direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Duineveld
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ten westen van de Nieuwe Zeeweg en ten zuiden van de Prins Hendrikweg in Noordwijk aan Zee ligt het terrein waar zwembad Bollenbad met bijbehorende sportvelden tot enkele jaren geleden gevestigd was. Het zwembad is sinds 2014 verplaatst naar een nieuw complex (zwembad BinnenZee) ten zuiden van de voormalige locatie. Ter hoogte van de vrijgekomen gronden bestaat al meerdere jaren het voornemen woningbouw te realiseren. Op 9 maart 2010 heeft het college voor de toenmalige woningbouwplannen en het zwembad één vrijstellingbesluit genomen middels een buitenplanse afwijkingsprocedure. De ruimtelijke onderbouwing voor deze vrijstelling is in bijlage 1 toegevoegd.

Door wijzigingen in de planontwikkeling en het woningbouwprogramma ten opzichte van de eerder vergunde planvorming, past de gewenste ontwikkeling niet binnen de vigerende juridisch-planologische kaders. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken dient een bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied ligt ten westen van de Nieuwe Zeeweg en ten zuiden van de Prins Hendrikweg, in het duinengebied van Noordwijk aan Zee, gemeente Noordwijk. Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de woonwijk Dobbelmannduin waar met name vrijstaande villa's gerealiseerd zijn. Ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Nieuwe Zeeweg, liggen de sportvelden van de hockeyclub, tennis- en korfbalvereniging. Het plangebied grenst aan de zuidzijde aan de nieuwe locatie van zwembad BinnenZee. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0001.jpg"

Figuur 1.1. Globale ligging plangebied met in het westen de kern Noordwijk aan Zee (bron: ArcGIS)

1.3 Vigerend bestemmingsplan en planvorm

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Sportfondsenbad' van de gemeente Noordwijk. In het bestemmingsplan zijn de gronden grotendeels bestemd ten behoeve van een zwembadcomplex en de daarbij behorende gebouwen en voorzieningen. Er is een bouwvlak aanwezig met een bebouwingspercentage van 10%. Ten behoeve van de benodigde verkeers-, parkeer- en nutsvoorzieningen zijn specifieke bestemmingen opgenomen. De beoogde woningbouw inclusief herinrichting van het openbaar gebied past zowel voor wat betreft gebruiks- als bebouwingsmogelijkheden niet binnen de juridisch-planologische kaders van het vigerend bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0002.jpg"

Figuur 1.2. Vigerende plankaart bestemmingsplan 'Sportfondsenbad'

Ook wijkt het planvoornemen af van de in 2010 vergunde bouwplannen. Deze bouwplannen betroffen, naast de realisatie van een nieuw zwembad, de bouw van 203 woningen in verschillende typologieën. Deze bebouwing voorzag in 49 eengezinswoningen aan de rand van het voormalige Bollenbadterrein. De overige woningen zouden gerealiseerd worden als appartementen in diverse complexen. De maximale bouwhoogte is vergund op 22 meter +NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0003.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0004.jpg"

Figuur 1.3 Vergunde bouwplan 2010 met hoogtematen (bron: Van Egmond Totaal Architectuur)

Omdat de woningbouwplannen gewijzigd zijn en niet passen binnen het vigerend bestemmingsplan en binnen de uitgangspunten van de verleende vergunning, moet een nieuw juridisch-planologisch kader worden opgesteld. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en wordt vervolgens ingegaan op de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Vervolgens is in hoofdstuk 4 de toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de relevante omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de juridische regeling van dit bestemmingsplan. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid nader toegelicht.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie en planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie

Aan de noord- en oostzijde wordt het plangebied begrenst door de Prins Hendrikweg en de Nieuwe Zeeweg. De Nieuwe Zeeweg is een belangrijke ontsluitingsweg tussen Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee. Ook vormt deze weg een belangrijke ontsluiting van de oude dorpskern van Noordwijk Binnen met de zee. De Prins Hendrikweg ligt in het verlengde van de Duinweg en vormt deels de grens van de bebouwde kom van Noordwijk aan Zee. Aan de zuidwestzijde grenst de locatie aan (voormalige) bollengronden.

Het plangebied is gelegen in het Middengebied van de gemeente Noordwijk. Het Middengebied vormt een overgang tussen Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee. Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit grasland met enkele bomen. In het gebied is daarnaast een vijver en sloot gelegen. De bebouwing en voorzieningen behorend bij het voormalig zwembad Bollenbad met bijbehorende sportvelden zijn niet meer aanwezig.

Het huidig terrein wordt gekenmerkt door een dynamisch reliëf. Aan de noordzijde van het plangebied ligt een steil opgaande duinrand richting de Prins Hendrikweg die, door de aanwezigheid van bomen, een groene afscheiding vormt naar de naastgelegen woonwijk. Ook is er een verloop in maaiveld vanaf de Nieuwe Zeeweg richting de (voormalige) bollengronden.

Een impressie van de huidige situatie is weergegeven in figuur 2.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0006.jpg"

Figuur 2.1 Impressies bestaande situatie

2.2 Beoogde situatie

2.2.1 Varianten en flexibiliteit

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van grondgebonden woningen in de diverse typologieën en een appartementen gebouw nabij het park. In de stedenbouwkundige opzet zoals hieronder weergegeven, is een impressie opgenomen van de toekomstige bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0007.jpg"

Figuur 2.2 Impressie stedenbouwkundige opzet (bron: Van Egmond Totaal Architectuur)

Enige flexibiliteit ten aanzien van het aantal woningen en de gewenste typologie is daarbij ten aanzien van de definitieve planvorming nog mogelijk. Deze flexibiliteit uit zich in de verbeelding en regels van dit bestemmingsplan. Hierin zijn randvoorwaarden opgenomen voor de beoogde ontwikkeling, zoals het maximaal aantal woningen en de locatie van de voorgevelrooilijn. In het midden van het plangebied is het daarmee toegestaan zowel aaneengebouwde woningen, geschakelde woningen, twee-aaneengebouwde woningen als vrijstaande woningen te realiseren tot een hoogte van 12 meter.

Voor de toetsing van het planvoornemen (ook voor wat betreft milieuaspecten) is uitgegaan van de maximale variant die planologisch mogelijk gemaakt wordt met in totaal 137 woningen. Dit is de variant met 97 grondgebonden woningen en 40 appartementen.

De twee-aaneengebouwde woningen en vrijstaande woningen worden in de maximale variant op bepaalde plekken omgezet naar rijwoningen. Voor deze flexibiliteit is gekozen om in te kunnen spelen op wensen vanuit de markt. Om anderzijds ook ruimtelijke kwaliteit te bieden zijn deze rijwoningen niet overal binnen het plangebied toegestaan. Ter plaatse van de entree van de wijk zijn namelijk aaneengebouwde woningen en tevens richting het toekomstige landschapspark uitgesloten. Ter plaatse het rode vlak in figuur 2.3 zijn ten opzichte van de stedenbouwkundige opzet tevens rijwoningen woningen, deze bepaling is vastgelegd op de verbeelding.

De locatie van de beoogde appartementengebouwen is wel strikt vastgelegd in voorliggend bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0008.jpg"

Figuur 2.3 Maximale variant, ter plaatse het rode vlak zijn tevens rijwoningen toegestaan

2.2.2 Stedenbouwkundige uitgangspunten

Bij de stedenbouwkundige opzet van het nieuwe woongebied is aansluiting gezocht bij de villawijk van de Dobbelmannduin. Een slingerende hoofdontsluitingsweg vormt de toegang tot de nieuwe wijk Duineveld. Vanaf de hoger gelegen Nieuwe Zeeweg daalt deze weg af naar het nog aan te leggen landschapspark ten westen van het plangebied en wordt een doorkijk gegeven tussen de nieuw te realiseren appartementengebouwen naar dit open park. Deze hoofdroute door de wijk wordt aan de zuidzijde begeleid door korte woonblokken in een strakke rooilijn. Aan de noordzijde is deze grens juist wat losser en wordt deze gevormd door een meanderende en oplopende groenstrook met duingrassen. Deze groenzone vormt een natuurlijke erfscheiding met de achterliggende tuinen van de woningen. Vanuit deze hoofdroute vormen twee korte doorlopende lussen de feitelijke woonstraten. De woningen langs de Nieuwe Zeeweg vormen het gezicht van de wijk naar het dorp.

Qua verkeersafwikkeling is de nieuwe wijk Duineveld zo veel mogelijk gescheiden van het zwembad BinnenZee. Ook voor het parkeren is geen sprake van dubbelgebruik. Het parkeren wordt voor een deel voorzien op eigen terrein van de grondgebonden woningen. Daarnaast voorziet het plan in een parkeergarage bij de appartementen, in het achterste (meest zuidelijke) deel van het plangebied. Ook worden op verschillende locaties aan de nieuwe interne weg openbare parkeerplaatsen voorzien.

2.3 Inpasbaarheid

2.3.1 Ruimtelijk en stedenbouwkundig

De ruimtelijke structuur van Duineveld sluit aan op de opzet van de villawijken in de duinen in Noordwijk. Losse en grotere bouwvolumes bevinden zich in een verspringende rooilijn aan korte meanderende woonstraten met een informeel karakter. De natuurlijke glooiing van het landschap vanaf de hoger gelegen Nieuwe Zeeweg naar het binnengebied draagt bij aan dit karakter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0009.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0010.jpg"

Figuur 2.4 Plandoorsnedes Duineveld (bron: Van Egmond Totaal Architectuur)

In aansluiting op de reeds vergunde situatie (figuur 1.3 en 2.5) en ten behoeve van de benodigde flexibiliteit, ligt de maximale toegestane bouwhoogte ten behoeve van de appartementencomplexen in voorliggend bestemmingsplan ook op 22 meter +NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0011.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0012.jpg"

Figuur 2.5 Plandoorsnedes vergunde bouwplan 2010 (bron: Van Egmond Totaal Architectuur)

2.3.2 Functioneel

De nieuwe woonwijk Duineveld ligt direct naast de villawijk Dobbelmannduin en tussen de kernen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen. Het plangebied is onderdeel van de zogenaamde binnenduinrand. De binnenduinrand loopt tussen de beide kernen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen. Het middengebied functioneerde als de dorpsrand van beide kernen met de daarbij behorende verrommeling. Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee stonden als het ware met hun rug naar elkaar toe. In de loop van de jaren zijn in het gebied sportvoorzieningen geplaatst zoals zwembad BinnenZee en is de bebouwing inclusief het aantal woningen toegenomen. De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een woonwijk en past daarmee in de functionele uitgangspunten voor dit gebied zoals opgenomen in de Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030.

Hoofdstuk 3 Ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

Het bestemmingsplan dient getoetst te worden aan het nu geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid nader beschreven.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Doelen

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Toetsing

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimt kent een dusdanig hoog abstractieniveau dat er geen directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma’s op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmings- en inpassingsplannen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen, inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het gaat om kaders voor bijvoorbeeld rijksvaarwegen, het kustfundament, project Mainportontwikkeling Rotterdam en grote rivieren.

