en ondergrondse infrastructuur (kabels en leidingen, parkeerkelders). Bij plannen voor benutting van de ondergrond wordt geadviseerd het ondergronds ruimtegebruik mee te nemen in het planontwerp, zodat meervoudig ondergronds gebruik geen belemmering of nadelige beïnvloeding op elkaar heeft.

Conclusie
Op basis van de beschikbare bodemonderzoeksgegevens blijkt de bodem op locatie licht tot plaatselijk sterk verontreinigd te zijn, waarbij een bodemsanering heeft plaatsgevonden in 2004. Later heeft er nog grondverzet plaatsgevonden en ligt het terrein braak. De uitgevoerde bodemonderzoeken zijn verouderd en kunnen niet gebruikt worden bij een omgevingsvergunning.

Ten aanzien van de bodemkwaliteit wordt niet direct een belemmering voor de toekomstige bestemming verwacht. Wel is het noodzakelijk om, afhankelijk van de nieuwbouw plannen, een actualiserend bodemonderzoek uit te voeren, waarbij deze verwachting kan worden bevestigd. Er geldt een dieptebeperking voor boringen, graafwerkzaamheden en bodemenergie vanwege de ligging in een drinkwaterbeschermingsgebied.

5.9 Natuurbescherming

Op grond van de Wet natuurbescherming moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van (wijzigingen in) een bestemmingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de Wet natuurbescherming niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast moet worden gekeken naar de regels in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht en de Provinciale Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017.

Beschermde dier- en plantensoorten
Voorafgaand aan de vaststelling van een bestemmingsplan moet er worden onderzocht:

  • 1. of er beschermde soorten voorkomen in het plangebied;
  • 2. of er verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming worden overtreden;
  • 3. of er vrijstellingen gelden of dat er een ontheffing nodig is.


Als er een ontheffing nodig is, moet aannemelijk zijn dat deze verleend zal worden. Daarnaast moet er duidelijkheid zijn over eventuele ontheffingsvoorwaarden en het treffen van mitigerende maatregelen.

Utrechtse soorten
In 2018 heeft de gemeenteraad de Utrechtse soortenlijst vastgesteld. Het is een uitwerking van het Groenstructuurplan (actualisatie 2018). Het doel is het beschermen van voorheen wettelijk beschermde soorten, soorten die karakteristiek of belangrijk zijn voor de stad en soorten waarvoor de gemeente op nationaal niveau verantwoordelijkheid heeft. Door toevoeging van het soortenbeleid aan de Omgevingsvisie Utrecht geven we aan dat bescherming van deze planten en dieren één van de aspecten is die moet worden meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Bij een gebiedsontwikkeling moet onderzocht worden of er beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming aanwezig zijn middels een Quick Scan. Bij gemeentelijke plannen dienen ook de beschermde soorten van de Utrechtse soortenlijst onderzocht te worden. Dit geldt eveneens bij plannen van derden wanneer hier afspraken over zijn met de gemeente. Het toevoegen van de Utrechtse soorten vormt geen verhoging van deze onderzoeksinspanning omdat via de natuurwaardekaarten deze informatie ook beschikbaar wordt gemaakt.

Als er beschermde of Utrechtse soorten in het projectgebied aanwezig zijn, zal worden beoordeeld of de soorten nadelige gevolgen van de ontwikkeling ondervinden. Bij mogelijke nadelige gevolgen, wordt gekeken of de ontwikkeling op een andere manier kan worden uitgevoerd zodat nadelige gevolgen worden voorkomen of geminimaliseerd. Als deze nadelige gevolgen niet kunnen worden voorkomen, moet het leefgebied zo dicht mogelijk bij het projectgebied worden gecompenseerd. Wanneer dit niet mogelijk is moet compensatie plaatsvinden op een alternatieve locatie binnen de gemeente. Als het leefgebied van een Utrechtse soort niet op korte termijn te compenseren valt, zal dit expliciet aan het college worden voorgelegd. De verwachting is dat dit alleen het geval is in enkele oude bomenlanen waarin voor Nederland zeldzame paddenstoelen groeien.

Met de stappen 1. Onderzoek, 2. Alternatieven, 3. Mitigeren, 4. Compenseren, 5. Expliciete keuze, wordt voorkomen dat Utrechtse soorten uit onze stad verdwijnen, terwijl gebiedsontwikkelingen mogelijk blijven. De resultaten van het onderzoek en de consequenties voor de soorten worden gemeld in het hoofdstuk waar ook de resultaten van de beschermde soorten onder de Wet natuurbescherming worden gerapporteerd.

Beschermde gebieden
Natura 2000-gebieden
Bij het opstellen van een bestemmingsplan wordt door middel van een zogenaamde 'voortoets' bekeken of een passende beoordeling van dat plan moet worden gemaakt. Een passende beoordeling moet worden gemaakt als de waarschijnlijkheid of het risico bestaat dat het plan significante gevolgen heeft voor een of meerdere Natura 2000-gebieden (al dan niet in combinatie met andere plannen of projecten).

Het bestemmingsplan kan in beginsel alleen worden vastgesteld als er zekerheid bestaat dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast.

Als er een passende beoordeling nodig is, geldt er ook een plan-merplicht (art. 7.2a Wm).

Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan).

Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour
In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (artikelen 4.11 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen) van bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Daarnaast moet er worden voldaan aan de Verordening Natuur en Landschap Provincie Utrecht 2017 (m.n. landschapselementen, art. 5.1.4 VNL).

Plansituatie
Beschermde dier- en plantensoorten
Op 30 augustus 2019 is onderzoek gedaan naar het voorkomen van beschermde soorten zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming en de Utrechtse soortenlijst in het plangebied (zie Bijlage 4 Natuuronderzoek Hindersteinlaan Maximapark).


Wet natuurbescherming
Van de in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde plant- en diersoorten worden geen groeiplaatsen, rust- of voortplantingsplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht in het plangebied. Te allen tijde gelden de algemene voorwaarden uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van het broedseizoen en de zorgplicht.

De belangrijkste conclusies ten aanzien van de Wet natuurbescherming zijn:

Vleermuizen
Er zijn geen potentiële verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig. Negatieve effecten voor vleermuizen zijn op voorhand uitgesloten als maatregelen genomen worden om belichting van foerageergebieden en vliegroutes te voorkomen. Een nader soortgericht onderzoek of ontheffingsaanvraag zijn niet aan de orde. Als de uitstraling van verlichting niet voorkomen kan worden, is nader onderzoek naar de aanwezigheid van (foerageergebied en) vliegroutes noodzakelijk.

Vogels met jaarrond beschermde nesten
Er kunnen in de bomen in en nabij het plangebied diverse vogels met een jaarrond beschermd nest voorkomen. Omdat de bomen niet worden gekapt, worden er geen eventuele nesten vernietigd. Om negatieve effecten op eventueel aanwezige nesten van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nest te voorkomen mogen de bomen niet aangelicht worden en moet er voorafgaand aan de werkzaamheden nader onderzoek plaatsvinden.

