direct naar inhoud van Regels
Plan: Bedrijventerrein Tappersheul III
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0589.BPTH3-VO01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan Bedrijventerrein Tappersheul III van de gemeente Oudewater;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0589.BPTH3-VO01 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde;

1.6 bebouwingspercentage:

de bebouwde oppervlakte van de gebouwen uitgedrukt in procenten van de totale oppervlakte van nader aangegeven gronden;

1.7 bedrijf:

een onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen, verwerken, installeren, inzamelen en verhandelen van goederen, detailhandel uitgezonderd;

1.8 bedrijfsgebouw:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.9 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.10 beperkt kwetsbaar object:

een beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub b van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.11 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.12 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.13 Bevi-inrichting:

inrichting als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.14 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.15 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.16 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouw zijnde zijn toegelaten;

1.17 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.18 dak:

iedere bovenbeïndiging van een gebouw;

1.19 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.20 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.21 groothandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, hieronder inbegrepen de uitstalling ten behoeve van verkoop, het verkopen en/of het leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan bedrijven, instellingen en personen, ter aanwending in een of andere beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.22 kantoor:

een gebouw dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, administratiekantoren en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen;

1.23 kleinschalige recreatieve voorzieningen:

voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, vissen, zwemmen, kanoën en natuurobservatie.

1.24 kwetsbaar object:

een kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub l van het Besluit externe veiligheid inrichtingen;

1.25 ondergeschikte kantoorruimte:

kantoorruimte welke dient ter administratieve ondersteuning van een bijbehorend en ter plaatse gesitueerd bedrijf, die rechtstreeks deel uitmaakt van dat bedrijf, en waar geen zelfstandige zakelijke diensten worden verleend aan derden;

1.26 ondergeschikte detailhandel bij groothandel:

detailhandel als aciviteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie. De detailhandelsfunctie is van zulke beperkte bedrijfsmatige of ruimtelijke omvang dat de functie groothandel waaraan zij wordt toegevoegd qua aard, vorm en verschijningsvorm, overwegend of nagenoeg geheel als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft;

1.27 peil:
  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddelijk aan de weg grenst of minder dan 5 meter daarvan: de hoogte van de weg (ter plaatse van die hoofdtoegang);
  • b. indien in of op het water wordt gebouwd: het Nieuw Amsterdams Peil;
  • c. in andere gevallen en voor andere bouwwerken die niet op of in het water worden gebouwd: de hoogte van de bestaande omliggende terreinen (maaiveld);
1.28 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen, die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. Voedings- en genotsmiddelen zijn uitgesloten;

1.29 Staat van Bedrijfsactiviteiten:

de Staat van bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt;

1.30 seksinrichting:

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.31 volumineuze goederen:

goederen die een grote omvang hebben;

1.32 voorgevelrooijlijn:

de lijn waarin (een gedeelte van) de voorgevel van het hoofdgebouw is gebouwd alsmede de naar de weg gekeerde bestemmingsgrens;

1.33 vuurwerkbedrijf:

inrichting waar professioneel vuurwerk en/of meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig is;

1.34 Wgh-inrichting:

een inrichting als bedoeld in artikel 41, derde lid van de Wet geluidhinder.

1.35 zelfstande showroom:

een uitstallingsruimte van groothandels - of productiebedrijven ten behoeve van wederverkoper of afnemers voor het gebruik in eigen bedrijf of instelling, die niet ondergeschikt is aan en/of functioneel gerelateerd is aan een ter plaatse gevestigd bedrijf.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.2 De breedte en lengte of diepte van een gebouw:

Tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of de harten van de scheidingsmuren.

2.3 De dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.4 De goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, dan wel de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.5 De inhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.6 De oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 Het grondoppervlak van een gebouw:

Tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren.

2.8 De vloeroppervlakte bij bedrijfsvloeroppervlakte en verkoopvloeroppervlakte:

De oppervlakte gemeten op vloerniveau tussen de binnenzijden van de scheidingsmuren die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen, met uitzondering van ruimten voor verticaal verkeer, ruimten voor gebouwinstallaties, dragende binnenmuren, vrijstaande draagconstructies en delen van vloeren waarboven de vrije hoogte lager is dan 1.5 meter.

