direct naar inhoud van Regels

Zwarteweg

Status: ontwerp
Identificatie: NL.IMRO.0358.07K-OW01
Plantype: gemeentelijke overheid/bestemmingsplan

TOELICHTING

 

 
Inhoudsopgave

 

TOELICHTING

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED

HOOFDSTUK 3 PLANOPZET

HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID

HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED

HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER

HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT

 

 

HOOFDSTUK 1 INLEIDING

 

1.1 Aanleiding en doelstelling

 

Aanleiding

Door de omlegging van de N201 tussen Hoofddorp en Amstelhoek kunnen de gebieden die grenzen aan de oude N201 (nu N196/Burgemeester Kasteleinweg) ontwikkeld worden naar ondermeer woningbouw. Het uiteindelijke doel bij deze herontwikkeling is de leefbaarheid van de dorpskern van Aalsmeer te verbeteren en de samenhang tussen de twee helften van de dorpskern als gevolg van de doorsnijding door het huidige tracé van de N201 over de Burgemeester Kasteleinweg te herstellen.

 

Doelstelling

Een van de herontwikkellocaties is deelgebied “Zwarteweg”. Deze locatie grenst direct aan de Burgemeester Kasteleinweg en betreft de terreinen waarop in het verleden kwekerijen waren gevestigd. In de jaren negentig is op een deel van het terrein de toen nieuwe gemeentewerf gerealiseerd, die voorheen gevestigd was aan de Dorpsstraat in Aalsmeer-dorp. De activiteiten van de kwekerij zijn reeds geruime tijd beëindigd en het gebied is sindsdien verwaarloosd. Ook is voor de realisatie van dit project de gemeentewerf inmiddels verplaatst.

 

De Zwarteweg is onderdeel van het project de Tuinen van Aalsmeer. Het doel is om op het voormalige terrein van de kwekerij en de gemeentewerf aan de Zwarteweg woningen te ontwikkelen en zo bij te dragen aan de woningvoorraad in Aalsmeer. De ruimtelijke invulling van dit woongebied zal aansluiten bij de bestaande wijk Stommeer en bestaan uit grondgebonden woningen.

 

1.2 Vigerende planologische regeling

 

De locatie is gelegen in het recentelijk vastgestelde conserverend bestemmingsplan

“N 196 en Zwarteweg”.

De gronden zijn bestemd overeenkomstige het huidige (voormalige) gebruik te weten “Bedrijf-Opslag” en “Agrarisch-Tuinbouw”.

De voor 'Bedrijf - Opslag' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsmatige opslag.

De voor 'Agrarisch - Tuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van tuinbouw al dan niet onder glas.

 

Binnen de voorschriften van het geldende bestemmingsplan is het realiseren van woningbouw binnen dit plangebied niet mogelijk. Met dit bestemmingsplan wordt beoogd de gewenste ontwikkeling van het plangebied juridisch gestalte te geven.

 

1.3 Ligging en begrenzing plangebied

 

Het plangebied wordt in het noorden globaal begrensd door de Gloxiniastraat, in het oosten door de Burgemeester Kasteleinweg, het zuiden door de Zwarteweg en in het westen door de achtertuinen van de aan de Hortensialaan gelegen woningen.

 

 

 

 

 

[image] 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Locatie woningbouw Zwarteweg

 

 

1.4 Geldende bestemmingsplannen

 

Dit bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het bestemmingsplan N196 en Zwarteweg, vastgesteld door de raad op 11 september 2014 en 7 november 2014 in werking. Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat het tracé van de N 196 over de Burgemeester Kasteleinweg tussen de kruising met de Oosteinderweg en de van Cleeffkade enerzijds en de kruising met de Zwarteweg anderzijds, en de aan de westzijde gelegen ontwikkelgebieden "Zwarteweg" en "Opheliahof".

 

Dit geldende bestemmingsplan komt met het in werking treden van dit bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied Zwarteweg te vervallen.

 

 

1.5 Leeswijzer

 

In hoofdstuk twee worden de uitgangspunten van het ruimtegebruik voor de komende tien jaar gegeven. Hoofdstuk drie bevat de juridische vertaling van de visie van het bestemmingsplan. In hoofdstuk vier komt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan bod. Om een indruk te krijgen wat met het bestemmingsplan wordt beoogd en hoe het juridisch vertaald wordt, is het lezen van deze hoofdstukken voldoende.

 

Hoofdstuk vijf tot en met zeven geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de planopzet. In hoofdstuk vijf wordt een beschrijving van het huidige plangebied gegeven. Hoofdstuk zes gaat verder in op de beleidskaders. In het laatste hoofdstuk komen de omgevingsaspecten aan bod.

 

 

HOOFDSTUK 2 VISIE PLANGEBIED

  

 

2.1 Gebiedsontwikkeling

 

Een eerste aanzet om de uitgangspunten aan te geven voor de omlegging van de N201 en de herontwikkeling van de gebieden langs de Burgemeester Kasteleinweg is neergezet in het kaderplan van 2003. In september 2004 zijn de doelstellingen en wensen verder

uitgewerkt. De uitgangspunten zijn vastgelegd in de Nota van Uitgangspunten. De

belangrijkste doelstelling van de herontwikkeling is de kern van Aalsmeer weer aanéén te smeden en de leefkwaliteit te verbeteren. Deze doelstelling wordt verder uitgewerkt in het “Structuurplan Herinrichting Burgemeester Kasteleinweg” en in het Masterplan “De Tuinen van Aalsmeer”.

 

 

2.1.1 Structuurplan Herinrichting Burgemeester Kasteleinweg

Doel van het structuurplan is de toekomstige ruimtelijke opgaven voor Aalsmeer-dorp in

beeld te brengen en hierbij de gewenste ontwikkelingsrichting aan te geven. Het

structuurplan is vastgesteld op 10 mei 2007. De belangrijkste ingreep in de ruimtelijke

hoofdstructuur is de aanpassing van het wegenpatroon. De nieuwe verkeersstructuur dient tot een afname van de verkeersintensiteiten in het dorp zodat de leefbaarheid in de gebieden langs de Burgemeester Kasteleinweg wordt vergroot. Om de noodzakelijke afname van de verkeersdruk te bewerkstelligen zullen twee

maatregelen worden genomen. In de eerste plaats wordt een knip aangebracht in de

Burgemeester Kasteleinweg, ter hoogte van de Ophelialaan. Het wordt daardoor fysiek

onmogelijk deze weg als doorgaande route te gebruiken. In de tweede plaats wordt een

nieuwe verbindingsweg aangelegd die de kern van Aalsmeer verbindt met de woonwijk

Nieuw-Oosteinde, het bedrijventerrein Green Park en via de Middenweg met de nieuwe

N201. Deze weg is nodig om de bestaande linten van Aalsmeerderweg en Oosteinderweg te ontlasten. Dit is van belang in relatie tot de doelstelling de woonfunctie van de historische linten te behouden en te versterken.

Een volgende stap om te komen tot de aanéénhechting van de twee helften van de kern, is het herstel van tal van ruimtelijke dwarsverbindingen, zodat de huidige aorta-structuur wordt getransformeerd tot een fijnmazige netwerkstructuur. Aan deze nieuwe hoofdstructuur worden vervolgens langs de Burgemeester Kasteleinweg nieuwe kwaliteitsdragers toegevoegd: nieuwe woon-, werk- en recreatiegebieden en een hoogwaardige openbaar vervoerverbinding (HOV).

 

2.1.2 Masterplan "De Tuinen van Aalsmeer"

De stedenbouwkundige uitgangspunten voor de herontwikkeling van het bestaande tracé

van de N201 en de aangrenzende gronden waren aanvankelijk vastgelegd in de

“Stedenbouwkundige Visie herontwikkeling huidig tracé N201". Het Masterplan “De tuinen van Aalsmeer” bevat de verdere uitwerking van de stedenbouwkundige uitgangspunten. Het Masterplan is vastgesteld op 14 juni 2007 en schetst een toekomstbeeld voor over 20 jaar.

Doel van het Masterplan is:

 

 
In het Masterplan is ter indicatie een programma op hoofdlijnen opgenomen voor wonen,

detailhandel en bedrijvigheid, sport en recreatie. Volgens het indicatieve programma zullen in het gehele plangebied van het Masterplan circa 337 woningen worden gerealiseerd, waarbij het uitgangspunt is om minimaal 15% van de woningen in de sociale sector te realiseren. Tevens is voorzien in 5.300 m² bedrijventerrein.

Aan de hand van de gewenste hoofdstructuur is in het Masterplan een uitwerking voor de

diverse deelgebieden gemaakt.

