NL.IMRO.0363.K1608BPSTD-OW01 bestemmingsplan Citroëngebouwen Stadionplein gemeentelijke overheid 0363 2017-11-29 PRPT2012
Citroëngebouwen Stadionplein    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

1.1 Aanleiding     

In december 2014 zijn de Citroëngebouwen van eigenaar overgegaan. Uitgangspunt bij de verkoop van de panden op Stadionplein nummers 22 en 26-30 was het destijds vigerende bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. (zie verder paragraaf 4.4.9). Hierin werd naast een groot aantal nieuwe gebruiksmogelijkheden, ook het (gedeeltelijke) gebruik van de beide gebouwen als kantoor geboden. Op basis van dit uitgangspunt heeft de nieuwe eigenaar, Bouwinvest Office Fund, plannen voor beide Citroëngebouwen ontwikkeld. Zie hiervoor tevens Hoofdstuk 3 Planbeschrijving.

De plannen voorzien in afwijkingen van het destijds vigerende bestemmingsplan, maar bleven wel in de visie die het stadsdeel op dit gebied heeft (zie tevens Hoofdstuk 4 Beleidskader. De afwijkingen zijn op zichzelf beschouwd ruimtelijk in te passen, wat dan ook heeft geleid tot het verlenen van de hiervoor benodigde omgevingsvergunningen. Naar aanleiding van de omgevingsvergunningen heeft een herbeoordeling van het planologisch totaalbeeld plaatsgevonden. Het vergunde gebruik en het gebruik zoals dat reeds was toegestaan in het vigerende bestemmingsplan, voor zover dat past in het planologisch totaalbeeld, zijn geconsolideerd in dit voorliggende bestemmingsplan.

1.2 Ligging en grenzen plangebied     

Dit bestemmingsplanheeft betrekking op de kadastrale percelen van de Citroëngebouwen en een deel van direct aanliggende openbaar gebied.

In het bestemmingsplan wordt een onderscheid gemaakt tussen de twee Citroëngebouwen: het Noordgebouw en het Zuidgebouw. Het Noordgebouw is het Rijksmonument (geregistreerd onder nummer 532200) op het adres Stadionplein 22-22a, kadastraal bekend als gemeente Amsterdam, sectie AC nr. 960. Het Zuidgebouw is het gebouw op het adres Stadionplein 26-30, kadastraal bekend als gemeente Amsterdam, sectie AC nr. 815.

verplicht

Het plangebied is gelegen in de Stadionbuurt, onderdeel van het gebied Oud-Zuid van stadsdeel Zuid. In de directe omgeving bevinden zich het Rijksmonument Olympisch Stadion, het Stadionplein, het woongebied Olympisch Kwartier Noord, de Sportas (sportvoorzieningen langs de as Vondelpark - Wagener Stadion Amstelveen) en het Schinkelkanaal. Ten oosten van de Citroëngebouwen loopt de Amstelveenseweg en zuidelijker gelegen bevindt zich de A10 ringweg Zuid.

1.3 Leeswijzer     

In de volgende hoofdstukken staat een beschrijving van zowel de huidige situatie (hoofdstuk 2) als de vergunde situatie (hoofdstuk 3) centraal. In het vierde hoofdstuk worden de voor deze ontwikkeling relevante beleidskaders besproken en wordt de ontwikkeling daaraan getoetst. In het vijfde hoofdstuk wordt aangegeven wat de gevolgen zijn van de ontwikkeling op het gebied van milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 6 volgt een beknopte omschrijving van de opzet van het bestemmingsplan en wordt een toelichting gegeven op de artikelen. In het laatste hoofdstuk staat uitvoerbaarheid centraal, waarbij ingegaan wordt op financiële uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied     

2.1 Stadionplein en omgeving     

Het Stadionplein speelt een belangrijke rol in het Plan Zuid van Berlage. Plan Zuid strekte oorspronkelijk uit tot aan de Ringspoorbaan, maar werd niet volledig tot uitvoering gebracht. Tot aan het Zuider-Amstelkanaal is er in grote lijnen naar het ontwerp van Berlage gebouwd. Eind jaren twintig werd de invulling van het plan overgenomen door de Afdeling Stadsontwikkeling van de Dienst der Publieke Werken. De Olympische Spelen van 1928 vroegen om de bouw van een groter stadion en het onvoltooide Uitbreidingsplan Zuid bood hiertoe ruimte. In eerste instantie was het nieuwe stadion op de plaats van het bestaande stadion voorzien, maar uiteindelijk is er voor de huidige locatie aan de westzijde van de Amstelveenseweg gekozen. Na de Spelen is het stadion van Elte afgebroken om plaats te maken voor de woningbouw tussen de Stadionweg, het Stadionplein, en de Van Tuyll van Serooskerkenweg.

verplicht

Uitsnede van kaart Plan Zuid van Berlage

Als architect voor het nieuw te bouwen stadion werd Jan Wils aangetrokken. Cornelis van Eesteren, destijds in dienst van Wils, was verantwoordelijk voor de stedenbouwkundige inpassing van het stadion in het plan van Berlage en werkte mee aan het ontwerp van het gebouw. Het stadion bestond oorspronkelijk uit een ovaalvormig speelveld omringd door een enkele tribune. De Marathontoren naast het stadion was bedoeld voor het Olympisch vuur. Op het omliggende plein stonden twee voorgebouwen met sportzalen, het zuidelijke was bestemd voor schermen en het noordelijke voor krachtsporten, en enkele dienstgebouwen. In 1937 is het stadion nog naar ontwerp van Wils uitgebreid met een nieuwe tribunering, maar bij de restauratie aan het einde van de jaren negentig is het stadion in grote lijnen teruggebracht naar de toestand van 1928. De voorgebouwen werden al eerder afgebroken om plaats te maken voor de Citroëngarages, de zuidelijke uit 1931 en de noordelijke uit 1962. Beide garages werden ook door Jan Wils ontworpen. De zuidelijke garage is tussen 1970 en 1972 gedeeltelijk vernieuwd om als showroom dienst te kunnen doen. Dit gebeurde naar ontwerp van architect Herman de Bruin, die het gebouw in vorm grotendeels gelijk heeft gehouden aan dat van Wils.

verplicht

Detail kaart Dienst der Publieke Werken uit 1936 De stedenbouwkundige situering van het Olympisch Stadion is hier goed zichtbaar. Op de plaats van het oude stadion is reeds woningbouw gerealiseerd en ook de zuidelijke Citroëngarage is herkenbaar. Ten noorden van het stadion zijn nog sportvelden gelegen.

Ten oosten van het plangebied zijn op het Stadionplein twee bouwblokken gerealiseerd, op het terrein dat decennialang dienst deed als extensief ingericht parkeerterrein. Uitgangspunten voor deze twee bouwblokken was het voortzetten van het stedenbouwkundig beeld en het uitvoering geven aan het gebied als entree tot Zuid, waarbij het karakter van het Stadionplein als metropolitane plek wordt versterkt.

2.2 Noordgebouw     

Het noordelijke Citroëngebouw (of Citroëngarage) uit 1959-62 is gebouwd op de plek van het noordelijke voorgebouw van het Olympisch Stadion en vormt het sluitstuk van een gebied waarin alle gebouwen en artefacten zijn ontworpen door architect Jan Wils (1891-1972). De kassa's die oorspronkelijk in het gebouw waren opgenomen, zorgen voor een concrete relatie met het sportcomplex. Samen met het zuidelijke Citroëngebouw geeft het bovendien uitdrukking aan de decennialange aanwezigheid van het automobielbedrijf Citroën in dit gebied.

Het gebouw, op rechthoekige grondslag, telt drie bouwlagen met daaronder een kelder en daarboven een parkeerdek. Aan de noordzijde zijn op het dak een kantine, technische ruimten en een autolift gebouwd. Op de zuidwesthoek bevindt zich een kleine opbouw voor het trappenhuis met spiltrap, die tot in de kelder doorloopt. De constructie is van gewapend beton, waardoor een enorme openheid en helderheid in plattegrond mogelijk was. Op de open door kolommen onderbroken verdiepingen - met grotendeels glazen gevels - waren functie-eenheden als kantoren, receptie, portiersloge, toiletgroepen, wasruimten, wachtkamers, showrooms, reparatiewerkplaatsen, spuiterij en andere (technische) ruimten ondergebracht. Deze waren in centrale 'eilanden' gesitueerd of in afzonderlijke ruimten langs de zuid- oost of noordgevel. Extern waren deze eenheden ook als zodanig te onderscheiden.

Met uitzondering van de kelder die bijna in zijn geheel was ingericht als magazijn, waren de open ruimten bestemd voor auto's; elke verdieping oorspronkelijk voor een bepaald model of type. De verdiepingen zijn met elkaar verbonden middels hellingbanen, die vanaf de hoofdingang op de zuidoosthoek afbuigen naar de begane grond, de verdiepingen (via de zuidzijde naar de eerste verdieping en daarna aan de westzijde naar de tweede verdieping) en naar de kelder (in noordelijke richting achter langs de kantoren en showrooms aan de oostzijde). Het parkeerdek is voor auto's via de autolift te bereiken. Behalve het trappenhuis op de zuidwesthoek, zijn er nog enkele secundaire verkeersruimten in de vorm van trappenhuizen met steektrappen en een personenlift aanwezig, centraal in het gebouw en aan de oostzijde.

Vanwege de belangrijke cultuurhistorische waarde die het gebouw vertegenwoordigd, is het in 2014 aangewezen als Rijksmonument.

Het rijksmonument is -afgezien van enkele wijzigingen- nog in een bijzonder gave staat. Het gebouw is het laatste in een reeks van vijf gebouwen die Jan Wils in meer dan 40 jaar realiseerde met als hoogtepunt het Olympsich Stadion uit 1928. Het oorspronkelijk ontwerp bestaat uit een zorgvuldige en ingetogen compositie van plint, hoofdvolume en opbouw, elk met een eigen articulatie. Een ingrijpende verandering van het oorspronkelijk ontwerp zijn de kleurstelling en materialisatie van de gevels het gebouw. Het gebouw is binnen en buiten van kleur veranderd. In 1988 is het Citroëngebouw volledig wit afgewerkt.

verplicht

Een oude opname van het Noordgebouw van Citroën, vanuit het Olympisch Stadion. Bron: Rijksdienst voor het cultureel erfgoed

2.3 Zuidgebouw     

Het zuidelijke gebouw (Stadionplein 26-30) dat in 1931 werd opgeleverd, heeft een bruto vloeroppervlakte van 6.206 m². Dit gebouw is geen monument omdat er is in de loop der jaren te veel verbouwd en aangepast aan het gebouw. Samen met het Olympisch Stadion vormen de twee gebouwen een stedenbouwkundig ensemble.

De gemeente Amsterdam verleende haar goedkeuring aan het voornemen van Citroën zich te vestigen op het Stadionplein, maar stelde, uit vrees dat het bedrijfsgebouw het hiervoor beschreven karakter van Amsterdam-Zuid zou aantasten, als voorwaarde dat het door de architect van het Olympisch Stadion, Jan Wils, ontworpen zou worden. Jan Wils (voormalige leerling van Berlage) sluit met het ontwerp van het Olympisch stadion en het Zuidgebouw aan op het stedenbouwkundige plan van Berlage. Het Zuidgebouw kreeg een duidelijke hoge rug aan het voormalige Stadionplein en onderscheidt zich in architectuur en detaillering op de hoek van dit plein. Wils koos zowel bij het stadion als het Zuidgebouw voor het materiaal baksteen, zodat het gebouw aansloot bij het eenduidige beeld dat Berlage met zijn masterplan voor ogen had.

Het ontwerp kwam in 1930 gereed en voorzag in een showroom, een 'quick service' en kantoren op de begane grond en een werkplaats op de eerste verdieping, die toegankelijk was door middel van een hellende oprit. Geheel naar wens van de gemeente streefde Wils naar een evenwichtige wisselwerking tussen het bedrijfsgebouw en het Olympisch Stadion. Door het betonskelet bezit het gebouw grote raampartijen en heeft het een flexibele indeling, terwijl het in stijl nog steeds volkomen aansluit bij het er naast gelegen stadion. Het gebouw heeft vier bouwlagen en was uitgevoerd in een okergele verblendsteen.

In de jaren '70 van de 20ste eeuw werd het gebouw gerenoveerd. Tegenwoordig is het witgeschilderd, zoals het Noordgebouw Het gebruik bestond uit 1.291 m² bvo showroom, 1.487 m2 bvo autobedrijf, 3.064 m2 bvo kantoor en twee dienstwoningen van 200 m² bvo in totaal.

verplicht

Een oude opname van het Zuidgebouw van Citroën, vanuit het Olympisch Stadion. Bron: Rijksdienst voor het cultureel erfgoed

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving     

3.1 Herontwikkeling Noordgebouw     

Vanwege de omstandigheid dat het Noordgebouw een Rijksmonument is, bestaat de herontwikkeling van het Noordgebouw hoofdzakelijk uit interne verbouwingen, kleinschalige verbouwingen aan de buitenzijde en een uitbreiding van volume op het dak. Het gebouw transformeert van een extensief gebruikt bedrijfsgebouw naar een multifunctioneel gebouw t.b.v. kantoren en horeca. De horecafuncties zijn zowel in de kelder, de begane grond/ beletage als op de tussenverdieping gelegen. Voor overige deel van het multifunctionele pand wordt het gebruik t.b.v. de kantoorfunctie en (fiets) parkeergelegenheid voor in totaal 29 parkeerplaatsen voorgestaan. De omgevingsvergunning voor de verbouwing van het Noordgebouw voorzag in een uitbreiding van de bruto inhoud van het gebouw van 65.200 m3 vergroot naar circa 67.700 m3. De uitbreiding komt voornamelijk door het vergroten van vierde bouwlaag. Het programma uit de omgevingsvergunning bestaat uit 1.513 m2 bvo horeca, 10.481 m2 bvo kantoor, 1.605 m2 bvo gemeenschappelijke ruimten en 1.872 m2 bvo aan overige ruimten zoals technische ruimte en (fiets)parkeergelegenheid. Het onderhavig bestemmingsplan voorziet in een positieve bestemming van deze oppervlakten.

verplicht

Impressie Noordgebouw zuidgevel. Bron: http://www.theolympic.amsterdam/page/the-olympic-1962

De belangrijkste van buiten waarneembare wijzigingen betreffen het dichtbouwen van de overbouwing ter hoogte van de entree in de zuidoosthoek van het gebouw en het 'openen' van de oostgevel met grotere raampartijen en toegangen (te zien in bovenstaande afbeelding). De uitbreiding van de vierde bouwlaag (impressie in afbeelding hieronder) is minder waarneembaar vanaf de straatzijde, waardoor de ruimtelijke impact van deze uitbreiding klein blijft.

verplicht

Impressie inrichting. Bron: http://www.theolympic.amsterdam/page/the-olympic-1962

Bij de interne verbouwingen wordt gebruik gemaakt van de unieke indeling die de voormalige garage heeft. De aanwezige hellingbaan blijft behouden en wordt in gebruik genomen als verblijfsruimte. Hiermee worden enerzijds de karakteristieke kenmerken van het gebouw behouden, maar wordt de ruimte ook optimaal benut.

3.2 Herontwikkeling Zuidgebouw     

Het Zuidgebouw is geen rijksmonument, maar heeft wel een cultuurhistorische waarde. Voor dit gebouw is gezocht naar een combinatie van het behoud van waardevolle karakteristieke kenmerken van het gebouw met nieuwbouw. Hiertoe was ook een noodzaak vanwege de bouwkundige staat van het gebouw: De begane grond vloer is niet gefundeerd en ongeschikt voor zijn nieuwe functie. Het constructieve stramien van dit gebouwdeel leent zich bovendien slecht voor een functie als parkeergarage. In het ontwerp is daarom gekozen voor vervangende nieuwbouw binnen de contour van het bestaande gebouw (zie onderstaande afbeelding). Dit maakt het mogelijk om een parkeerkelder te realiseren, het gebouw aan de Stadionzijde meer open te maken en uit te breiden met twee verdiepingen. De parkeergarage biedt ruimte voor 40 parkeerplaatsen, 70 fietsparkeerplaatsen en ruimte voor opslag.

In de plint van het zuidelijke gebouw komen publiekstoegankelijke functies, waaronder kleinschalige detailhandel, horeca en expositieruimte. De bovengelegen bouwlagen bieden ruimte voor kantoren en andere functies waaronder horeca. Aan de buitenzijde zullen de functies meer dan voorheen waarneembaar zijn. De entrees en ruimtes zijn duidelijk herkenbaar en hebben een open karakter. Vooral aan de westzijde(stadionzijde), waar altijd een gesloten gevel was, krijgt het gebouw meer interactie met openbare ruimte (zie onderstaande afbeeldingen).

Aan de noordzijde en oostzijde van het Zuidgebouw zullen de aanpassingen minder ingrijpend zijn, omdat deze in de bestaande situatie al een open aanzicht hebben. Desondanks wordt middels kleine aanpassingen een gebouw gerealiseerd dat meer dan ooit uitnodigt om erheen te gaan en te verblijven. Met name aan de zuidelijke kant van de oostgevel wordt door het realiseren van raampartijen de interactie van het gebouw met de Amstelveenseweg vergroot.

verplicht

Impressie noord- en zuidgebouw

Het gebouw kent een gevarieerde opbouw in hoogte en gevelaanzicht. Dit zorgt ervoor dat de ophogingen die in dit bestemmingsplan worden toegestaan (en eerder in de omgevingsvergunning zijn verleend) passen in het aanzicht en karakter van het gebouw. De uitbreiding van het gebouw, waarbij een derde bouwlaag wordt gerealiseerd over nagenoeg het gehele gebouw, zal terugliggen ten opzichte van de oostgevel van het gebouw. Het nieuwe volume valt daarmee niet direct in het oog en speelt mee in de ritmiek van het aanzicht van de oostgevel.Het nieuwe volume aan de westzijde van het gebouw wordt twee bouwlagen hoger dan het huidige gebouw. De nieuwe hoogte gaat meer de concurrentie aan met de openbare ruimte, die door het aansluiten bij de hoogte van het Olympisch Stadion meer een gesloten en intiemer karakter krijgt. Doordat de gevel aan de oostzijde een meer publiekstoegankelijk gebruik en daarmee open uitstraling krijgt, zal de openbare ruimte tussen het Zuidgebouw en Olympisch Stadion meer het karakter van een verblijfsgebied krijgen.

De huidige oppervlakte van circa 6.200 m² bvo wordt vergroot tot circa 10.124 m2 bvo. Het programma bevat in totaal:

  • Circa 900 m2 bvo aan horeca (categorie IV: lunchroom/restaurant, coffee corner) op zowel de begane grond en derde verdieping.
  • Circa 500 m2 bvo detailhandel op de begane grond aan de kant van het Stadionplein.
  • Circa 2.800 m2 bvo aaan multifunctionele ruimte (expositie/bijeenkomstfunctie) op zowel de begane grond als de eerste verdieping.
  • Circa 2.500 m2 bvo aan kantoor op de eerste en tweede verdieping.
  • Circa 1.925 m2 bvo aan overige, technische en gemeenschappelijke ruimten.
  • Circa 1.500 m2 bvo aan parkeer/stallings- en bergruimte.

Net als bij het Noordgebouw, geldt dat deze oppervlaktes die in de omgevingsvergunning waren opgenomen en via die weg zijn toegestaan, terugkomen in het bestemmingsplan.

3.3 Flexibiliteit     

Het bestemmingsplan voorziet in het planologisch verankeren van de verleende omgevingsvergunningen, zoals in de voorgaande paragrafen beschreven. Een voorwaarde voor het verlenen van medewerking aan de omgevingsvergunningen was dat de kantoorfunctie in het Zuidgebouw niet langer wordt toegestaan op de begane grond. Op deze manier kan de verruiming van het kantooroppervlak door de toevoeging van volume op het Zuidgebouw plaatsvinden, zonder dat het gebouw zich afzondert van de directe omgeving. Een gebouw waarbij ook de begane grond als kantoorruimte wordt benut, draagt weinig bij aan het open en aantrekkelijk maken van het gebied, zoals dit in de beleidskaders (zie hoofdstuk 4) wenselijk wordt geacht. Omdat het gebruik van de begane grond dan hoofdzakelijk zal bestaan uit functies die een publiekaantrekkende werking hebben, is meer flexibiliteit gewenst. Deze flexibiliteit wordt in het bestemmingsplan geboden door een aantal beperkingen uit het voorgaande bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. te verwijderen of anders vorm te geven.

Hoofdstuk 4 Beleidskader     

4.1 Rijksbeleid     

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)     

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie is aangegeven dat het Rijk drie hoofddoelen heeft:

  1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Uit deze drie hoofddoelen komen onderwerpen voort die van nationaal belang zijn. Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, worden daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf.

Het binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren combinatie van kantoren met horeca raakt geen nationale belangen die zijn genoemd in de Structuurvisie.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)     

Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van onderwerpen van nationaal belang, zoals Rijksvaarwegen, kustfundament, de Waddenzee, buisleidingen van nationaal belang en de Ecologische hoofdstructuur. Geen van de in het Barro geregelde onderwerpen zijn van toepassing op het voorliggende bestemmingsplangebied.

4.1.3 Besluit ruimtelijke ordening: duurzame verstedelijking     

Per 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) op enkele onderdelen gewijzigd. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is nu voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden.

Artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt:

“De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  1. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  2. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.”

De voorgaande systematiek is niet nieuw en werd voorheen de SER-ladder genoemd. Het Rijk adviseerde dit afwegingskader al op enkele beleidsterreinen zoals bij bedrijventerreinen. De SER-ladder is ook in enkele beleidsregels overgenomen. Nu wordt deze systematiek algemeen voorgeschreven bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen en deze wordt ook wel de 'ladder voor duurzame verstedelijking' genoemd. In de hierna volgende paragrafen alsmede uit de daarin (mede) aan de orde komende vastgestelde beleidskaders, is bovengenoemde onderbouwing opgenomen.

4.1.4 (ontwerp) Omgevingswet     

De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel verandert. De wet bundelt bijvoorbeeld 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Met de nieuwe Omgevingswet wil het kabinet:

  • de verschillende plannen voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur beter op elkaar afstemmen;
  • duurzame projecten (zoals windmolenparken) stimuleren;
  • gemeenten, provincies en waterschappen meer ruimte geven. Zo kunnen zij hun omgevingsbeleid afstemmen op hun eigen behoeften en doelstellingen.

Verder biedt de wet meer ruimte voor particuliere ideeën. Dit komt doordat er meer algemene regels gelden, in plaats van gedetailleerde vergunningen.

Er zal met de Omgevingswet niet meer gesproken worden over een "goede ruimtelijke ordening", maar is de overheid verantwoordelijk voor de "zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving". Deze horizonverbreding maakt het mogelijk om meerdere aspecten die behoren tot de leefomgeving te betrekken bij de overweging om medewerking te verlenen aan een initiatief, dan alleen de criteria van een goede ruimtelijke ordening.

verplicht

Schematische weergave werking Omgevingswet (bron: www.rijksoverheid.nl)

De Omgevingswet wordt verder uitgewerkt in vier besluiten: het Omgevingsbesluit, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. De Omgevingswet zal begin 2019 inwerking treden. Het bestemmingsplan zal vervangen worden door een omgevingsplan voor de gehele gemeente. Er zal een overgangstermijn worden opgenomen in de invoeringswet Omgevingswet, welke gemeentes tijd zal geven om de bestaande bestemmingsplannen te integreren in dat omgevingsplan. Op het moment dat dit bestemmingsplan inwerkingtreedt, is dit proces nog onvoldoende gevorderd om in het kader van dit bestemmingsplan er rekening mee te houden.

4.2 Provinciaal beleid     

4.2.1 Provinciale Structuurvisie en Provinciale Ruimtelijke Verordening     

Op 21 juni 2010 hebben provinciale staten de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) vastgesteld. In de Structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren. Op 3 november 2010 is de Provinciale Structuurvisie Noord-Holland 2040 in werking getreden. In de Structuurvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en aangegeven hoe zij deze visie denkt te realiseren.

