direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oostvlietpolder 2016
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0546.BP00110-0201

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Leiden streeft voor het gehele gemeentelijke grondgebied naar actuele bestemmingsplannen. Het doel van de nieuwe digitale bestemmingsplannen is om een adequate, up-to-date juridische regeling voor de stad te garanderen.

Voor de Oostvlietpolder is in 2004 het bestemmingsplan Oostvlietpolder vastgesteld, waarmee onder meer de ontwikkeling van een bedrijventerrein middels een uitwerkingsplicht mogelijk werd gemaakt. De gemeenteraad heeft enige tijd geleden besloten om de betreffende gronden van een groenbestemming te voorzien. De bestemmingsplanherziening hiervoor is vastgesteld op 13 februari 2014 en is onherroepelijk.

Voor de overige delen uit het bestemmingsplan Oostvlietpolder (2004) die niet behoren tot de recente bestemmingsplanherziening, dient een geactualiseerd bestemmingsplan vastgesteld te worden. Hiervoor wordt dit bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 opgesteld.

Voorliggend bestemmingsplan is primair conserverend van aard. In de periode tussen het vaststellen van het bestemmingsplan Oostvlietpolder uit 2004 en de huidige situatie hebben er wel een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden, zowel fysiek als beleidsmatig, die (waar mogelijk) verwerkt zijn in dit bestemmingsplan.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied beslaat de contour van het vigerende bestemmingsplan Oostvlietpolder uit 2004, minus de plangebieden van bestemmingsplan Oostvlietpolder (vastgesteld 13 februari 2014) en het inpassingsplan en tracébesluit Rijnlandroute (vastgesteld 10 december 2014).

Ten aanzien van voornoemde gronden die niet tot het nieuwe bestemmingsplan behoren, gelden de volgende overwegingen:

  • Het bestemmingsplan Oostvlietpolder uit 2014 voorzag in het herbestemmen van de gronden naar een groenbestemming waar voorheen een bedrijventerrein gepland was, waardoor deze plandelen reeds zijn geactualiseerd;
  • Het inpassingsplan Rijnlandroute betreft een provinciaal plan dat voorziet in de aanleg van de Rijnlandroute, verbreding van de Europaweg en watercompensatie die nodig is om deze wegen aan te leggen. Voor deze gronden mag de gemeente Leiden wettelijk gezien geen bestemmingsplan vaststellen;
  • Voor het tracébesluit Rijnlandroute (A4) geldt dat na het onherroepelijk worden ervan, het bestemmingsplan hiermee in overeenstemming moet worden gebracht. Deze slag zal buiten onderhavige bestemmingsplanprocedure plaatsvinden.

Globaal bezien beslaat het plangebied van het nieuwe bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 uit de hieronder aangegeven rode contour.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0001.png"

Figuur 1.1: globale weergave plangebied Oostvlietpolder 2016

1.3 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied, zoals aangegeven en toegelicht in paragraaf 1.2, geldt op dit moment het bestemmingsplan Oostvlietpolder, vastgesteld op 20 januari 2004. De rechtsgang van dit bestemmingsplan was complex en heeft gevolgen voor het bepalen van de uiterste datum waarop er geactualiseerd moet zijn.

  • Op 20 april 2005 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het bestemmingsplan Oostvlietpolder (200406399/1). Het bestemmingsplan is toen gedeeltelijk vernietigd en gedeeltelijk onherroepelijk geworden. De bestemmingen Woondoeleinden I en II aan de Vlietweg, Agrarische doeleinden, Nutsdoeleinden, Natuur en twee stroken met een recreatieve bestemming zijn toen onherroepelijk geworden. Dit betekent dat voor deze percelen er een actualisatieplicht bestaat per 20 april 2015. Deze plandelen uit het bestemmingsplan Oostvlietpolder worden geactualiseerd in dit nieuwe bestemmingsplan.
  • Op 19 december 2006 hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een herstelbesluit genomen tot goedkeuring van het bestemmingsplan. Op 19 november 2008 heeft de Afdeling het bestemmingsplan grotendeels goedkeurd. Voor deze plandelen (die nu eveneens worden geactualiseerd), geldt een uiterste actualisatiedatum van 19 november 2018.

Uitzondering op het bovenstaande is het plandeel met de bestemming Uit te werken bedrijvenpark. Hiervoor is op 13 februari 2014 een nieuw bestemmingsplan vastgesteld, waardoor reeds aan de actualisatieplicht is voldaan.

Hoofdstuk 2 Beschrijving van het bestemmingsplan

2.1 Beschrijving van het plangebied

2.1.1 Ligging in groter verband

De Oostvlietpolder ligt op de overgang van de Randstad naar het Groene Hart en tevens op de overgang van verschillende landschapstypen. Het gebied maakt deel uit van de Vlietzone die als een groene, recreatieve zone langs de Haagse en Leidse agglomeratie loopt, ingeklemd tussen de Vliet en de A4. De Oostvlietpolder vormt binnen deze Vlietzone een relatief goed bewaard gebleven polderlandschap dat niet door verstedelijking, zandwinning of bebossing is getransformeerd in een geheel ander landschapstype.

De polder grenst aan landschappelijk en ecologisch waardevolle veenweidegebieden in het Groene Hart en vormt de verbinding tussen twee grote groene gebieden in de Vlietrandzone die voor openluchtrecreatie zijn ingericht: Vlietland en polderpark Cronesteyn. Anderzijds ligt de polder nabij het stedelijk gebied. De polder maakt deel uit van de oostflank van Leiden en de A4-corridor. Daarin bevindt zich een stedelijke knoop tussen Roomburg en Leiderdorp, terwijl de overige gebieden een overwegend groen karakter hebben. De Oostvlietpolder grenst aan het stedelijk gebied van Leiden en sinds de bebouwing van de Krimwijk ook aan dat van Voorschoten.

2.1.2 Groen- en waterstructuur

De belangrijkste structurerende groen- en waterelementen in het plangebied zijn de doorgaande groen/blauwe lijnen van de Vliet en de slagenverdeling van sloten en grasland die het polderlandschap van de Vlietpolder zo kenmerkt.

De Vliet is onderdeel van het Rijn-Schiekanaal, dat de verbinding vormt tussen de Oude Rijn nabij Leiden en Overschie. Het is een belangrijke recreatieve vaarroute. De Vliet vormt de begrenzing van de polder.

Bovendien is de dwars door het gebied lopende ecologische verbindingszone een belangrijk groenelement. Deze ecologische zone die oost-west door het plangebied loopt zal verder worden ontwikkeld en het oosten van het plangebied verbinden met het weidevogelgebied in het westen van het plangebied.

2.1.3 Bebouwingstructuur

De Vlietweg is het oorspronkelijke bebouwingslint vanuit waar de polder is ontgonnen. Het bebouwingslint bestaat uit losstaande en 2-onder-1-kapwoningen en voormalige agrarische gebouwen van boerderijen en landarbeidershuisjes. Op sommige plekken zijn er doorsteekjes met watergangen en landwegen die van de Vlietweg zicht op het open polderlandschap geven. Restanten van het voormalige agrarische gebruik zijn enkele boerderijen die deels nog agrarisch in gebruik zijn en deels niet. De bebouwing bestaat voor het overgrote deel uit boerderijen, woningen en bedrijfsgebouwen.

Langs de Vrouwenweg is nog een strook seriematige woningen zonder kap aanwezig. Op de hoek van Vrouwenweg en de Kruisherenweg staat een bijzonder gebouw: het in 1926 gebouwde kruisherenklooster het Huize Weipoort.

2.1.4 Verkeerstructuur

Het plangebied wordt ontsloten via de Europaweg (N206) en de Vlietweg. De Vlietweg ontsluit het gebied voor het autoverkeer van bewoners en bezoekers. Op de grens met Leidschendam gaat de weg over in een fietspad. Op regionaal niveau functioneert de Vlietweg als een van de voornaamste doorgaande kwalitatief hoogwaardige recreatieve fietsverbindingen. Ter hoogte van de Oostvlietpolder biedt de Vlietweg fietsers, hardlopers en wandelaars, een steeds unieker wordend uitzicht op het polderlandschap.

Aan de zuidzijde van het plangebied ligt nog de Hofvlietweg. Deze weg dient met name ter ontsluiting van het recreatiegebied Vlietland (gelegen ten westen van het plangebied) en daarnaast voor de ontsluiting van de onbebouwde percelen in het zuidelijk deel van het plangebied. De Hofvlietweg is bereikbaar vanaf de aansluiting Europaweg-A4.

De Vrouwenweg ontsluit de woonbebouwing aan de oostzijde van het plangebied (studentenhuisvesting in het voormalige klooster en aaneengesloten grondgebonden woningen).

De Vrouwenweg is nabij de Vlietweg verbonden met de Europaweg. De Europaweg (N 206) is een regionale verbinding en tevens een belangrijke toegangsweg naar Leiden vanaf de rijksweg A4, die langs de zuidzijde van het plangebied loopt.

2.1.5 Landschapsbeeld

Het plangebied maakt onderdeel uit van het slagenlandschap dat aan de westzijde wordt begrensd door de Vliet en zich in oostelijke richting uitstrekt tot ver in het Groene Hart. Kenmerkend voor dit typisch Hollandse slagenlandschap is het graslandkarakter, de daarmee samenhangende openheid en het patroon van smalle, evenwijdige kavels, gescheiden door sloten. Ook de Vlietweg, als bebouwde en dichtbeplante ontginningsbasis, is karakteristiek voor dit landschapstype.

De landschappelijke kenmerken zijn in het plangebied nog herkenbaar. De hoge beplanting van Vlietland en langs de A4 en de volkstuinen en recreatieverblijven in het midden van het plangebied, verkleinen de openheid van het gebied.

2.1.6 Functionele structuur
2.1.6.1 Agrarisch grondgebruik

In de Oostvlietpolder zijn een aantal gronden aanwezig die gebruikt worden voor agrarische doeleinden, zoals het houden van vee en glastuinbouw. Tevens bevindt zich een grondgebonden melkveehouderij in het plangebied en worden er in het gebied hobbymatige agrarische activiteiten uitgeoefend.

2.1.6.2 Volkstuinen & recreatiepark

Andere grote ruimtegebruikers in het gebied zijn de volkstuincomplexen van de volkstuinverenigingen OTV, Oostvliet en Roomburg. Naast het volkstuinencomplex ligt het recreatiepark Vlietpark. Dit park bestaat uit circa 75 recreatieverblijven.

2.1.6.3 Wonen

Langs de Vlietweg zijn een groot aantal burgerwoningen aanwezig. In een sloot tussen Vlietweg 24 en 26 liggen tevens een drietal woonboten. Langs de Vrouwenweg staat een rij woningen uit begin twintigste eeuw en het voormalige klooster huize Weipoort dat nu in gebruik is voor studentenhuisvesting.

2.1.6.4 Horeca

Aan de Vlietweg 2 is het café-restaurant Cronesteyn gelegen. Daarnaast is er op een aantal percelen ondergeschikte horeca-activiteiten toegestaan.

2.1.6.5 Bedrijven en nutsvoorzieningen

Aan de Vlietweg worden bij een aantal woningen aan-huis-gebonden beroeps-/ bedrijfsactiviteiten uitgeoefend.

In het midden van het plangebied is een gasdrukregel- en meetstation aanwezig. Er loopt een hoofdaardgastransportleiding vanuit Vlietland door de Hofpolder naar dit gasdrukregel- en meetstation. Vanaf het station loopt de leiding in een boog naar de Hofvlietweg en vervolgens parallel aan die weg naar de Europaweg en Klein Cronesteyn om vervolgens af te buigen naar de Grote Polder.

2.2 Actualisatie

Binnen de gemeente Leiden worden globaal twee typen bestemmingsplannen onderscheiden: actualisatieplannen en ontwikkelingsplannen.

Actualisatieplannen worden veelal opgesteld voor een groter plangebied, bijvoorbeeld een wijk of stadsdeel. Het doel van een actualisatieplan is vooral het conserveren van de bestaande situatie. Hiertoe wordt de bestaande situatie in een actueel juridisch kader gegoten.

Bij een actualisatieplan wordt met een up-to-date juridisch raamwerk de bestaande situatie zo goed mogelijk vastgelegd. Hiermee wordt voor belanghebbenden een helder beeld gegeven wat planologisch wel en niet is toegestaan.

Dit bestemmingsplan actualiseert een gedeelte van het bestemmingsplan Oostvlietpolder uit 2004. Het bestemmingsplan heeft zoals aangegeven een conserverend karakter waarin een aantal relevante thema's zijn uitgewerkt. Tevens zijn de wijzigingsbevoegdheden en de uit te werken bestemmingen uit het vigerende bestemmingsplan onder de loep genomen en is bekeken hoe hier in het nieuwe bestemmingsplan mee om moet worden gegaan. Deze thema's worden in paragraaf 2.3 besproken.

2.3 Relevante thema's

Zoals beschreven in paragraaf 2.2 betreft voorliggend bestemmingsplan een actualisatieplan. Het doel van het bestemmingsplan is het plangebied te voorzien van een actuele bestemminglegging die aansluit bij de bestaande situatie en bij de actuele bestuurlijke visie op het gebied. Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan spelen een aantal relevante thema's, deze worden hiernavolgend besproken.

2.3.1 Weidevogelgebied

Voor het Weidevogelgebied in de Oostvlietpolder wordt een beschermende Natuurbestemming opgenomen. De gemeentelijke gronden binnen het Weidevogelgebied die thans binnen de bestemming Woondoeleinden zijn gelegen, worden omgezet in de bestemming Natuur, om zo dienstig te zijn aan de ontwikkeling van het Weidevogelgebied. Voor het gebied gelden specifieke landschaps- en natuurwaarden, die op grond van de planregels worden beschermd. Voor de aangrenzende woonpercelen Vlietweg 68a tot en met Vlietweg 80 kunnen de bestaande bouwrechten conserverend worden bestemd. Wel kunnen er nadere eisen worden gesteld aan de situering van bebouwing in relatie tot de doorzichten op het Weidevogelgebied.

2.3.2 Inpassingsplan Rijnlandroute

De provincie Zuid-Holland heeft op 10 december 2014 het inpassingsplan Rijnlandroute vastgesteld. Hierdoor is de gemeente Leiden tot eind 2019 niet bevoegd om een bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden die behoren tot het inpassingsplan. De contouren van het definitieve inpassingsplan zijn daarom uit dit nieuwe bestemmingsplan gehaald. De aansluiting Rijnlandroute met de A4 behoort tot het Tracébesluit A4 (zie paragraaf 2.3.3).

2.3.3 Tracébesluit aansluiting A4 - Rijnlandroute

Voor de aansluiting A4-Rijnlandroute heeft de minister van Infrastructuur en Milieu op 17 december 2014 het tracébesluit A4 genomen. In het tracebesluit A4 van 17 december 2014 is het volgende vastgesteld:

  • Realisatie van nieuw knooppunt Vlietland
  • Verlenging van de huidige parallelbanen van de A4 vanaf de aansluiting Zoeterwoude-Dorp naar het nieuwe knooppunt Vlietland. Iedere parallelbaan heeft twee rijstroken, de bestaande rijbanen met drie rijstroken worden omgebouwd naar twee rijstroken.

Zoals aangegeven in paragraaf 1.2 geldt voor het tracébesluit Rijnlandroute (A4), dat na het onherroepelijk worden ervan, het bestemmingsplan hiermee in overeenstemming moet worden gebracht. Deze slag zal buiten onderhavige bestemmingsplanprocedure plaatsvinden.

2.3.4 Gasleiding

Om realisatie van de Rijnlandroute mogelijk te maken, is het nodig om bij de Rijksweg A4 een aantal aardgastransportleidingen te verleggen. De nieuwe situeringen van de aardgastransportleidingen raken meerdere gemeenten en passen niet binnen de betreffende bestemmingsplannen. Daarom zal voor deze verleggingen aparte omgevingsvergunningen worden aangevraagd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0002.png"

Figuur 1.2. - Gewenste nieuwe ligging gasleidingen in paars

Onderhavig plangebied maakt deel uit van de verlegging van twee aardgastransportleidingen, te weten  A-515 (Ø36”) en de W-535-11 (Ø16”) ten noorden van de Rijksweg A4. Zie voor een visualisatie figuur 1.2, waar ook het nieuwe tracé in paars zichtbaar is.

In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om op dit moment de huidige ligging van de gasleidingen planologisch te handhaven. Op het moment dat er door de Gasunie een aanvraag omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingediend, kan overwogen worden om het bestemmingsplan gewijzigd te laten vaststellen. Concreet gaat het dan om een tweetal kleine correcties van de dubbelbestemmingen Leiding Gas-1 en Leiding Gas-2 ter plaatse van de bestemmingen Natuur en Groen.

2.3.5 Vlietpark

Voor het recreatiepark Vlietpark zijn in het verleden diverse vergunningen verleend. Gelet hierop zal er voor het Vlietpark een specifieke bestemming Recreatie-verblijfsrecreatie worden opgenomen. De bouwmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan worden in beginsel gerespecteerd, met dien verstande dat voor wat betreft de wijze van meten aangesloten is bij de Leidse standaardsystematiek. De maximaal stedenbouwkundig aanvaarbare bouwhoogte voor recreatieverblijven is vastgesteld op 3,5m en van een verenigingsgebouw op 5m. In een verenigingsgebouw worden mogelijkheden geboden voor ondersteunende horeca en detailhandel. De toegestane oppervlakte aan kassen is teruggebracht om het primaire verblijfsrecreatieve karakter te benadrukken.

De vergunde recreatieverblijven met een afwijkende maatvoering zullen via een bijlage bij de regels (als uitzonderingen op de hoofdregeling) positief worden bestemd. Dit geldt ook voor de bestaande recreatieverblijven nabij de oorspronkelijke ecologische zone (zie ook paragraaf 2.3.7). De aanduiding dienstwoning is komen te vervallen, gezien het vervallen van het betreffende gebruik en de aanwezigheid van een Vereniging van Eigenaren. Het betreffende opstal is aangemerkt als regulier recreatieverblijf.

2.3.6 Volkstuinen

Ook voor de volkstuinen geldt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan in beginsel gerespecteerd worden, met dien verstande dat voor wat betreft de wijze van meten aangesloten is bij de Leidse standaardsystematiek en het volkstuinkarakter duidelijker is omschreven. De maximaal stedenbouwkundig aanvaarbare bouwhoogte voor volkstuinhuisjes is vastgesteld op 3,5m en van een verenigingsgebouw op 5m. In een verenigingsgebouw worden mogelijkheden geboden voor ondersteunende horeca en detailhandel.

Uitzondering op het bovenstaande is de thans voor volkstuinen bestemde, maar nog onbebouwde strook grond, die in het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen is aangeduid als 'het centrum van de polder'. De randen van deze strook zijn betrokken in het kader van het project Compensatie Volkstuinenareaal, gebaseerd op het convenant dat tussen de Leidse Bond van Amateurtuinders en de gemeente Leiden is gesloten. Het is in dit kader wenselijk om deze randen (in onderhavig bestemmingsplan aangeduid met de bestemming Recreatie-Volkstuinen 2) te behouden als compensatiemogelijkheid. De rest van deze strook krijgt de bestemming Natuur. Gezien de beleidsmatige insteek tot openheid in dit gebied, zullen de bebouwingsmogelijkheden door middel van maatwerk worden beperkt. Ook zal er in deze randen geen verblijfsrecreatie worden toegestaan.Daarnaast zal in deze randen tevens agrarisch natuur- en landschapsbeheer worden toegestaan conform de huidge situatie. De motivering met betrekking tot de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt in paragraaf 3.2.2 besproken, de verkeerskundige effecten in paragraaf 4.7.2.

2.3.7 Ecologische zone

Dwars door de Oostvlietpolder loopt een ecologische zone, die de Oostvlietpolder in tweeën deelt. Op grond van een recentelijke wijziging van de provinciale structuurvisie, is de primaire ecologische zone verlegd om de volkstuinen heen (de zogenaamde bypass). Hierdoor kan de ecologische zone goed functioneren. In de Leidse beleidsdocumenten wordt aan het oorspronkelijke deel van de zone (door de volkstuinen) nog ecologische waarde toegekend. Een bredere verbindingsstrook is op deze locatie echter niet meer aan de orde.

