direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Wervershoof - Dorpsstraat 45
Status: ontwerp
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0420.WPDorpsstraat45-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 4 juli 2013 is het bestemmingsplan 'Dorpskernen III' vastgesteld. Op 29 september 2016 is een herziening van dit bestemmingsplan vastgesteld. Naar aanleiding van gegrond verklaard beroep zijn de plannen nog op onderdelen gewijzigd, maar dit is ter plaatse van onderhavige locatie niet van invloed. Zowel in het bestemmingsplan uit 2013 als in de herziening daarvan, komen panden voor met de aanduiding 'karakteristiek', ten behoeve van de instandhouding van de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen van bouwwerken.

In het bestemmingsplan van 2013 was het met omgevingsvergunning (binnenplans) mogelijk om panden met de aanduiding 'karakteristiek' geheel te verwijderen. Met de herziening in 2018 is de regeling aangepast, waardoor het geheel verwijderen van panden met de aanduiding 'karakteristiek' nog wel mogelijk is, maar alleen doormiddel van het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Met die wijzigingsbevoegdheid wordt de aanduiding 'karakteristiek' ter plaatse verwijderd. De gedachte daarachter is dat er na sloop van het bestaande pand geen sprake meer is van karakteristieke bebouwing, waardoor de aanduiding dus feitelijk zijn betekenis verliest.

Aanleiding voor het opstellen van onderhavig wijzigingsplan, als onderdeel van het bestemmingsplan Dorpskernen III van de gemeente Medemblik, is de bouwkundige staat van het bestaande pand aan de Dorpsstraat 45 te Wervershoof. Gezien de slechte bouwtechnische kwaliteit van het pand is het voornemen om het pand te slopen en vervangende nieuwbouw te realiseren.

1.2 Plangebied

Het plangebied betreft het perceel behorende bij de woning aan de Dorpsstraat 45 te Wervershoof, gelegen in de gemeente Medemblik. De ligging van het plangebied is aangegeven in een overzichtstekening van Wervershoof (figuur 1.1). Op de luchtfoto is het betreffende perceel in de bestaande woonwijk weergegeven (figuur 1.2).

afbeelding "i_NL.IMRO.0420.WPDorpsstraat45-ON01_0001.jpeg"

Fig. 1.1 Ligging plangebied in Wervershoof

afbeelding "i_NL.IMRO.0420.WPDorpsstraat45-ON01_0002.jpeg"

Fig. 1.2 Luchtfoto van het plangebied binnen de bestaande woonwijk

1.3 Planologische regeling

Op 4 juli 2013 is het bestemmingsplan 'Dorpskernen III' vastgesteld. Dit bestemmingsplan is naar aanleiding van een uitspraak van de Raad van State op 11 december 2014 gewijzigd vastgesteld en per 17 juni 2015 geheel onherroepelijk geworden. Voor onderhavige locatie zijn er geen relevante wijzigingen doorgevoerd. Op 29 september 2016 is een herziening van dit plan vastgesteld. Dit laatste plan is voor enkele, buiten het plangebied gelegen, percelen gedeeltelijk vernietigd door de Raad van State en op 26 april 2018 opnieuw vastgesteld. Inhoudelijk is er ter plaatse van het plangebied sprake van één moeder-bestemmingsplan en één herziening, aangezien de uitspraken van de Raad van State geen betrekking hadden op onderhavig perceel.

Het plangebied heeft de bestemming 'Wonen' met de aanduiding 'karakteristiek'. Ook gelden er de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4', ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. In de volgende afbeelding (fig. 1.3) is een fragment van het geldende bestemmingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0420.WPDorpsstraat45-ON01_0003.jpg"

Fig. 1.3 Uitsnede van het bestemmingsplan 'Dorpskernen III'

Binnen de bestemming 'Wonen' zijn de gronden bestemd voor woonhuizen en daarbij horende bouwwerken. De gronden ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek' zijn tevens bestemd voor de instandhouding van de karakteristieke hoofdvorm en karakteristieke elementen van bouwwerken. De uitwendige hoofdvorm van het gebouw mag slechts worden gewijzigd mits aan de cultuurhistorische waarde en/of architectonische vormgeving niet in onevenredige mate afbruik zal worden gedaan en het daarin tot uitdrukking komende karakter van het bouwwerken niet wezenlijk wordt aangetast. Volledige sloop van een pand met de aanduiding 'karakteristiek' is in het bestemmingsplan uitgesloten. In het bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van het plan in die zin dat de aanduiding 'karakteristiek' ter plaatse wordt verwijderd.

