direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Landgoed Het Oosterveld Deurningen - Rood voor Rood
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Het voorliggende plan heeft betrekking op Landgoed Het Oosterveld, gelegen in Deurningen. Het landgoed wordt aan de oostzijde begrensd door de grens van de voormalige Vliegbasis Twente en aan de westzijde door de spoorlijn Hengelo-Oldenzaal. Het landgoed is ca. 100 hectare groot en bestaat voor een belangrijk deel uit bos- en natuurterrein. Een deel van het landgoed bestaat uit landbouwgrond.

Initiatiefnemer is eigenaar van het landgoed en is voornemens de schuren aan de Knollenveldweg en de voormalige woning aan de Sniedersveldweg middels de rood voor rood-regeling van de gemeente Dinkelland te slopen. De schuren aan de Knollenveldweg zijn in het verleden gebruikt voor het agrarisch bedrijf van de eigenaar. Het betreft een werktuigenberging en een stierenstal. De stierenstal had een dakbedekking van asbest. Omdat de schuur bouwvallig werd, is in 2010 besloten de dakbedekking te verwijderen om verspreiding van het asbest in de omgeving te voorkomen. De te slopen opstallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van 1.024 m². In ruil voor afbraak van de gebouwen en investeringen in ruimtelijke kwaliteit wordt geopteerd voor de nieuwbouw van één compensatiewoning.

De gemeente Dinkelland is in principe bereid om mee te werken aan een rood-voor-rood project waarbij één woning wordt gerealiseerd, in haar brief van 4 september 2013 is de principemedewerking door de gemeente kenbaar gemaakt. Het voorliggend plan is opgesteld om het voornemen in planologisch-juridisch opzicht mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied is gelegen op Landgoed Het Oosterveld dat is gelegen binnen de gemeente Dinkelland in de nabijheid van de plaatsen Deurningen, Hengelo en Enschede. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Weerselo, sectie M, nummers 2930, 3726 en 3729. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0001.png"

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: opentopo.nl)

De begrenzing van het plangebied is gerelateerd aan de sloop- en herbouwlocatie op landgoed Het Oosterveld. Tevens is er sprake van compenstatie voor het ontrekken van de bouwlocatie aan NNN. De situering van deze locaties is in bovenstaande afbeelding globaal omcirkeld. Zie de verbeelding voor de exacte begrenzing van het plangebied.

1.3 Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is grotendeels gelegen in het 'Bestemmingsplan Buitengebied 2010', dat op 18 februari 2010 is vastgesteld door de raad van Dinkelland. In dit bestemmingsplan is vrijwel het hele landgoed, met uitzondering van de villa en het omliggende park, bestemd als 'Bos en Natuur'. Het erf waar gesloopt wordt heeft naast de bestemming 'Bos en Natuur', de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch-veldschuur”.

Tevens is het bestemmingsplan 'Voormalige VliegbasisTwenthe - zones (Dinkelland) op het plangebied geprojecteerd. Dit plan bevindt zich momenteel in de ontwerpfase. Het plangebied is hierin gelegen binnen de gebiedsaanduidingen 'geluidszone - industrie' en deels 'overige zone - vervallen zone'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0002.png"

Figuur 1.2: uitsnede geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De slooplocatie aan de Sniedersveldweg ligt binnen het bestemmingsplan 'buitengebied Weerselo 1989' van de voormalig gemeente Weerselo. Binnen dit bestemmingsplan is aan de locatie de bestemming 'agrarisch met landschapswaarden' toegekend. De aanwezige bebouwing is hierbij niet specifiek aangeduid of bestemd. Zodoende is een partiële bestemmingsplanherziening als gevolg van de sloop van de bebouwing ter plaatse niet noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0003.png"

Figuur 1.3: uitsnede geldende bestemmingsplan 'buitengebied Weerselo 1989'

Het geldende bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden om met behulp van het saneren van opstallen op Landgoed Het Oosterveld één compensatiewoning mogelijk te maken. Een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan is noodzakelijk.

1.4 De bij het plan behorende stukken

Het onderhavige bestemmingsplan 'Landgoed Het Oosterveld Deurningen - Rood voor Rood' bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken.

  • Verbeelding, schaal 1:1000 (tek. nr. NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01)
  • Bijlagen bij de toelichting
  • Regels
  • Bijlagen bij de regels

1.5 Leeswijzer

De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht.

Hoofdstuk 2 Het plan

2.1 Beschrijving huidige situatie

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis

Het grootste gedeelte van het landgoed Het Oosterveld was in het begin van de 20e nog ongerept en bestond uit ‘woeste gronden’ – open heide met drassige stukken. Toen in de omgeving van Enschede de woeste gronden verkocht werden, zag menig textielfabrikant de kans om de heidevelden te ontginnen en een buitenplaats of landgoed te realiseren. Zodoende zijn de heidevelden ‘het Knollenveld’ en ‘het Oosterveld’ ontgonnen. Het overige gedeelte van het Oosterveld, de noordkant, bevindt zich op cultuurhistorische kampgronden. Tezamen vormen de ontgonnen heidevelden en de kampgronden landgoed het Oosterveld.

Het landgoed is ontworpen door de bekende Twentse landschapsarchitect P.H.Wattez. Hij maakt in de periode 1925-1928 een ontwerp voor het park en boscomplex, waarna ze direct werden aangelegd. De ‘architectonische tuinstijl’ is in deze periode in volle gang en diverse elementen van deze stijl zijn aan te treffen in het parkontwerp van Wattez. Het ontwerp van het boscomplex is typerend voor bossen aangelegd op de pas ontgonnen heidevelden in dit gebied. Tegelijkertijd met de aanleg van het park en het boscomplex wordt de boswachterswoning, gelegen aan de Oude Postweg, gebouwd. Het landhuis ‘Huize Oosterveld’ wordt, als gevolg van de economische crisis in de jaren dertig, pas later gebouwd.

In de periode 1940-1945 maakte een deel van het landgoed onderdeel uit van het militaire vliegveld. De precieze omvang en structuur van het vliegveld is niet bekend. Maar, door te kijken naar de locatie van relicten vanuit de oorlog – bijvoorbeeld bunkers – kunnen we wel vaststellen dat het vliegveld zich direct aan de oostkant van het park bevond, op gronden die nu tussen het park en het terrein van vliegveld Twente liggen. Tijdens de oorlog bevinden zich op het landgoed een commandocentrum en twee bunkers. In dit gebied ligt bovendien veel munitie in de grond.

Het gedeelte van de militaire gronden dat net aan het oostkant van het park lag – het beboste gedeelte – lijkt, met uitzondering van het meer, onveranderd te zijn. De drie bunkers worden opgenomen in het bos en zijn overwoekerd. Daarentegen heeft de landschappelijke structuur van de voormalige militaire gronden aan de rand van het landgoed in de laatste helft van de 20e eeuw opmerkelijke veranderingen doorgestaan. Twee zandpaden raken verloren en er wordt een perceel bebost. De grond van het voormalige zandpad die in zuidelijke richting vanaf het commandocentrum liep, wordt niet bij de bebossing betrokken. Hierdoor ontstaat een brede, doodlopende strook grasland middenin het bos. De twee bunkers heeft men laten ontploffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0004.png"

Figuur 2.1: kenmerken van het landschap rondom de slooplocatie (bron: bureau Takkenkamp)

Het commandocentrum wordt tot stierenstal verbouwd, en twee kleinere schuren worden erbij gebouwd. Vanuit deze locatie is een landbouwbedrijf gerund, er is nooit een woning bij deze schuren komen te staan. In jaren ’80 zijn de agrarische activiteiten beëindigd en de schuren raken vervallen. Deze locatie vormt één van de slooplocaties in het kader van de Rood voor Rood regeling.

2.1.2 Actuele situatie

De actuele situatie op Landgoed Het Oosterveld bestaat met name uit bos en natuurgronden, afgewisseld met meer open percelen. De voormalige stierenschuur - welke in onderhavig plan wordt ingebracht als slooplocatie - ligt solitair in het landschap en is zodoende betiteld als veldschuur. In onderstaande afbeelding is een recente luchtfoto van de locatie weergegeven, hierin zijn een aantal locaties aangeduid.

  • A. beoogde herbouwlocatie compensatiewoning;
  • B. voormalige (te slopen) stierenschuur;
  • C. voormalige (te slopen) woning.

Op het perceel aan Knollerveldweg 1a te Deurningen staat de voormalige stierenstal die reeds voor een groot deel is afgebroken vanwege de aanwezigheid van asbest. Daarnaast staat iets verderop, nabij de Sniedersveldweg, een voormalige woning die ook gesloopt zal worden in het kader van dit rood voor rood plan. In totaal is ongeveer 1.024 m² aan landschapontsierende bebouwing aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0005.png"

Figuur 2.2: luchtfoto huidige situatie Landgoed Het Oosterveld (bron: Atlas van Overijssel)

Deze drie locaties zijn met name van belang in het Rood voor Rood voornemen. In onderhavig bestemmingsplan zijn enkel de locaties A en B opgenomen, aangezien voor de slooplocatie C geen bestemmingsplanwijziging noodzakelijk is. Zoals te zien is zijn de locaties gelegen in bosrijk gebied.