Uitgangspunt is dat Noord-Holland aantrekkelijk moet blijven in wat het is: een diverse, internationaal concurrerende regio, in contact met het water en uitgaande van de kracht van het landschap. De provincie kiest daarbij voor hoogstedelijke milieus en beperkte uitleg van bedrijventerreinen en houdt het landelijk gebied open en dichtbij. Verder worden de waterkeringen versterkt en calamiteitenbergingen aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Door het landelijk gebied te ontwikkelen vanuit de kenmerken van Noord- Hollandse landschappen en de bodemfysieke kwaliteiten blijft de provincie bijzonder en aantrekkelijk om in te wonen, te werken en om te bezoeken.

In de structuurvisie worden drie hoofdbelangen benoemd:

  1. Klimaatbestendigheid: voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, voldoende en schoon drink-,grond- en oppervlaktewater en voldoende ruimte voor het opwekken van duurzame energie;
  2. Ruimtelijke kwaliteit: behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschappen, natuurlandschappen en groen om de stad;
  3. Duurzaam ruimtegebruik: milieukwaliteiten, behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting, voldoende en gedifferentieerde ruimte voor landbouw en visserij, economische activiteiten en voor recreatieve en toeristische voorzieningen.

Tegelijkertijd met de structuurvisie is de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) in werking getreden (november 2010). In februari 2014 is het PRVS opnieuw vastgesteld.

De Verordening bevat algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen. Met het inwerking treden van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening is het streekplan als beleidsdocument en de goedkeuringsvereiste voor gemeentelijke bestemmingsplannen komen te vervallen. Voor het streekplan is de structuurvisie in de plaats gekomen, echter deze is uitsluitend zelfbindend voor de provincie. Voor de doorwerking van het in de structuurvisie vastgelegde beleid naar gemeenten toe, heeft de provincie de beschikking gekregen over de zogenaamde provinciale verordening. Deze verordening is het aangewezen instrument als het gaat om algemene regels omtrent de inhoud van gemeentelijke bestemmingsplannen of projectbesluiten. Wel zal hierin duidelijk het provinciaal belang naar voren moeten komen. Het uitgangspunt daarbij is dat de bevoegdheden ter doorwerking van het ruimtelijk beleid zoveel mogelijk proactief worden ingezet en het provinciale beleid daarbij zoveel mogelijk eenduidig wordt geregeld.

Het plangebied van dit bestemmingsplan is aangewezen als 'bestaand gebouwd gebied'. In artikel 11 van de PRV is een regeling opgenomen met betrekking tot locaties voor bedrijventerreinen en kantoorlocaties binnen bestaand bebouwd gebied opdat de afgesproken regionale planningsopgave (zoals Plabeka) ook betrekking heeft op binnenstedelijke terreinen. De Citroëngebouwen maken echter geen deel uit van een kantoorlocatie (zoals gedefinieerd in artikel 1 van de PRV) zodat dit artikel geen betrekking heeft op het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is dan ook in overeenstemming met de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

4.3 Regionaal beleid     

4.3.1 Metropoolregio Amsterdam     

De Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten en provincies en gemeenten.

Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven.

Op het gebied van ruimtelijke ordening, verkeer en economie vindt de bestuurlijke coördinatie plaats door drie Platforms:Platform Ruimtelijke Ordening (PRO), Platform Bereikbaarheid Metropoolregio Amsterdam (PBM) en Platform Regionaal Economische Structuur (PRES). De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk.

Naast bovengenoemde platforms is ook het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka), opgericht in 2005, actief. Het Plabeka werkt aan een gezamenlijke strategie voor de planning van kantoor- en bedrijfslocaties in de Metropoolregio Amsterdam. In 2007 is de eerste Uitvoeringsstrategie Plabeka vastgesteld. Belangrijke mijlpalen waren het schrappen van een overaanbod van 3,5 miljoen m2 kantoorplannen.

De tweede Uitvoeringsstrategie (Snoeien om te kunnen bloeien), waarin voor de periode 2010-2040 de programmering van planaanbod en de bijdrage van Amsterdam binnen de regio is opgenomen, is op 23 juni 2011 vastgesteld door het Bestuurlijk Overleg PRES (Platform Regionale Economische Structuur).

Dit betreft een herijking van de afspraken die in 2006 in Plabeka-verband zijn gemaakt. De doelstelling van de uitvoeringsstrategie is als volgt: het creëren van voldoende ruimte en kwaliteit van werklocaties (kantoren, bedrijventerreinen, zeehaventerreinen) voor een evenwichtige economische ontwikkeling om daarmee een bijdrage te leveren aan de versterking van de (internationale) concurrentiepositie van de Metropoolregio en het verbeteren van het regionale vestigingsklimaat voor het bedrijfsleven. Met deze strategie wordt voldaan aan de afspraak met het Rijk om het Convenant Bedrijventerreinen 2010-2020 regionaal uit te werken en te verankeren. Er wordt een onderscheid gemaakt naar kansrijke groeigebieden waarbij het accent ligt op uitbreiding (nieuwe uitgiften), beperkte groeigebieden waar het accent ligt op herontwikkeling/transformatie met beperkte mogelijkheid tot nieuwe uitgiften; balansgebieden waarbij het accent ligt op herontwikkeling en in mindere mate op transformatie en beperkingsgebieden waar het accent ligt op transformatie en sloop en in mindere mate op herontwikkeling. Door in regionaal verband het planaanbod beter af te stemmen op de vraag ontstaat een situatie waarbij op termijn schaarste en daarmee waarde wordt gecreëerd.

De Citroëngebouwen maken deel uit van het balansgebied 'Olympia- en Minervaplein'. Het accent ligt dus op herontwikkeling en in mindere mate op transformatie. Voorts geldt dat bij het ontwikkelen van kleinere nieuwe kantoorplannen (<10.000 m² of <10 ha) gemeenten niet regionaal hoeven af te stemmen.

In dit geval is sprake van onderlinge uitruil van kantoorprogramma binnen een projectlocatie, omdat de ruimte om kantooroppervlak te realiseren binnen het Noordgebouw niet wordt benut, maar wordt ingezet in het Zuidgebouw. Per saldo is er daardoor geen toename van kantooroppervlak.

4.3.2 Stadsregio Amsterdam     

De Stadsregio Amsterdam is een samenwerkingsverband van zestien gemeenten. De stadsregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling.

4.3.2.1 Detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam     

Het regionale detailhandelsbeleid (vastgesteld door de Regioraad op 15 maart 2016) kent de volgende uitgangspunten:

  1. Inwoners van de Stadsregio Amsterdam moeten op aanvaardbare afstand hun (dagelijkse) boodschappen kunnen doen (fijnmazige detailhandelsstructuur).
  2. Het beleid is er op gericht om vraag en aanbod in evenwicht te brengen in de (fysieke) retailsector.
  3. Detailhandelsvestigingen zijn louter gevestigd in verstedelijkt of nog te ver-stedelijken gebied: passend in de structuur van de hoofdwinkel-, stadsdeel- of wijkcentra, alsook op specifiek benoemde locaties op bedrijventerreinen. Solitaire vestigingen buiten en binnen woongebieden zijn uitgesloten.
  4. Nieuwe ontwikkelingen moeten de huidige structuur versterken; nieuwe ontwikkelingen die uitbreiding van het ruimtegebruik vergen, zijn alleen mogelijk als de ontwikkeling niet op een bestaande winkellocatie mogelijk is; nieuwe ontwikkelingen moet duidelijk zijn wat de impact op de lokale en regionale winkelstructuur is.
  5. Clustering van detailhandel is een leidend principe, al dan niet met andere commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen.
  6. Gemeenten streven ernaar om leegstand zoveel als mogelijk te voorkomen. Nieuwe initiatieven worden daarom altijd bekeken en beoordeeld vanuit het principe 'nieuw voor oud'. Dat wil zeggen dat eventuele nieuwe initiatieven en uitbreiding van bestaand winkelareaal gepaard gaan met maatregelen om de bestemming detailhandel elders te beperken. Door pro-actief beleid werken gemeenten aan voorzienbaarheid, zodat planschade voorkomen kan worden bij het daadwerkelijk verminderen van het aantal m2 detailhandel.
  7. Gemeenten moeten (ook in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking) goed beschrijven wat de regionale behoefte is van de winkel-plannen die voorzien zijn.
  8. Gemeenten kunnen via het bestemmingsplan aanvullende eisen voor branchering stellen. Dit dient op ruimtelijke aspecten gebaseerd te zijn.
  9. Alleen op bepaalde reeds als zodanig aangemerkte locaties (Amstelveen: Bovenkerkerhoek; Haarlemmermeer: Cruquius; Amsterdam: GDV-zone Arenagebied, Spaklerweg, Schinkel, Landlust, Keurenplein en Van Slingeland- straat / Bedrijventerrein Westerkwartier) is - indien passend binnen het vigerende bestemmingsplan - grootschalige detailhandel (GDV) toegestaan. Dat wil zeggen winkels van meer dan 1500m2 wvo zonder brancheringseisen (uitgezonderd dagelijkse goederen, te weten levensmiddelen en persoonlijke verzorging). Een gemeente kan een verzoek indienen om grootschalige detail-handel toe te staan op een van bovenstaande PDV-locaties die niet past in het vigerende bestemmingsplan. In dat geval is een uitvoerige onderbouwing van het verzoek op ruimtelijk relevante gronden vereist, evenals een analyse van de gevolgen van de verruiming voor de regionale detailhandelsstructuur. De ADZ toets zo'n verzoek tot verruiming aan het provinciale en regionale beleid.
  10. Naast de PDV-locaties waar GDV mogelijk is (zie uitgangspunt 9 en § 4.3), zijn er de traditionele PDV-locaties, waar louter de PDV-branches zijn en blijven toegestaan. Brancheverruiming is op deze locaties op grond van het provinciale beleid niet toegestaan.
  11. Op basis van de uitkomsten van het in 2016/2017 uit te voeren Koopstromen-onderzoek en het Marktruimteonderzoek, zal onderzocht worden of de locaties waar nu GDV mogelijk is, gehandhaafd moeten blijven of dat er aanpassingen nodig of mogelijk zijn in aantal, omvang of locatie. Dit onderzoek zal bij voorkeur plaatsvinden op de schaal van de Metropoolregio Amsterdam.
  12. Nieuwe perifere detailhandelslocaties worden in beginsel niet toegestaan.
  13. Conform het provinciaal beleid zijn internetafhaalpunten alléén op bedrijven-terreinen toegestaan als deze afhaalpunten géén winkel- en géén uitstal-functie hebben. Bij voorkeur worden afhaalpunten in bestaande winkel-gebieden gesitueerd.
  14. Indien er een bestemmingsplanwijziging nodig is bij nieuwe winkelinitiatieven moet iedere gemeente dit initiatief voorleggen aan de Adviescommissie Detailhandel Noord-Holland Zuid (ADZ). Dit geldt voor alle initiatieven boven de 1500m2 wvo. Bij winkelcentra van meer dan 25.000m2 wvo (Hoofddorp, Amstelveen, Purmerend, Zaanstad en Amsterdam, plus in Amsterdam het Buikslotermeerplein en de Amsterdamse Poort) geldt dit voor initiatieven van meer dan 3000m2 wvo. Deze grenzen gelden voor het totale winkelgebied en niet per winkel.29
  15. Iedere gemeente legt de lokale detailhandelsstructuur in ruimtelijke termen vast in de gemeentelijke structuurvisie of in een gemeentelijke detailhandels-visie. Deze visie past binnen het regionale detailhandelsbeleid en binnen het kader dat is vastgesteld in het provinciale detailhandelsbeleid uit 2014.

Het bestemmingsplan voldoet aan deze uitgangspunten.

4.3.3 Regionale hotelstrategie     

De Regionale hotelstrategie 2016-2022 (vastgesteld op 27 november 2013) voorziet in een afwegingskader voor nieuwe hotelinitiatieven, nadat bleek dat het de hotelmarkt qua hoeveelheid hotelkamers nagenoeg verzadigd is.

Het afwegingskader voor nieuwe hotelinitiatieven bestaat uit drie delen:

  1. Regionale beleidsuitgangspunten Wat we met het beleid willen bereiken is het juiste hotel op de juiste plek. Dit betreft onder meer het voorkomen van een discrepantie tussen vraag en aanbod, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin. In de afzonderlijke beleidsplannen van de MRA gemeentes kunnen de (kwalitatieve) wensen die de MRA heeft ten aanzien van de nog te realiseren hotels worden vastgelegd. Hier zal onder meer ingegaan worden op de gewenste spreiding, de gewenste uniciteit van de nog te realiseren hotels en de voorkeur voor transformatie boven nieuwbouw in het kader van duurzame verstedelijking.
  2. Hotelladder MRA Instrument voor gemeenten en marktpartijen om (snel en praktisch) nieuwe initiatieven aan te toetsen. De ladder is een vertaling van de beleidsuitgangspunten en de kansenkaart naar een voor iedereen bruikbaar instrument.
  3. Kansenkaart De hotelladder verwijst naar een kansenkaart (zie uitsnede hieronder). Op deze kaart wordt aangegeven waar volgens de MRA de beste kansen voor extra hotels liggen en – indien gewenst - voor welke doelgroep deze het meest geschikt zijn. Daarmee wordt ook zichtbaar waar de MRA het minder wenselijk vindt om nieuwe hotel initiatieven te realiseren (dit geldt met name voor Amsterdam/Haarlemmermeer).

verplicht

Uitsnede kansenkaart regionale hotelstrategie

Het plangebied wordt niet gezien als een gebied waar de beste kansen voor extra hotels liggen. Het bestemmingsplan voorziet dan ook niet in het bestemmen van nieuwe hotels.

4.4 Gemeentelijk beleid     

4.4.1 Structuurvisie Amsterdam 2040 'Economisch sterk en Duurzaam'     

De structuurvisie 'Amsterdam 2040 Economisch sterk en duurzaam' is op 14 februari 2011 vastgesteld door de Gemeenteraad. In de Structuurvisie zijn keuzes vastgelegd voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad. In de structuurvisie is als centrale ambitie verwoord dat Amsterdam zich als kernstad verder dient te ontwikkelen binnen een internationaal concurrerende duurzame Europese metropool. Deze ambitie wordt in het document verder uitgewerkt in onder meer de doelstelling om de bestaande stad intensiever te gebruiken.

De projectlocatie is als 'metropolitane plek' aangegeven. Metropolitane plekken zijn locaties op een bijzonder punt in de stad, vaak op het snijvlak tussen stad en landschap, elk met een enorme potentie om er een bijzondere plek van te maken. Daarbij is de gebruiksvriendelijkheid van de openbare ruimte een belangrijke opgave.

verplicht

Uitsnede plankaart van de structuurvisie 'Amsterdam 2040' ter plekke van het plangebied.

In dit geval gaat het om De Sportas, die begint bij het icoon Olympisch Stadion en eindigt bij het Wagener Stadion in het Amsterdamse Bos. De Sportas verknoopt de scheg aan de stad met sportaccommodaties. De Sportas begint bij het icoon Olympisch Stadion en eindigt bij het Wagener Stadion in het Amsterdamse Bos. Langs deze lijn liggen al veel sportaccommodaties. Deze kunnen worden uitgebreid en een kwaliteitsslag krijgen en de verschillende sportaccommodaties kunnen met elkaar verbonden worden door een hoogwaardige openbare ruimte die loopt van Olympisch Stadion tot de hoofdentree van het Amsterdamse bos, langs het tracé van de museumspoorlijn.

Het bestemmingsplan leidt niet tot een ingreep in de openbare ruimte, maar is wel van invloed op de beleving ervan. De huidige bebouwing is aan de zijde van het stadion zeer gesloten, met name op begane grond niveau. In de lage plint bevinden zich geen openingen. De achterzijde van het Zuidgebouw maakte oorspronkelijk fysiek deel uit van het voormalig hekwerk rondom het Olympisch stadion.

De hekwerken rondom het Olympisch Stadion zijn niet meer aanwezig, ook het gebruik van het stadion is veranderd. In het nieuwe ontwerp wordt deze zijde van het Zuidgebouw daarom open gemaakt en voorzien van meerdere toegangen.

De lage kleinschalige plint van één bouwlaag wordt opgetrokken naar meerdere bouwlagen. Het nieuwe transparante bouwvolume zorgt voor meer levendigheid aan deze gevel. Hiermee sluit het gebouw beter aan op de openbare ruimte en omringende bebouwing.

Het bestemmingsplan levert daarom een positieve bijdrage aan het bereiken van de doelstellingen van de Structuurvisie ten aanzien van 'metropolitane plekken'.

4.4.2 Uitwerkingen Structuurvisie Amsterdam 2040     

4.4.2.1 Detailhandelsbeleid: Amsterdam winkelstad, een kwaliteit aan winkelgebieden     

De hoofddoelstellingen van het ruimtelijke detailhandelsbeleid voor de periode 2011- 2015 zijn samengevat:

  • Het versterken en borgen van het gevarieerde winkelmilieu van Amsterdam.
  • Het versterken en borgen van de fijnmazige structuur van winkelgebieden met aanbod in dagelijkse artikelen.

Beide doelstellingen vergroten de kwaliteit aan winkelgebieden in Amsterdam. Amsterdam is van mening dat deze doelstellingen de beste garantie bieden om de werkgelegenheid in de detailhandel te behouden en te vergroten. Voor (meer) bewoners en bezoekers wordt Amsterdam als winkelstad gevarieerder en daarmee aantrekkelijker en voor Amsterdammers blijven de winkels ook op korte afstand toegankelijk. En meer bewoners en bezoekers vergroten de kans op meer werkgelegenheid.

Deze hoofddoelstellingen worden uitgewerkt aan de hand van 9 beleidsdoelstellingen:

  1. Winkelinitiatieven worden bij voorkeur gefaciliteerd in of aansluitend op de bestaande winkelgebieden;
  2. Meer grotere winkelunits in sommige winkelgebieden
  3. Uitbreiding winkeloppervlak in sommige gebieden (met name Centrum, Zuid en Zuidoost)
  4. Hanteren van 'Nieuw voor oud' principe in sommige gebieden (met name West, Oost, Noord, Nieuw-West en Westpoort)
  5. Accommodatieteam als gemeentelijk aanspreekpunt voor retailers
  6. Vergroting organisatiegraad van ondernemers
  7. Verruiming bestemmingsplannen in sommige gebieden in potentiële stadsstraten
  8. Vasthouden aan terughoudendheid van brancheverruiming in perifere winkelgebieden
  9. Afhaalpunten ten behoeve van internetverkoop op bedrijventerreinen zijn logistieke bedrijven en geen (verkapte) winkels. Afhaalpunten van internetwinkels kunnen overigens naast hun logistieke functie wel een winkelfunctie vervullen, indien ze gevestigd zijn in bestaande winkelgebieden.

Bij enkele bleidsdoelstellingen wordt aangegeven dat dit ook voor Zuid speelt. Zo wordt aangegeven dat winkelinitiatieven bij voorkeur worden gefaciliteerd in of aansluitend op de Albert Cuypstraat en de Van Woustraat en dat hier nog uitbreiding van winkeloppervlak mogelijk wordt geacht. Voor grotere winkelunits wordt gedacht aan de P.C. Hooftstraat en de Zuidas. Kenmerkend voor de binnenstad (maar ook in delen van Zuid) is dat er weliswaar veel winkels zijn, maar dat ze overwegend klein van omvang zijn. Grotere winkelunits zijn echter mede vanwege het historische karakter lastig realiseerbaar. Het is van belang -wanneer Amsterdam de positie van de binnenstad op retailgebied wil behouden en versterken- Amsterdam alert blijft op mogelijkheden voor ook grotere vestigingen zonder het belang van kleinere winkels uit het oog te verliezen. De historische omgeving is van evidente waarde.

Al in het geldende bestemmingsplan werd nieuwe detailhandel mogelijk gemaakt in het Olympisch Stadion en de Citroëngebouwen. Dit versterkt het winkelmilieu van dit gebied en vormt een uitbreiding van winkeloppervlak in stadsdeel Zuid. Om deze reden sluit het voorliggende bestemmingsplan aan op dit beleid.

4.4.2.2 Ecologische visie: Ecologie, biodiversiteit en groene verbindingen in Amsterdam     

Wat betreft het beheer van groengebieden staan er in deze notitie twee beleidsuitspraken:

  1. Het beheer van de groenstroken in de ecologische structuur van Amsterdam dient zo natuurvriendelijk mogelijk te zijn, gericht op verscheidenheid aan vegetatie en het bieden van voldoende dekking.
  2. Chemische bestrijdingsmiddelen mogen in de ecologische structuur van Amsterdam niet worden gebruikt.

In de ecologische visie wordt een nieuwe ecologische structuur voorgesteld en worden de knelpunten genoemd die voor het realiseren van deze structuur opgelost dienen te worden. In de visiekaart worden deze structuur en knelpunten aangegeven:

verplicht

Uitsnede visiekaart Ecologische visie

Uit de visiekaart blijkt dat er voor het plangebied geen ecologische structuur is bedacht en er tevens geen knelpunten zijn. Het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met deze visie.

4.4.2.3 Hoogbouw in Amsterdam     

Amsterdam streeft naar een economisch sterke en duurzaam ingerichte stad. Daarbij vormt het intensiever gebruik van de bestaande stad en tegelijk het open houden van het landschap één van de doelen. Intensivering van het grondgebruik in de stad biedt tal van mensen woon- en werkruimte in Amsterdam. Het brengt een forse toename van het aantal woningen en bijbehorende voorzieningen met zich mee, intensiever gebruik van de werkgebieden en een grotere mix van wonen en werken. Het noodzaakt tot extra investeringen in de openbare ruimte, en tot efficiënter omgaan met energie en vervoer. Verdichting is een belangrijke opgave, voor de hele stad en voor bepaalde gebieden in het bijzonder. Hoogbouw is daarin niet het enige, maar wel een geschikt middel. Het is bovendien een krachtig stedenbouwkundig instrument. Afhankelijk van de positionering van hoogbouw kan deze bijdragen aan de kwaliteit van de stad als metropool.

verplicht

Kaart Hoogbouw in Amsterdam.

In de kaart Hoogbouw in Amsterdam wordt aangegeven waar hoogbouw mogelijk wordt geacht. Het plangebied is gelegen buiten de 2 km zone rondom Unesco gebied. Deze twee kilometer wordt aangehouden als grens, waarvan zeker is dat een gebouw van 60 meter hoogte geen nadelig effect heeft op de cultuurhistorische waarde van de binnenstad. Het plangebied is wel gelegen binnen een gebied van bijzondere waarden 'Plan Zuid'.

In het plangebied wordt geen nieuwe hoogbouw toegelaten en is het bestemmingsplan in overeenstemming met de Hoogbouwvisie.

4.4.2.4 Kantorenstrategie     

Op 14 juli 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam, als uitwerking van de Structuurvisie Amsterdam, de Kantorenstrategie Amsterdam "Kiezen en onderscheiden" vastgesteld. Er ligt een aantal grote opgaven op de structureel veranderde kantorenmarkt. Het is nodig een omslag te maken van het richten op kwantiteit naar het richten op kwaliteit en van aanbod gestuurd naar vraaggericht handelen. De Kantorenstrategie geeft richting aan de rol van de gemeente op de kantorenmarkt om de leegstand terug te brengen tot een acceptabel niveau en de toenemende verversing en de geringe uitbreiding van de kantorenvoorraad vorm te geven. De gemeente wil hiermee bijdragen aan het herstellen van het evenwicht op de kantorenmarkt op termijn.

De Kantorenstrategie richt zich niet alleen op de planvoorraad, maar vooral ook op de bestaande voorraad. Op stedelijk en projectniveau worden maatregelen en kaders benoemd die bijdragen aan:

  • het stimuleren en faciliteren van herontwikkeling om de kwaliteit van de bruikbare kantorenvoorraad op peil te houden;
  • het stimuleren en faciliteren van transformatie en sloop van in onbruik geraakte kantoren om de omvang van de bestaande kantorenvoorraad te verkleinen;
  • de reductie en temporisering van de planvoorraad voor nieuwbouw in overeenstemming met de lagere toekomstige ruimtebehoefte.