Met betrekking tot de functie als essentieel foerageergebied wordt een negatief effect uitgesloten. De Steenuil broedt ten zuiden van het plangebied (Bureau Waardenburg, 2019). Door de aanwezigheid van de spoorlijn is het plangebied te ver afgelegen om als essentieel foerageergebied te kunnen fungeren. Voor andere soorten zoals roek, huismus en kerkuil is er in het plangebied geen geschikte broedlocatie en/of is er meer dan voldoende alternatief leefgebied aanwezig, onder andere direct ten westen van het plangebied

Algemene zoogdieren
In het plangebied zijn verschillende sporen van haas/konijn aangetroffen. Algemene zoogdieren zijn vrijgesteld van ontheffingsplicht, maar nog wel beschermd onder algemene zorgplicht. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden moeten dan ook maatregelen genomen worden om het doden van deze dieren te voorkomen. De maatregelen bestaan uit het hanteren van één vaste werkrichting bij het verwijderen van de vegetatie, waardoor de dieren de kans krijgen voor de werkzaamheden uit te vluchten en het uitrusten van de maaier met een wildredder. Deze werkrichting wordt zo gekozen dat de dieren naar de strook vegetatie langs het water/spoor kunnen vluchten.

Algemene broedvogels
Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart t/m juli (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode van broeden niet wordt gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald.

Utrechtse soortenlijst

De belangrijkste conclusies ten aanzien van de Utrechtse soortenlijst zijn:

Flora
Tijdens het veldbezoek is de grote kaardenbol aangetroffen. Om andere soorten van de Utrechtse soortenlijst uit te sluiten is een nader onderzoek naar grote kattenstaart, grote wederik en rietorchis nodig. Het nader onderzoek houdt in dat er een aanvullend veldbezoek plaatsvindt waarbij een ecoloog de groeiplaatsen van deze soorten (indien aanwezig) markeert.

Bijen
Om de gewone slobkousbij, grote klokjesbij, kattenstaartdikpoot, klokjesdikpoot, lathyrusbij en resedamaskerbij binnen het plangebied te behouden moeten maatregelen genomen worden om de nectarplanten van deze soorten in het plangebied te behouden. Het gaat hierbij om planten die beschermd zijn onder de Utrechtse Soortenlijst. Aanvullend nader onderzoek naar het voorkomen van deze bijensoorten in het plangebied is niet nodig, omdat bij het behouden van nectarplanten in het plangebied vast staat dat het plangebied geschikt blijft voor bijensoorten

Vogels
Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen, ook de tjiftjaf, merel en kleine karekiet van de Utrechtse soortenlijst. Het is daarom zaak om hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. Zie voor meer details de paragraaf 'Algemene broedvogels'.

Beschermde gebieden

Natura 2000
Het plangebied van dit bestemmingsplan ligt op ongeveer 6 kiliometer afstand van de Oostelijke Vechtplassen. Het is niet te verwachten dat de werkzaamheden negatieve effecten hebben op Natura 2000-gebieden. Effecten als gevolg van geluid, trilling en licht zijn uitgesloten.

Effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitstoot van stikstof zijn ook niet te verwachten. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan zal een AERIUS-berekening worden opgesteld.

Ecologische hoofdstructuur/ Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt buiten het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Directe effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour.

Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Hierbij is het uitgangspunt dat uit de Aerius-berekening blijkt dat er geen negatieve effecten zijn op Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitstoot van stikstof.

Om nadelige gevolgen voor de soorten van de Utrechtse soortenlijst te voorkomen, moet nader gekeken worden of de ontwikkeling op een dusdanige manier kan worden uitgevoerd zodat nadelige gevolgen worden voorkomen of geminimaliseerd. Als deze nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn dient het leefgebied gecompenseerd te worden zo dicht mogelijk bij het projectgebied, of wanneer dit niet mogelijk is op een alternatieve locatie binnen de gemeente.

5.10 Bomen

In het plangebied zijn bomen aanwezig. Het is mogelijk om bebouwing te realiseren zonder bomen te rooien. De bouwmogelijkheden worden niet verruimd ten opzichte van de geldende beheersverordening. Daarnaast is in de APV de verplichting opgenomen dat elke te kappen boom moet worden gecompenseerd en als dat niet mogelijk financiële compensatie moet plaatsvinden.

5.11 Water

Met de watertoets wordt beoogd de waterbeheerders vroegtijdig in het ruimtelijke ordeningsproces te betrekken waardoor het water een evenwichtige plaats krijgt in ruimtelijke plannen. Een evenwichtige plaats houdt in dat in elk plan de negatieve effecten voor de waterhuishouding ten gevolge van ruimtelijke ontwikkelingen -waar mogelijk- moeten worden voorkomen.
De resultaten van de watertoets zijn in de waterparagraaf (zie Bijlage 6) opgenomen. Deze paragraaf is opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR).

De belangrijkste conclusies uit de waterparagraaf

Op korte termijn wordt de primaire watergang aangesloten op de Vikingrijn. Hierbij wordt het bestaande profiel van de primaire watergang behouden.

Bij het berekenen van de watercompensatie is bij een maximale invulling van het bestemmingsplan (worst case) de minimale ontwerpvoorwaarde 45 mm berging per m² toename verhard oppervlak. Dit komt neer op het realiseren van een bergingscapaciteit van circa 275 m³.

Deze bergingscapaciteit wordt gerealiseerd door het aanleggen van halfverharding, groen daken, infiltratievoorzieningen en/of extra open water.

5.11.1 Verslaglegging van gevoerd overleg gemeente - waterbeheerder

Bij het opstellen van het advies ‘toetst’ het waterschap of het plan aan de criteria voor de waterhuis-houding voldoet. Als algemeen criterium voor ruimtelijke plannen geldt dat minimaal het stand-still moet worden gehanteerd, hetgeen inhoudt dat de waterhuishouding niet mag verslechteren. In dit geval gaat het deels om een conserverend bestemmingsplan, waarbij aan dat uitgangspunt wordt voldaan. De bouwmoelijkheden blijven ongewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan. Er worden slechts een aantal nieuwe gemengde functies toefevoegd.

Op 16 september 2019 heeft het waterschap een aantal aanpassingen voorgesteld op de waterparagraaf en aangegeven akkoord te zijn met de inhoud van voorliggende waterparagraaf. De voorgestelde aanpassingen zijn doorgevoerd in de waterparagraaf.

5.11.2 Boringsvrije zone

Het plangebied ligt in de boringsvrije zone De Meern. De boringsvrije zone is een zone rondom de grondwaterwinning Leidsche Rijn. Deze grondwaterwinning is de bron van de drinkwatervoorziening voor o.a. de gemeente Utrecht. In de boringsvrije zone beschermt een ondergrondse kleilaag de onderliggende waterwinning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0014.png"

Afbeelding 14: Boringsvrije zone De Meern

Om te voorkomen dat een kleilaag die de onderliggende waterwinning beschermt, wordt doorboord en ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor de drinkwatervoorziening stelt de provincie Utrecht in haar Provinciale Milieu Verordening 2013 (PMV) in art 19 t/m 22 dat een aantal activiteiten aan voorschriften is gebonden. Het betreft onder andere een verbod op boor-, grond- en funderingswerkzaamheden dieper dan 40 meter onder het maaiveld en het toepassen van bodemenergiesystemen. Onder voorwaarden zijn vrijstellingen op dit verbod mogelijk.

Daarnaast geldt voor iedereen de bijzondere zorgplicht (artikel 4 van de PMV 2013). Dit houdt in dat verontreiniging van het grondwater moet worden voorkomen of, voor zover het niet kan worden voorkomen, zoveel mogelijk moet worden beperkt of ongedaan gemaakt. in het bestemmingsplan is daarom in artikel 6 een regeling opgenomen ter bescherming van het grondwatergebied.

Conclusie
De ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, hebben geen negatieve effecten op de waterhuishouding. Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.12 Archeologie

Wettelijk kader
In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.

De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.

