direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Partiële herziening Bergen Dorpskern Zuid - Jan Tooropweg 10
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0373.BPJanTooropweg10-B001

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

In 1961 is een vergunning afgegeven ten behoeve van het ombouwen van een garage tot logeergelegenheid (zomerwoning) ter plaatse van het perceel gelegen aan de Jan Tooropweg 10 te Bergen (Noord-Holland). Vanaf 2007 wordt binnen de gemeente Bergen enkel nog de term recreatiewoning gebruikt (zie ook paragraaf 3.3). Hierna wordt daarom gesproken over een recreatiewoning.

Vooralsnog is de betreffende vergunning voor de recreatiewoning niet verwerkt in het vigerende bestemmingsplan (zie paragraaf 1.3). Met voorliggende partiële herziening wordt de vergunde situatie alsnog juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied betreft een deel van het perceel gelegen aan de Jan Tooropweg 10 te Bergen. Dit perceel ligt aan de zuidzijde van de buurt Westdorp. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied op een luchtfoto weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPJanTooropweg10-B001_0001.png"

Figuur 1.1. Indicatieve ligging plangebied (geel omlijnd) weergegeven op een luchtfoto

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Bergen - Dorpskern Zuid', zoals op 24 maart 2009 vastgesteld. Volgens het vigerende bestemmingsplan is sprake van een bestemming 'Wonen - Westdorp (W-WD)'. Dit betekent dat de gronden zijn bestemd voor wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van aan-huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten alsmede voor natuur- en landschapswaarden. Recreatiewoningen zijn alleen ter plaatse van de daarvoor opgenomen aanduiding toegestaan. Een dergelijke aanduiding is op het betreffende perceel niet opgenomen. Nu hier wel een vergunning voor is verleend wordt met dat met deze partiële herziening hersteld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPJanTooropweg10-B001_0002.png"

Figuur 1.2. Uitsnede vigerend bestemmingsplan

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan 'Partiële herziening Bergen Dorpskern Zuid - Jan Tooropweg 10' bestaat uit een toelichting, de verbeelding en regels.

De toelichting van dit bestemmingsplan is het niet-juridisch bindende deel van het bestemmingsplan waarin op een heldere wijze de afwegingen die ten grondslag liggen aan de regeling uiteen worden gezet. Deze toelichting is als volgt opgebouwd:

  • hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied;
  • hoofdstuk 3 een beschrijving van de beleidscontext van het plan;
  • hoofdstuk 4 gaat in op de omgevingsaspecten, zoals verkeer, bodem, archeologie, ecologie en water;
  • hoofdstuk 5 geeft een uitleg van de bij dit plan behorende regels;
  • hoofdstuk 6 maakt de uitvoerbaarheid van het plan inzichtelijk.

Hoofdstuk 2 Analyse en uitgangspunten

2.1 Huidige situatie

Ter plaatse van het plangebied is sprake van een woonperceel. Er is één woonhuis aanwezig. In 1961 is een vergunning verleend voor het ombouwen van de destijds aanwezige garage op het perceel naar een logeergelegenheid (zomerwoning). In de vergunning is opgenomen dat de recreatiewoning alleen bewoond mag worden door de hoofdbewoner in het tijdvak van 1 mei tot 15 september. Vanaf 2007 wordt binnen de gemeente Bergen enkel nog de term recreatiewoning gebruikt (zie ook paragraaf 3.3). Hierna wordt daarom gesproken over een recreatiewoning.

2.2 Toekomstige situatie

De toekomstige situatie komt overeen met de huidige situatie. Het enige verschil is dat de recreatiewoning waarvoor reeds een vergunning is verleend ook juridisch-planologisch wordt vastgelegd in het bestemmingsplan, zie ook onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPJanTooropweg10-B001_0003.png"

Figuur 2.1. Uitsnede verbeelding en daarop aangegeven de locatie van de recreatiewoning

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) bevat plannen voor ruimte en mobiliteit op Rijksniveau. Er is sprake van een hoog abstractieniveau: de visie richt zich alleen op nationale belangen zoals een goed vestigingsklimaat, een degelijk wegennet en de waterveiligheid. De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de SVIR geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro bepaalt dat voor onder meer ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken, de treden van deze ladder doorlopen moeten worden. Het Barro is de juridische vertaling van het beleid dat geschetst is in het SVIR. Dit beleidsdocument bevat regels die doorwerken naar lagere overheden.

Toetsing

Vanwege de kleinschaligheid van het project is er geen sprake van strijd met het SVIR en het Barro, beide gekenmerkt wordt door een hoog abstractie- en schaalniveau. Anderzijds draagt het gebruik van gronden ten behoeve van een bouwwerk voor recreatiewoning ook niet bij aan het verwezenlijken van dit beleid. Er is daarnaast geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het Rijksbeleid staat het gebruik van de grond voor een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

De provincie Noord-Holland heeft haar plannen, toekomstbeelden en ambities voor de komende drie decennia vastgelegd in de 'Structuurvisie Noord-Holland 2040' (inclusief herzieningen). Ruimtelijke kwaliteit, duurzaam ruimtegebruik en klimaatbestendigheid staan hierbij centraal. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) worden voor een aantal onderwerpen regels gesteld die door de Rijksoverheid bij de provincies zijn neergelegd ter verdere uitwerking en/of aanvulling in een provinciale verordening. Het gaat hierbij om regels ten aanzien van het kustfundament en de Ecologische Hoofdstructuur. Ook bevat de verordening regels ten aanzien van stedelijke ontwikkelingen. In het beleid wordt niet gesproken over recreatief nachtverblijf. Wel zijn in de verordening regels voor recreatiewoningen opgenomen. Deze regels gelden echter alleen voor recreatiewoningen in het landelijk gebied. Ondanks dat het plangebied niet in het landelijk gebied is gelegen worden deze regels hieronder volledigheidshalve weergegeven.

Artikel 18 Recreatiewoningen

  • 1. Een bestemmingsplan voorziet niet in de mogelijkheid van permanente bewoning van recreatiewoningen en stacaravans.
  • 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijfsmatig geëxploiteerd complex van recreatiewoningen stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het complex.
  • 3. Een bestemmingsplan dat – na toepassing van artikel 5a of artikel 5c – de oprichting van een nieuw complex van recreatiewoningen mogelijk maakt, stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie van het complex en het voorkomen van permanente bewoning van de recreatiewoningen.
  • 4. Bestemmingsplannen, waarin bestaande recreatieparken, liggend in of tegen beschermde natuurgebieden, met een zomer- en winterregeling, moeten deze regeling respecteren en handhaven teneinde de natuur in het winterseizoen de mogelijkheid te geven te herstellen.
  • 5. Artikel 15 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15 heeft betrekking op de ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. Landelijk gebied is gedefinieerd als het gebied, niet zijnde bestaand stedelijk gebied, als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder h, van het Bro.

Toetsing

In onderhavig geval gaat het om het mogelijk maken van het gebruik van gronden voor de aanwezigheid van een recreatiewoning. Vanwege het kleinschalige karakter, en aangezien geen nieuwe bebouwing mogelijk wordt gemaakt, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Ten aanzien van de regels die gelden voor recreatiewoningen geldt het volgende:

  • 1. De partiële herziening heeft geen betrekking op permanente bewoning van een recreatiewoning.
  • 2. Er is geen sprake van bedrijfsmatige exploitatie van een complex.
  • 3. Het plan maakt geen oprichting van een oprichting van een complex mogelijk.
  • 4. De locatie is niet gelegen in een beschermd natuurgebied (zie ook paragraaf 4.9)
  • 5. Het juridisch-planologisch mogelijk maken van een reeds vergunde situatie betreft geen stedelijke ontwikkeling. Bovendien bevindt de recreatiewoning zich in bestaand bebouwd gebied, zie figuur 3.1. Daarmee kan verdere toetsing aan artikel 15 achterwege blijven.

Uit voorgaande kan worden afgeleid dat wordt voldaan aan artikel 18 (recreatiewoningen) van de PRV. Het provinciaal beleid staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPJanTooropweg10-B001_0004.png"

Figuur 3.1. Uitsnede provinciale structuurvisie (Bestaand Bebouwd Gebied in roze weergegeven)

3.3 Gemeentelijk beleid

Planologische visie op recreatiewoningen op particuliere erven met een woonbestemming

Op 26 juni 2007 heeft de gemeenteraad van Bergen een beleidslijn vastgesteld met betrekking tot de recreatiewoningen op particuliere erven. Tot 2007 werd in de voormalige gemeenten Schoorl, Bergen en Egmond de begrippen zomerwoningen, tenthuisjes, zomerhuizen, recreatiewoningen en seizoenwoonverblijven door elkaar heen gebruikt. Vroeger hadden deze begrippen een functie, omdat er een onderscheid was tussen de verschillende soorten gebouwen naar aard van het gebruik en in constructie. Gezien de ontwikkelingen op het gebied van verblijfsrecreatie hebben al deze begrippen hun betekenis verloren en worden ze door elkaar heen gebruikt. Daar waar het gaat om particuliere ervan is in 2007 besloten, om misverstanden te voorkomen, vanaf dat moment enkel nog de term recreatiewoning te gebruiken.

In de visie is beschreven dat de binnen de gemeente Bergen aanwezige recreatiewoningen bij vrijstaande woningen, met uitzondering van de uitbreidingswijken, een positieve bestemmingsregeling hebben gekregen of zullen krijgen bij herzieningen van bestemmingsplannen.

Nota Ruimtelijk Parkeerbeleid

Bij nieuwe ontwikkelingen worden de parkeernormen en beleidsregels uit de "Nota Ruimtelijk Parkeerbeleid" gehanteerd. De huidige versie stamt uit 2009. In 2014 zijn de daarbij behorende parkeernormen gewijzigd vastgesteld. De gemeente is bezig met het actualiseren van het parkeerbeleid. Vooralsnog is de beleidsnota uit 2009 met de parkeernormen uit 2014 het toetsingskader. Belangrijk onderdeel binnen deze nota is dat de parkeerbehoefte die ontwikkelingen veroorzaken in principe binnen de grenzen van het betreffende plangebied dienen te worden opgelost. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt aangesloten bij de parkeernormen die in bijlage 1 bij de nota zijn opgenomen.

Toetsing

De locatie is gelegen binnen de bebouwde kom van Bergen en kent reeds een woonbestemming. Een recreatiewoning is volgens het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. In 1961 is een vergunning verleend voor een recreatiewoning. Met deze partiële herziening wordt de recreatiewoning waarvoor reeds een vergunning is verleend juridisch-planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan. Daarbij is ter plaatse van het perceel voldoende ruimte om te parkeren, zie ook paragraaf 4.2.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is naar de verschillende ruimtelijk relevante (onderzoeks)aspecten gekeken. In voorliggend hoofdstuk worden de resultaten hiervan beschreven.

4.2 Verkeer en parkeren

Ontsluiting

Deze partiële herziening voorziet in het juridisch-planologisch vastleggen van de in 1961 vergunde recreatiewoning. De recreatiewoning is inmiddels al ruim 50 jaar als zodanig in gebruik. Het plangebied is gelegen aan de Jan Tooropweg en wordt vervolgens ontsloten via de Buerweg en Eeuwigelaan. In het westen gaat de Eeuwigelaan over in de N511 richting Egmond. In het oosten leidt de weg door de kern van Bergen richting N9. De Jan Tooropweg is een rustige, smalle doodlopende weg. Het is een erftoegangsweg binnen de 30 km/uur zone waar fietsers en voetgangers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer.

Verkeersgeneratie

De binnen het plangebied aanwezige recreatiewoning zorgt voor verkeersbewegingen. De verkeersbewegingen bij een recreatiewoning zijn lager dan bij een woonhuis. Daarom is uitgegaan van de minimale kencijfer (CROW-publicatie 317) voor één woning (huurhuis). De verkeersgeneratie komt uit op circa 7 mvt/etmaal. Deze verkeersgeneratie is dusdanig laag dat deze opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het huidige verkeer. Echter, deze verkeersgeneratie maakt al jaren onderdeel uit van het verkeer op de omliggende wegen. Er is dus geen sprake van verandering of toename.

Parkeren

Een recreatiewoning zorgt ook voor een parkeervraag. Conform de 'Notitie Ruimtelijk Parkeerbeleid 2009' van de gemeente Bergen moet de parkeervraag op eigen terrein worden opgelost. De parkeervraag voor een recreatiewoning is niet in de notitie opgenomen. Uitgegaan wordt van een maximale parkeervraag van 1 parkeerplaats. In dit geval gaat het om een bestaande recreatiewoning waarvoor reeds een vergunning is verleend. Ter plaatse van het perceel is voldoende ruimte om te parkeren. De parkeervraag wordt dan ook reeds volledig op het perceel gelegen aan de Jan Tooropweg 10 opgevangen.

Conclusie

Met deze partiële herziening wordt de recreatiewoning waarvoor reeds een vergunning is verleend juridisch-planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan. Het gaat dan ook om een reeds bestaande situatie. De verkeersgeneratie maakt al onderdeel uit van het verkeer en is dermate laag dat het opgaat in de dagelijkse fluctuatie van het verkeer. De parkeervraag wordt volledig ter plaatse van het betreffende perceel opgevangen. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Wegverkeerslawaai

Beleid en normstelling

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd voor de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen. Ook is akoestisch onderzoek noodzakelijk bij de reconstructie van bestaande of de aanleg van nieuwe wegen.

Onderzoek en conclusie

Een recreatiewoning is volgens de Wet geluidhinder geen geluidsgevoelige functie waarvoor akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Daarbij gaat het in dit geval om een reeds bestaande situatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is volledigheidshalve wel gekeken naar de situatie ter plaatse. De locatie ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Buerweg ligt. Uit de geluidsbelastingkaart van de Regionale uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord volgt dat de geluidsbelasting in ieder geval lager is dan 55 dB. Daarbij bevindt de locatie zich op geruime afstand van de weg en is sprake van afschermende bebouwing. Het uitvoeren van akoestisch onderzoek wordt gezien het voorgaande vanuit een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk geacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0373.BPJanTooropweg10-B001_0005.png"

Figuur 4.1. Uitsnede geluidsbelastingkaart van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden.

Onderzoek

Met voorliggende partiële herziening wordt de recreatiewoning waarvoor reeds een vergunning is verleend juridisch-planologisch vastgelegd in het bestemmingsplan. De recreatiewoning mag worden bewoond van 1 mei tot 15 september. Het plangebied kan door de ligging in een woonwijk getypeerd worden als een 'rustige woonwijk'. In de directe omgeving zijn geen bedrijven gevestigd die milieuhinder kunnen veroorzaken of belemmerd kunnen worden door het juridisch-planologisch mogelijk maken van de recreatiewoning. Daarnaast veroorzaakt het mogelijk maken van één recreatiewoning geen milieuhinder of toename van milieuhinder richting de omgeving.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van de recreatiewoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de voorgenomen ontwikkeling in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

4.5 Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  uurgemiddelde concentratie   max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit niet in betekenende mate (nibm) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • 1. een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • 2. een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek en conclusie

Het beoogde gebruik als recreatiewoning kent geen verkeersaantrekkende werking. In de huidige situatie is het gebouw al in gebruik als recreatiewoning. Daarmee draagt de partiële herziening, waarmee de recreatiewoning waarvoor reeds een vergunning is verleend juridisch-planologisch wordt vastgelegd in het bestemmingsplan, dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Op het plan is daarom het Besluit nibm van toepassing. Een toetsing aan de grenswaarden kan achterwege blijven. Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Water

Beleid en normstelling

Ten behoeve van een partiële herziening dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Het plangebied is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied is deels verhard en deels onverhard. Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Tevens is het plangebied niet gelegen binnen een beschermingszone van een primaire watergang of binnen een kern- of beschermingszone van een waterkering. De bestaande recreatiewoning is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hanteert ten aanzien van watercompensatie het onderstaande uitgangspunt. Bij toename in verharding van meer dan 800 m² bestaat er een verantwoordelijkheid voor het bergen van regenwater. Voor bebouwing of bestrating van 800 m² of meer onverharde grond is een watervergunning nodig. Ten behoeve van het voorgenomen plan vindt geen nieuwbouw plaats, daarnaast is er geen toename van verharding. Watercompenserende maatregelen zijn hierdoor niet noodzakelijk en er is geen watervergunning noodzakelijk.

De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.7 Bodem

Beleid en normstelling

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onderzoek en conclusie

Het plangebied is reeds bestemd om te wonen. Historisch gezien zijn er geen redenen om aan te nemen dat de bodem ter plaatse van het plangebied niet over de gewenste kwaliteit beschikt. De recreatiewoning is reeds aanwezig en vergund. De fysieke indeling van het perceel niet veranderd en vinden er geen aanvullende bouwwerkzaamheden plaats. De grond onder en/of naast het pand wordt dus niet geroerd. Gezien het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie

Beleid en normstelling

Op grond van de Erfgoedwet moet bij de vaststelling van een ruimtelijk plan rekening worden gehouden met de archeologische waarden. Rijksmonumenten worden eveneens beschermd via de Erfgoedwet. Gemeentelijke monumenten worden beschermd via de Erfgoedverordening.

Onderzoek en conclusie

Conform het archeologiebeleid van de gemeente, te weten de Notitie Archeologiebeleid gemeente Bergen NH 2013, geldt voor het plangebied dat een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd op het moment dat het gaat om ingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 40 cm. Aangezien voornoemde drempelwaarden niet worden overschreden, staat het aspect archeologie het gebruik van de grond voor de aanwezigheid van een recreatiewoning niet in de weg. Aangezien binnen het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarden levert ook dit aspect geen belemmeringen op.

4.9 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.

Normstelling en beleid

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • a. Natuurnetwerk Nederland (NNN);
  • b. Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Natura 2000-gebieden

De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • c. de bescherming van overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Noord-Holland

In de provincie Noord-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.

Onderzoek en conclusie

Binnen het plangebied is reeds een recreatiewoning aanwezig. Om deze recreatiewoning planologisch vast te leggen, worden geen bomen gekapt, gebouwen gesloopt of groen aangetast. Effecten op beschermde planten- en diersoorten kunnen hierdoor worden uitgesloten. Het plangebied is gelegen op ca 250 m van het NNN (Natuur Netwerk Nederland) en op ca. 430 m van het Natura 2000-gebied Noordhollands Duinreservaat. Vanwege de afstand tot natuurgebieden en aangezien de recreatiewoning reeds aanwezig is leidt dit niet tot negatieve effecten als areaalverlies, versnippering, effecten op de waterhuishouding of verstoring. Gelet op de afstand en de aard en omvang van de ontwikkeling zal dit niet leiden tot een meetbare toename in stikstofdepositie ter plaatse van het Natura 2000-gebied. Significant negatieve effecten zijn dan ook uit te sluiten. De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

4.10 Externe veiligheid

Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek

Volgens de professionele risicokaart zijn in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen en vindt er nabij het plangebied geen transport van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, per spoor, over het water en door buisleidingen. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR10-6-contour of het invloedsgebied van het GR.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat het gebruik van de grond voor de aanwezigheid van een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf dan ook niet in de weg.

4.11 Kabels en leidingen

Beleid en normstelling

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek en conclusie

Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig die van invloed zijn op de ontwikkeling. Dit aspect staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

Voorliggende partiële herziening maakt een recreatiewoning ter plaatse van het perceel gelegen aan de Jan Tooropweg 10 te Bergen juridisch-planologisch mogelijk. Er is voor gekozen om de planvorm partiële herziening toe te passen. De geldende regeling, het bestemmingsplan 'Bergen Dorpskern Zuid' blijft onverminderd van toepassing.

5.2 Toelichting planregels

In de regels is opgenomen dat de regels van het bestemmingsplan 'Bergen Dorpskern Zuid' overeenkomstig van toepassing zijn. Met de verbeelding is voorzien in een aanduiding 'recreatiewoning' ter plaatse van het perceel gelegen aan de Jan Tooropweg 10 te Bergen. Aangezien in het bestemmingsplan 'Bergen Dorpskern Zuid' reeds een dergelijke aanduiding kent worden de planregels niet gewijzigd.

5.3 Toelichting verbeelding

De begrenzing van de partiële herziening betreft de begrenzing van de locatie waar de recreatiewoning reeds aanwezig is gelegen op het perceel aan de Jan Tooropweg 10 te Bergen. Deze locatie wordt aangevuld met een aanduiding 'recreatiewoning'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De partiële herziening wordt in ontwerp toegezonden aan diverse overleginstanties in het kader van het vooroverleg. Daarnaast wordt het ontwerp ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen zienswijzen ingediend worden.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het Bro heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro). Aangezien het in dit geval het juridisch-planologisch vastleggen van een reeds vergunde situatie is het vaststellen van een exploitatieplan zodoende niet noodzakelijk en is de economische uitvoerbaarheid voldoende gewaarborgd.