direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bedrijventerrein Tappersheul III
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel van het plan

De gemeente Oudewater wil, om tegemoet te komen aan de grote vraag aan bedrijfskavels, het bestaande bedrijventerrein Tappersheul uitbreiden. Hiervoor zijn de gronden ten oosten van het bestaande bedrijventerrein gereserveerd. In de provinciale ruimtelijke verordening is hier reeds op voorgesorteerd en is dit gebied aangeduid als toekomstig bedrijventerrein. Het gebied heeft de werknaam 'Tappersheul III'.

Ten zuiden van de uitbreiding van het bedrijventerrein bestaat daarnaast de wens om een aantal sportvoorzieningen te realiseren die nu elders in Oudewater liggen (zwembad, skeelerbaan met een extra mogelijkheid voor een natuurijsbaan als het vriest, en mogelijk op termijn een nieuwe sporthal).

Voorliggend bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het bedrijventerrein en realisatie van het zwembad en skeelerbaan mogelijk. Daarnaast geeft voorliggend bestemmingsplan een kader voor de landschappelijke inpassing en een geleidelijke overgang naar het omliggende buitengebied.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern van Oudewater. Het gebied ligt ingeklemd tussen de Polderwetering en de Broekkade. Ten westen van het plangebied ligt het bestaande bedrijventerrein 'Tappersheul. De polder 'Noord-Linschoten' grens aan de oostelijke zijde aan het plangebied. Het plangebied is deels gelegen binnen de bestaande landschapszone die een overgang van stad naar landschap vormt.

In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied in de grotere context weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging plangebied (rode stippellijn) in grotere context

Als verder ingezoomd wordt op het plangebied en de directe omgeving blijkt dat het plangebied globaal begrensd wordt door:

  • Het water van de Polderwetering in het zuiden;
  • De Iepenweg, het Toleind, de Kabelslag en bestaande bedrijvigheid in het westen;
  • De Broekkade in het noorden;
  • De strokenverkaveling (weilanden) van de polder 'Noord-Linschoten' in het oosten.

In afbeelding 1.2 is de ligging van het plangebied in haar directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0002.png"

Afbeelding 1.2: Ligging plangebied in directe omgeving

1.3 Voorgaande bestemmingsplannen

Ter plaatse van het plangebied vigeren, tot op het moment dat het voorliggende bestemmingsplan in werking treedt:

  • het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Tappersheul", dat op 17 december 2009 door de gemeenteraad van Oudewater is vastgesteld, in het noordwestelijke (blauwe) deel.
  • het bestemmingsplan "Landelijke gebied Oudewater & Wileskop", dat op 4 juli 2011 is vastgesteld, in het oostelijk (roze) deel.
  • het bestemmingsplan "De Noort Syde II", dat op 4 juli 2013 is vastgesteld, in het zuidwestelijke (oranje) deel.

In afbeelding 1.3 is een overzicht van de vigerende bestemmingsplannen in het plangebied weergegeven.

Het deelgebied, dat gelegen is in het bestemmingsplan "Bedrijvenpark Tappersheul", kent de bestemmingen 'Groen', 'Water', 'Verkeer' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde hoog'.

In het deelgebied, dat gelegen is in het bestemmingsplan "Landelijk gebied Oudewater & Willeskop", vigeren de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Groen'. Daarnaast zijn voor de noordelijke gronden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde middelhoog' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde hoog' opgenomen.

De bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' is opgenomen voor de gronden in het deelgebied dat ligt in het bestemmingsplan "De Noort Syde II".

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0003.png"

Afbeelding 1.3: overzicht vigerende bestemmingsplan in relatie tot het plangebied

Strijdigheid met vigerende bestemmingsplannen

De beoogde ontwikkeling is in diverse opzichten strijdig met de vigerende bestemmingsplannen. Zo is voorzien in de ontwikkeling van bedrijven en sportvoorzieningen binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Agrararisch met waarden - Landschap'. In functioneel opzicht is dit strijdig omdat bedrijven en sportvoorzieningen niet zijn toegestaan binnen deze bestemmingsplannen. Daarnaast kennen beide beide bestemmingen geen bouwvlakken waardoor ook in ruimtelijke opzicht sprake is van strijdigheid.

Daarnaast is voorzien in de realisatie van groenstructuren en ontsluitingen ter plaatse van de bestemming 'Water' uit het vigerende bestemmingsplan 'Bedrijvenpark Tappersheul'. Beide functies zijn op basis van de vigerende bestemming niet toegestaan.

Voorliggend bestemmingsplan voorziet het plangebied van een actueel juridisch-planologisch kader waarin voorgenomen ontwikkelingen mogelijk zijn.

1.4 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na deze inleiding is in Hoofdstuk 2 Beleidskader ingegaan op de verschillende beleidskaders op Rijksniveau en provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 3 Planbeschrijving is de gebiedsvisie uiteengezet. Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten gaat in op de verschillende sectorale aspecten en doet verslag van het onderzoek naar de randvoorwaarden en belemmeringen die gelden vanuit de diverse planologische en milieukundige toetsingskader. In Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving is de juridische toelichting op het bestemmingsplan gegeven. Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan, dat in een economisch en maatschappelijk facet uiteengelegd wordt. Tevens wordt daarbij ingegaan op het aspect handhaving. Ten slotte wordt de bestemmingsplanprocedure in Hoofdstuk 7 Procedure nader toegelicht.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie

De ontwerpversie van de Nationale Omgevingsvisie heft tot 30 september 2019 ter inzage gelegen.

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op onze leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want onze ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zetten we een proces in gang waarmee we keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter kunnen maken. Zo bouwen we samen aan een mooier en sterker Nederland.

De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2021 of 2022 in werking treedt. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Op de Noordzee ligt er bijvoorbeeld een opgave om meer windmolens te plaatsen. Dat kan alleen als we goede afspraken maken met andere gebruikers. Ook moeten we goed nadenken over de plekken waar de opgewekte windenergie aan land komt. Het is efficiënt om juist daar plaats te bieden aan bedrijven die veel stroom gebruiken.

Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio’s
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • b. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De structuurvisie geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de structuurvisie schetst het Rijk ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028.

De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. De SVIR is de eerste Rijksnota die de onderwerpen infrastructuur en ruimte integraal behandelt. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie. De verantwoordelijkheid wordt verplaatst van Rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau.

Door urbanisatie, individualisering, vergrijzing en ontgroening nemen de ruimtelijke verschillen toe. Vanaf 2035 groeit de bevolking niet meer. De samenstelling van de bevolking, en daarmee de samenstelling van huishoudens, verandert. Ambities tot 2040 zijn onder andere het aansluiten van woon- en werklocaties op de (kwalitatieve) vraag en het zoveel mogelijk benutten van locaties voor transformatie en herstructurering. Ook wil het Rijk ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Dit moet voor zowel het landelijk als het stedelijk gebied gelden. In de SVIR is verder vastgelegd dat provincies en (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk zijn voor programmering van verstedelijking. (Samenwerkende) gemeenten zorgen voor (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering die past binnen de provinciale kaders. Ook zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de uitvoering van de woningbouwprogramma's.

Ter versterking van het vestigingsklimaat in de stedelijke regio's rondom de main-, brain- en greenports geldt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak. In krimpregio's wordt het interbestuurlijke programma bevolkingsdaling doorgezet.

In het SVIR worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Enerzijds betreft het de belangen die reeds in de (ontwerp-) AMvB Ruimte uit 2009 waren opgenomen en anderzijds is het Barro aangevuld met onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ter bescherming van deze belangen zijn reserveringsgebieden, begrenzingen en vrijwaringszones opgenomen. In het besluit is aangegeven op welke wijze bestemmingsplannen voor deze gebieden moeten zijn ingericht. Indien geldende bestemmingsplannen niet voldoen aan het Barro dan moeten deze binnen drie jaar na inwerkingtreding van het besluit zijn aangepast.

Bij besluit van 28 augustus 2012 (inwerking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied).

In de Barro worden geen specifieke uitspraken gedaan met betrekking tot het voorliggende plangebied.

Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Op 1 juli 2017 is de Nieuwe Ladder voor Duurzame Verstedelijking in werking getreden (artikel 3.1.6 lid twee en drie Bro). De nieuwe Ladder is ten opzichte van de voorgaande Ladder vereenvoudigd. De drie treden zijn komen te vervallen en er is een nieuwe bepaling toegevoegd. De Laddertoets geldt alleen voor plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Toetsing aan de nieuwe Ladder houdt in dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Indien een bestemmingsplan wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten bevat, kan bij het moederplan worden bepaald dat de Laddertoets zich niet richt op de toelichting bij het moederplan, maar op de toelichting bij het wijzigings- of uitwerkingsplan.

Door BUCK Consultants International is een onderbouwing opgesteld voor de uitbreidingen in Oudewater buiten de rode contour. Deze onderbouwing is opgenomen in bijlage 1.

Uit deze onderbouwing blijkt dat er behoefte is aan bedrijfsruimte in Oudewater. Lange termijn prognoses wijzen uit dat er 3 ha netto uitbreidingsbehoefte is in Oudewater. De locatie Tappersheul III wordt beoordeeld als een ontwikkeling met een lokaal verzorgingsgebied. Binnen dit verzorgingsgebied is er geen geschikt aanbod aanwezig om aan deze behoefte te voldoen en ontstaat er geen onaanvaardbare leegstand bij de ontwikkeling.

De bewoners in de gemeente Oudewater hebben zich uitgesproken over een zwembad in de gemeente. Het huidige zwembad voldoet niet meer en renovatie is duur. De mogelijkheid om het zwembad te slopen en nieuwbouw te realiseren is alleen financieel haalbaar wanneer er een woningbouwprogramma kan worden toegevoegd, waarmee kosten voor het zwembad gedekt kunnen worden. Omdat er binnenstedelijk geen extra locaties voor woningbouw aanwezig zijn, is woningbouw op Statenland wenselijk. Het verplaatsen van het zwembad biedt dus mogelijkheden voor een haalbare businesscase en de invulling van de woningbouwbehoefte.

De locatie Tappersheul III komt hiervoor in aanmerking, gezien de dilemma's die op andere locaties spelen, waardoor de afweging anders gemaakt dient te worden dan in 2016 het geval was.

Door de ontwikkeling van Tappersheul III voor bedrijvigheid en sportvoorzieningen buiten de rode contour:

  • Wordt de schaarse ruimte van Oudewater binnen en buiten de rode contour efficiënt benut;
  • Kunnen zowel Statenland als Tappersheul III verantwoord en integraal worden ontwikkeld;
  • Ontstaat er financiële haalbaarheid voor de nieuwbouw van het zwembad en kan invulling worden geboden aan een maatschappelijk gewenste ontwikkeling;
  • Krijgt de woningbouwbehoefte om Oudewater een vitale stad en samenleving te houden invulling;
  • Wordt de urgente behoefte aan bedrijfsruimte ingevuld en ruimtelijk inpasbaar;
  • Wordt de ambitie van de gemeente om sportvoorzieningen te clusteren mogelijk.

Hiermee is de behoefte aan voorgenomen ontwikkelingen aangetoond.

2.2 Provinciaal beleid

Ontwerp Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Utrecht

Gedeputeerde Staten hebben in maart 2020 de Ontwerp Omgevingsvisie en Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. In deze documenten staat beschreven hoe de provincie zich wil voorbereiden op de toekomst, gezien alle ontwikkelingen die op ons afkomen en die ruimte vragen in de provincie.

De Ontwerp Omgevingsvisie, -Verordening en PlanMER hebben ter inzage gelegen van 7 april t/m 18 mei 2020. In die periode kon iedereen die dat wilde, reageren door een zienswijze in te dienen. Na het verwerken van alle zienswijzen stellen PS naar verwachting eind 2020 de definitieve Omgevingsvisie en Omgevingsverordening vast.

Provinciale Structuurvisie 2013 - 2028 (herijking 2016)

In de Provinciale Structuurvisie 2013 - 2028 wordt de strategie van Utrecht 2040 in ruimtelijke zin verder uitgewerkt. De structuurvisie omvat het beleid voor de periode tot 2028. Bij de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie is ook een Verordening vastgesteld. De Provinciale Structuurvisie beoogt een aantrekkelijke provincie te creëren om in te wonen, werken en recreëren. De met vele regiopartijen opgestelde Strategie Utrecht 2040 vormt daarvoor het uitgangspunt. De doelen uit Strategie Utrecht 2040 vragen om een integrale aanpak die resulteert in drie pijlers:

  • een duurzame leefomgeving;
  • vitale dorpen en steden;
  • landelijk gebied met kwaliteit.

Het plangebied is in de structuurvisie aangeduid als kernrandzone in het landelijk gebied gebied. Uit de provinciale structuurvisie blijk dat er onder andere aandacht moet zijn voor bodemdaling, klimaatadaptatie, cultuurhistorie en landschappelijke waarde.

In dit plan wordt hiermee rekening gehouden door te zorgen voor waterberging en een goede landschappelijke inpassing van het geheel. In de kernrandzone visie, die is opgenomen als bijlage 2, wordt meer aandacht besteed aan deze landschappelijke inpassing.

Daarnaast is in de structuurvisie reeds voorzien in de ontwikkeling van het bedrijventerrein omdat het plangebied is aangeduid als toekomstig bedrijventerrein.

Provinciale Ruimtelijke Verordening

Op 4 februari 2013 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 vastgesteld. Een herijking heeft in 2016 plaatsgevonden. Het doel van de verordening is provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. Dat betekent dat de gewenste ontwikkelingen in een gebied of regio op deze manier worden veiliggesteld. De basis van de verordening is de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028. In de verordening zijn onder andere regels met betrekking tot de kernrandzone, cultuurhistorie en landschap opgenomen.

Kernrandzone

In de verordening is de visie doorvertaald in regels. Om tot ontwikkeling in de kernrandzone te komen dient sprake te zijn van versterking van de ruimtelijke kwaliteit, dient de verstedelijking ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar te zijn en dienen omliggende functies niet onevenredig te worden geschaad. Daarnaast dient de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit te zijn geborgd.

Voor de eerste twee punten is de kernrandzonevisie in bijlage 2 opgesteld. In deze visie wordt ingegaan op de versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de ruimtelijke en landschappelijke inpassing. Dit bestemmingsplan ziet in het borgen van de ruimtelijke kwaliteit middels bestemmingen en regels. In deze toelichting wordt inzichtelijk gemaakt dat de omliggende functies niet onevenredig geschaad worden. Daarmee wordt voldaan aan de voorwaarden uit de provinciale verordening.

Cultuurhistorie

Het plangebied is gelegen in het agrarisch cultuurlandschap. In de regels is aangegeven dat een ruimtelijk besluit voor deze gronden geen nieuwe bestemmingen en regels mag bevatten die leiden tot een onevenredige aantasting van deze worden. In het de kernrandzone visie wordt aandacht besteed aan de cultuurhistorische waarden en verderop in de toelichting wordt aandacht besteed aan dit onderwerp.

Landschap

Het plangebied is gelegen in het landschap van het Groene Hart. Voorgeschreven is dat een de toelichting op een ruimtelijk besluit voor deze gronden een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten geeft en de wijze waarop met de bescherming ervan wordt omgegaan. In de kernrandzonevisie wordt hier aandacht aan besteed. Deze visie is vertaald in dit bestemmingsplan.

Toekomstig bedrijventerrein

Tot slot is een groot deel van het plangebied in de provinciale verordening aangeduid als 'toekomstig bedrijventerrein'. In de verordening zijn voorwaarden gesteld aan een ruimtelijke besluit dat de nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijventerreinen mogelijk maakt.

Zo dient de uitbreiding van het bedrijventerrein plaats te vinden in aansluiting op het stedelijk gebied. Het plangebied, waar de uitbreiding voorzien is, grenst direct aan het bestaande bedrijventerrein en daarmee het stedelijke gebied (zoals dat ook op de verbeelding van de provinciale verordening is aangeduid). Aan de eerste voorwaarde wordt daarmee voldaan.

Verder dient de uitbreiding bij te dragen aan een goede kwaliteit van de nieuwe kernrandzone. In bijlage 2 is de kernrandzonevisie opgenomen die voor de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde voorwaarde.

Daarnaast zijn er enkele voorwaarden gesteld met betrekking tot herstructurering. De herstructurering van bestaande bedrijventerreinen dient verzekerd te zijn door middel van een herstructureringsplan, de uitbreiding dient in samenhang en evenredige verhouding met de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen plaats te vinden, en de tijdige realisering van de herstructurering dient te zijn verzekerd. Hiertoe wordt door de gemeente een herstructureringsplan/revitaliseringsplan opgesteld. Deze is momenteel in ontwikkeling, het plan van aanpak hiervoor is opgenomen in bijlage 21.

Conform het bepaalde in artikel 3.20 lid 2 onder f en artikel 4.2 lid 1 onder d van de provinciale verordening, is het voorgaande verzekerd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan (artikel 3.4.3).

Voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het provinciale beleid.

2.3 Regionaal beleid

Landschapsontwikkelingsplan Groene Driehoek

Voor de gemeenten in de Groene Driehoek (Montfoort, Oudewater en Lopik) is een gezamenlijk landschapsontwikkelingsplan (LOP) opgesteld. Het plan geeft inzicht in de mogelijkheden en keuzen voor de landschapsontwikkeling in het buitengebied voor de komende 30 jaar. Ook zijn realiseerbare projecten benoemd gericht op recreatie, landschap/cultuurhistorie, natuur, water en landbouw.

Het LOP gaat uit van een actieve landschapsontwikkeling waarbij een belangrijke rol is toegekend aan de kernkwaliteiten van het landschap.

Voor de Groene Driehoek staat behoud en ontwikkeling van de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap voorop, onder de voorwaarde dat een groot deel van het gebied levensvatbaar blijft voor de landbouw en met name de veeteelt. Er is echter behoefte aan het inpassen van niet-agrarische ontwikkelingen. Bij het vaststellen van nieuwe ontwikkelingsrichtingen moeten de bestaande kernkwaliteiten van het landschap als basis en richtinggevend kader dienen voor ruimtelijke veranderingen. Een integrale aanpak van de problematiek over de gemeentegrenzen heen is hierbij van belang.

In de landschapsvisie, die is weergegeven in afbeelding 2.1, is te zien dat de uitbreiding van het bedrijventerrein in dit ontwikkelingsplan al is voorzien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0004.png"

Afbeelding 2.1: Landschapsvisie landschapsontwikkelingsplan

Uit de kaart van het uitvoeringsprogramma (afbeelding 2.2) blijkt dat in het plangebied een versterking van de groene buffers plaats dient te vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0005.png"

Afbeelding 2.2: Uitvoeringsprogramma landschapsontwikkelingsplan

In het ontwikkelingsplan wordt aangegeven dat de inpassing van het bedrijventerrein aandacht vraagt en dat dit landschappelijk ingepast dient te worden. Een ander aandachtspunt is dat de polders in recreatief opzicht weinig toegankelijk zijn vanuit de kernen.

Omdat het plangebied in de kernrandzone is gelegen en de overgang richting de polders aandacht verdient, is een kernrandzonevisie opgesteld, zie bijlage 2. Deze visie is gericht op het handhaven en versterken van de bestaande kwaliteiten en om nieuwe initiatieven beter in samenhang te kunnen beoordelen.

De visie is een toetsingskader voor ruimtelijke initiatieven.

2.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Oudewater 2005-2025

De structuurvisie van de gemeente Oudewater geeft de koers voor de ruimtelijke ontwikkeling op de korte, middellange en lange termijn weer. De structuurvisie is feitelijk een integraal masterplan voor het gehele grondgebied.

De structuurvisie heeft de volgende functies:

  • Het biedt een integraal en samenhangend ontwikkelingskader voor de ruimtelijke en programmatische ontwikkeling van Oudewater.
  • Het is een toetsingskader met een goede ruimtelijke onderbouwing voor de ontwikkeling van deelprojecten.
  • Verzorgt de communicatie tussen het gemeentebestuur en de bevolking over de ruimtelijke ontwikkeling van Oudewater .
  • Het zorgt voor communicatie, overleg en afstemming van het beleid op verschillende schaalniveau's, tussen rijk, provincie en gemeente.

In de gemeentelijke structuurvisie is met betrekking tot het plangebied aangegeven dat de overgang van stad naar land aan de oostzijde van het bedrijventerrein Tappersheul zal worden vormgegeven als stadsland. Deze zonen vormt een groene buffer naar het open buitengebied. In afbeelding 2.3 is een uitsnede van de structuurvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0006.png"

Afbeelding 2.3: Uitsnede van de structuurvisie Oudewater

Deze overgang, waar in de structuurvisie op gedoeld wordt, is in het provinciale beleid verankerd in de kernrandzone. Met de voorgenomen ontwikkeling verschuift deze zone. Bij ontwikkeling wordt het geheel landschappelijk goed ingepast en wordt gezorgd voor een groene overgang richting het open buitengebied. Voor een nadere onderbouwing voor de landschappelijke inpassing wordt verwezen naar bijlage 2.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Huidige situatie

Het plangebied is in de huidige situatie een onbebouwd gebied dat fungeert als afscherming van het bestaande bedrijventerrein ten opzichte van het omliggende landschap. Het plangebied is een half-open landschappelijke zone met diverse landschapselementen zoals bosjes, boomgroepen, sloten, poelen, grasland en struinpaden. Hiermee kent het een ecologische en recreatieve verblijfskwaliteit. Het gebied is in de huidige situatie echter slechts beperkt toegankelijk en mist de relatie met het groene tussengebied bij Toleind.

In de afbeeldingen 3.1, 3.2 en 3.3 is de huidige situatie in het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0007.png"

Afbeelding 3.1: Overzicht van de huidige situatie in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0008.jpg"

Afbeelding 3.2: Huidige situatie in het plangebied gezien vanaf de Kabelslag

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0009.jpg"

Afbeelding 3.3: Huidige situatie in het plangebied gezien vanaf de Iepenweg

3.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie is voorzien in de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein 'Tappersheul', welk gedeelte 'Tappersheul III' wordt genoemd, en de realisatie van diverse sportvoorzieningen. De bedrijven zijn in het noordelijke deel van het plangebied voorzien en de sportvoorzieningen worden in het zuidelijke deel van het plangebied gerealiseerd.

Programma

Het bestaande bedrijventerrein wordt in westelijke richting uitgebreid en bestaat uit 3 hectare uitgeefbaar terrein. Het bedrijventerrein krijgt geen duidelijke branchering en is daardoor aantrekkelijk voor verschillende bedrijven. De precieze programmatische invulling van dit deel van het bedrijventerrein is daarmee niet volledig afgebakend. Wel worden in dit bestemmingsplan uiteraard kaders geboden voor de maximale bedrijfsactiviteiten en eisen gesteld aan inrichting en beeldkwaliteit.

De sportvoorzieningen zijn, zoals gezegd, voorzien in het zuidelijke deel van het plangebied. Het voornemen bestaat om een zwembad met een binnen- én buitenbad te realiseren. Bij dit buitenbad is ook voorzien in de realisatie van een ligweide en een parkeerterrein. Dit parkeerterrein is bedoeld voor de bezoekers van zowel het binnen- én buitenbad. Naast de realisatie van het zwembad is ook voorzien in de realisatie van een skeelerbaan. Rondom de skeelerbaan wordt een extra 'ring' aangelegd die bij vorst onder water kan worden gezet zodat daar een natuurrijsbaan kan ontstaan.

Daarnaast wordt op de langere termijn ook mogelijk de realisatie van een nieuwe sporthal voorzien. Het betreft voorzieningen die nu reeds in Oudewater aanwezig zijn en die alsdan verplaatst zouden worden: de skeelerbaan en het zwembad (thans alleen buitenbad) zijn nu gevestigd aan de zuidwestzijde van Oudewater, op Statenland. De nieuwe sporthal zou ter vervanging zijn van één van de twee bestaande sporthallen in Oudewater. Dit is echter nog niet concreet genoeg en daarom niet juridisch mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan.

Stedenbouwkundige opzet

Door het bureau Juurlink [+] Geluk is een beeldkwaliteitsplan opgesteld ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen. Op 14 november 2019 is een beeldkwaliteitsplan door de gemeenteraad vastgesteld, dat op 28 januari 2021 is geactualiseerd. Dit document is opgenomen in bijlage 3 bij de toelichting.

Om tot een uiteindelijk verkaveling en inrichting te komen, zijn aan het begin van het proces een aantal uitgangspunten geformuleerd:

  • Een goede (groene) rand richting het landschap;
  • Een representatief profiel van de Iepenweg;
  • Zichtlijnen naar het landschap open houden;
  • Een onderscheid tussen de bedrijfszone en een meer recreatieve/sportzone door middel van een groene tussenstrook bij het Toleind;
  • Het accentueren van de kop van het gebied.

Bovengenoemde uitgangspunten zijn schetsmatig weergegeven in afbeelding 3.4.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0010.png"

Afbeelding 3.4: Schetmatige verkenning van stedenbouwkundige uitgangspunten.

Uit overleg met ondernemers en omwonenden is na een eerdere versie van het beeldkwaliteitsplan gebleken dat een andere opzet van het meest zuidelijke verkavelingsblok (E) werd gewenst.

De opzet van een bedrijfsverzamelgebouw als één volume centraal op de kavel is vervangen door een opzet van een open bedrijvenhof met vier kleine volumes en één ontsluiting via een hof met bomen.

De totale oppervlakte van het verkavelingsblok is met bijna 25% verkleind waardoor de openheid en landschappelijke inpassing verbetert.

Dit is meegenomen in het beeldkwaliteitsplan van 22 april 2020, zoals dat bij het voorontwerpbestemmingsplan was gevoegd.

In januari 2021 is het beeldkwaliteitsplan opnieuw geactualiseerd. Naar aanleiding van de inspraakreacties op het voorontwerpbestemmingsplan zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd.

De ontsluiting van het blok E is verlegd van aansluiting op het Toleind naar aansluiting op het einde van de Iepenweg binnen het bestaande hek. Dit hek sluit in de vooravond om 's ochtends weer open te gaan en verhindert verkeer tussen de woonwijk en het bedrijventerrein.

Zo bleek dat voor verkavelingsblok A andere bouwhoogtes wenselijk waren. Voorheen was hier een maximale bouwhoogte van 8 m opgenomen. Voor de eerste 50 meter bezien vanaf de doorgetrokken Elzenweg is dit aangepast in minimaal 7,5 en maximaal 15 meter (overeenkomstig het tegenovergelegen blok B), en voor het overige deel van blok A ten noorden hiervan een maximale bouwhoogte van 10 meter.

Daarnaast is voor blok A, gezien de aard van de bedrijfsactiviteiten, een afwijkende erfafscheiding toegestaan. Hier kan naast een hekwerk ook een meer gesloten afscheiding worden gerealiseerd, die aan de buitenzijde moet worden begroeid. Daarbij is de maximale hoogte behouden, en blijft erfafscheiding bij de representatieve hoek niet toegestaan.

Ruimtelijke vertaling

Verkaveling bedrijvigheid

Bovengenoemde stedenbouwkundige uitgangspunten hebben geresulteerd tot een verkaveling met daarin verschillende 'blokken' waarin bedrijfskavels gerealiseerd mogen worden. De studie van Juurlink [+] Geluk heeft geleid tot de verkaveling zoals weergegeven in afbeelding 3.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0011.png"

Afbeelding 3.5: Masterplan uitbreiding Tappersheul en sportvoorzieningen (Juurlink + Geluk, april 2020).

De verschillende bouwkavels voor de bedrijven zijn variërend in omvang van 3.840 m2 (blok E) tot 10.150 m2 (blok C). Ter plaatse van blok E wordt gedacht aan een open bedrijvenhof met meerdere kleine units.

Verkaveling zwembad

Zoals aangegeven, zijn de sportvoorzieningen voorzien in het zuidelijk deel van het plangebied. Het zwembad is voorzien in het noordelijk deel van het zoekgebied voor deze voorzieningen. Het zwembad beschikt in de toekomstige situatie over een binnen- en een buitenbad. Het buitenbad is voorzien in het noordoostelijk deel van het perceel en kent een omvang van 50 bij 17 meter. Het zwembad is noord-zuid georiënteerd. Ten westen van het buitenzwembad is voorzien in een ligweide. Daarnaast is ook voorzien in de mogelijke realisatie van een spraypark.

Het binnenzwembad is voorzien op het zuidelijk deel van het perceel. Het binnenbad kent een omvang van 25 bij 17,5 meter. Dit bad kent een deels verstelbare bodem. Ten westen van de ligweide en het binnenbad wordt een parkeerplaats gerealiseerd om te kunnen voorzien in de benodigde parkeerplaatsen voor de zwembaden. In totaal worden 240 fietsstallingsplaatsen en 56 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Het zwembad wordt landschappelijk ingepast met onder meer een groene grondwal van 1,5 meter hoog langs de weg Toleind. Onder deze groene wal wordt in feite een aarden wal verstaan, voorzien van beplanting. Deze wal verzorgt naast een landschappelijke inpassing ook een akoestische afscherming van de activiteiten in en rondom het zwembad. Het gebouw krijgt een stoere en sobere uitstraling en wordt als architectonisch solitaire eenheid ontwikkeld.

Sporthal

Centraal in het sportcluster kan een nieuwe sporthal komen. De komst hiervan is nog onzeker en is daarom nog niet meegenomen in dit bestemmingsplan. Deze gronden worden in de toekomstige situatie groen ingericht. Ruimtelijk gezien zou de nieuwe sporthal tussen het nieuwe zwembad en de nieuwe skeelerbaan in kunnen komen. In de stedenbouwkundige opzet is daar ruimte voor gereserveerd.

Skeelerbaan

In het zuidelijk deel van het sportcluster wordt een nieuwe skeelerbaan gerealiseerd. Het gaat om een 200-meter wedstrijdbaan waarbij de bochten een flauw talud kennen (tot circa 1 meter). Bij deze skeelerbaan is voorzien in de realisatie van een kleedgebouw van circa 200 m2. Dit kleedgebouw bestaat uit één bouwlaag. De baan wordt voorzien van enkele lichtmasten en daarnaast wordt ook een omroepinstallatie gerealiseerd. Bezoekers van deze baan kunnen parkeren op de parkeerplaats bij het zwembad. De skeelerbaan wordt landschappelijk ingepast met robuuste blokken bos bestaande uit dichte begroeiing van bomen en struikgewas. Hierdoor krijgt het geheel extensieve en landschappelijke uitstraling. Vanaf de Kabelslag zal deze skeelerbaan weinig zichbaar zijn.

Natuurijsbaan

Rondom deze skeelerbaan bestaat de mogelijkheid om in het winterseizoen een openlucht natuurijsbaan te creeëren. Hiertoe wordt rondom de skeelerbaan een extra 'ring' aangelegd die bij vorst onder water gezet kan worden. Bij deze natuurijsbaan zal geen sprake zijn van koel- of omroepinstallaties. Het gaat daarmee niet om een zogenaamde 4.2 inrichting (zie ook paragraaf 4.8 Bedrijven en milieuzonering). Hierdoor zal het gebruik van deze ijsbaan slechts beperkt zijn tot een geringe periode in het jaar, en wellicht zelfs ééns per meerdere jaren aangezien de winters steeds minder streng worden, en wordt mogelijke hinder richting omwonenden beperkt.

Ontsluiting

De ontsluiting van de verschillende bedrijfskavels vindt plaats via nieuwe dwarswegen die in het verlengde van de bestaande, horizontale wegen liggen. Hierdoor ontstaat een verlening van de Elzenweg, Wilgenweg en Populierenweg. Wanneer de verschillende bouwvlakken worden verdeeld in meerdere kavels en geen directe ontsluiting via een dwarsweg mogelijk is, wordt de kavel rechtstreeks op de Iepenweg ontsloten. Het doel is om het aantal ontsluitingen via de Iepenweg te beperken. De sportvoorzieningen worden op de Kabelslag ontsloten.

Parkeren

Het parkeren van zowel medewerkers als bezoekers bij de bedrijfskavels vindt plaats op eigen terrein. Ook het laden en lossen is op eigen terrein voorzien. Bij de sportvoorzieningen is voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein.

Landschappelijke inpassing

Zoals eerder aangegeven, is het plangebied gelegen in de kernrandzone van Oudewater. Door de uitbreiding van het bedrijventerrein en de realisatie van de sportvoorzieningen schuift deze kernrandzone in oostelijke richting op en dient expliciet aandacht besteed te worden aan de landschappelijk inpassing van de ontwikkelingen en de overgang van het plangebied naar het landelijk gebied.

In de als Bijlage 2 bij de toelichting opgenomen Kernrandzonevisie is uitgebreid ingegaan op de landschappelijke inpassing van de nieuwe functies en is aangegeven onder welke voorwaarden wordt voldaan aan 'een goede landschappelijke inpassing'.

Beeldkwaliteit bedrijfskavels

In het planboek van Juurlink [+] Geluk zijn ook regels over beeldkwaliteit op de bedrijfskavels opgenomen. De regels stellen eisen aan inrichting en beeldkwaliteit voor de bedrijfskavels. Voor zover deze regels stedenbouwkundig van aard zijn, zijn ze verankerd in de regels van het bestemmingsplan. Verder is het beeldkwaliteitsgedeelte op 14 november 2019 vastgesteld als onderdeel van de gemeentelijke welstandsnota, zodat deze regels via dat spoor een juridisch bindende werking krijgen. De geactualiseerde versie van 28 januari 2021 zal op vergelijkbare wijze worden vastgesteld.

Voor wat betreft beeldkwaliteit wordt onderscheid gemaakt tussen de verschillende blokken en tussen kavels kleiner en groter dan 2.000 m2. Blok A en E kennen een bijzondere status. Voor deze blokken worden afwijkende regels gesteld.

Volume

Voor wat betreft het volume zijn in het beeldkwaliteitsplan een aantal eisen gesteld. Voor kavels tot 2.000 m2 geldt een minimale bebouwingshoogte van 7,5 meter en een maximale bebouwingshoogte van 12 meter. Hier kan van afgeweken worden als, naar oordeel van Burgemeester en Wethouders, sprake is van een goede landschappelijke inpassing. Voor kavels groter dan of gelijk aan 2.000 m2 geldt een minimale bebouwingshoogte van 7,5 meter en een maximale bebouwingshoogte van 15 meter. Voor blok A geldt deze regeling voor wat betreft de eerste 50 meter gemeten vanuit de doorgetrokken Elzenweg; het gedeelte ten noorden daarvan heeft een maximale bouwhoogte van 10 meter. Voor blok E geldt een maximale bebouwingshoogte van 8 meter.

Situering en oriëntatie

Voor wat betreft het bebouwingspercentage is voorgeschreven dat de bedrijfskavel mimimaal voor 40% en maximaal voor 80% bebouwd mag worden. Voor de branches logistiek en afvalverwerking kan afgeweken worden van het minimum bebouwingspercentage indien het bedrijf zorg draagt voor ruimtelijke en landschappelijke inpassing.

Uit het beeldkwaliteitsplan volgt dat de bebouwing vrijwel altijd op de hoekpunten van de kavel gerealiseerd dient te worden en dient de hoek voor minimaal 12 meter bebouwd te worden. Blok D en E vormen hierin een uitzondering. Bij blok D dient de zuidelijk hoek altijd precies op de erfgrens te staan. Bij blok E bestaat de bebouwing uit losstaande volumes die minimaal 9 meter van elkaar af worden geplaatst.

De hiervoor beschreven hoek dient een representatieve uitstraling te hebben. Minimaal 25% van dit geveloppervlak bestaat uit raampartijen.

Materialisatie, kleurgebruik en reclame

Het beeldkwaliteitsplan geeft ook richting aan de materialisatie van de bebouwing en het kleurgebruik. Het is de bedoeling dat de gevel van de bebouwing wordt uitgevoerd in neutrale grijstinten en eventueel hout. Er dient gebruik te worden gemaakt van materialen die ook op lange termijn hun kleur en uitstraling behouden.

Gevelreclame mag alleen aan de gevel en niet boven op de gevels aangebracht worden. De reclame maakt onderdeel uit van het gebouwontwerp en bevindt zich in de hoek van de gevel. De vormgeving en toepassing van de reclameuitingen is terughoudend.

Beeldkwaliteit sportcluster

De beeldkwaliteitseisen voor de sportvoorzieningen (zwembad en skeelerbaan) moeten nog nader worden uitgewerkt. In de kernrandzonevisie (Bijlage 2) is reeds een beknopt aantal inspiratiebeelden opgenomen voor het nieuwe zwembad. Gedacht wordt aan een uitstraling juist afwijkend van de noordelijker gelegen bedrijfskavels, zodat een icoon in het landschap ontstaat.

Hoofdstuk 4 Sectorale aspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Kader

Erfgoedwet

De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien is aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling, waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden.

In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2021 of 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021/2022. Het gaat daarbij om de volgende zaken:

  • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten;
  • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie;
  • Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
4.1.2 Onderzoek

Bureauonderzoek

Door Econsultancy is archeologisch onderzoek uitgevoerd. In eerste instantie is bureauonderzoek uitgevoerd. Dit bureauonderzoek is te raadplegen in bijlage 4.

Uit het bureauonderzoek is gebleken dat binnen het plangebied een tweetal potentiële archeologische niveaus worden verwacht. Om de archeologische verwachting te toetsen of aan te vullen, wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek (IVO) uit te voeren.

Inventariserend veldonderzoek

Dit geadviseerde inventariserend velonderzoek is ook door Econsultancy uitgevoerd en te raadplegen in bijlage 5. De belangrijkste conclusies zijn hieronder weergegeven.

Uit het veldonderzoek is gebleken dat binnen het plangebied bedding- en oeverafzettingen van de Blokland-Snelrewaard- en Willeskop-stroomgordel zijn aangetroffen daar waar ze, op grond van bekende gegevens worden verwacht. Daarnaast blijkt in het zuidelijke deel van het plangebied, dat volgens de gemeentelijke beleidskaart een lage verwachting heeft, afzettingen van een niet eerdere gekarteerde beddinggordel zijn aangetroffen. Gezien de diepteligging van deze afzettingen gaat het om een niet gekarteerde loop van de Willeskop-beddinggordel of om een niet gekarteerde beddinggordel uit dezelfde als de Willeskop-beddinggordel.

De archeologische potentie voor deze afzettingen van de verschillende beddinggordels wordt echter als laag beschouwd. Gezien deze archeologische potentie worden bij eventuele toekomstige grondverstorende werkzaamheden waarschijnlijk geen archeologische waarden bedreigd. Geadviseerd wordt om geen dubbelbestemming ten behoeve van archeologische resten op te leggen.

Cultuurhistorie

Het plangebied kent geen gebouwde objecten met monumentale of cultuurhistorische waarden. Ook in de directe omgeving van het plangebied liggen geen objecten met dergelijke waarden.

Het omliggende kenmerkt zich door de cope ontginning. Ten noorden van het plangebied ligt de Broekkade. Deze kade is een zogeheten landscheiding, de scheiding tussen twee ontginningsblokken. De kade is opgeworpen als achtergrens van de polder Noord-Linschoten om het water te keren uit het toen nog niet ontgonnen Diemerbroek. Toen later de ontginning van het restgebied Diemerbroek plaatsvond fungeerde de kade tevens als achterkade van de polder Zuid Diemerbroek. De kade is nog geheel aanwezig en is deels begroeid.

In de kernrandzonevisie in bijlage 2 wordt ingezet op het behoud en het versterken van de Broekkade. De aanwezige cultuurhistorische kade wordt in de toekomstige situatie versterkt.

4.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.2 Ecologie

4.2.1 Kader

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden, met wetgeving ten aanzien van soorten en Natura 2000-gebieden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Daarnaast hebben provincies eigen beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en overige natuurwaarden buiten het NNN.

4.2.1.1 Soortenbescherming

Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen.

Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.

Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden.

De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven).

Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

4.2.1.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000

De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door 'externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een 'habitattoets' dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).

4.2.2 Onderzoek

Soortenbescherming

Quickscan

In april 2019 is door Econsultancy een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage hiervan is te raadplegen in bijlage 6.

Uit de quickscan is gebleken dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van de heikikker en de functie van het onderzoeksgebied voor deze soort benodigd is. Daarnaast is geconcludeerd dat het plangebied mogelijk essentieel foerageergebied vormt voor een in de omgeving broedende steenuil en de broedlocatie voor binnen het plangebied rustende ransuil. Geadviseerd wordt een aanvullend onderzoek naar het voorkomen en de functie van het plangebied voor deze soorten uit te laten voeren. Voor de overige vogelsoorten geldt dat het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitgevoerd kan worden. Indien werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd moeten worden dan moet voordat de werkzaamheden plaats vinden een broedvogelinspectie uitgevoerd worden.

De bosranden en de bomen langs de Iepenweg betreffen een potentiële vliegroute voor vleermuizen. Door de herinrichting van de onderzoekslocatie kan verstoring ten aanzien van vliegroutes worden voorkomen. Geadviseerd wordt een aanvullend onderzoek naar de functie van de bomen (vliegroutes) uit te laten voeren.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Met betrekking tot houtopstanden wordt geconcludeerd dat nader onderzoek niet noodzakelijk is en dat een ontheffingsaanvraag ook niet noodzakelijk is.

Nader onderzoek

In de quickscan is de aanbeveling gedaan om voor verschillende soorten nader onderzoek uit te voeren. Dit nadere onderzoek is te raadplegen in bijlage 7. Uit dit onderzoek is gebleken dat de uit te voeren ingrepen het leefgebied van de beschermde heikikker en ransuil zullen verstoren en vernietigen en daardoor ontheffingsplichtig zijn. De ontheffingsaanvraag moet ondersteund worden middels een activiteitenplan ten aanzien van deze soorten.

Activiteitenplan

Door Econsultancy is een activiteitenplan voor deze soorten opgesteld. Dit activiteitenplan is opgenomen in bijlage 8. In dit activiteitenplan is uiteengezet welke beschermde soorten aanwezig zijn, wat de functie is van het plangebied voor deze soorten en wat de mogelijke maatregelen en het succes hiervan is. Uit dit activiteitenplan blijkt dat voor beide soorten geen andere bevredigende oplossing bestaat. Er dient zorgvuldig te worden gehandeld conform ecologisch werkprotocol.

Ontheffing en werkprotocol

Ten aanzien van de heikikker is door de provincie Utrecht op 2 april 2020 ontheffing verleend, zie bijlage 9. Voor de ransuil is geen ontheffing noodzakelijk gebleken: in het besluit inzake de ontheffingsaanvrag hebben GS aangegeven dat een ontheffing voor de ransuil niet wordt afgegeven, omdat de aangevraagde verbodsbepalingen niet worden overtreden. Momenteel wordt een ecologisch werkprotocol opgesteld.

Gebiedsbescherming

In de quickscan van Econsultancy is ook aandacht besteed aan gebiedsbescherming. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Broekvelden, Vetten-broek & Polder Stein, bevindt zich op circa 5 kilometer afstand ten westen van de onderzoekslocatie.De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied.

Door Econsultancy is een onderzoek stikstofdepostie uitgevoerd, zie bijlage 10. Voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase is de stikstofdepositie berekend. Uit deze berekeningen is gebleken dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar is. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning benodigd is voor het aspect stikstof.

4.2.3 Conclusie

Met voorgenomen ontwikkeling wordt, zo blijkt uit het ecologisch onderzoek, het leefgebied van de beschermde heikikker en ransuil verstoord en vernietigd, en de ontwikkeling is daardoor ontheffingsplichtig. Uit het activiteitenplan blijkt dat voor beide beschermde soorten geen andere bevredigende oplossing bestaat en moet zorgvuldig worden gehandeld conform ecologisch werkprotocol. Er worden geen verbodsbepalingen met betrekking tot gebiedsbescherming overtreden. Ten aanzien van de heikikker is door de provincie Utrecht ontheffing verleend. De provincie heeft ook aangegeven dat voor de ransuil geen ontheffing nodig is, omdat er naar oordeel van de provincie geen sprake is van overtreding van verbodsbepalingen voor die soort. Momenteel wordt gewerkt aan een ecologisch werkprotocol. Ten tijde van de aanvraag en behandeling van omgevingsvergunningen moeten de maatregelen, die voortkomen uit dit protocol, als voowaarden worden opgenomen.

4.3 Geluidhinder wegverkeer

4.3.1 Kader

Het onderzoek naar geluid wordt uitgevoerd op grond van de Wet geluidhinder (Wgh).

Een nieuw bedrijventerrein genereert extra verkeer, waardoor een toename plaats vindt van het verkeer op bestaande wegen in de omgeving van de ontwikkeling.

Als significante toename van de geluidsbelasting is 1,5 dB verondersteld in analogie met een reconstructie van een weg. Deze toename wordt door het gemiddeld menselijk oor als hoorbaar waargenomen, zodat er effecten kunnen optreden. Eveneens wordt in analogie met de Wgh een voorkeursgrenswaarde aangehouden van 48 dB. Dit houdt in dat een toename van de geluidsbelasting ter plaatse van woningen toelaatbaar is, ook een toename van meer dan 1,5 dB, als de geluidsbelasting beperkt blijft tot de voorkeursgrenswaarde.

4.3.2 Onderzoek

Door KuiperCompagnons is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 11. In deze notitie zijn de akoestische effecten van de ontwikkeling op de bestaande woningen op het gebied van wegverkeerslawaai beschreven.

Extra verkeer op de bestaande wegen

Uit de resultaten blijkt dat in de plansituatie een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt bij vier woningen ten gevolge van het verkeer op de Wilgenweg en bij twee woningen ten gevolge van de route Iepenweg / Toleind / Kabelslag. Omdat hier echter formeel geen sprake is van een 'Wet geluidhinder-situatie' waarvoor hogere waarden kunnen worden aangevraagd (want: er worden geen nieuwe woningen gebouwd en er worden geen nieuwe wegen aangelegd) wordt deze situatie beschouwd vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Om de situatie te kunnen beoordelen is aansluiting gezocht bij de geluidbelastingen die volgens de Wgh zijn toegestaan.

De toename bij de woningen langs de Wilgenweg is significant (meer dan 1,5 dB), maar wordt toch acceptabel geacht gezien het feit dat het bedrijfswoningen betreffen die al vanuit andere milieuaspecten worden belast. Bovendien zijn de woningen waarbij de grootste toename plaatsvindt gebouwd na de inwerkingtreding van het bouwbesluit (1992), waardoor kan worden aangenomen dat de geluidwering van deze woningen als 'goed' bestempeld kan worden en de binnenwaarde daarmee geacht wordt voldoende te zijn.

Ten gevolge van de Johan J. Vierbergenweg wordt geen significante toename van de geluidbelasting veroorzaakt.

Nieuwe wegen

Op het nieuw aan te leggen deel van het bedrijventerrein worden nieuwe wegen ('inprikkers') aangelegd. Deze wegen zijn positief bestemd in dit bestemmingsplan. Nieuwe wegen hebben op grond van de Wet geluidhinder een onderzoekszone waarbinnen de geluidbelasting ter plaatse van, in dit geval, bestaande woningen moet worden beoordeeld.

De nieuw aan te leggen ontsluitingen voor de bedrijven veroorzaken allen geen hogere geluidsbelasting dan 48 dB. Hierdoor ontstaan geen belemmeringen.

4.3.3 Conclusie

Het aspect geluid leidt niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkelingen.

4.4 Luchtkwaliteit

4.4.1 Kader

Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 'Luchtkwaliteitseisen' is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit.

De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.

Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3.

Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.

Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen.

Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;
  • de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;
  • de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;
  • projectsaldering kan worden toegepast.

Voor zover de ruimtelijke ontwikkeling is opgenomen in het NSL of de ontwikkeling kan worden aangemerkt als NIBM-project is toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet nodig.

4.4.2 Onderzoek

Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van bedrijvigheid, een zwembad, een sporthal en een skeelerbaan en valt niet binnen de NIBM-regeling van de Wet luchtkwaliteit. Om deze reden is onderzoek noodzakelijk naar het effect op de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen. Voor dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe bedrijvigheid relevant.

Door Goudappel Coffeng is een verkeersonderzoek uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. In dit onderzoek is de verkeersaantrekkende werking ook uiteengezet. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 14.

De totale ontwikkeling leidt tot 1.593 extra motorvoertuigbewegingen op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van een percentage van 13% vrachtverkeer.

Middels de NIBM-rekentool kan op een snelle en eenvoudige manier bepaald worden of er sprake is van een project dat 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0012.png"

Afbeelding 4.1: NIBM-berekening

Uit de berekening m.b.v. de NIBM-tool blijkt dat het plan als 'IBM' dient te worden aangemerkt. Een nadere onderbouwing is daarom benodigd.

Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool)

Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste weg, de Johan J. Verbergenweg, de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.2 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2020 ter hoogte van de planlocatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0013.jpg"

Afbeelding 4.2: Overzicht punten concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2020 (NSL-monitoringstool 2018).

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 22,2 µg/m3, 17,2 µg/m3 en 9,8 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden.

Het plan draagt maximaal 2,59 NO2 bij en maximaal 0,36 PM10. De achtergrondconcentraties zullen dus, inclusief de ontwikkeling, de grenswaarden niet overschrijden.

Wanneer de planbijdrage zoals bepaald in de NIBM-tool wordt opgeteld bij de jaargemiddelde concentraties uit de NSL-monitoringstool blijkt dat voor zowel NO2 als PM2 de jaargemiddelde grenswaarde van respectievelijk 40 en 25 µg/m3 niet wordt overschreden. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde concentratie inclusief de planbijdrage 24,79 µg/m3 (22,2 + 2,59). Voor PM10 bedraagt de jaargemiddelde concentratie inclusief de planbijdrage 17,56 µg/m3 (17,2 + 0,36). Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling als gevolg van de toegenomen verkeersgeneratie niet leidt tot overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

4.4.3 Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een overschrijding van de jaargemiddelde grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van bedrijventerrein Tappersheul.

4.5 Water

4.5.1 Kader

Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.

Europees en rijksbeleid

Nationaal Waterplan

Het 2e Nationaal Waterplan (NWP2) beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de periode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

Nationaal Bestuursakkoord Water

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten.

Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit is Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is.

Waterbeheer 21e eeuw (WB21)

In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouder van waterber-gingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.

Waterhuishouding

In oktober 2001 is de "Handreiking Watertoets 1" uitgekomen. Hierin werd de basis gelegd voor een duidelijke waterparagraaf in ruimtelijke plannen. Eind 2003 is de "Handreiking Watertoets 2; samenwerken aan water in ruimtelijke plannen" verschenen, die de eerste handreiking volledig vervangt. In deze tweede handreiking is per type plan een concrete uitwerking van de watertoets vermeld. Voor bestemmingsplannen geldt het volgende.

Vanuit het oogpunt van toelatingsplanologie (de benadering die inmiddels in het nieuwe nationale ruimtelijke beleid is losgelaten maar nog wel als uitgangspunt voor de handreiking geldt) bepaalt het bestemmingsplan welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn en welke niet. Het plan geeft de ruimtelijke en functionele randvoorwaarden en mogelijkheden. Om de gewenste ontwikkelingen ook daadwerkelijk te realiseren is vroegtijdig overleg tussen de initiatiefnemer en de betrokken waterbeheerder(s) noodzakelijk. Het doel hiervan is tijdig inzicht te krijgen in de mogelijke negatieve effecten van plannen en besluiten op de waterhuishouding, maatregelen op te zetten om deze negatieve effecten te voorkomen en mogelijke kansen voor het watersysteem te benutten.

Het bestaande nationale, provinciale en gemeentelijke beleid met betrekking tot de waterhuishouding dient altijd als uitgangspunt. Het bestemmingsplan mag geen slechtere waterhuishoudkundige situatie creëren dan in dat beleid is vastgelegd.

Met de wettelijke verankering van de watertoets in het Bro worden initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen verplicht "een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding" op te nemen in de toelichting van onder meer streekplannen en bestemmingsplannen.

Provinciaal beleid

Bodem- Water- en Milieuplan 2016-2021

In het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 van de provincie Utrecht staat wat de provincie de komende jaren samen met haar partners wil bereiken op het gebied van Bodem, Water en Milieu. De uitwerking van dit beleid staat beschreven in de Uitvoeringsagenda Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021.

De provincie Utrecht richt zich op het behouden en verbeteren van een aantrekkelijk woon-, werk- en leefklimaat. Dit betekent dat we werken aan:

  • een robuust bodem- en watersysteem
  • bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied, zoals landbouw, recreatie of natuur
  • een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving
  • een gezonde leefomgeving die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio

Beleid waterbeheerder

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden regelt het lokale en regionale waterbeheer in Midden-Nederland. Ze zorgen voor veilige dijken, schoon oppervlaktewater en droge voeten.

  • Veilige dijken: Het waterschap houdt in de gaten of de dijken langs Rijn en Lek en de kleinere polderkaden in goede conditie blijven. Waar nodig neemt het maatregelen.
  • Schoon water: Het waterschap gaat over schoon water in sloten en rivieren. Ze zuiveren het afvalwater van inwoners en bedrijven en controleren de waterkwaliteit.
  • Droge voeten: De Stichtse Rijnlanden regelt dat er voldoende oppervlaktewater beschikbaar is in sloten, plassen en kanalen.

De belangrijkste beleidsdocumenten van het hoogheemraadschap zijn het waterbeheerplan ‘waterkoers 2016-2021’, de waterstructuurvisie, de keur en de legger.

In de keur van HDSR is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning hemelwater, afkomstig van nieuw verhard oppervlak, versneld tot afvoer te laten komen en te lozen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, dienen maatregelen te worden genomen om de negatieve effecten te voorkomen.

De minimale oppervlakte waarvoor dit geldt bedraagt binnen de bebouwde kom 500 m2 en buiten de bebouwde kom 1.000 m2 nieuw verhard oppervlak. Het hoogheemraadschap heeft een rekenmodel ontwikkeld om de wateropgave als gevolg van klimaatontwikkelingen in beeld te brengen. Uitgangspunten hierbij zijn:

  • de maximale afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha;
  • de maximale peilstijging van 15 cm voor veen, 20 cm voor klei en 30 cm voor zand, ten opzichtte van waterpeil (2,06 m -NAP);
  • een maatgevende neerslagsituatie met een herhalingstijd T=100 jaar.

In het handboek Watertoetsproces is door het HDSR beschreven hoe zij invulling geeft in waterhuishoudkundige aspecten. Bij een toename van verhard oppervlak van minimaal 500 m² in stedelijk gebied of 1.000 m² in landelijk gebied, is de algemene richtlijn dat er 15% van de toename aan verhard oppervlak door het graven van extra waterberging gecompenseerd wordt.

Gemeentelijk beleid

Gemeentelijk waterbeleidsplan (GWP) 2020-2024

Voor nieuwbouwlocaties, maar ook voor alle andere nieuwbouw (inbreiding), geldt dat hemel- en afvalwater gescheiden aangeboden moet worden. Op nieuwbouwlocaties is een gescheiden rioolstelsel aanwezig of wordt er een aangelegd. De gemeente besteedt speciale aandacht aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. De gemeente stimuleert om afkoppeling en berging te creëren op eigen terrein. Verder conformeert de gemeente zich aan het beleid van het hoogheemraadschap.

Beleidsplan Klimaatbestendig Oudewater 2050

Volgens het beleidsplan Klimaatbestendig Oudewater 2050 - dat nu ter besluitvorming bij de Raad ligt - mag bij nieuwbouw een bui van 90 mm/uur niet tot schade aan panden leiden en staat er bij voorkeur niet meer dan 15 cm water op straat. Op bedrijventerrein Tappersheul I en II wordt wateroverlast ervaren bij piekbuien. Om dit te reduceren is een maatregelenplan opgesteld.

4.5.2 Onderzoek

Door Econsultancy is in 2018 een watertoets opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 15. Bij het doorlopen van deze procedure bleek dat het plan een groot effect had (groot waterbelang > 2.000 m²). In het kader van het watertoetsproces heeft vervolgens overleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap en de gemeente. Naar aanleiding daarvan, een eerder uitgevoerde watercompensatieberekening en een actualisatie van het planvoornemen is door Econsultancy een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierin is beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en de gemeente Oudewater. Uitgangspunt hierbij is dat een ruimtelijk besluit of plan geen verslechtering in de waterhuishoudkundige situatie oplevert. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 16. De belangrijkste uitkomsten worden in deze paragraaf samengevat.

Randvoorwaarden en uitgangspunten

In overleg met het hoogheemraadschap zijn ten aanzien van het plan en de omvang met hemelwater nadere uitgangspunten overeengekomen. Deze zijn opgenomen in en vormen de basis voor het waterhuishoudkundig plan.

Grondwater en drooglegging

De Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is ingeschat op ± 1,8 m -NAP. Hiermee zou de GHG zich t.a.v. het huidig maaiveld niveau (AHN) op ± 0,5 m -mv bevinden. Uitgangspunt bij de realisatie van Tappersheul II is dat in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen. Om aan de ontwateringsdiepte en droogleggingseisen te voldoen zal het maaiveld opgehoogd worden.

Ten aanzien van het planvoornemen wordt uitgegaan wordt van een as-hoogte van 1,10 m -NAP en een vloerpeil van 0,90 m -NAP. Op basis van deze peilen bedraagt de drooglegging 0,95 m t.a.v. de wegen en 1,16 m t.a.v. het vloerpeil. Op basis van de grondwaterstanden en fluctuatie zullen inzake de ontwikkeling zowel voor, tijdens als wellicht na realisatie maatregelen genomen moeten worden.

Watercompensatie

Door de ontwikkeling van het plan gaan enkele bestaande watergangen verloren (9.760 m²) en wordt er nieuwe verharding toegevoegd (36.555 m²). Ten aanzien van de nieuwe verharding dient 15% gecompenseerd te worden door het graven van extra water. Op basis van het nieuw verhard oppervlak komt dit overeen met een compensatieopgave van 5.490 m² (15% van 36.555 m²). Het hoogheemraadschap heeft gevraagd om in relatie tot de Lange Linschoten extra 5.000 m² aan het plan toe te voegen. In totaal bedraagt de compensatieopgave circa 20.250 m² (zie tabel 4.1).

Compensatie   Opgave (m²)  
Nieuwe verharding   ± 5.490  
Dempen watergangen   ± 9.760  
Lange Linschoten   ± 5.000  
Totaal   ± 20.250  

Tabel 4.1: Watercompensatieopgave (bron: Waterhuishoudkundig plan, Econsultancy, 2021).

Om te kunnen voorzien in voldoende waterberging/compensatie wordt in totaal circa 20.470 m² oppervlaktewater elders in het plan gegraven. Het uitgangspunt hierbij is om bestaande watergangen en de lineaire structuur van de sloten te behouden. De extra hoeveelheid water wordt met name gezocht in het verbreden van bestaande sloten en het verbinden van doodlopende watergangen.

De twee bestaande paddenpoelen (1.660 m²) die verloren gaan worden in het noorden van het gebied gecompenseerd met drie nieuwe poelen. Dit gebied wordt qua landschap ingericht voor de heikikker.

De aanvullende vraag vanuit het hoogheemraadschap om, in aanvulling op de compensatieopgave, 5.000 m² aan het plan toe te voegen is in het plan vertaald naar enkele waterbufferzones (plasdraszones). Deze zones zorgen in tijden van hevige regenval voor extra waterberging.

In totaal wordt voorzien in 20.470 m² nieuw oppervlaktewater. Circa 4.570 m² hiervan wordt gerealiseerd door de aanleg van de waterbufferzones (plasdras-zones). De toekomstige waterstructuur is opgenomen als bijlage bij het waterhuishoudkundig plan.

Waterkwaliteit

Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen.

De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het Nationale Pakketten Duurzaam Bouwen: Woningbouw nieuwbouw, Woningbouw beheer en Utiliteitsbouw is een tweetal maatregelen (S/U237 en S/U444) en is ook van toepassing op onderhavige planlocatie. De emissies vanuit bouwmaterialen richting het oppervlaktewater dienen in verband met de waterkwaliteit zoveel mogelijk te worden beperkt door bij voorkeur gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.

Waterafvoer en riolering

Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater toenemen. Het vuilwater zal conform het gemeentelijk beleid worden aangesloten op het bestaande rioleringssysteem in de Iepenweg.

In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) aangesloten maar separaat worden verwerkt. Afstromend hemelwater afkomstig van de toekomstige dakoppervlakken zal direct worden afgevoerd naar het oppervlaktewater.

Hemelwater afkomstig van terreinoppervlakken kan potentieel (deels) verontreinigd zijn. Met name bij MKB-bedrijven die vallen in milieucategorie tot en met 3.2 en bedrijven die vallen in een hogere milieucategorie (4.2 met ontheffing 5.1) is dit een aandachtspunt. De gemeente is momenteel met het hoogheemraadschap in overleg hoe hier het beste mee omgegaan kan worden. Mogelijkerwijs kan de first flush via het dwa afgevoerd worden. Vanwege de al bestaande wateroverlast in Tappersheul I en II zal het dan slechts gaan om de eerste paar mm neerslag.

Beheer en onderhoud

Momenteel ligt nog niet exact vast waar in het toekomstige watersysteem bruggen en dammen met duikers komen te liggen. Dit zal door het team beheer van de gemeente nader worden uitgewerkt. Belangrijke aandachtspunten hierin zijn in ieder geval:

  • Bruggen dienen voldoende draagkrachtig te zijn om te berijden voor onderhoudsvoertuigen voor maaien van gras, sloten en baggeren;
  • Waar varend maaien en baggeren nodig is, moeten inlaatlocaties voor boten zijn;
  • Maaiboten moeten onder bruggen door kunnen of de desbetreffende watergang moet een eigen inlaatlocatie hebben die bereikbaar is;
  • Maaien vanaf de kant indien 3 meter ruimte naast de watergang beschikbaar is.

Keur

Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de keur een vergunning van het hoogheemraadschap benodigd. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht:

  • Toename verhard oppervlak;
  • Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater;
  • Het graven en het dempen van water;
  • Het plaatsen en het verwijderen van kunstwerken;
  • Tijdelijke grondwateronttrekkingen;
  • Tijdelijke lozingen van bemalingswater.
4.5.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In een waterhuishoudkundig plan is het aspect water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen. Hemelwater wordt op een duurzame wijze verwerkt, en de ontwikkeling zal hydrologisch neutraal zijn.

4.6 Bodemkwaliteit

4.6.1 Kader

Wet bodembescherming

De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem.

Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.

Besluit bodemkwaliteit

Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww)

De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport.

4.6.2 Onderzoek

Door Econsultancy is verkennend bodemonderzoek verricht in het plangebied met als doen om vast te stellen of op de onderzoekslocatie bodenmverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen aankoop van de onderzoekslocatie. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 17.

Door Econsultancy is daarnaast een milieuhygiënisch (aanvullend) vooronderzoek bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 18. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Hieronder worden alleen de belangrijkste conclusies weergegeven.

Uit het onderzoek blijkt dat de deellocaties a en b nog verdacht zijn i.v.m. de aanwezige puinverhardingen. De gedempte sloot in het oostelijk deel van de onderzoekslocatie (deellocatie d) is ook nog een verdachte locatie. Tenslotte behoeft de deellocatie in de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie (deellocatie c) nog zintuigelijk bodemonderzoek nadat hier de aanwezige begroeiing is weggehaald. Deze locatie is verdacht i.v.m. de aanwezigheid van twee gedempte sloten.

Het overgrote deel van de onderzoekslocatie is recent onderzocht en behoeft geen aanvullend onderzoek. Door Econsultancy wordt echter wel geadviseerd om een verkennend onderzoek asbest in bodem uit te voeren, alsmede een verkennend bodemonderzoek, ter plaatse van de verdachte terreindelen en het verdachte terreindeel waar nog geen (recent) bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Verder wordt geadviseerd om het verkennend onderzoek asbest in de bodem ter plaatse van de al onderzochte gedempte sloten voor te leggen aan het bevoegd gezag. Dit vanwege het feit dat het toenmalige onderzoek niet volgens de NEN 5707 ‘Bodem -Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond’ is uitgevoerd.

Naar aanleiding van deze resultaten is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek inclusief onderzoek asbest in bodem uitgevoerd. De volledige rapportage is te raadplegen in bijlage 19. Hieronder worden per onderzocht deellocatie de belangrijkste conclusies samengevat.

Deellocatie A: Strook op het noordelijke deel van de onderzoekslocatie

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, op het voorkomen van asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie, met betrekking tot de overige onderzochte parameters als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Ter verificatie of de matig bariumverontreiniging te relateren is aan het regionaal voorkomen van verhoogde achtergrondconcentraties aan barium in het grondwater, kan het grondwater op termijn herbemonsterd en geanalyseerd worden op barium. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij de bevoegde overheid.

Deellocatie B: Strook in het westen van de onderzoekslocatie (puin)

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, op het voorkomen van asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie, met betrekking tot de overige onderzochte parameters als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Deellocatie C: Strook in het oosten van de onderzoekslocatie (gedempte sloot)

Zintuiglijk zijn in de bodem geen verontreinigingen of dempingsmateriaal aangetroffen. Derhalve is het analytisch onderzoek vervallen.

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen.

Deellocatie D: Gedempte sloten in de noordwestelijke hoek van de onderzoekslocatie

Deze deellocatie is in overleg met de opdrachtgever komen te vervallen. De deellocatie is zeer dichtbegroeid en derhalve niet toegankelijk voor bodemonderzoek. Tevens blijft het gebruik van de onderzoekslocatie ongewijzigd.

Deellocatie E: Westelijk deel van de onderzoekslocatie

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "onverdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie verworpen. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek. Ter verificatie of de matig bariumverontreiniging te relateren is aan het regionaal voorkomen van verhoogde achtergrondconcentraties aan barium in het grondwater, kan het grondwater op termijn herbemonsterd en geanalyseerd worden op barium. De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij de bevoegde overheid.

Deellocatie F: Gedempte en eerder onderzochte gedempte sloten

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, op het voorkomen van asbest, wordt op basis van de onderzoeksresultaten verworpen. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem. In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen.

De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie, met betrekking tot de overige onderzochte parameters als "heterogeen verdacht, niet lijnvormig" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

4.6.3 Conclusie

Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek en het verkennend bodemonderzoek inclusief onderzoek asbest in bodem vormt het aspect bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wat betreft asbest in de bodem blijkt uit onderzoeksresultaten dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek, en in geval van grondwerkzaamheden op de locatie geen specifieke maatregelen getroffen hoeven te worden. Met betrekking tot de overige onderzochte parameters zijn op enkele deellocaties (lichte) verontreinigingen aangetroffen, maar gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen is er geen reden voor nader onderzoek.

4.7 Externe veiligheid

4.7.1 Kader

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour.

Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.

4.7.2 Onderzoek

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, namelijk bedrijfsbebouwing.

In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig:

  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de Johan J. Vierbergenweg
  • Vervoer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Gouda-Woerden
  • Lunenburg Vlees B.V. (Elzenweg 15, Oudewater)

Op afbeelding 4.3 is met de blauwe ovaal globaal de ligging van het plangebied ten opzichte van deze risicobronnen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0014.png"

Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart en globale ligging plangebied (blauwe cirkel).

Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied aanwezig van 200 meter en een invloedsgebied van GF3 (LPG) van 355 meter voor wegen en 460 meter voor spoorwegen.

De locatie bevindt zich voor zowel de Johan J. Vierbergenweg als de spoorlijn buiten het verantwoordingsgebied en buiten het invloedsgebied van GF3. Wel bevindt het plangebied zich binnen de invloedsgebieden van andere gevaarlijke stoffen (met een toxisch scenario) die over deze transportassen vervoerd worden.

De PR 10-6 contour van het bedrijf Lunenburg Vlees B.V. komt niet tot in het plangebied en het bedrijf heeft geen invloedsgebied voor het groepsrisico.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen.

Gezien de grote afstand tussen het plangebied en de transportroutes is het maatgevende scenario een toxisch scenario. Door een incident kan de tankwand scheuren waardoor een groot deel van de toxische vloeistof in korte tijd uitstroomt of direct de lucht in gaat. De toxische stof van de vloeistofplas verdampt tevens deels direct en wordt gedurende korte tijd meegevoerd door de wind. De resterende vloeistof vormt een plas. In het geval van ammoniak kan het gevaar kan door de aanwezigen in het benedenwindse effectgebied opgemerkt worden door de herkenbare geur. Aanwezigen kunnen het beste binnen in gebouwen schuilen tegen de toxische effecten van het scenario.

Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen

Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet.

In het kader van een effectieve zelfredzaamheid bij het vrijkomen van toxische stoffen wordt geadviseerd bij ontwikkelingen afsluitbare ventilatiesystemen in gebouwen toe te passen waarmee kan worden voorkomen dat toxische stoffen binnentreden.

Risicocommunicatie naar de toekomstige werknemers / gebruikers van de gebouwen is zeer belangrijk. Bij indiensttreding kunnen werknemers op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden en kan onderhavige rapportage genoemd worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht.

Advies Veiligheidsregio Utrecht

In aanvulling op het voorgaande heeft de Veiligheidsregio Utrecht in het kader van het vooroverleg enkele adviezen gegeven voor de inrichting het plangebied. Deze zullen worden meegenomen in de verdere uitwerking van de plannen, de inrichting van de buitenruimte en bij de beoordeling van een omgevingsvergunning.

  • Als voorschift in de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit op te nemen dat bij gebouwen waar mensen (kunnen) verblijven, indien uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem deze eenvoudig uit te schakelen is;
  • Naast de eisen die het bouwbesluit 2012 stelt aan de bluswatervoorzieningen de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid van Brandweer Nederland als kader op te nemen in de uitwerking van het plan;
  • (Een uitwerking van) het stedenbouwkundig plan inzake de onderwerpen bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter goedkeuring voor te leggen aan de Veiligheidsregio Utrecht;
  • Bij de nadere uitwerking van de wegen en/of straten gebruik te maken van de CROW-publicatie 164 a t/m d met als aanvulling CROW-publicatie 165 en de handreiking bereikbaarheid en bluswatervoorziening vanuit Brandweer Nederland (2019). De toekomstige inrichting van het terrein is mede bepalend voor de bluswatervoorziening in de vorm van een geboorde put of middels open water vanuit de nog te graven sloten;
  • In de uitwerking van het stedenbouwkundig plan aandacht te besteden aan de verbindingsweg van de openbare weg naar het bouwwerk;
  • Aan te geven hoe de hekwerken door hulpverleningsdiensten snel en gemakkelijk geopend of ontsloten kunnen worden;
  • Het plangebied minimaal tweezijdig bereikbaar te maken voor hulpdiensten. Dit houdt onder meer in dat dient te worden voorzien in een calamiteitendoorgang voor hulpdiensten uit zowel noordelijke als zuidelijke richting;
  • Een opstelplaats voor hulpdiensten aan te brengen op minder dan 4 meter van de bluswatervoorziening;
  • Om vijf geboorde putten in te passen in overleg met de Veiligheidsregio Utrecht.
4.7.3 Conclusie

Het vaststellen van dit bestemmingsplan is niet in strijd met het landelijk externe veiligheidsbeleid. Het aspect externe veiligheid vormt hierdoor geen belemmering voor de haalbaarheid van dit bestemmingsplan.

In het kader van het wettelijk vooroverleg en/of bij de vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Utrecht.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

4.8.1 Kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken.

4.8.2 Onderzoek

Bedrijvigheid

Door Econsultancy is een onderzoek 'bedrijven en milieuzonering' uitgevoerd ten behoeve van de toekomstige bedrijvigheid in het plangebied. Dit onderzoek is te raadplegen in bijlage 12. In dit onderzoek is indicatief onderzocht of de realisatie van het bedrijventerrein het woon- en leefklimaat in de omgeving niet belemmert. Doel van dit onderzoek was om de ten hoogste toelaatbare milieucategorie op het bedrijventerrein vast te stellen.