 

De gemeenteraad heeft op 14 maart 2013 besloten dat het Masterplan "Tuinen van Aalsmeer", onvoldoende kader vormde voor het bereiken van eerder geformuleerde doelstellingen wat heeft geleid tot herziene uitgangspunten waarbij de volgende punten van belang zijn voor de Zwarteweg:

 

 

 

2.1.3 Startnotitie Zwarteweg

Op 10 september 2015 is de startnotitie Zwarteweg vastgesteld (zie Bijlage 1) door de gemeenteraad. In de startnotitie zijn de ruimtelijke randvoorwaarden en uitgangspunten van de gemeente beschreven voor het ontwikkelen van woningbouw aan de Zwarteweg. De eisen die de gemeente stelt aan het woningbouwprogramma zijn eerder vastgesteld bij het besluit over de grondexploitatie 2015. De startnotitie dient als basis voor dit bestemmingsplan.

 

 

2.1.4 Stedenbouwkundige opzet

De bebouwing binnen het plangebied van de Zwarteweg is globaal in te delen in drie gebieden te weten :

 

Bebouwing langs de Burgemeester Kasteleinweg
Aan de oostzijde is een wandvormige bebouwingstype gewenst die met de voorzijde langs de Burgemeester Kasteleinweg is gesitueerd, als ruimtelijke ondersteuning van deze belangrijke verbinding binnen Aalsmeer. Bij voorkeur wordt hier uitgegaan van grondgebonden woningen.

 

Bebouwing in het middengebied
In het middengebied kan worden volstaan met een gevarieerd woningtype, waarbij afwisseling tussen 2^1 kap-, rijtjeswoningen en beneden/boven woningen mogelijk is.

 

Bebouwing langs de zuidwestelijk gelegen gebogen laan
De westzijde is bij voorkeur geschikt voor 2^1 kapwoningen die aansluiten bij het woningtype langs de Hortensialaan. De woningen zijn met hun voorkant gericht naar de openbare weg. De achtertuinen sluiten aan op de watergang waar aan de overzijde van het water de tuinen van de woningen aan de Hortensialaan ook aansluiten.

 

 

2.2 Motivatie gemaakte keuzes

 

Een verwaarloosd verrommeld kassengebied wordt gesaneerd en wordt vervangen door woningen. Voor dit project wordt uitgegaan van een woonwijk die zich voegt in de ruimtelijke kenmerken van de overige, -binnen de wijk Stommeer gelegen, woongebieden. Het totale project richt zich op de herinrichting van de Burgemeester Kasteleinweg en de invulling van de onbebouwde gebieden die direct aan de Burgemeester Kasteleinweg grenzen.

 

 

 

HOOFDSTUK 3 PLANOPZET

 

3.1 Algemeen

 

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. In het voorgaande hoofdstuk is beschreven welke ontwikkelingen in het plangebied plaatsvinden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven welke juridisch-planologische instrumenten daarbij worden ingezet.

 
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) die per 1 juli 2008 in werking is getreden verplicht gemeenten tot het opstellen van een bestemmingsplan voor het gehele grondgebied. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan.

 
Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. Deze onderdelen zijn bindend voor de burger. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De toelichting is niet juridisch bindend, maar wordt als handvat en beleidskader/interpretatiekader voor het bestemmingsplan gebruikt.

 
De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Aalsmeer. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende tien jaar, dit is de geldigheidsduur van een bestemmingsplan.

 

3.2 De bestemmingen

 

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

 

Begrippen (artikel 1)

hierin worden de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt.

 

Wijze van meten (artikel 2)

hierin wordt aangegeven hoe de diverse maten worden gemeten en de inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden berekend om zo een eenduidige toepassing van de bebouwingregeling te bewerkstelligen.

 

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

 

Groen (artikel 3)

De bestemming omvat het merendeel van de structurele groenvoorzieningen in Aalsmeer. Het groen is mede bestemd voor bermen en beplanting, paden, speelvoorzieningen (plaats speelvoorziening is aangeduid op planverbeelding), waterlopen en waterpartijen, alsmede voor verhardingen, parkeervoorzieningen, geluidwerende voorzieningen en straatmeubilair.

 

Verkeer- verblijfsgebied (artikel 4)

Binnen deze bestemming zijn verschillende aspecten van de verkeersbestemming geregeld zoals wegen, voet- en fietspaden, bruggen, viaducten, parkeerplaatsen enz. Binnen deze bestemming is het mede mogelijk groen en water te realiseren.

 

 
Water (artikel 5)

De bestemming water is bedoeld voor waterberging, waterhuishouding, waterlopen en bruggen. In de specifieke gebruiksregels is onder meer bepaald dat het aanleggen van woon- en bedrijfsschepen in strijd is met de bestemming. De gronden met de bestemming water kunnen niet worden omgezet in groenvoorziening.

 

Wonen (artikel 6)

Binnen de bestemming wonen zijn woningen mogelijk. Naast het bouwen van een hoofdgebouw zijn er regels opgenomen voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen, het bouwen onder de grond en bouwwerken geen gebouw zijnde. In de specifieke gebruiksregels is onder meer opgenomen dat bewonen van bijgebouwen strijdig is met de bestemming.

 

Voor deze bestemming is door middel van een voorwaardelijke verplichting voldoende parkeerruimte gewaarborgd.

 

Aan huis verbonden activiteiten. Hierbij wordt gedacht aan een praktijk voor een (huis)arts of fysiotherapie, dan wel voor een advocaat of een juridisch/financieel adviseur. Het woonkarakter dient het uitgangspunt te blijven. Daarom behoren deze beroepsactiviteiten ondergeschikt te blijven aan het wonen. Dit is geregeld door op te leggen dat maximaal 30 procent van het woonoppervlakte gebruikt mag worden voor aan huis verbonden activiteiten. Het kenbaar maken van de beroepsactiviteiten door middel van een aanduiding op de gevel is in beginsel toegestaan.

 

Woongebied (artikel 7)

Binnen deze bestemming worden de toekomstige woningen en de bijbehorende aan- en bijgebouwen als zodanig bestemd. Binnen deze bestemming kunnen ook straten, voetpaden en parkeervoorzieningen met de daarbij behorende groenvoorzieningen, water en straatmeubilair gerealiseerd worden. Een en ander is afhankelijk van de exacte invulling van het plangebied.

 

Voor deze bestemming is door middel van een voorwaardelijke verplichting voldoende parkeerruimte gewaarborgd.

 

Aan huis verbonden activiteiten. Hierbij wordt gedacht aan een praktijk voor een (huis)arts of fysiotherapie, dan wel voor een advocaat of een juridisch/financieel adviseur. Het woonkarakter dient het uitgangspunt te blijven. Daarom behoren deze beroepsactiviteiten ondergeschikt te blijven aan het wonen. Dit is geregeld door op te leggen dat maximaal 30 procent van het woonoppervlakte gebruikt mag worden voor aan huis verbonden activiteiten. Het kenbaar maken van de beroepsactiviteiten door middel van een aanduiding op de gevel is in beginsel toegestaan.

 

 

Hoofdstuk 3 Algemene regels

 

Anti-dubbeltelregel (artikel 8)

Deze bepaling dient om te voorkomen dat bijvoorbeeld een grondoppervlak dat in een bepaald geval al eens als berekeningsgrondslag voor de toelaatbare oppervlakte aan bebouwing heeft gediend, later nog eens als berekeningsgrondslag voor een ander bouwwerk wordt gebruikt, maar dat dan tot gevolg heeft dat in het eerste geval een situatie ontstaat die afwijkt van het plan.

 

Algemene bouwregels (artikel 9)

In dit artikel (toegelaten overschrijdingen) wordt aangegeven in welke gevallen de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en/of hoogtematen overschreden mogen worden. Dit betreffen bijvoorbeeld liftkokers, schoorstenen en balkons.

 

 
Algemene afwijkingsregels (artikel 10)

In dit artikel wordt bepaald in het kader van welke algemene afwijkingen in het plangebied gebruik gemaakt kan worden.

 

 

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

 

Overgangsrecht (artikel 11)

Samengevat wordt hierin gewaarborgd dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar nu in strijd raken met het plan, mogen blijven bestaan. Daarbij wordt het hierin mogelijk gemaakt om op te treden tegen eerder ontstaan illegaal gebruik.

 

Slotregel (artikel 12)

Voor de duidelijkheid, o.a. bij benoeming en verwijzing, is hierin een eenduidige naam voor het gehele plan inclusief de toelichting aangegeven.

HOOFDSTUK 4 UITVOERBAARHEID

 

4.1 Actuele regionale behoefte

 

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;

  2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;

  3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).

 

De voorgenomen woningbouwontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking':

 

Deze locatie heeft in het huidige bestemmingsplan een agrarische- en deels een bedrijfsbestemming. Derhalve wordt de locatie op grond van de provinciale verordening aangemerkt als locatie gelegen buiten bestaand gebied.