Toetsing

Het Barro kent geen concrete kaders, directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma’s die op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er moet worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte is (trede 1) aan de beoogde ontwikkeling, of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en (voor zover de ontwikkeling niet-binnenstedelijk is) of de locatie multimodaal kan worden ontsloten (trede 3).

Toetsing

De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van 137 nieuwe woningen inclusief een herinrichting van het openbaar gebied en betreft daarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. Voor toetsing aan trede 1 van de ladder wordt verwezen naar paragraaf 3.3. Stap 2 in de ladder bepaalt dat een ontwikkeling binnen 'bestaand stedelijk gebied' moet plaatsvinden. Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan 'het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het plangebied is omsloten door infrastructuur, ingeklemd tussen de sportvoorzieningen en woningen en past daarmee binnen de definitie van 'bestaand stedelijk gebied'. Het plangebied is daarnaast multimodaal ontsloten zoals weergegeven in de paragraaf 4.2.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het rijksbeleid.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Visie Ruimte en Mobiliteit

De provincie stuurt op (boven)regionaal niveau op de inrichting van de ruimte in Zuid-Holland. De Visie ruimte en mobiliteit (VRM), vastgesteld op 9 juli 2014, geeft op hoofdlijnen sturing aan de ruimtelijke ordening en maatregelen op het gebied van verkeer en vervoer. Hoofddoel van de VRM is het scheppen van voorwaarden voor een economisch krachtige regio. Dat betekent: ruimte bieden om te ondernemen, het mobiliteitsnetwerk op orde en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. De VRM bevat een nieuwe sturingsfilosofie. De kern daarvan is:

  • Ruimte bieden aan ontwikkelingen.
  • Aansluiten bij de maatschappelijke vraag naar woningen, bedrijfsterreinen, kantoren, winkels en mobiliteit.
  • Allianties aangaan met maatschappelijke partners.
  • Minder toetsen op regels en meer sturen op doelen.

In de VRM zijn voor ruimte en mobiliteit vier speerpunten benoemd:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving

Wonen

De woningmarkt is een voorraadmarkt. In het overgrote deel van de vraag kan worden voorzien door (her)gebruik, vernieuwbouw, renovatie, verhuur en verkoop van de bestaande voorraad. In een deel van de behoefte aan eengezinswoningen kan bijvoorbeeld worden voorzien doordat woningen vrijkomen door verhuizing naar zorgeenheden of door het overlijden van ouderen. De provincie verwacht van gemeenten dat zij met elkaar in regionale visies vanuit dat perspectief vertrekken. Dat wil zeggen dat inzicht wordt gegeven in de mogelijkheden die de bestaande voorraad en doorstroming bieden, dat voorraad- en huisvestingsbeleid worden vastgesteld en dat daaruit volgende acties worden geformuleerd. Het bouwprogramma is het sluitstuk, dat volgt uit kwalitatieve en kwantitatieve behoefteramingen en uit de voorziene ontwikkeling van voorraad en de bewoning daarvan.

De provincie biedt de gemeenten hiervoor een referentiekader aan via woningmarktverkenningen. Woningbouw zal voor het grootste deel plaats moeten vinden in de stedelijke agglomeratie. Maar ook daarbuiten is er bouwbehoefte. Het grootste deel van de bouwbehoefte betreft woningen in een centrumstedelijk, buitencentrum- of centrumdorps milieu. Maar ook in andere milieus moet worden bijgebouwd. De provinciale kwantitatieve en kwalitatieve behoefteramingen, die eens per drie jaar worden geactualiseerd, vormen een referentiekader voor het gesprek tussen provincie en regio’s over de actualisering van regionale woonvisies. De hoofdlijnen van dat kader staan in het Programma ruimte.

Toetsing

Het plangebied ligt in het bestaand stads- en dorpsgebied ('bebouwde ruimte'), zoals zichtbaar in figuur 3.1. De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten. Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Verder blijven ook buiten de bebouwde ruimte nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk.

Het voorliggende plan voorziet in een herontwikkeling waarbij de gronden behorend bij het voormalige zwembad worden getransformeerd tot woongebied. Met deze transformatie wordt een bijdrage geleverd aan het opvangen van de (regionale) behoefte aan nieuwe woningen door middel van het opwaarderen van gronden binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan de provinciale doelstelling 'beter benutten en opwaarderen van wat er is'. Ook wordt er door de herontwikkeling van het gebied een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0013.jpg"

Figuur 3.1. Ligging plangebied in 'bestaand stads- en dorpsgebied'

Direct ten noordoosten van het plangebied ligt een door de provincie aangewezen stedelijke groenstructuur met specifieke beschermingswaarden. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn onder voorwaarden mogelijk. Omdat het plangebied slechts grenst aan deze groenstructuur heeft dit geen beperkingen voor de beoogde ontwikkeling tot gevolg. In het zuidwesten ligt een door de provincie aangewezen recreatiegebied waar in de toekomst ook een landschapspark is beoogd. Behoud van deze recreatiegebieden zijn van belang om verbindingen tussen stad en land te creëren.

Het plangebied is tevens onderdeel van een door de provincie aangewezen 'stads- of dorpsrand' zoals zichtbaar in figuur 3.2. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van een stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu doordat stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen en er vaak sprake is van vrij uitzicht. In de voorgenomen planontwikkeling is stedenbouwkundig gezien een relatie gezocht met het naastgelegen open landschap waar in de toekomst een park is beoogd. In hoofdstuk 2 is hier nader op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0014.jpg"

Figuur 3.2 Gedeeltelijke ligging van het plangebied in 'stads- of dorpsrand'

3.3.2 Verordening ruimte 2014

De Verordening ruimte Zuid-Holland is vastgesteld in samenhang met de Visie Ruimte en Mobiliteit en het Programma Ruimte. De visie bevat de hoofdzaken van het ruimtelijk beleid en het mobiliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het ruimtelijk beleid is uitgewerkt in het Programma Ruimte. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van doorwerking van een deel van het ruimtelijk beleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen.

De verordening bevat regels ten aanzien van een aantal belangrijke ruimtelijke onderwerpen, zoals kantoren, bedrijventerreinen, glastuinbouw- en bollenteeltgebied, archeologie en provinciale vaarwegen. Een aantal van deze onderwerpen is hier onder uitgelicht.

Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 2.1.1)

De verordening schrijft voor dat stedelijke ontwikkelingen primair plaatsvinden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Alleen als binnen bestaand stads- en dorpsgebied geen ruimte is voor een specifieke stedelijke ontwikkeling kan een nieuw uitleglocatie buiten bestaand stads- en dorpsgebied in gebruik worden genomen. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is hierbij het uitgangspunt. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken.

Toetsing

De realisatie van woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling die getoetst moet worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van circa 65 woningen minder dan vergund in 2010. De relevante regio voor toetsing van een woningbouwontwikkeling is de regio Holland Rijnland.

Trede 1

Kwantitatief

Uit de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) blijkt dat er tot 2020 regionaal een woningbehoefte is van circa 40.000 extra woningen. Voor Noordwijk ligt de totale taakstelling op circa 3.000 woningen. Tot 2019 moeten er nog circa 2.000 woningen gerealiseerd worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0015.jpg"

Figuur 3.3 Woningbouw opgave per gemeente (bron: Regionale Structuurvisie 2020)

De Regionale Structuurvisie heeft nadere uitwerking gevonden in de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2014-2019. Deze regionale woonvisie is vastgesteld op 17 december 2014 en wordt door de provincie gebruikt om bestemmingsplannen te toetsen. Voor het bepalen van de kwantitatieve behoefte aan woningbouw in de regio wordt aangesloten bij de WBR2013 (inmiddels WBR2016). Naast een regionale behoefte bestaat er namelijk ook nog een bovenregionale behoefte aan woningbouw die opgevangen moet worden. Op basis van de WBR2016 (die uitgaat van hogere aantallen benodigde woningbouw ten opzichte van de WBR2013) ligt er voor de gemeente Noordwijk een behoefte aan nog eens 783 woningen in de periode 2015-2019. Voor de periode 2020-2024 ligt de behoefte op nog eens 318 woningen en van 2025-2029 moeten er nog 20 extra woningen gerealiseerd worden. De behoefte voor Noordwijk is zodanig bijgesteld dat de behoefte op korte termijn (tot 2019) verhoogd is en na deze periode afneemt. Voor de gehele regio Holland Rijnland geldt deze ontwikkeling. Het planvoornemen geeft mede invulling aan deze woningbehoefte op de korte termijn.

Kwalitatief

In de Toekomstvisie Noordwijk 2025 heeft de gemeente Noordwijk aangegeven een 'kwalitatieve groei' te willen doormaken. Noordwijk wil een aantrekkelijke verblijfplaats zijn. De gemeente Noordwijk wil de doorstroming op de woningmarkt verbeteren door gericht woningen toe te voegen die op korte en middellange termijn bijdragen aan het verminderen van de spanning op de woningmarkt. In de toekomstvisie wordt geconcludeerd dat in Noordwijk behoefte is aan duurdere sociale en geliberaliseerde huurwoningen met meer kwaliteit, waarbij ook ruimte is voor het toevoegen van duurdere koopwoningen.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van zowel grondgebonden woningen in diverse typologieën als appartementen. De kwalitatief hoogwaardige woningen worden voornamelijk aangeboden in de dure koopsector en zijn geschikt voor meerdere doelgroepen, waaronder gezinnen en senioren. Door deze differentiatie in woningtypes en het toevoegen van woningen in de duurdere prijsklasse kan de gewenste doorstroming op de (regionale) woningmarkt bevorderd worden.

Trede 2

De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied zoals blijkt uit figuur 3.1. Door middel van herontwikkeling worden de gronden getransformeerd tot woongebied.

Trede 3

De ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. Hierdoor hoeft trede 3 niet te worden doorlopen.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het provinciaal beleid.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Regionale Structuurvisie 2020 (2009)

Op 24 juni 2009 is de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) door Holland Rijnland vastgesteld. De RSV verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020 met een doorkijk naar 2030. De deelnemende gemeenten werken samen aan ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. Een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio zijn daarbij het streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten.

Doel is het voorzien in voldoende woningen in gedifferentieerde woonmilieus zodat de regio een topwoonregio in de Randstad wordt. Aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een uitgangspunt. Ten aanzien van woningbouw zijn de volgende kernbeslissingen geformuleerd:

  • tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden;
  • per gemeente wordt 30% van de woningbouw in de sociale huursector gerealiseerd;

Toetsing

Noordwijk is onderdeel van de Kustzone die gekenmerkt wordt door een aantrekkelijk woonklimaat, zowel in de kustzone als in het achterland (Noordwijk-Binnen). Dit zorgt voor druk op het woningareaal en de authenticiteit van het gebied. De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van kwalitatief hoogwaardige woningen voor diverse doelgroepen in de duurdere prijsklasse. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve taakstelling en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd.