De wijzigingsbevoegdheid luidt als volgt:

  • a. Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen van een gebouw, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', en een andere bouwvorm wordt teruggebouwd, waarbij de aanduiding 'karakteristiek' wordt verwijderd, mits:
    • 1. het bouwwerk teniet is gegaan door een calamiteit en herbouw in de oorspronkelijke staat redelijkerwijs niet verlangd kan worden of de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is;
  • b. na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels voor gebouwen in de desbetreffende bestemming van overeenkomstige toepassing zijn;
  • c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

In onderhavige situatie is het bestaande gebouw bouwtechnisch en constructief in slechte staat. Er is onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheid voor herstel van de woning, de onderzoeksrapporten zijn opgenomen als bijlagen bij deze toelichting (Bijlage 1 en Bijlage 2). In paragraaf 3.5 wordt inhoudelijk ingegaan op de onderzoeksresultaten. Conclusie uit beide onderzoeken is dat herstel van de woning redelijkerwijs niet haalbaar is. De locatie komt in aanmerking voor toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid, nu wordt voldaan aan het tweede deel van het bepaalde in bovengenoemd lid a. onder 1; de bouwtechnische kwaliteit is dusdanig slecht dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is.

Met dit wijzigingsplan wordt toepassing gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid, waarbij de wijzigingsvoorwaarden in acht worden genomen. In het plan worden de bouwregels uit de vigerende bestemming 'Wonen' ongewijzigd overgenomen, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in lid b. De toets zoals bedoeld in lid c. is opgenomen in hoofdstuk 2 en 3 van deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden.

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting is als volgt opgezet. Hoofdstuk 1 bevat de aanleiding voor dit wijzigingsplan en een omschrijving van de locatie en het vigerende bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 worden de landelijke, provinciale, regionale en lokale belangen afgewogen. Een toets aan de omgevingsaspecten is opgenomen in hoofdstuk 3, waarbij een beschrijving wordt gegeven van de wijze waarop met archeologie en cultuurhistorische waarden rekening is gehouden, met de gevolgen voor de waterhuishouding (watertoets) en de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Hoofdstuk 4 geeft een verantwoording van de plansystematiek, de opzet van de regels en de in het plan opgenomen bestemmingen. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid aan de orde, opgesplitst in de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid, waarbij een beschrijving gegeven van de uitkomsten van het wettelijk vooroverleg (als bedoeld in art. 3.1.1 Bro) en de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het wijzigingsplan zijn betrokken.

Hoofdstuk 2 Belangenafweging

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In deze structuurvisie schetst het Rijk haar ambities tot 2040 en haar doelen, belangen en opgaven tot 2028. Tegelijkertijd vragen grote opgaven op het gebied van concurrentiekracht, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid om rijksbetrokkenheid.

Het Rijk gaat er vanuit dat de nationale ruimtelijke belangen die via wet- en regelgeving opgedragen zijn aan andere overheden door hen goed worden behartigd. De vereisten van de Rijksoverheid met betrekking tot ruimtelijke plannen liggen vast in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het is gericht op doorwerking van de nationale belangen in onder meer gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijk beleid.

Plan specifiek

Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Onderhavig plan raakt geen van de nationale belangen en is daarmee niet in strijd met de SVIR en het Barro.

2.1.2 Duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.

Planspecifiek

Met dit plan blijft de bestaande woonbestemming behouden. Door het verwijderen van de aanduiding 'karakteristiek' wordt het mogelijk gemaakt om de bestaande woning te slopen en daarvoor in de plaats één nieuwe woning terug te bouwen. Aangezien het vervangen van een woning geen stedelijke ontwikkeling betreft, is toetsing aan de ladder niet noodzakelijk.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Structuurvisie en Provinciale Verordening

Het ruimtelijk beleid van de provincie Noord-Holland is vastgelegd in de Structuurvisie Noord-Holland 2040. In de structuurvisie geeft de provincie een toekomstbeeld, waaruit het provinciaal belang volgt. Het toekomstbeeld is als volgt gedefinieerd: 'De provincie Noord-Holland zorgt dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft door in te zetten op klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik'.


Om het geschetste toekomstbeeld ruimtelijk te realiseren heeft de provincie provinciale belangen benoemd. De drie hoofdbelangen (klimaatbestendigheid, ruimtelijke kwaliteit en duurzaam ruimtegebruik) vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie. De hoofdbelangen zijn in de Structuurvisie uitgewerkt. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening, vastgesteld op 12 december 2016 en in werking getreden op 1 maart 2017, zijn regels verbonden aan deze hoofdbelangen.

De Provincie Noord-Holland draagt bij aan het realiseren van voldoende en passende huisvesting (woningtype) op de best mogelijke plek (woonmilieu) voor huidige en toekomstige bewoners van Noord-Holland. De Provincie Noord-Holland stelt hiervoor een provinciale woonvisie op die het kader biedt voor de door de regio's op te stellen regionale actieprogramma's. In de regionale actieprogramma's wordt het woningbouwprogramma zowel kwalitatief als kwantitatief uitgewerkt. Uitgangspunt is om deze woningvraag zoveel mogelijk te realiseren binnen het Bestaand Stedelijk Gebied.

Planspecifiek

Dit plan voorziet in het verwijderen van de aanduiding 'karakteristiek' op een bestaand woonperceel. Gezien de bouwkundige staat van de huidige woning komt sloop/nieuwbouw de ruimtelijke kwaliteit ten goede. Daarmee is het plan in overeenstemming met gestelde in de provinciale structuurvisie en -verordening.

2.3 Regionaal beleid

2.3.1 Regionale woonvisie West-Friesland 2017-2027 en Regionaal Actieprogramma Wonen

De raad van de gemeente Medemblik heeft op 13 juli 2017 de regionale woonvisie vastgesteld. Er zijn 9 kaders geformuleerd voor de lokale uitwerking. Het programma is gemaakt met partijen die zijn betrokken bij het wonen. Extern is inbreng geleverd door de corporaties, de huurders, de zorgpartijen, de ondernemersfederatie en de kernraden. Intern is afgestemd met de relevante beleidsafdelingen.

In West-Friesland is tot en met 2026 ruimte voor 1.200 woningen. Nieuwbouw vindt plaats in alle kernen en tevens 'tussendoor'. Er is ruimte voor 75 'tussendoor' woningen tot en met 2026.

Planspecifiek

Dit plan voorziet in het verwijderen van de aanduiding 'karakteristiek' op een bestaand woonperceel, ook bij sloop/nieuwbouw blijft het aantal woningen gelijk. Daarmee voldoet dit plan aan het gestelde in de regionale woonvisie en het geldende RAP.

2.4 Gemeentelijk beleid

2.4.1 Structuurvisie 2012-2022

In de op 28 februari 2013 vastgestelde Structuurvisie 2012-2022 van de gemeente Medemblik is het nieuwe beleid van de gefuseerde voormalige gemeenten Medemblik, Wervershoof en Andijk vastgelegd. Doel van deze structuurvisie is een harmonisatie van het beleid van de drie voormalige gemeenten tot één beleid.

Medemblik wil de komende jaren het vestigen in de gemeente zo aantrekkelijk mogelijk maken. Met oog voor realiteit stimuleert de gemeente dorpsvernieuwingen en geeft ruimte om nieuwe woningen te bouwen. Deze ruimte vult de gemeente als volgt in:

  • Er zijn voldoende woningbouwlocaties aanwezig, waarbij de gemeente de vinger aan de pols houdt bij het op gang brengen van de ontwikkeling van de locaties;
  • daarbij biedt de gemeente ruimte om programmatisch af te wijken van de oorspronkelijke plannen voor een locatie;
  • in de afweging van de locaties vormt de herontwikkeling van de kwaliteitslocaties een belangrijke rol om verpaupering in dorpen tegen te gaan.

Planspecifiek

Dit wijzigingsplan voorziet in het verwijderen van de aanduiding 'karakteristiek' op een bestaand woonperceel. Dit is niet in strijd met de structuurvisie.