2.9 Ondergeschikte bouwdelen:

Bij het meten worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwvlak- of bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven uit de Staat van bedrijfsactiviteiten (voor zover niet doorgehaald) in bijlage 2 uit maximaal de milieucategorie zoals aangeduid op de geometrische plaatsbepaling;
  • b. in aanvulling op het bepaalde onder a tevens voor detailhandel in:
    • 1. automobielen;
    • 2. caravans;
    • 3. boten en motoren;
  • c. in aanvulling op het bepaalde onder a tevens voor productiegebonden detailhandel tot 10% van de bedrijfsvloeroppervlakte met een maximale totale oppervlakte van 150 m2;
  • d. in aanvulling op het bepaalde onder a tevens voor ondergeschikte detailhandel in volumineuze goederen bij groothandelsondernemingen;
  • e. de bij de bestemming behorende verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, waterbeheer, waterberging, tuinen, erven en terreinen;

met inachtneming van het volgende:

  • f. detailhandel anders dan bedoeld onder b, c en d niet is toegestaan;
  • g. Wgh-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • h. Bevi-inrichtingen zijn niet toegestaan;
  • i. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het besluit M.E.R. 1994 zijn niet toegestaan;
  • j. vuurwerkbedrijven zijn niet toegestaan;
  • k. kantoren anders dan in de zin van ondergeschikte kantoorruimte en passend bij de bedrijfsvoering (=maximaal 50% van de totale b.v.o. van het bedrijf met een maximale oppervlakte van 2.000 m2 b.v.o.) zijn niet toegestaan.
3.2 Bouwregels

Op de voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

3.2.1 Gebouwen

Voor een gebouw gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw moet voldoen aan de bouwregels uit het als Bijlage 3 opgenomen plan; waarbij in ieder geval geldt:
    • 1. een gebouw moet worden gebouwd binnen een bouwvlak;
    • 2. het bebouwingspercentage bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'minimum bebouwingspercentage' ten minste het aangegeven percentage;
    • 3. het bebouwingspercentage bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' ten hoogste het aangegeven percentage;
    • 4. de minimale en maximale bouwhoogte van gebouwen bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'minimum bouwhoogte (m) - maximum bouwhoogte (m)' ten minste de onder minimale bouwhoogte aangeven bouwhoogte en - voor zover het bedrijfspercelen betreft van 2.000 m2 of meer - ten hoogste de onder maximale bouwhoogte aangegeven bouwhoogte; indien het bedrijfspercelen betreft met een oppervlakte van minder dan 2.000 m2, bedraagt de maximale bouwhoogte van gebouwen 12 m;
    • 5. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
    • 6. op bedrijfspercelen tot en met een grootte van 2000 m2 is maximaal één gebouw toegestaan;
    • 7. op bedrijfspercelen groter dan 2000 m2 zijn maximaal twee gebouwen toegestaan;
    • 8. in afwijking van het bepaalde onder 6 en 7 zijn in het meest zuidelijke bestemmingsvlak met de bestemming 'Bedrijventerrein' maximaal 4 gebouwen toegestaan, mits de afstand tussen gebouwen onderling minimaal 9 meter bedraagt.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag worden gebouwd zowel binnen als buiten een bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2,5 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 9 meter bedragen;
  • d. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 5 meter bedragen.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Afwijkingsmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.2.1 onder a2 en a3, en een hoger of lager bebouwingspercentage toestaan, indien de aard en omvang van deze branche dat vereist (bijvoorbeeld een logistiek bedrijf en/of een afvalverwerkingsbedrijf), op voorwaarde dat, naar het oordeel van B&W, sprake is van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing van de bebouwing op het bedrijfsperceel;
  • b. 3.2.1 onder a4 en toestaan dat de bouwhoogte van bedrijfspercelen met een oppervlakte kleiner dan 2.000 m2, wordt vergroot tot maximaal 15 m; met dien verstande dat:
    • 1. de bedrijfseconomische noodzaak dient te zijn aangetoond;
    • 2. door B&W desgewenst eisen kunnen worden gesteld aan de landschappelijke inpassing van de nieuwe bebouwing in de omgeving;
  • c. 3.2.2 onder d en toestaan dat de bouwhoogte wordt vergroot tot niet meer dan 8 meter.
3.3.2 Afwegingskader

Een in 3.3.1 genoemde afwijking kan slechts worden toegestaan indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.
3.4 Specifieke gebruiksregels
3.4.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming, wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming voor de doeleinden zoals genoemd in lid 3.1, zonder dat binnen 3 jaar na het onherroepelijk in werking treden van het plan, de groen-/blauwe structuur uit de kernrandzonevisie - opgenomen als Bijlage 2 bij de toelichting - rondom de bedrijfspercelen (te weten ter plaatse van de bestemming "Groen") is aangelegd en in stand wordt gehouden.

3.4.2 Voorwaardelijke verplichting groen dak

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming, wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken op een bedrijfsperceel voor de doeleinden zoals genoemd in lid 3.1, zonder dat minimaal 80% van het dakvlak van alle bebouwing op het betreffende bedrijfsperceel is voorzien van een natuurlijk-groene invulling (groen- of sedumdak), al dan niet in combinatie met installaties voor het opwekken van duurzame energie.

3.4.3 Inrichting en gebruik perceel

Voor de inrichting van een bedrijfsperceel gelden de volgende specifieke gebruiksregels:

  • a. de ontsluiting van een bedrijfsperceel gebeurt via de nieuwe dwarswegen, in dit bestemmingsplan voorzien van de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" dan wel door toepassing te geven aan de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 12.2;
  • b. het parkeren van medewerkers en bezoekers vindt geheel op eigen terrein plaats; met inachtname van het bepaalde in 13.2 Parkeren;
  • c. het laden en lossen van goederen vindt geheel op eigen terrein plaats.
3.4.4 Buitenopslag

Buitenopslag is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en achter de voorgevelrooilijn, tot een hoogte van maximaal 5 m (in afwijking hiervan is op het meest zuidelijke bestemmingsvlak met deze bestemming een hoogte voor buitenopslag van maximaal 2,5 meter toegegestaan) en voor zover het goederen/producten betreft die direct gerelateerd zijn aan de kernactiviteiten van het betreffende bedrijf.

3.4.5 Bedrijfswoningen

Bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

3.4.6 Zelfstandige showrooms

Zelfstandige showrooms zijn niet toegestaan.

3.5 Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1 Afwijkingsmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in:

  • a. lid 3.4.3 sub a, wanneer voor een kavel naar het oordeel van B&W geen directe ontsluiting via een nieuwe dwarsweg mogelijk is. In dat geval kan het bedrijfsperceel rechtstreeks op de bestaande wegen worden ontsloten;
  • b. lid 3.1 onder a en toestaan dat tevens bedrijven worden toegelaten die niet zijn genoemd in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, of die volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten van een hogere categorie zijn, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de reeds toegelaten categorie, met dien verstande dat:
    • 1. Bevi-inrichtingen niet zijn toegestaan;
    • 2. Vuurwerkbedrijven niet zijn toegestaan;
    • 3. Wgh-inrichtingen niet zijn toegestaan;
    • 4. inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het besluit M.E.R. 1994 niet zijn toegestaan;
3.5.2 Afwegingskader

Een in lid 3.5.1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.
3.6 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn, op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan te wijzigen, in de zin dat, anders dan bepaald in 3.4.2, naar het oordeel van B&W een toereikende andere duurzame invulling van het dakoppervlak wordt toegepast, ingeval de bepaling uit 3.4.2 zou leiden tot een onevenredige aantasting van de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf, of ingeval een andere duurzame invulling de voorkeur verdient.

Artikel 4 Groen

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. opgaande beplanting;
  • c. het behoud en de ontwikkeling van de natuurlijke en landschappelijke waarden;
  • d. kleinschalige recreatieve voorzieningen;
  • e. water;
  • f. parkeerplaatsen;

met daarbijbehorende:

  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • h. paden.
4.2 Bouwregels

Op de voor 'Groen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer dan 2,50 m mag bedragen.

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden
4.3.1 Verbod

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op de tot 'Groen' bestemde gronden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewassen die aangeduid worden als knotboom of die op de beschermde bomenlijst (Bijlage 1 Beschermde bomenlijst) staan;
4.3.2 Uitzonderingen op verbod

Het in 4.3.1 verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. reeds legaal in uitvoering zijn of nog legaal mogen worden uitgevoerd op het moment van het van kracht worden van het bestemmingsplan.
4.3.3 Voorwaarden vergunning

Een in 4.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en/of landschappelijke waarden van de gronden en/of de afschermende werking van de beplanting.

4.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden als toegangs- en/of ontsluitingsweg;
4.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 4.4 en toestaan dat de gronden tevens als toegangs- en/of ontsluitingsweg worden gebruikt, mits:

  • a. de landschapswaarden naar het oordeel van B&W niet onevenredig worden geschaad;
  • b. de verkeersveiligheid naar het oorden van B&W afdoende is veilig gesteld.

Artikel 5 Sport

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. sportactiviteiten en sportvoorzieningen; waarvan:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'zwembad': uitsluitend voor een zwembad;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'skeelerbaan': uitsluitend voor een skeelerbaan inclusief eventueel een natuurijsbaanring; waarbij de aard en omvang gelijk te stellen zijn aan een inrichting uit maximaal milieucategorie 3.1. uit de Staat van bedrijfsactiviteiten;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend voor parkeren ten behoeve van de onder 1 en 2 genoemde functies;
    • 4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - groene wal' uitsluitend voor een groene wal met een hoogte van minimaal 1,5 meter;
  • b. met de sportactiviteiten samenhangende ondergeschikte horeca;
  • c. water, waterbeheer en waterberging;
  • d. bij de bestemming behorende verkeers-, parkeer- en groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water, waterbeheer, waterberging, tuinen, erven en terreinen.
5.2 Bouwregels

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende bepalingen:

5.2.1 Gebouwen
  • a. een gebouw moet worden gebouwd binnen een bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'skeelerbaan' is maximaal één gebouw toegestaan waarvan de oppervlakte ten hoogste 250 m2 bedraagt.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder een buitenzwembad, mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 4,5 meter bedragen;
  • c. de hoogte van lichtmasten mag niet meer dan 8 meter bedragen;
  • d. het gestelde onder b. geldt niet voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter geleiding, begeleiding en regeling van het verkeer; daarvoor geldt geen maximum.
5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming, wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming voor de doeleinden zoals genoemd in lid 5.1, zonder dat binnen 3 jaar na het onherroepelijk in werking treden van het plan, de groen-/blauwe structuur volgens het gedachtengoed uit de kernrandzonevisie - opgenomen als Bijlage 2 bij de toelichting - rondom de sportvoorzieningen (te weten ter plaatse van de bestemming "Groen") is aangelegd en in stand wordt gehouden.

5.3.2 Voorwaardelijke verplichting groene wal

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming, wordt in elk geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken binnen de bestemming voor de doeleinden zoals genoemd in lid 5.1, zonder dat binnen de aanduiding 'specifieke vorm van sport - groene wal' een aarden wal van minimaal 1,5 meter hoogte, voorzien van beplanting, is aangelegd en in stand wordt gehouden.

5.3.3 Specifieke gebruiksregels ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' en 'parkeerterrein'

Ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' en de daarbij behorende parkeerplaatsen, gesitueerd ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', gelden de volgende specifieke gebruiksregels:

  • a. doordeweeks (maandag t/m donderdag) dienen de activiteiten om uiterlijk 23.00 uur beëindigd te zijn;
  • b. de zwemvereniging houdt toezicht op het gedrag van de zwembadbezoekers, ter voorkoming van (geluids)overlast van stemgeluid en/of dichtslaande portieren richting de omgeving;
  • c. gebruik van een sportfluitje is uitsluitend toegestaan tussen 07.00 en 20.00 uur.
5.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn, op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan ter plaatse van de aanduiding 'skeelerbaan' te wijzigen, door toe te staan dat langs de lange zijden van de skeelerbaan een verticaal scherm wordt gebouwd, met aan de bovenzijde daarvan desgewenst aansluitend een overkapping, mits dit gewenst en/of noodzakelijk is ter beschutting tegen weersomstandigheden, mits naar oordeel van een door B&W aan te wijzen stedenbouwkundige en/landschapsarchitect sprake is van een aanvaardbare ruimtelijke inpassing, en mits naar oordeel van een door B&W aan te wijzen milieuspecialist sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de directe omgeving.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verkeer- en verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en water.
6.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de verkeersregeling, de wegaanduiding of de verlichting, bedraagt ten hoogste 3 m;

Artikel 7 Water

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterberging;
  • b. waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder dammen, duikers, gemalen, krooshekken en sluizen;
  • c. waterlopen, waterwegen en/of vijvers met daarbijbehorende oevers, taluds en voorzieningen;
  • d. kleinschalige recreatieve voorzieningen;
  • e. bij de bestemming behorende groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, kruisingen met wegen (waaronder bruggen), nutsvoorzieninge.
7.2 Bouwregels

Op de voor 'Water' aangewezen gronden mogen uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen, dammen, duikers, gemalen, krooshekken, sluizen en bewegwijzering voor het verkeer te water worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwhoogte van bruggen ten hoogste 5 m mag bedragen.