De provincie Noord-Holland biedt, onder strikte voorwaarden, de mogelijkheid om locaties buiten bestaand bebouwd gebied in te vullen met woningbouw. Een van de belangrijkste voorwaarden is dat realisatie van de woningen bijdraagt aan realisatie van de doelstellingen die zijn vastgelegd in de provinciale Woonvisie en het Regionaal Actie Programma Wonen (RAP). De RAP-regio voor de gemeente Aalsmeer is de Stadsregio Amsterdam. Het eerste RAP voor deze regio is opgesteld voor de periode 2011-2014. Momenteel zijn ze bezig met de actualisering. Het wordt naar verwachting  voorjaar 2016 bestuurlijk vastgesteld. Uitgaande van de eerste concepten spreken wij de verwachting uit dat realisatie van 69 woningen bijdraagt aan de realisatie van de doelstellingen op het gebied van Wonen. In de volgende fase van het planproces kan hier meer concreet op worden ingezoomd. Naar verwachting wordt het plan in april 2016 met de regio afgestemd.

 

Volgens de door provincie Noord-Holland opgestelde prognose (prognose 2015-2040: concentratie in steden) groeit de Aalsmeerse bevolking in de periode 2015-2030 met 1300 personen, verdeeld over 1200 huishoudens. Dit leidt tot een indicatieve kwantitatieve woningbehoefte in dezelfde periode van 1200 woningen. De monitor plancapaciteit van de provincie Noord-Holland geeft vervolgens een overzicht van de bouwmogelijkheden binnen de gemeente. Er is op dit moment, binnen onherroepelijke bestemmingsplannen, ruimte voor toevoeging van 308 woningen. Kwantitatief passen de 69 woningen die binnen dit bestemmingsplan moeten worden gerealiseerd dus ruim binnen de behoefteraming.

 

Uitgaande van het principe dat de regio functioneert als roltrap, waarbij jonge mensen vanuit het hele land naar Amsterdam komen om te studeren om zich vervolgens, na het afronden van de studie over de regio te verspreiden, is de realisatie van de eengezinswoningen binnen dit plan wenselijk. Ook wordt er voor verschillende doelgroepen gebouwd, van sociale woningbouw tot duurdere woningen.

 

 

 

 

4.2 Economische uitvoerbaarheid

 

4.2.1 Inleiding

De beoogde ontwikkeling bevat directe bouwtitels voor de verwezenlijking van 69 woningen. De gemeente is verplicht om de grondexploitatiekosten, die toewijsbaar zijn aan particuliere gronden en die nodig zijn om de voorgenomen bouwplannen mogelijk te maken, te verhalen op de ontwikkelaar.

 

4.2.2 Economische haalbaarheid

Om de economische uitvoerbaarheid te bepalen is een (gemeentelijke) grondexploitatieopzet vervaardigd. De grondexploitatieopzet bevat naast alle kosten van grondexploitatie die nodig zijn om de voorgenomen plannen te verwezenlijken ook de opbrengsten van te ontvangen exploitatiebijdragen en de opbrengsten van gronduitgifte van gemeentegrond. De fasering van de grondexploitatieopzet weerspiegelt de verwachting dat de voorgenomen ontwikkeling binnen tien jaar na het nemen van het ruimtelijk besluit (het bestemmingsplan) en het vaststellen van het financieel kaderstellend besluit (de grondexploitatieopzet) zijn beslag krijgt. Het berekende financiële saldo van de grondontwikkeling is positief. Deze grondexploitatieopzet is op 25 juni 2015 door de raad vastgesteld.

 

4.2.3 Verhaal van kosten

Het onderhavige bestemmingsplan voorziet in de bouw van maximaal 69 nieuwe woningen en betreft derhalve een bij Algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan als bedoeld in art. 6.2.1. Bro waarvoor ingevolge artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening de gemeenteraad een exploitatieplan dient vast te stellen.

In afwijking hiervan behoeft de gemeenteraad bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, geen exploitatieplan vast te stellen, indien:

  1. het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is;

  2. het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is, en

  3. het stellen van eisen, regels, of een uitwerking niet noodzakelijk is.

 

Voor de onderhavige grondexploitatie heeft de gemeente met de ontwikkelende partijen een voorovereenkomst tot kostenverhaal gesloten, waarin de voorwaarden zijn opgenomen waaronder de gemeente medewerking verleent aan de werkzaamheden voor het bepalen van de financiële en ruimtelijke haalbaarheid van het in exploitatie brengen van de gronden binnen het onderhavige exploitatiegebied.           

Ten behoeve van onderhavige grondexploitatie zal de gemeente met de ontwikkelende partij een overeenkomst sluiten waarin de kosten voor de grondexploitatie worden verhaald op deze ontwikkelende partij. Daarnaast zal voor de inbreng van de gemeentelijke grond een koopovereenkomst worden gesloten met de geselecteerde ontwikkelaar die een eerste recht van koop heeft.

Niet is gebleken dat de ontwikkelende partij(en) over onvoldoende middelen beschikt om de bedoelde ontwikkelingen te kunnen realiseren en de exploitatiebijdrage aan de gemeente te voldoen. In de overeenkomst worden afspraken vastgelegd over de uitwerking van het bouwplan en de inrichting van het gebied.          

 

 

 

4.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

 

4.3.1 Inspraak

Het ontwerp is gedurende zes weken ter inzage gelegd van vrijdag 18 maart 2016 tot en met donderdag 28 april 2016.

Gedurende de termijn van ter inzage legging heeft een ieder de gelegenheid gekregen om schriftelijk zienswijzen kenbaar te maken.

 

4.3.2 Bro-partners

In het kader van het wettelijk vooroverleg op grond van het Besluit op de ruimtelijke ordening is het voorontwerp toegezonden aan de hieronder genoemde provinciale en rijksdiensten en andere instanties op dinsdag 12 januari 2016.

De toezending is gedaan met het verzoek om binnen 3 weken te reageren en met de mededeling, dat indien niet binnen die termijn zal zijn gereageerd, wordt aangenomen, dat het voorontwerp bestemmingsplan geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen.

 

  1. Gedeputeerde Staten van Noord-Holland

  2. Hoog Heemraadschap Rijnland

  3. Brandweer Amstelland

 

Hoog Heemraadschap Rijnland en Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben inhoudelijk schriftelijk gereageerd op het voorontwerp bestemmingsplan. In de nota van beantwoording (zie Bijlage 8) zijn de reacties weergegeven met een reactie van het college van burgemeester en wethouders.

Brandweer Amstelland heeft niet gereageerd, zodat mag worden aangenomen, dat het voorontwerp geen aanleiding heeft gegeven tot het maken van opmerkingen.

 

 

4.4 Handhaving

 

Wanneer een bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, dan is de discussie over de inhoud van het plan afgerond en dienen overheid en burgers zich aan het plan te houden. Gebruik en/of bouwen dat niet in overeenstemming is met de verbeelding en/of de planregels is dan in strijd met het geldende bestemmingsplan. De zorg dat situaties gedurende de planperiode in overeenstemming zijn en blijven met het geldende bestemmingsplan valt onder het begrip handhaven. Goede handhaving vereist dat, naast de overheid ook belanghebbenden en de gebruikers van een plangebied op eenvoudige wijze kennis kunnen nemen van de inhoud van het geldende bestemmingsplan. Om dit te bereiken zijn bestemmingsplannen digitaal toegankelijk via het internet. In de opzet van voorliggend bestemmingsplan is al rekening gehouden met deze nieuwe ontwikkeling.

 

HOOFDSTUK 5 BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE PLANGEBIED

 

Dit is een beschrijving van de huidige situatie van het plangebied. Alle ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan zijn al behandeld in hoofdstuk 2.

 

5.1 Ruimtelijke kwaliteit

 

5.1.1 Beschrijving gebied

De zuidzijde van wijk Stommeer kent een grote bebouwingsdichtheid, die vanaf de jaren 50 tussen de Westeinderplassen en de Burgemeester Kasteleinweg is gerealiseerd.

De locatie sluit rondom op verschillende omgevingstypen aan:

 

Op de voormalige kwekerij achter Zwarteweg 73 staan verschillende opstallen, onder meer een zwaar verwaarloosde kas, een hal voor opslag en een bedrijfswoning, die niet meer bewoond wordt. Deze opstallen zullen op korte termijn worden gesloopt.

 

Net buiten het plangebied zit in het pand Zwarteweg 75-77 de Brandweer met kantoorruimtes van “De Meerlanden” en de uitvalbasis voor de Ambulance hulpdienst.

De brandweer Amsterdam-Amstelland blijft gevestigd in dit pand hoewel er verschillende plannen voor reorganisatie van deze dienst bestaan. Momenteel zijn er geen concrete aanwijzingen dat deze op korte termijn gevolgen hebben voor de locatie van de brandweerkazerne in Aalsmeer. De kantoorruimtes zullen verhuurd worden aangezien "De Meerlanden" is verhuisd.

Naast de brandweerkazerne staat een zendmast van T-Mobile op basis van een huurcontract. Deze zal worden verplaatst.