In de Kantorenstrategie worden verschillende maatregelen beschreven om het evenwicht tussen vraag en aanbod voor de kantorenmarkt te herstellen en de overmaat aan leegstand op te lossen. Naast generieke maatregelen om het evenwicht tussen vraag en aanbod op de kantorenmarkt te verbeteren is het nodig om ook naar de waarde en potentie van de afzonderlijke kantorenlocaties in de stad te kijken. Bij het bepalen van een passende ontwikkelstrategie per locatie (bestaande locaties en plannen) zijn - naast de al bestaande onderverdeling in segmenten- alle kantorenlocaties onderverdeeld in vier groepen. Voor de locaties binnen een groep geldt een vergelijkbaar handelingsperspectief. De vier hoofdgroepen zijn:

1. Krimpgebieden, waar de bestaande kantorenvoorraad per saldo moet krimpen en het accent primair ligt op onttrekking van incourante kantoren door transformatie en sloop en secundair op herontwikkeling van de bestaande voorraad;

2. Balansgebieden, waar de bestaande kantorenvoorraad per saldo gelijk mag blijven en enkel ruimte is voor het toevoegen van kantoren, nadat kantoorruimte aan de bestaande voorraad is onttrokken. Het accent ligt primair op herontwikkeling van de bestaande voorraad en secundair op onttrekking van incourante kantoren door transformatie en sloop;

3. Beperkte groeigebieden, waar beperkt ruimte geboden wordt voor het toevoegen van kantoren en herontwikkeling van de bestaande voorraad van belang is;

4. Groeigebieden, waar ruimte geboden wordt voor het toevoegen van kantoren aan de bestaande kantorenvoorraad.

Het Stadionplein maakt deel uit van het Balansgebied Olympia- en Minervaplein. Balansgebieden zijn en blijven belangrijke kantoorlocaties voor de stad, maar hebben qua massa hun maximum bereikt. Aangezien de stedelijke ruimtebehoefte in de toekomst gering is, is het onverstandig de kantorenvoorraad op deze locaties verder toe te laten nemen. Dit zou tot onnodige concurrentie leiden en ten kosten kunnen gaan van andere kantoorlocaties. Hoewel kwantitatief verdere ontwikkeling uitgesloten is, is een focus op de kwalitatieve ontwikkeling op deze locaties wel van belang. Veel van de balansgebieden kennen uitstekende locatiekwaliteiten voor de bestemming kantoor: een goede multimodale bereikbaarheid en een multifunctioneel milieu. Sommige van de balansgebieden kennen echter een verouderde kantorenvoorraad. In deze gebieden ligt de prioriteit bij een kwaliteitsverbetering door het aansporen en faciliteren van marktpartijen tot herontwikkeling van de bestaande kantorenvoorraad, door hoogwaardige renovatie of sloop/nieuwbouw. Volume-uitbreiding van de kantoorbestemming bij herontwikkeling is toegestaan, mits dit per saldo niet tot een toename van de totale kantorenvoorraad op de kantoorlocatie leidt en uiteraard juridisch-planologisch mogelijk is.

Deze zogenaamde saldobenadering geldt voor alle balansgebieden en houdt in dat de toegevoegde kantooroppervlakte (door verdichting of door ruilverkaveling) niet groter mag zijn dan de onttrokken kantooroppervlakte. Hierbij hoeft de marktpartij die kantoormeters toevoegt niet per se dezelfde te zijn als de marktpartij die kantoormeters onttrekt.

Dit bestemmingsplan voorziet in het herontwikkelen van een bestaand kantoorgebouw. De herontwikkeling leidt tot een kwaliteitsslag: er komt een nieuw of gerenoveerd kantoor op de plek van het oude kantoor. Het betreft een verouderd kantoorpand, die met een kwalitatieve hoogwaardige en duurzame impuls wordt gerenoveerd.

Het Plabeka team (Platform Bedrijven en Kantoren Metropoolregio Amsterdam) heeft aangegeven dat sloopnieuwbouw met toevoeging van kantooroppervlak wenselijk kan zijn, als hiermee een kwaliteitsimpuls voor de ruimtelijke situatie ter plaatse wordt bewerkstelligd. De gemeente is van oordeel dat met de herontwikkeling van het Zuidgebouw, dat voor een deel voorziet in sloop-nieuwbouw en een deel vernieuwbouw, een kwaliteitsimpuls voor het gebied nabij het Stadionplein zal inhouden. Met deze invulling wordt voldaan aan de behoefte aan kwalitatief hoogwaardige werklocaties in het centrummilieu, die ook nog goed zijn verbonden met het infrastructurele netwerk van de stad (in tegenstelling tot veel andere kantoorlocaties in centrummilieus). Vanuit die optiek kan het toevoegen van kantooroppervlak van toegevoegde waarde zijn. Met openbare levendige plinten rondom het Stadionplein de randvoorwaarde wordt gecreëerd waarmee het plein zich tot een stedelijke plek kan ontwikkelen.

Het bestemmingsplan is daarom in overeenstemming met de kantorenstrategie.

4.4.2.5 Mobiliteitsaanpak: Amsterdam aantrekkelijk bereikbaar     

Amsterdam staat de komende jaren voor een forse uitdaging. Meer bewoners, banen en bezoekers leiden tot een verdere groei van de mobiliteit in en rond Amsterdam en tot een grotere druk op de kostbare openbare ruimte. De komende jaren is echter minder geld beschikbaar om te investeren in mobiliteit. Daarnaast is de beschikbare openbare ruimte in de (binnenstad van) Amsterdam een schaars goed.

De vraag is dan hoe Amsterdam met minder middelen, in beperkte ruimte oplossingen kan vinden voor de groeiende mobiliteitsvraag. In de MobiliteitsAanpak bestaat het antwoord hierop uit het voorrang geven aan kostenefficiënte en ruimtebesparende vervoerwijzen en uit het beter benutten van de bestaande capaciteit. Concreet komt dit neer op de volgende keuzes:

  1. Differentiatie naar afstanden
  2. Ruimte beter benutten
  3. Heldere prioriteiten
  4. Inspelen op toekomstige ontwikkelingen

verplicht

Kaart mobiliteitsprofielen

In de Mobiliteitsaanpak is het plangebied aangewezen als gebied 'Binnen en rond de ring'.

In het gebied Binnen en rond de ring ligt de prioriteit bij een betere balans tussen de ruimte voor de fietser, voetganger en verblijven enerzijds en ruimte voor de auto en het OV anderzijds. De geparkeerde auto zal in stadsstraten vaker plaats moeten maken voor andere functies.

verplicht

Hoofdlijnen van de gebiedsgerichte aanpak in (o.a.) het gebied binnen en rond de ring

In het bestemmingsplan wordt hieraan invulling gegeven door aan te sluiten bij het parkeerbeleid, dat op grond van de Mobiliteitsaanpak normen heeft geformuleerd voor het parkeren op eigen terrein. In het bestemmingsplan wordt verwezen naar de beleidsregels die in het beleid zijn opgenomen. Het bestemmingsplan voldoet hiermee aan de Mobiliteitsaanpak.

4.4.2.6 Watervisie Amsterdam 2040: Het water in Amsterdam is voor iedereen     

De waarde van het water voor de stad is al groot. Om de betekenis voor de stad nog meer te vergroten is in de Watervisie de koers uitgezet aan de hand van de volgende hoofdrichtingen:

  • Water toegankelijk en beleefbaar maken & activeren
  • Groei door spreiden van recreatie en toerisme
  • Meer dynamiek in het gebruik van het water
  • Toepassen van economische principes

In de Watervisie wordt voorgesteld om voor recreatie aan het water laagdrempelige mogelijkheden voor beweging en ontspanning in buurten te creëren. Aan de kades van de Boerenwetering, Amstelkanalen, Stadiongracht en de grachten van West komen meer recreatieve zitplekken en nieuwe ligplaatsen voor bemande en onbemande bootverhuur.

In het bestemmingsplan zijn geen wateren opgenomen. Er hoeven geen regelingen opgenomen te worden om het bestemmingsplan in overeenstemming te laten zijn met de Watervisie.

4.4.2.7 Windvisie: Ruimte voor windmolens in Amsterdam     

In 2040 wil Amsterdam het hart zijn van een duurzame metropoolregio. Een creatieve, diverse stad, die economisch en sociaal sterk is, met een gezond leefmilieu. Zorgvuldig en efficiënt met ruimte, energie en energiebronnen, en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering. Een stad met een skyline waarin wind zorgvuldig is ingepast. Kortom, duurzaam in alle facetten.

In de Windvisie worden 9 zoekgebieden aangewezen waar via het realiseren van windmolens de ambitie van Amsterdam waargemaakt kan worden.

verplicht

Uitsnede structuurvisiekaart windenergie 2040.

Uit de structuurvisiekaart Windenergie 2040 blijkt dat het realiseren van windmolens in de omgeving van het plangebied ruimtelijk niet gewenst is. Het bestemmingsplan hoeft derhalve geen regeling te bevatten voor windenergie en is daarmee in overeenstemming met het beleid.

4.4.2.8 Lokale richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit     

Het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. Bij de bescherming van gevoelige groepen en gevoelige bestemmingen gaat Nederland verder dan de Europese regelgeving. In het nationale Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit worden extra eisen gesteld met betrekking tot het realiseren van gevoelige bestemmingen binnen 300 meter gemeten van de rand van een snelweg of binnen 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg. Amsterdam heeft een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om het beschermen van gevoelige groepen. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan.

De aanpak met betrekking tot gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is vastgelegd in een Amsterdamse richtlijn. Met deze Amsterdamse richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit is sprake van extra en strengere regelgeving dan Europa voorschrijft, maar de richtlijn heeft een zogenaamde “eerbiedigende werking” en heeft geen gevolgen voor bestaande situaties. Bovendien kan het bestuur (centrale stad of stadsdeel) - In tegenstelling tot de landelijke wetgeving - altijd van een richtlijn afwijken. Zie ook paragraaf 5.7.

4.4.3 Woonvisie Amsterdam tot 2020, Wonen in de Metropool     

In de op 30 oktober 2008 door B&W vastgestelde woonvisie wordt Amsterdam in zijn regionale context bezien, worden de Amsterdamse ambities per woningmarktgebied geanalyseerd, de knelpunten op een rij gezet en worden er keuzes gemaakt. Kern van het Amsterdamse woonbeleid Amsterdam blijft de ongedeelde stad, maar Amsterdam wil ook Topstad, Emancipatiestad, een Betaalbare stad, een Zorgzame Stad en een Duurzamestad zijn. In de woonvisie wordt gezocht naar een balans tussen al deze ambities.

In het bestemmingsplan worden geen woningen toegestaan, anders dan op grond van bestaande rechten (200 m2 bvo wonen). Hiermee is het bestemmingsplan in overeenstemming met de Woonvisie.

4.4.4 Overnachtingsbeleid     

Op 14 juli 2016 heeft de Gemeenteraad van Amsterdam het nieuwe overnachtingsbeleid vastgesteld, dat per 1 januari 2017 in werking is getreden. Het overnachtingsbeleid is een herziening van de Regionale Hotelstrategie 2016-2022 voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam.

In het overnachtingsbeleid wordt geconstateerd dat groei van toerisme geen exclusief Amsterdams fenomeen is, maar een wereldwijde autonome trend waarbij vooral steden populair zijn. Bezoekersaantallen zullen blijven toenemen waarbij het aandeel van nieuwe markten vanuit de opkomende economieën groter zal worden. Met het overnachtingsbeleid anticipeert Amsterdam op deze mondiale beweging. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat de populariteit van de stad keerzijdes kent. Op sommige momenten en op sommige plekken is het druk. Met het programma 'Stad in Balans' worden maatregelen ingevoerd om de druk op de (binnen)stad af te laten nemen. Het hotelbeleid is een instrument om mede sturing te geven aan het type toerist dat de stad bezoekt en aan een betere spreiding van bezoekers aan Amsterdam.

In het nieuwe beleid van januari 2017 is geen ruimte meer voor nieuwbouw, transformatie of uitbreiding van hotels in de gemeente Amsterdam. Door het nieuwe beleid krijgt de gemeente grip op de groei van het aantal nieuwe hotels in Amsterdam. Dit draagt bij aan een beter evenwicht tussen bewoners, bezoekers en bedrijven in de stad. Het overnachtingsbeleid is van toepassing op zowel nieuw te bouwen projecten als op transformatie of uitbreiding van bestaande locaties. In het kader van het overnachtingsbeleid wordt onder 'hotel' verstaan: pension, (jeugd-)herberg of hostel, reguliere hotels en appartementenhotels met logies-en extended stay-voorzieningen voor een verblijf van maximaal 12 maanden.

Het overnachtingsbeleid heeft géén betrekking op Bed&Breakfast en tijdelijke vakantieverhuur. Voor deze vormen van logiesverstrekking is reeds beleid vastgesteld in de Huisvestingsverordening 2016 en het beleid Toeristisch verhuur van woningen. Het beleid heeft eveneens geen betrekking op kamerverhuur voor studenten, anders dan in een hotel, logies- of extended stayverblijf.

Stappenplan

In het nieuwe overnachtingsbeleid heeft de gemeenteraad vastgelegd dat een nieuw initiatief aan méér voorwaarden dient te voldoen dan alleen ruimtelijk planologische voorwaarden. Een nieuw hotel dient ook te voldoen aan de drie in het beleid beschreven voorwaarden met betrekking tot maatschappelijke omgevingsimpact, duurzaam ontwerp en exploitatie van het gebouw, alsmede aan de voorwaarden met betrekking tot sociaal ondernemerschap. Gezamenlijk geven ondernemer en gemeente hiermee invulling aan de 'corporate responsibility' van de ontwikkelaar en exploitant.

Voor elk hotelinitiatief voor het ontwikkelen van een hotel, het uitbreiden van een bestaand hotel met kamers of het herontwikkelen van een bestaand gebouw tot hotel, dient het stappenplan te worden doorlopen.

De eerste stap betreft een check aan de van het beleid onderdeel uitmakende gebiedskaart. Hierop is aangegeven waar geen nieuwe hotelontwikkeling wordt toegestaan en waar een plan in behandeling kan worden als aan alle voorwaarden in het stappenplan wordt voldaan. Dit laatste is alleen aan de orde indien het initiatief betrekking heeft op een van de 'nee, tenzij'-gebieden (de oranje gebieden op de gebiedskaart). In deze gebieden kan worden overwogen medewerking te verlenen, maar enkel wanneer het hotel een aantoonbaar exceptionele bijdrage levert aan zowel het innovatieve aanbod van verblijfsaccommodaties in Amsterdam als aan een bijzonder aspect van het maatschappelijke, culturele of economische klimaat. Indien een initiatief in een 'nee'-gebied is gepland (de grijze gebieden op de kaart) zal de gemeente geen medewerking verlenen aan het initiatief.

verplicht

Uitsnede Gebiedskaart Overnachtingsbeleid en het bestemmingsplangebied

Het plangebied van het voorliggende bestemmingsplan is onderdeel van het 'nee'-gebied op de gebiedskaart Overnachtingsbeleid. Het bestemmingsplan maakt geen hotelontwikkeling mogelijk.

Conclusie

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijke beleid.

4.4.5 Evenementenbeleid     

Op 14 juli 2016 heeft de gemeenteraad van Amsterdam kennis genomen van de notitie ‘Uitgangspunten voor een nieuw evenementenbeleid’. Daarin is de centrale doelstelling van evenementen geherformuleerd: “Evenementen leggen een duurzame verbinding met de stad en haar bewoners, ondernemers en instellingen, dragen bij aan de leefbaarheid en houden zo goed mogelijk rekening met de woonomgeving. Evenementen bevorderen de aantrekkelijkheid en positieve beleving van de stad bij bewoners en bezoekers en positioneren de stad als leefbare, creatieve, innovatieve en dynamische hoofdstad.”

Uitgangspunten in het nieuwe beleid zijn:

  1. In Amsterdam zijn evenementen openbaar en vrij toegankelijk. Slechts bij uitzondering kunnen in de openbare ruimte besloten evenementen plaatsvinden.
  2. Voor parken, pleinen en grachten worden locatieprofielen opgesteld, die kaders stellen voor het gebruik van de locatie ten behoeve van evenementen.
  3. In parken mogen in beginsel per jaar maximaal drie grote4, geluidsbelastende evenementen plaatsvinden.
  4. Alle evenementen die gebruik maken van versterkt geluid moeten te allen tijde een geluidsplan opstellen, gericht op het voorkomen van overmatige geluidshinder voor de omgeving.
  5. De op- en afbouwperiode is zo kort mogelijk, maar behoudens uitzonderlijke gevallen beperkt tot twee dagen op- en twee dagen afbouw.
  6. Aanvragen voor evenementen worden in samenhang met alle andere overlast gevende activiteiten in de omgeving beoordeeld.
  7. Voor evenementen in parken met een recreatief gebruik mag in beginsel maximaal een kwart van het park worden afgeschermd ten behoeve van het evenement.
  8. Evenementen in parken kunnen alleen plaatsvinden indien de organisator alle nodige maatregelen treft ter bescherming van voorzienbare schade aan flora en fauna.

De voorzitters van de bestuurscommissies worden vanuit hun positie “ogen en oren van de stad” en gebiedsgericht werken gevraagd de locatieprofielen te herzien of alsnog op te stellen op basis van de geformuleerde uitgangspunten en hierbij alle belanghebbenden te betrekken. Deze locatieprofielen worden als advies aan de burgemeester voorgelegd. De voorgestelde locatieprofielen worden op stedelijk niveau beoordeeld en in samenhang bekeken. Door locatieprofielen volgens eenzelfde opbouw, op basis van dezelfde criteria en in samenhang op te stellen, kan beter worden gestuurd op het voorkomen van overmatige belasting in bepaalde delen van de stad. Ook wordt zo voor bewoners en organisatoren duidelijker wat wel en wat niet kan.

Locatieprofiel Olympisch stadionterrein

Overeenkomstig het stedelijk evenementenbeleid is voor de verschillende evenemententerreinen in de stad een locatieprofiel vastgesteld.

In het locatieprofiel is het Olympisch stadionterrein als volgt omschreven: "Het Olympisch Stadion is een van de kroonjuwelen van de stad. Het Olympisch Stadionterrein biedt in principe ruimte voor zowel grootschalige als kleinschalige evenementen. Kernbegrippen hierbij zijn: sport, cultuur en media en (inter)nationale ontmoeting. Evenementen versterken het karakter van het Olympisch gebied. Op het Olympisch Stadionterrein kunnen zowel evenementen die direct samenhangen met wedstrijden/evenementen in het stadion (side events) als zelfstandige evenementen of jaarmarkten plaatsvinden."

verplicht

In het locatieprofiel zijn regels opgenomen over onder andere; het aantal evenementen in het Olympisch Stadion en op het Olympisch Stadionterrein, het maximaal aantal bezoekers/deelnemers, maximale duur van een evenement en de geluidsbelasting alsmede bijzonderheden waar rekening mee dient te worden gehouden. Ten aanzien van de Citroengebouwen is opgenomen dat rekening dient te worden gehouden met het vrijhouden van een zone van 5 meter rondom de Citroengebouwen i.v.m. veiligheid en bedrijfsvoering. Het voorliggende bestemmingsplan anticipeert op deze nieuwe regeling, door een zone van vijf meter (bestemming Verkeer) rond de citroengebouwen op te nemen waar geen evenementen zijn toegestaan.

Het voorliggende bestemmingsplan is in overeenstemming met het in voorbereiding zijnde evenementenbeleid.

4.4.6 Nota Parkeernormen (2017)     

Op 8 juni 2017 heeft de gemeenteraad de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld. De nota heeft betrekking op het autoparkeren in relatie tot nieuwe ruimtelijke stedelijke ontwikkelingen.

In het voorliggende bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen in de vorm van het toevoegen van nieuwe stedelijke functies voorzien. Er worden enkel reeds vergunde situaties planologisch verankerd, waardoor de nota Parkeernormen 2017 niet van toepassing is. Om die reden zijn geen parkeernormen in de planregels opgenomen. Indien zich nieuwe ontwikkelingen voordoen zal een aparte planologische procedure moeten worden doorlopen, waarbij in dat kader aan de dan geldende parkeernormen zal moeten worden getoetst.

4.4.7 Horecabeleid     

Op 21 december 2011 heeft de stadsdeelraad van Stadsdeel Zuid het Horecabeleid Zuid 2011 vastgesteld. Doelstelling van het horecabeleid is het verlevendigen en aantrekkelijker maken van het stadsdeel en het verruimen van mogelijkheden voor ondernemers, zonder dat het woon-en leefklimaat onder onevenredige druk komt te staan. Daarnaast wordt met het horecabeleid een bijdrage geleverd aan de ruimtelijk-economische doelstellingen om stadsstraten en -pleinen te ontwikkelen, vrijetijdsmilieus met elkaar te verbinden en het toerisme in het stadsdeel te stimuleren.

Om een gericht horecabeleid te voeren, hanteert stadsdeel Zuid in nieuwe bestemmingsplannen een aantal horecacategorieën. Deze categorisering vindt zijn grondslag in ruimtelijk en sociaal relevante aspecten als ruimtelijke uitstraling, verkeersaantrekkende werking, invloed op directe (woon)omgeving, geluid- en stank overlast en sociale veiligheid.

De afgelopen jaren is onduidelijkheid ontstaan over wat de grenzen zijn tussen de horecacategorieën. Dit heeft onder andere te maken met nieuwe trends, concepten en formules waar de regelgeving niet in voorziet. Voorbeelden zijn onder andere dansen in een restaurant of café en uiteenlopende vormen van zaalverhuur. Deze nieuwe ontwikkelingen passen niet eenduidig binnen de bestaande horecacategorieën. In het Horecabeleid is aangegeven hoe hiermee in het bestemmingsplan wordt omgegaan.

Leegstaande kantoren (voor grote ondernemingen) kunnen een nieuwe invulling krijgen als bedrijfsverzamelgebouw voor een mix van kleinere bedrijven. Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen speelt vaak ook de vraag of het mogelijk is om een horecavoorziening in te passen. Horeca in bedrijfsverzamelgebouwen heeft enerzijds het doel als voorziening en verzamelpunt voor de ondernemers, maar horeca maakt het bedrijfsverzamelgebouw ook toegankelijk en transparant voor buurt en omgeving. Daarnaast ondersteunt horeca de exploitatie van het bedrijfsverzamelgebouw.

Het stadsdeel wil de ontwikkeling van bedrijfsverzamelruimte stimuleren bij onder andere leegstaande kantoorgebouwen door mee te werken aan een gedeeltelijke bestemmingswijziging, indien aan een aantal criteria wordt voldaan:

1. Het pand een kantoor-of een bedrijfsmatige bestemming in het bestemmingplan heeft;

2. De inkomsten van de horeca-exploitatie aantoonbaar ten goede komen aan de exploitatie van het bedrijfsverzamelgebouw;

3. De horeca fysiek losgekoppeld kan worden van de kantoor-of bedrijfsfunctie (bijvoorbeeld een kantine of een foyer);

4. Om te voorkomen dat deze verzelfstandiging van de horecafunctie leidt tot te grote horecazaken mag maximaal 20% van het vloeroppervlak van het bedrijfsverzamelgebouw worden omgezet tot zelfstandige horeca.

In het Horecabeleid is aangegeven dat in het plangebied van bestemmingsplan 'Olympisch Stadion e.o.' uitbreiding van horeca mogelijk is. De horecavoorzieningen die in de gebouwen worden gerealiseerd passen binnen de mogelijkheden van het voorgaande bestemmingsplan en zijn dan ook in overeenstemming met het Horecabeleid.

4.4.8 Agenda Duurzaamheid     

De gemeenteraad heeft op 11 maart 2015 “Duurzaam Amsterdam, agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad” vastgesteld. Er wordt daarbij ingezet op vijf transitiepaden. Voor elk transitiepad geldt dat 'omdenken' de essentie is: om te komen tot nieuwe manieren van productie, consumptie en distributie om zo te verduurzamen.

  1. Duurzame energie

De ambitie is om per inwoner 20 procent meer op te wekken ten opzichte van 2013. Daarbij wordt ingezet op extra windmolens, extra zonnepanelen en een groei van het aantal aansluitingen op duurzame stadswarmte. De ambitie is ook om in 2020 per inwoner 20 procent minder energie te verbruiken dan in 2013. De gemeente ziet kansen deze versnelling te realiseren door de bestaande woningvoorraad te verduurzamen, energiebesparing in woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed te realiseren en door energieneutraal bouwen te stimuleren.

