direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Driebergen Buitengebied
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

De inleiding van het bestemmingsplan bevat de volgende onderdelen

1.1 Aanleiding en doelstelling

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft besloten om voor het buitengebied van Driebergen een nieuw bestemmingsplan op te stellen. Formeel dient een bestemmingsplan elke tien jaar integraal te worden herzien. Het geldende bestemmingsplan Buitengebied is op 16 september 2004 vastgesteld. Een herziening is dus op zijn plaats. Met een nieuw bestemmingsplan kan bovendien ingespeeld worden op het actuele rijksbeleid en provinciale beleid, alsmede verschillende ontwikkelingen die thans gaande zijn in het landelijk gebied. Hierbij moet gedacht worden aan kleinschalige nevenactiviteiten, plattelandswoningen en het vrijkomen van agrarische bebouwing na bedrijfsbeeindiging. Actualisering van het bestemmingsplan moet er toe leiden dat een actueel bestemmingsplan ontstaat, dat ook flexibel is, waar mogelijk. Het nieuwe plan speelt zoveel mogelijk in op de verwachte toekomstige ontwikkelingen. Het doel van het nieuwe bestemmingsplan is het opstellen van een actueel planologisch-juridisch kader waarbinnen de gewenst geachte ruimtelijke ontwikkelingen kunnen plaatsvinden.

1.2 Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied bestaat uit het hele buitengebied van de voormalige gemeente Driebergen-Rijsenburg. Voor de bebouwde kom van Driebergen, alsmede voor alle binnen het plangebied gelegen recreatieterreinen zijn of worden afzonderlijke bestemmingsplannen of beheerplannen opgesteld. De rijksweg A12 en de gronden daar omheen zijn tevens buiten het plangebied gehouden. Ook de recent vastgestelde bestemmingsplannen "Stationsgebied Driebergen - Zeist" en "Paardenfokkerij Engweg 38a" zijn buiten het plangebied gehouden.

Voor de begrenzing van het plangebied vormt de door de provincie Utrecht vastgestelde 'rode contour' het leidend principe. Het strikt aanhouden van de rode contour als grens voor het plangebied van dit bestemmingsplan is daarentegen niet in alle gevallen gewenst.

Delen van de gronden gelegen buiten de 'rode contour' zijn buiten het plangebied van voorliggende bestemmingsplan gelaten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0001.jpg"

Ligging plangebied

1.3 Planningsopgave

Het bestemmingsplan Driebergen Buitengebied is in hoofdzaak een conserverend bestemmingsplan. Een conserverend bestemmingsplan betekent dat het plan een actuele planologische regeling van de bestaande situatie bevat. Bestaande rechten en plichten zijn zoveel mogelijk overgenomen en waar nodig aangepast aan de eisen en wensen van deze tijd. In principe worden er geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Nieuwe (onzekere) ontwikkelingen zouden anders tot onnodige vertragingen leiden. Dat wil overigens niet zeggen dat het bestemmingsplan uitsluitend de actuele situatie planologisch regelt. Het bestemmingsplan maakt tevens, zoals het doel ook aangeeft, ontwikkelingen mogelijk. In het plan is rekening gehouden met een tweetal type ontwikkelingen:

  • ontwikkelingen via de gebruikelijke flexibiliteitsbepalingen, zoals afwijkingsregels en wijzigingsregels;
  • ontwikkelingen die voldoende onderbouwd zijn en waar de procedure al doorlopen is.


Overige ontwikkelingen worden, gelet op de veelal omvangrijke ruimtelijke ingrepen in het plangebied, de gewenste afstemming op en inpassing in het omringende landschap en de financiële en juridische complicaties, alleen mogelijk gemaakt via afzonderlijke planherzieningen. Er is echter een kleine ontwikkeling die binnen het plangebied speelt. Deze wordt in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt. Het gaat om de navolgende ontwikkeling:

  • Het perceel aan het Kloosterlaantje 2 in Driebergen heeft in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Driebergen uit 2004 de bestemming Maatschappelijke voorzieningen en wordt het aangemerkt als bijgebouw van buitenplaats Broekbergen (het voormalige kloostercomplex Arca Pacis). Gelet op de jarenlange bewoning is de bestemming met onderhavige bestemmingsplan gewijzigd het wijzigen naar 'Wonen - B1'. Een toelichting hierop is opgenomen in 4.3.
  • het vestigen van nieuwe functies met nieuw ruimtebeslag of het uitbreiden van bestaande is uitgesloten. Dus nieuwvestiging in de zin van een nieuw agrarisch bouwperceel is niet mogelijk gemaakt binnen dit bestemmingsplan. Een uitzondering hierop vormt het veschuiven en eventueel vergroten van agrarische bouwvlakken binnen verwevingsgebied. Hierbij zijn de voorwaarden in het artikel mede opgenomen om aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden te voorkomen. Functiewijziging van bestaande gebouwen na beeinidiging van een agraisch bedrijf is onder voorwaarde ook mogelijk.
  • Bouwvlakken die gelegen zijn in gebieden binnen de EHS / Groene contour zijn zo veel mogelijk strak begrensd: in de meeste gevallen zijn alleen de woning, de nabij de woning gelegen bijgebouwen en de aan de woning grenzende tuin binnen het bouwvlak gebracht. Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bepaalde in de artikelen over het maximale bebouwingspercentage in de bestemmingen: Bedrijf, Horeca, Kantoor, Maatschappelijk, Recreatie en Sport voor het toestaan van een hoger bebouwingspercentage (zonder uitbreiding van het bestemmingsvlak) dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is toegestaan, uitsluitend mits wordt voldaan aan de bepalingen in het provinciaal beleid inzake de EHS.

1.4 Geldende plannen

Voor het plangebied vigeren momenteel de volgende bestemmingsplannen:

  • Bestemmingsplan Engweg 78, vastgesteld 23 augustus 2013
  • Bestemmingsplan De Akker, vastgesteld 23 februari 1977
  • Buitengebied, wijzigingsplan Jachtlaan, vastgesteld 17 juni 2008
  • Bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld 16 september 2004
  • Bestemmingsplan Driebergen Landelijk gebied 1970
  • Bestemmingsplan Engweg 50, vastgesteld 13 september 2012
  • Bestemmingsplan Boomkwekerij nabij Akkerweg 9, vastgesteld 30 juni 2011
  • Bestemmingsplan Sportpark de Woerd, vastgesteld 22 november 2012

1.5 Het bestemmingsplanproces

Nulinventarisatie
Voor het opstellen van een actueel bestemmingsplan is het noodzakelijk over actuele gegevens te beschikken. Het is van belang om de diverse functies in het buitengebied in beeld te hebben, teneinde voor die functies een passende regeling op te kunnen stellen. Daarnaast is per functie de mogelijke ontwikkelingsruimte onderzocht.

Bij de start van het planproces heeft daarom een uitgebreide inventarisatie plaatsgevonden. Deze zogenoemde 'nulinventarisatie' heeft een zo volledig mogelijk beeld gegeven van de diverse functies in het buitengebied (waaronder wonen, agrarische bedrijven, niet-agrarische bedrijven en instellingen). Tijdens de inventarisatie is ook de aanwezige bebouwing geïnventariseerd. De gegevens van de nulinventarisatie zijn een belangrijke input voor de juridische planopzet (toelichting op de regels) en het tekenen van de verbeelding. Samen met de regels vormen deze het bestemmingsplan. De verbeelding en de regels zijn juridisch bindend voor iedereen, de toelichting is dat niet. Ook biedt de nulinventarisatie een basis om handhavend op te treden met betrekking tot functies die niet wenselijk zijn of in strijd zijn met het overheidsbeleid.

Belangenafweging
In het bestemmingsplan geven wij een overzicht van het relevante beleid van de nationale, provinciale en regionale overheden en instanties.
Bovendien gaan wij in op het gemeentelijke beleid en zijn de belangrijkste functies in het gebied beschreven, waarbij de huidige situatie en ook tendensen en/of toekomstige ontwikkelingen aan bod komen.

Met behulp van de resultaten van de beschreven onderzoeken, de discussies met betrokken organisaties, overleggen met de klankbordgroep in het kader van bestemmingsplan Buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen en Amerongen (OMMA), de bestuurlijke en ambtelijke overleggen en de vakspecialisten van het adviesbureau is een visie opgesteld over de hoofdlijnen van de gewenste ontwikkeling van het buitengebied van Driebergen. Op basis van deze visie en de nulinventarisatie zijn de regels en de verbeelding opgesteld. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de uitgangspunten in bestemmingsplan Buitengebied OMMA.

1.6 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is een algemene beschrijving van het plan opgenomen . De huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied en de eventuele verschillen tussen het geldende planologische regime en de toekomstige manier van bestemmen wordt beschreven.

Hoofdstuk 3 geeft vervolgens het algemene ruimtelijke beleidskader weer. Het overkoepelende beleid op alle bestuursniveaus en welke invloed dit beleid heeft op het plangebied wordt hier beschreven.

Het volgende hoofdstuk (4) geeft de specifieke wet- en regelgeving weer op de verschillende onderdelen. Te denken valt aan beeldkwaliteit, wonen, bedrijven, verkeer, water, etc. Hierin is alleen het voor het plan relevante beleid opgenomen. Het overige beleid wordt niet benoemd.

In hoofdstuk 5 is de juridische uitleg opgenomen van de bestemmingen die in de regels zijn verwoord.

Tenslotte geeft hoofdstuk 6 inzicht in de haalbaarheid van het plan. Hier wordt gekeken naar de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid en ook wordt het aspect handhaving besproken.

1.7 Procedure

Voorontwerp-bestemmingsplan
Het voorontwerp van het bestemmingsplan Driebergen Buitengebied wordt toegezonden aan diverse instanties, die volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bij de planvorming dienen te worden betrokken.

Hoofdstuk 2 Het plan

De onderzoeksresultaten van de functionele analyse zijn gegroepeerd naar die themavelden, die van invloed zijn op de visie voor het plangebied (hoofdstuk 4) en het eindbeeld van de juridische planopzet (hoofdstuk 5). Per themaveld wordt ingegaan op de huidige situatie en de ontwikkeling tot heden, de te verwachten ontwikkelingen en knelpunten en de aanbevelingen voor de visie en de juridische planopzet vanuit dat themaveld. De beschreven themavelden vormen, inclusief de aanbevelingen, de basis voor de visie op het plangebied.

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Geomorfologie en bodem

Utrechtse Heuvelrug
De Heuvelrug vormt samen met 't Gooi het westelijk deel van een uitgebreid stuwwallencomplex, waar ook de Veluwe deel van uitmaakt. Het zuidelijke deel van de Heuvelrug is een aaneenschakeling van toppen. Het patroon van de bodem toont een duidelijke overeenkomst met deze ontstaansgeschiedenis. De zandgronden (podzolgronden en stuifzanden) tekenen zich duidelijk af tegen de aangrenzende zavelige en lemige gronden van de rivieren en beken. Op de flanken zijn door plaggenmest verrijkte enkeerdgronden ontstaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0002.png"

Afbeelding - Geomorfologie Utrechtse heuvelrug (bron: Kwaliteitsgids Utrechtse heuvelrug)

Rivierengebied

Het rivierenlandschap wordt gedomineerd door de rivieren Rijn, Lek, Waal en Merwede. Het is ook het overgangsgebied van het zand van de Utrechtse heuvelrug naar de rivierklei. De werking van de rivieren toont zich in kommen, oeverwallen en stroomruggen met rivierduinen.
Het meest opvallende reliëf is de stuwwal aan de noordkant van het rivierengebied (ten noordoosten van Driebergen) en de meanderende hoge zone langs de Nederrijn/Lek. Toch is hier een duidelijke overgang zichtbaar van de hoge stuwwal richting het lager gelegen Amerongerweteringgebied en het Langbroekerweteringgebied. Direct ten zuidwesten van Amerongen zijn veel enkeerdgronden aanwezig, op de flanken van de Heuvelrug. Verder naar het zuiden bevinden zich enkel kleigronden (rivierklei), afkomstig van de Nederrijn/Lek.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0003.png"

Afbeelding - Geomorfologie rivierengebied (bron: Kwaliteitsgids Rivierengebied)

2.1.2 Water

Watersysteem
De ligging van Driebergen op de gradiënt van de Utrechtse Heuvelrug naar het Rivierengebied heeft tot gevolg dat ook de waterhuishouding verschillende karakteristieken heeft. De waterhuishouding staat onder invloed van zowel de Utrechtse Heuvelrug als het Veluwemassief. Van beide kanten komt grondwater naar het lager gelegen gebied, dat aan de voet van de Utrechtse heuvelrug aan het oppervlak komt.

Op de Utrechtse Heuvelrug zelf ontbreekt een duidelijk oppervlaktewaterstelsel, zodat de waterafvoer voornamelijk via de ondergrond plaatsvindt. De aanwezige oppervlaktewateren op de Heuvelrug betreffen vennen en (gegraven) plassen bij onder andere landgoederen en buitenplaatsen. Via de watervoerende lagen in de bodem, stroomt het van de stuwwallen afkomstige grondwater naar de lagere delen van de Gelderse Vallei in het noorden en de Amerongerwetering in het zuiden. Dit kwelwater is door de langdurige filtering in het zand van de Utrechtse Heuvelrug zeer goed van kwaliteit. Ook onder de dijk door kwelt water vanuit de Nederrijn/Lek naar boven. Om de landbouw en natuur in de aanliggende polders van voldoende water te voorzien, zijn er veel grote en kleine gemalen in dit gebied gebouwd. Rioolgemalen die groter zijn dan 10 m² moeten op verzoek van de waterbeheerders een eigen bestemming krijgen.

Ten zuiden van Driebergen ligt de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). De rwzi is gelegen in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0004.png"

Afbeelding - Oppervlaktewatersysteem (bron: Wateratlas gemeente Utrechtse Heuvelrug)

Verdroging
Het hydrologisch systeem van de Utrechtse Heuvelrug is verzwakt. Grondwaterstromen worden onderbroken, infiltratie- en kwelfluxen zijn verminderd en het algehele grondwaterpeil is gedaald. Dit probleem wordt wel aangeduid als verdroging. De gronden in het plangebied, welke kunnen worden aangemerkt als verdroogd, zijn vooral gelegen op de noord- en zuidflank van de Utrechtse Heuvelrug. Binnen het plangebied gaat het dan vooral om het zuidelijk en westelijk deel.

De verdroging wordt onder meer veroorzaakt door aanleg van wegen en bebouwing, waardoor regenwater via leidingen wordt afgevoerd in plaats van via de bodem. Daarnaast is eveneens de drinkwaterwinning een belangrijke oorzaak van de peildaling.

De kwelgebieden zijn ingekrompen. In de begrensde gebieden bereikt zij niet zoals aangegeven het gehele areaal, maar beperkt zich tot sloten en greppels. Verder staat de waterkwaliteit onder druk van vermesting en verzuring. Met name het zwak gebufferde water (de ondiepe kwel) is daar gevoelig voor.

Door de grondwateronttrekking, maar ook door de veranderde inrichting van de Rijn en Lek (met stuwen) en de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal (peil 0.4 m beneden NAP) is de kwel(flux) op de zuidflank van de Heuvelrug danig verminderd.

Ook de kwel langs de noordflank is verminderd. Deze is beperkt tot de uiterste noordoostpunt van de gemeente (tot 2 mm per dag in de omgeving van het Valleikanaal).

De provincie Utrecht heeft in haar Waterplan 2010-2015 gebieden aangewezen die prioriteit vereisen in de aanpak van verdroging. Het gaat om zogenaamde 'TOP-gebieden' met een hoogste prioriteit, 'SUBTOP-gebieden' met een regionaal belang en 'Overig verdroogd gebied binnen EHS' van lokaal belang. Voor deze gebieden wordt per jaar onder regie van de provincie beoordeeld hoe de aanpak van de verdroging zich ontwikkelt en wordt geïnventariseerd waar kansen blijven liggen. De ligging van deze gebieden is weergegeven op de hierna volgende afbeelding. De hier opgenomen TOP-gebieden en subTOP-gebieden zijn de TOP-gebieden en subTOP-gebieden uit de PRS met een bufferzone van 500 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0005.jpg"

Afbeelding - Verdroogde Gebieden

Waterwingebied/grondwaterbeschermingsgebied
Zowel bij Driebergen/ Doorn als bij Leersum zijn drinkwaterwingebieden gelegen. Rondom liggen in beide gevallen een zeer kwetsbaar grondwaterbeschermingsgebied en beschermingszone drinkwaterwinning, ter bescherming van de grondwaterkwaliteit aldaar. De beschermingszone ligt vrijwel geheel binnen het plangebied. Bij functiewijzigingen in gebieden die van belang zijn voor de waterwinning (beschermingszone grondwaterwinning, waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden) moet rekening worden gehouden met het waterwinbelang. Toegelicht moet worden hoe de bescherming gestalte krijgt. Voor waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden is dit geregeld in de Provinciale Milieu Verordening (PMV). Voor beschermingszone drinkwaterwinning regelt de PMV dit niet. Binnen deze gebieden gelden geen extra regels, wel moet rekening worden gehouden met waterwinbelang en ontmoedigt de provincie bij nieuwe ontwikkelingen ongewenste functies en stimuleert zij gewenste functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0006.jpg"

Afbeelding - Grondwaterbeschermingsgebieden

Waterbeheer
Het kwantitatieve en kwalitatieve waterbeheer is in beginsel een taak van de waterschappen. Dit is in handen van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De Nederrijn/Lek is een van de vier grote rivieren van ons land en het beheer is in handen van Rijkswaterstaat. In de zogeheten Keur van het waterschap zijn de gebods- en verbodsbepalingen voor de watergangen aangegeven. Rijkswaterstaat vergunt werkzaamheden in de uiterwaarden en op de rivier vanuit haar bevoegdheid die is opgenomen in de Waterwet.

2.1.3 Landschap en cultuurhistorie

Binnen het plangebied kunnen vier landschapstypen worden onderscheiden: het boslandschap, het kampenlandschap, het kommenlandschap en het stroomruglandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0007.png"

Het beeld van het landschap hangt nauw samen met de procesmatige ontwikkeling (dynamiek) van het landschap. In de loop der tijd hebben zich binnen elk van de te onderscheiden landschapstypen steeds nieuwe ontwikkelingen voorgedaan. Belangrijke landschappelijke veranderingen in het onderhavige gebied zijn onder meer geweest: de aanleg van diverse landgoederen, de aanleg van de A12 en de spoorlijn Utrecht-Arnhem, de Langbroekerdijk en de Langbroekerwetering en andere wegen en waterlopen. Zij allen hebben bijgedragen aan de verandering van het landschapsbeeld.

De cultuurhistorische en visuele betekenis, tezamen met de belevingswaarde van het landschap, is van grote betekenis. De opbouw van het landschap in het plangebied is redelijk gaaf te noemen. Belangrijk daarbij is de zogenaamde cope verkaveling in het meest zuidoostelijke deel van het plangebied. De oorspronkelijke ontginnings- en verkavelingsrichting is over het algemeen nog steeds aanwezig en goed herkenbaar (zie bij voorbeeld ook de ondergrond van de afbeeldingen). Ten zuiden van de Langbroekerwetering vormen de knotwilgen een karakteristiek landschapselement. Ten noorden van deze watergang zijn dit de knotelzen. Bij bepaalde delen van de onderscheiden landschapstypen is de herkenbaarheid afgenomen door het wegvallen van elementen van het landschapspatroon (onder andere weidegreppels en kavelgrensbeplantingen).

Daardoor zijn de onderlinge verschillen enigszins vervaagd en heeft de beeldkwaliteit van het landschap enigszins ingeboet.

Na de oorlog is het landschap in sterke mate beïnvloed door de ontwikkeling van de landbouw en het onder druk van schaalvergroting verdwijnen van tal van opgaande landschapselementen, alsmede door de verdere uitgroei van de kernen voor woongebieden en bedrijfsterreinen. Ondanks deze recente ontwikkelingen wordt het landschap in het onderhavige gebied nog steeds gekenmerkt door de historisch gegroeide landschapstypen. De afbraak van de kurkfabriek langs de Langbroekerwetering en de ontwikkeling van het gebied als "natuur" kan in dit verband als een positieve verandering worden beschouwd.

Het bestemmingsplan is gericht op het behouden van de bestaande kwaliteiten van het landschap en de cultuurhistorische elementen die zich daarin bevinden.

Boslandschap/ Heuvelrug

Het tot het boslandschap behorende deel van het stuwwallen- en dekzandlandschap van de Utrechtse Heuvelrug bestaat uit heringericht en ontgonnen extensief benut gebied, productiebos of parkbos. De parcellering is variabel en het (grotendeels onverharde) padenstelsel fijnmazig.
Opgaand bos wordt afgewisseld met heideterreinen en zandverstuivingen. In het gebied komen verschillende functies voor: bosbouw, recreatie (ook in de vorm van medegebruik) en natuur.
Daarnaast wordt het gebied gekenmerkt door verspreid liggende landgoederen met bijbehorende parkbossen en lanenstelsels. Historisch waardevolle elementen worden gevormd door de aanwezige grafheuvels, sprengen en holle wegen. Het landschap heeft een sterk besloten karakter; slechts sporadisch zijn kleine open ruimten aanwezig in de vorm van heide, ven en/of stuifzand.

Kampenlandschap
Het kampenlandschap is een type van het middelhoge en lage dekzandlandschap met dekzandruggen, stuifzanden en beekdalen en bevindt zich aan weerszijden van Heuvelrug. Karakteristiek voor het overgangsgebied zijn de restanten van individuele nederzettingen. De parcellering is wisselend, maar gemiddeld klein, met een begrenzing door houtranden, heggen of sloten. Rond akkercomplexen bevinden zich vanouds houtsingels of -wallen. Verspreid in het landschap bevinden zich kleine bosjes en wegbeplanting. De waarde van dit gebied is reeds vroeg onderkend, waardoor relatief veel bebouwing voorkomt, waaronder een groot aantal (historische) buitenplaatsen (Stichtse Lustwarande). De bebouwing heeft zich geconcentreerd in de kernen. De onbebouwde zones tussen de kernen zijn van groot belang voor de ecologische relaties tussen de Heuvelrug en het Kromme Rijngebied. Historisch waardevolle elementen zijn de schaapskooien en schaapsdriften. De schaapskooi op de hoek van de Gooyerdijk/Sterkenburgerlaan is recentelijk gerestaureerd.

Kommenlandschap
In een zone langs de Kromme Rijn liggen stroomruggen, oude rivierbeddingen, en lager gelegen komgebieden, die kenmerkend zijn voor het rivierenlandschap: het kommenlandschap.

De ontginning vond plaats vanaf de hogere gronden. De parcellering op de hogere delen is divers en veelal onregelmatig; in de kommen is deze rechtlijnig. De begroeiing is wisselend en bestaat uit houtwallen, houtsingels en bospercelen. Dit landschapstype bevat historische elementen in de vorm van de typische T-boerderijen en ridderhofsteden, zoals Sterkenburg, Leeuwenburgh en Hardenbroek. Het landschapsbeeld is afwisselend open en meer gesloten. Het kommengebied ten noordoosten van de Langbroekerwetering is vrij open. Het grondgebruik is vooral agrarisch.

Stroomruglandschap  

Het stroomruglandschap kan worden getypeerd als een kleinschalig en gedifferentieerd landschap. Doordat de bebouwing en beplanting relatief verspreid staat, lijkt het landschap visueel tamelijk verdicht. Het grondgebruik is divers; naast veeteelt en akkerbouw komt onder meer fruitteelt en tuinbouw voor. Omdat de externe productie-omstandigheden diverse productierichtingen mogelijk maken, heeft de landbouw (vooral fruitteelt) hier over het algemeen goede mogelijkheden.

Ook in bosbouwkundig en recreatief opzicht bieden de stroomruggen goede ontwikkelingsmogelijkheden.

Monumenten
Historische landgoederen en buitenplaatsen zijn vaak aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument. Op basis van de Monumentenwet 1988 zijn veel historische buitenplaatsen aangewezen als complex historische buitenplaats. Binnen de grenzen van een aldus beschermde historische buitenplaatsen is elke wijziging vergunningplichtig. Dit betekent dat naast plannen voor expliciet als complexonderdeel beschermde onderdelen van de historische buitenplaats, ook plannen voor bijvoorbeeld sloop van niet als complexonderdeel beschermde bebouwing of het toevoegen van nieuwe bebouwing op het historische complex vergunningplichtig is. Het aanwijzingsbesluit bevat een redengevende omschrijving en een begrenzingenkaart van de buitenplaats.

Voorts zijn cultuurhistorisch waardevolle objecten zoals woonhuizen, boerderijen en tabaksschuren aangewezen als rijks- of gemeentelijk monument. In Bijlage 3 is hiervan een overzichtslijst opgenomen. Voor rijks- en gemeentelijke monumenten is een beschermende regeling reeds opgenomen in de Monumentenwet 1988 respectievelijk de Erfgoedverordening Gemeente Utrechtse Heuvelrug 2011 (vervangt Monumentenverordening gemeente Utrechtse Heuvelrug 2010).

Archeologie
Archeologische monumenten
In het plangebied zijn archeologische rijksmonumenten aanwezig. Het betreft de volgende archeologische monumenten:

  • Oud-Rijsenburgh, terrein met overblijfselen van het versterkte huis Rijsenburg. Datering: 13e eeuw
  • Sterkenburg, terrein met overblijfselen van het kasteel Sterkenburg. Datering: 13e eeuw.
  • Grafheuvels (noord-oost plangebied) uit Neolithicum en/of Bronstijd

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0008.jpg"

Archeologische verwachtingswaarden in buitengebied Driebergen

Stuifzandgebieden

Het noordelijk deel van het plangebied van buitengebied Driebergen bestaat de bodem uit dekzand met stuifduinen. Stuifzandgebieden zijn niet erg geschikt voor beweiding of beakkering en daarom geen geliefde vestigingslocaties. Daarnaast is het de verwachting dat de archeologische resten die wel aanwezig waren door de zandverstuivingen in het verleden grotendeels zijn verdwenen. Het noordelijk deel van het plangebied buitengebied Driebergen heeft daarom een lage archeologische verwachtingswaarde, dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5 laag op de plankaart.


Grafheuvels

Dat dit echter niet betekent dat er geen archeologische vindplaatsen in stuifzandgebieden aanwezig zijn, getuige verschillende prehistorische grafheuvels die zich bevinden in het gebied. De grafheuvels lagen niet geïsoleerd in het landschap. Naast een of meerdere begravingen onder en in de heuvel zelf, kunnen in de omgeving sporen aangetroffen worden van allerlei begrafenisrituelen. De grafheuvels en een omringende zone van 250 m in diameter kennen daarom een zeer hoge archeologisch verwachtingswaarde, dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog op de plankaart.


Stuwwal

In het uiterste noordoostelijke deel van het plangebied bestaat de bodem uit stuwwalafzettingen die vanaf de oude steentijd (vóór 8800 voor Chr.) tot in de ijzertijd een geliefde vestigingslocatie zijn geweest. De archeologische verwachting is in dat gebied daarom hoog, dubbelbestemming waarde archeologie 3 hoog. De aanwezigheid van een smeltwaterdal in de stuwwalafzettingen duidt op de mogelijke aanwezigheid van prehistorische paden en routes. Hiervoor geldt een middelhoge archeologische verwachting, dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 middelhoog op de plankaart.


Overgang van flank naar laaggelegen komgebieden

De bodemopbouw van het zuidelijk deel van het plangebied Driebergen buitengebied bestaat uit gordeldekzand met en zonder oud bouwlanddek en de laaggelegen komgebieden van het Krommerijngebied. De komgebieden waren te nat voor bewoning in het verleden en kennen daarom een lage archeologische verwachtingswaarde, dubbelbestemming Waarde Archeologie 5 laag op de plankaart. In de komgebieden zijn plaatselijk hogergelegen dekzandruggen in de bodem aanwezig. De hoge dekzandruggen zijn vanaf de oude steentijd tot in de nieuwe tijd een zeer geliefde vestigingslocatie geweest vanwege de vruchtbare bodem, de gunstige waterhuishouding en de beschikbaarheid van allerlei natuurlijke voedselbronnen en grondstoffen in de nabije omgeving. Hetzelfde gold voor de (gordel)dekzanden op de flank van de heuvelrug dat wordt afgedekt met een oud bouwlanddek. Deze locaties kennen daarom een hoge archeologische verwachtingswaarde voor alle archeologische perioden, dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 hoog op de plankaart. Voor de gordeldekzandwelvingen zonder oud bouwlanddek is de archeologische verwachting gezien de verminderde vruchtbaarheid van de bodem middelhoog, dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 middelhoog op de plankaart.


Komgebieden

Vanaf circa 1000 worden de laaggelegen komgebieden systematisch in cultuur gebracht onder de bezielende regie van de bisschop van Utrecht en zijn leenmannen. Dwars door het komgebied werd de Langbroekerwetering gegraven als nieuwe ontginningsbasis. Vanuit deze basis werden aan weerszijden kavels haaks op de wetering gezet en afgesloten met achterkaden. De Gooyerdijk is bijvoorbeeld de noordelijke achtergrens en keerkade. Langs de ontginningsbasis verrezen de boerderijen. Deze ontginningsbases hebben daarom een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde vanaf de middeleeuwen. Op de plankaart staat een strook van 60 m langs de ontginningsbasis aangegeven als dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog. Ten westen van de broekweg is langs de Langbroekerwetewring een oude oeverwal in de bodem als locatie voor de boerenerven gekozen, daarom volgt de strook met hoge archeologische verwachtingswaarde hier niet de Langbroekerwetering maar de oeverwalafzettingen in de bodem.


Kastelen en landgoederen

Door politieke en economische omstandigheden verrezen tussen 1000 en 1600 in het Krommerijngebied en op de flank van de Utrechtse Heuvelrug talloze versterkte boerderijen en ridderhofsteden. Een voorbeeld van zo'n versterkte boerderijlocatie ligt tegen de zuidgrens van het plangebied naast de Broekweg. In het landschap is nog een oorspronkelijk omgrachte verhoging te zien. In de verhoging worden de resten van een versterkte boerderij of ridderhofstad verwacht. Het terrein bekend als 'Jachtrust' staat aangegeven op de archeologische monumentenkaart (AMK) van de provincie Utrecht. Op de plankaart staat dit terrein aangegeven met een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog. Ook in de directe omgeving van dergelijke AMK-terreinen is de kans op het aantreffen van archeologische vondsten en sporen groot. Rondom vindplaatsen van de archeologische monumentenkaart zijn daarom bufferzones met een diameter van 250 m aangeven waarvoor een (zeer) hoge archeologische verwachting geld. Op de plankaart is dit aangegeven als een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 (zeer) hoog.


Verschillende ridderhofsteden in de regio groeiden uiteindelijk uit tot kastelen en uitgestrekte landgoederen. Deze landgoederen kennen een hoge archeologische verwachtingswaarde vanaf de middeleeuwen en met name in de Nieuwe tijd. Deze staan op de plankaart aangegeven met een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog.

Verwachte archeologische waarden
De gebieden of locaties, waar verwacht wordt archeologisch erfgoed te vinden, volgen uit een gemeentelijke archeologische waarden- en beleidsadvieskaart. De vermelde verwachting is, vergeleken met de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) nauwkeuriger, daar zij gebaseerd is op een in 2009 binnen de gemeente uitgevoerd, meer gedetailleerd archeologisch bureauonderzoek. Hoe hoger de verwachtingswaarde van een gebied of locatie op de kaart, hoe groter de kans dat er archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Hier kunnen archeologische sporen worden verwacht, maar deze zijn tot nu toe nog niet aangetoond. Wordt ergens in zo'n gebied een bodemingreep gepland, bijvoorbeeld in het kader van nieuwbouw of bodemsanering, dan dienen initiatiefnemers rekening te houden met de mogelijkheid van archeologische vindplaatsen en is het streven deze te behouden.

Grote delen van het plangebied hebben een middelhoge dan wel hoge archeologische verwachtingswaarde, of trefkans, voor het aantreffen van archeologische resten in de bodem. Het betreft met name de gebieden op de flanken van de Heuvelrug en delen van de daarop gelegen bosgebieden.

Omgang met archeologische waarden
Een bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische vindplaatsen. Het is de bedoeling dat archeologisch waardevolle vindplaatsen in de bodem worden behouden, behoud 'in situ'. Waar een verwachtingswaarde geldt, is de kans op archeologische vindplaatsen groot. Een initiatiefnemer moet aan het college van burgemeester en wethouders een rapport overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein wordt beschreven (op basis van uitgevoerd onderzoek) alvorens een ontwikkeling plaats kan vinden. Hierbij wordt in beschouwing genomen wat de mate van de impact van de geplande ontwikkeling is. Op basis hiervan beslist het college of de ontwikkeling doorgang kan vinden, of dat er een planaanpassing of een opgraving voorafgaand aan de ontwikkeling noodzakelijk is.

In de Monumentenwet 1988 is aangegeven dat bij een bestemmingsplan, in het belang van de archeologische monumentenzorg, een vergunning dan wel archeologisch vooronderzoek verplicht kunnen worden gesteld. Ook is vermeld dat dit niet van toepassing is op projecten met een oppervlakte kleiner dan 100 m2, maar dat de gemeente(raad) een hiervan afwijkende andere oppervlakte vast kan stellen. Met artikel 18 in de Erfgoedverordening Gemeente Utrechtse Heuvelrug 2011 is hier uitwerking aan gegeven.

De gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart vermeldt allereerst of een bepaald gebied een vastgestelde (bekende) archeologische waarde heeft en wat de verwachte archeologische waarde voor dat gebied is. Vervolgens koppelt de gemeentelijke archeologische verordening voorwaarden voor behoud aan de archeologische waardering. De voorwaarden komen erop neer dat voorafgaand aan een bodemingreep (en vergunningverlening) archeologisch (voor)onderzoek uitgevoerd dient te worden en gestreefd moet worden naar inpassing van terreinen met archeologische waarden, maar dat afhankelijk van de archeologische waardering wel een vrijstelling van toepassing is, die gerelateerd is aan de oppervlakte welke de bodemverstoring beslaat. Onderscheid bestaat tussen vrijstellingen tot 50 m2, 100 m2, 150 m2, 1.000 m2 en 10 ha. Voor de in dit bestemmingsplan op te nemen regeling voor de omgang met archeologische waarden vormen deze oppervlakten in feite een vijftal oppervlakte-ondergrenzen voor het al dan niet vereist zijn van een omgevingsvergunning en de plicht tot archeologisch (voor)onderzoek.

2.1.4 Natuur

Het plangebied voor het bestemmingsplan beslaat het westelijk deel van de gemeente. Dit deel beslaat een groot oppervlakte bos van de Utrechtse Heuvelrug. De Utrechtse Heuvelrug is een Nationaal Park. Het bos op de Utrechtse Heuvelrug is een afwisseling van naald- en loofbos met ook gemengd bos. Op (en tegen) de heuvelrug liggen verschillende landgoederen. Verspreid in de bossen zijn verschillende heidevelden aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0009.png"

Afbeelding - Heidegebieden


Deze zijn en worden steeds meer verbonden via heidecorridors die door het bosgebied lopen. In het plangebied bevindt zich een groot heideveld Groot Heidestein. Samen met Noordhout vormen landgoed Heidestein en Bornia een natuurgebied van 637 hectare. Het is het grootste aaneengesloten natuurgebied van Utrechts Landschap. Het gebied bestaat uit naald- en gemengde bossen met heidevelden, stuifzanden en akkers. Schapen zorgen ervoor dat het heidegebied open blijft.

Noordhout is één van de weinige plekken op de Utrechtse Heuvelrug die in de 18e eeuw al bebost was. Hierdoor is de begroeiing ouder dan de bossen in de directe omgeving. Een deel van landgoed Noordhout is aangewezen als bosreservaat. Het bos bestaat er uit inheemse boomsoorten zoals eik, berk, beuk en grove den en heeft een gevarieerde opbouw. Het bosgebied vormt door de uitgestrektheid ook leefgebied voor grotere zoogdieren zoals de boommarter.

De Woerd ligt tussen Driebergen-Rijsenburg en Odijk. Het is een zeer afwisselend gebied met grienden, watergangen en weilanden. De ondergrond bestaat uit dekzand, stroomruggen en kleiige of venige kommen. Het dekzand vertegenwoordigt de invloed van de laatste ijstijd (het Weichselien) terwijl de stroomruggen en kommen zijn gevormd door de (Kromme) Rijn. De Woerd ligt op de grens van de Utrechtse Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied. Hierdoor zijn er vele geleidelijke overgangen van hoog naar laag, van droog naar nat en van voedselarm naar voedselrijk. Deze verscheidenheid in milieufactoren weerspiegelt zich in een rijke flora en fauna. In het gebied leven onder andere vossen, reeën, bunzingen en hazen. In de sloten zijn amfibieën als groene kikkers en salamanders te vinden. Libellen en waterjuffers jagen langs de slootkanten.

De grienden en weilanden zijn voor vogels geschikt als leef-, foerageer-, jacht- en broedgebieden. Vogelsoorten die voorkomen in de Woerd zijn de koekoek, de torenvalk, de kievit, de ijsvogel en de tjiftjaf. Ook de flora is afwisselend maar vooral moeras- en oeverplanten doen het goed o.a. gele lis, kattestaart, dotterbloem, moeras-vergeet-mij-nietje en echte koekoeksbloem. Het is onduidelijk of in de Woerd kwelwater (opborrelend grondwater, in dit geval afkomstig van de Heuvelrug) aanwezig is. Als er al kwel te vinden is, dan is het in het noorden van het gebied dat het dichtst bij de Heuvelrug ligt.

De voorgaand genoemde gebieden en elementen met hun actuele waarden (onder andere soorten planten en dieren) vormen samen de drager van het ecologisch potentieel binnen de gemeente.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0010.jpg"

Afbeelding - Samenhang en gradiënten

2.1.5 Landbouw

Algemeen
De agrarische bedrijven bevinden zich voornamelijk ten noorden en zuiden van de Heuvelrug. Veruit het grootste deel van het grondgebied dat wordt gebruikt voor landbouw bestaat uit grasland voor veehouderij. In opbouw en structuur van de sector is een onderscheid te maken tussen het gebied ten noorden van de Heuvelrug, en het gebied ten zuiden van de Heuvelrug.

  • Het gebied ten noorden van de Heuvelrug maakt onderdeel uit van de Geldersche Vallei en is een agrarisch productielandschap. Deze zone ligt op de overgang tussen het kleinschalige kampenlandschap en het slagenlandschap, met lange strokenverkaveling. De agrarische sector in dit gebied bestaat vooral uit gemengde veebedrijven met een accent op intensieve veehouderij.
  • Het gebied ten zuiden van de Heuvelrug is het Langbroekerweteringgebied. Dit gebied kent veel veeteelt met het accent op melk, daarnaast is er grondgebonden grasland met maïs te vinden. Deze omgeving heeft een kleinschalig en gevarieerd productielandschap. De oorspronkelijke structuren zijn nog voor een groot deel aanwezig. Dit is te zien in veel cultuurhistorische en natuurlijke elementen.

De agrarische bedrijven bevinden zich vooral langs de Gooijerdijk. In het plangebied zijn 32 agrarische bedrijven gevestigd (inventarisatie december 2014). Daarvan bestaat het overgrote deel uit bedrijven met graasdieren en enkele bedrijven met hokdieren.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0011.jpg"

Afbeelding - Ligging agrarische bedrijven in de gemeente Utrechtse Heuvelrug (bron: Dienst Regelingen; Landbouwtelling 2007)

2.1.6 Wonen

In het plangebied zijn globaal twee verschillende deelgebieden te onderscheiden. De bebouwing die zich in het gebied voordoet, blijkt slechts in geringe mate verband te houden met het landschapstype; de verschillen houden vooral verband met de tijd waarin de bebouwing is opgericht.

Utrechtse Heuvelrug
Het bebouwingsbeeld in dit gebied wordt bepaald door verspreid staande bouwmassa’s, dat enerzijds aan de doorgaande wegen en anderzijds verscholen in het bos liggen. Hier bestond de eerste bebouwing uit buitenplaatsen, die met hun tuinaanleg grote stukken bos in bezit hadden. In de loop der tijd zijn langs de wegen een enkele boerderij en een aantal woningen gebouwd.

Gelijk opgaand met de verkaveling van de landgoederen hebben instellingen en complexen zich in de bossen gevestigd. Veelal trokken deze in de bestaande bouwwerken van de landgoederen. Op kleinere schaal is nieuwbouw gepleegd. Na de Tweede Wereldoorlog is op kleine schaal ook ruimte geboden aan recreatieve bebouwing.

De bebouwing in het bos van de Heuvelrug is verspreid en solitair van karakter. Deze bebouwing staat zonder uitzondering verscholen tussen de begroeiing van het bos. Dit komt door de ligging, relatief ver van de doorgaande wegen. De vrijstaande bouwmassa's hebben een vrije plaatsing op de kavels. De bebouwing bestaat uit maximaal twee bouwlagen en aan- en uitbouwen zijn in verschillende mate al dan niet toegepast. Vormen van massa's verschillen tevens. Er komen zowel eenvoudige, rechte vormen voor als meer vrijere vormen.

De kwaliteit van de bebouwing op dit deel van de Heuvelrug is de vrije setting en individualiteit. Tevens is de mix van verschijningsvormen met veel aandacht voor kwaliteit waardevol.

Rivierengebied
In het oostelijke deel van het Rivierengebied als geheel, ligt langs de rand van de Heuvelrug een reeks van kernen. Driebergen behoort tot deze reeks. Buiten de kernen zijn diverse linten van bebouwing te onderscheiden, zoals een meanderend lint parallel langs de Kromme Rijn en diverse min of meer rechte linten parallel aan de Heuvelrug.

2.1.7 Niet-agrarische bedrijven en instellingen

In het buitengebied van Driebergen bevindt zich een aantal niet-agrarische bedrijven. De meeste bedrijven zijn gevestigd in een woning en zijn wat betreft oppervlakte ondergeschikt aan de woonfunctie. Hierbij gaat het om bedrijven aan huis, zoals handelsondernemingen, adviesbureaus, architectenbureaus, administratiekantoren et cetera. Verder zijn er enkele bedrijven aanwezig met een duidelijke binding met het agrarisch gebied, zoals een veehandelsbedrijf, enkele loonwerkbedrijven en een viertal paardenhouderijen. Tot slot zijn er enkele bedrijven aanwezig zonder enige binding met het agrarisch gebied, zoals garage- en installatiebedrijven.

Bij de niet-agrarische bedrijven gaat het deels om volwaardige bedrijfsactiviteiten en deels om ondergeschikte nevenactiviteiten. Veelal zijn deze bedrijven al meerdere jaren in het buitengebied gevestigd. Naast bovengenoemde niet-agrarische functies, komen in een aantal gevallen ook niet-agrarische functies voor als nevenactiviteit op agrarische bedrijven, zoals bijvoorbeeld opslag.

De in het plangebied legaal aanwezige niet-agrarische bedrijven en instellingen zijn opgenomen in Bijlage 4 Inventarisatie niet-agrarische bedrijven.

2.1.8 Recreatie

De Utrechtse Heuvelrug, met het Nationaal Park, en het overgangsgebied naar het gebied van de Langbroekerwetering bieden een zeer afwisselend landschap met hoge natuurwaarden. Vooral het gebied ten noorden van de N225 heeft een belangrijke recreatieve (neven)functie. De bossen op de Utrechtse Heuvelrug oefenen een grote aantrekkingskracht uit op toeristen. Het recreatief medegebruik van het buitengebied uit zich in de aanwezigheid van recreatieve routes door het landschap.

Van regionaal en lokaal belang is het recreatief medegebruik van het buitengebied. Niet alleen de inwoners van Driebergen wandelen en fietsen in het gebied rond de kernen, maar ook inwoners elders uit Nederland recreëren in het buitengebied. Het gebied is voor een groot deel ontsloten en toegankelijk voor wandelaars.

Ten behoeve van de recreatie zijn wandelroutes in het gebied gemarkeerd, waaronder de Lange Afstands Wandelroute. In de bossen bevinden zich hier en daar picknickplaatsen. Binnen het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug is een uitgebreid netwerk van (gemarkeerde) ruiterpaden aanwezig. Daarnaast zijn er openbare zandwegen waarvan de ruiters gebruik kunnen maken.

De fietsroutestructuur binnen het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug valt voor een vrij groot deel samen met de aanwezige verharde wegen, die veelal ook door gemotoriseerd verkeer gebruikt worden. Fietspaden zijn met name aanwezig langs de N225. Buiten de bosgebieden beperkt de dagrecreatie zich tot recreatief medegebruik van wegen en paden.

In het plangebied komen enkele dagrecreatieve voorzieningen en -terreinen voor. De overige dagrecreatieve voorzieningen en terreinen 20150113 PL: Ook verblijfsrecreatieterreinen vallen buiten het plangebiedzijn buiten het plangebied gehouden.

Verder bevinden zich in het plangebied enkele agrarische bedrijven, waar kamperen bij de boer plaatsvindt. Ook staat er nog een aantal solitaire recreatiewoning.

Campings, kampeerboerderijen en verblijfsrecreatieterreinen maken geen deel uit van dit bestemmingsplan, maar worden van een afzonderlijk bestemmingsplan voorzien.

Samengevat kan de volgende opsomming worden gegeven van de aanwezige voorzieningen en kwaliteiten van het plangebied:

  • Een aantrekkelijk en afwisselend landschap;
  • De afwisseling tussen de bossen, heidegebieden en hoogteverschillen van het Nationaal Park en de openheid van het Rivierengebied en de Gelderse Vallei biedt een mooi decor voor recreatieve activiteiten.
  • Een deel van het Nationaal Park ligt binnen het plangebied: in 2003 kreeg het zuidelijke deel van de Utrechtse Heuvelrug deze status. Het bijzondere karakter van dit gebied wordt ermee onderstreept en behouden voor de toekomst. Natuurbeleving en –educatie behoren tot de doelstellingen.
  • Goede mogelijkheden voor actieve recreatie: actieve vormen van recreatie, zoals wandelen, fietsen en zwemmen, worden nog altijd populairder. In het plangebied ligt een goede infrastructuur voor diverse vormen van routegebonden recreatie.
  • Een voorname uitstraling en grote dichtheid aan landgoederen, buitenplaatsen en kastelen: de Utrechtse Heuvelrug is al eeuwenlang populair onder de rijke(re) stedelingen. De vele kastelen, landgoederen en buitenplaatsen die zij hier bouwden, geven het plangebied een statig aanzien.
  • Een sterk zakelijk toeristisch product: enkele grote vergader- en conferentiecentra bieden een aanzienlijk aantal vergaderzalen, in combinatie met overnachtingsmogelijkheden. Een groot deel van de overnachtingen in het plangebied heeft een zakelijk motief.
  • Een centrale ligging binnen Nederland en een goede locatie ten opzichte van de Randstad: het plangebied is vanuit alle delen van het land goed te bereiken en is het eerste bosgebied dat Randstadbewoners tegenkomen als ze naar het oosten rijden.
2.1.9 Infrastructuur

Wegen
In het plangebied bevinden zich één belangrijke weg, die fungeert als gebiedsontsluitingswege Het betreft de volgende provinciale weg:

  • de N225 (Rijksstraatweg), die vanaf Zeist via Driebergen, Doorn, Leersum en Amerongen naar Elst loopt en het plangebied daarmee doorkruist;

Tevens lopen er diverse erftoegangswegen door het plangebied, die het landelijk gebied en de Heuvelrug ontsluiten op de gebiedsontsluitingswegen.

De rijksweg A12 is de oudste snelweg in Nederland en loopt van Den Haag naar Zevenaar. De weg loopt onder andere via Driebergen en geldt als stroomweg. Er is echter voor gekozen om de rijksweg buiten het plangebied te houden, omdat er aan een wegverbreding tussen Utrecht en Veenendaal is gewerkt in de periode 2010 - 2013. Hiervoor is een eigen planologische procedure en planMER doorlopen door Rijkswaterstaat.

Spoorlijnen
In het plangebied komt een spoorlijn voor. Het betreft de spoorlijn Utrecht - Arnhem. De spoorlijn splitst zich ongeveer ter hoogte van Overberg richting Rhenen. De spoorlijn Utrecht - Arnhem kent een hoge frequentie aan treinverkeer.

Leidingen
Zendmasten en straalverbindingen
Om tot een landelijk dekkend netwerk te komen dienen aanbieders van mobiele telefoondiensten zogenaamde 'sites' (soort zendmasten) te plaatsen. Deze sites zijn in heel Nederland in een hoog tempo opgericht.

Voor zendmasten bestaat een register waarin de gegevens van alle zendmasten in Nederland zijn opgenomen (www.antenneregister.nl). In dit register staat vermeld welke veiligheidsafstanden er in acht genomen moeten worden rond de zendmasten.

Het bestemmingsplan zal in een regeling moeten voorzien om wildgroei van antennemasten te voorkomen. Concreet betekent dit dat de bouw van deze hoge bouwwerken alleen onder voorwaarden (via afwijking) mogelijk mag zijn. Zo'n voorwaarde is in ieder geval dat er door het plaatsen van de zendmast geen aantasting van het landschap (horizonvervuiling) mag ontstaan.

Olietransportleidingen
Zowel direct ten noorden van de rijksweg A12 bevindt zich een olietransportleiding, welke nabij de Traayweg aftakt in noordelijke richting. De aan te houden bebouwingsvrije afstand bedroeg in de geldende bestemmingsplannen 3 meter. Met de inwerkingtreding van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moet echter een afstand van 5 meter worden aangehouden, gemeten vanuit het hart van de leiding.

Aardgastransportleidingen
Er loopt één aardgastransportleidingen dwars door het plangebied, vanuit het westen in noordoostelijke richting, langs de zuidkant van Driebergen.

Conform het Bevb moet voor de buisleidingen een bebouwingsvrije zone van 5 m worden aangehouden, gemeten vanuit het hart van de leiding.

Hoogspanningsleidingen
Door het plangebied loopt één hoogspanningsleidingleiding. Het betreft een 150 kV-leiding die vanaf Veenendaal met een boog naar het noorden richting Driebergen-Rijssenburg loopt. Het gaat om een bovengrondse verbinding. Vanwege permanente blootstelling aan elektromagnetische straling zijn, net als bij zendmasten, aspecten van volksgezondheid hier van belang.

Met betrekking tot deze 150 kV-lijn geldt een bebouwingsvrije zone van 25 m aan beide zijden van de leiding.

Rioolwatertransportleidingen

Dwars door het plangebied loopt een riooltransportleiding vanuit de RWZI aan de zuidzijde van Driebergen in zuidelijke richting. Voor de leiding geldt een bebouwingsvrije afstand van 3 meter aan weerszijden van de leiding.

2.1.10 Milieu

De Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU, voorheen: Milieudienst Zuidoost-Utrecht) heeft in september 2014 een milieuonderzoek uitgevoerd ten behoeve van dit bestemmingsplan. Op basis van het onderzoek is een milieuadvies door de ODRU geformuleerd.

De relevante milieu- en omgevingsthema's die in het advies worden behandeld zijn: bedrijven, bodem, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en duurzaamheid. Daarnaast wordt afzonderlijk aandacht besteed aan het gebiedsgerichte beleid. In het advies zijn de volgende zaken niet meegenomen:

  • Het effect van agrarische bedrijven op de omgeving wat betreft concentraties geur en fijn stof welke per individueel bedrijf in een volgende fase van het planproces middels berekeningen kunnen worden meegenomen;
  • Bestaande en nieuwe bedrijventerreinen in het plangebied en;
  • Nieuwe ontwikkelingen zoals nieuwe woningen en bedrijven of bedrijven aan huis die zich gaan vestigen in het plangebied.

Het advies is verwerkt in hoofdstuk 2.2.10 en 4.6.

2.2 Ruimtelijke gevolgen

2.2.1 Geomorfologie en bodem

In het plangebied spelen geen bijzondere ontwikkelingen ten aanzien van bodem.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit geomorfologie en bodem

  • Toekomstige veranderingen in het grondgebruik moeten plaatsvinden op die plaatsen waar de bodemgesteldheid dat grondgebruik toelaat;
  • De gebieden met aardkundige waarden moeten worden beschermd, zodanig dat aantasting van het aardoppervlak door graven, egaliseren, ophogen of diepploegen wordt voorkomen.
2.2.2 Water

Wettelijk kader

De Provincie Utrecht heeft op 4 februari 2013 de Provinciale milieuverordening 2013 (PMV 2013) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 mei 2013. Hierin zijn grondwaterbeschermingszones opgenomen en benoemd als provinciaal belang. De PMV kan daardoor invloed hebben op het gebruik van bevoegdheden binnen de Wet ruimtelijke ordening, Algemene plaatselijke verordening (APV), Wegenverkeerswet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit.

Er zijn verschillende soorten beschermingsgebieden:

  • 1. Waterwingebied;
  • 2. Grondwaterbeschermingsgebied;
  • 3. Boringsvrije zone;
  • 4. 100-jaarsaandachtsgebied.

Het waterwingebied is de locatie waar de onttrekkingsputten voor het drinkwater zijn gevestigd. Het grondwaterbeschermingsgebied (of 25-jaarszone) en de boringsvrije zone vormen een beschermende schil rond de waterwingebieden. Binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug bevinden zich geen boringsvrije zones. De regels met betrekking tot boringsvrije zones worden dan ook niet toegelicht in dit advies.

Binnen het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied zones stelt de PMV aanvullende milieuregels bovenop de regels die gelden vanuit de Wet milieubeheer. Deze milieuregels gelden voor activiteiten binnen inrichtingen en voor sommige activiteiten buiten inrichtingen. Daarnaast is sprake van de bijzondere zorgplicht. Dit houdt in dat activiteiten die een risico vormen voor de kwaliteit van het grondwater niet zijn toegestaan. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd. Er dienen dan echter maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken. Bij functieveranderingen binnen het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied moet rekening worden gehouden met het drinkwaterbelang.

Het 100-jaarsaandachtsgebied is een extra schil rondom het grondwaterbeschermingsgebied. Binnen deze beschermingszone gelden geen aanvullende milieuregels. Wel geldt ook hier de bijzondere zorgplicht en moet bij functieverandering rekening worden gehouden met het drinkwaterbelang.

Situatie plangebied

Het gehele waterwingebied en het grootste deel van het grondwaterbeschermingsgebied en het 100-jaarsaandachtsgebied van drinkwaterwinning Driebergen liggen binnen het plangebied. De grondwaterbeschermingsgebieden voor drinkwaterwinningen Doorn en Zeist liggen buiten het plangebied. De ligging van de grondwaterbeschermingszones is weergegeven op onderstaande afbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0012.png"

Infiltratie/kwel en grondwaterbeschermingsgebied

In het noordelijk deel van het buitengebied komt vooral infiltratie voor, in het zuidelijk deel hoofdzakelijk kwel (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0013.png"

Conclusie

Het gehele waterwingebied en het grootste deel van het grondwaterbeschermingsgebied en het 100-jaarsaandachtsgebied van drinkwaterwinning Driebergen liggen binnen het plangebied.

2.2.3 Landschap en cultuurhistorie

De ontwikkelingen in het natuur- en bosgebied van de Utrechtse Heuvelrug zijn, als gevolg van het beleid van rijk en provincie, in hoge mate beperkt. Ontwikkelingen zijn vooral gericht op behoud en versterking van de hier aanwezige ecologische en landschappelijke waarden.

Het gemeentelijk beleid is gericht op het handhaven c.q. versterken van de karakteristieken van de hierboven genoemde landschappelijke deelgebieden. Dit betekent dat de verschillen tussen die deelgebieden herkenbaar moeten blijven, hersteld of zelfs versterkt moeten worden. Ook de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte zet in op het herkenbaar houden van het landschap. Contrasten tussen openheid en geslotenheid moeten vergroot worden, teneinde de herkenbaarheid te verbeteren. Ook zal de toeristische aantrekkingskracht van het landschap benut worden voor versterking en ontwikkeling van de toeristisch recreatieve sector.

Naar verwachting zullen zich in het plangebied twee ruimtelijk relevante ontwikkelingen gaan afspelen. Het betreft enerzijds ontwikkelingen op perceelsniveau. Door verbreding en verdieping van agrarische bedrijfsactiviteiten zullen de aanwezige percelen van functie en (daardoor ook van) aanzien veranderen. Echter, verwacht wordt ook dat een deel van de agrarische bedrijven in de komende planperiode beëindigd wordt. Die ontwikkeling vormt, voor de planperiode van dit bestemmingsplan, de meest risicovolle bedreiging voor de kwaliteit van het buitengebied. Aan de ene kant omdat zowel voor de bedrijfsgebouwen als voor de gronden een nieuwe bestemming moet worden gevonden, aan de andere kant omdat in deze regio aan de rand van de Randstad de druk om de ontwikkeling toe te staan van met name woonbestemmingen maar ook van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten, uitzonderlijk groot is.

Daarnaast spelen er ontwikkelingen die gevolgen hebben voor de landschappelijke betekenis op gebiedsniveau. Het gaat vooral om verzoeken en aanvragen met betrekking tot ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Deze zijn gericht op locaties die verspreid in het buitengebied liggen. De aanleg van een nieuw buitenplaats of landgoed heeft grote gevolgen voor het landschapsbeeld. Het is daarom gewenst verzoeken en aanvragen, in een separate procedure, te kunnen toetsen aan een landschappelijk-cultuurhistorisch kader, dat inzicht geeft in de gewenste verschijningsvorm per deelgebied. Een afzonderlijke bestemmingsplanherziening is in dat verband de aangewezen weg.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit landschap en cultuurhistorie

  • Behoud en versterking van de kernkwaliteiten van het plangebied: schaalcontrast van zeer open naar besloten en het samenhangend stelsel van hoge stuwwal, flank, kwelzone, oeverwal en rivier.
  • Het bestemmingsplan dient op het behoud van de karakteristieke engen en cultuurhistorisch waardevolle verkavelings- en ontginningspatronen in het plangebied toe te zien.
  • Ook moet het plan mogelijkheden bieden voor het behouden en herstellen van kenmerkende historische structuur- en zichtlijnen, alsmede behoud en versterking van de landschappelijke verschillen tussen de beschreven landschappelijke zones.
  • Voor de bos-, natuur- en heidegebieden op de Utrechtse Heuvelrug is een vertaling van het op behoud gerichte beleid van rijk en provincie noodzakelijk.
  • Op terreinen met archeologische waarde en terreinen met een archeologische verwachtingswaarde moeten bodemingrepen in eerste instantie vermeden worden. In het bestemmingsplan dient voor deze terreinen een beschermende regeling opgenomen te worden. In het geval bodemingrepen onvermijdelijk zijn, moet het plan waarborgen dat zij voorafgaan door een archeologisch vooronderzoek, tenzij een oppervlakte-ondergrens niet gehaald wordt.
  • De bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten vindt plaats via respectievelijk de Monumentenwet 1988 en gemeentelijke monumentenverordening. Voor deze monumenten hoeft daarom geen beschermende regeling te worden opgenomen in het bestemmingsplan.
  • Met betrekking tot verzoeken en aanvragen voor ontwikkeling van nieuwe buitenplaatsen en landgoederen is een separate procedure noodzakelijk, waarin deze getoetst kunnen worden aan een landschappelijk-cultuurhistorisch kader, dat past in de gewenste verschijningsvorm per deelgebied. Een afzonderlijke bestemmingsplanherziening is daarvoor de aangewezen weg.
2.2.4 Natuur

Realisatie van Ecologische Hoofdstructuur
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De Provinciale Ruimtelijke Verordening bevat regels die voortvloeien uit de AMvB Ruimte, zoals voor de bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur.

Een groot deel van het plangebied ligt in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een robuust, samenhangend netwerk van natuurgebieden en verbindingen daartussen op nationaal niveau. Natura2000, een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, maakt onderdeel uit van die EHS.
In de EHS zijn ook onder meer de verbindingszones uit de Structuurvisie 2005-2015 opgenomen, voor zover deze van essentieel belang zijn. De provincie heeft hiernaast besloten dat de 1.500 hectare nog te realiseren nieuwe natuur onderdeel uit blijft maken van de EHS.
De provincie wil de EHS in Utrecht behouden en verder ontwikkelen. Er wordt voor gezorgd dat er zich geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen voordoen die een significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van onze EHS. Dit doet de provincie via het beschermingsregime 'nee, tenzij'. Dit houdt in dat ruimtelijke ingrepen in de EHS met een negatief effect op de kwaliteit van de natuur of het functioneren van de EHS in principe niet zijn toegestaan. Onder voorwaarden kan hiervan echter wel worden afgeweken.
Onder voorwaarden worden ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, waarbij het functioneren van de EHS niet wordt aangetast of zelfs wordt verbeterd. De volgende instrumenten zijn beschikbaar:

  • uitbreiding van geringe omvang bij bestaande functies. Kleinschalige ontwikkelingen in de EHS zijn mogelijk mits ze aansluiten aan een bestaande andere functie en ze op al verstoord terrein plaats vinden;
  • plussen en minnen / mitigeren. Het negatieve effect van een ontwikkeling kan met voor natuur positieve ingrepen worden opgeheven zodat er geen sprake is van een significante aantasting van de EHS;
  • herbegrenzing van de EHS. Bij kleinschalige ontwikkelingen kan het instrument herbegrenzing worden ingezet, mits dit leidt tot een gelijkwaardige of betere kwaliteit van de EHS;
  • saldobenadering. Toe te passen bij een combinatie van ontwikkelingen die in een gezamenlijk ruimtelijk plan worden opgepakt en die per saldo een meerwaarde voor natuur opleveren.

De natuurdoelstellingen worden uitgewerkt in het Natuurbeheerplan provincie Utrecht. Dit plan begrenst de meeste gronden als bestaande natuur.

Voor deze gebieden geldt het 'Nee, tenzij'-regime en kan op gebiedsniveau de saldobenadering worden toegepast (zie ook paragraaf 3.3). Een ruimtelijk plan bevat bestemmingen en regels die de wezenlijke kenmerken en waarden beschermen, in stand houden en ontwikkelen. Verder geldt hier het 'Nee, tenzij'-regime.

Het 'Nee, tenzij'-regime betekent dat nieuwe plannen, projecten en handelingen binnen en in de nabijheid van deze gebieden niet toegestaan zijn, indien deze de wezenlijke kenmerken en/of waarden van het gebied significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Om te beoordelen of ontwikkelingen, zoals uitbreiding, nieuwbouw of herontwikkeling, aanvaardbaar zijn is een 'Nee, tenzij'-toets vereist, tenzij het gaat om uitbreidingen van geringe omvang (in absolute zin).

Ook ligt er ten zuiden van de RWZI de groene contour (zie Afbeelding - Verdroogde Gebieden in paragraaf 2.1.2).

Binnen de groene contour liggen gebieden die van belang worden geacht voor het functioneren van de EHS, maar niet onder de EHS zelf vallen, omdat er geen financiering met overheidsmiddelen mogelijk is. Binnen deze gebieden kan op vrijwillige basis EHS gerealiseerd worden. Onomkeerbare ingrepen en processen, zoals grootschalige verstedelijking die het realiseren van natuur binnen de groene contour onmogelijk maakt, zijn niet toegestaan. Op de “groene contour” is het “nee, tenzij” regime niet van toepassing. Zodra in deze gebieden nieuwe natuur is gerealiseerd wordt deze opgenomen in de EHS. Onomkeerbare ingrepen en processen, zoals grootschalige verstedelijking die het realiseren van natuur binnen de groene contour onmogelijk maakt, zijn niet toegestaan. Ontwikkelingen zoals uitbreiding van agrarische bouwblokken en aanleg van recreatie-voorzieningen worden hier niet onder onomkeerbare ingrepen begrepen. Reguliere agrarische ontwikkeling op gronden gelegen binnen de groene contour is gewoon mogelijk. Om die reden is het niet nodig gebleken om de groene contour in het bestemmingsplan aan te duiden. Andere ontwikkelingen onomkeerbare stedelijke ontwikkelingen worden immers niet mogelijk gemaakt met voorliggende bestemmingsplan.

Binnen de huidige bestemmingen waarin de groene contour gelegen is, zoals Agrarisch met waarden, zijn op deze gronden geen ontwikkelingen mogelijk. Overigens liggen er evenmin agrarische bouwvlakken in, of naast.

2.2.5 Landbouw

Algemeen
De verhouding tussen overheid en agrariër verschuift: er komen meer regels, en minder steun. De agrariër is meer op zich zelf aangewezen. De agrariër krijgt te maken met hoge maatschappelijke eisen aan de bedrijfsvoering en wordt een verantwoordelijkheid toegedicht m.b.t. de instandhouding van het landschap. Door de toenemende diversiteit aan overige functies in het landelijk gebied verworden hele stukken buitengebied tot "speeltuin" van Nederland.

De bedrijfsvoering zelf kent een verdergaande schaalvergroting, specialisatie en diversificatie. Dit hangt samen met de noodzaak voor grote investeringen, om te kunnen voldoen aan de gestelde eisen. Dit resulteert in de behoefte aan grotere bouwmogelijkheden, die naar individuele behoeften te ontwikkelen zijn. Door steeds strengere wetgeving ten aanzien van bijvoorbeeld mest, dierenwelzijn en duurzaamheid, is de verwachting dat er een sterkere tweedeling zichtbaar wordt in de sector.

  • Enerzijds, de bedrijven die willen groeien in het primaire agrarische proces. Zij willen hun hoofd activiteit uitbreiden en professionaliseren. Door schaalvergroting kan men de benodigde wettelijke investering rendabel uitvoeren.
  • Anderzijds, de bedrijven die naast een agrarische functie nadrukkelijk nog een andere activiteit in het bedrijf willen gaan ontplooien. Denk hierbij bijvoorbeeld aan recreatie, zorg , duurzaamheid. Vaak zijn er ook mogelijkheden die verwantschap hebben met de primaire agrarische bedrijfsvoering.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug maakt geen keuze om een van beide stromen als voorkeur te benoemen, maar juist de diversiteit in de volle breedte te willen faciliteren. Daarmee wil zij zowel de grote groeiers een plek geven om hun ambities te kunnen realiseren, als de bedrijven die meer willen verbreden.

Voortgang en beëindiging van primair agrarische bedrijven
Te verwachten is dat ook in het plangebied het aantal primair agrarische bedrijven zal afnemen. De afname wordt veroorzaakt doordat sommige bedrijven geen bedrijfsopvolger hebben, de eisen om te kunnen voldoen aan de strengere milieunormen steeds hoger worden en doordat een verdere schaalvergroting van de landbouw in de toekomst te verwachten valt. De beëindiging van een agrarisch bedrijf gebeurt op vrijwillige basis, zonder beëindigingsregeling van het rijk. Bij de bedrijven die doorgaan als primair agrarische functie is wel een bedrijfsopvolger aanwezig of speelt de opvolgingssituatie nog niet.

Plattelandsvernieuwing
Naast bedrijven die stoppen, zijn er ook veel bedrijven die zich op andere, niet-agrarische of agrarisch aanverwante activiteiten richten. In de toekomst zal het landelijk gebied (nog) meer een menging van functies hebben, mede doordat multifunctionele landbouw, met name bij kleinere agrarische bedrijven, een steeds grotere rol krijgt. Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat in 2010 al meer dan de helft van alle agrarische bedrijven in Nederland neveninkomsten had. Er zal ingespeeld moeten worden op deze ontwikkeling. Door verbreding en verdieping kan de landbouw versterkt worden.

Onder verbreding van de landbouw wordt verstaan: ruimte bieden aan agrarische bedrijven voor goed inpasbare functies als natuur, recreatie en zorglandbouw. Het gaat dan om functies die extra waarde aan het landelijke gebied kunnen toevoegen en die niet op gespannen voet staan met de landbouw. Bij verbreding van de landbouw geschiedt inkomensverbreding via nevenactiviteiten. Onder invloed van een aantal ontwikkelingen in en buiten de landbouw wordt de behoefte bij de agrariërs om activiteiten te ontplooien, welke extra inkomsten kunnen genereren, steeds groter. Te denken valt aan (kleinschalig) kamperen bij de boer, directe verkoop van landbouwproducten en natuur- en landschapsbeheer.

In het kader van verbreding van de landbouw is de opslag van aan het buitengebied gebonden goederen alsmede het benutten van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen voor de stalling van caravans en boten ruimtelijk aanvaardbaar. Stalling en opslag moet wel plaats vinden binnen de bestaande bedrijfsgebouwen.

Behalve kamperen bij de boer kunnen ook andere vormen van plattelandsvernieuwing leiden tot vormen van neveninkomsten, zoals inkomsten uit beheers- en onderhoudsovereenkomsten c.q. agrarisch natuurbeheer, de verkoop van streekeigen producten, de exploitatie van een theehuis, of de ontwikkeling van zorgboerderijen of soortgelijke therapeutische voorzieningen.

Verdieping van de landbouw omvat het toevoegen van waarden aan het product: boeren gaan over tot specialisatie, ontmenging en/of schaalvergroting. Hieronder valt ook de overschakeling op biologische, biologisch dynamische en/of ecologische landbouw.

Vrijkomende agrarische bebouwing
Bij vrijkomende agrarische opstallen en bedrijfswoningen komt de vraag naar voren of daar gehele of gedeeltelijke functieverandering kan plaatsvinden. Bij het onderdeel plattelandsvernieuwing is reeds ingegaan op gedeeltelijke functieverandering.

Functieverandering kan zich ook voordoen bij al aanwezige niet-agrarische bebouwing, met dien verstande dat de nieuwe bestemming geen zwaardere belasting voor het gebied met zich mee mag brengen. Het uitgangspunt is dat op de vrijkomende bouwpercelen wordt ingezet op een combinatie van sloop en functieverandering. Dit wel op een zodanige manier dat hiervoor geen overheidsmiddelen hoeven te worden ingezet.

In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening is het beleid voor functieverandering primair gericht op het behalen van ruimtelijke kwaliteitswinst door ontstening van het landelijk gebied. Om dat budgetneutraal plaats te laten vinden, wordt sloop van voormalige bedrijfsbebouwing financieel gecompenseerd door het ter plaatse toestaan van (een) extra woonfunctie(s), dan wel een niet-agrarische bedrijfsfunctie. Bij algehele functieverandering kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan het onder voorwaarden toestaan van een tweede, extra woning in de voormalige boerderij door woningsplitsing, waarbij de deel wordt verbouwd tot woning.

Paardenbedrijven
Ten opzichte van een paar jaren geleden is duidelijk een toename van het aantal paarden waar te nemen. Waarschijnlijk zullen de maatschappelijke ontwikkelingen die ten grondslag liggen aan de toenemende populariteit van de paardensport nog meerdere jaren voortduren. Het is dan ook te verwachten dat de vraag naar de mogelijkheden voor het houden en berijden van paarden blijft toenemen. In de praktijk blijken vele mengvormen van bovenstaande soorten paardenbedrijven voor te komen.

Voor paardenbedrijven kan worden uitgegaan van de volgende driedeling:

Paardenfokkerij = agrarisch bedrijf
Een paardenfokkerij of -stoeterij wordt beschouwd als agrarische bedrijfsactiviteit. Deze bedrijven zijn productiegericht, met het fokken van paarden als hoofdactiviteit. Als zodanig horen deze dus zonder meer thuis in het buitengebied.

Paardenhouderij = niet-agrarisch bedrijf, maar wel met binding aan het buitengebied
Paardenhouderijen of -pensions zijn gericht op het stallen, houden, voederen, laten grazen of huisvesten, en eventueel ook opleiden of africhten, van paarden. De activiteiten zijn niet gericht op productie en er vinden geen specifieke fokactiviteiten plaats. In hun aard zijn het daarom geen agrarische bedrijven. Een paardenhouderij kan eventueel als semi-agrarisch bedrijf beschouwd worden, dat door het beweiden van de paarden met het buitengebied ook een duidelijke binding heeft. In die zin vormen paardenhouderijen een gepaste vorm van hergebruik van vrijkomende agrarische gebouwen.

Manege = recreatief bedrijf
Maneges hebben recreatieve doeleinden als hoofdactiviteit, met (beperkte) horeca-activiteiten (kantine) als nevenactiviteit en zijn te beschouwen als een recreatief bedrijf. Een groot accent ligt op het geven van paardrijlessen. Vaak wordt de manege door plaatselijke ruitersportverenigingen gebruikt. De activiteiten zijn voornamelijk gebruiksgericht. Specifieke faciliteiten bij een manege zijn een binnenmanege (met een binnenbak en faciliteiten, waaronder een kantine) en daarnaast een buitenbak (vaak met verlichting). De bereikbaarheid van de manege is van groot belang voor de paardenliefhebber. Daarom is extra aandacht geboden voor de verkeersaantrekkende werking, bereikbaarheid en de parkeercapaciteit.

Tweede bedrijfswoningen
De huidige moderne bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf maakt de realisatie van een nieuwe tweede bedrijfswoning steeds minder noodzakelijk. Ook wordt een terughoudend beleid met betrekking tot tweede bedrijfswoningen ingegeven door het feit, dat in het verleden tweede bedrijfswoningen vaak zijn afgesplitst van het bedrijf en daardoor feitelijk burgerwoningen zijn geworden. Bovendien is het in het kader van het provinciale structuurvisiebeleid, waarin ingezet wordt op een zorgvuldig ruimtegebruik en gestreefd wordt naar ontstening van het buitengebied, ongewenst in het buitengebied mogelijkheden te scheppen voor de nieuwbouw van onder meer agrarische bedrijfswoningen. Uitgangspunt is daarom nieuwe tweede bedrijfswoningen niet toe te staan.

Het kan echter zijn dat zich toch een geval aandient, waarbij sprake is van een zodanig toezicht dat het wonen van twee arbeidskrachten ter plaatse nodig is. Als dat zo is en het bedrijf aan twee volwaardige arbeidskrachten werkgelegenheid biedt, dan dient voor het realiseren van een extra bedrijfswoning een afzonderlijke bestemmingsplanherziening te worden opgesteld.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit landbouw

  • Het bestemmingsplan zal zoveel mogelijk de ruimte moeten bieden voor de noodzakelijke schaalvergroting van de landbouw, in de vorm van bebouwings- en gebruiksmogelijkheden. Dat wil zeggen: de bestaande bedrijven dienen voldoende ontwikkelingsmogelijkheden te verkrijgen om alle bedrijfseconomische en milieutechnische aanpassingen te kunnen verrichten. Een en ander hangt echter nauw samen met het planMER (zie ook paragraaf 4.1 Milieueffectrapportage). Daaruit is gebleken dat het niet mogelijk is om alle agrarische bouwpercelen met recht te kunnen laten uitbreiden, zonder dat dit significant negatieve gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Het bestemmingsplan zal daarom zoveel mogelijk ontwikkelingsruimte moeten bieden als nog haalbaar is volgens het PlanMER. Een worst-case berekening, die uitgaat van het maximaal opvullen van de ruimte die de planvoorschriften bieden tot 1,5 hectare, zonder dat de bestaande stallen worden aangepast, geeft aan dat de gebiedsemissie dan kan toenemen tot een veelvoud van de huidige gebiedsemissie;
  • In het plan dient de reconstructiezonering uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening met bijbehorende regeling ten aanzien van intensieve veehouderij te worden opgenomen en geïmplementeerd;
  • Ruimte bieden voor verdieping van de agrarische bedrijfsvoering is gewenst. Verdieping is het toevoegen van waarde aan het primaire product (bijvoorbeeld zelf kaas maken). Gedacht kan worden aan (gedeeltelijke) omschakeling van de agrarische bedrijfsvoering naar intensivering (specialisatie, ontmenging en/of schaalvergroting) of extensivering (biologisch-dynamische, biologische of ecologische landbouw);
  • Ook is het gewenst ruimte te bieden voor verbreding van de agrarische bedrijfsvoering met nevenfuncties als natuurbeheer, recreatie, zorglandbouw, verkoop van landbouwproducten, stalling van caravans en boten;
  • Met betrekking tot aan de landbouw verwante recreatie zijn twee ontwikkelingen het meest actueel: zowel het kamperen bij de boer als de verdere ontwikkeling van paardenhouderijen (onder andere mogelijkheden voor pensions, buitenbakken en ruiterroutes);
  • Ter bescherming van de landbouwkundige structuur is het ongewenst dat een verdergaande verdichting met burgerwoningen plaatsvindt. Soms is echter omschakeling van boerderij naar burgerwoning bij bedrijfsbeëindiging onvermijdelijk;
  • Realisatie van nieuwe tweede bedrijfswoningen wordt niet mogelijk gemaakt;
  • Hervestiging van agrarische bedrijven is mogelijk, maar alleen op de locaties waar nu reeds agrarische bedrijven gevestigd zijn.
2.2.6 Wonen

Als gevolg van te verwachten verdergaande beëindiging van agrarische bedrijven zal het aantal verzoeken voor het herbestemmen van de bedrijfswoningen tot burgerwoningen in de komende planperiode nog enigszins kunnen toenemen. Handhaving van de bestaande, legaal gebouwde burgerwoningen is voor de komende periode een algemeen uitgangspunt, mits de kwaliteit van deze woningen voldoende is en de ligging acceptabel. Van het principe om in het buitengebied geen nieuwe burgerwoningen toe te staan (zie Hoofdstuk 4), kan eventueel worden afgeweken in het geval van beëindiging van het agrarisch bedrijf en daarbij vrijkomende agrarische gebouwen. Er kan bijvoorbeeld gedacht kan worden aan het toestaan van een tweede woning in de vroegere boerderij, waarbij de deel wordt verbouwd tot woning.
Zo kan de karakteristieke bebouwing van het buitengebied in stand worden gehouden. De omliggende agrarische bedrijven mogen echter door deze nieuwe burgerwoningen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.

Plattelandswoning
Per 1 januari 2013 geldt de zogenoemde 'Wet plattelandswoningen'. Op basis hiervan is het mogelijk om bewoning van (voormalige) agrarische bedrijfswoningen door derden specifiek toe te staan, zonder dat dit leidt tot beperking van de uitbreidings- en exploitatiemogelijkheden van het bijbehorende (of voorheen bijbehorende) agrarische bedrijf. Opgemerkt wordt dat de milieugevolgen van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning ten opzichte van de omgeving gewoon in stand blijven, zoals dat ook het geval was toen de bedrijfswoning nog als zodanig in gebruik was.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit wonen

  • De bestaande, legaal gebouwde burgerwoningen dienen positief te worden bestemd in het bestemmingsplan, indien de kwaliteit en ligging dit rechtvaardigen;
  • Voor aldus geregelde burgerwoningen moet het plan voldoende uitbreidingsmogelijkheden bieden (tot 600 m³), daarbij inspelend op toekomstige behoeften. Voor de mogelijke bouw van specifiek bij het wonen behorende bijgebouwen, zoals een garage, geldt hetzelfde tot (50 m²) De woningen die groter dan 600 m³ zijn, worden als zodanig op de verbeelding aangeduid;
  • Gewenst is dat via het bestemmingsplan, in geval van beëindiging van het agrarisch bedrijf, mogelijkheden geboden worden voor herbestemming tot burgerwoning;
  • Het bestemmingsplan moet waarborgen dat nieuwbouw van bijgebouwen niet tot gevolg heeft, dat de bestaande oppervlakte aan bijgebouwen toeneemt. Het is gewenst dat in die gevallen een sanerende regeling wordt opgenomen ten aanzien van de voormalig agrarische bedrijfsbebouwing;
  • Het splitsen van voormalige boerderijen in twee zelfstandige wooneenheden, ten behoeve van het behoud van waardevolle en/of karakteristieke panden, dient via het bestemmingsplan onder voorwaarden mogelijk te zijn;
  • In het bestemmingsplan dienen mogelijkheden te worden geboden voor het gebruik van een agrarische bedrijfswoning als plattelandswoning.
2.2.7 Niet-agrarische bedrijven en instellingen

De bestaande bedrijven en instellingen, indien zij legaal aanwezig zijn, kunnen in de toekomst in beginsel gehandhaafd blijven om hun functie voort te zetten. Voor zover er van de bestaande bedrijven en instellingen concrete nieuwbouw- en/of uitbreidingsplannen vergund zijn, worden die bij de planvorming meegenomen. Nieuwe uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven en instellingen gelegen binnen de groene contour zijn, voor zover het niet uitbreidingen betreft van geringe omvang (in absolute zin), niet toegestaan indien deze de wezenlijke kenmerken en/of waarden van de EHS significant aantasten, tenzij er geen reële alternatieven zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang (het 'nee, tenzij'-regime). Er zijn geen niet-agrarische bedrijven en instellingen binnen, of aansluitend aan de groene contour aanwezig.

Bij vrijwel geen van de niet-agrarische functies is sprake van een onevenredige (milieu-)belasting voor de omgeving. Een urgent motief voor verplaatsing is bij deze bedrijven en instellingen dan ook niet aanwezig.

Daarnaast roepen toekomstige vrijkomende agrarische opstallen de vraag op naar hergebruik. Hiervoor dient in het bestemmingsplan een adequate regeling te worden opgenomen. Een keuze voor afbraak lijkt niet realistisch. Gelet op de staat van de gebouwen betekent dit bijna altijd een forse kapitaalsvernietiging, tenzij de Ruimte voor ruimte-regeling wordt toegepast.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit niet-agrarische bedrijven en instellingen

  • Bestaande bedrijven dienen hun bedrijfsvoering te kunnen voortzetten.
  • Voor zover er van de bestaande bedrijven en instellingen concrete nieuwbouw- en/of uitbreidingsplannen bekend zijn, dienen en worden die bij de planvorming meegenomen.
  • Voor bedrijven en instellingen dient het bestemmingsplan ruimte te bieden voor (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden, tenzij dit op andere aspecten op ruimtelijke problemen stuit.
2.2.8 Recreatie

Voor zowel de verblijfsrecreatieve als enkele dagrecreatieve terreinen wordt een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld, waarin ook eventuele ontwikkelingsmogelijkheden worden meegenomen. De solitaire recreatiewoningen zijn wel meegenomen in dit bestemmingsplan meegenomen, voor zover deze geen deel uitmaken van een verblijfsrecreatief terrein.

Er spelen geen grootschalige ontwikkelingen in het plangebied voor wat betreft de meegenomen recreatieve terreinen of verblijven.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit recreatie

  • In het bestemmingsplan worden geen verblijfsrecreatieve of dagrecreatieve terreinen opgenomen;
  • De solitaire recreatiewoningen dienen wel als zodanig te worden vastgelegd.
2.2.9 Infrastructuur

Er spelen geen grootschalige ontwikkelingen in het plangebied ten aanzien van infrastructuur. De verbreding van de rijksweg A12 heeft een eigen procedure gevolgd en de uitvoering daarvan is reeds in gang gezet. De A12 is daarom buiten het plangebied gehouden.

Van de genoemde kabels en leidingen zijn geen veranderingen of uitbreidingen bekend, die van belang zijn voor het bestemmingsplan. Een mogelijk toekomstige ontwikkeling is wel dat de aanwezige hoogspanningsleiding door een 380 kV-lijn vervangen zal worden. Dat zal leiden tot een indicatieve bebouwingsvrije zone van 110 m. Er is echter nog geen inzicht of in dat geval de hoogspanningsleiding het bestaande tracé blijft volgen. De ontwikkeling kan dus in principe ruimtelijke consequentie hebben, maar zijn nog te onzeker om hier in het bestemmingsplan rekening mee te houden.

Gevolgen voor visie en planopzet vanuit infrastructuur

  • De bestaande wegen dienen als zodanig in het bestemmingsplan te worden vastgelegd.
  • Het bestemmingsplan zal de ruimtelijke consequenties moeten regelen van de belemmerde stroken van aanwezige leidingen.
2.2.10 Milieu
2.2.10.1 Algemeen

De ODrU heeft een milieuonderzoek uitgevoerd ten behoeve van dit bestemmingsplan. Op basis van dit onderzoek is een milieuadvies door de ODrU geformuleerd, dat de basis vormt voor onderhavige milieuparagraaf (bijlage 1 Milieuadvies Omgevingsdienst Regio Utrecht en bijlage 2 Milieuadvies Omgevingsdienst Regio Utrecht bijlagen).

Nieuwe ontwikkelingen die in dit bestemmingsplan worden beschreven en later mogelijk zullen worden gemaakt via ruimtelijke procedures en projecten worden te zijner tijd beoordeeld op basis van de in het milieubeleidsplan vastgelegde gewenste milieukwaliteit. De vertaling van de gebiedsgerichte milieuambities uit het milieubeleidsplan naar de concrete situatie vindt plaats bij de uitwerking van ruimtelijke plannen in het gebied.

2.2.10.2 Bedrijven en milieuzonering

Het bestemmingsplan Driebergen is een conserverend plan, waarbij de huidige functies worden vastgelegd en er geen sprake is van nieuwe ontwikkelingen.

Bij het realiseren van nieuwe ontwikkelingen dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Ter plaatse van woningen moet een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en er moet rekening worden gehouden met de bedrijfsvoering van de bestaande bedrijven.

Gemotiveerd dient te worden of het plan het kader vormt voor een toekomstig besluit over een mer-(beoordelings)plichtige activiteit en of moet er voor het plan een passende beoordeling op grond van de Habitatrichtlijn / Natuurbeschermingswet moet worden gemaakt.

2.2.10.3 Bodem

Bij (her)ontwikkelingen binnen het gehele bestemmingsplangebied moet rekening worden gehouden met de beschreven bronnen van bodemverontreiniging. Voor de meest recente stand van zaken met betrekking tot bodemkwaliteit in het gehele bestemmingsplangebied wordt verwezen naar (het bodeminformatiesysteem van) de ODRU.

Omdat met het bestemmingsplan geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt is er geen aanleiding om locaties nader te onderzoeken. Het bestemmingsplan voorziet in een planologisch kader voor de komende tien jaar.

Situatie plangebied

Bij de Omgevingsdienst zijn in totaal 154 bodemonderzoeken bekend binnen het plangebied.

Wbb locaties

Een Wbb-locatie (Wet bodembescherming) is een locatie waar (vermoedelijk) sprake is, of was, van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De provincie Utrecht is in dergelijke gevallen bevoegd gezag. In het buitengebied Driebergen komen in totaal 35 Wbb-locaties voor.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0014.png"

Bodemkwaliteitskaart

Op 24 fenruari 2014 is de Regionale bodemkwaliteitskaart en de bijbehorende Nota bodembeheer vastgesteld. De bovengrond (tot 0,5 meter diepte) en ondergrond (0,5 tot 2,0 meter diepte) van het buitengebied Driebergen vallen volgens deze Regionale bodemkwaliteitskaart in de klasse 'landbouw/natuur'. Concreet betekent dit dat vrijkomende grond naar verwachting voldoet aan deze kwaliteitsklasse en als zodanig vrij toepasbaar is binnen de Regionale bodemkwaliteitskaart. Voor het toepassen van grond binnen het plangebied geldt dat de aan te brengen grond minimaal moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklassen van de ontvangende grond, in dit geval ook 'landbouw/natuur', voor zowel de boven- als ondergrond. Inonderstaande kaart is de toepassingskaart van de bovengrond weergegeven. De ontgravingskaart heeft exact dezelfde klasseindeling van de bodemkwaliteitskaart en is daarom niet weergegeven.

Eén perceel binnen het buitengebied is geclassificeerd als een (voormalig) boomgaardperceel. Op dit perceel wordt de bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,3 meter diepte als verdacht beschouwd door mogelijke bodemverontreiniging met OCB's. Binnen de boomgaardpercelen vindt doorgaans weinig of zeer kleinschalig grondverzet plaats, gerelateerd aan het onderhoud van de boomgaard. In deze gebieden wordt gestreefd naar een 'stand-still principe'. Indien toch grondverzet plaatsvindt op dit perceel, is hergebruik van deze grond mogelijk binnen de (voormalige) boomgaardpercelen indien de kwaliteit van de grond overeenkomt met de in de Nota vastgestelde Lokale Maximale Waarden.

De gemeente Utrechtse Heuvelrug is echter niet meegenomen in de inventarisatie van boomgaardpercelen binnen de Regionale bodemkwaliteitskaart. Nu blijkt één perceel binnen de grenzen van Utrechtse Heuvelrug (buitengebied Driebergen) te liggen. Dit betekent niet dat er niet meer (voormalige) boomgaarden binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug, en dus binnen het buitengebied Driebergen, vallen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0015.png"

Ondergrondse brandstoftanks

In het verleden zijn ondergrondse tanks gebruikt ten behoeve van de verwarming van de woningen middels opslag van huisbrandolie of andere brandstoffen. In bijlage 2 zijn de locaties weergegeven in het buitengebied waarvan informatie beschikbaar is over tanks bij particulieren. In totaal betreffen het 73 locaties met informatie over een huisbrandolietank (in enkele gevallen kan het een bovengrondse tank betreffen). De tanks bij bedrijven zijn voor dit deeladvies niet geïnventariseerd.

Historisch bodembestand (HBB)
De provincie Utrecht heeft in 2004 door ReGister historisch onderzoek uit laten voeren naar verdachte activiteiten zoals (voormalige) bedrijfsactiviteiten en ondergrondse brandstoftanks. Het onderzoek is op 14 april 2004 afgerond en heeft een digitaal bestand opgeleverd. Aan elke locatie met één of meerdere verdachte activiteiten is een dominante NSX-score gekoppeld. Een NSX-score wordt bepaald aan de hand van een UBI-code. De dominante NSX-score (hoogste score) wordt bepaald aan de hand van de dominante UBI-code (meest verdachte activiteit).

In het buitengebied komen in totaal 8 HBB-locaties voor met een NSX-score groter dan 300. Een score groter dan 300 wil zeggen dat sprake is van een potentieel geval van ernstige, en spoedeisende bodemverontreiniging. Alle HBB-locaties zijn weergegeven op de eerste kaart van deze paragraaf.

Gedempte sloten en stortplaatsen/ophogingen

In 2004 is in opdracht van de provincie Utrecht door ReGister/DHV een inventarisatie gemaakt van gedempte sloten en stortplaatsen/erfverhardingen. Uit deze inventarisatie blijkt dat vooral in het zuidelijk deel van het buitengebied slootdempingen voorkomen (in totaal 170 slootdempingen). Daarnaast komen in het buitengebied 4 dempingen/erfverhardingen voor. De kwaliteit/aard van het dempingsmateriaal van alle (sloot)dempingen is niet bekend bij de Omgevingsdienst. Daarom zijn deze (sloot)dempingen in beginsel verdacht op bodemverontreiniging.

De ligging van de (sloot)dempingen is indicatief weergegeven op de eerste kaart in deze paragraaf.

2.2.10.4 Geluid

Tussen de Wet ruimtelijke ordening en de Wet geluidhinder (Wgh) is een koppeling gelegd. Op grond van artikel 76, lid 1 van de Wgh dienen bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan grenswaarden in acht te worden genomen. De Wgh stelt dus voorwaarden aan nieuwe ontwikkelingen.

Volgens artikel 76, lid 3 geldt deze verplichting niet voor bestaande situaties: situaties waarin op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan, de wegen en geluidsgevoelige objecten (gebouwen en terreinen) aanwezig zijn.

Omdat het voorliggende bestemmingsplan conserverend van aard is geldt dus dat er geen toetsing aan de grenswaarden uit de Wgh hoeft plaats te vinden. In deze paragraaf is de bestaande situatie voor het aspect geluid in beeld gebracht.

Wel moet rekening gehouden worden met de invloed op stiltegebieden bij het toestaan van toekomstige ontwikkelingen.

Situatie plangebied

De Omgevingsdienst heeft de indicatieve geluidbelasting voor het jaar 2025 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu, versie 2.30.

Op de geluidscontourenkaarten voor wegverkeerslawaai is te zien dat de A12 en provinciale wegen en voor spoorweglawaai het geluidsniveau in het buitengebied Driebergen voor het grootste deel bepalen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0016.jpg"

Het gezoneerde industrieterrein Skelterbaan De Woerd bevindt zich in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0017.jpg"

In en nabij het plangebied van buitengebied Driebergen is het de stiltegebied Beverweerd-Rijsenburg gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0018.jpg"

2.2.10.5 Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit heeft betrekking op de concentraties stikstofdioxide en fijn stof afkomstig van het wegverkeer. De invloed op de luchtkwaliteit van bedrijven is onderdeel van bedrijven en milieuzonering.

De Omgevingsdienst heeft de concentraties stikstofdioxide en fijn stof voor het jaar 2013 berekend met het rekenmodel GeoMilieu, versie 2.30. In dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0019.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0020.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0021.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0022.jpg"

Uit bovenstaandede figuren is af te leiden dat de concentratie stikstofdioxide en fijn stof zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 bevinden.

De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen. De concentraties in het plangebied overschrijden nergens de grens van 60 microgram per m3, wat betekent dat voor het hele plangebied aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan voor zowel het peiljaar 2013 als 2025.

Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof is er ook een daggemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 van kracht, die per jaar 35 keer mag worden overschreden. Uit statistische vergelijkingen van TNO en het RIVM blijkt dat deze grenswaarde bij een concentratie van 31,3 microgram per m3 vaker dan 35 keer wordt overschreden. Aangezien de concentratie fijn stof in het plangebied niet boven de 31,3 microgram per m3 uitkomt, wordt aan deze daggemiddelde grenswaarde voldaan voor zowel het peiljaar 2013 als 2025.

2.2.10.6 Externe veiligheid

Hieronder zijn achtereenvolgens de externe veiligheidsbronnen, hoogspanningslijnen en zendmasten in kaart gebracht. Onderstaande uitsnede van de professionele risicokaart toont de omgeving van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0023.png"

Stationaire bronnen

Binnen het plangebied zijn twee stationaire bronnen aanwezig.

Het betreft propaantanks bij de adressen Sterkenburgerlaan 4 en Traay 301. In beide gevallen ligt de contour voor het plaatsgebonden risico binnen de inrichting en vormt dus geen belemmering voor de omgeving. Er is in beide gevallen geen sprake van een groepsrisico.

Er zijn in de directe omgeving van het plangebied geen stationaire bronnen waarvan de effecten het plangebied kunnen beïnvloeden.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Door het noordelijke deel van het plangebied loopt de rijksweg A12, die onderdeel is van het landelijke Basisnet Weg voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Er geldt geen contour voor het plaatsgebonden risico. Langs het betreffende gedeelte van de A12 geldt een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dat is een zone van 30 meter, gerekend vanaf de rechterrand van de rechterrijstrook. Binnen het PAG geldt voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht bij besluiten om binnen het PAG gebouwen op te richten. Het groepsrisico van de A12 is lager dan 10% van de oriëntatiewaarde.

Langs de zuidwestzijde van het plangebied loopt de provinciale weg N229. Deze weg is in de gemeentelijke routeringsbesluiten van de gemeenten Bunnik, respectievelijk Wijk bij Duurstede aangewezen als route waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen zonder ontheffing is toegestaan. Vanwege enerzijds de beperkte vervoersfrequentie over deze weg en anderzijds de afstand van de weg tot de grens van het plangebied hoeft geen rekening gehouden te worden met risicoeffecten van dit vervoer.

Buisleidingen

Door het plangebied loopt een aardgasleiding. Het betreft de leiding A-510 die tot het landelijke hoofdtransportnet behoort. De leiding heeft een werkdruk van maximaal 66 bar. Langs meerdere gedeelten van de leiding liggen contouren voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar.

Uit eerder risico-onderzoek van deze leiding is gebleken dat de PR-contour van het leidingdeel ten zuidwesten van de bebouwde kom van Driebergen niet tot een belemmering leidt. Langs dat leidingdeel is het groepsrisico van verwaarloosbare omvang en daarom ook geen belemmering.

Meer naar het noordoosten veroorzaakt de PR-contour langs de Hydeparklaan een saneringssituatie.

Het betreft een bestaande situatie waarop conform de voorschriften van het op 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen voor de leidingbeheerder de plicht rust om binnen 3 jaren het knelpunt te saneren. Namens de gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft de Omgevingsdienst dit saneringsknelpunt in 2011 bij de Gasunie gemeld. Strikt genomen is de einddatum van 1 januari 2014 inmiddels verstreken. Op dit moment is echter nog geen informatie van de Gasunie verkregen die bevestigt dat deze sanering daadwerkelijk is uitgevoerd. Het groepsrisico van de aardgasleiding ter hoogte van de Hydeparklaan is lager dan de oriëntatiewaarde. Naar verwachting zal dat groepsrisico als neveneffect van de sanering van het plaatsgebonden risico nog lager worden.

Langs de noordzijde van de A12 ligt een door Defensie beheerde kerosineleiding met een werkdruk van 80 bar. Langs deze leiding geldt geen contour voor het plaatsgebonden risico. Voor deze leiding is het groepsrisico, gezien de geringe bevolkingsdichtheid langs de leiding, naar verwachting van verwaarloosbare omvang.

Elektromagnetische straling

Hoogspanningslijnen

Een deel van het plangebied wordt doorkruist door een 150 kVolt-hoogspanningslijn. In onderstaande afbeelding is de hoogspanningslijn weergegeven. Langs deze lijn moet een indicatieve veiligheidszone van 80 meter aan weerszijden in acht genomen worden, waarbinnen beperkingen gelden voor het oprichten van gevoelige objecten zoals woningen. Deze beperking geldt alleen voor nieuwe situaties, voor bestaande situaties geldt de beperking niet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0024.png"

Zendmasten

Onderstaande kaart toont een uitsnede van de kaart van het Antenneregister met de ligging van zendmasten in en nabij het plangebied.

Volgens de gegevens op www.antenneregister.nl zijn er in of nabij het plangebied geen zendmasten aanwezig die kunnen leiden tot een overschrijding van de stralingsnormen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0025.png"

Voor externe veiligheid is er geen sprake van knelpunten of aandachtspunten van het plaatsgebonden risico of van het groepsrisico die tot belemmeringen kunnen leiden. Een uitzondering vormt het plaatsgebonden risico van de aardgasleiding ter hoogte van de Hydeparklaan, maar daarop rust al een wettelijke saneringsplicht door de leidingbeheerder. Navraag bij de Gasunie in september 2014 heeft uitgewezen dat maatregelen zijn getroffen in gebieden waar de knelpunten het grootst waren (nabij de Hydeparklaan). Daarmee is ook hier niet langer sprake van een knelpunt die tot belemmeringen kan leiden.

Ook voor het aspect elektromagnetische straling is geen sprake van belemmerende knel- of aandachtspunten.

2.2.10.7 Duurzaamheid

Middels de website www.energieinbeeld.nl heeft de gemeente toegang en inzicht in het gemiddelde energieverbruik van aardgas en elektriciteit, zowel voor woningen als bedrijven. De situatie in 2013 is hierbij inzichtelijk gemaakt per postcode gebied.

Om een invulling te geven aan de ambitie van de gemeente om in 2035 klimaatneutraal te zijn, dienen de huidige verbruiken teruggebracht te zijn tot gemiddeld 0 verbruik.

Voor nieuwe ontwikkelingen zijn er volop kansen om het gebied te verduurzamen. Voor een hoger duurzaamheidsniveau worden voor de ontwerpfase afspraken gemaakt tussen de architect/ontwikkelaar en gemeente Utrechtse Heuvelrug over hoe de gevraagde GPR gebouw®-scores kunnen worden bereikt. Bij de aanvraag voor Omgevingsvergunning levert de bouwende partij een GPR Gebouw berekening in die door de gemeente Utrechtse Heuvelrug en de Omgevingsdienst regio Utrecht wordt beoordeeld.

Duurzaam bouwen omvat verschillende aspecten op zowel het stedenbouwkundige als het bouwkundige vlak. Daarnaast zijn niet alle te nemen maatregelen volledig meetbaar en is afhankelijk van het gebied en de samenhang welke mogelijkheden haalbaar zijn. Lang niet alle duurzaam bouwen maatregelen kosten geld, veel maatregelen vergen een investering die zich in de toekomst terugverdient door een besparing op energiekosten. Sommige maatregelen, zoals zongericht verkavelen kosten niks extra. Door vroegtijdig na te denken over het ontwerp en mogelijke energiebesparende maatregelen, kunnen meer 'gratis' maatregelen toegepast worden.

Naast energiezuinig bouwen, biedt voor het buitengebied, vooral het gebruik van zonnestroompanelen (PV) en het gebruik van biomassa mogelijk kansen.

Voor de realisatie van duurzame energiesystemen, is behalve de keuze voor een technische oplossing ook de mogelijke financiering van belang. De Omgevingsdienst kan vanaf de inventarisatiefase van het bestemmingsplan ondersteuning bieden met kennis en onderzoek naar de mogelijkheden.

Hoofdstuk 3 Algemeen ruimtelijk beleidskader

3.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van het ruimtelijke relevante beleid voor het voorliggende bestemmingsplan op nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Het vastgelegde beleid vormt het kader voor het gemeentelijke beleid in dit bestemmingsplan en geeft de bandbreedte weer waarbinnen de gemeentelijke gebiedsvisie ontwikkeld kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0026.png"

Afbeelding - Beleidskaart

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012)

Per 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Een van de centrale uitgangspunten is de scheiding tussen beleid en normstelling. Het beleid wordt in eerste aanzet vormgegeven in een structuurvisie en is juridisch alleen nog bindend voor de rijksoverheid. Naast integraal planologisch beleid, kunnen bij Algemene Maatregel van Bestuur regels worden gesteld omtrent onder andere bestemmingsplannen. De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau, in die zin dat respectievelijk provinciale inpassingsplannen en gemeentelijke bestemmingsplannen daarop moeten worden afgestemd.

De kaders van het nieuwe rijksbeleid zijn opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) die op 13 maart 2012 door de Minister van I&M is vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt de Nota Ruimte en heeft als credo "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig". In de SVIR zijn 13 nationale belangen gedefinieerd, waaronder het versterken van de mainportfuncties en het verbeteren van de rijksinfrastructuur, het behoud van erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora en fauna.

De belangrijkste nationale belangen die gevolgen hebben voor dit bestemmingsplan zijn als volgt geformuleerd:

  • Efficiënt gebruik van de ondergrond
    In de ondergrond moet onder andere rekening gehouden worden met archeologie, ondergrondse rijksinfrastructuur (tunnels en buisleidingen) en de bescherming van de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit;
  • Verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's
    Het rijk en de waterschappen beschermen en verbeteren de waterkwaliteit door het treffen van fysieke maatregelen, het uitgeven van vergunningen en handhaving. Luchtkwaliteit, geluidsoverlast, wateroverlast, waterkwaliteit, bodemkwaliteit en het transport van gevaarlijke stoffen kennen een grote samenhang met de andere nationale belangen. Om toekomstige kosten en maatschappelijke schade te voorkomen, moeten bij ruimtelijke en infrastructurele ontwikkelingen de milieueffecten worden afgewogen;
  • Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling
    Het rijk beschermt de primaire waterkeringen (dijken, dammen, kunstwerken en duinen) die in beheer zijn bij het rijk evenals het kustfundament. Ook stelt het rijk de normen voor de primaire waterkeringen, ook die in beheer bij waterschappen;
  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten
    Landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten geven identiteit aan een gebied. Bovendien zijn culturele voorzieningen en cultureel erfgoed van groeiend belang voor de concurrentiekracht van Nederland. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed, kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap laat het rijk over aan de provincies;
  • Ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten
    De natuur in de EHS blijft goed beschermd met een 'nee, tenzij'-regime. Binnen de EHS zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken. De flexibiliteit in begrenzing en de mogelijkheden om ontwikkelingen toe te staan, die in het beleidskader Spelregels EHS zijn uitgewerkt, blijven overeind;
  • Zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten
    Het rijk is verantwoordelijk voor een goed systeem van ruimtelijke ordening inclusief zorgvuldige, transparante ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dat betekent dat het systeem zo ingericht moet zijn dat integrale planvorming en besluitvorming op elk schaalniveau mogelijk is en dat bestaande en toekomstige belangen goed kunnen worden afgewogen. Gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde zijn hier onderdeel van. Het gaat dan zowel om belangen die conflicteren als belangen die elkaar versterken. Bij nieuwe ontwikkelingen, aanleg en herstructurering moet in elk geval aandacht zijn voor de gevolgen voor de waterhuishouding, het milieu en het cultureel erfgoed.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De hiervoor genoemde nationale belangen moeten, voor zover mogelijk, een doorvertaling krijgen in dit bestemmingsplan. Dat betekent dat er onder andere regelingen in dit bestemmingsplan moeten worden opgenomen ten aanzien van de omgang met archeologie, cultuurhistorie, buisleidingen, milieu en de Ecologische Hoofdstructuur.
3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)

Kern van de nieuwe Wro is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vóóraf kenbaar maken en aangeven langs welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het rijk en provincies bemoeien zich voortaan uitsluitend met wat daadwerkelijk van nationaal respectievelijk van provinciaal belang is. Ook moeten rijk en provincies duidelijk maken of de borging van een belang gevolgen heeft voor ruimtelijke besluitvorming door provincies en gemeenten.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel de AMvB Ruimte genoemd, is op 22 augustus 2011 vastgesteld en heeft als doel om vanuit een concreet nationaal belang een goede ruimtelijke ordening te bevorderen. De AMvB is het inhoudelijke beleidskader van het rijk waaraan bestemmingsplannen van gemeenten moeten voldoen. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

De algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. De AMvB Ruimte is een algemene maatregel van bestuur (AMvB) zoals bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Niet alle nationale ruimtelijke belangen staan in de AMvB Ruimte. Het besluit bevat alleen die nationale ruimtelijke belangen, die via het stellen van regels aan de inhoud of toelichting van bestemmingsplannen (of daarmee vergelijkbare besluiten) beschermd kunnen worden.