 

 

5.1.2 Cultuurhistorie/archeologie

Cultuurhistorie

De informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland geeft een overzicht van waardevolle landschappelijke en cultuurhistorische elementen en structuren. Het plangebied wordt op de kaart aangeduid als stedelijk landschap. Er bevinden zich in het gebied geen waardevolle cultuurhistorische objecten en structuren.

In november 2009 heeft de Tweede Kamer ingestemd met de moderniseringsplannen van de Monumentenwet. Eén van de veranderingen is dat cultuurhistorische belangen mee dienen te worden gewogen in de ruimtelijke ordening. Dit is verankerd in artikel 3.1.6 onder 4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente heeft daarom voor haar grondgebied een cultuurhistorische analyse uitgevoerd. Dit heeft geresulteerd in de Globale, Cultuurhistorische analyse 'Gebroken landen, geheelde gronden"(CHA) die op 29 maart 2012 door de raad is vastgesteld.

In de CHA is een onderverdeling gemaakt in deelgebieden waarbij per deelgebied beleidsaanbevelingen zijn gemaakt. Het plangebied van dit bestemmingplan behoort tot het deelgebied 'Aalsmeer-Dorp'. De planregeling dient in overeenstemming te zijn met de beleidsaanbevelingen voor dit deelgebied. Daarbij is vooral relevant de aanbeveling het 'overall' onderscheid in ruimtelijke geleding te handhaven.

 

 

Archeologie

De gemeente heeft op 24 juni 2010 de Beleidsnota Archeologie vastgesteld, waarin het gemeentelijke archeologiebeleid uiteen is gezet. Daarbij is onderscheid gemaakt in verschillende categorieën met bijbehorend regime. Het plangebied behoort tot het gebied waarvoor geen archeologische verwachting geldt.

 

 

5.1.3 Water

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland. In het plangebied is alleen aan de achterzijde van de percelen aan de Hortensialaan een watergang aanwezig. Deze watergang vormt de natuurlijke scheiding tussen de percelen aan Hortensialaan en de bebouwing aan de Gloxiniastraat met het nieuw te ontwikkelen gebied.

 

Het plangebied is gelegen in de Stommeerpolder. Deze polder heeft een gemiddeld maaiveldniveau van circa 4,00 meter - NAP. Het gebied ligt in een peilvlak met een zomerpeil van NAP -5,00 en een winterpeil van NAP - 5,10. De drooglegging is hierbij circa 1,10 meter. In de Stommeerpolder zijn lage zuurstofconcentraties aanwezig maar daarentegen worden er weinig zware metalen in het oppervlaktewater aangetroffen.

 

 

 

5.2 Functioneel gebruik

 

5.2.1 Wonen

Op het perceel aan de Zwarteweg 69 is een agrarische bedrijfswoning aanwezig. Dit pand is sinds 2008 niet meer bewoond. Deze wordt gesloopt.

 

 

5.2.2 Bedrijven

Op de gronden achter de Zwarteweg zijn loodsen aanwezig die door de Gemeentewerf in gebruik waren voor opslag. Op het naastgelegen perceel bevinden zich oude loodsen en kassen die bij de daar gevestigde tuinbouwbedrijven in gebruik waren.

 

 

5.2.3 Infrastructuur

De omgelegde N201 is de nieuwe doorgaande verkeersroute in Aalsmeer. Tot de afwaardering van de Burgemeester Kasteleinweg een feit is, kan ook deze weg nog steeds als een doorgaande route worden gebruikt. Om het doorgaand verkeer over de Burgemeester Kasteleinweg te ontmoedigen is de maximum snelheid van 70 kilometer per uur gewijzigd in 50 kilometer per uur en is de groene golf afgeschaft. Na afwaardering blijft de Burgemeester Kasteleinweg een functie behouden als wijkontsluitingsroute voor de aangrenzende wijken. De Zwarteweg sluit aan op de Burgemeester Kasteleinweg.

 

 

 

HOOFDSTUK 6 BELEIDSKADER

 

6.1 INLEIDING

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke beleidskaders. Achtereenvolgens komt het relevante rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijk beleid aan bod. Het beleid en de wetgeving op milieugebied wordt behandeld in hoofdstuk 7.

 

 

6.2 Rijksbeleid

 

6.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Amvb Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) van kracht geworden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en waterveiligheid.

 
Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 Rijksdoelen geformuleerd:

 

Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn.

Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de Amvb Ruimte. Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

 

Conclusie

Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen heeft invloed op het onderhavige bestemmingsplan. De betreffende onderwerpen zijn niet aan de orde in of in de nabijheid van het plangebied.

 

6.2.2 Luchthavenindelingbesluit Schiphol (2002)

Gemeenten die (deels) gelegen zijn binnen het beperkingengebied rondom Schiphol moeten rekening houden met beperkingen die worden gesteld aan het ruimtegebruik. Deze beperkingen staan in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (Lib). De regels moeten door gemeenten in acht worden genomen bij de totstandkoming van bestemmingsplannen en bij het beoordelen van aanvragen om een omgevingsvergunning. In sommige gevallen kan van de Lib-regels worden afgeweken met een verklaring van geen bezwaar. Er moet eerst een ontvankelijke omgevingsvergunning zijn ingediend, alvorens een besluit over een verklaring van geen bezwaar kan worden genomen.

 

 
Conclusie

Het plangebied Zwarteweg is gelegen in de nabijheid van de luchthaven Schiphol. Het

plangebied valt binnen de 20 Ke-contour rond Schiphol en is daarnaast gelegen in het beperkingengebied van het Luchthavenindelingbesluit.

Binnen de 20 Ke-contour mogen geen nieuwe uitleglocaties voor woningbouw worden gerealiseerd buiten bestaand bebouwd gebied. Binnen het bestaand bebouwd gebied is herstructurering en intensivering van woningbouw toegestaan”. De voorgenomen herontwikkeling tot woonbuurt is in overeenstemming met het beleid zoals voorheen neergelegd in de Nota Ruimte en nu is opgenomen in de beleidslijn 20 Ke, zoals besloten aan de Alders-tafel.

Binnen de beperkingengebied wordt geen woningbouw mogelijk gemaakt. Ook wordt er met dit bestemming geen functies mogelijk gemaakt met een vogelaantrekkende werking en blijft de woningbouw ver onder de maximale bouwhoogte van 45+ NAP. Het Luchthavenindelingbesluit heeft geen consequenties voor dit bestemmingsplan.

 

 

 

6.3 Provinciaal en regionaal beleid

 

6.3.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040

In de structuurvisie geeft de provincie aan welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening in Noord-Holland. Daarmee is het een leidraad voor de manier waarop de ruimte in Noord-Holland de komende dertig jaar zou moeten worden ontwikkeld. In het bijbehorende uitvoeringsprogramma is dit uitgewerkt in concrete activiteiten om de visie te realiseren en via de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie is de doorwerking naar gemeentelijke bestemmingsplannen geregeld.

De drie hoofdbelangen die Noord-Holland met de structuurvisie heeft vastgelegd zijn ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid. Zo wordt de komende dertig jaar het bestaand bebouwd gebied verder verdicht, onder meer door zo’n 200.000 woningen in de provincie bij te bouwen, en zet de provincie in op de ruimtelijke ontwikkeling van OV-knooppunten in Noord-Holland. Op die manier blijft volgens de provincie meer ruimte over om het buitengebied te behouden en zijn er voldoende mogelijkheden voor duurzame economische ontwikkelingen, recreatie en natuur.

6.3.2 Provinciale ruimtelijke verordening

Met de inwerkingtreding van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 hebben provincies de bevoegdheid gekregen een ruimtelijke verordening vast te stellen. In deze verordening kan de provincie regels stellen met betrekking tot de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen. Bij het stellen van deze regels moeten provinciale belangen in het geding zijn. In een verordening kunnen regels worden opgenomen ter bescherming van specifieke waarden (zoals natuur-, landschappelijke of cultuurhistorische waarden) of ten behoeve van bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld vestigingsregels voor intensieve veehouderij of detailhandelsvoorzieningen). De gemeente heeft de plicht bestemmingsplannen aan te passen aan de provinciale verordening.

 

Conclusie

De locatie is gelegen binnen stedelijk gebied tussen bestaande woningen. Artikel 9 van de PRV beschrijft in welke gevallen een gebied tot BBG mag worden gerekend. Binnen het plangebied is volgens het geldende bestemmingsplan bedrijfs- of agrarische bebouwing toegestaan. Ter plaatse van de agrarische bestemming wordt gesteld dat dit valt buiten BBG. Om die reden moet de nut en noodzaak worden aangetoond volgens de provinciale handreiking. Zie ook Actuele regionale behoefte.