  1. Schone lucht

Om de luchtkwaliteit te verbeteren stimuleert en faciliteert de gemeente slimmer en schoner gemotoriseerd verkeer. De meetlat wordt hoger gelegd en wordt de focus verschoven van 'normen' naar 'gezondheid'. Verder wordt uitstoot van roet teruggedrongen, een schadelijke stof waarvoor nog geen normen gelden. Doel daarbij is om in 2025 uitstootvrij of zo schoon mogelijk te rijden. De ingestelde milieuzones worden gereguleerd en gehandhaafd. Daarnaast wordt sterker ingezet op elektrisch vervoer.

  1. Circulaire economie

In de regio Amsterdam is de afgelopen periode via enkele pilots geëxperimenteerd met de overgang naar een circulaire economie. In een circulaire economie wordt slim omgegaan met energie, water, grondstoffen en voedsel. De gewenste omschakeling vraagt om stimuleren van bedrijvigheid, onderzoek en innovatie. De ambitie is om in 2020 65 procent van het huishoudelijk afval te scheiden voor nuttig hergebruik.

  1. Klimaatbestendige stad

Klimaatadaptatie is bij uitstek een samenwerkingsopgave. Uitgangspunt is dat wateroverlast geaccepteerd zal moeten worden, maar nu al kan de stad worden aangepast op méér water, en op droge periodes.

  1. Gemeente Duurzaam

De gemeente Amsterdam verduurzaamt de eigen bedrijfsvoering. In 2025 is de eigen CO2-uitstoot 45 procent minder dan in 2012. Daarnaast zal de gemeente het percentage gescheiden afval van de gemeentelijke kantoren omhoog brengen van ca. 40% nu tot 75% deze periode.

Het bestemmingsplan staat dit gemeentelijk beleid niet in de weg.

4.4.9 Bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o.     

Bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden

De ontwikkelingen vinden plaats in het gebied dat valt onder de werking van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o.. In dat bestemmingsplan is voor de betreffende gronden de volgende uitsnedes van de verbeelding van belang:

verplicht

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o.; noordgebouw Stadionplein 22-22A.

verplicht

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o.; zuidgebouw Stadionplein 26-30

Beide gebouwen hebben de bestemming Gemengd - 2 (Citroëngebouwen). Het noordgebouw heeft tevens een dubbel-bestemming Waarde - Cultuurhistorie, ter signalering van de monumentale waarde van het gebouw. Ook is een aanduiding opgenomen 'specifieke vorm van gemengd - Stadionplein 22' (sgd- lo1), om naast de toegestane functies uit de bestemmingsomschrijving van Gemengd - 2 ook de rechten uit de erfpachtovereenkomst (welk voorheen als enige toetsingskader gold, aangezien voor het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. geen bestemmingsplan voor het gebied was vastgesteld) over te nemen. De aanduiding 'parkeerterrein' (p) is opgenomen om in het gehele pand parkeren toe te kunnen staan. De bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' (sba-dg) is opgenomen om aan te geven waar een dove gevel moet komen als in het gebouw nieuwe geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd. De maximum bouwhoogte is 21 meter. Deze bouwhoogte is niet de feitelijke bouwhoogte, maar het bestaande bouwrecht uit de bouwverordening, dat naast de erfpachtovereenkomst, het enige toetsingskader vormde voor de vaststelling van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o..

Het Zuidgebouw heeft geen dubbelbestemming, omdat hier de cultuurhistorische waarde niet dermate van belang is, dat dit via het bestemmingsplan beschermd dient te worden. Wel heeft ook het Zuidgebouw een bouwaanduiding voor het realiseren van een dove gevel bij de vestiging van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Omdat ook het Zuidgebouw voorheen niet een bestemmingsplan was opgenomen, gold hier eveneens alleen de bouwverordening voor de bouwmogelijkheden en het erfpachtcontract voor de gebruiksmogelijkheden. De gebruiksmogelijkheden uit het erfpachtcontract zijn via de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd - Stadionplein 26-30' (sgd-lo2) opgenomen in de (specifieke) gebruiksregels van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. De maximale maatvoeringen van het gebouw zijn anders dan bij het noordgebouw, omdat hier niet de bestaande bouwrechten zijn overgenomen. Dit volgt uit de omstandigheid dat er nooit een groter gebouw gemaakt had kunnen worden op basis van de bouwverordening, omdat de gebruiksmogelijkheden uit het erfpachtcontract op de vierkante meter nauwkeurig waren vastgelegd. Iedere uitbreiding van het gebouw zou dan in strijd zijn met het erfpachtcontract en zou op basis van dat kader afgewezen kunnen worden. Bij het noordgebouw was het gebruik minder strikt vastgelegd en kon het erfpachtcontract niet gebruikt worden om een vergroting op basis van de bouwverordening tegen te gaan.

In de bestemming Gemengd - 2 is een onderverdeling te vinden in de gebruiksmogelijkheden die voor beide gebouwen gelden en gebruiksmogelijkheden per pand. De eerste categorie betreft de bestemmingsomschrijving, waarin voor beide gebouwen detailhandel, mediabedrijven, cultuur, dienstverlening (m.u.v. zakelijke dienstverlening), (ondersteunende) horeca en een ondergrondse parkeergarage t.b.v. van deze functies wordt toegestaan. In de specifieke gebruiksregels worden hier nog wel beperkingen aan gegeven, zoals maximum vestigingsgroottes voor detailhandel en (ondersteunende) horeca.

Deze gebruiksmogelijkheden zijn aan een aanduiding gekoppeld om te voorkomen dat beide gebouwen dezelfde (ruime) additionele gebruiksmogelijkheden zouden krijgen naast de bestemmingsomschrijving, maar ook om deze met een eenvoudige wijziging van het bestemmingsplan te kunnen verwijderen. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, die het mogelijk maakte om de betreffende artikel van de regels waarin deze additionele gebruiksmogelijkheden zijn opgenomen, te schrappen uit het bestemmingsplan. Er is nog geen gebruik gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid. Omdat er nu sprake is van een tweetal onherroepelijke omgevingsvergunningen waarin toestemming is verleend voor een gebruik van de Citroëngebouwen dat in de additionele gebruiksmogelijkheden was geregeld, is er geen aanleiding meer om de wijzigingsbevoegdheid in dit bestemmingsplan terug te laten komen.

4.5 Stadsdeelbeleid     

4.5.1 Visie Citroëngebouwen     

In mei 2008 is een visie vastgesteld door het toenmalige Stadsdeel Oud-Zuid, over de ontwikkeling van de Citroëngebouwen. Het vormt een verkenning van de toekomstige herontwikkeling van de gebouwen in de context van de vernieuwing van het Stadionplein. Een gewijzigde invulling van de gebouwen past in de Olympische ambitie voor het gebied rond het Olympisch Stadion, alsmede in de plannen voor de Zuidas en Sportas.

In de verkenning is aangegeven dat de wens bestaat de Citroëngebouwen een meer publieke functie te geven. Daarbij moet rekening gehouden worden met de volgende zaken:

  • De herontwikkeling moet passen binnen het brede perspectief van het gebied (Olympische karakter, aansluiting op SportAs en op de Zuidas)
  • Onnodige en ongewenste concurrentie met het Stadionplein, PC Hooftstraat, Beethovenstraat en de Zuidas moet voorkomen worden.
  • Uitgangspunt is de realisatie van kwalitatief hoogwaardig programma.
  • Om de gewenste bijdrage aan de levendigheid in het gebied te kunnen realiseren, moeten de functies op de begane grond een directe relatie aangaan met het publieke domein
  • Het gewenste programma moet ook financieel haalbaar zijn (wie gaat wat betalen).

Voor het noordelijke gebouw is een combinatie van horeca en cultuur en studio-, bedrijfs- en kantoorruimtes voorzien. Voor het zuidelijke gebouw een combinatie van detailhandel, cultuur, mediabedrijven en horeca.

4.5.2 Nota 'Ondernemen in Zuid'     

In de op 26 oktober door de stadsdeelraad vastgestelde nota 'Ondernemen in Zuid' is stadsdeelbeleid voor diverse economische functies weergegeven. Het voor bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. relevante aspect is het volgende.

Kantoren: Het bestuur van Stadsdeel Zuid heeft de intentie mee te werken aan bestemmingsaanpassing van leegstaande kantoren als dat kansen biedt voor nieuw gebruik. Daarbij kan worden gedacht aan de omzetting van grote kantoren in kleinere eenheden of in bedrijfsverzamelgebouw. Daarnaast wil het stadsdeel waar mogelijk meewerken bij het mogelijk maken van tijdelijke invullingen, bijvoorbeeld voor culturele functies. Daarom worden bij nieuwe bestemmingsplannen omzettingen (dubbelfuncties) mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 5 Milieu- en omgevingsaspecten     

5.1 Archeologie en monumenten     

5.1.1 Verdrag van Malta     

Het Verdrag van Malta is een verdrag dat in 1992 werd ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Het verdrag, ook wel de Conventie van Malta of het Verdrag van Valletta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Het gaat om archeologische resten als nederzettingen, grafvelden, en gebruiksvoorwerpen. Uitgangspunt van het verdrag is dat het archeologische erfgoed integrale bescherming nodig heeft en krijgt. Dit is gevat in drie principes:

  • Streven naar behoud in situ van archeologische waarden. De bodem is de beste garantie voor een goede conservering van archeologische resten;
  • Tijdig rekening houden in de ruimtelijke ordening met de mogelijkheid of aanwezigheid van archeologische waarden, zodat er nog ruimte is voor archeologievriendelijke alternatieven. Zo wordt voorgesteld om steeds vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de bouw van bijvoorbeeld nieuwe wijken te beperken. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van de plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden;
  • De verstoorder betaalt voor het doen van opgravingen en het documenteren van archeologische waarde, wanneer behoud in situ niet mogelijk is.

5.1.2 Archeologische monumentenkaart (AMK)     

Volgens de Archeologische monumentenkaart (AMK) hebben enkele delen van het plangebied een hoge archeologische waarde. Het verwachtingsbeeld van de AMK is echter algemeen van aard en dient in het kader van de bouwplanvorming nader te worden uitgewerkt.

5.1.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie     

In juni 2010 heeft de Provincie Noord-Holland een nieuwe “Leidraad Landschap en Cultuurhistorie” vastgesteld (besluit d.d. 21 juni 2010). De vernieuwde leidraad is een uitwerking van het in 2006 vastgestelde “Beleidskader Landschap en Cultuurhistorie” die eveneens reeds werd gebruikt als leidraad voor ruimtelijke plannen als bestemmingsplannen, beeldkwaliteitsplannen en structuurplannen.

Met de nieuwe leidraad wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen en tegelijkertijd verantwoord omgaan met het verleden. De Noord-Hollandse landschappen moeten optimaal worden gebruikt door het benutten van hun kenmerkende kwaliteiten bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Nieuwe ruimtelijke plannen dienen rekening te houden met de ontwikkelingsgeschiedenis, de bebouwingskarakteristiek en de inpassing in de wijdere omgeving. Het basisuitgangspunt is daarmee 'behoud door ontwikkeling'. De leidraad is hiervoor het meetpunt en geeft richting aan het ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit.

De leidraad geeft aan welke kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang zijn. Provinciale Staten willen dat deze kwaliteiten op een zorgvuldige wijze worden meegenomen bij nieuwe ontwikkelingen waar nut en noodzaak van zijn onderbouwd Gedeputeerde Staten (GS) kunnen gemeenten ontheffing verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand bebouwd gebied, mits 'nut en noodzaak' van deze ruimtelijke ontwikkelingen door de gemeenten en initiatiefnemers van de plannen zijn aangetoond. Als nut en noodzaak is aangetoond zal de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) advies uitbrengen aan GS op het punt van ruimtelijke kwaliteit.

De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie is een geografische uitwerking van de Leidraad landschap en Cultuurhistorie. De kaart geeft informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als molens, militaire structuren en historische dijken. Ten aanzien van de archeologische waarden is de informatiekaart een herziening van de voorheen geldende Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW).

Het beleidskader in de leidraad is aangevuld met een aantal onderwerpen die voortvloeien uit de Structuurvisie Noord-Holland 2040 en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (PRVS) en die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland. De aanvullingen betreffen de aardkundige waarden en een aantal landschappelijke aspecten. In het kader van de archeologische waarden zijn twee aspecten uit de leidraad van belang:

Aardkundige waarden

Een belangrijke component van het landschap is de bodem. De verscheidenheid aan bodemeigenschappen die worden aangetroffen is het resultaat van de natuurlijke ontstaansgeschiedenis. Daarnaast worden in de bodem sporen aangetroffen van het gebruik van voorgaande generaties: de antropogene waarden van de bodem. Behoud van de bodemeigenschappen betekent dat het nu en in de toekomst mogelijk is en blijft informatie aan de bodem te ontlenen voor reconstructie van de ontstaanswijze en de bewoningsgeschiedenis. Behoud van de verscheidenheid aan bodemeigenschappen resulteert bovendien in het bewaren van een gevarieerd landschap dat vanuit het oogpunt van belevingswaarde hoog scoort: de esthetische functie van de bodem.

Bij de aardkundige waarden wordt onderscheid gemaakt naar 'Aardkundige monumenten' en gebieden met 'bijzondere aardkundige waarden'. In het plangebied (rood gemarkeerd op het kaartje) bevinden zich geen provinciale aardkundige monumenten en zijn geen gebieden met bijzondere aardkundige waarden aanwezig.

Archeologische waarden

In de leidraad is de voorheen geldende provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) herzien. De provincie Noord-Holland wordt gekenmerkt door een rijk bodemarchief, waarvan de bewaarcondities over het algemeen gunstig zijn. Dat maakt dat bijna de gehele provincie een potentiële archeologische verwachting heeft. In het licht van de structuurvisie, waarbij de provincie haar eigen belang formuleert, is een aantal gebieden in Noord-Holland aangewezen die een bovenregionale archeologische waarde vertegenwoordigen. In totaal zijn tien gebieden van provinciaal archeologisch belang aangewezen. Dit plangebied (rood gemarkeerd op het kaartje) maakt geen onderdeel uit van een van bovenstaande gebieden.

verplicht

Aardkundige monumenten en gebieden met bijzondere aardkundige waarden (links) Archeologische gebieden van provinciaal belang (rechts)

Gemeenten zijn wettelijk verplicht om bij ruimtelijke plannen voldoende rekening te houden met de te verwachte archeologische waarden en de bekende archeologische waarden (conform artikel 38a van de Monumentenwet).

5.1.4 Archeologisch bureauonderzoek     

Door Monumenten en Archeologie (M&A) van de gemeente Amsterdam is in het kader van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is nog steeds actueel, omdat er geen wijzigingen in de ondergrond hebben plaatsgevonden sedert de inwerkingtreding van dat bestemmingsplan.

Dit onderzoek is conform de richtlijnen van de KNA uitgevoerd. Daarbij is het gebruik in het verleden geïnventariseerd. Vanaf ca. de 11e eeuw is het gebied in gebruik genomen als landbouwgebied. Dit veengebied moest hiervoor goed ontwaterd worden, door middel van een strokenverkaveling. De ontginningen startten vanuit de Amstel, waarbij de Amstelveenseweg in eerste instantie als achterkade diende. In de loop van de tijd is ook deze achterkade ingebruik genomen voor bewoning en ontstond bebouwing langs deze weg. De Schinkel werd in ieder geval vanaf de 14e eeuw gebruikt als vaarverbinding tussen Amsterdam en Leiden, Delft en Dordrecht. In het begin van de 20e eeuw is de Schinkel rechtgetrokken en gekanaliseerd. In het plangebied zijn tot op heden geen archeologische vindplaatsen bekend. Langs de Amstelveenseweg zijn ten noorden van het plangebied eerder wel archeologische vondsten gedaan.

De conclusie van het onderzoek is dat er materiële overblijfselen te verwachten zijn die samenhangen met de ontginningsfase en het gebruik als veenweidegebied. Daarnaast bestaat de kans dat langs de Amstelveenseweg sporen liggen van bewoning. Deze kunnen net als de ontginningen uit de 11e-12e eeuw dateren, en bestaan naar verwachting uit diverse structuren zoals ophogings- en afvallagen, resten van houten en stenen bebouwing en losse vondsten.

Op basis van de verwachtingen is een archeologische beleidskaart opgesteld. Voor de oranjevlakken op deze kaart geldt een uitzondering van archeologisch veldonderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan de 20e-eeuwse ophoging (2,5 meter). Voor het blauwe vlak geldt een uitzondering van de verplichting tot archeologisch veldonderzoek bij ingrepen in de waterbodem kleiner dan 2.500 m2. Voor het overige plangebied geldt een vrijstelling van archeologisch veldonderzoek. Het plangebied valt in het gebied waarvoor een vrijstelling van archeologisch veldonderzoek geldt.

verplicht

Archeologische verwachtingskaart: het plangebied is opgenomen als beleidsvariant 11: geen archeologisch veldonderzoek noodzakelijk bij ingrepen in de grond.

5.1.5 Monumenten     

Monumentenwet en Modernisering monumentenzorg

Rijksmonumenten worden beschermd in het kader van de Monumentenwet. De cultuurhistorische objecten die zeldzaam of schaars zijn en die voor mensen in hoge mate het beeld van Nederland bepalen, worden aangewezen als monumenten. In de Monumentenwet 1988 is vastgelegd hoe monumenten van bouwkunst en archeologie en stads- en dorpsgezichten moeten worden beschermd. 

De Monumentenwet stamt oorspronkelijk uit het begin van de twintigste eeuw. Het denken over de omgang met monumenten is sindsdien sterk veranderd. Kenmerken zijn een verschuiving in denken van object naar gebied en van behoud naar ontwikkeling. Het monumentenstelsel is om die reden herzien.

De hoofdlijnen van deze herziening staan verwoord in de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo, 2009). De belangrijke pijlers van MoMo zijn:

  • cultuurhistorische belangen meewegen in de ruimtelijke ordening;
  • krachtiger en eenvoudiger regels;
  • herbestemmen van monumenten die hun functie verliezen.

Ter uitvoering van de eerste pijler van MoMo is onder andere het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Per 1 januari 2012 schrijft artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, Bro voor dat gemeenten in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving geven van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. 

Hiermee wil de rijksoverheid ervoor zorgen dat er in de monumentenzorg niet alleen oog is voor het monument zelf, maar ook voor de omgeving ervan en het gebied op zichzelf: het zogenaamde gebiedsgerichte erfgoedbeleid. Het kabinet heeft 5 prioriteiten in het gebiedsgerichte erfgoedbeleid:

1. Werelderfgoed: samenhang borgen, uitstraling vergroten

De economische betekenis van het Nederlandse Werelderfgoed wordt vergroot door het toerisme te bevorderen.

2. Veiligheid en eigenheid zee, kust en rivieren

Het rijk start onder meer samen met de provincies een pilotproject Kust & Erfgoed.

3. Herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: focus op groei en krimp

Er komt een pilot programma Gebiedsgerichte Erfgoedzorg & Krimp. Het behoud van historische gebouwen is belangrijk om krimpgebieden aantrekkelijk te houden.

4. Levend landschap: erfgoed, economie en ecologie brengen elkaar vooruit

Het kabinet wil de ontwikkeling van cultureel erfgoed verbinden met opgaven als biodiversiteit en energietransitie.

5. Wederopbouw: tonen van een tijdperk

De periode 1940-1965 moet herkenbaar aanwezig blijven in Nederland. Er zijn in deze periode veel innovaties ontwikkeld - massawoningbouw, standaardisering van het bouwproces, functiescheiding - die aandacht en bescherming verdienen.

Bij voorbereiding van een bestemmingsplan zullen gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een plangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in het bestemmingsplan verankerd worden.

Historische geografie

De historische geografie maakt ook onderdeel uit van de cultuurhistorie en gaat met name in op de onderdelen van het landschap die iets tonen van de geschiedenis van een gebied. Daarbij gaat het om elementen en structuren, zoals wegenpatronen, dijken, waterwegen e.d.

Het wettelijke kader voor deze historisch-geografische waarden is in het begrip cultuurhistoirsche waarden in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen. In artikel 3.1.6 van het Bro is aangegeven dat in het bestemmingsplan moet worden aangetoond op welke wijze rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden.

De gemeente Amsterdam heeft rekening houden met de cultuurhistorische waarden ook opgenomen in de beleidsnota's 'Ruimte voor Geschiedenis' (2005) en 'Erfgoed, spiegel van de stad. Visie op het erfgoed van Amsterdam' (2011).

Beschermd Stadsgezicht

Op 4 oktober 2017 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Minister Infrastructuur en Milieu het gebied Plan Zuid vanwege zijn historisch-ruimtelijk karakter aangewezen als beschermd Stadsgezicht. Dit besluit is op 4 oktober 2017 gepubliceerd en treedt op 1 april 2018 in werking.

In het voorliggende bestemmingsplan wordt rekening gehouden met de recente aanwijzing van het beschermd stadsgezicht. De bestemmingsgrenzen zijn strak langs de contouren van de beide panden gelegd, daarnaast zijn maximale (bestaande) bouwhoogten opgenomen. Het bestemmingsplan voorziet zodoende in een beheerregeling die de bestaande en vergunde situatie vastlegt. Verder is de dubbel-bestemming Waarde - Cultuurhistorie aan het Noordgebouw is toegekend. De voor 'Waarde - cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. Voor het slopen van bouwwerken is een omgevingsvergunning vereist waarbij onder andere advisering door Bureau Monumenten en Archeologie is vereist. Verdere bescherming van het monument verloopt via de Monumentenwet en de Wabo, maar het is wel inzichtelijk gemaakt in de verbeelding dat beperkingen kunnen gelden vanuit het belang van het behoud van cultuurhistorische waarden. Voor het Zuidgebouw geldt dat deze onvoldoende cultuurhistorische waarde vertegenwoordigd om hiervoor een beschermende regeling voor op te nemen. E.e.a. blijkt uit het cultuurhistisch advies dat in het kader van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. is opgesteld. Er staat “feitelijk is de zuidelijke garage abusievelijk als orde 2 aangegeven, aangezien deze in 1972 werd herbouwd“ (Cultuurhistorische verkenning en advies, BMA 2012). Voor dit gebouw is dus geen nader onderzoek nodig.

5.2 Milieu     

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. In het besluit wordt onderscheid gemaakt in m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten en m.e.r.-plichtige activiteiten. Het aantal situaties waarvoor een m.e.r. verplicht moet worden uitgevoerd is verminderd. Er zijn nu meer situaties waar eerst beoordeeld kan worden of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije MER-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

  1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
  2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r.

De diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling hangt af van:

  1. de aard van de voorgenomen activiteit;
  2. de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd;
  3. de maatschappelijke aandacht voor de activiteit;
  4. mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden.

Het bestemmingsplan voorziet in afwijkend gebruik binnen een bestaand gebouw en een voor stedelijke begrippen geringe uitbreiding. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (waaronder luchtkwaliteit, flora en fauna, waterhuishouding) doen zich niet voor. Het opstellen van een milieueffectrapportage is daarom niet nodig.

5.2.1 Provinciaal Milieubeleidsplan 2009-2013     

In het Provinciaal Milieubeleidsplan (PMP) staan de milieudoelen van de provincie. Ook wordt beschreven hoe die milieudoelen moeten worden gerealiseerd en binnen welke termijn. Het biedt gemeenten en waterschappen een kader voor hun beleid en geeft ondernemers en burgers inzicht in toekomstige ontwikkelingen en maatregelen. Voor de provincie is het de basis voor de vergunningverlening en handhaving. Daarnaast gebruikt de provincie het milieubeleidsplan om te kijken welke rol het milieu moet spelen in andere beleidsplannen.

Het hoofddoel in het milieubeleidsplan is om in de komende vier jaar overal in Noord-Holland de zogeheten basiskwaliteit te bereiken. Daarbij zijn er twee overkoepelende doelen:

  • het voorkomen van schade aan de menselijke gezondheid, dier en plant;
  • het stimuleren van duurzame ontwikkeling in Noord-Holland voor nu en in de toekomst, zonder afwenteling van de milieubelasting naar elders.