De ecologische zone zal (voor zover gelegen binnen het plangebied) worden bestemd als Natuur met een functieaanduiding voor een ecologische verbindingszone. Daar waar er overlap is met de rand van de voorziene volkstuinstrook, zoals bedoeld in paragraaf 2.3.6 zal de ecologische zone iets smaller worden. Gelet op het feit dat de verbrede bypass een vergroting en een versterking van de ecologische zone tot gevolg heeft, is dit aanvaardbaar.

2.3.8 Agrarische activiteiten

Binnen het plangebied is een grondgebonden melkveehouderij gelegen aan de Vlietweg 82. Daarnaast vinden er aan de Vlietweg 40-42 glastuinbouwactiviteiten plaats. Deze activiteiten zullen ook als zodanig worden bestemd in dit bestemmingsplan.

Tevens is gebleken dat er op het perceel Vlietweg 28 een paardenpension met paardenbak aanwezig is, dat gelegaliseerd kan worden. Daarnaast zullen de resterende agrarische activiteiten op het perceel Vlietweg 46-58 onder een persoonsgebonden overgangsrecht worden gebracht. De overwegingen ten aanzien van deze percelen zijn terug te vinden in paragraaf 4.5.1.

Tenslotte er in het plangebied sprake van hobbymatig houden van dieren. Deze activiteiten zullen conform de geldende wet- en regelgeving een juridisch-planologische plek krijgen.

2.3.9 Bestemming Wonen-2

Het vigerende bestemmingsplan kent voor de hoofdgebouwen in deze bestemming veel ongebruikte bouwmogelijkheden, die vanuit een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet meer gecontinueerd kunnen worden. De woningen die hier betrekking op hebben zijn immers allemaal gerealiseerd, waardoor feitelijk een eindsituatie ontstaan is.

In onderhavig bestemmingsplan is ervoor gekozen om direct te kiezen voor de gewenste bestemmingssystematiek die ook in de rest van Leiden wordt toegepast. Concreet betekent dit dat er een bouwvlak rondom de woning (hoofdgebouw) is gelegd en een aanduiding “erf” is opgenomen voor bijgebouwen.

Als overgangssituatie is er extra artikel toegevoegd, dat het mogelijk maakt om hoofdgebouwen uit te breiden buiten het bouwvlak in aansluiting op de vigerende bouwmogelijkheden. Aan deze overgangssituatie is een wijzigingsbevoegdheid gekoppeld om a) de maximale planologische goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen te wijzigen naar de bestaande goot- en bouwhoogten en b) de ongebruikte bouwrechten met betrekking tot de vergroting van het hoofdgebouw te schrappen. Van deze bevoegdheid kan pas na 18 maanden na het in werking treden van het bestemmingsplan gebruik gemaakt worden, zodat eigenaren nog in de gelegenheid worden gesteld hier gebruik van te maken voordat de regeling definitief wordt aangepast.

Tenslotte is er een passende regeling opgenomen voor bestaande legale bouwwerken, die afwijken qua maatvoering of situering.

2.3.10 Uit te werken bestemmingen en wijzigingsbevoegdheden

In het vigerende bestemmingsplan Oostvlietpolder zijn een aantal uit te werken bestemmingen en wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient een heroverweging plaats te vinden of er nog beleidsmatige wenselijkheid aan de orde is en zo ja onder welke voorwaarden medewerking mogelijk is. Daarnaast dient de uitvoerbaarheid en realisatie binnen de planperiode aangetoond te worden. Indien hier niet aan voldaan kan worden, is overzetten in beginsel niet mogelijk.

In het vigerende bestemmingsplan zijn in totaal één uit te werken bestemming en 4 wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

Uit te werken Groen en Woondoeleinden & Wijzigingsbevoegdheid III - Vlietweg tussen 9-64

Het gaat hier om een uitwerking en een wijziging naar grootschalige woningbouw. De planologische ambities van de gemeente Leiden zijn voor dit gebied gewijzigd. Deze gewijzigde inzichten zijn opgenomen in de Structuurvisie Leiden 2025. Op deze locatie is een bescheiden programma van kleinschalige woningbouw wenselijk passend bij de karakteristieke, cultuurhistorische lintbebouwing en alleen langs de Vliet, behalve ter hoogte van het Weidevogelgebied. De huidige uit te werken bestemming en de wijzigingsbevoegdheid voorzien echter in grootschalige woningbouw en zijn daardoor in strijd met de beleidsvoornemens uit de structuurvisie. Om deze reden kunnen ze niet opgenomen worden in het nieuwe bestemmingsplan. De ontwikkelingsmogelijkheden voor deze zones zijn weergegeven in het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen. Indien er initiatieven zijn die hieraan voldoen en tevens in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zijn, dan zullen er aparte ruimtelijke procedures gevolgd moeten worden. Deze vallen buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan.

Wijzigingsbevoegdheid I - Zuidwestzijde Europaweg

Bijna de hele wijzigingszone maakt onderdeel uit van het inpassingsplan Rijnlandroute. De gemeente kan voor deze gronden wettelijk gezien geen bestemmingsplan vaststellen. Om deze reden zal deze wijzigingsbevoegdheid vervallen in onderhavig bestemmingsplan.

Wijzigingsbevoegdheid II - Klooster

De wijzigingsregels uit het vigerende bestemmingsplan zijn in strijd met de huidige regelgeving uit de Provinciale Verordening Ruimte. Mede vanwege de Ladder voor duurzame verstedelijking is het niet wenselijk om op deze locatie een congrescentrum of bedrijfsverzamelgebouw op te richten. De wijzigingsbevoegdheid wordt dan ook uit het nieuwe bestemmingsplan gelaten.

Wijzigingsgebied IV - Vlietweg 1a

Deze wijziging naar kleinschalige woningbouw (ter plaatse van oude silo) is beleidsmatig nog steeds gewenst en is in lijn met het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen. Stedenbouwkundig gezien kan ingestemd worden met een wijzigingsbevoegdheid voor maximaal 4 woningen in het type vrijstaand en/of twee-aan-een, met een maximale goothoogte van 6m, een maximale nokhoogte van 10m en een maximale footprint van 75m2.

2.3.11 Resterende onderdelen uit oude bestemmingsplanprocedure

Als gevolg van de complexe rechtsgang van het bestemmingsplan Oostvlietpolder uit 2004 zijn een aantal onderdelen waaraan goedkeuring is onthouden, danwel waarvan de goedkeuring is vernietigd. Deze resterende onderdelen uit de oude bestemmingsplan- procedure worden daar waar relevant heroverwogen.

Goedkeuring onthouden   Gevolg voor actualisatie  
art 12, eerste lid van de planvoorschriften, het woord "woningen" (1e GS besluit)   Gaat op in de nieuwe bestemming voor Wonen.  
het plandeel met de bestemming "Recreatie" en de aanduiding "Rv", voor zover gelegen binnen een afstand van 25 meter uit het midden van de gronden met de bestemming "Ecologische verbindingszone (E)" (herstel-besluit)   Geen, gezien het feit dat er een ecologische bypass om de volkstuinen heen wordt gerealiseerd. Zie voorts paragraaf 2.3.7.  
artikel 8, lid 2, sub e van de planvoorschriften de zinsnede "met dien verstande dat de maximale oppervlakte die door aanbouwen en bijgebouwen buiten het bebouwingsvlak wordt ingenomen, niet meer dan 35 m2 mag bedragen" (herstel-besluit)   Gaat op in de nieuwe bestemming voor Wonen.  
het plandeel met de bestemming Woondoeleinden 2 (W2), voor zover gelegen achter de woning van Vlietweg 12 van familie Van Schie die hier een 2e woning wil bouwen (herstel-besluit)   De ontwikkelingsmogelijkheden voor dit plandeel zijn vastgelegd in het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen. Indien een initiatief hieraan voldoet en voorts in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, dan zal er een aparte ruimtelijke procedure gevolgd moeten worden. Dit valt buiten de reikwijdte van dit bestemmingsplan.  
artikel 22, eerste lid, aanhef en onder i, van de voorschriften (AbRvS)   Geen  

Goedkeuring vernietigd   Gevolg voor actualisatie  
het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden 2 (W2)", ter plaatse van het perceel van dhr. A. Lonq de Jong aan de Vlietweg   De betreffende gronden krijgen vanwege het solitaire karakter en feitelijke situatie de bestemming groen. Tevens is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de realisatie van een gezondheidscentrum.  

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Europees en nationaal beleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)
3.1.1.1 Beleidskader

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit van de rijksoverheid beschreven. Het kabinet schetst in de SVIR hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig, waarbij het rijk zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten gaat zitten. Het uitgangspunt hierbij is dat provincies, regio's en gemeenten beter op de hoogte zijn van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Door provincies en gemeenten de ruimte te geven, kan het Rijk zich richten op het behartigen van ruimtelijke belangen die van nationale en internationale betekenis zijn.


Volgens de nationale ruimtelijke hoofdstructuur wordt de Zuidvleugel, waar Leiden binnen valt, aangemerkt als 'stedelijke regio met een concentratie van topsectoren'. Het rijksbeleid zet specifiek in op versterking van de twee met elkaar samenhangende vleugels binnen de Randstad. De Randstad moet in 2040 een concurrerende en duurzame topregio vormen. Om verdere economische en sociale ontwikkeling mogelijk te maken en om de internationale concurrentiepositie van Nederland te versterken, is mobiliteit een randvoorwaarde. Niet alleen het hoofdwegennet dient optimaal te functioneren, maar ook de aansluiting op de regionale wegen en op lagere schaalniveaus is van belang. Een goed functionerend systeem voor personen- en goederenvervoer en een betrouwbare bereikbaarheid van deur tot deur zijn essentieel.

3.1.1.2 Conclusie

Dit bestemmingsplan staat de uitvoering van het beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte niet in de weg.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)
3.1.2.1 Beleidskader

Voor de doorwerking van de rijksbelangen in plannen van lagere overheden, is het Barro opgesteld. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Ook de bescherming van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden, zoals de Limes, is in het Barro vastgelegd. Dit is inmiddels doorvertaald in de provinciale structuurvisie en verordening.

3.1.2.2 Conclusie

Met het opstellen van onderhavig bestemmingsplan is het Barro als uitgangspunt genomen. Binnen het plangebied is een deel van de Limes gelegen. Hiervoor worden specifieke planregels opgenomen. Het Barro staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

3.1.3 Duurzame verstedelijking
3.1.3.1 Beleidskader

In het Besluit ruimtelijke ordening is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

  • 1. voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte;
  • 2. kan binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio in de behoefte worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;
  • 3. wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld (m.a.w. zorgen voor optimale inpassing en bereikbaarheid).
3.1.3.2 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling sluit aan bij de uitgangspunten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder is nader uitgewerkt in de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland. De regels van de provincie gaan verder dan van het Rijk, bij de toets van dit bestemmingsplan aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook getoetst aan de provinciale ladder: als daar aan voldaan wordt, dan wordt ook voldaan aan de rijksladder. De onderzoeksresultaten van de laddertoets komen in in paragraaf 3.2.2.2 aan de orde.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Provinciale structuurvisie 'Visie Ruimte en Mobiliteit' (VRM)
3.2.1.1 Beleidskader

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Deze visie is per 1 augustus 2014 in werking getreden.

Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • ruimte bieden aan ontwikkelingen;
  • aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit;
  • allianties aangaan met maatschappelijke partners;
  • minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

De VRM bestaat uit: de Visie Ruimte en Mobiliteit, de Verordening Ruimte, het Programma Ruimte en het Programma Mobiliteit.

3.2.1.2 Plangebied

Het plangebied wordt grotendeels getypeerd als groene bufferzone. Het accent in de groene ruimte rond het stedelijk gebied ligt op een betere verweving van recreatie, natuur, water en landbouw. Een groot deel van het plangebied kent daarbij een expliciet recreatieve ambitie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0003.png"

Figuur 3.1: Uitsnede Visie Ruimte en Mobiliteit.

Daarnaast is de ecologische verbindingszone binnen het plangebied aangegeven (deels zichtbaar). In voorliggend bestemmingsplan is deze zone bestemd als 'Natuur' en nader aangeduid als 'ecologische verbindingszone'. De Limes heeft in onderhavig bestemmingsplan een beschermende dubbelbestemming gekregen. Zie verder ook paragraaf 3.2.2.2.

Conclusie

Onderhavig bestemmingsplan is in overeenstemming met de Visie Ruimte en Mobiliteit.

3.2.2 Provinciale Verordening Ruimte
3.2.2.1 Beleidskader

In de Verordening Ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland zijn de provinciale belangen uit de structuurvisie verder uitgewerkt in regels. Aan deze regels moeten ruimtelijke plannen van alle in Zuid-Holland gelegen gemeenten voldoen. De verordening is per 1 augustus 2014 in werking getreden.

Gemeentelijke plannen zullen ook getoetst worden aan de provinciale regels: strijdigheid met deze regels betekent ook strijdigheid met provinciaal beleid.

Enkele speerpunten uit de Verordening Ruimte zijn de ladder voor duurzame verstedelijking en de ruimtelijke kwaliteit. Hiernaast is er aanvullend beleid voor thema's zoals detailhandel, kantoren en molenbiotopen.

3.2.2.2 Plangebied

Hiernavolgend wordt ingegaan op de relevantie onderdelen uit de Verordening Ruimte met betrekking tot onderhavig bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Onderhavig bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Binnen het plangebied zijn een aantal nog onbebouwde gronden gelegen met een volkstuinbestemming. Een deel daarvan wordt herbestemd (zie ook paragraaf 2.3.6) om de ruimte te bieden voor nieuwe volkstuinen.

Uit ambtelijk behoefteonderzoek (zie bijlage 1) is gebleken dat er sprake is van een actuele vraag naar volkstuinen, die de herbestemming van de volkstuinen vanuit het oogpunt van behoefte rechtvaardigen. De herbestemde gronden zijn gelegen binnen het bestaande cluster van volkstuinen, grenzend aan bestaand stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling van volkstuinen in de Oostvlietpolder is voorts opgenomen in het Programma Ruimte. Gelet op het voorstaande is de herbestemming in overeenstemming met de ladder voor duurzame verstedelijking.

Ruimtelijke kwaliteit

Belangrijk is de bescherming van de ruimtelijke kwaliteit, die in het plangebied van toepassing is. Op het plangebied zijn zowel beschermingcategorie 1 als 2 van toepassing. Het gemeentelijke beleid, dat mede ziet op de beeldkwaliteit van de Oostvlietpolder, is vastgelegd in het door de gemeenteraad vastgestelde Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen. Zie paragraaf 3.3.2. In onderhavig bestemmingsplan worden voorts natuurwaarden en landschappelijke waarden beschermd via de planregels.

Molenbiotoop

De molenbiotoop van de molen "Zelden van passe" in Zoeterwoude ligt over het zuiden van het plangebied. Deze wordt middels een gebiedsaanduiding beschermd in voorliggend bestemmingsplan.

Ecologische verbindingszone

Op grond van een recentelijke wijziging van de provinciale structuurvisie, is de primaire ecologische zone verlegd om de volkstuinen heen (de zogenaamde bypass). In de Leidse beleidsdocumenten wordt aan het oorspronkelijke deel van de zone (door de volkstuinen) nog ecologische waarde toegekend. De ecologische zone zal (voor zover gelegen binnen het plangebied) worden bestemd als Natuur met een functieaanduiding voor een ecologische verbindingszone. Zie ook paragraaf 2.3.7.

Archeologische waarden

Het roze vlak in onderstaande afbeelding 3.2 geeft weer dat er een zeer hoge archeologische verwachting geldt voor dat gebied. De Vliet is aangegeven als Limes-gebied. Hiervoor geldt eveneens dat er een zeer hoge archeologische verwachting geldt. Meer hier over in paragraaf 4.1. Voor de archeologische waarden in het gebied is een dubbelbestemming opgenomen.

Vrijwaringszone provinciale vaarwegen

Naast de Vliet is een vrijwaringszone aanwezig ten behoeve van de provinciale vaarwegen. In het bestemmingsplan zal hiervoor een beschermende regeling worden opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0004.png"

Figuur 3.2: Uitsnede Verordening Ruimte

Conclusie

Onderhavig bestemmingsplan is in overeenstemming met het gestelde uit de Verordening Ruimte.

3.2.3 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020
3.2.3.1 Beleidskader

Deze structuurvisie is op 25 juni 2009 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het samenwerkingsorgaan Holland-Rijnland en vormt het gemeenschappelijke toetsingskader van alle regiogemeenten. Alle ruimtelijke ontwikkelingen in deze regio worden hieraan getoetst.

De Holland Rijnland gemeenten willen een aantrekkelijke regio, waar je niet alleen plezierig werkt en woont, maar ook prettig kunt recreëren. Ook moet Holland Rijnland goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer en de auto. Verder wil de regio zich onderscheiden in de Randstad en bijdragen aan de internationale positionering daarvan. Onder andere door de toegevoegde waarde op het gebied van landschap, wonen en economie. In het bijzonder voor economische sectoren als Greenport, Bio Sciences en ruimtevaarttechnologie.

De visie bevat zeven kernbeslissingen die uitgaan van een evenwichtige ontwikkeling van wonen, recreatie, infrastructuur en intensief, meervoudig en duurzaam ruimtegebruik. De kernbeslissingen zijn:

1. Holland Rijnland is een top woonregio;

2. Leiden vervult een regionale centrumfunctie;

3. Concentratie stedelijke ontwikkeling;

4. Groenblauwe kwaliteit staat centraal;

5. De Bollenstreek en Veenweide en Plassen blijven open;

6. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Kennis;

7. Speerpunt voor economische ontwikkeling: Greenport.

3.2.3.2 Conclusie

In de Regionale Structuurvisie wordt de Oostvlietpolder gezien als een belangrijke schakel in het creëren van een ecologische en recreatieve groene verbinding tussen de kust en het Groene Hart. De Oostvlietpolder is tevens belangrijk in verband met de aanleg van de Rijnlandroute, waarbij er een verbinding wordt gemaakt tussen de A44 en de A4.

In de Regionale Structuurvisie wordt nog uitgegaan van het ontwikkelen van een gemengd bedrijventerrein van 29 hectare groot. Deze ontwikkeling is op dit moment niet meer actueel, voor de betreffende gronden is op 13 februari 2014 een nieuw bestemmingsplan Oostvlietpolder vastgesteld, waarin de betreffende gronden een groenbestemming hebben gekregen.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Leiden 2025
3.3.1.1 Beleidskader

Op 17 december 2009 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie 2025 vastgesteld (RV 09.0130). Deze structuurvisie is bij raadsbesluit van 1 december 2011 herzien (RV 11.0104). De structuurvisie bouwt voort op het Structuurplan Boomgaard van Kennis en de in 2004 vastgestelde Ontwikkelingsvisie: Leiden stad van ontdekkingen. Op de punten die niet in deze structuurvisie zijn opgenomen, is de Boomgaard van Kennis van toepassing. Voor de overige aspecten is de structuurvisie is hiervan de ruimtelijke vertaling. Daarnaast is bij het opstellen van de structuurvisie gebruik gemaakt van de Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland. De prioriteiten die in de Regionale Structuurvisie voor Leiden zijn benoemd, vormen het uitgangspunt van de structuurvisie.

De uitgangspunten van de structuurvisie zijn het bestaande beleid en de ambities en verwachtingen die in overleg met partijen en partners zijn geformuleerd. Dit heeft geleid tot een Structuurvisie met de volgende ambities:

  • de historische binnenstad wordt beter op de kaart gezet;
  • het Bio Science Park en de kenniseconomie worden verder ontwikkeld;
  • de bereikbaarheid wordt verbeterd;
  • de groene en blauwe structuren in en rondom de stad worden versterkt en verbonden;
  • de kansen die zich in het Stationsgebied, Transvaal/Vondellaan en op De Waard aanbieden worden benut om met wonen en werken een bijdrage te leveren aan de versterking van de kennisstad.
3.3.1.2 Conclusie

De Oostvlietpolder is op de visiekaart bij de structuurvisie aangewezen als groenstructuur, met daarbinnen een recreatieve / groene verbinding op regionaal schaalniveau. Dit sluit aan bij het beleiduitgangspunt om de groene en blauwe structuren in en rondom de stad te versterken en te verbinden.

