Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Vierde herziening bestemmingsplan Buitengebied Zundert
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.0879.VHBPBuitengebied-VS01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 Plan

het bestemmingsplan " Vierde herziening bestemmingsplan Buitengebied Zundert" van de gemeente Zundert met de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand  NL.IMRO.0879.VHBPBuitengebied-VS01  

1.2 Bestemmingsplan

het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Zundert met de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0879.BPBuitengebied-VS01.

1.3 AAB

Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.

1.4 Aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten

beroepsactiviteiten:
het gebruik van (een gedeelte van) een gebouw voor een zelfstandig en onder eigen naam uitoefenen van een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, lichaamsverzorgend, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied door een daarvoor specifiek opgeleid persoon en waarvan de omvang in activiteiten zodanig is dat deze, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.
 
bedrijfsmatige activiteiten:
het gebruik van (een gedeelte van) een gebouw voor het verrichten van werkzaamheden van dienstverlenende en/of ambachtelijke aard met als doel daaruit hoofd- of neveninkomsten te betrekken, waarbij geen sprake is van een zich als specifiek opgeleid persoon naar buiten presenterende beroepsoefenaar en waarvan de omvang in activiteiten zodanig is dat deze, met behoud van de woonfunctie, kunnen worden uitgeoefend.

1.5 Aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.6 Aanpijling

een op de verbeelding blijkens de daarop voorkomende verklaring als zodanig opgenomen aanduiding die aangeeft welke bestemming/aanduiding van toepassing is op de aanpijlende gronden.

1.7 Aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.8 Aardkundige waarden

waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen danwel anderszins vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem, van algemeen belang zijn vanuit aardkundig oogpunt.

1.9 Achtererf

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.10 Afhankelijke woonruimte

een (gedeelte van een) bij een (bedrijfs)woning behorend bouwwerk dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de (bedrijfs)woning en dient voor de huisvesting van een gedeelte van een huishouden uit een oogpunt van mantelzorg.

1.11 Agrarisch bedrijf, algemeen

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.12 Agrarisch bedrijf, boomteeltbedrijf

een agrarisch bedrijf, zijnde een boomteelt-, bloembollenteelt-, heesterteelt-, of sierteeltbedrijf.

1.13 Agrarisch bedrijf, glastuinbouw

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt, tevens zijnde een glasboomteeltbedrijf.

1.14 Agrarisch bedrijf, grondgebonden

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt,
zijnde bijvoorbeeld een (vollegrond)teeltbedrijf, een grondgebonden veehouderij of een boomteeltbedrijf.  

1.15 Agrarisch bedrijf, niet-grondgebonden

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt, zijnde bijvoorbeeld een intensieve veehouderij of een intensieve kwekerij.

1.16 Agrarisch bedrijfsgebouw

een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

1.17 Agrarisch loonwerkbedrijf

een bedrijf dat voornamelijk met behulp van landbouwwerktuigen diensten verleent aan, dan wel composteert en/of mest opslaat ten behoeve van (hoofdzakelijk) agrarische bedrijven.

1.18 Agrarisch technisch hulpbedrijf

een bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten waarbij gemechaniseerd loonwerk ten behoeve van land-, tuin-, bos-, of natuurbouw wordt verricht of waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, tuin-, bos-, of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Bijvoorbeeld: mestopslag- en mesthandelsbedrijven, loonwerkbedrijven, veetransport bedrijven, verhuurbedrijven van landbouwwerktuigen en veehandelsbedrijven.

1.19 Agrarisch verwant bedrijf

een niet-agrarisch bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos-, of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbewerking. Bijvoorbeeld: dierenasiels, dierenklinieken, hondenkennels, gebruiksgerichte paardenhouderijen, proefbedrijven en instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs.

1.20 Ambachtelijke bierbrouwerij

een ambachtelijke bierbrouwerij is een brouwerij die maximaal 14.000 liters bier per week brouwt. Daarnaast richt de ambachtelijke brouwerij zich op het laten zien (educatie) van het brouwproces. 

1.21 Archeologisch deskundige

een door burgemeester en wethouders aangewezen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek.

1.22 Archeologisch monument

een terrein zoals bedoeld in artikel 1 onder c van de Monumentenwet.

1.23 Archeologisch onderzoek

onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.

1.24 Archeologische waarden

waarden die bestaan uit de aanwezigheid van een bodemarchief met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang zijn en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigen.

1.25 Atelier

een werkplaats of verzameling van werkplaatsen van een kunstenaar of ambachtsman.

1.26 Basiszoneringslijst

de lijst van bedrijven bevattende basisinformatie voor milieuzonering, zoals die lijst is opgenomen in Staat van bedrijfsactiviteiten, behorende bij deze regels.

1.27 Bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.28 Bebouwingscluster

vlakvormige verzameling van gebouwen buiten bestaand stedelijk gebied.

1.29 Bebouwingsconcentratie

kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster.

1.30 Bebouwingslint

lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg buiten bestaand stedelijk gebied.

1.31 Bebouwingspercentage

een aangegeven percentage, dat de grootte van (het deel van) een bouwperceel of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd.

1.32 Bed & breakfast

Overnachtingsaccommodatie bestaande uit een of meerdere gastenkamers (niet zijnde een appartement of een zelfstandig woonverblijf), gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt. Een bed & breakfast is gevestigd in de (bedrijfs)woning in andere bijbehorende bouwwerken bij de woning en wordt gerund door de eigenaren van het betreffende huis.

1.33 Bedrijf

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten daaronder niet begrepen.

1.34 Bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf, niet zijnde de bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken.

1.35 Bedrijfsvloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte die wordt gebruikt voor de uitoefening van een bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten, met uitzondering van parkeervoorzieningen.

1.36 Bedrijfswoning/dienstwoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon of gezin, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming noodzakelijk is.

1.37 Beekherstel

herstel van beeklopen ten aanzien van vorm (recht of meanderend), ruimte voor beekprocessen (sedimentatie en erosie) en waterkwaliteit, gericht op het terugbrengen van de gebiedseigen kwaliteiten van de betreffende beekloop

1.38 Beperkt kwetsbaar object

een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatsblad 2004, nr. 250) een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.

1.39 Bestaande situatie

bebouwing en/of gebruik bestaande ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.40 Bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak.

1.41 Bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.42 Bijbehorend bouwwerk

een gebouw ten behoeve van de uitbreiding van een hoofdgebouw, danwel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak.

1.43 (Woon)boerderij

een gebouw dat bestaat uit een voormalige agrarische bedrijfswoning met de in hetzelfde ongelede gebouw opgenomen voormalige bedrijfsruimten, waarbij woon- en stalgedeelte van oudsher ongeleed aan elkaar verbonden zijn (bijvoorbeeld een langgevelboerderij of kortgevelboerderij). 

1.44 Bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.45 Bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.46 Bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, zolder, vliering en kelder.

1.47 Bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.48 Bouwvlak

aaneengesloten terrein, waarbinnen gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen ten behoeve van eenzelfde bestemming worden geconcentreerd.

1.49 Bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.50 Brutovloeroppervlak

de vloeroppervlakte van een ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een bouwwerk gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen.

1.51 Congrescentrum

een centrum waar vergader- c.q. cursusruimten voor de verhuur worden aangeboden en waar het aanbieden van drank- en etenswaar in relatie tot de gehouden vergaderingen c.q. cursussen e.d. in ondergeschikte mate is toegestaan.

1.52 Containerveld

afgedekte gronden ten behoeve van de bovengrondse teelt van planten in containers.

1.53 Corso-opslagruimte

gebouw waar materieel wordt opgeslagen ten behoeve van vervaardiging van met bloemen versierde voertuigen.

1.54 Corsobouwplaats

locatie waar met bloemen versierde voertuigen worden vervaardigd.

1.55 Corsotent

tijdelijk bouwwerk, dat dient als onderkomen voor de opbouw van met bloemen versierde voertuigen, die deelnemen aan het jaarlijkse bloemencorso.

1.56 Cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

de als zodanig aangeduide waarden opgenomen op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW), alsmede gemeentelijke- en rijksmonumenten en de in bestemmingsplannen aangeduide beeldbepalende panden.

1.57 Cultuurhistorische waarde

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdende met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden.

1.58 Dagopvang

een instelling waar mensen gedurende de dag worden begeleid, verzorgd en beziggehouden, zonder de mogelijkheid tot overnachting.

1.59 Dagrecreatie

bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van recreatie, sport-, educatie of cultuur welke geheel of in overwegende mate in de open lucht worden aangeboden binnen een periode van een uur voor zonsopgang tot een uur na zonsondergang, met de daarbij behorende voorzieningen.

1.60 Dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw, c.q. bouwwerk.

1.61 Detailhandel (bedrijf)

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.62 Detailhandel, productiegebonden

qua oppervlakte beperkte op de eindgebruiker gerichte verkoop van eigen goederen/producten vanuit een bedrijf dat die goederen/producten vervaardigt/produceert, bewerkt en/of toepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.63 Detailhandel in volumineuze goederen

detailhandel in auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels.

1.64 Dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling

bedrijfsmatige activiteiten gericht op dienstverlening aan het publiek, zoals een zorgboerderij, kinderopvang, medische zorg, groepspraktijk, adviesbureau, automatiseringsbedrijf.

1.65 Diepploegen

het vermengen, keren van (alle) lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 cm (gemeten vanaf het peil) ten behoeve van agrarisch gebruik.

1.66 Dierenverblijf

  gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren, inclusief de daartoe behorende voorzieningen;  

1.67 Differentiatiegrens

een op de verbeelding aangegeven lijn die de grens inhoudt van een differentiatie.

1.68 Differentiatievlak

een als zodanig door differentiatiegrenzen omsloten vlak, dat dient ter verbijzondering van een bestemming.

1.69 Discotheek

een horecabedrijf dat tot doel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt.

1.70 Duurzame locatie intensieve veehouderij

bestaand agrarisch bouwvlak met een zodanige ligging dat het zowel vanuit milieuoogpunt (ammoniak, stank en dergelijke) als vanuit ruimtelijk oogpunt (natuur, landschap en dergelijke) verantwoord is om het ter plaatse uit te breiden.

1.71 Ecologische hoofdstructuur

samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden.

1.72 Ecologische verbindingszone

bij dit bestemmingsplan aangeduid langgerekt gebied waarbinnen verbindende landschapselementen zijn of worden gerealiseerd.

1.73 Ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren de natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, de mate van stilte, donkerte en openheid, de landschapstructuur en de belevingswaarde.

1.74 Erf

het al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en voor zover dit plan een dergelijke inrichting niet verbiedt.

1.75 Erfbeplanting

afschermende (rand)beplanting binnen of direct aansluitend op het bestemmingsvlak of bouwvlak van een agrarisch bedrijf, een niet-agrarisch bedrijf of woning.

1.76 Escortbedrijf

de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon, die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een ander plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.

1.77 Extensieve recreatie

die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving en die nauwelijks of geen invloed heeft op de gegeven bestemmingen.

1.78 Extensiveringsgebied

ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied met het primaat natuur of overig, waar uitbreiding, (her)vestiging of nieuwvestiging van een intensieve veehouderij onmogelijk is en waar de ontwikkelingsmogelijkheden van overige veehouderijen zijn beperkt; 

1.79 Fruitteeltbedrijf

een agrarisch bedrijf dat zich toelegt op het telen of veredelen van fruit in of op de open grond (de teelt onder afdekmateriaal en in tijdelijke kweektunnels daarbij inbegrepen).

1.80 Functie

doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan is toegestaan.

1.81 Gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.82 Gebruiksgerichte paardenhouderij

een niet-agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op (de ondersteuning bij) het gebruik van het paard als hulpmiddel voor de recreërende mens, zoals maneges, paardenverhuurbedrijven en paardenstallingsbedrijven.

1.83 Geluidzoneringsplichtige inrichting

bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in onderdeel D van bijlage 1 van het Bor.

1.84 Nederlandse Grootte Eenheid (NGE)

een standaard eenheid voor de bepaling van de omvang van een agrarisch bedrijf, zoals die gehanteerd wordt door het Landbouw Economisch Instituut (LEI).

1.85 Gevaarlijke stoffen

gevaarlijke stoffen en gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.86 Groenblauwe mantel

gebieden die grenzen aan de ecologische hoofdstructuur, ecologische verbindingszone of het zoekgebied voor behoud/herstel van watersystemen en deze verbinden, zijnde gebieden met overwegend grondgebonden agrarisch gebruik en belangrijke nevenfuncties voor natuur en water.

1.87 Groepsaccommodatie

een bouwwerk of een gedeelte van een bouwwerk bestemd voor het houden van recreatief nachtverblijf in permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke verblijven.

1.88 Grondgebonden veehouderijbedrijf

Veehouderij (een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren) waarvan het voer en de mest voor het overgrote deel gewonnen respectievelijk aangewend worden op gronden die in gebruik zijn van de veehouderij en die in de directe omgeving ligging van de bedrijfslocatie. 

1.89 GVE (groot vee-eenheid)

Eenheid waarmee de fosfaatproductie van landbouwhuisdieren wordt uitgedrukt en waarbij 1 GVE overeenkomt met de fosfaatproductie van één melkkoe.

1.90 Hervestiging van een agrarisch bedrijf

verplaatsen van een bestaand agrarisch bedrijf van het ene agrarisch bouwblok naar het andere agrarisch bouwblok waar de agrarische activiteiten zijn gestaakt.

1.91 Hokdierhouderij

  veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij;  

1.92 Hoofdfunctie

een functie waarvoor het hoofdgebouw en/of gronden als zodanig mogen worden gebruikt.

1.93 Hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel, door zijn ligging, constructie, afmetingen en/of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.94 Horeca (bedrijf)

bedrijfsmatig verstrekken van dranken of etenswaren voor gebruik ter plaatse, bedrijfsmatig bieden van hotel- of groepsaccommodatie (tevens een bed&breakfast of pension), bedrijfsmatig bieden van vermaaks- of wellnessfaciliteiten, of bedrijfsmatig bieden van congres- of vergaderfaciliteiten, een en ander al dan niet in combinatie met elkaar.

1.95 Horeca, kleinschalig of ondergeschikt

horeca van zeer beperkte omvang ten dienste van andere functies

1.96 Houtteelt

de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend van de melding- en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van de Boswet.

1.97 Huishouden

de samenlevingsvorm van één gezin, waaronder begrepen:
  1. de inwoning, al dan niet bij wijze van mantelzorg, van verwanten of andere personen;
  2. een met een gezin gelijk te stellen samenlevingsverband.

1.98 Hydrologische waarden

waarden in verband met een specifieke waterhuishoudkundige situatie voor daaraan gebonden organismen (planten en dieren), leefgemeenschappen en potenties voor de ontwikkeling daarvan, met daarbij behorende kwantitatieve aspecten (zoals hoge waterstand, stabiel waterpeil) en/of kwalitatieve aspecten (voedselarm, onvervuild), zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.99 Intensief veehouderijbedrijf

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten-, of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij.

1.100 Kampeermiddel

  1. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een (sta)caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde.

1.101 Kantoor

gebouw waarbinnen bedrijfsmatig diensten worden verleend of waar de administratie van een bedrijf wordt verricht.

1.102 Kas

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal en dienen voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m.

1.103 Kelder

een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 0,50 m boven het peil, onder een bijbehorend bovengronds bouwwerk.

1.104 Kleinschalig kampeerterrein

kleinschalig (tot 25 kampeerplaatsen) kampeerterrein (tussen 1 maart tot en met 31 oktober), waarbij uitsluitend zijn toegestaan kampeermiddelen en eenvoudige ondersteunende voorzieningen zoals watertappunten, sanitairgelegenheid, informatieborden en zitbanken. Stacaravans zijn niet toegestaan.

1.105 Koffie-/theehuis

een kleinschalige vorm van horeca, waar niet-alcoholische dranken worden geschonken voor gebruik ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van voor consumptie ter plaatse bereide etenswaren.

1.106 Landgoed

functionele eenheid bestaande uit, bos en overige natuur, al dan niet in combinatie met agrarische bedrijfsgronden waarop één of meer wooneenheden met karakteristieke verschijningsvorm van allure zijn gesitueerd.

1.107 Landschappelijke waarden en kenmerken

gebruikswaarde, belevingswaarde, en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten.

1.108 Landschapselementen

ecologisch en/of landschappelijk waardevolle elementen zoals bosjes, houtwallen, poelen en moerasjes, in de regel kleiner dan 2 ha, onder een agrarische productiefunctie.

1.109 Maatschappelijke voorzieningen

educatieve, (sociaal-)medische, (sociaal-)culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een kerk, school, kinderopvang, naschoolse opvang, verenigingshuis, hospice, ziekenhuis, huisartsenpost en dergelijke.

1.110 Manege

een niet-agrarisch bedrijf, dat is gericht op het verzorgen en dresseren en trainen van paarden voor de ruitersport alsmede het geven van paardrijlessen.

1.111 Mantelzorg

het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband.

1.112 Mestbewerking

de toepassing van basistechnieken of combinaties daarvan met als doel de aard, samenstelling of hoedanigheid van dierlijke mest te wijzigen, zoals droging, bezinking, (co)vergisting, scheiding, hygiënisatie of indamping van mest.

1.113 Milieucategorie

milieucategorie zoals omschreven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering Den Haag, 2009.

1.114 Milieuhygiënische uitvoerbaarheid

overkoepelend begrip voor milieuaspecten zoals geluid, bodem, geurhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid etcetera aan welke bijbehorende wettelijke kaders getoetst dient te worden, onder andere zodat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

1.115 Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf

aantal m² kasoppervlakte.

1.116 Nevenactiviteit

een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel.

1.117 Nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf

projectie van een al dan niet gekoppeld agrarisch bouwvlak op een locatie die volgens het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet is voorzien van een zelfstandig bouwvlak.

1.118 Omschakeling

  1. het door het aanwezige agrarische bedrijf geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm;
  2. het (her)vestigen van een agrarisch bedrijf op een agrarisch bouwblok met een bedrijfsvorm die op de (her)vestigingslocatie niet eerder aanwezig was; 
  3. het overstappen van een niet-agrarisch gebruik naar een agrarische bedrijfsvorm.

1.119 Onverhard

een toplaag bestaande uit hoofdzakelijk zand, klei, veen en andere natuurlijke bodemmaterialen.

1.120 Ophogen

het opbrengen van grond elders op de bestaande toplaag.

1.121 Oudheidkundig waardevol terrein

een gebied dat ingevolge dit plan beschermd wordt in verband met de zich mogelijk daarin bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde.

1.122 Paardenbak

een onoverdekt terrein bedoeld voor het berijden, africhten en laten bewegen van paarden.

1.123 Peil

  1. voor gebouwen, waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende of afgewerkte maaiveld.

1.124 Perceelsgrens

de grens van een bouwperceel.

1.125 Permanente bewoning

het gebruik van een gebouw of ander onderkomen als woonruimte op een wijze die ingevolge de bepalingen van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in het bevolkingsregister waarin dat gebouw is gelegen; of indien betrokkene op meer dan één adres woont het gebruik van het gebouw of ander onderkomen als verblijf waar betrokkene naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten met dien verstande dat van permanente of tijdelijke bewoning voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse door betrokkene meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door de betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders over een hoofdverblijf kan worden beschikt.

1.126 Permanente teeltondersteunende voorziening

teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas.

1.127 Plattelandswoning

Een bedrijfswoning behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot de inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting.

1.128 Productiegebonden detailhandel

het te koop aanbieden, verkopen en/of leveren van agrarische producten aan particulieren, voor zover deze agrarische producten op het eigen bedrijf zijn geteeld of voortgebracht en hooguit op ambachtelijke wijze buiten of op het eigen bedrijf zijn verwerkt.

1.129 Proeflokaal

 een ruimte, ondergeschikt aan de hoofdfunctie, waar in groepsverband uitsluitend (non) en alcoholische dranken genuttigd worden in de vorm van een cursus, workshop of rondleiding.  

1.130 Productiegerichte paardenhouderij

een agrarisch bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het door middel van een gericht fok- en/of africhtingsprogramma trachten een paard op een hoger niveau te brengen, waardoor de waarde van dat paard in het economisch verkeer toeneemt, zoals (op)fokbedrijven, hengstenstations, africhtings- en trainingsbedrijven.

1.131 Prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.132 Raamprostitutie

een seksinrichting bestemd voor of in gebruik voor het zich vanaf de openbare weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats, zichtbaar ter beschikking stellen tot het tegen betaling verlenen van seksuele diensten aan anderen (prostitutie).

1.133 Recreatiebedrijf

een bedrijf dat het bedrijfsmatig verstrekken van verblijfs- of dagrecreatie tot doel heeft.

1.134 Recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.

1.135 Recreatiewoning

een woning ten behoeve van tijdelijk recreatief verblijf en niet bedoeld is voor permanente bewoning.

1.136 Reëel agrarisch bedrijf

een nog niet volwaardig bedrijf met een zodanige arbeidsomvang, dat toch van een bedrijfsmatige beroepsuitoefening kan worden gesproken en dat een serieuze aanzet kan zijn tot een doorgroei naar een volwaardig bedrijf.

1.137 Regionaal waterbergingsgebied

gebied dat noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan.

1.138 Relatie

een aanduiding op de planverbeelding dat aangeeft dat bebouwing op verschillende locaties behoort tot één (agrarisch) bedrijf of woning en derhalve één bestemmingsvlak aanwezig is.

1.139 Reserveringsgebied, waterberging

gebied dat mogelijk in de toekomst noodzakelijk is om wateroverlast uit regionale watersystemen tegen te gaan.

1.140 Restaurant

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.

1.141 Risicovolle inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde/richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten.

1.142 Ruimtelijke kwaliteit

de kwaliteit van de ruimte zoals bepaald door de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte.

1.143 Sauna

een recreatieve inrichting in hoofdzaak gericht op de lichaamsverzorging door het bieden van mogelijkheden tot (stoom)baden en - niet erotische - massage, met als ondergeschikte activiteit het verstrekken van kleine etenswaren en alcoholvrije of alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse.

1.144 Seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.145 Sportterrein

een terrein ten behoeve van lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn c.q. bevorderd worden en waarvoor bepaalde regels gelden.

1.146 Staat van Bedrijfsactiviteiten

de Staat van bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt.

1.147 Stalderingsgebied

 gebied waarbinnen het oprichten van een dierenverblijf voor een hokdierhouderij is gekoppeld aan de sanering van een bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij met als doel de regionale concentratie van vee te reguleren en verdere leegstand te voorkomen;  

1.148 (Vollegronds)teeltbedrijf

Agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. 

1.149 Teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de vollegronds bedrijfsvoering van een tuinbouwbedrijf of boomkwekerij.

1.150 Terras

een plaats in de buitenlucht bij een horecagelegenheid waar eten en drinken genuttigd kan worden.

1.151 Tijdelijk (teelt)ondersteunende voorzieningen

het tijdelijk, gedurende maximaal 6 maanden per jaar (afhankelijk van de teelt), bouwen en/of aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen.

1.152 Tijdelijke huisvesting seizoensarbeiders

het huisvesten van werknemers, die in een periode van grote arbeidsbehoefte gedurende enkele maanden op een agrarisch bedrijf werkzaam zijn om naar de aard kortdurend werk te verrichten.

1.153 Tijdelijke verblijfsruimte/semi-permanente voorziening

een demontabel en/of relatief eenvoudig verwijderbaar gebouw ten behoeve van huisvesting voor mantelzorg, bestaande uit één bouwlaag en geschikt voor woonverblijf.

1.154 Tuincentrum

een inrichting gericht op de verkoop, al dan niet overdekt, van producten waarin het hoofdaccent gericht is op artikelen die dienen voor de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen of daarmee samenhangende producten.

1.155 VAB-vestiging

vestiging van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij gebruik wordt gemaakt van een bestaand bestemmingsvlak of bouwvlak waarbinnen dit bestemmingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m² toestaat.

1.156 Vaste standplaats

locatie voor kamperen dan wel het op een standplaats plaatsen van kampeermiddelen gedurende het gehele jaar of vrijwel het gehele jaar.

1.157 Veldschuur

een vrij in het open veld staande schuur, die wordt gebruikt voor het onderbrengen van vee tegen weersinvloeden en/of voor de opslag van agrarische producten en/ of voor de opslag van agrarische werktuigen.

1.158 Verblijfsrecreatie

het verblijf voor recreatieve doeleinden buiten de eerste woning, waarbij ten minste één nacht wordt doorgebracht, met uitzondering van overnachtingen bij familie of kennissen.

1.159 Verhard

een verharding bestaande uit baksteen, tegels, beton en/of asfalt, alsmede daarmede vergelijkbare vaste/gesloten materialen.

1.160 (Netto) verkoopvloeroppervlak

de verkoopruimte, d.w.z. het voor het winkelend publiek toegankelijke deel van (het bruto oppervlak van) een detailhandelsbedrijf, inclusief de etalages en de ruimte achter toonbanken en kassa's.

1.161 Verwevingsgebied

ruimtelijk begrensd gedeelte van een reconstructiegebied gericht op verweving van landbouw, wonen en natuur. Hervestiging of uitbreiding van veehouderijen is mogelijk, mits de ruimtelijke kwaliteit of functies van het gebied zich daar niet tegen verzetten.

1.162 Vestiging van een agrarisch bedrijf

Het vestigen van een nieuw agrarisch bedrijf op een bestaand agrarisch bouwblok waar de eerdere agrarische activiteiten zijn gestaakt.

1.163 Volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf dat de arbeidsomvang heeft van tenminste één volledige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen in zowel bedrijfseconomisch als op milieuhygiënisch opzicht.

1.164 Voorgevellijn

  1. de op de verbeelding aangegeven lijn (bouwgrens), die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen;
  2. langs de wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft.

1.165 Voorkeursgrenswaarde

de maximale waarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

1.166 Vormverandering van een bouwvlak/bestemmingsvlak

wijziging van de begrenzing van een bouwvlak, zonder dat dit gepaard gaat met een vergroting van de totale oppervlakte en zonder dat dit de ruimtelijke kwaliteit aantast.

1.167 Watergang

een werk al of niet overdekt, dienend om in het openbaar belang water te ontvangen, te bergen, af te voeren en toe te voeren, de boven water gelegen taluds, bermen en onderhoudspaden daaronder mede verstaan.

1.168 Waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die het waterhuishoudingsbelang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang e.d., voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterafvoer, waterinfiltratie en waterberging; bijbehorende voorzieningen zoals bermen, paden, beschoeiingen.

1.169 Weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen.

1.170 Werk

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van detailhandel, inclusief het gebruik voor ambachtelijke bedrijvigheid, voor zover dat gebruik in verband staat en essentieel onderdeel is van de ter plaatse uitgeoefende detailhandel, zoals bijvoorbeeld onderhoud, reparatie en installatie.

1.171 Woning

een (gedeelte van een) gebouw, dat bestaat uit een complex van ruimten uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van niet meer dan één afzonderlijk huishouden;
 
vrijstaande woning:
een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken, geen gemeenschappelijke wand heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende bouwwerken;
 
twee-aaneengebouwde woning:
  1. een woning, die deel uitmaakt van een blok van twee aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één kap);
  2. een woning, waarbij het hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken één of meer gemeenschappelijke wanden heeft met een naastgelegen hoofdgebouw dan wel daar bijbehorende bouwwerken (geschakeld).
aaneengebouwde woning:
een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee als woning aan elkaar gebouwde hoofdgebouwen;
 
gestapelde woning:
een woning in een woongebouw dat twee of meer geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen bevat.

1.172 IJsmakerij

een bedrijf dat ambachtelijk ijs en aanverwante producten produceert.
 

1.173 IJssalon

een vorm van horeca waar dranken worden geschonken en ijs wordt geserveerd voor consumptie ter plaatse.

1.174 Zakelijke dienstverlening

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, zoals die genoemd worden in de bedrijfsklassen 81, 82, 83, 84 en 85.3 van de Bedrijfstak nr. 8 van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek opgestelde Standaard Bedrijfsindeling (SBI), zoals opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

1.175 Zorgboerderij

de opvang van mensen met een zorgvraag hetzij als niet-agrarische neventak, hetzij als vervolgfunctie op een agrarisch bouwvlak, waarbij het meewerken op het agrarisch bedrijf of bij het kleinschalig houden van dieren een wezenlijk onderdeel is van realisatie of therapie.

1.176 Zorgvuldige veehouderij

Een intensieve of een grondgebonden veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op het landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving. 

1.177 Zomerseizoen

de periode van 1 mei tot 1 oktober.

1.178 Zoekgebied ecologische verbindingszone

gebied waarbinnen een ecologische verbindingszone is of wordt gerealiseerd.

1.179 Zorgwoning

een gebouw in gebruik als zelfstandige woning gericht op het verlenen van zorg.

1.180 Intensieve kwekerij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf (conform de Verordening Ruimte een 'overig niet-grondgebonden bedrijf') waar gewassen worden geteeld of dieren worden gekweekt (niet zijnde vee), waarbij nagenoeg geen gebruik wordt gemaakt van daglicht. Voorbeelden hiervan zijn: champignons, witlof, vis, schaaldieren, wormen en maden.

1.181 Solitair gebouw

een op zichzelf staand gebouw, niet deel uitmakende van een complex van bebouwing.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Bij het toepassen van deze regels wordt als volgt gemeten

2.1.1 De afstand tussen gebouwen
De kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de gebouwen.
2.1.2 De afstand tot de weg
De afstand tot de bebouwing en de as van de (hoofd)weg, een parallelweg niet meegerekend.
2.1.3 De bouwhoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
2.1.4 De dakhelling
Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.
2.1.5 De diepte van gebouwen
De grootste afstand in meters tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de voor- en achtergevel en/of hart van scheidingsmuren.
2.1.6 De goothoogte van een bouwwerk
Vanaf het peil tot de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
2.1.7 De inhoud van een bouwwerk
Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het
hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
2.1.8 De oppervlakte van een bouwwerk
Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
2.1.9 Bebouwingspercentage
Deel van het bouwvlak dat bebouwd mag worden, uitgedrukt in procenten.
2.1.10 Peil
  1. Voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein.

2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw- en bestaande grenzen niet meer bedraagt dan 1 m.

hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarische bodemexploitatie
  2. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. doeleinden van openbaar nut;
  5. bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied';
  6. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  7. de verwezenlijking van waterberging ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  8. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  9. bloemencorso-bouwplaats uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats';
  10. tuinen bij (burger)woningen;
 een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

3.2 Bouwregels

3.2.1 Algemeen
Op de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder dan 5 m bedragen.
3.2.2 Gebouwen
Regels voor gebouwen zijn:
  1. er mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. is een permanente corso-opslagruimte toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte maximaal 250 m² bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 15 m bedragen.
3.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen
Regels voor teeltondersteunende voorzieningen zijn:
  1. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  2. een uitzondering op het bepaalde onder a. geldt binnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen. De bouwhoogte bedraagt maximaal 3m; 
  3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m.
3.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Regels voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn:
 
  1. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  2. sleufsilo's zijn toegestaan onder de voorwaarden dat:
    1. sleufsilo's binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. sleufsilo's zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor sleufsilo's;
    4. sleufsilo's zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 2,5 m;
    6. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen maximaal 2,0 ha bedraagt. 
  3. in afwijking van het bepaalde onder a. is een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' is toegestaan onder de voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte van de corsotent maximaal 12 m bedraagt;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden.
  4. de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.  

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van bebouwing ten behoeve van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  4. het behoud en herstel van de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 

3.4 Afwijken van de bouwregels

 
3.4.1 Afwijken bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.4 sub e voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een erf- of perceelsafscheiding, met een grotere bouwhoogte, tot maximaal 6 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel enige andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het agrarische bedrijf;
  2. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt;
  4. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie;
  5. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de ecologische, landschappelijke of hydrologische waarden ter plaatse;
  6. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
3.4.2 Afwijken ten behoeve van een hobbymatige paardenbak
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 2.4 sub a voor de realisatie van een hobbymatige paardenbak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd binnen de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' of 'Wonen';
  2. de paardenbak wordt aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' of 'Wonen' gesitueerd, dat wil zeggen tot maximaal 100 m vanaf de achtergrens van het bestemmingsvlak;
  3. per bestemmingsvlak is maximaal één hobbymatige paardenbak toegestaan;
  4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
  6. de omvang per paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
  7. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  8. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
  9. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m³;
  10. er wordt voldaan aan de milieu- en dierenwelzijnswetgeving

3.5 Specifieke gebruiksregels

3.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest ten behoeve van enig bedrijf, met uitzondering van het bepaalde onder artikel 3 lid 4.2 sub i;
  2. buitenopslag;
  3. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan;
  4. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen;
  5. het gebruik ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen.
3.5.2 Toegestaan gebruik
Onder gebruik in overeenstemming met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen die niet als bouwwerk zijn aan te merken, niet hoger dan 50 cm;
  2. erfverhardingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij de volgende regels gelden:
    1. kuilvoerplaten binnen de aanduiding 'reconstructiewetzonde-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor kuilvoerplaten;
    4. kuilvoerplaten zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen) maximaal 2,0 ha bedraagt.

3.6 Afwijken van de gebruiksregels

3.6.1 Afwijken ten behoeve van minicampings
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3 lid 5.1 sub d teneinde een minicamping als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', dat wil zeggen tot maximaal 25 m vanaf de achtergrens van dit bestemmingsvlak en op een afstand van minimaal 25 m van een (bedrijfs)woning van derden;
  2. het bepaalde onder a is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat er geen of onvoldoende ruimte is binnen het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf';
  3. kampeermiddelen(tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan, voor zover ze niet permanent worden geplaatst;
  4. er zijn maximaal 5 trekkershutten per minicamping toegestaan;
  5. de maximale oppervlakte per trekkershut bedraagt 25 m²;
  6. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan;
  7. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid; 
  8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  9. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  10. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  11. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende (agrarische) bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  12. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 3 lid 1 omschreven waarden.

3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

3.7.1 Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  3. het ophogen van gronden op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  4. het verharden van zandpaden;
  5. de aanleg van permanente teeltondersteunende voorzieningen.
3.7.2 Uitzonderingen op verbod
Het onder artikel 3 lid 7.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  3. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.
3.7.3 Afwegingskader
  1. De in artikel 3 lid 7.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien door de werken en/ of werkzaamheden danwel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind.
  2. De in artikel 3 lid 7.1 sub e genoemde omgevingsvergunning tevens slechts wordt verleend indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
    1. permanente teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend grenzend aan gronden met de bestemming 'Agrarisch -Agrarisch bedrijf' worden aangelegd;
    2. de totale oppervlakte aan permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het gehele plangebied bedraagt maximaal 500 ha;
    3. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en/of van een dusdanige positionering dat de landschappelijke waarden niet worden aangetast en voldaan moet worden aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  3. De in artikel 3 lid 7.1 sub b en artikel 3 lid 7.1 sub c genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend nadat het betrokken waterschapsbestuur is gehoord.
3.7.4 Waarden
Onder de in artikel 3 lid 7.3 sub a genoemde waarden worden verstaan:
  1. ten aanzien van de in artikel 3 lid 7.1 sub a genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden.
  2. ten aanzien van de in artikel 3 lid 7.1 sub b en artikel 3 lid 7.1 sub c genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen;
  3. indien de in artikel 3 lid 7.1 sub e genoemde werken of werkzaamheden worden aangelegd op gronden met de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel'de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen en op gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone': de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden;
  4. ten aanzien van de in artikel 3 lid 7.1 sub d genoemde werken of werkzaamheden: de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

3.8 Wijzigingsbevoegdheid

3.8.1 Wijziging ten behoeve van permanente teeltondersteunende voorzieningen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen' toe te kennen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 
  1. de aanduiding grenst aan enig bouwvlak; 
  2. de omvang bedraagt maximaal 3 ha; 
  3. de bouwhoogte van de teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 3 m;
  4. er is sprake van een een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  5. de noodzaak van het permanent plaatsen van de permanente teeltondersteunende voorzieningen (c.q. permanente teelt) dient te worden aangetoond en wordt ook ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. 
3.8.2 Wijziging ten behoeve van vormverandering van een agrarisch bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ten behoeve van de vormverandering van een agrarisch bedrijf, al dan niet met een nadere aanduiding, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.2;
  2. de vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een doelmatige plaatsing van bouwwerken op het perceel;
  3. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  4. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone ecologische verbindingszone' en/of de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van deze ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast;
  5. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. vormverandering ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is enkel toegestaan als er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  8. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'; 
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. deze wijzigingsbevoegdheid kan in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' worden gebruikt;
  11. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
  12. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
    1. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' is niet toegestaan;
    2. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' en/of de aanduiding 'wro-zone – ecologische verbindingszone' en/of de aanduiding 'wro-zone – zoekgebied beekherstel' komt te liggen is niet toegestaan;
    3. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd;
    4. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, zoals die gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Er wordt dan tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
    5. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    6. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
    7. Heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is. 
3.8.3 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf, zijnde een (vollegrond)teeltbedrijf zonder aanduiding of een glastuinbouwbedrijf met de aanduiding 'glastuinbouw', 'bomenteelt', of een niet-grondgebonden bedrijf met de aanduiding 'intensieve kwekerij' of een paardenhouderij met de aanduiding 'paardenhouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' (niet zijnde met de aanduiding 'intensieve veehouderij') mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. De wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1
  2. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' strak rondom een solitair gebouw is gelegen;
  3. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  4.  vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro-zone – wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van de ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  5. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' en/of dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS'is uitsluitend toegestaan indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. voor (vollegrond)teeltbedrijven zonder aanduiding en boomteeltbedrijven met de aanduiding 'bomenteelt' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 5.000 m² netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf;
  8. voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de aanduiding 'intensieve kwekerij' en niet zijnde een intensieve veehouderij en paardenhouderijen met de aanduiding 'paardenhouderij'is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tot een omvang 1,5 ha toegestaan met een maximale oppervlakte aan kassen 5.000 m² netto glas;
  9. voor bestaande glastuinbouwbedrijven met de aanduiding 'glastuinbouw' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximum van 4 ha en maximaal 3 ha netto glas, waarbij de volgende extra regels gelden:
    1. de vergroting is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf op langere termijn;
    2. er is een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  10. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  11. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  12. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  13. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'.
  14. extra regels ten behoeve van vergroting voor de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen (zowel bouwwerken als werken):
    1. het bestemmingsvlak 'Agrarisch-agrarisch bedrijf' kan ten behoeve van een (vollegrond)teeltbedrijf al dan niet met de aanduiding ´bomenteelt´ worden vergroot ten behoeve van enkel permanente teeltondersteunende voorzieningen met ten hoogste 3 ha (buiten de genoemde omvang zoals genoemd onder g.). De maximale omvang van het bestemmingsvlak bedraagt in totaal 5 ha;
    2. de bouwhoogte van de teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 3 m;
    3. er zal een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen worden opgenomen;
    4. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
    5. de noodzaak van het permanent plaatsen van de teeltondersteunende voorzieningen (c.q. permanente teelt) dient te worden aangetoond en wordt ook ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. 
3.8.4 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf met aanduiding 'intensieve veehouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' met de aanduiding 'intensieve veehouderij' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en/of 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro zone-zoekgebied beekherstel'  en/of de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming 'Attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad; 
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd; 
  7. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  8. heeft de vergroting tot doel om  bedrijfsgebouwen  een toename van de oppervlakte van de dierenverblijven  mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om  bedrijfsgebouwen  een toename van de oppervlakte van de dierenverblijven  mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is; 
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. 
3.8.5 Wijziging ten behoeve van vergroting van een grondgebonden veehouderij
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  7. vergroting binnen de aanduiding ´reconstructiewetzonde-extensiveringsgebied' is toegestaan indien, met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven  mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.  
3.8.6 Wijziging ten behoeve van vergroting en/of vormverandering Bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' (en eventueel het bouwvlak) mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 9 lid 7.2;
  2. aangetoond is dat binnen het bestaande bestemmingsvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding;
  3. de vergroting of vormverandering is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfseconomische omstandigheden;
  4. de vergroting is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van een bedrijfsactiviteit in de milieucategorie 1 of 2. Een vergroting voor een activiteit in de milieucategorie 3.1 is toegestaan, mits is aangetoond dat deze activiteit naar aard en omvang gelijk te stellen is aan milieucategorie 2. Het mag geen geluidzoneringsplichtige activiteit betreffen;
  5. oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag na vergroting niet meer bedragen dan 5.000 m². Zijn de huidige bestemmingsvlakken al groter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting;
  6. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  7. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  8. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast;
  11. de overige bouw- en gebruiksregels uit artikel 9 Bedrijf zijn overeenkomstig van toepassing.
3.8.7 Wijziging ten behoeve van waterberging
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen ten behoeve van de inrichting en beheer van gronden als waterbergingsgebied waarbij de bestemming 'Water' of dubbelbestemming' Waterstaat - Waterbergingsgebied' wordt toegekend, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van gronden met de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  2. het gebruik voor waterberging vormt geen onevenredige belemmering voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
  3. de wijziging is uitsluitend toegestaan als de in het gebied aanwezige natuurwaarden, landschapswaarden, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en hydrologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
3.8.8 Wijziging ten behoeve van natuurontwikkeling
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of 'Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden.
3.8.9 Wijziging ten behoeve van ecologische verbindingszone
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch' met de aanduiding 'wro zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of 'Natuur' ter verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden.

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde een boomteeltbedrijf toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij', is -al dan niet in combinatie met een grondgebonden bedrijf, waaronder onder andere een boomteeltbedrijf- uitsluitend een intensieve veehouderij toegestaan;
  3. alleen ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' is een glastuinbouwbedrijf of glasboomteeltbedrijf toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'intensieve kwekerij' is uitsluitend een niet- grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde intensieve veehouderij of glastuinbouw, toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' is uitsluitend een zorgvuldige veehouderij toegestaan;
  6. alleen ter plaatse van de aanduiding 'bomenteelt' is tevens een boomteeltbedrijf toegestaan;
  7. alleen ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' is tevens een productiegerichte paardenhouderij toegestaan;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een of meerdere bedrijfswoningen toegestaan, waarbij het toegestane aantal op de planverbeelding is aangegeven;
  9. ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' is het aangeduide aantal bedrijfswoningen toegestaan;
  10. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-plattelandswoning' is een plattelandswoning toegestaan;
  11. ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum' is tevens een tuincentrum toegestaan;
  12. ter plaatse van de aanduiding 'horeca' is tevens naast een agrarisch bedrijf een horecabedrijf in de vorm van een (eet)café of restaurant toegestaan;
  13. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca-ijssalon' is tevens een ijsmakerij met ijssalon toegestaan;
  14. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie' mag de bedrijfswoning ook als recreatiewoning worden gebruikt;
  15. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen' zijn uitsluitend teeltondersteunende voorzieningen ten behoeve van een agrarisch bedrijf toegestaan;
  16. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hoort bij elders gevestigd agrarisch bedrijf' is uitsluitend sprake van een agrarisch perceel op afstand waar enkel grondgebonden agrarische bedrijfsactiviteiten, niet zijnde veehouderij- en/of paardenhouderij-activiteiten zijn toegestaan, ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf, dat elders zijn hoofdvestiging heeft;
  17. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht 2' gelden tevens de bepalingen zoals opgenomen in artikel 45 lid 3 sub b;
  18. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten' zijn op de volgende adressen tevens de volgende nevenactiviteiten toegestaan, waarbij de maximale oppervlakte die daarvoor wordt aangewend niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied Zundert indien de aanduiding over het gehele bestemmingsvlak is opgenomen, of niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van de aanduiding, indien de aanduiding niet over het gehele bestemmingsvlak is opgenomen:
    Tabel nevenactiviteiten
    aanduiding
    functie/aard nevenactiviteit
    straatnaam
    huisnummer
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    Manege
    Antwerpseweg
    65
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    Bed and Breakfast 2x
    Egeldonkstraat
    5
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    Kattenfokkerij en -kennel
    Groenestraat
    30

    specifieke vorm van bedrijf- nevenactiviteiten
    Bed and breakfast
    Breedschotsestraat
    2a
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    caravanstalling
    Bredaseweg
    (Rijsbergen)
    38
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    plantenhandel
    Ellewaard
    2
    museum
    Museum
    Heischoorstraat
    4
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    Transportbedrijf
    Laveibosstraat
    3
    verblijfsrecreatie
    recreatiewoning
    Loosbergstraat
    2
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    theehuis met terras en rondleidingen op bedrijf
    Pannenhoefsebaan
    31
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    bloemen- en plantenwinkel/handel
    Schriekenweg
    6
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    Vakantiewoning en dagrecreatie (boerengolf en excursies)
    Kerkhofstraat
    3
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    zorgboerderij
    Kraaivenstraat
    9
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    kantoor- en vergaderruimte
    Moersebaan
    8
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    hondenfokkerij
    Nieuwmoerseweg
    31
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    tractoren- en machinereparatie
    Oude Heistraat
    26
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    hoefsmederij
    Pannenhoefsebaan
    13
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    loonbedrijf, transport-
    bedrijf,  drogen van stapelbare pluimveemest door op- en overslag waarbij de mest gedurende het droogproces niet mag worden omgezet ,
     handelsbedrijf
    Rucphenseweg
    24
    specifieke vorm van bedrijf-nevenactiviteiten
    herberg
    Rucphenseweg
    35
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    paardenhouderij
    Schriekenweg
    13
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    wijnmakerij
    Stuivezandseweg
    44
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    constructiebedrijf
    Stuivezandseweg
    46
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    zorgboerderij
    Tiggeltsebergstraat
    54a
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    transportbedrijf
    van Lanschotstraat
    36
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    bed and breakfast
    Vervul
    3
    specifieke vorm van bedrijf - nevenactiviteiten
    groothandel in in- en export van planten en boomzaden
    Waaijenbergstraat
    5a
    specifieke vorm van bedrijf – nevenactiviteiten
    zorgboerderij
    Watermanseweg
    1a
    specifieke vorm van bedrijf – nevenactiviteiten
    Hoveniersbedrijf
    Overasebaan
    43
    specifieke vorm van bedrijf – nevenactiviteiten
    Paardenpension voor 8 paarden
    Oekelsebaan
    47
    specifieke vorm van bedrijf – nevenactiviteiten
    Hoefsmederij
    Molenweg
    7
    Specifieke vorm van bedrijf – nevenactiviteiten[ 
    Loonwerkbedrijf
    Slikstraatje
  19. ondergeschikte detailhandel met verkoop van streekeigen en/of biologische productenals nevenactiviteit;
  20. statische binnenopslag als nevenactiviteit;
  21. mini-camping als nevenactiviteit;
  22. bed & breakfast als nevenactiviteit;
  23. extensieve dagrecreatie, hoveniersbedrijf, veehandelsbedrijf, hoefsmederij, paardenpension en ambachtelijke bewerking als nevenactiviteit;
  24. een beroep of bedrijf aan huis bij de bedrijfswoning;
  25. het behoud, de versterking en/of het herstel van de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
  26. een voormalig agrarisch bedrijf op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-voormalig agrarisch bedrijf';
  27. het behoud, de versterking en/of het herstel van de landschappelijke inpassing van het agrarisch bedrijf;
  28. bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied';
  29. bloemencorso-bouwplaats gedurende een aaneengesloten periode van mei tot en met september uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-corsobouwplaats';
Met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, tuinen, erven en agrarische gronden.
 

4.2 Bouwregels

4.2.1 Algemeen
4.2.1.1 Toegestane bebouwing
Op de voor 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. kassen, tevens teeltondersteunende kassen;
  2. teeltondersteunende voorzieningen;
  3. agrarische gebouwen niet zijnde kassen;
  4. bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'horeca', 'tuincentrum' en 'specifieke vorm van horeca-ijssalon';
  5. een bedrijfswoning, tenzij de aanduiding '-bedrijfswoning' op de planverbeelding is opgenomen;
  6. bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning;
  7. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2.1.2 Algemeen bouwverbod
Ter plaatse van de volgende aanduidingen is het niet toegestaan te bouwen:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-voormalig agrarisch bedrijf';
  2. De overige bepalingen in artikel 4 lid 2.2artikel 4 lid 2.3 en artikel 4 lid 2.5 zijn dan ook hier niet van toepassing 
    1. Tevens is het niet toegestaan te bouwen:
  3. ten behoeve van een grondgebonden of een intensieve veehouderij, indien de bestaande oppervlaktemaat aan bedrijfsbebouwing daarmee wordt vergroot.
4.2.1.3 Algemene bouwregels
  1. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één agrarisch bedrijf toegestaan;
  2. indien tussen bestemmingsvlakken de aanduiding 'relatie' is aangegeven worden deze vlakken aangemerkt als één bestemmingsvlak;
  3. het bestemmingsvlak mag volledig bebouwd worden, met dien verstande dat de afstand tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend) waaraan wordt gebouwd niet minder mag bedragen dan 15 m;
  4. de afstand tussen de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 3 m;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen' mogen uitsluitend teeltondersteunende voorzieningen worden gebouwd;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarde' geldt in afwijking van en in aanvulling op het bepaalde in dit artikel 4 lid 2 dat de hoofdvorm van de aangewezen gebouwen (bepaald door de oppervlakte, de gevelbreedte, de bouwhoogte, de goothoogte, de dakhelling en de nokrichting), zoals die hoofdvorm bestond op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan gehandhaafd dient te worden. Een verzoek om een omgevingsvergunning inhoudende een wijziging aan de hoofdvorm zal worden voorgelegd aan de monumentencommissie.
4.2.2 Kassen
Voor de bouw van kassen gelden de volgende regels: 
  1. de goothoogte bedraagt maximaal 6 m;
  2. de bouwhoogte van een kas bedraagt maximaal 8 m;
    1. Met dien verstande dat:
  3. ter plaatse van de aanduiding 'kas uitgesloten' is de bouw van kassen niet toegestaan;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' bedraagt de oppervlakte netto glas maximaal 3 ha;
  5. indien een bestemmingsvlak zonder aanduiding 'glastuinbouw' aan minimaal 1 zijde grenst aan de bestemming 'Agrarisch', geldt dat de oppervlakte netto glas maximaal 5.000 m² bedraagt;
  6. indien een bestemmingsvlak met de aanduiding 'bomenteelt' tevens aan minimaal 3 zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied' geldt dat de oppervlakte netto glas maximaal 3 ha bedraagt;
  7. indien een bestemmingsvlak zonder aanduiding 'bomenteelt' of 'glastuinbouw' tevens aan minimaal 3 zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied' of de bestemming 'Agrarisch - AHS Plus' geldt dat de oppervlakte netto glas maximaal 1,5 ha bedraagt.
  8. indien een bestemmingsvlak zonder aanduiding 'glastuinbouw' (eventueel met de aanduiding 'bomenteelt') aan minimaal 1 zijde grenst aan de bestemming, 'Agrarisch met waarden-Beekdal' of 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel', geldt dat de bestaande legale oppervlakte netto glas de maximaal toegestane omvang is.
4.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen
Voor teeltondersteunende voorzieningen ( zowel gebouwen als bouwwerken geen gebouwen zijnde) gelden de volgende regels:
  1. zowel tijdelijke als permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m.
  3. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen geldt dat de bouwhoogte van de permanente teeltondersteunende voorzieningen maximaal 3 m bedraagt.
4.2.4 Agrarische gebouwen, niet zijnde kassen
4.2.5 Bedrijfsgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'horeca' en 'specifieke vorm van horeca-ijssalon'
Voor deze bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'horeca' en 'specifieke vorm van horeca-ijssalon' naast het bestaande horecagebouw/ijssalon uitsluitend nog 1 bijbehorend bouwwerk gebouwd mag worden ten behoeve van opslag en dergelijke, waarbij de volgende regels gelden:
    1. de oppervlakte bedraagt maximaal 50 m²;
    2. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m;
    3. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m;
    4. het bijbehorend bouwwerk mag zowel vrijstaand als aan het horecagebouw worden gebouwd;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'horeca' en 'specifieke vorm van horeca-ijssalon' mogen geen nieuwe gebouwen meer worden gebouwd, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk, zoals genoemd onder a. Het bestaande horecagebouw/ijssalon dat aanwezig was ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan is het uitgangspunt en mag op de bestaande fundamenten worden herbouwd.
4.2.6 Bedrijfswoningen
Voor een bedrijfswoning gelden bovendien de volgende regels:
  1. ter plaatse van de aanduiding 'maximaal aantal wooneenheden' en de aanduiding 'bedrijfswoning' ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning' is geen bedrijfswoning toegestaan;
  3. indien geen aanduiding op de verbeelding is weergegeven is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  4. ter plaatse van de bouwaanduiding 'twee aaneen'geldt dat de beide bedrijfswoningen aaneengebouwd moeten zijn en dus niet vrij van elkaar mogen worden gebouwd en/of herbouwd;
  5. de inhoud van een bedrijfswoning (exclusief bijbehorende bouwwerken) bedraagt niet meer dan 750 m³;
  6. de goothoogte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 5 m;
  7. de bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 9 m.
4.2.7 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels:
  1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per bedrijfswoning mag maximaal 100 m² bedragen;
  2. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning bedraagt maximaal 3,5 m;
  3. de bouwhoogte van een bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning bedraagt maximaal 6 m;
  4. de bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoningen dienen minimaal 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
  5. de maximale afstand tussen de bedrijfswoning en een bijbehorend bouwwerk bedraagt 25 m.
4.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor een bouwwerk, geen gebouw zijnde gelden de volgende regels:
  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden achter de voorgevellijn van een bedrijfswoning gebouwd, tenzij er een noodzaak is aangetoond dat een bouwwerk voor de voorgevellijn wordt opgericht;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a. mogen wel erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevellijn worden van een bedrijfswoning worden gerealiseerd waarvan de bouwhoogte maximaal 1 m bedraagt;
  3. in afwijking van het bepaalde onder a. geldt dat er wel een poort voor de voorgevellijn van een bedrijfswoning mag worden gebouwd met een bouwhoogte van maximaal 2 m;
  4. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn bedraagt maximaal 2 m;
  5. de bouwhoogte van torensilo's en windmolens bedraagt maximaal 15 m;
  6. de bouwhoogte van mestsilo's bedraagt maximaal 5 m;
  7. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 2,5 m;
  8. de bouwhoogte van lichtmasten ten behoeve van paardenbakken ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' bedraagt maximaal 5 m;
  9. de bouwhoogte van afrasteringen ten behoeve van paardenbakken ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' bedraagt maximaal 2 m en de afrasteringen dienen te worden uitgevoerd in een open constructie;
  10. ten behoeve van de bouw van een paardenbak voor hobbymatig gebruik ter plaatse van een bestemmingsvlak zonder aanduiding 'paardenhouderij' gelden de volgende regels:
    1. per bedrijfswoning is maximaal 1 paardenbak voor hobbymatig gebruik toegestaan;
    2. er is geen sprake van een aanduiding '-bedrijfswoning';
    3. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
    4. de oppervlakte per paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
    5. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
    6. de afrastering wordt uitgevoerd in een open constructie en heeft een bouwhoogte van maximaal 2 m;
    7. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m3;
  11. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 8 m;
  12. Ten behoeve van een corsobouwplaats is een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk- corsobouwplaats' toegestaan onder de voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte van de corsotent maximaal 12 m bedraagt;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden.

4.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de bestemmingsomschrijving in artikel 4 lid 1 zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4 lid 2 bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing, moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

4.4 Afwijken van de bouwregels

4.4.1 Afwijken ten behoeve van uitbreiding bedrijfsgebouwen bij een grondgebonden veehouderij of een intensieve veehouderij
bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.1.2 sub c voor een uitbreiding van bedrijfsgebouwen bij een grondgebonden veehouderij of een intensieve veehouderij, onder de voorwaarden dat:
  1.  uitbreiding van bedrijfsgebouwen  een toename van de oppervlakte van de dierenverblijven  binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' ten behoeve van een intensieve veehouderij (met de aanduiding 'intensieve veehouderij') is niet toegestaan;
  2.  uitbreiding een toename van de oppervlakte dierenverblijf   ten behoeve van een intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij'  binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-verwevingsgebied' is niet alleen  toegestaan indien  het bestaande aantal dierplaatsen wordt vergroot en bestaande diersoorten wordt gewijzigd;  er wordt voldaan aan de regels voor het stalderingsgebied conform het provinciaal beleid. 
  3. Is er geen sprake van het bepaalde onder a. of b. dan kan medewerking worden verleend als:
    1. binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' mag enkel gebouwd wordt ten behoeve van een grondgebonden veehouderij, en met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
    2. medewerking wordt tevens slechts verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore (en Nadere Regels) zoals vastgesteld in provinciaal beleid;
    3. de ontwikkeling vanuit een goede leefomgeving inpasbaar is in de omgeving, waarbij rekening is gehouden met bodemkwaliteit, waterhuishouding, de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, de cultuurhistorische waarden, de ecologische waarden, de aardkundige waarden en landschappelijke waarden en waarbij de omvang past in de omgeving, waarbij de effecten voor milieu en volksgezondheid zijn meegenomen;
    4. aangetoond is dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er-indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages- maatregelen worden getroffen door het bedrijf die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting gecompenseerd;
    5. is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
    6. is aangetoond dat er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met de omgeving, voorafgaand aan de aanvraag en gericht op het betrekken van belangen van de omgeving bij de uitbreiding van bedrijfsgebouwen en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
    7. binnen gebouwen mag ten hoogste één bouwlaag gebruikt worden voor het houden van dieren. 
4.4.2 Afwijken ten behoeve van een grotere hoogte kassen
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.2 zodat een grotere hoogte voor kassen wordt toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. de goothoogte bedraagt maximaal 8 m;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 11 m;
  3. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering, dan wel vanwege andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf;
  4. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
4.4.3 Afwijken van de minimale afstanden
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.1.3 zodat het bouwen binnen de minimale afstandsgrenzen kan worden toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. het bouwen in verband met een doelmatige bedrijfsvoering dan wel vanwege andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf;
  2. het stedenbouwkundig beeld niet onevenredig wordt aangetast;
  3. de cultuurhistorische waarden niet onevenredig worden aangetast;
  4. de verkeersveiligheid niet wordt aangetast;
  5. het gebruik van aangrenzende percelen niet onevenredig wordt beperkt;
  6. de waterhuishoudkundige situatie niet wordt aangetast.
4.4.4 Afwijken gebouwen t.b.v tijdelijke huisvesting tijdelijke werknemers (woonunits en/of stacaravans)
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.1.1 voor het plaatsen van tijdelijke huisvesting (stacaravan of woonunit) voor tijdelijke werknemers onder de voorwaarden dat:
  1. de tijdelijke huisvesting van werknemers is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
  2. huisvesting ten gunste van andere bedrijven is toegestaan, mits minimaal 75% van de gehuisveste arbeidsmigranten werkzaam zijn binnen het eigen bedrijf of de inzetbaarheid binnen het eigen bedrijf minimaal 75% van de maximale huisvestingstermijn bedraagt;
  3. het aantal te huisvesten werknemers bedraagt per bedrijf niet meer dan 50, tenzij aannemelijk gemaakt wordt dat een groter aantal werknemers nodig is in verband met de specifieke bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf;
  4. er wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen met betrekking tot aanvragen voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor meer dan 15 personen;
  5. de huisvesting wordt per kalenderjaar voor ten minste zes aaneengesloten weken onderbroken;
  6. de stacaravan of woonunit heeft maximaal één bouwlaag;
  7. de gezamenlijke oppervlakte van woonunits en/of stacaravans bedraagt maximaal 600 m²;
  8. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  10. parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost, inhoudende dat er minimaal een parkeerplaats per drie huisvestingsplaatsen moet worden gerealiseerd.
Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning in, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleken noodzaak voor huisvesting van tijdelijke werknemers niet meer aanwezig is.
4.4.5 Afwijken ten behoeve van tijdelijke woonunits voor mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 2.1.1 om extra bebouwing toe te staan in de vorm van een woonunit ten behoeve van mantelzorg, onder de voorwaarden dat:
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
  2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege erkende instantie;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  5. per bedrijfswoning is maximaal één woonunit toegestaan;
  6. de oppervlakte van de woonunit bedraagt maximaal 80 m²;
  7. de bouwhoogte van de woonunit bedraagt maximaal 3,25 m;
  8. indien de woonunit aan een zijgevel van de bedrijfswoning wordt geplaatst, dient deze minimaal 3 m achter de voorgevellijn te worden gerealiseerd;
  9. indien de woonunit vrij van de bedrijfswoning wordt gerealiseerd, geldt dat de maximale afstand tussen de bedrijfswoning en de woonunit 25 m bedraagt;
  10. de woonunit is een tijdelijk gebouw en er is dan ook geen sprake van een tweede wooneenheid
Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning in indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleken noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
4.4.6 Afwijken grotere bouwhoogte agrarische bedrijfsgebouwen
  Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde inartikel 4 lid 4.2 sub b  zodat een grotere hoogte voor agrarische bedrijfsgebouwen wordt toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 15 m;
  2. het bouwen is, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering, dan wel vanwege andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf;
  3. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.

4.5 Specifieke gebruiksregels

4.5.1 Ondergeschikte detailhandel met verkoop van streekeigen en/of biologische producten als nevenactiviteit
Binnen deze bestemming is ondergeschikte detailhandel met verkoop van streekeigen en/of biologische producten als nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf toegestaan tot een  verkoopvloeroppervlakte van maximaal 200 m², mits wordt voldaan aan de volgende regels:
  1. er moet sprake zijn van een winkel die aan de agrarische functie is verbonden;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  3. er dient geen sprake te zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking; 
  4. het parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost.
4.5.2 Statische binnenopslag als nevenactiviteit
Binnen deze bestemming is statische binnenopslag als ondergeschikte nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf
toegestaan waarbij de agrarische activiteit als hoofdactiviteit zichtbaar en herkenbaar blijft mits wordt voldaan aan de volgende regels:
  1. de binnenopslag vindt plaats in bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen;
  2. de oppervlakte voor statische binnenopslag bedraagt maximaal 1.000 m²;
  3. er is geen sprake van opslag van gevaarlijke stoffen;
  4. er is geen sprake van opslag ten behoeve van een ander niet-agrarisch bedrijf;
  5. er is tevens binnenopslag (magazijnruimte) toegestaan voor internetverkoop van niet-volumineuze goederen, waarbij er geen goederen worden verkocht op het bedrijf zelf direct aan de klant en enkel per post of koeriersdienst bij de klant worden thuisbezorgd;
  6. er is geen sprake van detailhandel- of groothandelsactiviteiten.
4.5.3 Minicamping als nevenactiviteit
Binnen deze bestemming is een minicamping met de daarbij behorende voorzieningen als ondergeschikte nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf toegestaan waarbij de agrarische activiteit als hoofdactiviteit zichtbaar en herkenbaar blijft mits wordt voldaan aan de volgende regels:
  1. er mag maximaal 1 minicamping per agrarisch bedrijf worden gerealiseerd;
  2. er mogen maximaal 25 kampeerplaatsen worden gerealiseerd;
  3. kampeermiddelen(tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan, voor zover ze niet permanent worden geplaatst;
  4. er zijn maximaal 5 trekkershutten per minicamping toegestaan;
  5. de maximale oppervlakte per trekkershut bedraagt 25 m²;
  6. de minimale afstand ten opzichte van woningen van derden bedraagt 25 m;
  7. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  8. omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. 
4.5.4 Bed & breakfast als nevenactiviteit
Binnen deze bestemming is een bed and breakfast als ondergeschikte nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij de agrarische activiteit als hoofdactiviteit zichtbaar en herkenbaar blijft, mits wordt voldaan aan de volgende regels:
  1. de nevenactiviteit vindt plaats binnen de bedrijfswoning of binnen een bijbehorend bouwwerk op een afstand van maximaal 25 m van de bedrijfswoning;
  2. de kamers mogen niet als zelfstandige wooneenheid functioneren;
  3. het gebruik is recreatief, met dien verstande dat permanente bewoning niet is toegestaan;
  4. het is niet toegestaan de bed and breakfast te gebruiken voor het huisvesten van arbeiders voor tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;
  5. er mogen maximaal 4 kamers worden gebruikt voor de bed and breakfastvoorziening, voor maximaal 8 personen;
  6. de bed and breakfast mag niet meer bedragen dan 40% van de totale oppervlakte, gemeten op vloerniveau van de bedrijfswoning en bijbehorende gebouwen;
  7. er mogen geen andere horeca-activiteiten plaatsvinden dan het verstrekken van logies en ontbijt;
  8. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte, met dien verstande dat minimaal één parkeerplaats per kamer beschikbaar is op eigen terrein;
  9. er mag geen extra (separate) inrit worden aangelegd;
  10. omliggende (agrarische) bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
4.5.5 Overige activiteiten als nevenactiviteit
Binnen deze bestemming zijn de volgende activiteiten als ondergeschikte nevenactiviteit bij het agrarisch bedrijf toegestaan, waarbij de agrarische activiteit als hoofdactiviteit zichtbaar en herkenbaar blijft, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
  1. extensieve agrarische dagrecreatie, zoals poldersporten, excursies en rondleidingen, kinderboerderij, proeverij van eigen producten, workshops e.d. of ondersteuning van de dagrecreatie zoals de verhuur van fietsen, skelters e.d. mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. de totale vloeroppervlakte van de bedrijfsgebouwen in gebruik voor extensieve agrarische dagrecreatie bedraagt maximaal 200 m²;
    2. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
    3. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
    4. bij dagrecreatie is kleinschalige, ondergeschikte aan de dagrecreatie gerelateerde horeca in de vorm van een theeschenkerij, inclusief terras toegestaan, waarbij een totale maximale oppervlakte (inclusief het terras) geldt van 50 m²;
    5. het enkel vormen van extensieve agrarische dagrecreatie betreffen die vallen onder de milieucategorie 1 of 2.
  2. hoveniersbedrijf inhoudende het geven van advies, het maken van een ontwerp en de aanleg en onderhoud van tuinen, mits voldaan wordt aan de volgende regel:
    1. met een binnenopslag van maximaal 30% van het vloeroppervlak van de bestaande bedrijfsgebouwen met een maximum van 350 m²;
    2. er sprake is van een bedrijf die valt onder de milieucategorie 1 of 2;
    3. buitenopslag is niet toegestaan.
  3. veehandelsbedrijf, mits voldaan wordt aan de volgende regel:
    1. er mag maximaal 30% van de bestaande bedrijfsgebouwen in gebruik worden genomen voor het veehandelsbedrijf met een maximum van 500 m²;
    2. er sprake is van een bedrijf die valt onder de milieucategorie 1 of 2.
  4. hoefsmederij, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. er is sprake van een nevenactiviteit bij een paardenhouderij;
    2. de oppervlakte voor de hoefsmederij bedraagt maximaal 100 m²;
  5. paardenpension, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. er is sprake van een nevenactiviteit bij een paardenhouderij;
    2. er plaats is voor maximaal 8 pensionpaarden;
  6. ambachtelijke bewerking, zoals een imkerij, riet- en vlechtwerk, wijnmakerij, kaasmakerij, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
    1. de oppervlakte voor de ambachtelijke verwerking bedraagt ten hoogste 100 m²;
    2. de afstand tot aan enige woning bedraagt minimaal 25 m;
    3. het enkel werkzaamheden betreffen die vallen onder de milieucategorie 1 of 2.
  7. Voor alle bovengenoemde nevenactiviteiten geldt dat er op eigen terrein voorzien moet worden in de parkeerbehoefte.
4.5.6 Beroep en bedrijf aan huis
Binnen deze bestemming is een beroep en bedrijf aan huis bij een bedrijfswoning toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
  1. de uitoefening van het beroep of bedrijf mag uitsluitend in de bedrijfswoning of in een bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning plaatsvinden;
  2. indien de uitoefening van het beroep of bedrijf plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk, bedraagt de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de bedrijfswoning maximaal 25 m;
  3. de primaire woonfunctie wordt in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate gehandhaafd;
  4. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 60 m²;
  5. degene die het beroep of bedrijf uitoefent is tevens gebruiker van de bedrijfswoning;
  6. er mogen maximaal twee personen in dienst zijn voor ondersteunende werkzaamheden;
  7. uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 zijn toegestaan, of categorie 2 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 1;
  8. er vindt geen buitenopslag, horeca, detailhandel, groothandel of seksinrichting plaats;
  9. er is geen sprake van een publieksgericht karakter waarbij sprake is van onbelemmerde en onbeperkte toegang voor publiek;
  10. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  11. de activiteit geen zodanige verkeersaantrekkende werking heeft dat als gevolg daarvan extra verkeersmaatregelen -waaronder parkeervoorzieningen- in het openbaar gebied noodzakelijk zijn;
  12. parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost;
  13. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid.
4.5.7 Tuincentrum
Ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum' is tevens een tuincentrum toegestaan, waar de volgende regels gelden:
  1. ondergeschikte horeca is toegestaan met een maximum van 200 m²;
  2. er dient hoofdzakelijk sprake te zijn van de verkoop van planten en bloemen en daaraan ondergeschikt mogen overige producten worden verkocht, zoals dierenbenodigdheden, overige tuinbenodigdheden en woonaccessoires;
  3. er dienen voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein ten behoeve van het tuincentrum te worden aangelegd.
4.5.8 Strijdig gebruik
Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval gerekend:
  1. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering;
  2. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen voor nevenactiviteiten na beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering;
  3. elke vorm van gebruik anders dan het wonen in de voormalige agrarische bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - voormalig agrarisch bedrijf';
  4. detailhandel, behoudens waar dit op grond van artikel 4 lid 1 een tuincentrum en ondergeschikte detailhandel is toegestaan;
  5. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf;
  6. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
  7. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en opstallen voor huisvesting van tijdelijke werknemers en direct daarmee in verband houdend gebruik van voorzieningen zoals gemeenschappelijke verblijfsruimte (kantine), sanitair (douches, toiletten), kook en wasgelegenheid;
  8. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan die een 10-6 risicocontour hebben die het bestemmingsvlak overschrijdt;
  9. de uitoefening van overige nevenactiviteiten bij het agrarisch bedrijf die niet in deze paragraaf zijn genoemd, behoudens de activiteiten genoemd in artikel 4 lid 1 sub r en de vormen van nevenactiviteiten die voldoen aan artikel 4.5.1 t/m 4.5.6;  
  10. mestbewerking en mestverwerking 
  11. het in gebruik nemen van twee of meer bouwlagen voor het houden van dieren binnen een (bedrijfs)gebouw;
  12. het in gebruik nemen van bedrijfsgebouwen die niet gebouwd zijn voor het huisvesten van vee (bijvoorbeeld voor opslag en stalling) voor het bedrijfsmatig huisvesten van dieren bij een grondgebonden veehouderij of een intensieve veehouderij;
  13. omschakeling naar of (her)vestiging van een intensieve of grondgebonden veehouderij is niet toegestaan, behoudens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' mits er sprake is van een zorgvuldige veehouderij. 
4.5.9 Bijzondere regels hokdierhouderij en stalderingsgebied
  Ter plaatse van de aanduiding “overige zone - stalderingsgebied” geldt voorts:  
  1.  de vestiging van of de omschakeling naar een hokdierhouderij is alleen toegestaan als bewijs is overlegd dat:  
    1.  binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of door herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;  
    2.  de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die met de vestiging of omschakeling in gebruik wordt genomen;  
    3.  de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met de vestiging of omschakeling naar hokdierhouderij en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.  
  2.  een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij, door het oprichten of het in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf, alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat:  
    1.  binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd;  
    2.  de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen;  
    3.  de sanering onder a. plaatsvindt in directe samenhang met het oprichten of in gebruik nemen van een gebouw als dierenverblijf en dat voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een andere regeling.  
  3.  Het bewijs dat aan de voorwaarden van het eerste en tweede lid is voldaan, wordt uitgegeven door of namens gedeputeerde staten.  
  4.  Voor de toepassing van het eerste en tweede lid van dit artikel wordt onder een bestaand dierenverblijf een feitelijk aanwezig, legaal opgericht dierenverblijf dat op grond van een omgevingsvergunning milieu, ex artikel 2.1, eerste lid onder e Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, of de omgevingsvergunning beperkte milieutoets, ex artikel 2, eerste lid, onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of melding, ex artikel 1.10 Activiteitenbesluit milieubeheer, op 17 maart 2017 en de daaraan voorafgaande drie jaar onafgebroken bedrijfsmatig is gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren.  

4.6 Afwijken van de gebruiksregels

4.6.1 Afwijken ten behoeve van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 5.8 sub f en worden toegestaan dat een bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, onder de voorwaarden dat:
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is uit het oogpunt van mantelzorg;
  2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege erkende instantie;
  3. aangetoond wordt dat er op het perceel geen ruimte is voor het plaatsen van een woonunit;
  4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  5. de afhankelijke woonruimte binnen een bijgebouw wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  6. indien een vrijstaand bijgebouw bij de bedrijfswoning voor huisvesting voor mantelzorg in gebruik wordt genomen, geldt dat de maximale afstand tussen de bedrijfswoning en het vrijstaande bijgebouw maximaal 25 m bedraagt;
  7. de bewoning van het vrijstaande bijgebouw is tijdelijk en er is dan ook geenszins sprake van een twee woning(eenheid).
Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning in indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleken noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
4.6.2 Afwijken tijdelijke huisvesting tijdelijke werknemers
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 5.8 sub g ten behoeve van tijdelijke huisvesting van werknemers (seizoensarbeiders), onder de voorwaarden dat:
  1. de tijdelijke huisvesting van werknemers is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering vanuit het oogpunt van de opvang van de grote arbeidsbehoefte van dat bedrijf;
  2. huisvesting ten gunste van andere bedrijven is toegestaan, mits minimaal 75% van de gehuisveste arbeidsmigranten werkzaam zijn binnen het eigen bedrijf of de inzetbaarheid binnen het eigen bedrijf minimaal 75% van de maximale huisvestingstermijn bedraagt;
  3. het aantal te huisvesten werknemers bedraagt per bedrijf niet meer dan 50, tenzij aannemelijk gemaakt wordt dat een groter aantal werknemers nodig is in verband met de specifieke bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf;
  4. de huisvesting bedraagt wordt per kalenderjaar voor ten minste zes aaneengesloten weken onderbroken;
  5. de huisvesting vindt plaats in de voormalige bedrijfswoning of in een bedrijfsgebouw;
  6. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  7. parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost, inhoudende dat er minimaal een parkeerplaats per drie huisvestingsplaatsen moet worden gerealiseerd;
  8. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  9. alvorens omgevingsvergunning te verlenen, wordt vooraf advies van het waterschap gevraagd ten aanzien van de afvoer van afvalwater op het gemeentelijk riool en de capaciteit van Individuele Behandeling van Afvalwater (IBA);
  10. alle omgevingsvergunningen worden minimaal eenmaal per 5 jaar gecontroleerd op noodzaak, waarbij in ieder geval de omgevingsvergunning wordt ingetrokken indien de daaraan ten grondslag liggende tijdelijke grote arbeidsbehoefte niet meer aanwezig is;
  11. er wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen met betrekking tot aanvragen voor de huisvesting van arbeidsmigranten voor meer dan 15 personen.
4.6.3 Afwijken ten behoeve van mestbewerking van mest van het eigen bedrijf
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 5.8 sub j en mestbewerking van mest van de eigen veehouderij wordt toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. afwijken kan alleen indien het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' niet grenst aan de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' en/of 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel';
  2. de mestbewerking vindt plaats binnen bestaande bebouwing;
  3. mestbewerking van de eigen mest is vanuit het oogpunt van een goede leefomgeving inpasbaar in de omgeving;
  4. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering conform het provinciaal beleid;
  5. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig worden beperkt.
4.6.4 Afwijken ten behoeve van nevenactiviteiten; zorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 5.8 sub i en bedrijfsmatige nevenactiviteiten in de vorm van zorgverlening op sociaal, fysiek of psychisch vlak (bijvoorbeeld een zorgboerderij)  als nevenactiviteit worden toegestaan bij een agrarisch bedrijf, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de nevenactiviteit vindt plaats ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering wat inhoudt dat de agrarische functie als hoofdactiviteit als zodanig aanwezig is en herkenbaar blijft;
  2. de totale vloeroppervlakte van bedrijfsgebouwen in gebruik voor zorgverlenende activiteiten bedraagt maximaal 250 m²;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. de verkeersaantrekkende werking dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  5. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte.
4.6.5 Afwijken ten behoeve van nevenactiviteiten; recreatief plattelandsverblijf
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 4 lid 5.8 sub i en bedrijfsmatige nevenactiviteiten in de vorm van een recreatief plattelandsverblijf worden toegestaan bij een agrarisch bedrijf, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de nevenactiviteit vindt plaats ondergeschikt aan de agrarische bedrijfsvoering wat inhoudt dat de agrarische functie als hoofdactiviteit als zodanig aanwezig is en herkenbaar blijft;
  2. er mag één plattelandsverblijf per agrarisch bedrijf aanwezig zijn, dat plaats mag bieden aan maximaal zes personen. Bij een appartementvorm dat ondergeschikt blijft aan de bedrijfswoning kan hier van afgeweken worden en mag de capaciteit van zes overnachtingsplaatsen uitgesplitst worden over maximaal twee vakantieverblijven;
  3. voor de gehele gemeente geldt een maximum van 15 recreatieve plattelandsverblijven inclusief bestaande verblijven;
  4. het recreatief plattelandsverblijf wordt gerealiseerd binnen bestaande bebouwing en binnen de bestemming waar een bedrijfswoning aanwezig is;
  5. de afstand van het recreatief plattelandsverblijf tot de bedrijfswoning bedraagt maximaal 25 m;
  6. maximaal 25% van het vloeroppervlak van de bedrijfsgebouwen, inclusief bedrijfswoning, mag voor de nevenactiviteit worden gebruikt. De maximale oppervlakte per verblijf wordt gecategoriseerd naar het aantal personen waarvoor het verblijf bedoeld is;
    Soort verblijf
    Uitgangspunt
    Maximaal vloeroppervlak
    Tweepersoonsverblijf
    15 m² p.p.
    30 m²
    Driepersoonsverblijf
    14 m² p.p.
    42 m²
    Vierpersoonsverblijf
    13 m²p.p.
    42 m²
    Vijfpersoonsverblijf
    12 m²p.p.
    60 m²
    Zespersoonsverblijf
    11 m²p.p.
    65 m²
  7. het gebruik is recreatief, met dien verstande dat permanente bewoning niet is toegestaan;
  8. er mogen geen andere horeca-activiteiten dan het verstrekken van logies en ontbijt plaatsvinden;
  9. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  10. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven,
  11. de activiteiten moeten infrastructureel goed inpasbaar zijn en geen aanmerkelijke toename van de verkeersbelasting tot gevolg hebben;
  12. er mag geen extra (separate) inrit worden aangelegd.
Alvorens de omgevingsvergunning te verlenen wordt de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen om advies gevraagd over onder andere de volwaardigheid en continuïteit van het bedrijf en de ondergeschiktheid van het recreatief plattelandsverblijf aan dit bedrijf.

4.7 Wijzigingsbevoegdheid

4.7.1 Wijziging ten behoeve van vergroting/vormverandering agrarisch bedrijf
4.7.2 Wijziging ten behoeve van omschakeling naar boomteeltbedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen en op gronden met de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' de aanduiding 'bomenteelt' toe te voegen en de eventueel aanwezige andere aanduiding ('intensieve kwekerij', 'intensieve veehouderij', 'glastuinbouw', 'paardenhouderij', specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij of 'specifieke vorm van agrarisch - vrijkomend agrarisch bedrijf') te verwijderen om de omschakeling van een boomteeltbedrijf toe te staan
(en de aanduiding 'bomenteelt' toe te kennen), onder de voorwaarden dat:
  1. het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' grenst aan de bestemming 'Agrarisch -Boomteeltontwikkelingsgebied' of 'Agrarisch-AHS plus';
  2. het dient te gaan om een volwaardig agrarisch bedrijf dan wel een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een volwaardig bedrijf;
  3. er wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  4. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'
  5. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  6. de wijziging milieuhygiënisch uitvoerbaar is.
4.7.3 Wijziging ten behoeve van omschakeling naar een (vollegrond)teeltbedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening het plan te wijzigen en op gronden met de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-voormalig agrarisch bedrijf' 'intensieve veehouderij', 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' of 'intensieve kwekerij' te verwijderen mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het dient te gaan om een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf dan wel een bedrijf dat naar verwachting binnen redelijke termijn zal uitgroeien tot een volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf;
  2. er wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  3. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  4. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  5. indien ter plaatse de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterwingebied' is opgenomen, kan alleen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid indien de aanleg, onderhoud en/of bescherming van het waterwingebied niet wordt benadeeld;
  6. de wijziging is milieuhygiënisch uitvoerbaar;
  7. indien noodzakelijk kan deze wijzigingsbevoegdheid gelijk met de wijzigingsbevoegdheid, zoals genoemd in artikel 3 lid 8.2, artikel 3 lid 8.3, artikel 5 lid 8.1 artikel 5 lid 8.2artikel 6 lid 7.1 of artikel 6 lid 7.2 worden ingezet (waarbij dan ook de in die artikelen geldende voorwaarden van toepassing zijn).
4.7.4 Wijziging ten behoeve van de bouw van een eerste bedrijfswoning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de aanduiding '-bedrijfswoning' te verwijderen ten behoeve van de bouw van een eerste bedrijfswoning onder de volgende voorwaarden:
  1. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' strak rondom een solitair gebouw is gelegen;
  2. bij het bedrijf mag niet eerder een bedrijfswoning aanwezig zijn geweest (er is in het verleden geen sprake geweest van de afsplitsing van de woning van het bedrijf of de bedrijfswoning is aangeduid als plattelandswoning);
  3. er is sprake van een volwaardig agrarisch bedrijf;
  4. de bedrijfswoning is noodzakelijk, wat inhoudt dat een agrarisch bedrijf zonder bedrijfswoning ter plaatse op de langere termijn redelijkerwijs niet te exploiteren is.
  5. er wordt advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  6. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  7. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  8. er mag geen sprake zijn van milieuhygiënische belemmeringen;
  9. er mogen geen belemmeringen ontstaan uit het oogpunt van externe veiligheid;
  10. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'.
4.7.5 Wijziging ten behoeve van een plattelandswoning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-plattelandswoning' toe te kennen ten behoeve van het bewonen van de (voormalige) bedrijfswoning door derden onder de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van een bestaande woning, deze wijzigingsbevoegdheid is niet van toepassing indien de aanduiding "-bedrijfswoning" is toegekend of indien er feitelijk geen woning binnen de bestemming aanwezig is;
  2. er is sprake van een nog actief reëel of volwaardig agrarisch bedrijf. Indien hierover twijfel bestaat wordt er advies gevraagd aan de Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen;
  3. de plattelandswoning wordt gebruikt als burgerwoning. Er is geen sprake van huisvesting van seizoensarbeiders;
  4. er moet sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat bij de plattelandswoning;
  5. indien de bestemming aan minimaal 2 zijden grenst aan de bestemming "Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied" dan mag de plattelandswoning de intensivering van het boomteeltontwikkelingsgebied niet belemmeren;
  6. de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven en overige functies mogen niet onevenredig worden geschaad;
  7. de plattelandswoning blijft onderdeel van deze bestemming. Het agrarisch bedrijf kan geen nieuwe bedrijfswoning binnen deze bestemming bouwen, artikel 4 lid 7.4 is dan ook niet meer van toepassing;
  8. er mag geen nieuwe inrit/oprit worden gerealiseerd, tenzij er een verbeterde ruimtelijke kwaliteit ontstaat en er geen afbreuk gedaan wordt aan de stedenbouwkundige beeldkwaliteit en verkeersveiligheid;
  9. er kunnen geen bedrijfsgebouwen ten behoeve van de plattelandswoning worden opgericht;
  10. de bouwregels voor de bedrijfswoning zijn overeenkomstig van toepassing.
4.7.6 Wijziging naar agrarisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (al dan niet met de aanduiding ' specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf') te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' met een passende aanduiding(zoals bijvoorbeeld svb- agrarisch hulp en nevenbedrijf' of agrarisch loonbedrijf) en, na verkleining, de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied', 'Agrarisch met waarden - Beekdal' of 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel', voor de vestiging van een agrarisch (technisch) hulpbedrijf of agrarisch (aan)verwant bedrijf, onder de voorwaarden dat:
  1. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  2. indien er sprake is van een bedrijf dat aan ten minste twee zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  3. de activiteiten binnen de bestaande gebouwen plaatsvinden;
  4. de nieuwe functie leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Dit moet gepaard gaan met sloop van een deel van de bestaande bebouwing;
  5. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  6. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag nooit meer bedragen dan 1,5 ha en dient, indien de oppervlakte groter is, te worden verkleind;
  7. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 40% van het nieuwe bestemmingsvlak met een maximum oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 800m²;
  8. overtollige bedrijfsbebouwing is of wordt gesloopt;
  9. de wijziging kan niet worden toegepast op locaties waar sloop van bedrijfsbebouwing heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van de regeling 'ruimte-voor-ruimte' en/of de regeling beëindiging veehouderijen;
  10. indien de bebouwing is aangeduid als 'cultuurhistorische waarde' mag de functiewijziging geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden tot gevolg hebben. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan een ter zake deskundige commissie of instantie;
  11. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  12. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  13. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  14. er mag geen buitenopslag plaatsvinden tenzij het een bedrijf betreft waarvan de buitenopslag rechtstreeks samenhangt met en noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van dat bedrijf;
  15. als het om een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gaat uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan, of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2;
  16. detailhandel is niet toegestaan, behoudens als ondergeschikte functie;
  17. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking mag niet onevenredig toenemen in relatie tot de functie en de aard van de weg waaraan de locatie is gelegen;
  18. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.
4.7.7 Wijziging naar niet-agrarisch bedrijf (niet zijnde agrarisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf)
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (al dan niet met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-voormalig agrarisch bedrijf') te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' en, na verkleining, de bestemming 'Agrarisch' en 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel' óf 'Agrarisch met waarden-Beekdal' voor de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf, onder de voorwaarden dat:
  1. ter plaatse zijn alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  2. de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag nooit meer mag bedragen dan 5.000 m² en dient verkleind te worden voor zover dat voor een doelmatige inrichting en gebruik van de hergebruiksfunctie mogelijk is en waarbij de bestaande bebouwing het uitgangspunt is;
  3. indien er sprake is van een bedrijf dat aan ten minste twee zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  4. het bebouwingspercentage mag niet meer bedragen dan 40% van het nieuwe bestemmingsvlak, met een maximum oppervlakte aan bedrijfsgebouwen van 800m²;
  5. overtollige bedrijfsbebouwing is of wordt gesloopt;
  6. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  7. indien de bebouwing is aangeduid als 'cultuurhistorische waarde' mag de functiewijziging geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden tot gevolg hebben. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan een ter zake deskundige commissie of instantie;
  8. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  9. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  10. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  11. buitenopslag is niet toegestaan;
  12. als het om een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer gaat uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan, of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2, mits het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  13. detailhandel is niet toegestaan, behoudens als ondergeschikte functie voor de verkoop van eigen vervaardigde producten;
  14. publieksgerichte voorzieningen zijn niet toegestaan;
  15. horeca is en zelfstandige kantoren (met of zonder baliefunctie) zijn niet toegestaan;
  16. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  17. de overige regels uit artikel 9 Bedrijf  zijn overeenkomstig van toepassing.
4.7.8 Wijziging naar paardenhouderij
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en eventueel aanwezige aanduidingen te verwijderen) te wijzigen door de aanduiding 'paardenhouderij' toe te kennen, na verkleining, tevens in de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch met waarden - Beekdal' of 'Agrarisch met waarde - Groenblauwe mantel', waarbij na bedrijfsbeëindiging een paardenhouderij kan worden toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. ter plaatse alle overige agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  2. overtollige bebouwing is of wordt gesloopt;
  3. slechts de vestiging van één bedrijf per bestemmingsvlak mogelijk wordt gemaakt;
  4. in geval van de vestiging van een productiegerichte paardenhouderij geldt dat deze grenst aan de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - Beekdal' of 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel' ;
  5. de oppervlakte van het bestemmingsvlak mag nooit meer mag bedragen dan 1,5 ha;
  6. de nieuwe functie leidt tot een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  7. indien de bebouwing is aangeduid als 'cultuurhistorische waarde' mag de functiewijziging geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden tot gevolg hebben. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan een ter zake deskundige commissie of instantie;
  8. indien het betreffende voormalige agrarische bestemmingsvlak is gelegen op gronden die zijn aangeduid als 'Waarde - Kwetsbare soorten' of 'Waarde - Struweelvogels', geldt dat het hergebruik zich dient te beperken tot de voormalige agrarische bedrijfslocatie, de rijhal een oppervlakte van maximaal 1.000 m² mag hebben en er geen publieks en/ of verkeersaantrekkende voorzieningen worden gebouwd en/of aangelegd;
  9. zijn de in sub h genoemde aanduidingen niet op de betreffende gronden opgenomen, dan mag een rijhal van maximaal 1.500 m² worden opgericht;
  10. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  11. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  12. er wordt een bijdrage geleverd aan een afname van de uitstoot van milieubelastende stoffen; 
  13. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  14. de publieks- en/of verkeersaantrekkende werking mag niet onevenredig toenemen in relatie tot de functie en de aard van de weg waaraan de locatie is gelegen;
  15. detailhandel is niet toegestaan;
  16. horeca is en zelfstandige kantoren (met of zonder baliefunctie) zijn niet toegestaan.  
4.7.9 Wijziging naar statische opslag
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van een VAB-vestiging de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' (al dan niet met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf') te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' met de nadere aanduiding 'opslag' en, na verkleining, de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied', 'Agrarisch met waarden - Beekdal' of
'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel', waarbij na bedrijfsbeëindiging statische opslag kan worden toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  2. er is sprake van een bedrijfsmatige opslagactiviteit;
  3. indien er sprake is van een bedrijf dat aan ten minste twee zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  4. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  5. de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' dient verkleind te worden voor zover dat voor een doelmatige inrichting en gebruik van de hergebruiksfunctie mogelijk is;
  6. de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag niet groter zijn dan de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, met een maximale oppervlakte van 1.000 m²;
  7. indien de bebouwing is aangeduid als 'cultuurhistorische waarde' mag de functiewijziging geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden tot gevolg hebben. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan een ter zake deskundige commissie of instantie;
  8. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  9. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel- landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  10. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  11. buitenopslag is niet toegestaan;
  12. opslag van gevaarlijke stoffen is niet toegestaan;
  13. als het om een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer gaat uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan, of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2;
  14. de verkeersaantrekkende werking mag niet onevenredig toenemen in relatie tot de functie en de aard van de weg waaraan de locatie is gelegen;
  15. detailhandel is niet toegestaan.
4.7.10 Wijziging naar recreatieve activiteiten
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'Recreatie' en, na verkleining, de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - Beekdal' of 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel', waarbij na bedrijfsbeëindiging een vestiging van een recreatieve functie kan worden toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  2. voorzieningen zijn bezoekersextensief en kleinschalig;
  3. er sprake is van een bedrijf dat niet grenst aan de bestemming 'Natuur';
  4. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  5. de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Recreatie' dient verkleind te worden tot maximaal 1,5 ha. Is de oppervlakte kleiner dan 1,5 ha, dan zijn die m² het uitgangspunt en die m² kunnen niet meer worden vergroot;
  6. de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag niet groter zijn dan de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, met een maximale oppervlakte van 200 m², al het overige dient te worden gesloopt;
  7. indien de bebouwing is aangeduid als 'cultuurhistorische waarde' mag de functiewijziging geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden tot gevolg hebben. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan een ter zake deskundige commissie of instantie;
  8. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  9. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel- landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  10. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  11. buitenopslag is niet toegestaan;
  12. als het om een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer gaat uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan, of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2;
  13. horeca is niet toegestaan, behoudens als ondergeschikte functie in de vorm van een theehuis (eventueel met terras) en een vloeroppervlak van maximaal 50 m²;
  14. detailhandel is niet toegestaan, behoudens als ondergeschikte functie;
  15. publieksgerichte voorzieningen zijn niet toegestaan;
  16. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.
4.7.11 Wijziging naar Maatschappelijk
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' al dan niet met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-voormalig agrarisch bedrijf' te wijzigen in de bestemming 'maatschappelijk' met de aanduiding 'svm-zorg' en, na verkleining, de bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch met waarden - Beekdal' of 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel', waarbij na bedrijfsbeëindiging een vestiging van een zorgfunctie kan worden toegestaan, onder de voorwaarden dat:
  1. ter plaatse alle agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd;
  2. de zorgactiviteiten vinden uitsluitend overdag plaats, overnachten is niet toegestaan;
  3. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  4. de oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' dient verkleind te worden voor zover dat voor een doelmatige inrichting en gebruik van de hergebruiksfunctie mogelijk is en de oppervlakte bedraagt maximaal 5.000 m²;
  5. de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag niet groter zijn dan de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, met een maximale oppervlakte van 400 m² al het overige dient te worden gesloopt;
  6. indien de bebouwing is aangeduid als 'cultuurhistorische waarde' mag de functiewijziging geen onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarden tot gevolg hebben. Hieromtrent wordt advies gevraagd aan een ter zake deskundige commissie of instantie;
  7. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  8. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke, abiotische en archeologische waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  9. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  10. buitenopslag is niet toegestaan;
  11. als het om een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer gaat uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 of 2 zijn toegestaan, of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2;
  12. detailhandel is niet toegestaan, behoudens als ondergeschikte functie;
  13. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.
4.7.12 Wijziging naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van een voormalige agrarische bedrijfslocatie de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' (al dan niet met enige aanduiding) te wijzigen in de bestemming 'Wonen', al dan niet met de aanduiding 'twee aaneen', waarbij tevens het vlak wordt verkleind en de bestemming dan gewijzigd wordt naar 'Agrarisch', 'Agrarisch-AHS plus', 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied', 'Agrarisch met waarden-Beekdal', 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel', waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw c.q. gebruik van de voormalige boerderij voor woondoeleinden kan worden toegestaan onder de voorwaarden dat:
  1. het agrarisch bedrijf (inclusief de eventuele nevenactiviteiten) is volledig beëindigd;
  2. indien er sprake is van een locatie dat aan minimaal 2 zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  3. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' mag nooit meer bedragen dan 5.000 m²;
  4. de bestaande voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen; 
  5. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  6. in afwijking van het bepaalde onder e. is splitsing toegestaan met dien verstande dat:
    1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij voormalige boerderijgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
    2. de voormalige boerderij mag gesplitst worden in maximaal 2 wooneenheden;
    3. de beide woningen dienen minimaal een inhoud te hebben van 400 m³;
    4. de aanduiding 'twee aaneen' zal worden opgenomen;
  7. indien de aanduiding 'twee aaneen' is opgenomen of indien deze aanduiding niet is opgenomen, maar er ten tijde van de vaststelling van dit plan wel sprake was van een (twee-)aaneengebouwde woning, wordt deze behouden, wat inhoudt dat de voormalige bedrijfswoningen niet vrijstaand mogen worden gebouwd;
  8. de woning(en) mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  9. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in artikel 23 Wonen zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 5 Agrarisch - AHS plus

 

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - AHS Plus' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarische bodemexploitatie;
  2. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. doeleinden van openbaar nut;
  5. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  6. de verwezenlijking van waterberging ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  7. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro zone - zoekgebied beekherstel';
  8. bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'; 
  9. bloemencorso-bouwplaats gedurende een aaneengesloten periode van mei tot en met september, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats',
  10. tuinen bij (burger)woningen;
 een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Algemeen
Op de voor 'Agrarisch - AHS plus' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder dan 5 m bedragen.
5.2.2 Gebouwen
Regels voor gebouwen zijn:
  1. er mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a is een permanente corso-opslagruimte toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte maximaal 250 m² bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 15 m bedragen.
5.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen
Regels voor teeltondersteunende voorzieningen zijn:
  1. tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
  3. de permanente teeltondersteunende voorzieningen dienen direct grenzend aan enig bouwvlak te worden opgericht.
5.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Regels voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn:
 
  1. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  2. sleufsilo's zijn toegestaan onder de voorwaarden dat:
    1. sleufsilo's binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. sleufsilo's zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor sleufsilo's;
    4. sleufsilo's zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf;
    5. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 2,5 m;
    6. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen maximaal 2,0 ha bedraagt. 
  3. een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' istoegestaan onder de voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte van de corsotent maximaal 12 m bedraagt;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden.
  4. De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m;
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.  

5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van bebouwing ten behoeve van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  4. het behoud en herstel van de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 

5.4 Afwijken van de bouwregels

5.4.1 Afwijken bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5 lid 2.4 sub e voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een erf- of perceelsafscheiding, met een grotere hoogte, tot maximaal 6 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel enige andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het agrarische bedrijf;
  2. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt;
  4. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie;
  5. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de ecologische, landschappelijke of hydrologische waarden ter plaatse;
  6. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
5.4.2 Afwijken ten behoeve van een paardenbak voor hobbymatig gebruik
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5 lid 2.4 sub a ten behoeve van de realisatie van een hobbymatige paardenbak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd binnen de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' of 'Wonen';
  2. de paardenbak wordt aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' of 'Wonen' gesitueerd, dat wil zeggen tot maximaal 100 m vanaf de achtergrens van het bestemmingsvlak;
  3. per bestemmingsvlak is maximaal één paardenbak toegestaan;
  4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
  5. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  6. de omvang per paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
  7. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  8. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
  9. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m3;
  10. er wordt voldaan aan de milieu- en dierenwelzijnswetgeving.

5.5 Specifieke gebruiksregels

5.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest ten behoeve van enig bedrijf, met uitzondering van het bepaalde in artikel 5 lid 4.2 sub i;
  2. buitenopslag;
  3. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan;
  4. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen.
5.5.2 Toegestaan gebruik
Onder gebruik in overeenstemming met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen, die niet als bouwwerk zijn aan te merken, niet hoger zijn dan 50 cm en binnen het plangebied mag maximaal 500 ha van deze permanente teeltondersteunende voorzieningen aanwezig zijn, daarbij geldt dat gebruik voor permanente teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend is toegestaan direct grenzend aan enig bouwvlak;
  2. erfverhardingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij de volgende regels gelden:
    1. kuilvoerplaten binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor kuilvoerplaten;
    4. kuilvoerplaten zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen) maximaal 2,0 ha bedraagt.
 

5.6 Afwijken van de gebruiksregels

5.6.1 Afwijken ten behoeve van minicampings
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5 lid 5.1 sub d teneinde een minicamping als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', dat wil zeggen tot maximaal 25 m vanaf de achtergrens van dit bestemmingsvlak en op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming 'Wonen' van derden;
  2. het bepaalde onder a is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat er geen of onvoldoende ruimte is binnen het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf';
  3. kampeermiddelen(tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan, voor zover ze niet permanent worden geplaatst;
  4. er zijn maximaal 5 trekkershutten per minicamping toegestaan;
  5. de maximale oppervlakte per trekkershut bedraagt 25 m²;
  6. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan;
  7. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  9. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  10. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  11. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  12. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 5 lid 1 omschreven waarden.

5.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.7.1 Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  3. het ophogen van gronden op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  4. het verharden van zandpaden.
5.7.2 Uitzonderingen op verbod
Het onder artikel 5 lid 7.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  3. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.
5.7.3 Afwegingskader
  1. De in artikel 5 lid 7.1  genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien door de werken en/ of werkzaamheden danwel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  2. De in artikel 5 lid 7.1 sub b  en artikel 5 lid 7.1 sub c  genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend nadat het betrokken waterschapsbestuur is gehoord.
5.7.4 Waarden
Onder de in artikel 5 lid 7.3  genoemde waarden worden verstaan:
  1. ten aanzien van de in artikel 5 lid 7.1 sub a  genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden;
  2. ten aanzien van de in artikel 5 lid 7.1 sub b  en artikel 5 lid 7.1 sub c  genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen;
  3. ten aanzien van de in artikel 5 lid 7.1 sub d  genoemde werken of werkzaamheden: de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

5.8 Wijzigingsbevoegdheid

5.8.1 Wijziging ten behoeve van vormverandering agrarisch bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ten behoeve van de vormverandering van een agrarisch bedrijf, al dan niet met een nadere aanduiding, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.2;
  2. de vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een doelmatige plaatsing van bouwwerken op het perceel;
  3. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  4. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone ecologische verbindingszone' en/of de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van deze ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast;
  5. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. vormverandering ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is enkel toegestaan als er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  8. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'; 
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. deze wijzigingsbevoegdheid kan in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf'worden gebruikt;
  11. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
  12. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
    1. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' is niet toegestaan;
    2. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' en/of de aanduiding 'wro-zone – ecologische verbindingszone' en/of de aanduiding 'wro-zone – zoekgebied beekherstel' komt te liggen is niet toegestaan;
    3. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd;
    4. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, zoals die gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Er wordt dan tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
    5. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    6. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
    7. Heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is. 
5.8.2 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf, zijnde een (vollegrond)teeltbedrijf zonder aanduiding of met de aanduiding 'bomenteelt', of een glastuinbouwbedrijf met de aanduiding 'glastuinbouw' of een niet-grondgebonden bedrijf met de aanduiding 'intensieve kwekerij' of een paardenhouderij met de aanduiding 'paardenhouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' (niet zijnde met de aanduiding 'intensieve veehouderij') mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. De wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1
  2. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' strak rondom een solitair gebouw is gelegen;
  3. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  4. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro-zone – wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van de ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  5. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' en/of de dubbelbestemming 'Waarde-Attentiegebied EHS' is uitsluitend toegestaan indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  7. voor vollegrond)teeltbedrijven zonder aanduiding en boomteeltbedrijven met de aanduiding 'bomenteelt' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 1,5 ha netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf;
  8. voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de aanduiding 'intensieve kwekerij' en niet zijnde een intensieve veehouderij en paardenhouderijen met de aanduiding 'paardenhouderij' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tot een omvang 1,5 ha toegestaan met een maximale oppervlakte aan kassen 5.000 m² netto glas;
  9. voor bestaande glastuinbouwbedrijven met de aanduiding 'glastuinbouw' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximum van 4 ha en maximaal 3 ha netto glas;
  10. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  11. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  12. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  13. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'.
5.8.3 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf met aanduiding 'intensieve veehouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' met de aanduiding 'intensieve veehouderij' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
 
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en/of 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro zone-zoekgebied beekherstel' en/of de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' komt te liggen is niet toegestaan; 
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming 'Attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad; 
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd; 
  7. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is; 
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.
5.8.4 Wijziging ten behoeve van vergroting van een grondgebonden veehouderij
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  7. vergroting binnen de aanduiding ´reconstructiewetzonde-extensiveringsgebied' is toegestaan indien, met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. Heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. Heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.
5.8.5 Wijziging ten behoeve van vergroting en/of vormverandering Bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' (en eventueel het bouwvlak) mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 9 lid 7.2 ;
  2. aangetoond is dat binnen het bestaande bestemmingsvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding;
  3. de vergroting is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfseconomische omstandigheden;
  4. de vergroting is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van een bedrijfsactiviteit in de milieucategorie 1 of 2. Een vergroting voor een activiteit in de milieucategorie 3.1 is toegestaan, mits is aangetoond dat deze activiteit naar aard en omvang gelijk te stellen is aan milieucategorie 2. Het mag geen geluidzoneringsplichtige activiteit betreffen;
  5. oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag na vergroting niet meer bedragen dan 5.000 m². Zijn de huidige bestemmingsvlakken al groter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting;
  6. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  7. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  8. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';  
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschapelijke en abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast; 
  11. bij vergroting of vormverandering van het bestemmingsvlak zijn ook de overige bouw- en gebruiksregels uit  artikel 9 Bedrijf van toepassing.
5.8.6 Wijziging ten behoeve van waterberging
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen ten behoeve van de inrichting en beheer van gronden als waterbergingsgebied waarbij de bestemming 'Water' of dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' wordt toegekend, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van gronden met de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  2. het gebruik voor waterberging vormt geen onevenredige belemmering voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
  3. de wijziging is uitsluitend toegestaan als de in het gebied aanwezige natuurwaarden, landschapswaarden, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en hydrologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
5.8.7 wijziging ten behoeve van natuurontwikkeling
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-AHS plus' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of ' Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden.
5.8.8 wijziging ten behoeve van ecologische verbindingszone
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-AHS plus'met de aanduiding 'wro zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of 'Natuur' ter verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;

Artikel 6 Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. agrarische bodemexploitatie;
  2. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  3. extensief recreatief medegebruik;
  4. doeleinden van openbaar nut;
  5. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  6. de verwezenlijking van waterberging ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  7. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel';
  8. bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'; 
  9. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch- spuitvrije zone’ is spuiten van gewassen niet toegestaan;
  10. bloemencorso-bouwplaats gedurende een aaneengesloten periode van mei tot en met september, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats',
  11. tuinen behorende bij (burger)woningen;
 
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

6.2 Bouwregels

 
6.2.1 Algemeen
Op de voor 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder dan 5 m bedragen.
6.2.2 Gebouwen
Regels voor gebouwen zijn:
  1. er mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a is een permanente corso-opslagruimte toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte maximaal 250 m² bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 15 m bedragen.
6.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen
Regels voor teeltondersteunende voorzieningen zijn:
  1. tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
  3. de permanente teeltondersteunende voorzieningen dienen direct grenzend aan enig bouwvlak te worden opgericht.
6.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Regels voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn:
  1. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  2. sleufsilo's zijn toegestaan onder de voorwaarden dat:
    1. sleufsilo's binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. sleufsilo's zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor sleufsilo's;
    4. sleufsilo's zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf;
    5. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 2,5 m;
    6. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen maximaal 2,0 ha bedraagt.
  3. een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' istoegestaan onder de voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte van de corsotent maximaal 12 m bedraagt;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden.
  4. De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m;
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van bebouwing ten behoeve van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  4. het behoud en herstel van de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 

6.4 Afwijken van de bouwregels

6.4.1 Afwijken bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6 lid 2.4 sub e voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een erf- of perceelsafscheiding, met een grotere hoogte, tot maximaal 6 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel enig andere bedrijfsomstandigheid ter plaatse noodzakelijk is;
  2. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt;
  4. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie;
  5. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het de ecologische, landschappelijke en/of hydrologische waarden ter plaatse;
  6. ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
6.4.2 Afwijken ten behoeve van een paardenbak voor hobbymatig gebruik
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 6 lid 2.4 sub a ten behoeve van de realisatie van een paardenbak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd binnen de bestemming 'Agrarisch-Bedrijf' of 'Wonen';
  2. de paardenbak wordt aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' of 'Wonen' gesitueerd, dat wil zeggen tot maximaal 100 m vanaf de achtergrens van het bestemmingsvlak;
  3. per bestemmingsvlak is maximaal één hobbymatige paardenbak toegestaan;
  4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
  6. de omvang per paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
  7. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  8. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
  9. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m³;
  10. er wordt voldaan aan de milieu- en dierenwelzijnswetgeving.

6.5 Specifieke gebruiksregels

6.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest ten behoeve van enig bedrijf, met uitzondering van het bepaalde in artikel 6 lid 4.2 sub i;
  2. buitenopslag;
  3. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan;
  4. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen.
6.5.2 Toegestaan gebruik
Onder gebruik in overeenstemming met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. tijdelijke of permanente teeltondersteunende voorzieningen, die niet als bouwwerk zijn aan te merken, niet hoger zijn dan 50 cm en binnen het plangebied mag maximaal 500 ha van deze permanente teeltondersteunende voorzieningen aanwezig zijn, daarbij geldt dat gebruik voor permanente teeltondersteunende voorzieningen uitsluitend is toegestaan direct grenzend aan enig bouwvlak;
  2. erfverhardingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij de volgende regels gelden:
    1. kuilvoerplaten binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor kuilvoerplaten;
    4. kuilvoerplaten zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen) maximaal 2,0 ha bedraagt. 
 

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

6.6.1 Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  3. het ophogen van gronden op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  4. het verharden van zandpaden.
6.6.2 Uitzonderingen op verbod
Het onder artikel 6 lid 6.1 vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  3. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.
6.6.3 Afwegingskader
  1. De in artikel 6 lid 6.1  genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien door de werken en/ of werkzaamheden danwel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  2. De in artikel 6 lid 6.1 sub b  en artikel 6 lid 6.1 sub c genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend nadat het betrokken waterschapsbestuur is gehoord.
6.6.4 Waarden
Onder de in artikel 6 lid 6.3  genoemde waarden worden verstaan:
  1. ten aanzien van de in artikel 6 lid 6.1 sub a genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden;
  2. ten aanzien van de in artikel 6 lid 6.1 sub b  en artikel 6 lid 6.1 sub c genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen;
  3. ten aanzien van de in artikel 6 lid 6.1 sub d genoemde werken of werkzaamheden: de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

6.7 Wijzigingsbevoegdheid

6.7.1 Wijziging ten behoeve van vormverandering agrarisch bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ten behoeve van de vormverandering van een agrarisch bedrijf, al dan niet met een nadere aanduiding, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.2;
  2. de vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een doelmatige plaatsing van bouwwerken op het perceel;
  3. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  4. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone ecologische verbindingszone' en/of de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van deze ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast;
  5. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. vormverandering ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is enkel toegestaan als er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  8. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'; 
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. deze wijzigingsbevoegdheid kan in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' worden gebruikt;
  11. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
    1. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' is niet toegestaan;
    2. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' en/of de aanduiding 'wro-zone – ecologische verbindingszone' en/of de aanduiding 'wro-zone – zoekgebied beekherstel' komt te liggen is niet toegestaan;
    3. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd;
    4. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, zoals die gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Er wordt dan tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
    5. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    6. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
    7. Heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is. 
6.7.2 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf, zijnde een (vollegrond)teeltbedrijf zonder aanduiding of met de aanduiding 'bomenteelt', of een glastuinbouwbedrijf met de aanduiding 'glastuinbouw' of een niet-grondgebonden bedrijf met de aanduiding 'intensieve kwekerij' of een paardenhouderij met de aanduiding 'paardenhouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' (niet zijnde met de aanduiding 'intensieve veehouderij') mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1
  2. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' strak rondom een solitair gebouw is gelegen;
  3. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  4. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro-zone wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van de ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  5. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' en/of dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is uitsluitend toegestaan indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. voor (vollegrond)teeltbedrijven zonder de aanduiding 'bomenteelt' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximale omvang van 2 ha en met een maximale oppervlakte aan kassen van 1,5 ha netto glas, mits geen omschakeling plaatsvindt naar een glastuinbouwbedrijf;
  8. voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de aanduiding 'intensieve kwekerij' niet zijnde een intensieve veehouderij en paardenhouderijen met de aanduiding 'paardenhouderij'is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tot een omvang 1,5 ha toegestaan met een maximale oppervlakte aan kassen 5.000 m² netto glas;
  9. voor bestaande glastuinbouwbedrijven met de aanduiding 'glastuinbouw' en boomteeltbedrijven met de aanduiding 'bomenteelt' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf'toegestaan met een maximum van 4 ha en maximaal 3 ha netto glas;
  10. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  11. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  12. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  13. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'.
6.7.3 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf met aanduiding 'intensieve veehouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' met de aanduiding 'intensieve veehouderij' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
 
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en/of 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro zone-zoekgebied beekherstel' en/of de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' komt te liggen is niet toegestaan; 
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming 'Attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad; 
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd; 
  7. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
6.7.4 Wijziging ten behoeve van vergroting van een grondgebonden veehouderij
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  7. vergroting binnen de aanduiding ´reconstructiewetzonde-extensiveringsgebied' is toegestaan indien, met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. 
6.7.5 Wijziging ten behoeve van vergroting en/of vormverandering Bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' (en eventueel het bouwvlak) mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 9 lid 7.2 ;
  2. aangetoond is dat binnen het bestaande bestemmingsvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding;
  3. de vergroting is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfseconomische omstandigheden;
  4. de vergroting is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van een bedrijfsactiviteit in de milieucategorie 1 of 2. Een vergroting voor een activiteit in de milieucategorie 3.1 is toegestaan, mits is aangetoond dat deze activiteit naar aard en omvang gelijk te stellen is aan milieucategorie 2. Het mag geen geluidzoneringsplichtige activiteit betreffen;
  5. oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag na vergroting niet meer bedragen dan 5.000 m². Zijn de huidige bestemmingsvlakken al groter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting;
  6. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  7. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  8. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';  
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschapelijke en abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast;
  11. bij vergroting van het bestemmingsvlak zijn ook de overige bouw- en gebruiksregels uit artikel 9 Bedrijf toepassing.
6.7.6 Wijziging ten behoeve van waterberging
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen ten behoeve van de inrichting en beheer van gronden als waterbergingsgebied waarbij de bestemming 'Water' of dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' wordt toegekend, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van gronden met de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  2. het gebruik voor waterberging vormt geen onevenredige belemmering voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
  3. de wijziging is uitsluitend toegestaan als de in het gebied aanwezige natuurwaarden, landschapswaarden, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en hydrologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
6.7.7 wijziging ten behoeve van natuurontwikkeling
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' te wijzigen in de bestemming 'Bos'of 'Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;
6.7.8 wijziging ten behoeve van ecologische verbindingszone
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' met de aanduiding 'wro zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' te wijzigen in de bestemming 'Bos'of 'Natuur' ter verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;

Artikel 7 Agrarisch met waarden - Beekdal

 

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Beekdal' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik;
  2. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  3. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden, waaronder in ieder geval verstaan:
    1. kleinschaligheid van het landschap,
    2. landschapselementen;
    3. begeleid natuurlijke eenheden en kleinere bos- en natuurgebieden, met tussenliggende of omringende landbouwgronden.
    4. de doelstellingen en de waarden van de ecologische hoofdstructuur;
    5. het behoud en de bescherming van de beekstructuur
  4. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  5. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  6. bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied'; 
  7. behoud, beheer en/of herstel van de ecologische hoofdstructuur;
  8. extensief recreatief medegebruik;
  9. doeleinden van openbaar nut;
  10. bloemencorso-bouwplaats gedurende een aaneengesloten periode van mei tot en met september, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats';
  11. tuinen behorende bij (burger)woningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

7.2 Bouwregels

7.2.1 Algemeen
Op de voor 'Agrarisch met waarden - Beekdal' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder dan 5 m bedragen.
7.2.2 Gebouwen
Regels voor gebouwen zijn:
  1. er mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a is een permanente corso-opslagruimte toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte maximaal 250 m² bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 15 m bedragen.
7.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen
Regels voor teeltondersteunende voorzieningen zijn:
  1. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels:
    1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
    2. de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 2,5 ha.
    3. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend direct grenzend aan enig bouwvlak worden opgericht.
7.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Regels voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn:
  1. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  2. sleufsilo's zijn toegestaan onder de voorwaarden dat:
    1. sleufsilo's binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. sleufsilo's zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor sleufsilo's;
    4. sleufsilo's zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 2,5 m;
    6. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen maximaal 2,0 ha bedraagt. 
  3. een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' is toegestaan onder de voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte van de corsotent maximaal 12 m bedraagt;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden.
  4. De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m;
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.  

7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van bebouwing ten behoeve van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  4. het behoud en herstel van de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 

7.4 Afwijken van de bouwregels

7.4.1 Afwijken bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7 lid 2.4 sub e voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een erf- of perceelsafscheiding, met een grotere hoogte, tot maximaal 6 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel enige andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het agrarische bedrijf;
  2. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzenden percelen niet onevenredig worden beperkt;
  4. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie;
  5. de waarden zoals genoemd in artikel 7 lid 1 sub c niet onevenredig worden aangetast;
  6. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het landschap en/of er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden in dat kader;
  7. ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
7.4.2 Afwijken ten behoeve van een paardenbak voor hobbymatig gebruik
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7 lid 2.4 sub a ten behoeve van de realisatie van een hobbymatige paardenbak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd binnen de bestemming 'Wonen';
  2. de paardenbak wordt aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Wonen' gesitueerd;
  3. per bestemmingsvlak is maximaal één hobbymatige paardenbak toegestaan;
  4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
  5. de waarden zoals genoemd in artikel 7 lid 1 sub c niet onevenredig worden aangetast;
  6. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
  7. de omvang per paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
  8. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  9. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
  10. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m³;
  11. er wordt voldaan aan de milieu- en dierenwelzijnswetgeving.

7.5 Specifieke gebruiksregels

7.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest ten behoeve van enig bedrijf, met uitzondering van het bepaalde in artikel 7 lid 4.2 sub j ;
  2. buitenopslag ten behoeve van nevenactiviteiten;
  3. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan;
  4. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen;
  5. het gebruik van de gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen.
7.5.2 Toegestaan gebruik
Onder gebruik in overeenstemming met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. erfverhardingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij de volgende regels gelden:
    1. kuilvoerplaten binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor kuilvoerplaten;
    4. kuilvoerplaten zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen) maximaal 2,0 ha bedraagt. 

7.6 Afwijken van de gebruiksregels

7.6.1 Afwijken ten behoeve van minicampings
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7 lid 5.1 sub d  teneinde een minicamping als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', dat wil zeggen tot maximaal 25 m vanaf de achtergrens van dit bestemmingsvlak en op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming 'Wonen' van derden;
  2. het bepaalde onder a is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat er geen of onvoldoende ruimte is binnen het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf';
  3. kampeermiddelen(tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan, voor zover ze niet permanent worden geplaatst;
  4. er zijn maximaal 5 trekkershutten per minicamping toegestaan;
  5. de maximale oppervlakte per trekkershut bedraagt 25 m²;
  6. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan;
  7. ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  9. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  10. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  11. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  12. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 7 lid 1 sub c  omschreven waarden.

7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.7.1 Verbod
  1. het is verboden om permanente teeltondersteunende voorzieningen aan te leggen;
  2. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen voor zover groter dan 200 m²;
    2. het verzetten of vergraven van gronden waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² of met meer dan 40 cm wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd;
    3. het aanleggen, dempen of wijzigen van oppervlaktewateren;
    4. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie, daaronder begrepen solitaire bomen;
    5. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- of landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
    6. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
    7. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' en 'wro-zone -zoekgebied beekherstel';
    8. het ophogen van gronden op gronden met de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel';
    9. het verharden van zandpaden.
7.7.2 Uitzonderingen op verbod
Het onder artikel 7 lid 7.1  vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  3. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.
7.7.3 Afwegingskader
  1. De in artikel 7 lid 7.1 sub b  genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien door de werken en/ of werkzaamheden danwel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  2. De omgevingsvergunning voor de in artikel 7 lid 7.1 sub b onder 7 en 8 genoemde werkzaamheden wordt slechts verleend nadat het betrokken waterschapsbestuur is gehoord;
  3. De onder artikel artikel 7 lid 7.1 sub b  genoemde activiteiten noodzakelijk zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering danwel het extensief recreatief medegebruik.
7.7.4 Waarden
Onder de in artikel 7 lid 7.3 sub a  genoemde waarden worden verstaan:
  1. ten aanzien van de in artikel 7 lid 7.1 sub b onder 1, 2, 4, 5 en 7 genoemde werken of werkzaamheden: de landschappelijke en ecologische waarden en de landschapselementen;
  2. ten aanzien van de in artikel 7 lid 7.1 sub b , onder 1, 2, 3, 8 en 9 genoemde werken of werkzaamheden: de cultuurhistorische waarden de landschapselementen;
  3. ten aanzien van de in artikel 7 lid 7.1 sub b , onder 4, 7 genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden;
  4. ten aanzien van de in artikel 7 lid 7.1 sub b , onder 1, 2, 3, 6, 7 en 8 genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen.

7.8 Wijzigingsbevoegdheid

7.8.1 Wijziging ten behoeve van vormverandering agrarisch bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden - Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ten behoeve van de vormverandering van een agrarisch bedrijf, al dan niet met een nadere aanduiding, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.2 ;
  2. de vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een doelmatige plaatsing van bouwwerken op het perceel;
  3. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  4. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone ecologische verbindingszone' en/of de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van deze ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast;
  5. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. vormverandering ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is enkel toegestaan als er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  8. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement'; 
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. deze wijzigingsbevoegdheid kan in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' worden gebruikt;
  11. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
    1. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' is niet toegestaan;
    2. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' en/of de aanduiding 'wro-zone – ecologische verbindingszone' en/of de aanduiding 'wro-zone – zoekgebied beekherstel' komt te liggen is niet toegestaan;
    3. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd;
    4. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, zoals die gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Er wordt dan tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
    5. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    6. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
    7. Heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is. 
7.8.2 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf, zijnde een (vollegrond)teeltbedrijf zonder aanduiding of met de aanduiding, 'bomenteelt', of een niet-grondgebonden bedrijf met de aanduiding 'intensieve kwekerij' of een paardenhouderij met de aanduiding 'paardenhouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' (niet zijnde met de aanduiding 'intensieve veehouderij') mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' strak rondom een solitair gebouw is gelegen;
  3. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan voor de realisatie van kassen. Om dit te waarborgen wordt de functieaanduiding 'kas uitgesloten' opgenomen op het vergrote deel van het bestemmingsvlak; 
  4. aangetoond dient te worden dat, indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tevens grenst aan (een van) de volgende bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch-AHS plus' of 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied', er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn binnen die gebieden en dat er een noodzaak is vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf, de vergroting in het beekdal te realiseren;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van de ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  7. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' en/of dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is uitsluitend toegestaan indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  8. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  9. voor vollegrond)teeltbedrijven eventueel met de aanduiding 'bomenteelt' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximale omvang van 2 ha , waarbij de bestaande aantal m2 kas niet mag worden uitgebreidvoor niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de aanduiding 'intensieve kwekerij' niet zijnde een intensieve veehouderij en paardenhouderijen met de aanduiding 'paardenhouderij' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tot een omvang 1,5 ha toegestaan, waarbij minimaal 10 % van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  10. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving; 
  11. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  12. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;
  13. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  14. extra regels ten behoeve van vergroting voor de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen (zowel bouwwerken als werken):
    1. vergroting ten behoeve van de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen is niet toegestaan binnen de volgende aanduidingen 'Wro-zone – ecologische verbindingszone', 'Wro-zone – reserveringsgebied waterberging' en/of 'Wro-zone – zoekgebied Beekherstel';
    2. het bestemmingsvlak 'Agrarisch-agrarisch bedrijf' kan ten behoeve van een (vollegrond)teeltbedrijf al dan niet met de aanduiding ´bomenteelt´ worden vergroot ten behoeve van enkel permanente teeltondersteunende voorzieningen met een omvang van ten hoogste 3 ha (buiten de genoemde omvang zoals genoemd onder j.). De maximale omvang van het bestemmingsvlak bedraagt 5 ha;
    3. de bouwhoogte van de teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 3 m;
    4. er zal voor het gedeelte van de vergroting een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen' worden opgenomen;
    5. er dient een aantoonbare positieve bijdrage te worden geleverd aan de bescherming van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken die aanwezig zijn. Indien noodzakelijk wordt de bestemming 'Groen-Landschapselement' opgenomen in het wijzigingsplan;
    6. de noodzaak van het permanent plaatsen van de teeltondersteunende voorzieningen (c.q. permanente teelt) dient te worden aangetoond en wordt ook ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.  
7.8.3 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf met aanduiding 'intensieve veehouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' met de aanduiding 'intensieve veehouderij' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en/of 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro zone-zoekgebied beekherstel' en/of de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming 'Attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad; 
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd; 
  7. een vergroting istoegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is; 
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.
7.8.4 Wijziging ten behoeve van vergroting van een grondgebonden veehouderij
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
 
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  7. vergroting binnen de aanduiding ´reconstructiewetzonde-extensiveringsgebied' is toegestaan indien, met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen. 
7.8.5 Wijziging ten behoeve van vergroting en/of vormverandering Bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' (en eventueel het bouwvlak) mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 9 lid 7.2 ;
  2. aangetoond is dat binnen het bestaande bestemmingsvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding;
  3. de vergroting is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfseconomische omstandigheden;
  4. de vergroting is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van een bedrijfsactiviteit in de milieucategorie 1 of 2. Een vergroting voor een activiteit in de milieucategorie 3.1 is toegestaan, mits is aangetoond dat deze activiteit naar aard en omvang gelijk te stellen is aan milieucategorie 2. Het mag geen geluidzoneringsplichtige activiteit betreffen;
  5. oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag na vergroting niet meer bedragen dan 5.000 m². Zijn de huidige bestemmingsvlakken al groter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting;
  6. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  7. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  8. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';  
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschapelijke en abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast;
  11. bij vergroting van het bestemmingsvlak zijn ook de overige bouw- en gebruiksregels uit artikel 9 Bedrijf toepassing.
7.8.6 Wijziging ten behoeve van waterberging
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen ten behoeve van de inrichting en beheer van gronden als waterbergingsgebied waarbij de bestemming 'Water' of dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' wordt toegekend, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van gronden met de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  2. het gebruik voor waterberging vormt geen onevenredige belemmering voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
  3. de wijziging is uitsluitend toegestaan als de in het gebied aanwezige natuurwaarden, landschapswaarden, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en hydrologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
7.8.7 Wijziging ten behoeve van natuurontwikkeling
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch-met waarden Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of 'Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;
7.8.8 wijziging ten behoeve van ecologische verbindingszone
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of 'Natuur' ter verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;

Artikel 8 Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. een bij de schaal en de aard van het gebied passend agrarisch grondgebruik;
  2. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  3. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden, waaronder in ieder geval verstaan:
    1. kleinschaligheid van het landschap,
    2. landschapselementen;
    3. begeleid natuurlijke eenheden en kleinere bos- en natuurgebieden, met tussenliggende of omringende landbouwgronden;
    4. de doelstellingen en de waarden van de ecologische hoofdstructuur;
  4. de verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone';
  5. de verwezenlijking van waterberging ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging;
  6. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  7. bescherming van natuur en woonconcentraties door het stellen van regels met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden van de grondgebonden veehouderij en de intensieve veehouderij ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone – extensiveringsgebied';
  8. het beheer, behoud en/of herstel van de ecologische hoofdstructuur;
  9. extensief recreatief medegebruik;
  10. doeleinden van openbaar nut;
  11. bloemencorso-bouwplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats';
  12. tuinen behorende bij (burger)woningen;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen, kavelpaden en sloten.

8.2 Bouwregels

8.2.1 Algemeen
Op de voor 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder dan 5 m bedragen.
8.2.2 Gebouwen
Regels voor gebouwen zijn:
  1. er mogen geen gebouwen worden gebouwd;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a is een permanente corso-opslagruimte toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte maximaal 250 m² bedraagt;
    2. de goothoogte maximaal 3,5 m en de bouwhoogte maximaal 5 m bedraagt;
    3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder dan 15 m bedragen.
8.2.3 Teeltondersteunende voorzieningen
Regels voor teeltondersteunende voorzieningen zijn:
  1. permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn niet toegestaan;
  2. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen zijn toegestaan en daarvoor gelden de volgende regels:
    1. tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen mogen uitsluitend direct grenzend aan enig bouwvlak te worden opgericht;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
    3. de oppervlakte van tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen per agrarisch bedrijf bedraagt maximaal 2,5 ha.
8.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Regels voor overige bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn:
  1. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  2. sleufsilo's zijn toegestaan onder de voorwaarden dat:
    1. sleufsilo's binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. sleufsilo's zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor sleufsilo's;
    4. sleufsilo's zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de bouwhoogte van sleufsilo's bedraagt maximaal 2,5 m;
    6. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen maximaal 2,0 ha bedraagt.
  3. een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats' is toegestaan onder de voorwaarde dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte van de corsotent maximaal 12 m bedraagt;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden.
  4. De bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m;
  5. De bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m. 

8.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering en afmeting van bebouwing ten behoeve van:
  1. de verkeersveiligheid;
  2. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  3. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  4. het behoud en herstel van de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  5. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 

8.4 Afwijken van de bouwregels

8.4.1 Afwijken bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8 lid 2.4 sub e voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde een erf- of perceelsafscheiding, met een grotere hoogte, tot maximaal 6 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. het bouwen, in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel enige andere bedrijfsomstandigheden ter plaatse noodzakelijk is voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf;
  2. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  3. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt;
  4. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de waterhuishoudkundige situatie;
  5. de waarden zoals genoemd in artikel 8 lid 1 sub c niet onevenredig worden aangetast;
  6. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het landschap en/of er dient een kwaliteitsverbetering plaats te vinden in dat kader;
  7. ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
8.4.2 Afwijken ten behoeve van een paardenbak voor hobbymatig gebruik
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8 lid 2.4 sub a ten behoeve van de realisatie van een hobbymatige paardenbak, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. de paardenbak kan redelijkerwijs niet worden gesitueerd binnen de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' of 'Wonen';
  2. de paardenbak wordt aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch Bedrijf' of Wonen' gesitueerd;
  3. per bestemmingsvlak mag maximaal één hobbymatige paardenbak worden gerealiseerd;
  4. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
  5. de waarden zoals genoemd in artikel 8 lid 1 sub c niet onevenredig worden aangetast;
  6. ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  7. de omvang per paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
  8. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  9. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie.
  10. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m3;
  11. er wordt voldaan aan de milieu- en dierenwelzijnswetgeving.

8.5 Specifieke gebruiksregels

8.5.1 Strijdig gebruik
Onder gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, met uitzondering van het bepaalde in artikel 8 lid 4.2 sub j ;
  2. buitenopslag;
  3. de opslag van gevaarlijke stoffen, zoals kunstmeststoffen en propaan;
  4. het gebruik van de gronden als plaats voor kampeermiddelen;
  5. het gebruik van de gronden voor permanente teeltondersteunende voorzieningen.
8.5.2 Toegestaan gebruik
Onder gebruik in overeenstemming met de bestemming wordt in ieder geval begrepen gebruik van gronden en/of opstallen voor:
  1. erfverhardingen zijn niet toegestaan, met uitzondering van kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen waarbij de volgende regels gelden:
    1. kuilvoerplaten binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' zijn niet toegestaan;
    2. kuilvoerplaten en bijbehorende verhardingen zijn enkel toegestaan bij een bedrijf dat vanwege de bedrijfsvoering in overwegende mate is aangewezen op de opslag van ruwvoer;
    3. binnen het maximale eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' is geen ruimte meer aanwezig voor kuilvoerplaten;
    4. kuilvoerplaten zijn enkel toegestaan in aansluiting op de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf';
    5. de totale oppervlakte van sleufsilo's én kuilvoerplaten (met bijbehorende verhardingen) buiten het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' bedraagt per bestemmingsvlak maximaal 0,5 ha waarbij de omvang in totaal (bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch bedrijf' en de sleufsilo's en kuilvoerplaten tezamen) maximaal 2,0 ha bedraagt. 

8.6 Afwijken van de gebruiksregels

8.6.1 Afwijken ten behoeve van minicampings
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 8 lid 5.1 sub d  teneinde een minicamping als nevenactiviteit bij een agrarisch bedrijf toe te staan, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. kampeermiddelen zijn uitsluitend toegestaan aansluitend aan het eigen bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', dat wil zeggen tot maximaal 25 m vanaf de achtergrens van dit bestemmingsvlak en op een afstand van minimaal 25 m van de bestemming 'Wonen' van derden;
  2. het bepaalde onder a is uitsluitend toegestaan indien is aangetoond dat er geen of onvoldoende ruimte is binnen het bestemmingsvlak 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf';
  3. kampeermiddelen(tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan, voor zover ze niet permanent worden geplaatst;
  4. er zijn maximaal 5 trekkershutten per minicamping toegestaan;
  5. de maximale oppervlakte per trekkershut bedraagt 25 m²;
  6. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan;
  7. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  8. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  9. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  10. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  11. het gebruik mag niet leiden tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende agrarische bedrijven, voortvloeiende uit de milieu- en dierenwelzijnswetgeving;
  12. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 8 lid 1 sub c  omschreven waarden.

8.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.7.1 Verbod
  1. het is verboden om permanente teeltondersteunende voorzieningen aan te leggen;
  2. Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
    1. het aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen voor zover groter dan 200 m²;
    2. het verzetten of vergraven van gronden waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² of met meer dan 40 cm wordt gewijzigd of waarbij de maaiveldniveaus van een steilrand worden gewijzigd;
    3. het aanleggen, dempen of wijzigen van oppervlaktewateren;
    4. het verwijderen of rooien van bos-, natuur- en landschapselementen en ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie, daaronder begrepen solitaire bomen;
    5. het aanleggen of aanplanten van bos-, natuur- of landschapselementen of ander opgaand houtgewas zonder agrarische productiefunctie;
    6. het aanbrengen van ondergrondse leidingen;
    7. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' en 'wro-zone -zoekgebied beekherstel';
    8. het ophogen van gronden op gronden met de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel'.
    9. het verharden van zandpaden.
8.7.2 Uitzonderingen op verbod
Het onder artikel 8 lid 7.1  vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit plan reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  2. welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan reeds legaal in uitvoering zijn;
  3. welke het normaal onderhoud en/ of exploitatie betreffen.
8.7.3 Afwegingskader
  1. de in artikel 8 lid 7.1 sub b  genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien door de werken en/ of werkzaamheden danwel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  2. de omgevingsvergunning voor de in artikel 8 lid 7.1 sub b onder 8 en 9 genoemde werkzaamheden wordt slechts verleend nadat het betrokken waterschapsbestuur is gehoord;
  3. de onder artikel 8 lid 7.1 sub b genoemde activiteiten noodzakelijk zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering danwel het extensief recreatief medegebruik.
8.7.4 Waarden
Onder de in artikel 8 lid 7.3 sub a  genoemde waarden worden verstaan:
  1. ten aanzien van de in artikel 8 lid 7.1 sub b , onder 1, 2, 4, 5 en 7 genoemde werken of werkzaamhden: de landschappelijke en ecologische waarden en de landschapselementen;
  2. ten aanzien van de in artikel 8 lid 7.1 sub b , onder 1, 2, 3 8 en 9 genoemde werken of werkzaamheden de cultuurhistorische, landschappelijke waarden en de landschapselementen;
  3. ten aanzien van de in artikel 8 lid 7.1 sub b , onder 4 en 7 genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de ecologische verbindingszone voor uitwisseling van flora en fauna tussen natuurgebieden;
  4. ten aanzien van de in artikel 8 lid 7.1 sub b , onder 1, 2, 3, 6, 7 en 8 genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen.

8.8 Wijzigingsbevoegdheid

8.8.1 Wijziging ten behoeve van vormverandering agrarisch bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' ten behoeve van de vormverandering van een agrarisch bedrijf, al dan niet met een nadere aanduiding, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.2 ;
  2. de vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en een doelmatige plaatsing van bouwwerken op het perceel;
  3. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  4. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone ecologische verbindingszone' en/of de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van deze ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast;
  5. vormverandering, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  6. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  7. vormverandering ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS' is enkel toegestaan als er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  8. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. deze wijzigingsbevoegdheid kan in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid voor vergroting de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' worden gebruikt;
  11. extra regels voor vormverandering ten behoeve van een intensieve of een grondgebonden veehouderij:
    1. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone-extensiveringsgebied' is niet toegestaan;
    2. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' en/of de aanduiding 'wro-zone – ecologische verbindingszone' en/of de aanduiding 'wro-zone – zoekgebied beekherstel' komt te liggen is niet toegestaan;
    3. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd;
    4. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, zoals die gelden op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag. Er wordt dan tevens de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
    5. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert;
    6. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
    7. heeft de vormverandering tot doel om bedrijfsgebouwen mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is. 
8.8.2 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf, zijnde een (vollegrond)teeltbedrijf zonder aanduiding of met de aanduiding 'bomenteelt', of een niet-grondgebonden bedrijf met de aanduiding 'intensieve kwekerij' of een paardenhouderij met de aanduiding 'paardenhouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' (niet zijnde met de aanduiding 'intensieve veehouderij') mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1
  2. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' strak rondom een solitair gebouw is gelegen;
  3. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan voor de realisatie van kassen. Om dit te waarborgen wordt de functieaanduiding 'kas uitgesloten' opgenomen op het vergrote deel van het bestemmingsvlak;
  4. aangetoond dient te worden dat, indien de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tevens grenst aan (een van) de volgende bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch-AHS plus' of 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied', er geen uitbreidingsmogelijkheden zijn binnen die gebieden en dat er een noodzaak is vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf, de vergroting in het beekdal te realiseren;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf; 
  6. deze wijzigingsbevoegdheid is niet toegestaan voor de realisatie van kassen. Om dit te waarborgen wordt de functieaanduiding 'kas uitgesloten' opgenomen op het vergrote deel van het bestemmingsvlak;  
  7. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' is uitsluitend toegestaan, indien het functioneren van de ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt geschaad;
  8. vergroting op gronden gelegen ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone - zoekgebied beekherstel' en/of dubbelbestemming 'Waarde-attentiegebied EHS'is uitsluitend toegestaan indien dit gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur; 
  9. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  10. voor (vollegrond)teeltbedrijven eventueel met de aanduiding 'bomenteelt' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' toegestaan met een maximale omvang van 2 ha, waarbij de bestaande aantal m2 kas niet mag worden uitgebreid. 
  11. voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven, met de aanduiding 'intensieve kwekerij' niet zijnde een intensieve veehouderij en paardenhouderijen met de aanduiding 'paardenhouderij' is vergroting van de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' tot een omvang 1,5 ha toegestaan, waarbij minimaal 10 % van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  12. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving; 
  13. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  14. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen;  
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. extra regels ten behoeve van vergroting voor de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen (zowel bouwwerken als werken):
    1. vergroting ten behoeve van de plaatsing van permanente teeltondersteunende voorzieningen is niet toegestaan binnen de volgende aanduidingen 'Wro-zone – ecologische verbindingszone', 'Wro-zone – reserveringsgebied waterberging' en/of 'Wro-zone – zoekgebied Beekherstel';
    2. het bestemmingsvlak 'Agrarisch-agrarisch bedrijf' kan ten behoeve van een (vollegrond)teeltbedrijf al dan niet met de aanduiding ´bomenteelt´ worden vergroot ten behoeve van enkel permanente teeltondersteunende voorzieningen met een omvang van ten hoogste 3 ha (buiten de genoemde omvang zoals genoemd onder j.). De maximale omvang van het bestemmingsvlak bedraagt 5 ha;
    3. de bouwhoogte van de teeltondersteunende voorzieningen bedraagt maximaal 3 m;
    4. er zal voor het gedeelte van de vergroting een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen' worden opgenomen;
    5. er dient een aantoonbare positieve bijdrage te worden geleverd aan de bescherming van de ecologische en landschappelijke waarden en kenmerken die aanwezig zijn. Indien noodzakelijk wordt de bestemming 'Groen-Landschapselement' opgenomen in het wijzigingsplan;
    6. de noodzaak van het permanent plaatsen van de teeltondersteunende voorzieningen (c.q. permanente teelt) dient te worden aangetoond en wordt ook ter advisering voorgelegd aan de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.  
8.8.3 Wijziging ten behoeve van vergroting agrarisch bedrijf met aanduiding 'intensieve veehouderij'
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' met de aanduiding 'intensieve veehouderij' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en/of 'wro-zone - ecologische verbindingszone' en/of 'wro zone-zoekgebied beekherstel' en/of de dubbelbestemming 'Waarde-Natuurontwikkelingsgebied' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming 'Attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. vormverandering ten behoeve van een intensieve veehouderij is uitsluitend toegestaan indien het bestaande aantal dierplaatsen niet wordt vergroot en bestaande diersoorten niet wordt gewijzigd; 
  7. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is; 
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.
8.8.4 Wijziging ten behoeve van vergroting van een grondgebonden veehouderij
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Beekdal' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vergroting kan uitsluitend worden toegepast gelijktijdig met de wijzigingsbevoegdheid in artikel 4 lid 7.1.1;
  2. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding 'wro-zone - ecologische verbindingszone' komt te liggen is niet toegestaan;
  3. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding en/of de dubbelbestemming attentiegebied EHS' komt te liggen is uitsluitend toegestaan, indien het gebied niet minder geschikt wordt voor de verwezenlijking, behoud, beheer en/of herstel van watersystemen en/of er geen sprake is van een negatief effect op de waterhuishouding ontstaat. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het waterschapsbestuur;
  4. vergroting, waarbij het beoogde bestemmingsvlak ter plaatse van de aanduiding of grenzend aan de aanduiding 'wro-zone-wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' komt te liggen is enkel toegestaan als aangetoond is dat de aanleg van een ecologische verbindingszone niet wordt geschaad en/of het functioneren van de (nabij gelegen) ecologische verbindingszone niet wordt geschaad;
  5. de vergroting dient noodzakelijk te zijn vanuit het oogpunt van een doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling van een reëel agrarisch bedrijf;
  6. een vergroting is toegestaan naar maximaal 1,5 ha, waarbij minimaal 10% van het totale bestemmingsvlak moet bestaan uit een goede landschappelijke inpassing;
  7. vergroting binnen de aanduiding ´reconstructiewetzonde-extensiveringsgebied' is toegestaan indien, met behulp van de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid, is aangetoond dat het bedrijf in voldoende mate grondgebonden is;
  8. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken dan wordt slechts medewerking verleend indien voldaan wordt aan de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij en Nadere regels conform het provinciaal beleid. Er wordt dan ook bij wijziging de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch-zorgvuldige veehouderij' opgenomen;
  9. heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de kans op geurhinder, waarbij uitsluitend de achtergrondbelasting wordt beschouwd, op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12% en in het buitengebied niet hoger is dan 20%, tenzij er (indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan de genoemde percentages) maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de compenseert;
  10. Heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven achtergrondbelasting mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien is aangetoond dat de achtergrondconcentratie, vermeerderd met de bijdrage van het initiatief, een jaargemiddelde fijnstofconcentratie (PM10) op gevoelige objecten veroorzaakt van maximaal 31,2 µg/m³;
  11. Heeft de vergroting tot doel om bedrijfsgebouweneen toename van de oppervlakte van de dierenverblijven mogelijk te maken, dan wordt slechts medewerking verleend indien er een zorgvuldige dialoog is gevoerd met omwonenden, voorafgaand aan de definitieve planvorming en gericht op het betrekken van belangen van omwonenden bij de planontwikkeling en waarvan een schriftelijk verslag beschikbaar is;
  12. de bestaande waterhuishouding wordt niet negatief beïnvloed. Er wordt hieromtrent advies ingewonnen bij het Waterschapsbestuur;
  13. er dient sprake te zijn van een concreet ingediend plan, waaruit blijkt dat de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden niet worden aangetast en waaruit blijkt dat voldaan wordt aan de milieuwetgeving;
  14. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de omliggende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  15. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid . Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  16. er wordt vooraf advies ingewonnen bij de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen.  
8.8.5 Wijziging ten behoeve van vergroting en/of vormverandering Bedrijf
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel' te wijzigen in de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' (en eventueel het bouwvlak) mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. de wijzigingsbevoegdheid voor een vormverandering kan uitsluitend worden toegepast in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid zoals genoemd in artikel 9 lid 7.2 ;
  2. aangetoond is dat binnen het bestaande bestemmingsvlak onvoldoende mogelijkheden zijn voor uitbreiding;
  3. de vergroting is noodzakelijk in verband met een doelmatige bedrijfsvoering danwel vanwege andere bedrijfseconomische omstandigheden;
  4. de vergroting is uitsluitend toegestaan indien er sprake is van een bedrijfsactiviteit in de milieucategorie 1 of 2. een vergroting voor een activiteit in de milieucategorie 3.1 is toegestaan, mits is aangetoond dat deze activiteit naar aard en omvang gelijk te stellen is aan milieucategorie 2. Het mag geen geluidzoneringsplichtige activiteit betreffen;
  5. oppervlakte van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' mag na vergroting niet meer bedragen dan 5.000 m². Zijn de huidige bestemmingsvlakken al groter, kan er geen gebruik gemaakt worden van deze wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van vergroting;
  6. er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  7. er wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein;
  8. een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';  
  9. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast. Dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  10. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast;
  11. bij vergroting van het bestemmingsvlak zijn ook de overige bouw- en gebruiksregels uit artikel 9 Bedrijf van toepassing.
8.8.6 Wijziging ten behoeve van waterberging
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel' te wijzigen ten behoeve van de inrichting en beheer van gronden als waterbergingsgebied waarbij de bestemming 'Water' of dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterbergingsgebied' wordt toegekend, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. er is sprake van gronden met de aanduiding 'wro-zone - reserveringsgebied waterberging';
  2. het gebruik voor waterberging vormt geen onevenredige belemmering voor het agrarisch gebruik van de belendende agrarische percelen;
  3. de wijziging is uitsluitend toegestaan als de in het gebied aanwezige natuurwaarden, landschapswaarden, archeologische waarden, cultuurhistorische waarden en hydrologische waarden niet onevenredig worden aangetast.
8.8.7 Wijziging ten behoeve van natuurontwikkeling
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch met waarden - Groenblauwe mantel' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of 'Natuur' ten behoeve van natuurontwikkeling, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;
8.8.8 Wijziging ten behoeve van ecologische verbindingszone
Burgemeester en wethouders zijn met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening bevoegd de bestemming 'Agrarisch - Groenblauwe mantel´ met de aanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone' te wijzigen in de bestemming 'Bos' of ' Natuur' ter verwezenlijking, het behoud en het beheer van een ecologische verbindingszone, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
  1. overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
  2. wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;