3.4.2 Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2014-2019

In de regio Holland Rijnland zal het aantal huishoudens de komende 15 jaar toenemen. De woningbehoefte groeit en deze behoefte moet regionaal geaccommodeerd worden. Naast groei van de behoefte wordt de regio vooral geconfronteerd met een veranderende samenstelling van de huishoudens door vergrijzing en gezinsverdunning. Daar moeten de gemeenten in hun woningbouwprogrammering rekening mee houden.

In de Regionale Woonagenda 2014 wordt de gewenste ontwikkelrichting op hoofdlijnen aangegeven. Het is een leidraad waarmee de gemeenten binnen Holland Rijnland optimaal hun bijdrage kunnen leveren aan de versterking van de regionale woningmarkt. Dit kan door een goede regionale afstemming, voldoende sociale woningbouw voor de primaire doelgroep en aandacht voor kansrijke woonmilieus. Iedere drie jaar wordt er door de provincie een berekening gemaakt van de verwachte woningbehoefte (WBR) en de bevolkingsprognose (BP). In de regionale Woonagenda is uitgegaan van de WBR cijfers uit 2013.


Toetsing

Inmiddels is de Woningbehoefteraming 2016 bekend. Voor gemeente Noordwijk wordt hierbij uitgegaan van een woningbehoefte van 783 woningen in de periode 2015-2019. Voor de periode 2020-2024 ligt de behoefte op nog eens 318 woningen en van 2025-2029 moeten er nog 20 extra woningen gerealiseerd worden. Het planvoornemen geeft mede invulling aan deze woningbehoefte.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0016.jpg"

Figuur 3.4 Uitsnede tabel woningbehoefteraming 2016, periode 2015-2019

3.4.3 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek

De Intergemeentelijke structuurvisie kan worden gezien als een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie (RSV). In tegenstelling tot de RSV heeft de ISG voor de Duin- en Bollenstreek voor de betreffende gemeenten wel een zelfbindend karakter. De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. Er is namelijk een grote herstructurering van de sector nodig om te overleven in de versterkte internationale concurrentiestrijd. Een herstructurering waar ruimte is voor schaalvergroting en intensivering, maar ook voor sanering. Tegelijkertijd ligt er een belangrijke opgave om verdergaande verrommeling van het kostbare landschap tegen te gaan en de kostbare kwaliteiten van het landschap te verbeteren.

Toetsing

Deze extra woningbouwopgave vanuit de regionale structuurvisie is een zeer wenselijke impuls voor de sociaaleconomische vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit van de gemeenten. Een toevoeging van woningen geeft een extra impuls aan de noodzakelijke herstructurering van de woningvoorraad en woonomgeving. Een toevoeging van woningen (en daarmee inwoners) draagt bij aan versterking van het draagvlak van maatschappelijke en commerciële voorzieningen en bieden tegenwicht aan teveel ontgroening en vergrijzing in de regio. Tot 2030 betreft de extra woningbouwopgave 5.200 woningen. Dit plan voorziet deels in deze woningbehoefte en is daarmee passend binnen dit beleid.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het regionaal beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Toekomstvisie Noordwijk 2025

De gemeente heeft in 2004 in nauw overleg met bewoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties de Toekomstvisie Noordwijk 2025 opgesteld. De visie heeft geen directe regulerende werking maar dient als kompas voor besluitvorming bij ruimtelijke plannen op het gebied van wonen, werken, toerisme en verkeer. Aan de strategische keuzes die in Toekomstvisie Noordwijk 2025 zijn gemaakt, wordt de concrete invulling van plannen getoetst. Noordwijk kiest in de toekomstvisie voor kwaliteit. De gemeente wil een aantrekkelijke verblijfplaats zijn, zowel voor bewoners als bezoekers, die zich qua uitstraling en beleving onderscheidt van andere plaatsen aan de Noordzeekust: ingetogen, stijlvol en charmant.

Op het gebied van wonen streeft Noordwijk volgens deze visie naar diversiteit, geborgenheid en authenticiteit. Diversiteit in de zin dat Noordwijk plaats biedt aan alle bevolkingsgroepen, zowel in verschillende leeftijdscategorieën als inkomensgroepen. Bij het creëren van nieuwe woningen zal hier rekening mee gehouden moeten worden. Met geborgenheid wordt gedoeld op de ingetogen schaal en maat van Noordwijk, die zorgt voor een gevoel van intimiteit en veiligheid. De woningen moeten gebundeld geplaatst zijn, zonder te ver uit te breiden. Tot slot authenticiteit in de zin van dat Noordwijk niet als andere badplaatsen is, maar echt een eigen karakter heeft. Het historische karakter van een aantal gebieden dient hierbij behouden te blijven.

Toetsing

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van zowel grondgebonden woningen in diverse typologieën als appartementen. De kwalitatief hoogwaardige woningen worden voornamelijk aangeboden in de dure koopsector en zijn geschikt voor meerdere doelgroepen. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd in de gewenste diversiteit voor wat betreft woningaanbod in de gemeente Noordwijk.

3.5.2 Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030

Op basis van de 'Toekomstvisie Noordwijk 2025' is op 2 september 2009 de 'Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030' vastgesteld. De Structuurvisie vertaalt de uitgangspunten van de Toekomstvisie in een integraal ruimtelijk programmatisch kader voor de ontwikkeling van Noordwijk. De structuurvisie vormt een integrale ruimtelijke visie op de bebouwde en onbebouwde omgeving van Noordwijk en biedt de randvoorwaarden voor de integrale gebiedsontwikkelingen van Noordwijk en de diverse deelgebieden. Naast de gebiedsontwikkelingen worden opgaven benoemd voor herstructurering, kwaliteitsverbetering van de buitenruimte en voor het landschap. Voorts worden de uitgangspunten van de structuurvisie de basis voor ruimtelijke keuzen in de toekomst op gemeentelijk en regionaal schaalniveau. Het centrale begrip van de Toekomstvisie en de Ruimtelijke Structuurvisie is kwaliteit en daarmee tevens het centrale thema van de ruimtelijke ontwikkeling van Noordwijk. Het landschap waarin Noordwijk ligt is daarbij een belangrijk vertrekpunt. In de Structuurvisie zijn verschillende doelen opgenomen, waaronder:

  • 1. versterken beleving van de landschappelijke zones;
  • 2. behoud van eigen identiteit van de kernen;
  • 3. sterke positie in de regio behouden en uitbouwen.

De woningmarkt in Noordwijk hangt samen met regionale ontwikkelingen. In zowel de directe als de ruimere omgeving wordt de komende jaren flink gebouwd. De druk op de woningmarkt in Noordwijk is groot, vanwege de bijzondere ligging in een afwisselend kustlandschap en dicht bij een aantal aantrekkelijke steden.

Toetsing

Het plangebied is onderdeel van de zogenaamde binnenduinrand. De binnenduinrand loopt tussen de beide kernen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen, het Middengebied maakt deel uit van de binnenduinrand. Het Middengebied functioneerde als de dorpsrand van beide kernen met de daarbij behorende verrommeling. Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee stonden als het ware met hun rug naar elkaar toe. In de loop van de jaren zijn in het gebied sportvoorzieningen geplaatst en is de bebouwing inclusief woningen toegenomen. Het gebied wordt momenteel gebruikt voor veel verschillende doeleinden. Naast agrarisch gebruik zijn dat bijvoorbeeld volkstuinen.

In de Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 is reeds aangegeven dat ter hoogte van het Middengebied de realisatie van een nieuw zwembad, met woningbouw geconcentreerd rondom het nieuwe zwembad en de aanleg van een park voorzien is. De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan de benoemde woningbouw.

3.5.3 Structuurvisie Middengebied Noordwijk

Tegen de achtergrond van de 'Toekomstvisie Noordwijk 2025' is in opdracht van de gemeenteraad Noordwijk begin 2004 gestart met het maken van een structuurvisie voor het Middengebied te Noordwijk. Het Middengebied is een zone die zich tussen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen bevindt. Beoogd wordt met de structuurvisie het gebied, dat gekenmerkt wordt door een robuust landschap dat voor veel functies aantrekkelijk is, open te houden. Zo kan de herkenbare overgang tussen zee en binnenland behouden blijven, de ecologische potentie benut worden, de waterhuishouding verbeterd worden en de cultuurhistorische waarde van het gebied gebruikt worden voor recreatie en toerisme. Bebouwing (noodzakelijk voor de bekostiging van deze ambitie) mag plaatsvinden, maar deze uitgangspunten niet aantasten.

Toetsing

In de Structuurvisie Middengebied Noordwijk is opgenomen dat ter hoogte van het plangebied (intensieve) woningbouw mag plaatsvinden. Behoud van de aanwezige steilrand en de combinatie met de aanleg van een landschapspark zijn daarbij uitgangspunten om het recreatieve karakter van het gebied en het woonklimaat aantrekkelijker te maken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0017.jpg"

Figuur 3.5 Uitsnede structuurvisiekaart

Bebouwing moet op een zorgvuldige manier worden ingepast waarbij onder andere grote aandacht moet zijn voor landschappelijke inpassing, het accentueren van de steilrand en het herstellen van zichtlijnen. In de voorgenomen planontwikkeling is stedenbouwkundig gezien een relatie gezocht met het naastgelegen open landschap waar in de toekomst een park is beoogd. Ook is de steilrand vrijgehouden. In hoofdstuk 2 is nader ingegaan op deze stedenbouwkundige uitgangspunten.

3.5.4 Welstandsnota Noordwijk 2014

Op 26 juni 2014 is de Welstandnota Noordwijk 2014 vastgesteld, een actualisatie van de nota uit 2011. Voor elk gebied in Noordwijk gelden specifieke welstandscriteria. De diverse wijken en buurten hebben immers specifieke stijlkenmerken. Zo wordt ingezet op de Noordwijkse Stijl in het toeristisch gebied van Noordwijk aan Zee en wordt in de kern van Noordwijk Binnen gerefereerd naar de bouwstijl in de Voorstraat. Welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden van Noordwijk te benoemen en daarmee te bewaken. Noordwijk moet zich ontwikkelen tot een (bad)plaats die onderscheidt van andere plaatsen door kwaliteit. De inhoud van de welstandsnota is daarom volledig gebaseerd op het lokale gemeentelijk beleid, dat gericht is op het versterken van kwaliteitswaarden als ‘stijlvol’, ‘charmant’ en ‘ingetogen’.