Met de herziening uit 2011 is over een aantal nieuwe punten uit de structuurvisie expliciet besloten. Dit geldt onder andere voor de onderstaande beleidskeuzes:

  • 1. gebiedsuitwerkingen voor te bereiden voor de groen/blauwe oostflank aan te vullen met:
    • a. een duurzaam groene Oostvlietpolder waar de ontwikkeling van stadslandbouw en een beperkt recreatief programma wordt bevorderd;
    • b. een groene recreatieve verbinding op regionaal niveau die de Vlietlanden verbindt met: het Duin, Horst en Weide gebied, polderpark Cronesteyn, park de Bult, park Matilo, de Boterhuispolder en het land van Wijk en Wouden;
    • c. een kaderstellend ruimtelijk casco, dat met de ecologische zone langs de centrale wetering als drager de doorgaande noord-zuid en oost-west verbindingen samenbrengt in een samenhangende structuur van groen/blauwe lijnen en recreatieve verbindingen;
    • d. langzaam verkeersverbindingen in noord-zuid richting en oost-west richting die als onderdeel van het dragende casco de Oostvlietpolder op aantrekkelijke wijze verbinden met de omliggende groen gebieden en de stad;
    • e. aandacht voor het behoud en versterken van het groene en duurzame karakter van de Oostvlietpolder bij het inpassen van nieuwe infrastructuur;
    • f. een eigen toetsingskader dat de functies beschrijft die samen inhoud geven aan het gewenste groene en duurzame karakter van de Oostvlietpolder.

Met de bovenstaande beleidskeuzes wordt sterk ingezet op het behoud en de versterking van het groene en recreatieve karakter van de Oostvlietpolder, in samenhang met de omliggende groengebieden.

Voor verdere sturing van deze inrichting is onder punt f. gekozen voor een Toetsingskader dat specifieke op deze polder inzoomt. Dit toetsingskader is opgenomen in de Uitwerking Structuurvisie Oostvlietpolder. In paragraaf 3.3.2 wordt hier nader op ingegaan.

3.3.2 Toetsingskader - Uitwerking Structuurvisie Oostvlietpolder (2013)

In de Structuurvisie Leiden 2025 is vastgelegd dat de Oostvlietpolder een duurzaam groen karakter krijgt. Daarvoor wordt een ontwikkelingsscenario opgesteld: een Toetsingskader waarin de functies worden beschreven die samen inhoud geven aan het gewenste groene en duurzame karakter van de Oostvlietpolder.

Het ruimtelijk kader dat met dit Toetsingskader wordt beschreven, gaat enerzijds om de ontwikkeling van een kaderstellend casco en anderzijds om flexibiliteit. Het casco en de toegestane invulling van het gebied zijn voorwaardenscheppend voor het gewenste duurzame eindbeeld en gaan versnippering en verrommeling tegen.

Om de Oostvlietpolder overeind te houden als knooppunt, bestemming en "stepping stone" in de grotere regionale groenstructuur rond Leiden, stelt het toetsingskader dat het belangrijk is de kwaliteiten te behouden die er reeds zijn. De kwaliteit van de Oostvlietpolder die bewaard moet worden, is groene ruimte in combinatie met landbouw die in het teken staat van natuur(beleving). Wil die ruimte meer betekenis krijgen voor bezoekers, dan moet het gebied een goede verblijfskwaliteit hebben, goed ontsloten zijn, recreatieve faciliteiten en een logische relatie hebben met de omliggende groenstructuren.

3.3.2.1 Infrastructuur

De grote opgave voor de Oostvlietpolder, is de inpassing van de infrastructuur die nodig is om de verbinding tussen de A4 en de A44 te verbeteren en te versterken. Dat geldt voor de Rijnlandroute die de zuidelijke grens van het gebied zal vormen, maar ook voor de Europaweg die het gebied in het noorden doorsnijdt, en de parallelstructuur die Leiden in het oosten verbindt met de A4, de N11 en de Rijnlandroute.

Het effect dat de verbetering van bereikbaarheid op de infrastructuur en het gebied zal hebben is aanzienlijk. Een duurzaam groene Oostvlietpolder vraagt om een ontwikkelingscenario dat aansluit bij de aanwezige kwaliteiten, ze conserveert en versterkt. Daarbij passen functies als stadslandbouw en een bescheiden recreatief programma. Ontwikkelingen zullen zoveel mogelijk voorwaardenscheppend zijn en versnippering tegengaan. Daarbij wordt vanzelfsprekend rekening gehouden met de inpassing van infrastructuur en de wijze waarop het verkeer zich in de komende decennia zal ontwikkelen.

De zware infrastructurele opgave voor het gebied maakt de toevoeging van andere programma’s die een zichtbare breuk veroorzaken in de groenbeleving van het gebied, zoals windmolens, ongewenst.

3.3.2.2 Ruimte

De kwaliteit van de Oostvlietpolder die bewaard moet worden, is ruimte in combinatie met landbouw die in het teken staat van natuur(beleving). Voor de ruimtewerking zijn de Vliet, de Vlietweg, het agrarische gebied ten zuiden van de volkstuinen en de volkstuinen belangrijke beeldbepalende elementen. Voor de beleving van de natuur van het gebied heeft de strook ten noorden van de volkstuinen op dit moment te weinig betekenis. Dat wordt verbeterd door het gebied in elk geval goed te ontsluiten voor voetgangers en fietsers en door met name in deze strook de ondersteunende groene recreatieve functies te realiseren die sterk genoeg zijn om tegenwicht aan het nu alles overheersende verkeer op de Europaweg.

De natuurwaarde van de Oostvlietpolder wordt versterkt. Dit wordt uitgewerkt in een ruimtelijk kader. Binnen de randvoorwaarden van een duurzaam groene bestemming wordt, met alle bijhorende ambities en de onzekerheden die samenhangen met de ontwikkeling van de infrastructuur, een kaderstellend casco neergelegd dat met passende functies en met een grote mate aan flexibiliteit kan worden ingevuld.

3.3.2.3 Verbindingen

Hoewel de Vliet en de Vlietweg zeker ter hoogte van de Oostvlietpolder van grote kwaliteit zijn, zijn ze ook de enige verbindingen die het gebied voor langzaam verkeer ontsluiten en dat maakt het geheel te kwetsbaar. Naast de versterking van de Vliet en de Vlietweg als belangrijke dragers van het casco, wordt de Oostvlietpolder beter verbonden met de grotere regionale groenstructuren. Daarvoor worden bestaande verbindingen versterkt en nieuwe verbindingen aangelegd. Het gaat dan niet alleen om de doorgaande groen-blauwe lijnen van de Vliet, de ecologische hoofdstructuur en de slagenverdeling van sloten en grasland die het polderlandschap zo kenmerken. Ook de nieuw in te passen verkeersverbindingen met de stad, in het gebied zelf en met de omliggende groen gebieden volgen de bestaande patronen in het landschap.

Voor wandelaars en fietsers worden, zorgvuldig in het landschap ingepaste, nieuwe noord-zuid en oost-west verbindingsroutes aan het gebied toegevoegd. Dit versterkt niet alleen de belevingswaarde van het gebied zelf, maar het verbindt en verankert de Oostvlietpolder ook stevig in de stedelijke en de grote regionale groen-blauwe structuur.

De nieuwe stedelijke en regionale infrastructuur wordt zorgvuldig in het gebied ingepast. Er wordt rekening gehouden met het belang van de groene recreatieve verbinding tussen de Vlietlanden, de Oostvlietpolder en Cronesteyn. De ingang van de tunnel voor de Rijnlandroute onder de Vliet zal zó worden aangelegd, dat zo veel mogelijk groengebied vrij doorloopt over de weg heen. Het ruimtelijke beslag van de knoop wordt (Rijnlandroute A4 en A44) tot een minimum beperkt. De barrièrewerking van de Europaweg wordt ongedaan gemaakt zodat er naast de Vliet nog twee, dragende, substantiële en kwalitatief hoogwaardige, ononderbroken ecologische noord-zuid assen ontstaan die de Vlietlanden met Cronesteyn verbinden.

3.3.2.4 Invulling kamers

Binnen het casco van slootjes, hagen, bomen en ontsluitingswegen zijn een aantal uitsparingen, de zogenaamde kamers, gesitueerd. Deze kamers bieden kansen voor transformatie naar functies die de aantrekkelijkheid van de Oostvlietpolder kunnen vergroten voor anderen. Hierin kunnen telkens één of meerdere ondernemingen gevestigd worden. Randvoorwaarde voor de ontwikkeling van deze ruimtes is, dat partijen zich alleen in de Oostvlietpolder mogen vestigen indien zij die iets te bieden hebben. Dat kan zijn door het bieden van horecavoorzieningen, informatie of verkoop van streekproducten, kleinschalige zorgverlening, educatie of recreatie. Maar ook minder voor de hand liggende, permanente functies die bijdragen aan het kwalitatief hoogwaardige groene karakter van de Oostvlietpolder zijn welkom om een bescheiden kostendragend programma toe te voegen. Kleinschalige woningbouw op de juiste plekken realiseren behoort beleidsmatig gezien tot de mogelijkheden. Het ligt daarbij voor de hand om hiervoor in eerste instantie naar de strook ten noorden van de volkstuinen te kijken.

3.3.2.5 Volkstuinen

De volkstuinen spelen door hun centrale ligging in de Oostvlietpolder een cruciale rol bij de beleving van het gebied. Door de ontwikkeling van de volkstuincomplexen tot een aaneengesloten gebied neemt de ruimtewerking van de Oostvlietpolder af. Dat wordt gecompenseerd door de volkstuinen beter te ontsluiten en het gebied van doorgaande routes in de noord-zuid en oost-west richtingen te voorzien. Daardoor wordt het complex onderdeel van het gebied. De volkstuinen dragen veel bij aan de soortenrijkdom in het gebied. Dat moet zo blijven. Daarom is het belangrijk dat de verstening van de tuinen een halt wordt toegeroepen.

3.3.2.6 Studentenwoningen

Het gebied ten noorden van de Europaweg is in de Structuurvisie 2025 een zoeklocatie aangewezen voor studentenwoningen. Eventuele woningbouw tussen de Vrouwenweg en de Europaweg is echter in strijd met het provinciale beleid. Daarmee wijkt de Structuurvisie af van het provinciale beleid. Daar tegenover staat dat de Structuurvisie 2025 inzet op een stevige groene corridor tussen de Vlietlanden, de Oostvlietpolder, Cronesteyn en de Roomburgerpolder, waar de Rode contour de verbinding van Cronesteyn en het Groene Hart zoekt via het huidige kruispunt van de A4 en de Europaweg. Bovendien is een investering in studentenhuisvesting een logisch gevolg van de ambitie om de positie van de Leidse universiteit en daarmee de kennisstad te versterken.

3.3.2.7 Conclusie

In voorliggend bestemmingsplan wordt daar waar mogelijk rekening gehouden met het Toetsingskader. Zo worden de natuurwaarden in het gebied beschermd en verbeterd door het Weidevogelgebied te respecteren en te laten ontwikkelen en de Ecologische verbindingszone een aparte beschermingsregeling toe te kennen. Tevens wordt het slagenlandschap beschermd door het opnemen van een dubbelbestemming Waarde-Landschap. Voor de overwegingen rondom de volkstuinen wordt verwezen naar paragraaf 2.3.6. Het tracé van de Rijnlandroute wordt niet mogelijk gemaakt in onderhavig bestemmingsplan. De zoeklocatie naar studentenwoningen wordt ook buiten dit bestemmingsplan gelaten omdat deze ontwikkeling in strijd is met provinciaal beleid en nog onvoldoende concreet is.

3.3.3 Ontwikkelingsvisie 'Leiden, stad van ontdekkingen'
3.3.3.1 Beleidskader

In 2004 heeft de gemeenteraad de ontwikkelingsvisie "Leiden, Stad van Ontdekkingen" vastgesteld (RV 04.0097). In hetzelfde raadsbesluit heeft het college opdracht gekregen een cyclisch proces te ontwikkelen voor onderhoud van de ontwikkelingsvisie. De geactualiseerde uitgave van de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen" is het resultaat van dat "onderhoud". Deze actualisering is op 13 september 2012 door de raad vastgesteld (RV 12.0044). De geactualiseerde uitgave van de visie vervangt hiermee de vorige versie uit 2004.

De geactualiseerde uitgave van Leiden Stad van Ontdekkingen dient als leidraad voor beleidsontwikkeling en voor gesprekken over samenwerking in de stad en met de omgeving.

In 2004 hebben bewoners, instellingen, collegeleden en de gemeenteraad uitvoerig gesproken over de gewenste ontwikkelingsrichting van Leiden. Die gesprekken mondden uit in de ontwikkelingsvisie 2030 "Leiden, Stad van Ontdekkingen". Die had 'kennis' en 'kwaliteit' als pijlers. Gebruiken maken van de kracht van de stad en deze kracht verder versterken, was daarbij het motto.

Er was bij de vaststelling van de geactualiseerde visie geen behoefte aan een geheel nieuwe visie, maar de tijd was wel rijp voor een geactualiseerde uitgave die toekomstbestendig is. De kernpunten van de Ontwikkelingsvisie 2030 voldeden nog prima, maar de uitwerking daarvan is deels achterhaald door veranderde omstandigheden.

Belangrijke ambities van de geactualiseerde visie 'Leiden, Stad van Ontdekkingen' zijn 'internationale kennis' en 'historische cultuur'. Kennis vindt zijn basis in de Universiteit van Leiden, het Leids Universitair Medisch Centrum en het Leiden Bio Science Park. Historische cultuur is overal in de stad terug te vinden in de vorm van monumenten, musea en een ruim cultureel aanbod. Als Leiden deze ambities wil waarmaken moet de bereikbaarheid op orde zijn en wil de gemeente meer gebruik maken van 'de kracht van de stad'.

3.3.3.2 Conclusie

Onderdeel van de ontwikkelingsvisie is het verbeteren van de bereikbaarheid van de stad. De verbinding tussen de A4 en de A44, de Rijnlandroute, is hierin een belangrijke ontwikkeling. Deze route gaat door de Oostvlietpolder, maar maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

4.1 Archeologie

4.1.1 Beleidskader
4.1.1.1 Europees en nationaal beleid

In 1992 werd in Valetta door de Ministers van Cultuur van de bij de Raad van Europa aangesloten landen het 'Europees Verdrag inzake de bescherming van het Archeologisch Erfgoed, beter bekend onder de naam 'Verdrag van Malta', ondertekend.

In vervolg hierop is op 1 september 2007 de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) in werking getreden.

Met de introductie van de nieuwe wet zijn de kerntaken en bestuurlijke verantwoordelijkheden van gemeenten veranderd. In de wet is bepaald, dat gemeenten door inzet van een planologisch instrumentarium het archeologisch belang dienen te waarborgen.

4.1.1.2 Provinciaal beleid

Het beleid van de Provincie Zuid-Holland richt zich, conform het Rijksbeleid en de WAMZ op het behouden van archeologische waarden op de plaats waar de waarden zijn aangetroffen.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient onderzoek te worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden in het projectgebied. Het provinciale beleid aangaande archeologie staat vermeld in de Visie Ruimte en Mobiliteit. De betreffende regelgeving is verankerd in de Verordening Ruimte.

4.1.1.3 Gemeentelijk beleid

Het archeologisch beleid van de gemeente Leiden (zoals vastgelegd in de Erfgoednota 2014-2020) is er op gericht de in de grond aanwezige archeologische waarden zoveel mogelijk te behouden. Wanneer dat niet mogelijk blijkt moet de aanwezige archeologie veilig worden gesteld door middel van opgravingen.

4.1.2 Onderzoeksresultaten
4.1.2.1 Inleiding

De gemeente Leiden heeft een rijk bodemarchief. In de afgelopen decennia is bij tientallen opgravingen vastgesteld dat het onderzoek van de archeologische resten die in de bodem verborgen liggen een van de belangrijkste bronnen van kennis over de bewoningsgeschiedenis van de regio rondom Leiden vormt. De doelstelling van het gemeentelijk archeologiebeleid is om de archeologische bronnen zo verantwoord mogelijk te beschermen. De erosie van het bodemarchief is ondanks alle inspanningen tot behoud van archeologische resten immers nog steeds erg groot. Dit betekent dat bij bouwwerkzaamheden verstoring van de diepere ondergrond uit archeologisch oogpunt zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Waar dit niet mogelijk is, zal in de gebieden waar waardevolle, informatieve archeologische resten verloren dreigen te gaan, voorafgaand aan de geplande bodemingreep verantwoord onderzoek dienen plaats te vinden. Om deze doelstelling te kunnen realiseren is in het bestemmingsplan een aantal regels opgenomen. Deze regels zijn gebaseerd op een inventarisatie en evaluatie van de omvang en kwaliteit van het archeologisch bodemarchief in en om het plangebied.

Leiden heeft negen verschillende 'waarderingsgebieden', waar verschillende regimes gelden naar aanleiding van de archeologische waarde of de archeologische verwachtingswaarde. Voor zes waarderingsgebieden wordt in opzet dezelfde planregel gebruikt, waarin een omgevingsvergunningstelsel is opgenomen. De verschillen tussen de waarderingsgebieden zitten in de oppervlakten en diepte van bodemverstoring vanaf wanneer een vergunning dient te worden aangevraagd. Voor 'Waarde - Archeologie 1' geldt de omgevingsvergunningsplicht niet, omdat het een beschermd archeologisch rijksmonument betreft, waarop de regels van de Monumentenwet 1988 van toepassing zijn. Voor verstoring van de bodem op die locaties is een monumentenvergunning vereist.

De negen waarderingsgebieden zijn:

Waarde - Archeologie 1   Archeologisch rijksmonument  
Waarde - Archeologie 2   Gebied van archeologische waarde binnen de singels  
Waarde - Archeologie 3   Gebied van archeologische waarde buiten de singels  
Waarde - Archeologie 4   Gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen de singels  
Waarde - Archeologie 5   Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten de singels  
Waarde - Archeologie 6   Gebieden met een middelhoge archeologische verwachting  
Waarde - Archeologie 7   Gebieden met een lage archeologische verwachting  
Waarde - Archeologie 8   Limeszone zoals aangeduid in de provinciale verordening ruimte  
Waarde - Archeologie 9   Gebied van zeer hoge archeologische waarde zoals aangeduid in de provinciale verordening ruimte  

Het plangebied

De Oostvlietpolder kan in een aantal zones worden ingedeeld. Langs de Vliet loopt een zone die in de provinciale verordening Ruimte is aangemerkt als limesgebied. In deze zone geldt een verscherpt beschermingsregime ten aanzien van resten die verband houden met het Romeinse kanaal van Corbulo en de daaraan gelegen nederzettingen. De noordelijke helft waar de ondergrond gekenmerkt wordt door het voorkomen van geul- en kreekafzettingen is aangeduid als Waarde Archeologie 5. De zuidelijke helft waar sprake is van veengronden is aangeduid als Waarde archeologie 7. Voor de gebieden Waarde archeologie 5 en 7 geldt een hoge, dan wel lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Ook zijn er zones waar door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er met zekerheid archeologische resten in de grond aanwezig zijn. Deze zones zijn aangeduid als Waarde Archeologie 3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0005.png"

Figuur 4.1: Uitsnede archeologische waardenkaart van Leiden

4.1.2.2 Landschap en bewoningsmogelijkheden

De Oostvlietpolder is een veen- en kleigebied, dat gedurende het holoceen is ontstaan. Door voortdurende sedimentatie van mariene en fluviatiele afzettingen zijn kleipakketten ontstaan, die gescheiden zijn door veenlagen. Van 2750-1550 v. Chr. vond onder invloed van getijdenwerking sedimentatie van zware klei plaats. Het gebied werd doorsneden door een aantal kreken waarin vooral zandige sedimenten afgezet. Vanaf 1550 v. Chr. nam de invloed van de zee af. Nadat nog een dek van zware klei was afgezet begon de groei van het Hollandveen. De veengroei werd meerdere malen onderbroken en het gebied werd ook in deze periode doorsneden door een stelsel van kreken en geulen. Langs de kreken ontstonden kreekruggen die ten opzichte van het omringende land hoog lagen. De kreekruggen waren door hun relatief hoge ligging zeer geschikt voor bewoning vanaf de late prehistorie. In het achterliggende gebied werden in de lage delen van het tijdens overstromingen komkleien afgezet. Vanaf het begin van de late middeleeuwen werd in het gebied voor het laatst een deklaag klei afgezet. Na de ontginningen in de 13e eeuw vond nauwelijks nog sedimentatie plaats. Het landschap werd ontwaterd door de kenmerkende lange sloten en het gebied (met name het zuidelijke deel van de polder, waar overwegend veen in de ondergrond ligt) zakte langzaam als gevolg van uitdroging en inklinking van het veen.