2.4.2 Programma Wonen 2018 t/m 2026

De gemeenteraad heeft op 22 februari 2018 het Programma Wonen vastgesteld. In dit programma is opgenomen dat er in de gemeente ruimte is voor de bouw van 2.200 woningen, waarvan voor 1.125 woningen reeds plannen zijn gemaakt. Daarnaast is er ruimte voor 75 niet-geplande woningen "tussendoor". Er is een nieuwbouwprogramma van 120 woningen per jaar beoogd, waarbij het de intentie is om niet "meer van hetzelfde" te bouwen, maar te kunnen voorzien in diversiteit.

Planspecifiek

Met dit wijzigingsplan worden niet méér woningen toegestaan dan in de huidige situatie; het woningaantal blijft gelijk. Daarmee is het voornemen in overstemming met het Programma Wonen.

2.4.3 Beleidsnota Duurzaam Medemblik

Het gemeentelijke beleid voor het toekomstgericht (duurzaam) ontwikkelen van de gemeente Medemblik is vastgelegd in de beleidsnota Duurzaam Medemblik. De brede aanpak van duurzaamheid maakt Medemblik concreet met de thema's: gebiedsontwikkeling, inkopen en aanbesteden, mobiliteit, energieopwekking, energiebesparing en bewustwording.

Duurzaamheid staat vaak synoniem voor fysieke duurzaamheid: Energieneutraal bouwen wordt de norm voor de nabije toekomst. In de komende jaren gaat Nederland steeds energiezuiniger bouwen. Van een epc 0,4 (in 2015) tot energieneutraal in 2020. Dat ligt vast in Europees en Nederlands overheidsbeleid. Zeer energiezuinig en energieneutraal bouwen biedt nu al een marktvoordeel ten opzichte van standaard nieuwbouw.

De gemeente Medemblik streeft naar een energie-efficiënte, duurzame omgeving. Medemblik wil de projectontwikkelaars meenemen in de transitie naar energieneutraal bouwen en/of renoveren. Hiervoor biedt de gemeente kosteloos een sublicentie van het programma GPR Gebouw (een online tool) aan om een objectief oordeel te kunnen geven over de duurzaamheid van de bouwplannen.

De Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUD NHN) is in het bezit van een licentie en verstrekt op verzoek van de gemeente een sublicentie aan de ontwikkelaar, architect of bouwer. De gemeente maakt voor de geplande nieuwbouw afspraken met de ontwikkelende partij over het gebruik van dit programma. De online tool GRP Gebouw is een hulpmiddel om de duurzaamheid van ontwerp voor een gebouw of woning objectief inzichtelijk te maken vanuit een aantal vaste thema's. Wanneer bij renovatieplannen en nieuwbouw van woningen een energielabel wordt overlegd, hoeft er voor dit onderdeel geen gebruik te worden gemaakt van GPR Gebouw.

Planspecifiek

Wanneer er sprake is van nieuwbouw van de woning, kan rekening worden gehouden met de duurzaamheidsambities van de gemeente. De initiatiefnemer kan via de gemeente gebruik maken van de rekentool GPR gebouw of een energielabel overleggen.

2.4.4 Welstandsnota Medemblik, evaluatie 2014

In 2014 is de welstandsnota van de (gefuseerde) gemeente Medemblik geëvalueerd en opnieuw vastgesteld. Het wijzigingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken 'voor zover dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening'. Datgene dat door het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt kan niet door welstandscriteria worden tegengehouden. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het wijzigingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. In de welstandsnota zijn de welstandseisen omschreven die aan een bouwwerk worden gesteld. Het gaat hier om welstandscriteria die betrekking kunnen hebben op onder andere de hoofdvorm, het materiaalgebruik, de kleurkeuze en de detaillering van een concreet bouwwerk.

Planspecifiek

Als er een nieuwe woning wordt gebouwd dient het ontwerp van de woning te worden voorgelegd aan de welstandscommissie.

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

Om conflictsituaties te voorkomen, dient in het wijzigingsplan aandacht te worden besteed aan de omgevingsaspecten zoals milieu, water, ecologie en archeologie. De ontwikkelingen die in het wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt worden getoetst aan de wet- en regelgeving die geldt voor de omgevingsaspecten. In onderhavig plan wordt echter geen ontwikkeling mogelijk gemaakt, maar de aanduiding 'karakteristiek' van de verbeelding verwijderd. De ter plaatse geldende bestemmingen blijven gelijk. De voor dit plan relevante omgevingsaspecten worden in dit hoofdstuk besproken.

3.1 Bodem

Via wettelijke regels is vastgesteld dat moet worden voorkomen dat wordt gebouwd op grond die daarvoor als gevolg van verontreiniging ongeschikt is. Omdat deze wettelijke regels verspreid zijn over meerdere regelingen en er op onderdelen ruimte is voor nadere interpretatie, zijn er regionaal afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn vastgesteld in de notitie "Bodemtoets bij aanvraag Omgevingsvergunning bouwen". Uit deze notitie blijkt dat bij sloop en nieuwbouw van een woning een bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd. Dit betekend concreet dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning ook een bodemonderzoek dient te worden ingediend.

3.2 Water

3.2.1 Toetsing en uitgangspunten

Om het hoofd te kunnen bieden aan de toenemende (kans op) wateroverlast in Nederland als gevolg van verdere inklinking van grond, bodemdaling, zeespiegelstijging en klimaatverandering is op 2 juli 2003 het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) gesloten tussen het Rijk, de provincies, het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Unie van Waterschappen (UvW). Op 25 juni 2008 is dat akkoord geactualiseerd.

Op Europees niveau is de Kaderrichtlijn Water van toepassing. Deze richtlijn heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen.

Op provinciaal niveau is de wateropgave vertaald in de vorm van het Provinciaal Waterplan 2006-2010 (Bewust omgaan met water), inmiddels al weer opgevolgd door het Waterplan 2010- 2015 (vastgesteld op 16 november 2009).

De belangrijkste uitvoeringsinstantie daarbij is het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, dat diverse uitvoeringsplannen heeft, zoals het Waterbeheersplan 2010-2015 (WBP4), vastgesteld op 14 oktober 2009 door het college van hoofdingelanden.

Voor nieuwe ruimtelijke plannen geldt de 'watertoets' die verplicht tot overleg met de waterbeheerder over voorgenomen ontwikkelingen, voordat een bestemmingsplan in procedure wordt gebracht. De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wro. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om vijf thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw oppervlaktewater.

3.2.2 Planspecifiek

Met dit wijzigingsplan wordt geen nieuwe ontwikkeling mogelijk gemaakt, behalve de mogelijkheid om het bestaande gebouw te slopen en nieuwbouw te realiseren. Er is op onderhavige locatie geen sprake van een specifiek waterbelang. Het verhard oppervlak verminderd aanzienlijk door de sloop van overbodige opstallen die niet worden teruggebouwd. Er wordt op voorhand geen belemmering verwacht ten aanzien van het aspect water. Wel toetst het Hoogheemraadschap het plan in het kader van het wettelijk vooroverleg. 

3.3 Ecologie

3.3.1 Toetsing en uitgangspunten

Natura 2000-gebieden

In het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn "IJsselmeer" en "Markermeer & IJmeer".

Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS-gebieden)

In het plangebied komen geen Natuurnetwerk Nederland (NNN) gebieden voor. De dichtstbijzijnde NNN gebieden zijn Kleine en Groote Vliet, het Lutjebroekerweel en het Streekbos. In deze gebieden is natuurontwikkeling het uitgangspunt.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming, vastgesteld op 1 juli 2018, is altijd van kracht. Dit betekent dat op het moment dat nieuwe activiteiten aan de orde zijn (bij recht, vergunningvrij of via een afwegingsprocedure) dat in het kader van de Wet natuurbescherming de mogelijke effecten op de te beschermen soorten altijd moet worden meegewogen.

3.3.2 Planspecifiek

Met onderhavig wijzigingsplan wordt de aanduiding 'karakteristiek' van de verbeelding verwijderd. De bestaande bebouwing wordt daarmee niet wegbestemd. In het kader van het wijzigingsplan is daarom geen ecologisch onderzoek noodzakelijk.

Als de bebouwing wordt gesloopt, is wel onderzoek nodig naar de aanwezige ecologische waarden. Dit onderzoek moet voorafgaand aan de werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor zover uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn waar mogelijk een ontheffing voor moet worden aangevraagd, zijn er geen aanwijzingen dat een dergelijke ontheffing niet kan worden verleend.

3.4 Archeologie

3.4.1 Toetsing en uitgangspunten

De gemeente Medemblik heeft nog geen vastgesteld archeologiebeleid. In de Erfgoedwet en de Omgevingswet wordt de omgang met eventueel aanwezige archeologisch waarden beschreven. De Erfgoedwet en de Omgevingswet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'.

Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld door middel van een opgraving. De Erfgoedwet en de Omgevingswet gaan hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken.

Binnen het grondgebied van de gemeente Medemblik is een aantal terreinen met een monumentale archeologische status aanwezig. Binnen het plangebied van voorliggend bestemmingsplan komt geen archeologisch rijksmonument voor.

Daarnaast komt binnen het plangebied categorie 3 van archeologische verwachtingswaarde voor.


Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeesters en wethouders voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd.


Bij ontwikkelingen in een archeologisch waardevol (verwachtings)gebied wordt een quickscan uitgevoerd door Archeologie West-Friesland. De ruimtelijke ontwikkelingen worden dan afgezet tegen de aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De op de archeologische beleidskaart aangegeven vlakken zijn gebaseerd op bureauonderzoek en kaartanalyse, die niet tot uitdrukking komen op de (concept-)Beleidskaart Archeologie. Op deze wijze wordt onnodig onderzoek voorkomen. Op basis van de quickscan wordt bepaald of nader archeologisch onderzoek in het kader van de archeologische monumentenzorg noodzakelijk is.


Er worden archeologische monumenten en vijf categorieën met archeologische verwachtingswaarden onderscheiden (zie tabel). Deze categorieën zijn weergegeven op de beleidskaart. De beleidskaart is opgesteld op basis van de kennis die de afgelopen jaren is verkregen bij diverse archeologische onderzoeken en op basis van de kennis over de ontstaansgeschiedenis van het gebied.

 

Categorie     Omschrijving    
Rijksbeschermd archeologisch monument   Bij alle bodemingrepen rekening houden met archeologie. Er is een monumentenvergunning vereist.    
1     Bij alle bodemingrepen rekening houden met archeologie.    
2     Rekening houden met archeologie bij een planomvang vanaf 100 m2 en diepte van grondroerende werkzaamheden vanaf 35 centimeter    
3     Rekening houden met archeologie bij een planomvang vanaf 500 m2 en diepte van grondroerende werkzaamheden vanaf 40 centimeter    
4     Rekening houden met archeologie bij een planomvang vanaf 1.000 m2 en diepte van grondroerende werkzaamheden vanaf 40 centimeter    
5     Rekening houden met archeologie bij een planomvang vanaf 10.000 m2 en diepte van grondroerende werkzaamheden vanaf 40 centimeter    

De voorkomende categorieën worden als dubbelbestemmingen op de verbeelding weergegeven. Binnen deze dubbelbestemmingen is geregeld dat bij ingrepen vanaf de genoemde oppervlakte en diepte een omgevingsvergunning vereist is. In theorie maakt dit bestemmingsplan ontwikkelingen mogelijk die groter zijn dan de genoemde oppervlaktes. Dit speelt bijvoorbeeld bij de uitbreiding van agrarische bedrijven. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor dergelijke ontwikkelingen wordt getoetst of archeologisch onderzoek nodig is.

In het geval dat er tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden archeologische sporen en/of vondsten worden aangetroffen geldt een meldingsplicht op grond van de Erfgoedwet en de Omgevingswet. Dit houdt in dat de aanwezigheid van bodemvondsten die ouder zijn dan 50 jaar bij de gemeente Medemblik gemeld moeten worden.

3.4.2 Planspecifiek

Voor onderhavig plan geldt dat de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4' zijn opgenomen. Dit houdt in dat bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm rekening gehouden moet worden met archeologie, indien de planomvang groter is dan 500 m2 respectievelijk 1.000 m2

In dit wijzigingsplan blijft de vigerende beschermende regeling onverminderd van kracht. Met deze dubbelbestemmingen is het archeologiebeleid vertaald in het wijzigingsplan en voorzien van passende regels ter bescherming daarvan. Vanuit het aspect archeologie zijn er geen belemmeringen voor dit wijzigingsplan.