Toetsing

Het plangebied is gelegen binnen het welstandsgebied 'Bloemenzee'. Bloemenzee is een bijzonder welstandsgebied. De stedenbouwkundige invulling van deze locatie in het Middengebied aan de voet van het binnenduin van Noordwijk aan Zee vraagt, in combinatie met het gewenste architectuurbeeld, om een bijzondere inzet. In de welstandsnota zijn aanvullende welstandscriteria opgenomen voor dit gebied op basis van de eerdere planvorming uit 2010. Het voorliggend plan past niet direct binnen deze criteria. Wel geeft het planvoornemen invulling aan de wens tot een kwalitatief hoogwaardige woonomgeving, waarbij de gebouwen en woningen zijn ontworpen als onderdeel van een parkachtige omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0018.jpg"

3.5.5 De Noordwijkse Woonagenda 2016-2020

De Noordwijkse Woonagenda 2016-2020 is de opvolger van de Woonvisie ‘Wonen op maat’, die betrekking had op de periode 2006 tot 2015. De nieuwe Woonagenda is nadrukkelijk een ‘agenda’ die betrekking heeft op een kortere periode. De Woonagenda Noordwijk schetst de belangrijkste dilemma’s en opgaven tot 2020, maar kijkt ook verder in de toekomst.

In Noordwijk is het niet de vraag óf er iets moet gebeuren, maar vooral wat, wanneer, hoe en in welk tempo. Er is sprake van veranderende wet- en regelgeving, een nieuwe realiteit in de wereld van het vastgoed en grote druk op de Noordwijkse woningmarkt. Voor de komende jaren zet de gemeente Noordwijk in op de volgende vier thema's:

  • 1. werken aan beschikbaarheid van woningen;
  • 2. werken aan betaalbaarheid van woningen;
  • 3. werken aan zorg en flexibiliteit;
  • 4. werken aan duurzaamheid.

Het wonen van de toekomst in Noordwijk moet ruimte bieden voor de beoogde aantrekkelijke en vitale gemeente met ‘voor elk wat wils’. Dat betekent ook dat er bij het woningbouwprogramma mede gekeken

wordt naar de gewenste toekomstige bevolkingssamenstelling. Doel is dat in 2020 Noordwijkers beter in hun woonbehoefte kunnen voorzien doordat er meer aanbod is, met name in het goedkopere en middeldure segment van zowel de koop als huurmarkt. De gemeente richt haar inspanningen in het bijzonder op de ontwikkelingen die ‘niet vanzelf’ gaan. Denk bijvoorbeeld aan een goed aanbod voor jongeren, ouderen met een laag inkomen en mensen met een zorg- of mantelzorgbehoefte.

Toetsing

Om diversiteit binnen de gemeente Noordwijk te krijgen, moet er variatie én samenhang zijn in het bouwprogramma. Elke locatie heeft z’n eigen kwaliteit en mogelijkheden. De uitdaging ligt erin om op het niveau van de gemeente Noordwijk een aantal kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen te realiseren en tegelijk niet op elke locatie hetzelfde gemiddelde na te streven. Doorstroming is op alle fronten nodig, in het bijzonder in de goedkopere segmenten. Dit kan bijvoorbeeld door toevoegen van nieuwe woningen en doorstroming van scheefwoners te stimuleren.

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van zowel grondgebonden woningen als appartementen. De kwalitatief hoogwaardige woningen worden voornamelijk aangeboden in het dure koopsector en zijn geschikt voor meerdere doelgroepen, waaronder gezinnen en senioren. Door deze differentiatie in woningtypes en het toevoegen van woningen in de duurdere prijsklasse kan de gewenste doorstroming op de woningmarkt bevorderd worden.

3.5.6 Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013

De Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 is in mei 2013 vastgesteld door het college. Noordwijk hanteert voor woningen in principe een behoeftevolgend beleid. Dit betekent dat er voor nu en voor de toekomst voldoende parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd om aan de vraag van de bewoners en hun bezoekers te kunnen voldoen. Voor zowel wonen als voor overige functies zijn door de CROW tabellen opgesteld met daarin per woningtype of per functie een norm voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Voor wonen zijn daar waar nodig, passend bij de specifieke Noordwijkse situatie, afwijkende normen bepaald.

Toetsing

In paragraaf 4.2 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende parkeernormen. In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat voldoende parkeerruimte gerealiseerd en in stand gehouden moeten worden ten behoeve van de beoogde woningbouw.

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het gemeentelijke beleid.

3.6 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan past binnen het gestelde in het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan en er is geen wijzigingsbevoegdheid bij de betreffende bestemmingen opgenomen om de gewenste ontwikkeling te realiseren. Voor onderhavig plan dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Het beleid staat de uitvoering van deze ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 4 Onderzoek

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de onderzoeken met conclusies. Voor de toetsing van het planvoornemen voor wat betreft milieuaspecten is uitgegaan van de maximale variant die planologisch mogelijk gemaakt wordt.

4.2 Verkeer en parkeren

Normstelling en beleid

De parkeerbehoefte van de ontwikkeling is bepaald op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit het rapport 'Nota Parkeren en Stallen' uit 2013. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling is bepaald op basis van kencijfers van het CROW (publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie', 2012). Voor overige verkeersaspecten is aangesloten bij de 'Verkeersvisie Noordwijk' uit 2013.

Onderzoek

Ontsluiting

Het plangebied ligt aan de rand van Noordwijk aan Zee, waar het wordt ontsloten vanaf de Nieuwe Zeeweg (gebiedsontsluitingsweg 50 km/u). De Nieuwe Zeeweg verbindt Noordwijk aan Zee in zuidoostelijke richting met Noordwijk. Het regionale wegennetwerk (N206 en A44) is in noordoostelijke richting, via de Duinweg (gebiedsontsluitingsweg 50 km/u) en de N444 bereikbaar. In noordwestelijke richting wordt via de Huis ter Duinstraat (gebiedsontsluitingsweg 50 km/h) het centrum en enkele wijken van Noordwijk aan Zee bereikt.

De Duinweg (gebiedsontsluitingsweg 50 km/u) staat in het gemeentelijk beleid (Verkeersvisie Noordwijk, 2013) aangestipt voor onderhoud aan duurzaam veilige inrichting. De rijbaanbreedte voldoet niet aan de duurzaam veilig principes en er is geen gescheiden fietsvoorziening aanwezig. De overige omliggende wegen zijn wel duurzaam veilig ingericht. De Nieuwe Zeeweg is voorzien van vrijliggende fietspaden. Ten behoeve van voetgangers zijn trottoirs aanwezig op alle omliggende wegen. De dichtstbijzijnde openbaar vervoerhalte ligt aan de Nieuwe Zeeweg, hier halteren meerdere lijnen naar Den Haag en Leiden. De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed.

Parkeerbehoefte

De voorgenomen ontwikkeling voorziet in nieuwe woningen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte is uitgegaan is van de realisatie van 97 vrijstaande woningen (worst-case situatie) en 40 appartementen zoals opgenomen in tabel 4.1. Voor de appartementen is voor de bepaling van het 'worst case-scenario' aangesloten bij grote woningen (> 120 m²) niet vrijstaand. Beiden gelegen in de 'overig bebouwde kom'.

Woning   Parkeernorm   Totale parkeerbehoefte  
97 vrijstaande woningen   2,3   224  
40 appartementen   2,0   80  
Totaal     92  

Tabel 4.1 Parkeerbehoefte op basis van gemeentelijk beleid

De parkeerbehoefte moet binnen het plangebied opgevangen worden. Het parkeren wordt voor een deel voorzien op eigen terrein van de grondgebonden woningen. Daarnaast voorziet het plan een parkeergarage bij de appartementen, in het achterste (meest zuidelijke) deel van het plangebied. Ook worden op verschillende locaties aan de nieuwe interne weg openbare parkeerplaatsen voorzien. Op basis hiervan is het aannemelijk dat binnen het plangebied voldoende parkeergelegenheid gerealiseerd kan worden om in de parkeerbehoefte te voorzien.

Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

De verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling is bepaald op basis van kencijfers van het CROW publicatie-317. Hierbij is aangesloten bij de graad van stedelijkheid zoals is opgenomen in het parkeerbeleid, een matig stedelijk gebied. De ligging is in 'rest bebouwde kom', binnen de bandbreedte wordt aangesloten bij het gemiddelde kencijfer. De verkeersgeneratie bedraagt 8,2 mvt/etmaal voor een vrijstaande woning. Voor de appartementen (dure etagewoning) bedraagt de verkeersgeneratie 7,1 mvt/etmaal per appartement. Dit leidt tot een totale verkeersgeneratie van 1.079 mvt/etmaal. Dit betreft de verkeersgeneratie op een gemiddelde weekdag. Omrekening naar een werkdag vindt plaats op basis van een omrekenfactor van 1,11 (CROW publicatie-317). De verkeersgeneratie op een werkdag bedraagt circa 1.200 mvt/etmaal. De toekomstige verkeersgeneratie is weergeven in onderstaande tabel.

Woning   Verkeersgeneratie per woning   Verkeersgeneratie
per etmaal (werkdag)  
97 vrijstaande woningen   8,2   885 mvt  
40 appartementen   7,1   315 mvt  
Totaal     1.200 mvt  

Tabel 4.2 Parkeerbehoefte op basis van gemeentelijk beleid

Het plangebied is in huidige situatie een braakliggend terrein. De toekomstige verkeergeneratie is dus een toename op het omliggende wegennet. De toekomstige verkeersgeneratie bedraagt 1.200 mvt/etmaal op basis van een werkdag. Naar verwachting zal circa 60% van de verkeersbeweging plaatsvinden via de Duinweg naar het regionale wegennetwerk. De Duinweg ondervindt hiermee een verkeerstoename van 720 mvt/etmaal. Via de gemeente Noordwijk zijn verkeersintensiteiten van de relevante wegen aangeleverd vanuit het RVMK (Regionaal Verkeer- en Milieukaart) Holland-Rijnland, zie tabel 4.3. Deze intensiteiten zijn reeds van het prognosejaar 2030 en in de laatste kolom omgerekend van weekdag- naar werkdagintensiteit met de factor 1,09.

Wegvak   2030 excl. Ontwikkeling
(weekdag)  
Verkeersgeneratie ontwikkeling
(weekdag)  
2030 incl. ontwikkeling
(weekdag)  
2030 incl. ontwikkeling
(werkdag)*  
Nieuwe Zeeweg (zuid)   5.950   216 (20%)   6.166   6.700  
Duinweg   5.410   648 (60%)   6.058   6.600  
Nieuwe Zeeweg (noordwest)   5.950   216 (20%)   6.166   6.700  
Prins Hendrikweg   600   (< 5%)   600   700  
Interne weg     1.079 (100%)   1.079   1.200  

* afgerond op 100-tallen

Tabel 4.3 Verkeersintensiteiten relevante wegen

De verkeersintensiteit voor de Duinweg stijgt daarmee naar een werkdagintensiteit van 6.600 mvt/etmaal. Dit zal merkbaar zijn in het huidige verkeersbeeld, maar geen problemen opleveren doordat de capaciteit van deze gebiedsontsluitingsweg veel hoger ligt. Circa 20% van de verkeersbewegingen (216 mvt/etmaal) verplaatst zich richting het centrum van Noordwijk aan Zee via de Huis ter Duinstraat en circa 20% (216 mvt/etmaal) richting Noordwijk via de Nieuwe Zeeweg. Deze toenamen gaan op in het huidige verkeersbeeld.