Verordening en bestemmingsplan
De gemeente Utrecht heeft ervoor gekozen ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen een verordening op te stellen voor het hele grondgebied van de gemeente. In de verordening op de archeologische monumentenzorg is een vergunningenstelsel opgenomen ter bescherming van het archeologische erfgoed, waarmee de wettelijk vereiste bescherming kan worden geboden. In bestemmingsplannen wordt verwezen naar de verordening en een regel opgenomen (dubbelbestemming Waarde - Archeologie). In deze dubbelbestemming is opgenomen dat de voor Waarde- archeologie aangewezen gronden mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen. Met deze specifieke gebruiksregel wordt geregeld dat onder een met het bestemmingsplan strijdig gebruik in ieder geval wordt begrepen het handelen in strijd met de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg. Door de verordening en de daarbij behorende archeologische waardenkaart is de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht gewaarborgd en zijn verstoringen van de bodem vanaf een op de archeologische waardenkaart aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig.

Gemeentelijke archeologische waardenkaart
De Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt ten grondslag aan de verordening op de archeologische Monumentenzorg. Deze waardenkaart is geënt op de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) van de provincie en op de kennis en ervaring opgedaan in tientallen jaren archeologisch onderzoek in de stad. Hij geeft inzicht in de ligging van beschermde archeologische rijksmonumenten, gebieden van hoge archeologische waarde, gebieden van hoge archeologische verwachting en gebieden van archeologische verwachting en bij welk te verstoren oppervlakte en diepte een vergunningsplicht geldt. In de op de waardenkaart aangeduide gebieden waar een vergunningplicht geldt zal van toekomstige initiatiefnemers tot bodemverstorende activiteiten een inspanning vereist worden om resten uit het verleden op te laten sporen en zo nodig veilig te stellen.

Beschermde archeologische rijksmonumenten worden op grond van de Erfgoedwet beschermd. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijven paragraaf 2 en 3 van hoofdstuk II van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hierin staat dat aantasting van de beschermde archeologische monumenten niet is toegestaan. Voor wijziging, sloop of verwijdering van een archeologisch Rijksmonument moet een vergunning worden aangevraagd waarop de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed beslist.

Gebieden van hoge archeologische waarde (rood) zijn gebieden waarvan bekend is dat er archeologische waarden zijn, maar die niet beschermd zijn als archeologisch rijks- of gemeentelijk monument. Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 50 cm. Gebieden van hoge archeologische verwachting (geel) zijn zones waar op grond van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek dan wel op basis van historisch geografisch onderzoek archeologische waarden te verwachten zijn (er wordt een middelhoge tot hoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 50 cm. Bij gebieden met een archeologische verwachting (groen) zijn de verwachtingen lager (er wordt een middelhoge dichtheid aan archeologische vondsten of sporen verwacht). Hier geldt een archeologievergunningsplicht bij bodemingrepen groter dan 1000 m2 en dieper dan 50 cm. Daarnaast zijn op de kaart witte gebieden aangewezen. Voor deze zones geldt geen verwachting en geen vergunningstelsel.

Plansituatie
Het plangebied valt volgens de archeologische waardenkaart in een gebied met een archeologische verwachting (groen op de waardenkaart). Dit houdt in dat bij bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 50 cm, archeologisch onderzoek en een archeologievergunning verplicht is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0015.png"

Afbeelding 15: Uitsnede Archeologische waardenkaart

afbeelding "i_NL.IMRO.0344.BPHINDERHLINTMAXIM-ON01_0016.png"

Afbeelding 14: Legenda Archeologische waardenkaart

Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.13 Kabels en leidingen

In het plangebied komen geen kabels en leidingen voor die planologisch relevant zijn. Bij de uitvoering van het plan hoeven geen kabels en leidingen verlegd te worden (zie Bijlage 7). Daarnaast wordt met dit bestemmingsplan de bouwmogelijkheden niet vergroot. Het bouwvlak wordt niet uitgebreid ten opzichte van de geldende beheersverordening.

Conclusie
Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.14 Gezondheid


Kader
Gezonde verstedelijking betekent: gezond, vitaal, sociaal en zelfstandig samenleven, in een schone, prettige, duurzame en economische welvarende stad. Het bewaken, beschermen en bevorderen van de gezondheid in het fysieke domein gaat vanuit drie invalshoeken:

  • De druk op gezondheid zo laag mogelijk houden. Het bouwen van woningen op een redelijke afstand van de snelweg, een schonere lucht, een betere water- en bodemkwaliteit en op minder geluidhinder. Het gaat hier om meer dan alleen het naleven van de milieunormen.
  • De inrichting van de leefomgeving wordt door mensen als prettig ervaren. Het gaat er dan om of de omgeving levendig, afwisselend en veilig is ingericht. Belangrijk zijn voldoende bereikbaar, aantrekkelijk en bruikbaar groen, voldoende ruimte voor ontmoeting en voldoende aangename geur en kleur.
  • De leefomgeving nodigt uit tot gezond gedrag. Belangrijk is dat mensen elkaar ontmoeten en voldoende bewegen. Dat kan onder meer door dagelijkse beweging in de buurt beter te faciliteren met goede wandel- en fietsroutes, fietsparkeervoorzieningen en speelmogelijkheden.

    Plansituatie

Het bestemmingsplan maakt horeca, creatieve bedrijvigheid, sport, culturele voorzieningen, recreatieve voorzieningen en maatschappelijke voorzieningen mogelijk. Deze functies passen goed bij het Lint waar sporten, ontmoeten en spelen centraal staan. Er is ruimte voor sporten, ontmoeten en spelen. Het is niet de bedoeling dat bomen worden verwijderd. Groen heeft een positief effect op de gezondheid van mensen. Groen zorgt voor ruimte om te spelen, te recreëren en om water op te vangen. Het handhaven van groen in het plangebied zou een positieve bijdrage kunnen leveren aan deze ontwikkeling. Horecabedrijven die voldoen aan een keurmerk biologisch, vegetarisch of streekproduct zou hier goed passen. De locatie grenst aan de drukke Haarrijnse Rading en de Hindersteinlaan. Vanwege de 10.000 motorvoertuigen per etmaal is het hier niet wenselijk om gevoelige functies zoals wonen toe te staan binnen een afstand van 50 meter. Dat is in dit bestemmingsplan ook niet aan de orde. Ook blijkt uit onderzoek dat geluid van het spoor voor buitenschoolse opvang geen belemmering vormt.

Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.15 Duurzaamheid

Kader
Uitgangspunt van de gemeente Utrecht is te streven naar duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Onder duurzame ontwikkeling wordt een ontwikkeling verstaan die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee voor de toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoefte te voorzien. Dit houdt in dat het streven is naar een evenwicht tussen de 3 P's. People (sociale component), Planet (ecologie en milieu) en Profit (economie). Voor gebruikers levert duurzaamheid een hoog kwalitatieve leefomgeving op door verhoging comfort, veiligheid en gezondheid.

Klimaatneutraal
Utrecht wil zo snel mogelijk klimaatneutraal zijn. Klimaatneutraliteit houdt in dat er op jaarbasis net zo veel energie in het gebied wordt opgewekt als gebruikt. Dit geldt voor:

  • de gebouwgebonden energievraag;
  • de gebruiksgebonden energievraag en
  • het energiegebruik in de openbare ruimte.


Voor de concrete vereisten aan onderbouwingen en voorwaarden wordt verwezen naar het Utrechtse Energieprotocol. Bij energieneutrale bouw hoort waar mogelijk zonne-energie op het dak. Doelstelling is dat in 2025 20% van de daken in Utrecht is voorzien van zonnepanelen. In de warmtevisie zijn hiervoor de eerste beleidsregels vastgelegd (Visie warmtevoorziening Utrecht).