4.1.2.3 Bewoning in prehistorie en Romeinse tijd

Al vanaf de ijzertijd (vanaf 500 v.Chr.) hebben er mensen in de Oostvlietpolder gewoond. Dit blijkt uit de vondsten van nederzettingssporen en gebruiksvoorwerpen uit deze periode. De kreekruggen langs de smalle watertjes in de noordelijke helft van de Oostvlietpolder waren uitstekende vestigingsplaatsen voor boeren met een gemengd bedrijf. Zij verbouwden graan op hun akkers op de vruchtbare hoge delen in het landschap en lieten hun vee grazen in de lage natte gebieden.

In de Romeinse tijd kwam de Oostvlietpolder binnen de grenzen van het Romeinse rijk te liggen. Direct langs de Oostvlietpolder liep een van de belangrijkste waterwegen uit de regio: het Kanaal van Corbulo. Dit kanaal vormde een veilige waterverbinding tussen de Rijn en de Maas en voerde o.a. langs de hoofdstad van de regio: Forum Hadriani. Vlak ten noordwesten van de Oostvlietpolder lag het Romeinse castellum Matilo: een legerfort van waaruit de grensverdediging werd georganiseerd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oeverzone van het kanaal van Corbulo voor veel mensen een aantrekkelijke vestigingsplaats was. We zien langs het kanaal een lint van boerennederzettingen. Deze boeren maakten hun eigen gebruiksgoederen zoals metalen gereedschap en aardewerken potten. Door handel met de Romeinen kregen ze echter ook steeds meer Romeinse goederen in hun bezit.

In het zuidelijke deel van het plangebied is sprake van veengronden waarin tot op heden geen archeologische resten zijn aangetroffen. Bewoning in het veen is echter in meerdere perioden mogelijk geweest zoals blijkt uit vergelijkbare gebieden in West Nederland. Om deze reden is dit deel van het plangebied aangeduid als Waarde Archeologie 7 (lage archeologische verwachting).

4.1.2.4 Conclusie

Met het bestemmingsplan zijn geen directe bodemingrepen gemoeid. Ten aanzien van eventuele toekomstige ingrepen, wordt een dubbelbestemming opgenomen ter bescherming van de archeologische verwachtingswaarden.

4.2 Cultuurhistorie

4.2.1 Beleidskader
4.2.1.1 Rijksbeleid

Erfgoedwet (2016)

Een deel van het culturele erfgoed wordt beschermd via de Erfgoedwet (2016). Deze wet bevat tijdelijk de artikelen die betrekking hebben op de bescherming van onroerend cultureel erfgoed, tot de inwerkingtredeing van de Omgevingswet. De wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten aan te wijzen als rijksmonument. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. De wet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Onder stads- en dorpsgezicht worden groepen van onroerende zaken bedoeld die een bijzondere eigenschap hebben en in welke zich een of meer monumenten bevinden.

De wet geeft aan gemeenten de vrijheid om zelf monumenten aan te wijzen en een monumentenlijst op te stellen. Een gemeentelijk monument mag jonger zijn dan 50 jaar.

Modernisering Monumentenzorg

In 2009 heeft de minister van OC&W de modernisering van de monumentenzorg in gang gezet. Dit beleidsprogramma omvat een drietal pijlers: cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, vereenvoudiging regelgeving en herbestemming. De rode draad door het beleid is om de monumentenzorg om te vormen tot een meer gebiedsgericht instrument dat cultuurhistorie in het ruimtelijk domein in den brede zin onderzoekt, borgt en hergebruikt.

Een overkoepelend beleidsuitgangspunt binnen de Modernisering Monumentenzorg is de grotere rol van de burger bij het waarderen van en de omgang met erfgoed.

Daarnaast is in het Besluit ruimtelijke ordening sinds 2012 bepaald dat in ieder bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met cultuureel erfgoed in ruimtelijke zin. Als gevolg van dat artikel is de gemeente gehouden een inventarisatie te maken van de aanwezige ruimtelijk relevante cultuurhistorische waarden en in het bestemmingsplan aan te geven hoe hiermee wordt omgegaan.

4.2.1.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Visie Ruimte en Mobiliteit en Verordening Ruimte

Het cultureel erfgoed van Zuid-Holland is een belangrijke drager van ruimtelijke kwaliteit. Zeker in combinatie met groen en water verhoogt het erfgoed de variëteit en daarmee de aantrekkelijkheid van stad en landschap. Deze toegevoegde waarde van erfgoed bevordert de provincie op diverse manieren:

  • behoud en versterking van cultuurhistorisch waardevolle structuren en ensembles die van bijzonder provinciaal belang zijn, via bescherming én passende ruimtelijke ontwikkeling,
  • cultureel erfgoed vormt een integraal onderdeel van het provinciaal ruimtelijk kwaliteitsbeleid via de kwaliteitskaart en de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit.

De cultuurhistorische en archeologische waarden zijn gebundeld in de cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS), die de basis vormt voor het provinciaal erfgoedbeleid. Het beschermende ruimtelijk beleid richt zich met name op een selectie van de CHS:

  • cultuurhistorische kroonjuwelen,
  • molen- en landgoedbiotopen,
  • werelderfgoed (bestaand en potentieel);
  • archeologie.

In de Verordening Ruimte zijn beschermende regels opgenomen voor een aantal waarden. Gemeentelijke plannen moeten hier aan voldoen.

4.2.1.3 Gemeentelijk beleid

Erfgoednota 2014-2020

Op 19 december 2013 heeft de Leidse gemeenteraad de Erfgoednota 2014-2020 (RV 13.0113) vastgesteld. De Erfgoednota benadert erfgoed integraal en gaat niet alleen over de historische stad zelf, maar ook over erfgoedkennis, onderwijs, ondernemerschap, collecties, verhalen en beleving. In Leiden, Stad van Ontdekkingen, zorgen professionals, betrokken burgers en gemeente samen voor uitvoering van de ambities van de Erfgoednota.

De Erfgoednota gaat uit van de volgende visie: Leiden heeft met erfgoed een onderscheidende kracht in huis: zo heeft Leiden en de (internationale) kennis en collecties, en de aantrekkelijke historische stad en de grote mate van betrokkenheid van bewoners. Daarbij gaat het niet alleen om de waarde van het erfgoed zelf maar ook om de meerwaarde voor de stad uit maatschappelijk, cultureel, wetenschappelijk en economisch oogpunt. Een belangrijke ambitie uit de Erfgoednota is dat Leiden haar historische omgevingskwaliteit wil behouden, benutten en versterken voor een aantrekkelijke, vitale en toekomstbestendige stad. Erfgoed inspireert in de ontwikkeling van de stad. Daarbij benut Leiden de inspiratie uit het verleden en zoekt aansluiting bij bestaande historische karakteristieken en essenties.

Onder invloed van rijksbeleid en wetgeving komt voor het erfgoed steeds meer nadruk te liggen op het ruimtelijk instrumentarium. Dit zet zich voort in de ontwikkeling van de nieuwe Omgevingswet, waarin ook het erfgoed wordt opgenomen. Leiden continueert de aandacht voor cultuurhistorie in het bestemmingsplan en anticipeert daarbij op rijksbeleid en wettelijke verplichtingen. Integrale cultuurhistorische waarden maken - uitgebreider en specifieker dan voorheen - deel uit van het bestemmingsplan. Van archeologie tot bouwhistorie, van historische structuren tot monumentale objecten. Hieraan worden maatregelen gekoppeld. Uitgangspunt is; beschermen wat beschermenswaardig is, zonder onnodige regeldruk. Cultuurhistorische kennis- en waardenkaarten van Leiden (met diverse themakaarten) dragen hieraan bij, evenals de onderzoeksagenda voor archeologie en bouwhistorie.

Hergebruik en herbestemming van historische bebouwing is in de Erfgoednota een belangrijk thema, met het oog op vitale omgevingskwaliteit en toekomstwaarde. Waar mogelijk en gewenst creëren bestemmingsplannen qua functies dan ook ruimte voor flexibele herbestemming.

Monumentenverordening en monumentenlijst

De gemeente Leiden hanteert de Monumentenverordening 2008. Deze verordening geeft regels over hoe om te gaan met gemeentelijke monumenten. De bescherming van de monumenten is geregeld in de Monumentenwet of de gemeentelijke verordening.

Karakteristieke panden

Naast de aanwijzing van gemeentelijke monumenten hanteert de gemeente Leiden nog het instrument van karakteristieke panden. Doel daarvan is de bijdrage aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte door de aanwezige historische bebouwing te borgen. De aanduiding en bescherming van de karakteristieke panden wordt, indien relevant, geregeld in het betreffende bestemmingsplan. De bescherming sterkt zich niet uit tot het interieur van de betreffende panden maar heeft alleen betrekking op het volume, de hoofdvorm en het aanzicht. In de welstandsnota zijn aanvullende criteria opgenomen die toezien op de kwaliteit van materiaal en detaillering van de straatgevels en het dak.

4.2.2 Onderzoeksresultaten
4.2.2.1 Cultuurhistorische paragraaf

Het bestemmingsplan Oostvlietpolder omvat de Oostvlietpolder en het oostelijk deel van de Hofpolder. De waterstaatkundige scheiding tussen beide polders was de Vinkesloot. Inmiddels zijn de polders samengevoegd. Het plangebied wordt grotendeels begrensd door historisch-geografische structuren: aan de oostzijde de Vrouwevaart, de wetering tussen de Oostvlietpolder en de Cronesteinsepolder, aan de zuidzijde de A4 die direct tegen de Meerburgerwetering is gelegen en aan de noordzijde de Vliet. Aan de westzijde wordt de grens gevormd door de gemeentegrens en deze loopt ongeveer midden door de Hofpolder. Beide polders maken deel uit van het middeleeuws polderlandschap dat zich uitstrekt voorbij Zoeterwoude tot aan de 17e eeuwse droogmakerijen rond Zoetermeer.

De landschappelijke structuur van de polder is, buiten de verheling met de Hofpolder, gaaf bewaard. Het slotenpatroon en de verkaveling van de polder is goed herkenbaar en slechts ondergeschikt gewijzigd sinds de aanleg. De samenhang tussen verkaveling en de boerderijen op de kop van de kavels langs de Vliet is eveneens nog goed herkenbaar. Daarmee is deze verkaveling en het bijbehorend slotenpatroon van hoge cultuurhistorische waarde. Voor Leiden is dit landschap uniek. Alle andere polders binnen het grondgebied van de gemeente zijn bebouwd of ingrijpend vergraven. Het vormt een onderdeel van het voor west-Nederland zeer kenmerkende polderlandschap.

Aan de noordzijde van de polder ligt de Vlietweg. De ontginning van de polder is tot stand gekomen vanuit de kade langs de Vliet. De Vlietweg zelf is in eerste instantie alleen een ontsluitingsweg voor de boerderijen en lag voor een groot deel ten zuiden van het boerderijlint. Een uitzondering was de boerderij Vlietweg 28-30. De ligging en het slotenpatroon rondom doen een middeleeuwse oorsprong van deze boerderij vermoeden. Bij de Delftse Schouw (Vlietweg 70/72) kwam de weg strak langs de Vliet te lopen. Op dit punt stak namelijk het jaagpad richting Delft over van de noordelijke naar de zuidelijke Vlietoever.

De bebouwing langs de Vliet bestond tot in de 20e eeuw uit een vrij klein aantal losstaande boerderijen. Ondanks wijzigingen aan de complexen zijn de meeste van deze boerderijen tot op heden bewaard. Veelal bevatten ze bouwdelen uit de 17e eeuw. Deze boerderijen zijn alle dicht tegen de Vliet gelegen en hebben vaak in de 18e of 19e eeuw een uitbreiding gekregen met een tuinkamer aan het water. Al deze oude boerderijen zijn rijks- of gemeentelijk monument. Tussen deze boerderijen liggen over het hele lint verspreid kleine geriefbosjes. De meeste van deze bosjes zijn nog grotendeels omgeven door slootjes om schade door het vee te voorkomen. De karakteristieke beplanting met hakhout van elzen, wilgen en essen is in veel gevallen nog aanwezig. Daarmee vormen deze geriefbosjes waardevolle landschapselementen.

Tot na 1945 verandert er weinig aan dit beeld. In de tweede helft van de 20e eeuw vindt verdichting plaats door de bouw van losse burgerwoningen. Ondanks deze verdichting is op veel plaatsen de relatie tussen het open polderlandschap en het boerderijlint nog goed beleefbaar. Deze relatie is zeer waardevol en het is daarom van belang dat verdere verdichting wordt tegengegaan en ontwikkeling plaats vindt binnen de historische bebouwingsstructuur van het lint.

4.2.2.2 Werelderfgoed

De Romeinse Limes hebben potentieel als Werelderfgoed. Zoals reeds aangegeven in paragrafen 3.2.2.2 en 4.1 heeft de Limes bescherming in de planregels gekregen door middel van een dubbelbestemming.

4.2.2.3 Molenbiotoop

Binnen het plangebied is een deel van de molenbiotoop van de molen De Zelden van Passe (ook wel De Grote Westeinder genaamd) aanwezig. Het betreft hier een poldermolen iets ten westen van Zoeterwoude-Dorp, langs de A4. De molen dateert uit 1642 en is gebouwd ten behoeve van de bemaling van de Groote Westeindsche Polder op de boezem (de Meerburgerwatering). Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is de gebiedsaanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop opgenomen en in de regels zijn regels opgenomen ter bescherming van de windvang van de molen. Zie voorts ook paragraaf 3.2.2.2.

4.2.2.4 Rijksmonumenten

Langs de Vlietweg zijn vier rijksmonumentale boederijen aanwezig op de adressen Vlietweg 7, 44, 80 en 82. Op Vlietweg 70 is het rijksmonumentale Commissarishuis van de Trekweg naar Delft aanwezig.

Bescherming van deze monumentale panden vindt plaats via de Erfgoedwet 2016. Het is daarom niet noodzakelijk om deze panden in het bestemmingsplan van een beschermende regeling te voorzien. De panden zijn dan ook niet specifiek aangeduid op de verbeelding.

4.2.2.5 Gemeentelijke monumenten

De boerderijen op de adressen Vlietweg 13, 15 en 28 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. Ook het zomerhuis op het adres Vlietweg 30 betreft een gemeentelijk monument.

Bescherming van deze monumentale panden vindt plaats via de gemeentelijke monumentenverordening. Het is daarom niet noodzakelijk om deze panden in het bestemmingsplan van een beschermende regeling te voorzien. De panden zijn dan ook niet aangeduid op de verbeelding.

4.2.2.6 Karakteristieke panden

In het plangebied komt een aantal 'beeldbepalende panden' voor, zoals bedoeld in de Erfgoednota. De panden voldoen aan de criteria voor beeldbepalende panden die in de Erfgoednota zijn benoemd en worden daarom via het bestemmingsplan en de welstandsnota beschermd. Het betreft de volgende panden:

  • de boerderijen op de adressen Vlietweg 3, 46, 74, 74a, 90, 98 en 102;
  • de woonhuizen op de adressen Vlietweg 4, 6, 10 en 58;
  • de hooibergen bij de boerderijen op het adres Vlietweg 7;
  • het theehuis op het adres Vlietweg 48;
  • de molenstomp op het volkstuinencomplex van de Tuinvereniging Oostvliet;
  • het kloostercomplex aan de Vrouwenweg.

Deze panden zijn in voorliggend bestemmingsplan aangeduid als 'karakteristiek'. In de algemene bouwregels is bepaald dat de bouwwerken ter plaatse van deze aanduiding slechts mogen worden vernieuwd en/of veranderd als het uitwendig karakter van het bouwwerk niet wordt veranderd. Zo mag er geen aanpassing worden gedaan aan het volume, de dakvorm en de gevelindeling. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van deze bepaling als de karakteristieke waarden van het bouwwerk niet onevenredig worden aangetast of als de karakteristieke waarden worden teruggebracht. Daarnaast is het verboden om de bebouwing geheel of gedeeltelijk te slopen zonder omgevingsvergunning.

4.2.2.7 Polderstructuur

In het plangebied is een gave middeleeuwse polderstructuur bewaard gebleven. In het bestemmingsplan is hiervoor een beschermende dubbelbestemming Waarde-Landschap opgenomen.

4.3 Ecologie

4.3.1 Beleidskader
4.3.1.1 Europees en nationaal beleid

Flora- en faunawet

Werkzaamheden die worden uitgevoerd om ontwikkelingen mogelijk te maken, kunnen mogelijk aanwezige natuurwaarden verstoren of aantasten. Om deze reden dient, in het kader van de Flora- en faunawet, een ecologische toets uit te worden gevoerd om het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de aanwezige natuurwaarden inzichtelijk te kunnen maken. In het kort komen verplichtingen in het kader van de Flora en faunawet op het volgende neer:

  • onderzoeken of er beschermde planten of dieren voorkomen in het te ontwikkelen gebied;
  • voorkómen van verstoring van deze beschermde planten en dieren;
  • eventueel vóóraf bieden van een alternatief voor de gevonden soorten (bijvoorbeeld in de vorm van vervangende verblijfplaatsen);
  • eventueel aanvragen van een ontheffing met een gedegen ecologische onderlegger en/of compensatieplan.

De flora- en faunawetgeving is sinds februari 2005 gewijzigd. Hierbij is het beschermingsregime voor algemeen voorkomende soorten verlicht en kan het aanvragen van ontheffingen voor een aantal beschermde soorten worden voorkomend als gewerkt wordt volgens een gedragscode. De gemeentelijke Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden en het daarbij horende ecologische toetsingskader geeft inzicht in de diverse verplichtingen die dit met zich meebrengt en kan op elk stedelijk project worden toegepast.

De Flora- en faunawetbeschermt een groot aantal bijzondere en minder bijzondere inheemse plant- en diersoorten. De verstoring van (vaste rust- en verblijfsplaatsen van) deze soorten is in beginsel verboden. Er kan een ontheffing van zulke verboden worden gegeven wanneer de gunstige staat van instandhouding van de soort(en) niet in gevaar komt.

Voor algemene soorten is een vrijstelling van kracht van deze ontheffingsplicht voor ruimtelijke ontwikkelingen. De zorgplicht uit de Wet blijft voor deze soorten wel van kracht: bij werkzaamheden moet zoveel mogelijk voorkomen worden dat schade toegebracht wordt aan beschermde soorten.

Voorzover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie (ELI). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Ecologische hoofdstructuur

Het beschermingsregime voor gebieden die vallen onder de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vloeit voort uit het Natuurbeleidsplan uit 1991 en de Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening. Het is in de Nota Ruimte op nationaal niveau en vervolgens door de provincies op provinciaal niveau nader uitgewerkt. Bescherming van deze gebieden is op planologische basis en er wordt van uitgegaan van het "Nee, tenzij"-regime en compensatiebeginsel. Het ruimtelijk beleid voor de EHS is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in de EHS het "nee, tenzij"- regime. Indien een voorgenomen ingreep de "nee, tenzij"-afweging met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden, mits de eventuele nadelige gevolgen worden gemitigeerd en resterende schade wordt gecompenseerd. Indien een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het "nee, tenzij"-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden.

Natuurbeschermingswet 1998

De gebiedsbescherming is geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998 en de Nota Ruimte. Onder deze bescherming vallen de volgende gebiedssoorten: Natura 2000-gebieden (dit zijn gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn), Beschermde Natuurmonumenten en gebieden ter uitvoering van verdragen en andere internationale verplichtingen (zoals wetlands), worden ook beschermd op basis van de Natuurbeschermingswet 1998.