 

 

6.4 Gemeentelijk beleid

 

6.4.1 Aalsmeerse gebiedsvisie

De omlegging van de N201 plaatst de gemeente Aalsmeer voor de opgave een nieuwe

invulling te geven aan het oude tracé van de N201, de Burgemeester Kasteleinweg. Op 15 maart 2001 heeft de gemeenteraad naar aanleiding van de door de provincie inmiddels gerealiseerde N201 een Intergemeentelijke Gebiedsvisie, de Aalsmeerse Gebiedsvisie vastgesteld. In de Aalsmeerse Gebiedsvisie wordt aan de omlegging van de N201 uitdrukkelijk de doelstelling verbonden om de twee helften van de dorpskern te herenigen. Belangrijke elementen daarnaast zijn het behoud en de versterking van de lintenstructuur in samenhang met de ontkoppeling van wonen en bedrijvigheid, de realisatie van woningbouwlocaties en de ontwikkeling van bedrijventerreinen langs de nieuwe N201.

 

Op 4 november 2009 heeft de gemeenteraad de nieuwe Gebiedsvisie Aalsmeer 2020

vastgesteld. In de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 worden de ontwikkelingen die op basis van de Aalsmeerse Gebiedsvisie zijn ingezet als uitgangspunt genomen voor een analyse van de status quo en een aanduiding van de ontwikkelingskoers voor het komende decennium. Als gegeven in de ontwikkeling van Aalsmeer wordt inmiddels beschouwd de herontwikkeling van verouderde glastuinbouwgebieden, de bouw van een aantal grotere woonwijken, de ontwikkeling van het bedrijventerrein Green Park Aalsmeer langs de omgelegde N201 en de herontwikkeling van het oude tracé van de N201.

Een belangrijk onderdeel van de Gebiedsvisie Aalsmeer 2020 is het benoemen van de

unieke cultuurhistorische en landschappelijke waarden die tezamen de ruimtelijke

hoofdstructuur van Aalsmeer vormen en richting moeten geven aan de toekomstige

ruimtelijke ontwikkeling. Het betreft de specifieke natuur- en landschappelijke kwaliteiten van de Westeinderplassen en de Bovenlanden, de historische dorpskernen van Aalsmeer en Kudelstaart en de beeldbepalende lintstructuren in de Bovenlanden en in de polder. Deze structurerende elementen, het zogenaamde dorpse karakter van Aalsmeer, dienen behouden en versterkt te worden. Desondanks mag in sommige gevallen voor meer stedelijke oplossingen als gestapeld bouwen worden gekozen. Volgens de Gebiedsvisie kan gestapeld bouwen in sommige gevallen wenselijk zijn om een goede invulling te geven aan herstructureringsopdrachten. Het gaat dan om het markeren van kruispunten en assen en om het creëren van aantrekkelijke woonmilieus in een groen-blauwe setting. De voorgestelde woningbouw is overeenkomstig deze uitgangspunten.

 

6.4.2 Aalsmeers Verkeers- en vervoersplan

Aalsmeer zet voor de komende jaren sterk in op uitbreiding van de woningvoorraad en

uitbreiding van het werkareaal. Ook vanuit de buurgemeenten worden vergelijkbare

initiatieven ontplooid (werkstad A4, bedrijventerreinen Uithoorn en Amstelveen). De

omlegging van de N201 en realisatie van een busbaan over het oude tracé van de N201

hebben ruimtelijke consequenties in Aalsmeer. Gevoegd bij de bestaande knelpunten in de verkeersnetwerken levert dit een aantal concrete opgaven op, die bepalend zijn voor het functioneren van het (toekomstige) verkeer- en vervoersysteem in Aalsmeer. Deze opgaven zijn te herleiden tot de thema’s bereikbaarheid, veiligheid en leefbaarheid. Eind 2009 is het Aalsmeers Verkeers- en Vervoersplan vastgesteld. Dit plan legt de uitgangspunten en randvoorwaarden zoals gesteld in de “kadernota verkeer en vervoer” (25 januari 2007) vast en heeft als doel om een evenwichtig infrastructureel netwerk in Aalsmeer te verkrijgen, waardoor functies in Aalsmeer middels verschillende modaliteiten goed bereikbaar zijn, de inrichting van het netwerk veilig is en dat overlast veroorzaakt door verkeer in Aalsmeer leefbaar is en blijft.

 

 
Voor de bereikbaarheid van Aalsmeer is de aanleg van de ‘omgelegde N201’ van cruciaal

belang. Het zorgt voor een complete verandering van (doorgaande) verkeersstromen. Veel van de opgaven voor de toekomstige verkeersstructuur zijn te herleiden tot het dilemma tussen het bereikbaar willen houden van de gemeente, zonder dat er te veel ongewenst verkeer door de kernen rijdt (leefbaarheid).

 

In het Aalsmeers Verkeer- en Vervoersplan zijn drie doelstellingen vastgelegd:

• Het verbeteren van de regionale en lokale bereikbaarheid met alle vervoerwijzen;

• Zorgen voor een verkeersveilige leefomgeving;

• Zorgen voor een leefbaar verblijfsklimaat.

 

De kern Aalsmeer is voor autoverkeer via drie ‘invalswegen’ bereikbaar. Van daaruit komt men op de lokale hoofdstructuur van waaruit het verkeer wordt verdeeld over de kern. Op het lokale wegennet wordt het verkeer naar de meest geschikte routes geleid door aanpassing van de vormgeving van wegen (waardoor snelheid en capaciteit worden vergroot of juist verkleind). In het AVVP is een wegencategorisering voor autoverkeer opgenomen. De Burgemeester Kasteleinweg is daarin aangewezen als gebiedsontsluitingsweg (50 km/u) waarbij ter hoogte van de Ophelialaan een knip is voorzien. Andere in het AVVP genoemde relevante maatregelen in de omgeving van het plangebied zijn de aanleg van de Nieuwe Aalsmeerderlaan (tussen Burgemeester Kasteleinweg en Ophelialaan-Stommeerkade), de aanleg van een twee-strooks rotonde op de kruising Burgemeester Kasteleinweg-Nieuwe Aalsmeerderlaan, het herinrichten van de Burgemeester Kasteleinweg door voor het wegvak vanaf de tweebaans rotonde tot aan de Aalsmeerderbrug twee rijbanen Aalsmeer uit en één rijbaan Aalsmeer in te realiseren en het wijzigen van het eenrichtingsverkeer van de 1e J.C. Mensinglaan, de 2e J.C. Mensinglaan en de Ophelialaan (tussen Cyclamenstraat en Burgemeester Kasteleinweg) in tweerichtingsverkeer.

In het AVVP is ook gekeken naar routes voor goederenvervoer. Uitgangspunt is dat de

werkgebieden en bedrijventerreinen goed toegankelijk moeten zijn voor vrachtverkeer

zonder dat er sprake is van overlast in woon- en verblijfsgebieden. De wegen voor

goederenvervoer moeten voldoende breed zijn en er geldt in principe een maximum snelheid van 50 km/uur. Nabij het plangebied zijn de Burgemeester Kasteleinweg (tussen Ringvaart en Nieuwe Aalsmeerderlaan) en de Nieuwe Aalsmeerderlaan aangewezen als hoofdontsluiting goederenvervoer (lokaal).

Het netwerk goederenvervoer sluit aan op het Regionale Kwaliteitsnetwerk

Goederenvervoer. De Burgemeester Kasteleinweg is verder aangewezen als route voor busvervoer en is onderdeel van een primaire fietsroute. De route Baanvak-Spoorlaan is eveneens onderdeel van een primaire fietsroute.

 

 

6.4.3 Woonvisie Aalsmeer

Op 14 juli 2011 is de "Woonvisie Aalsmeer 2011-2020" vastgesteld door de

gemeenteraad. De woonvisie kan gezien worden als uitwerking van de in 2009 vastgestelde Gebiedsvisie en geeft de visie van de gemeente weer op het gebied van Wonen. Deze missie luidt: “Het is goed wonen in Aalsmeer en dat willen we zo houden. Kwaliteit staat voorop. Die moet ook bereikbaar zijn voor mensen voor wie dat –vanwege bijvoorbeeld financiën of gezondheid- niet vanzelfsprekend is. We blijven groeien, maar slechts beheerst, en verleggen de aandacht naar het bestaande woonaanbod.” Deze missie is uitgewerkt in een aantal speerpunten:

 

  1. inspelen op woonwensen: gestreefd wordt naar een grotere variatie in het woonaanbod zodat beter in kan worden gespeeld op (veranderende) woonwensen van de Aalsmeerse inwoners. Om adequaat in te kunnen spelen op veranderende woonwensen zal er elke vijf jaar een woonwensenonderzoek worden uitgevoerd. De uitkomsten van het onderzoek fungeren als uitgangspunt voor nieuw op te starten nieuwbouwprojecten. Momenteel is er een grote vraag naar onder meer eengezinswoningen. Flexibiliteit in bestemmingsplannen is wenselijk om variatie in verkaveling en/of collectief particulier opdrachtgeverschap mogelijk te maken;

  2. blijvende zorg voor betaalbaarheid: gestreefd wordt naar sociale huurvoorraad van ongeveer het huidige niveau. In het gemeentebrede basis nieuwbouwprogramma tot 2020 is 16% sociale huurwoningen opgenomen maar dit percentage kan per locatie verschillen;

  3. meer kansen voor jongeren; dit is ondergebracht in de Woonagenda Aalsmeer 2016-2020;

  4. een zorgzame gemeente: in het aanbod voor ouderen worden de wensen van deze groep gevolgd, het zodanig faciliteren dat een groot deel in de huidige woning kan blijven, al dan niet met aanpassingen. Voor andere ouderen worden nieuwe woningen gebouwd ten behoeve van verhuizen naar minder m², meer comfort en/of nabij voorzieningen. Nieuwbouw is zoveel mogelijk levensloopbestendig of zodanig gebouwd dat aanpassing eenvoudig mogelijk is;

  5. van kwantiteit naar kwaliteit: de aandacht verschuift van nieuwbouw op uitleglocaties naar veranderingen in bestaand bebouwd gebied. Aalsmeer herbergt kleinschalige woongebieden in een voor de regio relatief ruime en groene setting. Het dorpse karakter geldt ook voor nieuwbouw. De invulling daarvan kan per type locatie verschillen.