Conclusie

De ontsluiting van het plangebied is voor alle modaliteiten goed. Het parkeren wordt voornamelijk op eigen terrein voorzien en voor de appartementen in de parkeergarage. Om te borgen dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd ten behoeve van de ontwikkeling, is hiervoor een bepaling opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.

De ontwikkeling zorgt voor een verkeerstoename in het omliggende wegennet. Op het wegennetwerk is voldoende restcapaciteit, de ontwikkeling zal voor de aanwezige capaciteiten daardoor geen knelpunten opleveren. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.3 Wegverkeerslawaai

Normstelling en beleid

Woningen zijn op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging.

Aftrek ex artikel 3.4 RMG 2012

Krachtens artikel 3.4 van het Reken- en Meetvoorschrift Geluidhinder (RMG) 2012 mag het berekende geluidsniveau van het wegverkeer worden gecorrigeerd in verband met de verwachting dat motorvoertuigen in de toekomst stiller zullen worden. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/h geldt een aftrek van 5 dB.

Onderzoek

De locatie is gelegen binnen de geluidszone van de Nieuwe Zeeweg en de Duinweg. Akoestisch onderzoek is daarom op grond van de Wgh noodzakelijk. Ook de niet-gezoneerde wegen Prins Hendrikweg en de nieuwe interne weg, die het plangebied ontsluit, zijn op basis van jurisprudentie en in het kader van een goede ruimtelijke ordening meegenomen in het onderzoek. Binnen de geluidzone van de nieuw aan te leggen weg zijn, naast de voorgenomen woningen van het plangebied, geen geluidgevoelige objecten aanwezig. Reconstructie onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Het akoestisch onderzoek is uitgevoerd volgens Standaard Rekenmethode II (SRM II) conform hoofdstuk 3 van het 'Reken en Meetvoorschrift Geluidhinder 2012'. Het onderzoek is bijgevoegd in bijlage 2. Voor delen van het plangebied blijkt dat de voorkeursgrenswaarde c.q. richtwaarde van 48 dB ten gevolge van het verkeer op de Nieuwe Zeeweg en de interne weg wordt overschreden. De maximale geluidbelasting bedraagt 56 dB. De gecumuleerde geluidbelasting is 1 dB hoger ten opzichte van de maatgevende bron (Nieuwe Zeeweg en de interne weg) afzonderlijk. Deze beperkte geluidstoename is niet waarneembaar voor het menselijk gehoor. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt in het plangebied niet overschreden.

Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn in het kader van de Wgh onderzocht.

Bronmaatregelen

Allereerst is gekeken naar mogelijkheden om maatregelen aan de bron te nemen. Er zijn een aantal maatregelen aan de bron denkbaar. De eerste mogelijkheid zou het beperken van de verkeersomvang, het wijzigen van de snelheid of van de samenstelling van het verkeer kunnen zijn. Deze maatregelen zijn alleen mogelijk als de functie van de weg wordt gewijzigd. Dit stuit bij de Nieuwe Zeeweg op overwegende bezwaren van verkeers- en vervoerskundige aard. De Nieuwe Zeeweg heeft een stedelijke ontsluitingsfunctie waardoor afwaardering niet mogelijk is. De interne weg zal een maximumsnelheid van 30 km/u krijgen, waardoor verdere afwaardering niet mogelijk is. Een andere maatregel aan de bron is het toepassen van een geluidreducerende wegdekverharding. De toepassing van een dunne deklaag kan de geluidbelasting op de nieuwe en bestaande woningen met 2 tot 4 dB reduceren ten opzichte van het referentiewegdek. Een dergelijke maatregel zou op deze wegen kunnen worden toegepast, behalve nabij een kruising. Bij kruisingen en bochten wordt de slijtage van de wegdekverharding vanwege optrekkend en afremmend verkeer dermate versneld, dat de onderhoudskosten aan de weg te hoog worden. Het wegennetwerk rondom het plangebied bestaat uit achtereenvolgende kruispunten waardoor toepassing van geluidreducerend asfalt niet doelmatig is.

Overdrachtsmaatregelen

De tweede vorm van maatregelen die genomen kunnen worden zijn maatregelen die invloed hebben op

het overdrachtsgebied. Maatregelen in het overdrachtsgebied in de vorm van geluidafschermende voorzieningen zijn een scherm of wal. Vanuit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt is het ongewenst om het uitzicht van de nieuwe woningen en naastgelegen woningen door een geluidscherm te beperken. Maatregelen door middel van het vergroten van de afstand is mogelijk. Het akoestisch onderzoek gaat in dit stadium uit van de uiterste bouwgrenzen. In werkelijkheid zal de bebouwing minder diep op het perceel staan waardoor waardes aan de oostelijke gevel (ten gevolge van het verkeer op de Nieuwe Zeeweg) lager zullen uitvallen. Dit geldt ook voor de richtwaarde die wordt overschreden door het verkeer op de interne weg.

Het toepassen van bronmaatregelen om de geluidsbelasting te reduceren zijn daarmee niet doeltreffend of redelijkerwijs niet mogelijk vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, financiële of praktische aard. De locatie en vormgeving van de woningen is in het bestemmingsplan niet exact vastgelegd. Een overdrachtsmaatregel om de afstand tussen bron en ontvanger te vergroten is mogelijk, maar zal niet leiden tot een geluidbelasting op alle gevels van maximaal de voorkeursgrenswaarde en gaat ten kosten van flexibiliteit en uitvoerbaarheid van het woningbouwplan. De overdrachtsmaatregel is daarmee niet doelmatig.

Ten gevolge van de interne wegen (niet- gezoneerd) is sprake van een overschrijding van de richtwaarde. Voor deze weg kan geen hogere waarde worden aangevraagd. Aangezien het de maximaal aanvaardbare waarde van 63 dB in het plangebied niet overschrijdt, is er sprake van een akoestisch aanvaardbaar klimaat. Daarnaast wordt de voorkeursgrenswaarde van de gezoneerde weg Nieuwe Zeeweg overschreden, maar niet de maximale ontheffingswaarde van 63 dB en ook niet de maximale grenswaarde die in het beleid van de Omgevingsdienst (58 dB) wordt gehanteerd. Voor de Nieuwe Zeeweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordwijk dient een hogere waarde vast te stellen conform onderstaande tabel. De hogere waarde wordt in het kadaster vastgelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0019.jpg"

Tabel 4.5 Ontheffingswaarde wegverkeerslawaai

Conclusie

De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden door de Nieuwe Zeeweg. De maximale geluidbelasting bedraagt 56 dB. Maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting zijn niet mogelijk of doelmatig. Omdat de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet wordt overschreden, is het wel mogelijk een hogere waarde aan te vragen. De aan te vragen hogere waarden zijn opgenomen in tabel 4.5. De hogere waarden zullen in het kadaster worden vastgelegd.

4.4 Bodem

Normstelling en beleid

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek

In de nabije omgeving van het plangebied en ook ter hoogte van het plangebied zelf zijn in het verleden (onder andere in 2004 en 2007) diverse milieukundige bodemonderzoeken uitgevoerd. Omdat inmiddels weer meer dan 5 jaar verstreken is, is ten behoeve van de beoogde ontwikkeling opnieuw een

verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 3).

Bovengrond

De bovengrond ter plaatse van het plangebied is overwegend opgebouwd uit zand. In de bovengrond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en zeer plaatselijk plastic) waargenomen. In de bovengrond overschrijden de gehalten kwik en PCB over het algemeen de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten cadmium, koper, lood, zink, PAK en minerale olie overschrijden de achtergrondwaarden alleen plaatselijk. De licht verhoogd aangetoonde gehalten cadmium, koper, kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie kunnen naar alle waarschijnlijkheid worden gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal in de bodem dan wel gebiedspecifieke achtergrondwaarden.

Ondergrond

De ondergrond ter plaatse van de onderzoekslocatie is ook overwegend opgebouwd uit zand. Plaatselijk is een kleilaag aanwezig. In de ondergrond zijn zintuiglijk ook plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen en zeer plaatselijk brokken asfalt) waargenomen. In de ondergrond overschrijden de gehalten kwik en minerale olie zeer plaatselijk (M07) de desbetreffende achtergrondwaarden. De gehalten van de overige onderzochte parameters zijn alle lager dan de betreffende achtergrondwaarden. De licht verhoogd aangetoonde gehalten kwik en minerale olie kunnen naar alle waarschijnlijkheid worden gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal in de bodem.

Grondwater

Tijdens het veldonderzoek zijn de gemeten zuurgraad (pH) en de troebelheid (NTU) van het grondwater van enkele peilbuizen enigszins verhoogd ten opzichte van een natuurlijke situatie. In het grondwater overschrijdt de concentratie xylenen de desbetreffende streefwaarde. De concentratie vinylchloride overschrijdt zeer plaatselijk (peilbuis 03) de desbetreffende streefwaarde (ook na herbemosntering). De licht verhoogd aangetoonde concentraties vinylchloride en xylenen zijn niet te relateren aan een bron. De herkomst is derhalve onbekend.

De aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond en in het grondwater geven, ingevolge de Wet bodembescherming, geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. Op grond van het zeer vluchtige karakter van de stof vinylchloride is bekend dat al bij relatief lage gehalten van de stof in grondwater het risico bestaat op uitdamping naar binnenlucht. Aanvullend onderzoek naar het diepere grondwater is derhalve noodzakelijk.

Conclusie

De licht aangetroffen verontreinigingen in de bodem geven geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Aanvullend onderzoek naar het diepere grondwater is noodzakelijk ten behoeve van de stof vinylchloride. Dit onderzoek wordt uitgevoerd tussen de fase van het voorontwerp- en het ontwerpbestemmingsplan.

4.5 Luchtkwaliteit

Normstelling en beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.6 weergegeven.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Tabel 4.6 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekende mate

In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoek

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 137 woningen (97 grondgebonden en 40 appartementen) mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2015 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Van Panhuysstraat, ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2015 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide 21,2 µg/m3 bedraagt, fijn stof PM10 18,4 (met 6,5 overschrijdingsdagen per jaar) en fijn stof PM2,5 10,9. Deze waarden liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is er ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.6 Externe veiligheid

Normstelling en beleid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten.  In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Explosieven

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materieel dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de 7 en 15% om verschillende redenen niet tot ontploffing gekomen. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid.