Om de doelen te bereiken worden activiteiten uitgevoerd op de volgende thema's: Afval, Bodem, Externe Veiligheid, Geluid, Geur, Licht en donkerte, Lucht, Klimaat en energie. De provincie zal ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, toetsen op energieaspecten en doelstellingen ten aanzien van duurzaam waterbeheer. Nieuwe woon- en werkgebieden moeten een duurzame inrichting krijgen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

5.2.2 Milieubeleidsplan 2011-2014     

In het Milieubeleidsplan 2011-2014 van Stadsdeel Zuid staan de visie en de doelen van het stadsdeel voor de volgende onderwerpen centraal: lucht, geluid, klimaat, duurzaam inkopen, groen, water, bodem en afval. Stadsdeel Zuid draagt bij aan de doelstelling van Amsterdam om in 2011 aan de Europese normen voor fijn stof te voldoen en in 2015 aan de normen voor stikstofdioxide. Daarnaast draagt Stadsdeel Zuid bij aan de doelen van de gemeente Amsterdam op het gebied van geluidhinder, die onder andere betrekking hebben op het terugdringen van geluidhinder. Doel daarbij is dat binnen 10 jaar (2018) er geen gevels meer zijn met een belasting door stedelijk wegverkeer boven 68 dB.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stadsdeelbeleid.

5.3 Natuur     

5.3.1 Wet natuurbescherming     

Voor de bescherming van diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 98, Flora en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten. Indien uit gegevens dan wel onderzoek blijkt dat er sprake is van (een) beschermde soort(en) en het bouwwerk en/of de activiteit beschadiging of vernieling van voortplantings- of rustplaatsen dan wel ontworteling of vernieling veroorzaakt, zal de betreffende bouwwerkzaamheid of activiteit pas kunnen plaatsvinden na ontheffing of vergunning.

In 2012 is in het kader van het bestemmingsplan 'Olympisch Stadion e.o.' een Natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in opdracht van het stadsdeel, waaruit blijkt dat het gebouw niet geschikt is voor vleermuizen. Huismussen en gierzwaluwen komen mogelijk voor in het noordelijk deel van dat bestemmingsplangebied (Havenstraatterrein) en dus niet in de onderhavige gebouwen. Nader onderzoek is niet nodig.

Het bestemmingsplan gaat niet uit van nieuwe ontwikkelingen op basis waarvan een ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied ligt daarnaast volledig buiten de Hoofdgroenstructuur van de gemeente Amsterdam.

5.3.2 Gemeentelijke Gedragscode Flora- en Faunawet (2009)     

Voor de gehele gemeente Amsterdam geldt de in 2009 vastgestelde 'Gedragscode voor het zorgvuldig handelen bij ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer en onderhoud'. De gedragscode is geldig vanaf 18 december 2009 tot en met 18 december 2014. In de gedragscode worden de voorzorgsmaatregelen beschreven die erop zijn gericht de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten die binnen haar gemeente grenzen voorkomen, bij het uitvoeren van werkzaamheden te handhaven dan wel te versterken.

Met de gedragscode voldoet de gemeente aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 16c van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten Flora- en faunawet. De gedragscode is van toepassing op alle medewerkers van de gemeente Amsterdam die zelf of samen met andere werkzaamheden uitvoeren of die daartoe opdracht geven aan derden. Deze derden verklaren bij hun werkzaamheden de Gedragscode flora en fauna van de gemeente Amsterdam te onderschrijven en te volgen.

De gedragscode heeft betrekking op plannen en projecten die in opdracht van of door de gemeente Amsterdam worden voorbereid en uitgevoerd. De gedragscode betreft:

  • De voorbereiding en uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling;
  • Het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van bestendig beheer en onderhoud.

Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en of andere activiteiten zal rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van de te beschermen plant- en diersoorten, die genoemd worden in de “Checklist beschermde soorten in de Gemeente Amsterdam”, de “Handleiding Flora- en faunawet en ruimtelijke planvorming” en het “Soortenbeleid Gemeente Amsterdam” en bijbehorende doelsoortenlijst. Voor bepaalde soorten is ontheffing van de Flora- en faunawet vereist. Als de gedragscode wordt gevolgd, geldt voor een aantal soorten dat geen ontheffing nodig is.

5.4 Bodem     

Het doel van de Wet bodembescherming is het behoud en de verbetering van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. In geval van graafwerkzaamheden is een bodemonderzoek aan de orde om te bepalen of eventuele vervuilde grond gesaneerd dient te worden. De waterbodem was onderdeel van de Wet Bodembescherming, maar maakt sinds 22 december 2009 onderdeel uit van de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet is leidend. Met het Besluit Uniforme Saneringen is het mogelijk om eenvoudige saneringen in korte tijd af te ronden.

5.4.1 Wet bodembescherming     

Voor bodem en bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming (Wbb), inclusief de aanvullende besluiten. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. De Wet bodembescherming kent nieuwe gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan na 1 januari 1986) waarbij er sprake is van een saneringsplicht die direct van kracht is. Voor oude gevallen van bodemverontreiniging is de start van de sanering afhankelijk van de ontoelaatbare risico's voor de mens, verspreiding of het milieu nu en in de toekomst. Met name de saneringsverplichtingen zijn gekoppeld aan ontoelaatbare risico's die samenhangen met het (toekomstig) gebruik van de bodem. De uitvoering van deze verplichte saneringen is flexibel: het is niet altijd nodig de hele verontreiniging aan te pakken door de verontreiniging te ontgraven. Er kan ook sprake zijn van deelsaneringen of een gefaseerde aanpak of isoleren. De wettelijke doelstelling is functiegericht saneren. De Wbb houdt daarnaast rekening met de (im)mobiliteit van de verontreiniging. De bodem wordt geschikt gemaakt voor het voorgenomen gebruik, door de blootstelling en de verspreiding van de verontreiniging te beperken en de nodige beheersmaatregelen te treffen.

Wanneer economische en maatschappelijke omstandigheden rond de verontreinigde locatie echter om uitstel vragen, kunnen tijdelijke maatregelen worden genomen, op voorwaarde dat de risico's voldoende worden beheerst.

Voor het bestemmingsplan heeft de Wet bodembescherming voornamelijk betekenis voor zover nieuwe ontwikkelingen worden toegestaan. Het bestemmingsplan maakt bij recht geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, daar waar nieuwe ondergrondse (bouw-)werkzaamheden worden toegestaan dient bodemonderzoek verricht te worden.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze wetgeving. In het kader van het bestemmingsplan is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet aan de orde, omdat in het plangebied geen nieuwe bouwmogelijkheden in de ondergrond bij recht worden toegestaan.

5.4.2 Amsterdams Uitvoeringsprogramma Bordemsanering     

Het beleidskader voor bodem in de gemeente Amsterdam is verwoord in het “Amsterdams Uitvoeringskader Bodemsanering”. De belangrijkste aspecten hierin zijn functiegericht saneren, middels isolatie of door aanbrengen van een leeflaag met een minimale kwaliteit, en het saneren van mobiele verontreinigingen. De bodemkwaliteitskaart Amsterdam, waarop zones staan met elk een eigen bodemkwaliteit, is bedoeld voor iedereen die van plan is grond toe te passen in Amsterdam. De kaarten worden in Amsterdam gebruikt voor het bepalen van de mogelijkheden van hergebruik en toepassen van

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijke beleid.

5.4.3 Nota Bodembeheer Amsterdam     

De gemeenteraad van Amsterdam heeft op 4 april 2012 de “Nota Bodembeheer” vastgesteld. In de nota worden normen voor bodemkwaliteit gewaarborgd volgens het stand-still principe binnen Amsterdam, het uitgangspunt waarbij de kwaliteit van de bodem binnen de gemeentegrenzen niet verslechtert. Bij de keuze van de lokale normen is rekening gehouden met het daadwerkelijke gebruik van de bodem, de gemiddelde gehalten in een gebied en mogelijke blootstelling aan verontreiniging. Onderdeel van de nota is de bodemkwaliteitskaart, waarop Amsterdam is ingedeeld in zeven zones, gedefinieerd op basis van bodemkwaliteit en ophooggeschiedenis. Elke bodemkwaliteitszone heeft een bepaalde kwaliteit, die consequenties heeft voor het toegestane grondverzet en de kwaliteit van de grond die er op mag worden aangebracht, afhankelijk van de bodemfunctie. Bij gebruik van de bodemkwaliteitskaart als wettelijk bewijsmiddel bij grondverzet is het in veel gevallen niet nodig een bodemonderzoek uit te voeren.

Ten behoeve van de nieuw te bouwen kelder onder het Zuidgebouw is een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat in het gedeelte van het gebouw dat gesloopt gaat worden minerale oliën en koper aanwezig is. Er is geen sprake van een actueel (humaantoxicologisch, ecologisch en verspreidings-) risico. Derhalve bestaat er vanuit de Wbb geen noodzaak tot spoedeisende sanering. Indien er in de sterk met koper en minerale olieën verontreinigde grond gewerkt gaat worden dient voor begin van de werkzaamheden een melding te zijn gedaan in het kader van het ‘Besluit uniforme saneringen’ (BUSmelding). Voor beide veontreinigingen is dit reeds gedaan, waarbij voor de minerale oliën wordt voorgesteld om een open ontgraving te verrichten tot de terugsaneerwaarde van grond(water) en voor de koperhoudende grond om daar een duurzame aaneengesloten afdeklaag aan te brengen.

5.5 Water     

Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de “Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw” ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water dat is geactualiseerd in juni 2008. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om dergelijke ruimtelijke plannen te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming).

Het plangebied van het bestemmingsplan valt binnen het beheersgebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Waternet voert de zorg voor het oppervlaktewatersysteem uit in opdracht van AGV. In opdracht van Amsterdam voert Waternet overige watertaken uit, met name de grondwaterzorgtaak, de zorg voor afvoer en behandeling van afvalwater, de drinkwatervoorziening en het nautisch toezicht in de Amsterdamse stadsboezem.

5.5.1 Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)     

Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken.

5.5.2 Nationaal Waterplan (NWP)     

Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid. Het NWP beschrijft de maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Ook is een eerste beleidsmatige uitwerking van het advies van de Deltacommissie opgenomen in dit Nationaal Waterplan.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit Rijksbeleid.

5.5.3 Provinciaal Waterplan 2010 - 2015     

Provinciale Staten hebben op 16 november 2009 het “Provinciaal Waterplan 2010-2015” vastgesteld. Het motto van het Waterplan is beschermen, benutten, beleven en beheren van water. De klimaatverandering, het steeds intensievere ruimtegebruik in Noord-Holland en de toenemende economische waarde van wat beschermd moet worden, vragen om een herbezinning op de waterveiligheid, het waterbeheer en de ruimtelijke ontwikkeling.

In het Waterplan wordt per thema behandeld wat de provincie zelf doet tot en met 2015 en wat de provincie verwacht van Rijk, Rijkswaterstaat, waterschappen, gemeenten, terreinbeheerders en bedrijfsleven. De provincie versterkt de uitvoering van het plan en bewaakt de voortgang door samen met haar partners een uitvoeringsprogramma voor de hele planperiode op te stellen.

In het Waterplan worden vier uitgangspunten gehanteerd:

  • Klimaatbestendig waterbeheer: De waterkeringen, het watersysteem en de ruimtelijke inrichting moeten voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering;
  • Water mede sturend in de ruimte: Water is een belangrijke sturende factor in de ruimtelijke ontwikkeling. Op sommige plekken, zoals in de omgeving van dijken, is water vanwege de veiligheid zelfs het belangrijkste sturende element. Elders is water volgend in de ruimtelijke afweging;
  • Centraal wat moet, decentraal wat kan: Met de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening is 'centraal wat moet, decentraal wat kan' de nieuwe sturingsfilosofie van het Rijk die de provincie overneemt. De uitgangspunten van deze vernieuwingen zijn: minder regels, meer uitvoeringsgericht, modernisering en stroomlijning van de regels;
  • Gebiedsgerichte en resultaatgerichte benadering: Het Noord-Hollandse landelijk gebied zoals dat nu ervaren wordt is het resultaat van het leven met en de strijd tegen water. Daarbij moet worden gedacht aan de terpen, dijken, molens en droogmakerijen. Sinds 2007 heeft de provincie dankzij het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) een belangrijke regierol voor de inrichting en het beheer van het landelijk gebied. Met het Rijk heeft de provincie uitvoeringsafspraken gemaakt voor de periode 2007-2013. De uitvoering van het waterbeleid vraagt maatwerk via een gebiedsgerichte aanpak.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

5.5.4 Waterbeheerplan 2016-2021     

Het Waterbeheerplan 2016-2021 is het kompas voor Waterschap Amstel, Gooi en Vecht voor de komende zes jaar. Hierin staat wat het Waterschap doet aan veiligheid, de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en aan efficiënte zuivering van afvalwater. Ook zet het waterschap zich in voor het behoud van cultuurhistorisch erfgoed en de natuur. Het waterbeheerplan is op 8 oktober 2015 goedgekeurd door het Algemeen Bestuur van het waterschap en is vanaf 1 januari 2016 van kracht.

5.5.5 Keur AGV     

De Waterschapswet zegt in artikel 78 dat het waterschap verordeningen mag opstellen voor de "behartiging van aan het waterschap opgedragen taken". In december 2011 is de Keur van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) inwerking getreden. De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen:

  • Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste;
  • Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen
  • Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden’ en ‘geboden’ voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem.

5.5.6 Legger     

De legger is een openbaar register van AGV waarin wordt bepaald aan welke eisen (diepte, hoogte, sterkte etc.) de wateren, dijken en kunstwerken moeten voldoen. Het is een openbaar register van het waterschap en dient als uitwerking van de Keur.

5.5.7 Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam     

De gemeente Amsterdam is wettelijk verantwoordelijk voor drie watertaken. Deze zogenaamde zorgplichten betreffen:

  • de inzameling en transport van stedelijk afvalwater;
  • de inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater;
  • het nemen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied.

In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterda, 2016-2021 staat hoe deze drie zorgplichten door de gemeente Amsterdam worden ingevuld. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam haar watertaken uitvoert, en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen. Hiermee voldoet de gemeente aan de planverplichting zoals die in de Wet milieubeheer (artikel 4.22) is opgenomen.

De primaire doelen van de gemeentelijke watertaken zijn:

  • het beschermen van de volksgezondheid;
  • het bijdragen aan schoon en helder water;
  • het zorgen voor droge voeten;
  • het zorgen voor een goede leefomgeving.

Per gemeentelijke watertaak is de algemene beleidslijn aangegeven. De algemene uitgangspunten zijn:

verplicht

Het bestemmingsplan voldoet aan deze algemene uitgangspunten.

5.5.8 Verordening op het Binnenwater     

Op 1 februari 2010 is de gemeentelijke Verordening op het binnenwater (VOB) in werking getreden. In de verordening is aangegeven dat het water en de stad Amsterdam onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het 'blauwe goud' is een kenmerkende en waardevolle kwaliteit van de stad. In de verordening is een driedeling gemaakt in de verantwoordelijkheden voor het water:

  • Water als transportsysteem (nautisch vaarwegbeheer): De scheepvaart over de vaarwegen vraagt om een nautische (verkeerstechnische) ordening (vaarrichting, afmeerverbod, et cetera). In grote lijnen is de stad verdeeld over twee gemeentelijke nautische beheerders, te weten het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied over het havengebied en de dienst Binnenwaterbeheer (tegenwoordig: Waternet) over het binnenwater. De VOB vormt een (gemeentelijke) aanvulling op de landelijke wet- en regelgeving die de nautische beheerders tot hun beschikking hebben voor het toezicht op een vlot en veilig verloop van het scheepvaartverkeer;
  • Water als onderdeel van de openbare ruimte: Water maakt onderdeel uit van de openbare ruimte. Stadsdelen zijn verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van de openbare ruimte. Op basis van de VOB zijn stadsdelen bevoegd om vergunningen af te geven voor het afmeren van woonboten, bedrijfsvaartuigen, objecten en het aanleggen van steigers. Hierbij moeten de voorwaarden van de waterbeheerder (de Keur) en de nautisch vaarwegbeheerder (bijvoorbeeld doorvaartprofielen) in acht worden genomen;
  • Water als 'fysiek systeem' (waterbeheer): Waterbeheerders beheren de kwantiteit en kwaliteit van het watersysteem. Het Rijk en de provincie zijn hier bevoegd gezag, waarbij taken op- of overgedragen zijn aan respectievelijk Rijkswaterstaat of aan waterschappen. Het waterbeheer valt buiten de gemeentelijke bevoegdheden - en dus buiten de VOB.

De VOB bevat geen inhoudelijke bepalingen die betrekking hebben op de ruimtelijke inrichting, bijvoorbeeld of een woonboot ergens permanent mag worden afgemeerd. Hiertoe zijn veeleer de Wet op de ruimtelijke ordening en het bestemmingsplan de aangewezen juridische instrumenten. Bij afgifte van een ligplaatsvergunning toetst het bestuursorgaan vervolgens (onder andere op basis van het bestemmingsplan) of dit vanuit de optiek van de ruimtelijke ordening is toegestaan.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

5.5.9 Waterparagraaf     

Proces waterparagraaf

Het Rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen hebben in februari 2001 de 'Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw' ondertekend. Hierin is vastgelegd dat de betrokken partijen de 'Watertoets' toepassen op alle relevante ruimtelijke plannen met waterhuishoudkundige consequenties. In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen. De Watertoets is een instrument om ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit (ruimte voor water) en waterkwantiteit en veiligheid (overstroming). Bij het voorliggende bestemmingsplan is de waterbeheerder (Waternet) betrokken bij de voorbereiding van het bestemmingsplan.

Uitwerking Waterparagraaf

Waterkeringen

In het plangebied bevinden zich geen waterkeringen, maar bij de Amstelveenseweg is wel een secundair indirecte verholen waterkering (boezemcompartimentering) aanwezig. Dit heeft geen gevolgen voor het plangebied.

verplicht

Uitsnede kaart Keur AGV

Waterberging

Bij een toename van de oppervlakte verharding van 1.000 m² en meer dient de toename aan verharding gelet op de Keur 2011 te worden gecompenseerd in de vorm van 10-20% oppervlaktewater of alternatieve vormen van waterberging. Demping van oppervlaktewater moet voor 100% worden gecompenseerd. Als binnen het plangebied geen mogelijkheid is voor het creëren van compensatie dient elders in hetzelfde peilvak gecompenseerd te worden.

In het kader van dit bestemmingsplan is geen sprake van demping van oppervlaktewater, compensatie is daarom niet noodzakelijk.

Waterkwaliteit

Gebruik materialen

Op basis van de Keur is het niet toegestaan om initiatieven te ontplooien die leiden tot een verslechtering van de (grond)waterkwaliteit. Het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink en koper beïnvloedt de kwaliteit van regen- en oppervlaktewater negatief en is daarom niet toegestaan.

Riolering, hemelwaterafvoer

Schoon hemelwater afkomstig van schone dakoppervlakken wordt zoveel mogelijk hergebruikt, geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater via een vegetatiedak. Het aanleggen van nieuwe gemengde rioolstelsels is in principe niet toegestaan.

Grondwaterzorgtaak namens gemeente Amsterdam

Grondwateroverlast dient te worden voorkomen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet vaak met geohydrologisch onderzoek zijn aangetoond dat wordt voldaan aan de grondwaternorm en dat in omliggende, bestaande wijken de grondwaterstand niet verslechtert. In overleg met Waternet kan worden bepaald of en zo ja wat voor geohydrologisch onderzoek nodig is voor concrete ondergrondse ontwikkelingen. De grondwaternorm voor nieuw te realiseren bouwlocaties is vastgesteld in het “Plan gemeentelijke watertaken” en luidt: "Daar waar zonder kruipruimte gebouwd wordt mag de grondwaterstand niet vaker dan gemiddeld eens per twee jaar, niet langer dan 5 dagen achtereen minder dan 0,5 meter onder het maaiveld staan". Waar met kruipruimtes wordt gebouwd geldt een norm van 0,9 meter.

  • Kelders en souterrains: Kelders, souterrains en andere ondergrondse bouwwerken moeten waterdicht worden uitgevoerd. Ondergrondse werken mogen een vrije afstroming van grondwater naar het oppervlaktewater niet belemmeren. Aangetoond moet worden, indien noodzakelijk aan de hand van geohydrologisch onderzoek, dat de ondergrondse constructie geen nadelige gevolgen heeft op de grondwaterstanden in de omgeving. In dit bestemmingsplan is ondergronds bouwen toegestaan na een afwijking van het bestemmingsplan. Eén van de voorwaarden daarbij is dat ondermeer de diensten die zijn belast met het waterbeheer, geen bezwaar hebben tegen de ontwikkeling. Op deze wijze zijn de waterhuishoudkundige belangen geborgd. Voor de nieuw te bouwen kelder onder het Zuidgebouw is onderzoek gedaan naar de gevolgen voor het grondwater. Dit onderzoek is uitgevoerd door Fugro (31 augustus 2015). Geconcludeerd is dat, wegens breedte van de kelder van circa 32 meter en de watervoerende topzandlaag volledig wordt afgesloten, kan de kelder in theorie een barrière vormen tegen grondwaterstroming. Gezien de zeer beperkte grondwaterstroming op de projectlocatie wordt echter geen significant effect verwacht.
  • Drainage: Het aanbrengen van drainage is niet toegestaan vanwege de kans op verstoppingen en het permanent lozen op het oppervlaktewater.

Het bestemmingsplan voldoet aan deze watertoets.

5.6 Geluid     

5.6.1 Wet geluidhinder     

In de Wet geluidhinder zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. In de Wet geluidhinder is het begrip zone geïntroduceerd om de kans op geluidoverlast zoveel mogelijk te voorkomen. Een zone kan worden gezien als een aandachtsgebied voor geluid langs of rond een geluidsbron, waarbinnen gestreefd moet worden naar een akoestisch optimale situatie.

Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet de aandacht worden gericht op geluidsgevoelige functies en dienen de daarvoor geldende grenswaarden in acht te worden genomen. Daarbij is sprake van een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens, de maximale grenswaarde. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in reken- en meetvoorschriften. Het bevoegd gezag kan ook een zogenaamde hogere grenswaarde dan de voorkeursgrenswaarde vaststellen. Die vast te stellen hogere waarden mogen niet hoger zijn dan de maximale grenswaarden.

Slechts in onderstaande gevallen kan gemotiveerd, en zo min mogelijk, gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om hogere grenswaarden vast te stellen voor woningen en andere geluidsgevoelige objecten:

  • Indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de verwachte geluidsbelasting van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige objecten tot de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, onvoldoende doeltreffend zal zijn;
  • Indien geluidsmaatregelen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeers- en vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoet.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze wetgeving.

5.6.2 Amsterdams geluidbeleid 2016     

Op 12 juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders (B&W) het 'Amsterdams Geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder' vastgesteld, waarmee het beleid 'Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams beleid' (2007)' is geactualiseerd en herijkt.

Volgens de Wet geluidhinder mogen woningen worden gebouwd als de geluidbelasting op de gevel niet hoger is dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde. B&W is bevoegd om een hogere waarde vast te stellen (tot de maximale hogere waarde als bepaald in de Wet geluidhinder). In het Amsterdams geluidbeleid is beschreven onder welke voorwaarden het vaststellen van hogere waarden aanvaardbaar is. In de Wet geluidhinder is geregeld dat geen woningen mogen worden gebouwd als de maximale waarde overschreden wordt, tenzij de woning wordt uitgevoerd met een dove gevel. Een dove gevel is een gevel zonder of alleen bij uitzondering te openen delen (zoals een nooduitgang). Het Amsterdams geluidbeleid is minder streng dan de Wet geluidhinder. Het geluidbeleid geeft mogelijkheden voor onderbrekingen in de dove gevel waarin de wet niet voorziet en biedt daarmee voor de bouw van woningen (en andere geluidgevoelige gebouwen) meer mogelijkheden dan landelijke regelgeving feitelijk toestaat.

