direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bommelwereld
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De initiatiefnemer, Marveld Recreatie, heeft het voornemen om een dagrecreatieve voorziening te realiseren ten noorden van verblijfsrecreatiepark Marveld Recreatie in Groenlo.

Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend en gewenst is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen tussen de Twenteroute (N18) en de Groenlosche Slinge te Groenlo. De onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0001.png"

Ligging en begrenzing plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011', vastgesteld op 18 december 2012. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', 'Detailhandel', 'Wonen', 'Sport - Manege' en de dubbelbestemmingen 'Leiding - Riool', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Daarnaast gelden ook de gebiedsaanduidingen 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en 'overige zone - gelders natuur netwerk'. De onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weer.

In het plangebied gelden tevens de volgende bestemmingsplannen:

  • Facetbestemmingsplan parkeren, vastgesteld op 5 juni 2018.
  • Buitengebied, Reparatieplan 2016, vastgesteld op 4 april 2017.
  • Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre, vastgesteld op 15 juli 2014.

Het 'Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre' en de bovengenoemde reparatieplannen zijn voor de leesbaarheid samengevoegd en gepubliceerd in het 'Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018. Dit plan heeft geen juridische status, maar geeft wel de geldende juridische regeling weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0002.png"

Uitsnede van de vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Het realiseren van een dagrecreatieve voorziening is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingen en daarmee strijdig met het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.

1.4 Milieueffectrapportage

Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties:

  • in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt;
  • een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming;
  • op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt.

M.e.r.-beoordeling

Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn:

  • als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.-procedure te worden doorlopen. Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag;
  • als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen.

Planspecifiek

Het onderhavige plan behelst de ontwikkeling van een dagrecreatieve voorziening met een bruto oppervlakte van circa 8 ha en verwacht bezoekersaantal van 100.000 personen per jaar. Daarmee blijft het ruim onder de drempel van een themapark met een oppervlakte van 25 hectare of meer (of 10 ha of meer in een gevoelig gebied) en/of 250.000 bezoekers per jaar, zoals genoemd in onderdeel D10, onder e, van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Voor het plan is een aanmeldnotitite m.e.r. opgesteld (zie bijlage 20 bij de toelichting). Hieruit blijkt dat belangrijke milieugevolgen als gevolg van de ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.-plichtig.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en nieuwe situatie van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante internationale, Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de economische haalbaarheid van het plan en de wijze waarop burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt tussen de Twenteroute / N18 en de Groenlose Slinge, direct ten oosten van de kern Groenlo. Ten oosten van de locatie ligt het buitengebied met voornamelijk agrarische gronden. Ten zuiden van het plangebied ligt verblijfsrecreatiepark Marveld Recreatie. Ten westen ligt, aan de overzijde van de N18, een bedrijventerrein.

De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied. In het zuidelijk deel van het plangebied staat een manege. In het noordelijk deel van de locatie is een tuincentrum gevestigd. Verdeeld over het plangebied staan vijf woningen. Dit betreft een bedrijfswoning bij de manege, twee burgerwoningen ten noorden daarvan, één burgerwoning in het midden van het plangebied en een bedrijfswoning bij het tuincentrum.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: Google maps)

2.2 Nieuwe situatie

De initiatiefnemer, Marveld Recreatie, heeft het voornemen om ten noorden van het verblijfsrecreatiepark Marveld Recreatie de dagrecreatieve voorziening 'Bommelwereld' te realiseren met als thema Olivier B. Bommel. De wens / noodzaak achter dit plan is mede ingegeven door ontwikkelingen in de recreatiemarkt: om als verblijfsrecreatiepark bezoekers te blijven trekken moet een meerwaarde geboden worden. De verwachting is dat de helft van het aantal bezoekers van Bommelwereld afkomstig is van het naastgelegen verblijfsrecreatiepark en de andere helft zal bestaan uit dagjesmensen. Per jaar worden circa 100.000 bezoekers verwacht.

Bommelwereld wordt een indoor-attractiepark. Het meest in het oog springende onderdeel wordt het kasteel Bommelstein in het zuidelijk deel van het plangebied. In de verhalen van Olivier B. Bommel staat dit kasteel op een hoge heuvel tussen het Donkeren bomen bos en het Knark moeras. In het plangebied wordt het gebouw gerealiseerd op een aan te leggen heuvel met een hoogte van ± 10 tot 12 meter, direct aan de N18.

Het "moeras" krijgt vorm door de meandering terug te brengen in dit deel van de Groenlose Slinge. Dit sluit ook aan op de ambitie om de Slinge verder te ontwikkelen als ecologische verbindingszone. Dit gebied wordt ingericht als een overgangsgebied tussen water en land met een goed ontwikkelde kruidlaag en helofyten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0004.png"

Sfeerimpressie kasteel Bommelstein en terrein (ontwerp: Van der Heijden architecten)

Het plangebied zal vanaf de noordzijde worden ontsloten via de Maarsevonder. Deze weg wordt langs het terrein heen geleid (o.a. voor logistiek verkeer) en heeft verderop een functie als fiets- en voetpad van/naar het recreatiepark Marveld. Op het noordelijk deel van het plangebied wordt het parkeerterrein aangelegd. Naast parkeergelegenheid voor Bommelwereld zal dit terrein ook een functie vervullen voor bezoekers van de Groenlose binnenstad. Vanaf het parkeerterrein gaat een slingerpad richting Bommelwereld. Het gehele terrein krijgt een groene inrichting met veel bomen dat zo refereert aan het Donkeren bomen bos, struiken, vaste planten en water. Dit is een sfeer die goed past bij de wereld van Olivier B. Bommel èn bij een andere inrichtingsdoelstelling, namelijk een zo goed mogelijke inpassing in de omgeving en een natuurinclusieve inrichting. Ook het parkeerterrein wordt groen en natuurinclusief ingericht.

Onderstaande afbeelding laat een schematische weergave van de functionele indeling van het gebied zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0005.png"

Schematische weergave van de toekomstige functies in het plangebied

Onderstaande afbeelding geeft het totaalplan weer zoals dat is uitgewerkt op basis van de principes die volgen uit de functionele indeling. Te zien is ook dat het parkeerterrein wat kleiner is geworden. Dat is gedaan om buiten het GNN-gebied te blijven (zie daartoe ook par. 3.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0006.png"

Totaalplan. Bron: Studio Nico Wissing

Wie meer wil weten over de ideeën en achtergronden van Bommelwereld en de wijze waarop het stedebouwkundige schetsontwerp is uitgedacht, wordt verwezen naar bijlage 1 van de toelichting. Daar is ook te zien op welke wijze het plan landschappelijk ingepast wordt in de omgeving en ook hoe het terrein, mede in relatie tot de omgeving, ingericht wordt.

De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie. Voor de volledige ontwerpende gedachten en toelichtingen wordt verwezen naar een drietal bijlagen:

  • 1. Het ruimtelijke kwaliteitskader (bijlage 1 bij deze toelichting);
  • 2. de achtergronden bij het plan (bijlage 2 bij deze toelichting);
  • 3. het inrichtingsplan (bijlage 3 bij deze toelichting en ook als bijlage bij de regels opgenomen als onderdeel van een voorwaardelijke verplichting ter borging).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0007.png"

Impressie toekomstige situatie (bron: Studio Nico Wissing)

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0008.png"

Impressie toekomstige situatie (bron: Studio Nico Wissing)

Om te borgen dat e.e.a. ook als zodanig aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden is hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Om in te kunnen spelen op veranderende inzichten is tevens een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.

Woningen in het plan

In het planontwerp blijven twee van de huidige vijf woningen behouden: een woning in het zuidelijk deel van het plangebied, bij / naast het gebouw Bommelwereld. Dit wordt een bedrijfswoning, nodig voor toezicht op het gebouw en de terreinen. De bedrijfswoning bij het tuincentrum blijft wordt ingepast in het plan en wordt een gewone burgerwoning.

Beeldkwaliteit

Voor het project zijn ook beeldkwaliteitskaders gemaakt. Enkele foto's daaruit zijn hiervoor weergegeven. Deze bepalingen inzake beeldkwaliteit maken onderdeel uit van het voornoemde stedenbouwkundige schetsontwerp en inrichtingsplan en is opgenomen in bijlage 1 bij de regels en wordt als aanvullend welstandsbeleid vastgesteld waarmee sturing op de gewenste architectuur zekergesteld wordt.

Kasteel Bommelstein zal een markant gebouw worden. Dat komt enerzijds door het oppervlakte, alhoewel het vooral de bouwhoogte is die opvalt. In verband met de noodzakelijke vrije hoogte ín het gebouw van 18 m wordt het grootste deel van het gebouw maximaal 21 m hoog (deze 3 m extra boven voornoemde 18 m vrije hoogte is nodig in verband met de constructie, isolatie, afschot etc). Een klein stukje gebouw wordt weer wat hoger om het kasteel te vormen (23 m) met daarbij ook weer fraaie torens die daar bovenuit steken en zo een niet mis te verstaan accent vormen.

Natuurinclusieve inrichting

Het thema van Bommelwereld leent zich goed voor een natuurinclusieve inrichting die ook goed past bij de landschappelijke en ecologische inpassing in de omgeving. De leefwereld van Olivier B. Bommel en Tom Poes is er namelijk eentje die alles behalve 'aangeharkt' is. De leefwereld is er een van een wilde, soms zelfs ietwat donkere, natuur. Denk bijvoorbeeld aan het Knarkenmoeras, het Donkere Bomen Bos en de Zwarte Bergen. Vanaf het park zal dan, bijvoorbeeld, de op de historische kaarten nog zichtbare Galgenbult mede betrokken worden met verhalen en de inrichting van het park zal natuurlijk en wild zijn. De inpassing van de Groenlose Slinge met een meanderend karakter, met bredere uitstroomgebieden en met moeras–plas-dras gebieden wordt daarom niet alleen vanuit de beleidsachtergrond ingepast maar veeleer vanuit de realisatie van de juiste ervaring. De inpassing van de ecologische doelstellingen vanuit het Gelders Natuur Netwerk (GNN) vanuit het model 'Winde' waarbij het water de verbinder is middels de Groenlose Slinge als een natte verbindingszone wordt zo vorm gegeven. De aansluitende lage kruidenvegetatie samen met de droge verbinding (bosplantsoen en bomen) geeft invulling aan het model 'Kamsalamander'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0009.png"

Bij de inrichting van het park staat klimaatbestendigheid, duurzaamheid en het versterken van de biodiversiteit voorop. Dat krijgt invulling door:

  • Natuurvriendelijke oevers - plas dras - en moeras
  • Inheems bosplantsoen en bomen
  • Bloemrijke en schraal grasland / ruig gras
  • Houtrillen
  • Insectenhotels
  • Nestkasten voor de steenuil, vleermuis, huismus specht, de grote gele kwikstaart e.a.
  • HWA infiltratie op eigen terrein
  • Toepassen van veel halfverharding zoals Achterhoeks Padvast
  • Asfalt op een natuurlijke wijze (grasfalt)
  • Goede gezonden verdeling van groen en grijs terreinindeling
  • Werken met een gesloten grondbalans
  • Verlichting die diervriendelijk en dynamisch is
  • Borging voor kwaliteit en duurzaamheid
  • Honden aan de lijn zone (kwetsbare flora en fauna)
  • Werken volgens de richtlijnen van NL Green Label

Voor meer informatie over het ontwerp wordt verwezen naar de al eerder genoemde drie bijlagen:

  • 1. Het ruimtelijke kwaliteitskader (bijlage 1 bij deze toelichting);
  • 2. de achtergronden bij het plan (bijlage 2 bij deze toelichting);
  • 3. het inrichtingsplan (bijlage 3 bij deze toelichting en ook als bijlage bij de regels opgenomen als onderdeel van een voorwaardelijke verplichting ter borging).

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Internationaal niveau

3.1.1 Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten.

De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn.

3.1.2 Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.

3.1.3 Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.

Ter bescherming van de archeologische waarden heeft de gemeente Oost Gelre een beleidsnota met -kaarten vastgesteld en deze doorvertaald en opgenomen in de geldende bestemmingsplannen. Hier wordt op ingegaan in paragraaf 4.4 Cultuurhistorie en archeologie.

3.1.4 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn:

  • De vervuiler betaalt
  • De gebruiker betaalt
  • Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water
  • Resultaatsverplichting in 2015
  • Stroomgebiedsbenadering

Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

Op het aspect water wordt nader ingegaan in paragraaf 4.1 Water.

Conclusie

Voorliggend plan past binnen het beleid dat op internationaal niveau is vastgelegd.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten.

De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan.

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.

Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR).

Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.

Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.

3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld.

De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen of een nieuwe functie. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Met voorliggend plan wordt een dagrecreatieve voorziening gerealiseerd. Hieronder wordt het plan onderbouwd aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking.

  • 1. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een gebouw met een oppervlakte groter dan 500 m², dit als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.

Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een dagrecreatieve voorziening met een omvang die duidelijk groter is. Daarmee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling.

  • 2. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

De Achterhoek is een regio met een sterke vrijetijdssector. In 2019 werden ruim 3,3 miljoen toeristische overnachtingen doorgebracht in de Achterhoek. Sinds 2006 werken de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk intensief samen aan toerisme en recreatie. Samen hebben zij de ambitie om toerisme en recreatie verder te ontwikkelen in omvang, kwaliteit en veelzijdigheid en daarmee de leefbaarheid en regionale economie van de Achterhoek te vergroten. Volgens 'Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030' (opgesteld door de acht gemeenten, zie ook paragraaf 3.4.1) heeft de Achterhoek meer aansprekende (slechtweer-)voorzieningen en publiekstrekkers nodig. Voorzieningen dragen bij aan de zichtbaarheid en aantrekkingskracht van de regio. Ook eigen inwoners profiteren daarvan. In de Vrijetijdsagenda wordt tevens benoemd dat dagtoerisme en verblijfstoerisme steeds meer naar elkaar toegroeien.

Met een dagrecreatieve voorziening als Bommelwereld wordt een nieuwe publiekstrekker in de regio gerealiseerd. Daarmee voorziet het plan in de actuele behoefte die er in de regio is.

  • 3. Kan binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien?

Voor een dagrecreatieve functie van deze omvang is een (vrijkomende) locatie binnen bestaand stedelijk gebied niet de meest voor de hand liggende invulling. Dergelijke locaties komen eerder in aanmerking voor woningbouw, bedrijvigheid of andere stedelijke voorzieningen.

De beoogde locatie van voorliggend plan ligt aan de rand van de kern Groenlo. Het is een duidelijk afgebakend gebied, ingeklemd tussen de N18, de Groenlose Slinge en het vakantiepark Marveld Recreatie. Het is een typisch kernrandgebied met een voormalige manege en een tuincentrum. Deze zullen door onderhavige ontwikkeling verdwijnen. Het realiseren van een dagrecreatieve voorziening past ook goed in de kernrandzone. Het terrein is goed ontsloten via de provinciale weg N18. Met de ligging naast het vakantiepark kunnen de functies (dagrecreatie en verblijfsrecreatie) elkaar versterken.

Conclusie

Voorliggend initiatief is passend binnen het Rijksbeleid.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Het realiseren van een dagrecreatieve voorziening als trekker draagt bij aan de ambitie uit de Omgevingsvisie voor een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat.

Omgevingsverordening

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Planaanpassing

In de voorbereiding op dit plan was de idee om tevens een deel van het GNN op te nemen in de ontwikkeling. In de bijlagen is daar ook nog rekening mee gehouden, maar omwille van de implicaties is er voor gekozen het plan toch geheel buiten de GNN te laten vallen. Voorliggend plan heeft daarmee geen negatief effect op dit GNN. Zie verder ook paragraaf 4.3. M.b.t. de uitvoerbaarheid heeft dit verder geen effect, het enige effect is dat buiten GNN gebleven wordt.

Groene Ontwikkelingszone

Het plangebied ligt voor een groot deel in de Groene Ontwikkelingszone (GO, lichtgroen op de volgende kaart). De Groene Ontwikkelingszone heeft een dubbele doelstelling: er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden (art. 2.52 van de Omgevingsverordening).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0010.png"

Bron: geoportaal provincie Gelderland

Vanwege de ligging in de GO is het noodzakelijk om de effecten van de ontwikkeling op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang te onderzoeken. Een ruimtelijk initiatief kan doorgaan als er geen negatieve gevolgen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk (art. 2.39). Dit is ook het geval als eventuele negatieve gevolgen voor de kernkwaliteiten of samenhang volledig worden gemitigeerd op dezelfde locatie en het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd (overeenkomstig art. 2.50 en 2.51 van de verordening).

Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen

De ontwikkeldoelen voor de GO zijn voor de verschillende deelgebieden uitgewerkt. Het plangebied en omgeving is gelegen in deelgebied 184 "Zwolle - Meddo". Dit deelgebied behoort tot het overwegend kleinschalige kampenlandschap op het Oost-Nederlands plateau. Voor dit (grote) deelgebied zijn diverse kernkwaliteiten beschreven waarbij voor onderhavig project de ecologische verbindingszone van de Groenlose Slinge centraal staat. De ontwikkelmodellen "kamsalamander" en "winde" bieden bij ontwikkelingen een houvast.

De huidige inrichting / wijze van functioneren verandert flink indien gekeken wordt naar de functies: een tuincentrum en een manege gaan weg en er komt een dagrecreatieve functie terug, in combinatie met een groene en landschappelijke inrichting. Door de wijze waarop de inrichting uitgevoerd wordt krijgt de natuurdoelstelling van de GO wél duidelijk invulling.

Op de eerste plaats gebeurt dit bij de Groenlose Slinge, waar de meandering wordt teruggebracht en de huidige oever wordt ingericht tot een duidelijk natuurvriendelijke variant. Daarmee wordt invulling gegeven aan de gewenste ecologische verbindingszone.

Daarnaast wordt de ecologische kwaliteit van het terrein als geheel versterkt door het natuurinclusieve ontwerp van het parkeerterrein en de overige terreindelen waar bezoekers komen (zie paragraaf 2.2 van dit bestemmingsplan en de bijlagen waarin het ontwerp is te zien).

Het plangebied ligt tevens in het Nationaal Landschap Winterswijk. Dit is een kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met een afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken en boerderijen, ten oosten van Winterswijk kleinschaliger dan ten westen ervan. In artikel 2.56 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen geen afbreuk mogen doen aan de kernkwaliteiten van dit specifieke deel van het Nationaal Landschap. Door een goed ontwerp en een goede landschappelijke inpassing is het zelfs mogelijk om een bijdrage aan de kernkwaliteiten te leveren.

Eén van de kernkwaliteiten van dit landschap zijn de meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap;

  • De structuur van beken en beekjes die samenstromen in de Groenlose Slinge en de Bovenslinge wordt bepaald door de ondergrond en menselijke activiteit.
  • Langs de bekend zijn veel kleine tot middelgrote (loof)bossen gelegen. Op hogere plaatsen langs de beken is het natuurlijke reliëf opgehoogd met esdekken.

De wijze waarop voorliggend project ontwikkeld wordt, zie de voorstaande teksten in deze paragraaf, maken dat ook invulling gegeven wordt aan een aantal doelstellingen die samenhangen met de doelstelling voor het Nationaal Landschap Winterswijk. De ligging van Bommelwereld aan de oostzijde van Groenlo naast een bedrijventerrein, naast Marveld en naast de N18 is om meerdere redenen ook gunstig en door ligging naast de Groenlose Slinge kan ook goed invulling gegeven worden aan die doestellingen. Om het landschappelijke effect op het landschap, gezien vanuit het oosten, te verzachten wordt het gebouw Bommelwereld zo goed mogelijk ingepast in het landschap. Dit laatste is, gezien alle overige positieve aspecten van dit project, een goede oplossing.

Nee-tenzij toets

Omwille van de ligging van het plangebied in GO* is een "Nee, tenzij-toets" opgesteld. Deze toets is als bijlage 13. In deze toets komen alle door de provincie benoemde aspecten welke behoren bij het GO beleid aan bod. Uit deze toets volgt dat er geen significant negatieve effecten optreden ten aanzien van de kernkwaliteiten van het GO en dat voorliggend bestemmingsplan derhalve uitvoerbaar is.

*: In de voorbereiding op dit plan was de idee om tevens een deel van het GNN op te nemen in de ontwikkeling. In de bijlagen is daar ook nog rekening mee gehouden, maar omwille van de implicaties is er voor gekozen het plan toch geheel buiten de GNN te laten vallen. Voorliggend plan heeft daarmee geen negatief effect op dit GNN. Zie verder ook paragraaf 4.3.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030

De acht samenwerkende Achterhoekse gemeenten - Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk – hebben de ambitie om de vrijetijdssector in de Achterhoek verder te ontwikkelen. Daarmee leveren ze een belangrijke bijdrage aan de Achterhoekse economie en maatschappelijke opgaven, zoals instandhouding van voorzieningen, werkgelegenheid creëren en jongeren aan de Achterhoek binden. Om dat te realiseren zetten ze de komende jaren op de volgende speerpunten in, met ondersteuning van de provincie Gelderland:

  • Aanbodontwikkeling; de beleefbaarheid van de Achterhoek vergroten.
  • Vitaliteit verblijfsrecreatie op peil houden en verbeteren.
  • Werken aan een onderscheidend profiel.
  • Gastvrijheid in de regio bevorderen.
  • Positie vrijetijdssector versterken; verbindingen met andere sectoren intensiveren.

Wat betreft aanbodontwikkeling heeft de Achterhoek voldoende aansprekende (slecht weer) voorzieningen en publiekstrekkers nodig. Voorzieningen dragen bij aan de zichtbaarheid en aantrekkingskracht van de regio. In de Vrijetijdsagenda wordt tevens benoemd dat dagtoerisme en verblijfstoerisme steeds meer naar elkaar toe groeien.

Met een dagrecreatieve voorziening als Bommelwereld, naast een verblijfsrecreatiepark, wordt een nieuwe publiekstrekker in de regio gerealiseerd. Uit de Vrijetijdsagenda blijkt dat hier behoefte aan is. Het plan sluit daarmee aan bij de Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030.

Conclusie

Het initiatief is passend binnen het provinciale en regionale beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren".

Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven.

Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

De welstandsnota biedt niet voldoende houvast om straks, bij de omgevingsvergunningverlening voor het bouwen, via het publieke recht te sturen op de architectuur en daarom zijn beeldkwaliteitkaders gemaakt dat als aanvullend welstandbeleid wordt vastgesteld: zie bijlage 1.

3.5.2 Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen.

In het Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre wordt de aanwezigheid van enkele grotere recreatieve trekkers, zoals bijvoorbeeld Marveld Recreatie, als sterke kernkwaliteit van de gemeente genoemd. Als kans wordt het ruimte bieden aan de bestaande recreatieve trekkers en/of ruimte bieden aan nieuwe trekkers genoemd. Het mogelijk maken van een dagrecreatieve voorziening met voorliggend plan sluit hierbij aan.

3.5.3 Geluidbeleid gemeente Oost Gelre

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van het geluidbeleid.

Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.

Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.

Het aspect geluid wordt nader beschreven in paragraaf 4.5.

3.5.4 Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

In het verkeersprogramma is het gemeentelijk verkeer- en vervoersbeleid vastgesteld. In dit verkeersprogramma is gekozen voor een bredere insteek dan alleen een verkeerskundige insteek. De nieuwe insteek gaat uit van een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Vanuit deze integrale benadering zijn ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht.

Om de verkeerskundige gevolgen van het plan in beeld te brengen is een verkeersstudie uitgevoerd. In de paragraaf 4.10 Verkeer en parkeren wordt nader ingegaan op dit aspect. Uit de berekeningen in de studie blijkt dat de verkeersafwikkeling op de naijgelegen kruispunten en wegen veilig en zonder congestie (vertraging) kan gebeuren. De voorgenomen ontsluitingsstructuur van Bommelwereld leidt niet tot problemen qua zicht of het een veilige afwikkeling van het verkeer.

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten

4.1 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk

geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.

  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Het plan leidt, doordat ook de nodige bebouwing waaronder een tuincentrum verdwijnt met daarbij de nodige bestrating, niet tot een toename van het verhard oppervlak in het gebied. De wandel- en fietspaden en het parkeergedeelte worden uitgevoerd in een open, waterdoorlatende verharding en het regenwater dat op bebouwing valt wordt afgekoppeld en vertraagt richting de Groenlose Slinge afgevoerd. Daarnaast wordt met het plan ook meer ruimte voor water gecreëerd door de aanleg van een meander in de Groenlose Slinge en aanleg van moeras. Voor dit plan is met voorstaande gegevens de digitale watertoets doorlopen. Het resultaat daarvan is te vinden in bijlage 21. Hieruit komt, logischerwijze, naar voren dat overleg met het waterschap nodig is. Dat overleg heeft in de voorbereiding op de totstandkoming van dit plan veelvuldig plaatsgehad waarbij mede een uitwerking van de plannen, zie bijlage 22, als basis diende. Het waterschap heeft laten weten zich in deze plannen te kunnen vinden.

Gelet op bovenstaande is duidelijk dat dit bestemmingsplan uitvoerbaar is op het vlak van water.

4.2 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek (17 juni 2020), een nader bodemonderzoek (25 mei 2021) en een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd (27 oktober 2021). De onderzoeksrapporten zijn toegevoegd als bijlagen 4, 5 en 6. Uit deze rapportages komt naar voren dat, op één plek na, de bodem geschikt is voor de beoogde functies. Uit de onderzoeken volgt dat deze plek, met een omvang van circa 42 m2 tot een diepte van 0,4 m, sterk vervuild is met PAK. Er dient derhalve minstens ± 17 m3 (42 x 0,4) te worden gesaneerd. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming (< 25 m³). In bijlage 7 is een begroting van de sanering toegevoegd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoende financiële middelen opbrengt om de sanering mee te kunnen bekostigen. Daarmee kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is. In het kader van de bodemwetgeving mag hier pas gewerkt worden nádat een (goedgekeurd) Plan van Aanpak / saneringsplan aanwezig is. Ter (dubbele) zekerstelling is hiertoe in dit bestemmingsplan tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.

4.3 Flora en Fauna

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Korenburgerveen'. Dit gebied ligt op circa 5 kilometer afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling (realiseren dagrecreatieve voorziening) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten, zoals licht en geluid, worden uitgesloten. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 8). Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toeneemt ten opzichte van het huidige gebruik. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.

Voor wat betreft de gebiedsbescherming vanuit het provinciale beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.3.


Soortenbescherming

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 10.Uit dit onderzoek komt naar voren dat het plangebied (potentieel) geschikt is voor diverse beschermde soorten. Dat is de reden geweest om een aanvullend onderzoek op het -eventueel- voorkomen van deze soorten te onderzoeken als ook hoe het beste mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden ten behoeve van deze soorten. Dit aanvullende onderzoek is in bijlage 11 te vinden. Uit dat onderzoek komt naar voren dat diverse groenstructuren op de planlocatie van belang zijn voor de steenmarter, bunzing, grote bosmuis, rode eekhoorn en vleermuizen. Tevens wordt ook geconcludeerd dat door middel van inrichting van het nieuwe terrein en de wijze waarop de gebouwen natuurvriendelijk worden gebouwd goed gemitigeerd kan worden. Voor één schuur is duidelijk dat, doordat deze een vaste rustplaats is van een steenmarter dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor nodig is. Voornoemd aanvullend onderzoek (bijlage 11) gaat verder op de quickscan (bijlage 10). Daarmee valt de Intratuin en de gronden daaromheen buiten het aanvullende onderzoek. Voor deze gronden is daarom separaat onderzocht of er mogelijk soorten voorkomen welke beschermd zijn: zie bijlage 12. Gezien de ecologische bevindingen in relatie tot het beoogde plan en de wijze waarop dit uitgevoerd kan worden is er evenwel geen reden aan te nemen dat benodigde mitigerende maatregelen en / of ontheffingen niet gerealiseerd danwel verkregen kunnen worden: voorliggend bestemmingsplan is dan ook uitvoerbaar in de zin van de Wro.

4.4 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

In het plangebied zijn in de huidige situatie een manege, een tuincentrum en enkele woningen gevestigd. In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig waar het plan een effect op kan hebben.

Archeologie

Het plangebied heeft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2. Bij 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Bij 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en dieper dan 30 cm.

Voor onderhavig plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie waar het gebouw van de dagrecreatieve voorziening komt. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 14. Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen en de lage grondwaterstand, waardoor er geen organische archeologische resten bewaard zijn gebleven en daarmee lage archeologische verwachting, is een archeologisch vervolgonderzoek niet nodig. Voor het onderzochte deel van het plangebied worden de archeologische dubbelbestemmingen daarom niet overgenomen. Voor het overige deel van het plangebied worden de dubbelbestemmingen wel overgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.

4.5 Geluid

4.5.1 Normen Wet geluidhinder

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

4.5.2 Belemmering bedrijfsvoering

Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidsnormen. Het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen.

4.5.3 Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd.

4.5.4 Gemeentelijk geluidbeleid

Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven.

Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.

4.5.5 Conclusie

Voorliggend plan betreft de realisatie van een dagrecreatieve voorziening. Hiermee wordt geen nieuw geluidgevoelig object toegevoegd en deze voorziening vormt ook geen beperking voor omliggende bedrijven (zie mede ook de volgende paragraaf over 'Bedrijven en milieuzonering'). Deze voorziening komt wel nabij een woning van derden. Dit is de bedrijfswoning naast het huidige tuincentrum. Deze woning blijft staan en zal als (burger)woning in gebruik blijven. Deze woning ligt nabij de (grote) parkeerplaats. Ter zekerstelling of dit akoestisch gezien past is een onderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is te vinden in bijlage 17. De conclusie is dat het parkeren op deze locatie prima past naast deze woning.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.6 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

Om grip te krijgen op het aspect milieuzonering in relatie tot het project Bommelwereld is aansluiting gezocht bij voornoemde uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Bommelwereld komt daar, uiteraard, niet in voor. Bommelwereld verhoudt zich gezien de inrichting, het functioneren en de ruimtelijke uitstraling tussen een attractiepark en een binnenspeeltuin. Een attractiepark valt onder de categorie 'recreatiecentra, vaste kermis' met een indicatieve richtafstand van 300 meter ten opzichte van een rustige woonwijk voor het aspect geluid. De Efteling is bijvoorbeeld een attractiepark en duidelijk is dat Bommelwereld een veel kleiner ruimtelijke effect heeft doordat het recreatieve deel volledig inpandig is. Inpandige recreatiefuncties in voornoemde uitgave zijn een sporthal (grootste afstand 50 m), een bowlingbaan (grootste afstand 30 m) en een zwembad (grootste afstand 50 m). De binnenspeeltuin, waar Bommelwereld ook op lijkt, komt niet voor in de uitgave. Voor Bommelwereld wordt op basis van voorstaande een indicatieve grootste afstand aangehouden van 100 m voor het aspect geluid. Dat geldt voor woningen in een rustige woonwijk. Binnen deze 100 m zijn twee woningen gelegen: de eigen bedrijfswoning direct náást Bommelwereld en de huidige (bedrijfs)woning naast het tuincentrum welke op basis van voorliggend bestemmingsplan tot Wonen wordt bestemd (dus zónder een rol als bedrijfswoning). In het kader van milieuzonering hoeft met de eigen bedrijfswoning verder geen rekening te worden gehouden. De andere woning is de woning die nu naast het tuincentrum is gelegen. Deze tot bedrijfswoning bestemde woning wordt nu al gebruikt zonder een relatie met het naastgelegen bedrijf, dus als burgerwoning. Deze woning is gelegen in een gemengd gebied met diverse functies nabij, zoals het tuincentrum en ook de manege en het recreatiepark Marveld nabij. Dat blijft na realisatie van de plannen ook een gemengd gebied dat niet als een rustige woonwijk is te zien. De uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' geeft dan aan dat een afstandstap terug gezet kan worden, waardoor de onderzoeksafstand verkleind wordt tot 50 m. Deze woning komt straks, na realisatie van de plannen, te liggen naast het parkeerterrein van Bommelwereld op een afstand kleiner dan deze 50 m. De afstand tot het parkeerterrein wordt circa 30 m. Daarom is ook een akoestisch onderzoek verricht (zie de vorige paragraaf) op basis waarvan blijkt dat voorliggend bestemmingsplan uitvoerbaar is.

Voorts hebben de omliggende bedrijven ook een (mogelijk) effect op het verblijfsklimaat van de recreanten te Bommelwereld. De omliggende bedrijven zijn bestemd tot cat. 3.2 volgens 'Bedrijven en milieuzonering' met een grootste indicatieve afstand van 100 m. Het feitelijke milieueffect is, mede doordat rekening moet worden gehouden met omliggende (bedrijfs)woningen, veel kleiner. Daarnaast kan gelet op het gegeven dat alhier een gemengd gebied is tevens een afstandstap terug gezet worden tot 50 m en binnen deze afstand zijn geen bedrijven gelegen. Hieruit volgt dat het verblijfsklimaat voor de recreanten zeker voldoende zal zijn.

Naast het milieuzoneringsaspect van Bommelwereld óp de omgeving is er ook een omgekeerde werking: bedrijven in de omgeving krijgen te maken met deze (nieuwe) functie. Westelijk, aan de andere zijde van de N18 is een bedrijventerrein gelegen. Hier mogen bedrijven komen tot cat. 3.2 met een grootste indicatieve afstand van 100 m tot een gevoelige functie zoals de woonfunctie. Bommelwereld is niet zo'n gevoelige functie. Gelet daarop, als ook gelet op de afstand die voor bijna alle bedrijven tot Bommelwereld al groter is dan 100 m en dat menig bedrijf al rekening moet houden met dichterbij gelegen woningen van derden is er geen reden aan te nemen dat door de ontwikkeling van Bommelwereld omliggende bedrijven in hun functioneren beperkt worden. Sterker: doordat de woning bij de manege weg gaat ontstaat juist (een beetje) extra planologische ruimte.

Voorliggend bestemmingsplan is uitvoerbaar op het gebied van milieuzonering. 

4.7 Luchtkwaliteit

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 15. Hierin wordt geconcludeerd dat het initiatief ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit van geringe omvang is ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In het plangebied is derhalve geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer, zodat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat en het bestemmingsplan maakt geen gevoelige bestemming mogelijk als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen. Er is hiermee sprake van een goede ruimtelijke ordening wat betreft het aspect luchtkwaliteit.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.8 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De gemeentelijke geurverordening en het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn ook onderdeel van het beoordelingskader van geur bij veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaalt in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.


Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

Geurnormen en minimumafstanden
In de gemeente Oost Gelre gelden voor geurgevoelige objecten de in onderstaande tabel opgenomen geurnormen en minimumafstanden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0011.png"

Voor woningen en andere geurgevoelige objecten bij veehouderijen geldt in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter. Dit is inclusief woningen en andere geurgevoelige objecten die daar op na 19 maart 2000 geen deel meer van uitmaken. Ook voor woningen en andere geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd in samenhang met de beëindiging van de veehouderij geldt deze minimumafstand van 50 meter.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt een nieuw geurgevoelig object mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven aanwezig. Om te beoordelen of deze bedrijven het verblijfsklimaat in Bommelwereld onaanvaardbaar belasten als ook om te beoordelen of door Bommelwereld het functioneren van deze agrarische bedrijven wordt belemmerd is een geuronderzoek uitgevoerd: zie bijlage 9. De conclusie van dit onderzoek is dat de planlocatie niet belast wordt door geur noch dat de bedrijven belemmerd worden in de ontwikkeling. 

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect geur.

4.9 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.


Planspecifiek

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Het volledige onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 16. In de omgeving van het plangebied ligt een basisnetroute voor het vervoer van gevaarlijk stoffen over de weg, de N18. Het plangebied ligt op minder dan 200 meter afstand van de N18, waardoor het groepsrisico nader beschouwd moet worden. Ten zuiden van het plangebied ligt een LPG-station. De risicocontouren en het invloedsgebied van de bij deze inrichting behorende risicobronnen reiken niet over het plangebied (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0012.png"
Basisnetroutes

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0013.png"

LPG-station met plangebied rood omcirkeld

Groepsrisico

Samenvattend wordt op basis van de uitgevoerde kwantitatieve risicoanalyse het volgende geconcludeerd:

  • 1. Het plaatsgebonden risico vormt in geen van de gevallen een belemmering voor de planontwikkeling.
  • 2. Het groepsrisico blijft na planrealisatie onder de oriëntatiewaarde.
  • 3. De realisatie van het plan leidt ten aanzien van het transport van gevaarlijke stoffen tot een stijging van het groepsrisico. Omdat er sprake is van een toename van het groepsrisico, bestaat de verplichting om dit groepsrisico te verantwoorden. In de rapportage zijn elementen hiervoor aangeleverd:

afbeelding "i_NL.IMRO.1586.BPBUI2031-OW01_0014.png"

De voorgaande beoordeling levert een positief tot neutraal beeld op, als de planinrichting weloverwogen wordt uitgevoerd met de inachtneming van de risico’s en effecten, wat betreft het groepsrisico voor het plan.

Daarmee is het initiatief uitvoerbaar op het gebied van externe veiligheid.

4.10 Verkeer en parkeren

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Ten behoeve van het aspect parkeren en verkeer is een memo opgesteld om inzichtelijk te krijgen wat de parkeerbehoefte is voor het toekomstige attractiepark en welke verkeersaantrekkende werking deze functie maximaal met zich mee brengt. De memo is toegevoegd als bijlage 18. In dit memo is berekend dat voor Bommelwereld 292 parkeerplaatsen nodig zijn. Dit is een maximum aantal dat verwacht wordt waarbij met de CROW-normen aan de bovenkant gewerkt wordt. Met de voorziene 320 parkeerplaatsen zoals het ontwerp nu is is er meer dan voldoende ruimte. Daarbij is er in het plangebied nog duidelijk meer ruimte om nog meer parkeerplaatsen aan te leggen indien dat gewenst is. Op die wijze kan, bijvoorbeeld, ook invulling gegeven worden aan een idee dat deze parkeerplaats ook gebruikt gaat worden als overloopruimte voor drukke dagen in het centrum. Dat staat voor het overige buiten de uitvoerbaarheidsvraag voor dit bestemmingsplan.

De ontsluiting van het plangebied voor het autoverkeer loopt via de Maarsevonder en de Aproche direct naar de regionale stroomweg N18. In de memo is berekend dat Bommelwereld circa 614 verkeersbewegingen per dag genereert. Dit is een maximum aantal dat verwacht wordt waarbij met de CROW-normen aan de bovenkant gewerkt wordt.

Er is een verkeersstudie uitgevoerd om de verkeerskundige gevolgen van het plan in beeld te brengen (zie bijlage 19). Hierin wordt geconcludeerd dat de parkeervraag wordt beïnvloed door het aangrenzende vakantiepark Marveld, dat tevens ontwikkelaar van Bommelwereld is. In het meest ongunstige scenario dat niet meer dan 25% van de bezoekers vanaf het vakantiepark afkomstig is, atrractiepark en daar parkeert in plaats van bij het attractiepark, volstaat het aantal parkeerplaatsen voor de parkeervraag. Uit de berekeningen is tevens naar voren gekomen dat de verkeersafwikkeling op de nabij gelegen kruispunten en wegen veilig en zonder congestie (vertraging) kan gebeuren. De Maarsevonder is voldoende breed om de verwachte toe- en afvoer van verkeer veilig te kunnen afwikkelen. De verwachte toename van verkeer op de Vredenseweg als gevolg van dit plan zal zeer beperkt zijn en zonder problemen verwerkt kunnen worden. Tenslotte is gekeken naar de ontsluitingsstructuur van Bommelwereld en geconcludeerd dat hier geen problemen qua zicht of het veilig afwikkelen van het verkeer ontstaan.

Het initiatief is hiermee uitvoerbaar op het gebied van verkeer en parkeren.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

De opzet en regels van voorliggend plan zijn gebaseerd op de systematiek van het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' van de gemeente Oost Gelre en het 'Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen en aanduidingen:

  • 'Recreatie - Dagrecreatie', waarbinnen een bouwvlak is opgenomen. Het maximale bebouwingspercentage en de maximale bouwhoogtes zijn aangegeven op de verbeelding. Binnen de bestemming zijn tevens de aanduidingen 'bedrijfswoning' en 'parkeerterrein' opgenomen.
  • 'Verkeer', ten behoeve van de ontsluiting van het plangebied en naastgelegen percelen.
  • 'Wonen', ten behoeve van de bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning.
  • De dubbelbestemming 'Leiding - Riool' ter bescherming van de rioolpersleiding die door het plangebied loopt.
  • De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1', mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
  • De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2', mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
  • De gebiedsaanduidingen 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en 'overige zone - gelders natuur netwerk'.

In het plan is het realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. De provinciale diensten zijn betrokken bij de planvorming en kunnen zich vinden in deze plannen. Datzelfde geldt voor het Waterschap.


Inspraak

De direct omwonenden zijn door dhr. Bomers namens Marveld gedurende het planvormingsproces persoonlijk op de hoogte gebracht van de plannen. Iedereen in de directe omgeving en daar in een ruime straal omheen is ook geïnformeerd over een informatieavond op 29 april 2021 welke ook digitaal te volgen was voor iedereen in de gemeente. De conclusie van al deze contactmomenten is dat de omgeving de plannen ondersteunt. Enkele directbetrokkenen, zoals bijvoorbeeld de bewoner van de woning naast de parkeerplaats, zijn uiteraard bovengemiddeld geïnteresseerd en worden nauw betrokken bij de verdere planvorming.

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan wordt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende zes weken ter inzage gelegd. In deze paragraaf, of in een separate bijlage, worden te zijner tijd de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan, mits sprake is van een bouwplan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.