Onderzoek

Risicovolle inrichtingen

Direct ten zuidoosten van het plangebied is het zwembad BinnenZee gelegen. Het zwemwater moet van de toezichthouder (provincie) en wetgeving chloor en zuur (correctie desinfectie) bevatten. Het chloor wordt geproduceerd door middel van zoutelektrolyse. Dat betekent dat er geen aanvoer en opslag van chloorbleekloog plaatsvindt. Er zijn derhalve geen veiligheidscontouren aanwezig, het zwembad veroorzaakt geen risico voor de woonwijk.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Er vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of door buisleidingen plaats in de nabijheid van het plangebied die aanwezig die van invloed zijn op de externe veiligheidssituatie ter plaatse van het plangebied.

Explosieven

In het kader van het bestemmingsplan is een vooronderzoek uitgevoerd naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het plangebied. Het vooronderzoek is bijgevoegd in bijlage 4 en heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn. Uit de geraadpleegde bronnen zijn geen indicaties gevonden die erop wijzen dat op en rond het plangebied oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden tijdens de Tweede Wereldoorlog waardoor CE in de bodem kunnen zijn achtergebleven. Het is om deze reden niet noodzakelijk vervolgstappen te ondernemen in de zin van explosievenopsporing.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

4.7 Kabels en leidingen

Normstelling en beleid

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.

Onderzoek en conclusie

Ten noordoosten van het plangebied liggen gronden in eigendom van het waterleidingbedrijf Dunea. Vanuit deze locatie lopen verschillende waterleidingen richting Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee. Omdat de bestaande waterleiding gelegen is ter hoogte van de voorziene woningen en daarmee de bereikbaarheid en het onderhoud van de leiding in de toekomst niet meer gegarandeerd is, zijn met Dunea diverse gesprekken gevoerd over het verleggen van deze leiding. Gekozen is om het nieuwe traject te projecteren in toekomstig openbaar gebied. In voorliggend bestemmingsplan is de nieuwe locatie van de leiding als zodanig bestemd met de dubbelbestemming Leiding - Water.

Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn verder geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

Normstelling en beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling betreft een woonwijk. Woningen zijn milieugevoelige functies. Het plangebied ligt in de onmiddellijke nabijheid van een toegangsweg en een aantal sportvoorzieningen. Het plangebied is daarom aan te merken als een gemengd gebied.

Aan de zuidoostzijde van het plangebied is het deels overdekte zwembad BinnenZee gelegen. In de buitenplanse afwijkingsprocedure uit 2009 is een integrale afweging gemaakt inzake inpasbaarheid van de woningen naast het beoogde en inmiddels gerealiseerde zwembad. Omdat het zwembad op korte afstand is gelegen van de nieuwe woningen, wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening akoestisch onderzoek uitgevoerd tussen de fase van het voorontwerp- en het ontwerpbestemmingsplan. Dit om te bepalen of er bij de voorziene woningen ook in de nieuwe situatie voldaan wordt aan de voorwaarden van een goed woon- en leefklimaat.

Aan de overzijde van de Nieuwe Zeeweg is een sportcomplex gelegen met hockeyvelden en tennisbanen. Een veldsportcomplex met verlichting valt onder milieucategorie 3.1 met een bijbehorende richtafstand van 30 meter in gemengd gebied en 50 meter in een rustige woonwijk. De afstand van de dichtstbijzijnde beoogde woning tot het sportcomplex bedraagt circa 60 meter, aan de richtafstand wordt dan ook in beide situaties voldaan. Verder zijn er geen bedrijven in de onmiddellijke omgeving van het plangebied aanwezig.

Conclusie

Uit het akoestisch onderzoek moet blijken of er ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.9 Ecologie

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Wnb voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan.

Normstelling en beleid

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natuurnetwerk Nederland (NNN);
  • Natura-2000 gebieden.

Natura 2000-gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Bijzondere nationale natuurgebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) kan buitenom de gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden Natura 2000, ook gebieden aanwijzen als Bijzonder nationaal natuurgebied wanneer het gebied is opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Habitatrichtlijn of het gebied onderwerp is van een procedure als bedoeld in artikel 5 van de Habitatrichtlijn. De beschermende werking die geldt voor gebieden die behoren tot Natura 2000, geldt in dat geval ook voor het bijzondere nationaal natuurgebied.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • b. soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; en
  • c. de bescherming van overige soorten.


De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Programma Aanpak Stikstof (PAS)

De regels voor de depositie van stikstof zijn opgenomen in het PAS. De depositieruimte is per PAS-gebied, de stikstofgevoelige Natura 2000-gebeiden, per hectare vastgesteld en toebedeeld. Voor elk PAS-gebied is er een gebiedsanalyse opgesteld waarbij de potentiele depositieruimte is berekend.

  • Projecten met een bijdrage van minder dan 0,05 per hectare per jaar zijn niet meldingsplichtig en vergunningsvrij.
  • Voor projecten met een bijdrage van meer dan 0,05 maar minder dan 1 mol per hectare per jaar is ruimte gereserveerd in de beschikbare depositieruimte om ze vrij te kunnen stellen van vergunningsplicht. Voor bepaalde categorieën geldt echter wel een meldingsplicht, dit geldt voor de sectoren landbouw, industrie en infrastructurele ontwikkelingen. De grenswaarde van het gebied kan verlaagd worden naar 0,05 mol per hectare per jaar indien de beschikbare ontwikkelingsruimte toebedeeld is. De AERIUS-berekening dient te worden bewaard.
  • Voor projecten met een bijdrage van meer dan 1 mol per hectare per jaar dient er een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet te worden aangevraagd. Uit de AERIUS berekening volgt de benodigde ontwikkelingsruimte, de berekening dient bij de aanvraag om de vergunning te worden bijgevoegd ter beoordeling. Ontwikkelingsruimte wordt toegekend als de benodigde ruimte beschikbaar is en er wordt voldaan aan de Provinciale beleidsregels.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het NNN. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Coepelduynen bedraagt circa 400 meter. Ten noorden van het plangebied is het Natura 2000-gebied Kennemerland Zuid gelegen.

Het plangebied is buiten beschermde natuurgebieden gelegen. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien afstand kunnen tevens verstoring van het natuurgebied als verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten.

De Natura 2000-gebieden Coepelduynen en Kennemerland-Zuid zijn gevoelig voor stikstofdepositie. De realisatie van de woningen en daaropvolgend de toename van verkeer kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de wet natuurbescherming. De berekening is opgenomen in de bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat de hoogste planbijdrage 0,09 mol per hectare per jaar bedraagt in Kennemerland-Zuid. De grenswaarde voor het Natura 2000-gebied is op 1 mol per hectare per jaar gesteld. Voor activiteiten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan de grenswaarde van 1 mol per hectare per jaar, geldt een meldingsplicht voor meldingsplichtige categorieën. De realisatie van woningen valt hier niet onder, er hoeft dan ook geen melding worden gedaan. Voor activiteiten die minder bijdragen dan 1.0 mol per hectare per jaar is een reservering gedaan in de beschikbare depositieruimte (grenswaardereservering) om ze vrij te kunnen stellen van vergunningsplicht. Significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0020.jpg"

Figuur 4.1 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS calculator)

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0021.jpg"

Figuur 4.2 Ligging plangebied (rode cirkel) ten opzichte van het NNN (bron: geoloket provincie Zuid-Holland)

Soortenbescherming

Voor de ontwikkeling van het plangebied zijn in het verleden diverse onderzoeken in het kader van de natuurwetgeving uitgevoerd. Vanwege de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is in 2009 een ontheffing van de Flora- en faunawet afgegeven. In 2014 is voor de gewone dwergvleermuis een verlenging afgegeven op de bestaande ontheffing (zie bijlage 7) deze ontheffing is geldig tot 1 januari 2019.

Het nieuwe zwembad BinnenZee is ondertussen gebouwd en het oude zwembad is gesloopt. Aangezien de gemeente Noordwijk begin 2017 in het plangebied circa 300 bomen gaat kappen en aansluitend het plangebied ontwikkeld wordt ten behoeve van de beoogde woningbouwontwikkeling is in het voorjaar van 2016 een quickscan ecologie uitgevoerd voor het gehele plangebied. Deze quickscan is ingevoegd in bijlage 8. Uit deze quickscan komt naar voren dat in het plangebied algemeen voorkomende beschermde soorten als egel, konijn, mol, ree, vos, kleine marterachtigen, spitsmuizen en muizen, gewone pad, bruine kikker, kleine watersalamander en middelste groene kikker verwacht worden. Deze soorten vallen onder het lichte beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Hiervoor geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezige habitattypen en biotoopeisen van de mogelijk in de omgeving voorkomende soorten worden er van de meeste strikt beschermde planten- en/of diersoorten geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht. Wel vormt het plangebied geschikt foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen en vormt de opgaande houtige beplanting op en langs de steilrand een geschikte lijnvormige structuur die als vliegroute kan fungeren voor vleermuizen. Tijdens het veldbezoek in februari zijn aan de zuidkant van het plangebied roepende buizerds (een soort waarvan de nestlocatie jaarrond is beschermd) gehoord. Aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde (roof)vogelsoorten is vervolgens uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 9. Tijdens de verschillende veldbezoeken is territoriaal gedrag en een nestlocatie van de buizerd vastgesteld binnen het plangebied. Omdat deze nestlocatie wordt aangetast bij de voorziene kap van de bomen, is een ontheffing Flora- en faunawet benodigd. Deze ontheffing is verkregen en bijgevoegd in bijlage 10.

Omdat vanaf 1 januari 2017 onder andere de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 2008 en de Boswet opgaan in de Wet natuurbescherming is een aanvullende onderzoek in november 2016 uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit omdat vanaf 1 januari 2017 voorheen niet-beschermde soorten wel bescherming gaan genieten en de bescherming van enkele andere soorten komt te vervallen. In de quickscan, bijgevoegd in bijlage Bijlage 11, is rekening gehouden met de uitgangspunten vanuit de Wet natuurbescherming. Uit deze quickscan blijkt wederom dat er het plangebied mogelijk dient als foerageer- en vlieggebied van vleermuizen. Ook kan de aanwezigheid van de beschermde rugstreeppad niet worden uitgesloten. Ten behoeve van de vleermuizen is reeds ontheffing verleend. Een gerichte veldinventarisatie voor de rugstreeppad in het voorjaar van 2017 moet uitwijzen of er daadwerkelijk rugstreeppadden in of in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Deze veldinventarisatie wordt uitgevoerd voordat het bestemmingsplan wordt vastgesteld, eventueel met passende maatregelen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten zijn nog niet geheel uitgesloten. Een veldinventarisatie naar de mogelijke aanwezigheid van de rugstreeppad wordt uitgevoerd in het voorjaar van 2017.

4.10 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld.

Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Verordening Ruimte
  • Provinciale Structuurvisie

Gemeentelijk:

  • Gemeentelijk rioleringsplan 2013-2017

Waterschapsbeleid

Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 9 maart 2016 het nieuwe Waterbeheerplan 'Waardevol Water' (WBP5) vastgesteld. In het WBP5 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2016 -2021. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP5 staat samen werken met de omgeving aan water centraal. Rijnland wil samen met zijn omgeving werken aan duurzaam en efficiënt waterbeheer tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.

Keur en uitvoeringsregels

Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden.

Sinds 1 juli 2015 heeft Rijnland een nieuwe Keur. Er gelden minder regels voor burgers, bedrijven en Rijnland. Het aantal vergunningen en meldingen is ongeveer gehalveerd. Zo geeft Rijnland verantwoordelijkheid, flexibiliteit en vertrouwen waar dat kan, maar stellen we regels waar dat moet.

Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten.

  • De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico.
  • In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico.
  • In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico. Dan verlenen wij een watervergunning.

De Keur en uitvoeringsregels zijn te vinden op: https://www.rijnland.net/regels/keur-en-uitvoeringsregels 

Riolering en afkoppelen

Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

Gemeentelijk rioleringsplan 2013-2017

Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) is een belangrijk hulpmiddel voor het maken van de juiste afwegingen op het terrein van bodembescherming, waterkwaliteit en rioleringszorg. Conform de Wet milieubeheer geeft de gemeente in het GRP aan op welke wijze zij haar wettelijke taak voor een doelmatige inzameling en transport van afvalwater wil uitvoeren. Het plan is gericht op de instandhouding van een goede riolering. Het GRP 2013-2017 is in de raadsvergadering van 20 december 2012 vastgesteld. Jaarlijks wordt op basis van het GRP een Operationeel Plan opgesteld, waarin de voor dat jaar uit te voeren beheer- en onderhoudswerkzaamheden en –investeringen zijn opgenomen.

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied betreft het voormalige terrein van zwembad BinnenZee en bestaat in de huidige situatie uit grasland. Volgens de bodemkaart van Nederland bestaat de bodem in de omgeving uit matig fijn zand. Hier is sprake van grondwatertrap IIb. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen de 0,25 en 0,40 m beneden het maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,5 en 0,8 m beneden het maaiveld.

Het plangebied ligt in nabijheid van de duinen, hier is een grote variatie in bodemgesteldheid en grondwaterstanden typerend. In 2007 zijn meerdere onderzoeken uitgevoerd door Fugro naar de grondwaterstanden ter plaatse van het plangebied. In bijlage Bijlage 12 is het basisrapport inzake geohydrologie opgenomen. Daarnaast is er onderzoek uitgevoerd naar de realisatie van een parkeerkelder, zie bijlage Bijlage 13. Uit dit onderzoek blijkt dat de aanleg slechts een zeer beperkte invloed heeft op de omgeving en het kwelwater.

Inzake kwelwater is het van belang dat de kwelsloot aan de noordzijde van het plangebied behouden blijft. Deze kwelsloot zal verbonden met de watergangen rondom het plangebied is gelegen. De afvoer van kwelwater wordt zoveel mogelijk geconserveerd in en rondom het plangebied. In figuur 4.3 is een schematische weergave opgenomen van de waterstructuur met daarin nog de oude bouwplannen uit 2009.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0022.jpg"

Figuur 4.3 Waterplan

Waterkwantiteit en kwaliteit

In of in directe nabijheid van het plangebied zijn geen watergangen en KRW-waterlichamen gelegen. Aan de noordkant van het plangebied is een kwelsloot aanwezig. Met betrekking tot de waterkwaliteit worden geen negatieve effecten verwacht omdat het hier om de opvang van schoon kwelwater gaat.

Veiligheid en waterkeringen

In of in directe nabijheid van het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen gelegen. Het plangebied ligt derhalve niet in een kern- of beschermingszone.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.

Toekomstige situatie

Algemeen

Het bestemmingsplan maakt de realisering van een woonwijk mogelijk. De ontwikkeling leidt tot een toename in verharding. Aangezien het plangebied in voormalige situatie deels verhard was en de toename in verharding plaats vindt binnen 10 jaar nadat de toenmalige verharding en bebouwing was verwijderd, kan dit oppervlak van de beoogde toename in verharding worden afgetrokken conform Uitvoeringsregel 11 (Keur Rijnland, 2015).

Voormalige verharding zwembad   Toekomstige verharding   Toename verharding ten opzichte van voormalige situatie   Benodigde compensatie (15 % toename)  
  Bebouwing (100%)   7.150 m2      
  Overige verharding (100%)   3.506 m2      
  Tuin (50%)   7.762,5 m2      
17.509 m2     18.418,5 m2   909,5 m2   137 m2  

Tabel 4.7 Berekening benodigde watercompensatie

Als gevolg van de 15% regeling van het Hoogheemraadschap dient bij een toename van het verhard oppervlak 15 % van de toename gecompenseerd te worden in hetzelfde peilgebied. De benodigde compensatie bedraagt 137 m2.

Ten tijde van de ruimtelijke onderbouwing van het Bollenbadterrein, de realisatie van het zwembad en de voormalige woningbouwplannen, zijn al afspraken gemaakt met betrekking tot de waterberging en compensatie. Ten zuiden van het nieuwe zwembad is een retentievijver gerealiseerd, deze retentievijver staat in verbinding met de noordoostelijk gelegen waterpartij middels een duiker onder de Nieuwe Zeeweg. De oever van de retentievijver is ingericht als plasberm, in totaal heeft de retentievijver een compenserend oppervlak van 3.200 m2. Aan de noordrand is daarnaast een kwelsloot aangelegd. Deze greppel zal worden verdiept zodat hij gebruikt kan worden voor de afvoer van kwelwater en de afkoppeling van hemelwater. Aan de zuidkant is tevens een watergang beoogd die in verbinding komt te staan met de kwelsloot. Aan de compensatie eisen van het Hoogheemraadschap is derhalve voldaan.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is niet binnen een kern of beschermingszone gelegen. De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op de waterveiligheid in de omgeving.

Riolering en afkoppelen

Overeenkomstig het rijksbeleid (de voorkeursvolgorde uit Wm art 29 a en de doelmatigheidsdoelstelling uit het bestuursakkoord waterketen 2007) geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat:

  • 1. het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  • 2. verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt;
  • 3. afvalwaterstromen worden gescheiden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;
  • 4. huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een inrichting als bedoeld in artikel 15a van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren getransporteerd;
  • 5. ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht;


De gemeente kan gebruikmaken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan.


Zorgplicht en preventieve maatregelen voor hemelwater

Voor de behandeling van hemelwater wijst Rijnland op de zorgplicht en op het nemen van preventieve maatregelen. Het verdient aanbeveling daar waar mogelijk aandacht te besteden aan maatregelen bij de bron. Preventie heeft de voorkeur boven 'end-of-pipe' maatregelen. Uitgangspunt is dat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater mag veroorzaken en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen. Door bijvoorbeeld:

  • duurzaam bouwen;
  • het toepassen van berm- of bodempassage;
  • toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen;
  • het regenwaterriool uit te voeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel;
  • adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen);
  • het toepassen van duurzaam onkruidbeheer;
  • de bewoners, gebruikers en beheerders voor te lichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan;
  • het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

Daar waar ondanks de zorgplicht en de preventieve maatregelen het te lozen hemelwater naar verwachting een aanmerkelijk negatief effect heeft op de oppervlaktewaterkwaliteit, kan in overleg tussen gemeente en waterschap gekozen worden voor aanvullende voorzieningen, een verbeterd gescheiden stelsel of, als laatste keus, aansluiten op het gemengde stelsel. Ook kan de gemeente in overleg met het waterschap kiezen voor een generieke 'end-of-pipe'-aanpak. Deze keuze moet dan expliciet gemaakt worden in het GRP.

Conclusie

De in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.11 Archeologie en cultuurhistorie

Normstelling en beleid

Erfgoedwet

Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Besluit ruimtelijke ordening

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

Integrale Erfgoednota Noordwijk ‘Erfgoed op de kaart’

In juni 2011 is de Integrale Erfgoednota Noordwijk ‘Erfgoed op de kaart’ vastgesteld met de Erfgoedverordening Gemeente Noordwijk 2011. Deze erfgoednota is opgesteld in samenhang met ‘In de bodem van Noordwijk’: de archeologische waarde verwachtings- en beleidsadvieskaart en de bouwhistorische verwachtingenkaart. De Erfgoednota biedt een goede basis voor de uitvoering van de wettelijke eisen ten aanzien van gebouwde (rijks)monumenten, het van rijkswege beschermd dorpsgezicht en archeologie. De Erfgoednota biedt tevens een visie en structuur voor de omgang met het erfgoed, de formatie voor uitvoering van het beleid en de wettelijke taken voor het erfgoed en een verbinding van de planologische kaders van ruimtelijk beleid.

Onderzoek

Archeologie

Volgens de gemeentelijke waarden- en verwachtingenkaart ligt het plangebied grotendeels in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Onderzoek is noodzakelijk bij een bodemverstoring vanaf 500 m2 en waarbij dieper gegraven wordt dan 50 cm. Aan de oostrand van het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde. Onderzoek is in deze zone noodzakelijk bij een bodemverstoring vanaf 100 m2 en waarbij dieper gegraven wordt dan 50 cm.

afbeelding "i_NL.IMRO.0575.BPMGDuineveld-VO01_0023.jpg"

Figuur 4.3 Archeologische waarden en verwachtingenkaart (bron: gemeente Noordwijk)

Ten behoeve van de in 2009 doorlopen buitenplanse afwijkingsprocedure, is in 2007 reeds archeologisch onderzoek ter plaatse van het plangebied uitgevoerd (Oudhof / Haaring 2007). Dit onderzoek volgde op de in 2004 uitgevoerde bureaustudie naar archeologische waarden in het Middengebied (gemeente Noordwijk, Hollandia 2004).

Ter actualisatie is in 2016 wederom onderzoek uitgevoerd naar de mogelijk aanwezige archeologische resten in het plangebied. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 14. Uit dit onderzoek komt naar voren dat in het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen vanaf de vorming van de strandwallen in het Laat Neolithicum en met name vanaf het droogvallen van de lagune in de IJzertijd. Gezien de vermoedelijke ligging van het plangebied op de lagunaire afzettingen, op de flank van de ten noordwesten gelegen duinen, zullen de archeologische resten naar verwachting vooral bestaan uit off-site sporen. Er wordt een sterke relatie verwacht met de archeologische resten zoals deze zijn aangetroffen ter hoogte van het rioolretentiebassin en aan de Van Panhuysstraat. Op basis van onderzoek op deze locaties kunnen in het plangebied ook restanten van greppelsystemen (waarschijnlijk ter ontwatering) en sporen van akkerbouw worden aangetroffen.