Doel van het geluidbeleid

Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de bouw van woningen (en andere geluidgevoelige gebouwen) op geluidbelaste locaties. Van belang voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is tenminste het rustig kunnen slapen met een geopend raam in het slaapvertrek. De slaapvertrekken bevinden zich dan ook bij voorkeur aan de stille zijde zodat met open raam geslapen kan worden. De verplichting van de stille zijde wijkt niet af van het geluidbeleid 2007. Door het doel van het geluidbeleid centraal te stellen wordt het verzoek hogere waarde getoetst aan het doel. In het geluidbeleid wordt een aantal middelen als voorbeeld genoemd waarmee dit doel bereikt kan worden. Het kan voorkomen dat nieuwe (innovatieve) oplossingen voorgesteld worden om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te realiseren. Dit betekent dat ook voorgestelde middelen die niet als zodanig in nieuwe geluidbeleid beschrijven zijn, toch binnen de kaders van het geluidbeleid vallen. Het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA) zal hierover adviseren.

Stille zijde

Het Amsterdams geluidbeleid eist bij de vaststelling van hogere waarden in principe een geluidluwe of stille zijde bij een woning. Als de woning met een dove gevel wordt uitgevoerd is een stille zijde verplicht. Bij andere geluidgevoelige gebouwen dan woningen geldt de verplichting van een stille zijde niet. Een stille zijde (of stille gevel) is de gevel waar de geluidbelasting op het te openen deel ten hoogste de voorkeursgrenswaarde volgens de Wet geluidhinder bedraagt. Volgens de Wet geluidhinder wordt de geluidbelasting per bron beoordeeld. Volgens de Wet geluidhinder is cumulatie aan de orde als het geluidgevoelig object in de zone van twee of meer bronnen ligt: dan moet gemotiveerd worden hoe met de samenloop van bronnen rekening is gehouden. In het geluidbeleid is aangegeven wanneer er van deze verplichting tot het realiseren van een stille zijde kan worden afgeweken, bijvoorbeeld bij kleine woningen voor jongeren of studenten die verhuurd worden met tijdelijke huurovereenkomsten of campuscontracten. Anders dan in het voorgaande geluidbeleid staat het nieuwe geluidbeleid een geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde bij een stille zijde toe. Dat met deze beperkte overschrijding toch een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt bereikt dient gemotiveerd te worden. Volgens wettelijke bepalingen moet bij een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde een hogere waarde worden vastgesteld.

Stille buitenruimte

De stille buitenruimte wordt in het nieuwe beleid beschreven als een extra kwaliteit van een woning. Er is geen sprake van een nieuwe verplichting ten opzichte van het Amsterdams geluidbeleid 2007. Het voorstel lijkt nieuw in het Amsterdams geluidbeleid, maar is een invulling van het begrip 'stille gevel'. Als elk punt op een gevel stil is, kan ook de buitenruimte als stil worden beschouwd. Als een gevel echter door afscherming maar gedeeltelijk stil is, volgt uit het doel van het beleid (een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat) dat ook de buitenruimte stil moet zijn op een plek waar de bewoner verblijft. Materieel gezien is dit dus niet te beschouwen als nieuw beleid in het Amsterdams geluidbeleid.

Dove gevel

Voorbeelden voor mogelijke onderbrekingen van de dove gevel worden beschreven. De huidige uitvoeringspraktijk is hierbij leidend. Het Amsterdams geluidbeleid 2016 sluit andere acceptabele onderbrekingen niet uit. Deze kunnen worden voorgelegd en besproken bij het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA). TAVGA zal dit betrekken in de advisering.

  1. Volgens de huidige uitvoeringspraktijk zijn onderbrekingen van de dove gevel toegestaan met verglaasde balkons, serres en loggia's. Deze voorzieningen mogen uitgevoerd worden met te openen delen. In de bouwbrieven was niet aangegeven hoe groot deze te openen delen mochten zijn. Volgens de notitie herijking mochten de afgeschermde buitenruimten worden uitgevoerd met panelen die gedeeltelijk of in het geheel kunnen worden weggeschoven. Formeel zijn te openen delen in een dove gevel in strijd met wettelijke bepalingen. Een te openen deel van ten hoogste 50% van het oppervlak wordt echter een acceptabel geacht omdat de bewoner zo de keuze heeft het verglaasd balkon of de loggia geheel te sluiten of te openen.
  2. In principe is een (voor)deur in een dove gevel niet mogelijk en in strijd met landelijke regelgeving. Het Amsterdams geluidbeleid staat een voordeur in een dove gevel toe als achter de voordeur geen sprake is van een ruimte waarop de toegangsdeuren op de geluidgevoelige ruimte uitkomen bij bestaande bouw en bij transformatie van functies. Bij nieuwbouw geldt dat in principe geen voordeur in een dove gevel wordt toegestaan. In uitzondering hierop is een voordeur acceptabel als deze deur niet op (een deel van) de woning uitkomt (bijvoorbeeld: een gemeenschappelijk trappenhuis; de woningscheidende deur bevindt zich in de gemeenschappelijke ruimte).
  3. Het coulissenscherm als ook de tweede gevel bij transformatie zijn in het beleid beschreven als alternatieven voor een dove gevel.

Buitenlucht en capaciteitsbepaling

Bij capaciteitsbepaling wordt verwezen naar de spuiventilatie van de woning volgens eisen bouwbesluit.

Akoestisch onderzoek, berekeningswijzen

Het Amsterdams geluidbeleid geeft aan op welke wijze de geluidbelasting op de gevel berekend wordt. In principe kan gerekend worden met modellen gebaseerd op de Standaard Rekenmethoden. Bij bijzondere afschermende constructies kunnen gespecialiseerde modellen worden gebruikt.

Interpretatie en afwijken van beleid

Gebleken is dat de knelpunten vooral interpretatie van beleid in de uitvoeringspraktijk betroffen. In het nieuwe beleid is aangegeven wat te doen bij vragen over de interpretatie en de expliciet de mogelijkheid gegeven af te wijken van het beleid. Op zwaar en/of complexe geluidbelaste locaties (Zuidas of transformatie) is het niet uitgesloten dat een afwijking van beleid noodzakelijk is.

Aandachtspunten

De voorgestelde onderbrekingen van de dove gevel verdienen extra aandacht. Volgens landelijke regelgeving valt een gevel niet onder de bescherming van de Wet geluidhinder als deze als dove gevel is uitgevoerd. Kort gezegd is een dove gevel een gevel met alleen bij uitzondering te openen delen. Volgens de toelichting is een bij uitzondering te openen deel bijvoorbeeld een nooduitgang.

In de bestaande uitvoeringspraktijk (bouwbrieven) werden onderbrekingen in de dove gevel toegestaan. Zo kon een dove gevel onderbroken worden met afgeschermde buitenruimten zoals serres, loggia's en verglaasde balkons. Deze afgeschermde buitenruimten mochten worden voorzien van wegschuifbare panelen. In het nieuwe beleid is dit niet anders. Het beleid 2007 liet de vraag over de grootte/afmetingen van deze wegschuifbare panelen onbeantwoord. Het nieuwe beleid geeft aan dat de buitenruimten mogen worden uitgevoerd met volledig wegschuifbare panelen indien een hogere waarde is toegekend, en een opening van maximaal 50% als de maximaal toelaatbare waarde is overschreven (d.w.z. bij een formeel dove gevel). Voorwaarde is, was en blijft dat bij gesloten panelen er buitenluchtkwaliteit heerst in de buitenruimte. Bij geopende panelen in een overigens dove gevel kan de geluidbelasting op de gevel achter de panelen de maximale ontheffingswaarde overschrijden. Wettelijk valt te verdedigen dat een opening maximaal zo groot mag zijn dat de maximale waarde op de achterliggende gevel niet wordt overschreden. Een te openen deel van ten hoogste 50% wordt echter acceptabel geacht. In dit verband is van belang is dat het de woningkwaliteit ten goede komt als een bewoner keuzevrijheid wordt gelaten om het raam meer of minder te openen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stedelijk beleid.

5.6.3 Actieplan Geluid 2015-2018     

De Europese Unie verplicht stedelijke gebieden om, op basis van de EU richtlijn omgevingslawaai, elke vijf jaar een geluidskaart en een actieplan geluid op te stellen. De richtlijn richt zich specifiek op de geluidbronnen rail, wegverkeer, industrie en luchtvaart. Het college van burgemeester en wethouders heeft in 2013 de nieuwe Amsterdamse geluidskaart vastgesteld. Uit de geluidskaart blijkt dat van de bovenstaand genoemde geluidbronnen de het verkeer veruit tot de hoogste (ernstige) hinder leidt. In het plan wordt daarom vooral aandacht besteed geluidhinder door het wegverkeer.

De belangrijkste in het plan opgenomen maatregelen zijn:

  • Via het programma Sanering Verkeerslawaai worden woningen die een te hoge geluidbelasting ondervinden (geluid-)geïsoleerd. Het gaat om woningen die al bij de invoering van de Wet geluidhinder een te hoge geluidbelasting ondervonden en die in aanmerking komen voor rijkssubsidie voor maatregelen als de toepassing van dubbel glas;
  • In Amsterdam wordt vanuit luchtkwaliteit fors ingezet op het stimuleren van elektrisch vervoer. Deze maatregel richt zich op de verbetering van de luchtkwaliteit maar heeft op termijn ook veel potentie voor de beperking van geluidoverlast. Omdat luchtmaatregelen veelal ook een positief effect hebben op de geluidbelasting zal in de planperiode nauw worden aangesloten bij het gemeentelijk beleid voor luchtkwaliteit;
  • Bij de concessieverlening voor het stedelijk wagenpark worden afspraken gemaakt voor het gebruik van de nieuwste generatie “beste” banden”, deze zijn niet alleen stiller maar zijn ook veiliger en ze hebben een positieve invloed te hebben op het benzinegebruik. De energiebesparing kan lopen tot 5%, waarmee er ook winst is voor de luchtkwaliteit. Voor het eigen wagenpark wordt een pilot gehouden om deze positieve effecten in de praktijk aan te tonen;
  • In Amsterdam wordt Geluidreducerend asfalt toegepast 'waar dit civieltechnisch mogelijk is'. Op veel plaatsen in Amsterdam is dit niet mogelijk doordat er sprake is van verhoogde slijtage vanwege zwaar en 'wringend' verkeer. Op basis van het onderhoudsprogramma zijn twee wegdelen (Mauritskade en Amstelveenseweg) geselecteerd die in aanmerking lijken te komen voor geluidreducerend asfalt. Voor deze wegen wordt een nadere afweging opgesteld. Beide wegdelen liggen buiten dit bestemmingsplangebied. Ook wordt een gemeentelijk afwegingskader opgesteld voor de toepassing van geluidreducerend asfalt in de periode na 2017;
  • Brom- en snorfietsen veroorzaken bijna twee keer meer ernstige geluidhinder dan alle auto's samen. Binnen het Amsterdamse brom- en snorfietsbeleid ligt de nadruk op het aanpakken van (lawaaiige) opgevoerde voertuigen, vooral via rollerbank controles. Hiermee wordt ook de geluidoverlast effectief aangepakt;
  • Voor trams worden maatregelen uitgevoerd aan de trams (geluiddempers, flenssmering) en aan de infrastructuur (uitbreiding aantal kopsmeerinstallaties, beperking geluid beweegbare bruggen);
  • Aan het bouwen op geluidbelaste locaties in Amsterdam worden eisen gesteld vanuit het Amsterdamse geluidbeleid (het zogenaamde 'hogere waarden beleid'). Een belangrijk uitgangspunt is dat wanneer er hogere waarden worden vastgesteld in principe elke woning voorzien moet zijn van een stille zijde.

De in dit gemeentelijk beleid opgenomen maatregelen staan los van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het Amsterdams geluidbeleid (zie boven).

5.6.4 Akoestisch onderzoek     

Het voorliggende plan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk, anders dan volgens het geldende bestemmingsplan al zijn toegestaan. Het betreft een bestaande planologische situatie er is daarom geen akoestisch onderzoek verricht.

5.7 Luchtkwaliteit     

Luchtkwaliteit is op meerdere gebieden van belang. Zo dient een bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk te maken die in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Maar een bestemmingsplan mag ook geen luchtkwaliteitgevoelige voorzieningen toestaan in de directe nabijheid van belangrijkere verkeersaders. Ten aanzien van het in betekende mate bijdragen: het bestemmingsplan zal de bestaande ruimtelijke situatie “bevriezen”, waardoor het aantal ontwikkelingen dat een invloed kunnen hebben op de luchtkwaliteit, tot een minimum worden beperkt. Het bestemmingsplan zal derhalve niet in betekende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is nader onderzoek niet nodig.

Ten aanzien van luchtkwaliteitgevoelige voorzieningen (scholen, verzorgingshuizen, kinderopvang, etc.) is het van belang dat deze niet dicht bij een Rijksweg (300 meter) of een Provinciale weg (50 meter) liggen (Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)).

5.7.1 Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005     

Op 1 maart 2006 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het “Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005”. Dit actieplan kent als doel het oplossen van de bestaande knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad. De drie centrale uitgangspunten van dit actieplan zijn:

  • Het beschermen van de gezondheid van mensen staat centraal;
  • Amsterdam houdt vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het hoofdnet auto;
  • Amsterdam houdt vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. Het bestemmingsplan valt in de categorie 'niet in betekenende mate' waardoor toetsing aan de grenswaarden Wet luchtkwaliteit niet nodig is.

5.7.2 Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam     

In de Richtlijn worden (o.a.) de volgende uitgangspunten opgenomen:

  • Uitgangspunt is dat bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd:
  • Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis.
  • De richtlijn heeft in beginsel alleen betrekking op nieuwe situaties. Hierbij moet worden gedacht aan nieuw te bouwen gebouwen bedoeld voor gevoelige bestemmingen als wel om bestaande gebouwen die een functiewijziging ondergaan waardoor het mogelijk wordt om in een bestaand gebouw een (voor die locatie) nieuwe gevoelige bestemming te vestigen.
  • Er zal een kaart worden opgesteld met: a. de zones van rijkswegen en provinciale wegen; b. wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 10.000 mvt per etmaal.
  • Bij het opstellen van bestemmingsplannen zal binnen de zones en eerste lijnsbebouwing in beginsel een bouw- en/of gebruiksverbod voor gevoelige bestemmingen moeten worden opgenomen. Daarbij kan een binnenplanse ontheffingbevoegdheid worden opgenomen voor bijzondere omstandigheden.

verplicht

Uitsnede kaart richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam

Uit de kaart behorende bij de Richtlijn blijkt dat de eerstelijnsbebouwing van de Amstelveenseweg geen nieuwe gevoelige bestemmingen gerealiseerd mogen worden.

Een en ander is in het onderhavige bestemmingsplan vertaald door in de Citroëngebouwen pas een luchtkwaliteitgevoelige functie toe te staan als het initiatief is getoetst door de GGD. Indien het bevoegd gezag de eventuele aanbevelingen van de GGD niet overneemt, dan wordt dit schriftelijk met redenen omkleed beargumenteerd.

Overigens komt deze beperking niet eveneens voort uit het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o., maar wordt deze beperking voor het eerst in dit bestemmingsplan opgenomen. Dit komt doordat het stadsdeel voorheen bevoegd was om zowel bestemmingsplannen vast te stellen en lokaal te besluiten geen toepassing te geven aan de richtlijn. Nu de bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen bij de gemeenteraad is gelegen en de richtlijn tevens de status van uitwerking van de Structuurvisie heeft gekregen, dient nu wel een regeling in het bestemmingsplan opgenomen te worden.

5.8 Veiligheid     

5.8.1 Nota Nuchter Omgaan met Risico's (NOR)     

Bij het beheersen van milieurisico's zal de politiek regelmatig een afweging moeten maken tussen rechtvaardigheid en betaalbaarheid (doelmatigheid). Hiervoor is door het RIVM een systematiek ontwikkeld. Dit staat in het rapport 'Nuchter omgaan met risico's' dat op verzoek van de toenmalige staatssecretaris Van Geel is geschreven. De systematiek biedt handvatten om op een transparante en te verantwoorden manier tot beschermingsniveaus te komen, afhankelijk van de beleving van risico's door de burger en de kosten van risicovermindering. Centraal in de gepresenteerde aanpak staat een zogenaamde 'risicoladder' om verschillende soorten risico's te typeren. Hiermee kan de overheid bewuste keuzes maken tussen de kosten van een mogelijke ingreep (doelmatigheid) en het oorspronkelijke uitgangspunt van het recht op risicobescherming voor iedereen.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit Rijksbeleid.

5.8.2 Provinciaal beleid externe veiligheid     

In het “Provinciaal Milieubeleidsplan 2002-2006” heeft de provincie Noord-Holland beleid beschreven omtrent externe veiligheid. Aan de productie, het gebruik, de opslag en het transport (over weg, water, spoor en door buisleidingen) van gevaarlijke stoffen (bijvoorbeeld chloor, ammoniak, benzine, kerosine, LPG/autogas) zijn risico's verbonden. Er bestaat een kleine kans dat deze stoffen vrij kunnen komen waardoor bijvoorbeeld giftige gaswolken of een explosie ontstaat. Ook de risico's vanwege vliegtuigen vallen onder het externe veiligheidsbeleid. Al deze potentiële risicobronnen worden ook wel risicovolle activiteiten genoemd.

Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties.

De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen 'mogelijke' rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit provinciaal beleid.

5.8.3 Externe veiligheid Inrichtingen     

Op 28 oktober 2004 is het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Bevi) van kracht geworden. In het Besluit zijn richtlijnen opgenomen voor het bouwen en handhaven van gevoelige bestemmingen zoals woningen in de buurt van inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd en/of opgeslagen. In het Besluit is onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico:

  • Plaatsgebonden risico: Voor het plaatsgebonden risico zijn grenswaarden vastgesteld, waarvan niet mag worden afgeweken. Dit houdt in dat voor bedrijven waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd en/of opgeslagen, waaronder LPG stations, moet worden berekend waar de risicocontouren lopen. Voor het plaatsgebonden risico is de contour 10 -6 (kans 1 op 1 miljoen) per jaar vastgesteld als grenswaarde. Nieuwe gevoelige bestemmingen mogen uitsluitend buiten deze 10 -6 contour worden gebouwd. Situaties waarbij gevoelige bestemmingen binnen de 10 -6 contour liggen, moeten binnen de in het Besluit genoemde termijnen worden gesaneerd.
  • Groepsgebonden risico (GR): Met het groepsrisico wordt aangegeven hoe hoog het totale aantal slachtoffers bij een ongeval kan zijn op basis van de aanwezige mensen. Naarmate de groep slachtoffers groter wordt, moet de kans op een dergelijk ongeval (kwadratisch) kleiner zijn. Voor het groepsrisico is in het Besluit geen norm vastgelegd, maar van overheden wordt verwacht dat zij zich rekenschap geven van elke verandering in het groepsrisico dat wordt veroorzaakt door bedrijven en ruimtelijke ontwikkelingen nabij risicovolle activiteiten. De in het beleid inzake externe veiligheid gehanteerde waarde voor het groepsrisico is een buitenwettelijke oriëntatiewaarde. In de toelichting bij het Besluit is aangegeven dat bij vaststelling van ondermeer bestemmingsplannen inzicht moet worden gegeven in de hoogte van het groepsrisico en in hoeverre de in het bestemmingsplan voorgestelde ontwikkelingen bijdragen aan een wijziging van het groepsrisico. De verantwoordingsplicht voor het groepsrisico bestaat uit de volgende stappen:
  • Vaststellen van de bestaande risico's van de huidige situatie;
  • Vaststellen van het risico voor nieuwe situaties na realisatie van RO- en vervoersontwikkelingen;
  • Ruimtelijke onderbouwing van het plan;
  • Maatregelen ter beperking van de risico's (bronmaatregelen);
  • Mogelijkheden voor hulpverlening en zelfredzaamheid.

Inrichtingen

Er bevinden zich binnen het plangebied en direct buiten het plangebied geen risicovolle bedrijven die onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) vallen. In of rondom het bestemmingsplangebied bevinden zich geen LPG-stations of andere risico-bedrijven. Aangezien deze inrichtingen met dit bestemmingsplan ook niet mogelijk worden gemaakt, worden de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en de oriënterende waarde voor het groepsrisico nergens overschreden.

Vuurwerk

In het plangebied is geen vuurwerkverkooppunt aanwezig.

Bedrijven en milieuzonering

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. In de ruimtelijke ordening wordt algemeen gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' om te bepalen welke afstand bedrijven zouden moeten aanhouden ten opzichte van milieugevoelige functies. De gegeven afstanden betreffen richtafstanden, afhankelijk van het gebiedstype. Daar kan gemotiveerd van afgeweken worden.

De voorgenomen functiewijziging(en) hebben geen gevolgen voor bestaande woningen in de nabijheid van de gebouwen.

5.8.4 Overige wetgevingen Externe veiligheid     

Overige wetgevingen die gelden op het gebied van externe veiligheid zijn:

  • Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) (in werking getreden in 2011): Deze AMvB is gebaseerd op de Wet milieubeheer en de Wro. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Ten aanzien van de normen voor het plaatsgebonden en groeprisico is aangesloten op de normstelling in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).

In of nabij het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig zoals bedoeld in dit beleid.

  • Het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) (in werking getreden in 2012): Hierin staan regels op het gebied van externe veiligheid voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen, waaronder verplichte veiligheidsafstanden tot deze transportroutes. Gemeenten krijgen hiermee in hun bestemmingsplannen te maken.

In of nabij het plangebied zijn geen transportroutes aanwezig zoals bedoeld in dit beleid.

Er spelen in en in de omgeving van het plangebied geen aspecten op het gebied van externe veiligheid waarmee in het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Daarmee is in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen verantwoording van het plaatsgebonden- en groepsrisico aan de orde.

5.9 Luchthavenindelingsbesluit (LIB) Schiphol     

Uit het Luchthavenindelingbesluit (LIB) volgen regels die door gemeenten in de omgeving van luchthaven Schiphol in acht moeten worden genomen bij bestemmingsplannen en bij bouw- of aanlegvergunningen. In deze paragraaf worden de resultaten van de toetsing aan de regels uit het LIB beschreven.

Op 1 november 2002 heeft het kabinet de milieu- en veiligheidsregels voor het vijfbanenstelsel op luchthaven Schiphol vastgesteld. De regels zijn opgenomen in het LIB, waarin beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik rond de luchthaven en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB), dat is gericht op de beheersing van de belasting van het milieu door het luchtverkeer. De regels zijn op 20 februari 2003 in werking getreden, op het moment dat Schiphol de vijfde baan (Polderbaan) in gebruik heeft genomen.

Per 4 november 2015 is een wijziging van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) in werking getreden. De wijzigingen hangen samen met gewijzigde of nieuwe internationale regels en hebben betrekking op een aantal onderwerpen:

  1. verlagen van de noodklimtoetsvlakken;
  2. completeren en actualiseren van de toetsvlakken voor luchtverkeersapparatuur;
  3. toevoegen en opnemen van nieuwe toetsvlakken;
  4. instellen van een toetszone voor windturbines;
  5. instellen van een toetszone voor gebruik van laserinstallaties;
  6. opnemen van beperkingen voor bomen en struiken.

Een belangrijke reden om het LIB op dit punt te wijzigen heeft te maken met het borgen van de vliegveiligheid. Hiervoor zijn de zogenaamde toetshoogtes in de omgeving van Schiphol aanzienlijk verlaagd. Bestemmingsplannen dienen deze verlaagde toetshoogtes (zoals opgenomen op de kaart in bijlage 4 bij het LIB) in acht te nemen. Gebouwen hoger dan de toetshoogtes kunnen alleen toegestaan worden indien het Rijk hiervoor een verklaring van geen bezwaar (vvgb) heeft afgegeven of een positief radar advies heeft afgegeven. Het instrument “radar advies” hangt samen met de ingebruikname van de radar bij Soesterberg voor de civiele luchtvaart en is een nieuw instrument naast het reeds bestaande vvgb. Voor de radartoets gelden afzonderlijke (en lagere) toetshoogtes, zoals opgenomen op de nieuwe kaart in bijlage 4a bij het LIB.