3.5 Cultuurhistorie

De bestaande woning in het plangebied is in het bestemmingsplan 'Dorpskernen III' voorzien van de aanduiding 'karakteristiek'. Het betreft een zogenaamde rentenierswoning met het bouwjaar 1916. De bouwtechnische kwaliteit van deze woning is echter dusdanig slecht dat hergebruik van de woning in alle redelijkheid niet mogelijk is.

Er is onderzoek uitgevoerd naar de fundering van het pand en mogelijk herstel daarvan, het rapportage is bijvoegd als Bijlage 1. Tevens is er onderzoek gedaan naar de constructieve toestand van de woning, zie Bijlage 2.

In beide onderzoeken komt naar voren dat de gevel van het pand in slechte staat is. Er is sprake van scheurvorming, opbolling en scheefstand van verschillende gevels, grotendeels veroorzaakt door verminderd functioneren van de fundering. Het metselwerk is op plaatsen dusdanig losgeraakt dat er delen zijn verschoven en de samenhang verloren is gegaan.

Daarnaast zit er een glooiing in de begane grondvloer, van de linker tot de rechter zijgevel. Ook zijn de houten balken van de eerste verdiepingsvloer, de kapspanten en binten te licht uitgevoerd naar de huidige maatstaven. Door het aanbrengen van isolatie wordt het gewicht van de kap nog verzwaard en zal de constructie bij herberekening niet voldoen.

Hoofdoorzaak van de problematiek is, behalve de ouderdom van het pand als geheel, het functioneren van de fundering. Herstel van de fundering is kostbaar, doch mogelijk, maar zal gezien de slechte staat van de bovenbouw van de woning verdere schade tot gevolg hebben. Het casco bevat niet meer voldoende stijfheid om deformatie bij het opvijzelen (opkrikken) van de woning te kunnen voorkomen.

Blijkend uit voornoemde onderzoeksreultaten kan de woning naar redelijkheid niet meer worden hersteld tot een stabiel en constructief veilig pand.

3.6 Externe veiligheid

Met dit wijzigingsplan worden geen functiewijzigingen mogelijk gemaakt. Het plangebied is in de huidige situatie al bestemd voor het wonen, dat wordt met dit wijzigingsplan niet anders. De positionering van het bouwvlak blijft ook gelijk. Onderzoek naar externe veiligheid is om deze reden in het kader van dit wijzigingsplan niet noodzakelijk.

3.7 Luchtkwaliteit

Met dit wijzigingsplan worden geen functiewijzigingen mogelijk gemaakt. Het plangebied is in de huidige situatie al bestemd voor het wonen, dat wordt met dit wijzigingsplan niet anders. De positionering van het bouwvlak blijft ook gelijk. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is om deze reden in het kader van dit wijzigingsplan niet noodzakelijk.

3.8 Geluid

Met dit wijzigingsplan worden geen functiewijzigingen mogelijk gemaakt. Het plangebied is in de huidige situatie al bestemd voor het wonen, dat wordt met dit wijzigingsplan niet anders. De positionering van het bouwvlak blijft ook gelijk. Akoestisch onderzoek is om deze reden in het kader van dit wijzigingsplan niet noodzakelijk.

3.9 Verkeer en parkeren

Met dit wijzigingsplan worden geen functiewijzigingen mogelijk gemaakt. Het plangebied is in de huidige situatie al bestemd voor het wonen, dat wordt met dit wijzigingsplan niet anders. Doordat het aantal woningen niet wijzigt, vinden er ook geen wijzigingen plaats in het aantal verkeersbewegingen en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Onderzoek naar de aspecten verkeer en parkeren is om deze reden in het kader van dit wijzigingsplan niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 4 Juridische planopzet

4.1 Plansystematiek

Onderhavig wijzigingsplan sluit aan bij de vigerende regeling van het moeder-bestemmingsplan 'Dorpskernen III'. De bestemmingen, planregels en het bouwvlak zijn daarbij ongewijzigd gebleven. In de planregels en op de verbeelding is de aanduiding 'karakteristiek' komen te vervallen. Het plan voldoet, evenals 'Dorpskernen III', aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).