 

 

Het bouwprogramma voor de periode 2011 tot en met 2020 bedraagt per saldo maximaal 1.500 woningen (uitgaande van circa 1.650 nieuw te bouwen woningen). Deze nieuw te bouwen woningen zijn onderverdeeld in verschillende prijsklassen (variërend van goedkoop naar duur). Circa 10% zal als sociale woning worden gerealiseerd (7 van de 69 woningen).

 

Op 28 januari 2016 is de Woonagenda 2016-2020 vastgesteld. Dit actueel woonbeleid wordt ingezet ter bevordering van doorstroming op de vastgelopen woningmarkt. Dit betekent bouwen in verschillende gidscategorieën. Er wordt ingezet op de realisatie van gemengde wijken.  Speciale aandacht voor de doelgroepen starters en senioren.

 

 

6.4.4 Uitvoeringsplan Spelen Aalsmeer 2014-2017

Begin 2013 is Evaluatie & Analyse van het Speelruimteplan (2001-2012) door het college van Aalsmeer vastgesteld. In de analyse zijn voorstellen geformuleerd om te komen tot een gewogen streefbeeld voor de speelplekken in Aalsmeer tot en met 2017. Hierbinnen zit het creëren en aanpassen van diverse speelplekken. Binnen de bestemming groen, in het middengebied, moet een speelvoorziening voor jonge kinderen een plek krijgen.

 

 

HOOFDSTUK 7 OMGEVINGSKWALITEIT

 

7.1 Bodem

 

Wet bodembescherming

Het bodembeleid is gebaseerd op een balans tussen maatschappelijke dynamiek en gezondheidsrisico's. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico voor de gebruiker mag vormen. Is dat wel het geval, dan spreken wij van een ernstig en spoedeisend geval van bodemverontreiniging. Deze gevallen moeten op korte termijn worden gesaneerd of het gebruik en/of de functie moet worden gewijzigd zodat de verontreiniging geen risico vormt.

 

De bodemkwaliteit kan ook een acceptabel risico vormen. We spreken dan van een ernstig geval en een potentieel risico. Een ernstig geval met potentiële risico's hoeft niet gesaneerd te worden, omdat het opheffen van potentiële risico's niet kosteneffectief is.

 

Het loont wel te saneren wanneer er toch al grondwerk plaatsvindt. Daarom is het verboden om in ernstig verontreinigde grond te werken zonder saneringsdoel. De saneringshandeling dient gemeld te worden bij de omgevingsdienst.

 

Procedures en normen voor onderzoek en sanering van de bodem zijn nader uitgewerkt in de Circulaire bodemsanering 2012. De norm voor een ernstig geval is de interventiewaarde; de norm voor spoedeisendheid is het saneringscriterium.

 

Bij handelingen en activiteiten op of in de grond dient een historisch bodemonderzoek conform NEN5725 te worden uitgevoerd om na te gaan of de bodem op een locatie mogelijk verdacht is. Een locatie is verdacht als er aanwijzingen zijn dat er in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden (puntbronnen) of als er sprake is van achtergrondconcentraties die hoger zijn dan het bodemgebruik toestaat.

 

Bij puntbronnen kan gedacht worden aan (voormalige) bedrijfsactiviteiten, ondergrondse brandstoftanks en sloop van asbesthoudende bouwwerken.

 

Is de locatie verdacht, dan dient een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 te worden uitgevoerd en zonodig een nader onderzoek conform NTA 5755 om vast te stellen of er sprake is van een ernstig geval en of er sprake is van een verontreiniging die met spoed gesaneerd dient te worden.

 
Besluit bodemkwaliteit

Het Besluit bodemkwaliteit stelt onder andere regels voor grondverzet voor grond die geen risico's vormt voor de gebruiker. In de Regeling bodemkwaliteit zijn richtwaarden (kwaliteitsklassen) opgenomen voor verschillende gebruiksfuncties, die zijn gerelateerd aan bodemgebruik. Doel van de regels is om de bodemkwaliteit en bodemfunctie via grondverzet met elkaar in overeenstemming te brengen. Hulpmiddel hiervoor zijn de bodemkwaliteitskaarten zoals die zijn opgenomen in de regionale Nota bodembeheer.

 

De bodemfunctiekaart is verdeeld in zones waarvan het huidige en toekomstige gebruik is weergegeven. De bodemfuncties zijn "Industrie", "Wonen" en "Overig". De bodemfuncties bepalen de toepasbaarheid van grond, omdat de functie is gekoppeld aan een kwaliteitsklasse.

 

De ontgravingskaart geeft de aanwezige bodemkwaliteit aan via zones van bodemkwaliteitsklassen "Industrie", "Wonen" en "Overig".

De toepassingskaart geeft aan aan welke bodemkwaliteitsklasse toe te passen grond moet voldoen. Grond die voldoet aan de achtergrondwaarde is altijd toepasbaar. Grond verontreinigd tot boven de (lokale) maximale waarde is niet toepasbaar in de desbetreffende zone en moet elders worden toegepast of verwerkt. De overige grond moet bij toepassing voldoen aan de (lokale) maximale waarde en aan de bodemfunctie van de toepassingslocatie.

 
Provinciale milieuverordening

Gebieden met aardkundige waarden dienen planologisch te worden beschermd. Dit is vastgelegd in de Provinciale milieuverordening. In de praktijk betekent dit dat alleen grond mag worden toegepast die voldoet aan de bodemchemische normen en die bodemfysisch vergelijkbaar is met de in het toepassingsgebied voorkomende grondsoort. De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn voor de (toekomstige) functie en mag in principe niet verslechteren door grondverzet.

 
Relevantie plangebied

Ter plaatse van het terrein van de voormalige kwekerij is het gehele terrein asbestverdacht. Voordat de opstallen gesloopt kunnen worden dient door middel van destructief onderzoek de niet geinventariseerde en asbestverdachte locaties nader te worden onderzocht. De asbesthoudende materialen dienen voorafgaand aan sloop van de opstallen te worden verwijderd door een op basis van SC-530 gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. Er is sprake van  een ernstige bodemverontreiniging en er is een niet spoedeisende saneringsnoodzaak aanwezig. Er bestaan geen risico’s voor de volksgezondheid, maar de gronden dienen gesaneerd te worden voor de functie wonen (zie Bijlage 3 bodemonderzoek H12-042-O van 19 februari 2013).

 

Op de voormalige gemeentewerf hebben in het verleden op verschillende onderdelen van het terrein, diverse onderzoeken plaatsgevonden. Over het algemeen zijn er lichte verontreinigingen aangetroffen die geen risico vormen voor de volksgezondheid en die ook niet verder onderzocht hoeven te worden (zie Bijlage 4 bodemonderzoek 15HB0338 van 16 oktober 2015). Bij de locatie van enkele verwijderde ondergrondse tanks zal nog nader onderzoek worden uitgevoerd naar verontreiniging. Nog resterende tanks zullen verwijderd moeten worden inclusief de verontreinigde grond rond de tanks. Tevens wordt nader onderzoek gedaan naar de samenstelling van het aanwezige asfalt. Na de sloop van alle aanwezige opstallen dient een asbest-in-grond onderzoek te worden uitgevoerd.

 

7.2 Water

 

Beleidsdoelen water

Het doel van waterbeheer in Nederland bestaat van oudsher uit het beschermen tegen overstromingen en het ontwateren van laaggelegen gebieden. Door de klimaatverandering is nieuw beleid gemaakt voor deze taken van veiligheid en peilbeheer. Dit vereist mogelijk ruimte vanwege de versterking en verbreding van dijken en waterkerende werken of voor extra waterberging. Een ander doel betreft het zorgen voor schoon en gezond water. Voor schoon water is een goed functionerend watersysteem vereist met voldoende volume en doorstroming. Een ecologische oeverinrichting is wenselijk, maar legt beslag op de ruimte.