7.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 7.2 en toestaan dat steigers en vlonders worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. de landschaps- en natuurwaarden naar het oordeel van B&W niet onevenredig worden geschaad; en
  • b. uit een advies van de waterbeheerder blijkt dat daartegen met het oog op het doelmatig functioneren van de watergang geen bezwaar bestaat.

Artikel 8 Waarde - Ecologie

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. de instandhouding en ontwikkeling van de ecologische verbindingszone;
  • b. de instandhouding en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen landschaps- en natuur(wetenschappe)lijke waarden;

met daarbijbehorende:

  • c. bouwwerken;
  • d. voorzieningen.
8.2 Bouwregels

Op de voor 'Waarde - Ecologie' aangewezen gronden mogen, in afwijking van hetgeen in de overige regels is bepaald, ingevolge dit plan toegestane bouwwerken slechts worden opgericht indien en voor zover de belangen van de ecologische verbindingszone en de ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen landschaps- en natuurwaarden dit toestaan.

8.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het waarborgen van de landschappelijke, ecologische en natuurlijke kwaliteit ter plaatse;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
8.4 Specifieke gebruiksregels
8.4.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van meststoffen en/of bestrijdingsmiddelen ten gevolge waarvan een onevenredige aantasting van de natuurwetenschappelijke ter plaatse plaatsvindt;
  • b. de nieuwvestiging van agrarische functies of teelten die voor de bedrijfsvoering (al dan niet deels) afhankelijk zijn van het gebruik van meststoffen en/of bestrijdingsmiddelen als bedoeld onder a;

alsmede het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken op een wijze die:

  • c. de instandhouding en/of ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel aan deze gronden eigen natuur-, ecologische- en landschappelijke waarden aantast of negatief kan beïnvloeden.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden
8.5.1 Verbod

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden op de tot 'Waarde - Ecologie' bestemde gronden de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. de bedrijfsmatige teelt van gewassen die naar hun aard en wijze van telen negatieve invloed kunnen hebben op natuur(wetenschappe)lijke waarden, indien en voor zo ver deze teelten nog niet aanwezig waren op het tijdstip waarop dit plan rechtskracht krijgt;
  • b. het aanleggen of verharden van paden, wegen of parkeergelegenheden of het aanbrengen van andersoortige terreinverhardingen met een breedte van meer dan 3 m;
  • c. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het kappen van knotbomen en waardevolle bomen zoals deze zijn opgenomen in Bijlage 1 Beschermde bomenlijst;
  • e. het aanleggen van tijdelijke baggerdepots voor de opslag van baggerspecie.
8.5.2 Verbod

Het in artikel 8.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. het normale beheer, onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. reeds legaal in uitvoering zijn of nog legaal mogen worden uitgevoerd op het moment van het van kracht worden van het bestemmingsplan;
  • c. die reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning;
  • d. betrekking hebben op de verbetering van de landschappelijke kwaliteit ter plaatse;
  • e. betrekking hebben op de ecologische kwaliteit ter plaatse;
  • f. betrekking hebben op de natuurwetenschappelijke kwaliteit ter plaatse.
8.5.3 Strijd met de bestemming
  • a. Uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden is in strijd met de bestemming indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting van de waarden van deze gronden kan plaatsvinden, hetgeen dient te blijken uit een rapport waarin de landschappelijke, ecologische en natuurwetenschappelijke waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld.
  • b. Een rapport als bedoeld onder a is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders de landschappelijke, ecologische en natuurwetenschappelijke waarde van de gronden middels andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. Deze informatie wordt dan ook als een rapport beschouwd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Antidubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Strijdig gebruik

Onder een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan:

  • a. het gebruiken of het laten gebruiken van gebouwen ten behoeve van een seksinrichting.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

11.1 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen afwijking verlenen van:

  • a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;
  • b. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. de bestemmingsregels met het oog op de aanpassing aan de werkelijke afmetingen van het terrein mits de structuur van het plan niet wordt aangetast en afwijken gewenst en noodzakelijk wordt geacht voor de juiste verwezenlijking van het plan;
  • d. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde en toestaan dat de bouwhoogte wordt vergroot tot niet meer dan 10 m;
  • e. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van zend-, ontvang- en/of sirenemasten wordt vergroot tot niet meer dan 40 meter;
  • f. de bestemmingsregels en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
    • 3. (hoek)erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen, mits de bouwvlakgrens met niet meer dan 1,50 meter wordt overschreden;
  • g. de bestemmingsregels ten behoeve van het aanbrengen van wijzigingen in de plaats en de richting van begrenzingen van de bestemmingen en/of bouwgrenzen, mits deze nodig zijn in verband met afwijkingen en onnauwkeurigheden van de kaart ten opzichte van de feitelijke situatie, dan wel nodig zijn in verband met de juiste inpassing van de gebouwen binnen de bouwvlakken, waarbij de grenzen met niet meer dan 5 m worden verschoven;
  • h. de bestemmingsregels ten aanzien van de bestemmingsgrenzen en toestaan dat de deze grenzen kunnen worden verschoven met een maximum van 10 m;
  • i. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen.
11.2 Afwegingskader

Een in 11.1 genoemde ontheffing kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  • e. de sociale veiligheid;
  • f. de externe veiligheid.

Artikel 12 Algemene wijzigingsregels

12.1 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1

Burgemeester en wethouders zijn, op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' te wijzigen naar de bestemming 'Bedrijventerrein', met dien verstande dat:

  • a. in het wijzigingsplan een bouwvlak, maximale bouwhoogte, minimaal en maximaal bebouwingspercentage dienen worden opgenomen volgens de principes van het als Bijlage 3 bij de toelichting opgenomen plan;
  • b. in het wijzigingsplan een voorwaardelijke verplichting dient te worden opgenomen voor een landschappelijke inpassing conform het als Bijlage 2 opgoenomen plan;
  • c. in het wijzigingsplan een voorwaardelijke verplichting dient te worden opgenomen voor een natuurlijk-groene invulling van minimaal 80% van de oppervlakte van alle daken op het betreffende bedrijfsperceel, al dan niet in combinatie met installaties voor de opwekking van duurzame energie;

mits:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. het aantal parkeervoorzieningen;
    • 5. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 6. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 7. het milieu;
  • b. voldaan wordt aan de onderzoeksverplichting op de volgende onderdelen:
    • 1. luchtkwaliteit;
    • 2. parkeerbehoefte;
    • 3. geluid;
    • 4. bodemkwaliteit;
    • 5. watertoets;
    • 6. archeologie;
    • 7. externe veiligheid;
    • 8. ecologie, toetsing Wet natuurbescherming;
    • 9. economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal;
12.2 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2

Burgemeester en wethouders zijn, op grond van het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan ter plaatse van de aanduiding 'Wetgevingzone - wijzigingsgebied 2' te wijzigen naar de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied', ten behoeve van de realisatie van een perceelsontsluitingswet, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de functionele en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groenelementen en waterelementen;
    • 5. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van de aangrenzende gronden en bouwwerken;
    • 6. het milieu;
  • b. voldaan wordt aan de onderzoeksverplichting op de volgende onderdelen:
    • 1. luchtkwaliteit;
    • 2. parkeerbehoefte;
    • 3. geluid;
    • 4. bodemkwaliteit;
    • 5. watertoets;
    • 6. archeologie;
    • 7. ecologie, toetsing Wet natuurbescherming;
    • 8. economische uitvoerbaarheid en kostenverhaal;

Artikel 13 Overige regels

13.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

13.2 Parkeren
  • a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen staat vast dat voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd, overeenkomstig CROW-parkeercijfers (publicatie 381, de gemeente Oudewater is een niet-stedelijke gemeente en het bedrijventerrein Tappersheul ligt in niet stedelijk gebied, rest bebouwde kom);
  • b. Het gebruik van gronden en gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de bestemmingen in dit plan is uitsluitend toegestaan als voldoende parkeergelegenheid voor auto's wordt gerealiseerd en gehandhaafd, overeenkomstig CROW-parkeercijfers (publicatie 381, de gemeente Oudewater is een niet-stedelijke gemeente en het bedrijventerrein Tappersheul ligt in niet stedelijk gebied, rest bebouwde kom);
  • c. Als de parkeercijfers als bedoeld onder a en/of b wijzigen, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 14 Overgangsrecht

14.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • c. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
14.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 15 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Bedrijventerrein Tappersheul III'.