Gebiedstypering

In het onderzoek van Econsultancy wordt met betrekking tot de gebiedstypering geconcludeerd dat het vigerende bestemmingsplan voor Tappersheul wordt gekenmerkt door bedrijvigheid met een milieucategorie tot en met 3.2. Het westelijk plandeel van het huidige bedrijventerrein kent milieucategorie 3.1. Op het huidige bedrijventerrein zijn ook bedrijfswoningen toegestaan. Deze zijn over het hele terrein verspreid gelegen. Voor het noordelijk deel van het plangebied wordt uitgegaan van het gebiedstype 'gemengd gebied' en mag de richtafstand met één afstandsstap gereduceerd worden.

Verder zuidelijk is een woonwijk gelegen. Het zuidelijk deel van het plangebied wordt dan ook aangemerkt als 'rustige woonwijk'.

In het onderzoek van Econsultancy is gebruik gemaakt van inwaartste zonering wat heeft geleid tot de volgende afstandenkaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.BPTH3-ON01_0015.png"

Afbeelding 4.4: Afstandenkaart inwaartse zonering.

Bedrijvigheid

Bovenstaande contouren geven de maximale milieucategorieën die mogelijk zijn in het plangebied weer. Deze contouren zijn in het bestemmingsplan vertaald naar functieaanduidingen die een bepaalde milieucategorie aan bedrijvigheid toestaan in een bepaald deel van het plangebied. Hiermee wordt geborgd dat ter plaatse van de bestaande (bedrijfs)woningen geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat plaatsvindt. De maximaal toegelaten bedrijfscategorie is 4.2.

Sportvoorzieningen

Bovenstaande analyse heeft alleen betrekking op de toekomstige bedrijvigheid. De sportvoorzieningen die voorzien zijn in het zuidelijk deel van het plangebied zijn zwaarder van categorie dan op basis van de uitgevoerde analyse is toegestaan. Deze kunnen dus, andersom geredeneerd, juist hinder veroorzaken op de aanwezige woningen. Om te kunnen voorzien in deze voorzieningen is het uitvoeren van nader (akoestisch) onderzoek dan ook noodzakelijk.

Zwembad

Eén van de te realiseren sportvoorzieningen betreft een nieuw zwembad. Dit zwembad omvat onder meer een binnenbad, buitenbad en een ligweide. Omdat de omliggende woningen voor wat betreft het aspect geluid gelegen zijn binnen de richtafstand van het zwembad, is specifiek akoestisch onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd door KuiperCompagnons en opgenomen in bijlage 13.

Het doel van het onderzoek is het bepalen en beoordelen van de optredende geluidniveaus ten gevolge van de voorgenomen activiteiten van het zwembad ter plaatse van de omliggende woningen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van het nieuwe bestemmingsplan dat voor het zwembad wordt opgesteld. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uiteengezet.

Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en de toetswaarden uit de VNG-publicatie. Daarmee is voor wat betreft dit aspect sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Uit het onderzoek blijkt voor wat betreft de maximale geluidsniveaus dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit maar voor een aantal specifieke situaties niet aan de toetswaarden uit de VNG-publicatie:

  • Parkeerterrein - vrachtverkeer

Een overschrijding in de dagperiode wordt veroorzaakt door ten hoogste twee per dag arriverende en vertrekkende vrachtwagens ter plaatse van de inrichtingsgrens.

Omdat de vrachtwagens het terrein op en af moet kunnen rijden is het plaatsen van een gesloten afscheiding of scherm niet mogelijk. Omdat het vrachtwagens van derden betreft is het treffen van bronmaatregelen evenmin mogelijk.

De overschrijding betreft slechts 1 dB ten opzichte van stap 3; dit verschil van 1 dB is voor het menselijk oor niet waarneembaar. Verder geldt dat er al ander (vracht)verkeer op de omliggende wegen rijdt, zeker op de interne wegen van het bedrijventerrein. Met andere woorden: vrachtwagens die ten gevolge van de reguliere bedrijvigheid op Tappersheul al op de openbare wegen rijden, veroorzaken ook al soortgelijke of hogere pieken. De maximaal 2 vrachtwagens per dag extra zullen in de praktijk niet te onderscheiden zijn van dit andere verkeer. Verder geldt dat ook bij de laagste milieucategorie-bedrijven normaliter een (veel) groter aandeel vrachtverkeer aanwezig is; het aandeel bij dit zwembad is zeer beperkt. Voorts zullen deze vrachtwagens bij het zwembad uitsluitend op de dag arriveren en vertrekken, wat qua hinderlijkheid eerder acceptabel is dan in de avond of de nachtperiode. In het rekenmodel is gerekend met dagelijks 2 vrachtwagens, maar in de praktijk zal er naar verwachting niet daadwerkelijk elke dag vrachtverkeer van en naar het zwembad rijden. Hoewel dus niet wordt voldaan aan stap 3, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

  • Parkeerterrein - dichtslaande portieren

In de nachtperiode wordt een overschrijding van stap 2 berekend, veroorzaakt door het dichtslaan van autoportieren. Aan stap 3 wordt wel voldaan.

Het betreft auto's van derden, waardoor het redelijkerwijs niet mogelijk is om maatregelen aan de bron te treffen. Besloten is om rondom het parkeerterrein een grondwal aan te brengen, met een hoogte van 1,5 m, waardoor de overschrijding reeds beperkt wordt. Er zit echter wel een opening in de grondwal, de in- en uitrit. Het is niet mogelijk om deze dicht te zetten. Bovendien betreft het een overschrijding in de nacht, waarin moet worden beoordeeld op verdiepingshoogte (ter plaatse van de slaapkamers), waardoor de afscherming zeer hoog zou moeten zijn. Om een significante extra reductie te realiseren, zou dan ook een significant hogere afscherming moeten worden gerealiseerd, wat vanuit stedenbouwkundig oogpunt ongewenst is. Bovendien geldt dat in de huidige straten, waar de omliggende woningen aan zijn gelegen, ook piekgeluiden als gevolg van dichtslaande portieren optreden; veel dichterbij de woningen.

Hoewel dus niet wordt voldaan aan stap 2, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat

  • Parkeerterrein - stemgeluid

Een overschrijding wordt in de avond- en nachtperiode veroorzaakt door het (mogelijke) schreeuwen van personen op het parkeerterrein en dan met name wanneer deze personen zich ter hoogte van de inrit bevinden. Er wordt niet voldaan aan stap 3.

Allereerst wordt opgemerkt dat het bronvermogen dat is ingevoerd,op worst case is beschouwd (luid schreeuwen, 108 dB(A)). Echter, in de praktijk is het, gezien de feitelijke situatie van het zwembad, zeer onaannemelijk dat in de vroege ochtend – te weten tussen 06.00 en 07.00 uur (akoestisch: nachtperiode), daadwerkelijk 'luid schreeuwen' optreedt. In de praktijk zal het gaan om volwassenen, die voor hun werk even kort gaan zwemmen, en elkaar op normale toon begroeten. Voor “spreken verheven” is in de VDI3770 een bronvermogen van LWR,max = 73 dB(A) opgenomen. Dit bronvermogen is dus 108 - 73 = 35 dB lager dan het bronvermogen voor “luid schreeuwen”. Uit de berekeningen blijkt dat het maximale geluidsniveau ten gevolge van “luid schreeuwen” ter plaatse van de woningen ten hoogste 68 dB(A) bedraagt. Het maximale geluidsniveau ter plaatse van de woningen ten gevolge van “verheven spreken” bedraagt derhalve ten hoogste 68 - 35 = 33 dB(A). Deze waarde voldoet ruimschoots aan de bepalende toetswaarde van LAmax = 55 dB(A) (nachtperiode stap 2, omgevingstype rustige woonwijk).

In de avond en nacht zou 'luid schreeuwen' wellicht in extreme gevallen wel eens kunnen voorkomen, maar naar verwachting zeer incidenteel. Er is immers sprake van een kleinschalig zwembad met alleen een onderschikte, niet-openbare, horecagelegenheid voor de zwemvereniging. De openbaar toegankelijke horecagelegenheden van Oudewater liggen niet in de buurt.

In overleg met de gemeente, de ODRU en het zwembadbestuur is desondanks beschouwd in hoeverre meer zekerheid kan worden verkregen dat deze overschrijding daadwerkelijk niet zal optreden. Afgesproken is dat doordeweeks (maandag t/m donderdag) de activiteiten in en bij het zwembad uiterlijk om 23.00 uur zijn beëindigd; de zwemactiviteiten stoppen om 22.00u. Daarmee kan met zekerheid worden gesteld dat de overschrijding in de nachtperiode dan niet optreedt. Gezien de gewenste exploitatiemogelijkheden, en het feit dat in het weekend omwonenden in het algemeen meer gelegenheid hebben om uit te slapen, en het incidentele karakter, wordt een ruimere opening in het weekend en voor een incidenteel evenement toelaatbaar geacht. Daarbij wordt opgemerkt dat de zwemvereniging diens leden ook op het gedrag zal aanspreken.

In het bestemmingsplan wordt juridisch-planologisch geborgd dat doordeweeks na 23.00 uur de activiteiten bij het zwembad beëindigd moeten zijn en dat de zwemvereniging toezicht houdt op het gedrag van de bezoekers.

Hoewel dus op basis van de berekeningen niet wordt voldaan aan stap 3, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

  • Buitenbad (fluitje)

De overschrijding (stap 2) wordt veroorzaakt door het gebruik van het fluitje. Het beperken van het bronvermogen van het fluitje is niet realistisch en nauwelijks handhaafbaar.

Vanwege de verhoogde ligging van het buitenbad en de grotere afstand tot de woningen zal ofwel een lager scherm (circa 2 meter) dicht bij het buitenbad (tussen het buitenbad en de ligweide) ofwel een hoog scherm (circa 5 a 6 meter) tussen de ligweide en de parkeerplaats noodzakelijk zijn om de overschrijding te beperken of weg te nemen. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt zijn deze voorzieningen echter ongewenst.

Daarmee is het niet mogelijk om aan de toetswaarde van stap 2 te voldoen. Mits onderbouwd biedt de VNG-brochure de mogelijkheid om naar stap 3 te gaan. Aan de toetswaarde van stap 3 wordt voldaan.

Het geluid van het fluitje tot 23.00 uur kan hinderlijk zijn, zeker omdat 23.00 uur laat op de avond is en veel mensen op dat tijdstip al slapen of willen inslapen. In overleg met de gemeente, de ODRU en het zwembadbestuur is daarom beschouwd in hoeverre het gebruik van het fluitje kan worden beperkt. Overeengekomen is dat het fluitje niet later dan 20.00 uur, dus slechts een uur van de vanuit akoestisch oogpunt gedefinieerde avondperiode, en gevoelsmatig ruim voor het tijdstip waarop de meeste mensen naar bed gaan, zal worden gebruikt. Dit wordt ook juridisch-planologisch geborgd in het bestemmingsplan.

Hoewel dus niet wordt voldaan aan stap 2, kan op basis van bovenstaande argumenten worden gesteld dat er wel degelijk sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Al met al kan worden gesteld dat de situering van het zwembad op deze locatie en volgens deze opzet acceptabel wordt geacht, zeker gezien het maatschappelijke belang van het zwembad dat hiermee gediend wordt: het zwembad draagt bij aan een vitalere bevolking en biedt op andere plekken in de gemeente kansen voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Skeelerbaan met natuurijsbaan

In de VNG-brochure is een skeelerbaan niet opgenomen. Een inrichting uit de lijst die naar aard en potentiële hinder gelijk is te stellen, zou een veldsportcomplex (met verlichting) kunnen zijn. In de VNG-publicatie is een dergelijke inrichting geclassificeerd als categorie 3.1. (SBI-2008: 931G). De natuurijsbaan betreft een ring die rondom de skeelerbaan heen wordt gelegd, die bij vorst onder water kan worden gezet. In de Staat van bedrijfsactiviteiten is de noemer 'Stations en open-lucht-ijsbanen' opgenomen (SBI-2008: 931D), waaraan een milieucategorie 4.2. is gekoppeld. In het geval van de natuurijsbaan die bij de skeelerbaan mogelijk wordt gemaakt, is echter geen sprake van hinder veroorzakende installaties zoals koelinstallaties, belichting of andere installaties. Deze natuurijsbaan is van ondergeschikte aard bij de skeelerbaan en zal alleen in gebruik zijn ingeval er door natuurlijke vorst een bevriezing van de opgebrachte waterlaag kan ontstaan. Gezien het voorgaande wordt het standpunt ingenomen dat de totale inrichting (skeelerbaan en natuurijsbaan) als categorie 3.1.-inrichting moet worden beschouwd.

Voor een 3.1.-inrichting geldt een richtafstand van 50 meter. De afstand van het dichtstbijzijnde gevoelig object tot de aanduiding 'skeelerbaan' (inclusief de natuurijsbaan) binnen de bestemming 'Sport' bedraagt 50 meter. De richtafstand wordt dan ook gerespecteerd.

De eventueel toekomstige sporthal wordt in dit bestemmingsplan nog niet juridisch mogelijk gemaakt. Bij een eventuele toekomstige planologische procedure ten behoeve van deze sporthal zal het aspect 'bedrijven en milieuzonering' hiervoor afzonderlijk moeten worden beschouwd en gemotiveerd.

4.8.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen.

4.9 Verkeer en parkeren

Door Goudappel Coffeng is een verkeersonderzoek ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 14 bij de toelichting. Hieronder zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek weergegeven.

4.9.1 Onderzoek

Verkeer

De uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein en de ontwikkeling van de sportvoorzieningen zorgt voor een verandering in de verkeersaantrekkende werking. Het volledige bedrijventerrein wordt ontsloten via het kruispunt Johan J. Vierbergenweg - Wilgenweg. In de huidige situatie wordt beweerd dat dit kruispunt al enigszins belast is, waardoor wordt verwacht dat in de toekomstige situatie met de uitbreiding van het bedrijventerrein het kruispunt de toenemende verkeersintensiteiten niet meer kan afwikkelen.

Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein is het noodzakelijk een verkeersonderzoek uit te voeren. Zo is op het kruispunt Johan J. Vierbergenweg - Wilgenweg een visuele kruispuntteling uitgevoerd gedurende de ochtendspits (07.30 - 09.00 uur) en avondspits (16.30 - 18.00 uur). Hiermee is inzicht verkregen in de huidige verkeersintensiteiten op het kruispunt. Tevens is een prognose van de verkeersgeneratie opgesteld voor de nieuwbouw van het bedrijventerrein Tappersheul, en is met behulp van het programma OMNI-X kruispuntberekeningen uitgevoerd. Deze kruispuntberekeningen zijn ten eerste uitgevoerd voor de huidige situatie, om te bepalen of er sprake is van restcapaciteit op het kruispunt. Na de berekening voor de huidige situatie zijn twee scenario's uitgewerkt voor de toekomstige situatie: scenario met enkel de uitbreiding van bedrijvigheid, en een scenario met de uitbreiding van bedrijvigheid + de sportfuncties. Wanneer blijkt dat het huidige kruispunt Johan J. Vierbergenweg - Wilgenweg het verkeer niet kan afwikkelen wordt een analyse uitgevoerd naar de meest wenselijke ontsluitingsvorm voor het bedrijventerrein Tappersheul.

Uit deze analyse blijkt dat:

Verkeersafwikkeling huidige situatie
Uit de kruispuntberekening voor de huidige (referentie) situatie blijkt het kruispunt Johan J. Vierbergenweg gedurende de avondspits al redelijk belast te zijn. In de huidige situatie is nog wel sprake van een aanvaardbare situatie.

Verkeersafwikkeling toekomstige situatie
Wanneer het bedrijventerrein Tappersheul wordt uitgebreid kan het kruispunt Johan J. Vierbergenweg - Wilgenweg het verkeer moeilijk afwikkelen in de avondspits,. Voor een verkeerskundig aanvaardbare situatie dient dus gekeken te worden naar eventuele oplossingsrichtingen. Die is gevonden in het splitsen van de gecombineerde links-/rechtsafstrook op de Wilgenweg in een rijstrook voor linksaf en een rijstrook voor rechtsaf. Hiermee kan de gemiddelde verblijfstijd worden teruggebracht tot 24 seconden voor de maatgevende linksafstrook. Dit is voor een druk moment nog een acceptabele waarde.

Parkeren

De parkeerbehoefte voor zowel de bedrijvigheid alsook voor de sportvoorzieningen wordt opgelost op eigen terrein. De geldende normen zijn via een artikel in de regels bindend voorgeschreven (dynamische verwijzing).

Verkeersveiligheid

Uit een in juni 2020 gehouden (digitale) inspraakronde over de ontwikkeling blijkt dat er diverse omwonenden en andere belanghebbenden zijn, die verkeersonveiligheid - of een toename daarvan - vrezen als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein en de komst van de sportvoorzieningen. Uit de reacties blijkt dat de hinder en het gevoel van onveiligheid vooral veroorzaakt wordt door vrachtverkeer. Daarbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen vrachtverkeer van Tappersheul en vrachtverkeer van de bedrijven Snel Hout en Rubber en BPG Snel, beide gevestigd aan de Lijnbaan.

Voor de bedrijven Snel geldt dat er geen realistische mogelijkheden bestaan voor een nieuwe verkeersontsluiting die het vrachtverkeer (grotendeels) van de Lijnbaan en Kabelslag afhaalt. De geopperde nieuwe randweg bijvoorbeeld is landschappelijk niet inpasbaar en financieel onhaalbaar. Ook een verplaatsing van de bedrijven naar een nieuwe locatie is op korte termijn niet realistisch.

De bedrijven Snel hebben voor de aanvoer en afvoer van materiaal de ingang aan de Kabelslag. Hierdoor rijden grote vrachtwagens niet over de Lijnbaan maar rijden de vrachtwagens over het bedrijventerrein via de Johan Vierbergenweg en de Wilgenweg en vervolgens over de Kabelslag naar de (vrachtwagen)ingang. Althans, dat is de ideale situatie. Bij een bezoek ter plaatse met een aantal omwonenden hebben we met elkaar geconstateerd dat toch een behoorlijk aantal vrachtwagens de route neemt over de Lijnbaan. Het hek van de ViTap sluit ’s avonds en in het weekend zodat er dan geen vrachtverkeer van de bedrijven Snel de route over het bedrijventerrein kunnen nemen. Volgens de bedrijven Snel komt er op die tijden ook geen wezenlijk vrachtverkeer laden en lossen. In overleg met de bedrijven Snel willen wij (nogmaals) kijken of wij via maatregelen de verkeerssituatie kunnen verbeteren, bijvoorbeeld of er betere informatie voor (externe) vrachtwagenchauffeurs kan komen over de gewenste aanrijroute. We hebben tijdens het bezoek ter plaatse met omwonenden meerdere punten besproken die een bijdrage kunnen leveren aan de verkeerssituatie ter plaatse. Wij hebben toegezegd de onderstaande punten te willen onderzoeken:

  • Bebording met verboden voor vrachtwagens (met uitzondering van bestemmingsverkeer), direct na de Jumbo supermarkt;
  • Bovenstaande bebording ook al aangeven op de Johan Vierbergenweg;
  • Bebording met doorgaand verkeer via de Kabelslag richting Tappersheul (inclusief het verwijderen van het bord doodlopend of het plaatsen van een bord dat dit alleen geldt in het weekend);
  • Het aanpakken van de Kabelslag / Toleind richting Tappersheul (zodat het minder lijkt op een “zandweggetje”, zoals een omwonende dat noemt);
  • Het met de ViTap bespreken van het verwijderen van het toegangshek;
  • Het tegengaan dat vertrekkend verkeer vanaf Tappersheul dat doet via de Lijnbaan.

Uiteraard kunnen bepaalde maatregelen weer stuiten op verzet van anderen of in de praktijk weer consequenties hebben die niet aanvaardbaar of gewenst zijn, maar het is de moeite waard te onderzoeken hoe we het vrachtverkeer van de Lijnbaan kunnen weren.

De verkeersdrempels in de Kabelslag veroorzaken bij omwonenden hinder in de vorm van trillingen bij grote vrachtwagens, zo wordt gemeld. Daar staat tegenover dat het verwijderen van de verkeersdrempels zou kunnen leiden tot een hogere snelheid en een onveiliger situatie voor omwonenden. Wij vinden het geen goede optie om de verkeersdrempels te verwijderen. Een omwonende heeft aangegeven dat een kuil een veel betere snelheidsremmer is dan een drempel. Wij zullen dit onderzoeken.

Bij het instellen van eenrichtingsverkeer op de Lijnbaan naar de Kabelslag is de kans op negeren van de regels erg groot, omdat men ver moet omrijden. Daarnaast is er nog een ander negatief neveneffect: door het instellen van eenrichtingsverkeer gaat de snelheid van het autoverkeer omhoog en wordt het er niet veiliger op. Rond 2016 en 2017 heeft de gemeente, na overleggen met omwonenden, verkeerskundige maatregelen genomen om de verkeersveiligheid op de Lijnbaan te verbeteren:

  • a. de voorrangssituatie is aangepast. Aan zowel de voetganger als de fietser wordt voorrang gegeven boven het autoverkeer;
  • b. er liggen plateaus om de oversteek te benadrukken;
  • c. er zijn fietssuggestiestroken aangebracht, en
  • d. er zijn enkele verkeerszuilen geplaats, dit om het verkeer rustig te laten rijden.

Infrastructureel heeft de gemeente gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is. Wij zijn het met omwonenden eens. Het is niet de meest ideale situatie, maar het is geen onveilige situatie. Automobilisten hebben ook een verantwoordelijkheid zich veilig te gedragen in het verkeer en goed te anticiperen op hun omgeving.

De Johan Vierbergenweg is een ontsluitingsweg waar 50 km/u de toegestane snelheid is. Wij treffen daar geen aanvullende snelheidsremmende maatregelen. Door de Vierbergenweg minder aantrekkelijk te maken, bestaat het risico dat verkeer meer door de woonwijken gaat sluipen, met alle ongewenste effecten van dien. Deze route wordt bovendien ook gebruikt door Openbaar Vervoer en de hulpdiensten. Zij worden onevenredig gehinderd door snelheidsremmende maatregelen.

Op de lange termijn zijn er ideeën om een rotonde te realiseren op het kruispunt Lijnbaan – Vierbergenweg. Dan wordt er direct een voetpad langs het fietspad aan de Lijnbaan gerealiseerd. Maar voorlopig is dit nog geen optie.

Wij zijn in gesprek met de Jumbo over het scheiden van de verkeersstromen op het terrein van Jumbo en hebben een voorstel gedaan hoe dit aangepakt kan worden. Deze grond is echter van de Jumbo zelf en niet van de gemeente. De gemeente blijft met de Jumbo in overleg over verbetering van de situatie.

De uitbreiding van het bedrijventerrein en de komst van de sportvoorzieningen zorgen voor extra verkeer. Tappersheul wordt ontsloten via het kruispunt Johan Vierbergenweg - Wilgenweg. Op het kruispunt is een kruispuntteling uitgevoerd gedurende de ochtendspits en avondspits. Hiermee hebben we inzicht verkregen in de huidige verkeersintensiteiten op het kruispunt. Daaruit blijkt dat het kruispunt gedurende de avondspits al redelijk belast is. In de huidige situatie is nog wel sprake van een aanvaardbare situatie. Vervolgens hebben we de hoeveelheid verkeer berekend als gevolg van de uitbreiding. En nieuwe kruispuntberekeningen uitgevoerd. Daaruit blijkt dat in de avondspits de afwikkeling van het verkeer van het bedrijventerrein af, te lang duurt. De gemeente denkt hierbij aan de oplossing van het splitsen van de gecombineerde links- rechtsafstrook op de Wilgenweg. Er ontstaat dan een aparte rijstrook voor linksaf en een aparte rijstrook voor rechtsaf. De overige straten en kruispunten hebben voldoende capaciteit om de verkeersafwikkeling aan te kunnen, ook met de gewenste uitbreiding.

De verwachtingen over bezoek van het nieuwe zwembad vertaalt zich niet in een hoge verkeersintensiteit. Veel bezoekers zullen gebruikmaken van de fiets of met meerdere bezoekers in één auto komen. Volgens de inschatting van verkeerskundigen komt 70% van het autoverkeer via de woonwijk en 30% via het bedrijventerrein. Qua capaciteit is dit geen probleem.

4.9.2 Conclusie

De aspecten verkeer en parkeren leiden niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling.

4.10 Conventionele explosieven

Door BeoBOM is een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van conventionele explosieven (hierna: CE). Dit volledige onderzoek is te raadplegen in bijlage 20. Hierna worden de belangrijkste resultaten uiteengezet.

In de voor dit vooronderzoek geraadpleegde literatuur- en archiefgegevens, zijn géén feitelijke indicaties voor de aanwezigheid van CE binnen het projectgebied aangetroffen. Het gebied geldt derhalve niet als méér verdacht dan de overige Nederlandse bodem waarvoor geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van CE. Op basis van deze afwezigheid van feitelijke aanwijzingen, zijn binnen het projectgebied geen verdachte gebieden afgebakend. Vanuit CE-oogpunt kunnen de geplande werkzaamheden, binnen de contouren van het projectgebied zoals getoond in het onderzoek en op bijbehorend kaartmateriaal, zonder aanvullend onderzoek of opsporingsproces worden uitgevoerd.

4.11 Overige belemmeringen

4.11.1 Inleidend

Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.

4.11.2 Onderzoek

In het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante leidingen. Er zijn geen overige belemmeringen gelegen binnen of in de nabijheid van het plangebied.

4.11.3 Conclusie

Er bestaan geen overige belemmeringen in het plangebied.

4.12 Duurzaamheid

4.12.1 Kader

Nationaal klimaatbeleid

In het Klimaatakkoord van Parijs (2015 United Nations Climate Change Conference, Parijs) is vastgelegd de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de twee graden Celsius, met het streven een maximale temperatuurstijging van anderhalve graad Celsius te realiseren. Nederland wil om hierin invulling te geven gaan naar een CO2-arme energievoorziening in 2050. Een eerste uitwerking van de route naar een CO2-arme economie is vastgelegd in de energieagenda 2016 van het kabinet "Naar een CO2-arme energievoorziening". De energieagenda geeft aan dat "deze transitie vraagt om een drastische reductie van het gebruik van fossiele energie, tot dichtbij nul in het jaar 2050.

Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving.

4.12.2 Onderzoek

In het beeldkwaliteitsplan is aangegeven dat alle daken verplicht ingevuld dienen te worden als groen- of sedumdak. Het toepassen van zonnepanelen wordt gestimuleerd maar dienen wel altijd in combinatie met een groen- of sedumdak te worden uitgevoerd. Dit is ook verankerd in de regels via een voorwaardelijke bepaling. Daarnaast zal de bebouwing gasloos worden gerealiseerd.

4.12.3 Conclusie

De ontwikkelingen zullen voldoen aan de wettelijke vereisten. Alle daken dienen verplicht te worden uitgevoerd met een groen- of sedumdak. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met de gestelde duurzaamheidskaders.

4.13 M.e.r.-beoordeling

4.13.1 Kader

Voor de voorgenomen ontwikkeling dient gemotiveerd te worden of mogelijk sprake is van negatieve effecten op het milieu. Afhankelijk van de omvang van de ontwikkeling dient het bevoegd gezag (in dit geval burgemeester en wethouders) de afweging te maken of een m.e.r.-procedure dient te worden gevolgd.

In het Besluit m.e.r. zijn categorieën van gevallen aangegeven die (mogelijk) m.e.r-(beoordelings)plichtig zijn. Voor de uitbreiding van bedrijventerreinen is dit in het Besluit m.e.r. als volgt geformuleerd:

1. D.11.3: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.

De ontwikkeling van het bedrijventerrein Tappersheul III, heeft betrekking op de realisatie van circa 3 hectare netto bedrijventerrein en een totaal plangebied van circa 15 hectare. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.3. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig.

Voor de uitbreiding van andere stedelijke voorzieningen, zoals sportvoorziening, is dit in het Besluit m.e.r. als volgt geformuleerd:

2. D.11.2: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

  • 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer,
  • 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of
  • 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De ontwikkeling van de sportvoorzieningen, heeft betrekking op de realisatie van circa 2,5 hectare en een totaal plangebied van circa 15 hectare. Daarmee blijft de omvang ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.3. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig.

De drempelwaarden in onderdeel D van het Besluit m.e.r. zijn echter indicatieve waarden. Dit betekent concreet dat het bevoegd gezag dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Op grond van artikel 2 lid 5 van het Besluit m.e.r. is daarom wel deze vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.

Als blijkt dat er mogelijk belangrijke milieugevolgen zijn, is alsnog een uitgebreide m.e.r.-beoordeling of MER noodzakelijk.

Omdat de gemeente is die initiatiefnemer is in dit project, kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordling in dit bestmemingsplan. De gemeente dient op een zo vroeg mogelijk moment te besluiten over of wel of niet een formele (uitgebreide) m.e.r.-beoordeling of MER moet worden opgesteld.

4.13.2 Onderzoek

Bij de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient rekening gehouden te worden met de criteria zoals die zijn opgenomen in bijlage III van de EU richtlijn milieubeoordeling projecten. Deze worden hieronder behandeld.

1. Kenmerken project / activiteit

De omvang van het project betreft het realiseren van 3 hectare netto bedrijventerrein en circa 2,25 ha aan sportvoorzieningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarnee ruim onder de verschillende drempelwaardes van 75 hectare bedrijventerrein en 100 hectare aaneengesloten gebied.

2. Plaats van het project / activiteit

Het plangebied is gelegen ten noordoosten van de kern van Oudewater. Het gebied ligt ingeklemd tussen de Polderwetering en de Broekkade. Ten westen van het plangebied ligt het bestaande bedrijventerrein 'Tappersheul. De polder 'Noord-Linschoten' grens aan de oostelijke zijde aan het plangebied. Het plangebied is deels gelegen binnen de bestaande landschapszone die een overgang van stad naar landschap vormt.

In het noordelijk deel van het plangebied wordt voorzien in een bedrijventerrein met een netto oppervlakte van 3 hectare, verdeelt over verschillende bedrijfskavels. In het zuidelijk deel van het plangebied is voorzien in de realisatie van een zwembad met een binnen- en buitenbad en overige bijbehorende voorzieningen. In het meest zuidelijk van het plangebied wordt een skeelerbaan gerealiseerd.

3. Samenhang met andere activiteiten

Er zijn geen concrete andere activiteiten in de omgeving van het plangebied gepland of in uitvoering. De behoefte aan het nieuwe bedrijvigheid en de sportvoorzieningen is aangetoond in de notitie 'Onderbouwing uitbreidingen Oudewater buiten de rode contour' die door Buck Consultants International is opgesteld.

4. Kenmerken van de (mogelijk belangrijke) nadelige milieugevolgen
Voor de beoogde herontwikkeling zijn in het kader van dit bestemmingsplan alle omgevingsaspecten beoordeeld en/of onderzocht. De afweging impliciet plaatsgevonden in bovenstaande paragrafen. Hieruit blijkt dat, indien nadelige gevolgen optreden, deze te compenseren zijn. Daarmee zal er geen sprake zijn van significante nadelige milieugevolgen.

Het bevoegd gezag dient een separaat besluit te nemen waarin wordt besloten om af te zien van een verdere milieukundige afweging c.q. het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of een MER.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Planmethodiek

Het uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is het mogelijk maken van de uitbreiding van het bedrijventerrein Tappersheul III en de sportvoorzieningen (exclusief sporthal). Daarnaast is een goede landschappelijke inpassing een belangrijk aandachtspunt geweest bij de totstandkoming van dit bestemmingsplan.

Bij de opzet van het plan is gekozen voor gedetailleerde eindbestemmingen, gebaseerd op het beeldkwaliteitsplan en de eisen die hierin gesteld worden.

Op basis van de bepalingen van een eindbestemming kan direct een omgevingsvergunning worden afgegeven, indien het bouwplan past binnen de regels die gelden bij de bestemming.

5.2 Regels

De regels bestaan uit vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels (hoofdstuk 1)
  • Bestemmingsregels (hoofdstuk 2)
  • Algemene regels (hoofdstuk 3)
  • Overgangs- en slotregels (hoofdstuk 4)

Hierna wordt een korte toelichting gegeven op de in het plan voorkomende bestemmingen.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk is, in Artikel 1 Begrippen, een aantal begrippen verklaard dat wordt gebruikt in de regels. Dit voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Daarnaast is Artikel 2 Wijze van meten opgenomen waarin bepaald is hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld. In ieder artikel is per bestemming bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bouwregels er gelden. Tevens zijn, waar mogelijk, flexibiliteitsbepalingen opgenomen.

'Bedrijventerrein'

De toekomstige bedrijfskavels zijn voorzien van de bestemming "Bedrijventerrein". De bestemmingsvlakken zijn overgenomen uit het plan van Juurlink [+] Geluk. Voor de bouwregels is een rechtstreekse verwijzing opgenomen naar de bouwregels uit het voornoemd plan, en is voor de duidelijkheid een aantal regels uit dat plan overgenomen in het bestemmingsplan. Diverse bedrijfskavels hebben aan de achterzijde (noordoostzijde) een uitbreidingsmogelijkheid via een wijzigingsbevoegdheid; hierover hieronder meer.

Via een voorwaardelijke verplichting is geregeld dat de daken op de bedrijfspercelen moeten worden ingevuld als 'groen dak' (bijv. sedum), al dan niet in combinatie met installaties voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonnepanelen. Via een andere voorwaardelijke verplichting is afgedwongen dat binnen 3 jaar na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan de landschappelijke inpassing conform Bijlage 2 (Kernrandzonevisie) moet zijn aangelegd en in stand worden gehouden.

'Groen'

De gronden rondom de bedrijven, sportvoorzieningen en ontsluitingen zijn bestemd als 'Groen'. De reden hiervoor is om ervoor te zorgen dat deze voorzieningen ruimtelijk en landschappelijk ingepast worden en dat de groenstructuur zorgt voor een goede overgang richting het bestaande bedrijventerrein en het omliggende landschap. De bebouwingsmogelijkheden binnen deze bestemming zijn dan ook zeer beperkt. Een deel van de gronden kennen de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2'. Binnen deze zone is het toegestaan om de bestemming 'Groen' te wijzigen tot de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' om een bedrijfsontsluiting voor de nabijgelegen percelen te kunnen realiseren.

'Sport' 

De gronden waarop de sportvoorzieningen (zwembad en skeelerbaan, inclusief natuurijsbaan, waarbij expliciet is bepaald dat deze voorzieningen naar aard en omvang gelijk te stellen zijn aan een inriching uit maximaal milieucategorie 3.1.) zijn voorzien, zijn bestemd als 'Sport'. Met specifieke aanduidingen zijn het zwembad, de skeelerbaan en de parkeerplaatsen concreet aangegeven. Ook in deze bestemming is de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing opgenomen.

'Verkeer - Verblijfsgebied'

De gronden waarop de onsluitingen van de verschillende bedrijfskavels en sportvoorzieningen zijn voorzien (conform plan Juurlink [+] Geluk), zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Deze gronden hebben geen doorgaande verkeersfunctie. De gronden met deze bestemming hebben een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen. Daarnaast zijn daarin passende gebruiksvomen toegestaan zoals parkeren, groen- en watervoorzieningen en nutsvoorzieningen.

'Water'

De bestaande watergang in het zuiden van het plangebied is bestemd als 'Water'. Bijbehorende regeling is overgenomen uit het aldaar vigerende plan en ziet voornamelijk toe op het beschermen van de waterbelangen.

'Waarde - Ecologie' (dubbelbestemming)

De Broekkade en de aangrenzende gronden zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie'. Bijbehorende regeling is overgenomen uit het aldaar voorheen vigerende plan en ziet toe op het beschermen van de aanwezige ecologische waarden.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

In deze paragraaf worden, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, aanvullende regels gesteld.

Anti-dubbeltelregel

In deze regel is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

Algemene gebruiksregels

In de algemene gebruiksregels is een algemeen verbod op strijdig gebruik opgenomen, en wordt een voorbeeld genoemd wat in ieder geval als strijdig gebruik wordt beschouwd.

Algemene afwijkingsregels

Dit artikel is een aanvulling op de afwijkingsregels uit de bestemmingen. In het artikel is een aantal algemene afwijkingen opgenomen, dat (middels een omgevingsvergunning) kan worden verleend. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan bij een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Het gaat bijvoorbeeld om een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het mogelijk maken van plaatselijke verhogingen. Om af te kunnen wijken is vastgelegd dat geen ovenredige aantasting van een aantal aspecten uit de fysieke leefomgeving plaatsvindt.

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een regeling opgenomen ten behoeve van de wijziging van de gronden met de bestemming 'Groen' in de bestemming 'Bedrijventerrein'. Om de bestemming te kunnen wijzigen dient voldaan te worden aan de gestelde voorwaarden. Ook zijn diverse algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen om kleinschalige wijzigingen in het plan door te kunnen voeren.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In het overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bebouwing en gebruik dat al bestond bij het opstellen van het plan, maar dat strijdig is met de opgenomen regeling. Onder bepaalde voorwaarden mag deze strijdige bebouwing en/of strijdig gebruik worden voortgezet of gewijzigd.

In de slotregel is de officiële naam van het plan bepaald. Onder deze naam kan het bestemmingsplan worden aangehaald.

5.3 Geometrische plaatsbepaling

Voor het verbeelden van de geometrisch bepaalde bestemmingen is een BGT-ondergrond gebruikt. Dit bestand is opgebouwd in coördinaten in het stelsel van de Rijksdriehoeksmeting, of kortweg Rijksdriehoekscoördinaten (ook wel: RD-coördinaten). Dit zijn de coördinaten die in Nederland worden gebruikt als grondslag voor onder meer geografische aanduidingen, waarbij de exacte locatie van een gebied wordt vastgelegd. In het plan is met behulp van lijnen, coderingen en arceringen aan gronden (en in dit geval ook wateren) een bepaalde bestemming toegekend. Binnen een bestemmingsvlak zijn met aanduidingen nadere regels aangegeven. Op een afdruk van de geometrische plaatsbepaling, de verbeelding, zijn alle bestemmingen en aanduidingen naast elkaar zichtbaar.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Exploitatieverplichting

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld.

De gronden zijn in eigendom van de gemeente het bovenstaande is dan ook niet van toepassing op dit plan. Het kostenverhaal wordt verdisconteerd in de gronduitgifte.

Uit een vertrouwelijke exploitatieopzet blijkt verder dat de realisatie van de beoogde functies financieel uitvoerbaar is.

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht.

6.1.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Tappersheul mogelijk gemaakt. Daarnaast is voorzien in de realisatie van een nieuw binnen- en buitenzwembad en een skeerlerbaan (met natuurijsbaan), ter verplaatsing van deze elders in Oudewater aanwezige functies. In voorliggend bestemmingsplan is uiteengezet hoe deze ontwikkeling wordt ingepast en overlast richting omgeving wordt geminimaliseerd.

De realisatie van een nieuw zwembad, mét binnenbad en een skeelerbaan (met natuurijsbaan) draagt bij aan een langgekoesterde maatschappelijke wens en schept bovendien mogelijkheden tot een efficiëntere inrichting van de 'achterblijflocaties'. Een zwemvoorziening is vanuit het oogpunt van afname van gezondheidsklachten, een snellere revalidatie, minder kosten en een verhoogd welzijn gewenst. Daarnaast kan het Statenland gebruik worden voor de wens om binnen de rode contour woningbouw te realiseren. Tevens wordt de ontwikkeling passend geacht binnen de actuele beleidskaders van het Rijk, de provincie en gemeente. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Dit draagvlak wordt nog eens getoetst tijdens de inspraakprocedure wanneer het voorontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken voor inspraak ter visie wordt gelegd. Bovendien wordt in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen ten tijde van het ontwerpbestemmingsplan (zie ook paragraaf 7.2).

Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

6.1.3 Handhavingsaspecten

Inleidend

Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking.

Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving.

Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles. Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting.

Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet.

De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.

Hoofdstuk 7 Procedure

7.1 Voorbereidingsfase

Vooraankondiging

Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Deze publicatie vindt voor dit plan tegelijkertijd met het voorontwerp plaats.

Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan wordt voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn wordt een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. De ontvangen inspraakreacties worden samengevat en beantwoord, waarvan in deze toelichting te zijner tijd verslag zal worden gedaan.

Overleg

Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de Inspraak en vooroverleg reactienota, die is opgenomen in bijlage 22. In deze paragraaf wordt kort verslag gedaan van de overlegreacties ontvangen van de provincie Utrecht, het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en de veiligheidsregio Utrecht. De ontvangen reacties van Gasunie en Tennet zijn ter kennisgeving aangenomen en hebben niet geleid tot aanpassingen in het bestemmingsplan.

Provincie Utrecht

De provincie gaf aan dat onvoldoende bleek dat er voor detailhandel sprake is van de in de PRV genoemde voorwaarden. De regels van de bestemming 'Bedrijventerrein' zijn hierop aangepast, de betreffende detailhandel is opgenomen in een afwijkingsbevoegdheid met de voorwaarde dat er een goede motivatie aanwezig moet zijn. Daarnaast gaf de provincie aan dat op grond van de PRV de herstructurering van bestaand bedrijventerrein niet geborgd was. Hiertoe is (het plan van aanpak voor) een herstructureringsplan bij het bestemmingsplan gevoegd, en in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen conform de provinciale verordening. Dit is nader toegelicht in paragraaf 2.2 van de toelichting.

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Het hoogheemraadschap adviseerde het aantal vierkante meters waterberging zoals aangegeven in de toelichting te borgen in een voorwaardelijke verplichting. De benodigde waterberging is daarop toegevoegd aan de regels van dit bestemmingsplan.

Veiligheidsregio Utrecht

De Veiligheidsregio Utrecht heeft enkele aanvullende adviezen gegeven met betrekking tot onder meer blusvoorzieningen en bereikbaarheid voor hulpdiensten. De overlegreactie heeft niet geleid tot inhoudelijke aanpassingen in het bestemmingsplan. Wel zijn de adviezen als aandachtspunten opgenomen in de paragraaf 'Externe veiligheid' in deze toelichting.

7.2 Ontwerpfase

Na afronding van de inspraakprocedure en het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die volgen uit de inspraakreacties en de overlegreacties, zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn er nog enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd (zoals een geactualiseerd beeldkwaliteitsplan, waarmee enkele ondergeschikte wijzigingen zijn doorgevoerd, en diverse aanvullende onderzoeken).

Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wro (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient - met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening - ook via elektronische weg te geschieden. Tevens dient de kennisgeving te worden toegezonden aan die diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn, aan het waterschap en aan belanghebbende gemeenten.

Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd. Binnen deze termijn wordt een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Ook moeten de stukken met de kennisgeving aan de eerder genoemde diensten en instanties worden toegezonden (artikel 3:13 Awb), of er moet worden aangegeven waar de (digitale) stukken te vinden zijn (elektronische kennisgeving).

Van de eventueel te ontvangen zienswijzen wordt te zijner tijd in deze paragraaf verslag gedaan.

7.3 Vaststellingsfase

Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan.

Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.