 

Grondwater wordt volop benut voor de productie van drinkwater. De laatste jaren ontwikkelt het grondwater zich tot een bron en/of opslagmedium voor warmte. Dit vormt een bijdrage aan de beperking van het gebruik van fossiele brandstoffen. Efficiëntie van benutting is een van de redenen voor ruimtelijke ordening van de ondergrond.

 
Wettelijk kader

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Voor de organisatie van het waterbeheer bevat het Waterbesluit de toedeling van oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het Rijk en regels over het verstrekken van informatie met betrekking tot het waterbeheer. Ook regelt het Waterbesluit procedurele en inhoudelijke aspecten van het nationale waterplan en het beheerplan voor de rijkswateren en enkele inhoudelijke aspecten van de plannen in verband met implementatie van de kaderrichtlijn water en de richtlijn overstromingsrisico's. Voorts bevat het besluit bepalingen over de wijze waarop de aanvraag om een watervergunning wordt gedaan, waaronder de gevallen waarin een elektronische aanvraag wordt ingediend.

De Waterregeling bevat regels over de organisatie van het waterbeheer, een aantal kaarten over de toedeling van beheer, de begrenzing van oppervlaktewaterlichamen en de aanwijzing van de drogere oevergebieden, alsmede regels voor gegevensverstrekking aan het Rijk op grond van Europese verplichtingen. Verder regelt de Waterregeling een enkel inhoudelijk aspect van het regionaal waterplan en de beheerplannen.

 

In de Waterwet is gekozen voor een systeem waarin iedere bestuurslaag haar beleid formuleert en dit vastlegt in plannen. De plannen geven aan wat iedere bestuurslaag wil doen in een bepaalde planperiode om de doelstellingen van het waterbeheer te halen. Deze plannen zijn bindend voor de eigen bestuurslaag. De Waterwet sluit op dit punt zoveel mogelijk aan bij de sturingsvisie van de Wet ruimtelijke ordening.

 

Naast de zorg voor het inzamelen van het water uit de afvalwaterketen, ligt vanaf 2008 vanuit de Waterwet de rol bij de gemeenten om de grondwaterzorgtaak locatiespecifiek in te vullen. Om te bepalen in hoeverre een gemeente invulling geeft aan de zorgtaak, is een basisniveau voor de dienstverlening bepaald. Het basisniveau voorziet in de invulling van de huidige, wettelijke verantwoordelijkheden en het maakt effectief gebruik van de huidige, reeds ontwikkelde praktijk van gemeenten in de omgang met grondwater.

 

Vanuit de Wet milieubeheer zijn gemeenten verplicht een actueel verbreed gemeentelijk rioleringsplan (VGRP) te hebben. Verbreed heeft betrekking op de verbrede zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Om water integraal onderdeel te laten uitmaken van de ruimtelijke planning, is het nodig dat de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven in ruimtelijke plannen worden uitgewerkt. Om dit effectief te kunnen doen, wordt in het planstelsel van de Waterwet een koppeling gelegd met het planstelsel van de Wet ruimtelijke ordening. Dit wil zeggen dat de waterplannen op Rijksniveau en op provinciaal niveau ook ruimtelijke plannen (structuurvisies) zijn op basis van de Wet ruimtelijke ordening.

 

Naast de gemeentelijke rol binnen de watertaken hebben we ook te maken met het Hoogheemraadschap van Rijnland; zij is primair verantwoordelijk voor de veiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. Om dit te borgen dienen ontwikkelingen en veranderingen die direct of indirect gevolgen hebben voor het water te worden getoetst of worden vergund door het waterschap.

 

 

Stedelijk Waterplan

Om de samenwerking tussen de gemeente en het waterschap te borgen is het Waterplan Aalsmeer opgesteld. Deze heeft betrekking op de periode 2008-2015. In 2011 hebben de gemeente en Rijnland de maatregelen uit het plan opnieuw bekeken en beoordeeld op nut en noodzaak. Hierbij zijn maatregelen bepaald die vóór eind 2015 worden uitgevoerd. Het belangrijkste doel is de samenwerking en afstemming van plannen en ontwikkelingen. Dit heeft geresulteerd in gezamenlijke maatregelen voor het oplossen van knelpunten in het watersysteem, het benutten van kansen voor de Kaderrichtlijn Water, aanpak van blauwalg, baggeren en het verbeteren van de afvalwaterketen.

 

Gemeentelijk rioleringsplan Aalsmeer 2015-2020

De gemeente stelt zich tot doel om tot een doelmatige invulling van de zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater te komen. Aan de rioleringszorg liggen vijf hoofddoelen ten grondslag. Dit zijn: duurzame bescherming volksgezondheid, voorkomen van wateroverlast, duurzame bescherming van natuur en milieu, voorkomen van hinder en toekomstgerichte (afval)waterketen en grondwatersysteem.

 

De belangrijkste wettelijke verplichtingen en bevoegdheden van gemeenten op het gebied van de afvalwaterketen en de grondwaterzorgplicht kunnen als volgt worden samengevat:

 

 

 

Relevantie plangebied

Er dient voldoende water gecompenseerd te worden om te voldoen aan de Keur van Rijnland. Er zal in overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland bepaald moeten worden hoeveel water gecompenseerd moet worden.

 

In de huidige situatie is circa 16926 m2 verhard in de nieuwe situatie neemt dit af met 464 m2. Een bestaande sloot wordt gedempt en een andere sloot verbreed (uitgegraven) waardoor het water met 9 m2 toeneemt (zie voor tekening watercompensatie Bijlage 2)

 

Voor het dempen van de sloot zal een watervergunning worden aangevraagd.

 

 

7.3 Geluid

 

Beleidskader

In het algemeen maakt een bestemmingsplan de aanwezigheid van geluidproducerende bronnen, zoals industrie en wegverkeer, ruimtelijk mogelijk. Ook worden bestemmingen mogelijk gemaakt die een zekere mate van rust behoeven, zoals woningen en ziekenhuizen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag voor spoor- en wegverkeerslawaai en gezoneerde industrieterreinen in de Wet geluidhinder en voor vliegverkeerlawaai in de Wet luchtvaart en het bijbehorende Luchthavenindelingbesluit. Daarnaast vindt de beoordeling van geluid zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat.

 

In de Wet geluidhinder zijn voorkeursgrenswaarden vastgesteld. Als daar niet aan voldaan kan worden, is het in bepaalde situaties mogelijk om zogenoemde hogere waarden vast te stellen.

 

Industrie algemeen

Voor de kleinere bedrijfsterreinen waarvoor zonering niet verplicht is, geven de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (VROM 1998) en de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', richtlijnen over de wijze waarop met het aspect geluid in bestemmingsplannen moet worden omgegaan. De Handreiking geeft onder meer, ter voorkoming van geluidshinder bij geluidsgevoelige bestemmingen, streefwaarden.

Voor de grote industrieterreinen, spoor- en verkeerswegen is in de Wet geluidhinder (Wgh) een wettelijk kader ontwikkeld voor geluidzonering gekoppeld aan een systeem van grenswaarden.

Wegverkeer

Tijdens de voorbereiding van een bestemmingsplan moet inzicht worden gegeven in de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen die gesitueerd worden binnen de zone van een weg. In geval sprake is van aanleg van een nieuwe weg zal ook de geluidsbelasting veroorzaakt door verkeer op de nieuwe weg op de bestaande geluidgevoelige bestemmingen in beeld moeten worden gebracht.

 

Luchtverkeer

Bij de ingebruikname van de vijfde baan van Schiphol (Polderbaan) op 20 februari 2003 is het Luchthavenindelingbesluit (Lib) in werking getreden. Hiermee zijn nieuwe beperkingen gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven. Naast het luchthavengebied is een beperkingengebied aangegeven. In het beperkingengebied zijn een aantal deelgebieden onderscheiden, waarvoor verschillende regels gelden. Het gaat om o.a. een geluidssloopzone en een beperkingen geluidszone. Deze bepalingen moeten in de bestemmingsplannen worden verwerkt. Het Lib heeft geen consequenties voor dit plangebied.

 
Relevantie plangebied

Op 8 maart 2016 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door M+P (rapport M+P.GAL.16.01.1, zie Bijlage 5) waarbij wegverkeer is onderzocht, luchtvaartlawaai en industrielawaai (brandweer).

Uit de rekenresultaten blijkt dat er een ontheffing hogere grenswaarde noodzakelijk is voor de woningen die parallel aan de Burgemeester Kasteleinweg zijn gelegen (26 woningen) tot maximaal 51 dB, zie Bijlage 6. Ook zal er maatwerkvoorschriften opgesteld moeten worden in verband met de sirenes van de brandweer. Dit traject loopt separaat.