De uitgevoerde toetsing betreft het vaststellen of het projectgebied in of in de omgeving van een beschermd natuurgebied ligt en of er sprake is van een negatief effect op de beschermde natuurwaarden.

4.3.1.2 Gemeentelijk beleid

Kaderstelling Bomenbeleid (2004 - 2014; actualisatie Bomennota 1993)

De Bomennota heeft vier hoofddoelstellingen voor het ruimtelijk, beheersmatig en juridisch beleid: het aanvullen van structuurvormende bomenrijen, het beschermen van bomen (Bomenverordening), het verbeteren van groeiplaatsomstandigheden van bomen, het versterken van stad-land relatie door sortimentskeuze van bomen.

Ecologisch Beleidsplan Leiden (1998)
Het uitgangspunt van het Ecologisch Beleidsplan Leiden (EBL) is om de natuur mee te laten tellen als bewoner van de stad. Hierbij moeten de kansen om de natuur de stad in te halen optimaal worden benut en bedreigingen voor die natuur zoveel mogelijk worden beperkt, rekening houdend met de multifunctionaliteit van de stad en haar stedelijk groen.

De hoofddoelstellingen van het ecologisch beleidsplan zijn:

  • Het complementeren dan wel opstellen van een gebiedsdekkend plan voor een duurzame ecologische groenstructuur van 'groene' en 'blauwe' verbindingen vanuit het buitengebied de stad in.
  • Door middel van inrichting, communicatie en regelgeving de Leidse Ecologische Structuur (LES) versterken.
  • Profielen, beheermethoden en sortimentskeuze koppelen aan de LES.

Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting

De Flora- en Faunawet stelt gemeenten verplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen na te gaan of er bedreigde plant- en diersoorten aanwezig zijn in het projectgebied. Een wijziging van deze wet in februari 2005 stelt gemeenten in staat een gemeentelijke gedragscode voor ecologisch beleid vast te stellen. Als één van de eerste gemeenten in Nederland heeft de gemeente Leiden een dergelijk document opgesteld. Dit document is door het Ministerie van LNV goedgekeurd. Dit document, de 'Gedragscode voor ruimtelijke ontwikkelingen in Leiden' (vastgesteld door B en W op 1 november 2005), is bij B&W-besluit van 4 december 2012 komen te vervallen en vervangen door de gedragscode 'Ruimtelijke Ontwikkeling & Inrichting', opgesteld door Stadswerk.

Deze gedragscode dient als leidraad voor ruimtelijke projecten waarbij sprake is van een functieverandering of werkzaamheden waarbij sprake is van een ruimtelijke verandering (zoals sloop, grondwerk of bouw). Het volgen van de gedragscode bij ruimtelijke ontwikkelingen minimaliseert de kans op conflicten met de Flora- en Faunawet.

4.3.2 Onderzoeksresultaten
4.3.2.1 Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermd groen- of natuurgebied. Het plangebied is echter wel onderdeel van de Leidse Ecologische Structuur (LES). De LES is opgenomen in het ecologisch beleid van de gemeente en is geen beschermd natuurgebied, maar neemt desalniettemin een belangrijke plaats in binnen de stad. Geen van de genoemde beschermde gebieden wordt aangetast door dit bestemmingsplan.

4.3.2.2 Soortenbescherming

Observaties uit het Stadsnatuurmeetnet geven een indruk welke (strikt) beschermde soorten in de Oostvlietpolder aanwezig zijn.

Vogels

Uit de observaties blijkt onder andere dat het gebied zeer geschikt is voor weidevogels. Onder meer zijn de kievit (Vanellus vanellus) de scholekster, de Grutto (Limosa limosa), de Tureluur (Tringa totanus), de Slobeend (Anas clypeata), en de Zomertaling (Anas querquedula) zijn in het gebied aangetroffen. Ook andere vogelsoorten maken gebruik van het gebied, zoals de Bergeend (Tadorna tadorna), de Kuifeend (Aythya fuligula), de Knobbelzwaan (Cygnus olor) en de Spotvogel (Hippolais icterina).

Vissen

Op basis van losse waarnemingen wordt geconcludeerd dat beschermde soorten als Bittervoorn (Rhodeus amarus) en Kleine modderkruiper (Cobitis taenia) voorkomen in de Oostvlietpolder.

Vleermuizen

Bovendien blijkt uit het Stadsnatuurmeetnet dat de Vliet dient als een foerageerroute van vleermuizen. De Watervleermuis, Meervleermuis, Laatvlieger en Gewone en Ruige dwergvleermuis zijn gesignaleerd.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Voor toekomstige ontwikkelingen zal gericht flora- en faunaonderzoek moeten uitwijzen of sprake is van beschermde soorten in de betreffende gebieden. Uiteraard dient men rekening te houden met de zorgplicht in de Flora- en faunawet.

4.4 Kabels en leidingen

4.4.1 Situatie plangebied

Aardgasleiding

Er loopt een hoofdaardgastransportleiding vanuit Vlietland door de Hofpolder naar het gasdrukregel- en meetstation. Vanaf het station loopt de leiding in een boog naar de Hofvlietweg en vervolgens parallel aan die weg naar de Europaweg en Klein Cronesteyn om vervolgens af te buigen naar de Grote Polder. De leiding heeft de volgende kenmerken: diameter 36 inch, druk 67 bar, veiligheidsklasse 1.

De toetsingsafstand (dit is de afstand die in principe dient te worden aangehouden) voor deze leiding bedraagt 115 m aan weerszijden van de leiding. Alleen wanneer er zwaarwegende argumenten zijn om van de toetsingsafstand af te wijken, kunnen minimale bebouwingsafstanden gehanteerd worden. Deze afstand is ten opzichte van een woonwijk, flatgebouw of bijzondere objecten categorie I (zoals scholen, ziekenhuizen, hotels en kantoren bestemd voor meer dan 50 personen en bovengrondse installaties en opslagtanks voor brandbare, explosieve en/of giftige stoffen) 35 m aan weerszijden van de leiding. Ten opzichte van incidentele bebouwing en bijzondere objecten categorie II (zoals zwembaden, overige hotels en kantoren en industriegebouwen voorzover zij niet onder categorie I vallen) bedraagt deze afstand 5 m aan weerszijden van de leiding. De minimale bebouwingsafstand tot overige objecten bedraagt eveneens 5 m aan weerszijden van de leiding.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0006.jpg"

Figuur 4.2: ligging aardgasleidingen

Parallel aan de hoofdtransportleiding ligt een regionale leiding. Er lopen voorts twee regionale leidingen van het gasstation naar de Vlietweg. De regionale leidingen hebben de volgende kenmerken: diameter 16 inch, wanddikte 16 mm, druk 40 bar, veiligheidsklasse 4. De toetsingsafstand voor de regionale leidingen bedraagt 40 m aan weerszijden van de leidingen. De minimale bebouwingsafstand ten opzichte van een woonwijk, flatgebouw of bijzondere objecten categorie I bedraagt 20 m aan weerzijden van de leidingen. Ten opzichte van incidentele bebouwing, bijzondere objecten categorie II en overige objecten bedraagt deze afstand 4 m aan weerszijden van de leidingen.

In het plangebied ligt voorts een gasdruk- regel en meetstation. Het bevat een installatie om gas te laten ontsnappen bij te hoge gasdruk. Het is een station met odorisatie (geurtoevoeging). Hiervoor geldt een veiligheidsafstand van 25 meter tot kwetsbare objecten en 4 meter tot beperkt kwestbare objecten.

Relatie met uitvoering Rijnlandroute

Zoals aangegeven in paragraaf 2.3.4 is het nodig om bij de Rijksweg A4 een aantal aardgastransportleidingen te verleggen. In het voorliggende bestemmingsplan is ervoor gekozen om op dit moment de huidige ligging van de gasleidingen planologisch te handhaven. Op het moment dat er door de Gasunie een aanvraag omgevingsvergunning met een goede ruimtelijke onderbouwing wordt ingediend, kan overwogen worden om het bestemmingsplan gewijzigd te laten vaststellen.

Waterleiding

Vanuit polderpark Cronesteyn lopen een ruw- en een drinkwaterleiding (met diameter van respectievelijk 120 en 100 cm) door de polder. De leidingen kruisen het terrein van VTV Oostvliet en het terrein waar de toekomstige volkstuinen zijn geprojecteerd. Voor beide leidingen geldt een zakelijk rechtstrook van 4 m aan weerszijden van de leidingen. Tevens ligt er langs dat tracé een persleiding met een diameter van 600 mm voor de afvoer van gezuiverd afvalwater (Heinekenleiding). Voor deze leiding geldt een aan te houden afstand van 5 m aan weerszijden van de leiding.

Kerosineleiding

Door de polder loopt van de Vlietweg naar de Hofvlietweg een verlaten kerosineleiding van de Defensie Pijpleidingen Organisatie (DPO). Deze wordt niet als leiding op de plankaart opgenomen: slechts planologisch relevante leidingen worden als zodanig bestemd. In dit geval betreft het geen planologisch relevante leiding, aangezien de kerosineleiding niet meer in gebruik is.

Afvalwaterpersleidingen

Vanuit Zoeterwoude lopen door de polder langs de volkstuinverenigingen OTV en Roomburg twee persleidingen voor rioolwater naar de afvalwaterzuivering aan de Voorschoterweg. Mogelijk dat deze leidingen in de toekomst verlegd worden. Deze afvalwaterpersleidingen zijn, gelet op hun diameter, planologisch niet relevant en zullen niet op de plankaart worden opgenomen.

4.4.2 Conclusie

In het plangebied zijn verschillende leidingen gelegen. Via de planverbeelding en de planregels worden deze leidingen, voor zover planologisch relevant, bestemd en krijgen zij het juiste beschermingsregime om het leidingbelang te beschermen. Voor het gasdruk-, regel en meetstation wordt een veiligheidszone op de planverbeelding opgenomen met bijbehorende voorwaarden die worden opgenomen in de planregels.

4.5 Milieu

4.5.1 Bedrijven en milieuzonering

Landelijke wet-/regelgeving en instrumentarium

De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. Indien nieuwe milieugevoelige bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen of scholen, mogelijk worden gemaakt in de nabijheid van bestaande bedrijven dan dient de geluidruimte die het bedrijf heeft op basis van een algemene maatregel van bestuur (AMvB), of zoals vastgelegd in de omgevingsvergunning, te worden gerespecteerd.

Bij het toestaan van nieuwe bedrijven of andere functies dient rekening gehouden te worden met de milieuruimte die in de toekomst nodig is. Hierbij kunnen de richtlijnen in de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009; hierna: VNG-uitgave) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt ondermeer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes is weergegeven in onderstaande tabel.

Richtafstand (in meters) tot omgevingstype  
Categorie   Rustige woonwijk   Gemengd gebied  
1   10   0  
2   30   10  
3.1   50   30  
3.2   100   50  
4.1   200   100  
4.2   300   200  
5.1   500   300  


Situatie plangebied en conclusie

Agrarische bedrijven

Vlietweg 82

Op het perceel Vlietweg 82 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Er is hier een melkrundveebedrijf gevestigd met 90 melkkoeien en 75 vrouwelijk jongvee. De bedrijfsactiviteiten vinden plaats in de nabijheid van woningen, hierdoor zijn de uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf beperkt. Door de lage dieraantallen bij dit bedrijf en de beperkte uitbreidingsmogelijkheden op dit perceel hoeft geen mer-beoordeling of een Planmer te worden opgesteld. Het bestemmingsplan zal voor dit perceel conserverend worden bestemd met betrekking tot de grondgebonden melkveehouderij. Indien er initiatieven zijn voor andere typen agrarische activiteiten of ontwikkelingen, die voldoen aan het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen en een goede ruimtelijke ordening, dan zal hiervoor een aparte ruimtelijke procedure doorlopen moeten worden.

Vlietweg achter 40-42

Uit het onderzoek van agrarisch adviesbureau Clevin (zie bijlage 2) is gebleken dat aan de Vlietweg achter 40 en 42 sprake is van een klein reëel agrarisch tuinbouwbedrijf zonder uitbreidingsplannen /-mogelijkheden. Voor dit perceel zal een nieuwe bestemming Agrarisch-Glastuinbouw worden opgenomen. Vanuit het oogpunt van bedrijven en milieuzonering zijn er geen bezwaren tegen een dergelijke bestemming, aangezien de afstand tussen de kas en de dichtstbijzijnde woning meer dan 10 meter is.

Agrarische bedrijfsactiviteiten

Vlietweg 46-58

In het bestemmingsplan Oostvlietpolder (2004) is op het perceel Vlietweg 46-58 een woonbestemming van toepassing. Uit het eerder genoemde onderzoek van agrarisch adviesbureau Clevin is gebleken dat het melkveebedrijf in 2006 gestaakt is. Wegens omstandigheden zijn de melkveeactiviteiten weer opgepakt. Er is nauwelijks toekomstperspectief. Van concrete andere plannen op het perceel is thans geen sprake. Beleidsmatig en milieuhygienisch gezien is een melkveehouderij op deze locatie niet wenselijk omdat niet aan de richtafstand van 50m uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Gelet hierop zal het perceel primair als woonbestemming worden opgenomen. Voor de geconstateerde melkveeactiviteiten zal persoonsgebonden overgangsrecht worden opgenomen in de planregels. Indien er later plannen ontstaan, die voldoen aan het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen, dan kan er een aparte planprocedure doorlopen worden.

Vlietweg 28-30

In het bestemmingsplan Oostvlietpolder (2004) is op het perceel Vlietweg 28-30 een woonbestemming van toepassing. Uit het eerder genoemde onderzoek van agrarisch adviesbureau Clevin is gebleken dat er een kleinschalig paardenpension aanwezig is met een gering perspectief. Clevin adviseert om een woonbestemming op te nemen. Het gebruik als paardenpension is qua functie in overeenstemming is met het Toetsingskader Oostvlietpolder Duurzaam Groen en voorts zijn geen milieuhygiënische belemmeringen aan de orde, gezien de afstand van 70m tussen de dierverblijven en woningen van derden. Hierdoor zal er een specifieke aanduiding voor het gebruik als paardenpension en de daarbij behorende paardenbak binnen de woonbestemming worden opgenomen.

Vlietweg 7

Het volwaardige agrarische bedrijf op het perceel Vlietweg 7 is enige tijd geleden gestopt. Voor dit perceel is een omgevingsvergunning verleend voor de verkoop van streekproducten, horeca, recreatie voor workshops, natuureductie en sociaal-maatschappelijke zorg. Hoewel de projectplannen nog niet ten uitvoer zijn gekomen, zijn er geen bezwaren tegen het opnemen van een specifieke regeling die de genoemde omgevingsvergunning in het bestemmingsplan inpast.

Relevante bedrijfsactiviteiten buiten het plangebied

Buiten het plangebied, ten noorden van globaal Vlietweg 70, bevindt zich de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Leiden-Zuidwest. Deze installatie heeft een geurcontour die over een deel van het plangebied loopt. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is bezig met een herziening van de milieuvergunning, er zal een nieuwe geurcontour worden vastgesteld.

Ten aanzien van geur moet worden getoetst aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit zijn normen voor nieuwe situaties opgenomen en normen voor bestaande situaties. De normen voor een bestaande situatie vallen onder het overgangsrecht en gelden voor een RWZI met een vergunning van voor 1 februari 1996. De geursituatie en de normering wordt in paragraaf 4.5.3. verder toegelicht.

De RWZI levert op basis van de huidige geurcontour geen belemmering op voor het plangebied.

4.5.2 Bodem

Algemeen

Wet op de ruimtelijke ordening

De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt bepaald door middel van een historisch onderzoek, eventueel aangevuld met een bodemonderzoek. De resultaten van het historisch onderzoek, het bodemonderzoek en de conclusie met eventuele saneringsadviezen worden in het bestemmingsplan vermeld.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat:

  • er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging;
  • het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding;
  • er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren;
  • conform het saneringsplan/BUS-melding is gesaneerd en dit positief is beschikt door het bevoegde gezag.

Wet bodembescherming (Wbb)

Als er sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan gelden de regels van de Wet Bodembescherming (Wbb). In de Wbb is een saneringsdoelstelling bepaald (het saneren naar de functie) en een saneringscriterium (wanneer moet er gesaneerd worden: bij zogenaamde 'spoed- of risicolocaties').

Besluit bodemkwaliteit (Bbk)

Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft het lokale bevoegd gezag de mogelijkheid om de bodemkwaliteit binnen zijn gebied actief te beheren binnen de gegeven kaders. Dit geeft onder andere ruimte voor nieuwe bouwprojecten, zoals woningen en wegen. Daarnaast worden de kwaliteit en de integriteit van belangrijke intermediairs bij bodemactiviteiten beter geborgd. In het besluit staan ook regels met betrekking tot het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie. Het Bbk biedt de mogelijkheid om ten aanzien van bodembeheer te kiezen voor een landelijk geldend generiek beleid, dan wel zelf gebiedsspecifiek beleid op te stellen.

Lokaal bodembeleid

De regels voor grondverzet volgen uit het Besluit bodemkwaliteit. In de gemeente Leiden is het generieke beleid van kracht. Dat betekent dat toe te passen grond altijd aan twee eisen moet voldoen:

  • toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als de ontvangende bodem(op niveau van bodemkwaliteitsklasse)
  • toe te passen grond moet beter of gelijk in kwaliteit zijn als geldt voor de op betreffende plek geldende bodemfunctieklasse.

Situatie plangebied

De kwaliteit van de bodem en het grondwater zijn van invloed op de kwaliteit van het woon- en leefklimaat. Wanneer sprake is van verontreiniging, kan dit de volksgezondheid negatief beïnvloeden. Voor toekomstige bouwontwikkelingen dient daarom onderzoek te worden verricht naar de kwaliteit van de bodem en het grondwater. Er kan niet worden gebouwd alvorens vaststaat dat de grond in milieuhygiënisch opzicht geschikt is voor de desbetreffende ontwikkeling. Concreet betekent dit dat bij functiewijziging historisch onderzoek moet worden gedaan om de kans op bodemverontreiniging vast te stellen.

Met onderhavig bestemmingsplan wordt beoogd de bestaande situatie in het plangebied vast te leggen en de bestemmingsregeling te actualiseren. Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard en bevat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om die reden hoeft geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Teneinde na te gaan of bij de huidige bestemmingen knelpunten op bodemgebied op zouden kunnen treden, is door de Omgevingsdienst West-Holland nagegaan in hoeverre de bodemkwaliteit een belemmering kan zijn voor onderhavig bestemmingsplan. Uit een nadere inventarisatie is gebleken dat dit niet het geval is.

Conclusie

Het aspect bodem staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5.3 Geur

De buiten het plangebied gelegen Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) heeft ook gevolgen voor het plangebied, omdat de geurcontouren van het bedrijf in het plangebied liggen. De RWZI valt voor wat betreft de Wet Milieubeheer onder de bevoegdheid van de Provincie Zuid-Holland. Ten behoeve van een mogelijke uitbreiding is in 2005 geuronderzoek uitgevoerd. Ondanks het feit dat de uitbreiding (extra zandfiltratie) toen niet heeft plaatsgevonden, heeft het Hoogheemraadschap aangegeven dat het geuronderzoek nog bruikbaar is. Er wordt gewerkt aan een nieuwe omgevingsvergunning voor de RWZI. Een geuronderzoek maakt deel uit van de vergunningprocedure.


In de onderstaande figuur zijn de geurcontouren uit het onderzoek uit 2005 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0007.jpg"

Figuur 4.1: Geurcontouren AWZI Leiden Zuid-West met respectievelijk 1, 2 3 en 7 ge/m3 als 98 percentielwaarde (bron: Geuronderzoek AWZI Leiden Zuid west (Witteveen & Bos projectcode Ledn 79-4-120, 21 januari 2005).


Er dient getoetst te worden aan de normering uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit zijn geurnormen opgenomen voor nieuwe situaties en voor bestaande situaties op grond van het overgangsrecht. De geurnormen in het Activiteitenbesluit worden uitgedrukt in odour unit per kubieke meter lucht als 98-percentiel (ouE/m3). Voor de 'oude' geurnormen uit het geuronderzoek van 2005 geldt de volgende omrekeningsfactor: 1 ge/m3 = 0,5 ouE/m3. De normen gelden bij geurgevoelige objecten zoals gedefinieerd in de Wet geurhinder en veehouderij.