Artikel 9 Bedrijf

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. niet-agrarische bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten of categorie 3.1 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 2 en het niet betreft geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
  2. een beroep of bedrijf aan huis bij de bedrijfswoning;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'paardenhouderij' voor een gebruiksgerichte paardenhouderij;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' uitsluitend voor statische opslag;
  5. tevens een 'agrarisch technisch hulpbedrijf' ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in tabel 'agrarisch technisch hulpbedrijven':
    1. aanduiding
      functie/aard bebouwing
      adres
      huisnr.
      oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch technisch hulpbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf + A.H.G.
      Achtmaalseweg
      143
      2.814 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf + tuinbouw
      Achtmaalseweg
      159b
      636 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Beemdstraat
      7
      537 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      landbouwmechanisatie en constructiebedrijf
      Blokenstraat
      3
      11.181 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Breedschotsestraat
      9
      1.396 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      loonwerkbedrijf
      Goirkesstraat
      3
      1.620 m²
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Goorbaan
      1a
      1.457 m²
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      loon- en grondwerkbedrijf
      Hazeldonksestraat
      17
      853 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Heistraat
      17
      1.070 m²
      specifieke vorm van bedrijf - hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Hulsdonkstraat
      20
      1.843 m²
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarische automatisering
      Kraaiheuvelstraat
      1d
      808 m²
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      loon- en grondwerkbedrijf met opslag en handel in land- en tuinbouwartikelen
      Kraaivenstraat
      3
      1.680 m²
      agrarisch loonbedrijf
      cultuurtechnisch loonbedrijf
      Noordhoeksestraat
      5
      3.302 m²
      Specifieke vorm van bedrijf-loonwerkbedrijf 1
       
      Loonwerkbedrijf met als nevenactiviteit vollegrondsteelt

       
      Slikstraatje

       
       3
      1.417 m²
       
      specifieke vorm van bedrijf - hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Oekelsestraat
      13
      2.005 m²
      Specifieke vorm van bedrijf- hulp- en nevenbedrijf
      Agrarisch hulp- en nevenbedrijf met nevenactiviteit boomkwekerij
      Oude Heistraat
      28
      1.000 m²
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      loonwerkbedrijf
      Paandijksestraat
      11
      1.580 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Pannenhoefsebaan
      10
      494 m²
      specifieke vorm van bedrijf- agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      loonwerk- en grondverzetbedrijf(hoofdzakelijk agrarisch, maar ook cultuurtechnisch)
      Palmbosstraat
      15a
      3.010 m²
      specifieke vorm van bedrijf- agrarisch technisch hulpbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      St. Willebrordusstraat
      8
      775 m²
      specifieke vorm van bedrijf - agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Van Lanschotstraat
      35
      1.195 m²
      agrarisch loonbedrijf
      landbouwmechanisatie bedrijf
      Watermanseweg
      2a en 2b
      4.599 m²
      specifieke vorm van bedrijf - hulp- en nevenbedrijf
      loonwerk- en grondverzetbedrijf
      Wernhoutseweg
      146
      3.936 m²
      specifieke vorm van bedrijf - hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      Wildertstraat
      1
      3.093 m²
      specifieke vorm van bedrijf - hulp- en nevenbedrijf
      agrarisch hulp- en nevenbedrijf (vernevelingstechniek)
      Wildertstraat
      11
      1.000 m²
  6. tevens een agrarisch-verwant bedrijf ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in tabel 'agrarisch-verwante bedrijven':
    1. aanduiding
      functie/aard bedrijven
      adres
      huisnr.
      oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²
      specifieke vorm van bedrijf - hondenschool
      hondenschool
      Eendenkooistraat
      8a
      396 m²
      specifieke vorm van bedrijf - hovenier
      hovenier
      Nieuw Ginnekensebaan
      2
      738 m²
      specifieke vorm van bedrijf - hovenier
      hovenier
      Oude Baan
      25
      83 m²
      specifieke vorm van bedrijf - dierenpension
      dierenpension/kennel, trimsalon en verkoop dierenbenodigdheden
      Tiggeltsebergstraat
      56
      2.311 m²
      specifieke vorm van bedrijf - dierenpension
       

      Dierenpension en trimsalon[ 

      Moststraat



      799 m²  

  7. tevens een 'overig bedrijf' eventueel ter plaatse aangeduid zoals opgenomen in tabel 'overige bedrijven':
    1. aanduiding
      functie/aard bebouwing
      straatnaam
      huisnr.
      oppervlakte bedrijfsbebouwing in m²
      specifieke vorm van bedrijf
      garagedeurenspecialist
      Aartsberg
      1a
      297 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      beregening en electrotechniek
      Achterste Schaapsdijk
      6
      1.890 m²
      Specifieke vorm van bedrijf – verkoop motorbrandstoffen zonder lpg
      Tankstation zonder lpg
      Achterste Schaapsdijk
      9
      125 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      bouwbedrijf
      Achtmaalseweg
      128
      966 m²
      Specifieke vorm van bedrijf - ambachtelijke brouwerij 
       
      Specifiek vorm van bedrijf - proeflokaal  
       bierbrouwerij  Achtmaalseweg  137a 
       180 m² 
         
      120 m² 
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      agrarisch transportbedrijf
      Achtmaalseweg
      147
      2.103 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      agrarisch transportbedrijf
      Achtmaalseweg
      149
      1.038 m²

       
      voegersbedrijf
      Akkermolenweg
      19
      216 m²
      detailhandel
      detailhandel in AGF
      Akkermolenweg
      19a
      433 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Akkermolenweg
      27 en 29
      720 m²
      specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf
      bouwbedrijf
      Berkstraat
      3
      306 m²
      specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf
      aannemersbedrijf
      Berkstraat
      12
      156 m²
      specifieke vorm van bedrijf-drukkerij
      drukkerij
      Bredaseweg
      26
      3.485 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Bredaseweg
      29 en 31
      1.200 m²
      specifieke vorm van bedrijf - autohandel
      autohandel
      Bredaseweg
      39
      18 m²


      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      paardenboxen, stallen/ metaalconstructie
      Buntweg
      2

      2.009 m²
      specifieke vorm van bedrijf - autoreparatiebedrijf
      autobedrijf
      Buntweg
      3
      1.772 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek

       
      Buntweg
      9 en11
      4.320 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      klusbedrijf
      Ettensebaan
      3
      240 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Ettensebaan
      12
      800 m²
      detailhandel

      detailhandel in bouwmaterialen, keukens en badkamers

      Gelderdonksestraat

      5

      2.020 m²

      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      reparatie/constructie- en aannemersbedrijf
      Goirkestraat
      1
      2.568 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      watersilospecialist
      Goirkestraat
      1a
      278 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      grondwerken
      Grote Heistraat
      1e
      2.112 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      bouw en aannemersbedrijf
      Grote Heistraat
      26
      600 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Heistraat
      6
      715 m²
      specifieke vorm van bedrijf - afvalbedrijf
      afvalsorterings- en afvalopslagbedrijf
      Hellegatweg
      7a
      2.375 m²
      specifieke vorm van bedrijf - taxibedrijf
      taxibedrijf
      Kraaiheuvelstraat
      1c
      192 m²
      detailhandel
      handelsonderneming detailhandel in bestratingsmaterialen
      Laguitensebaan
      49
      347 m²
      specifieke vorm van bedrijf - cursusruimte
      cursusruimte
      Luitertweg
      3
      200 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      aannemersbedrijf
      Maalbergenstraat
      11
      534 m²
      specifieke vorm van bedrijf - autosloperij
      autodemontagebedrijf
      Maalbergenstraat
      24a
      3.098 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      aannemersbedrijf
      Mereltjesstraat
      17
      616 m²
      specifieke vorm van bedrijf - architectenbureau
      architecten/ontwerpbureau
      Minnelingsebrugstraat
      4 en 4a
      518 m²
      detailhandel
      specifieke vorm van bedrijf-agrarisch hulp- en nevenbedrijf
      grondverzet en transportbedrijf en detailhandel in bestratingsmaterialen
      Nieuwe Akker
      22
      1.500 m²
      verkooppunt motorbrandstoffen met lpg
      LPG tankstation
      Noordhoeksestraat
      1
      1.182 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Noordhoeksestraat
      11
      436 m²

       
      verhuur van partytenten, -tafels en -stoelen
      Noordhoeksestraat
      9
      439 m²
      Specifieke vorm van bedrijf-loonwerkbedrijf
      Loonwerk- en grondverzetbedrijf (cultuur/civieltechnisch inclusief grondverzet en zanddepot houden
      Oekelsestraat
      9
      1.391 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      mechanisatiebedrijf
      Oekelsebaan
      45 en 45 a
      3.000 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      metaalbewerkings en metaalconstructiebedrijf
      Oude Heistraat
      3, 5 en 5a
      1.000 m²
      specifieke vorm van bedrijf - autoreparatiebedrijf
      autobedrijf
      Palmbosstraat
      5
      720 m²

       
      groothandel en installatiebedrijf beregeningstechniek
      Palmbosstraat
      6
      834 m²
      specifieke vorm van bedrijf - afvalbedrijf
      afvalsorterings- en afvalopslagbedrijf
      Pater Taksweg
      2
      576 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      agrarisch transportbedrijf
      Prof. van der Hoevenstraat
      10b
      2.959 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      houtbewerkingsbedrijf
      Rucphenseweg
      3 en 5
      2.500 m²
      specifieke vorm van bedrijf - autoreparatiebedrijf
      garagebedrijf / bandencentrum
      Rucphenseweg
      13 toevoeging a
      960 m²
      detailhandel
      caravan en kampeerhandel
      Rucphenseweg
      20
      2.563 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      sierbestrating
      Rucphenseweg
      49 en 49a en 49b
      1.003 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Spanjaardsdreef
      2
      408 m²
      specifieke vorm van bedrijf - dierenartsenpraktijk
      dierenartsenpraktijk
      Vagevuurstraat
      2 toevoeging a
      479 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      aannemingsbedrijf
      Van Lanschotstraat
      16 a
      618 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw

       
      Van Lanschotstraat
      18 en 18 a
      5.358 m²
      specifieke vorm van bedrijf - autosloperij
      autosloop- en autoschadeherstelbedrijf met autowerkplaats
      Van Lanschotstraat
      55a en 57
      1.010 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructiebedrijf
      constructiebedrijf
      Van Lanschotstraat
      35a
      1.195 m²
      specifieke vorm van bedrijf - groothandel
      groothandel bestratingsmateriaal en transportbedrijf
      Waaijenbergstraat
      25
      432 m²
      brandweerkazerne
      brandweerkazerne
      Wernhoutseweg
      36
      1.699 m²
      detailhandel
      verlichtingsartikelen
      Wernhoutseweg
      38 en 38 a
      2.280 m²

       
      electronisch installatieburo
      Wernhoutseweg
      54
      280 m²
      detailhandel
      showroom badkamers
      Wernhoutseweg
      72
      2.244 m²
      specifieke vorm van bedrijf - schadeherstelbedrijf
      autoschadespecialist
      Wernhoutseweg
      95
      1.560 m²
      specifieke vorm van bedrijf - constructie en techniek
      metaalbewerkings- en metaalconstructiebedrijf
      Wernhoutseweg
      138
      1.320 m²

       
      (ambachtelijke) houthandel
      Wernhoutseweg
      144
      510 m²

       
      verhuurbedrijf
      Wernhoutseweg
      152b
      6.852 m²
      specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf
      transportbedrijf
      Wernhoutseweg
      165
      1.683 m²
      specifieke vorm van bedrijf - atelierverzamelgebouw
      motorreparatiebedrijf
      Wernhoutseweg
      185
      473 m²
      specifieke vorm van bedrijf - bouw
      bouwbedrijf
      Wildertstraat
      15b
      1.020 m²
  8. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - buitenopslag toegestaan’ is buitenopslag met uitzondering van mest, tuinafval anders dan houtafval en maximaal 50 m3 puin;
  9. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘laad- en losplaats’; het laden en lossen van goederen ten behoeve van de bedrijfsvoering;  
  10. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – in- en uitrit’; een in- en uitrit voor bedrijfsvoertuigen.
  11. bloemencorso-bouwplaats gedurende een aaneengesloten periode van mei tot en met september, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - corsobouwplaats';
  12. ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarde' voor het behoud, de versterking en/of het herstel van de cultuurhistorische waarde van de bebouwing;
  13. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' is uitsluitend een nutsvoorziening is toegestaan;
  14. ter plaatse van de aanduiding 'waterzuiveringsinstallatie' uitsluitend een waterzuiveringsinstallatie is toegestaan;
  15. productiegebonden en ondergeschikte detailhandel tot een gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte van maximaal 200 m²;
  16. één en ander met behorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en verhardingen, met dien verstande dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

9.2 Bouwregels

Op de voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. bedrijfsgebouwen;
  2. bedrijfswoningen;
  3. bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen;
  4. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
9.2.1 Algemeen
  1. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één bedrijf toegestaan;
  2. indien tussen de bestemmingsvlakken de aanduiding 'relatie' is aangegeven, worden deze vlakken aangemerkt als één bestemmingsvlak;
  3. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. Is er geen bouwvlak, dan geldt het bestemmingsvlak als bouwvlak;
  4. de afstand tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend) waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m;
  5. de afstand van bouwwerken tot een zijdelingse eigendomsgrens met derden en een nieuw te bouwen bouwwerk bedraagt niet minder dan 3m.
9.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
  1. de goothoogte bedraagt maximaal 6 m;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m;
  3. het gezamenlijk oppervlakte aan bedrijfsgebouwen (niet zijnde de bedrijfswoning of bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning) mag niet meer bedragen dan in de tabellen in artikel 9.1 genoemd;
  4. indien een bedrijf met de aanduiding 'svb-agrarisch hulp- en nevenbedrijf' of 'agrarisch loonbedrijf' niet in de tabellen in artikel 9.1 is genoemd, is de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen 800 m²;
  5. indien er sprake is van de aanduiding 'paardenhouderij' mag een rijhal van maximaal 1.500 m² worden opgericht, tenzij er sprake is van de gebiedsaanduiding 'Waarde-Struweelvogels' of 'Waarde-Kwetsbare soorten', daar geldt een maximum van 1.000 m²;
  6. indien een bedrijf met de aanduiding 'opslag' niet in de tabellen in artikel 9.1 genoemd, is de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen 1.000 m²;
  7. indien een bedrijf niet is opgenomen in een van de in 9.1 genoemde tabellen en er is geen sprake van een aanduiding zoals genoemd onder d. t/m f., geldt een bebouwingspercentage van maximaal 40% van het bestemmingsvlak (dit is inclusief de bedrijfswoning en bij de bedrijfswoningen behorende bouwwerken), met een maximum oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van 800 m²;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' gelden de volgende regels in uitzondering op a. tot en met d.:
    1. de inhoud van een gebouw bij een zendmast bedraagt maximaal 50 m3;
    2. de inhoud van een gebouw ten behoeve van een gasregelstation mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp-bestemmingsplan;
    3. de oppervlakte van overige nutsvoorzieningen bedraagt maximaal 10 m²;
    4. de bouwhoogte bedraagt maximaal 2,5 m.
  9. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-corsobouwplaats' mag een permanente corso-opslagruimte worden gebouwd met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte bedraagt maximaal 250 m²;
    2. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m;
    3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m.
9.2.3 Bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken
Voor een bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
  1. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' ten hoogste het op de planverbeelding aangegeven woningen is toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning' is geen bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken toegestaan;
  3. indien een bedrijf met de aanduiding 'svb-agrarisch hulp en nevenbedrijf' of 'loonbedrijf' niet in de tabellen in artikel 9.1 is genoemd geldt een bebouwingspercentage van 40% van het bestemmingsvlak (dit is inclusief de bedrijfswoning en bij de bedrijfswoning behorende bouwwerken);
  4. indien een bedrijf niet is genoemd in de tabellen in artikel 9.1 geldt een bebouwingspercentage van 40% van het bestemmingsvlak (dit is inclusief de bedrijfswoning en bij de bedrijfswoning behorende bouwwerken);
  5. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m3;
  6. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  7. inpandige bedrijfswoningen in bedrijfsgebouwen mogen niet worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen;
  8. (twee-)aaneengebouwde woningen mogen niet worden vervangen door vrijstaande woningen;
  9. voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
    1. de gezamenlijke oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning bedraagt maximaal 100 m²;
    2. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m en de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 m;
    3. de bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning dienen minimaal 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd;
    4. de maximale afstand tussen bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning en de bedrijfswoning bedraagt maximaal 25 m.
9.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. paardenbakken zijn niet toegestaan;
  2. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden achter de voorgevellijn gebouwd, tenzij er een noodzaak is aangetoond dat een bouwwerk voor de voorgevellijn wordt opgericht;
  3. in afwijking van het bepaalde onder b. mogen wel erf- en terreinafscheidingen worden opgericht met een bouwhoogte van maximaal 1 m;
  4. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevellijn edraagt maximaal 2 m;
  5. de bouwhoogte van kleine windmolens bedraagt maximaal 15 m;
  6. de bouwhoogte van een overkapping bij een benzinestation ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' of 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' bedraagt maximaal 7 m;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' geldt een bouwhoogte van maximaal 25 m.
  8. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-corsobouwplaats' mag een corsotent ten dienste van de bouw van bloemencorsowagens worden gebouwd met dien verstande dat:
    1. de oppervlakte van de corsotent per aanduidingsvlak maximaal 650 m² bedraagt;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 12 m;
    3. de corsotent van mei tot en met september van een kalenderjaar in stand mag worden gehouden;
  9. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

9.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de bestemmingsomschrijving in artikel 9 lid 1  zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 9 lid 2  bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

9.4 Afwijken van de bouwregels

9.4.1 Algemeen
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:
  1. artikel 9 lid 2.1 sub d  voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast;
  2. artikel 9 lid 2.1 sub e  voor het bouwen binnen 3 m van de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast en de bouw- en gebruiksmogelijkheden van belendende percelen van derden niet onevenredig worden verminderd;
9.4.2 Afwijken ten behoeve van een grotere goot- en/of bouwhoogte
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:
  1. artikel 9 lid 2.2 sub a  en artikel 9 lid 2.2 sub b  voor het bouwen van bedrijfsgebouwen met een hogere goothoogte tot maximaal 8 m en/of een hogere bouwhoogte tot maximaal 13 m mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. de hogere hoogten zijn noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering;
    2. ruimtelijke kwaliteitsverbetering waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
  2. artikel 9 lid 2.4 sub g  voor het bouwen van een hogere zendmast, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    1. er wordt geen afbreuk gedaan aan de stedenbouwkundige, cultuurhistorische of landschappelijke waarden;
    2. er wordt een radarverstoringsonderzoek overlegd dat ter advisering wordt voorgelegd aan het Ministerie van Defensie indien de mast hoger is dan 63 m boven NAP.
9.4.3 Afwijken ten behoeve van tijdelijke woonunits t.b.v. mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9 lid 2 om extra bebouwing toe te staan in de vorm van een woonunit ten behoeve van mantelzorg, onder de voorwaarden dat:
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
  2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege erkende instantie;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  5. per bedrijfswoning is maximaal één woonunit toegestaan;
  6. de oppervlakte van de woonunit bedraagt maximaal 80 m²;
  7. de bouwhoogte van de woonunit bedraagt maximaal 3,25 m;
  8. indien de woonunit aan een zijgevel van de bedrijfswoning wordt geplaatst, dient deze minimaal 3 m achter de voorgevellijn te worden gerealiseerd;
  9. indien de woonunit vrij van de bedrijfswoning wordt gerealiseerd, geldt dat de maximale afstand tussen de bedrijfswoning en de woonunit 25 m bedraagt;
  10. de woonunit is een tijdelijk gebouw en er is dan ook geen sprake van een tweede wooneenheid.
Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning in indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleken noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.
9.4.4 Afwijken ten behoeve van een paardenbak voor hobbymatig gebruik
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9 lid 2.4 sub a teneinde ten behoeve van hobbymatig gebruik binnen deze bestemming maximaal één paardenbak toe te staan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. er is geen sprake van de aanduiding '-bedrijfswoning';
  2. per bestemmingsvlak is maximaal één hobbymatige paardenbak toegestaan;
  3. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 25 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden, alsmede een afstand van minimaal 20 m tot belendende percelen van derden;
  4. de omvang van een paardenbak mag in totaal niet meer bedragen dan 800 m²;
  5. schuurtjes, lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken zijn niet toegestaan;
  6. voor afrasteringen gelden de volgende bepalingen:
    1. de hoogte van afrasteringen mag niet meer bedragen dan 2 m;
    2. afrasteringen worden uitgevoerd in een open constructie;
  7. er mag geen grotere opslag van mest plaatsvinden dan 1 m3;
  8. er wordt voldaan aan de milieu- en dierenwelzijnswetgeving.

9.5 Specifieke gebruiksregels

9.5.1 Maximaal één bedrijf per bestemmingsvlak
Per bestemmingsvlak mag slechts één bedrijf zijn gevestigd. Meerdere bedrijven binnen een bestemmingsvlak zijn niet toegestaan.
9.5.2 Ondergeschikte detailhandel
Binnen deze bestemming is productiegebonden en ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit bij het bedrijf toegestaan mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. het maximale verkoopvloeroppervlak bedraagt 200 m²;
  2. het woon- en leefklimaat mag niet onevenredig worden aangetast, waarbij in ieder geval een afstand van minimaal 50 m wordt aangehouden ten opzichte van (bedrijfs)woningen van derden;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. er dient geen sprake te zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  5. het parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' geldt het bepaalde in dit artikel niet en mag het gehele bestemmingsvlak voor detailhandel (als hoofdactiviteit) te worden ingezet.
9.5.3 Beroep en bedrijf aan huis
Binnen deze bestemming is een beroep en bedrijf aan huis bij een bedrijfswoning toegestaan, mits voldaan wordt aan de volgende regels:
  1. de uitoefening van het beroep of bedrijf mag uitsluitend in de bedrijfswoning of in een bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning plaatsvinden;
  2. indien de uitoefening van het beroep of bedrijf plaatsvindt in een bijbehorend bouwwerk, bedraagt de afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de bedrijfswoning maximaal 25 m;
  3. de primaire woonfunctie wordt in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate gehandhaafd;
  4. de omvang van de activiteit bedraagt maximaal 60 m²;
  5. degene die het beroep of bedrijf uitoefent is tevens gebruiker van de bedrijfswoning;
  6. er mogen maximaal twee personen in dienst zijn voor ondersteunende werkzaamheden;
  7. uitsluitend bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 1 zijn toegestaan, of categorie 2 mits aangetoond is dat zij naar aard en omvang vergelijkbaar is met categorie 1;
  8. er vindt geen buitenopslag, horeca, detailhandel, groothandel of seksinrichting plaats;
  9. er is geen sprake van een publieksgericht karakter waarbij sprake is van onbelemmerde en onbeperkte toegang voor publiek;
  10. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  11. de activiteit geen zodanige verkeersaantrekkende werking heeft dat als gevolg daarvan extra verkeersmaatregelen -waaronder parkeervoorzieningen- in het openbaar gebied noodzakelijk zijn;
  12. parkeren dient op eigen terrein te worden opgelost;
  13. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid. 
9.5.4 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan, het gebruik van de gronden voor:
  1. geluidzoneringsplichtige bedrijven;
  2. risicovolle inrichtingen in het kader van Externe Veiligheid;
  3. opslag van meer dan 10.000 kg vuurwerk;
  4. detailhandel, niet zijnde als nevenactiviteit zoals genoemd onder artikel 9 lid 5.2 of ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
  5. zelfstandige kantoren;
  6. buitenopslag, tenzij de buitenopslag inherent is aan de bedrijfsvoering/bedrijfsactiviteit bij bedrijven zoals genoemd in de tabel 'agrarisch technisch hulpbedrijven' in artikel 9 lid 1 ;
  7. seksinrichtingen;
  8. grow-, smart- en coffeeshops;
  9. publieksgerichte voorzieningen;
  10. horeca;
  11. gebruik van bijbehorende bouwwerken bij een bedrijfswoning als zelfstandige woning en/of afhankelijke woonruimte.

9.6 Afwijken van de gebruiksregels

9.6.1 Afwijken ten behoeve van afhankelijke woonruimte voor mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 9 lid 5.4 sub k en worden toegestaan dat een bijbehorend bouwwerk gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, onder de voorwaarde dat:
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is uit het oogpunt van mantelzorg;
  2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege erkende instantie;
  3. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  4. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  5. de afhankelijke woonruimte binnen een bijgebouw wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  6. indien een vrijstaand bijgebouw bij de bedrijfswoning voor huisvesting voor mantelzorg in gebruik wordt genomen, geldt dat de maximale afstand tussen de woning en het vrijstaande bijgebouw maximaal 25 m;
  7. de bewoning van het vrijstaande bijgebouw is tijdelijk en er is dan ook geenszins sprake van een twee woning(eenheid).
De omgevingsvergunning vervalt, indien de bij het verlenen van deze omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig.

9.7 Wijzigingsbevoegdheid

9.7.1 Wijziging naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Bedrijf' (al dan niet met enige aanduiding) te wijzigen in de bestemming 'Wonen', al dan niet met de aanduiding 'twee aaneen', waarbij tevens het vlak wordt verkleind en de bestemming dan gewijzigd wordt naar 'Agrarisch', 'Agrarisch-AHS plus', 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied', 'Agrarisch met waarden-Beekdal', 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel', waarbij na bedrijfsbeëindiging de verbouw c.q. gebruik van de voormalige bedrijfswoning voor woondoeleinden kan worden toegestaan onder de voorwaarden dat:
  1. het bedrijf (eventueel inclusief de nevenactiviteiten) is volledig beëindigd;
  2. indien er sprake is van een locatie dat aan minimaal 2 zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  3. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' mag nooit meer bedragen van 5.000 m²;
  4. de bestaande voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen;
  5. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  6. in afwijking van het bepaalde onder e. is splitsing toegestaan met dien verstande dat:
    1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij voormalige boerderijgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
    2. de voormalige boerderij mag gesplitst worden in maximaal twee woningen;
    3. de beide woningen dienen minimaal een inhoud te hebben van 400 m³;
    4. de aanduiding 'twee aaneen' zal worden opgenomen.
  7. indien de aanduiding 'twee aaneen' is opgenomen of indien deze aanduiding niet is  opgenomen, maar er ten tijde van de vaststelling van dit plan wel sprake was van een (twee-)aaneengebouwde woning, wordt deze behouden, wat inhoudt dat de voormalige bedrijfswoningen niet vrijstaand mogen worden gebouwd;
  8. de woning(en) mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  9. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  10. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in artikel 23 Wonen  zijn overeenkomstig van toepassing.
9.7.2 Vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening de bestemming 'Bedrijf' te vergroten door de bestemmingen 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch-AHS plus' 'Agrarisch met waarden-Beekdal' en/of 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel' te wijzigen naar de bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van vergroting van het bestemmingsvlak (eventueel met bouwvlak) en/of de bestemming 'Bedrijf' te wijzigen naar de bestemming 'Agrarisch' en/of 'Agrarisch-AHS plus', en/of 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' en/of 'Agrarisch met waarden-Beekdal' en/of 'Agrarisch met waarden-Groenblauwe mantel' in het kader van vormverandering/vormvergroting van het bestemmingsvlak (en/of het bouwvlak), waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1. er is sprake van een combinatie met artikel 3 lid 8.6  of artikel 5 lid 8.5 , artikel 6 lid 7.5 , artikel 7 lid 8.4  of artikel 8 lid 8.5 ;
  2. de voorwaarden zoals genoemd in artikel artikel 3 lid 8.6  of artikel 5 lid 8.4 , artikel 6 lid 7.5 , artikel 7 lid 8.5  of artikel 8 lid 8.5  zijn overeenkomstig van toepassing. 

Artikel 10 Bos

 

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor :
  1. het in stand houden van het bos;
  2. extensief recreatief medegebruik;  
  3. houtproductie;
  4. beheer, behoud en herstel van natuurwaarden;
  5. beheer, behoud en herstel van landschappelijke waarden;
  6. beheer, behoud en herstel van de ecologische hoofdstructuur;
  7. verkeersvoorzieningen;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' is één recreatiewoning met atelier toegestaan;
  9. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
een en ander met bijbehorende voorzieningen.

10.2 Bouwregels

10.2.1 Algemeen
Op de voor 'Bos' aangewezen gronden mogen enkel bouwwerken geen gebouwen worden gebouwd ten dienste van deze bestemming, onder voorwaarden dat:
  1. afrasteringen mogen enkel in een open constructie worden gebouwd;
  2. de bouwhoogte van hoogzitten bedraagt maximaal 3,5 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 2 m.
10.2.2 Recreatiewoning
Een uitzondering op artikel 10 lid 2.1  wordt gemaakt voor één recreatiewoning met atelier, ter plaatse van de aanduiding 'recreatie' onder de voorwaarden dat:
  1. er maximaal één recreatiewoning is toegestaan met een oppervlakte van maximaal 45 m²;
  2. een atelier is toegestaan met dien verstande dat de bestaande maatvoering, de maximale maatvoering is;
  3. voor het overige geen andere (nieuwe) bouwwerken zijn toegestaan, met uitzondering van de bouwwerken, zoals genoemd in artikel 10 lid 2.1.

10.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de bestemmingsomschrijving in artikel 10 lid 1  zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 10 lid 2 , bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering en afmetingen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits deze eisen blijven binnen de in het plan neergelegde begrenzingen en indien zulks noodzakelijk is in verband met:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmeting van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing, waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid.
  9. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

10.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van:
  1. het bepaalde in artikel 10 lid 2  voor het oprichten van gebouwen ten behoeve van het beheer van de gronden met per gebouw een bebouwde oppervlakte van maximaal 20 m² en een bouwhoogte van maximaal 3 m;
  2. het bepaalde in artikel 10 lid 2  voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde ten behoeve van de extensieve recreatie, zoals vogeluitkijkposten, fietsersschuilhutten e.d., mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    1. de bebouwde oppervlakte bedraagt per bouwwerk niet meer dan 25 m²;
    2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m;
    3. de hoogte tussen vloer- en daklaag bij een gebouw mag niet meer bedragen dan 3,5 m;
    4. er dient te worden voorzien in een goede landschappelijke inpassing;
    5. er vindt geen blijvende aantasting van de aardkundige en natuurwaarden plaats.

10.5 Specifieke gebruiksregels

10.5.1 Strijdig gebruik gronden
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden voor:
  1. agrarische doeleinden, behoudens voor zover dat ten dienste staat van de instandhouding of ontwikkeling van de natuurwaarden;
  2. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  3. het gebruik van gronden als volkstuin;
  4. het beoefenen van lawaaisporten;
  5. paardenbakken;
  6. het geplaatst houden van kampeermiddelen;
  7. militair gebruik.
10.5.2 Strijdig gebruik opstallen
Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van opstallen voor:
  1. voor bewoning;
  2. voor (detail-)handelsdoeleinden;
  3. voor bedrijfsdoeleinden.

10.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

10.6.1 Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het vellen of rooien van bos of houtopstanden;
  2. het aanleggen van wegen en het aanbrengen van overige verhardingen;
  3. het dempen van wateren;
  4. het aanleggen van drainage en graven van sloten;
  5. het aanleggen van boven- en ondergrondse leidingen;
  6. het ophogen, egaliseren, verlagen of afgraven van de bodem;
  7. het verwijderen van onverharde paden.
10.6.2 Uitzonderingen op verbod
Het in artikel 10 lid 6.1  vervatte verbod geldt niet voor de werken of werkzaamheden:
  1. die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden uitgevoerd;
  2. die het normale beheer en onderhoud betreffen;
  3. het vellen of rooien van een houtproductiebos.
10.6.3 Afwegingskader
De in artikel 10 lid 6.1  genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 10 lid 1  genoemde waarden en gebruik.

Artikel 11 Cultuur en ontspanning

 

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor
  1. seksinrichtingen:
 
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals ondergeschikte horeca, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en verhardingen, met dien verstande dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

11.2 Bouwregels

Op de voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. bedrijfsgebouwen;
  2. bedrijfswoningen;
  3. bijbehorende bouwwerken;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.2.1 Algemeen
  1. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één seksinrichting toegestaan;
  2. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  3. het bebouwingspercentage bedraagt maximaal 30% van het bouwvlak;
  4. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m;
  5. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 5 m.
11.2.2 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de goothoogte mag niet meer dan 5 m bedragen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer dan 9 m bedragen.
11.2.3 Bedrijfswoningen
Voor een bedrijfswoning gelden bovendien de volgende regels:
  1. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning' is geen bedrijfswoning toegestaan;
  3. de inhoud mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  6. bestaande inpandige bedrijfswoningen geïntegreerd in een bedrijfsgebouw mogen niet worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen.
11.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² bedragen;
  2. de inhoud van aanbouwen en uitbouwen is bepaald in artikel 11 lid 2.3 sub c ;
  3. de afstand tot een perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen;
  4. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m bedragen;
  5. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van tenminste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
11.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, met uitzondering van:
  1. erfafscheidingen, waarbij de bouwhoogte voor de voorgevel maximaal 1 m mag bedragen en achter de voorgevel maximaal 2 m;
  2. vlaggenmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen.

11.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de doeleinden in artikel 11 lid 1  zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 11 lid 2 , bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

11.4 Afwijken van de bouwregels

11.4.1 Afwijken van de afstand tot de weg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11 lid 2.1 sub d  voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.
11.4.2 Afwijken ten behoeve van hogere erfafscheiding
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11 lid 2.5 sub a ten behoeve van de hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel dien verstande dat deze maximaal 2 m mag bedragen, mits hierdoor de verkeersveiligheid niet wordt aangetast.
11.4.3 Afwijken ten behoeve van een groter bebouwingspercentage
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 11 lid 2.1 sub c  ten behoeve van een groter bebouwingspercentage tot maximaal 40% van het bouwvlak, waarbij de volgende bepalingen gelden:
  1. de vergroting van het oppervlak is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  2. door de vergroting van het oppervlak vindt er geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.

11.5 Specifieke gebruiksregels

11.5.1 Gebruiksverbod
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor:
  1. grow-, smart- en coffeeshops;
  2. detailhandel;
  3. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en/ of afhankelijke woonruimte;
  4. zelfstandige horeca.
11.5.2 Ondergeschikte horeca
Horeca, ondergeschikt en ondersteunend aan de sexinrichting is toegestaan, waarbij een maximum van 35% van het bedrijfsvloeroppervlak daarvoor mag worden ingericht.

11.6 Wijzigingsbevoegdheid

11.6.1 Wijzigen naar wonen
  1. de sexinrichting is volledig beëindigd;
  2. indien er sprake is van een locatie dat aan minimaal 2 zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  3. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' mag nooit meer bedragen van 5.000 m²;
  4. de bestaande voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische  waarde' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen;
  5. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  6. in afwijking van het bepaalde onder e. is splitsing toegestaan met dien verstande dat:
    1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij voormalige boerderijgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
    2. de voormalige boerderij mag gesplitst worden in maximaal twee woningen;
    3. de beide woningen dienen minimaal een inhoud te hebben van 400 m³;
    4. de aanduiding 'twee aaneen' zal worden opgenomen.
  7. indien de aanduiding 'twee aaneen' is opgenomen of indien deze aanduiding niet is  opgenomen, maar er ten tijde van de vaststelling van dit plan wel sprake was van een   (twee-)aaneengebouwde woning, wordt deze behouden, wat inhoudt dat de voormalige bedrijfswoningen niet vrijstaand mogen worden gebouwd;
  8. de woning(en) mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  9. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  10. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in artikel 23 Wonen zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 12 Groen - landschapselement

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - Landschapselement' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen;
  2. de inrichting en instandhouding van landschappelijke inpassing;
  3. extensief recreatief gebruik.

12.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht.

12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

12.3.1 Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanbrengen van hoogopgaand en/ of diepwortelende beplanting, waaronder bijvoorbeeld houtgewas;
  2. het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas;
  3. het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
  4. het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
  5. diepploegen vanaf 0,50 m;
  6. het aanbrengen van verhardingen;
  7. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
12.3.2 Uitzondering op verbod
Het onder artikel 12 lid 3.1  vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
  1. die ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds op basis van een verleende omgevingsvergunning in uitvoering waren of mogen worden;
  2. die het normale beheer en/ of onderhoud betreffen.
12.3.3 Afwegingskader
De in artikel 12 lid 3.1  genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 12 lid 1  genoemde waarden en gebruik.

Artikel 13 Horeca

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. horecabedrijven, niet zijnde vermaak- of wellnessfaciliteiten;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - sportieve activiteiten': voor daghoreca en dagrecreatiesportvoorzieningen;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'partycentrum' en 'hotel' tevens voor een partycentrum en/of hotel;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 2' uitsluitend een horecabedrijf tot maximaal categorie 2 inhoudende vormen van horecabedrijven die primair gericht zijn op het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse en waarvan de exploitatie doorgaans geen aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt, zoals restaurants, bistro's en grand cafés; 
een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en verhardingen, met dien verstande dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

13.2 Bouwregels

Op de voor 'Horeca' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. bedrijfsgebouwen;
  2. bedrijfswoningen;
  3. bijbehorende bouwwerken;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
13.2.1 Algemeen
  1. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één horecabedrijf toegestaan;
  2. het bebouwingspercentage voor gebouwen per bestemmingsvlak bedraagt maximaal 30% van het bestemmingsvlak;
  3. de afstand tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend) waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m;
  4. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 3 m;
  5. het slopen van of het realiseren van vervangende nieuwbouw van een woonboerderij ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarde' is niet toegestaan.
13.2.2 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de goothoogte mag niet meer dan 6 m bedragen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen;
13.2.3 Bedrijfswoningen
Voor een bedrijfswoning gelden bovendien de volgende regels:
  1. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal bedrijfswoningen' ten hoogste het op de planverbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning' is geen bedrijfswoning toegestaan;
  3. de inhoud mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  6. inpandige bedrijfswoningen geïntegreerd in een bedrijfsgebouw, mogen niet worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen.
13.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² bedragen;
  2. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m bedragen;
  3. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van tenminste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
13.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:
  1. de bouwhoogte voor erfafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 1 m;
  2. de bouwhoogte voor erfafscheidingen achter de voorgevellijn bedraagt maximaal 2 m;
  3. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt maximaal 6 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

13.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de doeleinden in artikel 13 lid 1  zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 13 lid 2 , bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

13.4 Afwijken van de bouwregels

13.4.1 Afwijken van de afstand tot de weg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 2.1 sub c  voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend), mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.
13.4.2 Afwijken ten behoeve van een groter bebouwingspercentage
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 2.1 sub b  ten behoeve van een groter bebouwingspercentage tot maximaal 40% van het bouwvlak, waarbij de volgende bepalingen gelden:
  1. de vergroting van het oppervlak is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  2. door de vergroting van het oppervlak vindt er geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven.
13.4.3 Afwijken ten behoeve van een hogere erfafscheiding
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 2.5 sub a  ten behoeve van de bouwhoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn, met dien verstande dat deze maximaal 2 m mag bedragen, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.
13.4.4 Afwijken ten behoeve van tijdelijke woonunits voor mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 5.1 sub d om extra bebouwing toe te staan in de vorm van een woonunit ten behoeve van mantelzorg, onder de voorwaarden dat:
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
  2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege erkende instantie;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en omliggende (agrarische) bedrijven;
  4. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  5. per bedrijfswoning is maximaal één woonunit toegestaan;
  6. de oppervlakte van de woonunit bedraagt maximaal 80 m²;
  7. de bouwhoogte van de woonunit bedraagt maximaal 3,25 m;
  8. indien de woonunit aan een zijgevel van de bedrijfswoning wordt geplaatst, dient deze minimaal 3 m achter de voorgevellijn te worden gerealiseerd;
  9. indien de woonunit vrij van de bedrijfswoning wordt gerealiseerd, geldt dat de maximale afstand tussen de bedrijfswoning en de woonunit 25 m bedraagt;
  10. de woonunit is een tijdelijk gebouw en er is dan ook geen sprake van een tweede wooneenheid.
Burgemeester en wethouders trekken de omgevingsvergunning in indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleken noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

13.5 Specifieke gebruiksregels

13.5.1 Gebruiksverbod
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. grow-, smart- en coffeeshops;
  3. detailhandel;
  4. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en/ of afhankelijke woonruimte.  
13.5.2 Overige gebruiksregels
Ter plaatse van de maatvoeringsaanduiding 'maximum vloeroppervlak; bvo m²' geldt dat de totale bruto vloeroppervlak voor het horecabedrijf (inclusief 65 m² aan vrijstaande bijgebouwen ingericht voor opslag ten behoeve van het horecabedrijf) niet meer mag bedragen dan op de planverbeelding is aangegeven. 

13.6 Afwijken van de gebruiksregels

13.6.1 Afwijken ten behoeve van afhankelijke woonruimte ten behoeve van mantelzorg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 13 lid 5.1 sub d en worden toegestaan dat een bij de bedrijfswoning behorend bouwwerk gebruikt wordt als afhankelijke woonruimte, onder de voorwaarden dat:
  1. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg;
  2. de zorgbehoefte is aangetoond door een van gemeentewege erkende instantie;
  3. aangetoond wordt dat er op het perceel geen ruimte is voor het plaatsen van een woonunit;
  4. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven;
  5. de afhankelijke woonruimte binnen de bestaande bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²;
  6. indien een vrijstaand bijgebouw bij de bedrijfswoning voor huisvesting voor mantelzorg in gebruik wordt genomen, geldt dat de maximale afstand tussen de bedrijfswoning en het vrijstaande bijgebouw 25 m bedraagt;
  7. de bewoning van het vrijstaande bijgebouw is tijdelijk en er is dan ook geenszins sprake van een tweede woning(eenheid);
De omgevingsvergunning verleend op grond van dit artikel vervalt, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is.

13.7 Wijzigingsbevoegdheid

13.7.1 Wijzigen naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende regels:
  1. de horeca-inrichting is volledig beëindigd;
  2. indien er sprake is van een locatie dat aan minimaal 2 zijden grenst aan de bestemming 'Agrarisch-Boomteeltontwikkelingsgebied' wordt aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de huidige en toekomstige intensivering van het gebied;
  3. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' mag nooit meer bedragen van 5.000 m²;
  4. de bestaande voormalige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen; 
  5. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  6. in afwijking van het bepaalde onder e. is splitsing toegestaan met dien verstande dat:
    1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij voormalige boerderijgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
    2. de voormalige boerderij mag gesplitst worden in maximaal twee woningen;
    3. de beide woningen dienen minimaal een inhoud te hebben van 400 m³;
    4. de aanduiding 'twee aaneen' zal worden opgenomen.
  7. indien de aanduiding 'twee aaneen' is opgenomen of indien deze aanduiding niet is opgenomen, maar er ten tijde van de vaststelling van dit plan wel sprake was van een (twee-)aaneengebouwde woning, wordt deze behouden, wat inhoudt dat de voormalige bedrijfswoningen niet vrijstaand mogen worden gebouwd;
  8. de woning(en) mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  9. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  10. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in artikel 23 Wonen  overeenkomstig van toepassing.

Artikel 14 Maatschappelijk

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. maatschappelijke voorzieningen in de vorm van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs, opvoeding, cultuur, lichamelijke en geestelijke volksgezondheid;
  2. begraafplaats, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats';
  3. een abdij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - abdij', bestemd voor maatschappelijke en religieuze doeleinden, een agrarisch bedrijf, een houtbewerkingsbedrijf, recreatieve doeleinden die (in)direct verband houden met religie en verkoop van religieuze artikelen en abdijproducten;
  4. een dierenopvang met ondergeschikte detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenopvang';
  5. een kinderopvang, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kinderopvang';
  6. een brandweerkazerne, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - brandweerkazerne';
  7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk-zorg' uitsluitend voor een maatschappelijke voorziening zonder overnachtingen;
  8. ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum' tevens een congrescentrum met conferentiehotel;
  9. het behoud, de versterking en/ of het herstel van de cultuurhistorische waarde van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
  10. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  11. het behoud, het herstel en van de landschappelijke, cultuurhistorische, en natuurwaarden, waaronder in ieder geval verstaan:
    1. kleinschaligheid van het landschap,
    2. landschapselementen;
    3. begeleid natuurlijke eenheden en kleinere bos- en natuurgebieden, met tussenliggende of omringende landbouwgronden
    4. het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de ecologische waarde, ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone;
  12. een en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, tuinen, speelvoorzieningen, parkeervoorzieningen en verhardingen met dien verstande dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

14.2 Bouwregels

Op de voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel;
  1. gebouwen;
  2. bedrijfswoningen;
  3. bijbehorende bouwwerken;
  4. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
14.2.1 Algemeen
  1. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m;
  2. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrens met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 5 m;
  3. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  4. is het bouwvlak groter dan 1.000 m², dan geldt het bebouwingspercentage van maximaal 30%;
  5. is het bouwvlak kleiner dan 1.000 m², dan mag het gehele bouwvlak worden bebouwd;
  6. het bepaalde in sub d. en e. is niet van toepassing ten behoeve van het bouwen van gebouwen voor het congrescentrum met conferentiehotel ter plaatse van de aanduiding 'congrescentrum'. Ten behoeve van het congrescentrum met conferentiehotel mag enkel nog een bijgebouw gerealiseerd worden, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
    1. de oppervlakte bedraagt maximaal 50 m²;
    2. de goothoogte en bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 m respectievelijk 6 m;
    3. het bijgebouw moet binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
  7. per bestemmingsvlak mag ten hoogste 1 bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal bedrijfswoningen' ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan.
14.2.2 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de goothoogte mag niet meer dan 6 m bedragen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen;
  3. in afwijking van het bepaalde onder a zijn buiten het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding 'begraafplaats' bijbehorende bouwwerken toegestaan tot een gezamenlijk oppervlak van maximaal 25 m², met dien verstande dat de goothoogte maximaal 3 m en de bouwhoogte maximaal 5 m mag bedragen;
  4. in afwijking van het bepaalde in artikel 14.2.1 sub d bedraagt ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - abdij' de bebouwde oppervlakte maximaal 13.060 m² mag bedragen.
14.2.3 Bedrijfswoningen
  1. per bestemmingsvlak mag ten hoogste 1 bedrijfswoning worden gebouwd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'aantal bedrijfswoningen'ten hoogste het op de verbeelding aangegeven aantal bedrijfswoningen is toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning'is geen bedrijfswoning toegestaan;
  3. de inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³;
  4. de goot- en bouwhoogte van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 5 respectievelijk 9 m.
14.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² bedragen;
  2. de inhoud van aanbouwen en uitbouwen is bepaald in artikel 14 lid 2.3 sub c ;
  3. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m bedragen;
  4. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van tenminste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
14.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. erfafscheidingen, waarbij de bouwhoogte vóór de voorgevel maximaal 1 m mag bedragen en achter de voorgevel maximaal 2 m;
  2. op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - abdij', bedraagt de bouwhoogte maximaal 10 m, met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 4 m.

14.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de bestemmingsbeschrijving in artikel 14 lid 1 zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 14 lid 2 bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van de waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
  9. de gebruiksmogelijkheden in andere bestemmingen.

14.4 Specifieke gebruiksregels

Onder verboden gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. grow-, smart- en coffeeshops;
  3. horeca met uitzondering van ondergeschikte horeca en een conferentiehotel op gronden met de functieaanduiding 'congrescentrum';
  4. het gebruik van bijgebouwen als zelfstandige woning en/ of afhankelijke woonruimte;
  5. detailhandel met uitzondering van de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - abdij' voor de daar genoemde detailhandelsactiviteiten en ondergeschikte detailhandel ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dierenopvang'.

14.5 Wijzigingsbevoegdheid

14.5.1 Wijzigen naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende regels:
  1. de maatschappelijke functie (inclusief de eventuele nevenactiviteiten) ter plaatse is beëindigd;
  2. het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende gebouwen en tuin;
  3. gelijktijdig vindt door de verkleining van het bestemmingsvlak de wijziging plaats van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied', 'Agrarisch - Groenblauwe mantel' of 'Agrarisch - Beekdal';
  4. de overtollige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorische bedrijfsgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen; 
  5. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  6. in afwijking van het bepaalde onder e. is splitsing toegestaan met dien verstande dat:
    1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij voormalige boerderijgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
    2. de voormalige boerderij mag gesplitst worden in maximaal 2 woningen;
    3. de beide woningen dienen minimaal een inhoud te hebben van 400 m³;
    4. de aanduiding 'twee aaneen' zal worden opgenomen;
  7. indien de aanduiding 'twee aaneen' is opgenomen of indien deze aanduiding niet is opgenomen, maar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan wel sprake was van een (twee-)aaneengebouwde woning, wordt deze behouden, wat inhoudt dat  de voormalige bedrijfswoningen niet vrijstaand mogen worden gebouwd;
  8. de woning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  9. er sprake is van een milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  10. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in artikel 23 Wonen zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 15 Natuur

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. het behoud en/ of herstel van de aldaar voorkomende danwel daaraan eigen natuurwetenschappelijke, landschappelijke en/ of cultuurhistorische waarden;
  2. het behoud, het herstel en/ of de ontwikkeling van de ecologische waarde, ecologische hoofdstructuur en ecologische verbindingszone;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'overig - aardkundig waardevol gebied' behoud en bescherming van de aan het gebied toegekende aardkundige waarden, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen zoals dalglooiingen, steilranden en bodemovergangen;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-theekoepel' is een theekoepel toegestaan;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-mariakapel' is een mariakapel toegestaan;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - veldschuur' is een veldschuur toegestaan;
  7. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - persoonsgebonden overgangsrecht 3' gelden tevens de bepalingen zoals opgenomen in artikel 45 lid 3 sub b ;
  8. verwezenlijking en het behoud, beheer en herstel van watersystemen ter plaatse van de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  9. extensief recreatief medegebruik;
  10. extensief agrarisch gebruik, zoals beweiding, ten dienste van natuurbeheer;
  11. water en waterhuishoudkundige doeleinden;
  12. verharde en onverharde paden, wegen en parkeervoorzieningen een en ander met bijbehorende voorzieningen.

15.2 Bouwregels

Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd, die ten dienste staan aan de bestemming, waarbij de volgende eisen gelden:
  1. voor bouwwerken ten behoeve van het natuurbeheer, niet zijnde lichtmasten, geldt een maximale bouwhoogte van 4 m en een maximale oppervlakte van 10 m²;
  2. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickvoorzieningen, banken en afvalbakken geldt een maximale bouwhoogte van 3 m;
  3. in afwijking van het bepaalde onder a is een veldschuur toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - veldschuur' met dien verstande dat de bestaande maatvoering de maximale maatvoering is;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-theekoepel' gelden de volgende bouwregels:
    1. binnen de aanduiding is uitsluitend de bouw van een theekoepel toegestaan;
    2. de omvang van de aanduiding is de maximale oppervlakte van een theekoepel;
    3. de bouwhoogte van een theekoepel bedraagt maximaal 6 m;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie-mariakapel' gelden de volgende bouwregels:
    1. binnen de aanduiding is uitsluitend de bouw van een mariakapel toegestaan;
    2. de omvang van de aanduiding is de maximale oppervlakte van een mariakapel;
    3. de bouwhoogte van een mariakapel bedraagt maximaal 6 m.

15.3 Specifieke gebruiksregels

15.3.1 Strijdig gebruik
In ieder geval geldt als strijdig met de bestemming gebruik van gronden voor:
  1. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest;
  2. het gebruik van gronden als volkstuin;
  3. het geplaatst houden van kampeermiddelen;
  4. het dempen van wateren, behoudens voor zover dat ten dienste staat van de instandhouding of ontwikkeling van de natuurwaarden;
  5. het aanleggen van drainage en het graven van sloten, behoudens voor zover dat ten dienste staat van de instandhouding of ontwikkeling van de natuurwaarden;
  6. ten behoeve van ontgrondings-/ontginningswerkzaamheden, behoudens voor zover dat ten dienste staat van de instandhouding of de ontwikkeling van de natuurwaarden;
  7. lawaaisporten;
  8. het afgraven, verlagen, egaliseren of ophogen van de bodem ter plaatse van de aanduiding 'overig - aardkundig waardevol gebied';
  9. het omzetten 'scheuren' van grasland in bouwland;
  10. privétuinen al dan niet behorende bij een woning.

15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

15.4.1 Verbod
Het is verboden op de in dit artikel bedoelde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren:
  1. het aanleggen en/ of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen van meer dan 200 m²;
  2. de aanleg van ondergrondse leidingen;
  3. het vellen of rooien van bomen en ander houtgewas; 
  4. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen of verharde oppervlakten van meer dan 100 m² op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  5. het ophogen van gronden op gronden met de aanduiding 'wro- zone - zoekgebied beekherstel';
  6. het verharden of verwijderen van onverharde paden, niet zijnde kavelpaden.
15.4.2 Uitzonderingen op verbod
Het in artikel 15 lid 4.1  vervatte verbod geldt niet voor de werken of werkzaamheden:
  1. waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is verleend en/ of legaal in uitvoering zijn;
  2. welke het normale beheer en/ of onderhoud betreffen;
  3. noodzakelijk zijn voor de instandhouding en/ of ontwikkeling van de natuurwaarden.
15.4.3 Afwegingskader
  1. De in artikel 15 lid 4.1  genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien door de werken en/ of werkzaamheden danwel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de waarden van deze gronden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van die waarden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind;
  2. Alvorens te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 15 lid 4.1 sub c  en artikel 15 lid 4.1 sub d  winnen burgemeester en wethouders het advies in bij het waterschapsbestuur.
15.4.4 Waarden
Onder de in artikel 15 lid 4.3 sub a  genoemde waarden worden verstaan:
  1. ten aanzien van de in artikel 15 lid 4.1 sub a  en artikel 15 lid 4.1 sub d  genoemde werken of werkzaamheden: de natuurwaarden;
  2. ten aanzien van de in artikel 15 lid 4.1 sub c  en artikel 15 lid 4.1 sub d  genoemde werken of werkzaamheden: de waarden van de gronden voor behoud, beheer en herstel van watersystemen;
  3. ten aanzien van de in artikel 15 lid 4.1 sub a , artikel 15 lid 4.1 sub d  en artikel 15 lid 4.1 sub e genoemde werken of werkzaamheden: de cultuurhistorische waarden.
     

Artikel 16 Recreatie

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. dagrecreatie;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - visvijver' uitsluitend een visvijver;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'camping' of 'kampeerterrein' uitsluitend voor een minicamping met bijbehorende kantine;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hobbymatig' is enkel een vorm van kleinschalige niet-bedrijfsmatige dagrecreatie (dus hobbymatig en voor privégebruik) toegestaan;
één en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en verhardingen, met dien verstande dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

16.2 Bouwregels

Op de voor 'Recreatie' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. bedrijfsgebouwen;
  2. bedrijfswoningen;
  3. bijbehorende bouwwerken;
  4. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
16.2.1 Algemeen
  1. per bestemmingsvlak is bebouwing ten behoeve van niet meer dan één recreatiebedrijf toegestaan;
  2. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak. Indien er geen bouwvlak aanwezig is, dan is het bouwvlak gelijk aan het bestemmingsvlak;
  3. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m;
  4. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen van nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 5 m.
16.2.2 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de goothoogte mag niet meer dan 6 m bedragen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen;
  3. de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan reeds aanwezig ten tijde van het van kracht worden van dit bestemmingsplan;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – hobbymatig' zijn de afmetingen van het bestaande gebouw, zoals aanwezig ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan, de maximale afmetingen.
16.2.3 Bedrijfswoningen
Voor een bedrijfswoning gelden bovendien de volgende regels:
  1. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning' is geen bedrijfswoning toegestaan;
  3. de inhoud mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  6. inpandige bedrijfswoningen mogen niet worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen.
16.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² bedragen;
  2. de inhoud van aanbouwen en uitbouwen is bepaald in artikel 16 lid 2 sub b ;
  3. de afstand tot een perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen;
  4. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m bedragen;
  5. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van tenminste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
16.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, met uitzondering van:
  1. erfafscheidingen, waarbij de bouwhoogte voor de voorgevel maximaal 1 m mag bedragen en achter de voorgevel maximaal 2 m;
  2. vlaggenmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen.

16.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de doeleinden in artikel 16 lid 1  zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 16 lid 2 , bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud van en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. de gebruiksmogelijkheden binnen andere bestemmingen.

16.4 Afwijken van de bouwregels

16.4.1 Afwijken van de afstand tot de weg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16 lid 2.1 sub c  voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.
16.4.2 Afwijken maximale oppervlakte
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16 lid 2.2 sub c  wat betreft de maximale oppervlakte tot ten hoogste 20% extra ten opzichte van die maximale oppervlakte, indien en voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en met dien verstande dat:
  1. aangetoond wordt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor het recreatiebedrijf;
  2. de afstand tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend) waaraan wordt gebouwd bedraagt niet minder dan 15 m;
  3. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrens met derden bedraagt niet minder dan 3 m;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 6 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m.
16.4.3 Afwijken ten behoeve van hogere erfafscheiding
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16 lid 2.5 sub a ten behoeve van de hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel met dien verstande dat deze maximaal 2 m mag bedragen.

16.5 Specifieke gebruiksregels

16.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. grow-, smart- en coffeeshops;
  3. detailhandel;
  4. zelfstandige horeca;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - hobbymatig' is bedrijfsmatige dagrecreatie niet toegestaan;
  6. het gebruik van bijgebouwen bij de bedrijfswoning als zelfstandige woning en/ of afhankelijke woonruimte;
  7. het gebruik van gebouwen als burgerwoning.
16.5.2 Ondergeschikte en ondersteunende horeca
Horeca, ondergeschikt en ondersteunend aan het recreatiebedrijf is toegestaan.
16.5.3 Minicamping
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'camping' en 'kampeerterrein' is een minicamping toegestaan waarbij de volgende regels gelden:
  1. niet-permanente kampeermiddelen (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan;
  2. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen per minicamping toegestaan;
  3. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  4. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
  5. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  6. de verkeersaantrekkende werking van de nevenactiviteit dient te zijn afgestemd op de feitelijke ontsluitingssituatie;
  7. er dient op eigen terrein te worden voorzien in de parkeerbehoefte;
  8. per minicamping mag één gezamenlijk gebouw in de vorm van een kantine en/ of sanitaire voorziening worden gerealiseerd.

16.6 Wijzigingsbevoegdheid

16.6.1 Wijzigen naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden voldaan aan de volgende regels:
  1. het recreatiebedrijf ter plaatse is beëindigd;
  2. het bestemmingsvlak wordt verkleind tot de voormalige bedrijfswoning met bijbehorende gebouwen en tuin;
  3. gelijktijdig vindt door de verkleining van het bestemmingsvlak de wijziging plaats van de overige gronden naar de aangrenzende bestemming 'Agrarisch', 'Agrarisch - AHS plus', 'Agrarisch - Boomteeltontwikkelingsgebied', 'Agrarisch - Groenblauwe mantel' of 'Agrarisch - Beekdal';
  4. de overtollige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorische bedrijfsgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen; 
  5. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  6. in afwijking van het bepaalde onder e. is splitsing toegestaan met dien verstande dat:
    1. woningsplitsing is uitsluitend toegestaan bij voormalige boerderijgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarde';
    2. de voormalige boerderij mag gesplitst worden in maximaal 2 woningen;
    3. de beide woningen dienen minimaal een inhoud te hebben van 400 m³;
    4. de aanduiding 'twee aaneen' zal worden opgenomen;
  7. indien de aanduiding 'twee aaneen' is opgenomen of indien deze aanduiding niet is   opgenomen, maar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan wel sprake was van een (twee-)aaneengebouwde woning, wordt deze behouden, wat inhoudt dat de voormalige bedrijfswoningen niet vrijstaand mogen worden gebouwd;
  8. de woning mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  9. er sprake is van een milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
  10. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in artikel 23 Wonen  zijn overeenkomstig van toepassing.

Artikel 17 Recreatie - Speel- en leerboerderij

17.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Speel- en leerboerderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor: 
  1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'camping' is een minicamping met maximaal 25 kampeerplaatsen toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is een bedrijfswoning toegestaan;
  3. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'svr-recreatieverblijven' zijn maximaal 10 recreatieverblijven toegestaan;
  4. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin' is een speel- en leerboerderij met speeltuin toegestaan.  

17.2 Bouwregels

Op de voor 'Recreatie - Speel- en leerboerderij' aangewezen gronden mag uitsluitend gebouwd worden ten dienste van één recreatiebedrijf en wel:
  1. bedrijfsgebouwen;
  2. bedrijfswoning;
  3. bij de bedrijfswoning behorende bouwwerken;
  4. recreatieverblijven;
  5. bouwwerken geen gebouwen zijnde.
17.2.1 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen geldt de volgende regel:
  1. er mogen geen nieuwe bedrijfsgebouwen gebouwd worden, met uitzondering van vervangende nieuwbouw van bestaande bedrijfsgebouwen, waarbij de bestaande situering, oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte het uitgangspunt zijn voor de nieuwbouw.   
17.2.2 Bedrijfswoning
Voor het bouwen van een bedrijfswoning gelden de volgende regels:
  1. de bedrijfswoning mag uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'bedrijfswoning' worden opgericht;
  2. binnen de functieaanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  3. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  6. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en de bedrijfswoning bedraagt minimaal 3 m.
17.2.3 Bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning
voor het bouwen van bij de bedrijfswoning behorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen de functieaanduiding 'bedrijfswoning' worden opgericht;
  2. de gezamenlijke oppervlakte bedraagt maximaal 100 m2;
  3. de inhoud van aanbouwen en uitbouwen is bepaald in artikel 17 lid 2 sub b;
  4. de afstand tot een zijdelingse eigendomsgrens met derden en een bijbehorend bouwwerk, mag niet minder bedragen dan 3 m;
  5. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3m en 5m bedragen;
  6. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.  
17.2.4 Recreatieverblijven
Voor het bouwen van een recreatieverblijf gelden de volgende regels:
  1. uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'svr-recreatieverblijven' is de bouw van een recreatieverblijf toegestaan;
  2. er mogen maximaal 10 recreatieverblijven worden gerealiseerd;
  3. de oppervlakte per recreatieverblijf bedraagt maximaal 65 m²;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 3,5 m.
17.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:
  1. carports of andere losstaande overkappingen zijn niet toegestaan;
  2. (openlucht)zwembaden zijn niet toegestaan;
  3. er mogen erfafscheidingen ten behoeve van de bedrijfswoning te worden gebouwd, waarbij de bouwhoogte voor de voorgevellijn van de woning maximaal 1m en achter de voorgevellijn van de woning maximaal 2 m bedraagt;
  4. er mogen maximaal 6 vlaggenmasten worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 5 m;
  5. er mogen binnen de aanduiding 'speeltuin' speeltoestellen gebouwd te worden met een maximale bouwhoogte van 3 m;
  6. de bouwhoogte van alle overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 1,5 m.

17.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de doeleinden in artikel 17 lid 1  zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 17 lid 2, bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud en ter voorkomen van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. 
  9. de gebruiksmogelijkheden binnen andere bestemmingen.

17.4 Specifieke gebruiksregels

17.4.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan, het gebruik van deze gronden voor:
  1. detailhandel;
  2. horeca;
  3. de recreatieverblijven mogen niet voor permanente bewoning gebruikt worden;
  4. permanente huisvesting seizoensarbeiders.
17.4.2 Minicamping
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'camping' is een minicamping toegestaan waarbij de volgende regels gelden:
  1. uitsluitend niet-permanente kampeermiddelen (tenten, tentwagens, kampeerauto's, campers en toercaravans) zijn toegestaan;
  2. er zijn maximaal 25 kampeerplaatsen toegestaan;
  3. er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing;
  4. het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig worden beperkt;
  5. er is sprake van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid.
17.4.3 Speel- en leerboerderij
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'speeltuin'is een speel- en leerboerderij toegestaan, waarbij de volgende voorwaarden gelden:
  1. er is zowel een binnen- als buitenspeeltuin toegestaan;
  2. de maximale oppervlakte voor de binnenspeeltuin/leerboerderij bedraagt 705 m².
17.4.4 Parkeerplaats
Ten behoeve van de speel- en leerboerderij, de minicamping en de recreatieverblijven, dienen binnen het bestemmingsvlak minimaal 80 parkeerplaatsen aangelegd te worden.

17.5 Wijzigingsbevoegdheid

17.5.1 Wijziging naar Wonen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd op basis van artikel 3.6.1 sub a. van de Wet ruimtelijke ordening, deze bestemming te wijzigen naar 'Wonen' voor zover het de voormalige bedrijfswoning betreft, waarbij moet worden uitgegaan van de volgende regels:
  1. het recreatiebedrijf ter plaatse is beëindigd;
  2. de oppervlakte van het nieuwe bestemmingsvlak 'Wonen' mag nooit meer bedragen van 5.000 m²;
  3. de overtollige bedrijfsgebouwen dienen te worden gesloopt, waarbij:
    1. maximaal 200 m² aan bijgebouwen behouden mag blijven;
    2. cultuurhistorische bedrijfsgebouwen met de aanduiding 'cultuurhistorische waarden' mogen niet worden gesloopt;
    3. in afwijking van het bepaalde onder 1. mag maximaal één bestaande voormalige bedrijfsgebouw (constructief één geheel) dat groter is dan 200 m² en maximaal 500 m² is, behouden blijven, mits:
      1. er per 50 m² dat het bestaande bijgebouw groter is dan 200 m² er minimaal 250 m² aan voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt;
      2. voldaan wordt aan de regels voor kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
    4. ten behoeve van hetgeen onder 1. of 3. is bepaald wordt een maatvoeringsaanduiding op de planverbeelding opgenomen; 
  4. het aantal woningen mag niet worden vermeerderd;
  5. de woning(en) mag geen onevenredige beperking opleveren voor de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven;
  6. de bouw- en gebruiksregels zoals genoemd in de planregel behorende bij de bestemming Wonen zijn overeenkomstig van toepassing.  

Artikel 18 Sport

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. terreinen ten behoeve van sport- en recreatieve voorzieningen, zoals sportvelden, tennisbanen, zwembaden en daarmee gelijk te stellen voorzieningen;
  2. recreatief medegebruik één en ander met behorende voorzieningen zoals kantines, kleedruimtes, ondergeschikte en ondersteunende horeca, groenvoorzieningen, water, parkeervoorzieningen en verhardingen, met dien verstande dat moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

18.2 Bouwregels

Op de voor 'Sport' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. gebouwen;
  2. bijbehorende bouwwerken;
  3. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
18.2.1 Algemeen
  1. het bebouwingspercentage per bestemmingsvlak bedraagt maximaal 5%;
  2. de afstand tot de as van de weg waaraan wordt gebouwd mag niet minder bedragen dan 15 m;
  3. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen met derden en nieuw te bouwen bouwwerken mag niet minder bedragen dan 5 m.
18.2.2 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:
  1. de goothoogte mag niet meer dan 6 m bedragen;
  2. de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen.
18.2.3 Bedrijfswoningen
Voor een bedrijfswoning gelden bovendien de volgende regels:
  1. per bestemmingsvlak is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding '-bedrijfswoning' is geen bedrijfswoning toegestaan;
  3. de inhoud mag niet meer dan 750 m³ bedragen;
  4. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;
  5. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  6. bestaande inpandige bedrijfswoningen mogen niet worden vervangen door vrijstaande bedrijfswoningen.
18.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
  1. de gezamenlijke oppervlakte mag maximaal 100 m² bedragen;
  2. de inhoud van aanbouwen en uitbouwen is bepaald in artikel 18 lid 2.3 sub c ;
  3. de afstand tot een perceelgrens mag niet minder dan 3 m bedragen;
  4. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m bedragen;
  5. de bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning te worden gebouwd.
18.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen, met uitzondering van:
  1. erfafscheidingen, waarbij de bouwhoogte voor de voorgevel maximaal 1 m mag bedragen en achter de voorgevel maximaal 2 m;
  2. vlaggenmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 6 m mag bedragen;
  3. ballenvangers en lichtmasten, waarbij de bouwhoogte maximaal 12 m mag bedragen.

18.3 Nadere eisen

Ter uitvoering van de doeleinden in artikel 18 lid 1 zijn burgemeester en wethouders bij het verlenen van omgevingsvergunningen, met in achtneming van het bepaalde in artikel 18 lid 2, bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van:
  1. het behoud en ter voorkoming van de aantasting van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en hun omgeving;
  2. het behoud en herstel van waardevolle elementen en structuren en de bestaande ruimtelijke karakteristiek;
  3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  4. de situering en afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  5. voorzieningen voor parkeren, laden en lossen op eigen terrein;
  6. de verkeersveiligheid;
  7. de milieusituatie;
  8. landschappelijke inpassing waarbij voldaan moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid;
  9. de gebruiksmogelijkheden binnen andere bestemmingen.

18.4 Afwijken van de bouwregels

18.4.1 Afwijken van de afstand tot de weg
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 18 lid 2.1 sub b  voor het bouwen van gebouwen op een afstand minder dan 15 m tot de as van de weg, mits hierdoor het stedenbouwkundig beeld en de verkeersveiligheid niet worden aangetast.
18.4.2 Afwijken ten behoeve van hogere erfafscheiding
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 18 lid 2.5 sub a  ten behoeve van de hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevel met dien verstande dat deze maximaal 2 m mag bedragen.
18.4.3 Afwijken ten behoeve van een groter bebouwingspercentage
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 18 lid 2.1 sub a  voor het toestaan van een grotere bebouwingspercentage, indien en voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, het bebouwingsbeeld en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en met dien verstande dat:
  1. aangetoond wordt dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;
  2. het bebouwingspercentage met maximaal 15% wordt vergroot;
  3. de afstand tot de as van de weg (een parallelweg niet meegerekend) waaraan wordt gebouwd bedraagt niet minder dan 15 m;
  4. de afstand tot de zijdelingse eigendomsgrenzen bedraagt niet minder dan 5 m;
  5. de goothoogte bedraagt maximaal 6 m;
  6. de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m.

18.5 Specifieke gebruiksregels

18.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van de gronden voor:
  1. seksinrichtingen;
  2. grow-, smart- en coffeeshops;
  3. detailhandel;
  4. het gebruik van bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning en/ of afhankelijke woonruimte;
  5. zelfstandige horeca.
18.5.2 Ondergeschikte en ondersteunende horeca
Horeca, ondergeschikt en ondersteunend aan de sport, in de vorm van een sportkantine is toegestaan.

Artikel 19 Sport - Golfbaan

19.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport - Golfbaan' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. recreatieve doeleinden ten behoeve van de golfsport, met daaraan ondergeschikt
    1. detailhandel;
    2. horeca met terras;
  2. behoud, herstel en/ of ontwikkeling van natuur;
  3. maximaal twee bedrijfswoningen;
 
één en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen en natuur, water, parkeervoorzieningen en verhardingen.

19.2 Bouwregels

Op de voor 'Sport - Golfbaan' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:
  1. bedrijfsgebouwen, zoals een golfpaviljoen, materialenloods, greenkeeperloods, kantoorruimte;
  2. maximaal twee bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken;
  3. afslagplaats van de driving range;
  4. schuilgelegenheden;
  5. overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.
19.2.1 Bedrijfsgebouwen
Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:
  1. het oppervlak van het golfpaviljoen bedraagt maximaal 1.250 m²;
  2. het oppervlak van de materialenloods, greenkeeperloods en kantoorruimte bedraagt tezamen maximaal 1.400 m²;
  3. ten behoeve van schuilgelegenheden gelden de volgende bepalingen:
    1. schuilgelegenheden mogen binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht;
    2. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 m;
    3. het maximale oppervlak per schuilgelegenheid bedraagt 25 m² met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m².
  4. de goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt niet meer dan 6m;
  5. de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt niet meer dan 10 m.
19.2.2 Bedrijfswoningen met bijbehorende bouwwerken
Voor een bedrijfswoning gelden bovendien de volgende regels:
  1. de inhoud per bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³;
  2. de oppervlakte per bedrijfswoning bedraagt maximaal 250 m²;
  3. de goothoogte bedraagt maximaal 5 m;
  4. de bouwhoogte bedraagt maximaal 9 m;
  5. voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:
    1. per bedrijfswoning mag maximaal 80 m² aan bijbehorende bouwwerken worden opgericht;
    2. de afstand tot een zijdelingse eigendomsgrens met derden mag niet minder dan 3 m bedragen;
    3. de goot- en bouwhoogte mag respectievelijk maximaal 3,5 m en 6 m bedragen;
    4. vrijstaande bijbehorende bouwwerken dienen op een afstand van ten minste 2 m achter de voorgevellijn van de woning te worden opgericht;
    5. de afstand tussen de bedrijfswoning en vrijstaande bijbehorende bouwwerken bedraagt maximaal 25m.
19.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:
  1. bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak te worden opgericht;
  2. ten behoeve van de bouw van een driving range afslagplaats gelden de volgende regels:
    1. de afslagplaats dient binnen het bouwvlak te worden opgericht;
    2. het oppervlak van de afslagplaats bedraagt maximaal 500 m²;
    3. de bouwhoogte van de afslagplaats bedraagt maximaal 4 m.
  3. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 2,5 m;
  4. de bouwhoogte van vlaggenmasten en masten voor verlichting en ballenvangers bedraagt maximaal 12 m;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.

19.3 Specifieke gebruiksregels

19.3.1 Horeca
Ten behoeve van de 'Horeca' gelden de volgende bepalingen:
  1. horeca is ondergeschikt aan de golfbaan;
  2. horeca is toegestaan in de vorm van een (eet)café, restaurant, zalencentrum/vergadercentrum;
  3. horeca vindt plaats binnen het golfpaviljoen, echter een buitenterras direct grenzend aan het golfpaviljoen is toegestaan.
19.3.2 Detailhandel
Ten behoeve van de 'Detailhandel' gelden de volgende bepalingen:
  1. detailhandel is ondergeschikt aan de golfbaan;
  2. de maximum verkoopvloeroppervlak voor detailhandel bedraagt 100 m².
19.3.3 Natuur
In relatie tot de golfbaan zoals is opgenomen in dit bestemmingsplan geldt dat er minimaal 11,5 ha van de gronden met deze bestemming dient te zijn ingericht als natuur en als zodanig in stand te worden gehouden.

19.4 Wijzigingsbevoegdheid

19.4.1 Wijziging ten behoeve van verplaatsing van de bedrijfswoningen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met toepassing van artikel 3.6 lid 1 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening, maximaal twee extra bouwvlakken (in totaal maximaal drie bouwvlakken binnen deze bestemming) toe te kennen binnen dit bestemmingsvlak ten behoeve van de verplaatsing van de bedrijfswoningen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
  1. minimaal één bestaande bedrijfswoning dient te worden gesloopt. De andere bedrijfswoning mag niet meer als zodanig gebruikt worden en enkel en alleen nog als bedrijfsgebouw in gebruik worden genomen;
  2. de verplaatsing is passend binnen het stedenbouwkundige straatbeeld en de bouwvlakken worden op een stedenbouwkundig verantwoorde wijze bepaald;
  3. de oppervlakte per nieuw bouwvlak bedraagt maximaal 3.000 m²;
  4. door de verplaatsing vindt geen onevenredige aantasting plaats van in het geding zijnde belangen, waaronder die van omliggende (agrarische) bedrijven;
  5. de natuurlijke, cultuurhistorische, visueel-landschappelijke en abiotische waarden worden niet onevenredig aangetast;
  6. er is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, waarbij moet worden voldaan aan de regels voor ruimtelijke kwaliteitsverbetering, conform het provinciaal beleid. Is er sprake van landschappelijke inpassing, dan wordt deze vastgelegd in het wijzigingsplan door het opnemen van de bestemming 'Groen-Landschapselement';
  7. de verplaatsing is milieuhygiënisch inpasbaar;
  8. de bouwregels zoals genoemd in artikel 19 lid 2.2  zijn overeenkomstig van toepassing;
  9. de bedrijfswoningen blijven gerelateerd aan en onderdeel uitmaken van de golfbaan.

Artikel 20 Sport - Golfbaan 1

20.1 Bestemmingsomschrijving

 De voor 'Sport - Golfbaan 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:  
  1.  recreatieve doeleinden ten behoeve van de golfsport;  
  2.  behoud, herstel en/ of ontwikkeling van natuur.  
 één en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen en natuur, water, parkeervoorzieningen en verhardingen.  

20.2 Bouwregels

 Op de voor 'Sport - Golfbaan 1' aangewezen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming en wel:  
  1.  afslagplaats van de driving range;  
  2.  schuilgelegenheden;  
  3.  overige bouwwerken geen gebouwen zijnde.  
20.2.1 Bedrijfsgebouwen
 Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels:  
  1.  ten behoeve van schuilgelegenheden gelden de volgende bepalingen:  
    1.  schuilgelegenheden mogen binnen en buiten het bouwvlak worden opgericht;  
    2.  de maximale bouwhoogte bedraagt 3 m;  
    3.  het maximale oppervlak per schuilgelegenheid bedraagt 25 m² met een gezamenlijk oppervlak van maximaal 100 m².  
20.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde
 Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:  
  1.  bouwwerken geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak te worden opgericht;  
  2.  ten behoeve van de bouw van een driving range afslagplaats gelden de volgende regels:  
    1.  de afslagplaats dient binnen het bouwvlak te worden opgericht;  
    2.  het oppervlak van de afslagplaats bedraagt maximaal 500 m²;  
    3.  de bouwhoogte van de afslagplaats bedraagt maximaal 4 m.  
  3.  de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 2,5 m;  
  4.  de bouwhoogte van vlaggenmasten en masten voor verlichting en ballenvangers bedraagt maximaal 12 m;  
  5.  de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3 m.  

20.3 Specifieke gebruiksregels

20.3.1 Natuur
 In relatie tot de golfbaan zoals is opgenomen in dit bestemmingsplan geldt dat er minimaal 11,5 ha van de gronden met deze bestemming dient te zijn ingericht als natuur en als zodanig in stand te worden gehouden.  

Artikel 21 Verkeer

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
  1. voorzieningen voor verkeer en verblijf, waaronder (spoor)wegen, (fiets)paden en parkeervoorzieningen;
  2. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  3. behoud van landschappelijke en/ of cultuurhistorische waarden in de vorm van wegbeplanting of laanbeplanting;
één en ander met bijbehorende voorzieningen zoals groenvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen.

21.2 Bouwregels

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn uitsluitend toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming.
21.2.1 Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen, zoals een kiosk, abri, telefooncel of nutsgebouw gelden de volgende bepalingen:
  1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m;
  2. de oppervlakte bedraagt maximaal 10 m².
<