 

 

7.4 Luchtkwaliteit

 

Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (zoals wijzigingen van een bestemmingsplan) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering:

 

Vanaf 1 augustus 2009 is het NSL in werking getreden. In het NSL zijn alle maatregelen opgenomen die de luchtkwaliteit moeten verbeteren en tevens zijn ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Overheden zijn gehouden de in het NSL opgenomen maatregelen uit te voeren en kunnen het NSL gebruiken als onderbouwing bij plannen voor de NSL-projecten. Met het NSL laat de Nederlandse overheid zien hoe zij aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit gaat voldoen.

 
Grenswaarden

Voor de beoordeling van de situatie in de omgeving van het plan zijn met name de volgende grenswaarden uit de Wet milieubeheer relevant:

 
Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)

Met het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' - zoals een school of kinderopvang - in de nabijheid van provinciale wegen (binnen 50 meter) en rijkswegen (binnen 300 meter) beperkt. Dat geldt voor nieuwe situaties en bestaande situaties die worden uitgebreid, waarbij sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarden voor NO2 of PM10. Binnen dit bestemmingsplan bevinden zich geen gevoelige bestemmingen.

 
Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen (luchtkwaliteitseisen) is vastgelegd wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM als het niet meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor NO2 en PM10 bijdraagt; concreet betekent dit een bijdrage van maximaal 1,2 µg/m3. Met name NO2 en PM10 zorgen in Nederland nog voor overschrijdingen van grenswaarden, vandaar dat deze grens is gekozen.

In de Regeling NIBM is een aantal categorieën met maximale groottes aangewezen die NIBM zijn, waaronder woningbouw, kantoren en bepaalde inrichtingen. Als een project binnen de grenzen van deze Regeling valt, is verdere toetsing aan de grenswaarden niet nodig.

 

Relevantie plangebied

De ontwikkeling van voorgestelde woningbouwlocatie is ingevolge de “Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ aangewezen als een categorie die niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een luchtkwaliteitonderzoek is daarom niet nodig. Bovendien laat het zogenoemde monitoringstool prognoses zien voor 2015 en 2020, waaruit blijkt dat ter plaatse voldaan wordt aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof.

 

7.5 Externe veiligheid

 

Bij externe veiligheid gaat het om de risico's die derden lopen als gevolg van bepaalde activiteiten. In Aalsmeer gaat het met name om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen.

 

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen in de omgeving van het bedrijf. Het gaat daarbij onder meer om bedrijven die vallen onder het BRZO (Besluit Risico's Zware Ongevallen), LPG-tankstations en opslagplaatsen met gevaarlijke stoffen.

 
Belangrijke begrippen in het kader van externe veiligheid zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is in het Bevi gedefinieerd als het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

 

Het groepsrisico is gedefinieerd als de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

 

Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare.

 

Het Bevi bevat eisen voor het plaatsgebonden risico en regels voor het groepsrisico. Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties. Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming.

 
Besluit externe veiligheid transportroutes

Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen inwerking getreden. Deze wet vervangt de Circulaire risconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het doel van Basisnet is om gevaarlijke stoffen te kunnen vervoeren tussen de belangrijkste industriële plaatsen in Nederland en in het buitenland en de risico's voor omwonenden langs de routes binnen de wettelijke grenzen te houden. Het systeem Basisnet heeft betrekking op de vervoer van gevaarlijke stoffen over grote vaarwegen, spoorwegen en autowegen.

 
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.

 
Relevantie plangebied

Er zijn geen BEVI-inrichtingen en geen buisleidingen in de omgeving van de bouwlocatie aanwezig en ook vinden er na het afwaarderen van de Burg. Kasteleinweg slechts incidenteel transporten van gevaarlijke stoffen plaats. Externe veiligheid is daarom in dit geval niet relevant.

 

7.6 Flora en fauna

Op 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Doel van deze wet is de bescherming van de dier- en plantensoorten in Nederland. Tegelijkertijd vormt deze wet de implementatie van Europeesrechtelijke en internationale verplichtingen (Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern).

 

De wet kent een verbod op het aantasten of verstoren van zowel extra beschermde als overige soorten, alsmede het aantasten of verstoren van de nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen, behoudens verlening van ontheffing door de minister van EZ. Beschermde soorten zijn onder meer alle amfibieën, reptielen, vleermuizen en vrijwel alle vogels.

 
Relevantie plangebied

In 2015 is er een quick scan Flora- en Faunawet uitgevoerd (zie Bijlage 7 Quickscan Ecologie AMNA1505 datum 19 mei 2015). Vervolgens is, ook in 2015, aanvullend onderzoek verricht naar de beschermde vaatplanten, broedvogels, ringslangen, rugstreeppadden en vleermuizen. Binnen het projectgebied is de middels tabel 2 van de Flora en Faunawet beschermde tongvaren aangetroffen. Deze varens zijn inmiddels door een deskundige uitgegraven en naar een veilige groeiplaats overgebracht. Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten, geen ringslangen en geen rugstreeppadden aangetroffen. Ook zijn er geen vleermuisverblijfplaatsen. Er is wel een foerageerzone van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Er zijn in de directe omgeving voldoende alternatieve foerageerzones aanwezig.

 

 

7.7 Duurzaam bouwen en energie

De gemeente Aalsmeer wil een duurzame gemeente worden en zich duurzaam ontwikkelen en heeft daarom het Uitvoeringsprogramma Aalsmeer Duurzaam 2012-2015 opgesteld. Dit programma bevat onder andere concrete acties op de domeinen huishoudens, utiliteit en bedrijven, hernieuwbare energie, duurzame mobiliteit, afval, natuur en water. Aangezien voorliggend plan voornamelijk conserverend van aard is, zijn grote delen van het uitvoeringsprogramma niet aan de orde. Echter, bijvoorbeeld het "energiek renoveren van bestaande koopwoningen", één van de acties in het programma, is bij uitstek van toepassing op een conserverend bestemmingsplan. Dit geldt ook voor een instrument als de duurzaamheidslening.

 

Windenergie

Het Uitvoeringsprogramma Aalsmeer Duurzaam 2012-2015 stelt dat grote windturbines in Aalsmeer niet mogelijk zijn vanwege Schiphol. Het LIB legt immers hoogtebeperkingen op. Kleine windturbines zijn echter wel mogelijk, bijvoorbeeld in de nokken van daken.

 

Bodemenergie en energieopslag

Bodemenergie maakt gebruik van de energie (temperatuur) van grondwater. Via een warmtewisselaar wordt energie aan het grondwater onttrokken of toegevoegd.

In een "gesloten systeem" wordt geen grondwater opgepompt. Er wordt een gesloten buis in de bodem aangebracht, waardoor koelvloeistof wordt verpompt. Deze systemen worden ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd. De systemen zijn relatief compact, geschikt voor kleine vermogens en relatief eenvoudig te installeren. Ze zijn daarom geschikt voor eengezinswoningen. Bij grotere energievraag kunnen meerdere buizen aan elkaar worden gekoppeld. Bij "open bodemenergiesystemen" wordt grondwater verpompt. Via een warmtewisselaar wordt energie aan het grondwater onttrokken in de vorm van warmte. De warmte wordt afgegeven aan een gebouw. Het afgekoelde grondwater wordt terug in de bodem gepompt. In de zomer kan een gebouw met koude worden gekoeld. Het afgekoelde of opgewarmde grondwater wordt teruggepompt. De warmte en koude wordt opgeslagen voor gebruik in het volgende seizoen. Dit wordt ook warmtekoudeopslag (WKO) of KWO genoemd.

 

Wanneer gesloten systemen te dicht opeen staan, daalt het rendement. Bij open systemen moeten de warme en koude zones gescheiden blijven. Bij een toenemend gebruik van deze technieken wordt optimaal benutten van de ondergrond een kwestie van passen en meten.

 

Het onderhavige bestemmingsplan is conserverend van aard. Er worden binnen de planperiode geen ingrijpende structuur- en bestemmingswijzigingen verwacht. De verwachting is niet dat het gebruik van bodemenergie binnen 10 jaar substantieel onderdeel van de energiemix zal worden. Er is daarom vooralsnog geen reden om in het plangebied regels op te stellen om de bodemenergie beter te sturen.

 

 

Relevantie plangebied

Voor het project wordt de GPR-gebouw ingevuld. Gemeente en ontwikkelaar streven in gezamenlijk overleg naar een haalbaar GPR-gebouw niveau. Voor het thema milieu wordt een ambitieniveau van 8 nagestreefd. Voor het thema energie wordt eveneens een ambitieniveau van 8 nagestreefd. Indien het ambitieniveau niet haalbaar blijkt, mag mits beargumenteerd worden afgeweken. Ondergrens is het gestelde EPC niveau zoals is gesteld in het vigerende Bouwbesluit 2012.

Overige aspecten van GPR-gebouw worden ook ingevuld, hiervoor geldt geen ondergrens. Omdat de GPR-score ook voor toekomstige bewoners inzicht in de kwaliteit van de woningen geeft is een goede score op overige aspecten wel aan te bevelen. De ingevulde GPR-gebouw wordt bij de bouwaanvraag meegestuurd.

 

Overige aspecten duurzaamheid: