direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied correctieve herziening
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0824.Buitengeb2014cor-on01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

Met deze correctieve herziening wordt het bestemmingsplan Buitengebied (door de gemeenteraad van Oisterwijk op 29 juni 2011 vastgesteld) gedeeltelijk herzien. De herziening heeft betrekking op een gedeelte van de regels en op onderdelen van de verbeelding. Voor het opstellen van de herziening zijn verschillende aanleidingen:

  • de reactieve aanwijzing van de provincie Noord-Brabant (2 augustus 2011; NL.IMRO.9930.ra0824bgoisterwijk-va01), de gedeeltelijke intrekking van de reactieve aanwijzing (23 april 2013; NL.IMRO.9930.intrekra0824bgois-va01) en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake de reactieve aanwijzing (ABRvS 14 augustus 2013: zaaknummer 201109447/1/R3);
  • de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied (ABRvS 14 augustus 2013: zaaknummer 201109895/1/R3);
  • de Verordening Ruimte 2014 (hierna te noemen: Vr);
  • na drie jaar werken met het plan, blijkt het bestemmingsplan op onderdelen voor verbetering vatbaar;
  • een aantal initiatieven kan door de uitspraak van de Raad van State niet worden afgerond met de binnenplanse procedures die daarvoor waren opgenomen in het moederplan; deze initiatieven worden verwerkt in de herziening.

De toelichting op deze herziening is als volgt opgebouwd.

In hoofdstuk 2 wordt een nadere toelichting gegeven op de wijze waarop de herziening juridisch is vorm gegeven. In de hoofdstukken 3 tot en met 7 wordt ingegaan op de verschillende aanleidingen om het bestemmingsplan te herzien. In hoofdstuk 8 wordt nader ingegaan op het planMER en de aanpassingen voor het bestemmingsplan die hieruit voortvloeien. Hoofdstuk 9 gaat in op het vooroverleg. Hoofdstuk 10 bevat een korte toelichting op de gewijzigde vaststelling. In hoofdstuk 11 is de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake deze correctieve herziening beschreven.

Hoofdstuk 2 Juridische planbeschrijving

Voor het opstellen van herzieningen zijn geen standaarden of modelafspraken voorhanden. Met de gekozen opzet van de herziening wordt getracht belanghebbenden een duidelijk inzicht te geven van de veranderingen ten opzichte van het bestemmingsplan Buitengebied zoals vastgesteld op 29 juni 2011 (hierna aangemerkt als 'moederplan') en wat het totale juridisch planologische regime zal zijn na inwerkingtreding van de herziening.

De herziening bevat de volgende onderdelen:

  • In de diverse hoofdstukken van de toelichting wordt inhoudelijk beschreven en gemotiveerd wat de correctieve herziening inhoudt. Ook wordt beschreven op welke onderdelen (verbeelding en/of regels) het plan wordt herzien.
  • De regels die worden herzien zijn met geel gemarkeerd indien er sprake is van een aanvullende vaststelling van de regels of doorgehaald en groen gemarkeerd indien regels worden ingetrokken. De regels worden gekoppeld aan de plangrens omdat de correctieve herziening ook betrekking heeft op bestemmingen die niet op de verbeelding worden herzien.
  • De verbeelding bestaat uit de plangrens met daarbinnen uitsluitend de gronden waarvoor opnieuw bestemmingen en aanduidingen worden vastgesteld. Niet alle gronden zijn voorzien van bestemmingen en aanduidingen: voor deze gronden wijzigen de bestemmingen en aanduidingen uit het moederplan niet. Op de verbeelding zijn twee 'soorten' van aanpassingen opgenomen:
    • a. voor plandelen die zijn vernietigd zoals bijvoorbeeld de agrarische bouwvlakken (zie hoofdstuk 4) worden de bestemming, het bouwvlak en alle overige aanduidingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen opnieuw vastgesteld;
    • b. voor gronden waarbij geen sprake was van vernietiging wordt uitsluitend de gewijzigde aanduiding of bestemming vastgesteld (zie bijvoorbeeld de vaststelling bij de correctieve herziening van de dubbelbestemming Waarde - Natuur - Attentiegebied: de onderliggende enkelbestemmingen en overige aanduidingen in het moederplan blijven ongewijzigd van toepassing).

Hoofdstuk 3 Reactieve aanwijzing

De reactieve aanwijzing van de provincie Noord-Brabant had betrekking op:

  • de toelaatbaarheid van een modelvliegtuigterrein aan de Hoevenseweg;
  • de toelaatbaarheid van teeltondersteunende kassen in de gebieden door de provincie aangewezen als Groenblauwe mantel;
  • de realisatie van voorzieningen zoals paardenbakken, verhardingen en sleufsilo's buiten bouwvlakken;
  • het ontbreken van een sloopregeling bij de omzetting van agrarische bouwvlakken naar een woonbestemming;
  • de mogelijkheid om een woning groter dan 900 m3 te splitsen in twee woningen;
  • het bouwvlak Oisterwijksebaan 2.

Deze onderwerpen worden, met in acht name van de uitspraak van de Raad van State op de aanwijzing, in de volgende paragrafen beschreven.

3.1 Modelvliegtuigterrein

Door de gemeente was voor een locatie aan de Hoevenseweg de mogelijkheid opgenomen om een modelvliegtuigclub te vestigen. De provincie heeft een reactieve aanwijzing gegeven omdat de vestiging van deze functie strijdig is met de Verordening Ruimte 2011. Tegen dit het onderdeel van de reactieve aanwijzing is door de Modelvliegclub Oisterwijk en het gemeentebestuur beroep ingesteld bij de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak oordeelt dat de vestiging van een modelvliegtuigbaan niet in overeenstemming is met de op het moment van vaststelling geldende provinciale Verordening Ruimte. De reactieve aanwijzing blijft in stand. In de Verordening Ruimte zoals deze vanaf 2014 gaat gelden is de vestiging van een lawaaisport (zoals een modelvliegtuigterrein wordt aangemerkt) wederom niet toegestaan in de Groenblauwe mantel of het Gemengd landelijk gebied. Het terrein aan de Hoevenseweg is aangemerkt als Groenblauwe mantel. Het opnieuw vaststellen van een aanduiding voor de vestiging van een modelvliegtuigterrein is daardoor niet mogelijk.

Herziening

Dit onderdeel leidt niet tot aanpassingen. Het terrein behoudt de agrarische bestemming.

3.2 Ondersteunende kassen

Het bieden van mogelijkheden voor teeltondersteunende kassen bij vollegondsteeltbedrijven is in de gebieden die door de provincie zijn aangeduid als Groenblauwe mantel met de in stand gebleven reactieve aanwijzing niet mogelijk. Ook de Verordening Ruimte 2014 biedt hiervoor geen ruimte. Het plan wordt op dit onderdeel niet inhoudelijk herzien, wel wordt de formulering in de regels verduidelijkt (artikel 4.2.1).

Een vollegrondsteeltbedrijf in de Groenblauwe mantel beschikt over kassen (Zandstraat 16a) die in gevolge de uitspraak van de Raad van State ook positief bestemd moeten worden. Deze zijn met de functie aanduiding 'kas' opgenomen op de verbeelding en in de regels van artikel 4.1 en 4.2.1 verwerkt.

Herziening

Op de verbeelding wordt voor het perceel Zandstraat 16a de functieaanduiding 'kas' opgenomen. De regels in de artikelen 4.1 en 4.2.1 worden aangepast.

3.3 Voorzieningen buiten het agrarische bouwvlak

Op basis van de Verordening Ruimte, zoals deze van toepassing was op het moment van vaststelling van het moederplan op 29 juni 2011 door de gemeenteraad, mogen buiten het agrarische bouwvlak geen voorzieningen zoals sleufsilo's en paardenbakken worden gerealiseerd. De reactieve aanwijzing is op dit onderdeel in stand gebleven bij de Raad van State. In de Verordening Ruimte zoals deze geldt vanaf mei 2013 (wijziging VR 2012, vastgesteld 17 mei 2013) zijn wel (rechtstreekse) mogelijkheden voorzien voor de realisering van kuilvoerplaten, sleufsilo's en andere voorzieningen (de bijbehorende verhardingen) tot een omvang van 0,5 ha ten behoeve van bedrijven die in de bedrijfsvoering afhankelijk zijn van ruwvoer. Daarnaast is gebleken dat de realisering van hobbymatig gebruikte paardenbakken bij (burger)woningen en agrarische bedrijven buiten het agrarische bouwvlak ook worden toegestaan (provinciale Nota van advies en inspraak naar aanleiding van de ontwerpverordening).

De bestaande voorzieningen die hier niet aan voldoen (paardenbakken die bedrijfsmatig worden gebruikt bij agrarische bedrijven (paardenhouderijen) en verhardingen bij bedrijven die niet afhankelijk zijn van ruwvoer) worden rechtstreeks positief bestemd met een uitbreiding van het bouwvlak of een functieaanduiding.

In de gebruiksregels van de agrarische bestemmingen wordt opgenomen dat hobbymatig gebruikte paardenbakken buiten het agrarische bouwvlak zijn toegestaan.

Herziening

In de artikelen 3.2.2 en 3.4 alsmede in de artikelen 4.2.2 en 4.4 wordt een regeling opgenomen voor sleufsilo's (3.2.2 en 4.2.2) en verhardingen (3.4 en 4.4) in aansluiting op het bouwvlak en tot een gezamenlijk maximum van 0,5 ha per bouwvlak. Aan de artikelen 3.4 en 4.4 wordt een regeling toegevoegd waarmee op agrarische gronden grenzend aan (burger)woningen of agrarische bouwvlakken, paardenbakken voor hobbymatig gebruik aangelegd mogen worden.

Het bouwvlak Donkhorst 5a wordt opnieuw vastgesteld inclusief de aanwezige verharding (zie ook toelichting paragraaf 4.6). Op 4 locaties in het plangebied is sprake van een paardenbak bij een agrarisch bouwvlak die met een aanduiding wordt geregeld (Heikesspoor2, Oirschotseweg 95, Sebrechtsedijk 2, Oirschotseweg 40). De regels van artikel 3.2.2 en 4.2.2 zijn hierop aangepast.

Bij een klein bouwvlak aan de Zandstraat 12a is de paardenbak gedeeltelijk is het bouwvlak gelegen; dit bouwvlak wordt enigszins vergroot zodat de paardenbak geheel in het bouwvlak is gelegen.

Naar aanleiding van de ingediende zienswijzen zijn de verhardingen en bedrijfsmatige paardenbakken in het bouwvlak opgenomen en aangeduid met de 'specifieke bouwaanduiding - geen gebouwen'.

Op één locatie is bij een niet-intensieve veehouderij sprake van verhardingen en sleufsilo's buiten het bouwvlak (Heiligenboom 8). Op basis van het provinciale beleid is het niet nodig het plan voor dit bouwvlak aan te passen.

3.4 Sloopregeling

De omzetting van een agrarische bestemming naar een woonbestemming bij beëindiging van het agrarische bedrijf was niet overeenkomstig de Verordening gekoppeld aan de verplichte sloop van overtollige bebouwing. De reactieve aanwijzing is op dit onderdeel in stand gebleven. Het is wenselijk om deze bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar Wonen - 2 opnieuw vast te stellen omdat er binnen de plantermijn naar verwachting agrarische bedrijven zullen worden beëindigd die belang hebben bij de toekenning van een woonbestemming.

Overeenkomstig de Verordening zal aan deze bevoegdheid de voorwaarde van sloop van overtollige bebouwing worden verbonden.

Herziening

De artikelen 3.7.2 en 4.7.2 worden opnieuw vastgesteld met daaraan gekoppeld een extra voorwaarde met betrekking tot de sloop van overtollige bebouwing.

3.5 Woningsplitsing

De mogelijkheid om grote woningen (groter dan 900 m3 en niet aangewezen als cultuurhistorische waardevol) te splitsen in twee wooneenheden kan in verband met de in stand gebleven reactieve aanwijzing niet worden toegepast. De mogelijkheid van woningsplitsing kan, overeenkomstig het provinciale beleid, uitsluitend bij cultuurhistorisch waardevolle panden worden toegestaan. Tijdens de zitting bij de Raad van State is door de provincie toegezegd dat zij voor een specifieke situatie aan de Oirschotseweg 73 mee wil werken aan een oplossing. Voor dit pand is onderzocht of er sprake is van cultuurhistorische waarden.

De boerderij aan de Oirschotseweg 73 is gerealiseerd in 1952 en een voorbeeld van de naoorlogse bouwkunst zoals deze werd toegepast voor de bouw van een woonhuis met stal (langgevelboerderij). Het pand met de daarbij behorende stal zijn met respect voor de oorspronkelijke kenmerken en in samenhang met elkaar verbouwd. De bebouwing op het perceel vormt zo een samenhangend geheel. De langgevelboerderij is exemplarisch voor de betreffende bouwperiode en wordt om die reden gezien als cultuurhistorisch waardevol en daarom toegevoegd aan bijlage 4 van de regels. Bij eventuele woningsplitsing is nog van belang dat gebouwen in gebruik voor eeen nevenfunctie en daarvoor positief bestemd, niet beschouwd worden als overtollige, te slopen bebouwing.

Herziening

Het adres Oirschotseweg 73 wordt toegevoegd aan bijlage 4 van de regels.

3.6 Oisterwijksebaan 2

Voor een agrarisch bedrijf aan de Oisterwijksebaan 2 is op basis van de Verordening Ruimte 2011 ontheffing gevraagd voor de uitbreiding van het bouwvlak tot een omvang van meer dan 1,5 ha. De aanvraag voldeed aan de voorwaarden zoals deze waren opgenomen in artikel 9.6 van de toen geldende Verordening Ruimte. Op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied was de ontheffing nog niet verleend; reden voor de provincie om een reactieve aanwijzing te geven. Door de provincie is de ontheffing vervolgens alsnog verleend en de reactieve aanwijzing op dit onderdeel is op 23 april 2013 ingetrokken.

Door de uitspraak van de Raad van State inzake het moederplan zijn alle agrarische bouwvlakken vernietigd (zie ook hoofdstuk 4).

Bij het opnieuw vaststellen van bouwvlakken is de wijze waarop de gemeenteraad invulling wil geven aan het gewijzigde provinciale beleid (Verordening Ruimte 2014) richtinggevend. In de gemeenteraad zal nog een nadere discussie plaatsvinden over een passende veehouderij in Oisterwijk. Vooralsnog worden daarom in de correctieve herziening geen mogelijkheden opgenomen om een bouwvlak te vergroten tot een oppervlakte van meer dan 1,5 ha. Van de verleende provinciale ontheffing voor Oisterwijksebaan 2 wordt in dit stadium geen gebruik gemaakt: aan Oisterwijksebaan 2 is in het ontwerp een bouwvlak toegekend, overeenkomstig het bouwvlak uit het hiervoor geldende bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Berkel-Enschot. Bij de gewijzigde vaststelling is het bouwvlak met de omringende gronden (oppervlakte 2.36 ha) buiten het plan gelaten.

Herziening

Het bedrijf Oisterwijksebaan 2 is met de gewijzigde vaststelling buiten het plan gelaten. De plangrens is ter plaatse aangepast.

Hoofdstuk 4 Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

De uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State inzake het moederplan heeft betrekking op de volgende onderdelen:

  • alle agrarisch bouwvlakken alsmede een aantal wijzigingsbevoegdheden voor vergroting van agrarische bouwvlakken en omschakeling naar intensieve veehouderij;
  • de mogelijkheden om kleinschalig kamperen te ontwikkelen of uit te breiden;
  • de wijzigingsbevoegdheden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen;
  • de bestemming van gronden aan de Heiligenboom 20, 22 en 24;
  • de bestemming van gronden aan de Moergestelseweg 44a en 44b;
  • de verharding buiten het bouwvlak bij Donkhorst 5a;
  • het bij recht toestaan van een bestaand kleinschalig kampeerterrein bij Rosepdreef 13;
  • de voorziene waterberging aan de Oliviersweg;
  • de bestemming van gronden aan de Zandstraat/'t Stokske;
  • de bestemming van het perceel Oirschotseweg 76.

Voorafgaand aan de zitting bij de Raad van State heeft de gemeente aangegeven de bestemming van een perceel aan de Heuvelstraat naar aanleiding van een (niet-ontvankelijk) beroep te willen aanpassen.

De onderwerpen worden in de volgende paragrafen beschreven.

4.1 Agrarische bouwvlakken en wijzigingsbevoegdheden

In het bestemmingsplan Buitengebied zoals vastgesteld op 29 juni 2011 zijn de agrarische bouwvlakken opgenomen overeenkomstig de voorheen geldende bestemmingsplannen. Binnen deze bouwvlakken waren nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden aanwezig. Het bestemmingsplan bevatte tevens wijzigingsbevoegdheden om bouwvlakken te vergroten en om binnen een bouwvlak om te schakelen naar een intensieve veehouderij.

De Afdeling heeft overwogen dat de nog niet gerealiseerde bouwmogelijkheden opnieuw bezien hadden moeten worden in relatie tot de op het moment van vaststelling geldende regelgeving (artikel 19j van de Natuurbeschermingswet (Nbw) 1998) zoals eerder overwogen in een uitspraak van 19 oktober 2011. De opgenomen wijzigingsbevoegdheden kunnen leiden tot een uitbreiding van de veestapel en de stikstof- en ammoniakdepositie en daarmee tot significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden Kampina en Oisterwijkse bossen en vennen. Niet is gebleken dat de mogelijke gevolgen van de niet gerealiseerde bouwmogelijkheden en de wijzigingsbevoegdheden zijn onderzocht in de passende beoordeling/planMER. In de passende beoordeling dient uit te worden gegaan van de maximale mogelijkheden die het plan biedt. Alle agrarische bouwvlakken alsmede de betreffende wijzigingsbevoegdheden zijn vernietigd. Voor een bouwvlak aan de Sebrechtsedijk ongenummerd zijn de rechtsgevolgen in stand gebleven.

Uitgangspunt van deze herziening is dat de bouwvlakken en wijzigingsbevoegdheden voor zover mogelijk opnieuw worden vastgesteld (voor de onderbouwing wordt verwezen naar het moederplan en de daarmee samenhangende ruimtelijke onderbouwingen). Dit kan niet zonder een planMER met passende beoordeling waarin de gevolgen van de mogelijkheden die het plan biedt zijn beschreven en doorgerekend. Deze planMER en de aanvulling daarop wordt beschreven in hoofdstuk 8. Uit de planMER/passende beoordeling blijkt dat de niet gerealiseerde bouwmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden niet zonder meer in de herziening kunnen worden opgenomen. Om te voorkomen dat er een significant negatief effect ontstaat op de Natura 2000-gebieden wordt de volgende regeling in het plan opgenomen.

In de gebruiksregels van de agrarische bestemmingen wordt opgenomen dat een toename van ammoniakemissie op een bouwvlak als gevolg van de wijziging van het aantal legaal gerealiseerde dierplaatsen, bestaande diersoorten diersoorten en/of bestaande stalsystemen niet is toegestaan.

Van deze bepaling kan alleen worden afgeweken indien er geen afbreuk wordt gedaan aan bestaande natuurwaarden (zie ook paragraaf 8.4).

Voor een nadere toelichting van de wijze waarop de resultaten van de planMER zijn verwerkt in het bestemmingsplan wordt verwezen naar hoofdstuk 8. In dit hoofdstuk is te lezen dat, als gevolg van de resultaten van de planMER er geen omschakelingsmogelijkheden meer geboden worden van (vollegronds)teeltbedrijven, paardenhouderijen en Wonen -2 bestemmingen naar veehouderijen.

Herziening

Op de verbeelding worden de agrarische bedrijven voorzien van een bouwvlak, overeenkomstig het bouwvlak zoals vastgesteld op 29 juni 2011 (overigens worden enkele bouwvlakken naar aanleiding van concrete, onderbouwde initiatieven vergroot; zie hoofdstuk 6). Dit geldt ook voor het bouwvlak aan de Sebrechtsedijk ongenummerd. Op de bouwvlakken worden opnieuw alle functieaanduidingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen (met uitzondering van de aanduidingen voor de extensiveringsgebieden, verwevingsgebieden en landbouwontwikkelingsgebieden; zie hoofdstuk 5) vastgesteld zoals opgenomen in het plan van 29 juni 2011.

Voor een aantal percelen kan het bouwvlak en de bestemming niet overeenkomstig het moederplan worden vastgesteld.

De bestemming Wonen - 2 voor de gronden aan de Hoevenseweg 2a en 4 is niet overeenkomstig de feitelijke situatie; ter plaatse wordt ook een agrarisch bouwvlak opgenomen.

Voor het bouwvlak Zandstraat 16a wordt tevens een aanduiding opgenomen om de aanwezige recreatieve appartementen bij recht toe te staan ('verblijfsrecreatie') en wordt de correcte locatie van de boogkassen en overige permanente teeltondersteunende voorzieningen met het bouwvlak en de specifieke functieaanduidingen ('specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' en 'kas') weergegeven. In artikel 4.1 en 4.2.1 wordt de aanduiding 'verblijfsrecreatie' opgenomen.

Het bouwvlak Klein Logt 7 was niet overeenkomstig de gevolgde planologisch procedure en is aangepast. Voorts zijn bouwvlakken in het kader van de gewijzigde vaststelling aangepast (zie hoofdstuk 10).

Op twee bouwvlakken aan de Bossebaan zijn kassen respectievelijk permanente teeltondersteunende voorzieningen aanwezig. Deze zijn met een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen' en 'kas' aangeduid.

Om te voorkomen dat de opnieuw opgenomen, niet gerealiseerde bouwmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden leiden tot significante negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden wordt aan artikel 3.4 en artikel 4.4 een gebruiksverbod toegevoegd met betrekking tot de toename van ammoniakemissie. In artikel 3.5.6 en 4.5.6 worden de afwijkingsbevoegdheden opgenomen om, onder voorwaarden, aantallen dieren, stalsystemen en/of diersoorten aan te passen.

Naar aanleidig van de ingediende zienswijzen en de reactie van de Commissie voor de m.e.r. is een aanvulling op het planMER gemaakt en is nogmaals overwogen op welke wijze het planMER moet worden vertaald in het bestemmingsplan.

Verwezen wordt naar paragraaf 8.4.

4.2 Kleinschalig kamperen

De Afdeling heeft overwogen dat de geboden mogelijkheden voor het opstarten of uitbreiden van kleinschalig kamperen een aanzienlijke toename van het aantal recreanten met zich mee kan brengen, waardoor niet is uitgesloten dat dit significante negatieve effecten tot gevolg kan hebben op de Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. Deze effecten zijn niet meegenomen in de planMER/passende beoordeling waardoor niet inzichtelijk is gemaakt of de geboden mogelijkheden voor kleinschalig kamperen in overeenstemming zijn met artikel 19j van de Nbw 1998.

Uitgangspunt van deze herziening is dat de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen, zoals de gemeenteraad ook in de Structuurvisie Plus heeft vastgesteld, zoveel mogelijk opnieuw worden vastgesteld. Dit kan niet zonder een planMER/passende beoordeling waarin ook de effecten van kleinschalig kamperen zijn meegenomen. Deze planMER wordt beschreven in hoofdstuk 8. Uit de planMER/passende beoordeling blijkt dat de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen niet zonder meer in de herziening kunnen worden opgenomen. Om te voorkomen dat er een significant negatief effect ontstaat op de Natura 2000-gebieden wordt de volgende regeling in het plan opgenomen. In de regels voor het starten of uitbreiden van kleinschalig kamperen wordt een maximum aantal nieuw te realiseren standplaatsen opgenomen.

Herziening

De artikelen 3.5.3, 3.5.4, 4.5.3 en 4.5.4 worden opnieuw vastgesteld met de aanvullende bepaling dat gedurende de plantermijn, in het gehele plangebied, met de toepassing van de afwijkingsbevoegdheden gezamenlijk ten hoogste 100 extra standplaatsen gerealiseerd mogen worden.

4.3 Permanente teeltondersteunende voorzieningen

De Afdeling heeft overwogen dat de, met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid geboden mogelijkheden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen, ten onrechte niet zijn onderzocht op mogelijke gevolgen voor de waterhuishouding van de door ernstige verdroging bedreigde Natura 2000-gebieden in de directe omgeving. Deze effecten zijn niet meegenomen in de planMER/passende beoordeling waardoor niet inzichtelijk is gemaakt of de geboden mogelijkheden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen in overeenstemming zijn met artikel 19j van de Nbw 1998.

Uitgangspunt van deze herziening is dat de mogelijkheden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen zoveel mogelijk opnieuw worden vastgesteld. Dit kan niet zonder een planMER/passende beoordeling waarin ook de effecten van permanente teeltondersteunende voorzieningen op met name de waterhuishouding zijn meegenomen. Deze planMER wordt beschreven in hoofdstuk 8. Uit de planMER/passende beoordeling blijkt dat de mogelijkheden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen niet zonder meer in de herziening kunnen worden opgenomen. Om te voorkomen dat er een significant negatief effect ontstaat op de Natura 2000-gebieden worden nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen een afstand van 500 meter tot de grens van een Natura-2000 gebieden niet toegestaan. Als gevolg van de resultaten van de aanvulling op het planMER zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen met de gewijzigde vaststelling ook uitgesloten in het gebied aangeduid met Waarde - Natuur - Attentiegebied (zone van gemiddeld 500 meter rond een natte natuurparel).

Herziening

Aan de regels worden wijzigingsbevoegdheden toegevoegd om nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen toe te staan. De formulering van deze wijzigingsbevoegdheden komt overeen met de formulering uit het moederplan met dien verstande dat toepassing van de wijzigingsbevoegdheid niet is toegestaan binnen een zone van 500 meter vanaf de grens van een Natura 2000-gebied en op de gronden met de bestemming Waarde - Natuur- Attentiegebied (artikel 3.7.1 en 4.7.1).

4.4 Heiligenboom 20, 22 en 24

Ter plaatse van de percelen Heiligenboom 20, 22 en 24 zijn in 1954, 1963 en 1976 gebouwen vergund en gebouwd die sinds 1998 (bijna) onafgebroken permanent zijn bewoond. De Afdeling overweegt dat gebouwd is op basis van een Uitbreidingsplan in hoofdzaak waarin geen gebruiksverbod is opgenomen. De permanente bewoning is daarmee niet in strijd met het Uitbreidingsplan. Het permanente gebruik is in het vorige plan onder het overgangsrecht gebracht en, met de vaststelling van het plan Buitengebied op 29 juni 2011, voor een tweede maal onder het overgangsrecht geplaatst. Aangezien het niet aannemelijk is gemaakt dat het gebruik gedurende de plantermijn zal worden beëindigd, stond het de raad niet vrij het gebruik opnieuw onder het overgangsrecht te brengen. De Afdeling overweegt tevens dat dit niet betekent dat aan de percelen een woonbestemming had moeten worden toegekend: door een gebruik onder het overgangsrecht te brengen ontstaat in beginsel geen gerechtvaardigde verwachtingen dat, op termijn, een positieve bestemming zal worden toegekend. Het had op de weg van de raad gelegen om te overwegen of voor de percelen een uitsterfregeling in het plan had kunnen worden opgenomen.

Hierover is het volgende overwogen. De objecten zijn gebouwd als recreatiewoning en hebben in de laatste bestemmingsplannen een recreatieve bestemming gekregen. Het toevoegen van extra woningen in het buitengebied is in strijd met het provinciaal en met het gemeentelijk beleid. Ook past het niet binnen de recent door de raad vastgestelde Visie op de bebouwingsconcentraties. De bestemming Verblijfsrecreatie vindt de gemeente nog steeds het best passend in het gebied en het meest geschikt voor de opstallen. Deze uitgangspunten, zoals ook gehanteerd bij het opstellen van het deels vernietigde bestemmingsplan, zijn in de tussentijd niet gewijzigd. Ook de Raad van State concludeert dat door de toegekende bestemming geen gerechtvaardigde verwachtingen zijn ontstaan dat een woonbestemming kan worden toegekend. Er is daarom besloten om de suggestie van de Raad van State te volgen. De percelen blijven bestemd als Verblijfsrecreatie. Daarnaast wordt aan de objecten een aanduiding toegekend op grond waarvan, in afwijking van de bestemming, permanente bewoning is toegestaan. In het bestemmingsplan is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Als de permanente bewoning binnen de planperiode voor één of meerdere woningen wordt opgeheven, dan kan met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de aanduiding, en hiermee de mogelijkheid tot permanente bewoning, komen te vervallen.

Herziening

De percelen zijn opnieuw bestemd tot Recreatie - Verblijfsrecreatie en voorzien van de aanduiding 'wonen'. In de regels zijn de artikelen 14.1 en 14.3 aangevuld met de bepaling dat permanente bewoning van de drie bestaande recreatiewoningen op de gronden met de aanduiding 'wonen' is toegestaan. Indien sprake is van beëindiging van de permanente bewoning kan met gebruikmaking van de toegevoegde wijzigingsbevoegdheid de aanduiding 'wonen' komen te vervallen (artikel 14.4). Als gevolg van de toevoeging van een nieuwe aanduiding zijn de bouwregels in artikel 14.2.1 aangepast.

4.5 Moergestelseweg 44a en 44b

Ter plaatse van de percelen Moergestelseweg 44a en 44b zijn omstreeks 1930 en in 1960 gebouwen vergund en gebouwd die sinds 1956/1960 vrijwel onafgebroken permanent zijn bewoond. De Afdeling overweegt dat gebouwd is op basis van het Uitbreidingsplan Gemeente Berkel-Enschot waarin geen gebruiksverbod is opgenomen. De permanente bewoning is daarmee niet in strijd met het Uitbreidingsplan. Volgens de Raad van State moet legaal gebruik in beginsel dienovereenkomstig worden bestemd. Het permanente gebruik is met de vaststelling van het plan Buitengebied op 29 juni 2011, onder het overgangsrecht geplaatst. Aangezien het niet aannemelijk is gemaakt dat het gebruik gedurende de plantermijn zal worden beëindigd, stond het de raad niet vrij het gebruik onder het overgangsrecht te brengen. De Afdeling overweegt tevens dat het op de weg van de raad had gelegen om een bestemming te onderzoeken, passend bij het gebruik en de uiterlijke verschijningsvorm van de bestaande bebouwing.

De gebouwen zijn als bijgebouwen (zomerhuisje en atelier) bij het perceel Moergestelseweg 44 gebouwd.

Ten aanzien hiervan is het volgende overwogen. Voor het bouwwerk Moergestelseweg 44a is in 1960 bouwvergunning verleend. Het bouwwerk is gebouwd als houten tuinhuisje behorende bij de woning aan de Moergestelseweg 44 en heeft een inhoud van 113 m3. Het stenen bouwwerk Moergestelseweg 44b is gelijktijdig met de woning aan de Moergestelseweg 44 gerealiseerd (omstreeks 1930). Het stenen bouwwerk is gerealiseerd als werkatelier en heeft een inhoud van 240 m3.

Zowel het werkatelier als het tuinhuisje worden sinds lange tijd als woning gebruikt. De gemeente Oisterwijk heeft tot op heden niet handhavend opgetreden tegen deze situatie.

De locatie waarop de bedoelde gebouwen staan is gelegen in het buitengebied en niet gesitueerd aan een openbare weg. De gebouwen staan achter de bestaande woning die is gesitueerd aan de Moergestelseweg. Zij hebben meer het karakter van bijgebouwen dan van woningen. De gebouwen hebben daarnaast een geringe omvang en er zijn feitelijk geen ruimtelijk mogelijkheden om er ter plaatse volwaardige woningen van te maken.

Het toestaan van twee volwaardige woningen op een dergelijk klein perceel op een achtererfsituatie is derhalve ruimtelijk gezien niet gewenst. Ook het rijks- en provinciaal beleid is zeer terughoudend als het gaat om het toevoegen van burgerwoningen aan het buitengebied. Er kunnen in het buitengebied alleen extra burgerwoningen worden toegelaten in geval van ruimte voor ruimte en bij een landgoedontwikkeling. Ook dan zal getoetst worden of deze woningbouw ruimtelijk aanvaardbaar is. Wat betreft ruimte voor ruimte heeft de raad in mei 2013 de Visie bebouwingsconcentraties vastgesteld. Hierin heeft zij aangegeven dat ruimte voor ruimte woningen alleen in de bebouwingsconcentraties zijn toegestaan. Het perceel Moergestelseweg 44a/44b valt niet binnen een bebouwingsconcentratie. Kortom: het bestemmen van deze vroegere bijgebouwen als volwaardige woningen is ruimtelijk gezien niet gewenst en is in strijd met het beleid om geen extra woningen in het buitengebied mogelijk te maken. Om tegemoet te komen aan de uitspraak van de Raad van State is besloten om de bestemming Wonen - 1 met de functieaanduiding 'erf' voor het perceel Moergestelseweg 44a/44b opnieuw vast te stellen. Daarnaast wordt aan de twee bijgebouwen een aanduiding toegekend op grond waarvan, in afwijking van de bepaling in artikel 21.3 onder d permanente bewoning is toegestaan. In het bestemmingsplan is ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Als de permanente bewoning binnen de planperiode voor één of meerdere bijgebouwen wordt opgeheven, dan kan met gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid de aanduiding, en hiermee de mogelijkheid tot permanente bewoning, komen te vervallen.

Herziening

De vernietigde plandelen zijn opnieuw bestemd tot Wonen - 1 met de functieaanduiding 'erf' en voorzien van de aanduiding 'wonen'. In de regels zijn de artikelen 21.1 en 21.3 aangevuld met de bepaling dat permanente bewoning van de twee bijgebouwen op de gronden met de aanduiding 'wonen' is toegestaan. Indien sprake is van beëindiging van de permanente bewoning kan met gebruikmaking van de toegevoegde wijzigingsbevoegdheid de aanduiding 'wonen' komen te vervallen (artikel 21.5.3).

4.6 Donkhorst 5a

De aanwezige verharding (toegangspad) is buiten het bouwvlak gelegen en daarmee onder het overgangsrecht gebracht. De gemeente is niet voornemens deze verharding te (laten) verwijderen. De verharding is daarmee ten onrechte onder het overgangsrecht gebracht.

Het aanwezige bedrijf is een intensieve veehouderij en komt daarmee niet in aanmerking voor het toestaan van verhardingen buiten het bouwvlak (provinciaal beleid: uitsluitend verharding buiten bouwvlak ten behoeve van bedrijven die afhankelijk zijn van ruwvoer).

Het bouwvlak wordt uitgebreid met de aanwezige verharding.

Naar aanleiding van dit onderdeel van de uitspraak en de reactieve aanwijzing ten aanzien van voorzieningen buiten het bouwvlak, zijn in het plangebied de aanwezige voorzieningen buiten agrarische bouwvlakken geïnventariseerd (paardenbakken, verhardingen zoals toegangswegen enzovoorts). Indien nodig is de begrenzing van bouwvlakken hierop aangepast.

Herziening

Op de verbeelding wordt een bouwvlak voor Donkhorst 5a opgenomen, inclusief de aanwezige verharding. Deze verharding is met de gewijzigde vaststelling aangemerkt als 'specifieke bouwaanduiding - geen gebouwen'. Zie ook paragraaf 3.3.

4.7 Bestaande kleinschalige kampeerterreinen

De Afdeling heeft overwogen dat het bestaande kleinschalige kampeerterrein bij het agrarische bedrijf Rosepdreef 13 ten onrechte niet bij recht is toegestaan. Dit geldt eveneens voor ndere agrarische bedrijven met kleinschalig kamperen. Door middel van een aanpassing van de regels en het toevoegen van een bijlage aan de regels kan hieraan tegemoet worden gekomen.

Herziening

Op de verbeelding wordt het vernietigde plandeel aan de Rosepdreef 13 opnieuw vastgesteld met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 alsmede de relevante en vernietigde dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen.

Aan artikel 4.1 wordt toegevoegd dat op de bedrijven, genoemd in de toegevoegde bijlage 5 van de regels, kleinschalig kamperen is toegestaan tot de omvang zoals weergegeven. Aan de regels wordt een nieuwe bijlage toegevoegd (zie bijlage 5). Met de gewijzigde vaststelling is deze bijlage aangepast, overeenkomstig de feitelijk aanwezige kleinschalige kampeerterreinen (minicampings).

4.8 Waterberging

Bij nader inzien is de realisatie van een waterberging op de locatie aan de Oliviersweg niet meer actueel. Voor de nodige wateropvang wordt naar verwachting op een andere locatie een waterberging gerealiseerd.

Herziening

Aan de gronden is de bestemming Agrarisch toegekend. De wijzigingsbevoegdheid in artikel 20.3 komt te vervallen.

4.9 Zandstraat - 't Stokske

Het perceel op de hoek van de Zandstraat en 't Stokske had een agrarische bestemming die onvoldoende recht deed aan het recreatieve gebruik door de schuttersvereniging. Het plandeel is vernietigd.

Herziening

Op de verbeelding wordt aan het perceel de bestemming Recreatie toegekend met de functieaanduiding 'dagrecreatie'. Deze functieaanduiding is ook gebruikt voor een vergelijkbaar terrein van een schuttersvereniging aan de Oirschotseweg. De regels voorzien in de toelaatbaarheid van schutspalen tot een hoogte van 13 meter. De schutspalen aan de Zandstraat hebben een hoogte van 13,5 meter zodat de toelaatbare hoogte in artikel 13.2.2 wordt gewijzigd in 14 meter.

4.10 Oirschotseweg 76

Met de belangen van reclamant was, met de toekenning van de bestemming Wonen - 2, onvoldoende rekening gehouden. Er is onvoldoende rekening gehouden met de concrete plannen voor het perceel (er is een milieuvergunning afgegeven), de ligging in het Landbouwontwikkelingsgebied en het feit dat door de gewijzigde vaststelling een omzetting van Wonen - 2 naar een agrarisch bouwvlak niet meer mogelijk is.

In de nieuwe Verordening Ruimte van de provincie Noord-Brabant zijn geen landbouwontwikkelingsgebieden meer opgenomen. Gelet op de belangen van de eigenaren/gebruikers van het perceel, de concrete plannen en de verleende milieuvergunning wordt gekozen voor een agrarische bestemming met een passend bouwvlak. De eigenaren/gebruikers zijn voornemens ter plaatse een paardenhouderij te starten en hebben hiervoor een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze onderbouwing toont aan dat hiermee sprake is van een invulling die uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. De ruimtelijke onderbouwing is als bijlage 6 toegevoegd aan het plan.

Herziening

Aan het vernietigde plandeel is de bestemming Agrarisch toegekend, voorts is een passend bouwvlak opgenomen. Voor het bouwvlak wordt een aanduiding 'paardenhouderij' opgenomen.

4.11 Heuvelstraat 9

Naar aanleiding van een (niet behandeld) beroepsschrift is aan de gebruikers/eigenaren van dit perceel toegezegd de bestemmingslegging in overeenstemming te brengen met de gevolgde planologische procedures.

Herziening

Aan de betreffende gronden aan de Heuvelstraat wordt de bestemming Bedrijf toegekend met de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - 7' en 'specifieke vorm van bedrijf - 10'. De geldende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen worden niet herzien en staan dus niet op de verbeelding; het moederplan is hierop van toepassing.

Hoofdstuk 5 Verordening Ruimte

De provincie Noord-Brabant heeft op 7 februari 2014 de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld.

De Verordening Ruimte 2014 is met betrekking tot de volgende onderdelen van belang voor het buitengebied van Oisterwijk:

  • het beleid en de toegestane ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderijen in Brabant worden ingrijpend gewijzigd: uitbreiding van bedrijven is geen recht maar moet 'verdiend' worden door te voldoen aan de eisen van een zorgvuldige veehouderij;
  • op de verbeelding van de Verordening zijn voor Oisterwijk aanduidingen met betrekking tot natuur en landschap, water, cultuurhistorie en agrarische ontwikkelingen opgenomen; nagegaan moet worden of sprake is van een gewijzigde begrenzing die gevolgen heeft voor de planherziening.

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan op 29 juni 2011 was het nog niet noodzakelijk om de vereisten met betrekking tot de bevordering van ruimtelijke kwaliteit in het bestemmingsplan op te nemen. Inmiddels zijn voor de vertaling van de zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en de kwaliteitsverbetering van het landschap regionale afspraken gemaakt. Deze regionale afspraken worden met deze herziening vertaald in het bestemmingsplan.

In de volgende paragrafen worden deze onderdelen van de Verordening Ruimte beschreven.

5.1 Agrarische ontwikkelingsmogelijkheden

In de Verordening Ruimte 2014 wordt het volgende onderscheid gemaakt in agrarische bedrijven:

  • (vollegrond)teeltbedrijven: agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;
  • veehouderij: agrarisch bedrijf gericht op fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en/of pelsdieren;
  • glastuinbouwbedrijven: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;
  • overige agrarische bedrijven: agrarisch bedrijf dat niet binnen de definitie van veehouderij, (vollegronds)teeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt. Hieronder worden ook de paardenhouderijen begrepen.

De verordening maakt daarbij binnen veehouderijbedrijven geen onderscheid tussen grondgebonden veehouderij en intensieve veehouderij.

Voor de toelaatbare ontwikkelingen bij agrarische bedrijven is verder van belang dat binnen de provincie gebieden zijn aangewezen als Groenblauwe mantel of Gemengd landelijk gebied en dat er gebieden zijn aangewezen met Beperkingen veehouderij.

5.1.1 Veehouderij

Provinciaal beleid

Voor het beleid voor veehouderijen is het onderscheid tussen Groenblauwe mantel en Gemengd landelijk gebied niet van belang: de toelaatbare ontwikkelingen zijn in beide gebieden identiek.

Uitbreiding van de bebouwing binnen een bouwvlak

Uitbreiding van de bestaande bebouwingsoppervlakte (door nieuwbouw ten behoeve van het uitoefenen van een veehouderij (zoals stallen, machinebergingen of mestopslag) dan wel door bestaande bebouwing in gebruik te nemen voor het huisvesten van dieren) op het bouwvlak is uitsluitend toegestaan indien aan de voorwaarden uit de verordening wordt voldaan. Deze voorwaarden zijn:

  • er moet geborgd worden dat sprake is van een ontwikkeling naar en instandhouding van een zorgvuldige veehouderij (Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV));
  • de ontwikkeling moet, vanuit een goede leefomgeving (zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en volksgezondheid) inpasbaar zijn in de omgeving;
  • er moet een zorgvuldige dialoog worden gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling;
  • er moet geborgd worden dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • er moet voldaan worden aan extra eisen ten aanzien van geur en fijn stof;
  • daarbij geldt als extra voorwaarde dat melkveebedrijven gelegen in het gebied Beperkingen veehouderij aan moeten tonen in voldoende mate grondgebonden te zijn.

Op gemengde bedrijven (bijvoorbeeld veehouderij in combinatie met vollegrondsteeltbedrijven of paardenhouderijen) mag worden gebouwd ten behoeve van de niet-veehouderijtak zonder dat aan de bovengenoemde voorwaarden behoeft te worden voldaan. Tot slot moet worden geborgd dat bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op de uitbreiding van de veehouderij, ook aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan.

De Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij is opgebouwd rond diverse thema's en om te voldoen aan het criterium 'zorgvuldig' moet een minimale score van 7 op de BZV worden gehaald. In de loop der tijd zal het aantal thema's worden uitgebreid en de scores worden bijgesteld.

Hoewel het in theorie mogelijk is dat ook intensieve veehouderijen in het gebied Beperkingen veehouderij voldoen aan de voorgeschreven grondgebondenheid, gaat de provincie ervan uit dat intensieve veehouderijen hier geen ontwikkelingsmogelijkheden meer hebben (voortzetting van het beleid zoals dat geldt voor de extensiveringsgebieden).

Vergroten van agrarische bouwvlakken en omschakeling

Het wijzigen en vergroten van agrarische bouwvlakken alsmede het wijzigen van de bedrijfsvoering naar veehouderij (omschakeling) is toegestaan, maar ook hier gelden de volgende voorwaarden:

  • er moet geborgd worden dat sprake is van een zorgvuldige veehouderij (Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV));
  • de ontwikkeling moet, vanuit een goede leefomgeving (zorgplicht voor ruimtelijke kwaliteit en volksgezondheid) inpasbaar zijn in de omgeving;
  • er moet een zorgvuldige dialoog worden gevoerd, gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling;
  • er moet sprake zijn van een landschappelijke inpassing ter grootte van ten minste 10% van de omvang van het bouwvlak;
  • er moet geborgd worden dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar ten hoogste twee bouwlagen gebruikt mogen worden;
  • er moet voldaan worden aan extra eisen ten aanzien van geur en fijn stof;
  • daarbij geldt als extra voorwaarde dat melkveebedrijven gelegen in het gebied Beperkingen veehouderij aan moeten tonen in voldoende mate grondgebonden te zijn.

Tot slot moet worden geborgd dat bij een gebruikswijziging van bestaande gebouwen, gericht op de uitbreiding van de veehouderij, ook aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan.

Voor uitbreiding boven 1,5 ha geldt tevens dat bedrijven blijvend moeten beschikken over voldoende gronden om een veebezetting van 2 GVE/ha of minder te garanderen. Deze voorwaarde met betrekking tot de veebezetting geldt niet voor uitbreidingen in combinatie met de sanering van een overbelaste situatie waarbij er elders feitelijk en juridisch een veehouderij wordt opgeheven en er per saldo geen groei plaatsvindt van het vergunde aantal dieren. De uitbreiding van bouwvlak tot een oppervlakte boven de 1,5 ha kan ook worden toegestaan voor een vernieuwend bedrijfsconcept.

Uitzonderingen

Een aantal uitbreidingen valt niet onder de BZV:

  • uitbreidingen van nevenfuncties;
  • kleine uitbreidingen tot 100 m2;
  • opslagvoorzieningen voor ruwvoer.

Nieuwe agrarische bouwvlakken

Nieuwvestiging (het opnemen van een agrarisch bouwvlak op een locatie waar voorheen geen agrarisch bouwvlak aanwezig was) is alleen toegestaan op een zogenaamde vestigingslocatie: een bestaand bestemmings- of bouwvlak waarbinnen het geldend bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat. Ook voor deze nieuwvestiging gelden de voorwaarden zoals genoemd bij de vergroting van bouwvlakken.

Verwevingsgebieden, landbouwontwikkelingsgebieden en extensiveringsgebieden

Het beleid zoals in voorheen geldende Verordeningen beschreven voor intensieve veehouderij in de verwevingsgebieden, landbouwontwikkelingsgebieden en extensiveringsgebieden komt te vervallen. In plaats daarvan wordt de gebiedscategorie 'Beperkingen veehouderij' geïntroduceerd die in grote lijnen overeenkomt met de extensiveringsgebieden. In de gebieden met Beperkingen veehouderij worden extra eisen gesteld aan de grondgebondenheid van veehouderijen.

Gemeentelijke visie

Onderscheid (grondgebonden) veehouderij en intensieve veehouderij en ontwikkelingsmogelijkheden: uitgangspunten voor planMER

De gemeente is van mening dat het uit ruimtelijk oogpunt relevant blijft om een onderscheid te maken tussen (grondgebonden) veehouderij en intensieve veehouderij gelet op:

  • ruimtelijke uitstraling: grondgebonden veehouderijbedrijven met omliggende onbebouwde gronden voor de voerproductie versus intensieve veehouderijen waarbij in een gebied sprake zal zijn van een relatief hogere bebouwingsdichtheid vanwege het niet noodzakelijkerwijs aanwezig zijn van omliggende onbebouwde gronden;
  • geur: de geurbelasting vanuit intensieve veehouderijen is doorgaans groter dan vanuit grondgebonden veehouderijen; dit houdt verband met enerzijds de gehouden diersoort, maar ook met de omvang/aantal te houden dieren (het bouwvlak voor een intensieve veehouderij wordt bijna geheel ingericht voor de huisvesting van dieren terwijl de bouwvlakken voor grondgebonden veehouderij ook worden benut voor de stalling van landbouwmachines voor de voerwinning en de opslag van voer);
  • fijn stof: de emissie van fijn stof vanuit intensieve veehouderijen is doorgaans groter dan de emissie bij grondgebonden veehouderijen.

In het gebied met Beperkingen veehouderij zal voor de intensieve veehouderij worden bepaald dat uitbreiding van bebouwing voor het uitoefenen van intensieve veehouderij binnen het bouwvlak, omschakeling naar intensieve veehouderij of vergroting van bouwvlakken ten behoeve van de uitbreiding van de intensieve veehouderij niet is toegestaan. Dit komt overeen met het beleid zoals impliciet door de provincie in de verordening is beoogd.

De gemeente wil voorts vasthouden aan haar beleid - zoals vastgelegd in het moederplan - om de omschakeling van Wonen - 2 naar intensieve veehouderij (VAB-vestiging) in het bestemmingsplan niet mogelijk te maken. In specifieke situaties waarbij alsnog een VAB-vestiging toelaatbaar wordt geacht, kan gekozen worden voor een maatwerkoplossing, met een aparte planologische procedure. De vigerende mogelijkheid om op de gronden met de bestemming Wonen - 2 een agrarisch bedrijf te hervestigen wordt beperkt tot paardenhouderijen en (vollegronds)teeltbedrijven (zie ook hetgeen hieronder vermeld over de resultaten van de planMER/passende beoordeling).

Het bestemmingsplan behoeft naar de mening van het gemeentebestuur evenmin mogelijkheden te bevatten voor de omschakeling van grondgebonden veehouderij naar intensieve veehouderij op bestaande bouwvlakken of de vergroting van bouwvlakken tot een oppervlakte van meer dan 1,5 ha. Uit de planMER, zoals voor de vaststelling van het moederplan opgesteld, volgt dat de ruimte voor bedrijfsontwikkeling in het gehele plangebied beperkt is door de aanwezigheid van Natura 2000-gebieden. Gelet op de aspecten fijn stof en geur hebben intensieve veehouderijen bovendien een grotere impact dan grondgebonden veehouderijen. In het bestemmingsplan wil het gemeentebestuur ontwikkelingsruimte bieden aan bestaande bedrijven, dan wel de aanwezige ruimte reserveren voor de huidige aanwezige bedrijfsactiviteiten. In specifieke situaties waarbij omschakeling naar intensieve veehouderij of vergroting alsnog toelaatbaar wordt geacht, kan gekozen worden voor een maatwerkoplossing, met een aparte planologische procedure.

Het gemeentelijke beleid is voorts gericht op het behoud van de mogelijkheden om op agrarische bouwvlakken paardenhouderij uit te oefenen.

Resultaten planMER/passende beoordeling en aanvulling planMER

Op basis van de resultaten van het planMER/passende beoordeling (zie paragraaf 8.4) is het gemeentebestuur van mening dat de, in de Verordening Ruimte mogelijk gemaakte omschakeling van (vollegronds)teeltbedrijven, voormalige agrarische bedrijven (bestemming Wonen -2) en paardenhouderijen naar grondgebonden veehouderij, in deze correctieve herziening niet kan worden opgenomen.

Naar aanleiding van de aanvulling op het planMER is bij gewijzigde vaststelling ook de omschakeling van (vollegronds)teeltbedrijven en Wonen - 2 naar paardenhouderij uitgesloten. Omschakeling van intensieve veehouderij en niet-intensieve veehouderij naar paardenhouderij blijft mogelijk.

Op basis van de aanvulling op het planMER kunnen niet alle bouwvlakken voor veehouderij of niet-intensieve veehouderij worden uitgebreid tot 1,5 ha. Voor ruim 20 bedrijven is uitbreiding en toepassing van de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding in artikel 3.7.6 of artikel 4.7.4 nog wel mogelijk. Deze bedrijven worden aangeduid op de verbeelding met de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied'. Vormverandering van het bouwvlak blijft onder voorwaarden mogelijk.

 

Dialoog met de omgeving

De gemeente hanteert de volgende uitgangspunten bij de verplichte dialoog met de omgeving:

  • de ondernemer met plannen voor de ontwikkeling van het agrarisch bedrijf neemt het initiatief om, nog voor er sprake is van concrete of definitieve bouwplannen, direct omwonenden te informeren;
  • uitnodigingen worden daarbij in de omgeving huis aan huis verspreid (ter indicatie: onder 'omgeving' wordt verstaan het gebied dat ligt aan - of kan uitzien op - het initiatief, tot een straal van ongeveer 500 meter - naar redelijkheid - vanaf de initiatieflocatie;
  • omwonenden worden door hem of haar uitgenodigd om over de ontwikkeling van het bedrijf van gedachten te wisselen waarbij de initiatiefnemer een volledige uitleg over het initiatief geeft en aangeeft wat de knelpunten en pluspunten van het bedrijf zijn, mede in relatie tot de Brabantse Zorgvuldigheidsscore;
  • de initiatiefnemer weegt de resultaten van de dialoog met de omgeving;
  • de initiatiefnemer draagt zorg voor een presentielijst, objectieve schriftelijke verslaglegging van het gevoerde overleg en de ingebrachte reacties, alsmede een schriftelijke overweging over de wijze waarop de dialoog eventueel van invloed is geweest op de concrete bouwplannen;
  • met de omwonenden wordt een afspraak gemaakt over de wijze waarop men kennis kan nemen van het verslag;
  • het verslag van de bijeenkomst alsmede de schriftelijke overweging over de wijze waarop de dialoog van invloed is geweest op het initiatief wordt door de initiatiefnemer ter beschikking gesteld aan de gemeente.
5.1.2 (Vollegrond)teeltbedrijven

Voor (vollegrond)teeltbedrijven is het onderscheid tussen de Groenblauwe mantel en het Gemengd landelijk gebied wel van belang. Een bestemmingsplan mag voorzien in de uitbreiding of de vestiging (op een locatie waar al bebouwing was toegestaan) van een (vollegrond)teeltbedrijf mits de omvang noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. In de Groenblauwe mantel geldt daarbij tevens dat er een positieve bijdrage wordt geleverd aan de bescherming en ontwikkeling van de onderkende ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken.

Het bestemmingsplan zoals vastgesteld op 29 juni 2011 voldoet hieraan (bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 en een wijzigingsbevoegdheid bij Wonen - 2).

Bij een (vollegrond)teeltbedrijf in de Groenblauwe mantel is de bouw van kassen niet toegestaan. In het Gemengd landelijk gebied zijn kassen toelaatbaar tot ten hoogste 5.000 m2.

Bij (vollegronds)teeltbedrijven is het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen toegestaan waarbij voor permanente teeltondersteunende voorzieningen in de Groenblauwe mantel een maximale omvang van 3 ha per bouwvlak geldt. De regeling in het bestemmingsplan met betrekking tot permanente teeltondersteunende voorzieningen is door de Raad van State vernietigd. Op basis van de van het provinciale beleid is het mogelijk om opnieuw een regeling voor (uitbreiding) van permanente teeltondersteunende voorzieningen op te nemen mits rekening gehouden wordt met de resultaten van de planMER (de uitspraak van de Raad van State).

5.1.3 Glastuinbouwbedrijven

In de verordening wordt bepaald dat de omschakeling naar en de vestiging (op een locatie waar al bebouwing was toegestaan) van glastuinbouwbedrijven niet zijn toegestaan. Uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven in de Groenblauwe mantel wordt niet meer toegestaan.

In het Gemengd landelijk gebied is uitbreiding van een bestaand glastuinbouwbedrijf toegestaan tot ten hoogste 3 ha netto glas mits uitbreiding van het bedrijf noodzakelijk is om de continuïteit voor langere termijn te waarborgen en er een zorgvuldige dialoog is gevoerd gericht op het betrekken van de belangen van omwonenden bij de planontwikkeling. Bij de gewijzigde vaststelling is de wijzigingsbevoegdheid zodanig aangepast dat ten hoogste 2 ha kassen zijn toegestaan.

5.1.4 Overige agrarische bedrijven

Op basis van de verordening mag de omschakeling naar overige agrarisch bedrijven en uitbreiding van de bouwvlakken voor overige agrarische bedrijven tot 1,5 ha worden toegestaan.

Momenteel zijn er in het buitengebied van Oisterwijk drie bijzondere agrarisch bedrijven gevestigd (palingkwekerij, wormen- en insectenkwekerij) die door de provincie aangemerkt worden als 'overig agrarisch bedrijf'. In het plan zijn voor deze bedrijven geen mogelijkheden tot uitbreiding van het bouwvlak opgenomen. Omschakeling is in het bestemmingsplan evenmin mogelijk gemaakt. Er is geen dringende noodzaak om deze mogelijkheden alsnog in het plan op te nemen.

Paardenhouderijen worden in de systematiek van de verordening ook aangemerkt als overig agrarisch bedrijf om te voorkomen dat de regels voor de veehouderij van toepassing zijn. In het plangebied zijn meerdere paardenhouderijen gelegen. Op basis van de verordening mogen omschakeling naar een paardenhouderij en uitbreiding van het bouwvlak voor paardenhouderij worden toegestaan. Op basis van de aanvulling op de planMER zijn deze mogelijkheden bij de gewijzigde vaststelling beperkt en zijn de paardenhouderijen specifiek aangeduid.Wegens het ontbreken van emissiearme stalsystemen kan een uitbreiding van het aantal dieren niet worden toegestaan (toename emissie). Uitbreiding en vormverandering van bouwvlakken ten behoeve van bijvoorbeeld een rijhal of paardenbak is mogelijk maar mag niet leiden tot een toename van de emissie /aantal dierplaatsen.

5.1.5 Mestverwerking en vergisting

Op basis van de Verordening mogen mestverwerking en -vergisting niet langer aangemerkt worden als agrarische hulp- en nevenbedrijven maar gelden hiervoor de regels voor Bedrijf.

5.1.6 Herziening

Begrippen en indeling van agrarische bedrijven

De verordening maakt een onderscheid in 4 soorten van agrarische bedrijven ((vollegronds)teeltbedrijven, veehouderij, glastuinbouw en overige agrarische bedrijven). Het huidige moederplan Buitengebied is op een andere definitie van agrarische bedrijven gebaseerd. Het overnemen van de provinciale begripsbepalingen is niet mogelijk omdat daarmee het gemeentelijke beleid ten aanzien van intensieve veehouderij niet kan worden geregeld en omdat daarmee te zeer wordt ingegrepen op de systematiek van het moederplan (begripsbepaling, bestemmingsomschrijving, inventarisatie van bedrijven en aanduidingen op de verbeelding). Gezocht is naar een onderscheid in agrarische bedrijven die hanteerbaar is voor vertaling van het gemeentelijke beleid in de regels en die voldoet aan de provinciale indeling.

Voor de aangepaste begripsbepaling 1.8 voor agrarische bedrijven wordt (bij gewijzigde vaststelling) de volgende definitie gebruikt:

'een agrarisch bedrijf is een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

    • 1. (vollegronds)teeltbedrijf: bedrijfsvoering gericht op de teelt van gewassen die (nagenoeg) niet in gebouwen plaatsvindt;
    • 2. niet-intensieve veehouderij: het houden van melk- en ander vee waarbij de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel;
    • 3. paardenhouderij: het fokken van paarden, het houden, stallen of africhten van paarden ten behoeve van de vlees- en / of melkproductie, handel en / of de gebruiksgerichte paardenhouderij;
    • 4. glastuinbouw: bedrijfsvoering (nagenoeg) geheel met behulp van kassen;
    • 5. overig agrarisch bedrijf: het telen van vissen, wormen, insecten en gewassen met een bedrijfsvoering die (nagenoeg) geheel in gebouwen - niet zijnde kassen - plaatsvindt;
    • 6. intensieve veehouderij: de teelt van slacht-, fok-, leg- of pelsdieren in gebouwen en (nagenoeg) zonder weidegang waarbij de productie (nagenoeg) niet afhankelijk is van de bij het bedrijf behorende agrarische grond als productiemiddel;
    • 7. aquacultuur: de teelt van (zout)watergebonden organismen waaronder begrepen zagers, schelpdieren en vissen met een bedrijfsvoering die (nagenoeg) niet in gebouwen plaatsvindt.'

Op basis van de aangepaste begripsbepaling voor agrarisch bedrijf, de huidige plansystematiek en noodzakelijke aanpassingen aan de Verordening Ruimte 2014 zijn agrarisch bedrijven geïnventariseerd en voorzien van een relevante functieaanduiding:

  • vollegrondsteeltbedrijven: deze bedrijven zijn algemeen toelaatbaar en deze behoeven geen nadere aanduiding op de verbeelding; aan deze bedrijven kunnen rechtstreekse bouwmogelijkheden geboden worden;
  • niet - intensieve veehouderijbedrijven: hoewel onbebouwde gronden voor veehouderij gebruikt mogen worden, is het noodzakelijk op bouwvlakken regels te stellen aan de (grondgebonden) veehouderij; op de verbeelding worden deze bedrijven met een specifieke aanduiding weergegeven (specifieke vorm van agrarisch - veehouderij);
  • intensieve veehouderij (iv) of specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij (sa-niv): deze bedrijven zijn ook in het moederplan uit 2011 als zodanig onderscheiden en deze indeling wordt gehandhaafd, inclusief de bijbehorende maximale oppervlaktemaat voor een neventak; aan alle bedrijven met een hoofd- of neventak intensieve veehouderij wordt tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij' toegekend zodat de omschakeling van intensieve veehouderij naar grondgebonden veehouderij relatief eenvoudig (niet met een wijzigingsbevoegdheid maar met een afwijkingsbevoegdheid) kan worden gerealiseerd, overeenkomstig het beleid uit het moederplan; ten opzichte van het moederplan uit 2011 zijn de aanduidingen (iv) of (sa-niv) voor een aantal bouwvlakken gewijzigd: de aanduiding (iv) of (sa-niv) is alsnog toegekend op basis van de vergunde situatie, de aanduiding (iv) of (sa-niv) is niet opnieuw opgenomen omdat de betreffende bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt, of de aanduiding (iv) is gewijzigd in (sa-niv) in verband met de omvang van de bedrijfsactiviteiten;
  • intensieve kwekerij (ik) en aquacultuur (aqc): betreft twee bedrijven die ook in het moederplan uit 2011 als zodanig zijn onderscheiden en die behoren tot de categorie overige agrarische bedrijven;
  • glastuinbouw (gt): de bedrijven die in het moederplan waren aangemerkt als glastuinbouwbedrijf krijgen opnieuw de aanduiding (gt);
  • paardenhouderijen: als gevolg van de resultaten van de aanvullling op het planMER kunnen voor paardenhouderijen geen uitbreidingsmogelijkheden (geen uitbreiding aantal dierplaatsen) worden opgenomen; de bedrijven die in de huidige situatie alleen maar gericht zijn op de paardenhouderij zijn met de gewijzigde vaststelling als zodanig aangeduid (ph).

De bestemmingsomschrijvingen in artikel 3.1 , 4.1 en 5.1 worden hierop aangepast.

Gebiedsaanduidingen

De gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied 1', 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied 2', 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 1', 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 2', 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied 3', 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 1' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied 2' op de verbeelding komen te vervallen. In de regels komen deze gebiedsaanduidingen voor in de artikelen 3.4, 21.3, 21.5.2, 22.4 en 22.6.2.

De verwijzing naar de reconstructiewetzones wordt in deze artikelen geschrapt.

De gebieden in de verordening aangeduid als Beperkingen veehouderij worden aangeduid met de gebiedsaanduiding 'overige zone - beperkingen veehouderij 1' (voor zover de gebiedsaanduiding samenvalt met de bestemming Agrarisch) en 'overige zone - beperkingen veehouderij 2' (voor zover de gebiedsaanduiding samenvalt met de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1). Het gebied Beperkingen veehouderij komt nagenoeg overeen met de 'oude' extensiveringsgebieden, met uitzondering van een gebied in de omgeving van Vinkenberg/A58 en in de omgeving van de Zandstraat in Heukelom. In de bestemmingsomschrijving van de artikelen 3.1 en 4.1 wordt de gebiedsaanduiding opgenomen. Met de gewijzigde vaststelling is de begrenzing in de omgeving van de Zandstraat in Heukelom aangepast.

Drie bedrijven die op basis van de geactualiseerde inventarisatie een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - neventak intensieve veehouderij' hebben gekregen zijn tevens in het gebied Beperkingen veehouderij gelegen. Voor deze bedrijven is, conform de andere bedrijven met intensieve veehouderij in het gebied met Beperkingen veehouderij, de huidige oppervlakte in gebruik voor intensieve veehouderij vastgelegd in artikel 3.2.1 en 4.2.1.

Bouw- en ontwikkelingsmogelijkheden

Niet-intensieve veehouderij en intensieve veehouderij

Voor niet - intensieve veehouderijen en intensieve veehouderijen (hoofd- en neventakken) worden de regels zodanig aangepast dat de bestaande bebouwingsoppervlakte ten behoeve van de uitoefening van de veehouderij (in de ruime zin van het woord dus inclusief gebouwen die niet gebruikt worden voor de huisvesting van dieren maar wel noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de veehouderij) niet mag worden uitgebreid (artikel 3.2.1 en 4.2.1).

Evenmin is het toegestaan om bestaande bebouwing die nog niet voor de uitoefening van veehouderij of de huisvesting van dieren wordt gebruikt, als zodanig te gaan gebruiken (artikel 3.2.1 en 4.2.1).

Voor de uitbreiding van de bebouwingsoppervlakte of gebruikswijzigingen worden vervolgens afwijkingsbevoegdheden voor bouwen (artikel 3.3.2 en artikel 4.3.1) en afwijkingsbevoegdheden voor gebruik (artikel 3.5.5 en 4.5.5) opgenomen.

De voorwaarden in de afwijkingsbevoegdheden komen overeen met/zijn afgestemd op de voorwaarden uit de Verordening Ruimte 2014. Voor bedrijven met een neventak intensieve veehouderij, niet gelegen in het gebied Beperkingen veehouderij, zijn bij eventuele uitbreidingen niet alleen de voorwaarden uit de Verordening/BZV van toepassing maar geldt als extra voorwaarde dat de oppervlakte niet meer dan 1.000 m2 mag bedragen (vigerende regeling).

Ten behoeve van vollegrondsteelten of paardenhouderij als neventak geldt geen verbod op uitbreiding van de bebouwing. Voor uitbreiding van de neventak paardenhouderij is overigens wel het emissie-standstill van toepassing (aanvulling planMER en gewijzigde vaststelling).

De uitbreiding van bouwvlakken voor niet- intensieve veehouderijbedrijven of voor intensieve veehouderijbedrijven wordt mogelijk gemaakt met een wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.7.6 en 4.7.4). Daarbij is het ook mogelijk om van een neventak intensieve veehouderij - niet gelegen in het gebied Beperkingen veehouderij - door te groeien naar een hoofdtak intensieve veehouderij (overeenkomstig in moederplan opgenomen regeling in voormalige verwevingsgebieden).

De omschakeling van een burgerwoning naar een vollegrondsteeltbedrijf wordt geregeld in het aangepaste artikel 22.6.3.

De omschakeling van een intensieve veehouderij naar een niet - intensieve veehouderij is mogelijk met toepassing van de artikelen 3.3.2, 3.5.5 , 4.3.1 en 4.5.5 (afwijking voor bouwen en/of in gebruik nemen van gebouwen voor veehouderij) eventueel in combinatie met de bepalingen in de artikelen 3.7.7 en 4.7.5 (wijzigingsbevoegdheid voor verwijderen aanduidingen intensieve veehouderij of neventak intensieve veehouderij bij beëindiging intensieve veehouderijactiviteiten).

Voor alle wijzigingsbevoegdheden geldt dat de opgenomen voorwaarden afgestemd zijn op de Verordening Ruimte.

Na toepassing van de wijzigingsbevoegdheden gelden voor de aangepaste bouwvlakken de bouw- en gebruikregels en afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot de bestaande bebouwing zoals hiervoor beschreven.

De omschakeling van een intensieve veehouderij of een niet - intensieve veehouderij naar een paardenhouderij is mogelijk. Hieraan zijn op grond van de verordening geen specifieke eisen gesteld: de regels met betrekking tot ammoniakemissie zijn wel van toepassing (artikel 3.4 onder o en artikel 4.4 onder n).

Een nieuwe begripsbepaling is toegevoegd voor zorgvuldige veehouderij (artikel 1.89).

(Vollegronds)teeltbedrijven

Uitbreiding van bebouwing voor vollegrondsteeltbedrijven is rechtstreeks mogelijk binnen het bouwvlak. In de herziening worden opnieuw wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de uitbreiding van bouwvlakken voor vollegrondsteeltbedrijven (grondgebonden bedrijven). Deze wijzigingsbevoegdheden (artikel 3.7.3 en 4.7.3) komen overeen met de bevoegdheden die oorspronkelijk in het moederplan waren opgenomen.

De regels van artikel 3.3.1 worden aangevuld met de bepaling dat uitbreiding van het areaal teeltondersteunende kassen uitsluitend is toegestaan indien geen vrijkomende kassen in de omgeving gebruikt kunnen worden.

Glastuinbouw

Aan de vigerende regels in artikel 3.7.4 en 3.7.5 worden bepalingen toegevoegd met betrekking tot de continuïteit van het bedrijf, de omvang (gewijzigde vaststelling) en de vereiste zorgvuldige dialoog met de omgeving.

Paardenhouderijen

Uitbreiding van bebouwing voor paardenhouderijen is rechtstreeks mogelijk binnen het bouwvlak mits er geen uitbreiding plaatsvindt van het aantal dierplaatsen (zie aanvulling planMER) dan wel geen afbreuk wordt gedaan aan natuurwaarden (afwijking). In de herziening worden opnieuw wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de uitbreiding en vormverandering van bouwvlakken voor paardenhouderijen. Deze wijzigingsbevoegdheden (artikel 3.7.9 en 4.7.8) komen overeen met de bevoegdheden die oorspronkelijk in het moederplan waren opgenomen.

Overig

In de begripsbepaling 1.10 wordt mestbewerking uitgesloten; deze worden niet langer aangemerkt als een agrarisch hulp- en nevenbedrijf. Voor mestbewerking is een nieuwe begripsbepaling opgenomen (artikel 1.63).

In het moederplan zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen voor de vergroting van bouwvlakken tot een omvang van meer dan 1,5 ha mits de uitbreiding noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan wettelijke eisen voor dierenwelzijn en - huisvesting. Toepassing van de bevoegdheden was toegestaan tot 1 januari 2013. Deze datum is ondertussen verstreken en voor het overige is de bepaling niet meer in overeenstemming met het provinciale en gemeentelijke beleid. Deze artikelen komen te vervallen (artikel 3.7.9 en 4.7.6 zoals opgenomen in het moederplan).

5.2 Natuur en landschap

In de verordening zijn, binnen de plangrenzen van Oisterwijk Buitengebied besluitgebieden opgenomen voor de ecologische hoofdstructuur, de ecologische verbindingszones, het attentiegebied ecologische hoofdstructuur, het behoud en herstel van watersystemen en de Groenblauwe mantel. Voor deze besluitgebieden zijn in de verordening regels opgenomen. De genoemde gebieden zijn ook in het bestemmingsplan Buitengebied van 29 juni 2011 opgenomen. Ten behoeve van de herziening wordt de begrenzing van de gebieden geactualiseerd en bezien of de regels van het bestemmingsplan naar aanleiding van de verordening aanpassing behoeven.

Ecologische hoofdstructuur

De ecologische hoofdstructuur is in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd tot Natuur, Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 2 of Tuin met de aanduiding 'ecologische waarde'. Inmiddels zijn gronden gelegen aan de Heiligenboom niet langer opgenomen in de ecologische hoofdstructuur. Een perceel aan de Logtsebaan is toegevoegd aan de ecologische hoofdstructuur.

De regels uit de Verordening Ruimte 2014 wijken voor de ecologisch hoofdstructuur, voor zover relevant voor de huidige regels in het bestemmingsplan, niet af van eerdere verordeningen. De regels van het bestemmingsplan behoeven op dit onderdeel geen aanpassing.

Ecologische verbindingszones

De ecologische verbindingszones zijn in het bestemmingsplan Buitengebied aangeduid met de functieaanduiding 'ecologische verbindingszone'. Gronden grenzend aan de Reusel, ten noorden van de kern Moergestel, zijn niet langer aangewezen als ecologische verbindingszone, de aanduiding (evz) vervalt ter plaatse.

De regels uit de Verordening Ruimte 2014 wijken voor de ecologische verbindingszones, voor zover relevant voor de huidige regels in het bestemmingsplan, niet af van eerdere verordeningen. De regels van het bestemmingsplan behoeven geen aanpassing op dit onderdeel.

Attentiegebied ecologisch hoofdstructuur

Het attentiegebied ecologisch hoofdstructuur is in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd met een dubbelbestemming tot Waarde - Natuur - Attentiegebied. De begrenzing komt voor een deelgebiedje ten zuiden van de Hertegangsweg niet overeen met de Verordening; de begrenzing wordt aangepast.

De regels uit de Verordening Ruimte 2014 wijken voor het attentiegebied ecologisch hoofdstructuur, voor zover relevant voor de huidige regels in het bestemmingsplan, niet af van eerdere verordeningen. De regels van het bestemmingsplan behoeven op dit onderdeel geen aanpassing.

Gebied voor behoud en herstel van watersystemen

Het gebied voor behoud en herstel van watersystemen is in het bestemmingsplan Buitengebied aangeduid met de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel'. De begrenzing uit de Verordening 2011 wijkt niet af van de begrenzing uit de Verordening 2014 zodat de begrenzing van de functieaanduiding 'specifieke vorm van water - beekherstel' niet wordt aangepast.

De regels uit de Verordening Ruimte 2014 wijken voor het gebied voor behoud en herstel van watersystemen niet af van eerdere verordeningen. De regels van het bestemmingsplan behoeven geen aanpassing op dit onderdeel.

Groenblauwe mantel

De Groenblauwe mantel is in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd tot Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1. Een deelgebiedje aan de Floraweg is niet langer aangewezen als Groenblauwe mantel; de bestemming wordt gewijzigd in Agrarisch. Een deelgebiedje aan de Logtsebaan is aangewezen als ecologische hoofdstructuur (zie hiervoor); ook hier wordt de bestemming aangepast.

De regels uit de Verordening Ruimte 2014 wijken, voor wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden voor de veehouderij, in belangrijke mate af van eerdere verordeningen. Deze wijziging en de daarmee samenhangende aanpassingen in het kader van de herziening worden beschreven in paragraaf 5.1.

Voor het overige behoeven de regels van het bestemmingsplan geen aanpassing op dit onderdeel.

Herziening

De bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 voor een perceel aan de Logtsebaan wordt gewijzigd in Natuur (het perceel maakt onderdeel uit van het Inpassingsplan Beekse Bergen waarvoor verwezen wordt naar paragraaf 6.2).

De aanduiding 'ecologisch waarde' voor gronden met de bestemming Tuin aan de Heiligenboom wordt aangepast.

De aanduiding 'ecologisch verbindingszone' voor gronden grenzend aan de Reusel, ten noorden van Moergestel vervalt.

De dubbelbestemming Waarde - Natuur - Attentiegebied voor gronden aan de Hertegangsweg vervalt.

De bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 voor een perceel aan de Floraweg wordt gewijzigd in Agrarisch.

Voor de duidelijkheid wordt de complete, nieuwe begrenzing van de dubbelbestemming Waarde - Natuur - Attentiegebied, de aanduiding 'ecologische verbindingszone' en 'ecologische waarde' in de herziening opgenomen.

5.3 Water

In de verordening zijn binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan Buitengebied gebieden aangewezen voor regionale waterberging, reserveringsgebied waterberging, boringsvrije zone en gebieden voor het behoud en herstel van watersystemen. Voor deze besluitgebieden zijn in de verordening regels opgenomen. De genoemde gebieden zijn merendeels ook in het bestemmingsplan Buitengebied van 29 juni 2011 opgenomen. Ten behoeve van de herziening wordt de begrenzing van de gebieden geactualiseerd en bezien of de regels van het bestemmingsplan naar aanleiding van de verordening aanpassing behoeven.

Regionale waterberging

De regionale waterbergingen zijn in het bestemmingsplan Buitengebied aangeduid met de functieaanduiding 'waterberging'. De begrenzing zoals opgenomen in de verordening wijkt af van de begrenzing in het bestemmingsplan (extra gebiedjes aangewezen langs de Voorste Stroom en Reusel, gebiedje langs de Reusel is vervallen). De begrenzing wordt aangepast.

De regels voor de aanduiding 'waterberging' komen overeen met de regels uit de Verordening Ruimte 2014. De regels worden niet aangepast.

Reserveringsgebied waterberging

De reserveringsgebieden voor waterberging zijn in het bestemmingsplan Buitengebied niet met een specifieke aanduiding of bestemming opgenomen. Binnen deze reserveringsgebieden werden in het bestemmingsplan geen stedelijke ontwikkelingen, hervestiging van of omschakeling naar intensieve veehouderij, nieuwvestiging van of omschakeling naar een glastuinbouwbedrijf, nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf of vestiging of uitbreiding van een complex van recreatiewoningen voorzien waardoor opname in het plan niet noodzakelijk was.

Op basis van de Verordening Ruimte 2014 dient voor elke ruimtelijke ontwikkeling (bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten waarvoor een wijziging van het planologische regime nodig is of waarvoor op grond van de Wabo of het Bro een omgevingsvergunning is vereist) in de toelichting een verantwoording gegeven te worden over de wijze waarop de geschiktheid van het gebied voor waterberging behouden blijft.

In het gebied aangeduid als reserveringsgebied waterberging worden geen grootschalige recreatieve of stedelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven is niet mogelijk en er komen, binnen het reserveringsgebied, slechts twee agrarische bouwvlakken voor die geheel binnen het reserveringsgebied zijn gelegen (vier bouwvlakken zijn voor een klein gedeelte in het reserveringsgebied gelegen). De mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zijn daarmee beperkt en leiden niet tot een afbreuk aan de geschiktheid van het gebied voor waterberging. De verbeelding en de regels van het bestemmingsplan behoeven geen aanpassing.

Boringsvrije zone

De boringsvrije zones in het plangebied zijn niet apart aangeduid. De regels in de Verordening Ruimte 2014 wijken niet af van de Verordening Ruimte 2012 die in het bestemmingsplan is vertaald.

Er is geen aanleiding om het bestemmingsplan op dit onderdeel te herzien.

Gebied voor behoud en herstel van watersystemen

Zie hiervoor hetgeen is beschreven in paragraaf 5.2.

Herziening

De begrenzing van de aanduiding 'waterberging' wordt aangepast. Voor de duidelijkheid worden alle gebieden met de aanduiding 'waterberging' in de herziening opgenomen.

5.4 Cultuurhistorie

In de verordening zijn binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan Buitengebied gebieden aangewezen als aardkundig waardevol, als cultuurhistorisch vlak of als complex van cultuurhistorisch belang. Voor deze besluitgebieden zijn in de verordening regels opgenomen. De genoemde gebieden zijn merendeels ook in het bestemmingsplan Buitengebied van 29 juni 2011 opgenomen. Ten behoeve van de herziening wordt de begrenzing van de gebieden geactualiseerd en bezien of de regels van het bestemmingsplan naar aanleiding van de verordening aanpassing behoeven.

Aardkundig waardevol gebied

Het gebied met aardkundige waarden is in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd tot Waarde - Geomorfologie. De begrenzing in het bestemmingsplan komt geheel overeen met de begrenzing in de verordening en behoeft geen aanpassing.

De regels voor de dubbelbestemming Waarde - Geomorfologie komen overeen met de regels uit de Verordening Ruimte 2014. De regels behoeven niet te worden aangepast.

Cultuurhistorisch vlak

De cultuurhistorische waardevolle vlakken uit de verordening zijn in het bestemmingsplan Buitengebied bestemd tot Natuur, Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 1 of Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie - 2. De begrenzing in het bestemmingsplan komt nagenoeg geheel overeen met de begrenzing in de verordening en behoeft geen aanpassing.

Met de bestemmingsomschrijvingen en verdere bepalingen van deze bestemmingen worden de cultuurhistorische waarden veilig gesteld. De regels behoeven op dit onderdeel niet te worden aangepast.

Complex van cultuurhistorisch belang

In voorgaande verordeningen waren geen complexen van cultuurhistorisch belang opgenomen. In het buitengebied van Oisterwijk betreft het landgoed Hooge Braaken (Stokeind 14/15) en landgoed Maria Hoeve (Oisterwijkseweg 75). In de verordening wordt voor deze complexen bepaald dat een bestemmingsplan mag voorzien in een verruiming van bouw- en gebruiksmogelijkheden, mits de beoogde ruimtelijke ontwikkeling een bijdrage levert aan het behoud of het herstel van het cultuurhistorisch karakter van het complex.

Landgoed Maria Hoeve is een gemeentelijk monument en als zodanig in het bestemmingsplan aangemerkt. Landgoed Hooge Braaken is in het bestemmingsplan aangemerkt als cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Landgoed Maria Hoeve is bestemd tot Wonen - 1, Tuin en Natuur. Landgoed Hooge Braaken is bestemd voor Wonen - 1 en Natuur. Voor beide percelen kan, op de gronden met de bestemming Wonen - 1, het aantal wooneenheden worden uitgebreid, mits het karakter van het pand in stand blijft. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de verordening; aanpassing is niet nodig.

Herziening

Dit onderdeel leidt niet tot aanpassingen.

5.5 Bevordering van ruimtelijke kwaliteit

Het moederplan Buitengebied bevat de nodige regels met betrekking tot landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied in 2011 was het, op basis van de overgangsbepalingen, nog niet noodzakelijk dat deze regels onverkort overeen kwamen met de bepalingen van artikel 2.1 en 2.2 van de Verordening Ruimte 2011.

In artikel 2.2 van de Verordening ruimte 2011 heeft de provincie de verplichting voor gemeenten opgenomen om een kwaliteitsbeleid voor het landschap te voeren. Dit principe omvat kort samengevat dat er ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden mogen worden geboden, mits deze gepaard gaan met maatregelen die de kwaliteit van landschap, bodem, water, natuur, of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied versterken.

Om de invoering van dit principe en de uitvoerbaarheid ervan te ondersteunen heeft de provincie de Handreiking kwaliteitsverbetering van het landschap opgesteld. Deze Handreiking is een hulpmiddel aan de gemeenten om invulling te geven aan artikel 2.2. In het regionaal ruimtelijk overleg tussen gemeenten en provincie (RRO) van 19 mei 2011, hebben de gemeenten in de regio Hart van Brabant met de provincie afgesproken om te komen tot nadere afspraken over de toepassing van de verplichting tot kwaliteitsverbetering van het landschap in de praktijk. Deze afspraken zijn vervat in het document 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' (versie 19 september 2013).

In de vastgestelde Verordening Ruimte 2014 is in hoofdstuk 2 een vergelijkbaar artikel opgenomen dat ziet op kwaliteitsverbetering van het landschap (artikel 3.2). De afspraken uit het document 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' zijn daarmee nog actueel en worden verwerkt in de herziening.

Rekening houdend met de impact op de omgeving worden in het document 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant' (versie 19 september 2013) drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen (met de bijbehorende kwaliteitsverbetering) onderscheiden:

Categorie 1: geen tegenprestatie

Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen die:

  • niet onder de werking van de Verordening Ruimte vallen (zoals ruimtelijke ontwikkelingen die rechtstreeks in een bestemmingsplan worden toegestaan);
  • ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk gezien zeer gewenst zijn of tot doel hebben een kwaliteitsverbetering te leveren;
  • een zeer beperkte invloed hebben zoals vergrotingen van woonbestemmingsvlakken tot 1.500 m2, vergroting van de inhoud van (bedrijfs)woningen tot 750 m3, vergroting oppervlakte aan bijgebouwen bij burgerwoningen tot maximaal 100 m2, oprichting van aan huis gebonden beroepen/bedrijven, bed&breakfast en kleinschalige recreatieve nevenactiviteiten in bestaande gebouwen, nevenactiviteiten binnen bestaande bebouwing, verkoop van eigen producten, oprichting van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en functieverandering naar Wonen (mits het bestemmingsvlak minimaal 70% wordt verkleind).

Categorie 2: de basisinspanning

Dit betreft kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen waarbij, meer dan voorheen gebruikelijk was, een goede landschappelijke inpassing worden vereist. Daarmee wordt beoogd het initiatief in samenhang met de al bestaande situatie en rekening houdend met de kwaliteiten van de omgeving, landschappelijk verantwoord in te passen. Daardoor moet de kwaliteit van het landschap verbeteren. Het gaat hierbij vooral om ontwikkelingen die een relatief beperkte invloed op de omgeving hebben en (traditioneel) als passend binnen en eigen aan het landelijk gebied worden beschouwd. Enkele voorbeelden zijn onder meer vormverandering van agrarische bouwvlakken, uitbreiding van agrarische bouwvlakken tot 1,5 ha (respectievelijk 1 ha voorzover gelegen in de Groenblauwe mantel), aanleg van minicampings en paardenbakken, omschakeling van agrarische bedrijfsvorm, nevenactiviteiten buiten bestaande bebouwing, een bebouwingstoename van niet-agrarische functies binnen het bestemmingsvlak van 15% respectievelijk 25% (voor agrarisch verwante bedrijven)) en functieverandering naar Wonen (mits het bestemmingsvlak met minimaal 60% wordt verkleind).

Aan deze vorm van kwaliteitsverbetering worden geen kwantitatieve normen gekoppeld waaraan voldaan moet worden, maar worden enkele kwalitatieve eisen gesteld. De landschappelijke inpassing van het bestemmingsvlak/bouwvlak wordt gerealiseerd op basis van een door een deskundige instantie (hovenier, tuin-/landschapsarchitect, bureau voor ontwerp en aanleg van groenvoorzieningen) opgesteld erfbeplantingplan/ landschapinpassingsplan, waaruit duidelijk blijkt hoe en met welke (natuur- en landschap)elementen de landschappelijke inrichting wordt vormgegeven. Middels een anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer kan de realisatie van het inpassingplan financieel, juridisch en feitelijk verzekerd worden. Duurzame instandhouding, beheer en onderhoud van de landschappelijke inpassing vormen ook aspecten die in de anterieure overeenkomst kunnen worden vastgelegd. Naast of in de plaats van een anterieure overeenkomst is het mogelijk een regeling in het bestemmingsplan op te nemen.

Categorie 3: de basisinspanning-plus

Dit betreft ruimtelijke ontwikkelingen waarop de regels inzake kwaliteitsverbetering van toepassing zijn en waarbij sprake is van een (substantiële) invloed op het landschap (zowel landschappelijke inpassing als ruimtelijke kwaliteitsverbetering vereist).
De inspanning die verricht moet worden ten behoeve van kwaliteitsverbetering van het landschap kan relatief eenvoudig kwantitatief genormeerd worden, omdat het mogelijk is deze ontwikkeling te koppelen aan waardevermeerdering van de grond of van het object (“de bestemmingswinst”). Dit betreft veelal ontwikkelingen die een beduidende invloed hebben op de omgeving en waarbij vergroting van de geldende bouwmassa/-oppervlakte, vergroting van het geldende bestemmingsvlak en/of bestemmingswijziging aan de orde is. De 'spelregels' waarmee de tegenprestatie kwantitatief wordt bepaald, zijn in regionaal verband (het RRO Hart van Brabant) nader uitgewerkt. Er is gekozen voor een instrument waarbij de waardevermeerdering van de ruimtelijke ontwikkeling wordt bepaald op basis van stijging in grondprijs. 20% van de toename van de grondwaarde moet geïnvesteerd worden in het landschap. Deze grondwaarden dienen ieder jaar per gemeente te worden bepaald. Indien bij een ruimtelijke ontwikkeling de volgens deze normbedragen berekende minimale basisinspanning minder dan €1.000, - bedraagt, wordt deze ontwikkeling overigens onder categorie 2 geschaard.

Het betreft ondermeer vergroting van agrarische bouwvlakken in de Groenblauwe mantel boven de 1 ha, de vergrotingen van bebouwingsoppervlakten bij niet-agrarische bedrijven, alsmede functieveranderingen van voormalig agrarische bedrijven naar een niet-agrarisch bedrijf of sport bestemming. Daarnaast betreft het ontwikkelingen die niet binnen het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, niet bij recht en ook niet via een binnenplanse procedure. Dit betekent dat dergelijke initiatieven een maatwerkbeoordeling vereisen in het kader van een buitenplanse procedure.

Vertaling

De regels voor landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteitswinst zoals deze opgenomen zijn in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden het moederplan worden afgestemd op de 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant'. De huidige werkafspraken, vervat in het document van 19 september 2013, kunnen binnen de plantermijn veranderen, bijvoorbeeld naar aanleiding van een wijziging in de VR of door beleidswijzigingen in de regio 'Hart van Brabant'.

In de regels wordt opgenomen dat, indien deze werkafspraken in de loop der tijd zijn aangepast, bij de toetsing van een ontvankelijke aanvraag voor toepassing van de afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid getoetst wordt aan de werkafspraken zoals deze op dat moment gelden.

Herziening

De regels voor landschappelijke inpassing, ruimtelijke kwaliteitswinst en privaatrechtelijke overeenkomsten zoals opgenomen in het moederplan worden in principe ingetrokken en vervangen door de bepaling dat vastgelegd en voldaan moet worden aan de 'Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant'. Daarbij wordt te zijner tijd getoetst aan de werkafspraken zoals deze gelden op het moment van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.

Deze wijziging heeft betrekking op de regels in artikel 3.3.1, 3.5.2, 3.5.3, 3.5.4, 3.7.1, 3.7.2, 3.7.3, 3.7.4, 3.7.5, 3.7.6, 4.5.2, 4.5.3, 4.5.4, 4.7.1, 4.7.2, 4.7.3, 4.7.4, 6.3, 8.3, 9.3, 21.4.2, 22.5.2, 22.5.3 en 22.6.3.

Hoofdstuk 6 Initiatieven

6.1 Initiatieven; niet afgeronde procedures

In deze correctieve herziening wordt een (beperkt) aantal uitbreidingen en aanpassingen van bouwvlakken opgenomen. Dit zijn ontwikkelingen die al liepen op basis van het oorspronkelijke bestemmingsplan Buitengebied en die door de uitspraak van de Raad van State niet (verder) konden worden opgepakt of afgerond. Onderstaand worden deze kort toegelicht. De bijbehorende onderbouwingen (inclusief de toets aan de Verordening Ruimte, BZV en zorgvuldige dialoog) of onderliggende stukken zijn als afzonderlijke bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd.

Broekzijde 14, Moergestel

Dit betreft een uitbreiding van een teeltbedrijf. De wens is om het bouwvlak vergroten tot circa 0,5 ha en om een containerveld aan te leggen (overeenkomstig de (door de provincie verplichte) systematiek van het plan wordt het containerveld ook voorzien van een bouwvlak; dit gedeelte van het bouwvlak kan echter niet worden bebouwd). Voor dit initiatief is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, die als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. In de ruimtelijke onderbouwing komen onder andere de haalbaarheid van het initiatief, de gevolgen voor de waterhuishouding en de beoogde landschappelijke inpassing aan de orde. Op basis van de ruimtelijke onderbouwing wordt het initiatief beoordeeld als passend uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het containerveld is aangeduid als 'specifieke vorm van agrarisch - permanente teeltondersteunende voorzieningen'. Bij de gewijzigde vaststelling is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing veilig te stellen.

Driehuizerweg 5

Aan de Driehuizerweg 5 is een intensieve veehouderij gevestigd (varkens) en wordt tevens melkvee gehouden. De wens is om het bouwvlak te vergroten naar 1,41 hectare ten behoeve van de uitbreiding van de huisvesting van het melkvee en de varkens. Voor dit verzoek is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hieruit blijkt dat het verzoek doet aan de wijzigingsvoorwaarden die in het oorspronkelijke plan waren opgenomen voor vergrotingen van bouwvlakken. Daarnaast voldoet het aan de relevante (milieu-)aspecten. Zo neemt de stikstofdepositie binnen Natura 2000 bijvoorbeeld niet toe. Op basis van de ruimtelijke onderbouwing wordt het initiatief beoordeeld als passend uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening: de gewenste vergroting is opgenomen in het bestemmingsplan en de ruimtelijke onderbouwing wordt als (separate) bijlage 8 bij het bestemmingsplan gevoegd. Bij de gewijzigde vaststelling is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing veilig te stellen.

Driehuizerweg 6

De eigenaar van dit perceel had zijn varkenshouderij eerder in Sprang-Capelle. In verband met het rivierverruimingsproject Overdiepse Polder was er echter geen plaats meer voor zijn bedrijf in deze polder. Initiatiefnemer is, samen met de provincie Noord Brabant, op zoek gegaan naar een andere locatie. Uiteindelijk is hem, door de provincie, de locatie Driehuizerweg 6 te Moergestel toegewezen. Om zijn bedrijfsactiviteiten te kunnen voortzetten is de maximale bouwvlakgrootte van 1,5 hectare nodig. De oppervlakte van het huidige bouwvlak is 1,25 hectare. Uit de opgestelde ruimtelijke onderbouwing blijkt dat het plan voldoet aan alle voorwaarden. Op basis van de ruimtelijke onderbouwing wordt het initiatief beoordeeld als passend uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening: de gewenste vergroting is opgenomen in het bestemmingsplan en de ruimtelijke onderbouwing wordt als (separate) bijlage 9 bij het bestemmingsplan gevoegd. Bij de gewijzigde vaststelling is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing veilig te stellen.

Pijnendijk 6a

Dit is een varkenshouderij die wil uitbreiden tot 1,5 hectare. Voor dit verzoek is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Hieruit blijkt dat het verzoek voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden die in het oorspronkelijke plan waren opgenomen voor vergrotingen van bouwvlakken. Daarnaast voldoet het aan de relevante (milieu-)aspecten. Zo blijkt dat de emissies van ammoniak, geur en fijn stof afnemen ten opzichte van de vergunde situatie. Het initiatief is aanvaardbaar uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening en de gewenste vergroting is opgenomen in het bestemmingsplan. De ruimtelijke onderbouwing wordt als (separate) bijlage 10 bij het bestemmingsplan gevoegd. Bij de gewijzigde vaststelling is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing veilig te stellen.

Oliviersweg 9

Op basis van het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied 2011 heeft de eigenaar van het perceel Oliviersweg 9 een wijzigingsplan opgesteld om zijn glastuinbouwbedrijf uit te kunnen breiden.

Voor de uitbreiding tot 3 hectare kassen is op grond van het bestemmingsplan dat in 2011 is vastgesteld een wijzigingsprocedure gestart. Op basis van het wijzigingsplan en alle daarin opgenomen onderbouwingen en motivering is het initiatief door de gemeente beoordeeld als passend uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Het wijzigingsplan zou worden vastgesteld, maar dit werd doorkruist door de uitspraak van de Raad van State. Door de vernietiging van de agrarische bouwvlakken kon het wijzigingsplan niet worden vastgesteld. In het gestrande wijzigingsplan is uitvoerig ingegaan op zienswijzen en hebben nadere onderzoeken plaatsgevonden. Ten opzichte van het bestemmingsplan Buitengebied uit 2011 zijn er geen nieuwe ruimtelijke gronden die de uitbreiding tot 3 ha zoals voorzien in het wijzigingsplan alsnog onmogelijk maken. Op grond van de in gang gezette wijzigingsprocedure wordt deze ontwikkeling opgenomen in het ontwerp van de correctieve herziening.

Inmiddels is op basis van het hiervoor geldende bestemmingsplan Buitengebied 1998, deel Oisterwijk een wijzigingsplan vastgesteld op 7 januari 2014 voor de realisatie van 2 hectare glastuinbouw. Voor de uiteindelijk gewenste uitbreiding tot 3 hectare is een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend. Deze moet tevens beschouwd worden als een verzoek tot het nemen van een projectafwijkingsbesluit

Op grond van de in gang gezette wijzigingsprocedure voor uitbreiding tot 3 hectare glastuinbouw wordt deze ontwikkeling opgenomen in het ontwerp van de correctieve herziening. De onderliggende stukken worden als bijlage 11, 12, 13 en 14 bij het bestemmingsplan gevoegd. Bij de gewijzigde vaststelling zijn voorwaardelijke bepalingen opgenomen om de realisering en instandhouding van de waterberging en de afgesproken landschappelijke inpassing veilig te stellen. Ook zijn begrenzingen aangepast en is bepaald dat binnen het bouwvlak ten hoogste 3 ha kassen zijn toegestaan.

Spoordijk 6

Voor de uitbreiding van de varkenshouderij aan de Spoordijk 6 is op 6 juni 2013 een wijzigingsplan vastgesteld. Dit wijzigingsplan is opgesteld op basis van het in 2011 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied. Tegen het wijzigingsplan is beroep ingediend. Met de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Buitengebied is de wijzigingsbevoegdheid, waar bij dit wijzigingsplan gebruik van is gemaakt, komen te vervallen en daarmee ook het wijzigingsplan. Omdat het college vorig jaar heeft ingestemd met deze ontwikkeling, die in lijn is met ons bestemmingsplan buitengebied dat in 2011 is vastgesteld, wordt deze in het ontwerp van de correctieve herziening overgenomen. De begrenzing van het uitgebreide bouwvlak is overgenomen van het vastgestelde wijzigingsplan. Het wijzigingsplan en de daarbij behorende (beroep)stukken zijn als separate bijlage 15 bij dit plan gevoegd. Bij de gewijzigde vaststelling is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing veilig te stellen.

Donkhorst 8

Dit verzoek komt van een bedrijf dat een grondgebonden melkveebedrijf aan de Driehuizen 9 in Hilvarenbeek exploiteert. De initiatiefnemers hebben een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend. Deze moet tevens beschouwd worden als een verzoek voor een projectafwijkingsbesluit. Het bedoelde bedrijf is aangekocht door de provincie Noord-Brabant voor natuurontwikkeling en dient dan ook te verdwijnen van de huidige locatie. De eigenaar heeft de locatie Donkhorst 8 te Moergestel aangekocht. Het doel is om op deze locatie het melkveebedrijf voort te zetten, waarbij een uitbreiding tot 1,5 hectare nodig is. Op basis van het in juni 2011 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied is er een wijzigingsplan opgesteld, echter door de vernietiging van het bestemmingsplan is het wijzigingsplan niet meer in procedure gebracht. Voor dit initiatief is in het kader van het projectafwijkingsbesluit een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. In de ruimtelijke onderbouwing komen onder andere de haalbaarheid van het initiatief, de gevolgen voor de waterhuishouding en de beoogde landschappelijke inpassing aan de orde.

Op basis van de ruimtelijke onderbouwing wordt het initiatief beoordeeld als passend uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. De gewenste uitbreiding wordt daarom opgenomen in het ontwerp van de correctieve herziening. De ruimtelijke onderbouwing wordt als bijlage 16 bij het bestemmingsplan gevoegd. Bij de gewijzigde vaststelling is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de realisering en instandhouding van de landschappelijke inpassing veilig te stellen.

Herziening

Voor de zeven genoemde percelen worden aangepaste bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding opgenomen.

6.2 Initiatieven; ontwerp bestemmingsplannen

Gedurende de afgelopen jaren is een aantal andere procedures gevoerd. Deze procedures zijn deels al afgerond of deels bijna afgerond. Voor enkele van deze ontwikkelingen zijn bestemmingsplannen opgesteld. Deze percelen worden buiten de begrenzing van de correctieve herziening gelaten om te voorkomen dat de herziening van het Buitengebied de opgestelde bestemmingsplannen zal 'overschrijven'. Het betreft de volgende percelen:

  • Servennestraat ongenummerd: voor de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij wordt een aparte bestemmingsplanprocedure doorlopen;
  • Vinkenberg: bestemmingsplan voor de realisatie van 8 ruimte voor ruimte woningen: vastgesteld 25 september 2014;
  • Rosepdreef 6: voor de wijziging van de agrarische bestemming naar de bestemming Wonen is op 13 maart 2014 een bestemmingsplan vastgesteld;
  • Kollenburgsebaan 11/11a: bestemmingsplan voor een landschapscamping: op 5 augustus 2014 is een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

Voorts is er een inpassingsplan gemaakt door de provincie Noord-Brabant voor de uitbreiding van recreatiepark Beekse Bergen waarbij aan gronden in de omgeving van de Langedonksedijk de bestemming Natuur - 2 is toegekend ten behoeve van natuurcompensatie. Het is de bedoeling dat dergelijke inpassingsplannen bij de (eerstvolgende) herziening van een bestemmingsplan worden meegenomen. Aan de gronden is, overeenkomstig de systematiek van het moederplan Buitengebied de bestemming Natuur toegekend en is tevens de aangepaste dubbelbestemming Waarde – Natuur – Attentiegebied van toepassing (zie paragraaf 5.2). De gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied' en 'wro- zone - ontheffingsgebied 6.1' worden ingetrokken (zie paragraaf 5.1).

Herziening

De vier genoemde plandelen worden buiten de begrenzing van de correctieve herziening gelaten. Het inpassingsplan wordt, voor zover gelegen binnen de gemeentegrenzen van Oisterwijk, overgenomen overeenkomstig de systematiek van het bestemmingsplan Buitengebied.

Hoofdstuk 7 Overige aanpassingen

7.1 Aanpassingen verbeelding

Heisteeg

De plangrens bij de Heisteeg 28 doorsnijdt woonpercelen die als gevolg daarvan te maken hebben met twee verschillende juridisch-planologische regimes (Buitengebied en Woongebieden). Deze situatie is niet praktisch werkbaar en de percelen worden met deze herziening buiten het plangebied van het bestemmingsplan Buitengebied gebracht.

Bestemmingsplannen Woongebieden Oisterwijk, Bedrijventerrein Oisterwijk, Reuselhoeve Moergestel en Kom Moergestel

De bestemmingsplannen Woongebieden Oisterwijk, Bedrijventerrein Oisterwijk, Reuselhoeve Moergestel en Kom Moergestel zijn vastgesteld na de vaststelling van het moederplan Buitengebied. Er is een controle uitgevoerd op het aansluiten van de plangrenzen van deze plangebieden op plan Buitengebied. De achtertuinen aan de Gaspeldoornstraat in Oisterwijk zijn opgenomen in het bestemmingsplan Woongebieden Oisterwijk. De plangrens van het Buitengebied wordt ter plaatse van de Gaspeldoornstraat aangepast. Het bestemmingsplan Reuselhoeve vervangt delen van het plan Buitengebied; deze percelen worden buiten de begrenzing van de correctieve herziening gelaten.

Hoevenseweg/Laag Heukelomseweg

Ter plaatse van de percelen H.00646 en H.00647 op de hoek Hoevenseweg / Laag Heukelomseweg is geen sprake meer van landbouwgronden: de percelen zijn voor ingericht als natuurgebied en worden bestemd tot Natuur.

Heusdensebaan 93

Het agrarische bouwvlak aan de Heusdensebaan is als gevolg van de uitspraak van de Raad van State vernietigd. Bij nader inzien blijkt ter plaatse geen agrarisch bedrijf te zijn gevestigd. In het voorheen geldende bestemmingsplan is het perceel bestemd tot wonen. Aan het perceel wordt bij de herziening de bestemming Wonen - 1 toegekend alsmede de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 4.

Hoevenseweg 2a/4

Ter plaatse van de Hoevenseweg 2a en 4 is de situatie niet conform het huidige gebruik bestemd. Er wordt een agrarisch bouwvlak opgenomen en een bestemming Wonen - 2.

Molenbaan, Oisterwijk

Aan de Molenbaan ongenummerd is een intensieve veehouderij gevestigd die abusievelijk geen aanduiding bouwvlak heeft gekregen. Voor de aanwezige bebouwing wordt alsnog een bouwvlak opgenomen, en de aanduidingen 'intensieve veehouderij' en 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij'.

Oirschotsebaan 23 en 75

In het vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied van juni 2011 is de 'specifieke bouwaanduiding - 10' abusievelijk opgenomen op het bouwvlak Oirschotsebaan 75. De aanduiding zou van toepassing moeten zijn voor het bouwvlak Oirschotsebaan 23. Met de herziening wordt dit deze omissie hersteld.

Buisleidingstroken

Met de vaststelling van de Structuurvisie Buisleidingen op 12 oktober 2012 zijn er twee relevante wijzigingen voor Oisterwijk met betrekking tot buisleidingstroken doorgevoerd:

  • het tracé van de buisleidingenstrook in de omgeving van de Oliviersweg is aangepast;
  • er zijn nieuwe tracés opgenomen voor buisleidingenstroken in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied.

Het zonder meer bestemmen van de aangepaste en nieuwe buisleidingstroken is niet mogelijk omdat daarvoor een planMER moet worden opgesteld. Het opstellen van een dergelijk planMER valt buiten de kaders van deze correctieve herziening.

Vanwege de verwachte aanpassing van het Barro (ontwerp wijziging; deze zal medio 2014 in werking treden) is het ook niet nodig: er wordt vanuit het Rijk alleen geëist dat de strook voor toekomstige leidingen gevrijwaard blijft van ontwikkelingen die mogelijk toekomstige leidingen kunnen frustreren.

Het huidige bestemmingsplan voldoet hieraan zodat opname in de correctieve herziening niet nodig is.

7.2 Aanpassing regels

Artikel 1.18: begripsbepaling bestaande maten

In artikel 1.18 is een verwijzing opgenomen naar de Woningwet: dit is niet meer actueel gelet op de inwerkingtreding van de Wabo. Verder blijkt dat initiatiefnemers deze bepaling op een onbedoelde wijze uitleggen: zij rekenen tot de bestaande maten ook alle vergunningvrije bouwwerken die tot stand kunnen komen maar er feitelijk niet zijn. Dit is niet juist: het artikel bestaande maten heeft betrekking op bouwwerken die op het moment van inwerkingtreding van het plan aanwezig zijn of waarvoor al een omgevingsvergunning voor bouwen is afgegeven maar die nog niet zijn gebouwd. De begripsbepaling wordt aangepast.

Artikel 1.69: overkappingen

Deze begripsbepaling gaat er ten onrechte van uit dat er alleen sprake is van een overkapping bij een geheel gesloten dak. Ook bij een nagenoeg gesloten dak is sprake van een overkapping: de begripsbepaling is aangepast.

Artikel 3 en 4: tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen

Artikel 3.2.1 onder h en artikel 4.2.1 onder i wekken de indruk dat op gronden die gebruikt mogen worden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen, tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen en bijbehorende verharde paden niet zouden zijn toegestaan. Dit is niet de bedoeling en artikel 3.2.1 onder h en artikel 4.2.1 onder i worden aangepast met de toevoeging 'bijbehorende verharde paden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen,'.

Artikel 3 en 4: nevenfuncties

Bij toepassing van de regels voor het uitoefenen van nevenfuncties bij agrarische bedrijven wordt een begripsbepaling voor hoofd- en nevenfunctie gemist. Deze begripsbepalingen zijn toegevoegd in artikel 1.49 en 1.67.

Artikel 6, 8 en 9: uitbreiding bebouwing

Deze artikelen bevatten een afwijkingsbevoegdheid voor de uitbreiding van de bebouwing. De toevoeging 'groter' in de aanhef wekt de suggestie dat uitsluitend de bestaande bebouwing mag worden vergroot terwijl ook de oprichting van nieuwe gebouwen, mits binnen de toelaatbare maximale oppervlakte, is toegestaan. De toevoeging 'groter' wordt geschrapt.

Artikel 6.5.1: mantelzorg

In de aanhef van artikel 6.5.1, mantelzorg, wordt ten onrechte verwezen naar artikel 6.4, sub e. De correcte verwijzing is naar sub f van artikel 6.4.

Artikel 14: recreatiewoningen

In het bestemmingsartikel voor recreatiewoningen is opgenomen dat deze recreatiewoningen en bijbehorende bijgebouwen niet vergroot mogen worden. De bestaande inhoud/oppervlakte moet dus aangehouden worden. Dit betekent dat een vergroting door ondergronds te bouwen evenmin is toegestaan. Om misverstanden hieromtrent te voorkomen wordt de bepaling in artikel 14.2.1 onder b aangevuld met de zinsnede 'ook niet door beneden peil te bouwen'.

Artikel 21 en 22: nevenactiviteiten bij woningen

Bij het gebruik van bestaande bebouwing voor nevenfuncties bij de bestemming Wonen - 1 of Wonen - 2 is een bepaald aantal m² van de bestaande bebouwing als maximum opgenomen. Aangezien er bestemmingsvlakken aanwezig zijn waar meer dan één woning is toegestaan, wordt de regeling bij nader inzien gekoppeld aan een bouwperceel in plaats van aan het bestemmingsvlak. Dit betreft een aanpassing van de artikelen 21.3, 21.4.2, 22.4 en 22.5.2.

Artikel 21 en 22: woningen per bouwperceel

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State wordt in de artikelen 21.2 en 22.2 opgenomen dat uitsluitend één woning per bouwperceel is toegestaan. Dit is relevant in de situaties waarbij er binnen een bestemmingsvlak meerdere woningen zijn toegestaan.

Artikel 21 en 22: nevenfuncties

Bij toepassing van de regels voor het uitoefenen van nevenfuncties bij woningen wordt een begripsbepaling voor hoofd- en nevenfunctie gemist. Deze begripsbepalingen zijn toegevoegd in artikel 1.49 en 1.67.

Artikel 23, 24 en 27: nafta- en gasleidingen

Artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) biedt de mogelijkheid om een afwijkingsbevoegdheid op te nemen voor bouwen binnen de belemmerende strook van nafta- en gasleidingen. In de regels wordt een afwijkingsbevoegdheid voor bouwen opgenomen met dien verstande dat de bouw van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten niet wordt toegestaan. De aanpassing is toegevoegd in artikel 23.3, 24.3 en 27.3.

Artikel 28 en 29: riool- en waterleidingen

Vergelijkbaar met de aanpassing in eerder genoemde artikelen voor gas- en naftaleidingen wordt bij riool- en waterleidingen de mogelijkheid opgenomen om met afwijking te bouwen ten behoeve van de onderliggende bestemmingen. Het betreft een toevoeging van de artikelen 28.3 en 29.3.

Artikel 30 t/m 33: archeologie

Het vastgestelde archeologiebeleid van de gemeente bepaalt dat het uitvoeren van werken en werkzaamheden uitsluitend vergunningplichtig is indien de bodem op een diepte van meer dan 50 cm wordt verstoord. Dit komt onvoldoende tot uiting in de leden a, b en e van de artikelen 30.3.1, 31.3.1, 32.3.1 en 33.3.1. Aan deze leden wordt de zinsnede toegevoegd:'en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 50 cm'.

Artikel 39: algemene bouwregels

In het artikel 'Algemene bouwregels' ontbreken regels voor het ondergronds of beneden peil bouwen, zoals die in diverse andere Oisterwijkse bestemmingsplannen wel zijn opgenomen. Uitgangspunt van de regeling is dat onder gebouwen in principe gebouwen tot een diepte van 3 m beneden peil gebouwd mogen worden. Ondergronds bouwen, buiten de contouren van de aanwezige bebouwing, is mogelijk maar deze ondergrondse oppervlakte of inhoud wordt dan meegeteld bij de bepaling van de maximaal toelaatbare inhoud of oppervlakte. Bij recreatiewoningen blijft het ondergronds bouwen uitgesloten omdat hier vergroting niet is toegestaan. In samenhang met de regels voor ondergronds bouwen wordt het artikel Wijze van meten aangevuld met een bepaling om de diepte bij ondergronds bouwen te meten (artikel 2.10). Voor ondergrondse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat deze uitsluitend - indien passend binnen de bestemming - zijn toegestaan op bouw- of bestemmingsvlakken waar gebouwen zijn toegestaan.

In het artikel ontbreekt tevens de mogelijkheid om af te wijken van de bepaling dat herbouw van bestaande afwijkende gebouwen uitsluitend op de huidige locatie is toegestaan. Ook deze bepaling is in diverse andere, recente Oisterwijkse bestemmingsplannen opgenomen en wordt bij de herziening toegevoegd in artikel 39.2.1.