Energie ondergrond
Het wordt steeds drukker in de Utrechtse bodem. Door de toenemende vraag naar duurzame energie in Utrecht stijgt ook de vraag naar bodemenergie. Hierdoor is er meer sturing nodig op de verdeling in de ondergrond. Als warmte en koude niet goed verdeeld zijn, dan kunnen minder bedrijven gebruik maken van bodemenergie. Daarom heeft de gemeente een verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen vastgesteld, die per 1 november 2018 van kracht is.

In de verordening regelt de gemeente de verdeling van bodemenergie. Vraag en aanbod in de bodem worden op elkaar afgestemd. Voor een goede diepere grondwaterkwaliteit is er een verbod op het doorboren van de waterscheidende laag tussen 1e en 2e watervoerende pakket (ca. 50 m dieptebeperking). In de bodemverordening staan nadere regels.

Circulair bouwen
In Utrecht is circulair bouwen de norm, zoals gesteld in motie 252 te 2016. De Utrechtse ambitie is dat we in 2050 een circulaire, oftewel een oneindig hernieuwbare stad willen zijn. Dit betekent dat we optimaal gebruik van grondstoffen en materialen, duurzame energiebronnen en menselijk kapitaal in onze stad, op een manier die goed is voor inwoners en hun omgeving.

Klimaatadaptatie
De klimaatwetenschappen tonen aan dat de aarde opwarmt, dat klimaatpatronen verschuiven en extremen in weer toenemen. Voor Nederland betekent dit dat in de toekomst langere periodes met hoge temperaturen worden verwacht, onderbroken door intensievere regenbuien in vergelijking met hedendaags. Binnen stedelijk gebied leidt dit met name tot uitdagingen op het gebied van voldoende waterberging en beperken hittestress in gebouwen en openbare ruimte. Plannen moeten bijdragen aan voldoende waterberging op eigen terrein en het beperken van hittestress.

In het kader van klimaatadaptatie is de buitenruimte groen ingericht en zijn daken en gevels van de bebouwing zoveel mogelijk groen.

Diervriendelijk bouwen
De gemeente heeft ook ambitie om diervriendelijk te bouwen. Onder "diervriendelijk" bouwen wordt verstaan: bouwen met relatief kleine ingrepen, die verblijfsplekken creëren voor verschillende dieren in het stedelijk landschap. Met "diervriendelijk" bouwen wordt de biodiversiteit van de stad vergroot.

Bij bouwen houden plannen rekening met stadsvogels en vleermuizen. Er is bij de inrichting van onbebouwd terrein en openbare ruimte aandacht voor diervriendelijke oevers en bij-vriendelijke bermen. En er is oog voor bescherming van inheemse soorten.

Duurzaam ondergrondgebruik
Vanwege het intensieve gebruik is in toenemende mate regie op het gebruik en de kwaliteit van de ondergrond van belang. Uitgangspunten voor een duurzaam ondergrondgebruik zijn de principes:

Onomkeerbaarheid
Voorkom onomkeerbare veranderingen van de eigenschappen van de bodem) terugneembaarheid.

Minimaal ruimtegebruik
Ook al is er ondergrondse ruimte genoeg, streef naar een minimaal ruimtegebruik om toekomstige ontwikkeling op voorhand niet te beperken.

Robuust
Functies op ingrepen in de ondergrond moeten bestendig zijn tegen veranderingen van de fysieke omgeving en lange termijnbehoeften van de stad.

Afwenteling
Wentel geen overlast of beperkingen af op derden of naar de toekomst

Nature based solutions
Maak gebruik van de natuurlijk veerkracht en eigenschappen van de ondergrond in plaats van de technische oplossingen.

Plangebied
In het plangebied zijn activiteiten en functies voorzien met een bedrijfsmatig karakter. Als stad van gezond stedelijk leven zet het economisch beleid daar ook op in. Dat betekent dat Utrecht met name bedrijven verwelkomt die groen, slim en gezond zijn. Dit draagt bij aan een duurzame groei van de stad op het gebied van duurzaam en circulair bouwen, de energietransitie, gezondheid,.

In tenders en anterieure overeenkomsten krijgen bovengenoemde aspecten een plaats. De ontwikkelingen op het vlak van duurzaamheid gaan razendsnel. Met de huidige inzichten zijn normeringen opgesteld. Het is zaak voortdurend in het oog te houden of deze normen in de loop van het ontwikkelproces moeten worden bijgesteld. Op diverse momenten in planproces, met name bij momenten waarbij gemeenteraad of college betrokken wordt zal beoordeeld worden of de gehanteerde uitgangspunten en ambities moeten worden bijgesteld.

Concrete invulling zal plaats vinden bij de voorwaarden die aan de tenders van de bouwblokken gesteld worden, bij het stedenbouwkundig ontwerp en de ontwerpen van de openbare ruimtes.

Conclusie
Slimme oplossingen moeten het plangebied op termijn klimaatneutraal maken. Er zijn voldoende aanknopingspunten om die ambitie te verwezenlijken. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

5.16 Conclusies

Het in de vorige paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in deze motivering beschreven ontwikkeling, zijn uitgesloten.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Inleiding
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van het plangebied Hindersteinlaan, Het Lint, Máximapark. Het bestemmingsplan faciliteert de ontwikkeling van een kavel voor gemengde doeleinden in de vorm van horeca, dienstverlening, creatieve bedrijvigheid, sport, en culturele, recreatieve en maatschappelijke voorzieningen in het plangebied. De horecafunctie op basis van de huidige beheersverordening wordt met dit bestemmingsplan ingeperkt.

Financiële uitvoerbaarheid
Het bestemmingsplan heeft betrekking op een tweetal in erfpacht uitgegeven kavels, waarbij de blooteigendom ligt bij de gemeente. Dat betekent dat de kosten en opbrengsten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie binnen de nieuwe bestemmingsmogelijkheden bij de erfpachter liggen. De gemeente maakt wel plankosten voor de bestemmingswijziging. Deze kosten passen binnen de grondexploitatie. Daarmee wordt geconcludeerd dat dit bestemmingsplan financieel uitvoerbaar is.

Economische uitvoerbaarheid
Voor dit bestemmingsplan is onderzoek uitgevoerd naar de beoogde functies voor de locatie Hindersteinlaan (ladder voor duurzame verstedelijking, artikel 3.1.6 Bro: de zogenoemde 'laddertoets'). In dit onderzoek is de behoefte aangetoond van de beoogde functies, waardoor het aannemelijk is dat deze binnen de planperiode van dit bestemmingsplan (10 jaar) zullen worden gerealiseerd. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid aangetoond.

Kostenverhaal
Gemeenten zijn op grond van de Wro verplicht om de kosten van de grondexploitatie te verhalen. In dit geval betreft het kavels die reeds in erfpacht zijn uitgegeven en geen onderdeel (meer) zijn van een grondexploitatie. Het initiatief voor het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Er is geen sprake van een concreet bouwplan. Derhalve is kostenverhaal niet aan de orde en komen de gemeentelijke kosten die gemaakt moeten worden in het kader van de bestemmingsaanpassing, daarmee voor rekening van de gemeente. Deze kosten zijn beperkt en passen binnen de grondexploitatie.

Daarnaast is er geen noodzaak tot het stellen van eisen aan de fasering dan wel aan de uitvoering. Er is dan ook geen noodzaak tot het vaststellen van een exploitatieplan.