Volgens het Activiteitenbesluit geldt 1,5 ouE/m3(= 3 ge/m3) voor bestaande en 0,5 ouE/m3 (= 1 ge/m3) voor nieuwe situaties bij aaneengesloten woningbebouwing. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom of op een bedrijventerrein geldt 3,5 ouE/m3(= 7 ge/m3) voor bestaande en 1 ouE/m3 (= 2 ge/m3) voor nieuwe situaties.

Voor dit bestemmingsplan wordt voldaan aan de geurnormen. Er worden geen nieuwe geurgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de 1 ouE/m3 contour (contour 2 in bovenstaande figuur ). In de verbeelding is rekening gehouden met de contouren 1,2 en 3 d.m.v. het opnemen van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - geurzone'. Binnen deze gebiedsaanduiding zijn geen nieuwe geurgevoelige objecten, zoals woningen, mogelijk.

Conclusie

Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. De geursituatie binnen het plangebied is dusdanig, dat er geen knelpunten zijn te verwachten.

4.5.4 Externe veiligheid

Landelijk beleid

Externe veiligheidsbeleid heeft betrekking op het gebruik, de productie, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen. De overheid stelt grenzen aan de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in een norm voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde en verantwoordingsplicht voor het groepsrisico (GR). Het Rijk heeft voor de verschillende risicobronnen beleid vastgesteld.

Plaatsgebonden risico

Het PR kent een grenswaarde van 10-6 per jaar voor nieuwe en bestaande situaties. Binnen de PR 10-6 contour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn. Eventueel aanwezige kwetsbare bestemmingen moeten gesaneerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde en in nieuwe situaties moet in beginsel ook aan deze waarde worden voldaan.

Verantwoordingsplicht GR

Het GR is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in situaties waarin zich een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet. De verantwoordingsplicht is erop gericht om een weloverwogen afweging te maken over de risico's in relatie tot de (ruimtelijke) ontwikkelingen in het plangebied.

Het GR wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde voor het GR: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10-5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10-7 per jaar, en met de kans op 1.000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. De oriëntatiewaarde voor het GR ligt voor het vervoer van gevaarlijke stoffen een factor 10 lager dan voor inrichtingen.

In de verantwoording van het GR worden onderwerpen behandeld die van belang zijn bij het maken van een afweging over het risico en de ruimtelijke situatie. Het GR wordt kwantitatief beoordeeld. Daarnaast komen ook planologische aspecten aan de orde en de mogelijkheden tot rampenbestrijding.

Inrichtingen

Het beleid voor de opslag van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi).

Buisleidingen

Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Behalve met het PR en het GR moet voor buisleidingen rekening worden gehouden met de belemmeringenstrook. Dit is de strook van 5 meter aan weerszijden van de leidingen die moet worden vrijgehouden ten behoeve van onderhoud en werkzaamheden aan de buisleiding. Binnen de belemmeringenstrook mag niet gebouwd worden, tenzij met toestemming (via een afwijking of een aanlegvergunning) van burgemeester en wethouders. Werkzaamheden in deze strook mogen alleen worden uitgevoerd door of met instemming van de leidingbeheerder. De ligging van de leidingen en de belemmeringenstrook moet op de bestemmingsplankaart worden vastgelegd.

Transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor

Voor het transport over de weg geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Voor wegen die onderdeel zijn van het Basisnet Weg (bv de A4) is een risicoplafond (PR-plafond) vastgesteld in de vorm van een veiligheidsafstand. Bij de vaststelling van de afstand voor het PR-plafond is rekening gehouden met een toename van het transport van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet Weg geeft zodoende een 'gebruiksruimte' aan de daarin opgenomen wegen. Binnen de afstand voor het PR-plafond mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten worden gebouwd. Behalve met het PR-plafond moet ook rekening worden gehouden met het plasbrandaandachtsgebied (PAG). Binnen het PAG van 30 meter mag slechts bij hoge uitzondering en met een goede motivatie worden gebouwd. Voor de berekening van het groepsrisico moet worden uitgegaan van de in bijlage 1 van de Regeling basisnet vermelde vervoercijfers. De in bijlage 1 vermelde vervoercijfers hebben alleen betrekking op LPG (GF3). Dit laat onverlet dat de omvang van het invloedsgebied mede wordt bepaald door andere gevaarlijke stoffen. Het invloedsgebied wordt derhalve ook voor de in bijlage 1 genoemde wegen bepaald door de gevaarlijke stof met grootste 1% letaliteitsafstand.

Provinciaal beleid

De provincie Zuid-Holland ambieert een veilig Zuid-Holland. In de provinciale structuurvisie staat als provinciaal belang genoemd het 'beschermen van grote groepen mensen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen'. De provincie wil voorkomen dat risicovolle activiteiten gevestigd worden in de omgeving van grote groepen mensen of dat een nieuwe ontwikkeling gepland wordt binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Het is niet altijd te voorkomen dat dit soort functies gecombineerd worden en het GR toeneemt. In dat geval vraagt de provincie van de verantwoordelijke bestuurders dat zij een verantwoording GR schrijven: een heldere en transparante toelichting waarin zij uitleggen waarom deze ontwikkeling op deze locatie noodzakelijk is. Op basis van een verantwoording GR moet aannemelijk worden gemaakt dat op termijn in de eindsituatie wordt voldaan aan de oriëntatiewaarde.

Regionaal beleid

De regio Holland-Rijnland heeft in 2008 een Omgevingsvisie externe veiligheid opgesteld. In 2014 is de visie geactualiseerd (“Bestuurlijk kader Externe Veiligheid Holland Rijnland). In de omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel opgesteld op basis van zonering van het groepsrisicodiagram (zie onderstaand figuur, f= kans op calamiteit, N=aantal slachtoffers, OW= oriëntatiewaarde).

afbeelding "i_NL.IMRO.0546.BP00110-0201_0008.jpg"

Figuur 4.2: Afwegingskader GR

Het model gaat uit van de oriëntatiewaarde voor het GR. Aan de zones in het diagram zijn verschillende handelswijzen gekoppeld. Als de GR-curve voor een bepaalde aantal slachtoffers activiteit of ruimtelijke ontwikkeling in een bepaalde zone uitkomt, volgt uit het beslismodel onder welke voorwaarden de activiteit of ruimtelijke ontwikkeling is toegestaan.

Situatie binnen het plangebied

Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er binnen en in de omgeving van het plangebied de volgende risicobronnen:

1. Rijksweg A4;

2. Provinciale weg N206;

3. Hogedruk aardgasleiding: A515, A517, A560, W514-01, W535-01, W535-11;

4. Gasdrukstation.

Rijksweg A4

Het gehele plangebied ligt in het effectgebied (1% letaliteit) van de A4. Over de A4 worden brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2), toxische vloeistoffen (LT1, LT2 en LT3) en brandbare gassen getransporteerd (GF3, bv lpg). Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT3 heeft de A4 een effectgebied van meer dan 4 km. Een deel van het gebied ligt in het effectgebied van een plasbrand van brandbare vloeistoffen en van een calamiteit met brandbare gassen. Het effectgebied van een plasbrand reikt tot 45 m van de A4, dat van een calamiteit met brandbare gassen tot 355 m.

Voor de A4 zijn in het verleden diverse risicoberekeningen gemaakt. De berekeningen laten zien dat ter hoogte van plangebied Oostvlietpolder bij het huidige gebruik van het gebied het GR kleiner is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. De veiligheidsafstand voor het PR plafond ligt op 13 meter van de weg. Binnen deze afstand en binnen het PAG is in de huidige situatie geen bebouwing aanwezig en dat verandert niet in het nieuwe bestemmingsplan.

Provinciale weg N206

Een deel van het gebied ligt in het effectgebied van de N206 (Europaweg). Over de Europaweg worden brandbare vloeistoffen (LF1 en LF2), toxische vloeistoffen (LT1 en 2LT2) en brandbare gassen getransporteerd (GF3, bv LPG) .

Vanwege het transport van toxische vloeistoffen van categorie LT2 heeft de N206 een effectgebied (1% letaliteit) van 900 m. Een deel van het gebied ligt bovendien in het effectgebied van een plasbrand van brandbare vloeistoffen en van een calamiteit met brandbare gassen. Het effectgebied van een plasbrand reikt tot 45 m van de risicobron en dat van een calamiteit met brandbare gassen tot 355 m.

De contour voor PR-grenswaarde van de N206 ligt op de wegas. Het GR bedraagt in de huidige situatie 0,01 maal de oriëntatiewaarde. Als het transport van LPG in de toekomst met 50% toeneemt, dan stijgt het GR tot 0,014 maal de oriëntatiewaarde .

Hogedruk aardgasleidingen

Voor de gasleidingen zijn in het verleden risicoberekeningen gemaakt. De contour voor de PR grenswaarde van gasleiding A515 ligt in een deel van de Oostvlietpolder buiten de leiding. Binnen deze contour ligt een klein deel van een volkstuincomplex. Dit deel van het volkstuincomplex maakt geen deel uit van het plangebied. Een volkstuincomplex is bovendien geen kwetsbaar object. De gasleiding A515 veroorzaakt daarom geen PR knelpunt. Dit geldt ook voor de andere hoge druk aardgasleidingen.

Geen van de leidingen veroorzaakt in de huidige situatie een GR knelpunt. Bij het huidige gebruik van het gebied is in de omgeving van de Vrouwenweg en Europaweg het GR van leiding A515 0,255 maal de oriëntatiewaarde. In het overige deel van het bestemmingsplangebied is het GR nagenoeg nul. Ook voor de andere aardgasleidingen is het GR in BP Oostvlietpolder zeer klein: A517: GR=0; A560: GR=0,01; W514-01: GR=0; W535-01: GR=0,02; W535-11: GR=0,054. Aan de hoogte van het GR verandert niets door de herziening van het bestemmingsplan.

Gasdrukstation

In het plangebied bevindt zich een gasdrukmeet- en regelstation dat valt onder het Activiteitenbesluit. Voor dit gasstation geldt een veiligheidsafstand van 25 meter tot kwetsbare objecten en 4 meter tot beperkt kwetsbare objecten. In de huidige situatie wordt aan de afstandseisen voldaan. Daarin komt geen verandering.

Groepsrisicoverantwoording

Voor dit plan kan volstaan worden met een beperkte groepsrisicoverantwoording. De herziening van het bestemmingsplan houdt in dat het huidige gebruik van het betreffende gebied ongewijzigd blijft, nieuwe bebouwing wordt niet mogelijk gemaakt.

Toetsing aan provinciale structuurvisie

Voor dit plan kan volstaan worden met een beperkte groepsrisicoverantwoording. Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Toetsing aan provinciale structuurvisie

Het groepsrisico in de omgeving van de risicobronnen neemt niet toe. Van alle bronnen is het groepsrisico kleiner dan de oriëntatiewaarde. Met uitzondering van gasleiding A515 is het groepsrisico van alle bronnen kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. De herziening van het bestemmingsplan is niet in strijd met het provinciaal beleid.

Toetsing aan regionale visie externe veiligheid

Voor alle bronnen met uitzondering van gasleiding A515 ligt het groepsrisico volgens het beslismodel van de omgevingsvisie in zone groen (GR< 0,1 maal de oriëntatiewaarde). Dit betekent dat het groepsrisico verwaarloosbaar is en alleen de goedkope en voor de hand liggende risico-reducerende maatregelen hoeven te worden getroffen.

Voor gasleiding A515 ligt het groepsrisico in zone 'geel' (GR tussen 0,1 en 1 x OW). Dat houdt in dat de activiteit wordt toegestaan, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1. alle redelijkerwijs te treffen maatregelen zijn getroffen om het risico te reduceren;

2. er bevinden zich geen beperkt zelfredzame personen in de 100% letaliteitszone;

3. de hulpdiensten kunnen adequaat ingrijpen als een calamiteit zich voordoet;

4. de bevolking is goed geïnformeerd over hoe te handelen bij een calamiteit.

Ad 1. Maatregelen

Incidenten die voor kunnen komen zijn een toxische wolk, een plasbrand en een Bleve.

Toxische stoffen: Na een incident op de A4 of de N206 waarbij toxische stoffen vrijkomen is het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, voldoende om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden.

Boiling liquid expanding vapor explosion (Bleve): Bij een calamiteit op de A4 of de N206 met een tankwagen met brandbare gassen (bv LPG) kan een Bleve optreden. Maatregelen die een bijdrage kunnen leveren aan het beperken van de effecten (druk- en hittebelasting) van een eventuele calamiteit zijn bijvoorbeeld het toepassen van brandwerende gevels en splintervrij of gelaagd glas. Deze maatregelen zijn ingrijpend en niet redelijkerwijs uitvoerbaar in bestaande gebouwen of volkstuinhuisjes, zeker niet bij een groepsrisico kleiner dan 0,1 zoals op de A4 of de N206.

Explosies aardgasleidingen: Druk- en hittebelasting kan ook optreden bij een calamiteit bij de hogedrukaardgasleidingen. Ook hier geldt dat maatregelen om de effecten te beperken niet meer redelijkerwijs uitvoerbaar zijn.

Plasbrand: Bij een ongeluk met een transport van brandbare vloeistoffen kan een plasbrand ontstaan. Net als voor de BLEVE geldt ook hier dat in bestaande bouw maatregelen niet meer redelijkerwijs toepasbaar zijn gezien de hoogte van het groepsrisico op de A4 en N206.

Ad 2. Beperkt zelfredzame personen in de 100% letaliteitszone

In het gebied zijn geen objecten gepland, zoals ziekenhuizen, verpleeghuizen, basisscholen, en kinderdagverblijven, waarin verminderd zelfredzame personen verblijven.

Ad 3. Rampenbestrijdingsmogelijkheden

Dit plan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk en aan de wegen naar en in het gebied verandert niets. De Veiligheidsregio Hollands Midden (VRHM) heeft in haar advies geen maatregelen voorgesteld om de EV situatie te verbeteren.

Ad 4. Informatie aan aanwezige personen, alarmering en zelfredzaamheid

Onder zelfredzaamheid wordt verstaan: de mogelijkheid van personen om zichzelf, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten, in veiligheid te brengen. Het zelfredzame vermogen van personen in de omgeving van een risicobron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Incidenten die voor kunnen komen zijn een giftige wolk, een plasbrand en een Bleve.

In het gebied zijn geen objecten voor verminderd zelfredzame personen aanwezig. Van de aanwezige personen mag verwacht worden dat in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen na een alarm.

In geval van een toxische wolk dienen personen binnen te blijven en ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Als er een BLEVE of gasexplosie optreedt dan kunnen de aanwezige personen de locatie verlaten in een richting van de risicobron vandaan.

Conclusie

Voor alle bronnen wordt voldaan aan de PR grenswaarde. Met uitzondering van hogedruk aardgasleiding A515, is het GR voor alle risicobronnen kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Voor gasleiding A515 is het GR 0,255 maal de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico in de omgeving van de risicobronnen neemt ook niet toe. Vanuit oogpunt van externe veiligheid is er geen belemmering voor dit bestemmingsplan en zijn de risico's acceptabel.

4.5.5 Geluid

Landelijke wet-/regelgeving en beleid
Wet geluidhinder

Bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan is het conform de Wet geluidhinder (Wgh) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie.

Als een plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de onderzoekszone van een verkeersweg, een spoorweg, of een gezoneerd industrieterrein valt, moet bij de voorbereiding van een bestemmingsplan akoestisch onderzoek worden verricht naar de geluidsbelasting op nieuwe woningen of andere geluidsgevoelige objecten (bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen) binnen die geluidszone. Een bestemmingsplan kan pas worden vastgesteld indien de geluidbelasting op nieuwe geluidgevoelige functies voldoet aan de voorkeursgrenswaarden genoemd in de Wgh, of indien een besluit is genomen waarin hogere waarden zijn vastgesteld. Voor dit laatste geeft de Wgh een maximale ontheffingswaarde. Voordat een hogere waarde kan worden vastgesteld, dienen eerst maatregelen onderzocht te worden om de geluidbelasting terug te dringen.

Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden op grond van de Wgh. Ook voor deze wegen is het noodzakelijk om een beeld van de geluidsituatie te hebben, ten einde te kunnen beoordelen of de plannen niet strijdig zijn met een goede ruimtelijke ordening.

Indien er fysieke wijzigingen plaatsvinden aan zoneringsplichtige wegen moet onderzocht worden of sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Dit onderzoek richt zich met name op bestaande woningen en andere geluidgevoelige objecten.

Met betrekking tot industrielawaai geldt dat alleen een geluidszone moet worden vastgesteld voor een bedrijventerrein waarop -bedrijven die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken- mogen worden gevestigd. Omdat dergelijke bedrijven zich hier niet mogen vestigen wordt aan de zonering industrielawaai geen nadere aandacht besteed. Hierna wordt wel aandacht besteed aan het geluid van de positief bestemde bedrijven.

Wet milieubeheer/Activiteitenbesluit milieubeheer

Het Activiteitenbesluit milieubeheer dat gebaseerd is op de Wet Milieubeheer is op 1 januari 2008 in werking getreden en bevat algemene milieuregels voor bedrijven. Vrijwel alle artikelen betreffende het aspect geluid staan in afdeling 2.8 "Geluidhinder" van Hoofdstuk 2 "Algemene regels ten aanzien van alle activiteiten" van het Activiteitenbesluit.

Lokale wet-/regelgeving en beleid

Geluidsnota Leiden 2004

Leiden heeft in 2004 de Geluidsnota Leiden vastgesteld. Met deze geluidsnota is voor het eerst het gemeentelijk geluidbeleid, ook het gedeelte zoals dat al jaren werd uitgevoerd, formeel vastgelegd. Dit geluidsbeleid maakt lokaal differentiëren mogelijk en levert zo een passend geluidsniveau per gebied op.

Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet geluidhinder

De Omgevingsdienst West-Holland voert namens de aangesloten gemeenten de procedure hogere waarde uit. Het bestuur van de Omgevingsdienst heeft richtlijnen vastgesteld, die als kader dienen bij het beoordelen van verzoeken van gemeenten om een hogere waarde. Deze richtlijnen hanteren 5 dB lagere normen dan het maximum dat op grond van de Wgh mogelijk is. Deze richtlijn sluit daarmee aan bij het Milieubeleidsplan van de aangesloten gemeenten.

Geluidskaart Leiden (2012), actieplan Leiden (2013)

In het kader van de EU-richtlijn Omgevingslawaai heeft Leiden een geluidskaart en actieplan gemaakt om de situatie met betrekking tot geluidsproductie in beeld te brengen. De richtlijn richt zich vooral op het vaststellen, beheersen en waar nodig gewenst verlagen van geluidsniveaus in de leefomgeving. Het toepassingsgebied beperkt zich tot een aantal gedefinieerde geluidsbronnen, te weten weg- en railverkeer en luchtvaart van een zekere omvang, alsmede specifieke vastgelegde industriële activiteiten.

Nota toetsingskader stemgeluid van horecaterrassen (2016)

Op 12 april 2016 heeft het college van B&W de Nota stemgeluid van horecaterrassen vastgesteld. In de Nota wordt aangegeven hoe de gemeente Leiden omgaat met het stemgeluid van bestaande en nieuwe horecaterrassen in de stad. De Nota bevat naast het toetsingskader een bijlage waarin de geluidsniveaus van alle APV-terrasvergunningen onderzocht zijn.

Situatie plangebied

De berekenende geluidsniveaus met betrekking tot stemgeluid op het horecaterras van restaurant Cronestreyn is opgenomen in bijlage 4. De resultaten zijn in overeenstemming met het gemeentelijke toetsingskader voor stemgeluid op horecaterrassen. De contour van de terrasvergunning zal op de verbeelding worden opgenomen.

Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Aangezien in het plan geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk worden gemaakt, hoeft er hoeft ook geen desbetreffend akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Het aspect geluid staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.5.6 Luchtkwaliteit

Landelijk Beleid en Regelgeving

In de Wet milieubeheer (Wm) zijn kwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. In hoofdstuk 5 paragraaf 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' wordt kortweg aangeduid als de Wet luchtkwaliteit. Het doel van de wet is om mens en milieu bescherming te bieden tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Voor de gezondheid van de mens is een goede luchtkwaliteit van groot belang. Daarom zijn in bijlage 2 van de Wet milieubeheer grenswaarden opgenomen voor een aantal stoffen die als verontreiniging in de lucht voorkomen. In de praktijk richt de aandacht zich vooral op de stoffen stikstofdioxide en fijn stof. Van deze stoffen komen in Nederland concentraties voor die in de buurt van de grenswaarde liggen. De overige stoffen die in bijlage 2 zijn genoemd liggen over het algemeen ver onder de grenswaarden.

Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

De 'Wet luchtkwaliteit' vormt de Nederlandse uitwerking van de Europese normen voor de luchtkwaliteit. Op grond van de Europese regelgeving moet vanaf 2005 overal in Europa worden voldaan aan de grenswaarde voor fijn stof. Voor stikstofdioxide geldt de grenswaarde vanaf 2010. In ons land is het niet gelukt om overal aan de grenswaarden te voldoen. Daarom heeft Nederland om uitstel verzocht. Op 7 april 2009 heeft de Europese Commissie het gevraagde uitstel gegeven. De jaargemiddelde norm voor fijn stof moet uiterlijk in juni 2011 gehaald zijn en de daggemiddelde en jaargemiddelde norm voor NO2 uiterlijk op 1 januari 2015. Om deze normen te halen is een maatregelenpakket opgesteld, dat in een samenwerkingsprogramma van de rijksoverheid en de lagere overheden wordt uitgevoerd. Dit pakket wordt het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) genoemd. Het NSL is op 1 augustus 2009 van kracht geworden en vormt de kern van de Wet luchtkwaliteit. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit 'in betekenende mate' verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren. Het Rijk coördineert het programma. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in besluiten (algemene maatregelen van bestuur) en ministeriële regelingen. Hiervan zijn de volgende van belang.

Besluit en regeling 'niet in betekenende mate'

De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate, ofwel niet in betekenende mate (NIBM), leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten die in betekenende mate bijdragen kunnen worden opgenomen in het NSL, als is aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. Met projecten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging is rekening gehouden in de autonome ontwikkeling van de luchtkwaliteit.

Het Besluit en de Regeling 'niet in betekenende mate' bevat criteria waarmee kan worden bepaald of een bepaald project wel of niet als 'in betekenende mate' moet worden beschouwd.

NIBM projecten kunnen - juridisch gezien - zonder toetsing aan de grenswaarden voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.

Het Besluit gevoelige bestemmingen:

Met dit besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale wegen en rijkswegen beperkt. Het besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof en stikstofdioxide. Gevoelige bestemmingen zijn gedefinieerd als gebouwen met de bijbehorende terreinen van scholen, kinderdagverblijven, en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen en vergelijkbare functies. Woningen worden hier niet toe gerekend. Het besluit voorziet in zones waarbinnen luchtkwaliteitonderzoek nodig is, namelijk 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen, gemeten vanaf de rand van de weg.

Wanneer in de onderzoekszone de grenswaarden voor fijn stof of stikstofdioxide (dreigen te) worden overschreden, mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een 'gevoelige bestemming' niet toenemen. Dit wordt bereikt door op een dergelijke plek de vestiging van de gevoelige bestemming niet toe te staan. Bij uitbreidingen van bestaande gevoelige bestemmingen is een eenmalige toename van maximaal 10 % van het totale aantal blootgestelden toegestaan.

Regionaal beleidskader

Regionaal beleidskader Duurzame Stedenbouw

In het Regionaal beleidskader Duurzame Stedenbouw (RBDS) zijn voor luchtkwaliteit de volgende ambities opgenomen:

Basisambitie

  • Gevoelige bestemmingen (volgens het besluit Gevoelige bestemmingen) op minstens 100 meter van de snelweg.

Extra ambitie

  • Handhaving van 5% tot 10% lagere waarden dan de grenswaarden NO2 en PM10 voor verblijfsgebieden (36 tot 38 g/m3 );
  • Gevoelige bestemmingen op minstens 300 meter van de snelweg;
  • Geen gevoelige bestemmingen of woningen direct langs een drukke weg (>10.000 mrt/et).

Regionaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit

In het Regionale Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit Zuid Holland is een aantal maatregelen ingebracht, die in regio Holland Rijnland worden uitgevoerd. Deze maatregelen zijn opgenomen in het NSL. De uitvoering van deze maatregelen wordt door Omgevingsdienst West-Holland gecoördineerd.

Luchtkwaliteitsplan Leiden en Duurzaamheidsagenda

De planperiode 2005-2010 is afgerond en het plan is geëvalueerd. In 2012 waren er geen overschrijding van de grenswaarden voor fijn stof, maar nog wel voor stikstofdioxide. Daarom is op 26 februari 2013 door het college het Luchtkwaliteitsplan 2012-2014 vastgesteld (BW 13.0166 ). In dit plan zijn de volgende maatregelen opgenomen:

  • Milieuzone voor vrachtverkeer;
  • Vervangende maatregel Groene Golf (Plaatsen elektrische oplaadpunten - Groen vervoer collegeleden;
  • Aanschaf aardgasbusjes Stichting Stadsparkeerplan Leiden);
  • Pilotproject biogas;
  • Resultaatafspraken stikstofdioxide met het ministerie van I&M;
  • Stimuleren elektrisch vervoer (verschillende maatregelen);
  • Mobiliteitsmanagement voor inwoners;
  • Stimuleert fietsgebruik;
  • Onderzoeken mogelijkheden om samen te werken met isme (communicatie).

Een aantal luchtkwaliteitsacties vallen thans onder de Duurzaamheidsagenda (2015), met als doel een bijdrage leveren aan een duurzame stad. Gelijktijdig werkt Leiden samen met partners uit de stad aan een lange termijn visie voor een Duurzaam 2030.

Plangebied

Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Aangezien in het plan geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt die mogelijk een negatief effect heeft op de luchtkwaliteit, staat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.6 Milieueffectrapportage

De milieueffectrapportage is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de 'moederprocedure'. Dit is de procedure op grond waarvan de besluitvorming plaatsvindt, bijvoorbeeld de bestemmingsplanprocedure, of een milieuvergunningsprocedure.

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r.

4.6.1 Plangebied

Dit nieuwe bestemmingsplan vormt geen kader voor eventuele Besluit m.e.r.(beoordelings)plichtige activiteiten. Dit bestemmingsplan biedt geen ontwikkelruimte voor de agrarische bedrijven zoals de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee, varkens (Besluit m.e.r, onderdeel C, categorie 14) en overige diersoorten (Besluit m.e.r., onderdeel D, categorie 14). Vanuit het vigerende bestemmingsplan zijn er geen nog niet gerealiseerde MER-beoordelingsplichtige ontwikkelingsmogelijkheden. Alleen bouwwerken (niet zijnde gebouwen) mogen worden gebouwd van maximaal 1 meter hoogte, bijvoorbeeld schuilhokken. Dit betekent dat MER-plichtige uitbreiding (categorie C/D 14 uit het Besluit m.e.r.) van de veestapel op de weilanden niet aan de orde is.

4.6.2 Conclusie

Omdat dit bestemmingsplan geen kader vormt voor eventuele Besluit m.e.r.- (beoordelings)plichtige activiteiten, is voor de uitvoering van dit bestemmingsplan geen m.e.r.-beoordeling of plan-MER nodig.

4.7 Verkeer en vervoer

4.7.1 Beleidskader
4.7.1.1 Nota Mobiliteit

De Nota Mobiliteit geeft de visie van het rijk op het verkeer en vervoersbeleid weer tot en met 2020. De Nota is in samenwerking met de provincies, gemeenten, kaderwetgebieden en waterschappen tot stand gekomen. De Nota Mobiliteit is een zogenaamde planologische kernbeslissing (pkb), een planfiguur die wordt beschreven in de Wet op de Ruimtelijke Ordening en die de nota zijn wettelijke status geeft. Dit betekent dat eerst een beleidsvoornemen wordt gemaakt, waarna inspraak en advies volgen en tot slot een kabinetsstandpunt met parlementaire behandeling. De ruimtelijke aspecten van het verkeers- en vervoersbeleid komen terug in de Nota Ruimte van het ministerie van VROM.

De minister van Verkeer en Waterstaat heeft op 28 mei 2004 de hoofdlijnennotitie voor de Nota Mobiliteit aan de Tweede Kamer aangeboden. In de hoofdlijnennotitie worden de volgende beleidsdoelen aangegeven:

  • het verbeteren van de internationale bereikbaarheid;
  • het verbeteren van de interne en onderlinge bereikbaarheid van de nationale stedelijke netwerken en economische kerngebieden;
  • een goed functionerend systeem voor het vervoer van personen en goederen als essentiële voorwaarde voor economische ontwikkeling;
  • het inzetten op proces- en technologie-innovatie ter realisering van de beleidsdoelen.

De uitgangspunten bij het realiseren van deze beleidsdoelen zijn betrouwbare reistijden, vlotte en veilige verkeersafwikkeling binnen de (inter)nationale wettelijke en beleidsmatige kaders van milieu en leefomgeving. Een goede bereikbaarheid is een voorwaarde voor de sociale en economische ontwikkeling in Nederland. Op zijn beurt creëert die ontwikkeling weer nieuwe mobiliteit. Mobiliteit mag, maar niet altijd en overal. Mensen moeten mobiel kunnen zijn om maatschappelijk te kunnen participeren.

4.7.1.2 Regionaal verkeer- en vervoerplan (RVVP)

Begin juli 2002 is het ontwerp Regionaal Verkeer- en Vervoerplan verschenen. In dit RVVP met de titel 'De Regio's Verbonden' wordt aangegeven wat de komende jaren het beleid zal zijn voor de Leidse Regio, de Duin en Bollenstreek en de Provincie Zuid-Holland. Met het plan wil men vraagstukken aanpakken die op het gebied van mobiliteit een bijdrage leveren aan een goed klimaat om te wonen, werken en ondernemen in de regio.

Ten aanzien van het plangebied zijn de volgende aandachtsvelden van belang:

Mobiliteit en ruimte; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:

  • a. betere afstemming van de ruimtelijke ontwikkelingen en de vervoersnetwerken
  • b. bundeling van activiteiten op locaties die goed bereikbaar zijn met de vervoermiddelen die daarbij horen; in dit geval het openbaar vervoer
  • c. een uitgekiende ruimtelijke ordening, zodat gebruik van fiets en openbaar vervoer gestimuleerd worden

De fiets; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:

  • a. meer gebruik van de fiets in stedelijke gebieden
  • b. gebruik van fiets als voor- en natransport bij het openbaar vervoer

Openbaar vervoer; dit aandachtsveld stelt de volgende doelen:

  • a. een snel en hoogwaardig verbindend regionaal hoofdnet (RijnGouwe-Lijn)
  • b. het hoofdnet en het onderliggend netwerk moeten afzonderlijk en eenduidig herkenbaar zijn
4.7.1.3 Mobiliteitsnota 2015-2022

Op 28 mei 2015 heeft de gemeenteraad van Leiden de Mobiliteitsnota 2015-2022 vastgesteld. De Leidse agglomeratie wil een regio zijn van internationale kennis, historische cultuur, met een prettige en hoogwaardige woonomgeving, die goed bereikbaar is. Deze ambitie is vertaald in zeven deelambities gericht op verkeer en vervoer:

  • versterken van de hoofdontsluitingsstructuur
  • bereikbaarheid en omgevingskwaliteit in balans brengen
  • stimuleren van langzaam verkeer
  • stimuleren van OV-gebruik
  • bijdragen aan duurzaamheid en aan minder milieuhinder
  • werken aan een gastvrij Leiden
  • moderne technologie meer inzetten ten behoeve van verkeer en vervoer.

Om deze ambities te bereiken benoemt de Mobiliteitsnota een breed pakket aan maatregelen. Aandacht gaat daarbij uit naar verschillende thema's (zoals duurzaamheid en verkeersveiligheid) en vervoerwijzen (zoals fiets en openbaar vervoer).

4.7.1.4 Beleidsregels parkeernormen

Op 1 november 2014 is artikel 3.1.2 van het Besluit ruimtelijke ordening aangepast. Er is een onderdeel aan het Bro toegevoegd op grond waarvan het mogelijk is om zogenaamde 'wet-interpreterende' regels op te nemen in het bestemmingsplan. Geregeld is dat ten behoeve van de goede ruimtelijke ordening in een bestemmingsplan regels kunnen worden opgenomen, waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels. Hiermee is het mogelijk gemaakt om in het bestemmingsplan een regeling voor het parkeren op te nemen, zonder parkeernormen concreet vast te leggen, terwijl toch rekening kan worden gehouden met beleidsregels voor parkeernormen en voor een parkeerbijdrageregeling.

Op 29 november 2014 is vervolgens de Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Deze wet regelt formeel dat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening komt te vervallen. Alle stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening, waaronder de parkeerregeling, moeten worden opgenomen in bestemmingsplannen. Dit houdt in dat voor bestemmingsplannen die na 29 november 2014 worden vastgesteld, artikel 2.5.30 van de bouwverordening vervalt en de parkeerregeling in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Dit is bepaald in het nieuwe artikel 133 van de Woningwet. Er geldt hiervoor een overgangstermijn tot 1 juli 2018: na die datum verliezen de stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening hun (aanvullende) werking. Daarnaast geldt dat plannen, die vanaf de inwerkingtreding van de Reparatiewet in procedure worden gebracht, ook moeten zijn voorzien van een regeling ten aanzien van het parkeren.

In het bestemmingsplan moeten dus regels worden opgenomen ten aanzien van parkeren en laden en lossen. Uitgangspunt is dat bij ontwikkelingen (nieuwbouw of functiewijziging) er voldoende parkeerplaatsen en ruimte voor laden en lossen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn. Hiermee wordt voorkomen dat een nieuwe ontwikkeling te veel nadelige gevolgen voor de omgeving oplevert.

Om te beoordelen wat 'voldoende' parkeerplaatsen zijn heeft het college van B en W op 19 mei 2015 de nota 'Beleidsregels parkeernormen Leiden' vastgesteld (B en W-nr. 15.0461). Deze beleidsregels hebben betrekking op het stellen van een eis tot het aanbrengen van parkeer-/stallingsruimte voor auto's en fietsen op eigen terrein. Ze hebben ook betrekking op de wijze van bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen, in verband met aanvragen voor alle activiteiten, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid Wabo.

Het doel van dit beleid is dat initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten op eigen terrein voorzien in parkeer-/stallingsruimte voor auto's, fietsen, dan wel laad- of losruimte, als daartoe behoefte ontstaat ten gevolge van die ruimtelijke activiteiten. Op deze wijze wordt in het bijzonder de parkeerdruk in de openbare ruimte beperkt, en wordt gezorgd voor voldoende plaats voor geparkeerde auto's en fietsen bij de diverse voorzieningen en functies. De verantwoordelijkheid voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen wordt primair bij de veroorzaker van de parkeervraag gelegd. De ruimte in Leiden is namelijk schaars en de leefbaarheid van wijken hangt nauw samen met het gebruik van de openbare ruimte.

Voor de verschillende zones in Leiden ('binnenstad, binnenstad bij station, schil, schil bij station en rest') en de verschillende functies gelden eigen normen. Aan de hand van deze normen dient per geval in de concrete situatie te worden bepaald welke parkeerbehoefte ontstaat en in hoeveel parkeer-/stallingsruimte moet worden voorzien.

4.7.2 Onderzoeksresultaten
4.7.2.1 Ontsluiting

Het plangebied is in de huidige situatie beperkt ontsloten. De Vlietweg aan de noordzijde is bereikbaar vanaf de Europaweg en ontsluit het volkstuincomplex en de aanliggende bebouwde en onbebouwde percelen. De Vlietweg is tevens onderdeel van de belangrijke recreatieve fietsroute langs de Vliet.

Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Hofvlietweg. Deze weg dient met name ter ontsluiting van het recreatiegebied Vlietland (gelegen ten westen van het plangebied) en daarnaast voor de ontsluiting van de onbebouwde percelen in het zuidelijk deel van het plangebied. De Hofvlietweg is bereikbaar vanaf de aansluiting Europaweg-A4.

De Vrouwenweg ontsluit de woonbebouwing aan de oostzijde van het plangebied (studentenhuisvesting in het voormalige klooster en een rij oudere particuliere woningen).

De Vrouwenweg is nabij de Vlietweg verbonden met de Europaweg. De Europaweg (N206) is een regionale verbinding en tevens een belangrijke toegangsweg naar Leiden vanaf de rijksweg A4, die langs de zuidzijde van het plangebied loopt. In de huidige situatie vervult de Europaweg zelf nauwelijks een functie voor de ontsluiting van het plangebied.

4.7.2.2 Herbestemming volkstuinen

Zoals aangegeven in paragraaf 2.3.6 worden enkele onbebouwde volkstuingronden herbestemd. De CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' geeft als kental dat per 10 volkstuinen op werkdagen tussen de 1,1 en 1,4 autoverplaatsingen gegenereerd worden. Uitgaande van zo'n 150 volkstuinen zou dit voor de Vlietweg om minimaal 165 en maximaal 210 autoverplaatsingen per dag gaan.

De Vlietweg heeft geen doorgaande functie voor het autoverkeer, maar eindigt nabij het Zwetpad. Verder is er een erg beperkt aantal functies langs de Vlietweg. Gezien het beperkte autogebruik van de weg en de ligging in het wegennet, is de weg een erftoegangsweg.

Vanwege het huidige gebruik en de functie van de Vlietweg, én de beperkte verkeersgeneratie van de mogelijke realisatie van de volkstuinen, zijn geen problemen te verwachten voor de afwikkeling of de veiligheid van het verkeer. Hiervoor zijn geen aanpassingen aan de infrastructuur voor nodig.

4.7.3 Conclusie

Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Hetherbestemmen van enkele volkstuingronden is verkeerskundig aanvaardbaar. Voor het langzaamverkeer en recreatieverkeer wordt in dit bestemmingsplan in de relevante bestemmingen fiets-, voet- en ruiterpaden mogelijk gemaakt ten behoeve van de verbetering van de ontsluiting. Het aspect verkeer staat de uitvoering van het bestemmingsplan derhalve niet in de weg.

4.8 Water

4.8.1 Beleidskader

Waterbeheerplan 5 (2016)

Voor de planperiode 2016-2021 zal het Waterbeheerplan 5 (WBP5) van het hoogheemraadschap van Rijnland van toepassing zijn. In dit plan geeft het hoogheemraadschap van Rijnland aan wat haar ambities voor de komende planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Het hoogheemraadschap van Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer. De vier hoofddoelen zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water, gezond water en de waterketen.

Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen.

Bij voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden. Daarbij wil het hoogheemraadschap van Rijnland dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Het waterbeheerplan sorteert voor op deze ontwikkelingen. Gezond water is de zorgplicht om het water schoon zoals past bij de functie van het water te houden. Wat betreft de waterketen, zijnde afvalwater, wordt dit optimaal gezuiverd en onttrokken grondstoffen worden hergebruikt.

Keur en uitvoeringsregels

Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat is maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).

De Keur bevat verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. Er kan een ontheffing worden aangevraagd om een bepaalde activiteit wel te mogen uitvoeren. Als het hoogheemraadschap van Rijnland daarin toestemt, dan wordt dat geregeld in een Keurvergunning. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.

Waterkeringen

Het hoogheemraadschap van Rijnland heeft de zorg voor de waterkeringen (zowel primaire als secundaire) en de instandhouding van de landscheidingen met de aangrenzende waterschappen.

Verharding onbebouwde gronden

Binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland gelden strenge regels om onbebouwde grond te verharden. Bij toename van verharding van de onbebouwde gronden met meer dan 500m2 is compensatie van verharding doormiddel van extra te graven vierkante meters water verplicht. Hiervoor geldt een realisatie- en meldingsplicht als ontheffing van de Keur en uitvoeringsregels van het hoogheemraadschap van Rijnland. De eigenaar van de gronden dient toename van de verharding en de realisatie van extra water te melden bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Bij toename van verharding van om onbebouwde grond met meer dan 5000m2 dient de eigenaar een vergunning aan te vragen bij het hoogheemraadschap van Rijnland.

