direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Lingedijk 39 Kedichem
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aanleiding voor het opstellen van voorliggend wijzigingsplan is de wens om op het perceel Lingedijk 39 te Kedichem de bestaande woning en bijgebouwen te slopen en hier een nieuwe moderne woning te bouwen.

Het plan is voorgelegd aan het bevoegd gezag en na overleg is men gekomen tot de in Hoofdstuk 2 beschreven woning. De nieuwe bebouwing zal echter voor een zeer beperkt deel niet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd. Hierdoor is het realiseren van de woning op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening' niet mogelijk.

Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een wijzigingsplan noodzakelijk. Voorliggend wijzigingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Lingedijk 39 net buiten de kern Kedichem. De Lingedijk is de verbindingsweg over de dijk, tussen Kedichem en Arkel. Het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied (Bron: Google Earth)

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Bestemmingsplan Buitengebied Leerdam, 1e Herziening

Op 17 december 2014 is het Bestemmingsplan Buitengebied Leerdam, 1e Herziening, een herziening van het bestemmingsplan Buitengebied vastgesteld. Dit bestemmingsplan is een herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam' welke is vastgesteld op 30 september 2010. Figuur 1.1 laat een uitsnede van de verbeelding zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0002.jpg"

Figuur 1.2: Uitsnede verbeelding, plangebied in rode cirkel.

Voor het plangebied de de bestemming 'Wonen' opgenomen. Verder zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waterstaat - Waterkering' van toepassing op het plangebied. In de bestemming 'Wonen' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om af te wijken van de vorm van het bouwvlak.

Er is een bouwvlak opgenomen, waarbinnen de bebouwing gerealiseerd moet worden. Voor het bouwvlak geldt de maatvoering aanduiding goothoogte maximaal 6 meter.

Voor het plangebied is de bouwaanduiding 'karakteristiek' opgenomen. Voor gronden met deze aanduiding geldt dat ter plaatse van de aanduiding, de bestemming mede is gericht op het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden van de op het perceel voorkomende monumentale en/of cultuurhistorische waardevolle gebouwen. Dit betreft in ieder geval het hoofdgebouw en eventueel één of meerdere bijgebouwen.

De functie aanduiding specifieke vorm van waarde - 3' en de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied concentratie fruitteelt' hebben geen invloed op het voornemen.

Het voornemen is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan.

1.4 Planvorm

Op het perceel vigeert het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening' dat op 17 december 2014 onherroepelijk is geworden. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen ten behoeve van het wijzigen van de vorm van het bouwvlak. De beoogde ontwikkeling op perceel Lingedijk 39 kan mogelijk worden gemaakt door het toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid van artikel 19 lid 7 onder 6. Om de ontwikkeling juridisch planologisch te regelen wordt derhalve onderhavig wijzigingsplan opgesteld.

1.5 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een beschrijving gegeven van de huidige situatie en het beoogde bouwplan. Het voornemen wordt in hoofdstuk 3 getoetst aan het bestemmingsplan. Vervolgens vindt in hoofdstuk 4 toetsing aan het ruimtelijk beleidskader plaats. Hoofdstuk 6 is de toetsing aan de voor het plan relevante (milieu)aspecten. Hoofdstuk 6 geeft een beschrijving van de juridische regeling zoals deze is opgenomen. Tenslotte wordt in hoofdstuk 7 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan toegelicht.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plan

2.1 Huidige situatie

Op het plangebied aan de Lingedijk 39 staat momenteel een kleine dijkwoning met losstaand bijgebouw (zie figuur 2.1). De toegang tot het perceel vanaf de dijk bestaat uit een trap langs het talud van de dijk tussen de woning en bijgebouw. Als gevolg van de steile dijk is het niet mogelijk om het perceel te betreden met een gemotoriseerd voertuig. Hiervoor is geen afrit vanaf de dijk aanwezig.