Planschade
Naast de kosten voor het maken van het bestemmingsplan moet een inschatting worden gemaakt van het risico van planschade. De gemeente heeft daarom een planschaderisico-inventarisatie laten opstellen. Eventuele kosten van planschade worden gedekt door de gemeentelijke grondexploitatie Leidsche Rijn.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Het plan is aan een aantal instanties toegezonden voor reactie als bedoeld in art 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het plan is voorgelegd aan de provincie Utrecht, Vitens, het waterschap HDSR, ProRail en de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). De provincie Utrecht en Rijkswaterstaat hebben niet gereageerd.

Vitens heeft gereageerd dat in de toelichting de boringsvrije zone van De Meern wordt benoemd, terwijl dit de boringsvrije zone van Leidsche Rijn is. Vitens verzoeken om dit aan te passen, zodat duidelijk is dat het de boringsvrije zone van Leidsche Rijn betreft. Paragraaf 5.11.2 is in overeenstemming met de reactie van Vitens aangepast.

ProRail geeft aan dat een eerste korte beoordeling van het plan ProRail geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. ProRail behoudt zich het recht voor om nog een zienswijze in te dienen op het ontwerpbestemmingsplan.

Het waterschap HDSR merkt op dat tijdens het vooroverleg de concept waterparagraaf met het waterschap is afgestemd. De opmerkingen zijn verwerkt in de definitieve waterparagraaf. Wel vraagt het waterschap om rekening te houden met de volgende aandachtspunten om in paragraaf 5.11 van deze toelichting de belangrijkste conclusies uit de waterparagraaf over te nemen. De toelichtig is op basis van deze opmerkingen aangepast. Daarnaast biedt HDSR hun kennis over klimaatadaptatie aan om het inrichtingsplan te optimaliseren. Met name als het gaat over het omgaan met extreme neerslag, droogte en hitte.

De VRU heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een inspraakreactie in te dienen. De onderstaande beantwoording van de inspraakreactie is in overleg met RUD tot stand gekomen.

1. Beschouwing risico's

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de buisleidingen met de kenmerken W501-01 en W501-02 waardoor transport gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Na bestudering van de stukken concludeert de VRU dat als gevolg van de geplande ontwikkeling de populatie, en daarmee het groepsrisico per kilometer toeneemt.

Reactie:
De constatering is juist maar is vooral theoretisch van aard. Het groepsrisico is voor zowel de bestaande als de toekomstige situatie verwaarloosbaar. Daarmee kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico zoals is toegelicht in hoofdstuk 5,6 van de toelichting bij het bestemmingsplan.

2. Opmerkingen over de toelichting van dit bestemmingsplan

In de toelichting van dit bestemmingsplan is onder hoofdstuk 5.6 het onderwerp Externe Veiligheid nader beschouwd. Over dit hoofdstuk heeft de VRU de volgende opmerkingen:

a. In het hoofdstuk is de grafiek van de berekening van het groepsrisico in de huidige en toekomstige situatie opgenomen. De VRU mist hier echter volledigheidshalve de hoogste waarde van het groepsrisico in. Ook ontbreekt het maximaal aantal te verwachten slachtoffers bij het zich voordoen van een fakkelbrand.

Reactie:
De hoogste waarde van het groepsrisico en het maximaal aantal te verwachten slachtoffers worden door het rekenprogramma Carola gegenereerd voor de gehele leiding. Die waarden liggen voor beide leidingen op geruime afstand van het plangebied. Het is daarom niet zinvol om deze waarden te vermelden.

b. In het hoofdstuk wordt gesproken over de responstijden van de brandweer op basis van de uitruktijden. Dit is echter enkel op hemelsbrede kilometers afstand gebaseerd en niet op operationele slagkracht. De VRU adviseert om deze passage te laten wijzigen; de basisbrandweerzorg is niet geënt op hemelsbrede afstand maar het plangebied is meegenomen in het repressief dekkingsplan van de Veiligheidsregio Utrecht (Veiligheidszorg op Maat, 2012).

Reactie:
De tekst van de toelichting bij het bestemmingsplan is in overeenstemming met het advies van de VRU aangepast.

c. In het hoofdstuk wordt genoemd dat “bij het inblokken het bedrijfsbrandweerkorps van de Nederlandse Aardolie Maatschappij uit Assen ter plaatse komt om met een groot waterscherm zodat in de omgeving tot een werkbare temperatuur gekoeld kan worden en de reparatiewerkzaamheden kunnen plaatsvinden”. Deze passage is volgens de VRU niet realistisch: ten tijde van een dergelijke fakkelbrand is gezien het tijd-tempo aspect snellere interventie noodzakelijk. Over de daadwerkelijke brand- en effectbestrijding zullen op dat moment beslissingen worden genomen, gebaseerd op de gevaars- en interventie-aspecten die op dat moment spelen. De VRU adviseert dit aspect in de ruimtelijke onderbouwing aan te passen.

Reactie:
De tekst van de toelichting bij het bestemmingsplan is in overeenstemming met het advies van de VRU aangepast.

3. Advies

De VRU adviseert om:

  • 4. de opmerkingen zoals benoemd onder het kopje 'Opmerkingen over de toelichting van dit bestemmingsplan' op te volgen.
  • 5. de aanvrager te informeren dat in de noodzakelijke omgevingsvergunning gebruikseisen gesteld kunnen worden over de brandveiligheid in relatie tot de omgeving zoals het meenemen van de genoemde scenario's in het bedrijfsnoodplan waarbij de handelingsperspectieven beschreven worden.
  • 6. de aanvrager te informeren dat de indeling en ontsluiting van toekomstige bouwwerken van belang zijn bij het (dreigende) scenario van een fakkelbrand, waarbij van het gebouw weggevlucht moet kunnen worden in de richting van de buisleidingen af. Het is verstandig om hiervoor een vooroverleg te voeren. Dit aspect en het aspect onder punt twee vloeien voort uit de passage van deze toelichting over de zelfredzaamheid.
  • 7. in de omgevingsvergunning bij de activiteit brandveilig gebruik voorschriften te stellen aan de interne organisatie (bedrijfshulpverlening) van de zorginrichting, zodat er voldoende capaciteit voorhanden is om de niet-zelfredzame bewoners te ondersteunen in de ontvluchting.
  • 8. het stedenbouwkundig ontwerp aan de VRU voor te leggen zodat de VRU deze kan beoordelen op de thema's bereikbaarheid en bluswatervoorziening.

Reactie:

Ad 1.
Zie reacties op genoemde opmerkingen.

Ad 2, ad 3. en ad 4.
Aan de verzoeken wordt gehoor gegeven. De VRU zal daarover worden benaderd. De benodigde maatregelen zullen dan als voorschrift in de omgevingsvergunning activiteit bouwen worden opgenomen.

Ad 5.
Aan het verzoek wordt gehoor gegeven en de VRU zal daarover worden benaderd.

6.2.2 Advies wijkraad

Het conceptbestemmingsplan is toegezonden aan de Wijkraad Vleuten De Meern. De Wijkraad heeft niet gereageerd op het conceptbestemmingsplan.

Hoofdstuk 7 Juridische plantoelichting

7.1 Inleiding

Het bestemmingsplan is opgesteld volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). De SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker en draagt zo bij aan een effectiever en efficiëntere dienstverlening.

7.2 Opbouw regels

De opzet van de bestemmingsregels is steeds gelijk:

  • bestemmingsomschrijving (met ondergeschikte en nevengeschikte doeleinden);
  • bouwregels;
  • nadere eisen waar de bestemmingsregeling dat nodig maakt;
  • afwijkingsregels van de bouwregels;
  • waar nodig: een bijzondere gebruiksregel, bijvoorbeeld bij wonen een aan-huis-verbonden bedrijf.
  • afwijkingsregels van de gebruiksregels;
  • eventueel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, ter bescherming van aanwezige cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden;
  • waar nodig: een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht.
7.2.1 Het gebruik van het woord of

Wanneer in de regels van dit bestemmingsplan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.