Voor het bestemmingsplan is van belang dat de volgende onderwerpen uit de AMvB Ruimte een doorvertaling krijgen in het bestemmingsplan:

  • Bundeling van verstedelijking en economische activiteiten: regime voor nieuwbouw in het buitengebied;
  • Ecologische Hoofdstructuur (EHS): basisbescherming van bruto begrensde gebieden, netto begrenzing van de beschermde gebieden en het 'nee, tenzij'-regime (inclusief mitigeren, compenseren, salderen en herbegrenzen);
  • Nationale Landschappen: begrenzing en het 'ja, mits'-regime (kernkwaliteiten, migratiesaldo nul, ruimte voor aanwezige bedrijvigheid en tegengaan grootschalige verstedelijking).

Met ingang van 1 oktober 2012 geldt op grond van het Besluit algemene regels omgevingsrecht een instructie ten aanzien van de wijze van bestemmen van de waterkering (kernzone) en de bijbehorende beschermingszone. Voor de beschermingszone geldt dat zowel de binnenbeschermingszone als de buitenbeschermingszone moeten worden opgenomen.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Bij het opstellen van het bestemmingsplan moeten de algemene regels uit de AMvB Ruimte in acht worden genomen.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 (2012)

In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 (PRS) heeft de provincie Utrecht haar ruimtelijke beleid vastgelegd voor de komende 15 jaar. De PRS is op 11 december 2012 vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Utrecht. Op 4 februari 2013 is de PRS vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. Op 10 maart 2014 is de partiele herziening van de PRS vastgesteld.

De rode draad van de PRS is het behoud van het evenwicht tussen mens, milieu en markt. Daarbij gaat het om deze drie samen en in samenhang. De sterkte van de regio wordt immers bepaald door de zwakste schakel. In Utrecht moet er ruimte zijn voor:

  • voldoende en divers woningaanbod en een goed voorzieningenniveau, met inbegrip van het culturele aanbod;
  • bereikbaarheid;
  • een concurrerend vestigingsmilieu voor de kennis- en creatieve bedrijven;
  • aantrekkelijke en beleefbare natuur en landschappen;
  • een leefomgeving die duurzaam is en anticipeert op klimaatverandering.

Bij het concretiseren van het ruimtelijk beleid binnen deze hoofdlijnen worden twee prioritaire keuzes gemaakt:

  • inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling;
  • versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied.

Vanuit de hoofdlijnen en prioritaire keuzes komt de provincie op drie pijlers voor de ruimtelijke ontwikkeling:

  • een duurzame leefomgeving;
  • vitale dorpen en steden;
  • landelijk gebied met kwaliteit.

Deze pijlers voor de ontwikkeling dragen bij aan de aantrekkelijkheid, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit van de provincie.

Een duurzame leefomgeving
De provincie stimuleert het gebruik van alle duurzame energiebronnen: windenergie, biomassa, (diepe) geothermie, wartme-koudeopslag, zonne-energie, waterkracht en het benutten van restwartme. Voor windenergie en biomassa zijn ruimtelijke kaders opgesteld. Hierbij is het uitgangspunt dat, vanwege de ruimtelijke impact van windturbines, de voorkeur uitgaat naar andere vormen van duurzame energie. De ruimtelijke impact van biomassaverbrandingsinstallaties en mestvergisters voor eigen gebruik is minimaal en deze kunnen daarom in principe overal gerealiseerd worden, mits ze aan de omgevingsvergunning voldoen. Grotere installaties of vergisters vereisen een nadere locatiekeuze of worden geheel geweerd vanwege de ruimtelijke impact op het landelijk gebied.

Landelijk gebied met kwaliteit
De aantrekkelijkheid van het landschap wordt in belangrijke mate bepaald door de kernkwaliteiten. De door de provincie voorgestane ontwikkeling richt zich op behoud en versterking van de kernkwaliteiten. Deze sluiten vaak aan bij de cultuurhistorie van het landschap. De provincie wil de cultuurhistorische kwaliteiten van vooral de landgoederen en buitenplaatsen, het militaire erfgoed en het agrarisch cultuurlandschap behouden, versterken en beleefbaar maken.

Voor de ontwikkeling van een economisch vitale landbouw wordt ruimte geboden, ook vanwege de rol die de landbouw heeft bij het in stand kunnen houden van het aantrekkelijke agrarische cultuurlandschap. Goede productieomstandigheden en innovatiekracht geven de landbouw het noodzakelijke blijvend economisch perspectief. Ook professionalisering van de landbouwverbreding, zoals door zorg-, en recreatief en toeristisch aanbod, natuurbeheer, het leveren van streekproducten en de productie van duurzame energie (waaronder het benutten van reststromen en productie van groene grondstoffen) dragen bij aan dit perspectief.

De PRS heeft de ruimtelijke randvoorwaarden voor het reconstructiegebied uit het Reconstructieplan overgenomen. Bij vaststelling van de PRS is daarom het Reconstructieplan zelf buiten werking gesteld. Het volgende is geregeld:

  • de reconstructiezonering. In het Reconstructieplan is het reconstructiegebied ingedeeld in verwevings- en extensiveringsgebied.
  • ontwikkelingsmogelijkheden voor intensieve veehouderijbedrijven in de verschillende gebieden. Hiervoor heeft de provincie beleid voor maximale omvang van bouwpercelen. Op het bouwperceel van niet-grondgebonden veehouderij is voor bedrijfsgebouwen maximaal één bouwlaag mogelijk. Dit geldt voor het gehele landelijk gebied van de provincie Utrecht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0027.png"

Biodiversiteit en beleefbare natuur dragen bij aan het aantrekkelijke vestigingsklimaat van de provincie. Daarom wil de provincie inzetten op het verder ontwikkelen van een vitaal en samenhangend stelsel van natuurgebieden. Verbetering van de wisselwerking tussen het bodem- en watersysteem, de natuur en het menselijk handelen, moet een kwaliteitsverbetering van de natuur opleveren.

Voor de kwaliteit van de natuur is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) van belang. Enerzijds spant de provincie zich in om de bestaande natuur te beheren en waar mogelijk te verbeteren. Anderzijds spant ze zich in voor de realisatie van nieuwe natuur. Hiertoe is samen met maatschappelijke organisaties het Akkoord van Utrecht (9 juni 2011) opgesteld. Dit akkoord is een belangrijke pijler van het natuurbeleid en voor de uitvoering ervan. De ruimtelijke aspecten van het akkoord zijn verankerd in de PRS.

In overeenstemming met het akkoord wordt ingezet op de realisatie van circa 1.500 ha natuur. Het akkoord voorziet ook in een groene contour (3.000 ha): de EHS kan hier door andere partijen op vrijwillige basis worden gerealiseerd, door de inzet van aanvullende arrangementen. Zolang de EHS hier nog niet is gerealiseerd biedt de provincie ruimte om het bestaande gebruik voort te zetten, maar worden grootschalige ontwikkelingen die het realiseren van de EHS onmogelijk maken voorkomen.

Zowel vanwege de toenemende vraag naar recreatie als het hebben van een tegenhanger van de toenemende verdichting in de dorpen en steden, zijn ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijetijdsbesteding gewenst. De provincie wil samen met andere partijen voorzien in de toegenomen behoefte aan recreatiemogelijkheden op korte afstand van de woonomgeving. De eenheid tussen stad en ommelanden moet worden versterkt. De ontwikkeling van herkenbare en beleefbare cultuurhistorie draagt ook bij aan het voorzien in de recreatiebehoefte, evenals de mogelijkheid tot het ervaren van rust en stilte.

Visiekaart
Voor het landelijk gebied worden op de visiekaart ontwikkelingen onderscheiden per deelgebied. Hierna worden de ontwikkelingen beschreven voor de deelgebieden die op dit bestemmingsplan van toepassing zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0028.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0029.png"

Afbeelding - Uitsnede Visiekaart Structuurvisie

  • Heuvelrug en Vinkeveenseplassen
    Natuur en recreatie zijn bij elkaar gebaat. Maar een te grote druk van de recreatie leidt tot verliezen voor de natuur. Andersom krijgen exploitanten van recreatieterreinen te weinig kans om de voor hun economisch perspectief noodzakelijke kwalitatieve verbeteringsslagen te maken. Het feit dat hun terreinen in de Ecologische Hoofdstructuur liggen vormt vaak een blokkade. Daarom zoekt de provincie in haar beleid een nieuw evenwicht tussen beide functies, vooral door het onderscheid te bevorderen tussen rustige en meer intensief gebruikte zones. Ook wordt ruimte geboden voor ontwikkeling om de waarden van de landgoederen binnen de Stichtse Lustwarande in stand te houden.
  • Langbroek en oostrand Noorderpark
    De belangrijkste opgave hier is het vinden van een goede balans tussen de vier functies landbouw, natuur, cultuurhistorie en recreatie. Extra aandacht is nodig voor de economische draagkracht van de landgoederen. Ook daarbij is het zoeken naar de balans, zeker bij landgoederen die in de Ecologische Hoofdstructuur liggen. Er wordt vooral gekoerst op het beter benutten van de recreatieve potenties van de landgoederen. Voorwaarde voor het bieden van extra planologische ruimte is dat die potenties worden versterkt, net als de cultuurhistorische en groene kwaliteiten van het gebied.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De doorwerking van de PRS wordt verzorgd door de Provinciale Ruimtelijke Verordening (zie hierna). Daarin staan de regels waar de gemeenten zich bij het maken van bestemmingsplannen aan moeten houden.

3.3.1.1 Leidraad Behoud door Ontwikkeling op Historische Buitenplaatsen

Het behoud van het cultuurhistorisch landschap is voor de provincie belangrijk. En niet alleen vanuit cultuurhistorisch oogpunt: op veel buitenplaatsen vind je bijvoorbeeld veel natuur of kan je mooi wandelen. Maar door groeiende kosten en teruglopende subsidies komt het duurzaam behoud van veel buitenplaatsen in de knel. De provincie geeft in haar beleid ruimte om ontwikkelingen mogelijk te maken. Hiervoor is in de provinciale ruimtelijke structuurvisie en verordening vastgesteld dat buitenplaatsen die in de zogenaamde buitenplaatsenzone liggen meer mogelijkheden krijgen voor ontwikkelingen, mits deze bijdragen aan het duurzaam behouden van cultuurhistorische waarden.

In de leidraad Behoud door ontwikkeling op historische buitenplaatsen is uitgewerkt hoe gemeenten en eigenaren kunnen omgaan met ontwikkelingsmogelijkheden. Het is belangrijk dat nieuwe ontwikkelingen significant én duurzaam bijdragen aan het terugdringen van de tekorten op de exploitatie van de buitenplaats. Maar voordat er nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moeten eerst alle andere mogelijkheden om de exploitatie in evenwicht te brengen onderzocht zijn. Dit systeem heet de Buitenplaatsen-ladder en heeft de volgende treden: benut alle mogelijkheden om te besparen, benut alle mogelijkheden voor subsidies en benut bestaande gebouwen om nieuwe functies in te ontwikkelen. Pas daarna komen nieuwe rode ontwikkelingen in beeld.

In de leidraad is ook een instrument opgenomen om de waardestelling van een buitenplaats te ontrafelen. Het is een matrix waarin enerzijds alle (mogelijke) onderdelen van de buitenplaats staan en anderzijds alle (mogelijke) maatschappelijke belangen. Duidelijkheid over de maatschappelijke waarde draagt bij aan het draagvlak voor ontwikkelingen.

3.3.1.2 Handreiking nieuwe functies op vrijkomende agrarische bedrijfspercelen

Door de schaalvergroting in de landbouw verliezen veel landbouwbedrijven hun agrarische functie. De bedrijfswoning houdt dan vaak een woonfunctie. Het ruimtelijk beleid van de provincie biedt ruimte voor nieuwe functies voor de andere bedrijfsgebouwen. Dat vraagt doorgaans wel een tegenprestatie, zoals sloop van een deel van de bebouwing: voor wat hoort wat. Ook andere vormen van kwaliteitswinst zijn mogelijk. In de handreiking is uitgewerkt hoe gemeenten en eigenaren kunnen omgaan met ontwikkleingsmogelijlkheden.

3.3.1.3 Nota De Utrechtse Buitenplaatsbiotopen

De provincie wil haar waardevolle historische buitenplaatsen voor de toekomst behouden en versterken. In de Ruimtelijke Structuurvisie heeft Utrecht negen buitenplaatszones benoemd:

  • Stichtse Lustwarande
  • Langbroekerwetering
  • Amelisweerden
  • Valleilandgoederen
  • Amersfoortseweg
  • Laagte van Pijnenburg
  • Vecht
  • Kasteel de Haar
  • Landgoed Linschoten


Als handreiking voor eigenaren, gemeenten en adviseurs is het instrument "Nota De Utrechtse Buitenplaatsbiotoop"ontwikkeld: een informatiebestand van ruimtelijke kenmerken van de buitenplaatszones én van de afzonderlijke buitenplaatsen binnen die zones. Met deze informatie biedt de provincie een kennisbron en inspiratie-instrument ter behoud en verbetering van de cultuurhistorische kwaliteiten van onze buitenplaatsen.

3.3.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 - 2028 (2013)

In de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2012 (PRV) heeft de provincie Utrecht haar ruimtelijke vastgelegd voor de komende 15 jaar. De PRV is net als de PRS op 11 december 2012 vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Utrecht. Op 4 februari 2013 is de PRV eveneens vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. Op 10 maart 2014 is de partiele herziening van de PRV vastgesteld. Voor het plangebied zijn de hierna volgende onderwerpen van belang.


Infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug
Het plangebied maakt voor een deel uit van het infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug. Met het oog op de waterwinningen voor drinkwater en de kwelstromen naar omliggende natuurgebieden beschermt de provincie de grondwaterkwaliteit in het infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug. Uitgangspunt is dat aan nieuwe functies binnen dit gebied een integrale afweging ten grondslag ligt en maatregelen zijn genomen om emissie naar het grondwater te voorkomen.

Beschermingszone drinkwaterwinning

Behoud van de kwaliteit van het drinkwater is essentieel. Voor de afweging is het van belang, dat met het waterwinbelang in voldoende mate rekening is gehouden. Toegelicht moet worden tot welke keuzes de afweging heeft geleid.

Biomassalocatie

Voor het plangebied is bepaald dat een bestemmingsplan ruimte kan bieden voor mestvergisting en andere vormen van be- en verwerking van biomassa die passen bij de agrarische bedrijfsvoering en bij activiteiten in het landelijk gebied, zoals groenbeheer.

Cultuurhistorische hoofdstructuur
Er zijn twee zones uit de Cultuurhistorische hoofdstructuur van toepassing op (delen van) het plangebied. Het betreft de zones "Historische buitenplaatszone" en "Archeologie".

In de Historische buitenplaatszone is behoud door ontwikkeling het uitgangspunt. Er is ruimte voor ontwikkelingen gericht op het creëren van economische kostendragers indien deze bijdragen aan het herstel en versterking van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone. Hierbij kan gedacht worden aan kleinschalige stedelijke (of stedelijk gelieerde) functies c.q. bebouwing. De cultuurhistorische waarde van de historische buitenplaatszone ligt met name in:

  • de samenhang van parkstructuren, hoofdhuizen en bijgebouwen;
  • de zichtrelaties tussen buitenplaatsen en de directe omgeving;
  • de kenmerken van de buitenplaatszone in relatie tot het onderliggende landschap;

Bij het behouden van archeologische waarden in de zone Archeologie gaat het om regels die aantasting van archeologisch erfgoed voorkomen of tot het uiterste beperken. Behoud in situ (in de bodem) is het uitgangspunt. Bij het versterken van de archeologische waarden gaat het om archeologie als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen, met name:

  • de samenhang tussen verschillende archeologische structuren en elementen;
  • de relatie tussen archeologische structuren en elementen en het landschap;
  • de lineaire structuur van de Limes.


Landelijk gebied
Het beleid van het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost heeft een doorvertaling gekregen in de PRV (voor het Utrechtse deel).

In het gehele landelijk gebied moet een ongebreidelde uitwaaiering van stedelijke functies worden voorkomen. Binnen deze context zijn nieuwe vormen van verstening alleen onder specifieke voorwaarden toelaatbaar, zoals bijvoorbeeld de Ruimte voor ruimte-regeling bij vrijkomende agrarische bebouwing.

De maximale inhoudsmaat van woningen moet landschappelijk goed inpasbaar zijn. Hierbij moet gedacht worden aan 600 tot 800 m3. Onder woningen worden zowel burgerwoningen als ook bedrijfswoningen verstaan.

Een perceel dat bestemd is voor een specifiek niet-agrarisch bedrijf kan een andere niet-agrarische bedrijfsbestemming krijgen. Voorwaarde daarbij is dat er geen toename is van milieuhinder, onevenredige verkeerstoename of verstoring van het landschap. Voor bestaande niet-agrarische bedrijven is een uitbreidingsmogelijkheid van 20% in het algemeen toereikend. Van een economische noodzaak is sprake als aangetoond wordt dat de uitbreiding nodig is voor de continuïteit voor het bedrijf.

Bij algehele beëindiging of bedrijfsverplaatsing van agrarische bedrijven kan het agrarisch bouwperceel een andere functie krijgen. Wanneer het bouwperceel optimaal gesitueerd en uitgerust is voor de grondgebonden landbouw, dan blijft dat perceel in principe behouden voor de agrarische sector. Hierbij moet met name worden gedacht aan boerderijen die in het kader van de ruilverkaveling zijn gerealiseerd. De agrarische gronden komen bij voorkeur beschikbaar voor de omliggende agrarische bedrijven. Het beschikbaar blijven voor de landbouw is geen aspect dat kan meewegen voor extra ruimtelijke kwaliteit.
Functiewijziging naar andere bedrijfsmatige functies is mogelijk na bedrijfsbeëindiging of -verplaatsing. De hoofdregel daarbij is dan ten minste 50% van de overige bedrijfsgebouwen wordt gesloopt.

Bij algehele beëindiging of bedrijfsverplaatsing van agrarische bedrijven kan ook gebruik worden gemaakt van de Ruimte voor ruimte-regeling, waarmee de bouw van een nieuwe woning of woningen is toegestaan indien bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Doel van de "sloopeis" is niet alleen het verminderen van de bebouwing in het landelijk gebied maar ook het voorkomen dat bebouwing achterblijft die ruimtelijk ongewenst gebruik uitlokt. Een uitzondering op die sloopverplichting is er voor de deel van een voormalige boerderij die zich immers onder een kap met de voormalige bedrijfswoning bevindt. Ook waardevolle historische bebouwing wordt behouden. Behoud van een kleinere schuur in plaats van nieuw op te richten bebouwing is ook mogelijk.

Sloopeis:

  • sloop van 1000 m2 tot 2500 m2 aan bedrijfsbebouwing: bouw van een woning is toegestaan;
  • sloop van 2500 m2 tot 4000 m2 aan bedrijfsbebouwing: bouw van twee woningen is toegestaan;
  • sloop van 4000 m2 of meer aan bedrijfsbebouwing: bouw van drie woningen is toegestaan.
  • Voor kassen geldt dat als 5000 m2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, dan kan er een woning worden gebouwd.

Afwijking van de genoemde maatvoering is mogelijk als dat leidt tot meer ruimtelijke kwaliteit. Hierbij kan worden gedacht aan:

  • herstel van landschapselementen;
  • versterking van de cultuurhistorische hoofdstructuur (agrarisch cultuurlandschap);
  • realisering van extra natuur binnen de Groene contour;
  • oplossingen voor de wateropgave;
  • realisering van wandel- en recreatiemogelijkheden;
  • verbetering van het woonmilieu in een aangrenzende kern;
  • sanering van niet-grondgebonden veehouderij uit de nabijheid van een natuurgebied (EHS). Bijvoorbeeld agrarische bedrijven die in een extensiveringsgebied zijn gelegen.

Saldering vanuit meerdere voormalige agrarische bedrijven is mogelijk.

Landschap
Voor elke ontwikkeling in het landelijk gebied moet aansluiting gevonden worden bij de kernkwaliteiten. Er moet blijken hoe het belang van deze kernkwaliteiten in de afweging is betrokken en op welke wijze in de regels van het bestemmingsplan is voorzien in behoud en zo mogelijk versterking van de kernkwaliteiten.

  • 1. Landschap Rivierengebied
    Voor het landschap Rivierengebied wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden en versterken:
    • a. schaalcontrast van zeer open naar besloten;
    • b. samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal - kom;
    • c. samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier;
    • d. de Kromme Rijn als vesting en vestiging.

Bij ontwikkelingen in het landschap van het Rivierengebied staat het waarborgen, versterken en ontwikkelen van de eigen identiteiten van de vijf deelgebieden centraal. Dit richt zich zowel op het goed tot uiting komen van de karakteristieke kenmerken langs de centrale ruggengraat, als van de geleidelijke overgangen tussen de deelgebieden.

  • 2. Landschap Utrechtse Heuvelrug
    Voor het landschap Utrechtse Heuvelrug wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden en versterken:
    • a. robuuste eenheid;
    • b. reliëfbeleving;
    • c. extreme historische gelaagdheid.

Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug wordt aandacht gevraagd voor het in stand houden van het reliëf en voor het in stand houden van het samenhangend boscomplex. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug wil de provincie in dit gebied geen grootschalige ontgrondingen. Kleinschalige ontgrondingen voor natuurontwikkeling of recreatieve ontwikkeling zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten.

Aardkundige waarden
In het plangebied bevinden zich diverse gebieden met aardkundige waarden. Ruimtelijke plannen dienen deze aardkundige waarden te beschermen. Het gaat hierbij om regels die de aantasting van aardkundige waarden voorkomen of tot het uiterste beperken, bijvoorbeeld door middel van een dubbelbestemming met omgevingsvergunningplicht.

Ecologische hoofdstructuur
In ruimtelijke plannen moeten regels worden opgenomen die de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS dienen te beschermen, in stand te houden en te ontwikkelen. Niet elke ingreep in de EHS leidt tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of tot een significante vermindering van de oppervlakte van de gebieden of van de samenhang van de gebieden. Ingrepen die (eventueel nadat inrichtingsmaatregelen zijn genomen) niet de wezenlijke kenmerken en waarden significant aantasten, zijn toegestaan. Dit geldt ook voor uitbreidingen van geringe omvang van al binnen de EHS bestaande functies.

Bij significante aantasting van waarden en kenmerken moet in ieder geval gedacht worden aan:

  • de aanwezigheid van zones met bijzondere ecologische kwaliteit (bijzondere samenhang abiotische en biotische kenmerken, goed ontwikkelde systemen, zoals waardevolle oude boskernen);
  • gebieden die bepalend zijn voor de aaneengeslotenheid en robuustheid van de EHS;
  • de aanwezigheid van bijzondere soorten;
  • de aanwezigheid van essentiele verbindingen (bijvoorbeeld foerageer- en migratieroutes).

Individuele ingrepen zijn onder voorwaarden mogelijk (nee, tenzij). Bij individuele ingrepen gaat het om ontwikkelingen in de EHS op lokaal niveau met een individueel belang en een beperkte invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van een EHS-gebied. Mitigerende maatregelen zijn bedoeld om de gevolgen van een ingreep voor natuur en landschap ter plekke van de ingreep te verzachten. Te denken valt aan de bouw van wildviaducten, plaatsing van geluidsschermen en verbeteren van de inrichting (ecologisch, land-schappelijk) van en rond het voor de verstorende functie gebruikte terrein. Indien deze maatregelen zeer effectief zijn, is het theoretisch mogelijk dat geen sprake meer is van significante gevolgen. Voor zover mitigerende maatregelen niet volstaan, moeten de gevolgen worden gecompenseerd.

Door toepassing van de EHS-saldobenadering kan de feitelijke begrenzing worden gewijzigd (verkleining of aantasting op de ene plaats, uitbreiding en verbetering op de nadere plaats.

SUBTOP gebieden
Veel natuurgebieden, waaronder een aantal Natura 2000-gebieden, lijden op dit moment veel schade door (grond)watertekorten of door wateraanvoer van onvoldoende kwaliteit. Het gaat voor onderhavig plangebied om grondwaterafhankelijke natuur langs de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. Voor de afweging is het van belang dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert.

Groene contour
Binnen de groene contour liggen gebieden die van belang worden geacht voor het functioneren van de EHS, maar niet onder de EHS zelf vallen, omdat er geen financiering met overheidsmiddelen mogelijk is. Binnen deze gebieden kan op vrijwillige basis EHS gerealiseerd worden. Onomkeerbare ingrepen en processen, zoals grootschalige verstedelijking die het realiseren van natuur binnen de groene contour onmogelijk maakt, zijn niet toegestaan. Ontwikkelingen zoals uitbreiding van agrarische bouwblokken en aanleg van recreatie-voorzieningen worden hier niet onder onomkeerbare ingrepen begrepen. Reguliere agrarische ontwikkeling op gronden gelegen binnen de groene contour is gewoon mogelijk.
Binnen de groene contour zijn rode ontwikkelingen aanvaardbaar als deze bijdragen aan het realiseren van natuurdoelstellingen. Deze natuurdoelstellingen zijn uitgewerkt in het provinciale Natuurbeheerplan.

Landbouw
Omschakeling van grondgebonden landbouw in niet-grondgebonden landbouw is niet toegestaan, tenzij het om het verwevingsgebied (gelegen in het Reconstructiegebied) gaat. In het verwevingsgebied is omschakeling binnen de ter plekke beschikbare milieuruimte toegestaan, waarbij de aanvaardbaarheid door gemeentelijke toetsing aan de omgevingskwaliteiten bepaald wordt.
De maximale oppervlaktemaat van bestaande agrarische bedrijven bedraagt 1,5 hectare. Dit betekent niet dat elk oppervlaktemaat ook 1,5 hectare moet zijn: kleinere bouwvlakken zijn ook zeer zeker mogelijk. Uitbreiding tot maximaal 2,5 hectare is slechts in twee gevallen mogelijk. Het eerste geval betreft de plaatsing van gebouwen, bouwwerken voor het opwekken van duurzame energie: de zogenaamde biomassalocatie. Als aan de voorwaarden is voldaan, dan is deze uitbreiding altijd mogelijk. De tweede mogelijkheid ziet op de uitbreiding die de agrariër wenst voor een optimalisering van zijn bedrijfsvoering (alleen in geval van grondgebonden veehouderij). De uitbreiding boven de 1,5 hectare tot maximaal 2,5 hectare wordt slechts onder voorwaarden toegestaan.

Niet-grondgebonden landbouw
Voor bedekte teelt (zoals bijvoorbeeld champignons) geldt dat een agrarisch bouwperceel maximaal 1,5 hectare is. Nieuwe glastuinbouw is niet toegestaan. Binnen het reconstructiegebied zijn de groeimogelijkheden voor niet-grondgebonden veehouderijen verschillend per gebied:

  • in het extensiveringsgebied geldt een "stand still": er zijn geen doorgroeimogelijkheden;
  • in het verwevingsgebied is onder voorwaarden een groei van (twee keer) "30%" mogelijk tot maximaal 2,5 hectare;

Bestaande niet-grondgebonden veehouderijbedrijven kunnen in het verwevingsgebied met 30% uitbreiden, mits de uitbreiding landschappelijk goed inpasbaar is. De Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen biedt hiervoor inspiratie. Wanneer het bedrijf met deze uitbreiding van 30% boven de maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare uitkomt, is de uitbreiding tot maximaal 2,5 hectare mogelijk indien voldaan is aan de gestelde voorwaarden. De (tweede) uitbreiding van 30% is mogelijk tot een maximum van 2,5 hectare als daaraan een ondernemersplan ten grondslag ligt én voldaan is aan de voorwaarden zoals deze opgesomd zijn in dit lid. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de uitbreiding ruimtelijk aanvaardbaar moet zijn.

Voor alle agrarische bouwpercelen geldt dat de bebouwing ten behoeve van dieren uit maximaal één bouwlaag mag bestaan, wat wil zeggen: een veestapel mag niet gestapeld worden.

In het gehele landelijk gebied zijn niet-agrarische nevenactiviteiten in bestaande bebouwing mogelijk. Hierbij kan gedacht worden aan zorglandbouw, recreatie kinderopvang, boerderijeducatie, agrarische natuur- en landschapsbeheer en de productie en verkoop van streekproducten. Voor deze activiteiten moet bestaande bebouwing worden gebruikt. Nieuwbouw is alleen mogelijk indien minimaal eenzelfde oppervlakte aan bebouwing wordt afgebroken.

Recreatie
Permanente bewoning van recreatiewoningen is niet toegestaan.

Bovenlokaal recreatieterrein

Toeristische overstappunten (TOP’s) zijn plekken waar je makkelijk kunt parkeren en kunt overstappen op wandel-fiets en soms ook opvaarroutes. Er is informatie over de routes en de omgeving, en horeca in de buurt. TOP’s zijn duidelijk herkenbaar en bedoeld als startpunt voor de recreant. In het provinciaal beleid worden ook Poorten onderscheiden, deze zijn groter dan TOP’s die naast startpunt ook functioneren als uitvalbasis om het gebied in te gaan en/ of als bestemming van attracties en bezienswaardigheden waarbezoekers uren kunnen recreëren. TOP’s en poorten geven recreanten duidelijkheid, informatie en de zekerheid dat er iets te beleven valt in de buurt. Tegelijkertijd zorgen TOP’s en poorten voor zonering: deze gebieden zijn bedoeld om veel bezoekers te trekken, zodat andere gebieden juist weer ontzien worden. Poorten worden in het veld, voor de duidelijkheid en vindbaarheid, ook als TOP benoemd.

Het plangebied is aangeduid als bovenlokaal recreatieterrein en bedoeld als recreatieve poort. Recreatieve poorten kunnen onder voorwaarden in het gehele landelijk gebied (verder) worden ontwikkeld: ze kunnen dus ook in een recreatiezone worden ontwikkeld. Voor het exploitabel houden van bestaande bovenlokale recreatievoorzieningen kan het nodig zijn voorzieningen toe te staan die inkomsten kunnen genereren. Deze ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door deze regels. De voorzieningen moeten recreatie gerelateerd zijn. Hierbij kan gedacht worden aan horeca, leisurevoorzieningen, verblijfsrecreatie en andere recreatievoorzieningen.

Stiltegebied
Negatieve beïnvloeding van de geluidsbelasting kan zich voor doen bij toevoeging van nevenfuncties bij agrarische bedrijven, functiewijziging van beëindigde agrarische bedrijven en bij ontwikkelingen ter plaatse van bestaande niet-agrarische bedrijven. Voorkomen moet worden dat hierdoor een toename plaatsvindt van de geluidsbelasting in het stiltegebied, anders dan ten gevolge van de gebiedseigen geluiden. Bestaande functies (ook de stilteverstorende functies) binnen het stiltegebied kunnen blijven bestaan. Binnen het stiltegebied blijven ontwikkelingen die bij het gebied horen, zoals agrarische activiteiten en stille vormen van recreatie mogelijk. Het beleid is erop gericht dat mensen en dieren stilte kunnen ervaren. Het instellen van stiltegebieden is hierbij een belangrijk hulpmiddel.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan dient veen dat kwetsbaar is voor oxidatie te beschermen;
  • Bij functieverandering binnen het Infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug dient op voorhand een afweging te worden gemaakt of de functie gewenst is of niet, met het oog op het grondwater;
  • De twee zones uit de cultuurhistorische hoofdstructuur dienen een doorvertaling te krijgen in het bestemmingsplan, waarmee de kernkwaliteiten worden beschermd;
  • Het bestemmingsplan dient verstedelijking tegen te gaan, met uitzondering van functieverandering op voormalige agrarische bedrijfslocaties. In dat geval kan onder voorwaarden een andere functie worden toegestaan of kunnen door middel van de Ruimte voor ruimte-regeling nieuwe woningen worden gerealiseerd.
  • De kernkwaliteiten van de verschillende landschappen dienen bewaard te blijven;
  • De EHS dient op adequate wijze te worden beschermd in het bestemmingsplan;
  • Nieuwe ontwikkelingen die het ontwikkelen van de Groene Contour belemmeren zijn niet mogelijk;
  • Het bestemmingsplan dient te voorkomen dat waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van de SUBTOP-gebieden verslechtert als gevolg van eventuele ontwikkelingen;
  • In het bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met de gestelde regels ten aanzien van de grondgebonden en niet-grondgebonden landbouw;
  • Het bestemmingsplan dient permanente bewoning van recreatiewoningen niet mogelijk te maken;
  • Stiltegebieden dienen een doorvertaling te krijgen in het bestemmingsplan.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Handreiking Paardenhouderij Gelderse Vallei/Utrecht-Oost (2009)

Voor de 20 gemeenten in het Reconstructiegebied Gelderse Vallei/ Utrecht Oost is in 2009 een handreiking over beleid ten aanzien van paarden opgesteld, de Handreiking Paardenhouderij SVGV. De handreiking is een hulpmiddel voor gemeenten om hun eigen ruimtelijk beleid op te stellen. Pas als zij vertaald is in een bestemmingsplan, of in ander gemeentelijk beleid, krijgt het status. Tot dat moment omvat de handreiking niet meer dan een richtlijn voor gemeenten om het paardenbeleid op elkaar af te stemmen.

De handreiking gaat eerst in op de diverse vormen van bedrijfsmatigheid bij paardenhouderijen, waarbij het uitgangspunt wordt geformuleerd dat paardenhouderijen met vijf paarden of minder in ieder geval als hobbymatige paardenhouderij mogen worden gezien. De grondslag daarvoor is, naast de Wet milieubeheer, jurisprudentie. Vervolgens beschrijft de handreiking de verschillende typen van paardenhouderij. Met deze kennis (en de duidelijke keuzes daarin) geeft het document een handreiking voor de wijze van bestemmen. In bijlage 1 van de handreiking zijn tot slot diverse voorbeeld bestemmingsregelingen opgenomen.

In het plangebied komt een aantal typen van paardenhouderij voor. Daarnaast zijn er, zowel bij (niet-)agrarische bedrijven als burgerwoningen, paardenbakken aanwezig. Met behulp van de Handreiking Paardenhouderij SVGV kunnen de regels van het bestemmingsplan hierop inspelen.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De Handreiking Paardenhouderij SVGV dient, voor zover gewenst, in het bestemmingsplan te worden vertaald.

3.5 Gemeentelijk/lokaal beleid

3.5.1 Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' (2010)

Om lijn te krijgen in de afwegingen om ontwikkelingen wel of niet toe te staan of kwaliteiten wel of niet verder te ontwikkelen, is voor de gemeente een structuurvisie opgesteld. Teneinde meer scherpte in de discussie te krijgen is, alvorens de gewenste ontwikkelingsrichting in een ontwerp neer te leggen, een discussieversie gemaakt. Uiteindelijk is op 28 januari 2010 de Structuurvisie 2030 'Groen dus Vitaal' vastgesteld, met daarin afspraken op hoofdlijnen, van hoe belangen af te wegen en welke structuren te veranderen.

Voor de ontwikkelingsrichting is dus gekeken naar een langere periode, tot 2030. Het concrete beleid voor de kortere termijn omvat de periode 2010–2016.

Het belangrijkste kader voor de structuurvisie vormt de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening (Wro), waarvan de kern is dat iedere overheidslaag werkt vanuit het belang waar zij voor staat, en daartoe in een structuurvisie haar beleid vastlegt. Volgens de Wro wordt beleid vastgelegd in een structuurvisie en normstelling in het bestemmingsplan. Dit betekent in de praktijk van de ruimtelijke ordening dat alles wat niet direct is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan, beleidsdiscussie wordt. De structuurvisie stuurt op hoofdlijnen die discussie.

Het motto van de Structuurvisie 2030 is 'Groen dus Vitaal'. Aan de ene kant zijn natuur, landschap, cultuurhistorie en archeologie, samen met de sociale kwaliteit van de dorpen, het uitgangspunt. Voor wonen, economische ontwikkeling, sport en recreatie is ruimte als dat in het verlengde van dit uitgangspunt gevonden kan worden. Omgekeerd is het gewenst dat de samenleving, vanuit de behoefte aan wonen, werken, sporten en recreëren, op zoek gaat naar gebruiksmogelijkheden van het gemeentelijke grondgebied. De vitaliteit die daarmee wordt ingebracht, verhoogt voor iedereen de waarde van de leefomgeving.

Gezien de complexe omgeving met zoveel waarden vraagt het motto om creativiteit en maatwerk voor de functies wonen, werken, sport en recreatie. En een standvastige, maar niet dogmatische houding vanuit het oogpunt van natuur, landschap, cultuurhistorie en de samenleving.

Voor de gemeentebrede invalshoek wordt gewerkt met thema's, die een breed terrein bestrijken:

  • Natuur over de heuvels;
  • Op de schouders van ons erfgoed;
  • Duurzaam bereikbaar;
  • Leefbare dorpen;
  • Vrije tijd op de Utrechtse Heuvelrug;
  • Maatwerk voor wonen en werken

De volgorde van de thema's weerspiegelt de algemene houding 'Groen dus Vitaal'.

Om sturing te geven aan de ontwikkelingsrichting voor de diverse geografische samenhangende gebiedsdelen (zones), is een structuurvisiekaart met gebiedsdekkende zonering ontwikkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0030.jpg"

De kaart heeft een landschappelijke onderlegger en is gebaseerd op versterking van de bestaande situatie en de hieraan gekoppelde gemeentebrede thema's. Op de kaart zijn de hoofdaccenten verbeeld in kleuren:

  • Donkergroen (natuurzones): het hoofdaccent ligt op natuur. Dit komt vooral voor ten noordosten van de kern Driebergen, op de Heuvelrug ;
  • Groen (rivierzone): is niet van toepassing op het plangebied;
  • Lichtgroen (gemengde zones): streven is een duurzame functiemenging, maar wel in een grote bandbreedte. Dit hoofdaccent speelt ten noordwesten en zuidoosten van Driebergen;
  • Blauw (gemende zones met landbouw): ruimte voor een breed scala aan functies en waarden, die wel moeten passen in een agrarisch landschapsbeeld en eraan bijdragen. Dit is van toepassing in het Langbroekerweteringgebied ten zuiden van Driebergen;
  • Bruin met rode omlijning (bestaande dorpskernen en overige gebieden met 'rode' contour). Deze zone komt niet voor in het plangebied, omdat de dorpskernen buiten het plangebied zijn gehouden.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan dient zo veel mogelijk versterking van de bestaande situatie te waarborgen;
  • Voor zover het bestemmingsplan ruimte biedt aan ontwikkeling(en), is het gewenst dat het plan voor een ieder inzichtelijk maakt dat ook de zonering uit de Structuurvisie 2030 een rol kan spelen in het al dan niet aanvaardbaar zijn daarvan.

Hoofdstuk 4 Specifieke regelgeving en beleid

Het al dan niet voldoen aan verschillende planologische en milieutechnische randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een nieuw bestemmingsplan ook daadwerkelijk uitvoerbaar is. In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan getoetst op planologische en milieutechnische randvoorwaarden.

4.1 Milieueffectrapportage

Waarom een PlanMER?
Onderhavig bestemmingsplan vormt het kader voor eventuele Besluitm.e.r. (beoordelings)plichtige activiteiten. Het is namelijk niet ondenkbeeldig dat voor bepaalde activiteiten te zijner tijd Besluitm.e.r.'s doorlopen moeten worden. Het gaat dan specifiek om het bieden van ontwikkelruimte voor agrarische bedrijven zoals de oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimee, varkens en overige diersoorten.
Daarnaast zijn significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden op voorhand niet uit te sluiten. De Passende beoordeling die dan vereist is en die tevens integraal onderdeel uitmaakt van het PlanMER, moet uitsluitsel geven of daadwerkelijk sprake is van significant negatieve effecten als gevolg van de ontwikkelmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt.

Vanwege het feit dat dit bestemmingsplan kaderstellend is voor toekomstige Besluitm.e.r.(beoordelings)-plichtige activiteiten én omdat een Passende beoordeling moet worden opgesteld is het doorlopen van een planm.e.r. verplicht.

Inhoud van het PlanMER
Het hoofddoel van het milieueffectrapport is het in beeld brengen van de milieugevolgen van de ontwikkelruimte die het voorliggende plan biedt, in het bijzonder de gevolgen van de emissie van stikstof op de in- en nabijgelegen Natura 2000-gebieden, de Beschermende natuurmonumenten en de Ecologische Hoofdstructuur. In dit kader is aandacht besteedt aan:

  • Onderzoeken van de mogelijke ontwikkelingsruimte voor de landbouwsector binnen het plangebied;
  • De omvang van de ermee verband houdende stikstofdepositie (primaire effect);
  • Keuze bepaling van het scenario voor de sector;
  • Inzicht in de secundaire effecten (zoals landschap, bodem en water en verkeer) die voorkomen uit het voorliggende plan.

Hoewel de ontwikkelruimte van de agrarische bedrijven de directe aanleiding vormt voor het milieueffectrapport worden daarnaast ook de overige functies binnen het plangebied beschouwd. Dat is kwalitatief, beschrijvend gedaan. Het gaat dan om de functies landschap, cultuurhistorie, bodem en water, verkeer en het fysieke leefmilieu.

Proces wisselwerking bestemmingsplantraject en milieueffectrapportage
Uitgangspunt is een bestemmingsplan dat in lijn met de provinciale en gemeentelijke structuurvisie ruimte biedt voor agrarische ontwikkelmogelijkheden met in achtneming van het milieu, hoofdzakelijk de natuurwaarden.

Diverse opeenvolgende uitspraken van de Raad van State geven aan, dat uitbreiding van een agrarisch bedrijf slechts mogelijk is als de emissie van het bedrijf in totaal niet toeneemt.

Rekenfactoren: groeiers en stoppers, BBT++ en vulgraad
Dit is mogelijk door niet alleen de nieuwe stallen maar de ook de bestaande stallen met de nieuwste techniekenemissiearm uit te voeren. De meest geavanceerde techniek wordt BBT++ genoemd (Best Beschikbare Technieken). Deze technieken hebben vooral tot doel de stikstofuitstoot te verminderen. Daarnaast is in de rekenscenario's gewerkt met een vulgraad. Dit is het percentage dat aangeeft hoeveel procent van het bouwvlak als veestal gebruikt kan worden. Voor de intensieve veehouderij is dit percentage 40. Voor de grondgebonden veehouderij echter is 40 % vulgraad alleen realistisch als de oppervlakte zeer efficiënt ingezet kan worden. Een percentage van 20 sluit het beste aan bij de werkelijke mogelijkheden van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Het grondgebied kent namelijk historisch gegroeide onrendabele vormen en landerijen. Dit percentage is dan ook toegepast in het rekenscenario van 1,5 ha. dat verwerkt is in onderhavig bestemmingsplan (Bijlage 5 Voorlopige resultaten van de gebiedsgerichte emissie- en depositie berekeningen in Driebergen"). Dit is dus de maximale ontwikkelmogelijkheid die de MER toelaat.

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan
Onderhavig bestemmingsplan geeft uitwerking aan vastgesteld beleid voor het gebied. Het plan maakt vooral landbouwkundige ontwikkelingen mogelijk in het gebied. De notitie "Voorlopige resultaten van de gebiedsgerichte emissie- en depositie berekeningen in Driebergen" toont aan dat als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan geen knelpunten ontstaan op het gebied van wet- en regelgeving. Speciale aandacht is daarbij uitgegaan naar mogelijke effecten van de ontwikkelruimte die aan agrarische bedrijven geboden wordt. Voor het onderdeel ecologie ligt hier een uitvoerige scenarioanalyse aan ten grondslag. Twee scenario’s bleken vooral van belang: een scenario waar in de huidige bouwvlakken worden opgevuld zonder wijzigingsbevoegdheid van 1,5 hectare en een scenario met de wijzigingsbevoegdheid en het inzetten van emissiereducerende technieken. De resultaten van de scenario’s hebben aangetoond dat de ontwikkelruimte geen negatieve effecten op verzuring en eutrofiering oplevert na vergelijking van de ontwikkelruimte die met het plan mogelijk wordt gemaakt met het huidig gebruik. Er treedt ten opzichte van het huidige gebruik door een afname van depositie zelfs een positief effect op.

Uit de berekeningen blijkt echter wel dat er binnen de randvoorwaarden die de provinciale stikstofverordening van Utrecht voorschrijft, er voor het vitale gedeelte van de agrarische populatie slechts ontwikkelruimte is tot aan de grenzen van de huidige bouwvlakken. Een plan met een wijzigingsbevoegdheid tot 1,5 hectare is uitvoerbaar als de bedrijven die willen uitbreiden (zowel groot als klein) stalmaatregelen treffen op zowel hun oude als nieuwe stallen. Daarbij zij opgemerkt dat de intensieve veehouderijen in het extensiveringgebied geen ontwikkelruimte kennen.

Voor geen van de overige aspecten zijn negatieve effecten te verwachten. De uitbreiding van agrarische bouwvlakken heeft potentieel wel een nadelig effect op landschap, maar dit wordt voorkomen door voorwaarde te stellen aan de landschappelijke inpassing van uitbreidingen.

Daarmee is vastgesteld dat er ten aanzien van de Natuurbeschermingswet geen belemmeringen worden verwacht die het voorliggende plan onuitvoerbaar zouden kunnen laten zijn. Ook vanuit de andere sectorale kaders zijn de plannen inpasbaar.

4.2 Landbouw

4.2.1 Algemeen

Programmatische Aanpak Stikstof
De nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) heeft tot doel economische ontwikkelingen, zoals uitbreiding van veehouderijen en industrie, samen te laten gaan met het realiseren van Natura 2000-doelen. In Natura 2000-gebieden is de neerslag van stikstof een probleem en door uitbreiding van veehouderijen kan deze neerslag worden verhoogd. Om de stikstofneerslag te laten dalen is een samenhangend plan, met maatregelen in Natura 2000-gebieden en bij de landbouw nodig.

Als er wordt voldaan aan de voorwaarde van een blijvende depositiedaling en als herstelmaatregelen uit de herstelstrategieën voor de stikstofgevoelige habitats worden uitgevoerd waardoor de achteruitgang in natuurkwaliteit stopt, ontstaat er ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen.

Door stikstofbeperkende maatregelen wordt gezorgd voor een blijvende depositiedaling. Een deel van de verminderde uitstoot van stikstof mag worden gebruikt voor de stikstofuitstoot van uitbreiding van bestaande- en nieuwe economische activiteiten elders in het gebied. De bevoegde gezagen delen deze ontwikkelruimte toe aan sectoren en gebieden. Hierdoor kan er sprake zijn van een toename in stikstofuitstoot, daar waar dit onder de huidige wetgeving en jurisprudentie niet is toegestaan.

Door het nemen van herstelmaatregelen wordt ervoor gezorgd dat de toestand van de habitattypen en -soorten niet verslechterd. De rijksoverheid en de provincies rekenen erop dat de herstelmaatregelen voor bijna alle gebieden resulteren in een herstel en behoud van de stikstofgevoelige habitattypen en soorten.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. “Extern salderen”, waarbij uitbreiding op projectbasis (binnen de planregels) mogelijk wordt gemaakt door gebruik te maken van de emissies die vrijkomen vanuit een nabijgelegen perceel die de bedrijfsvoering beëindigd, is niet langer toegestaan. Het PAS werkt volgens het principe van “interne saldering”, waarbij op het eigen perceel een bestaande stal wordt gemoderniseerd waardoor er per dier (veel) minder emissie zal zijn.


Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000 (2011)
Op 7 februari 2011 hebben Provinciale Staten van Utrecht ingestemd met de Verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000. De verordening is op 1 maart 2011 in werking getreden en is van toepassing op alle veehouderijbedrijven in de provincie Utrecht.

Een overmaat aan ammoniak is een groot probleem voor de instandhouding van Natura 2000-gebieden. Natura 2000 staat voor een netwerk van Europees beschermde natuurgebieden, waarvan er acht zijn gelegen in de provincie Utrecht. In Nederland, en ook in de provincie Utrecht wordt het probleem van een overmaat aan ammoniak op Natura 2000-gebieden zwaarder gevoeld dan in de ons omringende landen. Dat komt omdat we in een dichtbevolkt land leven, waarin kwetsbare natuur en bijvoorbeeld veehouderijen dicht bij elkaar liggen. In het overgrote deel van de gebieden bevinden zich gevoelige habitats (leefgebieden van planten en dieren).

Met de verordening is een balans gevonden tussen de bescherming van waardevolle natuur enerzijds en ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische sector anderzijds.

De verordening stelt (extra) technische eisen aan stallen. Ook gelden er voorwaarden aan het salderen van de uitstoot van ammoniak, via een provinciale depositiebank. Uitvoering van de verordening leidt tot een daling van de uitstoot van ammoniak vanuit de veehouderij en geeft duidelijkheid over mogelijkheden voor agrarische bedrijfsontwikkeling.

De provincie is bevoegd gezag voor de uitvoering van de Natuurbeschermingswet 1998 en daarmee ook voor de uitvoering van de verordening veehouderij, stikstof en Natura 2000 Utrecht. Dit betekent dat de provincie verantwoordelijk is voor:

  • het in behandeling nemen van meldingen voor nieuwe stallen;
  • het beheren van de depositiebank;
  • toezicht en handhaving: de provincie moet erop toezien, dat de verordening wordt nageleefd door bijvoorbeeld controles op bedrijven;
  • monitoring van de beoogde afname van stikstofdeposities op de Natura 2000-gebieden.

Omdat de verordening alleen van toepassing is voor Natura 2000-gebieden en in de provincie Utrecht ook veel beschermde natuurmonumenten liggen, is besloten om voor deze laatste gebieden een beleidsregel vast te stellen die goed aansluit bij de verordening. De beleidsregel is iets minder vergaand dan de bescherming van Natura 2000-gebieden, maar toepassing van de beleidsregel geeft wel de garantie dat de stikstofdepositie op beschermde natuurmonumenten niet zal toenemen door invloeden vanuit de landbouw.

De beleidsregel stelt géén (extra) technische eisen aan stallen. Wel gelden er voorwaarden aan het salderen van de uitstoot van ammoniak, via de provinciale depositiebank. Uitvoering van de beleidsregel leidt tot een daling van de uitstoot van ammoniak vanuit de veehouderij op beschermde natuurmonumenten en geeft duidelijkheid over mogelijkheden voor agrarische bedrijfsontwikkeling.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • In het bestemmingsplan hoeft geen (afzonderlijke) regeling te worden opgenomen voor het salderen van de uitstoot van ammoniak. Eerder is reeds ingegaan op de landelijke invoering van de PAS de provinciale saldering buiten werking heeft gesteld.
4.2.2 Agrarische hoofdbestemming

Algemeen
Ondanks de verwachting dat de landbouw in toenemende mate onder druk zal komen te staan als gevolg van kostenstijgingen (milieu-investeringen), concurrentie en wetgeving, zal zij ook in de toekomst een belangrijke rol vervullen voor het plangebied en in het bijzonder voor het noordelijke deel van het plangebied. Het onderzoek naar de aanwezige natuur-, landschappelijke en/of cultuurhistorische waarden in het plangebied geeft wel aanleiding om in de deelgebieden, waar het hoofdgebruik van de gronden agrarisch is (de agrarische gebieden), mede rekening te houden met de bescherming van die waarden. Van belang daarbij is dat de aanwezige waarden niet overal gelijk zijn.

De belangrijkste functie van het bestemmingsplan is het regelen van het agrarische grondgebruik en het behouden van de gebiedseigen waarden van de diverse deelgebieden. Daartoe kent het plan de gebiedsbestemmingen 'Agrarisch met waarden'.

De percelen, waarvan het hoofdgebruik agrarisch is en waar geen wezenlijke landschappelijke of natuurwaarden aanwezig komen binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug alleen voor in een landbouwontwikkelingsgebied (LOG). Binen het plangebied van buitengebied Driebergen is geen LOG gelegen.

De overige percelen, waarvan het hoofdgebruik agrarisch is, maar waar ook landschappelijke of natuurwaarden aanwezig zijn, zijn bestemd als 'Agrarisch met waarden'. Binnen beide bestemmingen worden (agrarische) bouwvlakken onderscheiden, waarbinnen de bebouwing zich mag bevinden. De bestemmingen worden flexibel van opzet. In de bestemmingsomschrijving staat de agrarische functie voorop, maar worden andere (ondergeschikte) functies mogelijk gemaakt.

Landbouwontwikkelingsgebied
De landbouwontwikkelingsgebieden (LOG) zijn in de wet gedefinieerd als ruimtelijk begrensde gedeelten van het reconstructiegebied met het primaat landbouw dat geheel of gedeeltelijk voorziet, of in het kader van de reconstructie zal voorzien, in de mogelijkheid tot uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderij. In een LOG wordt, voor zover mogelijk, ontwikkelingsperspectief voor de intensieve veehouderij geboden. In het plangebied van buitengebied Driebergen is geen LOG gelegen.

Verwevingsgebied Gelderse Vallei en Langbroekerwetering/Amerongerwetering
Verwevingsgebieden vormen de overgangsgebieden tussen de extensiveringsgebieden en het landbouw-ontwikkelingsgebied. Het beleid voor deze gebieden is gericht op het bevorderen van een passende combinatie van landbouw, natuur, landschap, recreatie, werken en wonen met bijbehorende kwaliteiten.

Extensiveringsgebied
De extensiveringsgebieden zijn aangewezen om de functie natuur of wonen te beschermen tegen de invloeden van de intensieve veehouderij. Uitbreiding en nieuwvestiging van intensieve veehouderij is hier onmogelijk, net als buiten het Reconstructiegebied. Datzelfde geldt voor de omschakeling van een grondgebonden bedrijf naar intensieve veehouderij. Overname van een intensieve veehouderij in de bestaande omvang is wel mogelijk. Terugdringen van de aantasting van natuurwaarden staat voorop in de extensiveringsgebieden. Verbreding van de bestaande landbouw en functieverandering van landbouw naar wonen worden gestimuleerd. Ook extensieve recreatie en particulier natuurbeheer kunnen bijdragen aan de gewenste verandering in deze gebieden.

4.2.3 Agrarische bouwvlakken

Systeem bouwvlakken
Het bouwen ten behoeve van het agrarisch bedrijf is alleen toegestaan binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken. Dit systeem met grafische bouwvlakken wordt algemeen aanvaard als de meest effectieve regeling ter beperking van een ongewenste spreiding van bebouwing, behorend bij het agrarisch bedrijf. In principe dienen alle bouwwerken, inclusief mest- en sleufsilo's, binnen het bouwvlak geconcentreerd te worden. Per agrarisch bouwvlak is één agrarisch bedrijf toegestaan, mede om te voorkomen dat men met het oog op milieu hinder van elkaar ondervindt.

Bouwvlakken op maat
De behoefte aan bouwmogelijkheden kan per agrarisch bedrijf sterk verschillen. Een intensieve veehouderij heeft bijvoorbeeld meer bedrijfsgebouwen nodig dan een vollegrondstuinbouw- of fruitteeltbedrijf. Ook de mate van volwaardigheid van een bedrijf kan bepalend zijn voor het al dan niet toekennen van een groot/klein bouwvlak.

De bouwvlakken op de verbeelding zijn getekend als zogenaamde 'bouwvlakken op maat'. Dit houdt in dat bij het bepalen van de oppervlakte van de bouwvlakken gekeken is naar de al aanwezige bebouwing en het bouwvlak, zoals opgenomen in het voor dit bestemmingsplan vigerende plan.

Flexibiliteit bouwvlak
Voor zover agrarische bedrijven uitbreidingsplannen hebben en die plannen zodanig uitgewerkt zijn dat de toekomstige bedrijfsomvang, de locatie van de uitbreiding aan bedrijfsbebouwing en de oppervlakte daarvan vaststaan, speelt het bestemmingsplan hier waar mogelijk op in. Met uitbreidingsplannen die ten tijde van het opstellen van dit plan nog onvoldoende concreet zijn, maar dat in de nabije toekomst wellicht wel worden, bevat het bestemmingsplan enkele wijzigingsbevoegdheden. Om in voorkomend geval tegemoet te komen aan een vereiste vormverandering of vergroting van het agrarisch bouwvlak, bieden zij enige flexibiliteit.

Verandering vorm bouwvlak
Het bestemmingsplan stelt grenzen aan de oppervlakte van het agrarisch bouwvlak. Binnen deze beperking van de oppervlaktemaat van het bouwvlak is wel de nodige flexibiliteit bewerkstelligd door middel van een wijzigingsbevoegdheid voor gedeeltelijke verlegging van het bouwvlak (de hoepelbepaling). De bevoegdheid biedt de mogelijkheid om de vorm van een bouwvlak aan te passen, zodanig dat minimaal 50% van het bestaande bouwvlak wordt gehandhaafd op dezelfde plaats. Daarbij dienen de bestaande opstallen uiteraard ook in het vast te leggen nieuwe bouwvlak te worden opgenomen.

Vergroting oppervlak bouwvlak 
De mogelijkheden voor vergroting van de oppervlaktemaat van het bouwvlak zijn beschreven in paragraaf 4.2.4 en 4.2.5.

4.2.4 Mogelijkheden grondgebonden bedrijven

Onderscheid akkerbouw en veeteelt
In het bestemmingsplan is binnen de grondgebonden agrarische bedrijven een nader onderscheid gemaakt tussen akkerbouwbedrijven en veeteeltbedrijven. Bestaande veeteeltbedrijven binnen het verwevings- of extensiveringsgebied mogen in de toekomst veeteeltbedrijven blijven of met recht omschakelen naar een akkerbouwbedrijf. Bestaande akkerbouwbedrijven binnen het verwevings- of extensiveringsgebied mogen echter niet met recht omschakelen naar een veehouderijbedrijf, omdat dit mogelijk kan leiden tot significant negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom is voor akkerbouwbedrijven een afwijkingsbevoegdheid opgenomen, waarmee onder voorwaarden kan worden omgeschakeld naar een veehouderijbedrijf.

Vulgraad
Voor de bestaande grondgebonden veehouderijen is een vulgraad van 20% vastgelegd. Dat betekent dat maximaal 20% van het bouwvlak mag worden gebruik als stalruimte voor de veehouderij, tenzij de bestaande ammoniakemissie wordt verlaagd. Het bouwvlak mag voor het overige tot 100% worden volgebouwd, zolang de stalruimte voor de veehouderij maar niet meer dan 20% van het bouwvlak bedraagt.

Nieuwvestiging
Ten aanzien van de vestiging van nieuwe grondgebonden agrarische bedrijven is het beleid erop gericht om gebruik te maken van de reeds bestaande bedrijfslocaties en de aldaar aanwezige bestaande opstallen ('hervestiging'). In de meeste gevallen zullen de locatie en opstallen al een agrarisch bouwvlak hebben, zodat hervestiging zonder meer mogelijk is. Uit ruimtelijk oogpunt is het namelijk gewenst om zo veel mogelijk gebruik te maken van bestaande opstallen. Ook het agrarisch bedrijfsleven zelf is niet gebaat bij extra bebouwing in het buitengebied. Op basis van de milieutoetsing kan een extra bouwvlak de omliggende bedrijven namelijk beperken. Nieuwvestiging in de zin van een nieuw bouwperceel is niet mogelijk gemaakt binnen dit bestemmingsplan.

Verschuiving bouwvlak
Het eventueel verschuiven van bouwvlakken is zowel binnen verwevings- als extensiveringsgebied mogelijk door middel van een wijzigingsbevoegdheid, waarbij voor het extensiveringsgebied geldt dat het niet een bestaande intensieve veehouderij betreft.

Vergroting bouwvlak
Als een ondernemer binnen het verwevingsgebied kan aantonen, dat hij vanuit bedrijfseconomisch en/of ruimtelijk oogpunt, een groter bouwvlak nodig heeft, is vergroting van dat vlak tot maximaal 1,5 ha onder voorwaarden mogelijk en wel via een in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Een dergelijke vergroting dient op zorgvuldige wijze te worden ingepast in de omgeving. Belangrijk is dat moet zijn aangetoond dat de wezenlijke kenmerken of waarden van omliggende Natura 2000-gebieden niet significant worden aangetast vanwege de ammoniakdepositie. Vergroting van bouwvlakken binnen het extensiveringsgebied is niet mogelijk.

4.2.5 Mogelijkheden intensieve veehouderij

Algemeen
Het reconstructiebeleid werkt op onderdelen rechtstreeks door in bestemmingsplannen. Het gaat met name om de zonering en bijbehorende regelgeving voor de intensieve veehouderij. In het plangebied zijn alleen extensiverings- en verwevingsgebieden aangewezen. Het onderscheid in deze gebieden is door middel van de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' en 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' op de verbeelding opgenomen.

Van belang is verder dat in het reconstructiebeleid, zoals verwoord in de Provinciale Ruimtelijke Verordening, onder intensieve veehouderij zowel een bedrijf met een hoofdtak in de intensieve veehouderij wordt bedoeld als een bedrijf, waar de intensieve veehouderij slechts een neventak betreft. Omdat het reconstructiebeleid hierbij geen onderscheid kent, maakt dit bestemmingsplan dat ook niet.

Zowel de agrarische bedrijven met een hoofd- als een neventak in de intensieve veehouderij zijn door middel van de aanduiding 'intensieve veehouderij' op de verbeelding aangeduid. Dat houdt meteen ook in dat op alle bouwvlakken zonder deze aanduiding geen intensieve veehouderij als hoofd- of neventak bij recht zijn toegestaan. Voor bouwvlakken binnen verwevingsgebied is echter wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen, om intensieve veehouderijen op bestaande bouwvlakken te kunnen realiseren.

De regels ten aanzien van de intensieve veehouderijbedrijven (zowel hoofdtak als neventak), zijn hierna per reconstructiezonering beschreven. Opgemerkt wordt dat dit afwijkt van het reconstructiebeleid - dat ruimer is geformuleerd - in verband met de uitkomsten uit het PlanMER.


Verwevingsgebied

  • 1. Bouw van stallen
    Voor agrarische bedrijven, waarbij het bouwvlak de aanduiding 'intensieve veehouderij' heeft, geldt een maximale vulgraad van 40%. Dat betekent dat maximaal 40% van het bouwvlak mag worden gebruikt ten behoeve van stalruimte voor de intensieve veehouderij, tenzij de bestaande ammoniakemissie wordt verlaagd (bijvoorbeeld door betere stallen). Het bouwvlak mag voor het overige tot 100% worden volgebouwd, zolang de stalruimte voor de veehouderij maar niet meer dan 40% van het bouwvlak bedraagt. Het bouwen van stallen ten behoeve van de intensieve veehouderij is in de bouwvlakken, die niet zijn voorzien van de aanduiding 'intensieve veehouderij', niet toegestaan.
  • 2. Vergroting bouwvlak
    In verwevingsgebied is uitbreiding van een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' mogelijk, mits het totale bouwvlak daarmee niet groter wordt dan 1,5 ha. Hierbij moet wel een beoordeling plaatsvinden van de noodzaak, landschappelijke inpassing en eventuele schade aan natuur- en/of landschapswaarden, et cetera. Ook dat moet zijn aangetoond dat de wezenlijke kenmerken of waarden van omliggende Natura 2000-gebieden niet significant worden aangetast vanwege de ammoniakdepositie.
  • 3. Nieuwvestiging en volledige omschakeling
    In verwevingsgebied is nieuwvestiging van een intensief veehouderijbedrijf niet mogelijk. Ook de omschakeling van een bestaand volledig grondgebonden bedrijf naar een intensieve veehouderij (zowel hoofd- als neventak), ofwel het opnemen van de aanduiding 'intensieve veehouderij' in het aan dit bedrijf toegekende bouwvlak, is niet toegestaan.

Extensiveringsgebied

  • 1. Bouw van stallen
    Het bouwen van stallen ten behoeve van de intensieve veehouderij is in de bouwvlakken die zijn gelegen in extensiveringsgebied en tevens zijn voorzien van de aanduiding 'intensieve veehouderij' toegestaan. Indien het bouwvlak niet is voorzien van de aanduiding 'intensieve veehouderij' is het bouwen ten behoeve van een intensieve veehouderij niet toegestaan.
  • 2. Vergroting bouwvlak
    Indien een bouwvlak met de aanduiding 'intensieve veehouderij' in extensiveringsgebied ligt, dan is vergroting van dat bouwvlak niet mogelijk.
  • 3. Nieuwvestiging en volledige omschakeling
    In extensiveringsgebied is nieuwvestiging van een intensief veehouderijbedrijf niet mogelijk. Ook de omschakeling van een bestaand volledig grondgebonden bedrijf naar een intensieve veehouderij (zowel hoofd- als neventak), ofwel het opnemen van de aanduiding 'intensieve veehouderij' in het aan dit bedrijf toegekende bouwvlak, is in extensiveringsgebied niet toegestaan.
4.2.6 Nevenactiviteiten agrarische bedrijven

Algemeen
Vanouds zijn agrarische bedrijven gericht op het verkrijgen van een gezinsinkomen door middel van de teelt van gewassen en/of het houden van vee. De laatste jaren richten agrarische bedrijven zich in toenemende mate ook op andere dan deze reguliere agrarische activiteiten. Te denken is aan agro-toerisme (Bed&Breakfast), detailhandel, bewerking en verkoop van agrarische producten, et cetera. Een dergelijke neventak kan voor de agrariër een welkome aanvulling betekenen op het inkomen. Ook wordt met deze nieuwe activiteiten ingespeeld op veranderende wensen van de consument, en kan een bijdrage worden geleverd aan imago verbetering van de landbouw in het algemeen. Dit wordt ook wel 'landbouw met verbrede doelstelling' of 'multifunctionele landbouw' genoemd en vormt een wezenlijk onderdeel van de plattelandsvernieuwing. Door deze verbreding kan de sociaal-economische basis van de agrarische sector en van het buitengebied in het algemeen worden versterkt.

In de regels van de bestemming 'Agrarisch met waarden' is om de bovenstaande redenen een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om niet-agrarische nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven mogelijk te maken, tot een maximum van
300 m2. Voor deze afwijking gelden nadere voorwaarden, zoals:

  • Het moet een ondergeschikte nevenactiviteit blijven;
  • Er mag geen belemmering van omliggende agrarische bedrijven plaatsvinden;
  • Realisatie uitsluitend binnen bestaande gebouwen, dus geen nieuwbouw ten behoeve van de nevenactiviteit;
  • Detailhandel is alleen toegestaan in ter plaatse voortgebrachte of streekeigen producten.

Voor detailhandelsactiviteiten (in ter plaatse voortgebrachte of streekeigen producten) geldt een maximale oppervlaktemaat van 50 m² in plaats van 300 m².

Kamperen bij de boer (kleinschalig kamperen)
In het kader van verbrede plattelandsvernieuwing is het gewenst een regeling in het plan op te nemen voor het kamperen bij de boer. In de praktijk is gebleken dat kleinschalige en eenvoudige vormen van kamperen in een grote vraag bij de consument voorzien. Het gaat daarbij om een specifieke vraag, aanvullend op de reguliere verblijfsrecreatie. Daarnaast kan het voor agrariërs een aantrekkelijke bron van neveninkomsten zijn. In het bestemmingsplan is daarom een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om het kamperen bij de boer onder voorwaarden mogelijk te maken. De voorwaarden betreffen de onderstaande onderdelen.

Koppeling aan agrarisch bouwvlak
Om wildgroei te voorkomen (en daarmee aantasting van het landschap) wordt het toestaan van kleinschalig kamperen beperkt tot agrarische bouwvlakken (of direct daaraan aansluitend). Hierbij speelt ook een rol dat dit kleinschalige kamperen als een bron van neveninkomsten voor agrariërs gezien kan worden. Ook voegt het product 'boerderij' iets toe aan de 'gewone' kampeerterreinen. Voor de voorzieningen ten behoeve van het kamperen bij de boer, zoals sanitair en dergelijke, moet gebruik worden gemaakt van de bestaande gebouwen, tenzij aangetoond kan worden dat daarvoor geen mogelijkheden bestaan.

Maximaal 15 kampeermiddelen
Op basis van de inmiddels vervallen Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) konden in het verleden maximaal 15 kampeermiddelen worden toegelaten bij een agrarisch bedrijf. In de gemeentelijke Nota Verblijfsrecreatie is dit aantal overgenomen. Via dit bestemmingsplan kunnen om die reden maximaal 15 kampeermiddelen worden toegestaan.

Landschappelijke inpassing
Het is wenselijk eisen te stellen aan de landschappelijke inpassing. Met behulp van erfbeplanting kunnen de kampeermiddelen zo veel mogelijk aan het oog worden onttrokken.

Periode beperken: 15 maart tot en met 31 oktober
Het is gewenst het kleinschalig kamperen slechts toe te staan in een beperkte periode van het jaar. Dit om permanente bewoning tegen te gaan en ontsiering van het winterlandschap te voorkomen, wanneer de afschermende werking van erfbeplanting ontbreekt. Daarmee wordt ook tegengegaan, dat er stacaravans kunnen worden geplaatst.

Alleen tenten en 'gewone' caravans; geen stacaravans
Om permanente bewoning tegen te gaan en te voorkomen dat een soort kleine vakantieparkjes ontstaan, met aanbouwsels, hekwerkjes et cetera, is het gewenst om alleen tenten en 'gewone' caravans toe te staan.

Sanitaire en andere bijbehorende voorzieningen
Ten behoeve van het kamperen bij de boer mogen bijbehorende bouwwerken, zoals sanitaire voorzieningen, worden opgericht met een maximum oppervlakte van 50 m². De maximale goot- en bouwhoogte bedragen respectievelijk 3 meter en 5 meter.

4.2.7 Bebouwingsmogelijkheden op en buiten bouwvlak

Kassen
Voor grootschalige kwekerijbedrijven geldt dat zij niet passen in het karakter van het (zuidelijk deel van het) plangebied. De bij deze agrarische bedrijven behorende kassen zouden een verdichtend effect hebben op de nu nog visueel open agrarische gebieden. De bestemmingsregeling laat de vestiging van nieuwe grootschalige kwekerijbedrijven en bouw van grote oppervlakken aan kassen dan ook niet toe.

Wel is de bouw van kassen bij ieder agrarisch bedrijf rechtens toegestaan als een ondergeschikte neventak. Per agrarisch bedrijf mag, uitsluitend binnen het bouwvlak, een oppervlakte van 300 m² aan teeltondersteunende kassen aanwezig zijn.

Bedrijfswoningen
Bestaande bedrijfswoningen
De bedrijfswoningen van de agrarische bedrijven mogen een maximale inhoud hebben van 600 m3 (of 800 m3 , mits landschappelijk inpasbaar). Mocht de bestaande inhoud meer bedragen dan 600 m3, dan vormt die inhoud de maximale inhoudsmaat voor de bedrijfswoning. Via de algemene bouwregel voor bestaande afmetingen en afstanden is dit geregeld.

De toegestane oppervlakte aan bijgebouwen, behorende bij de bedrijfswoning is niet aan een maximale maatvoering gekoppeld, omdat op het bouwvlak zonder meer gebouwd mag worden en er vaak een combinatie wordt gemaakt van bedrijfsgebouwen en bijgebouwen.

Tweede bedrijfswoningen
De bouwvlakken, waar bestaande tweede bedrijfswoningen voorkomen, zijn op de verbeelding als zodanig aangeduid. Ten behoeve van het positief bestemmen van deze bedrijfswoningen is waar noodzakelijk binnen het bouwvlak een aanduiding 'maximum aantal bedrijfswoningen' opgenomen, met het bijbehorend aantal.

De huidige moderne bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf maakt de realisatie van een nieuwe tweede bedrijfswoning steeds minder noodzakelijk. Gelet op dit gegeven en uit het oogpunt van een zorgvuldig ruimtegebruik en de ontstening van het buitengebied, staat de bestemmingsregeling de bouw van (nieuwe) tweede bedrijfswoningen niet toe. Een terughoudend beleid inzake tweede bedrijfswoningen wordt ook ingegeven door het feit, dat in het verleden tweede bedrijfswoningen vaak zijn afgesplitst van het bedrijf en daardoor feitelijk burgerwoningen zijn geworden. Dit is aan de ene kant in strijd met het beleid om aan het buitengebied geen nieuwe burgerwoningen toe te voegen. Aan de andere kant snijdt de agrariër zich hierdoor veelal ook zelf in de vingers, omdat de milieutoetsing op het aspect stankhinder dan zwaarder kan gaan uitvallen.

De Wet plattelandswoningen biedt voor dit laatste een oplossing, door bewoning van voormalige agrarische bedrijfswoningen door derden mogelijk te maken, zonder dat dit een belemmering vormt voor het bedrijf. Het is echter niet de bedoeling om via een omweg op deze manier nieuwe burgerwoningen te bouwen (het bouwen van een tweede bedrijfswoning om vervolgens er een plattelandswoning van te maken). Om die reden is het toestaan van een tweede bedrijfswoning niet opgenomen in de bestemmingsplanregeling.

Bedrijfswoning uitgesloten
Op sommige bouwvlakken is het niet toegestaan een bedrijfswoning op te richten, vanwege het ontbreken van de noodzaak een bedrijfswoning op te richten. Het komt ook voor dat de bedrijfswoning is gelegen op het aansluitende bouwvlak dat buiten het bestemmingsplangebied is gelegen, hetzij omdat de gemeentegrens door het bouwvlak loopt, hetzij voor een deel van het bouwvlak nog een actueel planologisch regime geldt. Deze bouwvlakken hebben specifiek de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' toegekend gekregen.

Paardenhouderijen en paardenbakken
De agrarische bedrijven die de bedrijvigheid paardenhouderij omvatten, zijn aangeduid op de verbeelding door middel van de aan het bouwvlak toegekende aanduiding 'paardenhouderij'. Op die wijze is het ook het bouwen ten dienste daarvan mogelijk gemaakt.

Bij steeds meer agrarische bedrijven verschijnen voorts paardenbakken. Vanwege de rommelige uitstraling van paardenbakken en de bijbehorende voorzieningen als tredmolens is hiervoor een aparte juridische regeling in het bestemmingsplan wenselijk. Het uitgangspunt in dezen is dat de aanwezigheid van paardenbakken in principe te beperken tot de agrarische bouwvlakken. Alleen de reeds bestaande, buiten het agrarisch bouwvlak gelegen paardenbakken zijn positief bestemd middels de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - paardenbak' op de verbeelding. Het gaat dan om die paardenbakken, die krachtens een vergunning tot stand zijn gekomen en/of vallen onder het overgangsrecht van het voor dit bestemmingsplan vigerende plan. Tot slot is het oprichten van paardenbakken buiten het agrarisch bouwvlak aangewezen als een vorm van verboden gebruik. Ook verlichting is niet toegestaan.

Het oprichten van een paardenbak buiten het agrarisch bouwvlak is voor agrarisch bedrijven nog wel onder voorwaarden mogelijk, via een in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. In deze gevallen is het van belang dat de bestemmingsregeling waarborgt dat de paardenbak en/of tredmolen op een zorgvuldige manier in het landschap ingepast wordt, eventueel door de aanleg van afschermende beplanting, bestaande uit van oudsher in de streek voorkomende beplanting.

Daarnaast is het in sommige gevallen tevens aanvaardbaar de oprichting van paardenbakken toe te staan bij burgerwoningen, onder weliswaar strikte voorwaarden. Bij een burgerwoning hoeft tegen één paardenbak geen bezwaar te bestaan, mits het een niet-bedrijfsmatige en louter recreatieve activiteit betreft (5 paarden of minder), de oppervlakte van het bij de woning behorende perceel tenminste 1 ha bedraagt en de toegestane inhoud dan wel oppervlakte aan bijgebouwen niet wordt overschreden door de noodzakelijkerwijs te realiseren bijgebouwen, zoals stallen. De oppervlakte van de paardenbak is met een afmeting van 20x40 meter gemaximeerd tot 800 m². Het plan voorziet in de mogelijkheid tot het oprichten van paardenbakken bij burgerwoningen middels een afzonderlijke afwijkingsbevoegdheid in de Algemene gebruiksregels. Voorwaarden als het op een zorgvuldige manier inpassen in het landschap zijn onverkort van toepassing.

In alle gevallen is het plaatsen en gebruik van lichtmasten bij paardenbakken niet toegestaan.

Schaapskooien (e.a. karakteristieke agrarische bebouwing)
Op enkele plaatsen in het plangebied komen 'schaapskooien' voor. Aangezien deze bebouwing cultuurhistorisch gezien waardevol is, maar in veel gevallen buiten het agrarisch bouwvlak is gelegen, is het gewenst een regeling te treffen die regelt dat bestaande, buiten het agrarisch bouwvlak gelegen schaapskooien gehandhaafd blijven, uitsluitend ten behoeve van het agrarisch gebruik.

Aan de desbetreffende schaapskooien is daarom op de verbeelding de aanduiding 'overige zone - schaapskooi' toegekend en is in de bouwregels een regeling getroffen. Aangetekend wordt dat het gebruik van de als zodanig aangeduide schaapskooien voor het wonen hiermee (bij recht) uitgesloten is.

Door middel van een wijzigingsbevoegdheid is het onder voorwaarden wel toegestaan sommige schaapskooien ten behoeve van bewoning of andere functies te gebruiken. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een schaapskooi op een erf en een vrij gelegen schaapskooi. De functieverandering moet in dienst staan van het behoud van de cultuurhistorische waarden van de schaapskooi.

4.2.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde

Ter bescherming van de aanwezige natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het plangebied is het wenselijk voor een aantal werken en werkzaamheden in de agrarisch gebieden, voor zover die plaatsvinden buiten het agrarisch bouwvlak, de vereiste van een omgevingsvergunning te laten gelden. Op deze manier kunnen, alvorens een gevraagde omgevingsvergunning al dan niet te verlenen, die werkzaamheden eerst worden getoetst. Om de diverse aanwezige waarden in het plangebied inzichtelijk te maken, zijn op de verbeelding functieaanduidingen opgenomen voor de agrarische bestemming.

Teneinde de agrarische bedrijfsvoering van het landelijk gebied niet onmogelijk te maken, is het normaal beheer en onderhoud uitgezonderd van de vergunningplicht. Zo is bereikt dat een omgevingsvergunning alleen vereist is voor die werken en werkzaamheden, die de aanwezige natuur-, landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het betreffende gebied zouden kunnen aantasten.

Aldus zijn er op de verbeelding voor de agrarische bestemming functieaanduidingen vermeld, die aangeven om welke waarden het gaat. Deze aanduidingen gelden uitsluitend voor de gronden buiten de bouwvlakken. Hieronder worden de gehanteerde functieaanduidingen toegelicht. Ook wordt zoveel mogelijk duidelijk gemaakt op welke manier de beoordeling van de aanvraag plaats moet vinden: of concrete werkzaamheden aanleiding kunnen geven tot onevenredige schade. In voorkomend geval gaat het daarbij, indien het agrarische gebied een gebied binnen de Groene contour betreft, ook om toetsing aan het 'Nee, tenzij'-regime. Dit biedt enerzijds handvatten voor diegenen die bij de beoordeling betrokken zijn, en anderzijds ook meer duidelijkheid voor de aanvrager. Het betreft de hierna volgende functieaanduidingen.

Half-open landschap
In de agrarische gebieden, die met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - half-open landschap' zijn aangeduid als half-open landschap, zijn de houtopstanden in de vorm van bosjes, houtwallen, houtsingels en weg- en erfbeplanting (mede) beeldbepalend. Al deze houtopstanden geven het landschap een bijzonder karakter, dat beschermd moet worden. Om die reden is het vellen en rooien van deze houtopstanden gekoppeld aan een omgevingsvergunning. Het vellen van houtopstanden is zo niet verboden, maar uitsluitend toegestaan, indien het speciale karakter van het half-open landschap daardoor niet wordt aangetast. Eventueel kan het vellen van deze houtopstanden acceptabel worden gemaakt, door in de directe nabijheid houtopstanden te herplanten, van een vergelijkbare soort. Overigens is voor het vellen en uitdunnen in het kader van normaal, periodiek beheer en onderhoud geen omgevingsvergunning vereist.

Daarnaast wordt in de gebieden met deze aanduiding ook een omgevingsvergunning gevraagd voor het bebossen en het beplanten met houtopstanden. Deze gebieden hebben een kenmerkende landschapsstructuur, doordat er verspreid in het landschap houtopstanden voorkomen. Het in belangrijke mate bebossen van deze gebieden kan de landschapscultuur aantasten en dient dus vooraf te worden getoetst op de landschappelijke gevolgen.

Open landschap
Bij de agrarische gebieden, waarvoor geldt dat zij middels de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - open landschap' zijn gekenmerkt als open landschap, staat vooral het behoud van de karakteristieke open gedeelten van het landschap centraal. Het gaat daarbij om de uiterwaarden van de Nederrijn/Lek en het Amerongerweteringgebied, maar ook om kleinere open plekken tussen gesloten bossen en zichtrelaties. Dit geeft het landschapsbeeld een kenmerkende karakteristiek, die niet verloren mag gaan. Vanuit dat oogpunt is het bebossen van deze gebieden aan een omgevingsvergunning gekoppeld.

Kwelafhankelijke vegetatie
In de agrarische gebieden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwelafhankelijke vegetatie' is sprake van zowel de aanwezigheid van voldoende kwalitatief goed water als natuurwaarden, die van dit kwelwater afhankelijk zijn. Gelet op het grote belang van de waterhuishouding in deze gebieden zijn werkzaamheden, die kunnen leiden tot veranderingen in de grondwaterstand, gekoppeld aan een omgevingsvergunning. Dit kan onder andere het slaan van putten, het vergroten van de toe- of aanvoer van water door bijvoorbeeld afdammen, stuwen of bemalen, en het draineren van gronden betreffen. Dergelijke werkzaamheden veroorzaken in veel gevallen een daling van de grondwaterstand, waardoor onbedoelde effecten kunnen optreden, zoals het verdwijnen van ecologisch waardevolle levensgemeenschappen, welke aan vochtige milieus gebonden zijn.

Voor het aanleggen en dempen van watergangen in deze agrarische gebieden geldt de vereiste van een omgevingsvergunning niet, nu hiervoor op grond van de Keur van het Hoogreemraadschap al een vergunning nodig is en de Keur ook toeziet op de bescherming van ecologische kwaliteiten. Het in dit plan opnemen van een omgevingsvergunningsvereiste zou aldus leiden tot een doublure, hetgeen ongewenst is. Uit waterhuishoudkundig oogpunt zullen dempingen, vanwege het verlies aan waterberging, qua oppervlakte volledig moeten worden gecompenseerd.

Een omgevingsvergunning is daarnaast niet vereist voor het kunstmatig beregenen van weilanden en ook niet voor werkzaamheden in het kader van normaal beheer en onderhoud, waarbij geringe en tijdelijke waterstandswijzigingen optreden.

Wel moet in deze gebieden ook een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het afgraven en het ophogen van gronden, voor het diepploegen en de aanleg van ondergrondse leidingen. Voor de aanleg van bovengrondse leidingen zal meestal zonder meer een vergunning verleend kunnen worden. En omdat ook het bebossen van gronden kan leiden tot een aantasting van het aanwezige ecologische systeem, is ook daarvoor een omgevingsvergunningsvereiste opgenomen. Dit vereiste geldt vooral voor de waardevolle overgangen met de aangrenzende natuur- en bosgebieden.

Als toetsingscriterium voor al deze werkzaamheden geldt met name dat de activiteit niet mag leiden tot vermindering van de kweldruk, verdroging op grote schaal of toename van water- of onderwatervervuiling. Het spreekt voor zich dat de werkzaamheden niet mogen leiden tot de beschadiging van de waardevolle beplanting (inclusief de beworteling ervan). Tenslotte mogen de werkzaamheden geen verdroging of ontwatering tot gevolg hebben.

4.2.9 Hergebruik vrijkomende agrarische bebouwing

Algemeen
Gelet op de vaak moeilijke positie waarin het agrarisch bedrijfsleven zich bevindt ten gevolge van scherpe milieu-eisen en het internationale markt- en prijsbeleid mag verwacht worden, dat in de komende planperiode meerdere agrarische bedrijven zullen worden beëindigd. Tot nog toe zijn het vooral de kleinere agrarische bedrijven die ermee ophouden, maar de verwachting bestaat dat dit in toenemende mate ook grotere bedrijven met behoorlijke opstallen zal betreffen.

Deze vrijkomende agrarische opstallen roepen de vraag op naar de toekomstige bestemming en gebruik. Uitgangspunt van het beleid is dat zoveel mogelijk gestreefd moet worden naar agrarisch hergebruik van de opstallen. Voordat over het toestaan van eventuele andere functies gesproken wordt, zal dan ook moeten worden aangetoond, dat agrarisch hergebruik niet mogelijk is of niet reëel is. In de praktijk blijkt echter, dat veel van deze gebouwen verouderd zijn en daarom geen directe waarde meer hebben voor agrarisch hergebruik.

Als agrarisch hergebruik niet mogelijk blijkt, zou uit landschappelijk oogpunt sloop gewenst zijn. In de praktijk is daadwerkelijke sloop daarentegen vaak moeilijk te realiseren (kostenoverweging: kapitaalvernietiging). Het is dan ook wenselijk sturing te geven aan de hergebruikmogelijkheden van deze (voormalig agrarische) bedrijfsgebouwen.

De gedachte daarbij is dat een positief beleid - het onder stringente randvoorwaarden enige mogelijkheden bieden - effectiever wordt geacht dan een verbod. In de praktijk zal handhaving van de verbodspraktijken namelijk moeizaam werken. Bovendien zijn er goede maatschappelijke argumenten aan te voeren: het slopen van de gebouwen wordt voorkomen (kapitaalvernietiging: slopen kost veel geld). In geval van voormalig agrarische gebouwen in zeer kwetsbare gebieden kan sloop evenwel de voorkeur hebben. Dat is alleen te realiseren wanneer daar ook geld voor beschikbaar komt, bijvoorbeeld in de vorm van een sloopfonds.

Als algemene uitgangspunten voor hergebruik van voormalig agrarische gebouwen gelden de volgende regels:

  • het moet gaan om een algehele beëindiging van het agrarisch bedrijf (onderdeel daarvan is het inleveren van de milieuvergunning);
  • de vrijkomende gronden moeten in agrarisch gebruik blijven of worden ingericht voor natuurontwikkeling;
  • de omliggende agrarische bedrijven en/of woningen mogen niet worden belemmerd;
  • goede landschappelijke inpassing;
  • geen hinder voor het milieu;
  • er dient toetsing aan gevolgen voor de natuur en waterhuishouding plaats te vinden;
  • geen uiterlijk vertoon, zoals reclame-uitingen in allerlei vormen;
  • geen toename van de bebouwing: een minimale sloop van 50% van de oppervlakte van de bestaande voormalig agrarische bedrijfsgebouwen, waarbij maximaal 200 m² mag resteren. Van deze maatvoering kan worden afgeweken, als het gaat om de laatste categorie bedrijven (aan landbouw verwante functies), zoals hierna wordt aangegeven onder functieverandering naar bedrijven. Deze regeling geldt overigens niet voor functieverandering naar wonen. Als aandachtspunt geldt dat sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen voorkomen moet worden;
  • geen aanmerkelijke toename van de verkeersbelasting.

Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan via een wijzigingsbevoegdheid de agrarische bestemming (het agrarisch bouwvlak) worden omgezet in een aantal andere bestemmingen.

Bij de hergebruiksmogelijkheden kan gedacht worden aan verschillende functies. De in het plan opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zien in het algemeen wel alleen toe op functies, die in beginsel niet leiden tot een onevenredige aantasting van het landschap, het natuurlijk milieu van de omgeving en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De activiteiten die volgens het bestemmingsplan in vrijkomende agrarische bebouwing kunnen worden toegestaan, leveren in feite geen (verdere) visuele of akoestische verstoring op voor de omliggende omgeving. Vooral de mogelijke ligging van de bestaande functie binnen of in de nabijheid van de EHS dan wel in een stiltegebied is dat van belang.

Met nadruk wordt tenslotte vermeld dat het dus niet gaat om nieuwvestiging, maar alleen om het benutten van bestaande voormalig agrarische bedrijfsgebouwen, die nu nog een agrarische bestemming hebben.

Hoofd- en nevenfuncties
Bij hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing wordt onderscheid gemaakt in neven- en hoofdfuncties. Bij een agrarisch bedrijf worden via dit plan die nevenactiviteiten toegestaan, die de economische basis moeten of kunnen versterken. De hoofdfunctie van agrarisch bedrijf blijft hierbij intact. Daarnaast wordt in het bestemmingsplan ook een regeling opgenomen, waardoor het uitoefenen van een nieuwe hoofdfunctie toegestaan kan worden bij bedrijfsbeëindiging van een agrarisch bedrijf. De bestemming wordt in dat geval ook gewijzigd.

Met betrekking tot de functies die kunnen worden toegestaan, is gekozen voor het opnemen van een (indicatieve) positieve lijst met mogelijke niet-agrarische functies in de regels. De lijst is indicatief om ook ruimte te bieden aan vergelijkbare, nog niet benoemde activiteiten. Een gelimiteerde lijst levert wellicht meer duidelijkheid op, maar biedt weinig ruimte om in te spelen op onvermoede kansen en initiatieven. Op basis van de ervaringen met de nieuw geboden ruimte zal na verloop van tijd beoordeeld moeten worden in hoeverre aanpassing nodig is van de geboden ruimte en eisen.

Het gaat hier in alle gevallen om functieverandering binnen de bestaande bedrijfsbebouwing. Daarnaast worden de nodige eisen gesteld om ruimtelijke kwaliteit en zorgvuldige beoordeling van initiatieven te verzekeren, zoals met betrekking tot landschappelijke inpassing, behoud van uitstraling, bereikbaarheid, ontsluiting, verkeersdruk, buitenopslag, geen extra hinderbeperkingen voor naastgelegen agrarische bedrijven, stiltegebied et cetera.

Functieverandering
Functieverandering naar verblijfsaccommodatie of een anderszins recreatieve invulling is een goede mogelijkheid die inspeelt op het toeristisch-recreatief aantrekkelijk maken van buitengebieden. Kleinschaligheid is daarbij het speerpunt. Ook functieverandering naar kleinschalige vormen van niet-agrarische bedrijvigheid, die passend zijn in een buitengebied (dus niet verkeersaantrekkend, geen buitenopslag en dergelijke), behoort om die reden tot de mogelijkheden. De gemeente stelt wel een aantal voorwaarden aan de activiteiten in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Zo moeten activiteiten in de bestaande bebouwing plaatsvinden en mogen nieuwe activiteiten geen verrommeling van de erven geven. Daarnaast moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing en een verantwoorde situering in relatie tot de beleidsdoelen van de reconstructie. Ook zal er een goed evenwicht moeten zijn tussen de agrarische en bedrijfsmatige activiteiten in de directe omgeving. De infrastructuur moet ingericht zijn, of geschikt te maken zijn, voor de nieuwe activiteit. Bovendien mogen de omliggende agrarische bedrijven niet in activiteiten en eventuele uitbreidingsmogelijkheden worden beperkt. In stiltegebieden of in de directe nabijheid daarvan is slechts beperkt functieverandering mogelijk.

Functieverandering naar wonen
Het provinciaal beleid voor vrijkomende bebouwing is primair gericht op kwaliteitswinst door ontstening van het landelijk gebied, via (gedeeltelijke) sloop van voormalige bedrijfsbebouwing, in combinatie met vervangende woningbouw. Hierbij geldt een aantal voorwaarden. Bij sloop van alle voormalige (cultuurhistorisch niet-waardevolle) bedrijfsgebouwen is de bouw van één of meer extra woningen mogelijk ('Ruimte voor ruimte'-regeling).

Bij functieverandering naar wonen geldt het volgende:

  • Gebruik van de (voormalige) bedrijfswoning als burgerwoning is mogelijk: het agrarisch bouwvlak wordt in een woonbestemming omgezet (met een maximum van 800 m²), teneinde verdere toename van de bebouwing tegen te gaan.
  • Verbouw van de voormalige boerderij tot twee burgerwoningen is mogelijk, mits:
    • 1. dat duidelijk bijdraagt aan de instandhouding van de betreffende bebouwing;
    • 2. er is aangetoond dat agrarisch hergebruik niet mogelijk is;
    • 3. sprake is van inpandige bedrijfsruimte, die verbouwd kan worden tot (tweede) woning (veelal de grotere boerderijen). Geen verbouw van vrijstaande bedrijfs- of bijgebouwen tot woning;
    • 4. de overige opstallen moeten worden gesloopt, met uitzondering van gebouwen die als bijgebouw voor het wonen dienst gaan doen (maximaal 50 m² per woning);
    • 5. de inhoud van de bestaande woonruimte plus de extra woning mag niet meer bedragen dan de totale inhoud van de voormalige boerderij.
  • in het kader van de Ruimte voor Ruimte-regeling is de bouw van één extra vrijstaande woning toegestaan, mits alle bedrijfsgebouwen (m.u.v. de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing) worden gesloopt, met een minimum van 1.000 m². Bij sloop van 2.500 m² - 4.000 m² is het mogelijk twee extra vrijstaande woningen op te richten. Vanaf 4.000 m² sloop is een derde extra vrijstaande woning mogelijk. Drie nieuwe woningen is het maximaal toegestane aantal.

Functieverandering naar verblijfsrecreatie
Bij functieverandering naar verblijfsrecreatie is het mogelijk om te veranderen naar:

  • kampeerboerderij/pension;
  • kleinschalige verblijfsrecreatie.

Functieverandering naar horeca
Bij functieverandering naar horeca geldt dat volledige omzetting naar horecadoeleinden (drank- en maaltijdverstrekkend, geen logies) alleen via een afzonderlijke herziening en langs doorgaande wegen toelaatbaar is.

Functieverandering naar bedrijven
Op basis van het principe van een positieve lijst kunnen bij functieverandering naar bedrijven de volgende typen bedrijvigheid worden toegelaten:

  • Dienstverlenende bedrijven, nader onder te verdelen in:
    • 1. medische (verwante) dienstverlening, zoals een privé-kliniek, kuuroord, groepspraktijk, welnesscenter of dierenkliniek;
    • 2. sociale dienstverlening, bijvoorbeeld kinderopvang of een zorgboerderij;
    • 3. zakelijke dienstverlening, waaronder een adviesbureau of computerservicebedrijf;
  • ambachtelijke landbouwproducten verwerkende bedrijven (bijvoorbeeld een palingrokerij, wijnmakerij, zuivelmakerij, slachterij, imkerij of riet- en vlechtwerk);
  • overige kleinschalige ambachtelijke bedrijven (bijvoorbeeld een dakbedekker, rietdekker, schildersbedrijf, houtbewerkingbedrijf, meubelmaker of installatiebedrijf);
  • aan landbouw verwante functies, zoals agrarische hulpbedrijven, toeleverende bedrijven, semi-agrarisch, paardenpension.

4.3 Wonen

Bestaande woningen
Voor reeds bestaande burgerwoningen geldt dat deze positief bestemd zijn tot 'Wonen - B 1' voor vrijstaande woningen en 'Wonen - B 2' voor aaneengebouwde, geschakelde en twee-onder-een kap woningen, indien de kwaliteit en de ligging dit rechtvaardigen of dat deze als zodanig in het vigerende plan zijn toegestaan. Daarbij is voor de bestaande burgerwoningen gewerkt met een bestemmingsvlak en een bouwvlak.

Basisregel is dat binnen het bestemmings- en bouwvlak ten hoogste één woning gebouwd mag worden. In het geval er binnen het vlak meer dan één bestaande woning voorkomt, heeft het vlak de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' en een bijbehorende getalswaarde gekregen. Het betreft daarbij in alle gevallen het bestaande aantal, legaal gebouwde woningen. Daar waar noodzakelijk is zo het aantal bestaande woningen positief bestemd.

Voor de hoofdbouwmassa van de woningen geldt een maximale inhoudsmaat van 600 tot 800 m3, mits landschappelijk goed inpasbaar. In die gevallen waar sprake is van bestaande woningen met een grotere bestaande inhoud is deze inhoudsmaat toegestaan, mits dit rechtens tot stand is gekomen. Op deze wijze zijn de grotere woningen expliciet als recht toegestaan en worden overgangsrechtelijke situaties vermeden. De overige bestaande woningen met een kleinere inhoud dan 600 m3 mogen in principe tot maximaal deze maat uitbreiden. Kleinere woningen waarvoor dat niet is toegestaan, bijvoorbeeld voor voormalige recreatiewoningen, zijn specifiek aangeduid.

Kloosterlaantje 2

Het perceel aan het Kloosterlaantje 2 in Driebergen heeft in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Driebergen uit 2004 de bestemming Maatschappelijke voorzieningen en wordt het aangemerkt als bijgebouw van buitenplaats Broekbergen (het voormalige kloostercomplex Arca Pacis).

Hoewel Kloosterlaantje 2, evenals het hoofdhuis zelf, een maatschappelijke bestemming heeft, wordt het al jarenlang bewoond als 'burgerwoning'. Het betreft een voormalig dienstgebouw c.q. dienstwoning behorende bij de buitenplaats Broekbergen. Vanuit dit historische perspectief is een bestemmingswijziging naar wonen logisch. Wonen is in feite een voortzetting van het oorspronkelijke gebruik en levert een belangrijke bijdrage aan de instandhouding van dit waardevolle (geen monument) object. In het gemeentelijk beleid voor historische landgoederen en buitenplaatsen is ook aangegeven, dat het toekennen van een woonfunctie aan bijbehorende bouwwerken in principe mogelijk is.

De woning Kloosterlaantje 2 is gelegen op een afstand van circa 120 meter van het dichtstbij gelegen agrarisch bedrijf. Het wijzigen van de bestemming naar 'Wonen – B1' heeft derhalve geen negatieve gevolgen voor het agrarisch bedrijf. Ook vanuit andere milieu-planologische aspecten zijn er geen negatieve gevolgen. Aangezien het bebouwd oppervlak neemt niet toe neemt, het pand niet is aangemerkt als (gemeentelijk) monument en het slecht de omzetting van een bestaand gebouw naar één woning betreft zijn de milieu-planologische aspecten zoals waterberging, archeologie , cultuurhistorie, luchtkwaliteit en geluid niet van toepassing. Evenmin is de woning gelegen in een geluidscontour.

In voorliggend bestemmingsplan wordt daarom medewerking verleend aan het wijzigen van de bestemming naar 'Wonen – B1'.

Nieuwe bouwmogelijkheden
Vanuit het oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik dienen verstedelijkingsambities binnen de door de provincie vastgestelde rode contouren plaats te vinden. Het is dan ook gewenst om nieuwe bouwmogelijkheden binnen de rode contouren te benutten, om daarmee aantasting van waardevolle en kwetsbare open ruimte door nieuwe verstedelijking tegen te gaan. Gestreefd wordt daarnaast naar het verminderen van de verstening van het buitengebied. Daarbij is vooral de (gedeeltelijke) sloop van voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing aandachtspunt. In het geval van 'Ruimte voor Ruimte' en functieverandering speelt dit aspect om die reden een voorname rol: alleen wanneer een zekere, aanzienlijke oppervlakte aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt, kan er één extra woning of een andere functie worden toegestaan.

In het kader van zorgvuldig ruimtegebruik en het streven naar ontstening van het buitengebied is het dan ook ongewenst in het buitengebied mogelijkheden te scheppen voor de nieuwbouw van burger- en niet-agrarische bedrijfswoningen. In het bestemmingsplan wordt daarom niet ingezet op nieuw op te richten burger- en niet-agrarische bedrijfswoningen, tenzij in kader van Ruimte voor Ruimte.

Inhoudsmaat woningen
Uitgangspunt is dat de reeds bestaande, legaal gebouwde burgerwoningen en niet-agrarische bedrijfswoningen positief bestemd worden in dit bestemmingsplan, indien de kwaliteit en ligging dit rechtvaardigen. Voor de hoofdbouwmassa van burgerwoningen geldt standaard een maximale inhoudsmaat van 600 tot 800 m3 , mits landschappelijk goed inpasbaar. Hiermee wordt aangesloten bij de maatvoering uit de Provinciale Structuurvisie en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Bestaande burgerwoningen, die een kleinere inhoud dan 600 m3 hebben, krijgen zo in beperkte mate uitbreidingsruimte geboden.

In een aantal gevallen is sprake van bestaande burgerwoningen, met een inhoud groter of kleiner dan 600 m³. Voor de woningen in het buitengebied met een grotere inhoudsmaat komt dit veelal voort uit het overgangsrecht. Wanneer de bestaande inhoud groter is dan 800 m³, is de bestaande inhoud toegestaan als maximum inhoudsmaat.

Middels een afwijkingsbevoegdheid kan onder voorwaarden van de maximum inhoudsmaat van 600 m³ worden af geweken tot een maximum van 800 m³, mits landschappelijk inpasbaar. Ook dit is overeenkomstig het provinciale beleid.

Ook komt het voor dat de inhoud van bestaande burgerwoningen kleiner is dan de standaardmaat van 600 m³, zoals bij voormalige recreatiewoningen die in de loop der tijd burgerwoning zijn geworden.

Bijgebouwen
Oppervlakte bijgebouwen
Bij een tot 'Wonen' bestemde burgerwoning mogen bijgebouwen worden gebouwd. De toegestane maximale oppervlakte is gelijk ana hetgeen vergunningvrij mag wordne gebouwd. Her en der is sprake van een oppervlakte aan bestaande bijgebouwen die groter is. Voor de woningen die het betreft, is de grotere oppervlakte aan bijgebouwen toegestaan, mits dit rechtens tot stand is gekomen. Aaneengebouwde woningen mogen niet vrijstaand worden teruggebouwd.

Bijgebouwen dienen vanaf de weg gezien ten minste 1 m achter het verlengde van de voorgevel van de betreffende woning te zijn gesitueerd. In een aantal landhuisachtige situaties zijn echter voor deze denkbeeldige lijn wel degelijk bijgebouwen gebouwd; in de meeste gevallen stuit dat ruimtelijk gezien ook niet op bezwaren. Uit dit oogpunt gezien wordt daarom wel de mogelijkheid geboden op basis van afwijking, en dus onder voorwaarden, bijgebouwen te bouwen op minder dan 1 m achter en voor het verlengde van de voorgevel. Daarnaast is het via afwijking mogelijk de toegestane gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen te vergroten met maximaal 50%, mits er minimaal 1 ha aan onbebouwde gronden aanwezig is en de extra oppervlakte aan bijgebouwen ook noodzakelijk is voor het beheer van de gronden.

Saneringsregeling
In het bestemmingsplan is een sanerende regeling voor bijgebouwen opgenomen. Deze regeling kan vooral van belang zijn, indien er in de bestaande situatie nog altijd een grote hoeveelheid aan bijgebouwen bij een woning aanwezig is. Deze behoorde voorheen bijvoorbeeld toe aan een voormalig agrarisch bedrijf. In zo'n situatie kan met behulp van een afwijkingsbevoegdheid nog steeds een ruimere gezamenlijke oppervlakte of inhoud aan bijgebouwen toe worden gestaan, mits daarbij sloop plaats heeft van die voormalige bedrijfsbebouwing. Uitgangspunt daarbij is dat ten hoogste 50% van de te slopen bebouwing mag worden herbouwd, met dien verstande dat de totale oppervlakte aan bijgebouwen niet meer gaat bedragen dan 200 m2. Op deze manier wordt dus een premie geboden voor het bereiken van een landschappelijke verbetering.

Zelfstandige bijgebouwen
Tenslotte blijken bij een aantal woningen in het plangebied de bijgebouwen dusdanig ver van de woning zelf te zijn gesitueerd, dat het niet gewenst is het bestemmings- en bouwvlak zodanig op te rekken, dat deze binnen het vlak worden gebracht. Om desondanks deze bijgebouwen positief te bestemmen, is aan de desbetreffende bijgebouwen de aan de bestemming 'Natuur' gekoppelde functieaanduiding 'opslag' toegekend, wanneer deze gebouwen duidelijk bij een bestemmings- of bouwvlak behoren. In de bijbehorende bouwregels is bepaald dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van opslag en berging zijn toegestaan.

Aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten
In dit bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen beroepsmatige- en bedrijfsmatige activiteiten in de woning en de bijbehorende bijgebouwen.

Beroepsmatige activiteiten
Bij beroepsmatige activiteiten gaat het vooral om de 'vrije' beroepen. Het plan staat als recht toe dat er in een woning of in de bij een woning behorende bijgebouwen een 'vrij' beroep wordt uitgeoefend, onder de voorwaarde dat de woonfunctie in overwegende mate behouden blijft en de bruto-vloeroppervlakte van de praktijkruimte beperkt blijft tot een maximum van 40% van de totale vloeroppervlakte van de woning en de daarbij behorende bijgebouwen. Hetzelfde geldt voor het in een woning of in de bij een woning behorende bijgebouwen uitoefenen van een aan huis gebonden beroepsactiviteit, maar is wel aan meer voorwaarden gebonden.

Bedrijfsmatige activiteiten
Onder bedrijfsmatige activiteiten wordt verstaan het bedrijfsmatig verlenen van diensten en uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat, in tegenstelling tot beroepsmatige activiteiten, gericht is op consumentenverzorging. Voor het aan huis uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten is dezelfde regeling van toepassing als voor het uitoefenen van een aan huis gebonden beroepsactiviteit.

4.4 Bedrijven

Bestaande bedrijven
Uitgangspunt
Bedrijven, horeca en kantoren zijn positief bestemd tot respectievelijk 'Bedrijf', 'Horeca' en 'Kantoor', indien het een bestaande hoofdactiviteit in het pand of op het perceel betreft. Ondergeschikte bedrijfsactiviteiten, zoals bijvoorbeeld een praktijkruimte bij een woning (van niet meer dan 40% van het bruto vloeroppervlak) zijn niet zelfstandig bestemd, omdat deze ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie.

Voor zover de (fysieke) ruimte ervoor aanwezig is en de functie ter plaatse niet storend is, bieden de regels van de diverse bestemmingen in beperkte mate, en onder voorwaarden, mogelijkheden voor uitbreiding van de bestaande activiteiten en bebouwing. Hieronder wordt een uitbreiding mogelijk op grond van een afwijking met maximaal 20%. Voor zover zich visueel of landschappelijk storende situaties voordoen bij niet-agrarische functies is de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid gericht op het in goed overleg met betrokkenen aanbrengen van verbeteringen. Het zal dan veelal gaan om de realisatie van passende beplanting voor een goede landschappelijke inpassing.

Uitzonderingen
Uitbreidingsruimte wordt niet bij recht, maar onder voorwaarden geboden. Dit heeft te maken met het gegeven dat deze bedrijven en kantoren nut en noodzaak moeten aantonen en landschappelijk moeten worden ingepast. Ook kan het zijn dat deze bedrijven gelegen zijn binnen de Groene contour of de EHS. Maar het kan ook verband houden met de eventuele ligging in of direct naast een stiltegebied. Dit laatste geldt voor onder andere het dierenasiel aan de Bergweg. Uitbreidingen kunnen hier mogelijk leiden tot een verstoring van de stilte (rust), wat op basis van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) niet is toegestaan.

In het geval een bedrijf, horecagelegenheid of kantoor binnen de EHS is gelegen, geldt dat in het kader van de afwijking getoetst moet worden aan het 'Nee, tenzij'-regime als het een vergroting betreft van meer dan 100 m2. Dan zal eerst aangetoond dienen te worden dat er geen significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS is. Omvat de uitbreiding minder dan 100 m2, hoeft een 'Nee, tenzij'-toets niet uitgevoerd te worden.

Wijze van bestemmen
Op de verbeelding is een bestemmingsvlak toegekend. De bestemmingsvlakken zijn ingetekend op basis van kadastrale gegevens, de meest recente luchtfoto's en het geldende bestemmingsplan. Binnen het bestemmingsvlak is een bouwvlak bepaald. Dit bouwvlak is als volgt begrensd. De voorgevelrooilijn is strak op de voorgevel gelegd. Vervolgens is aan de overige zijden 5 m ruimte gelaten tussen zij- en achtergevels enerzijds en het bouwvlak anderzijds.

In de regels is vermeld welke bebouwingsmogelijkheden aanwezig zijn. In beginsel mogen de bouwvlakken 100% worden bebouwd, tenzij op de verbeelding anders is aangegeven middels een lager bebouwingspercentage.

In beginsel zijn bedrijven tot en met categorie 2 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten buitengebied toegestaan. Daarnaast zijn diverse bedrijven specifiek aangeduid, om aan te geven dat daar mede een dergelijk bedrijf is toegestaan. Het gaat bijvoorbeeld om een grondverzetbedrijf ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - veehandel'.
De maximale goot- en bouwhoogte bebouwing is op de verbeelding weergegeven. Bedrijfswoningen zijn op de verbeelding specifiek aangeduid middels de aanduiding 'bedrijfswoning'.

Functieverandering
Het gemeentelijk beleid ten aanzien van functieverandering bij niet-agrarische bedrijven, ofwel een ander soort (horeca)bedrijf heeft tot doel van geval tot geval te kunnen beoordelen of en in hoeverre hieraan meegewerkt kan worden. Als algemene randvoorwaarden gelden hierbij:

  • De omliggende agrarische bedrijven mogen niet worden belemmerd, bijvoorbeeld uit het oogpunt van geurhindercontouren;
  • Geen toename van de hinder voor het milieu, in vergelijking met het oorspronkelijke bedrijf;
  • Geen detailhandel of seksinrichting;
  • Geen buitenopslag;
  • Geen uiterlijk vertoon, zoals reclame-uitingen in allerlei vormen;
  • Geen toename aan bebouwing;
  • Geen toename van de verkeersaantrekkende werking.

Dit resulteert erin dat bij een functiewijziging maximaal een categorie 1 of 2 bedrijf is toegestaan, zoals vermeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een functiewijziging naar een bedrijf met een hogere milieucategorie is niet mogelijk. Bedrijven met een hogere milieucategorie dienen zoveel mogelijk geconcentreerd te worden op bedrijventerreinen (buiten het plangebied).

Vanzelfsprekend is bij een eventuele functieverandering ook de mogelijke ligging in een stiltegebied van belang. Echter, een objectieve toetsing of de andere functie of inrichting de akoestische kwaliteit van het stiltegebied nadelig kan beïnvloeden, is niet mogelijk. In het plan kan het dan ook niet opgenomen worden als randvoorwaarde. Uit het oogpunt van het niet belemmeren van omliggende agrarische bedrijven en het voorkomen van een toename van de hinder voor het milieu is daarentegen wel vastgelegd in het bestemmingsplan dat de andere functie of inrichting alleen bedrijven mag betreffen, die in Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn vermeld als zijnde categorie 1 of 2. Omdat van deze bedrijven de indicatieve afstand voor het aspect geluid ten hoogste 30 m bedraagt, mag aangenomen worden dat een eventuele functieverandering geen nadelige gevolgen zal hebben voor de akoestische kwaliteit van de in het plangebied gelegen stiltegebieden.

Nieuwvestiging van niet-agrarische functies
Het gemeentelijk beleid laat in het buitengebied nieuwvestiging van niet-agrarische functies niet toe, of het nu gaat om wonen of bedrijven. Een uitzondering kan eventueel worden gemaakt voor de vestiging van bepaalde functies, die naar hun aard beter in de kernrandzone van het buitengebied passen dan in de kern, zoals een manege, dierenpension of kinderboerderij. Hiervoor zal een aparte planologische procedure moeten worden doorlopen. Voor een nieuw kleinschalig bedrijf in vrijkomende agrarische bebouwing zijn wel mogelijkheden opgenomen in het bestemmingsplan.

Instellingen
Aan de in het plangebied gevestigde instellingen, die een maatschappelijk karakter hebben c.q. een maatschappelijke voorziening omvatten, is de bestemming 'Maatschappelijk' toegekend. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een hospice, kinderdagverblijf, begraafplaats of onderwijsinstelling. Voor iedere locatie geldt een maximum bebouwingspercentage.

De bouwvlakken voor de instellingen zijn zoveel mogelijk strak begrensd, waarbij wel rekening is gehouden met de gebruiks- en bouwmogelijkheden op grond van het voor dit bestemmingsplan vigerende plan. Om die reden volgen de op de verbeelding ingetekende bestemmings- en bouwvlakken de contouren van het ten behoeve van de desbetreffende instelling in gebruik zijnde terrein dan wel de daarop aanwezige bebouwing.

4.5 Verkeer en parkeren

Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan (2010)
Het doel van het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoer Plan (GVVP) is driedelig:

  • 1. Beleidskader:
    Het GVVP biedt een realistisch en concreet beleidskader voor het optreden van de gemeente op het gebied van verkeer en vervoer. Concrete verzoeken van inwoners en herinrichtingsplannen van de gemeente worden getoetst aan dit beleid, maar het bepaalt ook het gemeentelijk standpunt bij regionale ontwikkelingen en projecten;
  • 2. Prioritering:
    Het GVVP geeft prioriteiten aan voor investeringen van de gemeente in verkeer en vervoer. Er is duidelijkheid en transparantie over de projecten, zowel voor de financiering als de planning;
  • 3. Integraal beleid:
    Het GVVP brengt samenhang tussen de verschillende onderdelen van het verkeers- en vervoerbeleid en tussen dit beleid en andere beleidsterreinen (o.a. natuur en landschap, milieu, ruimtelijke ontwikkeling, werk en economie).

De doelstelling van het plan luidt als volgt: "Het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid moet leiden tot een duurzaam verkeers- en vervoersysteem met een gezonde en veilige leefomgeving in een groene, bereikbare, economisch gezonde gemeente."

De belangrijkste maatregelen voor dit bestemmingsplan zijn:

  • Doorsnijding van het Nationaal Park voorkomen door middel van het autoluw maken van een aantal wegen in het buitengebied.
  • Op gebiedsontsluitingswegen maatregelen (ecoducten en tunnels) treffen waardoor de natuurgebieden met elkaar worden verbonden.
  • Op alle erftoegangswegen buiten de bebouwde kom 60 km/h instellen.
  • Verlichting langs wegen integraal afwegen en daarbij dynamische verlichting nadrukkelijk betrekken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0031.png"

Afbeelding - Wegencategorisering

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Voor de bestemmingssystematiek aansluiten bij de wegencategorisering van het GVVP;
  • Voor de parkeernormen gaat het GVVP uit van de CROW-normen. In het bestemmingsplan wordt hierop aangesloten, door middel van de ASVV2008, waarin de CROW-normen zijn uitgewerkt.
  • Ruimtelijk relevante ontwikkelingen, voor zover nog niet concreet, worden niet in het bestemmingsplan opgenomen, maar dienen buitenplans te worden uitgevoerd.

Verkeersvoorzieningen
Alle openbare wegen in het plangebied, alsmede de belangrijkste specifieke fietspaden zijn, inclusief de daarvan deel uitmakende voet- en fietspaden, fietsstroken, rabatstroken en bermen, bestemd tot 'Verkeer'. Het betreft die wegen en paden, die voor de verkeersafwikkeling en de -ontsluiting een functie hebben en openbaar zijn. Bepalend is dus de aard van het gebruik en niet de wijze van inrichting. Ook zijn onder meer in deze bestemming groenvoorzieningen, jongerenontmoetingsplaatsen, onoverdekte terrassen, winkeluitstallingen, straatmeubilair en kunstobjecten toegestaan.

Effecten bestemmingsplan
In het kader van de planm.e.r. is onderzocht wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn op het thema verkeer.

De uitbreiding van veehouderij bedrijven hangt samen met het aantal bedrijven wat zal stoppen in het gebied. In het kader van het bestemmingsplan nemen de verkeersintensiteiten in het plangebied mogelijk (zeer) beperkt toe maar gezien de (zeer) beperkte omvang van de toename zal de hinderbeleving naar verwachting nagenoeg gelijk blijven. De verkeersveiligheid blijft gelijk ten opzichte van de referentiesituatie.

4.6 Milieu

4.6.1 Gebiedsgericht milieubeleid

Gebied gericht milieubeleid is bedoeld om milieukwaliteit te borgen bij nieuwe ontwikkelingen.

Gebiedsgericht beleid maakt het mogelijk om, daar waar dit gewenst of nodig is, tot differentiatie in milieukwaliteit te komen. Het motto hierbij is: “de juiste milieukwaliteit op de juiste plek”. Met gebiedsgericht milieubeleid is het kwaliteitsniveau afhankelijk van de situatie in verschillende gebieden, zoals bijvoorbeeld een stadscentrum, een suburbane woonwijk, een bedrijventerrein of een natuurgebied. Door ambities af te stemmen op de kenmerken van een gebied, kunnen de karakteristieke kwaliteiten van een gebied worden beschermd of verbeterd. Met behulp van gebiedsgericht milieubeleid worden milieuvoorwaarden en -ambities voor de ontwikkeling van specifieke gebieden vroegtijdig geformuleerd en kunnen ze gestructureerd en op het juiste moment worden ingebracht bij ruimtelijke planvorming.

Omdat het bij het op te stellen plan buitengebied Driebergen gaat om een conserverend plan kan niet beoordeeld worden of toekomstige ontwikkelingen voldoen aan de uitgangspunten van het beleid. Wel kan beoordeeld worden of de bestaande milieukwaliteit overeen komt met de gewenste kwaliteit. Per milieuthema zal, daar waar mogelijk hier nader op in worden gegaan.

Gebiedtypen en milieukwaliteitsprofielen

Een gebied met een typerende set van ruimtelijk-functionele kenmerken, zoals wonen of kantoren, wordt een 'gebiedstype' genoemd. Aan gebiedstypen kunnen toepasselijke (milieu)kwaliteitscriteria worden verbonden. Zodoende worden ambities voor bijvoorbeeld geluid, luchtkwaliteit, water of energie specifiek afgestemd op de ruimtelijk-functionele kenmerken van gebieden. Een milieukwaliteitsprofiel is een hulpmiddel om de passende milieuambities voor een bepaald gebied samenhangend uit te drukken. Per gebied wordt de gewenste milieukwaliteit op de relevante milieuthema's aangegeven.

Voor het plangebied buitengebied Driebergen zijn de milieukwaliteitsprofielen 'Landelijk gebied natuur', 'Landelijk gebied, verweving van functies' en 'Verkeersassen' van toepassing. Per gebiedstype is een milieukwaliteitprofiel opgesteld.

Per gebiedstype en per milieuaspect zijn drie niveaus benoemd: het 'wettelijk niveau', de 'huidige kwaliteit' en de 'gebiedsambitie'. Zie bijlage 2 Milieuadvies Omgevingsdienst Regio Utrecht bijlagen

4.6.2 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies worden hinder en gevaar voorkomen (goed woon- en leefklimaat) en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt getoetst conform de VNG handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009), de Wet milieubeheer, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Wet geurhinder.

Geur
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit vormen voor de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning en meldingen het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij en Activiteitenbesluit geven minimale afstanden aan die aangehouden moeten worden tussen agrarische bedrijven en geurgevoelige objecten. Voor een deel van de bedrijven gelden vaste afstanden, voor een ander deel van de bedrijven moeten de afstanden worden berekend aan de hand van dieraantallen en staltypen. Vanuit het principe 'een goede ruimtelijke ordening', zoals genoemd in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de Wgv indirect consequenties voor de oprichting van geurgevoelige objecten binnen de geurcontouren van veehouderijen. De werking die de Wgv heeft op de ruimtelijke ordening wordt ook wel aangeduid met de term 'omgekeerde werking'. De geurnormen uit de Wgv zijn bedoeld om mensen in de omgeving van een veehouderij te beschermen tegen overmatige geurhinder. Omgekeerd moet het bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat inwoners zich blootstellen aan die overmatige hinder door het realiseren van een geurgevoelig object binnen een geurcontour toe te staan.

In het kader van de planm.e.r. is onderzocht wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn op het aspect geur vanuit agrarische bedrijven.

Bedrijven en milieuzonering

Bedrijven en milieuzonering wordt toegepast om te beoordelen of nieuwe bedrijven zich kunnen vestigen op een locatie. In de ruimtelijke ordening is dit belangrijk, omdat met het aangeven van een maximale categorie bedrijven binnen een bedrijfsbestemming gestuurd kan worden op de vestiging van nieuwe bedrijven. Bij milieuzonering wordt hiervoor over het algemeen gebruik gemaakt van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB) die aan het bestemmingsplan wordt toegevoegd. Met de SvB wordt de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in bestemmingsplannen geregeld.

De SvB gaat uit van indicatieve afstanden tussen een bedrijfscategorie en hindergevoelige functies.

Gevolgen voor visie en planopzet

In de praktijk betekent dit dat voor bestaande bedrijven gekeken is naar de locatie waar een bedrijf gevestigd is en bepaald op basis van de nabijheid van woningen en de infrastructuur welke bedrijven in welke maximale milieucategorie toegestaan moeten worden.

Ten aanzien van de niet-agrarische bedrijven wordt verwezen naar het onderzoek van de ODrU.

In het kader van het Besluit huisvesting zijn een aantal veehouderijen gestopt met het houden van varkens/ kippen. Het bestemmingsplan maakt het gebruik van voormalige agrarische bedrijfswoningen als zogenaamde 'plattelandswoning' mogelijk, mits dit geen gevolgen heeft voor omliggende (agrarische) bedrijven en een aanvaardbaar leefklimaat mogelijk is.

Spuitvrije zones

Spuitzones worden opgenomen om gevoelige objecten, woningen e.d., te beschermen tegen de gevaarsaspecten welke samenhangen met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De huidige wet- en regelgeving biedt geen eisen, normen en/of criteria voor het beschermen van mensen of omwonenden die in de buurt van de toepassingslocaties zich bevinden. Het is echter gebruikelijk om in bestemmingsplannen een regeling op te nemen, waarbij een afstand van 50 meter wordt gehanteerd.

In het bestemmingsplan is opgenomen dat bij een afstand van 50 meter vanaf gevoelige functies te worden getoetst of bespuiting van de boomgaarden niet tot een afbreuk aan het woon- en leefklimaat leidt. Omdat het opnemen van een spuitzone een belemmering is ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan, worden bestaande boomgaarden, om de bestaande rechten niet aan te tasten, uitgezonderd van de 50 meter norm.

Bij nieuwe ontwikkelingen, zowel de aanplant van boomgaarden als vestiging van gevoelige functies dient altijd rekening te worden gehouden met de minimale afstand van 50 meter tot gevoelige bestemmingen.

De regeling richt zich specifiek op de fruit- en boomteelt omdat bij deze teelt in vergelijking met andere gewassen chemische bestrijdingsmiddelen op een grotere hoogte worden toegepast. Hierdoor treedt drift op en kunnen op grotere afstand van het gewas negatieve effecten optreden voor gevoelige functies, bijvoorbeeld woningen. Voor akker- en tuinbouwgewassen is de drift zeer beperkt. Ook het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen bij grasland is zeer bepekt.

4.6.3 Bodem

Volgens het milieukwaliteitprofiel is de ambitie kwaliteit voor bodem gelijk aan de wettelijke kwaliteit.

In paragraaf 2.2.10.3 is uiteengezet waar sprake is van bodemverontreiniging.

Gevolgen voor visie en planopzet

In het kader van de planm.e.r. is onderzocht wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn op de bodem.

4.6.4 Geluid

Het buitengebied Driebergen is onder invloed van verschillende geluidsbronnen.

De milieukwaliteit profielen geven per gebiedstype een andere ambitiekwaliteit aan, gelet op de hoge geluidbelasting is een aantal deelgebieden is dit een lastig te bereiken geluidwaarde.

De geluidniveaus in het plangebied variëren van het behalen van de ambitiekwaliteit van het milieukwaliteitsprofiel in het noorden en zuiden van het plangebied tot huidige kwaliteit en wettelijke norm dichter bij de Rijksstraatweg en spoor.

De Provincie Utrecht heeft op 4 februari 2013 de Provinciale milieuverordening 2013 (PMV 2013, art. 25 en 26) vastgesteld. Deze is in werking getreden op 1 mei 2013. Hierin zijn stiltegebieden opgenomen en benoemd als provinciaal belang. Dit kan invloed hebben op het gebruik van bevoegdheden binnen de Wet ruimtelijke ordening, Algemene plaatselijke verordening (APV), Wegenverkeerswet, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en het Activiteitenbesluit.

Gevolgen voor visie en planopzet

Voor stiltegebieden gelden bijzondere regels, waaronder een richtwaarde van 35 dB(A) (etmaalgemiddelde) op 50 meter afstand binnen de grenzen van het stiltegebied voor ontwikkelingen buiten het stiltegebied. Ter bescherming van het stiltegebied is een aanduiding milieuzone - stiltegebied opgenomen.

Indien ontwikkelingen daarom in of nabij het stiltegebied plaatsvinden, dient onderzocht te worden of er kan worden voldaan aan deze richtwaarde.

4.6.5 Luchtkwaliteit

Tussen de luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening is een koppeling gelegd. Zo dienen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de in de Wet milieubeheer opgenomen richtwaarden en grenswaarden voor een aantal luchtvervuilende stoffen.

Voor luchtkwaliteit zijn de luchtkwaliteitseisen (hoofdstuk 5.2) van de Wet milieubeheer van kracht. Hierin is vastgelegd dat onder meer ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden en richtwaarden. Deze Wet is nader uitgewerkt in Besluiten en Regelingen, waarvan het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate (nibm), het Besluit gevoelige bestemmingen en de Regeling beoordeling de belangrijkste zijn. Daarnaast is ook het beginsel van een goede en duurzame ruimtelijke ordening van belang.

Grenswaarden

In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de richtwaarden en de grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtvervuilende stoffen. De belangrijkste zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel.

  Grenswaarden  
Stof   Type norm   Van kracht vanaf   Concentratie (mg/m3)   Max. overschrijdingen per jaar  
Stikstofdioxide   Jaargemiddelde   2015   40    
  Uurgemiddelde   2015   200   18  
Fijn stof   Jaargemiddelde   2011   40    
  24-uursgemiddelde   2011   50   35  

Grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof van bijlage 2 Wet milieubeheer

De concentraties van de overige stoffen benaderen de grenswaarden en richtwaarden in Nederland niet. Er hoeft daarom niet te worden getoetst aan deze richtwaarden en grenswaarden, ze zijn dus niet opgenomen in de bovenstaande tabel.

Niet in betekenende mate (nibm)

Alleen projecten die 'in betekenende mate' bijdragen aan de concentraties luchtvervuiling worden getoetst aan de grenswaarden. Er dient te worden onderzocht of een project 'in betekenende' mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Het Besluit nibm bepaalt dat een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie luchtvervuiling als deze minder dan 3% van de grenswaarde, ofwel 1,2 microgram per m3 bedraagt. De Regeling nibm is hier een nadere uitwerking van. Hierin is bepaald dat woningbouwprojecten tot 1.500 woningen en kantoren tot 100.000 m2 zijn vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof.

Besluit gevoelige bestemmingen

Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen. Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht.

Goede ruimtelijke ordening

Plannen dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. De formele definitie van het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is: “het coördineren van de verschillende belangen tot een harmonisch geheel dat een grotere waarde vertegenwoordigd dan het dienen van de belangen afzonderlijk”. Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen, ofwel de luchtkwaliteit dient geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarom is inzicht in de luchtkwaliteitsituatie van belang.

Gevolgen voor visie en planopzet

De wettelijke grenswaarden in het plangebied voor stikstofdioxide en fijn stof worden in de huidige situatie niet overschreden. De concentratie voor stikstofdioxide voldoet niet aan de huidige kwaliteit en aan de ambitiewaarde. De concentratie voor fijn stof in het gebied in 2013 en 2025 voldoen niet aan de huidige en ambitiekwaliteit.

In het kader van de planm.e.r. is onderzocht wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn op de luchtkwaliteit. 

4.6.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.

Besluit externe veiligheid inrichtingen

Het wettelijk kader voor risicobedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI).

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de risicobron. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan de grenswaarde worden voldaan en met de richtwaarde rekening worden gehouden, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft. Op basis van het Bevi geldt als oriëntatiewaarde voor het GR:

  • 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers;
  • 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers;
  • 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers;
  • enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm).


Het Bevi bevat een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR rondom deze inrichtingen.
Ook bedrijven waarop het Bevi niet van toepassing is, kunnen risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Voor nieuwe situaties geldt voor het PR in principe een norm van 10-6 per jaar en voor bestaande situaties 10-5 per jaar. Voor het GR geldt de hierboven genoemde oriëntatiewaarde.

Basisnet Water

Op 1 april 2015 is de Regeling basisnet in werking getreden. Met het Basisnet wordt beoogd een duurzaam evenwicht tussen ruimtelijke ontwikkelingen, vervoer van gevaarlijke stoffen en veiligheid te creëren. Dit gebeurt door alle hoofdvaarwegen, rijkswegen en spoorwegen in te delen in categorieën. Deze categorieën verschillen in de mate waarin er beperkingen gelden voor vervoer en/of ruimtelijke ontwikkelingen. Beperkingen voor het vervoer worden vastgelegd in een gebruiksruimte, beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen in een veiligheidszone.

Basisnet Weg

Op 1 april 2015 is de Regeling basisnet in werking getreden. In het Besluit behorende bij het Basisnet Weg, is aangegeven dat in sommige gevallen de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico achterwege kan blijven. Hiervoor zijn in de bijlagen behorende bij de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) vuistregels in de vorm van drempelwaarden voor vervoersaantallen opgesteld. Deze drempelwaarden geven de gebruiker een indicatie wanneer een risicoberekening zinvol is. Met de vuistregels kan ingeschat worden of de vervoersaantallen, bebouwingsafstanden en/of aanwezigheidsdichtheden te klein zijn om tot een overschrijding van de oriëntatiewaarde of 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico te kunnen leiden. Een drempelwaarde van hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico geeft een indicatie dat zeker een Groepsrisico-berekening moet worden uitgevoerd.

Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Het beleid voor ondergrondse buisleidingen vormt het Besluit Externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:

  • 1. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten.
    Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt “vertaald” als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen.
  • 2. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden.

Besluit transportroutes externe veiligheid (Bevt)

Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. Hierdoor vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 meter, in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Beleidskader elektromagnetische straling

Voor hoogspanningslijnen is het beleidskader beschreven in het 'Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen' (Min. VROM d.d. 5 oktober 2005). Hierin adviseert de Staatssecretaris van VROM het in acht nemen van een veiligheidszone, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Voor zendmasten (omroep/GSM/UMTS) zijn in de EU-publicatie 1999/519/EG blootstellingslimieten aanbevolen voor personen die permanent in de nabijheid van zendmasten verblijven. Nederland heeft deze aanbeveling overgenomen en opgenomen in de Telecommunicatiewet.

Voor het plangebied van het bestemmingsplan “Buitengebied Driebergen” is geïnventariseerd welke externe veiligheidsbronnen en bronnen van elektromagnetische straling voor het plangebied van belang zijn en of die bronnen mogelijk tot belemmeringen kunnen leiden.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met de zonering (plaatsgebonden risico) rond in het plangebied aanwezige buisleidingen.
  • Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet een verantwoording van het groepsrisico rond in het plangebied aanwezige buisleidingen worden opgenomen.

Het bestemmingsplan 'Buitengebied Driebergen' heeft een conserverend karakter. Er worden geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen verwacht.

Uit de beschikbare informatie blijkt dat externe veiligheid geen belemmering is voor het plan.

Een uitzondering vormt het plaatsgebonden risico van de aardgasleiding ter hoogte van de Hydeparklaan, maar daarop rust al een wettelijke saneringsplicht door de leidingbeheerder. Navraag bij de Gasunie in september 2014 heeft uitgewezen dat maatregelen zijn getroffen in gebieden waar de knelpunten het grootst waren (nabij de Hydeparklaan). Daarmee is ook hier niet langer sprake van een knelpunt die tot belemmeringen kan leiden.

Ook voor het aspect elektromagnetische straling is geen sprake van belemmerende knel- of aandachtspunten.

4.6.7 Duurzaamheid

De Gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft haar duurzaam bouwen beleid verwoord in het milieubeleidsplan “Natuurlijk Duurzaam”. Voor nieuwbouw streeft de gemeente een 25% scherpere EPC na dan wettelijk verplicht is. Daarnaast wordt gestreefd naar een minimale gemiddelde GPR Gebouw score van 7. De gemeente heeft de ambitie om in 2035 een klimaatneutrale gemeente te zijn.

Het gemeentelijke beleid gaat verder dan wat wettelijk verplicht is. In het milieubeleidsplan staat dan ook de volgende ambitie:

  • 1. nieuwbouw van woningen en utiliteit moet 25% zuiniger zijn dan het geldende bouwbesluit. Indien het een kansrijk project is zoals in het milieubeleidsplan geformuleerd, moet nieuwbouw 50% zuiniger zijn dan volgens het geldende bouwbesluit.

Deze ambitie houdt in dat in 2020 nieuwbouw minstens energieneutraal moet zijn en energie leverend als het wil voldoen aan het gemeentelijk beleid (25% ambitieuzer dan wettelijk).

Voor het buitengebied zijn er behalve energiezuinig bouwen ook specifieke kansen:

  • 2. Het grootschalig toepassen van zonnestroom (PV) panelen.
  • 3. Het gebruik van biomassa installatie voor de productie van elektriciteit of groengas.

Het bestemmingsplan biedt enkel ruimte voor biomassaverbrandingsinstallaties en mestvergisters voor eigen gebruik (op eigen erf), aangezien de ruimtelijke impact hiervan zeer beperkt is.

 

4.7 Kabels en leidingen

Overige infrastructurele voorzieningen
Voor de komende planperiode worden weinig ingrijpende infrastructurele werken verwacht in het plangebied, die andere gebruiksbelangen dwars kunnen zitten. In de meeste gevallen betreft het het voortzetten van het huidige gebruik cq. het blijven bestemmen van bestaande infrastructurele voorzieningen in het gebied. Om de infrastructurele voorzieningen zo veel mogelijk te vrijwaren van ongewenste bebouwing, zijn voor de bovengrondse hoogspanningsleiding (150 Kv), ondergrondse hoogspanningsleiding hoofdaardgastransportleiding , olietransportleiding (= K2/K3-brandstof) en drinkwatertransportleiding dubbelbestemmingen opgenomen, met een bijbehorende regeling in de regels.

Het betreft de dubbelbestemmingen:

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het plangebied wordt doorkruist door een 150 kV-hoogspanningslijn. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met betrekking tot stralingsgevoelige objecten geldt een indicatieve veiligheidszone van 80 meter aan weerszijden van de hartlijn van de hoogspanningslijn.
  • Ook voor de overige leidingen geldt een indicatieve veiligheidszone.

4.8 Water

Waterwet (2009)
De overheden, waaronder het rijk, staat voor grote opgaven in het waterbeheer. Om het beheer van de toekomst zo goed mogelijk vorm te geven en uit te voeren, is het van belang het wettelijke instrumentarium te stroomlijnen en te moderniseren. Daarbij staat integraal waterbeheer centraal.

De op 22 december 2009 in werking getreden Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de wet een flinke bijdrage aan de doelstellingen van het rijk, zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. De Waterwet vervangt de bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland.

Een belangrijk aspect van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning, die met een wettelijk vastgesteld aanvraagformulier kan worden aangevraagd.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Waar mogelijk moet in het bestemmingsplan worden geanticipeerd op de gevolgen van de Waterwet.

Beleidslijn grote rivieren (2006)
De beleidslijn grote rivieren bevat een kader voor het beoordelen van de toelaatbaarheid – vanuit rivierkundig en ruimtelijk oogpunt – van nieuwe activiteiten in het rivierbed van de grote rivieren.

De Beleidslijn grote rivieren is bedoeld om plannen en projecten in het rivierbed te kunnen beoordelen. Onder voorwaarden worden mogelijkheden geboden voor wonen, werken en recreëren in het rivierbed. De voorwaarden hebben betrekking op de afvoercapaciteit van de rivier ter plaatse: nieuwe activiteiten mogen de afvoer niet hinderen en geen belemmering vormen voor toekomstige verruiming van het rivierbed.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Bij het opstellen van het bestemmingsplan moet rekening gehouden worden met ruimtelijk relevante voorwaarden vanuit de beleidslijn.


Ruimte voor de rivier (2006)
Het kabinet wil de bescherming tegen overstromingen uiterlijk in 2015 op het wettelijk vereiste niveau brengen en de ruimtelijke kwaliteit in het rivierengebied verbeteren. Daarom is in 2006 de Planologische Kernbeslissing (PKB) 'Ruimte voor de Rivier' vastgesteld. Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening op 1 juli 2008 is de PKB van rechtswege een structuurvisie geworden.

Gezien de verwachting dat de maatgevende rivierafvoeren zullen toenemen, kiest het kabinet ervoor de vereiste veiligheid zoveel mogelijk te bereiken door het nemen van maatregelen die voorkomen dat de maatgevende hoogwaterstanden steeds verder zullen stijgen. Dit betekent dat het accent verschuift van dijkverbetering naar rivierverruiming.

Er zijn geen projecten binnen het plangebied.


Grondwaterplan provincie Utrecht 2008 - 2013 (2008)
De taken en bevoegdheden van provincies op het gebied van het grondwater komen voort uit diverse wetten, zoals de Grondwaterwet, de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening. In het Grondwaterplan Provincie Utrecht 2008-2013 zijn al deze grondwatertaken, die voorheen in afzonderlijke plannen beschreven stonden, voor het eerst in één Grondwaterplan bijeengebracht. Door samenvoeging van het beleid voor kwantiteit en kwaliteit wordt het grondwaterbeheer meer in samenhang behandeld. Het plan is zowel een uitwerking van het Provinciale Milieubeleidsplan 2004-2008 als het Waterhuishoudingsplan Provincie Utrecht 2005-2010.

De looptijd van het Grondwaterplan is door Provinciale Staten verlengd tot en met 31 december 2015.

Het Grondwaterplan bestaat uit twee delen. Deel I beschrijft op hoofdlijnen hoe de provincie in de periode 2008-2013 de beschikbare voorraad zoet grondwater wil beschermen en het gebruik daarvan wil reguleren. Hoofddoel van het beleid is aldus dat de hoeveelheid en kwaliteit van het grondwater geschikt is voor duurzaam gebruik door mens en natuur. Van belang daarvoor is dat informatie hierover zodanig inzichtelijk is dat de samenleving daarmee rekening kan houden en de provincie er sturing mee kan geven. In het plan zijn beleidslijnen opgenomen, die de provincie hanteert bij het uitvoeren van haar grondwatertaken en acties om grondwaterbeleid te realiseren. Omdat zij zeker niet de enige partij is, die invloed heeft op realisatie van de grondwaterdoelen, is ook beschreven wat van andere partijen verwacht wordt.

De Provinciale Milieuverordening (PMV) bevat specifieke regels voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater, dat wordt onttrokken voor de openbare drinkwatervoorziening. Het betreft de grondwaterbeschermingszones met bijbehorende regels. De beschermingszones zijn onderverdeeld in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones en 100-jaarsaandachtsgebieden. De begrenzing van de zones is vastgelegd in de PMV.

Voor grondwaterbescherming is het doel het behalen en/of behouden van de goede chemische toestand van het grondwater, conform de doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De hiervoor in het Grondwaterplan geformuleerde beleidslijnen zijn:

  • Terughoudendheid met het instellen van milieubeschermingszones, anders dan de grondwaterbeschermingszones, ter bescherming van de grondwaterkwaliteit voor bedrijfsmatige consumptieve instellingen;
  • Zorgvuldigheid met het instellen van milieubeschermingszones ter bescherming van grondwater voor natuurgebieden;
  • Afstemming van de mate van regelgeving ten aanzien van activiteiten binnen de grondwaterbeschermingszones (drinkwater) op de kwetsbaarheid van de specifieke locatie.

Deel II van het Grondwaterplan betreft een uitvoeringsgerichte uitwerking van het beleid op hoofdlijnen uit deel I en beschrijft de instrumenten om het grondwaterbeleid vorm te geven en te handhaven. De watertoets is er daar één van. Op grond van de Wet ruimtelijke ordening moeten opstellers van nieuwe ruimtelijke plannen ook een watertoets uitvoeren. Daarmee wordt al in een vroeg stadium, te weten de planfase, rekening gehouden met de consequenties van ruimtelijke maatregelen voor bodem en grondwater. In de 'Leidraad water en milieu in ruimtelijke plannen' is uitgewerkt hoe hier - voor onder meer de Heuvelrug - invulling aan gegeven kan worden. Tijdens de afgelopen periode zijn adviezen gegeven over duurzaam stedelijk waterbeheer (wel/niet infiltreren in de bodem) bij de aanleg en reconstructie van wegen, het opstellen van waterplannen en bij herinrichting van gebieden (zoals Hart van de Heuvelrug en de vliegbasis Soesterberg).

Gevolgen voor visie en planopzet

  • In het bestemmingsplan dient een regeling te worden opgenomen voor het grondwaterbeschermingsgebied. Een aanduiding milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied is hiervoor opgenomen;
  • De beschermingszone drinkwaterwinning is niet beschermd met de PMV en behoeft een regeling in het bestemmingsplan, gericht op het waterwinbelang. Een aanduiding milieuzone - waterwingebied is hiervoor opgenomen.
  • Voor zover het plan ruimte biedt aan ontwikkeling(en), is het gewenst dat het voor een ieder inzichtelijk maakt dat ook de regelgeving ten aanzien van 100-jaars aandachtsgebieden wél een rol kan spelen in het al dan niet aanvaardbaar zijn daarvan;
  • Voor het opstellen van het bestemmingsplan is een watertoets nodig (o.a. vroegtijdig overleg met de waterbeheerders en het opstellen van een waterparagraaf in de toelichting).


Waterplan 2010 - 2015 (2009)
Het beleid voor waterveiligheid, waterbeheer en gebruik en beleving van water in de provincie Utrecht is vastgelegd in het Waterplan 2010-2015. Op 23 november 2009 is het plan vastgesteld.

In het Waterplan wordt de essentie van het provinciaal waterbeleid uiteengezet. Dit op basis van een toekomstverkenning naar de ontwikkelingen en trends waarmee rekening gehouden moet worden en een beschrijving van het speelveld van partijen die bij het waterbeleid betrokken zijn. Gestreefd wordt, vanuit de kernwaarden duurzaamheid, kwaliteit en samenwerking, naar de ontwikkeling van duurzame, robuuste watersystemen en het borgen van bestaande kwaliteiten, waarbij het gaat om het bieden van zo veel mogelijk toegevoegde waarde. Van belang is een gebiedsgerichte aanpak, gericht op de lange termijn. De inzet van de provincie daarin bestaat uit initiëren, coproduceren of volgen.

Voor het plangebied geldt dat de provincie een coproducerende rol op zich neemt in het Langbroekerweteringgebied (ten zuiden van Driebergen). In de overige gedeelten van het plangebied zet zij zich vanuit haar waterbeleid niet actief gebiedsgericht in.

Voor het borgen van bestaande kwaliteiten en het aanpakken van urgente problemen is het beleid onderverdeeld in:

  • Waterveiligheid: preventie, gevolgenbeperking en rampenbeheersing bij overstromingen zijn de pijlers;
  • Kwaliteit en kwantiteit: thema's zijn voldoende en schoon oppervlaktewater, water voor natuur en voldoende en schoon grondwater;
  • Gebruik en beleving: mooier, vaar- en zwemwater zijn de thema's.

Hierop aansluitend bevat het Waterplan een functiekaart met bijbehorende doelstellingen. Voor het gehele plangebied is verbetering van de belevingswaarde en de recreatieve waarde van het watersysteem een algemene doelstelling. Het sluitstuk van het plan is het deel Uitvoering, waarin de instrumenten en middelen beschreven zijn, die de provincie inzet voor de realisering van het beleid.

Het Waterplan is met betrekking tot haar ruimtelijke aspecten een structuurvisie als bedoeld in artikel 2.3 Wet ruimtelijke ordening (Wro). De kern van het provinciaal ruimtelijk beleid bestaat uit de beleidsuitspraken die als provinciaal belang zijn aangemerkt. In het Waterplan zijn de volgende - voor het plangebied relevante - uitspraken van provinciaal belang opgenomen:

  • In gebieden buiten de EHS, waar sprake is van geconcentreerde actuele natuurwaarden, is het gewenst de actuele natuurwaarden in stand te houden en waar mogelijk te versterken;
  • Bij functiewijzigingen in gebieden die van belang zijn voor de waterwinning (waterwin-, grondwaterbeschermings- en 100-jaarsaandachtsgebieden) moet met het waterwinbelang rekening worden gehouden. Toegelicht moet worden hoe de bescherming gestalte krijgt;
  • Op de hele Utrechtse Heuvelrug mogen, gelet op het grote belang van schoon water voor drinkwater en de natuur, in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit. Als er op basis van een integrale afweging toch voor een functie wordt gekozen, die risico’s met zich meebrengt voor de kwaliteit van het grondwater, moeten maatregelen worden genomen om emissie naar het grondwater te voorkomen.

In het Waterplan is daarnaast opgenomen voor het infiltratiegebied van de Utrechtse Heuvelrug dat ook integraal beoordeeld moet worden op welke wijze het hemelwater, dat afkomstig is van verhardingen, afgevoerd wordt. De opties zijn afkoppelen, infiltreren in de bodem, lozen op het oppervlaktewater of aansluiting op het riool. Tevens geldt hier een 'nee, tenzij'-beleid. Dit betekent dat als grondgebruikscategorieën worden gekozen die uit oogpunt van grondwaterkwaliteit minder gewenst zijn, een integrale afweging moet plaatsvinden en inzichtelijk moet worden gemaakt hoe emissies naar het grondwater worden voorkomen. Om houvast te bieden voor het maken en onderbouwen van deze integrale afweging heeft de provincie het regionale convenant 'Afkoppelen op de Utrechtse Heuvelrug' opgesteld.

Tot slot is ingevolge het Waterplan het tegengaan van verdroging een aandachtspunt voor vooral het zuidelijk deel van het plangebied.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De uitspraken uit het Waterplan van provinciaal belang hebben doorwerking in het bestemmingsplan; zo moet onder andere worden gezorgd dat zich geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die een bedreiging vormen voor de grondwaterkwaliteit.
  • De doorwerking van dit beleid zal moeten blijken uit de waterparagraaf, als onderdeel van de watertoets.


Grondwatervisie Utrechtse Heuvelrug (2003)
Met de Grondwatervisie Utrechtse Heuvelrug heeft de provincie reeds in 2003 vanuit het aspect water richting gegeven aan de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling(en) van het gebied van de Utrechtse Heuvelrug. De Grondwatervisie Utrechtse Heuvelrug geeft aan welke functies op welke locaties het minst bezwaarlijk zijn, gezien uit het oogpunt van grondwater. Als op basis van een integrale afweging toch voor een functie wordt gekozen die risico's met zich meebrengt voor de kwaliteit van het grondwater, moeten initiatiefnemers maatregelen nemen om emissie naar het grondwater te voorkomen.

De grondgebruikscategorieën worden als volgt gerangschikt, naar een toenemend risico voor immissies naar het grondwater:

  • 1. Natuurgebied: geen belastende menselijke activiteiten;
  • 2. Buitenstedelijk groen en sportvoorzieningen: over het algemeen een geringe belasting;
  • 3. Bedrijven en kantoren: grote belasting, maar er zijn wellicht maatregelen mogelijk door het doen van gezamenlijke, milieuvriendelijke investeringen;
  • 4. Landbouw: grote belasting, bovendien weinig maatregelen mogelijk door de aard van de bedrijfsvoering;
  • 5. Stedelijk gebied: grote belasting, weinig maatregelen mogelijk door de grote diversiteit van particulieren met uiteenlopende belangen.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • In de 100-jaars aandachtsgebieden mogen in beginsel geen activiteiten of nieuwe functies toegestaan worden, die een nadelige invloed hebben op de grondwaterkwaliteit. Het 100-jaars aandachtsgebied is bestemd voor Natuur. Hier zijn op grond van die bestemming geen (nieuwe) activiteiten en functies toegestaan die een nadelige invloed hebben op de grondwaterkwaliteit.
  • Ook buiten de 100-jaars aandachtsgebieden moet het bestemmingsplan rekening houden met het beleid uit de Grondwatervisie Utrechtse Heuvelrug, in die zin dat bij het toekennen van bestemmingen in overweging genomen moet worden welke functies op welke locaties het minst bezwaarlijk zijn.


Waterbeheerplan 2010 - 2015 (Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) (2009)
Op 28 oktober 2009 is het Waterbeheerplan 2010-2015 ingegaan. In dit beheerplan, dat van toepassing is op het zuidelijke deel van het plangebied, geeft het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden aan hoe het zorg draagt voor een duurzaam, schoon en veilig watersysteem en daarmee een betere leefomgeving van mens, dier en plant. Het plan bevat een overzicht ambities en doelen voor 2010 tot en met 2015 en de maatregelen die nodig zijn om deze doelen te halen. Het plan vervangt het Waterhuishoudingsplan 2003-2007 en heeft een looptijd van zes jaar.

Het Waterbeheerplan bestaat uit drie delen. In het deel Strategie is beschreven hoe ingespeeld wordt op (maatschappelijke) ontwikkelingen als klimaatverandering en verstedelijking, wat de visie voor de lange termijn is en welke ambities het waterraadschap heeft voor de planperiode. Dit vormt de basis voor de uitvoeringsstrategie. De kern daarvan is een proactieve opstelling: samen met de partners wil het waterschap in het gebied maatregelen realiseren. Hierbij is communicatie van groot belang. Het tweede deel, Beleids- en uitvoeringsplan, beschrijft voor elk beleidsthema de belangrijkste doelen en te nemen maatregelen. Het laatste deel is een achtergronddocument over de Europese Kaderrichtlijn Water.

Bepalend voor de ambitie in de planperiode (tot 2015) is de visie op de lange termijn. Met lange termijn wordt een periode van ongeveer 50 jaar bedoeld. Voor het plangebied is het streefbeeld het herstel van de infiltratie op en het benutten van de kwel van de Utrechtse Heuvelrug:

  • De Utrechtse Heuvelrug, het Langbroekerweteringgebied en Groenraven-Oost vormen een hydrologisch samenhangend gebied van hoger gelegen infiltratiegebieden en laaggelegen kwelgebieden. Verdroogde natuur heeft baat bij een herstel van de infiltratie, waarbij zoveel mogelijk regenwater in het gebied wordt vastgehouden. De kwaliteit van het grondwater en de bodem moeten daarbij worden bewaakt, omdat afstromend regenwater in enkele gevallen verontreiniging van bodem en grondwater kan veroorzaken;
  • Benutting van de toegenomen kwel op de flanken van de Heuvelrug komt de kwaliteit van het water en de natuur hier ten goede;
  • Inlaat van gebiedsvreemd water wordt beperkt en bronnen van verontreiniging worden of gesaneerd, of sterk verminderd;
  • Het watersysteem sluit aan bij de natuur- en landschapswaarden van het gebied.

Met betrekking tot beleid en uitvoering richt het hoogheemraadschap zich in de planperiode vooral op het uitwerken en uitvoeren van de opgaven die samenhangen met voldoende water. De beleidsthema's daarbij zijn:

  • Wateroverlast;
  • Watertekort;
  • Grond- en stedelijk waterbeheer;
  • Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR), peilbesluiten en watergebiedsplannen;
  • Verdroging van de natuur.

Eén van de doelen van het hoogheemraadschap is actuele peilbesluiten vast te stellen voor zijn beheergebied. Dit vindt bij voorkeur plaats via de integrale gebiedsgerichte plannen. Ook in de vorige planperiode (2003-2007) zijn al zulke watergebiedsplannen gemaakt.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Waar mogelijk moet het bestemmingsplan inspelen op het beleid uit het Waterbeheerplan van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Convenant Afkoppelen van regenwater op de Utrechtse Heuvelrug (2010)
Begin 2010 hebben 12 overheden en één bedrijf een convenant ondertekend over het afkoppelen van regenwater op de Utrechtse Heuvelrug.

Op verschillende plekken op de Utrechtse Heuvelrug komen hemelwater en afvalwater samen in het rioolstelsel terecht. Bij veel regenval moet het riool overtollig water kwijt. Dit gebeurt via een overstort in het oppervlaktewater. Het vuile water komt dan terecht in watergangen en vijvers. Dit heeft een nadelige invloed op het oppervlakte- en grondwater. Door het hemelwater van het riool af te koppelen en rechtstreeks de bodem in te laten stromen, wordt zowel kwetsbare natuur als de kwaliteit van het oppervlaktewater beschermd. Bovendien presteren rioolwaterzuiveringsinstallaties beter als het aangevoerde water minder verdund is door regenwater.

Een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater is een gedeelde verantwoordelijkheid van provincie, gemeente, waterschap en drinkwaterbedrijf. Dit vereist heldere afspraken tussen deze partijen. Daarom ligt in het convenant vast onder welke voorwaarden hemelwater direct aan de natuur wordt teruggeven. Duidelijke regels met meer aandacht voor de omgeving: dat is duidelijk en duurzaam.

De partijen die het convenant ondertekenen zijn: De gemeenten Amersfoort, De Bilt, Eemnes, Rhenen, Soest, Utrechtse Heuvelrug, Veenendaal, Woudenberg en Zeist, Drinkwaterbedrijf Vitens, Provincie Utrecht en de waterschappen Vallei & Eem en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Voor zover mogelijk moet in het bestemmingsplan worden aangesloten op de voorwaarden uit het convenant. Voor nieuwe ontwikkelingen betekent dit een verduurzaming van het waterbeleid, met name door het gebruik van een gescheiden rioolsysteem.

Waterplan Heuvelrug (2005)
Doel van het gemeentelijke waterplan is te komen tot een integrale visie en daarop gebaseerde maatregelen, gericht op een gezond en veerkrachtig watersysteem. Planuitvoering moet leiden tot een hogere gebruikswaarde en belevingswaarde van het water. Daarnaast dient het waterplan bij te dragen aan de bewustwording van water bij burgers en ondernemers.

Het waterplan beschrijft de beoogde ontwikkeling van het water in de (voormalige) gemeenten Driebergen-Rijsenburg, Doorn, Leersum en Amerongen tot 2020. De focus van het waterplan ligt op het stedelijk gebied waarbij de waterdoelen aansluiten op die voor het landelijk gebied. De volgende gidsprincipes worden in het waterplan door de participanten in acht genomen:

  • Niet afwentelen
    Knelpunten in de waterkwantiteit en waterkwaliteit worden niet afgewenteld op aangrenzende gebieden of op toekomstige generaties;
  • Waterkwantiteitstrits: "vasthouden-bergen-afvoeren"
    Het waterkwantiteitsbeheer is gericht op water zoveel mogelijk vasthouden, zonodig bergen en pas in laatste instantie afvoeren;
  • Waterkwaliteitstrits: "schoon houden-scheiden-zuiveren"
    Het waterkwaliteitsbeheer en rioleringsbeheer wordt gericht op het schoon houden van water, op het gescheiden houden van schoon en vuilwater en pas in laatste
    instantie op het zuiveren van vervuild water;
  • Waterstromen lopen van schoon naar vuil (zoneren)
    Om waterkwaliteitsproblemen benedenstrooms te vermijden, wordt stroming van vuil water naar schoon water zoveel mogelijk vermeden;
  • Redeneren vanuit de natuurlijke karakteristieken
    Bij het bepalen van beleid, de inrichting en het gebruik van water wordt geredeneerd vanuit de natuurlijke karakteristieken van het watersysteem.

Daarnaast is het waterplan gebaseerd op onder andere de volgende uitgangspunten:

  • Water is mede bepalend/ordenend voor de ruimtelijke ordening.
  • Bij planvorming en uitvoering van maatregelen wordt gestreefd naar draagvlak bij alle betrokkenen.
  • Voor het watersysteem wordt gestreefd naar variëteit, zo min mogelijk versnippering van natte ecosystemen en zelfregulerende robuuste watersystemen met een natuurlijke dynamiek.
  • Voor de waterketen wordt gestreefd naar efficiënt en effectief (her)gebruik van water, optimale afstemming tussen de riolering en de rioolwaterzuivering en een maximaal milieurendement van maatregelen.
  • Het beheer (inclusief onderhoud) van watergangen moet doelmatig en efficiënt uitgevoerd kunnen worden.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De gidsprincipes en uitgangspunten van het waterplan dienen bij ruimtelijke ontwikkelingen te worden gehanteerd.


Gemeentelijk Rioleringsplan 2012 - 2015 (2011)
Het aanleggen, beheren en onderhouden van het riool zijn gemeentelijke taken met de Wet Milieubeheer als basis. Volgens deze wet moet de gemeente in een gemeentelijk rioleringsplan (GRP)vastleggen hoe zij invulling geeft aan deze taak. In het GRP is aangegeven wat de gemeente wil bereiken, welke voorzieningen er zijn, wat er gedaan moet worden om de gestelde doelen te kunnen halen en wat de kosten zijn en hoe deze worden gedekt.

Een van de toekomstige ontwikkelingen is dat klimaatverandering vermoedelijk zal leiden tot hevigere regenbuien. Buien die niet meer alleen door de riolering kunnen worden afgevoerd. Ook de openbare ruimte zal daarin een rol moeten gaan spelen. Vroegtijdige betrokkenheid van de rioolbeheerder bij ruimtelijke plannen is noodzakelijk om uitvoerbare en duurzame plannen te maken die robuust zijn.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Bij nieuwe ontwikkelingen is vroegtijdige betrokkenheid van de rioolbeheerder noodzakelijk.

Grondwater
Vanuit het beleidskader komt naar voren dat ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied, waardoor de kwaliteit van het grondwater aangetast (kan) worden, niet mogen worden toegestaan. Dit is van toepassing op het gehele infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug. Ten aanzien van de toegestane functies en mogelijke functieveranderingen, moeten functies uitgesloten worden waar mogelijk aantasting van de grondwaterkwaliteit aan de orde is, of kan zijn. Bij het eventueel toekennen van nieuwe functies op de Utrechtse Heuvelrug dient rekening te worden gehouden met welke functies, op welke locaties, het minst bezwaarlijk zijn voor de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit. Dit in overeenstemming met het provinciale waterplan en het convenant 'Afkoppelen op de Utrechtse Heuvelrug'.

Voor zover het bestemmingsplan ruimte biedt voor ontwikkelingen, dient het zo veel mogelijk te waarborgen dat deze niet leiden tot aantasting van de grondwaterkwaliteit. Dit ter aanvulling op de beschermende regels uit de Provinciale Milieuverordening (PMV). Het betreft bijvoorbeeld de bepaling dat geen blijvend ongunstiger gevolgen in milieuhygiënisch opzicht ontstaan. Dit geldt ook voor de natte natuurgebieden. Voorkomen moet worden dat gebiedsvreemd water naar deze gebieden wordt toe geleid, of dat er water wordt onttrokken aan deze natte natuurgebieden.

Watergangen
De bestaande watergangen in het plangebied blijven behouden. Deze watergangen zijn van belang voor het verzorgen van een goede waterhuishouding en voor het behoud van het oorspronkelijke kavelpatroon in het zuidelijk deel van het plangebied (Langbroekerwetering). In het plan zal daarom een beschermende regeling voor bestaande watergangen worden opgenomen.

RWZI
Ook de rioolwaterzuiveringsinstallatie krijgt een eigen bestemming. Ook de geluidszonering die om de RWZI heen ligt wordt opgenomen. Binnen deze zonering is het niet mogelijk nieuwe geluidgevoelige bestemmingen te realiseren. Tevens wordt een geurzonering die om de RWZI ligt opgenomen. Binnen deze zonering is het oprichten van nieuwe geurgevoelige objecten niet toegestaan.

Water
De primaire watergangen (inclusief onderhoudspaden en dijklichamen) en andere waterpartijen zijn met de bestemming 'Water' in het bestemmingsplan opgenomen. De bestemming 'Water' beoogt ook in en direct langs het water (oevers) voorkomende natuurwaarden te beschermen.

Afstemming met de keur van het waterschap vindt plaats door in de keurstroken van 5 m langs de watergangen het bouwen alleen toe te staan na overleg met het waterschap.

Waterwinning

De begrenzing van de 100-jaarsaandachtsgebieden is niet op de verbeelding opgenomen. In de regels is geen directe juridische koppeling met die gebieden opgenomen, omdat zij reeds beschermd worden door de regels uit de Provinciale Milieuverordening. De beschermingszone drinkwaterwinning is opgenomen met een aanduiding milieuzone - waterwingebied.

Effecten bestemmingsplan
In het kader van de planm.e.r. wordt onderzocht wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn op het thema   water.

Wat betreft water worden in het plangebied geen maatregelen voorzien die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de waterkwaliteit. De ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt hebben geen invloed op de waterkwantiteit, doordat middels de watertoets wordt geborgd dat in geval van een toename aan verharding afdoende compensatie plaatsvindt. Er vindt geen emissie plaats van (mest-)stoffen naar het oppervlakte- en grondwater door het gebruik van vloeistofdichte vloeren.

4.9 Groen, natuur en landschap

Natura 2000 (2007)
De Natuurbeschermingswet 1998 (herzien in 2005) regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Samen met de Flora- en faunawet vormt deze wet het beschermingsrecht voor zowel soorten als gebieden.

De wet richt zich op gebieden die zijn aangewezen op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Daarmee wordt op nationaal niveau invulling gegeven aan de Europese richtlijnen. Natura 2000 is een samenhangend Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, waarin belangrijke flora en fauna voorkomen. Naast de Natura 2000-gebieden is de Natuurbeschermingswet ook van kracht op Beschermde Natuurmonumenten en de gebieden, die door de minister van het voormalige ministerie Landbouw, Natuur en Visserij (LNV, nu: Economie, Landbouw en Innovatie) aangewezen zijn ter uitvoering van internationale verdragen en verplichtingen, zoals de Wetlands.

De wet biedt de juridische basis voor vergunningverlening. De wet bepaalt dat projecten en plannen, die de kwaliteit van Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Als er geen schade optreedt, kan vergunning worden verleend. Is dit wel het geval, kan vergunning alleen worden verleend als aan verschillende eisen wordt voldaan.

Bij ruimtelijke ingrepen dient altijd te worden nagegaan of een vergunning nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet. Bij de aanvraag van een vergunning speelt het voorzorgsbeginsel een belangrijke rol. Het voorzorgbeginsel eist dat alle aspecten die samenhangen met een project of plan en de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen, onderzocht moeten worden. Op basis van de Natuurbeschermingswet is geen specifieke lijst beschikbaar waarvoor een vergunning is vereist.

Het doel van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is elk project, plan of combinatie van plannen die significante gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding van het gebied, te toetsen aan de instandhoudingsdoelstelling(en). Daarbij moet een 'Passende beoordeling' worden gemaakt. Het is de gewoonte om voorafgaand aan deze uitgebreide beoordeling te onderzoeken of er met betrekking tot het project of plan überhaupt habitattypen, vogels en andere soorten, waarvoor de speciale beschermingszone is bedoeld, in het geding zijn ('Voortoets').

Binnen het plangebied bevindt zich geen Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Nederrijn' ligt op een kortste afstand van 9 kilometer. Daarnaast bevindt zich ten zuidwesten van Amerongen het Natura 2000-gebied 'Kolland en Overlangbroek'. De afstand van het Natura 2000-gebied 'Overlangbroek' tot het plangebied bedraagt meer dan 5 kilometer, de afstand tot Natura 2000-gebied 'Kolland' bijna 8 kilometer.

Externe werking
Als een project, ruimtelijke ontwikkeling of activiteit niet plaatsvindt in een Natura 2000-gebied, kan het mogelijk toch schade aanbrengen aan een (deel van een) Natura 2000-gebied, hetzij direct aan het gebied zelf, hetzij aan de invloedssfeer ervan. Sommige ingrepen kunnen zelfs over grote afstand invloed uitoefenen, zoals grondwateronttrekking. Dit wordt ook wel externe werking genoemd. Wanneer hiervan sprake is, is er alsnog vergunning vereist op grond van de herziene Natuurbeschermingswet. Omdat dit van het project, de ontwikkeling of de activiteit afhangt, is niet exact aan te geven waar de externe werking - die speelt bij alle Natura 2000-gebieden - eindigt. De gebiedsbescherming vereist bovendien dat ook de opeenstapeling van effecten (cumulatie) van verschillende ingrepen moet worden bekeken.

Het bestemmingsplan is een kaderstellend plan dat geen vergunningsaanvraag behoeft op grond van de herziene Natuurbeschermingswet. Maar aangezien dit plan geen ruimte mag bieden aan ontwikkelingen, waarvan op voorhand al duidelijk is dat een vergunning op grond van de wet niet verkregen kan worden, is een toetsing aan de instandhoudingsdoelstellingen van de (aanwezige en nabijgelegen) Natura 2000-gebieden toch noodzakelijk. Deze toetsing moet allereerst ingaan op de eventuele strijdigheid van de geboden ruimte met door de Natuurbeschermingswet beschermde waarden. Daarnaast wordt zij geacht inzicht te geven in welke ruimte het bestemmingsplan biedt voor de verwachte ontwikkelingen, mogelijk gemaakt door het plan.

PlanMER en passende beoordeling
Omdat op voorhand niet uit te sluiten is dat voor sommige ontwikkelingen het doorlopen van een m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk is, is een planMER noodzakelijk. Gelijktijdig met de planm.e.r. moet een passende beoordeling als bedoeld in de Natuurbeschermingswet (verplichte toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw)) worden opgesteld om uit te sluiten dat het bestemmingsplan mogelijk significant negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden heeft.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan moet waarborgen alleen ruimte te bieden aan ontwikkelingen, die geen significant nadelige effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden;
  • Omdat op voorhand niet uit te sluiten is dat voor sommige ontwikkelingen het doorlopen van een m.e.r.(beoordelings)-procedure noodzakelijk is, moet een planMER gemaakt worden;
  • Gelijktijdig met de planm.e.r. moet een passende beoordeling als bedoeld in de Natuurbeschermingswet (verplichte toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw)) worden opgesteld.

Flora en faunawet (2002)
De Flora- en faunawet is sinds 1 april 2002 in werking en richt zich op de bescherming van planten- en diersoorten. Het betreft een raamwet: in de wet staan de hoofdlijnen van de regels. De uitwerking is geregeld in een aantal aparte besluiten en regelingen. De Flora- en faunawet kent een 'zorgplicht'. Vanuit dit beginsel dient eenieder zó te handelen, of juist handelingen na te laten, dat de in het wild voorkomende dier- en plantensoorten daarvan géén of zo min mogelijk hinder ondervinden.

De Flora- en faunawet bevat onder andere diverse verbodsbepalingen. In bepaalde gevallen zijn uitzonderingen mogelijk op de verboden. Provincies kunnen, voor de bestrijding van dieren die schade toebrengen of het beheer van de wildstand, ontheffing verlenen. In alle overige gevallen kan het ministerie van EL&I ontheffing verlenen.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Bij het maken van bestemmingsplannen, waarbij functies gewijzigd (kunnen) worden, moet voorkomen worden dat conflicten met de Flora- en faunawet ontstaan.


Natuurbeheerplan 2013 (2013)
Het Natuurbeheerplan provincie Utrecht 2013 is een geconsolideerd plan waarin het Natuurbeheerplan 2013 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 25 september 2012 en de wijziging op het natuurbeheerplan 2013 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 17 september 2013 verwerkt zijn. Het natuurbeheerplan vormt een belangrijk instrument voor de realisering van het rijks- en provinciale natuur- en landschapsbeleid waaronder de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS vormt een duurzaam en samenhangend netwerk van natuurgebieden. Daartoe worden nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en wordt de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden veiliggesteld en zonodig verbeterd. Verder worden ecologische verbindingszones aangelegd om de uitwisseling van planten en dieren tussen de natuurgebieden te verbeteren. Met de vaststelling van het natuurbeheerplan is de EHS niet vastgesteld of gewijzigd. De EHS is vastgesteld in de provinciale ruimtelijke structuurvisie 2013 – 2028.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0032.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0033.png"
Afbeelding - Kaart Natuurbeheerplan

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan dient de realisering van de natuur- en landschapsdoelen van de in het natuurbeheerplan aangewezen gebieden zo veel mogelijk te waarborgen.

Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied+ (2007)
Voor het Kromme Rijngebied is een landschapsontwikkelingsplan opgesteld. Dit plan ziet toe op de landschappelijke kwaliteiten van (een deel van) het buitengebied van een zestal gemeenten: Zeist, Wijk bij Duurstede, Bunnik, De Bilt, Houten en Utrechtse Heuvelrug. De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft op 28 januari 2010 met het Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied+ ingestemd.

Doel van het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is het behouden, versterken en het ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten en samenhang in haar plangebied. Voorop daarbij staan de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap. Het buitengebied dient vitaal, aantrekkelijk en economisch gezond te zijn. Specifieke doelstellingen van het LOP zijn:

  • Waarborgen van het cultureel erfgoed en een goede leefomgeving voor de toekomstige generaties door functies op een adequate wijze te situeren en vorm te geven;
  • Versterken van de identiteit en leefbaarheid van het landschap;
  • Stimuleren van de betrokkenheid (inhoudelijk en/of financieel) van de burger bij de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving en stimuleren van lokale en regionale initiatieven voor verbetering van het landschap;
  • Vormen van een helder referentiekader vanuit landschapskwaliteit voor beoordeling van en advisering bij nieuwe ontwikkelingen.

De visie van het LOP bestaat uit een landschaps- en een natuurvisie. De landschapsvisie gaat in op de gewenste ontwikkeling van de identiteit van de verschillende landschapstypen, de historische patronen, de groenstructuren en de ruimtelijke kwaliteiten die karakteristiek zijn. Ze is gebaseerd op en vormt een uitwerking van vastgesteld beleid op diverse niveau's. De natuurvisie gaat in op de gewenste ecologische ontwikkeling van het plangebied. Hierbij is ten eerste van vastgesteld ecologisch beleid uitgegaan. Vervolgens zijn vanuit het LOP aanvullende voorstellen gedaan, met name voor de ecologische verbindingszones.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0034.jpg"

Afbeelding - Landschapsstrategieën

Het plangebied van het LOP is verdeeld in in een aantal deelgebieden. Elk van de deelgebieden kent haar eigen ruimtelijke kwaliteiten, problematiek en opgaven, die het vertrekpunt zijn voor de nadere visievorming ten aanzien van de integrale landschapsontwikkeling per deelgebied. Het plangebied van dit bestemmingsplan maakt hoofdzakelijk onderdeel uit van de deelgebieden Coulissenlandschap Langbroek en Bosrijke heuvelrug. Een klein deel van het plangebied, ten westen van Driebergen en ingesloten tussen de rijksweg en de spoorlijn, maakt deel uit van het deelgebied Zuidflank heuvelrug.

Door infrastructuur en bebouwing is het gebied van de Heuvelrug versnipperd. Met name de zuidflank van de Heuvelrug, met het kenmerkende overgangslandschap van essen en ‘groene kamers’, is de laatste decennia steeds meer bebouwd. Vaak is daardoor de kenmerkende overgang en samenhang tussen Heuvelrug en rivierenlandschap onderbroken. In het LOP is daarom aangegeven dat het hoog tijd is voor een goede ruimtelijke zonering en afstemming van ecologie, recreatie en stedelijke ontwikkelingen. Ook het gebied van de Gelderse Vallei kent grote barrières door de rijksweg A12 en de spoorlijn Utrecht-Arnhem. De ruimtelijke kwaliteiten van de relevante deelgebieden zijn:

Bosrijke heuvelrug

  • Uniek aaneengesloten bosgebied met zeer hoge ecologische en recreatieve kwaliteiten, belangrijke ecologische hoofdstructuur.
  • Aangewezen als Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug.

Zuidflank heuvelrug

  • De kampen kenmerken zich door hun openheid en het ontbreken van kavelgrensbeplantingen. In de omgeving van Amerongen en Leersum werd vroeger tabak geteeld, waarvan de fraaie donkere tabaksschuren aan de randen van de akkers nog getuigen.
  • Vaak is nog een oude boven- en benedenweg aanwezig met verspreide bebouwing in de tussen gelegen groene kamers en een onregelmatige verkaveling.
  • De zuidflank is eveneens befaamd om de Stichtse Lustwarande, en reeks van kastelen, buitens en landgoederen welke zich tussen het eind van de 18e eeuw en het begin van de 20e eeuw ontwikkeld heeft lands de eeuwenoude weg Utrecht-Arnhem. Vanuit deze kastelen en buitens zijn vele kenmerkende structuren in het landschap ontstaan, zoals zichtlijnen, lanen en ook grote ontginningen.

Coulissenlandschap Langbroek

  • Zeer heldere landschappelijke opbouw met slagenverkaveling, afwisselende langgerekte bossen en weiden en bebouwingslinten langs weteringen.
  • Reeks van Middeleeuwse ridderhofsteden en kastelen.
  • Kwelgebied vanuit de heuvelrug.
  • plaatselijk bijzondere natte natuurgebieden.

Nieuwe ontwikkelingen binnen de deelgebieden moeten aan de kernkwaliteiten getoetst worden. In alle deelgebieden is de versterking van de beeldkwaliteit van bestaande onderdelen van het buitengebied en landschappelijke inpassing van nieuwe ontwikkelingen gewenst. Denk hierbij aan de beeldkwaliteit van bebouwingslinten, bebouwing en erven, schuren, bedrijven, parkeerplaatsen, kassen, paardenbakken of verlichting.

Naast het LOP is een beeldkwaliteitplan voor hetzelfde plangebied ontwikkeld. Hierin wordt nader ingegaan op de gewenste beeldkwaliteit van de onderdelen in het buitengebied.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Voor zover het bestemmingsplan ruimte biedt aan nieuwe ontwikkelingen door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden (zoals functieverandering, Ruimte voor Ruimte, nevenactiviteiten, etc.), mogen deze ontwikkelingen geen afbreuk doen aan de landschappelijke kwaliteiten en samenhang van het plangebied, zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Kromme Rijngebied+.

Algemeen
Voor de gebiedsvisie vormt ten aanzien van landschap, bos en natuur de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen van de provincie Utrecht zoveel mogelijk het uitgangspunt. De Kwaliteitsgids is verdeeld in een zestal katernen. De katernen 'Utrechtse Heuvelrug' en 'Rivierengebied' zijn van toepassing op het plangebied.

Het plangebied kent een opeenvolging van verschillende landschappen. Deze verschillen onderling sterk in de mate van openheid. De kommen en de uiterwaarden zijn (relatief) open. De flanken van de Utrechtse Heuvelrug vormen halfopen landschappen. De beboste Utrechtse Heuvelrug is het meest besloten landschapstype. Het is vooral van belang om deze verschillende vormen te behouden en te versterken.

Utrechtse Heuvelrug
Het beleid voor de Utrechtse Heuvelrug is gericht op behoud, herstel en uitbouw van bestaande boscomplexen, waar gewenst het terugbrengen van heide en versterking van de ecologische samenhang tussen de natuur- en bosgebieden. Op afstand van het plangebied komen Natura 2000-gebieden voor.

De bestaande bos-, natuur- en parkgebieden zijn in eigendom van diverse beheerders, die ieder een eigen kijk op en manier van beheren hebben. Per beheerder kan en zal er dus een verschil in beheersvorm zijn. De verschillende beheersmaatregelen zullen ertoe moeten leiden dat tenminste de actuele waarden van het plangebied behouden blijven en waar mogelijk de waarden vergroot worden. Hierbij dienen tevens de landschappelijke kwaliteiten behouden te blijven (bijvoorbeeld laanstructuren en verkavelingsstructuren). Ook zal bij de diverse beheersvormen de kenmerkende afwisseling in verschillende bostypen en variatie met open ruimten in stand moeten blijven. De ecologische ontwikkeling van de Heuvelrug moet in ieder geval gericht zijn op het versterken van de ecologische samenhang over grote oppervlakten en het behoud en ontwikkeling van variatie. Dit houdt in een streven naar grote eenheden natuurlijk bos, afgewisseld met diverse, verschillend beheerde bostypen. Uitgangspunt is -in de meeste gevallen- het ontwikkelen van een zo natuurlijk mogelijk ecosysteem, dat sterke overeenkomsten vertoont met de van nature op deze groeiplaats thuishorende vegetatie (potentieel natuurlijke vegetatie). De in dit bestemmingsplan op te nemen juridische regeling zal ruimte moeten bieden voor de verschillende beheersvormen.

Waar mogelijk dient het bestemmingsplan toe te staan dat -op basis van vrijwilligheid- vergroting van de bestaande bos- en natuurgebieden nagestreefd kan worden, conform de gewenste situatie en natuurdoelen uit het Natuurbeheerplan provincie Utrecht. In dit deel van het plangebied zijn in het Natuurbeheerplan nog een aantal kleine gebiedjes aangeduid als (zoekgebied voor) nieuwe natuur (zie onder Natuurbeheerplan 2013). Het gros van deze gebieden ligt echter op de noord- en zuidflanken naar respectievelijk de Gelderse Vallei en het Rivierengebied of in het Rivierengebied zelf. Afhankelijk van de bereidwilligheid van de grondeigenaar kunnen deze in de planperiode tot nieuwe natuur omgevormd worden. In het bestemmingsplan moet ten behoeve hiervan een regeling worden opgenomen.

Gestreefd wordt de barrières, die wegen, spoorwegen en dichte bebouwingscomplexen vormen voor plant en dier, zoveel mogelijk op te heffen. Met een rijksweg en twee spoorverbindingen is dat een lastige opgave, hoewel door de verbreding van de rijksweg A12 diverse faunapassages worden gerealiseerd. Het plangebied zelf voorziet dan ook niet in de aanleg van grootschalige faunapassages. Het bestemmingsplan moet wel ruimte scheppen om 'kleinere' faunapassages mogelijk te maken.

Rivierengebied
De dynamische geschiedenis van de Rijn is onder andere af te lezen door de huidige loop van de Nederrijn/Lek en door de kommen, die zijn ontstaan in oude overstromingsvlakten. De zichtbaarheid wordt versterkt door de onderling variërende hoogteligging en het bijbehorende grondgebruik: akkerbouw, dorpen en lintbebouwing op de hoger gelegen oeverwallen en stroomruggen en veeteelt ter plaatse van de lager gelegen kommen.

Belangrijk is het waarborgen, versterken en ontwikkelen van de eigen identiteiten van de flank en Nederrijn/Lek. Waarbij de karakteristieke kenmerken langs de centrale ruggengraten (dragers) het best tot uiting komen. Dragers van dit gebied zijn de Nederrijn/Lek zelf, de dijklintbebouwing en de N225 die de kernen op de Heuvelrug met elkaar verbinden.

Belangrijk is de bescherming en het actief ontwikkelen van zichtlijnen en vergezichten vanaf de dijk richting de Nederrijn/Lek. Ook het ervaarbaar houden van de dijk is belangrijk. Dit markante dijklichaam vormt de ontginningsbasis van de binnen- en de buitendijkse gronden. Het agrarische grondgebruik buitendijks en de vanuit de dijk opstrekkende verkaveling binnendijks zorgen voor een geleidelijke overgang naar Langbroek. Bij het veranderende landgebruik in de uiterwaarden moet voorkomen worden dat de dijk een scherpe grens wordt en de karakteristieke geleidelijke overgang verloren gaat.

Ook is een betere beleefbaarheid van kenmerkende elementen van de beheersing van de rivier, zoals dijken, vergravingen en (grootse) civiele werken belangrijk.

Nieuwe ontwikkelingen, die de openheid van (de directe omgeving van de) Nederrijn/Lek frustreren, mag het bestemmingsplan niet toestaan. Bij deze nieuwe ontwikkelingen kan het zowel gaan om een mogelijke natuurlijke invulling (bos) als nieuwe bebouwing. Echter, de agrarische bedrijven zijn in belangrijke mate bepalend voor de landschappelijke, en met name visueel-ruimtelijke, kwaliteit van het gebied. Daarentegen hebben de bedrijven ook ontwikkelingsruimte nodig. Dit betekent dat agrarische bedrijven via het plan uitbreidingsruimte moeten krijgen, om deze zo vitaal te houden. Doordat de uitbreidingen waarschijnlijk relatief gezien van een beperkte omvang zullen zijn, zullen de landschappelijke kwaliteiten van het gebied niet significant worden aangetast. De agrarische bedrijven blijven belangrijk voor de landschappelijke kwaliteiten van dit deel van het plangebied. Wel is vanuit landschappelijk oogpunt enige sturing en landschappelijke inpassing noodzakelijk bij het (mogelijk) vergroten van bouwpercelen.

Het kavelpatroon in het kampen- en overgangsgebied is kenmerkend voor dit deel van het plangebied en dient vanuit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt behouden te blijven. Vooralsnog zijn er geen ontwikkelingen bekend, of gewenst, die afbreuk zullen doen aan dit verkavelingspatroon. Desalniettemin zal hiervoor een regeling worden opgenomen in het plan.

Vanuit landschappelijk en cultuurhistorisch perspectief is het gewenst de specifieke kwaliteiten van zowel buitenplaatsen als landgoederen te beschermen. In paragraaf 3.3 wordt hier nader aandacht aan besteed.

Natuur- en bosgebieden
In de looptijd van dit bestemmingsplan wordt ingestoken op het behoud en het herstel van de aanwezige botanische en faunistische waarden, de bestaande natuurgebieden (zoals het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug) en de al aanwezige ecologische verbindingszones. Daarnaast komen in de bosgebieden over het algemeen ook natuurwaarden voor. Bestaande natuur- en bosgebieden hebben daarom de bestemming 'Natuur' gekregen. Hieronder valt het overgrote deel van de bestaande natuur- en bosgebieden, die gelegen zijn binnen de ecologische hoofdstructuur. Het geldt onder andere voor de natuur- en bosgebieden, die in eigendom en beheer zijn van de natuurbeherende organisaties, zoals Staatsbosbeheer en het Utrechts Landschap, maar ook voor een aantal gebieden die bij particuliere boseigenaren in eigendom en beheer zijn. Binnen de bestemming 'Natuur' is bosbouw mogelijk.

Diverse werkzaamheden, die niet inherent zijn aan de natuurbestemming en de kwaliteiten van het natuur- of bosgebied kunnen schaden, worden aan een omgevingsvergunning gebonden.

De provincie Utrecht heeft de EHS concreet begrensd middels de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

Van belang is daarbij dat de EHS ook juridisch bindend is: indien een ontwikkeling voorzien is in de EHS, geldt dat er aan het 'Nee, tenzij'-regime getoetst dient te worden. Om die reden is de concrete begrenzing van de EHS op de verbeelding aangeduid, in de vorm van de dubbelbestemming 'Waarde - Ecologie'. Via de regels van de dubbelbestemming wordt de bescherming van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS bij ontwikkeling(en) veilig gesteld. Zo is het voor het oprichten of uitvoeren van diverse werken en werkzaamheden nodig om een omgevingsvergunning te hebben alvorens gestart mag worden, ongeacht de regels in de geldende enkelbestemming ter plaatse.

Verder is in het bestemmingsplan in verband met het 'Nee, tenzij'-regime onder andere voor bedrijven, instellingen en voorzieningen, die in de EHS liggen, vergroting van de oppervlakte aan (bedrijfs-) gebouwen in het algemeen niet bij recht mogelijk gemaakt. Via afwijkingsbevoegdheden biedt het plan hiervoor wel (beperkte) mogelijkheden. Door de bepalingen, verbonden aan de afwijkingsbevoegdheden voor vergroting van de oppervlakte aan (bedrijfs)gebouwen, wordt nader invulling gegeven aan het 'Nee, tenzij'-regime. Geregeld is ten eerste dat, als het niet betreft een uitbreiding van geringe omvang (in absolute zin), een exacte beoordeling van de al dan niet significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS een vereiste is. Als uitgangspunt daarbij geldt dat die beoordeling te allen tijde plaats dient te vinden per geval, met een redelijke afweging van alle aspecten en bijzonderheden op de betreffende locatie. Om te kunnen afwijken van het bestemmingsplan moet uit de beoordeling blijken dat er van significante aantasting geen sprake is. De gemeente dient aangaande verzoeken om toepassing van de afwijkingsbevoegdheid te allen tijde een besluit te nemen, eventueel op basis van advies van een deskundige op dit gebied.

Daarnaast is in de afwijkingsbevoegdheden bepaald dat aan een afwijking, in het kader van een redelijke visuele inpassing in het landschap, voorwaarden kunnen worden gesteld betreffende situering en afscherming door beplanting of anderszins. Of het ook wenselijk is deze voorwaarden te verbinden aan een afwijking, dient altijd per geval beoordeeld te worden, met een redelijke afweging van alle aspecten en bijzonderheden op de in het geding zijnde locatie.

Wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van natuurontwikkeling en ecologische verbindingszones
Door middel van een wijzigingsbevoegdheid kunnen agrarische gronden omgezet worden naar nieuwe natuur of worden ingericht als ecologische verbindingszone. Het omzetten van agrarische gronden naar een ecologische verbindingszone of nieuwe natuur, om zo tot een verdere invulling van de EHS te komen, kan enkel op basis van vrijwillige medewerking van de grondeigenaar.

Toetsing Nb-wet
De juridische regeling van het bestemmingsplan dient te waarborgen dat bij de invulling van de ontwikkelingsruimte, die het aan een aantal bestemmingen biedt, toetsing plaatsvindt op het al dan niet optreden van significante effecten ten aanzien van de waarden (instandhoudingsdoelen) van Natura 2000-gebieden, gelegen in de nabijheid van het plangebied. Dit omdat de eventuele effecten, zoals (een toename van) de uitstoot van stikstof of (optische) verstoringen, pas inzichtelijk te maken zijn op het moment van een concreet project en significant negatieve effecten niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten.

De verplichte toetsing aan de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) is opgenomen voor de ontwikkelingsruimte ten gevolge van de wijzigingsbevoegdheden, die in het plan zijn opgenomen. De verlening van een wijziging is afhankelijk gemaakt van het verplicht moeten aantonen dat er geen significante effecten voor de Natura 2000-gebieden optreden.

Programmatische aanpak stikstof

Een specifiek probleem in beschermde natuurgebieden is de depositie van stikstofverbindingen, veroorzaakt door emissies vanuit de industrie, het verkeer en de landbouw. In vele gebieden is de stikstofdepositie namelijk hoger dan de hoeveelheid die gebieden kunnen verdragen zonder verslechtering van de natuurwaarde (de zogenaamde kritische depositie). Om de vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet vlot te trekken werkt het Rijk aan het vaststellen van een Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Het heeft het Rijk gewerkt aan het principe van saldering: kleine toenames van de stikstofdepositie vanwege individuele ontwikkelingen, worden gecompenseerd door een daling van de achtergronddepositie en het verbeteren van de milieucondities in natuurgebieden. De PAS is op 1 juli in werking getreden.

Effecten bestemmingsplan
Onderzocht is (zie Bijlage 5 Voorlopige resultaten van de gebiedsgerichte emissie- en depositie berekeningen in Driebergen) wat de ruimtelijke mogelijkheden zouden zijn bij de inzet van emissie reducerende techniek in combinatie met ruimtelijke restricties aan de groei van de bedrijven in het plangebied. De conclusie is dat de gebiedsemissie af kan nemen tot bijna 20.000 kg/jaar als er in de melkveehouderij een emissie reductie wordt gerealiseerd van 57% en er in de intensieve veehouderij gaswassers worden geplaatst met een reductie van 85%, tenminste, als de bedrijven zich niet verder door ontwikkelen dan tot een omvang van 1,5 hectare, met uitzondering van bedrijven kleiner dan 0,5 hectare. Voor die percelen geldt de restrictie dat het vigerende bouwvlak niet verder mag groeien dan 30% ten opzichte van wat er nu bij recht is toegestaan.


Omdat gebruik is gemaakt van het mechanisme van interne saldering op gebiedsniveau is met een verspreidingsberekening geverifieerd of er in dit alternatief mogelijk sprake is van een lokale toename van de depositie op de dichts bij zijnde kwalificerende habitats. De onderstaande figuur geeft het resultaat van deze verspreidingsberekeningen weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0035.png"

De figuur laat zien dat, ondanks de gekozen restricties er voor zorgen dat de lokale toename van de depositie zich niet uitstrekt tot over de dichtstbij gelegen kwalificerende habitats (ten zuidoosten van het plangebied). In alle gevallen neemt de depositie af met 0-1 mol/ha/jaar.

Beschermde soorten
Op basis van de eisen die aan individuele ontwikkelingen worden gesteld en de praktische mogelijkheden om beschermde soorten in te passen in lokale ontwikkelingen, zijn als gevolg van het bestemmingsplan geen wezenlijke effecten op beschermde soorten te verwachten. Dit betekent dat ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde zijn.

Beschermde natuurgebieden
Met uitzondering van de toename in stikstof worden vanuit het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die mogelijk effect hebben op provinciaal beschermde natuurgebieden. Het behoud en de ontwikkeling van de ecologische en landschappelijke waarden van deze gebieden zijn verweven in de bestemmingsplanregels.

Landschap
Nieuwvestiging van (agrarische) bedrijven in het buitengebied heeft doorgaans een grote landschappelijke impact en is daarom niet mogelijk gemaakt.

Alle agrarische bouwvlakken binnen het bestemmingsplangebied met uitzondering van de intensieve veehouderij in het extensiveringgebied, hebben de uitbreidingsmogelijkheid via een wijzigingsbevoegdheid uit te breiden tot 1,5 hectare. Rekening houdend met de landschappelijke karakteristieken zoals genoemd in de “Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen” zijn geen effecten te verwachten voor landschap. Ook voor eventuele overige uitbreidingen van andere functies zijn de landschappelijke karakteristieken uit de Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen van toepassing.

4.10 Cultuurhistorie

Monumentenwet 1988 (1988)
De wet- en regelgeving op rijksniveau rondom cultureel erfgoed is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Het is het belangrijkste sectorale instrument voor de bescherming van cultureel erfgoed. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe monumenten aangewezen kunnen worden als beschermd monument. De wet heeft betrekking op gebouwen en objecten, stads- en dorpsgezichten, archeologische waarden en op het uitvoeren van archeologisch onderzoek.

Gemeenten hebben vanuit de Monumentenwet 1988 de Verordening op de archeologische monumentenzorg (Monumentenverordening) en de Monumentencommissie als belangrijke instrumenten voor de bescherming van erfgoed.

Er worden in de Monumentenwet verschillende monumenten onderscheiden:

  • rijks-, provinciaal of gemeentelijk gebouwd monument;
  • beschermd stads- of dorpsgezicht;
  • rijks-, provinciaal of gemeentelijk archeologisch monument.

Daarnaast zijn er werelderfgoederen. Deze monumenten komen op de Werelderfgoedlijst te staan.

Er zijn diverse rijks- en gemeentelijke (gebouwde) monumenten aanwezig en enkele archeologische rijksmonumenten.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De bescherming van gebouwde en archeologische monumenten wordt reeds wettelijk geregeld.


Modernisering Monumentenzorg (2009)
De modernisering van de monumentenzorg (MOMO) heeft erin geresulteerd dat per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening is aangepast. Met deze aanpassing is cultureel erfgoed ingebed in de ruimtelijke ordening. Het is verplicht om in bestemmingsplannen aandacht te geven aan cultuurhistorie en de effecten van het initiatief op cultuurhistorische waarden die in het plangebied voorkomen. Daar waar nodig dient de bescherming van deze waarden ook te worden vastgelegd in de regels en verbeelding bij het bestemmingsplan.

De aanwijzing van de Grebbelinie als rijksmonument sluit goed aan bij de Modernisering van de Monumentenzorg. Die gaat onder andere uit van een meer gebiedsgerichte benadering, met een plaats voor cultuurhistorie vóóraan in het ruimtelijk proces. De cultuurhistorische waarde moet van meet af aan in bestemmingsplannen worden opgenomen zodat monumentenzorg mee kan doen als opbouwende speler.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan moet ingaan op de aanwezige cultuurhistorische waarden in het plangebied.
  • Voor zover mogelijk dienen deze waarden beschermd te worden door middel van regelingen in het bestemmingsplan.


Monumenten Inventarisatie Project (voormalige) gemeente Driebergen-Rijsenburg
Het Monumenten Inventarisatie Project (MIP) is een initiatief van de rijksoverheid geweest om binnen een korte periode landelijk overzicht te verkrijgen van de jongere bouwkunst en stedenbouw tussen 1850 en 1940. De uitvoering van dit project is in handen gelegd van de provincies en de vier grote steden. De provincie Utrecht heeft een aanzienlijke bijdrage geleverd aan het MIP door ook de oudere bouwkunst van voor 1850 te inventariseren. Op deze wijze is een complete databank van alle cultuurhistorisch waardevolle elementen opgebouwd. De breed opgezette inventarisatie per gemeente dient als basis voor een nadere selectie ten behoeve van plaatsing op de rijksmonumentenlijst. In meer algemene zin vormt het MIP een uitgangspunt voor het beleid van de overheid ten aanzien van monumentenzorg, stadsvernieuwing en ruimtelijke ordening.

Per gemeente zijn 'gebieden met bijzondere waarden' onderscheiden. De aard van de waardering hangt ten nauwste samen met het karakter van het MIP: de waarde wordt ontleend aan de kwaliteit van de historische bebouwingsstructuren in combinatie met de kwaliteit van de bebouwing. Cultuurhistorische waarden die geen of weinig relatie met de gebouwde omgeving hebben, komen in de waardering niet of nauwelijks aan bod.

Dennenburg-Arca Pacis is een 'buitenplaats vóór 1850 en 1850-1940', gelegen aan de zuidzijde van Driebergen. Het gebied met bijzondere waarden bestaat uit de buitenplaats Dennenburg, vroeger deel uitmakend van een veel groter landgoed, met aan de rand het klooster Arca Pacis, te samen een deel van de Stichtse Lustwarande. Dennenburg ligt wat zuidelijker dan de meeste buitens: al op de overgang naar de kleigronden van het Kromme Rijngebied. Als gevolg van dorpsuitbreiding, wegaanleg, afbraak en nieuwbouw op de landgoederen zijn slechts delen van de Lustwarande bewaard gebleven.

De waarde van Dennenburg is gelegen in het gedeeltelijk bewaard blijven van het oorspronkelijk karakter van de Stichtse Lustwarande ter plaatse: een buitenplaats aan de rand van de Heuvelrug, ingepast in de uit de 12de eeuw daterende verkaveling ter plaatse. Van waarde is ook de bewaard gebleven relatie tussen de buitenplaats en het achterliggend agrarisch gebied.

De structuur als geheel bepaalt in combinatie met de beplanting (tuin, parkbos, laan- en randbeplanting) in hoge mate de visuele karakteristiek en is daarmee eveneens van grote invloed op de waardering van het gebied. De bebouwing draagt hier aan bij, van waarde zijn zowel het landhuis als de bijgebouwen. Vanwege de ligging direct tegen Dennenburg en het in structuur bewaard blijven van een deel van de aanleg rond het landhuis Broekbergen, is het terrein van Arca Pacis binnen het 'gebied met bijzondere waarden getrokken'.

Langbroekerwetering, het meest zuidelijk deel van het plangebied, vormt een combinatie van 'boerderijstrook vóór 1850' en 'buitenplaatsen vóór 1850 en 1850-1940'. Het gebied met bijzondere waarden bestaat uit het Driebergs deel van de boerderij strook langs de Langbroekerwetering, een deel van het achterliggende land, en enkele kastelen. De bebouwingsstrook bestaat uit een tamelijk los boerderij-/buitenplaatslint aan weerszijden van de wetering. Het gebied is qua structuur zeer bijzonder, met de karakteristiek van een cope-ontginning in combinatie met die van een buitenplaats-ontwikkeling, en daarmee van grote waarde. Deze waarde wordt nog vermeerderd door de gaafheid van zowel structuur als bebouwing. Over de gehele lengte in het gebied is ook de dwarsopbouw van de boerderij strook zeer gaaf. Globaal is deze opbouw: agrarisch land, erf en boerderij, Langbroekerdijk en -wetering, erf en boerderij, agrarisch land.

De kastelen Sterkenburg en Leeuwenburg zijn in het boerderij lint ingepast en liggen aan de weg, zij het wat verder van de weg af dan de meeste boerderijen. Hardenbroek ligt zelfs aan het eind van de kavel, tegen de gemeentegrens aan, en is gericht op de weg langs de Kromme Rijn. Ook bij de kastelen is de gaafheid groot.

De boerderijen in de strook zijn voor een groot deel monumentaal of beeldbepalend van aard. Ook de kastelen zijn van grote monumentale waarde. Behalve de monumentaliteit van het hoofdgebouw is soms ook sprake van waardevolle bijgebouwen.

De kasteelterreinen zijn door hun tuin- en parkaanleg duidelijk van de boerderij erven te onderscheiden, waardoor in visueel opzicht een waardevol contrast ontstaat tussen de betrekkelijke openheid van de boerderij erven en de beslotenheid van de kasteelterreinen. Deze tegenstelling is in de gehele strook manifest in de afwisseling tussen open, agrarisch land enerzijds en bossen en grienden anderzijds.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De buitenplaats, kasteelterreinen en het karakteristieke boerderijlint moeten beschermd en bewaard blijven.


Beleidsnota Erfgoed in het groen 2010 - 2015 (2010)
De Beleidsnota Cultuurhistorisch erfgoed 2010-2014, welke 17 juni 2010 is vastgesteld, vormt een antwoord op de vraag naar actief erfgoedbeleid op het gebied van cultuurhistorie. Dat niet alleen voor de periode 2010-2014, maar ook voor de langere termijn. De keuze voor een actief beleid met betrekking tot erfgoed wordt ondersteund door de Structuurvisie, waarin cultuurhistorie is benoemd tot één van de speerpunten van het gemeentelijke beleid.

Hoofddoel van de beleidsnota is een beleidskader te geven voor het behoud, de versterking en de ontwikkeling van het waardevolle erfgoed in de gemeente, ten behoeve van zowel huidige als toekomstige generaties. Daarnaast beoogt de nota integrale samenhang tussen de verschillende facetten van het cultuurhistorisch erfgoed, en tussen dit beleidsveld en de andere beleidsvelden, zoals ruimtelijke ordening, natuur en landschap, recreatie en toerisme, economie. Vermeld wordt dat het cultuurhistorisch erfgoedbeleid gebaseerd is op de drie hoofdpijlers:

  • Monumenten;
  • Archeologie;
  • Cultuurlandschap.

Vanuit de pijler Archeologie benoemt de Beleidsnota Cultuurhistorisch erfgoed twee wettelijke taken, die in het kader van het opstellen van bestemmingsplannen relevant zijn:

Het vastleggen van archeologische waarden in bestemmingsplannen, en opstellen van regels voor behoud van aanwezige archeologische waarden;

In een zo vroeg mogelijk stadium archeologische waarden meenemen in de ruimtelijke planvorming. Bij voorgenomen bodemverstoringen zorgvuldige afwegingen maken tussen enerzijds behoud van aanwezige archeologische waarden en anderzijds de overige sectorale belangen in het ruimtelijk proces.

Aanvullend hierop duidt de nota op het belang van gemeentelijke archeologische waarden- en beleidsadvieskaart, om zo tot een goede afweging te komen van het archeologische aspect in de planvorming. De kaart maakt immers op gemeentelijk niveau inzichtelijk op welke wijze rekening moet worden gehouden met zowel de bekende als de verwachte archeologische waarden op het gemeentelijk grondgebied. Omdat de kaart een redelijk grote dynamiek kent, moet ze regelmatig (bij voorkeur driejaarlijks) worden geactualiseerd.

De beleidsnota benoemt het bestemmingsplan tenslotte als één van de instrumenten ter borging van het cultuurhistorisch erfgoed. Niet alleen is een koppeling van de archeologische waarden- en beleidadvieskaart aan het plan noodzakelijk, ook acht de nota het bestemmingsplan bij uitstek een geschikt instrument voor behoud en bescherming van complexen en structuren.

In het plangebied komen diverse rijks- en gemeentelijke monumenten voor. In Bijlage 3 is hiervan een overzichtslijst opgenomen. Tevens zijn er 3 archeologische rijksmonumenten in het plangebied aanwezig. De ligging hiervan is opgenomen in navolgende paragraaf 4.11.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • In het bestemmingsplan moeten archeologische waarden worden vastgelegd en voor zover noodzakelijk met een regeling worden beschermd;
  • Waar en voor zover mogelijk dient het bestemmingsplan het behoud van het cultuurhistorisch erfgoed te borgen.


Beleidsnota Schaapskooien (2011)
In deze nota wordt beschreven hoe de schaapskooien, die kenmerkend zijn voor de gemeente en die getuigen van een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van de Utrechtse Heuvelrug, behouden kunnen blijven, zodat ook toekomstige generaties inwoners en bezoekers nog lang kunnen genieten van deze karakteristieke gebouwen. Eeuwenlang graasden schaapskudden op de hoger gelegen heidevelden of op schapendriesten op de lagere gronden. In tijden dat er nog geen kunstmest bestond, zorgden de schapen voor mest. Vooral voor de tabaksteelt, die vooral bij Amerongen te vinden was, schijnt deze schapenmest bijzonder geschikt te zijn geweest.

Voor het behoud van schaapskooien is het van groot belang dat de gebouwen een goede functie hebben. Voor de schaapskooien waar dat nog niet het geval is, zal vroeg of laat dan ook herbestemming aan de orde zijn. Het doel van deze beleidsnota is een kader te bieden op basis waarvan de gemeente aan de herbestemming van schaapskooien kan meewerken.

In onderstaande tabel is voor enkele functies op een rij gezet of ze mogelijk zijn. Er zijn wellicht nog meer functies denkbaar voor een schaapskooi dan in deze lijst genoemd worden. Om te beoordelen of een dergelijke functie mogelijk is, moet steeds worden gekeken welke impact de functie heeft op het gebouw en zijn omgeving. Vooral bij de vrij gelegen schaapskooien mag de invloed op de omgeving slechts minimaal zijn.

Functie   Schaapskooi op een erf   Vrij gelegen schaapskooi  
Woning   Mogelijk onder voorwaarden   Niet mogelijk  
Recreatiewoning   Mogelijk onder voorwaarden   Mogelijk onder voorwaarden  
Kantoor   Mogelijk onder voorwaarden   Niet mogelijk  
Theeschenkerij   Mogelijk onder voorwaarden   Mogelijk onder voorwaarden  
Educatief centrum   Mogelijk onder voorwaarden   Mogelijk onder voorwaarden  
Stal   Mogelijk   Mogelijk  
Opslag   Mogelijk   Mogelijk  


Bij de schaapskooien die op een erf gelegen zijn, zijn meer functies mogelijk dan bij de vrij gelegen schaapskooien. Voor deze eerste categorie geldt immers dat het bestaande erf al voorzieningen biedt die voor veel functies nodig zijn. Er is al een verhard terrein waar auto’s en fietsen kunnen worden geplaatst. Bijgebouwen vallen op een bestaand erf minder op omdat er al gebouwen aanwezig zijn. Wel zouden er voorwaarden gesteld kunnen worden met betrekking tot eventuele tuinaanleg of verdere erfinrichting, bijvoorbeeld een verbod op het plaatsen van een schutting, haag of tuinmuur rondom de schaapskooi.

Voor de schaapskooien die vrij in het veld liggen, zijn de mogelijke functies beperkt. De functies die als niet wenselijk zijn aangemerkt, zouden te grote ingrepen in de karakteristieke ligging en het gebouw zelf met zich meebrengen, zoals voorzieningen voor lichttoetreding, terreinverharding of de aanleg van een parkeerplaats en bijgebouwen. Een recreatiewoning, een theeschenkerij of een educatief centrum behoren alleen onder strenge voorwaarden tot de mogelijkheden. Zo is het belangrijk dat het terrein rondom de vrij gelegen schaapskooi onverhard blijft en dat er geen bijgebouwen of erfinrichting worden aangelegd. Ook moet er terughoudend worden omgegaan met wijzigingen aan de schaapskooi zelf. Voor daglichttoetreding bieden de bestaande openingen, namelijk de dubbele deuren en de hooiluiken, voldoende ruimte.

De functies stal en opslag zijn voor beide categorieën mogelijk, omdat deze functies goed aansluiten bij de oorspronkelijke functie van de kooien, namelijk het onderbrengen van schapen. Deze functies zullen naar verwachting nauwelijks of geen wijzigingen van het erf of het gebouw vergen.

Om ervoor te zorgen dat als gevolg van herbestemming de cultuurhistorische waarden van de schaapskooien niet verloren gaan, zouden de volgende voorwaarden kunnen worden gesteld aan herbestemming:

  • 1. De functieverandering moet in dienst staan van het behoud van de cultuurhistorische waarden van de schaapskooi.
  • 2. Voor de vrij in het veld gelegen schaapskooien geldt dat de nieuwe bestemming samenvalt met de voetprint van de schaapskooi. Het omliggende terrein dient een bestemming te krijgen, die geen bouwmogelijkheden biedt.
  • 3. Voor de vrij in het veld gelegen schaapskooien geldt dat de functies woning en kantoor niet mogelijk zijn. Voor de kooien die op een erf met andere gebouwen liggen, geldt deze restrictie niet.
  • 4. Bij eventuele aanpassing van de schaapskooi worden de bouwkundige uitgangspunten uit de Beleidsnota Schaapskooien in acht genomen.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De schaapskooien in het plangebied dienen beschermd en bewaard te blijven;
  • Functieverandering van schaapskooien is onder voorwaarden mogelijk. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen schaapskooien op een erf en vrij gelegen schaapskooien.

Monumenten
De in het plangebied aanwezige rijks- en gemeentelijke monumenten zijn op de verbeelding niet als zodanig aangeduid. Ofschoon het wel is gebeurd bij voorgaande bestemmingsplannen van de gemeente, dient geconstateerd te worden dat dit niet past binnen de systematiek van de regeling 'Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen' (kortweg: SVBP), welke regeling heden bij het opstellen van bestemmingsplannen moet worden gehanteerd.

Daarbij geldt dat voor rijks- en gemeentelijke monumenten reeds een beschermende regeling is opgenomen in de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumentenverordening.

In Bijlage 3 is een overzichtslijst van de aanwezige rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen.

Cultuurhistorisch waardevol lint
Het cultuurhistorisch waardevolle boerderijlint langs de Nederrijn is niet specifiek nader bestemd. De waarden worden vooral gevormd door de combinatie van de dijk en de daaraan gelegen boerderijen met het open achterland van de Langbroekerwetering. Doordat de landschappelijke waarden hier reeds afzonderlijk zijn bestemd binnen de agrarische bestemming en er geen extra bouwmogelijkheden worden geboden buiten de bestaande bouwpercelen, is het waardevolle karakter van het lint reeds voldoende beschermd.

Schaapskooien
De in het plangebied aanwezige cultuurhistorisch waardevolle schaapskooien hebben een eigen aanduiding 'overige zone - schaapskooien' gekregen. Conform het gemeentelijke beleid worden hiervoor (onder voorwaarden) mogelijkheden geboden om de functie te veranderen. Van belang is daarbij dat de functieverandering in dienst staat van het behoud van de cultuurhistorische waarden.

4.11 Archeologie

Wettelijk kader

Archeologisch erfgoed is een gemeenschapsbelang. In 1992 hebben de ministers van Cultuur van de lidstaten van de Raad van Europa dit belang onderkent in het Verdrag van Valletta. Naast benadrukking van de gemeenschapswaarde van archeologisch erfgoed zijn in het verdrag afspraken gemaakt over de omgang met archeologisch erfgoed. Deze afspraken hebben in Nederland hun beslag gekregen in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz 2007). Verantwoordelijkheid voor zorgvuldige omgang met archeologisch erfgoed ligt sinds de invoering van de Wamz bij gemeenten, die bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen archeologie als factor dienen mee te wegen. In het Besluit Ruimtelijke Ordening staat in dit kader specifiek aangegeven dat in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving dient te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de in de grond aanwezige of te verwachten (archeologische) monumenten (art. 3.1.6, lid 4 sub a Bro). Hieronder wordt daarom uitgebreid aandacht besteed aan archeologisch erfgoed binnen het plangebied Buitengebied Driebergen.

Provinciaal beleid

De Cultuurhistorische structuur (CHS)van de provincie Utrecht kent verschillende beleidsspeerpunten. De Utrechtse heuvelrug als geheel valt binnen het beleidsspeerpunt Archeologie. In de toelichting bij de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) is daar het volgende over opgenomen: De Utrechtse Heuvelrug is 150.000 jaar geleden ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Het stuwwallenlandschap bezit een grote diversiteit aan archeologische waarden uit verschillende perioden, van de Steentijd tot de Tweede Wereldoorlog. Juist de stapeling van tijdlagen maakt de Utrechtse Heuvelrug zo bijzonder. Deze is het sterkst op de zuidelijke flanken. Op deze gradiënt (overgangszone naar de lagere kleigronden) bevinden zich diverse concentraties van prehistorische grafheuvels, celtic fields en vroegmiddeleeuwse grafvelden. Ook treffen we hier nederzettingsterreinen uit de Brons- en IJzertijd aan, evenals voorlopers van de middeleeuwse esdorpen met hun bouwgronden (engen), alsmede middeleeuwse wegenpatronen en tabaksvelden uit de Nieuwe Tijd.

Artikel 2.10 sub d van de PRV 2013 stelt dat in gebied Archeologie de cultuurhistorische waarde van het bekende en verwachte archeologisch erfgoed wordt behouden en versterkt. In de toelichting van de PRV wordt aangegeven dat bij het behouden van archeologische waarden het gaat om regels die aantasting van archeologisch erfgoed voorkomen of tot het uiterste beperken. Behoud in situ (Lat: ter plaatse) is het uitgangspunt. Het geven van een dubbelbestemming verdient aanbeveling als de archeologische waarden zich over meerdere andere bestemmingen uitstrekken. Daarbij dient de rangorde tussen de bestemmingen te worden aangegeven. Ter bescherming van de waarden dienen zo nodig aanlegvoorschriften te worden opgenomen. Bij het versterken van de archeologische waarden gaat het om archeologie als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen, met name:

  • de samenhang tussen verschillende archeologische structuren en elementen;
  • de relatie tussen archeologische structuren en elementen en het landschap

Omdat het volledige grondgebied van de gemeente Utrechtse heuvelrug binnen de CHS (cultuurhistorische hoofdstructuur) van de provincie valt, zal het bestemmingsplan altijd aan de cultuurhistorische regels in de PRV getoetst worden.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een Beleidskaart archeologie waarop zeven verschillende archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven. De archeologische verwachtingen variëren van zeer hoge tot geen verwachting. Deze verwachting geeft aan hoe groot de kans is op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten. In een gebied van hoge archeologische verwachtingswaarde is de kans groot dat er op waardevolle archeologische resten wordt gestuit als de bodem wordt vergraven. De verwachtingswaarden zijn gebaseerd op de resultaten van het bureauonderzoek van ADC Heritage uit 2009. Per gebied zijn er voorwaarden voor ontwikkeling geformuleerd. Streven is het behoud in situ (Lat: ter plaatse) van de archeologische resten. Indien dit niet mogelijk is, zullen de archeologische resten door middel van onderzoek voor toekomstige generaties bewaard dienen te worden. Dit wordt behoud ex situ genoemd. De voorwaarden voor ontwikkeling zijn vastgelegd in de Monumentenverordening van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De regels uit de Monumentenverordening en de Beleidskaart archeologie zijn als archeologische dubbelbestemmingen met eraan verbonden omgevingsvergunningenstelsel in de verbeelding en de planregels opgenomen. Uitzondering hierop zijn de archeologische rijksmonumenten (Waarde Archeologie 7 van de beleidskaart). Deze worden reeds wettelijk beschermd en het bestemmingsplan mag hier geen eigen regelgeving voor bevatten. Ter signalering zijn de archeologische rijksmonumenten uit het plangebied hieronder in de toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0036.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0037.png"

Op de verbeelding zijn in vijf dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Het betreft:

  • 1. 'Waarde - Archeologie 1': niet-wettelijk beschermde AMK-terreinen, niet-wettelijk beschermde grafheuvels inclusief bufferzone van 250 m, beschermde landgoederen, WOII-resten, middeleeuwse wegen en paden, ontginningsbases en historische dorpskernen;
  • 2. 'Waarde - Archeologie 2': de zones van 250 m rond wettelijk en niet-wettelijk beschermde AMK-terreinen;
  • 3. 'Waarde - Archeologie 3': gebieden met een hoge archeologische verwachting;
  • 4. 'Waarde - Archeologie 4': gebieden met een middelhoge archeologische verwachting;
  • 5. 'Waarde - Archeologie 5 ': gebieden met een lage archeologische verwachting.