Op het historisch kaartmateriaal is te zien dat er in ieder geval in de 17e eeuw bebouwing stond op de flank van de duinen, ten noorden van het plangebied. Gezien de ligging van het plangebied direct aan de Nieuwe Zeeweg, die van oudsher de verbinding vormde tussen Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee, is het voorkomen van oude bebouwingsresten niet onmogelijk. Deze kunnen dateren uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd en kunnen bestaan uit resten van funderingen, waterputten, kuilen en dergelijke. Op basis van het vooronderzoek is wel duidelijk dat de bovengrond van het plangebied verstoord is ten gevolge van de bollenteelt.

Omdat in het onderzoek uitgevoerd in 2007 wat omissies zijn opgemerkt en het onderzoek niet meer voldoet aan de huidige richtlijnen, omdat op dit moment niet duidelijk is hoeveel potentiële archeologische niveaus er voorkomen en wat de dieptes hiervan zijn en ook niet duidelijk is wat de diepte is van de verstoringen onder de voormalige bebouwing en in de rand met bosschage, wordt geadviseerd om opnieuw een verkennend booronderzoek ter hoogte van het plangebied uit te voeren.

Cultuurhistorie

Op basis van de cultuurhistorische kaart Zuid-Holland en de Visie Ruimte en Mobiliteit blijken er geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied aanwezig te zijn.

Conclusie

Omdat nog niet uit te sluiten is dat er geen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn, wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd tussen de fase van het voorontwerp- en het ontwerpbestemmingsplan. Ter hoogte van het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig.

4.12 Vormvrije-mer

Normstelling en beleid

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Onderzoek en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is indien (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2);

  • de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer;
  • een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat;
  • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De beoogde ontwikkeling betreft de realisering van 137 woningen en overschrijdt de drempelwaarden dan ook niet. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de vorige paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

4.13 Duurzaamheid

Normstelling en beleid

De (landelijke) overheid stimuleert duurzaam bouwen door steeds strengere eisen te stellen aan de energieprestatie van gebouwen. Zij streeft naar het energieneutraal bouwen in 2020 (met een EPC van 0). Sinds 1 januari 2015 worden om deze reden in het Bouwbesluit eisen gesteld met betrekking tot energiezuinigheid en milieu.

Provincie Zuid-Holland wil daarnaast een toonaangevende provincie zijn waar mensen met plezier wonen, werken en recreëren. De overstap naar toekomstbestendige en betaalbare energiehuishouding is een kans om te innoveren, concurrerend te blijven en onze welzijn en welvaart te behouden. Hiermee wordt gewerkt aan de afgesproken klimaatdoelstellingen om in 2020 20% energie te besparen, 20% minder CO2 uit te stoten en 14% duurzame energie op te wekken. De provincie ziet haar rol om het energiebeleid te intensiveren en te versnellen op 6 onderwerpen:

  • Energiebesparing
  • Verwarming met duurzame restwarmte en aardwarmte
  • Lokale initiatieven ondersteunen en stimuleren
  • Innovatie organiseren en stimuleren
  • Inzet van een revolverend energiefonds
  • Regionale samenwerking

Naast wettelijke eisen stimuleren veel gemeenten duurzaam bouwen door gemeentelijk beleid op te stellen. De gemeente Noordwijk heeft in dit kader nog geen beleid vastgesteld, maar vindt het aspect duurzaamheid wel van belang bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In de Noordwijkse Woonagenda 2016-2021 is vastgelegd dat Noordwijk grote ambities heeft op het gebied van duurzaamheid en in 2030 een energie-neutrale gemeente wil zijn. Dit kan worden bereikt door enerzijds energiebesparing en anderzijds energieopwekking. In dat kader heeft het college de ambitie geformuleerd nieuwe woonwijken energieneutraal te realiseren. Het nemen van duurzame maatregelen is niet alleen vanwege duurzaamheidoverwegingen aantrekkelijk, maar draagt ook bij aan het verlagen van de woonlasten.

Toetsing

Voor woningen geldt een EPC-eis van 0,4. Aan deze norm zal bij de beoogde ontwikkeling voldaan worden. Onderzocht wordt nog of enkele woningen als zogenaamde energieleverende woningen (Brighthouse) aangeboden kunnen worden. Alle maatregelen op het gebied van duurzaamheid worden verder uitgewerkt ter voorbereiding op en onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Voor de opbouw van een bestemmingsplan is door het Ministerie van I&M een standaard ontwikkeld, de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan wordt van deze standaarden gebruik gemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend.

De hoofdstukindeling bestaat uit:

  • 1. Inleidende regels;
  • 2. Bestemmingsregels;
  • 3. Algemene regels;
  • 4. Overgangs- en slotregels.

5.2 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis.

Peil

Voor de appartementen is gekozen om de maximale bouwhoogte in het bestemmingsplan aan het N.A.P. te relateren. Mede om overeenstemming ter bereiken met de bouwhoogte uit het voorgaande plan. Hiervoor is op de verbeelding de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 2' opgenomen. Dit geldt niet voor de tussenliggende parkeergarage, hier geldt de reguliere peilmaat.

Voor de grondgebonden woningen en locaties waar geen peilaanduiding is opgenomen wordt de bouwhoogte gerelateerd aan het beoogde omliggende maaiveld of de weg. Dit is dus niet de maaiveld hoogte op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan omdat de gronden nog worden opgehoogd. De ophoging van het maaiveld ter plaatse van de appartementen heeft geen effect op de maximale bouwhoogte omdat deze is gerelateerd aan een maximale +NAP maat van de maximale bouwhoogte van de gebouwen.

Artikel 2 Wijze van meten

Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden.

5.3 Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen

Ten behoeve van een groene afscherming van het woongebied is de bestemming Groen opgenomen. Vanwege de stedenbouwkundige aansluiting bij het beoogde landschapspark is deze bestemming ook opgenomen rondom het appartementencomplex.

Artikel 4 Natuur

De voet van de steilrand aan de zijde van de Prins Hendrikweg heeft de bestemming Natuur.

Artikel 5 Verkeer

De voorziene hoofdwegenstructuur is bestemd als Verkeer. De overige wegen zijn aangeduid binnen de bestemming 'Woongebied' voor de benodigde flexibiliteit in planvorming.

Artikel 6 Woongebied

Uitgangspunten regeling

Om voldoende flexibiliteit te waarborgen bij wisselende marktomstandigheden is gekozen voor één woongebied bestemming waarbij de exacte positie van de woning en het type woning afhankelijk is van de marktvraag. Dit houdt niet in dat de rechtszekerheid en de kwaliteit van de openbare ruimte niet wordt verankerd. In de regeling is namelijk het openbaar gebied direct bestemd, is de ligging van hoofdgebouwen bepaald en zijn maximale bouwhoogtes bepaald. Hiermee ontstaat zekerheid dat de kernkwaliteit van het gebied en de waarden aan de randen van het gebied zijn geborgd.

Functies

De toekomstige woningen en de daarbij behorende voorzieningen als tuinen, erven, groen, woonstraten, voet- en fietspaden, parkeervoorzieningen etc. zijn voorzien van de bestemming Woongebied.

Typen en aantal woningen

In de regels is onderscheid gemaakt in vijf type woningen; vrijstaande, twee-aaneengebouwde, aaneengebouwde (rijwoningen), geschakelde woningen en gestapeld (appartementen). Binnen de aanduiding 'gestapeld' is het appartementengebouw geprojecteerd, elders zijn appartementen niet toegestaan.

Ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd uitgesloten' zijn rijwoningen niet toegestaan. Dit namelijk ter plaatse van de entree van de wijk en richting de bosrand waar de wijk een ruimere opzet van verkaveling kent. Tevens is een maximaal aantal woningen in de regels geregeld.

Bouwhoogte

Voor alle hoofdgebouwen is een maximale goot- en bouwhoogte opgenomen. Hierbij is uitgegaan van een woning met ten hoogste 2 hoge bouwlagen en een hoge kapvorm. Uitzonderingen zijn de gestapelde woningen met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 2'. Hier geldt een maximale bouwhoogte die is gerelateerd aan de +NAP maat ter plaatse.

Positie hoofdgebouw

Voor alle woningen is bepaald waar het hoofdgebouw (de woning zelf) en waar het bijgebouw (bijvoorbeeld garage) staat. Rekening houdend met gewenste verspringingen van de voorgevels en rooilijnen, zijn op de verbeelding 'gevellijnen' opgenomen waarmee de plaats van hoofdgebouwen juridisch is vastgelegd. De gevellijn dient als hoofdoriëntatie van de voorgevel van de hoofdgebouwen. De voorgevel van hoofdgebouwen dient namelijk te worden gebouwd in de gevellijn of op een afstand van maximaal 2 m daarachter. Omdat op bepaalde hoeksituaties geen rechthoekig kavel mogelijk is kan de positie van het hoofdgebouw daar afwijken van de standaardregeling. Daarom is de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – 1' opgenomen zodat de woning verder achter de gevellijn gepositioneerd kan worden.

Beheerregeling

Tot slot is ook een beheerregeling opgenomen dat hoofdgebouwen nadat hiervoor omgevingsvergunning voor het bouwen is verleend niet mogen worden vergroot. Deze regeling is opgenomen zodat bij een gefaseerde ontwikkeling de gerealiseerde hoofdgebouwen niet maximaal worden vergroot ten koste van nog te ontwikkelen percelen of bij ongewenst gebruik van de gewenste flexibiliteit in dit plan.

Artikel 7 Leiding - Water

Deze gronden zijn mede bestemd voor de waterleiding van Dunea.

5.4 Algemene regels

De algemene regels bevatten regels die in beginsel op meerdere bestemmingen van toepassing zijn.

Naast de wettelijk verplichte anti-dubbeltelregel die onder de algemene regels moet worden geplaatst, zijn in dit bestemmingsplan algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels opgenomen.

5.5 Overgangs- en slotregels

De overgangsbepalingen zijn conform het Besluit ruimtelijke ordening.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.1.1 Inspraak en overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Het voorontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken wordt gedurende een periode van 6 weken voor inspraak ter inzage gelegd in het gemeentehuis van Noordwijk. Tevens is het plan online te raadplegen via de gemeentelijke website en de landelijke website www.ruimtelijkeplannen.nl. Tijdens deze inspraakperiode krijgen inwoners, bedrijven, bestuurlijke partners en instanties die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, de gelegenheid om op het voorontwerp een reactie in te dienen.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen.

De gemeente zal een anterieure overeenkomst sluiten met de betreffende partij waarin het kostenverhaal wordt geregeld. Hierdoor is een exploitatieplan niet noodzakelijk. De kosten voor de uitvoering van het bouwplan liggen volledig bij de ontwikkelende partij. Geconcludeerd wordt dat er voldoende middelen zijn om de ontwikkeling tot uitvoering te brengen. Het plan is daarmee financieel uitvoerbaar.