7.3 Regeling bijbehorende bouwwerken

In het Besluit omgevingsrecht Bijlage II artikel 2 staan de vergunningvrije bijbehorende bouwwerken opgesomd. Deze vergunningvrije bouwwerken zijn in 2014 aanzienlijk verruimd. De vergunningvrije bouwwerken komen overeen met de voorheen door de gemeente Utrecht gehanteerde standaard erfbebouwingsregeling bij woningen. Besloten is daarom om in het bestemmingsplan geen aparte regels meer op te nemen voor bijbehorende bouwwerken, maar om te verwijzen naar de vergunningvrije bijbehorende bouwwerkenregeling in het Besluit omgevingsrecht.

7.4 Nadere toelichting begripsomschrijvingen

Het Bebouwingspercentage wordt in het bestemmingsplan gedefinieerd als het met een aanduiding of in de regels aangegeven percentage, dat aangeeft hoeveel van het desbetreffende bouwvlak ten hoogste mag worden bebouwd met gebouwen en bouwwerken.

Bij het begrip Belhuis is een zodanige omschrijving gekozen, dat daaronder ook internetcafés vallen.

7.5 Artikelsgewijze toelichting

Op een aantal bestemmingen is in deze paragraaf een nadere toelichting opgenomen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Gemengd
In deze bestemming is horeca in de categorie B, C, D1 en D2 toegestaan. Het maximum brutovloeroppervlakte aan horecafuncties mag niet meer bedragen dan 1.400 m². Een drive-thru is niet toegestaan. Daarnaast zijn er functies zoals creatieve bedrijvigheid, sport, culturele voorzieningen, recreatieve voorzieningen en maatschappelijke voorzieningen voorzien. Deze functies zijn toegestaan tot een maximum brutovloeroppervlakte van 774 m².

Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening is, in verband met de overlast die horecabedrijven voor omwonenden kunnen meebrengen, in het bestemmingsplan een onderscheid gemaakt in vier categorieën horecabedrijven. De categorie-indeling is opgenomen in de Lijst van Horeca-activiteiten en is tot stand gekomen aan de hand van ruimtelijk relevante criteria als aard en omvang van het bedrijf en de parkeerdruk. De regeling geeft een kwalitatieve beperking ten aanzien van het type horecabedrijf dat zich mag vestigen in de woonomgeving. De regeling beoogt de nadelige invloeden van de vestiging van horecabedrijven op het woon- en leefklimaat in de omgeving te voorkomen. Zie ook de toelichting op de indeling in de Lijst van Horeca-activiteiten.

Artikel 4 Waarde - Archeologie

Vanwege de archeologische verwachtingswaarde in het gebied is een (dubbel)bestemming opgenomen ter bescherming van mogelijk aanwezig bodemarchief. Er moet getoetst worden aan de Verordening op de Archeologische Monumentenzorg.

Artikel 5 Waterstaat - Waterlopen

Deze dubbelbestemming beschermt de primaire watergang die door het plangebied loopt door middel van een bouwbeperking met afwijkingsbevoegdheid en een omgevingsvergunningenstelsel.

Artikel 6 Waterstaat - Waterwinning
Deze dubbelbestemming beschermt de kwaliteit van het grondwater in verband met de drinkwatervoorziening in de gemeente Utrecht.

Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat een stuk grond dat al eens was betrokken bij het verlenen van een omgevingsvergunning bij de beoordeling van latere bouwplannen nogmaals wordt betrokken.

Artikel 8 Algemene bouwregels
Dit artikel regelt de mogelijkheid voor (beperkte) overschrijdingen van bebouwingsgrenzen die op de kaart zijn aangegeven, een voorwaardelijke verplichting over parkeren en regels voor woningvorming en omzetting.

Voorwaardelijke verplichting over parkeren
Deze planregel volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 9 september 2015 (201410585/1) over bestemmingsplan "KPN Campus Fockema Andreaelaan, Rubenslaan e.o.".
Artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro maakt het mogelijk dat een bestemmingsplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening regels kan bevatten waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Artikel 8.3 lid 1 van de planregels regelt dat bij een omgevingsvergunning voor het bouwen de parkeergelegenheid voor auto's en fietsen voldoet aan het gemeentelijk beleid (ten tijde van het opstellen van deze toelichting: de Nota Stallen en Parkeren 2013). 

Bij het toetsen van een bouwaanvraag aan het bestemmingsplan, zal onderzocht worden of de aanvraag voldoet aan de voorwaarde om voldoende parkeergelegenheid te regelen.

Als gedurende de geldigheid van dit bestemmingsplan het parkeerbeleid wordt gewijzigd, geldt als uitgangspunt dat een aanvraag om omgevingsvergunning aan het op dat moment geldende parkeerbeleid wordt getoetst. Daarom bevat artikel 8.3 lid 2 een regel die bij gewijzigd beleid een afweging over de bij de aanvraag horende parkeereis, zodat gemotiveerd wordt in hoeverre het nieuwe beleid wordt toegepast.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels
De Wabo bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een algemeen gebruiksverbod hoeft derhalve niet meer in de planregels te worden opgenomen. Het is wel mogelijk om in het bestemmingsplan aan te geven wat onder verboden gebruik in ieder geval wordt verstaan. In dit artikel is opgenomen dat onder verboden gebruik wordt verstaan: onbebouwde gronden te gebruiken als staanplaats voor onderkomens als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen of onderdelen daarvan of als stortplaats voor puin en afvalstoffen.

Het gebruik of bouwen in strijd met het bestemmingsplan was vroeger onder de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening via een algemene gebruiksbepaling en strafbepaling geregeld in het bestemmingsplan. Onder de Wet ruimtelijke ordening was een en ander geregeld in de wet zelf. Met de invoering van de Wabo is dat opnieuw gewijzigd. Nu is het als volgt geregeld.

Voor elke verandering van gebruik (in ruime zin) die in strijd komt met een bestemmingsplan is volgens artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo een omgevingsvergunning nodig. Indien voor een dergelijk planologisch strijdig gebruik geen omgevingsvergunning wordt gevraagd of een gevraagde vergunning niet wordt verleend, komt dit gebruik dus in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dat artikel kan vervolgens bestuursrechtelijk of strafrechtelijk via de Wet op de economische delicten worden gehandhaafd.

Strijdig gebruik met planologische regelingen waarvan afwijking niet is toegestaan valt niet onder artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Met het oog op dergelijk gebruik is in artikel 7.2 Wet ruimtelijke ordening een verbodsbepaling opgenomen bij de invoering van de Wabo.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels
Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om af te wijken van de regels. Dit heeft primair tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Ze kunnen worden toegepast als er niet op grond van de bestemmingsregelingen in hoofdstuk 2 al afgeweken kan worden. Het gaat dan om een afwijking van maten, afmetingen en percentages, het plaatsen van objecten van beeldende kunst, het realiseren van kleine nutsgebouwtjes.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 11 Overige regels
Er mogen uitsluitend geluidgevoelige bestemmingen worden opgericht indien het bouwplan in overeenstemming is met de Wet geluidhinder of met het besluit ontheffing Hogere waarde.

Artikel 12 Overgangsrecht
In het Besluit ruimtelijke ordening is overgangsrecht opgenomen dat in elk bestemmingsplan moet worden overgenomen.

