direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Waardsedijk 44
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Aan de Waardsedijk 44 in Snelrewaard is een melkveehouderij gelegen waarvoor recent een omgevingsvergunning is verleend voor de uitbreiding van de rundveestal. Om de bouw van de rundveestal te realiseren moeten er kuilvoerplaten/sleufsilo's verplaatst worden. Door de groei van het bedrijf is er tevens behoefte aan uitbreiding van de opslagmogelijkheden voor ruwvoer.

Het bedrijf heeft in het bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Agrarisch met waarden - Landschap' gekregen.

Als gevolg van de bestemmingslegging is de realisatie van de kuilvoerplaten en sleufsilo's op de beoogde locatie niet mogelijk. In het kader van de inspraak- en overlegprocedure voor het bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop is aan de betreffende ondernemers in 2010 toegezegd dat het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zou worden uitgebreid. Dit is abusievelijk niet gebeurd.

Het bestemmingsplan Landelijk gebied Oudewater & Willeskop biedt mogelijkheden om met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' te vergroten maar dat zou betekenen dat de omvang onevenredig toeneemt. Bij een combinatie van vergroting en vormaanpassing van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' is sprake van een compact perceel van minder dan 1,5 ha dat voor bebouwing mag worden aangewend. De gemeente kiest om deze reden voor een nieuw bestemmingsplan waarbij moet worden aangetoond dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt aan de Waardsedijk, een agrarisch lint tussen de kernen Snelrewaard en Montfoort.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0001.jpg"

Figuur 1.1 Ligging plangebied

Het plangebied betreft het perceel Waardsedijk 44 en het wordt ontsloten door de gelijknamige weg. De directe omgeving bestaat uit weidelandschap met agrarische bedrijven en burgerwoningen.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het op 4 juli 2011 vastgestelde bestemmingsplan 'Landelijk gebied Oudewater & Willeskop'.

De bebouwde gronden hebben de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (omvang 1,3 ha), de omliggende onbebouwde gronden hebben de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' mogen worden bebouwd met sleufsilo's en gebruikt voor de aanleg van kuilvoerplaten, op de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' zijn kuilvoerplaten en sleufsilo's niet toegestaan.

Het bestemmingsplan bevat uitsluitend de mogelijkheid om met de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid, het bestemmingsvlak 'Agrarisch -Agrarisch bedrijf' uit te breiden tot een omvang van 1,5 ha. Het plan biedt geen mogelijkheden om het bestemmingsvlak ' Agrarisch -Agrarisch bedrijf' van vorm te veranderen met als doel de totale omvang van het bestemmingsvlak niet meer te vergroten dan strikt noodzakelijk.

De gronden met de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zijn gedeeltelijk ook voorzien van de dubbelbestemming bestemd 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde hoog' en Waterstaat - Waterkering' en de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument'. Zie figuur 1.2 voor een uitsnede van de plankaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Uitsnede van het vigerende plan.

Hoofdstuk 2 Bestaande en beoogde situatie

In dit hoofdstuk wordt de bestaande en beoogde situatie beschreven.

Bestaande situatie

In de bestaande situatie zijn er diverse gebouwen (rundveestal, werktuigenberging/jongveestal, bedrijfswoning) aanwezig op het perceel. Het woonhuis dateert uit 1850 en heeft een monumentaal karakter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0003.jpg"

Figuur 2.1 Aanzicht op het plangebied vanaf de Waardsedijk

Beoogde situatie

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0004.jpg"In de toekomstige situatie is de bestaande rundveestal uitgebreid (de omgevingsvergunning voor deze uitbreiding is 15 september 2014 verleend) en zijn de bestaande sleufsilo's verplaatst naar een locatie achter de stal.

Figuur 2.2 De toekomstige erfinrichting

Voor deze vernieuwde erfinrichting wordt een bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' opgenomen met een omvang van 1,48 ha.

Ruimtelijke consequenties

Door de vergunde uitbreiding van de rundveestal zal de bebouwde oppervlakte aan stallen binnen het bestemmingsvlak toenemen met 1.004 m2. De kuilvoerplaten en sleufsilo's worden gedeeltelijk verplaatst en uitgebreid. De totale verandering binnen het perceel leidt tot een toename van het verhard oppervlak met 672 m2.

 

Hoofdstuk 3 Beleidskader en planologische toets

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor het plangebied ruimtelijk relevante beleidskaders samengevat. Het gaat hierbij om beleidsdocumenten op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau.

3.2 Nationaal en provinciaal beleid

Beleid op rijksniveau

Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de meest bepalende beleidsdocumenten. Gelet op het schaalniveau van de ontwikkeling bevat het rijksbeleid geen specifieke relevante toetsingsaspecten.

Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie

De PRS gaat over het ruimtelijk beleid van de provincie Utrecht. Met het ruimtelijk beleid zorgt de provincie ervoor dat het aantrekkelijk blijft om hier te wonen, te werken en te recreëren. Zo is in de PRS opgenomen waar de provincie nieuwe woningbouw en bedrijventerrein aanvaardbaar vindt, welke landschapskwaliteiten de provincie wil beschermen, waar de provincie de landbouw en waar de natuur voorrang wil geven, en waar meer recreatievoorzieningen gewenst zijn. De PRS gaat over de hele provincie. De PRS is alleen bindend voor de provincie zelf. De juridische vertaling van het beleid is opgenomen in de PRV.

Provinciale Ruimtelijke Verordening

De PRV bevat regels voor gemeenten. De gemeenten moeten deze regels in acht nemen bij het maken van ruimtelijke plannen. De regels zijn nodig om het provinciale ruimtelijke beleid te kunnen realiseren. De nieuwe regels gelden voor nieuwe ruimtelijke plannen van de gemeenten.

Voor het onderhavig plangebied zijn de volgende aanduidingen uit de PRV van belang.

Landschap 'Groene Hart' (artikel 4.9)

Het plangebied ligt in het landschap 'Groene Hart'. Zie onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0005.png"

Figuur 3.1 De landschappen binnen de provincie.

In de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan bestemmingen en regels bevat ter bescherming en versterking van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, zoals genoemd in de Bijlage Kernkwaliteiten landschap. Tevens bevat de toelichting op een ruimtelijk plan een beschrijving van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan.

Voor het landschap Groene Hart bestaat de ambitie de volgende kernkwaliteiten te behouden en versterken: openheid, (veen)weidekarakter, landschappelijke diversiteit en rust en stilte. Bij ontwikkelingen in het landschap van het Groene Hart staat het versterken van de diversiteit op het schaalniveau van de verschillende typen landschap centraal.

De beoogde ontwikkeling gaat uit van een toename van verharding met 672 m². Het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' wordt vergroot van 1,3 naar 1,48 ha. Er worden geen landschappelijke kernkwaliteiten aangetast omdat de uitbreiding aan de achterzijde van het bestaande bouwvlak plaatsvindt en hierdoor de openheid, het (veen)weidekarakter, de landschappelijke diversiteit niet worden aangetast. De mate van rust en stilte die in dit agrarische lint heerst, wordt niet aangetast door de zeer beperkte uitbreiding van het bestaande bouwvlak.

TOP gebieden en subTOPgebieden (artikel 4.11a)

Het plangebied ligt in een subTOPgebied (bufferzone bij EHS-gebied). Een ruimtelijk plan voor een subTOPgebied bevat geen bestemmingen en regels die de waterhuishoudkundige situatie negatief beïnvloeden. De toelichting op een ruimtelijk plan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop hiermee in het plan is omgegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0006.jpg"

Figuur 3.2 subTOPgebieden met bufferzone

Door de uitbreiding van het bedrijf neemt de verharde oppervlakte met 672 m2 toe. Verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie kan worden voorkomen door het hemelwater niet versneld af te voeren maar op te vangen, te bergen en te laten infiltreren. Op grond van de keur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 zijn compenserende maatregelen echter niet nodig.

Agrarische bedrijven (artikel 4.13)

Het plangebied is aangewezen als Agrarisch gebied (geen verweving-, extensivering of landbouwontwikkelingsgebied). De PVR bepaalt dat een bestemmingsplan mag voorzien in toekenning van een bouwperceel tot maximaal 1,5 hectare voor bestaande agrarische bedrijven.

De bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' zoals opgenomen in dit bestemmingsplan heeft een omvang van 1,48 ha. Aan de PRV wordt voldaan.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Oudewater 2005-2025

De structuurvisie beschrijft de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode 2005-2015. In de Structuurvisie is vermeld dat de agrarische sector nog steeds van groot belang is in de gemeente Oudewater, niet alleen in economische zin maar ook in beheertechnische zin. De sector is

vergroeid met het landschap en de landschapsinstandhouding wordt voornamelijk door de agrarische sector gerealiseerd.

Er moet een evenwichtige combinatie op maat komen van grootschalige en kleinschalige landbouw en een mogelijke uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. De keuze wordt aan agrariërs zelf overgelaten binnen de planologische randvoorwaarden.

Bestemmingsplan 'Landelijk gebied Oudewater & Willeskop'

Het gemeentelijk beleid voor uitbreiding van agrarische bedrijven is tevens vastgelegd in het vastgestelde bestemmingsplan 'Landelijk gebied Oudewater & Willeskop'. De uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot een maximale oppervlakte van 1,5 ha wordt in dit bestemmingsplan, onder voorwaarden mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 4 Sectorale onderzoeken

4.1 Bodem

Beleid

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet in geval van ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de bodem geschikt is voor het beoogde functiegebruik. Ter plaatse van locaties die verdacht worden van bodemverontreiniging, moet ten minste verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. In geval van verontreinigingen is de Wet bodembescherming van toepassing. In de wet is geregeld dat indien ter plaatse van een plangebied ernstige verontreinigingen worden aangetroffen, er sprake is van een saneringsgeval.

Onderzoek

Omdat bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van een verblijfplaats voor mensen hoeft ter plaatse van de bouwlocatie geen milieu hygiënisch bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Het aspect 'bodem' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.2 Archeologie

Beleid

Ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem is de Monumentenwet van toepassing. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven. Indien dat niet het geval is dienen deze te worden gedocumenteerd.

Onderzoek

Op grond van het geldende bestemmingsplan geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde voor een gedeelte van het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' waar de uitbreiding van de rundveestal is voorzien. Uit archeologisch onderzoek blijkt dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat in het plangebied (de locatie van de staluitbreiding) of het onderzoeksgebied (een gebied van 1.000 meter daaromheen) archeologische resten aanwezig zijn ( zie bijlage 1).

De uitbreiding van het bestemmingsvlak hoeft op basis van het gemeentelijke archeologie beleid niet van een archeologische dubbelbestemming te worden voorzien.

Het aspect 'archeologie' staat de beoogde realisering van kuilvoerplaten en sleufsilo's op de gewenste locatie niet in de weg.

4.3 Externe veiligheid

Beleid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Onderzoek

In de nabijheid van het perceel Waardsedijk 44 zijn geen bedrijven gelegen die een veiligheidsrisico vormen. Tevens vindt er in de directe omgeving geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het water, het spoor of door buisleidingen die een veiligheidsrisico vormen. (bron: Risicokaart van Nederland, www.risicokaart.nl)
Dit bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe kwetsbare objecten (zoals woningen) zodat een verdere analyse van externe veiligheid achterwege kan blijven.
Op het perceel Waardsedijk 44 worden geen voorzieningen aangelegd (zoals bijvoorbeeld een grote propaanopslag) die een verhoogd veiligheidsrisico voor omwonenden tot gevolg hebben.

Het aspect 'externe veiligheid' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.4 Bedrijven en milieuzonering

Beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven of andere milieuhinderlijke functies in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Onderzoek

Dit bestemmingsplan voorziet in het vergroten van het agrarische bouwvlak waarbinnen de uitbreiding van de ligboxenstal en de verplaatsing van en de nieuw aan te leggen van de ruwvoeropslagen zijn ogenomen. Voor deze wijzigingen is al een melding Activiteitenbesluit ingediend welke compleet en ontvankelijk was. De melding is al bevestigd en gepubliceerd. De afstand van de uitbreiding van de ligboxenstal voldoet aan de afstandeisen van het Activiteitenbesluit. Ook wordt voldaan aan de afstandeisen van de Wet geurhinder welke in het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Deze afstand bedraagt ten minste 50 meter in het buitengebied. De afstand van de emissiepunten van de uitbreiding tot de naastgelegen geurgevoelige objecten voldoet aan de vereiste minimum afstand van 50 meter.

Ook vanuit geluid is de afstand van de stal tot de dichtstbijzijnde woning geen probleem. Deze afstand is 100 meter of meer.

Geconcludeerd wordt dat er vanuit bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen zijn voor dit plan.  

4.5 Luchtkwaliteit

Beleid

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden de volgende situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

Dit bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van het agrarische bouwvlak van een rundveehouderij op het perceel Waardsedijk 44. Als gevolg hiervan zal naar verwachting het aantal verkeersbewegingen beperkt toenemen (meer aan- en afvoer van grondstoffen, agrarische producten en dieren). Gelet op het kleinschalige karakter van de ontwikkeling zal er in geen geval sprake zijn van een effect van meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.


In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Hiervoor is gebruik gemaakt van het geoloket van de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU).

De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en fijn stof berekend met het rekenmodel GeoMilieu, versie 2.30. In dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling. De hieruit voortgekomen concentraties zijn grafisch weergegeven in de figuren 4.1 t/m 4.3.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0007.png"

Figuur 4.1 Concentraties stikstofdioxide in het plangebied (2015)

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0008.png"

Figuur 4.2 Concentraties fijn stof (PM10) in het plangebied (2015)

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0009.png"

Figuur 4.3 Concentraties fijn stof (PM2,5) in het plangebied (2015)

Uit de figuren is af te leiden dat de concentraties stikstofdioxide en fijn stof zich onder de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m³ bevinden.

De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 µg/m³ wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 µg/m³ uitkomen. De concentraties in het plangebied overschrijden nergens de grens van 60 µg/m³, wat betekent dat voor het hele plangebied aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan.

Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof is er ook een daggemiddelde grenswaarde van 50 µg/m³ van kracht, die per jaar 35 keer mag worden overschreden. Uit statistische vergelijkingen van TNO en het RIVM blijkt dat deze grenswaarde bij een concentratie van 31,3 µg/m³ vaker dan 35 keer wordt overschreden. Aangezien de concentratie fijn stof in het plangebied niet boven de 31,3 µg/m³ uitkomt, wordt aan deze daggemiddelde grenswaarde voldaan.

Uit figuur 4.3 is af te leiden dat de jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijn stof (25 µg/m³) voor het jaar 2015 niet wordt overschreden. Er wordt dus voldaan aan de grenswaarden voor zeer fijn stof.

Op basis van bovenstaande gegevens kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Het aspect 'luchtkwaliteit' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.6 Planologisch relevante kabels en leidingen

Er zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Er wordt geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.7 Geluid

Het plan maakt geen geluidgevoelige bestemming mogelijk. Op basis hiervan is het niet noodzakelijk te toetsen aan de Wet geluidhinder. Er wordt geconcludeerd dat het aspect geluid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.8 Ecologie

Normstelling

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie de uitvoering van het plan niet in de weg staan.

Onderzoek

Gebiedsbescherming
Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Circa 325 m ten zuidoosten van het plangebied ligt een NNN-gebied. Circa 7,2 km ten zuiden van het plangebied ligt het stikstofgevoelige Natura 2000-gebied uiterwaarden Lek.

afbeelding "i_NL.IMRO.0589.waardsedijk44-VA01_0010.png"

Figuur 4.1 Ligging Ecologische Hoofdstructuur (bron: Provinciale Ruimtelijke Verordening)

Het plangebied is in de Provinciale Ruimtelijke Verordening aangemerkt als 'subTOP-gebied binnen EHS met bufferzone'. Dit betekent dat het bestemmingsplan geen bestemmingen en regels mag bevatten die de waterhuishoudkundige situatie negatief beïnvloeden.
Door de uitbreiding van het bedrijf neemt de verharde oppervlakte met 672 m2 toe. Verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie kan worden voorkomen door het hemelwater niet versneld af te voeren maar op te vangen, te bergen en te laten infiltreren. Op grond van de keur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 zijn compenserende maatregelen echter niet nodig.

De ontwikkeling leidt gezien de afstand niet tot aantasting van actuele natuurwaarden in het NNN. De ontwikkeling bestaat uit het vergroten van het bouwvlak, de vergunning voor de uitbreiding van de stal is inmiddels verleend. De ontwikkeling is dan ook niet van invloed op de veel verder weg gelegen Natura 2000-gebieden. Significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.

Soortenbescherming
De beoogde ontwikkeling gaat gepaard met het verharden van onbebouwde gronden die direct grenzen aan de bebouwing van het bedrijf. Deze gronden bestaan uit weidegrond en een watergang.

Vanwege de hoge mate van verstoring vanuit het bestaande bedrijf en het intensieve gebruik van de gronden wordt de aanwezigheid van beschermde soorten (zonder vrijstelling) en weidevogels uitgesloten. De gronden kunnen we gebruikt worden door soorten waarvoor een vrijstelling geldt van de Wet natuurbescherming zoals konijn, gewone pad en veldmuis. In de watergang kan de kleine modderkruiper voorkomen, deze soort is niet meer beschermd onder de Wnb. Zwaarder beschermde soorten worden gezien het agrarische gebruik van de omliggende gronden niet verwacht. De watergang biedt ook leefgebied aan gewone pad, bruine kikker, wilde eend en waterhoen.

  • Er is geen ontheffing nodig voor de benoemde soorten omdat hiervoor een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen van de Wnb. Uiteraard geldt wel de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.
  • Tijdens werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels wordt voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In het kader van de Wnb wordt geen standaardperiode gehanteerd voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden op het moment dat er geen broedgevallen (meer) aanwezig zijn, is overtreding van de wet niet aan de orde. De meeste vogels broeden overigens tussen 15 maart en 15 juli (bron: website vogelbescherming).

Gezien de bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming, met inachtneming van de voorgestelde maatregelen, de uitvoering van het plan niet in de weg.

Conclusie

Het ruimtelijk plan heeft geen negatieve impact op de natuurwaarden ter plaatse of op beschermde natuurgebieden en is dan ook niet in strijd met de Wnb of het beleid van de provincie.

4.9 Water

Beleid

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Onderzoek

De realisering van de uitbreiding van de rundveestal en de verplaatsing/uitbreiding van kuilvoerplaten en sleufsilo's hebben tot gevolg dat de oppervlakte verharding toeneemt met 672 m2 en dat een bestaande sloot gedeeltelijk moet worden gedempt.

De toename van verharding blijft onder de norm van 1.000 m2 die door het Hoogheemraadschap wordt gehanteerd voor het nemen van compenserende maatregelen. Compenserende maatregelen zijn dus niet nodig.

Door de initiatiefnemer is aangevraagd en op 11 maart 2014 verkregen een watervergunning voor het dempen van een sloot over een lengte van 60 meter ten behoeve van de bouw van de stal en het graven/verbreden van een sloot in het achterliggende weidegebied.

In het kader van het wettelijk vooroverleg is advies ingewonnen bij het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Door het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnladen is een positief wateradvies gegeven (14-04-2015). De waterbelangen zijn voldoende geborgd in de reeds verleende watervergunning.

Het aspect 'water' staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving en uitleg planregels

Het bestemmingsplan omvat huidige en toekomstige bouwperceel van het agrarische bedrijf aan de Waardsedijk 44. De opzet, regels en bestemmingen van dit bestemmingsplan zijn afgestemd op en in overeenstemming met de regels en verbeelding van het bestemmingsplan 'Landelijk gebied Oudewater & Willeskop'. Er zijn in het plangebied twee enkelbestemmingen van toepassing, de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschap' . Voorts zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde hoog' en 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. De monumentale status van het woonhuis is vastgelegd met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het wijzigingsplan, een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Daarnaast kan de gemeente aan de hand van de kostensoortenlijst van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) kosten verhalen op de ontwikkelaar.

De beoogde ontwikkeling betreft een particulier initiatief. De gronden zijn in eigendom van de ontwikkelende partij. Het is aannemelijk dat de initiatiefnemers, gelet op de huidige omvang van het bedrijf, de kosten van de bedrijfsontwikkeling op de locatie Waardsedijk 44 kunnen dragen en de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

Met de initiatiefnemers zullen afspraken gemaakt worden over de vergoeding van eventuele planschade. De initiatiefnemer draagt verder de kosten van de nieuwbouw. Eventuele kosten voor de gemeente zijn hiermee afgedekt en de ontwikkeling wordt daardoor financieel uitvoerbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. In dit kader is er wettelijk vooroverleg gevoerd met verschillende overleginstanties. De resultaten van deze procedure zijn in deze paragraaf opgenomen.

De volgende instanties hebben gereageerd:

  • 1. Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden;
  • 2. Provincie Utrecht;
  • 3. Omgevingsdienst Regio Utrecht.

  • 1. Het Hoogheemraadschap heeft geen opmerkingen over het voorontwerpbestemmingsplan. De reactie mag als een positief wateradvies worden beschouwd.
  • 2. De Provincie heeft geen op- of aanmerkingen op het voorontwerpbestemmingsplan.
  • 3. De omgevingsdienst heeft aangegeven dat er geen belemmeringen zijn op het gebied van geluid, bodem, externe veiligheid en bedrijven en milieuzonering. Met betrekking tot lucht kan de omgevingsdienst instemmen , mits de paragraaf wordt aangepast aan de gemaakte opmerkingen. De toelichting zal hiertoe worden aangevuld met een onderbouwing voor NIBM en er zal inzage worden gegeven in de luchtkwaliteit ter plaatse. Met betrekking tot ecologie wordt geadviseerd om na te gaan of een natuurbeschermingswetvergunning nodig is en dit op te nemen in de betreffende paragraaf. Daarnaast wordt geadviseerd om de gedragscode over het dempen van sloten vast te leggen. De betreffende aanpassingen zijn in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen.

Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan is de wettelijke zienswijzenprocedure opgestart (artikel 3.8 Wro). Het ontwerpbestemmingsplan ‘Waardsedijk 44” heeft van 28 maart tot en met 8 mei 218 ter inzage gelegen. Er zijn in deze periode geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan kon ongewijzigd worden vastgesteld.