Bescherming van archeologische (verwachtings)waarden

Een dubbelbestemming omvat dus zowel de aanwezige als de naar verwachting aanwezige archeologische waarden. In de regels is gekoppeld aan de dubbelbestemmingen een regeling opgenomen, die het behoud van belangrijke archeologische waarden tracht te garanderen. Deze regeling houdt het onderstaande in.


Voor bepaalde soorten werken en werkzaamheden (geen bouwen) waarbij de bodem dieper dan 30 cm wordt vergraven, geroerd of omgewoeld geldt de vereiste van een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning kan slechts worden verkregen, indien de archeologische waarden van de betreffende gronden worden veiliggesteld. De aanvrager van de omgevingsvergunning dient een rapport (archeologisch vooronderzoek) te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein waar de werken zullen plaatsvinden, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en waaruit blijkt dat:

  • het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd;
  • of de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad;
  • of in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.


In de regels is een dergelijke rapportageplicht ook opgenomen voor het verlenen van omgevingsvergunningen voor bouwen. Evenals de regeling voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zijn de eisen, die gesteld kunnen worden bij een omgevingsvergunning voor bouwen gebaseerd op de bepalingen betreffende archeologische monumentenzorg in de Monumentenwet 1988.


Om ruimte te geven aan ontwikkelingen zijn ingrepen van geringe omvang vrijgesteld van een archeologische onderzoeksverplichting. Wat gering en acceptabel is, is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde van het perceel, oftewel de trefkans op archeologische vondsten en sporen. Afhankelijk van de mate van archeologische verwachting (hoog/laag) is een inschatting gemaakt vanaf welke omvang van ingrepen de schade aan de archeologische waarde van het terrein in termen van informatieverlies onacceptabel zou zijn. Dit is geresulteerd in vrijstellingen in omvang variërend voor verwachtingswaarde (zeer hoog-laag) van respectievelijk 50 m2, 100 m2, 150 m2, 1.000 m2 dan wel 10 ha.

Voor werken en werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als 'normaal beheer en onderhoud', zoals onder meer het periodiek omploegen van akkerland is geen omgevingsvergunning nodig. Werkzaamheden zoals diepploegen vallen echter niet onder normaal beheer en onderhoud. Hier is wel een omgevingsvergunning voor nodig.


Een wijzigingsbevoegdheid maakt het mogelijk de ligging van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' te wijzigen. Het is immers niet ondenkbaar dat bij een bodemingreep in een gebied met een lage verwachtingswaarde toch archeologische waarden worden vastgesteld. Daarnaast kan uit nader onderzoek volgen dat in een zeker gebied juist wel of toch geen sprake is van een middelhoge dan wel hoge verwachtingswaarde. Beide gevallen kunnen aanleiding geven om de dubbelbestemming alsnog aan bepaalde gronden op te leggen, dan wel ze te verwijderen.


Overigens dient te worden bedacht dat een omgevingsvergunnings- en rapportagevereiste in dit kader overwegend tot doel heeft nadruk te leggen op het vroegtijdig en volwaardig meewegen van deze waarden bij ruimtelijke ingrepen, om zodoende de mogelijkheid tot planaanpassing nog open te houden.

Benadrukt wordt tot slot dat het in één dubbelbestemming vervatten van zowel vastgestelde als verwachte archeologische waarden ten goede komt aan de overzichtelijkheid van het plan als geheel, zonder dat de bescherming van deze waarden onvoldoende gewaarborgd is.

Archeologisch verwachtingswaarden in buitengebied Driebergen

Stuifzandgebieden
Het noordelijk deel van het plangebied van buitengebied Driebergen bestaat de bodem uit dekzand met stuifduinen. Stuifzandgebieden zijn niet erg geschikt voor beweiding of beakkering en daarom geen geliefde vestigingslocaties. Daarnaast is het de verwachting dat de archeologische resten die wel aanwezig waren door de zandverstuivingen in het verleden grotendeels zijn verdwenen. Het noordelijk deel van het plangebied buitengebied Driebergen heeft daarom een lage archeologische verwachtingswaarde, dubbelbestemming Waarde Archeologie 5 laag op de plankaart.

Grafheuvels
Dat dit echter niet betekent dat er geen archeologische vindplaatsen in stuifzandgebieden aanwezig zijn, getuige verschillende prehistorische grafheuvels die zich bevinden in het gebied. De grafheuvels lagen niet geïsoleerd in het landschap. Naast een of meerdere begravingen onder en in de heuvel zelf, kunnen in de omgeving sporen aangetroffen worden van allerlei begrafenisrituelen. De grafheuvels en een omringende zone van 250 m in diameter kennen daarom een zeer hoge archeologisch verwachtingswaarde, dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog op de plankaart.

Stuwwal
In het uiterste noordoostelijke deel van het plangebied bestaat de bodem uit stuwwalafzettingen die vanaf de oude steentijd (vóór 8800 voor Chr.) tot in de ijzertijd een geliefde vestigingslocatie zijn geweest. De archeologische verwachting is in dat gebied daarom hoog, dubbelbestemming waarde archeologie 3 hoog. De aanwezigheid van een smeltwaterdal in de stuwwalafzettingen duidt op de mogelijke aanwezigheid van prehistorische paden en routes. Hiervoor geldt een middelhoge archeologische verwachting, dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 middelhoog op de plankaart.

Overgang van flank naar laaggelegen komgebieden

De bodemopbouw van het zuidelijk deel van het plangebied Driebergen buitengebied bestaat uit gordeldekzand met en zonder oud bouwlanddek en de laaggelegen komgebieden van het Krommerijngebied. De komgebieden waren te nat voor bewoning in het verleden en kennen daarom een lage archeologische verwachtingswaarde, dubbelbestemming Waarde Archeologie 5 laag op de plankaart. In de komgebieden zijn plaatselijk hogergelegen dekzandruggen in de bodem aanwezig. De hoge dekzandruggen zijn vanaf de oude steentijd tot in de nieuwe tijd een zeer geliefde vestigingslocatie geweest vanwege de vruchtbare bodem, de gunstige waterhuishouding en de beschikbaarheid van allerlei natuurlijke voedselbronnen en grondstoffen in de nabije omgeving. Hetzelfde gold voor de (gordel)dekzanden op de flank van de heuvelrug dat wordt afgedekt met een oud bouwlanddek. Deze locaties kennen daarom een hoge archeologische verwachtingswaarde voor alle archeologische perioden, dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 hoog op de plankaart. Voor de gordeldekzandwelvingen zonder oud bouwlanddek is de archeologische verwachting gezien de verminderde vruchtbaarheid van de bodem middelhoog, dubbelbestemming Waarde Archeologie 4 middelhoog op de plankaart.

Komgebieden

Vanaf circa 1000 worden de laaggelegen komgebieden systematisch in cultuur gebracht onder de bezielende regie van de bisschop van Utrecht en zijn leenmannen. Dwars door het komgebied werd de Langbroekerwetering gegraven als nieuwe ontginningsbasis. Vanuit deze basis werden aan weerszijden kavels haaks op de wetering gezet en afgesloten met achterkaden. De Gooyerdijk is bijvoorbeeld de noordelijke achtergrens en keerkade. Langs de ontginningsbasis verrezen de boerderijen. Deze ontginningsbases hebben daarom een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde vanaf de middeleeuwen. Op de plankaart staat een strook van 60 m langs de ontginningsbasis aangegeven als dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog. Ten westen van de Broekweg is langs de Langbroekerwetewring een oude oeverwal in de bodem als locatie voor de boerenerven gekozen, daarom volgt de strook met hoge archeologische verwachtingswaarde hier niet de Langbroekerwetering maar de oeverwalafzettingen in de bodem.

Kastelen en landgoederen
Door politieke en economische omstandigheden verrezen tussen 1000 en 1600 in het Krommerijngebied en op de flank van de Utrechtse Heuvelrug talloze versterkte boerderijen en ridderhofsteden. Een voorbeeld van zo'n versterkte boerderijlocatie ligt tegen de zuidgrens van het plangebied naast de Broekweg. In het landschap is nog een oorspronkelijk omgrachte verhoging te zien. In de verhoging worden de resten van een versterkte boerderij of ridderhofstad verwacht. Het terrein bekend als 'Jachtrust' staat aangegeven op de archeologische monumentenkaart (AMK) van de provincie Utrecht. Op de plankaart staat dit terrein aangegeven met een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog. Ook in de directe omgeving van dergelijke AMK-terreinen is de kans op het aantreffen van archeologische vondsten en sporen groot. Rondom vindplaatsen van de archeologische monumentenkaart zijn daarom bufferzones met een diameter van 250 m aangeven waarvoor een (zeer) hoge archeologische verwachting geld. Op de plankaart is dit aangegeven als een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 (zeer) hoog.


Verschillende ridderhofsteden in de regio groeiden uiteindelijk uit tot kastelen en uitgestrekte landgoederen. Deze landgoederen kennen een hoge archeologische verwachtingswaarde vanaf de middeleeuwen en met name in de Nieuwe tijd. Deze staan op de plankaart aangegeven met een dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 zeer hoog.

Voor alle voornoemde dubbelbestemmingen Waarde Archeologie (1 tot en met 5) zijn regels opgenomen die voortvloeien uit de beleidskaart archeologie en de monumentenverordening van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Door middel van voorwaarden aan omgevingsvergunningverlening worden de archeologische waarden geborgd. Streven is het behoud in situ (Lat: ter plaatse) van de archeologische resten. Indien dit niet mogelijk is, zullen de archeologische resten door middel van onderzoek voor toekomstige generaties bewaard dienen te worden (behoud ex situ).

Archeologische Rijksmonumenten

Artikel 11 van de Monumentenwet stelt dat het verboden is een beschermd monument te beschadigen of te vernielen. Bovendien is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd archeologisch monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Omdat de Monumentenwet deze terreinen beschermd, is het overbodig hiervoor een dubbelbestemming Archeologie met voorwaarden voor omgevingsvergunningverlening op te nemen. Echter om te voorkomen dat deze terreinen bij ruimtelijke projecten 'van de radar' verdwijnen wordt hieronder een overzicht gegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0038.jpg"

In het plangebied Driebergen Buitengebied liggen drie archeologische rijksmonumenten, in paars aangegeven op bovenstaande kaart.

Kasteel Sterkenburg
Langbroekerdijk nr. 10 betreft kasteel Sterkenburg. Het kasteelterrein betreft een archeologisch rijksmonument, monumentnummer 45506, amk-nummer 1667 . In de bodem worden de resten verwacht van het kasteelterrein vanaf de dertiende eeuw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0039.jpg"

Kasteel Rijsenburg

Langbroekerdijk nr. 4 betreft een terrein waarin zich de resten bevinden van een kasteel dat dateert vanaf de dertiende eeuw. Het kasteelterrein betreft een archeologisch rijksmonument, monumentnummer 45505, amk-nummer 372 .

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0040.jpg"

Grafheuvels Mollenbos
Direct langs de Rijksweg A12 liggen drie prehistorische grafheuvels die zijn aangemerkt als archeologisch rijksmonument, monumentnummer 45504 , amk-nummer 371. De grafheuvels dateren tussen 2850-800 voor Chr.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0041.jpg"

4.12 Recreatie

Beleidsplan Recreatie en Toerisme 2011 - 2013 (2011)
Op 22 februari 2011 is het Beleidsplan Recreatie en Toerisme 2011-2013 vastgesteld. Dit plan is een actualisatie van het succesvolle beleidsplan 2007-2011, met hier en daar enkele accentverschuivingen. Hieruit volgt dat de toeristische profilering van de gemeente berust op drie pijlers:

  • Natuur en landschap;
  • Cultuurhistorie;
  • Het aanbod aan (zakelijke) verblijfsmogelijkheden.

Vanuit de drie pijlers zijn drie recreatief-toeristische profielen opgesteld:

  • Beleef het Nationaal Park!;
  • Recreëren in weelde;
  • Een verblijf op hoog niveau.

Om de ambitie te verwezenlijken is een aantal doelen voor de beleidsperiode gesteld. Met het verwezenlijken van deze doelen worden stappen gezet om de toekomstvisie dichterbij te brengen. De volgende doelen zijn gesteld:

  • het vergroten van de mogelijkheden van de beleving van regio en gemeente Utrechtse Heuvelrug;
  • het versterken van de bekendheid in Nederland van regio en gemeente Utrechtse Heuvelrug als toeristische bestemming;
  • een toename van de toeristische en recreatieve bestedingen in de gemeente;
  • een toename van het aantal overnachtingen in de gemeente;
  • een goede verdeling van het bezoek over de seizoenen;
  • een toename van het herhaalbezoek;
  • een toename van het zakelijk bezoek aan de gemeente;
  • het versterken van de samenwerking tussen publieke en private partijen in de gemeente die zich bezig houden met toerisme en recreatie.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan dient zo veel mogelijk in te spelen op behoud en versterking van natuur, landschap, cultuurhistorisch erfgoed en het aanbod aan verblijfsmogelijkheden;
  • Voor de gewenste ontwikkelingen vanuit het toeristisch-recreatief beleid moet ruimte zijn in het bestemmingsplan. Het gaat onder andere om ruimte voor nieuwe routen of verbetering van bestaande routestructuren en nieuwe (kleinschalige verblijfs-)recreatieve voorzieningen.


Nota Verblijfsrecreatie (2009)
In de gemeente speelt een aantal actuele kwesties ten aanzien van verblijfsrecreatie die van de gemeente een duidelijk antwoord vragen, waaronder uitponding en permanente bewoning van recreatiewoningen. Om weloverwogen keuzes te kunnen maken, is een apart beleidskader voor verblijfsrecreatie gewenst. Daarnaast is per 1 januari 2008 de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) ingetrokken, die een aantal zaken regelde op het gebied van kamperen, zoals de ruimtelijke spreiding en diversiteit van het kampeeraanbod en de voorschriften inzake hygiëne, gezondheid en veiligheid. Gemeenten dienen zelf hun beleid ten aanzien van openluchtrecreatie te bepalen en dit te vertalen naar bestemmingsplannen en verordening.

Op 9 juli 2009 is dit beleidskader vastgesteld, in de vorm van de Nota Verblijfsrecreatie. De nota bestaat uit een beleids- en een toetsingskader voor verblijfsrecreatie. In het beleidskader worden recreatieve, landschappelijke, ecologische en milieukundige belangen tegen elkaar afgewogen en wordt duidelijkheid geboden ten aanzien van de (ruimtelijke) ontwikkelingsmogelijkheden en -beperkingen voor diverse vormen van verblijfsrecreatie in de gemeente. Het toetsingskader is een verdere uitwerking van het beleidskader en geeft richtlijnen voor de verschillende typen van verblijfsrecreatieve voorzieningen. Die richtlijnen dienen als input bij het opstellen van nieuwe of herzien van oude bestemmingsplannen.

Op basis van ruimtelijke, landschappelijke en ecologische kwaliteiten maakt de nota onderscheid in de ontwikkelingsmogelijkheden van verschillende recreatieve verblijfsvormen in de gemeente. Door zonering wordt er aangegeven waar welk type verblijfsvorm gewenst is. De volgende zones te onderscheiden:

  • Recreatief ontwikkelingsgebied: ruimte voor ontwikkeling van bestaande en vestiging van nieuwe bedrijven, waar zowel grootschalige als kleinschalige ontwikkelingen mogelijk zijn.
  • Buitengebied: ruimte voor ontwikkeling van bestaande en vestiging van nieuwe bedrijven, waar alleen kleinschalige ontwikkelingen mogelijk zijn.
  • Ecologische Hoofdstructuur: inzet op instandhouding van bestaande bedrijven en mogelijkheden tot uitplaatsing van bedrijven naar de minder kwetsbare gebieden;
  • Landbouwontwikkelingsgebied: geen ruimte voor nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkelingen (primaat bij landbouw);
  • Kernen: ruimte voor nieuwvestiging voor kwalitatief hoogwaardige kleinschalige hotels, pensions en Bed & Breakfastaccommodaties.

Permanente bewoning van recreatieverblijven wordt in de Nota Verblijfsrecreatie uitgesloten. Indirect kunnen gemeenten uitponding tegengaan door het opnemen van de eis van "bedrijfsmatige exploitatie" in de regels van hun bestemmingsplannen. Uit verschillende uitspraken blijkt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak de eis van bedrijfsmatige exploitatie ruimtelijk relevant acht en aanvaardbaar vindt. Er is sprake van bedrijfsmatige exploitatie van een park als via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon een zodanig beheer of exploitatie wordt gevoerd dat in de recreatiewoningen daadwerkelijk recreatief nachtverblijf wordt geboden en plaatsvindt.

Er is géén sprake van bedrijfsmatige exploitatie als het complex is verkaveld en de eigenaren van de recreatiewoningen zonder belemmeringen(bijvoorbeeld vanwege huurverplichtingen) over hun verblijf kunnen beschikken.

In het plangebied liggen op diverse locaties solitaire recreatiewoningen. Deze recreatiewoningen zijn in de vigerende bestemmingsplannen al positief bestemd. Dit wordt in dit bestemmingsplan overgenomen. In een zeer enkel geval is een al lang bestaande, maar nog niet in het huidige bestemmingsplan bestemde recreatiewoning, alsnog positief bestemd.

Gekozen is om deze recreatiewoningen te bestemmen als "Recreatie".

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Het bestemmingsplan moet, voor zover noodzakelijk, rekening houden met het beleids- en toetsingskader uit de Nota Verblijfsrecreatie.


Notitie Bed & Breakfast (2009)
Het Beleidsplan Recreatie en Toerisme 2007-2011 gaf aan dat een verblijf op hoog niveau één van de pijlers is van het toeristisch profiel. Vanuit dat oogpunt gezien staat de gemeente positief tegenover het realiseren van bijzondere kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen in het buitengebied, waarbij onder andere wordt gewezen op Bed & Breakfast-accommodaties. Zij zijn een welkome aanvulling op de verblijfsaccommodaties in de gemeente.

In 2009 is, vooruitlopend op de Nota Verblijfsrecreatie, een Notitie Bed&Breakfast opgesteld om criteria ten aanzien van het realiseren van Bed&Breakfast faciliteiten vast te stellen. Uitgangspunt daarbij is dat een Bed&Breakfast een overnachtingaccommodatie vormt, die tot de kleinschalige verblijfsrecreatie gerekend wordt. Het betreft een nevenfunctie naast het wonen of de agrarische functie. Daarom kan het geen grote zelfstandige betekenis hebben: ook in (bedrijfs)economische zin moet het aanbieden van Bed&Breakfast ondergeschikt zijn.

De Notitie bevat beoordelingscriteria, waarbij op hoofdlijnen is uitgewerkt wat eronder verstaan moet worden. Hoewel Bed&Breakfast niet gezien mag worden als een werkzaamheid voor het verkrijgen van een hoofdinkomen, is toch aansluiting gezocht bij de mogelijkheid van 'aan huis gebonden beroepen'. De belangrijkste eis ziet toe op de ondergeschiktheid: ten hoogste 30% van het bruto-vloeroppervlak van de bebouwing mag ten behoeve van de Bed&Breakfastvoorziening worden gebruikt. Voor locaties binnen de bebouwde kom geldt daarbij een maximum van 50 m2; buiten de bebouwde kom is dat 60 m2. Eventueel kan, via afwijking, de mogelijkheid geboden worden om tot 40% van de bebouwing te benutten voor Bed&Breakfast faciliteiten.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • De beoordelingscriteria uit de Notitie Bed&Breakfast moeten, voor zover noodzakelijk, in het bestemmingsplan worden vertaald.

Verblijfsrecreatieve terreinen
In de hele gemeente Utrechtse Heuvelrug, dus ook voor de verblijfsrecreatieve terreinen in onderhavig plangebied, is gekozen voor een afzonderlijk bestemmingsplan. Deze terreinen zijn daarom buiten het plan gehouden.

Sportvoorzieningen
De sportterreinen en -voorzieningen in het plangebied en maneges zijn bestemd tot 'Sport', waarbij maneges uitsluitend zijn toegestaan op locaties die de aanduiding 'manege' hebben. De bijbehorende regels geven aan of de terreinen en voorzieningen al dan niet gelegen zijn in de EHS en wat in dat verband de bouwmogelijkheden zijn. Net als bij andere bestemmingen is daarbij als uitgangspunt genomen rechtens geen uitbreidingsruimte te bieden, indien het terrein of de voorziening in de EHS gelegen is. Vooral vanwege de in voorkomend geval noodzakelijke toetsing aan het 'Nee, tenzij'-regime kunnen uitbreidingen op deze sportterreinen daarom slechts via een afwijkingsbevoegdheid gerealiseerd worden. Behalve de bestaande, feitelijke situatie is bij het bestemmen zo veel mogelijk rekening gehouden met hetgeen voor het terrein of de voorziening vast was gelegd in het voor dit bestemmingsplan vigerende plan.

Recreatiewoningen
Afzonderlijke recreatiewoningen in het plangebied, dus niet gesitueerd op een verblijfsrecreatief terrein, hebben, mits legaal, de bestemming 'Recreatie' gekregen. Het is niet toegestaan deze recreatiewoningen te gebruiken voor permanente bewoning.

Extensieve dagrecreatie
Voor de Utrechtse Heuvelrug is, en blijft, de recreatieve functie ondergeschikt aan de functie voor natuur en bos. Dit is de zone uit het provinciaal en gemeentelijke recreatiebeleid, waar met name ruimte is voor de natuurfunctie. Door handhaving en waar mogelijk verbetering van de bestaande en toekomstige recreatieve voorzieningen kan aantasting van de ecologische en landschappelijke waarden worden voorkomen. De te nemen maatregelen ten aanzien van recreatievoorzieningen vloeien voort uit het beheer- en inrichtingsplan, dat opgesteld is voor het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug, en het Natuurbeheerplan provincie Utrecht. De maatregelen hebben onder meer betrekking op de ontwikkeling van een viertal groene entrees en het optimaliseren van de toeristisch-recreatieve infrastructuur (aanleg, inrichting en bewegwijzering van fiets-, wandel- en ruiterroutes, parkeerplaatsen en groenvoorzieningen). Deze zijn (deels) al gerealiseerd.

De gemeente zet in de zone van de Heuvelrug in op een kwalitatief hoogwaardige routestructuur voor wandelen, fietsen en paardrijden, bevordering van de verbinding met het landelijke gebied, het realiseren van meer en betere mogelijkheden voor natuurbeleving bij de groene entrees en een kwaliteitsverbetering van bestaande toeristisch- recreatieve voorzieningen.

In het kampen- en overgangsgebied ligt het primaat bij vormen van routegebonden recreatie en plattelandstoerisme, met uitzondering van het cultuurhistorisch erfgoed in dit gebied. Hier is de visie gericht op de versterking van de recreatieve functie. Dit kan plaatsvinden in de vorm van extensief recreatief medegebruik en de ontwikkeling van kleinschalige recreatieve voorzieningen, door recreatieve nevenactiviteiten toe te staan bij de bestaande agrarische bedrijven en door in beperkte mate mee te werken aan nieuwe hoofdactiviteiten in vrijkomende agrarische gebouwen. Voor het cultuurhistorisch erfgoed zijn mogelijkheden voor de ontwikkeling van nieuwe dag- en verblijfsrecreatieve bedrijven. Bij extensief recreatief medegebruik kan er worden gedacht aan nieuwe wandel- en fietspaden, informatievoorziening, picknickplaatsen en dergelijke. Gelet op de kwaliteiten van natuur en landschap worden nieuwe recreatiecomplexen in deze gebieden niet toegestaan. Wel is er ruimte voor kleinschalige recreatieve verblijfsvoorzieningen bij bestaande agrarische bedrijven of in vrijkomende agrarische bebouwing (VAB).

Effecten bestemmingsplan
In het kader van de planm.e.r. wordt onderzocht wat de gevolgen van het bestemmingsplan zijn op het thema recreatie.

Een groot deel van het plangebied is door de aanwezigheid van natuur, cultuurhistorie, rust en ruimte uitermate geschikt voor (extensieve) recreatieve activiteiten. De (verblijfs)recreatieterreinen blijven buiten het plangebied. Hiervoor wordt een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld.

In het plan zijn wel op beperkte schaal ontwikkelmogelijkheden geboden (zoals kamperen bij de boer). Het gebied behoudt tenminste zijn functie voor recreatief medegebruik.

4.13 Buitenplaatsen en landgoederen

Buitens op de Heuvelrug (2012)
Beleidskader voor historische landgoederen en buitenplaatsen
Met deze nota wil de gemeente Utrechtse Heuvelrug een beleidskader bieden voor instandhouding van de cultuurhistorisch waardevolle elementen van de vele landgoederen en buitenplaatsen die de gemeente rijk is. Door de bijzondere groene aanleg en monumentale gebouwen zijn deze complexen zeer waardevol.

afbeelding "i_NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-vo01_0042.png"

Afbeelding - Overzicht van kastelen en buitenplaatsen binnen de gemeente Utrechtse Heuvelrug

Dubbelbestemming
Het verdient aanbeveling om landgoederen en buitenplaatsen goed zichtbaar aan te geven in bestemmingsplannen. Zo is in één opslag te zien welke gronden er onder een complex vallen en dreigt niet het gevaar dat ontwikkelingen afzonderlijk beoordeeld worden in plaats van binnen het geheel van het complex. Daarnaast kan op deze wijze goed ingespeeld worden op ontwikkelingen op en nabij buitenplaatsen en landgoederen.
Verder vertegenwoordigen de bestaande landgoederen en buitenplaatsen bijzondere cultuurhistorische waarden, zoals:

  • een kenmerkende paden- en lanenstructuur en/of zichtassen;
  • bijzondere landschappelijke elementen, zoals theekoepels, hekwerken en dergelijke;
  • karakteristieke centrale bebouwing, veelal in de vorm van een kasteel, versterkt huis of landhuis, doorgaans met een tuin en/of park.


In algemene zin kan worden gesteld dat de dichtst bij het oorspronkelijke gebruik liggende functie (wonen) de voorkeur geniet als gebruiksvorm, omdat dit gebruik het minst ingrijpend is en het beste aansluit bij het doel van instandhouding van de cultuurhistorische waarden. Dit is in lijn met de uitspraken die hierover in het kader van de gemeentelijke structuurvisie zijn gedaan.

Flexibiliteit
In nieuwe bestemmingsplannen voor het buitengebied krijgen historische buitenplaatsen en landgoederen een dubbelbestemming op grond waarvan het bestemmingsplan onder voorwaarden gewijzigd kan worden ten behoeve van het:

  • wijzigen en/of vergroten van bouwvlakken en/of het toekennen van nieuwe bouwvlakken (van deze wijzigingsbevoegdheid zal in voorkomend geval pas gebruik gemaakt worden nadat de Raad in de gelegenheid is gesteld om wensen en bedenkingen kenbaar te maken bij het voornemen tot het uitoefenen van die bevoegdheid;
  • wijzigen van bestemmingen, met nadere aanduiding functies en gebruiksdoelen.
Hoofdbestemming   Functie/gebruiksdoel   Hoofdgebouw   Bijbehorende bouwwerken  
Wonen   - Wonen   Ja   Ja  
Kantoor   - Het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate te woord wordt gestaan en geholpen
 
Ja






 
Ja  
  - Congres- en vergaderaccommodatie   Ja   Ja  
Horeca   - Hotel   Ja   Ja  
  - Restaurant   Ja   Ja  
  - Zaalaccommodatie   Ja   Ja  
  - Bed & Breakfast   Ja   Ja  
  - Theehuis   Nee   Ja  
Recreatie   - Extensieve recreatie (mits buiten het hoofdgebouw)   N.v.t.   Ja  
  - Recreatiewoning (mits buiten het hoofdgebouw)   N.v.t.   Ja  
Maatschappelijk   - Gezondheidszorg   Ja   Ja  
  - Kinderopvang   Nee   Ja  
  - Openbare dienstverlening   Ja   Ja  
  - Zorginstelling   Ja   Ja  
  - Zorgboerderij   Nee   Ja  
  - Onderwijs   Ja   Ja  
Cultuur en ontspanning   - Atelier   Nee   Ja  
  - Museum   Ja   Ja  


Initiatieven op een historische buitenplaats of landgoed worden alleen in behandeling genomen als deze voorzien zijn van een integrale toekomstvisie voor de buitenplaats/het landgoed, waaruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling noodzakelijk is en de duurzame instandhouding hierdoor gewaarborgd is.

Bij nieuwe ontwikkelingen in de nabijheid van een historisch landgoed of buitenplaats dient rekening gehouden te worden met de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische waarden. Om dit zeker te stellen zal in een vroegtijdig stadium overleg plaats moeten vinden over de borging en eventuele versterking van deze waarden.

Conclusie

  • In nieuwe bestemmingsplannen voor het buitengebied krijgen historische buitenplaatsen en landgoederen een dubbelbestemming op grond waarvan het bestemmingsplan onder voorwaarden gewijzigd kan worden ten behoeve van het wijzigen en/of vergroten van bouwvlakken en/of het toekennen van nieuwe bouwvlakken en ten behoeve van het wijzigen van bestemmingen, met nadere aanduiding voor functies en gebruiksdoelen.


Landgoederenbeleid (2010)
Beleidskader Nieuwe Landgoederen
Het doel van het Beleidskader Nieuwe Landgoederen is het schetsen van een heldere en eenduidige visie om de ontwikkeling van nieuwe landgoederen binnen de gemeente te kunnen begeleiden en aanvragen te toetsen. Het uitgangspunt bij een gewenste ontwikkeling van een (nieuw) landgoed is dat de aanvrager een zogenoemd Landgoedplan op moet (laten) stellen, waarin drie onderdelen prioriteit hebben:

  • Een gebiedsanalyse;
  • Een inrichtingsplan;
  • Een exploitatieopzet, annex beheerplan.

Om te kunnen bepalen of een nieuw landgoed realiseerbaar is, zijn in de nota criteria opgenomen. Deze criteria hebben betrekking op:

  • Locatie;
  • Omvang;
  • Inrichting;
  • Beeldkwaliteit;
  • (Duurzame) instandhouding.

In de Nota Nieuwe Landgoederen wordt erkend dat de ontwikkeling van een (nieuw) landgoed een zorgvuldig planproces vergt. Naast de beoordeling van het landgoedplan aan de hand van de nota, zal het initiatief onder andere getoetst moeten worden op planschaderisico en aan de geldende wet- en regelgeving op het gebied van milieu, water, verkeer, ecologie, cultuurhistorie, et cetera. Op basis van deze toetsen wordt pas duidelijk of aan een initiatief voor het ontwikkelen van een nieuw landgoed medewerking kan worden verleend.

Uitgangspunt is dat de planologische procedure pas wordt opgestart, als het landgoedplan door het college van burgemeester en wethouders en de raad is goedgekeurd en de privaatrechtelijke overeenkomst inzake de ontwikkeling van het landgoed is afgesloten. Vanwege het belang dat wordt gehecht aan de hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen de gemeente, dient er voor de realisatie van een (nieuw) landgoed de 'zware' procedure van herziening van het bestemmingsplan te worden.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Gelet op het beleid uit de Nota Nieuwe Landgoederen wordt in het bestemmingsplan geen regeling opgenomen, waarmee medewerking kan worden verleend aan de ontwikkeling van een (nieuwe) landgoed.

Bestaande buitenplaatsen en landgoederen
De in het plangebied aanwezige buitenplaatsen en landgoederen vormen vanuit cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt belangrijke dragers van het plangebied. Het bestemmingsplan moet daarom in eerste instantie de bestaande karakteristieke kenmerken van deze buitenplaatsen en landgoederen, voor zover mogelijk, vastleggen. Het meest karakteristieke aan een landgoed of buitenplaats is de afwisseling van verschillende functies (met name bos en landbouw), waarbij de omvang per functie geen vast gegeven behoeft te zijn.

Hiermee wordt bijvoorbeeld de ruimtelijke identiteit van dit deel van de Stichtse Lustwarande gewaarborgd. In het kader van het provinciale project De Stichtse Lustwarande wordt ook gewerkt aan herstel van oude kenmerken van de buitenplaatsen, waaronder de zichtlijnen. Dit zal echter plaatsvinden op perceelsniveau en is afhankelijk van onder andere de financiële mogelijkheden van het gebied en gewenste beheersvorm van het landgoed of de buitenplaats.

Buitenplaatsen en landgoederen zijn ook belangrijke economische dragers in het plangebied. Tot de buitenplaatsen en landgoederen behoren onder andere buitenplaats Beukenhorst, buitenplaats Beukenstein, Heidestein, Sparrendael en Sterkenburg.

Een steeds groter wordend probleem voor de buitenplaatsen en landgoederen is het instandhouden van de gronden en gebouwen, mede gezien de hoge onderhoudskosten. Daarbij komt dat in de huidige situatie vaak de (planologische) ruimte ontbreekt om extra activiteiten te kunnen ontplooien, terwijl er gelden mee kunnen worden gegenereerd om de buitenplaats of het landgoed in stand te houden. Vanuit die optiek moet het bestemmingsplan (planologische) ruimte bieden om nieuwe initiatieven (verder) te kunnen ontplooien op de buitenplaats of het landgoed. Maar, doordat de buitenplaatsen en landgoederen veelal gelegen zijn in gebieden binnen de groene contour en dus de EHS, is het bieden van ontwikkelingsruimte niet zonder meer mogelijk. Alleen onder voorwaarden kan het plan deze toestaan, zij het nog in beperkte mate. Daarnaast vraagt de ligging in, of nabij, de EHS in de meeste gevallen juist om een zo veel mogelijk strakke begrenzing van het terrein en de bestaande bebouwing.

Gewenst is wel dat de functie van de gebouwen op het landgoed onder voorwaarden gewijzigd kan worden, in bijvoorbeeld een maatschappelijke voorziening, kantoor, recreatieve voorziening of kleinschalige horeca. Dit is een verruiming van het beleid ten opzichte van de huidige situatie. Deze verruiming van de economische mogelijkheden stelt de eigenaren van buitenplaatsen en landgoederen in staat nieuwe of extra middelen ('nieuwe economische dragers' genoemd) te verkrijgen, die noodzakelijk zijn ten behoeve van het in stand houden van het landgoed of de buitenplaats. Hierbij dienen als vanzelfsprekend de cultuurhistorische waarden van het landgoed behouden te worden.

Bij activiteiten (nieuwe economische dragers), die eventueel op bestaande landgoederen of buitenplaatsen toegestaan kunnen worden, kan onder andere gedacht worden aan:

  • Wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroep;
  • Kleinschalige kantoren;
  • Horeca;
  • Educatie;
  • Wellness, recreatie;
  • Zorg.

Ten aanzien van de wijze van bestemmen van de landgoederen en buitenplaatsen in dit plan kan het volgende worden vermeld. Omdat een bestemmingsplan regels geeft voor het gebruik van gronden en gebouwen alsmede het bouwen, vormen de huidige functie en het huidige gebruik het uitgangspunt voor de op te leggen bestemmingen. Primair gaat het derhalve om agrarische bestemmingen, natuurbestemmingen, woonbestemmingen et cetera. In het geval van een landgoed of een buitenplaats is veeleer sprake van een samenstel van verschillende functies, die als geheel beheerd worden. Hier is vooral de eigendomssituatie bepalend. Een bestemmingsplan regelt echter niet de eigendommen, maar het gebruik. De eigendomssituatie heeft ruimtelijk geen relevantie.

Bij een aanvullende regeling voor (bestaande) landgoederen en buitenplaatsen in het plan moet het dus de ruimtelijk relevante meerwaarde betreffen van landgoederen en buitenplaatsen, die onvoldoende door de onderliggende bestemmingen wordt beschermd of geregeld. Daarbij kan het met name gaan om de volgende bijzondere waarden:

  • Een kenmerkende paden- en lanenstructuur of karakteristieke zichtassen;
  • Bijzondere landschappelijke elementen, zoals theekoepels, hekwerken en dergelijke;
  • Karakteristieke centrale bebouwing, veelal in de vorm van een kasteel, landhuis of versterkt huis, veelal met een tuin en park.

Voor zover de bestaande landgoederen en buitenplaatsen in het plangebied dergelijk bijzondere waarden vertegenwoordigen, zijn die waarden aanleiding geweest voor het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Landgoed en buitenplaats'. Rekening is gehouden met het feit dat het toekennen van een dubbelbestemming aan een landgoed of buitenplaats, dat enkel bestaat uit bos en agrarische gronden, geen meerwaarde heeft. Hier is de instandhouding van de aldaar voorkomende bijzondere waarden al door de onderliggende bestemming afdoende geregeld.

Het opleggen van de dubbelbestemming heeft aldus met name tot doel de instandhouding van bepaalde bijzondere waarden op landgoederen en buitenplaatsen te waarborgen, gezien uit het oogpunt van de bestaande situatie. Daarnaast zijn aan de dubbelbestemming een aantal specifieke afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden gekoppeld, welke beperkte ontwikkelingsruimte biedt ten behoeve van het bevorderen van de instandhouding van het landgoed c.q. de buitenplaats.

Uit de ligging van de dubbelbestemming op de verbeelding volgt de begrenzing van de bestaande landgoederen en buitenplaatsen. Het gaat om beschermde (historische) buitenplaatsen en de landgoederen, die zijn gerangschikt onder de Natuurschoonwet 1928.

Nieuwe landgoederen
In de gemeente zijn gebieden aanwezig waar ontwikkeling van nieuwe landgoederen aan de orde kan zijn. De gebieden waar dit mogelijk en wellicht gewenst wordt geacht, zijn in het beleidskader Nieuwe Landgoederen aangewezen als zoekgebied voor nieuwe landgoederen. Voor een deel van deze zones zijn nieuwe landgoederen zondermeer mogelijk, voor het overige is een ontheffing van de provincie Utrecht nodig. Echter, vanwege het belang dat wordt gehecht aan het behouden van de hoge landschappelijke en cultuurhistorische waarden binnen het plangebied en gezien het vele onderzoek dat vereist is in het kader van de ontwikkeling van een nieuw landgoed, dient voor de realisatie van een (nieuw) landgoed de 'zware' procedure van herziening van het bestemmingsplan te worden. In zowel het Beleidskader Nieuwe Landgoederen, als het daaraan voorafgaande beleid, is dit ook als zodanig gesteld. In de regels van dit bestemmingsplan is daarom geen regeling opgenomen, die de ontwikkeling van nieuwe landgoederen mogelijk maakt.

In dit bestemmingsplan wordt daarom geen regeling getroffen ten behoeve van ontwikkeling van nieuwe landgoederen.

4.14 Beeldkwaliteit

Beeldkwaliteitsplan Kromme Rijngebied+ (2010)
Bij het landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied+ is tevens het Beeldkwaliteitsplan Kromme Rijngebied+ (BKP) opgesteld voor de zes betreffende gemeenten. Het BKP is wel vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders, maar niet door de gemeenteraad. Het BKP vormt een aanvulling op de welstandsnota's van de zes gemeenten en vormt een nadere uitwerking van het landschapsontwikkelingsplan. De Welstandsnota's gaan specifiek in op de kenmerken van de bebouwing in het buitengebied. Het BKP gaat in op de ruimtelijke samenhang van de bebouwing met de omgeving, de erfinrichting en de beeldkenmerken van het landschap. Het BKP geeft nadere informatie en inspiratie hoe nieuwe ontwikkelingen er uit kunnen zien en hoe onder andere beplantingen daarin een rol spelen.

Mogelijke toekomstige ontwikkelingen die de beeldkwaliteit van de Utrechtse Heuvelrug kunnen beïnvloeden:

  • Ontwikkeling van landelijk wonen.
  • Uitholling van de bosrijke heuvelrug door sterke toename van villawijken, recreatieterreinen, etc.
  • Afname natuurkwaliteit door milieuproblematiek (verzuring, vermesting, verdroging en verstoring) en toenemende barrièrewerking (woningbouw, infrastructuur, hekwerken en verlichting).
  • Verrommeling van het landschap door functieverandering bebouwing, erven en grondgebruik.
  • Toenemende nevenactiviteiten op agrarische erven.
  • Landschappelijke inrichting agrarische erven.
  • Versterking natuurwaarden, ontsnippering natuur.
  • Ontwikkeling van ecoducten en andere ecologische voorzieningen.
  • Versmalling groene ‘vensters’.
  • Stedelijke uitbreiding over karakteristieke engen.
  • Afname uitstraling Stichtse Lustwarande door tussenliggende ontwikkelingen.
  • Toenemende verkeersstromen en parkeerdruk in en rond de kernen en op de heuvelrug.

Het BKP geeft per landschapstype weer welke richtlijnen voor de beeldkwaliteit gelden om de beeldkwaliteit te beschermen tegen voorgenoemde ontwikkelingen.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Voor zover het bestemmingsplan ruimte biedt aan nieuwe ontwikkelingen door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden (zoals functieverandering, Ruimte voor Ruimte, nevenactiviteiten, etc.), dienen deze ontwikkelingen te voldoen aan de eisen van beeldkwaliteit, zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan Kromme Rijngebied+.


Welstandsnota 2008
Het welstandsbeleid van de gemeente is vastgelegd in de welstandsnota uit 2008. De nota beschrijft het welstandsbeleid en fungeert als toetsingskader voor het welstandsadvies dat noodzakelijk is bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De aanleiding voor het opstellen van deze welstandsnota is tweeledig.

Ten eerste vormt deze nota een samenvoeging van de bestaande welstandsnota's van de voormalige gemeenten Driebergen-Rijsenburg, Maarn, Doorn, Leersum en Amerongen. Thans vormen deze voormalige gemeenten de gemeente Utrechtse Heuvelrug. De gemeente wil een consistent welstandsbeleid gaan voeren, waarbij gelijke gevallen, op gelijke locaties, hetzelfde worden behandeld.

Ten tweede is samen met deze harmonisatie een evaluatie van de bestaande welstands- nota's aanleiding geweest.

Gevolgen voor visie en planopzet

  • Voor zover het bestemmingsplan ruimte biedt aan nieuwe ontwikkelingen door middel van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden (zoals functieverandering, Ruimte voor Ruimte, nevenactiviteiten, etc.), dienen deze ontwikkelingen te voldoen aan de eisen van welstand, zoals opgenomen in de Welstandsnota 2008.

Hoofdstuk 5 Wijze van bestemmen

5.1 Inleiding

Het doel van deze integrale herziening van het bestemmingsplan is te komen tot een actueel planologisch-juridisch kader voor het buitengebied van Driebergen.

Het nieuwe bestemmingsplan heeft enerzijds voornamelijk een conserverend karakter (met de nodige flexibiliteit), terwijl het anderzijds op een aantal onderdelen eveneens (in beperkte mate) als ontwikkelingsgericht kan worden aangemerkt. Binnen bepaalde delen van het plangebied beoogt het plan instandhouding en ontwikkeling van de bestaande gebiedseigen karakteristieken, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische structuren. Anderzijds zet het plan binnen andere delen van het plangebied in op ontwikkeling en instandhouding van de agrarische en in beperkte mate op andere bedrijfsactiviteiten in het gebied. Het nieuwe bestemmingsplan geeft de randvoorwaarden aan waarbinnen ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, in een onderling evenwichtige en economisch gezonde situatie. Ontwikkelingen kunnen soms ook 'buitenplans' plaatsvinden. Daarbij valt te denken aan landgoederen. Dergelijke plannen zijn doorgaans te ingrijpend om binnenplans te regelen, maar de gemeente staat niet negatief tegenover de ontwikkeling ervan, hoewel sommige gebieden hiervan zijn uitgesloten.

5.2 Bestemmingsplan als toetsingskader

Algemeen
Het bestemmingsplan dient een duidelijk toetsingskader te zijn voor alle direct betrokkenen. Op basis van de in hoofdstuk 2 en 3 geformuleerde aanbevelingen (per functie) en de afweging(en) tussen die verschillende aanbevelingen, waarvan het resultaat is neergelegd in de in hoofdstuk 4 beschreven visie, geeft het voorliggende hoofdstuk een toelichting bij de overeenkomstig de actuele waarde en het huidige gebruik van de gronden opgelegde bestemmingen. De bestemmingen zijn weergegeven op de verbeelding.

Flexibel en ontwikkelingsgericht
Naast een helder toetsingskader op basis van de actuele waarden en het huidige gebruik, dient het bestemmingsplan ook flexibel en ontwikkelingsgericht te zijn, zij het in beperkte mate. Het houdt in dat het bestemmingsplan regelingen moet bevatten, welke zo veel mogelijk inspelen op de verwachte toekomstige ontwikkelingen. Het betreft wel alleen die ontwikkelingen, waarvan het gewenst is deze via dit plan te faciliteren.

Dit komt vooral tot uitdrukking in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, die in de regels zijn opgenomen. Dergelijke bevoegdheden geven het plan de nodig geachte flexibiliteit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een wijzigingsbevoegdheid voor het toestaan van andere functies op een agrarisch bouwvlak, in het geval het agrarisch bedrijf definitief is of wordt beëindigd. Ook is het mogelijk een agrarische bestemming om te zetten in een natuurbestemming, indien er zich mogelijkheden aandienen om nieuwe natuur te ontwikkelen.

De flexibiliteit is overigens ook terug te vinden binnen de bestemmingen, onder meer in de vorm van regelingen om het agrarisch bouwvlak te vergroten of aan te passen qua vorm. Daarnaast kan het bijvoorbeeld gaan over natuurontwikkeling in het kader van het realiseren van de EHS of de zonering in het kader van het reconstructiebeleid.

5.3 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1581.DBGbuitengebied-co01 met de bijbehorende regels (en bijlagen) en een toelichting hierop. Het GML-bestand (simpel gezegd; de kaart) en de bijbehorende regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Deze beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. In het GML-bestand zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels over het gebruik gekoppeld.


De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

5.4 Methodiek

5.4.1 Verbeelding

In het GML-bestand hebben alle gronden met hun bebouwing binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere soorten aanduidingen zijn opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de regels in combinatie met het GML-bestand aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding. In de legenda zijn deze als "verklaringen" aangegeven (bijvoorbeeld kadastrale gegevens).

5.4.2 Regels

De regels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk I (artikelen 1 en 2) bevatten de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen.
  • Hoofdstuk II (artikelen 3 en 29) bevat de bestemmingen. Per op de verbeelding aangegeven bestemming bevat dit hoofdstuk regels die specifiek voor die bestemming gelden. Ook zijn dit hoofdstuk de dubbelbestemmingen opgenomen.
  • Hoofdstuk III (artikelen 30 en 35) bevat de algemene regels, waaronder een anti-dubbeltelregel en de algemene gebruiksregels.
  • Hoofdstuk IV (artikelen 36 en 37) bevat de overgangs- en slotregel.

Regels in verband met de bestemmingen

De bestemmingsregels kennen allemaal dezelfde opbouw:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen (indien aanwezig);
  • afwijken van de bouwregels (indien aanwezig);
  • specifieke gebruiksregels (indien aanwezig);
  • afwijken van de gebruiksregels (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (indien aanwezig);
  • omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk (indien aanwezig);
  • wijzigingsbevoegdheid (indien aanwezig).

Bestemmingsomschrijving

De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving worden de binnen een bestemming toegestane functies genoemd. Het gebruik wordt hier geregeld.

Bouwregels

De bouwregels zijn gerelateerd aan deze bestemmingsomschrijving. In de bouwregels wordt aangegeven welke bebouwingsmogelijkheden er op een perceel bestaan. Zoals bijvoorbeeld de bouw- en de goothoogtes.

Nadere eisen

Het is mogelijk om in bepaalde gevallen (wanneer dit nodig is in het kader van een goede ruimtelijke ordening) aan de mogelijkheden die in de bouwregels zijn beschreven nadere eisen te stellen. De omstandigheden waaronder deze eisen worden gesteld moeten dan wel duidelijk zijn geformuleerd. Een voorbeeld van een nadere eis is het moeten overleggen van een beplantingsplan.

Afwijken van de bouwregels

Door het opnemen van een afwijkingsregeling bestaat de mogelijkheid om middels een omgevingsvergunning af te wijken van de algemeen toegestane bouwregels. In een afwijkingsregeling wordt opgenomen waarvan afwijking wordt verleen, de maximale omvang van de afwijking die kan worden toegestaan en eventuele voorwaarden waaronder de omgevingsvergunning tot afwijken wordt verleend. Een voorbeeld is een afwijkende goot- en/of bouwhoogte in een bepaalde situatie.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningvrij bouwen'.

Specifieke gebruiksregels

Deze regels zijn in feite een aanvulling op de bestemmingsomschrijving. Hier worden vormen van gebruik beschreven die men in strijd acht met de bestemming, maar waarvan niet direct uit de bestemmingsomschrijving blijkt dat dit zo is. Zo is in de bestemming 'Agrarisch' mogelijk gemaakt dat bepaalde bedrijfswoningen als zogenaamde 'plattelandswoningen' mogen worden bewoond, waarbij de bewoners geen functionele binding meer hoeven te hebben met het agrarische bedrijf op het perceel.

Afwijken van de gebruiksregels

Onder afwijken van de gebruiksregels wordt het mogelijk gemaakt een bepaalde vorm van gebruik toch onder de bestemming te laten vallen. Een afwijking van een gebruiksregel mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Het betreft dus altijd gebruik dat inherent is aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Een voorbeeld hiervan is bijvoorbeeld het mogen uitoefenen van kleinschalige nevenactiviteiten (in de vorm van ambachtelijke bedrijvigheid, zoals de verkoop van zelfgemaakte kaas) in de bestemming 'Agrarisch'.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningvrij bouwen'.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Specifieke inrichtingsactiviteiten, niet bestaande uit bouwen (dat is immers al onder de bouwregels beschreven), dienen soms aan een omgevingsvergunning te worden gebonden. Hiervan zal sprake zijn als bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden van invloed kunnen zijn op in de specifieke bestemming voorkomende bijzondere omstandigheden. Voorbeelden van deze omstandigheden zijn cultuurhistorische- of landschappelijke waarden. Deze waarden kunnen met omgevingsvergunningstelsel worden beschermd. De regeling is nadrukkelijk niet bedoeld om alle werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden geheel uit te sluiten. Concreet kan je denken aan bijvoorbeeld het moeten aanvragen van een vergunning voor het afgraven of egaliseren van gronden of het vellen van bos in de bestemming 'Natuur'.

Wijzigingsbevoegdheid

Door het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid is het mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen (binnenplanse wijziging). Het kan dan gaan om het wijzigen van een op een perceel gelegde bestemming, maar ook bijvoorbeeld het wijzigen of vergroten van een bouwvlak (met bijbehorende bouwmogelijkheden).

De inleidende regels (hoofdstuk I)) en de overgangs- en slotregel (hoofdstuk IV) worden hier verder niet toegelicht. Voor de overige bestemmingen volgt in de volgende paragraaf een inhoudelijke beschrijving.

5.5 Bestemmingen

In het plangebied zijn 15 bestemmingen weergegeven. Daarnaast kent het plangebied 12 dubbelbestemmingen. Hieronder volgt een beschouwing van deze bestemmingen.