Diverse artikelen: omvang aangebouwde overkappingen

Naar aanleiding van bouwinitiatieven met grote aangebouwde overkappingen bij woningen is geconstateerd dat de bestemmingsplanregeling ten onrechte geen maximale maat bevat voor dergelijke overkappingen. Voor (bedrijfs)woningen is een maximale inhoudsmaat opgenomen, maar bij overkappingen kan, door het ontbreken van wanden, geen bepaling van de inhoud plaatsvinden. De diepte van aangebouwde overkappingen mag aan de voorzijde en aan de zijgevel ten hoogste 2 m bedragen. Aan de achterzijde mogen overkappingen met een diepte van 4 m gerealiseerd worden. Het betreft een aanpassing van de artikelleden 3.2.1, 4.2.1, 6.2.1, 8.2.1, 9.2.1, 11.2.1, 13.2.1, 14.2.1, 15.2.1, 21.2 en 22.2. In deze artikelen is ook een duidelijker onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen met aangebouwde overkappingen en bijgebouwen met aangebouwde of vrijstaande overkappingen. In artikel 15.2.1 is tevens een ontbrekende regeling voor het overschrijden van de goot- en bouwhoogte bij dakkapellen opgenomen.

Diverse artikelen: hoogte erfafscheidingen

Bij nader inzien wil de gemeente geen hoge erf- en terreinafscheidingen (hoger dan 1 m) voor de voorgevelrooilijn toestaan tenzij het transparante erf- en terreinafscheidingen zijn. De regeling sluit daarmee beter aan op de bestemmingsplanregeling voor de bedrijventerreinen en op de beleidsregel Vergunningsvrije gaaswerken. Het betreft een aanpassing van de artikelleden 3.2.2, 4.2.2, 6.2.2, 7.2.2, 8.2.2, 9.2.2, 10.2.2, 11.2.2, 13.2.2, 14.2.2, 15.2.2, 16.2, 21.2 en 22.2 (enkelbestemmingen met mogelijkheden voor bouwen en dus een voorgevellijn) en de toevoeging van een begripsbepaling voorgevellijn .

Aanpassing die niet behoort tot de herziening

De herziening van het plan Buitengebied is - in tegenstelling tot het moederplan - opgesteld volgens de standaard SVBP2012. Dit betekent dat voor de aanduiding 'wro-zone - ontheffingsgebied' binnen SVBP2012 inmiddels een andere benamingen is opgenomen. De formulering 'wro-zone - ontheffingsgebied' is vervangen door 'wetgevingszone - ontheffingsgebied'; dit is geen inhoudelijke herziening van het plan.

7.3 Aanpassing bijlage bij de regels

Bijlage 1 bij de regels

Bijlage 1 van de regels wekt de indruk dat de bouwmogelijkheden zijn gekoppeld aan een adres. Dit is niet juist: het gaat om de bouwmogelijkheden op de gronden met een bestemming Bedrijf, Detailhandel of Horeca, te vinden op de genoemde locaties. Met een aanpassing van de lay-out van de tabel kan dit worden verduidelijkt.

Scheibaan 13/13 a (Belvertshoeve)

In de bijlage bij de regels is voor het horecabedrijf aan de Scheibaan 13 een huidige oppervlakte voor alle gebouwen en overkappingen opgenomen van 844 m². Deze oppervlakte is niet in overeenstemming met de daadwerkelijk aanwezige bebouwing van 1.306 m². In de bijlage wordt de huidige en de maximaal toelaatbare oppervlakte op het perceel Scheibaan 13 aangepast.

Adressen bijlage 1

De adressen uit bijlage 1 blijken via ruimtelijkeplannen.nl niet altijd goed vindbaar en zijn gecontroleerd met het gemeentelijke GIS-systeem. Op onderdelen heeft dit geleid tot aanpassingen. In de bijlage van de regels is het pannenkoekenhuis aan de Oirschotsebaan 12 ten onrechte opgenomen als Oirschotsebaan 10. Het garagebedrijf aan de Heukelomseweg is gevestigd op nummer 12. De nutsvoorziening van de Gasunie is beter vindbaar met het adres Broekzijde omdat in Moergestel de naam Molenstraat twee maal voorkomt. Op het bestemmingsvlak Haarenseweg 44 zijn twee bedrijven gevestigd en is sprake van twee adressen. De bijlage bij de regels worden op deze onderdelen herzien.

Voor overige aanpassingen, opgenomen bij gewijzigde vaststelling, wordt verwezen naar hoofdstuk 10.

Hoofdstuk 8 PlanMER en passende beoordeling

8.1 Planmer-plicht

Toetsingskader

In de Wet milieubeheer en het bijbehorende Besluit milieueffectrapportage (Besluit mer) is wettelijk geregeld voor welke projecten en besluiten een milieueffectrapport dient te worden opgesteld. Een planmer-plicht is voor een bestemmingsplan aan de orde als het plan:

  • kaderstellend is voor een toekomstig besluit over mer-(beoordelings)plichtige activiteiten: bijvoorbeeld bedrijfsactiviteiten die in het kader van de omgevingsvergunning milieu mer-(beoordelings)plichtig zijn;
  • mogelijkheden biedt voor activiteiten die een significant negatief effect kunnen veroorzaken op Natura 2000-gebieden (waardoor een passende beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is).

Herziening bestemmingsplan Buitengebied Oisterwijk

Drempelwaarden Besluit milieueffectrapportage

Met de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied worden ontwikkelingsmogelijkheden geboden aan agrarische bedrijven, waaronder veehouderijen. Conform wet- en regelgeving en jurisprudentie dient bij de beoordeling of sprake is van een planmer-plicht ook rekening te worden gehouden met onbenutte ruimte die wordt overgenomen uit vigerende bestemmingsplannen en eventuele afwijkingsmogelijkheden en wijzigingsbevoegdheden. De nieuwvestiging, uitbreiding of wijziging van veehouderijbedrijven is in het kader van de omgevingsvergunning vanaf een bepaalde omvang mer- of mer-beoordelingsplichtig. Dit betekent dat bij een concreet initiatief in het kader van de vergunningaanvraag een mer-beoordeling of mer-procedure dient te worden doorlopen. Deze mer-(beoordelings)plicht is afhankelijk van de diercategorieën en het aantal dieren waarop het initiatief betrekking heeft. Wanneer een bestemmingsplan ontwikkelingsruimte biedt voor initiatieven, waarbij mogelijk drempelwaarden worden overschreden, is sprake van een planmer-plicht.

In de ontwerpherziening van het bestemmingplan wil de gemeente de gewijzigde provinciale Verordening Ruimte verwerken. Dit betekent dat - weliswaar onder strikte voorwaarden - ontwikkelingsruimte wordt geboden aan veehouderijen. Door de ontwikkelingsmogelijkheden die de correctieve herziening biedt, is het mogelijk dat in bepaalde gevallen bij toekomstige uitbreidingen van veehouderijen drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. zullen worden overschreden. Bijvoorbeeld als het gaat om een initiatief tot wijziging of realisatie van een stal voor 200 stuks melkrundvee (> 2 jaar) of 2.000 mestvarkens. Stallen van een dergelijke omvang kunnen worden gerealiseerd binnen bouwvlakken van 1,5 hectare (in het herziene bestemmingsplan is het mogelijk om via een wijzigingsbevoegdheid bestaande bouwvlakken van veehouderijen uit te breiden tot 1,5 hectare). Daarmee vormt het bestemmingsplan het kader voor mogelijke toekomstige besluiten over mer(-beoordelings)plichtige activiteiten. Om deze reden is in het kader van de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oisterwijk sprake van een planmer-plicht.

Effecten op Natura 2000

Binnen het plangebied ligt het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen. In de omgeving van het plangebied liggen de gebieden Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen, Kempenland-West en Regte Heide & Riels Laag. Ook op Belgisch grondgebied zijn Natura 2000-gebieden gelegen die mogelijk binnen de invloedssfeer van het buitengebied van de gemeente Oisterwijk liggen. In de Natuurbeschermingswet 1998 is vastgelegd dat voor plannen die mogelijk leiden tot significante negatieve effecten op Natura 2000 een zogenaamde 'passende beoordeling' noodzakelijk is. Voor wat betreft de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied Oisterwijk kan niet op voorhand worden uitgesloten dat sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000. Met name als het gaat om het aspect stikstofdepositie kan op vele kilometers afstand sprake zijn van significante negatieve effecten als gevolg van de bouwmogelijkheden in het bestemmingsplan. Dit bekent dat een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd. Wanneer voor een plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 noodzakelijk is, leidt dit automatisch tot een planmer-plicht.

8.2 Doel en procedure planmer

Doel van een planMER is het integreren van milieuoverwegingen bij de voorbereiding van (in dit geval) een bestemmingsplanherziening. Daarbij dient te worden getoetst of de ontwikkelingsruimte en flexibiliteit die het bestemmingsplan biedt kan leiden tot ongewenste effecten. Waar relevant dient te worden bekeken op welke wijze negatieve effecten kunnen worden beperkt of voorkomen (of positieve effecten kunnen worden versterkt).

De planmer-procedure bestaat uit de volgende stappen:

  • openbare kennisgeving opstellen planMER en bestemmingsplan;
  • raadpleging bestuursorganen en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het planMER ;
  • opstellen planMER, uitvoeren onderliggende onderzoeken en doorvertaling in de ontwerp-herziening;
  • terinzagelegging planMER met ontwerp-herziening;
  • toetsingsadvies van de Commissie voor de m.e.r.;
  • vaststelling bestemmingsplanherziening.; het planMER vormt een bijlage bij deze herziening.

Reacties op Notitie reikwijdte en detailniveau in relatie tot opzet planMER

Voorafgaand aan het planMER is een Notitie reikwijdte en detailniveau (Nrd) opgesteld, waarin is beschreven op welke wijze in het planMER de milieueffecten inzichtelijk worden gemaakt (bijlage 1). Hiermee hebben de overlegpartners de mogelijkheid gehad om te reageren op de reikwijdte en het detailniveau van het planMER. Ook heeft de Nrd ter inzage gelegen. De Commissie voor de m.e.r. is in de voorfase niet betrokken (een advies van de Commissie voor de m.e.r. over de reikwijdte en detailniveau van een planMER is vrijwillig).

De provincie Noord-Brabant en de Brabantse Milieufederatie (mede namens de Oisterwijkse Milieuvereniging) hebben gereageerd op de Notitie reikwijdte en detailniveau (Nrd). De provincie Noord-Brabant heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben over de opzet van het planMER en de onderliggende onderzoeken zoals beschreven in de Nrd. De Brabantse Milieufederatie vraagt, in aanvulling op de onderzoeksopzet zoals beschreven in de Nrd, in planMER aandacht te besteden aan een aantal specifieke onderwerpen, een alternatief mee te nemen waarin een 'dier-standstill' wordt gehanteerd en daarnaast gebiedsprofielen uit te werken. In het planMER is een groot deel van de punten uit de reactie van de Brabantse Milieufederatie verwerkt. Zo is de passende beoordeling aangevuld met de externe werking op de beschermde natuurmonumenten en EHS, en is aandacht besteed aan lichthinder vanuit stallen en diverse gezondheidsaspecten. Hoewel in het planMER geen 'dier-standstill' is onderzocht is wel uitgewerkt op welke wijze kan worden gekomen tot een 'emissie-standstill'. De uitkomsten van de passende beoordeling zijn op dit punt ook geborgd in de regels van het bestemmingsplan. In het planMER zijn geen gebiedsprofielen uitgewerkt. Met de doorvertaling van de provinciale Verordening Ruimte is reeds sprake van een zonering waarmee de ontwikkelingsruimte en daar aan gekoppelde voorwaarden mede afhankelijk zijn van de ligging ten opzichte van natuurgebieden en woningconcentraties. Het is niet noodzakelijk om aanvullend hierop integrale gebiedsprofielen uit te werken. Wel zijn (voor zover relevant) in het planMER voor specifieke ontwikkelingen randvoorwaarden en maatregelen uitgewerkt waarmee ongewenste situaties kunnen worden voorkomen.

Toetsing planMER en aanvulling

Het planMER (bijlage 2) is gelijktijdig met de ontwerp-herziening in procedure gebracht. Op dat moment heeft ook de wettelijk verplichte toetsing door de Commissie voor de m.e.r. plaats gevonden. De Commissie heeft in eerste instantie een aantal tekortkomingen gesignaleerd. In een aanvulling op het planMER (bijlage 3) zijn aanvullende informatie en onderzoeksresultaten opgenomen. De aanvulling op het planMER heeft geleid tot een positief toetsingsadvies van de Commissie. Dit advies is opgenomen in bijlage 4.

8.3 Resultaten en conclusies

8.3.1 PlanMER

Het planMER (bijlage 2) beschrijft per milieuthema de referentiesituatie (huidige situatie en eventuele autonome ontwikkelingen). Vervolgens is inzicht gegeven in de maximale milieugevolgen die kunnen optreden. Deze maximale ontwikkelingsruimte omvat alle mogelijkheden die bij recht, via afwijking met een omgevingsvergunning of wijzigingsbevoegdheden worden geboden. De effectbeschrijvingen in het planMER en de daarin opgenomen passende beoordeling hebben betrekking op:

  • de agrarisch bouwvlakken en de wijzigingsbevoegdheden voor omschakeling en vergroting van bouwvlakken;
  • de mogelijkheden om kleinschalig kamperen te ontwikkelen of uit te breiden;
  • de wijzigingsbevoegdheden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen.

Passende beoordeling

Uit de passende beoordeling die is opgenomen in het planMER, blijkt dat zowel als het gaat om de ontwikkelingsruimte voor veehouderijen, als om de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen en permanente teeltondersteunende voorzieningen, significante negatieve effecten op Natura 2000- gebieden niet op voorhand zijn uit te sluiten.

Veehouderijen

De maximale invulling van alle bouwmogelijkheden voor veehouderijen leidt tot een grote toename van stikstofdepositie binnen Natura 2000, zowel binnen het gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen als binnen de gebieden in de omgeving van de gemeente Oisterwijk.

Kleinschalig kamperen

Een toename van recreanten als gevolg van de mogelijkheden voor kleinschalig kamperen leidt niet tot een relevante toename van verstoring binnen Natura 2000. Wel van belang is de verkeerstoename als gevolg van de extra kampeerplaatsen. In een aantal gevallen is sprake van verzuringsgevoelige habitats op zeer korte afstand van de ontsluitingsroutes die door het Natura 2000-gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen lopen. Een zeer kleine toename van verkeer kan hierdoor al leiden tot significante negatieve effecten. Bij volledige benutting van alle kampeerplaatsen zijn significante negatieve effecten niet uit te sluiten.

Permanente teeltondersteunende voorzieningen

Permanente teeltondersteunende voorzieningen kunnen leiden tot verminderde infiltratie en daardoor negatieve gevolgen hebben voor de kwelstromen. Dit betekent dat voor teeltondersteunende voorzieningen op korte afstand van Natura 2000 significante negatieve effecten niet in alle gevallen kunnen worden uitgesloten.

In de passende beoordeling zijn zowel voor de veehouderijen, als voor het kleinschalig kamperen en de permanente teeltondersteunende voorzieningen maatregelen beschreven waarmee de effecten op Natura 2000 kunnen worden voorkomen of beperkt. In paragraaf 8.4 van dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze in de correctieve herziening is omgegaan met de uitkomsten uit de passende beoordeling.

Overige milieuthema's

Uit het planMER blijkt dat de correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied, en in het bijzonder de ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijen, gevolgen hebben voor de geurbelastingen, de concentraties luchtverontreinigende stoffen en daarmee samenhangende gezondheidseffecten. Aangezien uitsluitend de bestaande intensieve veehouderijen uit kunnen breiden en geen mogelijkheden worden geboden voor de omschakeling naar intensieve veehouderij, blijven de effecten relatief beperkt. Daarnaast zijn in de regels (in het verlengde van de provinciale Verordening Ruimte) voorwaarden opgenomen met betrekking tot de optredende geurbelastingen en concentraties fijn stof, waarmee nieuwe knelpunten en onaanvaardbare situaties zo veel mogelijk worden voorkomen.

De overige effecten (op het gebied van ecologie, landschap, cultuurhistorie, archeologie, water, woon- en leefklimaat en verkeer) blijven beperkt. In de regels zijn beschermende regelingen en voorwaarden opgenomen waaraan dient te worden voldaan bij toekomstige initiatieven.

8.3.2 Aanvulling planMER

Naar aanleiding van de toetsing door de Commissie voor de m.e.r. zijn in een aanvulling op het planMER (bijlage 3) op onderdelen een nadere motivering en aanvullende onderzoeksgegevens opgenomen. In de aanvulling:

  • is uitgewerkt wat een emissie-stand-still betekent voor de uitbreidingsmogelijkheden voor de veehouderijen binnen het plangebied. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 8.4;
  • is kort ingegaan op de mogelijkheid voor stallen met meerdere bouwlagen (de mogelijkheid zoals opgenomen in de ontwerp-herziening is geschrapt);
  • is per landschapstype ingegaan op de mogelijke gevolgen van de correctieve herziening en de wijze waarop kan worden gekomen tot een goede landschappelijke inpassing;
  • is nader ingegaan op de verdroging van natuur door teeltondersteunende voorzieningen;
  • is bij het beschrijven van de gevolgen voor het aantal geurgehinderden onderscheid gemaakt tussen de adressen binnen en buiten de bebouwde kom.

8.4 Doorvertaling in de correctieve herziening

Veehouderijen

Uit de passende beoordeling blijkt dat de omschakeling op locaties waar nog geen veehouderij aanwezig is (Wonen -2, vollegrondteeltbedrijven en paardenhouderijen) naar grondgebonden veehouderij een belangrijke bijdrage levert aan de berekende toenames van stikstofdepositie binnen Natura 2000. Om de (potentiële) effecten op Natura 2000 te beperken worden deze mogelijkheden voor omschakeling - in tegenstelling tot het bestemmingsplan Buitengebied zoals vastgesteld in 2011 - niet opgenomen in de correctieve voorziening (op basis van de gemeentelijke visie zoals verwoord in paragraaf 5.1.1 is de omschakeling van Wonen - 2, vollegrondteeltbedrijf of paardenhouderij naar intensieve veehouderij evenmin mogelijk).

Ook wanneer alle bestaande grondgebonden en intensieve veehouderijen gebruik maken van de maximale ontwikkelingsruimte die de herziening biedt, zijn significante negatieve effecten niet uit te sluiten. Het volledig uitsluiten van significante negatieve effecten binnen het bestemmingsplan is alleen mogelijk met een ingrijpende aanpassing van de bestemmingsregeling. In de ontwerp-herziening in op basis van de uitkomsten van de passende beoordeling een emissie-standstill op bedrijfsniveau opgenomen, waarvan onder voorwaarden kan worden afgeweken.

Het uitvoerbaar alternatief zoals uitgewerkt in de aanvulling op het planMER gaat uit van maatwerk op perceelsniveau voor alle typen veehouderijen. De vervolgvraag is op welke wijze hieraan in de correctieve herziening een goede doorvertaling kan worden gegeven en op welke wijze het ontwerpbestemmingplan gewijzigd moet worden vastgesteld. Het gaat daarbij om de volgende onderdelen van het ontwerpplan:

  • het emissie-standstill en bouwvlakken;
  • de afwijking van het emissie-standstill;
  • bouwvlakken en de uitbreiding van bouwvlakken met toepassing van een wijzigingsbevoegdheid;
  • paardenhouderijen.

Emissie-standstill

Een emissie-stand-still is, gezien de uitkomsten van de passende beoordeling, het meest voor de hand liggende vertrekpunt voor de regeling in het bestemmingsplan. Gezien de korte afstand tussen bouwvlakken en overbelaste situaties binnen Natura 2000, zal vrijwel iedere toename van emissie tot een relevante toename van depositie leiden. De emissie-stand-still-regeling borgt dat het plan geen significante effecten veroorzaakt. Tegelijkertijd biedt deze regeling agrariërs enige flexibiliteit/uitbreidingsruimte. Door de toepassing van emissie-arme staltechnieken bij bestaande bedrijven is het namelijk in veel gevallen mogelijk om een vee-uitbreiding/wijziging te realiseren zonder dat de emissie op bedrijfsniveau toeneemt (dit toont het onderzoek in het planMER aan). Het bouwvlak kan in tact blijven; het bouwvlak wordt immers niet alleen gebruikt voor de bouw van stallen maar ook voor andersoortige bebouwing, voorzieningen voor opslag, verharding om de gebouwen te kunnen bereiken en aan de eisen van een moderne bedrijfsvoering te voldoen (geen kruisende verkeerstromen op het erf), manoeuvreerruimte en loze ruimte in verband met inefficiënte of verouderde inrichting van een erf. Door het behoud van het bouwvlak, in combinatie met het emissie-standstill blijft de nodige flexibiliteit met betrekking tot locatiekeuze binnen het bouwvlak in tact zonder dat er sprake is van significante effecten.

De bestaande emissie wordt per bedrijf bepaald door een combinatie van de diercategorie (melkrundvee, schapen, varkens etc), het aantal dieren en het toegepaste stalsysteem. De regeling in het ontwerpplan laat in het midden wat onder de bestaande emissie moet worden verstaan. Gezien de jurisprudentie dient dit in het bestemmingsplan nader te worden gedefinieerd. De emissie komt tot stand op basis van aantallen dieren, diersoorten en stalsystemen. Voor het bepalen van het type stalsysteem wordt uitgegaan van het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan aanwezige stalsysteem. Uit de (milieu)vergunning/melding en onderliggende stukken, dan wel de omgevingsvergunning (bouwen) kan worden opgemaakt van welk stalsysteem gebruik wordt gemaakt. Bij het bepalen van het aantal en soort dieren wordt uitgegaan van het aantal gerealiseerde dierplaatsen ten tijde van vaststelling van het plan. Het aantal gerealiseerde dierplaatsen is hierbij gebaseerd op de legaal aanwezige stal en de inrichting van die stal ten tijde van vaststelling van het plan. De regeling is daarmee bepaalbaar en handhaafbaar en biedt agrariërs de ruimte om aanwezige stallen volledig te gebruiken en wordt hij op die manier niet onevenredig beperkt in zijn bedrijfsvoering.

Het is wel van belang dat structureel onbenutte ruimte binnen de bestaande stallen niet tot de bestaande situatie wordt gerekend. Met de vaststelling van het bestemmingsplan worden (op basis van de periodieke controles door de Omgevingsdienst) om deze reden voor 8 adressen de agrarische bestemmingen aangepast of de aanduiding voor intensieve veehouderij of niet intensieve veehouderij, geschrapt.

Verder geldt dat rekening moet worden gehouden met nog niet benutte, maar wel verleende vergunningen voor de bouw/het gebruik van stallen. Voor deze situaties wordt een uitzondering gemaakt op de voorwaarde dat het om reeds gerealiseerde dierplaatsen moet gaan mits gegevens beschikbaar zijn in het kader van de verleende vergunningen (of aangevraagde Nbw-vergunning) waaruit blijkt dat geen sprake is van significante effecten op Natura 2000. Datzelfde geldt voor de initiatieven die in deze correctieve herziening worden meegenomen. In die gevallen wordt in de correctieve herziening verwezen naar de emissie die samenhangt met de nog niet gerealiseerde stal of de nog niet benutte stal en wordt deze daarmee positief bestemd. Deze bedrijven worden opgenomen in een nieuwe bijlage die aan de regels wordt toegevoegd en waarnaar in de regels (artikel 3 en 4) wordt verwezen.

Voor locaties waar sprake is van verleende vergunningen voor de bouw/ het gebruik van stallen maar significante effecten op Natura 2000 niet zijn uitgesloten leidt het emissie-stand-still er toe dat de emissie nul is.

Afwijken van het emissie-standstill

Het is niet ondenkbaar dat in specifieke gevallen afgeweken kan worden afgeweken van het emissie-standstill zonder dat direct sprake is van een negatief effect op natuurwaarden. Deze natuurwaarden zullen als volgt worden beoordeeld:

  • verschillende natuurwaarden zullen in de beoordeling worden betrokken zoals de natuurwaarden van de EHS, natte natuurparels of van Natura 2000-gebieden;
  • er zullen verschillende aspecten worden beoordeeld zoals verdroging, eutrofiering en de effecten van vermesting.

De gemeente wil deze beperkte mate van flexibiliteit bieden zonder dat daarbij de gemeentelijke bevoegdheden in het kader van de toetsing aan het bestemmingsplan en de provinciale bevoegdheden als bevoegd gezag Natura 2000, door elkaar gaan lopen.

Door meerdere reclamanten zijn, (deels terechte) zienswijzen ingediend tegen de afwijkingsbevoegdheid in het ontwerpplan. De afwijkingsbevoegdheid is aangepast en algemener geformuleerd.

Bouwvlakken en wijzigingsbevoegdheden voor vergroting van bouwvlakken

Uit de aanvulling op het planMER blijkt dat binnen het emissie-stand-still de veehouderijen niet alle bouwruimte die de bouwvlakken bieden kunnen benutten voor stallen (zowel binnen de rechtstreekse bouwvlakken, als de ruimere bouwvlakken die via wijzigingsbevoegdheden kunnen worden gecreëerd). In de aanvulling op het planMER is per bedrijf bekeken wat de mogelijkheden zijn om met de toepassing van emissie-arme technieken te komen tot een uitbreiding zonder dat sprake is van een toename van de emissie. In het bestemmingsplan is op de volgende wijze omgegaan met de uitkomsten uit de passende beoordeling en planMER. Aan het gedetailleerde beeld dat het planMER geeft van de ontwikkelingsruimte, ligt een aantal algemene uitgangspunten ten grondslag. De resultaten uit het planMER kunnen dan ook niet 1-op-1 worden door vertaald in het bestemmingsplan, zonder dat individuele bedrijven in hun belangen kunnen worden geschaad.

Met het bouwvlak maakt de raad duidelijk waar in het buitengebied verstening is toegestaan. Zoals onder het kopje 'emissie-stand-still' al besproken, is het bouwvlak niet alleen bedoeld voor stallen, maar ook voor de bedrijfswoning, erfbebouwing, loodsen/platen voor opslag (voer, mest, werktuigen, etc), silo's, ontsluiting, etc. Ruimte en flexibiliteit binnen de bouwvlakken is wenselijk voor de inrichting van agrarische percelen. Het beperken van de omvang van bouwvlakken, verkleint deze beoogde flexibiliteit en is in het algemeen niet gewenst. Daarnaast maakt het bestemmingsplan (vanwege de consequenties van de provinciale verordening) geen nieuwe stallen bij recht mogelijk, maar altijd via afwijking. Bij nieuwe initiatieven dient tevens te worden aangetoond dat wordt voldaan aan het emissie-stand-still. Bouwvlakken worden derhalve als gevolg van de uitkomsten van het planMER niet aangepast.

Bij de wijzigingsbevoegdheden wordt wel gekozen voor een doorvertaling van het uitvoerbaar alternatief zoals uitgewerkt in het planMER, omdat bedrijven niet direct in hun bedrijfsvoering worden geschaad. Voor een groot aantal bedrijven kan de uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid niet op voorhand zonder meer worden aangetoond. De wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bouwvlak ten behoeve van veehouderij is alleen opgenomen voor de bedrijven waarvan de uitvoerbaarheid van die vergroting zonder meer is aangetoond (huidige bedrijfsomvang en toegepaste technieken zijn daarvoor bepalend). Vormverandering van bouwvlakken, waarbij de oppervlakte niet toeneemt, is wel mogelijk.

Paardenhouderijen

Voor paardenhouderijen geldt dat er geen emissiearme stalsystemen voorhanden zijn. Bij bedrijven die uitsluitend paarden houden geldt dat elke toename van het aantal paarden leidt tot een verhoging van de emissie. Dat geldt ook voor locaties waar nu geen dieren worden gehouden: indien er (bedrijfsmatig) paarden gehouden gaan worden, neemt de emissie toe. Om deze reden worden paardenhouderijen apart aangeduid op de verbeelding en is de omschakeling van vollegrondsteeltbedrijven en burgerwoningen (Wonen-2) naar bedrijfsmatige paardenhouderijen niet langer mogelijk gemaakt. Omschakeling van intensieve veehouderij en niet intensieve veehouderij naar paardenhouderij is veelal, in verband met de emissiefactoren van de betreffende dieren, wel mogelijk binnen het emissie-standstill en wordt gezien als een aanvaardbare ontwikkeling. Op de bouwvlakken met een intensieve veehouderij of een niet intensieve veehouderij worden paardenhouderijen bij recht toegestaan (uiteraard mits passend binnen het stand-still-beginsel).

Uitbreiding van een bouwvlak of vormverandering van een bouwvlak voor paardenhouderij is mogelijk, bijvoorbeeld voor de aanleg van een paardenbak, maar mag niet leiden tot een toename van het aantal dierplaatsen.

Kleinschalig kamperen

Om significante negatieve effecten op Natura 2000 uit te sluiten wordt een plafond opgenomen voor de toename van het aantal standplaatsen. Het bestaande aantal standplaatsen per perceel is opgenomen in bijlage 5 bij de regels. Toekomstige initiatieven mogen samen maximaal 100 extra standplaatsen genereren.

Permanente teeltondersteunende voorzieningen

Om significante negatieve effecten op Natura 2000 te voorkomen, worden nieuwe teeltondersteunende voorzieningen uitgesloten binnen een afstand van 500 meter rondom Natura 2000. De afstand tussen infiltratie- en kwelgebied is relatief kort, buiten deze afstand van 500 meter zijn significante negatieve effecten uitgesloten. Als gevolg van de resultaten van de aanvulling op het planMER zijn permanente teeltondersteunende voorzieningen met de gewijzigde vaststelling ook uitgesloten in het gebied aangeduid met Waarde - Natuur - Attentiegebied (zone van gemiddeld 500 meter rond een natte natuurparel).

Hoofdstuk 9 Uitvoerbaarheid van het plan

9.1 Economische uitvoerbaarheid

In het bestemmingsplan is voor een aantal bedrijven een uitbreidingsmogelijkheid opgenomen (zie hoofdstuk 6). Voor zover voor deze uitbreidingen nog geen afzonderlijke procedures zijn gevoerd, wordt hiervoor door middel van het sluiten van een anterieure overeenkomst de kosten verhaald. Deze overeenkomsten worden op korte termijn, maar in ieder geval voor de vaststelling van het bestemmingsplan, gesloten. De overige aanpassingen vloeien voort uit de uitspraken van de Raad van State van 14 augustus 2013, de reactieve aanwijzing en de gewijzigde Verordening Ruimte 2014. Deze aanpassingen zien niet op ontwikkelingen op basis waarvan kostenverhaal mogelijk is. De overige kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan zijn dan ook voor rekening van de gemeente. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde.

Door SAOZ is in opdracht van de gemeente een risicoanalyse gemaakt van te verwachten planschades (SAOZ; Risicoanalyse planschade met betrekking tot het project 'correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied' gemeente Oisterwijk). Dit rapport is als Bijlage aan het plan toegevoegd. Voor inzicht in de risico's op planschade wordt naar dit rapport verwezen.

9.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bieden van mogelijkheden voor het indienen van een officiële inspraakreacties bij een bestemmingsplan is sinds 1 juli 2005 geen wettelijke verplichting meer. Niet in alle gevallen hoeft bij het opstellen van een bestemmingsplan gebruik gemaakt te worden van inspraak. In het geval van de correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied is besloten om geen inspraak te verlenen omdat de voorgestelde wijzigingen in het plan voortvloeien uit gerechtelijke uitspraken en aangepast provinciaal beleid.

Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het wettelijke verplichte vooroverleg, toegezonden aan een aantal overlegpartners, in combinatie met de ter inzagelegging van het ontwerpplan. Voor de reactie van deze instanties en de beantwoording wordt verwezen naar de Nota Zienswijzen en wijzigingen.

Hoofdstuk 10 Gewijzigde vaststelling

Van 2 mei tot en met 12 juni 2014 heeft het ontwerp van de correctieve herziening en het planMER buitengebied ter inzage gelegen.

Over het planMER heeft de commissie voor de m.e.r. een advies uitgebracht. Na een negatief advies op 15 juli 2014 heeft er een aanvulling op het planMER plaatsgevonden. Hierna heeft de commissie voor de m.e.r. op 13 november 2014 een positief advies gegeven. De aanvulling op het planMER heeft gevolgen voor het bestemmingsplan.

Er zijn twee inloopbijeenkomsten geweest over het bestemmingsplan (op 13 en 20 mei 2014). Gedurende de ter inzage legging zijn 47 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling van het ontwerpplan.

Behalve aanpassingen als gevolg van gegronde zienswijzen en de aanvulling op het planMER is het plan ook ambtshalve aangepast. Voor een uitgebreide toelichting op de zienswijzen, de beantwoording ervan, de ambtshalve aanpassingen en de aanpassingen naar aanleiding van behandeling in de commissie Ruimtelijke zaken wordt verwezen naar de Nota Zienswijzen (zie bijlage 5) en wijzigingen en het voorstel voor gewijzigde vaststelling. Tot slot is bij de vaststelling op 16 april 2015 een amendement aangenomen dat heeft geleid tot aanpassing van het plan.

Het plan is op de volgende onderdelen gewijzigd vastgesteld.

Toelichting/separate bijlagen

  • de toelichting is aangevuld met de aanvulling van het planMER en de gevolgen daarvan voor de bestemmingsregeling;
  • in de toelichting is opgenomen dat gebouwen in gebruik voor een nevenfunctie en daarvoor positief bestemd, niet beschouwd worden als overtollige te slopen bebouwing;
  • in de toelichting is een tekstpassage opgenomen waarin de wijze waarop een zorgvuldige dialoog met de omgeving moet worden gevoerd nader is uiteengezet;
  • de ruimtelijke onderbouwingen van de initiatieven zijn aangevuld met de toets aan de BZV en nadere regels uit de Verordening Ruimte;
  • waar nodig is de toelichting geactualiseerd, aangevuld of aangepast met de elementen van de gewijzigde vaststelling.

Verbeelding

  • aanpassen bouwvlakken en opnemen specifieke bouwaanduiding Donkhorst 5a, Zandstraat 12a, Heikesspoor 2, Oirschotseweg 95, Sebrechtsedijk 2 en Oirschotseweg 40;
  • aanduiden van de bouwvlakken Heikesspoor 2, Oisterwijksebaan 7, Heiligenboom 1, Oirschotseweg 95, Oirschotseweg 10,  Oirschotseweg 40, Oirschotseweg 64, Hildsven 4, Heikant 6, Pijnendijk 2, Sebrechtsedijk 2, Oirschotseweg 76, Heukelomsebaan 3 en Heukelomseweg 30 voor paardenhouderij;
  • aanpassing bestemmingen of aanduidingen Oirschotseweg 85, Oirschotsebaan 75, Spoordijk 7, De Logt 9a, Donkhorst 6, Heuvelstraat 28, Heuvelstraat 34, Oliviersweg 9, Zandstraat 1 (Heukelom), Zandstraat 16a, Oisterwijkseweg 9 (Haaren), Heuvelstraat 30, Hoevenseweg 2a/4, Holleneind 1 (Haaren), Broekzijde 14, hoek Floraweg/Driehuizerweg en Vossenhoorn 3;
  • aanpassen van de begrenzing van agrarische bouwvlakken Hondsberg 4, Vossenhoorn 1, Hoevenseweg 6 en Reedijk 5;
  • aanpassen plangrens ter plaatse van Kollenburgsebaan 11/11a en Oisterwijksebaan 2;
  • opnemen van de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' voor alle agrarische bouwvlakken waar de wijzigingsbevoegdheid voor uitbreiding van het bouwvlak tot 1,5 ha toegepast mag worden ( Baaneind 4, Baaneind 8, Broekzijde 6, Broekzijde 8, Dijkweg 3, Driehuizerweg 10, Driehuizerweg 5, Heuvelstraat 16, Heuvelstraat 26a, Kerkhovenbaan 6, Klein Locht 5, Laag Heukelomseweg 7, Masperstraat 2, Molenbaan 1, Oostelvoortjes 19, Pijnendijk 6, Reedijk 6, Reedijk 9, Stokske 13a, Vossenhoorn 5, Zandstraat 24 (Moergestel));
  • opnemen van de ontbrekende dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen ter plaatse van de Oliviersweg;
  • aanpassen van de aanduiding 'waterberging' in de omgeving van Oisterwijk;
  • wijziging bestemming Verkeer - Cultuurhistorische waarden ter plaatse van een voormalig zandpad in de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie (Hoevenseweg);
  • wijziging bestemming Verkeer - Cultuurhistorische waarden ter plaatse van een voormalig zandpad in de bestemming Agrarisch met waarden - Landschap, natuur en cultuurhistorie en Agrarisch (Hertgangseweg);
  • opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - paardenwei' aan de Eschebaan;
  • gebruik van de correcte benaming van de wetgevingszones.

Regels

De volgende regels zijn met de gewijzigde vaststelling aangepast:

Hoofdstuk 11 Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Op 30 november 2016 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan inzake de correctieve herziening.

Met de uitspraak is:

  • artikel 3, lid 3.5.6 en artikel 4, lid 4.5.6, van de planregels vernietigd;
  • de zinssnede "met dien verstande dat dit wel is toegestaan indien wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie" in de artikel 3, lid 3.4 onder o en artikel 4, lid 4.4 onder n vernietigd en;
  • wordt de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen voor het perceel Oisterwijksebaan 2, te Heukelom.

De uitspraak is verwerkt in deze aangepaste versie van de vastgestelde correctieve herziening door middel van het doorhalen en blauw markeren van de betreffende regels.