Aan de oostzijde van het bijgebouw ligt een kleine fruitboomgaard behorende bij het plangebied. Het erf is verder ingericht als tuin gesitueerd naar het noorden. Hier is een oud wiel aanwezig, waardoor het plangebied als het ware tussen twee wateren is gesitueerd. Aan de noordzijde een wiel, aan de zuidzijde de Linge. Figuur 2.1 geeft een impressie van de ligging en inrichting van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0003.jpg"

Figuur 2.1: impressie huidige situatie plangebied

2.2 Toekomstige situatie

Initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestaande bebouwing op het perceel te slopen en hier een moderne woning te realiseren.

De woning wordt gesitueerd parallel aan de dijk, gelijk aan de huidige bebouwing. de bebouwing zal worden geplaatst in de voet van de dijk. In overleg met het waterschap zal hier een beperkte aandijking plaatsvinden ter versterking van de waterkering, voor de toegang tot de voordeur van de woning en voor de realisatie van een parkeerplaats voor 1 auto aan de dijk.

De nieuwe woning heeft twee lagen en een kap in langsrichting van de dijk. Aan de westzijde wordt een bijgebouw gerealiseerd dat via de aandijking is verbonden met het hoofdgebouw.

De woning zal noord-zuid worden georiënteerd, waarbij zuidzijde over de dijk heen kijkt en de noordzijde gericht is op het wiel. Aan de zijde van het wiel is zowel een terras als een balkon voorzien, waardoor vanaf beide woonlagen ten volle van het zicht op het water genoten kan worden.

Door de aandijking tot bij het hoofdgebouw ontstaat voldoende ruimte voor het parkeren van twee auto. Parkeren aan de doorgaande weg is dan ook niet aan de orde.

Figuur 2.2 laat de plattegronden van de nieuwe woning zien en figuur 2.3 geeft een impressie van de nieuwe woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0004.jpg"

Figuur 2.2: Impressie plattegronden

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0005.jpg"

Figuur 2.3: Impressie nieuwe woning

Hoofdstuk 3 Toetsing aan het bestemmingsplan

3.1 Toetsing aan de wijzigingsregels

In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de criteria waar het te ontwikkelen plan aan dient te voldoen conform de regels van het vigerende bestemmingsplan.

Regel   Inrichtingsplan/wijzigingsplan  
Artikel 19 lid 7 onder 6 Wijziging bouwvlak  
Lid a   De oppervlakte van het bouwvlak mag niet worden vergroot;   Het oppervlak van het bouwvlak is in de huidige situatie 315 m2 groot. In de voorgestelde verbeelding is een bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van 300 m2. Deze oppervlakte is gelijk aan de huidige situatie, waardoor wordt voldaan aan dit lid.  
Lid b   De vormverandering / verschuiving is stedenbouwkundig aanvaardbaar;   De verandering van het bouwvlak beperkt zich tot het aan de dijkzijde rechttrekken en aan de zijde van het wiel een stukje verwijderen. Zie figuur 3.1 voor de voorgenomen wijziging van het bouwvlak.
De voorgenomen wijziging leidt niet tot gewijzigde plaatsing van de nieuwe woning op het kavel. De woning en bijgebouw worden ongewijzigd parallel aan de dijk gesitueerd. Aan deze situatie veranderd niets. Daarbij blijven zowel de oost- als westbegrenzing van het bouwvlak gelijk.

Stedenbouwkundig is de vormverandering van het bouwvlak aanvaardbaar en inpasbaar in de omgeving..  
Lid c   Het nieuwe bouwvlak wordt opgenomen op de verbeelding;   Onderdeel van dit wijzigingsplan is het opstellen van een verbeelding van het plangebied. In de verbeelding is het nieuwe bouwvlak opgenomen.  
Lid d   De wijzing mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiend uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;   Zie paragraaf 5.6 Bedrijven en milieuhinder.  
Lid e   Voor de vormverandering / verschuiving geldt dat het woon- en leefklimaat van omliggende functies niet onevenredig mag worden aangetast.   Zie hoofdstuk 5 Sectorale aspecten.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0006.jpg"

Figuur 3.1:Vormverandering bouwvlak

Conclusie

Het beoogde plan voldoet aan voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid uit het vigerende bestemmingsplan.