In het LIB zijn twee gebieden vastgesteld: het luchthavengebied en het beperkingengebied. Amsterdam valt deels binnen het beperkingengebied. Binnen het beperkingengebied worden verschillende deelgebieden onderscheiden met specifieke regels, te weten beperkingen ten aanzien van bebouwing (voorheen vrijwaringszone), bouwhoogte en vogelaantrekkende bestemmingen:

Beperkingen ten aanzien van bebouwing (geluid): Om te voorkomen dat het aantal geluidgehinderden rondom luchthaven Schiphol toeneemt geldt op basis van artikel 2.2.1 van het LIB dat binnen de desbetreffende zone geen nieuwe woningen, woonwagens, scholen en gezondheidszorggebouwen zijn toegestaan. Amsterdam, en daarmee het plangebied, valt buiten de gebiedsdelen waar beperkingen gelden ten aanzien van veiligheid.

Beperkingen ten aanzien van bouwhoogte: In de gebiedsdelen waar hoogtebeperkingen gelden mogen geen objecten worden opgericht of geplaatst die hoger zijn dan de maximale waarden die in de verschillende deelgebieden van kracht zijn. Het LIB bevat een beperkingengebied waarin hoogtebeperkingen zijn vastgelegd. In beginsel mogen op basis van artikel 2.2.2 van het LIB geen objecten worden opgericht die hoger zijn dan de in de bijlagen bij het besluit aangegeven maximale hoogte.

verplicht

Uitsnede kaartbijlage 4 LIB

verplicht

Uitsnede kaartbijlage 4a LIB

Op grond van de kaart in bijlage 4 bij het LIB geldt voor het plangebied een hoogtebeperking van 40-60 meter. Op grond van de kaart in bijlage 4a bij het LIB geldt voor het plangebied geldt eveneens een hoogtebeperking van 40-60 meter. Het bestemmingsplan maakt dergelijke (nieuwe) bouwhoogtes niet mogelijk.

Beperkingen ten aanzien van het aantrekken van vogels: Het LIB bevat een gebied waarbinnen, vanwege de veiligheidsoverwegingen die samenhangen met de luchtvaart, beperkingen gelden voor activiteiten die een sterke aantrekkingskracht op vogels kunnen hebben. Op basis van artikel 2.2.3 van het LIB gaat het hierbij om grote wateroppervlakten en moerasgebieden van meer dan 3 hectare (natuurreservaten/ vogelreservaten/ viskwekerijen (met extramurale bassins). Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe vogelaantrekkende functies mogelijk, zodat het bestemmingsplan ook op dit onderdeel in overeenstemming is met het LIB.

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit Rijksbeleid.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten     

6.1 Algemeen     

In de voorgaande hoofdstukken is de bestaande toestand en de cultuurhistorische ontwikkeling van het plangebied beschreven en geanalyseerd en is het gemeentelijk beleid dienaangaande verwoord. In dit hoofdstuk wordt stilgestaan bij de vertaling van het beleid in de regels en de verbeelding die tezamen het bestemmingsplan vormen.

6.1.1 Verbeelding     

Tot 1 juli 2008 werd de huidige verbeelding 'de plankaart' genoemd. Vanaf 1 juli 2008 is wettelijk gezien geen sprake meer van een plankaart, maar van een digitale en analoge verbeelding. Om aan de wettelijke verplichting uit de Wet ruimtelijke ordening te voldoen, dient de verbeelding op twee wijzen beschikbaar te worden gesteld: zowel analoog als digitaal. Beide verbeeldingen moeten in samenhang met de regels kunnen worden gelezen en begrepen. Bij discrepantie heeft de digitale verbeelding voorrang op de analoge.

Op de verbeelding met legenda zijn verschillende bestemmingen te vinden. Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen: 'Gemengd - 1', 'Gemengd - 2' , 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie'. De bestemmingen zijn toegekend aan de gronden die toebehoren aan een kadastraal perceel alsmede een zone van ongeveer 5 meter direct om de beide Citroëngebouwen. Zo zijn de grenzen van het kadastrale perceel van het Noordgebouw leidend voor de bestemmingsgrenzen van de bestemmingen Gemengd en Waarde - Cultuurhistorie. De grenzen van het kadastrale perceel van het Zuidgebouw zijn niet direct de grenzen van de bestemmingen 'Gemengd - 1 ' en 'Gemengd - 2'. Een deel van het perceel is aangemerkt als bestemming Verkeer. Dit is ongewijzigd ten opzichte van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o.

Op de verbeelding komen tevens bouwaanduidingen voor. Daarnaar wordt in de regels verwezen, zodat de aanduidingen bindend zijn. Het gaat dan om de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel', die het verplicht stelt om een dove gevel te realiseren bij de vestiging van een nieuwe geluidsgevoelige functie.

De analoge verbeelding is getekend op een topografische ondergrond, schaal 1:1000.

6.1.2 Bestemmingen     

Gemengd - 1

Het bestemmingsplan kent zoals in de vorige paragraaf staat, drie bestemmingen. De bestemming 'Gemengd - 1' sluit zoveel mogelijk aan bij de bestemming 'Gemengd - 2' van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o., met dien verstande dat in het Noordgebouw de entree aan de zuidoostzijde van het gebouw is opgenomen in de bestemming Gemengd en daar ook gebouwd mag worden. Dit was een omissie in het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o.: de grenzen van het bouwvlak waren gelegen op de neerwaartse projectie van de begane grond. De bebouwing op hoger gelegen bouwlagen is hiermee wegbestemd. Dit wordt in dit bestemmingsplan hersteld en is reeds in de omgevingsvergunning van het Noordgebouw vergund.

In de bestemmingsomschrijving zijn alle gebruiksmogelijkheden opgesomd, die in het Noordgebouw mag komen.

In de bouwregels is nu het bouwen in het bouwvlak geschrapt. Zonder bouwvlak geldt dat het gehele bestemmingsvlak voor 100% wordt bebouwd. Aangezien de grenzen van de bestemming Gemengd ook direct de bouwgrenzen zijn, is de noodzaak voor een bouwvlak afwezig. Over het algemeen wordt aangegeven dat niet hoger gebouwd mag worden dan de maximale maatvoering die in de verbeelding is aangegeven.

Doordat er geen onbebouwde ruimte meer is in de bestemmingsvlakken van de bestemming 'Gemengd - 1', is het ook niet langer nodig een onderscheid aan te brengen tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In de specifieke gebruiksregels zijn beperkingen opgenomen voor de gebruiksmogelijkheden die in de bestemmingsomschrijving zijn opgenomen. Het gaat hierbij vaak om beperkingen in vestigingsgroottes (detailhandel en horeca) en aantallen vestigingen (horeca).

Er wordt bijzondere waarde gehecht aan de diversiteit van de toegestane functies en het aantal vestigingen. Er is daarom besloten een maximale vloeroppervlak per vestiging en per vestiging op de begane grond op te nemen.

Daarnaast is opgenomen dat de functies in de plint publiekstoegankelijk dienen te zijn. Deze eis is afkomstig uit de planovereenkomst die tussen de gemeente en grondeigenaar is gesloten en heeft tot doel om de gewenst relatie tussen de plinten van de gebouwen en openbare ruimte te realiseren. Publieksfuncties zijn functies die gericht zijn op het algemeen publiek of doelgroep om ter plaatse iets te laten kopen, zien, informatie te halen, een dienst te gebruiken of gebruik te laten maken van publiekstoegankelijke voorziening. In deze specifieke gebruiksregels zijn ook de beperkingen opgenomen ten aanzien van het vestigen van geluidsgevoelige en luchtkwaliteitsgevoelige bestemmingen.

Artikel 4 Gemengd - 2

Het bestemmingsplan kent zoals in de vorige paragraaf staat, drie bestemmingen. De bestemming 'Gemengd - 2' sluit zoveel mogelijk aan bij de bestemming 'Gemengd - 2 (Citroëngebouwen)' van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o..

In de bestemmingsomschrijving zijn alle gebruiksmogelijkheden opgesomd, die in het Zuidgebouw mag komen.

In de bouwregels is nu het bouwen in het bouwvlak geschrapt. Zonder bouwvlak geldt dat het gehele bestemmingsvlak voor 100% wordt bebouwd. Aangezien de grenzen van de bestemming 'Gemengd - 2' ook direct de bouwgrenzen zijn, is de noodzaak voor een bouwvlak afwezig. Over het algemeen wordt aangegeven dat niet hoger gebouwd mag worden dan de maximale maatvoering die in de verbeelding is aangegeven. Voor het Zuidgebouw geldt dat de maximale maatvoeringen uit het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. zijn aangepast aan de hand van de onherroepelijke omgevingsvergunning; wat de gedetailleerde weergave van de maatvoeringsvlakken in de verbeelding verklaart.

Doordat er geen onbebouwde ruimte meer is in de bestemmingsvlakken van de bestemming 'Gemengd - 2' is het ook niet langer nodig een onderscheid aan te brengen tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

In de specifieke gebruiksregels zijn beperkingen opgenomen voor de gebruiksmogelijkheden die in de bestemmingsomschrijving zijn opgenomen. Het gaat hierbij vaak om beperkingen in vestigingsgroottes (detailhandel en horeca) en aantallen vestigingen (horeca).

Er wordt bijzondere waarde gehecht aan de diversiteit van de toegestane functies en het aantal vestigingen. Er is daarom besloten een maximale vloeroppervlak per vestiging en per vestiging op de begane grond op te nemen.

Daarnaast is opgenomen dat de functies in de plint publiekstoegankelijk dienen te zijn. Deze eis is afkomstig uit de planovereenkomst die tussen de gemeente en grondeigenaar is gesloten en heeft tot doel om de gewenst relatie tussen de plinten van de gebouwen en openbare ruimte te realiseren. Publieksfuncties zijn functies die gericht zijn op het algemeen publiek of doelgroep om ter plaatse iets te laten kopen, zien, informatie te halen, een dienst te gebruiken of gebruik te laten maken van publiekstoegankelijke voorziening. In deze specifieke gebruiksregels zijn ook de beperkingen opgenomen ten aanzien van het vestigen van geluidsgevoelige en luchtkwaliteitsgevoelige bestemmingen.

Artikel 5 Verkeer

Deze bestemming wordt overgenomen uit het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o..

Artikel 6 Waarde - cultuurhistorie

Ook deze bestemming wordt zonder aanpassingen overgenomen uit het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o..

6.1.3 Afwijkingen     

In de bestemmingen 'Gemengd - 1' en 'Gemengd - 2'  is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het kunnen vestigen van geluidsgevoelige functies zonder dove gevel, zodra aangetoond is dat de maximaal te ontheffen grenswaarde niet meer overschreden wordt.

6.1.4 Algemene regels     

Anti-dubbeltelregel

Door deze bepaling wordt ervoor gezorgd dat de oppervlakten van bouwwerken en/of van eerder verleende vergunningen worden meegenomen bij de berekening van het nog te bebouwen oppervlak op het betreffende perceel.

Deze regel is met name van belang bij bestemmingen met bouwvlakken die niet volledig bebouwd mogen worden.

De bepaling is opgenomen in dit bestemmingsplan vanwege het feit dat het één van de verplicht op te nemen regels zijn in een bestemmingsplan. In het kader van dit bestemmingsplan komt aan deze bepaling in feite nauwelijks betekenis toe.

Algemene afwijkingen

Voor zover van toepassing, worden de algemene afwijkingsregels van het bestemmingsplan Olympisch Stadion e.o. overgenomen.

6.1.5 Overgangsregels     

De overgangsregels die in het bestemmingsplan zijn opgenomen zijn voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. De teksten van zowel het bouw- als het gebruiksovergangsrecht zijn terug te vinden in het Besluit ruimtelijke ordening in de artikelen 3.2.1 en 3.2.2.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid     

7.1 Economische uitvoerbaarheid     

Het plan bestemmingsplan is een planologische verankering van eerder verleende omgevingsvergunningen. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk en is daarom economische uitvoerbaar.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid     

7.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening     

In het kader van het wettelijk 3.1.1. Bro vooroverleg, pleegt het bevoegd gezag overleg met de diensten wiens belangen in het plan in geding zijn. Ten behoeve van het voorliggende plan is daarom i.v.m. de aanwezige monumentale belangen overleg met de rijksdienst van het Cultureel erfgoed en met Monumenten en Archeologie gevoerd, beide instanties hebben aangegeven geen inhoudelijke opmerkingen op de inhoud van het concept ontwerpbestemmingsplan te hebben.

7.2.2 Participatie     

In het kader van de aanvragen omgevingsvergunningen is er door de initiatiefnemers een informatie avond voor de omwonenden georganiseerd. Tijdens deze bijeenkomst is er positief door omwonende, bedrijven en overige stakeholders op de plannen gereageerd. Tegen de verleende aanvragen omgevingsvergunning zijn ook geen bezwaren ingediend. Aangezien het voorliggende plan consoliderend van aard is en naast de bestaande planologische situatie de vergunde situatie vast legt, is er voor het voorliggende bestemmingsplan niet nogmaals een participatie traject gestart.

Bijlagen bij de toelichting     

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 Aanbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat. Een gebouw dat onderscheiden wordt van, en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan, het hoofdgebouw.

1.2 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.3 Aanduidingsgrens     

Grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.4 Achtererfgebied     

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.5 Additionele horeca     

onzelfstandige horeca van categorie 3 of 4 in instellingen van maatschappelijk, culturele en sportieve voorzieningen, ondergeschikt aan de hoofdfunctie.

1.6 Archeologisch onderzoek     

Werkzaamheden naar het bodemarchief die ten behoeve van de archeologische monumentenzorg worden uitgevoerd volgens de eisen zoals gesteld in de vigerende Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.7 Archeologisch rapport     

Rapportage waarin de archeologische waarde van het terrein waarop de aanvraag betrekking heeft, wordt vastgesteld die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders voldoet aan de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA).

1.8 Archeologische waarden     

Waarden waarvan de aanwezigheid bekend is in de vorm van fysieke overblijfselen in de bodem.

1.9 Automatenhal     

Een voor het publiek toegankelijke ruimte waar meer dan twee speelautomaten of andere mechanische toestellen in de zin van artikel 30 van de Wet op de Kansspelen zijn opgesteld.

1.10 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.11 Bebouwingspercentage     

Een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bestemmingsvlak of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.12 Bed & breakfast     

Een gelegenheid, die met behoud van de woonfunctie door ten minste de hoofdbewoner in een woning wordt uitgeoefend en die voorziet in het verstrekken van nachtverblijf voor maximaal 4 personen voor korte tijd, waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten ondergeschikt is.

1.13 Bedrijf     

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen, met inbegrip van inpandige fietsenstallingen, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.

1.14 Belwinkel     

Een voor publiek toegankelijke gelegenheid waar de hoofdactiviteit of één van de activiteiten wordt gevormd door het bedrijfsmatig gelegenheid bieden tot het voeren van telefoongesprekken, waaronder mede begrepen het verzenden van faxen.

1.15 Bestaande bijbehorende bouwwerken     

Legale bijbehorende bouwwerken, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.

1.16 Bestaande kelders en/of souterrains     

Kelders en/of souterrains, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagd of verleende vergunning.

1.17 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.18 Bestemmingsplan:     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

1.19 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.20 Bijbehorend bouwwerk     

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.21 Bijgebouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een op zichzelf staand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw, dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw.

1.22 Bijzondere bouwlaag     

Kelder, souterrain en kap.

1.23 Bodemverstoring     

Elke vorm van grondverzet.

1.24 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.25 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.26 Bouwlaag     

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van bijzondere bouwlagen.

1.27 Bouwvlak     

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.28 Bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.29 Consumentverzorgende dienstverlening     

Een commerciële voorziening, waar persoonlijke verzorging van consumenten plaatsvindt, waaronder kapperszaken, schoonheidsinstituten en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen.

1.30 Culturele horeca     

Horeca in categorie 3 of 4 welke is verbonden aan de culturele instelling en noodzakelijk is voor de exploitatie van de culturele instelling.

1.31 Cultuur     

Voorzieningen waarin door mensen vervaardigde kunst, muziek, theater en vergelijkbare kunsten voor het publiek worden tentoongesteld.

1.32 Dag     

In geval van evenementen: van zonsopgang tot zonsondergang.

1.33 Daklaag     

Een bouwwerk op het platte dak, dat dient ter vergroting van het bestaande oppervlak al dan niet in combinatie met toegang tot een dakterras.

1.34 Dakopbouw     

Een bouwwerk op het platte dak, niet zijnde een verblijfsruimte, dat uitsluitend dient als toegang tot een dakterras.

1.35 Dakuitbouw     

Een bouwwerk in het schuine dak, niet zijnde een dakkapel, dat dient ter vergroting van het bestaande oppervlak al dan niet in combinatie met toegang tot een dakterras.

1.36 Dakvoet     

Laagste punt van een schuin dak.

1.37 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.38 Dienstverlening     

Het verrichten van activiteiten welke bestaan uit het verlenen van diensten aan derden. Onder te verdelen in:

  1. consumentverzorgende dienstverlening;
  2. zakelijke dienstverlening;
  3. maatschappelijke dienstverlening.

1.39 Dove gevel     

  1. een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidswering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidsbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A), alsmede
  2. een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

1.40 Entreegebied     

een ruimte of complex van ruimten, zoals gangen, foyers, met bijbehorende trappen, liften e.d., die de entree vormt van één of meerdere functies binnen een gebouw, waaronder ook ruimte die toegang biedt tot één of meer, zich op andere bouwlagen bevindende, functies.

1.41 Expositieruimte     

Een voor publiek toegankelijke ruimte waar tentoonstellingen/exposities en presentaties worden georganiseerd, met als doel om kunst of andere producten/ diensten te tonen.

1.42 Extended stay     

het bedrijfsmatig aanbieden van logies anders dan in een woning voor kortstondig verblijf van tenminste 1 week tot maximaal 1 jaar aan natuurlijke personen die buiten de gemeente hun hoofdverblijf en vaste woon- of verblijfplaats hebben.

1.43 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.44 Geldwisselkantoor     

Een voor publiek toegankelijk kantoor of gelegenheid waarvan het hoofdbestanddeel van de activiteiten wordt gevormd door het bedrijfsmatig wisselen van geld of waardepapieren.

1.45 Geluidsgevoelige objecten     

Gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige objecten of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder.

1.46 Geluidsluwe zijde     

Gevel(deel) met een geluidsbelasting lager of gelijk aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder.

1.47 Gevel     

Een bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak.

1.48 Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit     

Bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen): gebouwen, geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik voor ten behoeve van

  1. basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen
  2. kinderopvang;
  3. verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis

1.49 Groen dak     

Dakbedekking waarop een plantaardige laag is aangebracht, dwz. een laag die hoofdzakelijk bestaat uit levende planten. Het groene karakter varieert van mossen, sedum, grassen tot een daktuin.

1.50 Hogere grenswaarde     

Een bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting op de gevel/ aan de rand van geluidsgevoelige objecten, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder en/of het Besluit Geluidhinder.

1.51 Hoofdgebouw     

Een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.52 Horeca van categorie 1     

Een inrichting die geheel of in overwegende mate fastfood producten verstrekt, die ter plaatse kunnen worden genuttigd dan wel afgehaald kunnen worden, daaronder worden in elk geval begrepen: fastfoodrestaurants, cafetaria's, snackbars, automatiek, loketverkoop en shoarmazaken.

1.53 Horeca van categorie 2     

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het bieden van vermaak en ontspanning, al dan niet met levende muziek en al dan niet met verstrekking van dranken en kleine etenswaren, daaronder worden begrepen: dancing/discotheek, zaalverhuurbedrijven en een sociëteit, (dance)club.

1.54 Horeca van categorie 3     

Een inrichting die geheel of in overwegende mate gericht is op het verstrekken van alcoholische dranken, of anderzijds de uitstraling heeft van een café, daaronder worden in elk geval begrepen: café, bar, cocktailclub. Het bieden van de gelegenheid om te dansen is toegestaan op voorwaarde dat er geen entreegeld wordt geheven en de dansvloer niet groter is dan 20% van het bruto vloeroppervlakte van de horecazaak.

1.55 Horeca van categorie 4     

Een inrichting die:

  1. geheel gericht is op het verstrekken van maaltijden of etenswaar, die uitsluitend ter plaatse aan tafel genuttigd worden, eventueel aangevuld met een afhaalfunctie, en in zoverre deze inrichting niet valt onder horeca van categorie 1 en horeca van categorie 3, daaronder worden in elk geval begrepen: restaurant en eetcafé (categorie 4A). Het bieden van de gelegenheid om te dansen is toegestaan op voorwaarde dat er geen entreegeld wordt geheven en de dansvloer niet groter is dan 20% van het bruto vloeroppervlakte van de horecazaak;
  2. gericht is op het verstrekken van alcoholvrije dranken, dan wel van kleine etenswaren (niet vallende onder horeca van categorie 1), sandwiches en ijswaren, daaronder worden in elk geval begrepen: lunchroom, koffie-/theehuizen, juicebars en ijssalons (categorie 4B). Het bieden van de gelegenheid om te dansen is toegestaan op voorwaarde dat er geen entreegeld wordt geheven en de dansvloer niet groter is dan 20% van het bruto vloeroppervlakte van de horecazaak.

1.56 Hotel     

Een horeca-inrichting die in hoofdzaak nachtverblijf verstrekt en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken ondergeschikt is, één en ander met inbegrip van vergader- en congresfaciliteiten en extended stay.

1.57 Huisgebonden bedrijf     

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang en door ten minste de hoofdbewoner in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend. Hieronder wordt wel begrepen de uitoefening van een bed & breakfast, maar niet de uitoefening van detailhandel of horeca.

1.58 Huisgebonden beroep     

Het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang en door ten minste de hoofdbewoner in een woning en daarbij behorende bijgebouwen kan worden uitgeoefend. Hieronder wordt niet begrepen de uitoefening van detailhandel of horeca.

1.59 Kantoor     

Een complex van ruimten waar administratieve werkzaamheden worden verricht, waarbij het publiek niet rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, daaronder tevens begrepen aan het kantoor ondergeschikte congres- en vergaderaccommodatie.

1.60 Kap     

Een bijzondere bouwlaag waarvan de dakconstructie bestaat uit ten minste één hellend dakvlak.

1.61 Kapprofiel     

Doorsnede van de kap van een gebouw, waarbij verschillen in hoogte, hellingshoek en architectonische vormgeving worden weergegeven.

1.62 Kelder     

Een bijzondere bouwlaag waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 0,5 meter boven het peil is gelegen.

1.63 Kunstwerk     

Bouwwerk ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, dijken, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers.

1.64 Luchtbrug     

eenlaagse gebouwde verbinding tussen twee hoofdgebouwen, waarbij minimaal 2,75 meter vrije ruimte onder de verbinding aanwezig is.

1.65 Maaiveld     

De bovenkant van het terrein dat een bouwwerk omgeeft.

1.66 Maatschappelijke dienstverlening     

Een voorziening waar diensten op het gebied van (medische) gezondheidszorg, kunst, (sociaal-)cultureel, welzijn, woonzorg (waarbinnen woonzorgcentrum), kinderopvang, onderwijs en educatie, sport, uitgezonderd fitness, religie, overheid en vergelijkbare gebieden worden verleend, waaronder mede ondergeschikte nevenfuncties ten behoeve van de diensten worden begrepen.

1.67 Massagesalon     

Inrichting, niet zijnde van (para)medische aard, waarin druk, spanning, beweging, of trilling - manueel of met mechanische hulp - wordt toegepast op de zachte weefsels van het lichaam, met inbegrip van de huid, spieren, bindweefsel, pezen, ligamenten, gewrichten, lymfevaten, organen van het maag-darmstelsel en reproductief systeem, ter verhoging van enigerlei aspect van het welzijn van de gemasseerde.

1.68 Mediabedrijf     

Een bedrijf dat producten maakt of bedrijfsmatig diensten verleent op het gebied van beeld, geluid en tekst met gebruikmaking van radio, televisie, computer, mobiel, print en evenementen.

1.69 Minisupermarkt     

Een zelfbedieningszaak in hoofdzaak gericht op de verkoop van een beperkt, niet-gespecialiseerd en op toeristen en passanten gericht aanbod van levensmiddelen met uitzondering van detailhandel met een gespecialiseerd assortiment zoals een delicatessenwinkel, een kleine natuur- of ecologische supermarkt, een toko en dergelijke.

