NL.IMRO.0373.BPGparkeren-B001 bestemmingsplan Parkeren gemeentelijke overheid 0373 2018-02-15 PRPT2012
Parkeren    

Bergen (NH.)

bestemmingsplan

identificatie planstatus
identificatiecode: datum: status:
NL.IMRO.0373.BPGparkeren-B001  concept
voorontwerp
projectnummer: 8 februari 2018 ontwerp
037300.20180156 vastgesteld
opdrachtleider:
M.F. Bleeker MSc

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Aanleiding     

1.1 Aanleiding en doel     

Tot voor kort was het gebruikelijk om een parkeerregeling en regeling voor het laden en lossen van goederen op te nemen in de gemeentelijke bouwverordening. Dit mag nu niet meer. Gemeenten moeten hiervoor nu een regeling opnemen in het bestemmingsplan. Omdat in de gemeente Bergen (NH) nog niet alle bestemmingsplannen zo'n regeling bevatten, is dit facetbestemmingsplan parkeren opgesteld.

Het facetbestemmingsplan parkeren komt als het ware als een extra laag over de bestaande bestemmingsplannen zonder parkeerregeling in de gemeente Bergen heen te liggen. Hiermee voldoen we aan de wettelijke verplichting dat bestemmingsplannen voor 1 juli 2018 moeten zijn voorzien van een parkeerregeling.

1.2 Begrenzing plangebied     

Met dit bestemmingsplan worden alle ruimtelijke plannen van de gemeente Bergen herzien. De in dit bestemmingsplan opgenomen regels gelden in aanvulling op c.q. in afwijking van de regels van de ruimtelijke plannen van de gemeente Bergen voor wat betreft het onderwerp 'parkeren' en 'laden en lossen', en laten de overige regels uit die onderliggende ruimtelijke plannen ongewijzigd. Op de kaart hieronder is het plangebied aangegeven.

verplicht

Figuur 1.1 Plangebied

Hoofdstuk 2 Beleidskader     

 

2.1 Notitie Ruimtelijke Parkeerbeleid 2009     

Dit bestemmingsplan verwijst naar de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009' en eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van deze nota en de normen die daarin zijn opgenomen. Uitgangspunt is dat het parkeren op eigen terrein wordt opgelost.

2.2 Regeling laden en lossen     

De 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009' voorziet niet in een regeling voor het laden en lossen. Voor het bepalen wanneer sprake is van het "in voldoende mate" voorzien in ruimte voor het laden en lossen van goederen is aangesloten bij het ASVV 2012 (uitgave van het CROW) dan wel de geldende versie op het moment van het indienen van de aanvraag.

Hoofdstuk 3 Juridische plantoelichting     

3.1 Algemeen     

Elke ruimtelijke functie trekt een bepaalde hoeveelheid verkeer aan en genereert daarmee een parkeerbehoefte. Bij ruimtelijke ontwikkelingen kan de vraag naar parkeerplaatsen stijgen. In dat geval is het van belang dat die ontwikkeling ook gepaard gaat met de aanleg van parkeerplaatsen.

Om te waarborgen dat een bouwplan niet leidt tot parkeerproblemen, is het noodzakelijk om in bestemmingsplannen een parkeerregeling op te nemen en om parkeernormen in een gemeentelijke nota vast te leggen. Door de parkeerregeling in het bestemmingsplan in combinatie met parkeernormen in de nota kan een berekening worden gemaakt van de te verwachten parkeerbehoefte. Een parkeernorm geeft aan hoeveel parkeerplaatsen per eenheid van een bepaalde functie benodigd zijn.

3.2 Juridisch kader     

Bouwverordening

In artikel 2.5.30 van de Bouwverordening is in het kort bepaald dat een aanvrager – indien een ontwikkeling leidt tot een (hogere) parkeervraag – in voldoende mate moet voorzien in parkeerruimte op eigen terrein. Dit wordt de parkeereis genoemd. Met behulp van een Nota Parkeernormen kan, in veel voorkomende gevallen, zowel de omvang van de parkeervraag als de mate van parkeeraanbod worden berekend.

Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. De Reparatiewet neemt onder meer de wettelijke grondslag weg voor de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening. Dit betekent dat de stedenbouwkundige voorschriften uit de bouwverordening geleidelijk via overgangsrecht zullen 'uitsterven'. Daarmee zal de bouwverordening als instrument voor de parkeerregeling op termijn verdwijnen. De Reparatiewet hanteert een overgangstermijn die loopt tot 1 juli 2018. Vanaf die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening hun (aanvullende) werking voor bestemmingsplannen en beheersverordeningen die voor 29 november 2014 zijn vastgesteld.

Bestemmingsplan

De nieuwe regelgeving (artikel 3.1.2 lid 2 aanhef en onder a van het Besluit ruimtelijke ordening) maakt het mogelijk om in het bestemmingsplan een koppeling te maken met beleidsregels. Een bestemmingsplan kan nu regels bevatten "waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels". Hierdoor kan (net als voorheen in de bouwverordening) een flexibele regeling voor parkeren worden opgenomen.

Uit jurisprudentie blijkt dat het niet voldoende is om in de regels alleen aan te geven dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. Er moet in de regels aangegeven worden op basis waarvan dit beoordeeld zal worden. Hiervoor heeft de gemeente Bergen de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009' opgesteld. In 2014 is hier een wijziging op gekomen voor wat betreft de parkeernormen.

Het parkeeraspect kan in het bestemmingsplan worden geregeld door vast te leggen dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen of wijzigen van een functie, of bij het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid, er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. "Voldoende" betekent dat wordt voldaan aan de normen zoals die zijn vastgelegd in de Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009. Daarnaast geldt dat indien de beleidsregels uit deze nota tijdens de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. In de volgende paragraaf staat beschreven waar in de planregels een en ander is vastgelegd.

3.3 Regels     

Artikel 1 begint met een omschrijving van de relevante begrippen. Vervolgens is in artikel 2 vastgelegd dat de planregels uit de onderliggende ruimtelijke plannen van kracht blijven en dat dit bestemmingsplan hierop een aanvullende werking heeft. Artikel 3 beschrijft vervolgens de algemene bouwregels en artikel 4 de algemene gebruiksregels. Hieronder volgt daarop een toelichting.

Artikel 3.1 van dit facetplan bevat een algemene bouwregel: een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend als er in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of daarvan sprake is, wordt bepaald aan de hand van het gemeentelijk parkeerbeleid.

Artikel 3.2 gaat in op laden en lossen. Indien sprake is van een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen slechts verleend indien in voldoende mate in ruimte voor het laden en lossen van goederen is voorzien. Of daarvan sprake is, wordt bepaald aan de hand van de richtlijnen die zijn opgenomen in het ASVV2012.

Artikel 3.3 bevat een afwijkingsbevoegdheid: in geval van bijzondere omstandigheden of als op een andere geschikte wijze in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien, kan van artikel 3.1 en artikel 3.2 worden afgeweken, mits de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de parkeersituatie ter plaatse.

Artikel 4.1 van dit facetplan bevat een algemene gebruiksregel: een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van een functie wordt slechts verleend als er in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of daarvan sprake is, wordt bepaald aan de hand van het gemeentelijk parkeerbeleid.

Artikel 4.2 gaat in op laden en lossen. Indien sprake is van een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van een functie slechts verleend indien in voldoende mate in ruimte voor het laden en lossen van goederen is voorzien. Of daarvan sprake is, wordt bepaald aan de hand van de richtlijnen die zijn opgenomen in het ASVV2012.

Artikel 4.3 bevat een afwijkingsbevoegdheid: in geval van bijzondere omstandigheden of als op een andere geschikte wijze in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien, kan van artikel 4.1 en artikel 4.2. worden afgeweken, mits de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de parkeersituatie ter plaatse.

De bij een omgevingsvergunning aangelegde parkeerplaatsen moeten in stand worden gehouden. Als dat niet zo is, wordt dit aangemerkt als strijdig met het bestemmingsplan. Dit staat geregeld in artikel 4.4. Dit geldt niet voor bestaand gebruik en aangelegde parkeerplaatsen buiten het eigen perceel, zoals in de openbare ruimte.

In artikel 5 is een anti-dubbeltelregel opgenomen en in artikel 6 en 7 wordt ingegaan op het overgangsrecht en de slotbepaling.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid     

Dit facetbestemmingsplan is door de gemeente opgesteld in verband met het vervallen van de regels over parkeren uit de Bouwverordening. Het facetplan maakt op zichzelf geen ontwikkelingen mogelijk, en is uitsluitend bedoeld om ervoor te zorgen dat er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen. Dit plan wordt daarmee uitvoerbaar geacht.

Op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vooroverleg gevoerd met de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. De provincie Noord-Holland heeft aangegeven akkoord te gaan met het opstellen van een facetplan parkeren. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat in geval van ontwikkelingen aandacht voor het aspect water nodig is. Met voorliggend plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Mochten zich ontwikkelingen voordoen dan zal uiteraard rekening (moeten) worden gehouden met het aspect water.

Omdat het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk maakt, wordt het facetbestemmingsplan direct als ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. Belanghebbenden worden binnen deze periode in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze in te dienen. De eventuele zienswijzen worden verwerkt in een Nota van zienswijzen. Indien de zienswijzen aanleiding geven tot wijzigingen wordt het bestemmingsplan aangepast voor de vaststelling, zo niet dan wordt het bestemmingsplan ongewijzigd vastgesteld. Na vaststelling wordt het vastgestelde bestemmingsplan eveneens gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, beroep instellen tegen het vastgestelde bestemmingsplan.

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Bestaand gebruik     

het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig en toegestaan op het tijdstip waarop dit bestemmingsplan rechtskracht heeft verkregen.

1.2 Bestemmingsplan     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Plan     

het bestemmingsplan Parkeren met identificatienummer NL.IMRO.0373.BPGparkeren-B001 van de gemeente Bergen.

1.4 Ruimtelijke plannen     

bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen en wijzigingsplannen.

Hoofdstuk 2 Algemene regels     

Artikel 3 Algemene bouwregels     

3.1 Parkeervoorzieningen     

Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde regels.

3.2 Laden en lossen     

Indien sprake is van een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende mate in ruimte voor het laden of lossen van goederen is voorzien. Of sprake is van voldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen wordt bepaald aan de hand van de normen, zoals opgenomen in het ASVV 2012 (uitgave van het CROW), met inbegrip van eventuele wijzigingen van het ASVV gedurende de planperiode.

3.3 Afwijkingsbevoegdheid     

  1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.1 indien:
    1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
    3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.

  1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 indien:
    1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. op andere geschikte wijze in de nodige laad- en losvoorzieningen wordt voorzien;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.

Artikel 4 Algemene gebruiksregels     

4.1 Parkeervoorzieningen     

Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009'. Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, wordt rekening gehouden met de gewijzigde regels.

4.2 Laden en lossen     

Indien sprake is van een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van een functie van een bouwwerk slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende mate in ruimte voor het laden of lossen van goederen is voorzien. Of sprake is van voldoende ruimte voor het laden en lossen van goederen wordt bepaald aan de hand van de normen, zoals opgenomen in het ASVV 2012 (uitgave van het CROW), met inbegrip van eventuele wijzigingen van het ASVV gedurende de planperiode.

4.3 Afwijkingsbevoegdheid     

  1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.1 indien:
    1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien;
    3. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.

  1. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 4.2 indien:
    1. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of
    2. op andere geschikte wijze in de nodige laad- en losvoorzieningen wordt voorzien;

onder de voorwaarde dat dit mogelijk is indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid en de verkeerssituatie ter plaatse.

4.4 Strijdig gebruik     

Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid en/of ruimte voor laad- en losvoorzieningen die is vereist en aangelegd op grond van artikel 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2 niet in stand wordt gelaten. Deze bepaling geldt niet voor:

a. bestaand gebruik;

b. aangelegde parkeervoorzieningen buiten het eigen perceel, waaronder in de openbare ruimte.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotregels     

Artikel 6 Overgangsrecht     

6.1 Overgangsrecht bouwwerken     

  1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan;
  2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
  3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan;

6.2 Overgangsrecht gebruik     

  1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 7 Slotregel     

Deze regels worden aangehaald als:

“Regels van het bestemmingsplan 'Parkeren' van de gemeente Bergen".