3.2 Toetsing verlening sloopvergunning

Voor het plangebied is de bouwaanduiding 'karakteristiek' opgenomen voor het gehele perceel. Voor gronden met deze aanduiding geldt dat ter plaatse van de aanduiding, de bestemming mede is gericht op het behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden van de op het perceel voorkomende monumentale en/of cultuurhistorische waardevolle gebouwen. Dit betreft in ieder geval het hoofdgebouw en eventueel één of meerdere bijgebouwen.

Het voornemen voorziet in de sloop van de bestaande, karakteristieke bebouwing. Voor het slopen van een gebouw ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek', niet zijnde een gemeentelijk of rijksmonument dient een sloopvergunning aangevraagd te worden bij het college van burgemeester en wethouders. Voor het verlenen van deze vergunning dient een belangenafweging plaats te vinden, waaruit blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waarden waarop deze aanduiding is gericht. Hiervoor wordt onder andere een onafhankelijke deskundige geraadpleegd.

In het bestemmingsplan is een schema met toetsingscriteria opgenomen.

Tabel 3.1: Schema sloopvergunning

Sloopvergunningplichtige werken/werkzaamheden     Criteria voor verlening van de sloopvergunning    
het geheel of gedeeltelijk slopen van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'karakteristiek'
   
1. aangetoond wordt dat het slopen geen blijvende onomkeerbare verstoring van de cultuurhistorische structuur tot gevolg zal hebben. 

Sloop van gebouwen kan worden toegestaan in de volgende gevallen: 
1. de karakteristieke hoofdvorm is niet langer aanwezig en kan niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het pand worden hersteld;
2. de karakteristieke hoofdvorm is niet te handhaven;
3. het betreft delen van een pand of bijgebouwen, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan vindt geen onevenredige aantasting plaats van de karakteristieke hoofdvorm.
4. indien uit bouwkundig onderzoek is gebleken dat het object in een dusdanige staat verkeert dat herstel geen reële optie is; in dat geval geldt niet dat aangetoond dient te worden dat het slopen geen blijvende onomkeerbare verstoring van de cultuurhistorische structuur tot gevolg zal hebben. 
   

Onderzoek

In onderhavig geval is in opdracht van de eigenaar een bouwkundige onderzoek uitgevoerd, dat zich heeft gericht op de aspecten: bouwtechnisch, constructietechnisch / funderingstechnisch en energiebesparing .

Geconcludeerd wordt dat de te maken kosten voor de renovatie van de woning niet in verhouding staan tot de verkregen verbetering. Daarbij is er tevens de vraag of er wel een watervergunning verleend zal worden voor de benodigde werkzaamheden aan de woning. Het adviesrapport (exclusief bijlagen) is als bijlage 1 bijgevoegd.

Sloopvergunning

Het onderzoek is voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leerdam. Op basis van het onderzoek heeft het college in de vergadering van 15 december 2015 besloten om een sloopvergunning af te geven voor de woning Lingedijk 39 te Kedichem. Het collegebesluit is als bijlage 2 bijgevoegd.

Hoofdstuk 4 Ruimtelijk beleidskader

Het voornemen betreft de herbouw van een woning binnen de bestemming 'Wonen' waarbij het bouwvlak slecht zeer beperkt wordt overschreden. Het hier opgestelde wijzigingsplan in combinatie met het voornemen is daardoor van dergelijk kleinschalige aard dat toetsing aan het ruimtelijk beleidskader niet aan de orde is. Het voornemen is passend binnen de verschillende beleidskaders. Gezien het belang van toetsing aan de Ladder van duurzame verstedelijking is deze toetsing wel opgenomen.

4.1 Ladder van duurzame verstedelijking

Belangrijk uitgangspunt van het Bro is de toepassing van de zogenaamde 'duurzaamheidsladder' (artikel 3.1.6. van het Bro). Via de duurzaamheidsladder stimuleert het Rijk de herstructurering van bestaand stedelijk gebied om de ontwikkeling van nieuwe terreinen te verminderen. Dit draagt bij aan economische dynamiek, zorgvuldig gebruik van ruimte en infrastructuur en behoud van de leefbaarheid van het stedelijk en landelijk gebied. De Rijks ladder voor duurzame verstedelijking maakt ook onderdeel uit van het provinciaal beleid en is opgenomen in artikel 2.1.1 van de Verordening Ruimte 2014.

Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  • b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  • c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    • 1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    • 2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, en
    • 3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.

Lid 2 Bestaand stads- en dorpsgebied

Onder bestaand stads- en dorpsgebied als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Lid 3 Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau

Gedeputeerde Staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid, kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie als motivering of gedeeltelijke motivering dat de stedelijke ontwikkeling voldoet aan het eerste lid.

Toetsing van de ontwikkeling aan de duurzaamheidsladder

De locatie valt onder de provinciale definitie van bestaand stedelijk gebied. Op het plangebied is reeds een woning aanwezig. Deze zal worden gesloopt, waarna een nieuwe woning zal worden gerealiseerd. In dit geval is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het bestemmingsplan maakt reeds een woning mogelijk op deze locatie. Er is ook geen sprake van een functiewijziging. Gelet hierop is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling volgens de provinciale verordening. Toetsing aan de provinciale ladder is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5 Sectorale aspecten

5.1 Milieueffectrapportage

beleid en normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de onderstaande paragrafen zijn opgenomen. Voor dit plan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

5.2 Verkeer en parkeren

Verkeer

Het voornemen betreft de sloop en herbouw van één woning aan de Lingedijk 39 te Kedichem. Als gevolg van het voornemen zal de wegenstructuur en verkeersgeneratie niet wijzigen. Het voornemen heeft dan ook geen invloed op de verkeersstructuur.

Parkeren

Gelijk aan de verkeersgeneratie zal de parkeerdruk ter plaatse van het plangebied niet wijzigen. Wel voorziet het plan in de realisatie van 2 opstelplaatsen voor auto's (zie paragraaf 2.2). Hierdoor zal de parkeersituatie, zowel voor bewoners als bezoekers, verbeteren.

Conclusie

Het voornemen heeft geen invloed op de verkeersstructuur aan de Lingedijk. Ten aanzien van parkeren zal de situatie verbeteren.

5.3 Geluid

In onderhavig plan wordt de bestaande woning gesloopt en wordt op hetzelfde perceel een nieuwe woning gebouwd. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder nieuwe geluidsgevoelige functies waarvoor akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van gezoneerde (spoor)wegen. De situatie is gelegen binnen de geluidszone van de Lingedijk. Akoestisch onderzoek is dan ook noodzakelijk.

Toetsingskader

Normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven- bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. De geluidhinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Nieuwe situaties

Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximale ontheffingswaarde niet te boven gaan. Voor de beoogde buitenstedelijke ontwikkeling geldt een maximale ontheffingswaarde van 53 dB.

Krachtens artikel 110g van de Wet geluidhinder mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Van deze aftrek, conform artikel 3.4 uit het Reken– en Meetvoorschrift 2012, is gebruik gemaakt.

Onderzoek

Rekenmethodiek en invoergegevens

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode I (SRM I) conform het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 3.

Verkeersgegevens

De verkeersgegevens van de Lingedijk zijn aangeleverd door de gemeente Leerdam. De verkeersintensiteit betreft een prognose van het jaar 2030. In tabel 5.1 zijn alle verkeersgegevens weergegeven.

Tabel 5.1 Verkeersgegevens (intensiteiten in mvt/etmaal, afgerond op 50-tallen)

  Intensiteit 2030   Snelheidsregime   Wegdekverharding  
Lingedijk   550   60 km/h   Dicht asfaltbeton  

Op grond van het bouwplan is de afstand van de wegas tot de woning bepaald. Deze afstand bedraagt 7,5 m. Aangezien de weg op een dijk ligt, is voor de weg uitgegaan van een hoogte van 2,9 m.

Resultaten 

In tabel 5.2 is de geluidsbelasting ter plaatse van de gevel weergegeven ten gevolge van het verkeer op de Lingedijk. Er is gerekend op de waarneemhoogtes 1,5 m, 4,5 m en 7,5 m.

Tabel 5.2 Geluidsbelasting op de gevel ten gevolge van het verkeer op de Lingdijk

  1,5 m   4,5 m   7,5 m  
Lingedijk   52 dB   52 dB   52 dB  

Op basis van de geluidsberekening blijkt dat ten gevolge van het verkeer op de Lingedijk de geluidsbelasting 52 dB bedraagt. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, maar de maximale ontheffingswaarde van 53 dB niet.

Maatregelen

Ten gevolge van het verkeer op de Lingedijk wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidsbelasting kan worden gereduceerd door maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied.

Er is een aantal maatregelen aan de bron denkbaar. De eerste mogelijkheid zou het beperken van de verkeersomvang, het wijzigen van de snelheid of van de samenstelling van het verkeer kunnen zijn. De Lingedijk is gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 60 km/h. Erftoegangswegen behoren tot de laagste wegcategorie; verdere afwaardering van de weg is dan ook niet mogelijk. Er zijn derhalve overwegende bezwaren van verkeers- en vervoerskundige aard. Een andere maatregel aan de bron is het toepassen van een ander wegdektype. Het toepassen van een geluidsreducerende wegdekverharding stuit op bezwaren van financiële aard, vanwege de relatief hoge kosten in vergelijking met het bouwplan van één woning.

Bij maatregelen tussen de bron en de waarnemer (in de overdracht) gaat het om de realisering van geluidswallen of geluidsschermen. Deze maatregel is echter stedenbouwkundig niet inpasbaar en stuit zodoende op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en landschappelijke aard. Tevens zijn aan dit type maatregelen hoge kosten verbonden, wat leidt tot overwegende financiële bezwaren. Eveneens is het vergroten van de afstand tussen de weg en de rand van het bouwvlak geen mogelijkheid, omdat het bouwplan dan niet inpasbaar is. De afstand tussen de weg en de rand van het bouwvlak vergroten stuit dan ook op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard.

Geconcludeerd kan worden dat redelijkerwijs geen maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting te reduceren of dat maatregelen daartoe op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige, vervoerskundige of financiële aard stuiten.

Conclusie

Uit de berekeningen blijkt dat ten gevolge van de Lingedijk de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op de gevel van de nieuwe woning wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt echter niet overschreden. Maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren zijn niet mogelijk, gewenst en/of doelmatig. Er dient dan ook een besluit hogere waarde te worden vastgesteld. Een en ander is vastgelegd in tabel 5.3.

Tabel 5.3 Ontheffingswaarden

Ontwikkeling   Geluidbelasting   Aantal woningen   Geluidsbron  
Lingedijk 39   52 dB   1   Lingedijk  

De verleende hogere waarden zullen in het kadaster worden vastgelegd.

5.4 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer heeft het waterschap Rivierenland geïnformeerd door gebruik te maken van de Digitale Watertoets. Deze is uitgevoerd op 1 maart 2016. Daaruit kwamen geen aandachtspunten naar voren die aanleiding geven tot nader overleg met het waterschap. Initiatiefnemer heeft in het kader van het concept ontwerp bouwplan overleg gevoerd met het waterschap. Uit dit overleg zijn geen bezwaren tegen het voornemen gekomen.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal

  • Provinciaal Milieu en Waterplan 2016-2021

Waterschapsbeleid

Met het Waterbeheerplan 2016-2021 'Koers houden, kansen benutten' blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Hiermee trekt het Waterschap Rivierenland de lijn door van het vorige waterbeheerplan. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met veranderingen en benutten zij de kansen die zich voordoen in de regio. Om inhoudelijke ambities te bereiken ligt het accent in de periode 2016-2021 onder meer op:

  • Gebiedsgericht werken;
  • Waterbewustzijn ;
  • Innovatie.

Het waterbeheerprogramma is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren. De doelen en maatregelen in het waterbeheerprogramma zijn opgesteld samen met provincies, gemeenten en andere partijen. Het waterschap houdt rekening met provinciale functies en werkt mee aan het realiseren van provinciale doelen.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied is gelegen in Kedichem langs de Linge. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem van het plangebied uit klei op fijn zand. In het plangebied is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,20 meter onder het maaiveld ligt en de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen de 0,4 m en 0,8 m onder het maaiveld ligt.

Ten noorden van het plangebied is oppervlaktewater aanwezig (het Oude Wiel), vallend onder categorie C. Ten zuiden van het plangebied loopt de rivier de Linge, vallend onder categorie A. Langs de Linge is ook een regionale en primaire waterkering aanwezig. De regionale waterkering heeft volgens de legger geen beschermingszone. In de concept Legger 2015-2016 is daarentegen wel een beschermingszone van de primaire waterkering te zien. Het plangebied valt buiten de beschermingszone van deze kering. Het plangebied is daarnaast aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel.

Toekomstige situatie

De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop en nieuwbouw van een woning met schuur. De hoeveelheid verharding zal door de sloop en nieuwbouw niet toenemen. Aangezien er geen sprake is van toename in verharding zijn watercompenserende maatregelen dan ook niet noodzakelijk.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

5.5 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek en conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in een functiewijziging. De bestemming wonen blijft gehandhaafd. Omdat de bestemming niet wijzigt, is bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk. Gezien het bestaande gebruik (als woning) is niet te verwachten dat hier onoverkomelijke knelpunten uit naar voren komen. Wel is in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning bouw een bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de vooraf gestelde hypothese, de onderzoekslocatie kan als "onverdacht" worden beschouwd, op basis van de aangetroffen lichte verontreinigingen, dient te worden verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de nieuwbouw. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar het rapport, opgenomen als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan.

5.6 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa:

  • een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen.

Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt.

Onderzoek en Conclusie

Het plangebied en omgeving kan getypeerd worden als een 'rustige woonwijk' omdat, afgezien van een zeilmakerij en hotel, er geen andere functies voorkomen. Het hotel is gelegen op circa 12 m ten westen van het plangebied. Conform de VNG publicatie 'bedrijven en milieuzonering' geldt voor een hotel een richtafstand van 10 m. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Ten oosten van het plangebied ligt op ca. 60m afstand de zeilmakerij. In de VNG publicatie komt dit type bedrijf niet voor. Wel komen soortgelijke bedrijven in de VNG publicatie voor, waaronder 'vervaardiging van textielwaren', 'vervaardiging van gebreide en gehaakte stoffen en artikelen ' en 'vervaardiging van kleding en –toebehoren'. Voor deze type bedrijven geldt een richtafstand van 50 m. Aan deze richtafstand wordt wederom voldaan. Ten aanzien van beide bedrijven, zowel de zeilmakerij als het hotel is geconstateerd dat deze functies momenteel niet meer aanwezig zijn en dat er plannen bestaan om deze panden en gronden gewijzigd te gaan gebruiken.

Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu en dat er in de omgeving geen bedrijven aanwezig zijn die door de woningbouwontwikkeling in de bedrijfsvoering worden beperkt.

5.7 Externe veiligheid

Beleid

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicorelevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het inwerking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. 

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.  In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het plaatsgebonden risico en de hoogte van het groepsrisico als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Uitgangspunt voor het externe veiligheidsbeleid is dat altijd eerst brongerichte maatregelen worden onderzocht en daarna pas maatregelen in het kader van omgevingsgericht beleid en rampenbestrijding, voor zover nodig.

Onderzoek en conclusie

Conform de risicokaart blijkt dat er in de direct omgeving geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Op ca. 520m afstand ten oosten van het plangebied loopt een gasleiding. Het invloedsgebied van deze leiding bedraagt 490 m. Het projectgebied ligt niet binnen dit invloedsgebied. Ten zuiden van het plangebied loopt op ca. 2,1 km afstand een spoorlijn (route 202) van Kijfhoek naar Meteren waarover gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het invloedsgebied van deze spoorlijn bedraagt meer dan 4000 m. Het plangebied valt binnen dit invloedsgebied. Desalniettemin zorgt de beoogde ontwikkeling (sloop en bouw van één woning en schuur op dezelfde kavel) niet voor een toename van het aantal personen in het plangebied. Daarmee heeft de ontwikkeling geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Tot slot vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg of het water. Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied.

5.8 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Wet milieubeheer

Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal woningen niet toe. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat voldaan wordt aan de normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.1.

Het maximale gehalte stikstofdioxide in het jaar 2015 bedraagt 18,6 µg/m³, voor fijn stof PM10 bedraagt dit maximaal 22,1 µg/m³, en voor fijn stof PM2,5 maximaal 14,1 µg/m³. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24-uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 10 dagen. In afbeelding 4.1 zijn de rekenpunten voor het plangebied in 2015 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0007.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0008.png"

Figuur 4.1.: Luchtkwaliteit plangebied 2015 o.b.v. NSL-monitoringstool.

Direct langs deze weg wordt aan de grenswaarden voldaan, dit zal ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

5.9 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Normstelling

Provinciale Verordening

Het rijksbeleid ten aanzien van de bescherming van soorten (flora en fauna) en de bescherming van de leefgebieden van soorten (habitats) is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De uitwerking van dit nationale belang ligt bij de provincies. De bescherming van gebieden die deel uitmaken van de EHS, alsmede de bescherming van belangrijke weidevogelgebieden, is geregeld via de provinciale Verordening Ruimte. Wanneer er ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden plaatsvinden die onderdeel zijn van de EHS of in belangrijke weidevogelgebieden, geldt het nee, tenzij-principe. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet compensatie plaatsvinden, wanneer er effecten optreden.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Ffw niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken. Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang;
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.

Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van Economische Zaken de volgende interpretatie van artikel 11:

De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt. Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen, te weten:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen.

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruikmaken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd.

  • 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. De soorten uit categorie 5 vragen soms wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EZ (voormalig Ministerie van EL&I/LNV) aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de Minister van EZ). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Hetzelfde geldt voor de ecologische doelen van de beschermde natuurmonumenten (b), voor zover deze gebieden niet overlappen met Natura 2000.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied is onderdeel van het dorp Kedichem en ligt langs de Lingedijk. Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur PM). Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Wel ligt aan de andere kant van de Lingedijk (op ca. 8 m afstand) een Natura 2000 zone genaamd Lingegebied & Diefdijk-Zuid, bestaande uit de oeverlanden van de Linge. Dit gebied maakt tevens deel uit van de EHS.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0009.jpg"

Figuur 4.2 Ligging plangebied (rode cirkel) t.o.v. Natura 2000 gebieden en EHS (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een quick scan flora- en fauna uitgevoerd. Voor vaststelling van het plan zal dit onderzoek opgenomen worden in bijlage 5 van de toelichting en de resultaten ervan verwerkt worden in deze paragraaf.

Uit de quick scan blijkt dat het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten is uitgesloten. De bebouwing bezit geen gaten waarin vleermuizen zich zouden kunnen ophouden. Wel vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na de realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen. Effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Voor overige matig of zwaar beschermde soort(groep)en, inclusief vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen, is het gebied verder volledig ongeschikt. In verband met het voorkomen van algemene broedvogels is het van belang om te starten met de uitvoering van de sloop- en nieuwbouw in het plangebied buiten het broedseizoen (maart t/m half juli) of op een manier dat vogels niet tot broeden komen (zoals het verwijderen van beplanting voor het broedseizoen). Er kunnen daarnaast algemene licht beschermde zoogdieren en amfibieën voorkomen. Voor deze algemene soorten bestaat echter een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Het aspect ecologie vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

5.10 Archeologie

Beleidskader

Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Zuid-Holland blijft hierbij bestemmingsplannen (en ontheffingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Leerdam heeft een eigen archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en rapport voor haar grondgebied laten op stellen. Op figuur 4.3 is een uitsnede van deze kaart te zien. Het plangebied bevindt zich in een zone ‘hoge verwachting’.