1.70 Nutsvoorziening     

Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de elektronische communicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, voorzieningen voor warmte-/koude-opslag, telefooncellen en zendmasten.

1.71 Omgevingsvergunning     

Vergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.72 Ondersteunende horeca     

Niet-zelfstandige horeca, uitsluitend zijnde horeca van categorie 4 die wordt of is gerealiseerd binnen een vestiging en daar naar oppervlakte en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt aan is, welke uitsluitend toegankelijk is via de vestiging en waarvan de openingstijden zijn aangepast aan de openingstijden van de vestiging en waarbij een terras niet is toegestaan.

1.73 Overkapping     

Een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke oppervlakte overdekt, bestaande uit een dakconstructie en voorzien van ten hoogste één wand.

1.74 Pand     

Een hoofdgebouw dat door zijn uiterlijke kenmerken (afscheidingen belendende panden, gevelindeling e.d.) stedenbouwkundig vanaf de straatzijde als een afzonderlijke eenheid is te onderscheiden.

1.75 Peil     

Mits niet in de regels op een andere wijze is voorzien in een peil, wordt het peil als volgt bepaald:

  1. voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen dan het bepaalde onder a: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende ophogingen of verdiepingen niet meegeteld worden.

1.76 Plan:     

Het bestemmingsplan Citroëngebouwen Stadionplein met identificatienummer NL.IMRO.0363.K1608BPSTD-OW01 van de gemeente Amsterdam.

1.77 Publiekstoegankelijk     

Het zodanig ruimtelijk-functioneel vormgeven van een gebouw of ruimte, dat de functie van dat gebouw publiek aantrekt en voor dit publiek toegankelijk is, met als doel daar een product of dienst aan te bieden/te laten verrichten, iets te kopen, iets te zien en/of informatie te halen.

1.78 Seksinrichting     

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin handelingen of vertoningen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

  1. een prostitutiebedrijf: een bedrijfsmatige activiteit gericht op het verrichten van seksuele handelingen met anderen tegen een materiële vergoeding;
  2. erotisch getinte vermaaksfunctie: een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische / pornografische aard, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een erotische videotheek, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.79 Shisha-lounge     

horecavoorziening waar de exploitatie hoofdzakelijk bestaat uit het bieden van diensten voor het roken van gearomatiseerde pijptabak met een waterpijp.

1.80 Short-stay     

Het structureel aanbieden van een zelfstandige woning voor tijdelijke bewoning aan één huishouden, dan wel aan maximaal 4 personen voor een aaneensluitende periode van tenminste één (1) week en maximaal zes (6) maanden. Voor het overige blijft het gebruik gelijk als bedoeld bij de bestemming 'Wonen'.

1.81 Sloop / nieuwbouw     

Het geheel of nagenoeg geheel slopen en opnieuw oprichten van een hoofdgebouw.

1.82 Smartshop     

Een vorm van detailhandel, waarbij bedrijfsmatig psychotrope stoffen te koop aangeboden worden.

1.83 Souterrain     

Een bijzondere bouwlaag waarvan de vloer onder het gemiddeld aangrenzend peil is gelegen en waarbij de vloer van de bovengelegen bouwlaag maximaal 1,50 meter boven peil is gelegen.

1.84 Souvenirwinkel     

Een detailhandelsvestiging waarin meer dan 25% van het brutovloeroppervlak wordt gebruikt voor de verkoop van een specifiek op toeristen en passanten gericht aanbod van massaproducten die in het teken staan van nationale-, streek- of stadssymbolen en/of namen, met uitzondering van detailhandel met een gespecialiseerd aanbod zoals een kaaswinkel, een winkel gespecialiseerd in Delftsblauw aardewerk, een bloemenzaak/tuinierswinkel die tulpen(bollen) en klompen verkoopt en dergelijke.

1.85 Staanplaats     

Een vaste plaats die is ingenomen door of beschikbaar komt voor een houder of een aanvrager van een door het college van burgemeester en wethouders verleende of te verlenen vergunning tot het innemen van een plaats op of aan de openbare weg, buiten enig marktterrein, waarop ambulante handel wordt uitgeoefend, niet zijnde venten.

1.86 Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten     

De als bijlage opgenomen lijst, behorende bij deze regels, waarin als vormen van gebruik uitsluitend ambachtelijke bedrijven zijn aangegeven.

1.87 Staat van bedrijfsactiviteiten     

De als bijlage opgenomen lijst, behorende bij deze regels, waarin als vormen van gebruik uitsluitend bedrijven zijn aangegeven.

1.88 Straatwand     

Aan een straat gelegen zijde van een aaneengesloten bouwblok, welke aan weerszijden begrensd wordt door openbare ruimte en/of begrensd wordt door verandering van straatnaam.

1.89 Supermarkt     

Een zelfbedieningswinkel die in hoofdzaak is gericht op de verkoop van een grote verscheidenheid aan levensmiddelen (dagelijkse boodschappen).

1.90 Terras     

Een buiten de besloten ruimte liggend deel van het horecabedrijf waar zitgelegenheid kan worden geboden ten dienste van het horecabedrijf en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt.

1.91 Tramvoorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van het tramverkeer, hieronder worden in ieder geval abri's, tramrails en bovenleidingen gerekend.

1.92 Uitbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.93 Verbeelding     

De verbeelding van het bestemmingsplan Citroëngebouwen Stadionplein

1.94 Vestiging     

Een (deel van een) gebouw, waar een niet-woonfunctie inclusief nevenruimten wordt uitgeoefend en welke door aard en omvang een zelfstandig karakter heeft.

1.95 Vliesgevel     

Een bouwkundige constructie aangebracht aan de buitenzijde van een gevel met het doel een geluidsreductie op deze gevel te bewerkstelligen als gevolg waarvan aan deze gevel het geluidniveau afneemt tot de voorkeurswaarde wegverkeer- danwel railverkeerslawaai. De afstand tussen het geluidwerend vlies en de gevel dient ten minste 0,5 meter te zijn. Tussen het geluidwerend vlies en de gevel dient sprake te zijn van buitenlucht. Voor het creëren van deze buitenlucht dienen permanente openingen in het vlies aanwezig te zijn, welke openingen gebaseerd zijn op de spuibehoefte van achtergelegen woning c.q. kamer. Voor de afmetingen van de openingen gelden twee eisen: de openingen dienen zodanig te zijn dat er een spuicapaciteit van tenminste 6 dm3 per seconde per m2 vloeroppervlak van het achterliggende verblijfsgebied ontstaat, uitgaande van een luchtsnelheid van 0,4 m/s, tenzij er bij geen van de andere woonhuisgevels andere spuiopening aanwezig zijn (is), in welk geval de snelheid op 0,1 meter per seconde gesteld moet worden. Aanvullend geldt een tweede eis voor uitsluitend een ruimte achter een vlies, waarbij analoog de afmetingen zodanig moeten zijn dat een spuicapaciteit van 3 dm3 per seconde per m2 vloeroppervlak voor de achterliggende verblijfsruimte ontstaat, waarbij van een snelheid van 0,1 m/s moet worden uitgegaan.

1.96 Voorerfgebied     

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied van hetzelfde kadastrale perceel.

1.97 Voorgevel     

De gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op de uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.98 Waarderingskaart     

Welstandskaart waarbij binnen een ruimtelijk systeem de bebouwing stelselmatig gewaardeerd is volgens een getrapt stelsel. De architectonische kwaliteit van de bebouwing wordt in opklimmende waardering aangegeven met architectuurordes: Basisorde, Orde 3, Orde 2 en Orde 1.

1.99 Waterberging     

(Tijdelijke) opslag van een overmaat aan (oppervlakte)water in het (oppervlakte)watersysteem.

1.100 Wettelijke regelingen     

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar wettelijke regelingen c.q. verordeningen e.d., dienen deze regelingen te worden gelezen zoals deze luiden op het tijdstip van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, tenzij in deze regels anders is bepaald.

1.101 Woning     

Een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, dan wel voor bijzondere woonvormen zoals woongroepen en vergelijkbare onzelfstandige woonvormen, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten en waaronder mede begrepen zorgwoningen.

1.102 Woonzorgcentrum     

Een gebouw of gedeelte van een gebouw waar een specifieke doelgroep, zoals ouderen, woont, die algemene en medische verzorging geniet en waar naast ruimten voor verzorging tevens bij het zorgcentrum behorende ruimten zijn inbegrepen.

1.103 Zakelijke dienstverlening     

Een commerciële voorziening waar diensten worden verleend en/of contacten worden gelegd of commerciële handelingen worden uitgevoerd, waarbij het publiek rechtstreeks te woord wordt gestaan, uitgezonderd detailhandel. Voorbeelden van zakelijke dienstverlening zijn: reisbureaus, notariskantoren, advocatenkantoren en financiële instellingen.

1.104 Zorgwoning     

Een zelfstandige woning waar (intensieve) zorgverlening mogelijk is en waar zorg op afroep beschikbaar is vanuit een verpleeg- of verzorgingshuis, een woonzorgcentrum of een dienstencentrum.

Artikel 2 Wijze van meten     

2.1 Bouwhoogte van een bouwwerk     

Tenzij in de regels anders bepaald, wordt de bouwhoogte van een gebouw of van een overig bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van dat gebouw of overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.2 Bruto vloeroppervlakte (bvo) van een vestiging     

De vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject gemeten (volgens NEN2580) op vloerniveau langs de buitenomtrekken van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de betreffende ruimte(n) omhullen.

2.3 Winkelvloeroppervlakte van een vestiging     

De netto vloeroppervlakte van de ruimte binnen een winkel die voor winkelend publiek toegankelijk is.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Gemengd - 1     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel;
  2. expositieruimte;
  3. cultuur;
  4. kantoren;
  5. horeca;
  6. mediabedrijven;
  7. consumentverzorgende, maatschappelijke en sportgerelateerde dienstverlening;

met daaraan ondergeschikt:

  1. ondersteunende horeca;
  2. parkeervoorzieningen ten behoeve van het in het hoofdgebouw toegestane gebruik, op de tweede bouwlaag en hoger, met dien verstande dat toegangen en in- en uitritten tevens in de eerste bouwlaag zijn toegestaan;
  3. ondergrondse parkeergarage ten behoeve van het in het hoofdgebouw toegestane gebruik, uitsluitend in de kelder en/of het souterrain, met dien verstande dat toegangen en in- en uitritten tevens in de eerste bouwlaag zijn toegestaan;
  4. tuinen;
  5. groenvoorzieningen;
  6. verkeersareaal;
  7. terras.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Algemeen     

Op en onder de in artikel 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

3.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. maximale bouwhoogte: zoals op de verbeelding staat aangegeven;
  2. maximum bebouwingspercentage: 100%;
  3. uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan.

3.3 Specifieke gebruiksregels     

3.3.1 Niet-woonfuncties     

Voor de in 3.1, onder a t/m h genoemde functies gelden de volgende regels:

  1. voor detailhandel geldt een maximum vloeroppervlak van 1500 m2 per vestiging, waarbij het maximum bruto vloeroppervlak in de eerste bouwlaag 1000 m2 per vestiging mag bedragen, met dien verstande dat supermarkten niet zijn toegestaan;
  2. voor expositieruimte geldt een maximum bruto vloeroppervlak van 3000 m² per vestiging, waarbij het maximum bruto vloeroppervlak in de eerste bouwlaag 1500 m² per vestiging mag bedragen;
  3. voor horeca geldt dat ter plaatse twee vestigingen van horeca van categorie 4 zijn toegestaan, beide met een maximum vestigingsgrootte van 1.500 m2 bvo;
  4. voor ondersteunende horeca geldt een maximum netto vloeroppervlak van 30% van het netto vloeroppervlak van de vestiging met een maximum van 30 m².
  5. de eerste bouwlaag dient voor tenminste 700 m2 bvo publiekstoegankelijk te zijn.
3.3.2 Geluidgevoelige objecten     

Voor zover op grond van artikel 3.1 nieuwe, nog niet bestaande geluidgevoelige objecten mogen worden gerealiseerd, zijn deze alleen toegestaan indien:

  1. de geluidbelasting op de gevels van de geluidgevoelige objecten niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of;
  2. hiervoor overeenkomstig een hogere waarde is vastgesteld en geen bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' aan het object is toegekend of;
  3. ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' het betreffende deel van de gevel wordt uitgevoerd als een dove gevel of als er een vliesgevel wordt gerealiseerd.
3.3.3 Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit     

Voor het toestaan van nieuwe, op grond van artikel 4.1 nog niet bestaande gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit dient advies van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) van de gemeente Amsterdam te worden ingewonnen.

3.4 Afwijken van de gebruiksregels     

3.4.1 Geluidsgevoelige objecten     

Het College van B&W is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wet ruimtelijke ordening, om in afwijking van het bepaalde in 3.3.2 onder c een omgevingsvergunning te verlenen zonder dat het betreffende deel van de gevel wordt uitgevoerd als een dove gevel of als een vliesgevel, indien is aangetoond dat de daarvoor geldende hogere grenswaarde niet wordt overschreden.

Artikel 4 Gemengd - 2     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel;
  2. expositieruimte;
  3. cultuur;
  4. kantoren, uitsluitend op de tweede bouwlaag en hoger;
  5. entreegebied;
  6. mediabedrijven;
  7. horeca;
  8. consumentverzorgende, maatschappelijke en sportgerelateerde dienstverlening;
  9. wonen;
  10. autobedrijf met showroom;

met daaraan ondergeschikt:

  1. ondersteunende horeca;
  2. ondergrondse parkeergarage ten behoeve van het in het hoofdgebouw toegestane gebruik, uitsluitend in de kelder en/of het souterrain, met dien verstande dat toegangen en in- en uitritten tevens in de eerste bouwlaag zijn toegestaan;
  3. tuinen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. verkeersareaal;
  6. terras.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Algemeen     

Op en onder de in artikel 4.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

4.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. maximale bouwhoogte: zoals op de verbeelding staat aangegeven;
  2. maximum bebouwingspercentage: 100%;
  3. uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan.

4.3 Specifieke gebruiksregels     

4.3.1 Niet-woonfuncties     

Voor de in 4.1, onder a t/m k genoemde functies gelden de volgende regels:

  1. voor detailhandel geldt een maximum vloeroppervlak van 1500 m2 per vestiging, waarbij het maximum bruto vloeroppervlak in de eerste bouwlaag 1000 m2 per vestiging mag bedragen, met dien verstande dat supermarkten niet zijn toegestaan;
  2. voor expositieruimte geldt een maximum bruto vloeroppervlak van 2800 m² per vestiging, waarbij het maximum bruto vloeroppervlak in de eerste bouwlaag 1500 m2 per vestiging mag bedragen;
  3. voor kantoren geldt dat deze vanaf de tweede bouwlaag zijn toegestaan, met uitzondering van entreegebieden voor kantoren die in de eerste bouwlaag zijn toegestaan;
  4. voor het entreegebied in de eerste bouwlaag geldt een maximum oppervlak van 500 m2 bvo;
  5. voor horeca geldt dat, er twee horecavestigingen van categorie 2 en/of categorie 4 zijn toegestaan met een maximum vestigingsgrootte van 1.500 m2 bvo per vestiging en één vestiging van horeca categorie 4 is toegestaan met een maximum vestigingsgrootte van 1.500 m2 bvo;
  6. voor ondersteunende horeca geldt een maximum netto vloeroppervlak van 30% van het netto vloeroppervlak van de vestiging met een maximum van 30 m²;
  7. voor wonen geldt dat deze functie vanaf de tweede bouwlaag en hoger, met een maximum oppervlak van 200 m2 bvo, is toegestaan;
  8. voor alle in de eerste bouwlaag toegelaten functies geldt dat deze publiekstoegankelijk dienen te zijn, met uitzondering van entreegebied, technische en andere nevenruimten.
4.3.2 Geluidgevoelige objecten     

Voor zover op grond van artikel 4.1 nieuwe, nog niet bestaande geluidgevoelige objecten mogen worden gerealiseerd, zijn deze alleen toegestaan indien:

  1. de geluidbelasting op de gevels van de geluidgevoelige objecten niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of;
  2. hiervoor overeenkomstig een hogere waarde is vastgesteld en geen bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' aan het object is toegekend of;
  3. ter plaatse van de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' het betreffende deel van de gevel wordt uitgevoerd als een dove gevel of als er een vliesgevel wordt gerealiseerd.
4.3.3 Gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit     

Voor het toestaan van nieuwe, op grond van artikel 4.1 nog niet bestaande gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit dient advies van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GGD) van de gemeente Amsterdam te worden ingewonnen.

4.4 Afwijken van de gebruiksregels     

4.4.1 Geluidsgevoelige objecten     

Het College van B&W is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wet ruimtelijke ordening, om in afwijking van het bepaalde in 4.3.2 onder c een omgevingsvergunning te verlenen zonder dat het betreffende deel van de gevel wordt uitgevoerd als een dove gevel of als een vliesgevel, indien is aangetoond dat de daarvoor geldende hogere grenswaarde niet wordt overschreden.

Artikel 5 Verkeer     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. wegen, straten, voet- en fietspaden met een verkeersfunctie;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. ondergrondse parkeergarage, uitsluitend in de kelder en/of het souterrain, met dien verstande dat toegangen en in- en uitritten tevens op het maaiveld zijn toegestaan;
  4. groenvoorzieningen;
  5. pleinen;
  6. terras;
  7. speelvoorzieningen;
  8. kunstwerken;
  9. waterlopen en waterpartijen;
  10. oeververbindingen (bruggen);
  11. werken voor de beeldende kunst;
  12. straatmeubilair;
  13. openbare toiletvoorzieningen;
  14. geluidwerende voorzieningen;
  15. laad- en losvoorzieningen.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Algemeen     

Op en onder de in artikel 5.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

5.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen geldt dat uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan.

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. maximale bouwhoogte van reclameuitingen, lichtmasten, zendmasten, sirenemasten, bewegwijzering, verkeersregulering, werken voor de beeldende kunst en daarmee vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 12 meter;
  2. maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 5 meter.

Artikel 6 Waarde - cultuurhistorie     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Waarde - cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing.

6.2 Bouwregels     

Op en onder de in 6.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), na advies van Bureau Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam.

6.3 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk     

6.3.1 Vergunningsplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning één of meer gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of onderdelen daarvan te slopen.

6.3.2 Uitzonderingen op de vergunningsplicht     

Het bepaalde in 6.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, die:

  1. het normale onderhoud betreffen;
  2. uitgevoerd worden, danwel uitgevoerd mogen worden krachtens een voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan verleende danwel aangevraagde vergunning;
  3. een sloopactiviteit betreft aan een gemeentelijk monument of een Rijksmonument.
6.3.3 Toetsingscriteria     

De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan slechts worden verleend, indien:

  1. hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en advies is verkregen van het Bureau Monumenten en Archeologie;
  2. het delen van een gebouw of bijgebouwen betreffen, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt;
  3. er een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van ter plaatse geprojecteerde nieuwbouw danwel aannnemelijk kan worden gemaakt dat voor de bouw van de ter plaatse geprojecteerde nieuwbouw een omgevingsvergunning zal worden verleend.

6.4 Wijzigingsbevoegdheid     

Het dagelijks bestuur is bevoegd, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening, de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - cultuurhistorie' te wijzigen:

  1. door een of meerdere vlakken met de bestemmingsvlakken met de dubbelbestemming 'Waarde - cultuurhistorie' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien het betreffende pand of de betreffende panden niet langer zijn aangewezen als cultuurhistorisch waardevol;
  2. door aan een of meedere bestemmingsvlakken geheel of gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waarde - cultuurhistorie' toe te kennen, indein het betreffende pand of de betreffende panden wordt/worden aangewezen als cultuurhistorisch waardevol.

Hoofdstuk 3 Algemene regels     

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel     

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels     

8.1 Ondergeschikte bouwdelen     

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, koekoeken, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, overstekende daken en dergelijke delen van gebouwen buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, dan wel bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 meter bedraagt.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels     

9.1 Algemeen gebruiksverbod     

Het is verboden de in Hoofdstuk 2 bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving.

9.2 Gebruiksverbod     

Onder verboden gebruik als bedoeld in 9.1 wordt in elk geval begrepen het gebruik van gronden en/of bebouwing:

  1. als bedrijven die worden begrepen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht;
  2. als automatenhal, belwinkel, geldwisselkantoor, seksinrichting, smartshop, massagesalon;
  3. als opslagplaats voor onklare voer-, vlieg- en vaartuigen;
  4. als stortplaats voor puin, schroot, afbraak- en bouwmaterialen of andere afvalstoffen, voor zover dit niet betrekking heeft op het tijdelijk storten van geringe hoeveelheden afvalstoffen;
  5. als opslagplaats van bagger en grondspecie, tenzij zulks plaatsvindt langs een waterloop en in verband met het onderhoud van de waterloop;
  6. als industrie in de voedingssector met extramurale opslag of overslag, viskwekerijen met extramurale bassins, opslag of verwerking van afvalstoffen met extramurale opslag of verwerking, natuurreservaten en vogelreservaten, moerasgebieden en oppervlaktewateren groter dan 3 hectare, zoals bedoeld in artikel 2.2.3 van het Luchthavenindelingbesluit;
  7. ten dienste van bedrijven die worden begrepen onder artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer;
  8. ten dienste van activiteiten uit kolom 1 van bijlagen C en D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 van de desbetreffende bijlage;
  9. ten dienste van inrichtingen waarop het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is;
  10. ten behoeve van gemotoriseerde (buiten)sporten.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels     

  1. Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, is het College van burgemeester en wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de desbetreffende regels van dit bestemmingsplan, ten behoeve van:
    1. het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen met een maximale bouwhoogte van 6 meter en een maximaal vloeroppervlak van 25 m²;
    2. het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, kunstobjecten, fonteinen, plastieken, vrijstaande muren, straatmeubilair, geluidwerende voorzieningen, bruggen en andere waterbouwkundige constructies en ondergrondse vuilstortcontainers;
    3. geringe afwijkingen welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, mits de afwijking in situering niet meer dan 2 meter bedraagt;
    4. het overschrijden van de bouwvlak- en bestemmingsgrenzen met ten hoogste 2,5 meter voor erkers, serres, uitkragingen, bordessen, buitentrappen, galerijen, luifels, balkons, lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen;
    5. het overschrijden van de in de regels toegestane maximale bouwhoogten met maximaal 1,5 meter;
    6. het overschrijden van de in de regels toegestane maximale bouwhoogten, anders dan bedoeld onder 4 en 5, met ten hoogste 3 meter ten behoeve van centrale verwarmingsinstallaties, liftschachten en trappenhuizen, met ten hoogste 5 meter ten behoeve van schoorstenen, antennes, ventilatie-inrichtingen, zonneboilers, zonnepanelen, antennemasten voor mobiele telefonie en met ten hoogste 5 meter ashoogte ten behoeve van windmolens;
    7. het bouwen van kelders en souterrains en het vergroten van bestaande kelders en souterrains onder voorwaarden dat:
      • de technische haalbaarheid is aangetoond;
      • de diensten, die belast zijn met de zorg op het terrein van milieu- en bouwtoezicht, het waterbeheer en de bescherming van monumenten en archeologie, geen bezwaar hebben tegen de onderkeldering;
    8. parkeervoorzieningen, mits aangetoond kan worden dat ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan:
      • reeds op eigen terrein geparkeerd werd;
      • voor het aantal auto's dat op eigen terrein geparkeerd wordt geen parkeervergunning verleend is en/of een eventueel verleende parkeervergunning voor het openbaar gebied wordt ingetrokken;
      • een in- en uitrit beschikbaar is voor het ontsluiten van de parkeerplaatsen.
  2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in dit artikel kan worden verleend, mits de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of belangen van derden niet onevenredig worden geschaad.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels     

Artikel 11 Overgangsrecht     

11.1 Overgangsrecht bouwwerken     

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  2. Het college kan eenmalig in afwijking van onderdeel a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  3. Onderdeel a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

11.2 Overgangsrecht gebruik     

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in onderdeel a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  3. Indien het gebruik, bedoeld in onderdeel a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  4. Onderdeel a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Citroëngebouwen Stadionplein 

Bijlagen bij de regels