5.5.1 Agrarisch met waarden

Algemeen

In het Reconstructieplan Gelderse Vallei/Utrecht-Oost is een uitwerking gemaakt van de wijze waarop de ruimtelijke en de milieuproblematiek in dit gebied wordt aangepakt. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf 3.3.2 van dit bestemmingsplan. De PRS heeft de ruimtelijke randvoorwaarden voor het reconstructiegebied uit het Reconstructieplan overgenomen. De Provinciale Ruimtelijke Verordening schrijft een zonering voor die gericht is op het reguleren van de ontwikkelingen rond de intensieve veehouderij. Er zijn drie zones beschreven: landbouwontwikkelingsgebieden, extensiveringsgebieden en verwevingsgebieden. In extensiveringsgebieden ligt de nadruk op wonen en natuur. Landbouwontwikkelingsgebieden komen niet voor binnen het plangebied. De verwevingsgebieden zijn bedoeld om een combinatie mogelijk te maken van de bovengenoemde functies. Deze zones zijn in het bestemmingplan verder uitgewerkt in de bestemming Agrarisch met waarden.


Agrarisch met waarden

In het agrarisch verwevingsgebied en het extensiveringsgebied wordt de bestemming Agrarisch met waarden toegepast. Dit zijn gebieden die hoge landschappelijke en/of natuurwaarden herbergen. Hier wordt agrarische bedrijvigheid wel toegestaan, maar de landschapswaarden worden daarbij zoveel mogelijk beschermd. Dit geldt voor extensiveringsgebied in sterkere mate dan voor het verwevingsgebied. Door deze bescherming is het een uitgebreider artikel, met diverse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Op deze wijze wordt ook ander gebruik en met name minder belastend gebruik voor de omgeving, meer gestimuleerd zoals van agrarisch naar wonen.

Voor de intensieve veehouderij geldt dat deze alleen is toegestaan als er een aanduiding is opgenomen op de verbeelding.


Bouwregels

Om de bebouwing zoveel mogelijk te clusteren is het alleen toegestaan gebouwen en overkappingen te realiseren binnen het bouwvlak. Het aantal bedrijfswoningen binnen deze bouwvlakken mag maximaal één bedragen, tenzij anders is aangegeven in regels en op de verbeelding. Een bedrijfswoning mag maximaal een inhoud hebben van 600 m³, tenzij de bestaande inhoud groter is. Als er kassen aanwezig zijn op het perceel mag de gezamenlijke oppervlakte van deze kassen met een bouwhoogte van meer dan één meter niet meer dan 300 m² bedragen. Bedrijfsgebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij mogen niet meer dan één bouwlaag bevatten. Het bouwvlak mag voor 100% bebouwd worden door één bedrijf.


Voor het bouwen van overige bouwwerken geldt dat ze zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd conform de maximum hoogten gesteld in het artikel.


Afwijken bouwregels

In verband met de ruimtelijke uitstraling is het bij recht niet toegestaan om silo's en kuilvoerplaten buiten het bouwvlak op te richten. Het bevoegd gezag kan echter besluiten om daarvan af te wijken. Deze bepaling kan slechts worden toegepast indien de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering kan worden aangetoond en er dient voldaan te worden aan de in het artikel genoemde maatvoeringen.

Er is tevens een regeling opgenomen voor het toestaan van een hogere bouwhoogte. De bouwhoogte mag echter niet meer bedragen dan 12 meter. Evenmin mag het aantal bouwlagen toenemen. Daarnaast moet aangetoond worden dat de hoger bouwhoogte bedrijfstechnisch noodzakelijk is.


Specifieke gebruiksregels

In verband met de ruimtelijke uitstraling ervan is gebruik van gronden voor opslag van hooirollen buiten het bouwvlak is in strijd met de bestemming.

Afwijken gebruiksregels

Binnen de bestemming Agrarisch met waarden ligt de nadruk op de landschaps- en natuurwaarden. Er zijn afwijkingsbevoegdheden voor het toestaan van kwekerijen en boogkassen opgenomen, mits de noodzaak hiervan voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering kan worden aangetoond en de in de omgeving van belang zijnde waarden niet onevenredig worden aangetast.


In het kader van de verbreding van de landbouwgebied is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om het agrarische bedrijf optimaal te kunnen invullen. In deze bepaling kan worden afgeweken van het bepaalde in de bestemmingsomschrijving voor het toestaan van het gebruiken van gronden en gebouwen binnen een bouwvlak waar sprake is van agrarische bedrijvigheid als hoofdactiviteit, voor de in het artikel opgesomde niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten, uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteiten. Hierbij kan gedacht worden aan ambachtelijke bedrijvigheid en diverse dienstverleningsconcepten. Er moet wel worden voldaan aan de in het artikel genoemde voorwaarden waarmee wordt getoetst of er inderdaad sprake is van ondergeschiktheid van de activiteiten. Hierbij geldt in ieder geval een maximumgrens van 300 m² en voor detailhandel een maximum van 50 m².

Er is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden een (voormalige) agrarische bedrijfswoning te mogen gebruiken als plattelandswoning.


Wijzigingsbevoegdheden

Gezien de wens om het landschap te ontwikkelen in de gebieden waar deze bestemming van toepassing is, is ervoor gekozen om diverse wijzigingsbevoegdheden op te nemen. Hierdoor wordt het gemakkelijker om andere functies dan agrarische functies mogelijk te maken in het gebied en hoeft niet eerst een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. De nadruk ligt bij de bestemming Agrarisch met waarden dus beduidend minder op intensief agrarisch gebruik en meer op de landschappelijke en cultuurhistorische waarden en de bescherming hiervan. Binnen deze bestemming zijn daarom een groot aantal wijzigingsbevoegdheden mogelijk.


Wijziging verschuiving en vergroting bouwvlakken in verwevingsgebied

Binnen de bestemming Agrarisch met waarden worden agrarische bedrijven toegestaan, maar slechts in bepaalde gebieden ook gestimuleerd om uit te breiden met het oog op de aanwezige landschapswaarden in het gebied. In de gebieden die aangegeven zijn met de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' is de mogelijkheid opgenomen om een bouwvlak te verschuiven. Hierbij zijn de voorwaarden in het artikel mede opgenomen om aantasting van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden te voorkomen.


Wijziging verschuiving bouwvlakken in extensiveringsgebied

Met deze bevoegdheid is het mogelijk ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - extensiveringsgebied' de grens van een bouwvlak te verschuiven, waarmee flexibiliteit voor agrarische ondernemers worden gecreëerd. Het te wijzigen vlak mag niet gelegen zijn binnen de aanduiding 'intensieve veehouderij'. De mogelijkheden blijven wel beperkt en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in het gebied worden zoveel mogelijk beschermd. Een eventuele vergroting van het bouwvlak dient via een buitenplanse procedure te worden gevoerd. Op dat moment kunnen de concrete gevolgen van een vergroting voor natuur en milieu worden onderzocht.

Wijziging omschakeling naar intensieve veehouderij

In het verwevingsgebied is omschakeling binnen de ter plekke beschikbare milieuruimte toegestaan, waarbij de aanvaardbaarheid door toetsing aan de omgevingskwaliteiten bepaald wordt.


Wijziging omschakeling naar grondgebonden veehouderij

De aanduiding 'intensieve veehouderij' kan middels deze bevoegdheid worden verwijderd van een bouwvlak, mits vaststaat dat er geen intensieve veehouderij meer aanwezig is op deze locatie.


Wijziging naar 'Wonen' na beëindiging agrarisch bedrijf

Indien een agrarisch bedrijf wordt beëindigd is het mogelijk middels deze bevoegdheid de bestemming Wonen - B 1 op te nemen. Hiervoor moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan om het agrarische karakter van het perceel te verminderen, maar wel het karakter van het buitengebied te waarborgen. De omliggende gronden behouden de agrarische bestemming en de agrarische gebruiksmogelijkheden van deze gronden mogen door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid niet onevenredig worden aangetast. Het aantal woningen binnen elk voormalig bouwvlak mag niet worden vergroot.


Wijziging naar 'Wonen' na beëindiging agrarisch bedrijf; 1 extra woning toegestaan in een voormalig boerderij

Indien een agrarisch bedrijf wordt beëindigd is het mogelijk middels deze bevoegdheid de bestemming Wonen - B 1 op te nemen. Hiervoor moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan om het agrarische karakter van het perceel te verminderen, maar wel het karakter van het buitengebied te waarborgen. De omliggende gronden behouden de agrarische bestemming en de agrarische gebruiksmogelijkheden van deze gronden mogen door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid niet onevenredig worden aangetast. Een volledig overzicht van de voorwaarden is in het artikel zelf opgenomen.


Wijziging naar 'Wonen' na beëindiging agrarisch bedrijf; grotere inhoud woning toegestaan in monumentale/cultuurhistorisch waardevolle boerderij

Indien een agrarisch bedrijf wordt beëindigd is het mogelijk middels deze bevoegdheid de bestemming Wonen - B 1 op te nemen. Hiervoor moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan om het agrarische karakter van het perceel te verminderen, maar wel het karakter van het buitengebied te waarborgen. De omliggende gronden behouden de agrarische bestemming en de agrarische gebruiksmogelijkheden van deze gronden mogen door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid niet onevenredig worden aangetast. Een volledig overzicht van de voorwaarden is in het artikel zelf opgenomen.


Wijziging naar 'Wonen' na beëindiging agrarisch bedrijf; extra woning(en) toegestaan

Indien een agrarisch bedrijf wordt beëindigd is het mogelijk middels deze bevoegdheid de bestemming Wonen - B 1 of Wonen - B 2 (of een combinatie hiervan) op te nemen en extra woningen toe te staan. Hiervoor moet wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan om het agrarische karakter van het perceel te verminderen, maar wel het karakter van het buitengebied te waarborgen. De omliggende gronden behouden de agrarische bestemming en de agrarische gebruiksmogelijkheden van deze gronden mogen door toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid niet onevenredig worden aangetast. Een volledig overzicht van de voorwaarden is in het artikel zelf opgenomen.


Voor het bouwen van 1 extra woning dient minimaal 1000m² aan bedrijfsgebouwen te worden gesloopt. Voor het bouwen van maximaal 2 extra woningen dient minimaal 2500 m² aan bedrijfsgebouwen te worden gesloopt en voor de bouw van maximaal 3 woningen dient minimaal 4000 m² aan bedrijfsgebouwen te worden gesloopt. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het beleid van de provincie.


Wijziging naar 'Bedrijf', 'Kantoor' of 'Maatschappelijk' na beëindiging agrarisch bedrijf

Deze wijzigingsbevoegdheid is niet aan de orde in gebieden met de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - kwelafhankelijke vegetatie'. In deze gebieden moeten de landschappelijke waarden extra worden beschermd en dan zijn bestemmingen als Bedrijf, Kantoor of Maatschappelijk niet passend in de omgeving.


Indien deze aanduiding niet van toepassing is, kan de wijzigingsbevoegdheid worden toegepast mits wordt voldaan aan in het artikel opgesomde voorwaarden, waarbij het uitgangspunt altijd is dat de omliggende agrarische gebruiksmogelijkheden niet worden beperkt. In het artikel is een opsomming gemaakt van toegestane vormen van de bovengenoemde bestemmingen. Deze zijn allen direct te relateren aan het buitengebied of het zijn functies die daar als passend en niet omgeving verstorend worden gezien. Bedrijven die niet genoemd worden in het artikel, maar wel in ruimtelijk opzicht als gelijk hieraan kunnen worden beschouwd, vallen ook onder deze wijzigingsbevoegdheid.


Wijziging naar 'Recreatie' na beëindiging agrarisch bedrijf

De bestemming Recreatie wordt over het algemeen gezien als passend in het buitengebied. Op deze wijze kan de waarde van de omgeving optimaal worden ervaren door iedereen. Daarom is deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen, waarbij aan alle voorwaarden die worden genoemd in het artikel moet worden voldaan. Maximaal de bestaande bebouwing en de direct aangrenzende gronden binnen het oude bouwvlak kunnen ten behoeve van een recreatiebedrijf of voorziening de bestemming Recreatie verkrijgen. Overige gronden behouden de agrarische bestemming.


De gronden die worden omgezet naar de bestemming Recreatie worden nader aangeduid als: kampeerboerderij, vakantieappartementen, kampeerterrein of daarmee gelijk te stellen recreatieve voorzieningen.


Wijziging naar 'Natuur'

De gemeente wil de groene uitstraling bewaken en stimuleren. Hiervoor is deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Deze bevoegdheid is bedoeld om de agrarische bestemming om te kunnen zetten naar de bestemming Natuur mits er natuurontwikkeling zal plaatsvinden, de op het perceel aanwezige agrarische bedrijvigheid is of zal worden beëindigd en de gerechtigden ten aanzien van de betreffende gronden deze wijziging wensen.


Omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden

Binnen de bestemming zijn gronden aanwezig met voor de gemeente belangrijke landschaps- en natuurwaarden. Om deze waarden te beschermen is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, diverse werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten voeren. In het artikel is een heldere opsomming van dergelijke werken of werkzaamheden benoemd, waarbij het met name gaat om het verwijderen of beschadigen van landschaps- of natuurwaarden.

5.5.2 Bedrijf

Binnen de bestemming Bedrijf zijn alleen bedrijven uit de lage milieucategorieën (t/m 2) toegestaan, zodat woningen in de directe nabijheid geen overlast zullen ondervinden. Deze categorieën zijn te vinden in de aparte bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten buitengebied. Bestaande bedrijven in een hogere categorie (> 3.1) zijn specifiek aangeduid en zijn alleen op die betreffende locatie toegestaan. De bouwvlakken mogen volledig worden volgebouwd, tenzij dit met de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is ingeperkt. Bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak.
Ter plaatse van de aanduiding bedrijfswoning is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan, waarbij regels zijn opgenomen voor het realiseren van eventuele dakkapellen en erkers bij deze woning.


De inhoud van een bedrijfswoning in het buitengebied mag maximaal 600 m³ bedragen, tenzij de bestaande inhoud groter is of er een andere maximale inhoud staat aangegeven. In de algemene regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om een 15 % vergroting tot een maximum van 800 m³ toe te staan.


Afwijkingsmogelijkheden

In de bestemming zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Er kan worden toegestaan dat een ander bedrijf dan op grond van de bij de regels behorende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten buitengebied wordt mogelijk gemaakt. Het dient hierbij wel om naar zijn aard en invloed op de omgeving 'gelijkwaardig' bedrijf te gaan.


Middels een specifieke gebruiksregeling wordt ondergeschikte detailhandel bij bedrijven toegestaan. Het dient daarbij te gaan om niet zelfstandig uitgevoerde detailhandelsfuncties die duidelijk waarneembaar ondergeschikt is aan en afhankelijk is van de hoofdfunctie en deze ondersteunt zodat de kwaliteit van de hoofdfunctie vergroot of gecompleteerd wordt. Hieronder wordt mede begrepen een afhaalbalie voor internetwinkel eventueel in combinatie met een beparke showroom.
Voor ondergeschikte detailhandel geldt een aantal voorwaarden, zo mag onder meer de verkoop vloeroppervlakte voor detailhandel niet meer dan 50 m2 bedragen.

Overigens biedt bijlage II Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningvrij bouwen'.

5.5.3 Groen

De bestemming Groen wordt gebruikt voor gebieden waar bosgebied, bermen, plantsoenen, water en dergelijke zijn gesitueerd. Bouwen van gebouwen, met uitzondering van nutsgebouwen, is niet toegestaan om het groene karakter van het gebied te behouden. Wel zijn enkele bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals speeltoestellen, kunstobjecten, lichtmasten en dergelijke mogelijk. Overkappingen van maximaal 10 m² zijn toegestaan.

5.5.4 Horeca

Deze bestemming Horeca wordt gebruikt voor bestaande horecafuncties.
De impact van horecagelegenheden in het buitengebied is behoorlijk en horeca wordt over het algemeen gezien als een meer stedelijke functie. Daarom worden de horecafuncties die voorkomen in het gebied specifiek, dus met aanduidingen, bestemd.

Er wordt gewerkt met een indeling in drie mogelijke categorieën van horecagelegenheden (lichte, middelzwaar en zware horeca). Deze indeling heeft te maken met de mate van storendheid van de horecafunctie voor de omgeving. Voor de uitgebreide uitwerking hiervan wordt verwezen naar de Staat van Horeca-activiteiten die als bijlage bij de regels is gevoegd.


Bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Overige bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.


Voor het hoofdgebouw is een dakkapellenregeling opgenomen. Daarnaast is voor de bedrijfswoning ook een specifieke erkerregeling van toepassing.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.

5.5.5 Kantoor

De bestemming Kantoor is bestemd voor de dienstverlenende en administratieve sector zonder baliefunctie. Hiermee wordt bedoeld: het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen. Daarom is deze bestemming in principe niet wenselijk in de dorpskernen, maar bedoeld voor de gebieden daar om heen. Bedrijfswoningen en bovenwoningen zijn toegestaan ter plaatse van de specifiek hiervoor bedoelde aanduiding.


Bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Overige bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.


Voor het hoofdgebouw is een dakkapellenregeling opgenomen. Daarnaast is voor de bedrijfswoning ook een specifieke erkerregeling van toepassing.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.

5.5.6 Maatschappelijk

De bestemming Maatschappelijk is bedoeld voor maatschappelijke voorzieningen, zoals sociaal-medische instellingen en levensbeschouwelijke. Onder voorwaarden is ondergeschikte horeca toegestaan, hiervoor zijn specifieke gebruiksregels opgenomen.
Diverse bijzondere vormen van maatschappelijk worden met specifieke aanduidingen weergegeven. Te denken valt aan een begraafplaatsen en een hospice. Deze zijn dus alleen ter plaatse van deze aanduiding binnen de bestemming maatschappelijk toegestaan.

Bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Overige bouwwerken zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.


Voor het hoofdgebouw is een dakkapellenregeling opgenomen.

5.5.7 Natuur

De bestemming Natuur wordt gebruikt voor gebieden waar landschappelijke en natuurwaarden van belang zijn. Deze bestemming is bedoeld om deze waarden in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen. Agrarisch medegebruik in de vorm van beweiding is toegestaan. De betreffende gebieden hebben een groene uitstraling met landschaps- en/of natuurwaarden. Wandel- en fietspaden, in- en uitritten, onverharde wegen, voorzieningen van flora en fauna, waterhuishoudkundige voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van extensieve openluchtrecreatie, zoals picknickplaatsen en parkeervoorzieningen zijn hier mogelijk, omdat deze functies goed aansluiten bij het karakter van de bestemming.


Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de strikte regels. Het oprichten van gebouwen is niet zonder meer toegestaan.


Afwijken bouwen overkappingen ten dienste van de bestemming

Middels een afwijkingsbevoegdheid kan het bouwen van niet voor bewoning bestemde gebouwen en overkappingen ten dienste van de bestemming Natuur, mits de noodzaak van de bebouwing is aangetoond. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om een overkapping of schuurtje voor onderhoudsmaterialen, etc.


Omgevingsvergunning ter bescherming landschappelijke waarden

Om te voorkomen dat de landschappelijke en natuurwaarden onevenredig worden aangetast is een verbod opgenomen om zonder omgevingsvergunning een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren. Deze werkzaamheden hebben dan betrekking op het mogelijk aantasten of veranderen van natuur- en landschapselementen.

5.5.8 Recreatie

De bestemming Recreatie is bedoeld voor volkstuinen en solitair gelegen recreatiewoningen met daarbij behorende tuinen, erven en paden. Er mag niet meer dan één recreatiewoning aanwezig zijn ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning, waarbij de inhoud maximaal 250 m³ mag bedragen. De goot- en bouwhoogte mogen niet meer dan respectievelijk 3 m en 5 m mag bedragen, tenzij de bestaande goot- of bouwhoogte al hoger zijn. In dat geval is de bestaande hoogte toegestaan.

Het oprichten van bijgebouwen en overkappingen is niet toegestaan. Ook ondergrondse bouwwerken zoals kelders en bergingen zijn niet toegestaan. Voor het bouwen van overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) gelden de bouwhoogten zoals in de tabel in de regels is weergegeven.

5.5.9 Sport

De bestemming Sport is bedoeld voor het uitoefenen van sportactiviteiten. Dit is breed in te vullen en wordt niet gespecificeerd naar afzonderlijke sporten. Dit is wel het geval als er sprake is van een manege. Voor deze functie is een specifieke aanduiding opgenomen. Functies die niet geheel onder het begrip sportactiviteiten vallen, maar op sommige plaatsen wel worden toegestaan zijn apart op de verbeelding aangeduid. Daarbij kan worden gedacht aan jeugdopvang, of een bowlingbaan.

Bedrijfswoningen komen niet voor binnen deze bestemming. Horeca is slechts toegestaan indien dit ondergeschikt is aan de functie, zoals een sportkantine.


Bebouwing is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Overige bouwwerken, niet zijnde overkappingen, zijn zowel binnen als buiten het bouwvlak toegestaan. Uiteraard is binnen deze bestemming ruimte voor sportvelden en dergelijke.

Overigens biedt bijlage II van het Besluit Omgevingsrecht nog bouw- en gebruiksmogelijkheden buiten dit bestemmingsplan om, onder meer door middel van 'vergunningsvrij bouwen'.

5.5.10 Verkeer

De bestemming Verkeer is bedoeld voor gebieden waar wegen, straten en paden, voet- en rijwielpaden, pleinen, verkeersbegeleiders en dergelijke gesitueerd zijn. Dit zijn dus gebieden met een brede verkeers- en verblijfsfunctie. Bijzondere verkeerskundige objecten als garageboxen en dergelijke worden specifiek aangeduid binnen deze bestemming. Deze objecten zijn niet overal binnen de bestemming toegestaan. De bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen zijn toegestaan. De bestemming heeft dus niet enkel het karakter van verharding, ook groen en water zijn hier toegestaan.


Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan, met uitzondering van garageboxen ter plaatse van de hiervoor bedoelde aanduiding. Overkappingen zijn mogelijk met een oppervlakte van maximaal 10 m². Voor het bouwen van overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) gelden de bouwhoogten zoals in de tabel in de regels is weergegeven.


Het gebruik van gronden voor onoverdekte terrassen is toegestaan, mits de gronden direct grenzen aan de bestemming Horeca en het gebruik van de gronden voor de bestemming Verkeer niet wordt belemmerd.

5.5.11 Verkeer - Railverkeer

De voor Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor railverkeer, spoorwegovergangen met wegen en fiets- en voetpaden. De bestemming Verkeer - Railverkeer is, net als de bestemming verkeer ook bedoeld voor de brede verkeers- en verblijfsfunctie. Overige voorzieningen die passen bij de bestemming, zoals, paden, in- en uitritten, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen zijn hier bijvoorbeeld ook mogelijk.


Gebouwen en overkappingen zoals transformatorhuisjes en fietsenstallingen mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd met een maximum van 25 m² per gebouw, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 5 meter. Overige gebouwen moeten zijn aangeduid en voorzien van een bouwvlak.


Voor het bouwen van overige bouwwerken (niet zijnde overkappingen) gelden de bouwhoogten zoals in de tabel in de regels is weergegeven.

5.5.12 Water

De bestemming Water is bedoeld voor watergangen en waterpartijen, waterhuishouding, instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden, extensieve openluchtrecreatie en waterverkeer. Hierbij behoren ook de bij deze bestemming behorende groenvoorzieningen, paden, kaden, voorzieningen ten behoeve van flora en fauna, zoals faunapassages, kunstwerken, nutsvoorzieningen.


Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Enkel overige bouwwerken zijn toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter.

5.5.13 Wonen - B1

Algemeen

In het plangebied komen diverse typen woningen voor. Dit onderscheid in woningtype komt tot uiting in verschillende woonbestemmingen.

Voor het buitengebied worden twee woonbestemmingen gebruikt. Er wordt onderscheid gemaakt in:

Dit onderscheid in woonbestemmingen zorgt ervoor dat woningtypen niet kunnen worden uitgewisseld en dat de gewenste stedenbouwkundige structuur wordt gehandhaafd.

Hieronder worden de woonbestemmingen uitgelegd. Om in de uitleg niet in herhaling te vallen wordt eerste woonbestemming (Wonen - B1) volledig besproken. Bij de opvolgende bestemmingen wordt aangegeven waar de verschillen zitten.

Wonen - B1

Functies

Binnen de bestemming Wonen - B 1 is wonen toegestaan. Tevens mag een beroep of bedrijf aan huis worden uitgeoefend. Het is daarnaast toegestaan om op de gronden met deze bestemming tuinen, erven en paden aan te leggen. Ook zijn waterhuishoudingsvoorzieningen toegestaan en mag er geparkeerd worden op eigen terrein.


Bouwmogelijkheden

De Bouwregels maken onderscheid in regels voor:


Algemeen

In algemene zin wordt bepaald dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd.


Hoofdgebouwen

Binnen de bestemming Wonen - B 1 mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd. De woningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd.

Er mag niet meer dan één woning binnen een bouwvlak worden gebouwd, waarbij het hoofdgebouw in het bouwvlak moet worden gebouwd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd, tenzij er op het bouwvlak een maximaal bebouwingspercentage staat aangegeven. Met dit percentage wordt de maximale oppervlakte van het hoofdgebouw begrensd.

Voor de woningen is een generieke maximale inhoud aangegeven van 600 m³. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk. In bestaande gevallen is de grotere bestaande inhoud toegestaan. Ook is het mogelijk dat een grotere inhoud is aangegeven met een aanduiding.

Voor de goot- en bouwhoogte is in de regels een standaard hoogte gegeven. Indien bestaande hoofdgebouwen hoger zijn dan deze standaard hoogte, dan is de bestaande goot- en bouwhoogte de maximaal toegestane hoogte.

Als hoofdgebouwen afgedekt worden met een kap, dan moet worden voldaan aan de in de regels voorgeschreven dakhelling. Vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande overkappingen moeten op minimaal 1 meter afstand van het bijbehorende hoofdgebouw worden gebouwd. Dit is om te voorkomen dat vrijstaande gebouwen zo dicht naast elkaar worden gebouwd, dat ze ruimtelijk als aangebouwde gebouwen kunnen worden gezien.

Als een hoofdgebouw op een hoekperceel wordt gesloopt, moet de voorgevel van het vervangende hoofdgebouw aan dezelfde zijde van het bouwvlak worden gebouwd als het geval was bij het bestaande hoofdgebouw. Met deze regeling wordt beoogd de karakteristiek en de kwaliteit (zowel vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig oogpunt, maar ook vanuit woonplezier beschouwd) te waarborgen.

Dakkapellen zijn toegestaan op hoofdgebouwen. Als een dakkapel in het dakvlak van de voorgevel of in een dakvlak van een naar de openbare weg gekeerde zijgevel wordt gebouwd is de breedte gemaximeerd. In die gevallen mag de breedte van een dakkapel niet meer dan de helft van de breedte van het betreffende dakvlak bedragen. De breedte van het dakvlak moet gerekend worden ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel.


Overige bouwwerken

Met het begrip 'overige bouwwerken' wordt bedoeld: een bouwwerk dat geen gebouw is en ook geen overkapping. Concreet zijn maximale hoogtematen voorgeschreven voor erf- en terreinafscheidingen, vlaggenmasten, antennemasten en andere overige bouwwerken.

Afwijken van de bouwregels

Binnen de bestemming Wonen - B1 is een aantal voor het buitengebied specifieke afwijkingsbevoegdheden opgenomen.


Afwijken van de inhoudsmaat woning

Het bevoegd gezag kan afwijken van de voorgeschreven inhoudsbepaling van een woning. De inhoud mag dan met maximaal 15% worden vergroot tot een maximum van 800 m³. Deze vergroting moet zorgvuldig in het landschap worden ingepast.


Afwijken oppervlakte bijbehorende bouwwerken met sloopvoorwaarde

Deze afwijkingsbevoegdheid maakt het mogelijk om een groter oppervlak aan bijbehorende bouwwerken te bouwen dan de hiervoor beschreven bevoegdheid mogelijk maakt. De belangrijkste voorwaarde is dat de overige nog op het perceel staande, niet voor bewoning bestemde gebouwen, worden gesloopt. Er mag dan maximaal 50% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing worden terug gebouwd, tot een maximum van 200 m². Deze gebouwen moeten wel zorgvuldig landschappelijk worden ingepast.

Gebouwen die zijn aangemerkt als beschermd monument in de zin van de Monumentenwet of de gemeentelijke monumentenverordening mogen niet worden gesloopt. Gebouwen die nog goed gebruikt kunnen worden hoeven ook niet gesloopt te worden.

In totaal mag er niet meer dan 200 m² op het perceel aan bijgebouwen staan. Als cultuurhistorische gebouwen niet mogen worden gesloopt vanwege hun monumentale status, wordt de oppervlakte van deze gebouwen meegeteld in het maximum van
200 m². Dit is om verstening van het buitengebied te voorkomen.


Specifieke gebruiksregels

Zoals in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, is beroep of bedrijf aan huis toegestaan binnen de woonbestemming. Wel worden er enige voorwaarden aan dit gebruik gesteld. Zo mag 40 % van de brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief de bijbehorende bouwwerken, worden gebruikt voor een beroep of bedrijf aan huis. Bij deze oppervlakte wordt ook de oppervlakte van het hoofdgebouw op de verdieping meegerekend.

Het is alleen toegestaan om beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten te verrichten aan huis die opgenomen zijn in de staat van bedrijfsactiviteiten Beroep en bedrijf aan huis. De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen horeca of detailhandel inhouden, behalve als het gaat om verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het beroep of bedrijf.

De beroeps- of bedrijfsmatige activiteit aan huis moet mede door de bewoner(s) van de woning waar de activiteit plaatsvindt worden uitgeoefend.

Door de uitoefening van de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mogen de verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen in de directe omgeving. Daarbij moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit dient in de eerste plaats op eigen terrein te worden gerealiseerd. In gevallen waar dit niet mogelijk is dient voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig te zijn. Voor de beroeps- of bedrijfsmatige activiteit mag geen buitenopslag plaatsvinden.


Afwijken van de gebruiksregels

Het gebruik van een woning voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen is een verboden gebruik. Het bevoegd gezag heeft de bevoegdheid om dit gebruik toch toe te staan. Dit mag alleen als het hoofdgebouw in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Het gebruik moet qua uitstraling en ruimtelijke werking overeenstemmen met die van de woonfunctie. Het gebruik voor kamerbewoning of bijzondere woonvormen mag de belangen niet onevenredig schaden van eigenaren en gebruikers van de gronden waarop dit veranderde gebruik plaatsvindt of die in de nabijheid daarvan liggen.

5.5.14 Wonen - B2

Waar de bestemming Wonen - B1 is bedoeld voor vrijstaande woningen, is de bestemming Wonen - B 2 bedoeld voor aaneengebouwde woningen. Het aantal woningen dat aaneen mag worden gebouwd staat aangegeven door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. De overige bouwbepalingen komen veelal overeen met de bouwbepalingen van de bestemming Wonen - B 1. Hieronder worden alleen de verschillen besproken.

Aan het hoofdgebouw aangebouwde bouwwerken mogen gebouwd worden tot in de perceelsgrens met de buren.

Afwijken van de bouwregels

Naast de afwijkingsbevoegdheden die zijn beschreven bij B1 zijn twee afwijkingsbevoegdheden toegevoegd. Door middel van een omgevingsvergunning kan worden toegestaan om aan de achterzijde van het hoofdgebouw aangebouwde bouwwerken te bouwen tot maximaal 6 meter vanuit de achtergevel. Deze uitbouw moet voldoen aan een tweetal eisen. Aan de zijde waar hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd mag binnen een strook van 3 meter vanaf de zijdelingse perceelsgrens geen uitbouw worden gebouwd. De uitbouw mag daarnaast niet leiden tot een aantasting van het straat- en bebouwingsbeeld.

5.6 Dubbelbestemmingen

De bestemmingsplanregeling bevat naast de bovengenoemde bestemmingen ook diverse dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen vallen als het ware over 'onderliggende' (enkel)bestemmingen heen en houden beperkingen en aanvullingen in voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden van die bestemmingen. Dubbelbestemmingen dienen een specifiek ruimtelijk belang dat middels de dubbelbestemming beschermt wordt.

5.6.1 Leiding

De dubbelbestemmingen Leiding - Dpo, Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Riool en Leiding - Water zijn bedoeld voor gebieden waar naast de daar voorkomende (enkel)bestemming(en) transport van gas, elektrische energie, kerosine en (riool)water plaatsvindt met de daarbij behorende voorzieningen en belemmeringenstrook. Deze belemmeringenstrook is opgenomen uit veiligheidsoverwegingen. Daarom mogen binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming Leiding - Dpo, Leiding - Gas, Leiding - Hoogspanning, Leiding - Hoogspanningsverbinding, Leiding - Riool en Leiding - Water worden gebouwd. De toegestane oppervlakte en bouwhoogte zijn strikt opgenomen in het artikel. Hiervan kan het bevoegd gezag afwijken en een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van bovenstaande ten behoeve van het bouwen ten dienste van de onderliggende (enkel) bestemming(en).

Om de veiligheid binnen de belemmeringenstrook te waarborgen is het tevens verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, diverse werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden (zoals graafwerkzaamheden) uit te voeren of te laten uitvoeren.

5.6.2 Waarde - Archeologie

Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart bestaat het gemeentelijk grondgebied uit zones met verschillende archeologische verwachting. Binnen de gemeente bestaan gebieden met een zeer hoge, hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor elke categorie verwachtingswaarde is bepaald vanaf welke planomvang rekening gehouden moet worden met het (laten) uitvoeren van archeologisch onderzoek. Dit geldt voor bodem verstorende activiteiten die plaats zullen vinden in het kader van 'plannen' waarvoor het vereist is een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden aan te vragen. De op de aanvraag om een omgevingsvergunning aangegeven oppervlakte die de bodem (nagenoeg) raakt is het oppervlak dat gehanteerd moet worden voor de beoordeling voor de noodzaak van een archeologisch onderzoek.


Terreinen met een bepaalde archeologische verwachting zullen door middel van het stellen van voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden beschermd met de volgende dubbelbestemmingen:


Dubbelbestemming  
Archeologisch waardevol gebied   Regime  
Waarde - Archeologie 1   Zones met een zeer hoge archeologische verwachting - (vroeg) middeleeuwse wegen en paden en grafheuvelbufferzones verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 50 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 2   Zones met een zeer hoge archeologische verwachting (Bufferzone)   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 3   Zones met een hoge archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 150 m2 en dieper dan 30 cm - onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 4   Zones met een middelhoge en middelhoge/lage archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 1000 m2 en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  
Waarde - Archeologie 5   Zones met een lage archeologische verwachting   Bij plannen waarbij bodemverstorende activiteiten plaatsvinden van meer dan 10 hectare en dieper dan 30 cm onder maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.  

In het artikel zijn uitzonderingen opgenomen voor situaties waarbij geen omgevingsvergunning hoeft te worden aangevraagd en archeologisch onderzoek niet nodig is. Deze uitzonderingen zijn opgesomd in het artikel en hieronder vallen onder andere 'zaken die het normale onderhoud en/of gebruik betreffen'. Hieronder wordt in ieder geval verstaan:

  • normaal agrarische jaarlijkse werkzaamheden te weten: ploegen, woelen, zaaiklaar maken, oogsten/rooien, stoppelbewerking, graslandwoelen, planten/poten, rooien van bomen in het kader van boomkwekerijen en spitten, op percelen met een agrarische bestemming. Diepploegen en het aanleggen van drainage vallen niet onder de vrijstelling;
  • graafwerkzaamheden in het kader van onderhoud aan reeds eerder aangelegde sportvelden waarbij de bodem deels is afgegraven en nieuwe grond is opgebracht;
  • het zorgvuldig ruimen van (individuele) graven op de gemeentelijke begraafplaatsen.

5.6.3 Waarde - Ecologie

De dubbelbestemming Waarde - Ecologie is bedoeld om de landschaps- en natuurwaarden van de gronden in stand te houden en te beschermen. Deze bestemming geldt naast de onderliggende (enkel) bestemming en is van toepassing op gebieden die binnen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vallen. Naast de geldende bouwregels van de enkelbestemming mogen overige bouwwerken ten dienste van de bestemming Waarde - Ecologie worden gebouwd met een maximale hoogte van 3 meter. Tevens zijn burgemeester en wethouders bevoegd om nadere eisen te stellen aan de situering van de bouwwerken die volgens de andere bestemmingen mogen worden gebouwd. Dit om onevenredige aantasting van de belangen van de landschaps- en natuurwaarden te voorkomen.


Afwijkingsmogelijkheden

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van het bepaalde in de artikelen over het maximale bebouwingspercentage in de bestemmingen: Bedrijf, Horeca, Kantoor, Maatschappelijk, Recreatie en Sport voor het toestaan van een hoger bebouwingspercentage dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is toegestaan, mits wordt voldaan aan de hiervoor bedoelde bepalingen in het provinciaal beleid inzake de EHS.

Naast de bescherming die de bestemming biedt is ook een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om te voorkomen dat de bestaande landschaps- en natuurwaarden onevenredig kunnen worden aangetast.

5.6.4 Waarde - Landgoed en buitenplaats

De bestemming Waarde - Landgoed en buitenplaats is naast de enkelbestemming(en) van deze gronden bedoeld voor instandhouding van de ter plaatse voorkomende cultuurhistorische waarden en hun samenhang. Hieronder wordt onder andere verstaan de diverse paden, lanen en groenstructuur en bijbehorende kenmerkende overige bouwwerken (zoals entreehekken en bruggen), landhuizen en koetshuizen, waterpartijen en bijzondere landschappelijke elementen.

De bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer dan 6 meter zijn en de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast.

Ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van waarde - buitenplaats' is het doel de instandhouding van de historische buitenplaats met de daarbij behorende voorzieningen welke met name bestaan uit:

    • 1. cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, zoals landhuizen en koetshuizen;
    • 2. cultuurhistorisch waardevolle overige bouwwerken, zoals entreehekken en bruggen;
    • 3. waterpartijen.


Wijziging gebruik

In de algemene regels Wijziging landgoed en buitenplaats is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die betrekking heeft op de voor deze gronden geldende enkelbestemmingen.


Omgevingsvergunning nodig

Naast de mogelijkheden die deze dubbelbestemming biedt is ook een omgevingsvergunningstelsel opgenomen om te voorkomen dat de bestaande cultuurhistorische waarden onevenredig kunnen worden aangetast.

5.7 Algemene regels

5.7.1 Anti-dubbeltelregel

Om te voorkomen dat grond dubbel wordt meegeteld, is hier geregeld dat grond die eenmaal bij een bouwplan is meegenomen, bij andere aanvragen buiten beschouwing moet blijven.

5.7.2 Algemene bouwregels
5.7.2.1 Bestaande situatie

In de eerste plaats is hier opgenomen dat bij afwijking van de in de vorige hoofdstukken opgenomen regels/bestemmingen de bestaande situatie of de onherroepelijk vergunde situatie bij in werkingtreding van dit bestemmingsplan als maximaal toegestane situatie geldt.

5.7.2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij toepassing van alle bouwregels in dit bestemmingsplan mogen de in dit artikel genoemde ondergeschikte bouwdelen maximaal 1 meter afwijken van de gegeven bouw-, aanduidings- en maatvoeringsregels.


5.7.3 Algemene gebruiksregels
5.7.3.1 Verboden gebruik

In deze bepaling is aangegeven dat het verboden is om de in het plan vallende gronden en bouwwerken in strijd met de bestemming(en) te gebruiken. Er is ook een opsomming gemaakt van gebruik dat in ieder geval onder verboden gebruik valt. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan: het gebruik van gronden voor opslag en/of storten van grond en/of afval.

5.7.3.2 Gebruik paardenbak

Het gebruik als paardenbak is uitsluitend toegestaan binnen de bouwvlakken in de bestemmingen Agrarisch met waarden ter plaatse van de aanduiding 'rijbak'. Op deze regel is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen in artikel 34.5 Afwijking gebruik als paardenbak.

5.7.3.3 Uitoefening Bed & Breakfast

Dit artikel sluit aan bij de Nota Verblijfsrecreatie waar is geregeld dat het uitoefenen van een bed & breakfast in een (bedrijfs)woning is toegestaan, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

5.7.4 Algemene aanduidingsregels
5.7.4.1 Geluidzone - rioolwaterzuiveringsinstallatie

Deze aanduiding is opgenomen om een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige bebouwing tegen te gaan, als gevolg van het industrielawaai vanwege de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het is binnen de aanduiding niet toegestaan nieuwe geluidgevoelige objecten op te richten of gebouwen voor niet-geluidgevoelige functies te gebruiken voor geluidsgevoelige functies, tenzij het gaat om de herbouw van bestaande functies of de bouw van nieuwe functies die voldoen aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder.


De ligging van de aanduiding kan worden verkleind dan wel verwijderd middels een wijzigingsbevoegdheid, wanneer is komen vast te staan dat het geluid vanuit de rioolwaterzuiveringsinstallatie duurzaam is verminderd of niet meer waarneembaar is.

5.7.4.2 Milieuzone - geurzone

Binnen de aanduiding zijn geen geurgevoelige objecten, zoals woningen, toegestaan. Dit is om geuroverlast op structurele basis te voorkomen.


Er is een bevoegdheid opgenomen om het gebied waarvoor deze aanduiding van toepassing is te verkleinen of om deze aanduiding uit het bestemmingsplan te verwijderen, indien vast is komen te staan dat de geur van de desbetreffende inrichting is verminderd of niet meer waarneembaar is.

5.7.4.3 Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied

Binnen de aanduiding milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied geldt naast de bestemming ook dat de gronden zijn aangewezen voor behoud van de kwaliteit van het grondwater als onderdeel van de drinkwatervoorziening. Gebruik van de gronden en gebouwen met nadelige effecten voor de drinkwatervoorziening zijn hier niet toegestaan.

5.7.4.4 Milieuzone - stiltegebied

Binnen de aanduiding milieuzone - stiltegebied geldt dat de gronden mede zijn aangewezen voor het behoud van stilte.


In dit artikel is een opsomming gemaakt van de bedrijfs- en overige activiteiten die binnen deze gronden mogelijk zijn gemaakt middels de enkelbestemmingen. Deze activiteiten mogen het stiltegebied niet wezenlijk nadelig beïnvloeden.

5.7.4.5 Milieuzone - (sub)topgebied

Binnen top- en subtopgebieden mogen geen ontwikkelingen plaatsvinden die de waterhuishoudkundige situatie negatief beinvloeden. e.e.a. conform beleid uit verordening.

5.7.4.6 Milieuzone - waterwingebied

Binnen de aanduiding milieuzone - waterwingebied zijn de gronden mede bestemd voor behoud en herstel van de drinkwatervoorziening, waaronder de winning en bewerking van drinkwater. Bouwwerken mogen uitsluitend ten behoeve van deze bestemming worden gebouwd, tenzij de kwaliteit van het grondwater absoluut niet wordt geschaad. In het laatste geval mag ook ten behoeve van de enkelbestemming worden gebouwd.


Om nadelige effecten voor de drinkwatervoorziening te voorkomen is het tevens verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, diverse werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden (zoals opslaan van schadelijke stoffen) uit te voeren of te laten uitvoeren.

5.7.4.7 Overige zone - aardkundige waarden

Gebieden die aardkundige waarden bevatten zijn specifiek aangeduid met de aanduiding 'overige zone - aardkundige waarden'. Gronden waar deze aanduiding op van toepassing is zijn mede bestemd voor de bescherming van de geomorfologie en de bodem. Voor bepaalde werken en werkzaamheden geldt een vergunningplicht. Het betreft vooral grondwerkzaamheden en werkzaamheden die het verlagen van de waterstand tot gevolg hebben.

5.7.4.8 Overige zone - schaapskooi

Binnen de gemeente zijn verschillende waardevolle cultuurhistorische tabaksschuren en schaapskooien aanwezig. Om deze gebouwen in goede staat te behouden, is beleid opgesteld om de gebruiksmogelijkheden van deze gebouwen te vergroten. Aansluitend bij dit beleid is dit artikel opgenomen. Gronden met de aanduiding zijn mede bedoeld voor het behouden van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen, in het bijzonder voormalige tabaksschuren en schaapskooien. De bouwregels zijn er op gericht om de cultuurhistorische gebouwen in hun oorspronkelijke staat te behouden. Om een flexibele invulling te creëren ten aan zien van het gebruik, is een wijzigingsmogelijkheid opgenomen. Het is mogelijk de bestemming te wijzigen in de bestemmingen die in de tabel zijn opgenomen. Te denken valt aan gebruik als opslag, stal of theehuis. De wijzigingsmogelijkheden zijn mede afhankelijk van de ligging van de schuur: binnen of buiten het bouwvlak. Deze wijziging kan alleen worden toegestaan als de functieverandering in dienst staat van het behoud van de cultuurhistorische waarden van het gebouw en mits wordt voldaan aan de overige voorwaarden uit het artikel.

5.7.5 Algemene afwijkingsregels
5.7.5.1 Algemeen

Onder de in dit artikel genoemde voorwaarden kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de regels inzake bouwgrenzen, bouwhoogte van specifieke overige bouwwerken.

5.7.5.2 Afwijking 10% overschrijding

Er kan een omgevingsvergunning worden verleend voor het afwijken van de in het bestemmingsplan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen. De maximale afwijking is 10% en alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de in het artikel gestelde voorwaarden.

5.7.5.3 Afwijking bergingen voor de voorgevel

Voor verschillende bestemmingen kan het bevoegd gezag van de bouwregels afwijken om het bouwen van vrijstaande bergingen en fietsenstallingen buiten het bouwvlak op minder dan 1 meter achter de voorgevel of voor de voorgevel mogelijk te maken.

5.7.5.4 Afwijking inhoud bedrijfswoning

Deze afwijkingsmogelijkheid ziet toe op het vergroten van de inhoud van een bedrijfswoning in het buitengebied. Deze mogelijkheid kan alleen worden toegepast indien de inhoud van de oorspronkelijke bedrijfswoning met maximaal 15% wordt vergroot tot een maximum van 800 m³ en de inpassing in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats.

5.7.5.5 Afwijking gebruik als paardenbak

Van artikel 32.2 kan worden afgeweken onder de opgesomde voorwaarden, waarbij maximaal één paardenbak gerealiseerd mag worden bij een (bedrijfs)woning. De paardenbak moet dan wel een recreatieve doelstelling hebben, er mogen geen bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden. Tevens moet worden voldaan aan de overige in het artikel opgesomde voorwaarden.

5.7.6 Algemene wijzigingsregels
5.7.6.1 Wijziging landgoed en buitenplaats

Deze wijzigingsmogelijkheden zijn bedoeld om ervoor te zorgen dat er (economisch) draagvlak blijft voor het instandhouden van landgoederen en buitenplaatsen. Hiervoor kan een bestemmingswijziging de oplossing zijn.


De eerste wijzigingsbevoegdheid betreft het wijzigen van de bestemming voor het bouwvlak in de bestemming Wonen - B 1 in gevallen dat de gronden de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - buitenplaats' hebben. Het betreft de gronden aangeduid als historische buitenplaats. Deze gronden zijn onderdeel van het landgoed. Voor deze wijziging gelden geen aanvullende voorwaarden aangezien wonen doorgaans de oorspronkelijke functie was van dit deel van het landgoed.


De tweede wijzigingsbevoegdheid ziet toe op de mogelijkheid om de andere bestemming binnen de gronden die worden bedoeld onder de dubbelbestemming Waarde - Landgoed en buitenplaats te wijzigen (ook weer binnen het bouwvlak) volgens de in de tabel opgesomde mogelijkheden. Te denken valt aan functies als atelier, museum of kantoor. Sommige van deze functiewijzigingen zijn niet mogelijk in het landhuis/kasteel, maar alleen in één van de overige hoofdgebouwen, zoals bijvoorbeeld het koetshuis. Om deze wijziging te mogen toepassen dient te worden voldaan aan de opgesomde voorwaarden, waarbij een integrale toekomstvisie voor het gehele landgoed/de gehele buitenplaats dient te worden opgesteld waaruit blijkt dat de wijziging wezenlijk bijdraagt aan de instandhouding van het landgoed/de buitenplaats. Bij de toekomstvisie dient het landgoederen beleid aan de orde te komen.


De derde wijzigingsmogelijkheid geldt ook voor gronden die vallen binnen de dubbelbestemming Waarde - Landgoed en buitenplaats. Indien de gronden als enkelbestemming de bestemming , Horeca, Kantoor, Maatschappelijk, Recreatie, Wonen - B 1 of Wonen - B 2 hebben is het mogelijk de grens van een bouwvlak te verschuiven of het bouwvlak te vergroten onder de genoemde voorwaarden. Daarbij dient onder meer de toename van de oppervlakte van het bouwvlak niet groter te worden dan 500 m² en dient een integrale toekomstvisie voor het gehele landgoed/de gehele buitenplaats te worden opgesteld waaruit blijkt dat de wijziging wezenlijk bijdraagt aan de instandhouding van het landgoed/de buitenplaats. Bij de toekomstvisie dient het landgoederen beleid aan de orde te komen.


De vierde en laatste wijzigingsbevoegdheid betreft gronden die binnen de dubbelbestemming Waarde - Landgoed en buitenplaats zijn gelegen. Indien de enkelbestemming hier Agrarisch met waarden of Natuur is, kan deze bestemming worden gewijzigd in de bestemming Horeca, Kantoor, Maatschappelijk, Recreatie, Wonen - B 1 of Wonen - B 2 met het hierbij behorende bouwvlak. Ook hier moet worden voldaan aan de in het artikel opgesomde voorwaarden. Ondermeer mag de oppervlakte van het bouwvlak niet groter worden dan 500 m² en dient een integrale toekomstvisie voor het gehele landgoed/de gehele buitenplaats te worden opgesteld waaruit blijkt dat de wijziging wezenlijk bijdraagt aan de instandhouding van het landgoed/de buitenplaats.

Het is in principe niet wenselijk om een nieuw bouwvlak binnen de historische buitenplaats op te richten. Indien er behoefte is aan een nieuwe bouwvlak binnen de buitenplaats zal dit via een buitenplanse procedure moeten gebeuren.

5.7.6.2 Wijziging vestiging seksinrichting

Om vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf binnen de gemeentegronden mogelijk te maken is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming Agrarisch met waarden of Bedrijf te wijzigen in de bestemming 'Cultuur en ontspanning' met de nadere aanduiding 'seksinrichting'. Er dient te worden voldaan aan de in het artikel opgesomde voorwaarden.

5.7.7 Overgangs- en slotregel

Hier is het wettelijk overgangsrecht geregeld.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de uitvoerbaarheid van het plan beschreven. De volgende zaken komen aan bod:

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Dit bestemmingsplan is in hoofdzaak een conserverend bestemmingsplan: in het plan is vooral de bestaande, feitelijke situatie vastgelegd en planologisch-juridisch geregeld. Het bestemmingsplan voorziet niet in grootschalige (nieuwe) ontwikkelingen, maar maakt wel, via een aantal afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden, in beperkte mate kleinschalige nieuwe ontwikkelingen mogelijk, naast de gebruikelijke (beperkte) uitbreidingsmogelijkheden voor de reeds bestaande functies.

De kleinschalige nieuwe ontwikkelingen, waar het bestemmingsplan via afwijking of wijziging ruimte aan biedt, betreffen uitsluitend particuliere initiatieven. Gelet hierop komen de financiële consequenties van nieuwe ontwikkelingen, zoals planschade, te zijner tijd voor rekening van de initiatiefnemer (derden).

Gezien het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) biedt het bestemmingsplan voor het overige rechtens geen ruimte aan de realisatie van bouwplannen, waar genoemde verplichting (van een exploitatieplan) op van toepassing is. Daarom hoeft geen exploitatieplan opgesteld te worden.

Aan de uitvoering van dit bestemmingsplan zijn voor de gemeente dan ook geen kosten verbonden. Gelet hierop is onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid achterwege gebleven; de economische uitvoerbaarheid is niet in het geding.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

In het kader van vooroverleg wordt het voorontwerp van het bestemmingsplan Buitengebied Driebergen toegezonden aan de diverse instanties, die volgens artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening bij de planvorming dienen te worden betrokken.

6.3 Handhaving

Het betrekken van toezicht en handhavingsaspecten bij het opstellen en vaststellen van bestemmingsplannen is belangrijk, omdat het de manier is om de ruimtelijke ordening ontwikkelingsbestendiger te maken.

Daarom wordt bij de actualisering van dit bestemmingsplan voorafgaand waar mogelijk een zo goed mogelijk beeld verkregen van de huidige planologische situatie en ontwikkelings- / afwijkingsmogelijkheden, de in de afgelopen 10 jaar aangevraagde en verleende afwijkingen / omgevingsvergunningen en de in de afgelopen tien jaar verrichte handhavingsacties en verleende gedoogbeschikkingen. Dit onderzoek past volledig binnen de verplichtingen uit onder andere de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De investering betreft de invulling van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting.

De kwaliteit van de preventieve toezicht en handhavingsverplichting beïnvloedt rechtstreeks de impact en de gevolgen van de repressieve toezicht- en handhavingsverplichting1 en daarmee de houdbaarheid van het op te stellen en vast te stellen bestemmingsplan. Het is om die reden dat in het bestemmingsplan de nadruk op de preventieve aspecten is gelegd. Daarvoor is het bestemmingsplan het middel bij uitstek.