Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Schoordijk 5-5a te Budel
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1706.BPBG3042-VAS1

Regels

1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:
het bestemmingsplan ‘Schoordijk 5-5a te Budel’ van de gemeente Cranendonck;
 
1.2 bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1706.BPBG3042-VAS1 met de bijbehorende regels en bijlagen;
 
1.3 aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van de gronden;
 
1.4 aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
 
1.5 aan huis verbonden beroep:
de uitoefening van een beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt;
 
1.6 agrarische nevenactiviteit
agrarische activiteiten, die ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteit worden uitgevoerd;
 
1.7 bebouwing:
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;
 
1.8 bedrijfsactiviteiten:
handelingen en werkzaamheden die plaatsvinden in het kader van de uitoefening van een bedrijf;
 
1.9 bedrijfsgebouw:
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten;
 
1.10 bedrijfswoning/dienstwoning:
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;
 
1.11 bestaande situatie (bebouwing en gebruik):
•bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;
•het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen;
 
1.12 bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
 
1.13 bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
 
1.14 bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak;
 
1.15 bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
 
1.16 bouwgrens:
de grens van een bouwvlak;
 
1.17 bouwlaag:
het geheel van op gelijke of nagenoeg gelijke vloerhoogte gelegen ruimten in een gebouw met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder, onderbouw, zolder en vliering;
 
1.18 bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
 
1.19 bouwperceelgrens:
een grens van een bouwperceel;
 
1.20 bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
 
1.21 bouwwerk:
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
 
1.22 carport:
een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning die bedoeld is als een overdekte stallingsruimte voor personenauto's;

1.23 detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
 
1.24 extensief recreatief medegebruik:
die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen en fietsen;
 
1.25 gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
 
1.26 geluidsgevoelige objecten:
woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en woonwagenstandplaatsen;
 
1.27 hoofdgebouw:
een (deel van een) gebouw dat gelet op de bestemming dan wel door zijn constructie en of afmetingen, als het belangrijkste bouwwerk op het perceel valt aan te merken;
 
1.28 huishouden:
een aantal aan elkaar door familie- of daarmee gelijk te stellen band gerelateerde personen, dat gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van dezelfde voorzieningen in één woning (bijvoorbeeld een gezin, een gezin met inwonende ouders of een woongroep);
 
1.29 lichte bedrijvigheid:
het bedrijfsmatig vervaardigen, herstellen, onderhouden of bewerken van producten en/of diensten in de vorm van bedrijven die voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten;
 
1.30 nevenactiviteit:
een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de op de ingevolge dit bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel of een bouwvlak;
 
1.31 overig bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;
 
1.32 overkapping:
een bouwwerk, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat aan minimaal twee zijden open is, met uitzondering van een overkapping welke wordt gebouwd tegen een gebouw op het belendende perceel;

1.33 seksinrichting:
de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
 
1.34 semi-agrarisch:
werkzaamheden voor particulieren, agrarische bedrijven of niet-agrarische bedrijven met een verwantschap aan de agrarische sector;
 
1.35 streekgebonden producten:
agrarisch gerelateerde producten, gemaakt met grondstoffen die als streekeigen worden beschouwd en/of volgens streektraditie geteelde producten, en/of producten die volgens een specifieke bereidingswijze of receptuur van een bepaalde regio wordt geproduceerd;
 
1.36 verkoopvloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van de voor het publiek toegankelijke en zichtbare winkelruimte, inclusief eventuele etalageruimte en de ruimte achter de toonbank;
 
1.37 vloeroppervlakte:
de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken op de begane grond;
 
1.38 voorgevel:
de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt;
 
1.39 voorgevellijn:
de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;
 
1.40 waterhuishoudkundige voorzieningen:
doeleinden die het waterhuishoudkundig belang dienen, zoals watergangen, waterstaatkundige kunstwerken, onderhoudsstroken ten behoeve van het beheer en onderhoud van een watergang, voorzieningen voor de waterhuishouding en dergelijke;
 
1.41 woning:
een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1 afstand tot de zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand van het verticale vlak in de zijdelingse perceelsgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk;
 
2.2 bebouwd(e) oppervlak(te) van een bouwperceel:
de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;
 
2.3 de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
 
2.4 de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
 
2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
 
2.6 de inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
 
2.7 de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
 
2.8 peil:
1. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
2. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte terrein.
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt.