Het beleid van de rijksoverheid (Wet op archeologische monumentenzorg) is gericht op behoud van het archeologisch erfgoed. Door het verdrag van Malta (Europees verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed) is het beleid steeds meer gericht op het tijdig betrekken van archeologische belangen bij het ruimtelijk ordeningsbeleid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0545.WPKDMLingedijk39-VS01_0010.jpg"

Figuur 4.3 Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Leerdam (plangebied globaal omcirkeld)

Onderzoek

Op basis van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Leerdam kan worden geconcludeerd dat er in het plangebied sprake is van een zone met een hoge verwachting. Voor werkzaamheden die meer dan 250 m2 betreffen en dieper dan 30 centimeter gaan geldt een plicht om archeologisch onderzoek te doen. De werkzaamheden die door het bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden betreffen een oppervlakte kleiner dan 250 m2. Daarbij vinden ook geen graafwerkzaamheden plaats. Initiatiefnemer dient zich te houden aan het leggerprofiel van de dijk, waardoor de fundering niet onder het huidige maaiveld komt te liggen. Onderzoek is dus niet noodzakelijk.

Conclusie

Ondanks de hoge archeologische verwachtingswaarde in het plangebied staan de archeologische en cultuurhistorische waarden de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.11 Kabels en leidingen

Afwegingskader

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • 1. gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • 2. aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • 3. defensiebrandstoffen;
  • 4. warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.

Onderzoek en conclusie

In en nabij het projectgebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen. Hiervoor zal dan ook een Klic-melding gedaan worden.

Hoofdstuk 6 Juridische planbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft de juridische regeling van het plangebied zoals deze luidt nadat het wijzigingsplan in werking is getreden.

6.1 Planregels

Dit wijzigingsplan maakt na vaststelling onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening'. Dit betekent dat alle algemene bepalingen en bestemmingen die op het bestemmingsplan van toepassing zijn (zoals bijvoorbeeld de begrippen, de wijze van meten, de algemene regels en de overgangsbepalingen) ook voor het voorliggende plan gelden. Voor de uitleg van deze planregels wordt dan ook verwezen naar het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening'.

In dit wijzigingsplan is één enkelbestemming opgenomen: de bestemmingen 'Wonen'. De bestemming 'Wonen' is opgenomen conform de regels van het moederplan. Hierin is niets gewijzigd.

In de regels zijn twee dubbelbestemmingen opgenomen: de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' en de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze beide bestemmingen zijn opgenomen conform de regels van het moederplan. Hierin is niets gewijzigd.

In de regels wordt verwezen naar de betreffende artikelen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening'

6.2 Verbeelding

De verbeelding is opgesteld conform het bestemmingsplan 'Buitengebied Leerdam, 1e herziening'. Voor het plangebied is de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Voor het plangebied geldt tevens de gebiedsaanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied concentratie fruitteelt '. Het bouwvlak is zoals in dit wijzigingsplan (zie paragraaf 3.1, figuur 3.1) gewijzigd opgenomen. Voor de bebouwing is de aanduiding maatvoering 'maximum goothoogte (m)' is 6 m opgenomen.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

De ontwikkeling van voorliggend plan betreft een particulier initiatief op gronden die in particulier eigendom zijn. De kosten die verband houden met deze wijziging, alsmede met de uitvoering ervan en planschade zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor wordt een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten. Voor de planontwikkeling wordt geen exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 lid 1 Wro vastgesteld. De kosten voor het opstellen van het wijzigingsplan zijn voor rekening van de particuliere initiatiefnemer. Er bestaan verder geen redenen om aan te nemen dat het wijzigingsplan economisch niet uitvoerbaarheid is.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het plan wordt op de in de gemeente Leerdam gebruikelijke manier in procedure gebracht.