Waterplan Leiden (2006)

Het waterplan Leiden is opgesteld door de gemeente Leiden en het Hoogheemraadschap van Rijnland. Met het waterplan wordt beoogd om met de partners voor het waterbeheer een visie op integraal waterbeheer in Leiden uit te werken en gezamenlijk beleid te ontwikkelen. Aan de hand van de visie worden projecten gerealiseerd die zich richten op een duurzaam watersysteem voor Leiden, waarbij het beleid, de maatregelen en het beheer tussen de verschillende waterbeherende overheden zowel bestuurlijk als technisch goed op elkaar zijn afgestemd.

Handreiking Watertoets

Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap.

4.8.2 Onderzoeksresultaten
4.8.2.1 Algemeen

Water en ruimtelijke ordening

Het aanwezige watersysteem vormt een belangrijke randvoorwaarde voor wat in een bepaald gebied wel of juist niet mogelijk is en stelt daarmee eisen aan de omgang en inrichting van de beperkte ruimte. Bouwen langs het water kan enorm bijdragen aan het woongenot. Bouwen op de verkeerde plek kan veel ellende geven door wateroverlast. Terecht wordt steeds meer erkend dat water mede sturend dient te zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is inmiddels voor iedereen duidelijk dat het watersysteem meer ruimte nodig heeft om de effecten van klimaatverandering, zeespiegelrijzing en bodemdaling het hoofd te kunnen bieden. Een goede afstemming tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening is daarom noodzakelijk.

Extra aandacht voor water in ruimtelijke plannen in een vroeg stadium van de planvorming is blijvend vereist met het oog op de toekomst en het naleven en uitvoering van de Watertoets, de Kaderrichtlijn Water (KRW), Waterplan Leiden en eisen vanuit waterbeheer.

4.8.2.2 Watertoets

Vooroverleg

In het kader van de Watertoets is het plan in het regulier overleg besproken met het Hoogheemraadschap van Rijnland.

Bodem en grondwater

Volgens de bodemkaart van Nederland (www.bodemdata.nl) bestaat de bodem in het zuidelijke deel van het gebied uit veengrond en in het noordelijke deel uit zeekleigrond.

Er is sprake van de grondwatertrappen II en III. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand op minder dan 0,4 m benden maaiveld ligt en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,5 en 1,2 m beneden maaiveld.

Waterkwantiteit en -kwaliteit

Het plangebied ligt in de Oostvlietpolder met een vast zomerpeil van NAP -2,32 m en een winterpeil van NAP -2,42 m. Binnen het plangebied zijn meerdere polderwatergangen gelegen. Deze polderwatergangen behoren niet tot de Kaderrichtlijn Water (KRW)-lichamen.

Veiligheid en waterkeringen

In het plangebied zijn meerdere regionale waterkeringen aanwezig, onder meer de regionale waterkering langs de Vliet. In het bestemmingsplan hebben de regionale waterkeringen een dubbelbestemming en in de regels is een beschermingsregime opgenomen.

Toekomstige ontwikkelingen 

Het bestemmingsplan is primair conserverend van aard. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Conclusie

Het bestemmingsplan kent een beschermingsregime voor de waterkeringen in het plangebied. Het aspect water staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt op hoofdlijnen ingegaan hoe de juridisch-planologische vertaling heeft plaatsgevonden.

Het juridische deel van een bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en de regels.

De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken.

De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch gezien ook geen deel uit van het bestemmingsplan maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.

5.2 Opzet en volgorde van de regels

De regels van bestemmingsplan Oostvlietpolder 2016 zijn op de volgende wijze opgebouwd.

Hoofdstuk 1

Artikel 1 en 2: Inleidende regels:

Hoofdstuk 2

Artikel 3 t/m 26: Bestemmingsregels:

Hoofdsuk 3

Artikel 27 t/m 32: Algemene regels:

  • Anti-dubbeltelregel
  • Algemene bouwregels
  • Algemene aanduidingsregels
  • Algemene afwijkingssregels
  • Algemene wijzigingsregels
  • Overige regels

Hoofdstuk 4

Artikel 33 en 34: Overgangs- en slotregels:

  • Overgangsrecht
  • Slotregel

5.3 Uitleg van de regels

5.3.1 Inleiding

Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is voor het bestemmingsplan aangesloten bij de landelijke standaard voor bestemmingsplannen: de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012). Tevens is de systematiek van de Leidse Standaardbibliotheek Bestemmingsplannen betrokken bij het opstellen van de planregels en de verbeelding.

5.3.2 Inleidende regels

Begrippen (artikel 1)

In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de regels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt of niet (vaak) voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

Wijze van meten (artikel 2)

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.

5.3.3 Bestemmingsregels

Agrarisch (artikel 3), Agrarisch - Glastuinbouw (artikel 4), Agrarisch met waarden (artikel 5)

Binnen het plangebied is op het perceel Vlietweg 82 een grondgebonden melkveehouderij aanwezig. Daarnaast is aan de Vlietweg achter nr. 40 en 42 een glastuinbouwbedrijf aanwezig. Deze bedrijven hebben een agrarische bestemming gekregen, waarbij het glastuinbouwbedrijf een aparte bestemming heeft gekregen. Binnen de bestemming Agrarisch zijn nevenactiviteiten toegestaan gericht op de agrarische bedrijfsvoering, te weten natuureducatie en de verkoop van streekeigen agrarische producten.

In de bestemming Agrarisch mag 50% van het perceel bebouwd worden. In het bouwvlak is maximaal 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan.

In de bestemming Agrarisch - Glastuinbouw mag het gehele bouwvlak bebouwd worden. Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

Binnen de bestemming Agrarisch met waarden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen toegestaan met een maximale hoogte van 1 m. Binnen deze bestemming is voorts een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen gebouwen zijnde of van werkzaamheden opgenomen ten behoeve van het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden.
Bedrijf- Gas (artikel 6)

Het gasdrukregel- en meetstation heeft de bestemming Bedrijf - Gas gekregen. De gronden zijn onder meer bestemd voor de aanleg en instandhouding van een gasdrukregel- en meetstation, alsmede ondergrondse en bovengrondse leidingen en toebehoren.

Groen (artikel 7)

De bestemming Groen is onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, extensieve dagrecreatie en agrarisch gebruik. Ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' is tevens recreatief gebruik toegestaan, inclusief de daarbij behorende voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'bos' is tevens bosbeheer toegestaan.

Bebouwing is ter plaatse alleen toegestaan in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, om hiermee in beginsel de openheid van het gebied te waarborgen. Ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' is een uitzondering van toepassing, daar kan in beperkte mate een gebouw worden opgericht.

Wanneer zich met in de toekomst initiatieven voordoen die aansluiten bij de nieuwe functie van de polder, maar die niet binnen dit bestemmingsplan passen, kan daarvoor een afzonderlijke ruimtelijke procedure worden doorlopen.

Horeca (artikel 8)

De horecagelegenheid aan de Vlietweg 2 (brasserie Cronensteyn) is bestemd als Horeca. Binnen het bouwvlak is bebouwing toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'terras' is het gebruik als terras toegestaan. Binnen deze bestemming mag een horecabedrijf in de categorie 1 tot en met 3 worden opgericht. Op de planverbeelding is de maximale goot- en bouwhoogte weergegeven.

Natuur (artikel 9)

De bestemming Natuur is onder meer bedoeld voor het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden, agrarisch natuur- en landschapsbeheer, extensieve dagrecreatie en natuureductatie. Op deze gronden is in zeer beperkte mate bebouwing toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'ecologische verbindingszone' is een regeling opgenomen voor de aanleg, ontwikkeling en onderhoud van een doorlopende groene zone met ecologisch karakter. Binnen deze bestemming is voorts een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen gebouwen zijnde of van werkzaamheden opgenomen ten behoeve van het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige natuurwaarden.

Recreatie - Verblijfsrecreatie (artikel 10)

Voor het recreatiepark Vlietpark is de bestemming Recreatie-verblijfsrecreatie opgenomen. De bouwmogelijkheden zijn afgestemd op het vorige bestemmingsplan, met dien verstande dat voor wat betreft de wijze van meten aangesloten is bij de Leidse standaardsystematiek. Recreatieverblijven mogen niet groter zijn dan 40m2 met een maximale goothoogte van 2,5 m en een maximale bouwhoogte van 3,5 m. De vergunde recreatieverblijven met een afwijkende maatvoering zijn via een bijlage bij de regels (als uitzonderingen op de hoofdregeling) positief bestemd. In de bijlage zijn ook de bestaande recreatieverblijven nabij de oorspronkelijke ecologische zone opgenomen. Permanente bewoning en het bedrijfsmatig exploiteren van recreatieverblijven is niet toegestaan.

Voor een verenigingsgebouw geldt een maximale inhoud van 500m3, een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 5 m. Voor het verenigingsgebouw zijn mogelijkheden geboden voor ondersteunende horeca en detailhandel.

Recreatie - Volkstuinen 1 (artikel 11)

Ook voor de volkstuinen geldt dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden uit het vorige bestemmingsplan in beginsel gerespecteerd worden, met dien verstande dat voor wat betreft de wijze van meten aangesloten is bij de Leidse standaardsystematiek en het volkstuinkarakter duidelijker is omschreven.

Volkstuinhuisjes mogen niet groter zijn dan 40m2 met een maximale goothoogte van 2,5 m en een maximale bouwhoogte van 3,5 m. In de volkstuinhuisjes is verblijfsrecreatief medegebruik toegestaan. Permanente bewoning is niet toegestaan.

Voor een verenigingsgebouw geldt een maximale inhoud van 500m3, een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 5 m. Voor het verenigingsgebouw zijn mogelijkheden geboden voor ondersteunende horeca en detailhandel.

Recreatie - Volkstuinen 2 (artikel 12)

Voor de herbestemde volkstuinen in de zone Recreatie- Volkstuinen 2 geldt een strenger regime qua bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. Per volkstuinperceel mag maximaal 30% van het volkstuinperceel tot een maximum van 15m2 aan gebouwen worden opgericht. Verblijfsrecreatief medegebruik en permanente bewoning is niet toegestaan.

Binnen de bestemming is maximaal één verenigingsgebouw toegestaan. Hiervoor geldt een maximale inhoud van 500m3, een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 5 m. Voor het verenigingsgebouw zijn mogelijkheden geboden voor ondersteunende horeca en detailhandel.

Binnen de bestemming is tevens agrarisch natuur- en landschapsbeheer toegestaan conform de huidige situatie.

Verkeer (artikel 13)

De doorgaande wegen in het plangebied zijn bestemd als Verkeer. Binnen de bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd.

Water (artikel 14)

Het bestaande water en waterhuishoudkundige voorzieningen zijn bestemd als Water. Binnen de bestemming Water zijn tevens, daar waar aangeduid, woonschepenligplaatsen toegestaan. Het aantal ligplaatsen binnen het aanduidingsvlak mag niet meer bedragen dan 3. In de planregels zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van maximale lengte, breedte en diepte, een en ander conform het Ligplaatsenplan.

Binnen de bestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Gezien de recreatieve functie van het gebied worden bruggen voor fietsers en wandelaars mogelijk gemaakt binnen de bestemming Water, behalve ter plaatse van de Vliet.

Wonen - 1 (artikel 15) en Wonen - 2 (artikel 16)

De bestemmingen Wonen -1 en Wonen-2 bevatten de bestaande woonbebouwing langs de Vlietweg en de Vrouwenweg. De bestemmingen zijn ingericht volgend de Leidse Standaardbibliotheek bestemmingsplannen, wat uitgaat van een bouwvlak en een erfaanduiding waarbinnen bebouwing is toegestaan. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd met gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Bij Wonen-1 is voor de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte op de verbeelding per bouwvlak een matrix opgenomen. Bij Wonen 2 is de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte geregeld in de planregels. De voorgevel van een woning moet worden gesitueerd in de voorgevelrooilijn. Enkele beeldbepalende panden hebben de aanduiding 'karakteristiek' gekregen.

Buiten het bouwvlak gelden andere regels voor gebouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak zijn slechts toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'erf''.

Bij de bestemming Wonen-2 is (als overgangssituatie) een extra artikel toegevoegd, dat het mogelijk maakt om hoofdgebouwen uit te breiden buiten het bouwvlak in aansluiting op de vigerende bouwmogelijkheden. Aan deze overgangssituatie is een wijzigingsbevoegdheid gekoppeld om a) de maximale planologische goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen te wijzigen naar de bestaande goot- en bouwhoogten en b) de ongebruikte bouwrechten met betrekking tot de vergroting van het hoofdgebouw te schrappen. Van deze bevoegdheid kan pas na 18 maanden na het in werking treden van het bestemmingsplan gebruik gemaakt worden, zodat eigenaren nog in de gelegenheid worden gesteld hier gebruik van te maken voordat de regeling definitief wordt aangepast.

Qua gebruik is naast wonen onder meer ook aan-huis-verbonden beroeps- /bedrijfsactiviteiten en het hobbymatig houden van dieren toegestaan. Daarnaast ter plaatse van de aanduiding 'paardenpension' en 'paardenbak' ook een paardenpension en paardenbak en ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' een aantal gemengde functies. Voorts is ter plaatse van de Vlietweg 1 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor kleinschalige woningbouw. Ook is er persoonsgebonden overgangsrecht opgenomen voor het perceel Vlietweg 46-58 met betrekking tot melkveeactiviteiten.

Tenslotte is er een regeling opgenomen, waarmee nadere eisen gesteld kunnen worden aan de situering van bebouwing in relatie tot het behoud van de landschappelijke waarden.

Leiding - Gas 1 (artikel 17) en Leiding Gas 2 (artikel 18)

De gronden met de bestemming Leiding - Gas 1 en Leiding - Gas 2 zijn mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hoge druk gastransportleiding met een druk van ten hoogste 40 resp. 66,2 Bar. De bestemming voorziet in een beschermde regeling met aanlegvergunningsstelsel terzake.

Leiding - Water (artikel 19)

De gronden met de bestemming Leiding - Water zijn mede bestemd voor een ondergrondse drinkwatertransportleiding, ruwwatertransportleiding en/of effluentleiding. De bestemming voorziet in een beschermde regeling met aanlegvergunningsstelsel terzake.

Waarde - Archeologie (artikelen 20 tot en met 24)

Conform het gemeentelijk archeologiebeleid zijn de binnen het plangebied voorkomende archeologische verwachtingswaarden als archeologische dubbelbestemming opgenomen. Het betreft de archeologische verwachtingswaarden 3, 5 en 7. Daarnaast heeft het 'kanaal van Corbulo' (conform de Verordening Ruimte) een aparte bescherming gekregen met de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 8. Het gebied van zeer hoge archeologische waarde (eveneens conform de Verordening Ruimte) heeft de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 9 gekregen.

Waarde - Landschap (artikel 25)

Ter bescherming het behoud, herstel en de instandhouding van de aanwezige landschappelijke waarden is de bestemming Waarde - Landschap toegevoegd. Deze bestemming bevat een aanlegvergunningsstelsel voor een aantal werken en werkzaamheden.

Waterstaat - Waterkering (artikel 26)

De gronden met een waterkerende functie zijn voorzien van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. In beginsel is het is uitsluitend toegestaan om ten behoeve van de dubbelbestemming te bouwen. Werkzaamheden ten behoeven van de andere ter plaatse opgenomen bestemming is uitsluitend mogelijk via een afwijkingsbevoegdheid, onder de voorwaarde dat hiermee het waterkeringsbelang niet wordt geschaad.

5.3.4 Algemene regels

De algemene regels bevatten de volgende artikelen:

Antidubbeltelregel (artikel 27)

De antidubbeltelregel bepaalt dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.

De antidubbeltelregel is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De Wro bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Dit hoeft dus niet in de regels te worden opgenomen. Hetzelfde geldt voor de strafbepaling.

Algemene bouwregels (artikel 28)

In de algemene bouwregels is zijn regels opgenomen met betrekking tot bestaande maten, ondergronds bouwen en karakteristieke bebouwing.

Algemene aanduidingsregels (artikel 29)

Deze regels hebben betrekking op de vrijwaringszone van de gebiedsaanduiding molenbiotoop. In deze regels wordt bepaald dat een gebouw, bouwwerk of beplanting moet voldoen aan de molenbiotoopregeling van de provincie Zuid-Holland.

Ook is een veiligheidszone opgenomen vanwege het gasbedrijf ten aanzien van beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten zoals bedoeld in het Bevi.

Tenslotte is de geurcontour van de waterzuiveringsinstallatie aangegeven. Binnen deze contour zijn geen nieuwe geurgevoelige objecten toegestaan.

Algemene afwijkingsregels (artikel 30)

Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van het bestemmingsplan in verschillende specifieke gevallen. Het betreft hier bijvoorbeeld het afwijken van de maatvoering, overschrijding van bouwgrenzen en ondergeschikte dakopbouwen.

Algemene wijzigingsregels (artikel 31)

Op grond van de algemene wijzigingsregels, kan onder voorwaarden ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied 2' een gezondheidscentrum gerealiseerd worden. Er zijn regels opgenomen waaraan de wijziging moet voldoen.

Overige regels (artikel 32)

De overige regels verwijzen naar andere wetgeving die relevant is voor het bouwen, zoals de bouwverordening.

5.3.5 Overgangs- en slotregels

Overgangsregels (artikel 33)

Het overgangsrecht is opgenomen in het Bro met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan.

De overgangsregels bevatten bepalingen omtrent het voortzetten van gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is.

Eenzelfde regeling is opgenomen voor bouwwerken die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering zijn, dan wel gebouwd kunnen worden krachtens een bouwvergunning.

Indien zo'n bouwwerk afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, het bouwwerk

    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

Slotregels (artikel 34)

In de slotregels worden de regels van dit bestemmingsplan aangehaald.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient inzicht te worden gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. Voor wat betreft de economische uitvoerbaarheid kan worden gesteld dat het hier bestaande situaties betreft waaraan een geactualiseerde juridisch-planologische regeling is toegekend.

Grondexploitatiewet

Met de inwerkingtreding van de Wro per 1 juli 2008 is tevens de Grondexploitatiewet in werking getreden. De Grondexploitatiewet is van toepassing als een bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch faciliteren van bouwplannen, zoals bepaald in het Bro. Onderhavig bestemmingsplan bevat, ondanks het conserverende karakter, de mogelijkheid om (nog niet gerealiseerde) hoofdgebouwen in de vorm van verenigingsgebouwen op te richten. Het merendeel van deze gronden zijn in eigendom van de gemeente Leiden, waardoor kostenverhaal anderszins is verzekerd. Voor de overige gronden wordt gesteld dat het kostenverhaal niet het drempelbedrag van 10.000 euro zal overschrijden. Voor onderhavig bestemmingsplan hoeft derhalve geen exploitaitieplan te worden opgesteld.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zien. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Het is vrijwel niet mogelijk iedereen tevreden te stemmen: bij het tegen elkaar afwegen van de diverse belangen kan het altijd mogelijk zijn dat één belang minder gewicht wordt toegekend dan het ander.

6.2.2 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders overleg met de besturen van bij het plan betrokken waterschappen plegen. Waar nodig plegen zij tevens overleg met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

Gedurende de inspraaktermijn op het voorontwerp bestemmingsplan zijn de relevante instanties in de gelegenheid gesteld te reageren op het voorontwerp bestemmingsplan.

6.2.3 Inspraak

In Leiden is de Participatie- en inspraakverordening van kracht. Op grond van die verordening is er voor dit bestemmingsplan een inspraakprocedure gevolgd. Van 31 juli 2014 tot en met 10 september 2014 konden inspraakreacties worden ingediend. De inspraakreacties zijn betrokken bij de verdere besluitvorming van dit bestemmingsplan. Eventuele wijzigingen als gevolg hiervan zijn meegenomen in het ontwerp bestemmingsplan. De inspraaknota is als bijlage 5 toevoegd aan de plantoelichting.

6.2.4 Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingsplan zal gedurende een termijn van zes weken voor zienswijzen ter visie worden gelegd. In die termijn kan eenieder een zienswijze tegen het ontwerp indienen.

Ingediende zienswijzen zullen worden betrokken bij de uiteindelijke vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad.