direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Fietspad Westerbaan
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Katwijk, de gemeente Leiden en de provincie Zuid-Holland hebben al jaren de wens om een comfortabele en rechtstreekse fietsverbinding van Leiden richting de kust van Katwijk aan Zee te realiseren. De provincie en gemeente Katwijk hebben dit ook in hun beleid vastgelegd. In hoofdstuk 2 wordt daar nader op ingegaan.

De verbinding is nodig voor een betere ontsluiting van de badplaats en levert een aantrekkelijke verbinding op voor fietsers tussen Katwijk aan Zee en Leiden. Deze fietsverbinding loopt vanaf Leiden langs de Ir. G. Tjalmaweg, de Cantineweg en vervolgens via een nieuw te realiseren fietspad vanaf de Cantineweg naar de Laan van Nieuw Zuid. Vanaf daar wordt via bestaande fietspaden en straten de boulevard van Katwijk aan Zee bereikt. De beoogde ontwikkeling voorziet in de missende schakel tussen de Cantineweg en de Laan van Nieuw Zuid in Katwijk aan Zee en is onderdeel van de snelfietsverbinding van Leiden naar Katwijk aan Zee. De nieuwe verbinding verhoogt de veiligheid voor fietsers doordat de drukke kruising van het Bosplein en de Boslaan kan worden vermeden.

Samen met de fietsverbinding wordt ook een wandelpad mogelijk gemaakt. De nieuwe fietsverbinding voert door een gebied dat in de Algemeen Plaatselijke Verordening als hondenlosloopgebied is aangemerkt. Dit gebruik blijft, evenals het gebruik van het gebied door ruiters.

Dit bestemmingsplan maakt de fietsverbinding ten zuiden van Katwijk aan Zee tussen de Cantineweg en de Laan van Nieuw Zuid mogelijk. Een deel van deze fietsverbinding is planologisch al mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan Katwijk aan Zee 2015 (westelijk deel) en het bestemmingsplan Verlengde Westerbaan (oostelijk deel). Van belang is verder dat het plangebied groter is dan het tracé van de aan te leggen fietsverbinding en het naastgelegen wandelpad. In dit bestemmingsplan worden een aantal naastgelegen terreindelen en percelen tevens voorzien van een actueel planologisch-juridisch kader.

Het nieuwe fietspad biedt een rechtstreekse verbinding voor fietsverkeer vanaf de Cantineweg richting het strand, de boulevard en voetbalvereniging K.v.v. Quick Boys. Dit fietsverkeer hoeft niet langer door de Vogelenbuurt te fietsen. Bovendien wordt de huidige route door de Vogelenbuurt onderbroken als gevolg van uitbreiding van de Gemeentelijke Begraafplaats Duinrust.

Het nieuwe fietspad zorgt er voor dat het strand, de boulevard en Quick Boys sneller en veiliger te bereiken zijn.

In figuur 1.1 is de huidige route via de Boslaan in rood weergegeven. De toekomstige nieuwe fietsverbinding is als doorgetrokken zwarte lijn aangegeven. De gestippelde zwarte lijnen zijn de bestaande fietsverbindingen die op het nieuwe fietspad aansluiten. Het rode kruis geeft aan dat de bestaande route via de Nachtegaallaan zal worden afgesloten als gevolg van uitbreiding van de Gemeentelijke Begraafplaats Duinrust.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0001.png"

Figuur 1.1 Huidige en toekomstige fietsverbindingen

Ontwerp fietsverbinding in afstemming met belanghebbenden tot stand gekomen

Omdat de nieuwe fietsverbinding niet geheel past binnen de vigerende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3) wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld om de nieuwe verbinding juridisch-planologisch mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan genaamd Fietspad Westerbaan voorziet hierin. Over de uitwerking van het tracé heeft afstemming plaatsgevonden met belanghebbenden, waaronder omwonenden, natuurorganisaties, Veilig Verkeer Nederland en de Fietsersbond, alsmede de voetbalvereniging K.v.v. Quick Boys en zorginstelling Topaz Overduin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de zuidkant van Katwijk aan Zee. Het plangebied betreft de nieuwe fietsverbinding tussen de Cantineweg en de Laan van Nieuw Zuid. Een deel van de naastgelegen percelen maken deel uit van het plangebied, hierdoor worden deze gronden voorzien van een actueel planologisch-juridisch kader. In figuur 1.2 is de begrenzing van het plangebied weergegeven, evenals het tracé van het fietspad. Uit de figuur kan worden afgeleid welke delen van de fietsverbinding al mogelijk zijn op basis van vigerende bestemmingsplannen (westelijk: bestemmingsplan Katwijk aan Zee 2015; oostelijk: bestemmingsplan Verlengde Westerbaan).

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Ligging plangebied en ligging tracé fietspad en voetpad

Ten zuiden van het beoogde fietsverbinding bevindt zich het duinlandschap van Natura 2000-gebied Meijendel-Berkheide. In figuur 1.3 is de ligging ten opzichte van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide aangegeven: Het aan te leggen fietspad en voetpad liggen hier buiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0003.jpg"

Figuur 1.3 Het fietspad en het voetpad ligging buiten het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied vigeren momenteel de volgende bestemmingsplannen:

  • 'Koestal-Overduin, 1980', vastgesteld op 28 juni 1983.
  • 'Koestal-Overduin, 1998', vastgesteld op 17 december 1998.
  • 'Katwijk aan Zee 2015', vastgesteld op 14 april 2016.
  • 'Bestemmingsplan Archeologie gemeente Katwijk', vastgesteld op 29 oktober 2009.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0004.jpg"

Figuur 1.4 Uitsnede ligging toekomstige fietsverbinding en bestemmingslegging vigerende plannen

In het bestemmingsplan 'Katwijk aan Zee 2015' zijn de met 'Groen' aangewezen gronden bestemd voor o.a. groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden. De met 'Natuur - Duinpark' aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor duinen en bossen en wandel- en fietspaden. De fietsverbinding is derhalve op deze gronden toegestaan. Een deel van het geprojecteerde fietspad valt echter binnen de bestemming 'Maatschappelijk' van voornoemd bestemmingsplan. Binnen deze bestemming is geen fietspad toegestaan. In het deel grofweg ten oosten van de Meeuwenlaan bevinden zich verschillende bestemmingsplannen. Op deze gronden is een fietspad niet toegestaan. Het betreft hier bovendien relatief oude bestemmingsplannen (1980, 1998) waarvan de verbeelding, regels en toelichting niet op www.ruimtelijkeplannen.nl zijn opgenomen. Deze gronden zijn mede om deze reden geheel in het plangebied opgenomen, zodat deze op basis van het voorliggende bestemmingsplan van een actueel juridisch planologisch kader worden voorzien.

De ontwikkeling past niet (geheel) binnen de vigerende bestemmingsplannen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt daarom voorliggend bestemmingsplan opgesteld. In figuur 1.4 is de plangrens van voorliggend bestemmingsplan weergegeven. Binnen de grenzen van voorliggend bestemmingsplan vallen:

  • Het gedeelte van het bestemmingsplan 'Katwijk aan Zee 2015' met de bestemming Maatschappelijk. Daarbinnen dient de aanleg van de fietsverbinding mogelijk te worden gemaakt.
  • Delen van de bestemmingsplannen 'Koestal-Overduin, 1980' en 'Koestal-Overduin, 1998' met de bestemmingen Groen en Recreatie. Van deze plannen worden ook de naastliggende gronden meegenomen, zodat deze van een actueel juridisch planologisch kader kunnen worden voorzien.
    Binnen de bestemming groen dient aanleg van de fietsverbinding mogelijk te worden gemaakt. Daarnaast worden de gronden van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide bestemd als Natuur (nu bestemt als Groen en als Recreatie). Het terrein van de scouting krijgt de bestemming Maatschappelijk.

Het ontwerp van het fietstracé is opgenomen in bijlage 1.

1.4 Huidige situatie

In de huidige situatie is het gebied in de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) aangeduid als hondenlosloopgebied. Het gebied wordt dan ook veel betreden door wandelaars met honden. Daarnaast wordt het gebied als verbinding gebruikt door ruiters.

Het beoogde tracé van de fietsverbinding ligt op de overgang tussen het stedelijke gebied van Katwijk aan Zee en de binnenduinen. De duinen zijn steil en hoog. Op de overgang naar het stedelijk gebied zijn dennen, populieren en abelen aangeplant. Op dit moment wordt de strook tussen het dorp en het hek rond het natuurgebied vooral als hondenuitlaat-/losloopgebied gebruikt. Verder ligt er aan de oostzijde (zijde Cantineweg/Westerbaan) een scoutinggebouw. Ook wordt hier in 2019 een nieuwe wegverbinding aangelegd die de Westerbaan met de Koningin Julianalaan verbindt. Deze wegverbinding zal ter hoogte van het scoutinggebouw het gebruik van de Cantineweg door autoverkeer vervangen.

Aan de westzijde (zijde Laan van Nieuw Zuid) liggen de voetbalvelden van K.v.v. Quick Boys. Ten noorden van het nieuwe fietspad ligt de woonbebouwing van de Vogelenbuurt, de Ichthuskerk, het verzorgingstehuis Topaz Overduin en woonzorgcentrum Salem.

Het tracé waarop de nieuwe fietsverbinding is gepland is tamelijk vlak, maar het ligt aan de rand van zeer geaccidenteerd terrein met steile hellingen. Ten westen van de Meeuwenlaan kent het tracé weinig hoogteverschil. Het maaiveld ligt loopt hier over een lengte van circa 525 m op van 9,5 m +NAP bij de Laan van Nieuw Zuid tot 12,7 m +NAP ter hoogte van de Meeuwenlaan. Ten oosten van de Meeuwenlaan daalt het maaiveld over een lengte van circa 400 m van 12,7 m +NAP tot 6,8 m + NAP (aansluiting Cantineweg).

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0005.jpg"

Figuur 1.5 Accidentatie omliggend terrein tracé fietsverbinding (bron: Actuele Hoogtekaart Nederland - AHN3)

1.5 Beschrijving voorgenomen ontwikkeling

In deze paragraaf wordt de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Daarbij worden ook een aantal aspecten benoemd die mede bepalend zijn geweest voor de ontwerpkeuzes zoals deze mede tot stand zijn gekomen in afstemming met de klankbordgroep waarin de verschillende belanghebbenden zitting hadden.


Fietsverbinding onderdeel van een 'snelfietsroute'

In Nederland en de regio Katwijk zijn diverse 'snelfietsroutes' aanwezig. Snelfietsroutes zijn ruime en comfortabele fietsverbindingen die kernen en belangrijke locaties met een hoge verkeersaantrekkende werking (waaronder recreatieconcentraties zoals het strand) met elkaar verbinden. Ook verbinden zij stedelijke regio’s met elkaar.

De snelfietsroutes zorgen dus voor een betere bereikbaarheid van woon-werklocaties en toeristische trekpleisters zoals bijvoorbeeld het strand. Deze snelfietsroutes zijn mede stimulans om voor de fiets te kiezen in plaats van voor de auto.

Snelfietsroutes worden niet per definitie zo vormgegeven dat er ook hard gereden kan worden. Het gaat om een rechtstreekse, veilige en comfortabele fietsverbinding:

  • rechtstreeks: met een zo klein mogelijke omweg, een zo veel mogelijk gestrekt tracé (zo kort mogelijke reistijd);
  • veilig en comfortabel: weinig oponthoud door bijvoorbeeld kruisend verkeer; geen hinder als gevolg van menging met autoverkeer; voldoende breed fietspad zodat fietsverkeer elkaar makkelijk kan passeren (zowel in tegenrichting als inhalen).

De gemeente Katwijk, de gemeente Leiden en de provincie Zuid-Holland wensen een dergelijke rechtstreekse fietsverbinding tussen Leiden en Katwijk aan Zee. Ook de fietsersbond en Rijkswaterstaat zien een dergelijke fietsverbinding als kansrijk (zie figuur 1.6).

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0006.png"

Figuur 1.6 Snelfietsroutes in Nederland (bron: Fietsersbond en Rijkswaterstaat)

Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontbrekende schakel van de snelfietsroute tussen Leiden en het strand van Katwijk mogelijk. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een optimalisatie in deze verbinding. Fietsers hoeven niet meer door de wijken van Katwijk (aan Zee) en over een minder veilig tracé van het Bosplein en de Boslaan te fietsen. De route wordt daarmee aantrekkelijker.

Op de nieuwe fietsverbinding is gemotoriseerd (bromfiets)verkeer niet toegestaan.

Fietspad, wandelpad, hondenlosloopgebied en ruiters

De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het realiseren van een fietsverbinding die de Cantineweg/Verlengde Westerbaan in het oosten verbindt met de Laan van Nieuw Zuid in het westen. Halverwege wordt het fietspad ook aangesloten op de noordelijk gelegen Meeuwenlaan. De oost-westgelegen fietsverbinding wordt ingepast tussen het Natura 2000-gebied Meijendel-Berkheide en de bestaande bebouwing van Katwijk aan Zee. Naast het fietspad wordt ook over de gehele lengte een voetpad aangelegd. Het gebruik van het bestaande hondenlosloopgebied wordt gehandhaafd, evenals het gebruik van het gebied door ruiters.

In figuur 1.7 is ter illustratie een schematische weergave van de voorgenomen ontwikkeling weergegeven. In bijlage 1 is het ontwerp van de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. In de volgende alinea's worden de diverse onderdelen nader toegelicht.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0007.jpg"

Figuur 1.7 Schematische weergave voorgenomen ontwikkeling

Fietspad

Het fietspad sluit in het oosten aan op de Verlengde Westerbaan/Cantineweg en in het westen op de Laan van Nieuw Zuid. Aan beide zijden sluit het fietspad aan op bestaande vrijliggende fietspaden. Het fietspad zal een comfortabele breedte van 4,00 meter hebben. Op de nieuwe fietsverbinding is gemotoriseerd (bromfiets)verkeer niet toegestaan.

Op aangeven van de brandweer zal het fietspad ook geschikt zijn voor blusvoertuigen. Dat stelt eisen aan de fundering, hetgeen gezien de bodemopbouw (zand) eenvoudig te realiseren is. Er is gekozen voor een natuurlijke en duurzame inrichting van het fietspad. De materialisatie ligt nog niet definitief vast. Een natuurlijke kleur is uitgangspunt.

Aansluiting op Verlengde Westerbaan/Cantineweg

Aan de oostzijde sluit het tracé van fietspad aan op het vrijliggende fietspad dat in 2019 langs de Verlengde Westerbaan wordt aangelegd (de Verlengde Westerbaan verbindt de Westerbaan met de Koningin Julianalaan). Het fietspad langs de Verlengde Westerbaan sluit rechtstreeks aan op de fietsverbinding via de Cantineweg. In figuur 1.8 is weergegeven hoe het fietspad aansluit op het fietspad langs de Verlengde Westerbaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0008.png"

Figuur 1.8 Aansluiting fietspad op het fietspad langs de Verlengde Westerbaan

Aansluiting op de Laan van Nieuw Zuid

Aan de westzijde sluit de nieuwe fietsverbinding aan op de Laan van Nieuw Zuid. Daar sluiten ook de Duindoornlaan en de entree van het sportpark van K.v.v. Quick Boys aan op de Laan van Nieuw Zuid. De knoop van deze aansluitingen op de Laan van Nieuw Zuid wordt opnieuw vormgegeven. Daarover heeft afstemming plaatsgevonden met Quick boys en een aantal bewoners van de Duindoornlaan en Laan van Nieuw Zuid. De inrichting van deze aansluiting is weergeven in figuur 1.9. Het gaat om de volgende aanpassingen:

  • De parallelweg van de Laan van Nieuw Zuid sluit niet langer aan op de Duindoornlaan. Het gemeentelijk groen wordt hier uitgebreid.
  • De Lijsterbesstraat krijgt een aansluiting op de hoofdrijbaan van de Laan van Nieuw Zuid.
  • Het huidige milieueiland langs de Laan van Nieuw Zuid ter hoogte van de Lijsterbesstraat wordt van de noordzijde verplaatst naar de zuidzijde van de Laan van Nieuw Zuid.
  • De toegang tot het parkeerterrein langs de Laan van Nieuw Zuid direct naast de entree tot Quick Boys komt te vervallen en twee andere toegangen worden verbreed.
  • De twee opstelplaatsen voor bussen op de entree tot Quick Boys blijven gehandhaafd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0009.png"

Figuur 1.9 Aansluiting fietsverbinding op Laan van Nieuw Zuid


Hondenlosloopgebied

Het hondenlosloopgebied wijzigt niet. Het ligt over de gehele lengte ten zuiden van het fietspad. Het voetpad langs het fietspad is zo veel mogelijk gekoppeld aan het hondenlosloopgebied.

Afscheiding tussen fietspad en hondenlosloopgebied

Tussen het fietspad en het hondenlosloopgebied komt een fysieke afscheiding. Dit voorkomt dat honden het fietspad op kunnen lopen. Het draagt tevens bij aan het voorkomen van aanrijden van diersoorten. De afscheiding zal door middel van houten paaltjes worden gerealiseerd. De paaltjes hebben een rustiek uiterlijk, de materiaalkeuze sluit derhalve aan bij de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0010.jpg"

Figuur 1.10 Impressie inrichting en vormgeving fietspad

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0011.jpg"

Figuur 1.11 Ligging voetpad

Voetpad

Parallel aan het fietspad ligt er ook een voetpad. In figuur 1.11 is de ligging weergegeven. Hieronder wordt de ligging nader beschreven:

  • 1. Tussen de Laan van Nieuw Zuid en het kunstgrasveld ligt ten zuiden van het fietspad het bestaande te handhaven schelpenpad tussen Quick Boys en het kunstgrasveld. Ten noorden van het fietspad wordt een nieuw voetpad aangelegd. Via het voetpad ten noorden van het fietspad kan vanuit de westelijk gelegen buurt het kunstgrasveld worden bereikt zonder dat het fietspad hoeft te worden overgestoken. Beide voetpaden liggen los van het fietspad en hebben een eigen tracé dat het terrein verloop volgt. Het zuidelijke gelegen voetpad maakt deel uit van het hondenlosloopgebied.
  • 2. Ter hoogte van het kunstgrasveld ligt er alleen ten noorden van het fietspad een voetpad. Het voetpad kan hier met moeite worden ingepast tussen het hek rond het kunstgrasveld en het fietspad. Aan de zuidzijde is geen voetpad voorzien, omdat dit voetpad dan binnen Natura 2000 zou moeten worden aangelegd. Dat zou alleen haalbaar zijn als kan worden aangetoond dat hiervoor een grote reden van openbaar belang aanwezig is en er bovendien geen alternatieve mogelijkheden beschikbaar zijn. Beide kunnen niet worden onderbouwd.
  • 3. Tussen het kunstgrasveld en de Meeuwenlaan ligt het voetpad direct ten zuiden van het fietspad. Het volgt de verticale hoogteligging van het fietspad. Er is ruimte voor een afscheiding tussen voetpad en het fietspad. Het fietspad ligt hier overigens op grond die zal worden aangekocht van Topaz Overduin.
  • 4. Tussen de Meeuwenlaan en de Verlengde Westerbaan/Koningin Julianalaan ligt het voetpad ten noorden van het fietspad. Het ligt hier deels los, deels direct naast het fietspad. In tegenstelling tot het fietspad, volgt het voetpad het huidige maaiveld van het duingebied. Het voetpad maakt geen deel uit van het hondenlosloopgebied.
  • 5. Langs het deel van het fietspad dat op de Meeuwenlaan aansluit, ligt het voetpad aan de oostzijde van het fietspad.

Voor het voetpad zal een halfverharding worden gebruikt.

Verlichting

Het fietspad heeft een functie voor zowel recreatief als utilitair verkeer (woon-werk; woon-school et cetera). Om reden van sociale veiligheid is uitgangspunt dat het fietspad 's nachts wordt verlicht door openbare verlichting, waarbij een masthoogte van 4 meter wordt toegepast. Om verstoring door licht zo veel mogelijk te voorkomen zijn de volgende uitgangspunten van toepassing:

  • toepassing van verlichting met aanwezigheidssensoren waardoor de openbare verlichting alleen aangaat als er een wandelaar of fietser van het tracé gebruik maakt; verwacht wordt dat daardoor de verlichting een belangrijk deel van de nacht niet brandt;
  • toepassing van lichtarmaturen met een scherpe lichtafsnede waardoor lichtverstrooiing en uitstraling naar het Natura 2000-gebied zoveel mogelijk wordt voorkomen;
  • toepassing van vleermuisvriendelijke (LED)verlichting, waardoor verstoring voor lichtgevoelige vleermuissoorten wordt voorkomen.

Ruiters

In de huidige situatie wordt het hondenlosloopgebied ook gebruikt door ruiters. Het hondenlosloopgebied wordt zoveel mogelijk fysiek afgescheiden van het fietspad. De ruiters blijven gebruik maken van het hondenlosloopgebied. Vanuit verkeersveiligheidsoogpunt worden niet alleen de loslopende honden, maar ook de ruiters van het fietsverkeer gescheiden.

Topaz Overduin

Ten noorden van het fietspad ligt de zorginstelling Topaz Overduin. Hier wonen circa 190 mensen met dementie of de ziekte van Huntington. Het fietspad komt deels op het terrein van Topaz Overduin te liggen. Daartoe koopt de gemeente een strook grond aan van Topaz Overduin. Het huidige hekwerk dat het terrein van Topaz Overduin begrenst, wordt richting de zorginstelling opgeschoven. Het hekwerk wordt dusdanig in het talud van het terrein van Topaz Overduin geplaatst, dat het niet zichtbaar zal zijn vanuit de instelling. Het aanwezige struweel heeft daarin ook een bijdrage.

Aan de oostkant van de locatie wordt tussen de Meeuwenlaan en het nieuw fietspad ook een fietsverbinding aangelegd. Via het fietspad is ook het schuifhek bereikbaar dat de noodontsluiting voor Topaz Overduin vormt. Dit schuifhek dient als ontsluiting voor de hulpdiensten van de instelling. Het fietspad wordt zo gerealiseerd dat hulpvoertuigen hier gemakkelijk over heen kunnen rijden.

Overig

Er wordt niet voorzien in nieuwe beplanting. Wel wordt de aanleg van het tracé zodanig uitgevoerd dat het directe terrein naast het tracé zo min mogelijk wordt verstoord. De ligging tegen de grens van het Natura 2000-gebied en de aanwezige zeldzame vegetatie vereisen dat.

1.6 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • Hoofdstuk 2 bevat een omschrijving van de relevante beleidsstukken.
  • Hoofdstuk 3 geeft een weergave van de verrichte onderzoeken in het kader van het bestemmingsplan.
  • Hoofdstuk 4 vormt de uitleg bij de regels.
  • Hoofdstuk 5 tot slot toont de uitvoerbaarheid aan van het plan.

het bestemmingsplan omvat een deel van de fietsverbinding tussen de Cantineweg en de Laan van Nieuw Zuid: alleen het deel waar het fietspad planologisch niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Inleiding

In onderstaande subparagrafen wordt uiteengezet in hoeverre de realisatie van de fietsverbinding aansluit bij de geldende beleidsstukken rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.

2.2 Rijksbeleid

Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) de meest bepalende beleidsdocumenten. Zo schetst het kabinet in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Maar het Rijk wil zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten gaan zitten om dit streefbeeld te halen. Het uitgangspunt is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn.

Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 sub 2)

De 'ladder voor duurzame verstedelijking' is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied geldt dat de behoefte in de relevante regio moet worden beschreven. Voor stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied moet daarnaast worden gemotiveerd waarom deze niet binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd kunnen worden.


Toetsing

Uit jurisprudentie en uit de handreiking ladder van infomil blijkt dat infrastructuur niet als stedelijke ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. De ontwikkeling past daarmee binnen het Rijksbeleid. Nut en noodzaak zijn uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en de uitvoerbaarheid in hoofdstuk 1 gemotiveerd.

2.3 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zuid-Holland 2019 (geconsolideerd 1 april 2019)

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De voor dit plan relevante beleidsuitgangspunten uit de visie worden hierna behandeld.

Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied

De provincie zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.
Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.

Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit

De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). In de visie wordt hiervoor verwezen naar de kwaliteitskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0012.png"

Figuur 2.1 Uitsnede kwaliteitskaart 'laag van de stedelijk occupatie'

Toetsing

Het plangebied is in de visie aangemerkt als bestaand stads en dorpsgebied en betreft geen stedelijke ontwikkeling. De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. De ontwikkeling past vanwege het optimaliseren van de infrastructuur van Katwijk binnen dit beleidsuitgangspunt.

Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerd 1 april 2019)

In samenhang met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Voor de beoogde ontwikkeling is onderstaand artikel relevant.


Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit

  • 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit:
  • a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);
  • b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
    • 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid;
  • c. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:
    • 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en
    • 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Lid 2 tot en met lid 6 zijn in dit geval niet relevant.

Toetsing

De ontwikkeling betreft infrastructuur en daarmee geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel betreft het een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de ruimtelijke kwaliteit. Het plangebied is in de Verordening niet specifiek aangewezen als een bepaalde gebiedsidentiteit, zie ook figuur 2.2. De realisatie van een fietspad aan de rand van Katwijk is passend in de omgeving. Hiermee staat de verordening de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0013.png" Figuur 2.2 Uitsnede kaart behorend bij de verordening 'Beschermingscategorieën ruimtelijke kwaliteit'

Meerjarenprogramma provinciale infrastructuur 2009-2023

De provincie zet in op het stimuleren van regionale gebiedsontwikkeling. Hierbij wordt onder meer de verbinding tussen Leiden en Katwijk als belangrijke verbinding genoemd, aangezien de huidige wegenstructuur niet berekend is op de dagelijkse vervoersstromen die deze verbinding ondergaat. Tevens schetst dit Meerjarenprogramma de problematiek die in de oost-westverbinding bestaat. De bereikbaarheid is onder de maat, hetgeen leidt tot overbelasting, onveiligheid en leefbaarheidsproblemen. Door versterking en vernieuwing van de oost-westwegenstructuur en het verbeteren van het regionaal openbaarvervoers- en fietsnetwerk beoogt de provincie hier een slag in te maken. De verbinding richting de kustzone wordt hiermee vergroot.

Toetsing

Bovenstaande impliceert dat de komende jaren een impuls wordt gegeven aan onder meer de bereikbaarheid van de kustzone van Katwijk. Dit kan leiden tot vergroting van het gebruik van de oost-westverbinding van Katwijk waarvan de fietsverbinding deel uitmaakt. De realisatie van de fietsverbinding ziet toe op een betere bereikbaarheid van Katwijk en past daarmee binnen de uitgangspunten van het meerjarenprogramma.

Fietsplan 2016-2025

De provincie Zuid-Holland wilt de best bereikbare provincie zijn, ook per fiets. De afgelopen jaren wordt geïnvesteerd in meer en betere fietspaden.

De fietsambities voor 2025 zijn tot stand gekomen in een proces met mede-overheden, belangenorganisaties, kennisinstellingen, bedrijven en inwoners van Zuid-Holland. Op basis van deze gesprekken zijn drie fietsambities geformuleerd voor de periode tot 2025:

  • 1. vaker en verder op de fiets;
  • 2. veilig op de fiets;
  • 3. innovatieve, energie neutrale fietspaden.

Het fietsgebruik en de afgelegde afstanden nemen de laatste jaren toe. Ook in Zuid-Holland. Vanwege de genoemde voordelen ziet de provincie dit als een positieve ontwikkeling en wil zij het fietsgebruik verder stimuleren.

Toetsing

Door het aanleggen van de snelfietsroute tussen Leiden en Katwijk aan Zee wordt het fietsgebruik op grotere afstanden gestimuleerd. Hierbij sluit het planvoornemen aan bij de ambities van het Fietsplan 2016-2025. In het Fietsplan wordt de snelfietsroute Leiden - Katwijk (noord/zuid) genoemd als project en knelpunt waar diverse maatregelen genomen moeten worden. De realisatie van de beoogde ontwikkeling maakt hier deel van uit.

2.4 Gemeentelijk beleid

Het Integraal Verkeers- en Vervoersplan Katwijk, 2009

Het Integraal Verkeers- en Vervoersplan Katwijk (IVVP) is op 29 januari 2009 vastgesteld en biedt een samenhangende visie op het verkeer en het vervoer in de gemeente Katwijk. Het IVVP stelt de voorwaarden waarbinnen de gewenste ruimtelijke en economische ontwikkeling van de gemeente wordt gefaciliteerd en biedt oplossingsrichtingen waarmee de negatieve effecten van het verkeer kunnen worden voorkomen.

De acht kernpunten van het IVVP zijn:

  • creëren van een randwegenstructuur;
  • aanleggen van hoogwaardig openbaar vervoer, inclusief ondersteunend busnet;
  • verbeteren van (langzaam) verkeersverbindingen tussen de kernen;
  • voorzien in voldoende en efficiënte parkeervoorzieningen;
  • verkeersveilig inrichten van de verblijfsgebieden;
  • waar nodig eerst infrastructuur aanleggen, dan pas bouwen;
  • beperken van verkeergerelateerde milieuhinder;
  • het IVVP is het beleids- en afwegingskader voor het toekomstige verkeersbeleid in Katwijk.

Voor fietsers bevat het IVVP een plan voor twee comfortabele fietssnelpaden en een uitgebreid en fijnmazig net van ondersteunende fietsverbindingen. Door de fietsverbindingen te verbeteren, hoopt de gemeente de samenhang tussen de verschillende kernen binnen de gemeente te verbeteren. Er liggen volop kansen, die met het IVVP worden benut.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0014.png" Figuur 2.3 Beoogde randwegenstructuur (Bron IVVP)

Een andere manier om het autoverkeer op de lokale wegen terug te dringen is het verschuiven van de modal split (vervoerswijzekeuze) in het voordeel van het fietsverkeer. De fiets is een milieuvriendelijk voertuig en neemt ook minder ruimte in dan de auto. Voor de fiets is een apart uitvoeringsplan opgesteld, te weten het "Uitvoeringsplan Fiets gemeente Katwijk".

Toetsing

De ontwikkeling is in het IPPV als ontbrekende schakel van een van de twee voorziene snelfietsroutes aangemerkt. Realisatie van de voorziene ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van het IVVP en draagt bij aan de optimalisatie van het fietsnetwerk van Katwijk en omgeving.

Uitvoeringsplan Fiets gemeente Katwijk

In het Integraal Verkeers- en Vervoersplan (IVVP) Katwijk is vastgelegd dat de gemeente Katwijk sterk inzet op verbetering van het fietsklimaat in de gemeente. De doelen en ambities die in het IVVP zijn geformuleerd gericht op het fietspadennetwerk vormen de basis voor de concrete uitwerking hiervan.

Katwijk is sterk gericht op Oegstgeest en Leiden. Tegelijkertijd heeft het strand van Katwijk aan Zee een sterke aantrekkingskracht op inwoners van Leiden en Oegstgeest. De afstand tussen het centrum van Katwijk en het centrum van Leiden bedraagt 10 kilometer. Deze beperkte afstand biedt kansen voor de fiets, maar dan is wel een kwaliteitsslag nodig. Om het gebruik van de fiets tussen Katwijk en Leiden een impuls te geven, moet fors worden ingezet op snelheid, comfort en kwaliteit. De gemeente Katwijk kiest er daarom voor om een tweetal hoogwaardige fietsverbindingen te realiseren tussen Katwijk en Leiden; twee zogenaamde fietssnelpaden.

In figuur 2.4 zijn de fietssnelpaden van het Uitvoeringsplan Fiets in kaart gebracht. De nieuwe verbinding is hierin opgenomen en aangeduid met het cijfer 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0015.png"

Figuur 2.4 Hoofdfietsnetwerk en ontbrekende schakels (bron: Uitvoeringsplan Fiets, gemeente Katwijk)

Toetsing

De beoogde verbinding tussen Laan van Nieuw Zuid en de Cantineweg/Westerbaan is in het uitvoeringsplan aangeduid als ontbrekende schakel en is een ontbrekend onderdeel van een snelfietsroute die qua planvorming/uitvoering vergevorderd is. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan bij het Uitvoeringsplan Fiets van de gemeente Katwijk.

Uitvoeringsprogramma Fiets Holland Rijnland 2016

De regio Holland Rijnland is een bestuurlijk samenwerkingsverband van 14 gemeenten in de provincie Zuid-Holland, waar Katwijk deel van uit maakt. In het uitvoeringsprogramma is de snelfietsroute tussen Leiden en Katwijk opgenomen:

Katwijk is sterk gericht op Leiden. Tegelijkertijd heeft het strand van Katwijk aan Zee een sterke aantrekkingskracht op inwoners van Leiden. De afstand tussen het centrum van Katwijk en het centrum van Leiden bedraagt 10 kilometer. Deze beperkte afstand biedt kansen voor de fiets, maar dan is wel een kwaliteitsslag en het realiseren van een ontbrekende verbinding nodig. Om het gebruik van de fiets tussen Katwijk en Leiden een impuls te geven, moet fors worden ingezet op snelheid, comfort en kwaliteit. De gemeente Katwijk kiest er daarom voor om een hoogwaardige fietsverbinding te realiseren tussen Katwijk en Leiden, een snelfietsroute.

Toetsing

Het onderhavig planvoornemen betreft het realiseren van een onderdeel van de beoogde snelfietsroute en sluit hierbij aan bij het Uitvoeringsprogramma Fiets Holland Rijnland.

Omgevingsvisie Katwijk

De omgevingsvisie van Katwijk is een inspiratiedocument voor de ontwikkeling van Katwijk in de periode tot 2030. Het dient tevens als integraal afwegingskader voor diverse projecten en initiatieven van burgers, bedrijven en gemeente. De uitwerking wordt vertaald in programma, projecten en plannen.

In de omgevingsvisie heeft Katwijk 7 doelstellingen opgenomen. Een doelstelling heeft betrekking op de keuze voor duurzame en veilige mobiliteit. De gemeente Katwijk wil ook in de toekomst goed en duurzaam bereikbaar blijven. Daarbij is de doelstelling te gaan voor ontwikkeling van duurzame mobiliteit. Dat wil zeggen goede fiets en wandelroutes, een ov-netwerk en, waar nodig, een adequaat autonetwerk. Elektrisch vervoer (fiets, auto en ov) heeft de toekomst en Katwijk wil dat maximaal faciliteren in haar gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0016.png"

Figuur 2.5 Uitsnede Omgevingsvisie Katwijk

Toetsing

Het voorzien in aantrekkelijk snelfietsroute tussen Katwijk en Leiden wordt genoemd als een belangrijke opgave. De beoogde ontwikkeling van de fietsverbinding sluit derhalve aan bij de omgevingsvisie van de gemeente Katwijk.

Groenbeleidsplan (2009)

Het Groenbeleidsplan Katwijk heeft tot doel het verhogen van de kwaliteit van de leefomgeving nu en in de toekomst. Hierdoor blijft het dorp aantrekkelijk. Het beleidsplan beschrijft de beleidskaders voor de komende 10 tot 15 jaar. Deze beleidskaders vormen een leidraad bij de ontwikkeling van nieuwe gebieden, de herontwikkeling van bestaande gebieden en het beheer, de beleving en de samenhang van het groen.

Toetsing

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zullen geen wijzigingen plaatsvinden aan de groenstructuur. De beleving van de natuur wordt versterkt. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het groenbeleidsplan.

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

3.1 Inleiding

Dit bestemmingsplan maakt de aanleg van een fietsverbinding mogelijk. Onderstaand is nader onderbouwd hoe dit ruimtelijk inpasbaar is.

3.2 Verkeer

Onderdeel fietspadennetwerk

De voorgenomen ontwikkeling maakt deel uit van de snelfietsroute tussen Leiden en Katwijk. Het tracé sluit aan de westzijde aan op de bestaande wegen- en padenstructuur via welke het strand en de boulevard van Katwijk makkelijk bereikbaar zijn. Aan de oostzijde sluit de verbinding aan op de fietsverbinding via de Cantineweg om circa 1,5 km oostelijker op de fietsverbinding langs de Tjalmaweg (N206) aan te sluiten. Halverwege de nieuwe verbinding is een aansluiting op de Meeuwenlaan voorzien.

Een voetpad wordt gekoppeld aan het fietspad. Met dit voetpad wordt de mogelijkheid van een wandelrondje vanuit de naastgelegen buurten bevorderd. Een rij met houten paaltjes scheidt het toekomstige fietspad af van het hondenlosloopgebied, zodat voorkomen wordt dat honden het fietspad op lopen. Gemotoriseerd (bromfiets)verkeer is op de nieuwe verbinding niet toegestaan. De nieuwe fietsverbinding bedient zowel recreatief als utilitair fietsverkeer (woon-werk).

Omvang gebruik

Om een beeld te krijgen van de omvang van het toekomstige gebruik van de nieuwe verbinding door langzaam verkeer zijn in mei 2018 rondom het geplande tracé verkeerstellingen uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen vinden in bijlage 3.

In de huidige situatie wordt het tracé vooral gebruikt door wandelaars (met hond), een enkele ruiter en een enkele fietser (mountainbikers). Op basis van inzicht in de omvang van het fietsverkeer op de parallel gelegen routes is een inschatting gemaakt van het toekomstige gebruik van het nieuwe tracé. Daarbij is er rekening mee gehouden met dat de route ook aantrekkelijk wordt voor gebruikers van andere routes die op de nieuwe verbinding zullen aansluiten. Deze aansluitende routes zijn zwart gestippeld weergegeven in figuur 3.1. Het tracé biedt een alternatief voor de huidige verbinding via de Nachtegaallaan, die als gevolg van de uitbreiding van de Gemeentelijke Begraafplaats Duinrust zal worden onderbroken. Ook wordt verwacht dat de route een aantrekkelijk alternatief vormt voor fietsverkeer dat in de huidige situatie gebruik maakt van een route over de Boslaan/Parklaan.

Op basis van de informatie uit de verkeerstellingen wordt verwacht dat op werkdagen een intensiteit 1.000 fietsers per etmaal van de verbinding gebruik zullen maken. Op weekenddagen zal dit als gevolg van recreatief verkeer hoger liggen. Dan worden tot 2.500 fietsers per etmaal verwacht. Het aantal voetgangers, honden en ruiters zal naar verwachting ongeveer gelijk blijven. Uit de geschatte omvang van het fietsverkeer blijkt de behoefte aan het nieuwe tracé.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0017.png"

Figuur 3.1 Inschatting gebruik toekomstig tracé

Reistijd en comfort

Voor fietsverkeer met een herkomst/bestemming in de locatie Valkenburg en Leiden zorgt de nieuwe verbinding voor een kortere en snellere route, zeker indien de voorgenomen onderbreking van de Nachtegaallaan door uitbreiding van de Gemeentelijke Begraafplaats Duinrust in ogenschouw wordt genomen. Tussen de Westerbaan en de Laan van Nieuw Zuid wordt straks een zelfstandige fietsverbinding aangeboden als alternatief voor een route waar het fietsverkeer gemengd met het autoverkeer wordt afgewikkeld over drukke wegen (Bosplein, Boslaan) en/of straten die voorzien zijn van oncomfortabele verkeersdrempels. De nieuwe verbinding draagt daarbij op dit deel van het traject bij aan een beter fietscomfort en verhoogt de fietsveiligheid. De nieuwe fietsverbinding zorgt voor winst in reistijd voor fietsers tussen de kernen van Leiden en Katwijk aan Zee.

Hoofdeisen fietsvriendelijke infrastructuur

Het CROW noemt in haar publicatie Ontwerpwijzer Fietsverkeer (publicatie 230) vijf hoofdeisen waaraan fietsvriendelijke infrastructuur moet voldoen, waaraan op de volgende wijze wordt voldaan: 

  • Aantrekkelijkheid: beleving en het naast elkaar kunnen fietsen:

Met een breedte van 4 m kunnen twee x twee fietsers elkaar in tegengestelde richting makkelijk passeren. De verbinding geeft zicht op de duingebied, waarmee sprake is van een aantrekkelijke beleving.

  • Directheid: het minimaliseren van weerstanden:

Zoals beschreven zorgt de verbinding voor een verkorting van de route. Door de goede aansluiting op de bestaande fietspaden van de Cantineweg en de Laan van Nieuw Zuid zijn weerstanden afwezig.

  • Comfort: het optimaliseren van de mentale belasting en het profiel van vrije ruimte:

Het fietspad is breed genoeg om twee fietsers twee andere fietsers in tegengestelde richting makkelijk te kunnen passeren. Naast het fietspad staan zo weinig mogelijk obstakels. Mede om die reden wordt het hekwerk van Topaz Overduin op enige afstand van het fietspad geplaatst. Wel is vanwege (verkeers)veiligheid gekozen voor een afscherming tussen het fietspad en het hondenlosloopgebied. Vanwege de inpassing van het fietspad ten opzichte de grens van het Natura 2000-gebied is het niet anders mogelijk dan deze afscherming direct langs het fietspad te plaatsen.

  • Veiligheid: de kwetsbaarheid van fietsers:

Zoals genoemd maakt de breedte van het fietspad veilig passeren van fietsers in tegengestelde richting mogelijk. De afscherming tussen het fietspad en het hondenlosloopgebied is eveneens een belangrijke maatregel om de verkeersveiligheid te waarborgen. Daarnaast draagt de afwezigheid van gemotoriseerd verkeer en een veilig vormgegeven aansluiting op de Laan van Nieuw Zuid en op de Cantineweg/Verlengde Westerbaan bij aan de veiligheid. Verlichting waarborgt de sociale veiligheid.

  • Samenhang: de noodzaak van complete en begrijpelijke fietsinfrastructuur:

De nieuwe fietsverbinding past uitstekend in het gewenste fietspadennetwerk.

Conclusie 

De nieuwe zelfstandige fietsverbinding draagt bij aan een snelle, directe fietsverbinding tussen Leiden en het strand van Katwijk aan Zee. De verwachte behoefte aan de nieuwe verbinding blijkt onder andere uit de verkeerstellingen. Fietsers, voetgangers en ruiters hebben op de verbinding een eigen verkeersruimte binnen het profiel van het tracé en worden gescheiden afgewikkeld. Dit komt het comfort en de verkeersveiligheid ten goede. De fietsverbinding sluit aan op de omliggende fietspaden.

Vanuit verkeerskundig perspectief zijn er geen bezwaren welke de realisatie van het fietspad in de weg staan.

3.3 Bedrijvigheid

De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op het mogelijk maken van bedrijfsactiviteiten of gevoelige functies. Het aspect bedrijven en milieuzonering is daarom niet aan de orde.

3.4 Wegverkeerslawaai

Verkeer is een geluidsbron met een ruimtelijke relevantie. De Wet geluidhinder stelt kaders voor deze bronnen en normen voor de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten.

Binnen het plangebied wordt een fiets- en voetverbinding mogelijk gemaakt, gemotoriseerde voertuigen zijn hier niet toegestaan. Daarmee zijn geluidsbronnen afwezig en is het kader van de Wet geluidhinder niet aan de orde. Vanuit de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

3.5 Externe veiligheid

De beoogde ontwikkeling heeft geen betrekking op het mogelijk maken van een kwetsbare objecten zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of op een risicovolle activiteiten. Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan risicobronnen in de omgeving en vice versa. Tevens zullen in het plangebied geen gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De conclusie luidt dat de veiligheid in het kader van de voorgenomen ontwikkeling niet in het geding is.

3.6 Luchtkwaliteit

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van een fietspad (zonder gemotoriseerd verkeer) mogelijk. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

3.7 Ecologie

Deze paragraaf betreft een samenvatting van de verslechteringstoets die in bijlage 2 is opgenomen.

Relevant toetsingskader

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura 2000-gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Conclusie natuuronderzoek

Gebiedsbescherming

Het beoogde tracé van het fietspad ligt direct ten noorden van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide. Dit natuurgebied maakt tevens onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Binnen het plangebied ligt het fietspad niet in het NNN. Toetsing aan het NNN is hierdoor niet aan de orde. De effecten op Natura 2000 zijn onderzocht in een verslechteringstoets (zie bijlage 2).

In de verslechteringstoets wordt onderbouwd dat de verstoringen als gevolg van het fietspad geen significante effecten hebben op het Natura 2000-gebied. Potentiele effecten betreffen verstoring door geluid en licht en vermesting/verzuring door stikstofdepositie. Andere effecten (areaalverlies, verdroging, versnippering etc.) kunnen op voorhand worden uitgesloten omdat het fietspad en naastgelegen voetpad geheel buiten het Natura 2000-gebied zullen worden aangelegd. Evenmin heeft de ingreep effect op de waterhuishouding in het duingebied. Er is sprake van een verharding met een beperkte breedte en oppervlak. Bovendien kan het water dat van de verharding afloopt direct naast het fietspad inzijgen in de ondergrond.

Verstoring door licht is niet aan de orde vanwege de ligging naast het reeds verlichte woongebied en het zeer geaccidenteerde en dichtbegroeide duingebied waarin het licht niet ver reikt. Het fietspad wordt (vanwege de sociale veiligheid) van openbare verlichting voorzien (zie paragraaf 1.5). Het betreft vleermuisvriendelijke verlichting en er wordt gebruik gemaakt van sensoren zodat de verlichting alleen aangaat bij het passeren van een fietser of wandelaar. De openbare verlichting is bovendien afgesteld op het fietspad zodat verstrooiing wordt voorkomen.

Het gebruik van het fietspad heeft een verwaarloosbaar effect qua geluidsverstoring van het aangrenzende duingebied. De kwalificerende soort Meervleermuis is niet aangetroffen. Andere kwalificerende soorten zijn ongevoelig voor geluid.

Als gevolg van de aanleg van het fietspad ontstaat tijdelijke verhoogde depositie (maximaal 0,40 mol/ha/jr) op stikstofgevoelige habitattypen (Grijze duinen). Voor de bijdrage wordt een melding gedaan. In de gebruiksfase is geen sprake van stikstofemissies aangezien het fietspad niet toegankelijk wordt voor gemotoriseerde voertuigen.

Aanleg en gebruik van het fietspad staan het behalen van de instandhoudingsdoelstelling van het Natura 2000-gebied derhalve niet in de weg.

Soortenbescherming

Ter plaatse van het plangebied is een veldonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit het veldonderzoek volgen onderstaande conclusies.

Omdat het tracé buiten het natuurgebied Meijendel en Berkheide ligt en wordt gebruikt als hondenlosloopgebied heeft de vegetatie een verstoord karakter. Dit neemt niet weg dat er nog steeds veel zeldzame en bedreigde vaatplantensoorten in het gebied voorkomen. Er gaan echter door de aanleg van het fietspad geen beschermde plantensoorten verloren. Om aantasting van overige zeldzame en bedreigde vaatplantensoorten te voorkomen wordt voor de aanleg een werkprotocol opgesteld dat de werkzaamheden samenhangend met de aanleg zoveel in principe vanaf het tracé plaatsvinden en dat in principe niet naast het tracé wordt gewerkt. Daarnaast worden de vindplaatsen van genoemde zeldzame en bedreigde vaatplantensoorten voorafgaand aan de werkzaamheden afgezet, zodat zij niet betreden worden.

Uit de resultaten van het onderzoek komt verder naar voren dat in en rond het gebied laatvlieger, rosse vleermuis, gewone- en ruige dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen komen niet voor. Op enkele plaatsen komt een dichtere vegetatie voor met brandnetel. Dit ecotoop vormt het broedgebied voor de bedreigde nachtegaal. Dit ecotoop wordt behouden.

Beschermde vlinders zijn niet vastgesteld.

Uit het onderzoek blijkt verder de aanwezigheid van rugstreeppad en zandhagedis. De beoogde werkzaamheden en het gebruik van het fietspad kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Er wordt een ontheffing aangevraagd voor de effecten van de aanlegfase en het gebruik van het fietspad. Als onderbouwing van de ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan opgesteld (bijlage 5). Uit de analyse blijkt dat de periode vanaf september tot medio november de minst kwetsbare periode is om de activiteiten uit te voeren (buiten het broedseizoen en minst kwetsbare periode zandhagedis/rugstreeppad). De werkzaamheden zijn in september 2020 beoogd. Gezien het belang van de ontwikkeling, de alternatievenafweging en het geringe effect van de ontwikkeling op de soorten zandhagedis en rugstreeppad, wordt verwacht dat de benodigde ontheffing wordt verleend.

3.8 Water

Toetsingskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Verordening Ruimte
  • Provinciale Structuurvisie

Waterschapsbeleid

Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016-2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Keur en uitvoeringsregels

Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:

  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak.

Riolering en afkoppelen

Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

Onderzoek waterhuishouding

Overeenkomstig (de toelichting op) regel 11 van de Keur van het Hoogheemraadschap Rijnland is er geen watercompensatie noodzakelijk indien:

  • er geen sprake is van versnelde afvoer door de toename van het verhard oppervlak;
  • het oppervlaktewater wordt afgevoerd in de bodem en er geen afvoer via riolering plaatsvindt;
  • de dichtstbijzijnde watergang ligt op meer dan 3 maal de breedte van de verharding.

Het hemelwater stroomt af richting de onverharde berm, er is zodoende geen sprake van versnelde afvoer en hemelwaterkolken. De afstand tot het dichtstbijzijnde oppervlaktewater is groot en valt hiermee onder de drempelwaarde van watercompensatie.

In figuur 3.2 is te zien dat in het plangebied en nabije omgeving geen sprake is van een kernzone danwel een primaire watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0537.bpKATfpdwesterbaan-on01_0018.jpg"

Figuur 3.2 Kern- en beschermingszone watergang (legger Hoogheemraadschap Rijnland)

Conclusie waterhuishouding

Het fietspad voldoet, in overleg met het waterschap, aan bovengenoemde drie voorwaarden. Er hoeft derhalve geen compensatie van het verhard oppervlak gerealiseerd te worden. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Onderzoek

Het hemelwater stroomt af richting de onverharde berm. Omdat geen gemotoriseerd verkeer wordt toegelaten is geen sprake van verontreinigd aflopend water dat een risico kan vormen voor het diepe grondwater in het waterwingebied.

Conclusie waterwingebied

De ontwikkeling vormt geen risico voor het waterwingebied.

3.9 Bodem

De bodemkwaliteit wordt momenteel onderzocht. Deze paragraaf zal op basis van de onderzoeksresultaten worden aangevuld.

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek Bodemkwaliteit

p.m.

Onderzoek Grondverzet

p.m.

Conclusie

p.m. 

3.10 Archeologie

Toetsingskader

Volgens de Erfgoedwet is het verplicht om in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling aandacht te schenken aan mogelijk aanwezige archeologische waarden. Indien planontwikkelingen bodemverstoringen tot gevolg hebben en daarbij archeologische waarden in het geding kunnen komen is men tegenwoordig verplicht om archeologisch onderzoek te laten verrichten. De kosten voor eventueel verplicht archeologisch onderzoek komen ten laste van de initiatiefnemer voor de verstoringen.


Over het algemeen worden de archeologische verwachtingskaarten van het rijk en de provincie gebruikt om te kijken of er bij de ontwikkeling van een bepaald gebied archeologie te verwachten is. Deze kaarten zijn echter veelal niet precies genoeg en daarom heeft de gemeente Katwijk opdracht gegeven voor de vervaardiging van een eigen meer gedetailleerdere archeologische verwachtingskaart (RAAP Archeologisch Adviesbureau, 2015: Gemeente Katwijk: een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, Leiden, RAAP-rapport 2852). Gebleken is dat binnen de gemeente Katwijk namelijk een gemiddeld hoge archeologische verwachting bestaat. Om de omgang daarmee in goede banen te leiden is het nodig om over een beleidsinstrument zoals een eigen verwachtingskaart te beschikken. Deze kaart en de aanwezigheid van een eigen gemeentelijk archeologiebeleid maken bovendien dat de gemeente nu zeggenschap heeft over haar eigen bodemarchief. Ze heeft namelijk met dit beleid de garantie afgegeven dat in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling archeologische belangen worden meegewogen, dit is sinds kort een landelijk wettelijke plicht. De wijze waarop archeologische belangen worden getoetst, is vastgelegd in een archeologisch protocol, zoals opgenomen in de beleidsnota, en in voorwaarden voor bestemmingsplannen en bouwvergunningen. Het gevolg is wel dat elke inwoner van de gemeente Katwijk in het vervolg met archeologisch onderzoek in aanraking kan komen. Toetsing op de aanwezigheid van archeologische waarden is immers een standaard onderdeel geworden van de vergunningsprocedures.


Indien ontwikkelaars of individuele inwoners van de gemeente Katwijk van plan zijn om een omgevingsvergunning aan te gaan vragen kunnen deze zelf vooraf al bekijken of ze daarbij rekening moeten houden met archeologische verwachtingen en een onderzoeksplicht. De hier volgende termen komen ook terug in het archeologisch protocol en de bestemmingsplanregels.


Archeologische Monumenten

Er bestaan twee soorten archeologische monumenten, 'beschermde monumenten' en 'monumenten'. Het rijk verzorgt de bewaking over de beschermde archeologische monumenten, eigenlijk dus archeologische rijksmonumenten. Net als voor monumentale gebouwen bestaat voor de archeologische rijksmonumenten een vergunningprocedure. Met betrekking tot terreinen die archeologische rijksmonument zijn, moet voor werkzaamheden en activiteiten die bodemverstoringen tot gevolg kunnen hebben een monumentenvergunning worden aangevraagd. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed verstrekt deze monumentenvergunningen. Het rijk streeft er naar deze rijksmonumenten in te passen in plangebieden door ze vrij van bebouwing te laten en ze anders in te richten, bijvoorbeeld in de vorm van een park.


Archeologische monumenten zijn terreinen waarvan de archeologische waarde al duidelijk is geworden aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek. Officieel zijn terreinen met een archeologische monumentenstatus niet beschermd, maar dat wil slechts zeggen dat er geen monumentenvergunning vereist is. De provincie bewaakt deze terreinen door ze uit te roepen als attentiegebied of ze te beschermen binnen de besluitvormingprocedures in het kader van de ruimtelijke ordening. Het liefst ziet de provincie deze terreinen behouden, bijvoorbeeld door te eisen dat in het geval van bebouwing een bouwmethode wordt gebruikt waarbij geen bodemverstoringen plaatsvinden. In sommige gevallen mag een deel van een archeologisch terrein met monumentale status worden opgegraven, maar alleen onder strenge kwaliteitseisen en onderzoeksvoorwaarden.


Waarde - Archeologie (WR - AW)

Archeologisch waardevolle gebieden zijn gebieden waarvan de archeologische waarde al bepaald is aan de hand van eerder gedaan archeologisch onderzoek, meestal zijn dit de archeologische monumenten waar de provincie zeggenschap over heeft. Daarnaast zijn de historische dorpskernen van Katwijk, Valkenburg en Rijnsburg archeologisch waardevol gebied. Voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen bestaat voor de archeologisch waardevolle gebieden geen vrijstellingsnorm. Indien er sprake is van voorgenomen verstoringen van de bodem is het verplicht vooraf archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Pas na overlegging van een rapport van archeologisch onderzoek aan het bevoegd gezag, over het algemeen de gemeente, kan een vergunning worden afgegeven.


Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied (WR - AV)

Archeologische verwachtingsgebieden zijn gebieden waarvan nog geen bepaling van archeologische waarden bestaat. Daar is dus nog niet eerder archeologisch onderzoek verricht. Wel kan op basis van de geologische geschiedenis van deze gebieden een voorspelling worden gedaan over de mate van verwachting op aanwezige archeologische sporen. Deze verwachting is uitgedrukt in lage, middelmatige en hoge archeologische verwachting. In het geval van een lage archeologische verwachting kan geen archeologisch onderzoek voorafgaande aan de afgifte van een vergunning worden verplicht. Ten aanzien van de gebieden met een middelmatige tot hoge archeologische verwachting is dit echter wel het geval. Het soort archeologisch onderzoek kan per gebied verschillen. Deze verschillen hangen samen met de geologische eigenschappen van het gebied en de te verwachten aard van de archeologie. Net als voor gebieden met een lage archeologische verwachting, bestaat voor bodemverstorende activiteiten een bepaalde vrijstelling (zie de archeologische beleidskaart Katwijk 2015). Archeologisch onderzoek is dan geen vereiste, dit ongeacht de mate van archeologische verwachting.


Meldingsplicht bij onverwachte archeologische vondsten

Indien er tijdens graafwerkzaamheden, ongeacht de locatie en de omvang, onverwachte archeologische resten worden aangetroffen, blijft in alle gevallen nog altijd een wettelijke meldingsplicht voor archeologische vondsten bestaan. In het geval het bijzondere vondsten betreft, kan de gemeentelijke archeoloog deze dan namelijk nog laten opgraven met behulp van een noodopgraving of bergen voordat ze worden afgevoerd met het stort.


Wanneer moet ik archeologisch onderzoek laten uitvoeren?

Een verplichting op archeologisch onderzoek geldt voor alle bodemingrepen binnen gebieden die staan beschreven als 'archeologisch waardevol gebied'. Ook geldt de plicht op archeologisch onderzoek binnen alle gebieden met een middelmatige tot hoge archeologische verwachting maar alleen indien de bodemingreep groter is dan daarvoor bepaalde vrijstellingsomvang. Aan de diepte van de bodemingreep zijn eveneens specifieke vrijstellingsnormen verbonden.


Wanneer is archeologisch onderzoek niet verplicht?

Er bestaat geen verplichting op archeologisch onderzoek in gebieden waarvoor een lage archeologische verwachting geldt. Indien er sprake is van een middelmatige of hoge archeologische verwachting en de bodemingreep is kleiner dan 250 m2 vervalt eveneens de plicht op archeologisch onderzoek. Indien aantoonbaar (!) is dat al eerder bodemverstoringen hebben plaatsgevonden die dieper reiken dan de bodemverstoringen die zijn voorgenomen dan is archeologisch onderzoek eveneens niet langer verplicht.


Hierbij moet wel worden opgelet dat ook het onderheien van bouwconstructies onder bodemverstoringen valt. In het geval van heiwerkzaamheden wordt de ondergrond tot op vele meters diepte verstoord en zal dus archeologisch onderzoek plaats moeten vinden indien die plicht bestaat. Ook bij het aanleggen van leidingen en kabels kan de bodem soms tot op grote diepte verstoord worden, ook daar moet rekening mee worden gehouden.

Toetsing

In het plangebied is het niveau met een hoge archeologische verwachting gelegen op een diepte van 5 meter +NAP. Vanaf deze diepte moet rekening worden gehouden met vindplaatsen uit de Vroege Middeleeuwen, de Romeinse Tijd en de IJzertijd. Het bovenliggende pakket duinzand kent geen hoge archeologische verwachtingen. Binnen het voorgenomen tracé van de fietsverbinding wordt niet dieper vergraven dan één meter beneden het maaiveld. De graafwerkzaamheden blijven daarmee boven de 5 meter + Nap. Met deze ontgravingsdiepte zal het niveau met archeologische verwachtingen dus niet worden bereikt. Derhalve hoeft voorafgaande aan de aanleg van het tracé geen archeologisch inventariserend onderzoek uit te worden gevoerd en vraagt het aspect archeologie niet om nadere aandacht. Wel zal volledigheidshalve de dubbelbestemming worden overgenomen.

3.11 Conventionele explosieven

De mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven wordt momenteel onderzocht. Deze paragraaf zal op basis van de onderzoeksresultaten worden aangevuld.

Toetsingskader

p.m.

Onderzoek

p.m.

Conclusie

p.m. 

3.12 Milieueffectrapportage

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

Het bestemmingsplan heeft betrekking op de aanleg van een fietspad. Fietspaden maken geen onderdeel uit van de C- en D-lijst van het Besluit-m.e.r. De maatregelen zijn hiermee niet direct m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Inleiding

Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels. De regels bevatten regels voor gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen juridisch bindende werking; maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.


In paragraaf 1.5 zijn de planuitgangspunten genoemd voor het op te stellen bestemmingsplan. Deze uitgangspunten zijn (juridisch) vertaald naar het bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de doorvertaling van de planuitgangspunten naar regels en verbeeldingen verwoord.

4.2 Opzet van de planregels

Voor het nieuwe bestemmingsplan wordt gestreefd naar het beschermen van de aanwezige natuurwaarden aan de ene kant en naar voldoende flexibiliteit voor het mogelijk maken van het nieuwe fietspad en naastgelegen voetpad. Voorkomen moet worden dat voor iedere beperkte wijziging, die niet op ruimtelijke bezwaren stuit, een afwijking dan wel een wijziging van het bestemmingsplan nodig is. Voor het gehele plangebied is de huidige wijze van bestemmen binnen de gemeente Katwijk in hoge mate richtinggevend voor de wijze waarop de bestemmingen zijn geregeld. De planuitgangspunten zoals verwoord in paragraaf 1.5 zijn vertaald op de verbeelding en in de planregels.


De regels bestaan uit vier hoofdstukken. In hoofdstuk 1 komen de inleidende regels aan bod. Het betreft hier de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In hoofdstuk 2 bestemmingsregels zijn de regels behorende bij de verschillende bestemmingen opgenomen (artikel 3 t/m 7). Hoofdstuk 3 bevat verschillende algemene regels die van toepassing zijn (artikel 8). Tot slot zijn de overgangs- en slotregels opgenomen in hoofdstuk 4 (artikel 9 en 10).

4.3 Artikelgewijze toelichting op de planregels

4.3.1 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Wijze van meten (artikel 2)

Dit artikel geeft aan hoe de hoogte van bouwwerken wordt gemeten of berekend.

4.3.2 Bestemmingsregels

In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn de in het plangebied voorkomende bestemmingen opgenomen. In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.

Groen (artikel 3)

De bestemming 'Groen' is gegeven aan beeld- of structuurbepalend groen. Het gaat dan om gronden die in gebruik zijn als plantsoenen, bermen, speelvoorzieningen maar ook voor voet-, ruiter en fietspaden en brughoofden. Daarnaast zijn voorzieningen en bouwwerken ten behoeve van natuur en landschap toegestaan, zoals een faunatunnel of schermen die de amfibieën naar een faunatunnel geleiden.

Maatschappelijk (artikel 4)

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor maatschappelijke dienstverlening en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen-, parkeer-, nutsvoorzieningen en water.

Natuur - Duinen (artikel 5)

Aan de in het plangebied aanwezige duinen is de bestemming 'Natuur – duinen' toegekend. De grens van deze bestemming is gelijk aan de grens van het Natura 2000-gebied Meijendel & Berkheide.

Het oprichten van gebouwen is binnen deze bestemming niet mogelijk. Wel zijn bouwwerken ten dienste van de bestemming toegestaan. Het kan dan gaan om bankjes, hekwerken, verlichting, et cetera. De duinen zijn in eigendom van de gemeente dan wel Staatsbosbeheer. Zodoende kan voldoende richting en sturing worden gegeven aan een plaats en omvang van de bebouwing waarbij de belangen van het Natura 2000-gebied worden meegewogen. Voor het verrichten van andere werken zoals graven, verharden et cetera (“aanlegwerkzaamheden”) is een omgevingsvergunning nodig. Deze wordt niet eerder verleend dan dat is aangetoond dat met de werken en werkzaamheden geen blijvende onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuur- en landschappelijk waarde van het gebied.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachting 3 (artikel 6)

De gronden binnen deze bestemming zijn - behalve voor de daar voorkomende bestemmingen- mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Voor deze gronden gelden bepaalde bouwregels en regels ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijde, of van werkzaamheden, als ook van de omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om de dubbelbestemming te verwijderen, indien uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

4.3.3 Algemene regels

Algemene aanduidingsregels (artikel 7)

In dit artikel is een gebiedsaanduiding opgenomen. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - waterwingebied' zijn de gronden, naast de aldaar voorkomende bestemming, mede bestemd voor waterwinning. Voor deze gronden gelden bepaalde bouwregels, gebruiksregels en regels ten behoeve van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de bouwregels op voorwaarde dat zij alvorens te beslissen omtrent een vergunning advies inwinnen bij de waterbeheerder.

Algemene wijzigingsregels (artikel 8)

Burgemeester en wethouders kunnen onder voorwaarden afwijken van de planregels voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein.

Anti-dubbeltelregel (artikel 9)

Deze regel dient te voorkomen dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daar voor een gebouw een zeker open terrein is vereist, wordt via de anti-dubbeltelregel voorkomen dat eenzelfde terrein twee keer wordt 'meegenomen' bij de beoordeling van een bouwaanvraag. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag.

4.3.4 Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht (artikel 10)

Bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan bestaan of waarvoor een bouwvergunning dan wel een omgevingsvergunning is aangevraagd, mogen blijven bestaan, ook wanneer dit strijdig is met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd worden.

Slotregel (artikel 11)

In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Fietspad Westerbaan.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid en overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg als bedoeld ingevolge artikel 3.1.1 van het Bro is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de (wettelijke) overlegpartners.

In het kader van het vooroverleg is een reactie van de brandweer ontvangen. Deze is opgenomen in bijlage 6. De brandweer verzoekt rekening te houden met de bereidbaarheid van het fietspad voor hulpvoertuigen. Hieraan wordt als volgt voldaan:

  • Breedte: het fietspad is 3.5-4m breed en daarmee toegankelijk voor een brandweerwagen van 2.60 m en ook voor de overige hulpdiensten.
  • Alignement: de hellingen zijn ingericht op een fietser en er zijn geen krappe bogen in het fietspad opgenomen. Hierdoor is het fietsoad goed berijdtbaar voor hulpdiensten.
  • Verhardingsopbouw: de verhardingsopbouw houdt rekening met de berijdbaarheid door hulpdiensten.
  • Ten behoeve van het definitief ontwerp wordt de bereikbaarheid van de noodpoort van Topaz aan de Meeuwenlaan en de berijdbaarheid van de bochten in het fietspad nog getoetst aan de hand van rijcurves.

Het ontwerp van het bestemmingsplan wordt gedurende een periode van 6 weken ter visie gelegd. Tijdens deze tervisielegging wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen.

5.2 Economische uitvoerbaarheid

Het beoogde project maakt de realisatie van een snelfietsroute mogelijk. De gronden van de plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Voor de realisering van de fietsverbinding is budget vrijgemaakt door de gemeente. Het plan wordt derhalve (economisch) uitvoerbaar geacht.