Indien de in het plan opgenomen regels, voor wat betreft gebruik of bebouwing, afwijken van een bestaande legale situatie, dan zijn daarop de overgangsregels van toepassing. De overgangsregel heeft tot doel bestaande belangen te respecteren totdat realisering van de nieuwe regels plaatsvindt.

Voor bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen, is bepaald dat deze gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, mits de bestaande afwijking niet wordt vergroot. Gehele vernieuwing is in principe uitgesloten, waaronder ook gefaseerde vernieuwing van een bouwwerk wordt verstaan. Het doel van het overgangsrecht is dat het bestaande bouwwerk in de bestaande staat in stand mag worden gehouden. Uitsluitend na het tenietgaan van het bouwwerk door een calamiteit, waarmee onder andere brand of extreme weersomstandigheden wordt bedoeld, is onder voorwaarden gehele vernieuwing toegestaan.

Vergunningplichtige bouwwerken die zonder vergunning zijn opgericht, kunnen door overgangsrecht niet gelegaliseerd worden. Bouwen zonder vergunning is immers een overtreding van de Wabo die niet door een regeling in een bestemmingsplan ongedaan kan worden gemaakt.

Wel kan met een beroep op het overgangsrecht een aanvraag worden ingediend voor de verbouw van een illegaal bouwwerk. Om te voorkomen dat een dergelijke aanvraag moet worden gehonoreerd, is in de overgangsbepaling van dit plan opgenomen dat deze slechts van toepassing is op legale bouwwerken.

Voor het gebruik dat onder het overgangsrecht valt, is bepaald dat dat gebruik mag worden voortgezet. Het gebruik mag eveneens worden gewijzigd, voor zover de afwijking ten opzichte van het toegestane gebruik niet vergroot wordt.

Hiervoor is reeds aangegeven dat illegale bouwwerken niet gelegaliseerd kunnen worden door overgangsrecht. Voor gebruik is dat in principe wel mogelijk maar vanuit het oogpunt van handhaving ongewenst. Gezien het voorgaande is in de overgangsbepaling opgenomen dat het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, van het overgangsrecht is uitgesloten.

Ook na het van kracht worden van dit plan kan dus nog met succes handhavend worden opgetreden tegen gebruik dat reeds in strijd was met het voorgaande bestemmingsplan. Dit laatste is uiteraard mede afhankelijk van andere aspecten, waaronder de vraag of het strijdige gebruik reeds zolang plaatsvindt dat de gemeente haar rechten heeft verwerkt.

Artikel 13 Slotregel
In dit artikel is de naam van het bestemmingsplan, de citeertitel, omschreven.

Prostitutie
In het plangebied van dit bestemmingsplan zijn geen seksinrichtingen gevestigd met een vergunning op basis van de APV. Gezien het in Utrecht gehanteerde maximumstelsel zijn nieuwe seksinrichtingen niet toegestaan en zijn seksinrichtingen uitgesloten in de gebruiksbepaling en in de begripsbepaling "aan-huis-verbonden bedrijf". Gelet op het binnen de gemeente gehanteerde maximumstelsel betekent de regeling in dit bestemmingsplan geen algeheel verbod, maar wel een verbod op seksinrichtingen binnen dit plangebied.

7.6 Lijst van Horeca-activiteiten

Een horecabedrijf heeft door het komen en gaan van bezoekers invloed op de beleving van zijn omgeving. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kan het nodig zijn de omgeving te beschermen tegen geluids- en verkeersoverlast als gevolg van horecabedrijven. In hoofdstuk 5 van het Ontwikkelingskader horeca Utrecht 2018 is een lijst opgenomen, waarin horeca-activiteiten aan de hand van ruimtelijk relevante criteria zoals de omvang, de ruimtelijke uitstraling en de parkeerdruk naar zwaarte in categorieën zijn ingedeeld. Met 'zwaarte' wordt het normaal te verwachten effect op het woon- en leefklimaat van de omgeving bedoeld. Bij de zwaarste categorie, discotheek, is het effect het grootst door de grote aantallen bezoekers en de harde muziek en bij de lichtste categorie, lunchroom, is het effect het kleinst, vanwege het kleinschalige karakter en omdat deze vorm van horeca alleen open is, als de winkels open mogen zijn. Het beleid over hotels is niet in het Ontwikkelingskader horeca Utrecht 2018 opgenomen. De uitleg hieronder gaat alleen over horecabedrijven die geen hotel zijn.

In de regels van het bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van de Lijst van Horeca-activiteiten die inhoudelijk gelijk is aan de lijst in hoofdstuk 5 van het Ontwikkelingskader horeca Utrecht 2018. Bij het opstellen van de lijst is uitgegaan van de volgende begripsomschrijving van een horecabedrijf:

een horecabedrijf is een bedrijf of instelling waar:

  • bedrijfsmatig drank en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt of
  • bedrijfsmatig een zaalaccommodatie wordt geëxploiteerd.

De activiteit 'hotel' valt niet onder deze definitie en een coffeeshop of een shishalounge ook niet. Deze activiteiten zijn dus niet in de lijst opgenomen en zijn op grond van de regels van dit bestemmingsplan niet toegestaan. De lijst bevat de volgende categorieën, van 'licht' naar 'zwaar': D3 (lichte horeca plus), D2 (lichte horeca), D1 (middelzware horeca), C (snelle horeca), B (zware horeca), A2 (grootschalige zware horeca) en A1 (grootschalige zware horeca).

Onderscheid tussen de categorieën A2 , A1 en B
Bij de activiteit A2 ligt het accent op zaalverhuur voor grootschalige, besloten feesten, zoals bruiloften, al dan niet met muziek, verstrekking van dranken en etenswaren. Bij de activiteit A1, disco, ligt het accent op het gelegenheid geven tot dansen op muziek, als wezenlijk onderdeel van de inrichting. In een café is het schenken van dranken voor consumptie ter plaatse de belangrijkste activiteit.

Onderscheid tussen de categorieën C en D
Een cafetaria of snackbar (categorie C) is een laagdrempelige inrichting met veel in- en uitgaande bewegingen, die vaak laat open is. Bij deze categorie ligt het accent op het snel verstrekken van etenswaren en alcoholvrije dranken voor consumptie ter plaatse. Bij dit soort gelegenheden nemen bezoekers de gekochte waren ook vaak mee, in plaats van ze ter plaatse te nuttigen. De aantasting van het woon- en leefklimaat wordt vooral veroorzaakt door geluidsoverlast van bezoekers die komen en gaan, of door bezoekers die buiten de inrichting eten en door stankoverlast.
In restaurants of lunchrooms worden de maaltijden rustig in het pand gegeten. De lichtere variant, categorie D2, richt zich op het winkelende publiek en is gebonden aan de sluitingstijden zoals die gelden voor detailhandel. De lichte horeca plus, categorie D3, is dag- en avondhoreca voor consumptie ter plaatse met een sluitingstijd om 23.00 uur.

Coffeeshop, shishalounge
In de APV is de regulering van coffeeshops opgenomen die voorziet in een maximaal aantal gedoogde vestigingen. De vestigingsvereisten zijn vastgelegd in het Cannabisbeleid. Een coffeeshop is veelal een horecavestiging in de categorie D en past dan alleen in panden met die bestemming.
Een shishalounge is een bedrijf dat zich vooral richt op het aanbieden van een ruimte waar een waterpijp gerookt kan worden. Daarbij wordt ook wel een drankje en een hapje aangeboden, waarmee zo'n bedrijf horeca-achtig wordt. Dergelijke bedrijven hebben niet de naam een positieve bijdrage te leveren aan het verbeteren van de leefkwaliteit van een straat. Daar komt bij dat shishalounges zich vaak niet aan winkeltijden houden en zich niet richten op winkelend publiek. In een rustige woonwijk en in een wijkwinkelcentrum zijn dergelijke bedrijven daarom niet gewenst.

Horeca-achtige activiteiten
Afhaalzaak
Een afhaalzaak is een bijzondere vorm van detailhandel. In een afhaalzaak worden etenswaren bereid die niet ter plaatse genuttigd worden. Het horeca-aspect, het bereiden van het voedsel, is een ondergeschikt deel. In bestemmingsplannen worden afhaalzaken apart bestemd, omdat de planologische uitstraling vaak lijkt op een cafetaria, door de openingstijden, de geur, de brommers van de bezorgservice, het komen en gaan van bezoekers en het voor de deur opeten van het voedsel.

Ondersteunende horeca
In de detailhandelsbranche is een groeiende behoefte aan ondersteunende horeca. Dit is horeca die een relatie heeft met en ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. Dat moet blijken uit de aard van de hoofdfunctie en uit de omvang van de horecafunctie.

Het Ontwikkelingskader horeca Utrecht 2018 geeft hiervoor de volgende randvoorwaarden:

  • het horecadeel mag niet direct vanaf de straatzijde zichtbaar zijn en het pand moet het aanzicht behouden van een winkel;
  • het vloeroppervlak van de horecafunctie bedraagt voor vestigingen met een bruto vloeroppervlak tot 1.000 m2 maximaal 30% van het bruto vloeroppervlak van de vestiging en voor vestigingen met een bruto vloeroppervlak dat groter is dan 1.000 m2 maximaal 20% van het bruto vloeroppervlak van de vestiging;
  • in vestigingen met een bruto vloeroppervlak tot 1.000 m2 moet er een directe relatie zijn met de producten die in de winkel verkocht worden;
  • de vestiging moet zich houden aan de algemeen gehanteerde winkeltijden.


Additionele horeca
Additionele horeca is een horeca-activiteit die als vanzelfsprekend hoort bij de hoofdfunctie. Deze activiteit wordt gezien als normale activiteit bij de hoofdfunctie. Voorbeelden van additionele horeca zijn de kantines bij buurthuizen, scholen, sportfaciliteiten, kantoren, bedrijven, theaters, bioscopen en musea. De bestemming is in deze voorbeelden 'maatschappelijk', 'sport', 'kantoor', 'bedrijf' en 'cultuur en ontspanning'. Uit de jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2015:4039) volgt dat duidelijk moet zijn waar de additionele horeca-activiteiten mogen plaatsvinden. Daarom is additionele horeca alleen in een bovengenoemde bestemmingen toegestaan, als additionele horeca in de bestemmingsomschrijving van die bestemmingen is opgenomen.

Kenmerken van additionele horeca zijn:

  • de horeca-activiteit hoort bij de hoofdfunctie en is alleen open tijdens de openingstijden van de hoofdfunctie;
  • de ruimte voor de horeca-activiteit wordt niet los van de hoofdfunctie gebruikt; de ruimte wordt dus niet verhuurd of anderszins in gebruik gegeven aan derden, bijvoorbeeld ten behoeve van feesten en partijen;
  • de horeca-activiteit completeert of vergroot de kwaliteit van de hoofdfunctie;
  • de horeca-activiteit is ondergeschikt aan de hoofdfunctie, wat blijkt uit het feit dat de horecafunctie een beperkt vloeroppervlak gebruikt, waarbij een percentage van 30% van de bebouwde vloeroppervlakte van de hoofdfunctie doorgaans als maximum geldt.

7.7 Handhaving

Door handhaving controleert de overheid of burgers, bedrijven en bijvoorbeeld overheidsorganen zich aan de wet- en regelgeving houden. Onder handhaving wordt verstaan het door controle (toezicht en opsporing) en het toepassen (of dreigen daarmee) van bestuursrechtelijke sancties, bereiken dat het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift wordt nageleefd. De handhaving van de van toepassing zijnde regeling binnen de gemeente Utrecht, wordt uitgevoerd door diverse diensten en afdelingen. Zo wordt namens het college onder andere gehandhaafd op de regels van voorliggend bestemmingsplan. Dit betekent dat de regels voor wat betreft het gebruik en de bebouwingsregels worden gehandhaafd. Dit gebeurt veelal door toetsing tijdens het behandelen van de aanvragen om omgevingsvergunning, maar kan ook gebeuren als gevolg van toezicht tijdens de uitvoering van de bouw of op grond van een eigen constatering indien een bouwwerk of een perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. Indien er bijvoorbeeld sprake is van illegale ingebruikname van gemeentelijke grond, dan zal hiertegen worden opgetreden.

Doel handhavend optreden
Het doel van het handhavend optreden van de gemeente is niet direct gekoppeld aan de noodzaak van een actueel bestemmingsplan. Voor de bewoners van het plangebied is duidelijk waar zij aan toe zijn (qua bouwen, zoals bijvoorbeeld uitbreiding van de woning, en qua gebruik), maar het niet handhaven haalt de effectiviteit van een actueel bestemmingsplan onderuit. De toegevoegde waarde van het verlenen van een omgevingsvergunning voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is niet groot, indien er op andere plaatsen - zonder vergunning - vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn geplaatst. Dit wordt nog eens problematischer zodra een omgevingsvergunning wordt geweigerd, terwijl diverse vergelijkbare bouwwerken reeds illegaal zijn geplaatst. In dit laatste geval is de roep om handhavend op te treden dan ook het grootst.

Wijze van handhaven
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht heeft het college een tweetal instrumenten bij handhaving van bestemmingsplannen tot haar beschikking: bestuursdwang en dwangsom. Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het geconstateerde illegale bouwwerk c.q. gebruik) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dit kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de aannemer en de gemeentelijke (voorbereidings)kosten op de overtreder worden verhaald. Het is tevens mogelijk om, indien er zonder omgevingsvergunning wordt gebouwd en de bouw wordt stilgelegd door middel van een bouwstop, de bouwmaterialen weg te slepen en elders op te slaan. Het opleggen van een last onder dwangsom betekent bijvoorbeeld dat het illegale gebruik moet worden gestaakt binnen een door het college gestelde termijn. Overschrijdt men de termijn, dan zal de dwangsom in rekening worden gebracht bij de overtreder. Doel van de dwangsom is het onaantrekkelijk maken van het voortzetten van de geconstateerde overtreding. De dwangsom zal dan ook in relatie moeten staan aan (en zal derhalve altijd hoger zijn dan) het voordeel dat de overtreder heeft bij het voortzetten van de illegaliteit. In het plangebied zal handhavend worden opgetreden tegen het illegale gebruik van bouwwerken en percelen. Bijvoorbeeld het verhuren van opslagruimte ten behoeve van de stalling van caravans, maar ook het gebruik van een winkel als café. Verder zal er bij de bouw worden gecontroleerd op de uitvoering van verleende omgevingsvergunningen. Uiteraard zal er ook gecontroleerd worden of, in het geval van een geweigerde omgevingsvergunning voor een woning, de betreffende woning niet alsnog wordt gebouwd. Voorts zal de gemeente toezien op - onder de Wet milieubeheer vallende - bedrijven. Dit vloeit voort uit de regels van het bestemmingsplan. Indien er immers ter plaatse een bedrijfsactiviteit plaats mag vinden, zal dit qua gebruik (intensiteit en hinder) gehandhaafd worden.