2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1  Bestemmingsomschrijving
De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.  de uitoefening van het agrarisch bedrijf;
b.  niet-agrarische nevenactiviteiten, als bedoeld in 3.2.4 en 3.2.5;
c.  behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden;
d.  behoud, herstel en ontwikkeling van cultuurhistorische waarden;
e.  behoud en bescherming van aardkundige waarden;
f.  waterhuishoudkundige doeleinden;
g.  extensief recreatief medegebruik;
h.  doeleinden van openbaar nut;
een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen en sloten, en overeenkomstig de in 3.2. opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
 
3.2 Nadere detaillering van de bestemming
3.2.1 Verhouding tussen de doeleinden
Binnen de bestemming "Agrarisch" is het beleid gericht op het bieden van ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame en concurrerende landbouw alsmede het beschermen en verder ontwikkelen van landschappelijke en cultuurhistorische waarden.
 
3.2.2 Bouwvlak
Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" zijn agrarische bedrijven toegestaan.
Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. Indien blijkens de aanduiding "relatie" sprake is van een gekoppeld bouwvlak dan zijn hierop de bepalingen met betrekking tot een "enkel" bouwvlak van overeenkomstige toepassing.
 
3.2.3 Paardenbakken
Voor paardenbakken geldt dat deze zijn toegestaan binnen het bouwvlak, alsmede, voorzover bestaand, buiten het bouwvlak.
 
3.3 Bouwregels
3.3.1 Toegestane bebouwing
Op de tot "Agrarisch" bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van doeleinden omschreven in 3.1. en nader gedetailleerd in 3.2.
 
3.3.2 (Maatvoering) bebouwing buiten agrarisch bouwvlak
Voor het oprichten van bouwwerken buiten het bouwvlak geldt het volgende:
a.  Op de gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van het agrarisch grondgebruik worden opgericht met een maximale bouwhoogte van 2 m, met dien verstande dat:
-  bestaande permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak, geacht worden te voldoen aan het plan; nieuwe permanente teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan op het bouwvlak;
- tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen (gedurende maximaal 6 maanden) en boomteelthekken zijn toegestaan tot een bouwhoogte van maximaal 3 m (indien en voor zover er sprake is van een bouwwerk);
- de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 1,5 m mag bedragen;
- het oprichten van sleufsilo's niet is toegestaan;
- paardenbakken buiten het bouwvlak zijn niet toegestaan, met uitzondering van bestaande paardenbakken;
- ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" een veldschuur is toegestaan;
b.  Ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik is voorts uitsluitend het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan zoals banken, picknicktafels e.d. met een maximale bouwhoogte van 2 m.
 
3.4 Afwijken van de bouwregels
3.4.1 Schuilhutten
Burgemeester en wethouders kunnen middels omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3.4. onder a. teneinde buiten het bouwvlak bouwwerken toe te staan in de vorm van schuilhutten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.  deze afwijking wordt niet verleend indien de schuilhut wordt opgericht ten dienste van een agrarisch bedrijf;
b.  een schuilhut is niet toegestaan binnen de dubbelbestemming "Waarde - Natura 2000";
c.  een schuilhut is niet toegestaan binnen de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch – open akkercomplex";
d.  per agrarisch perceel mag maximaal één schuilhut worden opgericht, met dien verstande dat het perceel een minimale oppervlakte heeft van 5.000 m2;
e.  het bouwwerk dient hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden te zijn;
f.  de schuilhut moet minimal aan één zijde open zijn;
g.  de bouwhoogte mag maximaal 3 m bedragen;
h.  de oppervlakte mag maximaal 30 m2 bedragen.
 
3.4.2 Grotere hoogte erf- en perceelsafscheidingen
Burgemeester en wethouders kunnen middels omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3.4. onder a. teneinde voor erf- en perceelsafscheidingen buiten het bouwvlak een grotere bouwhoogte toe te staan tot maximaal 2 m, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.  de grotere bouwhoogte is noodzakelijk om dieren binnen de wei te houden;
b.  de erf- en perceelsafscheidingen zijn uitsluitend toegestaan in de vorm van afrasteringen;
c.  het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen niet onevenredig mogen worden beperkt;
d.  de afwijking leidt niet tot een onevenredige aantasting van de in 3.1. en 3.2. omschreven waarden.

3.5 Specifieke gebruiksregels
3.5.1 Strijdig gebruik
Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van:
a.  gronden en/of opstallen voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik en plaatsvindt op het bouwvlak;
b.  gronden en/of opstallen voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten, tenzij dit plaatsvindt ten behoeve van de agrarische productie binnen het agrarisch bedrijf dan wel uitsluitend betrekking heeft op agrarische producten van het eigen bedrijf;
c.  gronden en/of opstallen voor detailhandel, behoudens het bepaalde in 3.2.4.;
d.  gronden en/of opstallen voor bewoning, behoudens bewoning van de toegestane bedrijfswoningen;
e.  (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte;
f.  gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
g.  gronden voor het afgraven, verlagen, egaliseren of ophogen van de bodem ter plaatse van de aanduiding 'overig – aardkundig waardevol gebied'.
 
3.6 Afwijken van de gebruiksregels
3.6.1 Paardenbak buiten bouwvlak
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2 en 3.3, teneinde paardenbakken buiten het bouwvlak toe te staan, mits voldaan wordt aan het volgende:
a.  Een paardenbak mag uitsluitend worden gerealiseerd op een perceel met een minimale oppervlakte van 2500 m².
b.  De paardenbak dient landschappelijk ingepast te worden.
c.  Het watersysteem ter plaatse mag niet onevenredig worden aangetast; hieromtrent dient aan de waterbeheerder advies te worden gevraagd.
 
3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.7.1 Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de in het schema onder 3.7.4. opgenomen vergunningsplichtige werken en werkzaamheden uit te voeren.
 
3.7.2 Uitzonderingen vergunningenplicht
Het onder 3.7.1. vervatte verbod geldt niet voor werken en werkzaamheden:
a.  welke plaatshebben op een bouwvlak;
b.  waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan omgevingsvergunning is verleend;
c.  welke ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan in uitvoering waren;
d.  welke betreffen het normale onderhoud en/of landschapsbeheer.

3.7.3 Toetsing aan aanwezige waarden
De in 3.7.1. bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien na een belangenafweging blijkt dat er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige waarden als opgenomen in 3.1., nader gedetailleerd in 3.2. Ten behoeve van de belangenafweging zijn in het schema onder 3.7.4. de toetsingscriteria weergegeven.
 
3.7.4 Schema omgevingsvergunningen
Omgevingsvergunningplichtige werken/werkzaamheden     criteria voor verlening van de aanlegvergunning   
het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen     1. het aanbrengen van de leidingen mag niet leiden tot onevenredige aantasting van de agrarische belangen;
2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden;
3. binnen de gronden met de aanduiding "overig - aardkundig waardevol gebied" mogen de aardkundige waarden niet blijvend worden aangetast;  
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2 1. het aanbrengen van verhardingen dient noodzakelijk te zijn in het kader van de agrarische bedrijfsvoering dan wel het recreatief medegebruik;
2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden;
3. binnen de gronden met de aanduiding "overig - aardkundig waardevol gebied" mogen de aardkundige waarden niet blijvend worden aangetast;
het vellen of rooien van houtgewas     1. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de landschappelijke waarden; dit houdt in dat de aanwezige landschapselementen niet onevenredig mogen worden aangetast;
2. binnen de gronden met de aanduiding "overig - aardkundig waardevol gebied" mogen de aardkundige waarden niet blijvend worden aangetast;
  
    
    
    
   

Artikel 4 Wonen

4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a.  wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en lichte bedrijvigheid;
b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
c. behoud en/of herstel en ontwikkeling van de cultuurhistorische waarde van het aanwezige beeldbepalende pand;
een en ander met de bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven.
 
4.2 Bouwregels
4.2.1 Toegestane bebouwing
a.  per aangeduid bouwvlak is één woning toegestaan met dien verstande dat het totaal aantal woningen binnen het bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan is aangegeven middels de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ op de verbeelding;
b.  uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals woningen met bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken;
c.  de hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
d.  bijbehorende bouwwerkende en overige bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd.
 
4.2.2 Maatvoering
Met betrekking tot de maatvoering van gebouwen en overige bouwwerken dient aan het volgende te worden voldaan:
 
GEBOUWEN ALGEMEEN MIN. MAX.
AFSTAND TOT DE ZIJDELINGSE, VOORSTE EN ACHTERSTE BOUWPERCEELGRENS     3 m danwel de bestaande afstand voor bestaande hoofdgebouwen. Na herbouw van hoofdgebouwen geldt dat de zijdelingse afstand tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 3 meter moet bedragen;
voor bijbehorende bouwwerken geldt dat de afstand tot een van de zijdelingse bouwperceelgrenzen minder dan 3 m mag bedragen
  n.v.t. 
HOOFDGEBOUW VAN DE WONING MIN.MAX.
GOOTHOOGTE n.v.t.  7 m
BOUWHOOGTE   n.v.t.10 m 
INHOUD PER WONING n.v.t.750 m3 voorzover de bestaande inhoud meer bedraagt, geldt de bestaande inhoud als maximum
DAKHELLING12º45º   
BIJBEHORENDE BOUWWERKEN MIN. MAX.
GEZAMENLIJKE OPP. PER WONING n.v.t.    90 m2 *)   
GOOTHOOGTE n.v.t. 3 m   
BOUWHOOGTEn.v.t.  5,5 m  
AFSTAND BIJBEHORENDE BOUWWERKEN TOT VOORGEVEL WONING OF VERLENGDE DAARVAN    min. 3 m achter voorgevel woning of verlengde daarvan     n.v.t.   
AFSTAND VRIJSTAANDE BIJBEHORENDE BOUWWERKEN TOT ACHTERGEVEL WONING OF VERLENGDE DAARVAN n.v.t.   
15 m   
DAKHELLING 12°45°   
OVERIGE BOUWWERKENMAX. 
 
HOOGTE ERFAFSCHEIDINGEN    vóór voorgevel woning: 1 m;
overige: 2 m   
 
HOOGTE ANDERE OVERIGE BOUWWERKEN     2,5 m   
 
GEZAMENLIJKE OPPERVLAKTE PER WONING  30 m2 *)  
 
PAARDENBAKKEN1200 m2   
*) de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken tezamen, mag hierbij maximaal 90 m2 bedragen. De toegestane paardenbakken maken geen deel uit van deze berekening.
 
4.2.3 Herbouw
Herbouw van bestaande woningen is, voor zover het de situering van de woning betreft, uitsluitend toegestaan indien en voor zover:
a. de herbouw grotendeels plaatsvindt op de (voor zover aanwezig) bestaande fundamenten;
b. de voorgevel van de te herbouwen woning wordt geplaatst in de (voormalige) voorgevelrooilijn;
c. de herbouw voorziet in vrijstaande woningen;
d. het aantal woningen na herbouw niet toeneemt;
e. het bepaalde in artikel 4.2.2 wordt in acht genomen;
f. geen onevenredige afbreuk wordt toegebracht aan het te beschermen beeldbepalende pand. Dienaangaande wordt advies ingewonnen bij de gemeentelijke monumentencommissie.
 
4.3 Afwijken van de bouwregels
4.3.1 Herbouw en vergroting woning buiten bestaande fundamenten en bouwvlak
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken middels omgevingsvergunning van het bepaalde in 4.2.1. onder c, 4.2.3. onder a. en/of b. en/of c. teneinde herbouw en/of vergroting (tot maximaal 750m3) van bestaande woningen op hetzelfde perceel als de te slopen woning te kunnen toestaan buiten de bestaande fundamenten en het bestaande bouwvlak en de voorgevel te kunnen plaatsen buiten de (voormalige) voorgevelrooilijn. Een en ander mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.  de nieuwe situering of de vergroting van de woning is bij herbouw of vergroting stedenbouwkundig, verkeerskundig en milieukundig aanvaardbaar;
b.  er dient bij herbouw sprake te zijn van (zekerheidsstelling omtrent de) sloop dan wel uit gebruik nemen van de bestaande woning;
c.  door de herbouw of vergroting wordt het landelijke karakter van het gebied niet onevenredig aangetast;
d.  de nieuwe situering of vergroting van de woning leidt niet tot extra belemmeringen voor de bedrijfsontwikkelingen van de omliggende bedrijven, voortvloeiende uit milieuregelgeving;
e.  het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; dit betekent in ieder geval dat de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen en van het perceel zelf niet onevenredig mogen worden beperkt;
f.  er moet voldaan worden aan de Wet geluidhinder;
g.  voldaan wordt aan de (overige) maatvoeringseisen als opgenomen in 4.2.2.
 
4.3.2 Afwijken bebouwde oppervlakte vrijstaande bijgebouwen
Burgemeester en wethouders kunnen afwijken middels omgevingsvergunning van het bepaalde in 4.2.2. teneinde de toegestane bebouwde oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken te vergroten, mits voormalige bijbehorende bouwwerken worden gesloopt. Hierbij dient aan het volgende te worden voldaan:
a.  maximaal 50% van het gesloopte oppervlak aan legaal opgerichte bebouwing mag als bijgebouw worden teruggebouwd/ blijven bestaan, tot een totaal maximum aan bijgebouwen, zowel aangebouwd als vrijstaand, van 200 m2;
b.  sloop van panden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie 2’ is niet toegestaan;
c.  geen omgevingsvergunning kan worden verleend, indien op deze locatie sloop van bebouwing al heeft plaatsgevonden;
d.  de gesloopte oppervlakte mag slechts eenmaal ten behoeve van nieuwe bebouwing in aanmerking worden genomen.
 
4.4 Specifieke gebruiksregels
4.4.1 Strijdig gebruik
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruiken of laten gebruiken van:
a. gronden en/of opstallen voor het bedrijfsmatig vervaardigen, opslaan, verwerken of herstellen van goederen en het opslaan en be- of verwerken van producten;
b. gronden en/of opstallen voor detailhandel;
c. gronden en/of opstallen voor verblijfsrecreatie;
d. gronden en/of opstallen ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie;
e. bijbehorende bouwwerken als zelfstandige woning.
 
4.4.3 Aan huis verbonden beroep en lichte bedrijvigheid
De uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep en van lichte bedrijvigheid is toegestaan als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn:
a. de omvang van de activiteit mag niet meer bedragen dan 30% voor aan huis verbonden beroepen en 50% voor lichte bedrijvigheid van de vloeroppervlakte van de bebouwing tot een maximum van 60 m²;
b. het gebruik mag geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en mag geen onevenredige toename van de parkeerbehoefte veroorzaken;
c. detailhandel mag alleen plaatsvinden ondergeschikt aan en in direct verband met het aan huis verbonden beroep of de lichte bedrijvigheid;
d. de activiteit dient milieuhygiënisch inpasbaar te zijn in de woonomgeving waarbij geldt dat deze past in categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten (zie bijlage);
e. de woonfunctie dient de hoofdfunctie te blijven;
f. de activiteit wordt uitgeoefend door de bewoner.
 
4.5 Bed & Breakfast
Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen ten behoeve van het gebruik van ruimten binnen de woning en/of bijgebouwen bij de woning voor bed & breakfast-voorzieningen, voor zover dit gebruik ondergeschikt blijft aan de woonfunctie en mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
a.  de voorzieningen worden gerealiseerd binnen de bestaande bebouwing;
b.  het maximaal aantal personen dat logies en ontbijt kan worden geboden is vier;
c.  parkeren vindt plaats op eigen terrein;
d.  er is geen sprake van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
e.  aangetoond is dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen bestaan, waaronder in ieder geval wordt begrepen belemmeringen in verband met geurhinder;
f.  geen afbreuk wordt gedaan aan de belangen van om- en aanwonenden.

Artikel 5 Waarde - Archeologie 3

5.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
 
5.2 Bouwregels
5.2.1 Toegestane bouwwerken
Uitsluitend mogen bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft met een oppervlakte van maximaal 250 m2;
bouwplannen met een grotere oppervlakte kunnen uitsluitend – zonder omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels – worden gebouwd, indien:
a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid, met uitzondering van nieuwe kelders; of
b. gebouwen tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht;
c.  de verstoring van de werkzaamheden niet dieper dan 30cm voor ´Wonen´ en 30cm voor ´Agrarisch´ betreft.
 
5.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
5.4 Afwijken van de bouwregels
5.4.1 Omgevingsvergunning bouwwerken
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.1 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
 
5.4.2 Toetsing archeologische waarden
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager is aangetoond dat er geen sprake is van archeologische waarden ter plaatse dan wel een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
 
5.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1 Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in dit artikel bedoelde gronden de volgende andere werken of werkzaamheden uit te (doen) voeren:
a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
c. bodem verlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
d. omzetten van gras- of akkerland, waarbij grond wordt afgevoerd;
e. het verlagen van het waterpeil;
f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
h. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
i. aanplanten van diepwortelende beplanting;
j. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
k. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
5.5.2 Uitzonderingen vergunningsplicht
Het onder artikel 5.5.1 vervatte verbod geldt niet:
a. voor gronden, gelegen binnen de bouwvlakken;
b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 cm onder het bestaande maaiveld;
c. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 250 m2;
d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van de reguliere agrarische werkzaamheden en onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
f. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een aanlegvergunning of omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
g. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 5.2.1 en artikel 5.4.1.
 
5.5.3 Regels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
5.5.4 Advies archeologisch deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.5.1 wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 4

6.1 Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie 4’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en bescherming van waardevolle verwachte archeologische informatie in de bodem.
 
6.2 Bouwregels
6.2.1 Toegestane bouwwerken
Uitsluitend mogen bouwwerken worden opgericht ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien en voor zover het een bouwplan betreft met een oppervlakte van maximaal 500 m2;
bouwplannen met een grotere oppervlakte kunnen uitsluitend – zonder omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels – worden gebouwd, indien:
a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid, met uitzondering van nieuwe kelders; of
b. gebouwen tot maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht;
c.  de verstoring van de werkzaamheden niet dieper dan 50cm voor ´Wonen´ en 30cm voor ´Agrarisch´ betreft.
 
6.3 Nadere eisen
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn.
De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden.
 
6.4 Afwijken van de bouwregels
6.4.1 Omgevingsvergunning bouwwerken
Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.2.1 voor het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat er geen of nauwelijks waarden aanwezig zijn dan wel dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning voor het bouwen in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
 
6.4.2 Toetsing archeologische waarden
De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager is aangetoond dat er geen sprake is van archeologische waarden ter plaatse dan wel een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
 
6.4.3 Advies archeologisch deskundige
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.4.1, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
 
6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.5.1 Omgevingsvergunningsplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in dit artikel bedoelde gronden de volgende andere werken of werkzaamheden uit te (doen) voeren:
a. het ophogen van de bodem met meer dan 2 m;
b. grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage;
c. bodem verlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist;
d. omzetten van gras- of akkerland, waarbij grond wordt afgevoerd;
e. het verlagen van het waterpeil;
f. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
g. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
h. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;
i. aanplanten van diepwortelende beplanting;
j. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
k. het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
 
6.5.2 Uitzonderingen vergunningsplicht
Het onder artikel 6.5.1 vervatte verbod geldt niet:
a. voor gronden, gelegen binnen de bouwvlakken;
b. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 50 cm onder het bestaande maaiveld;
c. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 500 m2;
d. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
e. indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van de reguliere agrarische werkzaamheden en onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
f. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een aanlegvergunning of omgevingsvergunning in dit kader is verleend;
g. voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 6.2.1 en artikel 6.4.1.
 
6.5.3 Regels omgevingsvergunning
Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden:
a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht;
b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
 
6.5.4 Advies archeologisch deskundige
Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.5.1 wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

Artikel 7 Waarde - Cultuurhistorie 2

7.1 Bestemmingsomschrijving
De voor `Waarde- Cultuurhistorie 2' (object of gebied met een zeer hoge en hoge cultuurhistorische waarde) aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de versterking en ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden.
 
7.2 Bouwregels
7.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen
Naast het bepaalde omtrent het bouwen voor de aldaar voorkomende onderliggende bestemming mag slechts worden gebouwd indien uit een cultuurhistorisch basisonderzoek en de daarop gebaseerde cultuurhistorische beleidskaart blijkt dat de cultuurhistorische waarden niet worden verstoord of vernietigd, met in achtneming van het volgende:
a.  behoud onderhoud en versterken gaat voor vernieuwen en ontwikkelen;
b.  vernieuwen en ontwikkelen geschiedt vanuit en met respect voor de cultuurhistorische waarden. Dat wil zeggen dat de aangeduide gebouwen uitsluitend onder voorwaarden mogen worden vernieuwd, veranderd en/of vergroot volgens de bepalingen van de in lid 1 bedoelde, eveneens op de plankaart voor deze gronden aangegeven, overige bestemmingen, mits hierbij de situering, de bouwmassa, het materiaal- en kleurgebruik, de (bouw-) hoogte, de goothoogte en de dakhelling niet zodanig worden gewijzigd, en/of dat daardoor het karakter van de bestaande gebouwen blijvend onevenredig wordt aangetast.
 
7.2.2 Vergunningverlening
Over het verzoek om een omgevingsvergunning dient de Monumentencommissie of een ander vergelijkbare deskundige commissie (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit) om advies te worden gevraagd.
Burgemeester en Wethouders gaan eerst over tot het verlenen van een schriftelijke omgevingsvergunning als bedoeld in 7.2.1 over, lid 3, indien: uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe en indirecte gevolgen, de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden verstoord.
 
7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.3.1 Werken en werkzaamheden
Het is verboden binnen de dubbelbestemming "Waarde – Cultuurhistorie 2", voor zover de desbetreffende gronden tevens zijn aangewezen voor de bestemmingen Wonen, en voor zover dit niet betreft de agrarische bouwpercelen, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders (Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden):
a.  het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
b.  het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen en paden, en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
c.  het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en watergangen;
d.  het verwijderen van beplanting (laanbeplanting, hakhoutwallen, monumentale bomen, heggen, boomgaarden, leibomen, e.d.).
 
7.3.2 Uitzonderingen
Het in lid 7.3.1 vervatte verbod geldt niet voor:
a.  werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
b.  werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
c.  werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
d.  werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
e.  werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door Burgemeester en Wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen aanlegvergunning wordt vereist.
f.  De vergunning genoemd onder a kan in bepaalde gevallen slechts worden verleend indien uit een (ruimtelijk) cultuur-/bouwhistorisch projectonderzoek blijkt, dat de cultuurhistorische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord, casu quo worden behouden, versterkt en/of ontwikkeld.
 
7.3.3 Vergunningverlening
Over het verzoek om omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden dient de Monumentencommissie of een ander vergelijkbare deskundige commissie (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit) om advies te worden gevraagd.
Burgemeester en Wethouders gaan eerst over tot het verlenen van een schriftelijke vergunning (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden), als bedoeld in 7.3.1 over, indien: uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe en indirecte gevolgen, de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden verstoord.
 
7.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
7.4.1 Omgevingsvergunning
a.  Het is verboden om op de gronden met de dubbelbestemming `Waarde-Cultuurhistorie 2', de op de cultuurhistorische beleidskaart aangeduide cultuurhistorisch waardevolle objecten geheel of gedeeltelijk te wijzigen of te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van Burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk); het aantasten of vernietigen van cultuurhistorische elementen van als "karakteristiek gebouw" aangeduide waardevolle bouwwerken wordt gelijkgesteld met het geheel of gedeeltelijk wijzigen / slopen van bouwwerken.
b.  Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor het geheel of gedeeltelijk wijzigen / slopen van een op de cultuurhistorische beleidskaart aangeduid cultuurhistorisch waardevol object dient een bouwhistorisch onderzoek te worden overgelegd.
c.  Over het verzoek om omgevingsvergunning dient de Monumentencommissie om advies te worden gevraagd.

7.4.2 Uitzonderingen
Het in lid 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op wijzigings/ sloopwerkzaamheden:
a.  welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerking treden van dit bestemmingsplan
b.  waarvoor ten tijde van het inwerking treden van dit bestemmingsplan reeds een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk is verleend;
c.  welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend.
 
7.4.3 Vergunningverlening
De omgevingsvergunning kan worden verleend indien:
a.  indien uit een cultuur-/bouwhistorisch onderzoek blijkt, dat de cultuurhistorische waarden niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord, maar worden behouden, versterkt en/of ontwikkeld;
b.  indien uit een onderzoek als genoemd onder sub a blijkt dat de aanwezige waarden worden verstoord dan wel vernietigd:
1.  wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die binnen de karakteristiek als gebleken uit het cultuurhistorische basisonderzoek passen
2.  documentatie plaats vindt van de te slopen waarden;
3.  voor historische materiële relicten een duurzaam toekomstperspectief ex situ wordt gewaarborgd. (op advies van de Monumentencommissie)
 
7.5 Wijzigingsbevoegdheid
7.5.1
Burgemeester en wethouders kunnen de verbeelding van het plan zodanig wijzigen dat het bestemmingsvlak:
a.  naar ligging wordt verschoven, dan wel
b.  naar omvang wordt vergroot of verkleind, dan wel
c.  van de plankaart wordt verwijderd.
 
7.5.2
 Alvorens de wijzigingen als bedoeld onder lid 7.5.1 worden uitgevoerd, wordt advies ingewonnen bij de Monumentencommissie of een ander vergelijkbare deskundige commissie (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit).

3 Algemene regels

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

9.1 Afwijkende maatvoering
Bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die zijn opgericht in overeenstemming met de Woningwet, maar in afwijking van dit bestemmingsplan, zijn toegestaan.
 
9.2 Hydrologisch neutraal ontwikkelen
Uitbreidingen van verhard oppervlak vinden plaats volgens het principe van hydrologisch neutraal ontwikkelen. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt in dat de ontwikkeling geen hydrologische achteruitgang ten opzichte van de referentiesituatie tot gevolg heeft. Om de aard en omvang van de benodigde maatregelen vast te stellen, dient advies te worden ingewonnen bij Waterschap De Dommel.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

10.1 Wijziging ten behoeve van natuurontwikkeling
Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming van de gronden wijzigen in de bestemming "Bos", dan wel "Natuur" ten behoeve van natuurontwikkeling, waaronder de ontwikkeling van een ecologische verbindingszone. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden:
a.  overdracht of aankoop van gronden ten behoeve van de natuurvorming geschiedt op basis van vrijwilligheid;
b.  wijziging vindt pas plaats nadat de overdracht of aankoop in voldoende mate verzekerd is of al heeft plaatsgevonden;
c.  wijziging vindt pas plaats nadat verzekerd is dat een aaneengesloten natuurgebied van voldoende omvang en zodanige begrenzing kan ontstaan dat de aangrenzende/omringende gronden, met een blijvende agrarische bodemexploitatie, doelmatig als zodanig geëxploiteerd kunnen blijven worden;
d.  de regels van de bestemming "Bos", respectievelijk "Natuur" worden van toepassing verklaard.

Artikel 11 Algemene procedureregels

Bij het verlenen van ontheffingen overeenkomstig een in dit plan opgenomen ontheffingsbepaling en het stellen van nadere eisen ingevolge een in dit plan opgenomen bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht:
a.  het ontwerpbesluit strekkende tot ontheffing/ nadere eisen ligt gedurende 4 weken ter inzage;
b.  de terinzagelegging wordt tevoren bekend gemaakt in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, die in de gemeente verspreid worden en voorts op de in de gemeente gebruikelijke wijze;
c.  de bekendmaking houdt mededeling in van de bevoegdheid van belanghebbenden om gedurende de termijn van terinzagelegging schriftelijk zienswijzen tegen het ontwerpbesluit kenbaar te maken bij burgemeester en wethouders; het kenbaar maken van zienswijzen kan via elektronische weg geschieden;
d.  burgemeester en wethouders delen aan hen die hun zienswijze kenbaar hebben gemaakt, de beslissing daaromtrent mede.

Artikel 12 Overige regels

12.1 Algemene nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van nieuw op te richten bebouwing op een perceel, waarop een gemeentelijk monument, rijksmonument dan wel beeldbepalend pand aanwezig is, teneinde te voorkomen dat de cultuurhistorische waarde van het betreffende pand onevenredig wordt aangetast.

4 Overgangs- en slotregels

Artikel 13 Overgangsrecht

13.1 Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%;
c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
 
13.2 Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 14 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als de regels van het bestemmingsplan ‘Schoordijk 5-5a te Budel’ van de gemeente Cranendonck