4.2 Opzet van de regels

De regels zijn op gelijke wijze opgenomen als in het moeder-bestemmingsplan 'Dorpskernen III'. Conform de SVBP2012 zijn in de planregels eerst de begripsbepalingen opgenomen en vervolgens de wijze van meten. Voor de leesbaarheid zijn begrippen weggelaten die niet relevant zijn voor dit wijzigingsplan.

De bestemmingsregels van dit wijzigingsplan bestaan uit de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Andere bestemmingen komen binnen het plangebied niet voor. De bestemmingsregels zijn gelijk aan 'Dorpskernen III', behalve dat de aanduiding 'karakteristiek' is komen te vervallen.

De algemene regels van het bestemmingsplan zijn eveneens overgenomen uit het moeder-bestemmingsplan, voor zover van toepassing op dit wijzigingsplan.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Het aantonen van de economische uitvoerbaarheid van het plan doormiddel van een cijfermatige opzet is voor dit wijzigingsplan niet aan de orde. Het onderhavige plan voorziet in het verwijderen van de aanduiding 'karakteristiek' vanwege de bouwtechnische staat van de bestaande woning, waardoor hergebruik van de woning redelijkerwijs niet mogelijk is. Met het verwijderen van de aanduiding is niet direct sprake van een aangewezen bouwplan in de zin van het Besluit ruimtelijke ordening, aangezien de bestaande woning niet wordt wegbestemd. Het plan biedt de mogelijkheid tot sloop en nieuwbouw van een woning, maar verplicht daar niet toe. De betreffende gronden zijn in particulier eigendom. Er is geen sprake van een economisch risico.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Procedure

Gezien de geringe wijziging die met dit plan wordt bewerkstelligd ten opzichte van het moeder-bestemmingsplan 'Dorpskernen III' wordt dit wijzigingsplan niet als voorontwerp ter inzage gelegd. Er wordt geen mogelijkheid geboden voor het indienen van inspraakreacties. Wel doorloopt het plan de wettelijke procedure voor het vooroverleg met de relevante overlegpartners. Een overzicht van de vooroverlegreacties is opgenomen in paragraaf 5.2.2.

Vervolgens wordt het ontwerp van het wijzigingsplan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende welke periode er gelegenheid is voor het indienen van zienswijzen. Ingediende zienswijzen worden samengevat en van een antwoord voorzien.

Met inachtneming van eventuele zienswijzen kan het plan, al dan niet gewijzigd, worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Daarna wordt het vastgestelde wijzigingsplan ter inzage gelegd en wordt belanghebbenden de mogelijkheid geboden om beroep in te dienen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

5.2.2 Vooroverlegreacties

Het bestemmingsplan is als concept toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Een samenvatting van de ingediende reacties is hieronder opgenomen.

Regionale uitvoeringsdienst Noord-Holland Noord (RUDNhN)

De RUDNhN heeft het concept-ontwerp van het wijzigingsplan beoordeeld ten aanzien van de aspecten Bodem, Natuur, Externe veiligheid, Luchtkwaliteit en Geluid. Ten behoeve van de functiewijziging is de RUDNhN akkoord met de opgenomen tekst ten aanzien van de aspecten Natuur, Externe veiligheid, Luchtkwaliteit en Geluid.

Voor het aspect Natuur wordt benadrukt dat er voor de (toekomstige) sloop een ecologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor wat betreft Externe veiligheid wordt aangegeven dat het plangebied zich niet binnen een invloedsgebied van een risicovolle activiteit bevindt en dat de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord niet in de gelegenheid gesteld hoeft te worden om advies uit te brengen ten aanzien van de aspecten Hulpverlening en Zelfredzaamheid.

Ten aanzien van het aspect Bodem geeft de RUDNhN een voorstel voor het aanpassen van de opgenomen tekst. Deze tekst is vervolgens volledig overgenomen (paragraaf 3.1).

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK)

Het Hoogheemraadschap heeft ten aanzien van de waterhuishoudkundige belangen geen opmerkingen dan wel adviezen.