2.2 Toekomstige situatie

In het kader van de Rood voor Rood regeling wordt er op en nabij Landgoed Het Oosterveld te Deurningen voormalig agarische opstallen en woonbebouwing gesloopt, waarvoor een nieuw woonerf gerealiseerd mag worden. Uit terreinbezoek is gebleken dat de slooplocatie op het landgoed een zwakke landschappelijke relatie heeft met de omgeving en geen prettige woonomgeving is. Daarbij is in de landschappelijke onderbouwing gesteld dat de slooplocatie niet de meest geschikte bouwlocatie is, zoals gewoonlijk wel de herbouwlocatie is bij de Rood voor Rood regeling. In dit rapport wordt de beslissing onderbouwd voor een alternatieve bouwlocatie, de rapportage is bijgevoegd in Bijlage 1.

De herbouwlocatie wordt naar aanleiding van de landschappelijke onderbouwing gerealiseerd nabij het aanwezige meer op Landgoed Het Oosterveld. Deze locatie doet bij realisatie van een woonerf geen afbreuk aan de landschappelijke elementen op het landgoed. De nieuwe woning kan er gerealiseerd worden zonder dat daarvoor een stuk bos gekapt hoeft te worden. Bovendien loopt er reeds een bospad naar een open plek waar de woning gerealiseerd moet worden. Onderstaand is een overzicht van het landgoed gegeven, met nummering zijn de diverse van belang zijnde locaties op het landgoed weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0006.png"

Figuur 2.3: Toekomstige situatie Landgoed Het Oosterveld (bron: Bureau Takkenkamp)

Zoals zichtbaar in bovenstaande afbeelding wordt de compensatiewoning beoogd aan de oostzijde van het meer (aangegeven met 1). Onderstaand is nader ingezoomd op deze locatie en is een nadere toelichting verschaft met betrekking tot de inrichting van het erf.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0007.png"

Figuur 2.4: ingezoomde situatieschets nabij meer (bron: Bureau Takkenkamp)

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het een aantal ruimtelijke doelen en uitspraken in onder andere de Agenda Landschap en de Agenda Vitaal Platteland. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

In de SVIR heeft het Rijk drie rijksdoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor de drie rijksdoelen worden de 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd. Hiermee geeft het Rijk aan waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

De drie hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid kennen nationale opgaven die regionaal neerslaan. Opgaven van nationaal belang in Oost-Nederland (de provincies Gelderland en Overijssel) zijn:

  • Het waar nodig verbeteren van de internationale achterlandverbindingen (weg, spoor en vaarwegen) die door Oost Nederland lopen. Dit onder andere ten behoeve van de mainports Rotterdam en Schiphol;
  • Het formuleren van een integrale strategie voor het totale rivierengebied van Maas en Rijntakken (Waal, Nederrijn, Lek en de IJssel, deelprogramma rivieren van het Deltaprogramma) en de IJsselvechtdelta (deelprogramma's zoetwater en rivieren) voor waterveiligheid in combinatie met bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuur, economische ontwikkeling en woningbouw;
  • Het tot stand brengen en beschermen van de (herijkte) EHS, inclusief de Natura 2000 gebieden (zoals de Veluwe);
  • Het robuust en compleet maken van het hoofdenergienetwerk (380 kV), onder andere door het aanwijzen van het tracé voor aansluiting op het Duitse hoogspanningsnet.

Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit deze Structuurvisie heeft het Rijk op basis van de Wet ruimtelijke ordening, twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Deze twee besluiten zijn verschillend van elkaar in aard (beleidsmatig versus procesmatig):

  • Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk beleid te borgen.
  • Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het Bro stelt vanuit de rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij verschillende overheden.

Conclusie

Voorliggend bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de nationale belangen zoals deze benoemd zijn in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Derhalve wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruime is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid). Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Per 1 juli 2017 kent het Besluit ruimtelijke ordening een aangepaste regeling voor de toepassing van de ladder.

Daarbij zijn kortgezegd de volgende uitgangspunten van belang:

  • De huidige definities worden niet gewijzigd. De uitgezette lijn in de jurisprudentie blijft hiermee in stand.
  • De begrippen 'actuele' en 'regionale' zijn geschrapt.
  • De nieuwe Ladder bevat geen treden meer. De treden 1 en 2 zijn samengevoegd en trede 3 is geschrapt.
  • Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt een uitgebreide motiveringsplicht.
  • Er is een nieuw artikellid toegevoegd voor de Laddertoets bij uitwerkings- en wijzigingsplannen. De Laddertoets kan dan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt wordt vergezeld door een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

De toetsing aan de ladder schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling.

Onderhavig plan

Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor kleinschalige ontwikkelingen.

De compensatiewoning wordt gerealiseerd op een bestaand landgoed. In ruil daarvoor wordt landschapsontsierende bebouwing gesloopt, waardoor op dit landgoed sprake is van een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt elders bebouwd gebied (voormalige schuur en woning) gesaneerd, waardoor deze bebouwing verdwijnt uit het gebied.

Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. Uit de uitspraken (ECLI:RVS:2013:2471 & ECLI:NL:RVS:2014:4720) blijkt namelijk dat de ontwikkeling van respectievelijk drie en acht woningen niet wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid Bro. Onderhavig plan betreft de realisatie van één woning en is daarmee nog kleinschaliger. Een toetsing aan de ladder van duurzame verstedelijking is daarom niet van noodzakelijk voor het voorliggende plan.

3.2 Provinciaal beleid Overijssel

3.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie Overijssel 2017 geeft de provinciale visie op de fysieke leefomgeving van Overijssel weer. Hierin worden onderwerpen als ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en vervoer, ondergrond en natuur in samenhang voor een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving. De Omgevingsvisie is onder andere een structuurvisie onder de Wet ruimtelijke ordening. De Omgevingsvisie is op 12 april 2017 vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking getreden.

Duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit zijn de leidende principes of 'rode draden' bij alle initiatieven in de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel.

De ambities in het kader van duurzaamheid zijn: klimaatbestendigheid, het realiseren van een duurzame energiehuishouding, het sluiten van kringlopen (circulaire economie) en het beter benutten van ruimte, bestaande bebouwing en infrastructuur.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit wordt ingezet op het vergroten van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is daarbij van belang, waarbij een vitaal en samenhangend stelsel van gebieden met een hoge natuur- en waterkwaliteit wordt ontwikkeld. Ook de ontwikkeling van een continu en beleefbaar watersysteem, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en het contrast tussen dynamische en luwe gebieden versterken, zijn ambities op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Het zorgvuldig inpassen van nieuwe initiatieven heeft als doel om de samenhang in en de identiteit van een gebied te versterken en nieuwe kwaliteiten te laten ontstaan. Een zichtbaar en beleefbaar landschap en het behouden en waar mogelijk verbreden van het bestaande aanbod aan woon-, werk- en mixmilieu's betreffen ruimtelijke kwaliteitsambities.

De ambitie van de provincie Overijssel is dat elk project bijdraagt aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving en dat nieuwe initiatieven worden verbonden met bestaande kwaliteiten. De Catalogus Gebiedskenmerken, die per gebiedstype beschrijft welke kwaliteiten behouden, versterkt en ontwikkeld moeten worden, is daarbij een instrument om te sturen op ruimtelijke kwaliteit. Ten aanzien van sociale kwaliteit is het koesteren en het gebruik maken van 'noaberschap' de ambitie, evenals het stimuleren van culturele identiteit van de provincie Overijssel, zowel lokaal als regionaal. Duurzame ontwikkeling van cultureel erfgoed (bijv. herbestemmen/hergebruik monumenten en karakteristieke bebouwing) hoort hier bij. Het realiseren van sociale kwaliteit wordt gedaan door het actief betrekken van bewoners bij projecten en het bieden van ruimte aan initiatieven van onderop.

3.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel 2017. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes;
  • ontwikkelingsperspectieven;
  • gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase de zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Deze komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied en herstructurering worden benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden.

Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, NNN en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend.

Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.

Gebiedskenmerken 

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en lust- en leisurelaag) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0008.png"

Figuur 3.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel 2017 (Bron: Provincie Overijssel)

Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten Omgevingsvisie Overijssel 2017

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Of een ontwikkeling nodig of mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Hierbij is onder andere het principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik van belang die er voor staat dat in eerste instantie bestaande bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding plaatsvindt.

Tevens van belang in voorliggend geval is het feit dat de locatie is gelegen binnen gebied dat is aangewezen als Nationaal Natuurnetwerk Nederland. De omgevingsverordening van de provincie Overijssel geeft in artikel 2.7.3 lid 4 aan dat bestemmingsplannen die betrekking hebben op gebieden die zijn aangeduid als NNN (voorheen EHS), geen bestemmingen aanwijzen of geen regels stellen die activiteiten mogelijk maken die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.

De gemeenteraad is bevoegd om bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor relatief kleinschalige ontwikkelingen binnen het NNN (voorheen EHS) af te wijken van het beschermingsregime zoals bovenstaand benoemd mits is aangetoond en verzekerd dat deze wijziging:

  • a. de wezenlijke kenmerken en waarden slechts in beperkte mate aantast;
  • b. per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN (voorheen EHS), of een vergroting van de oppervlakte van het NNN (voorheen EHS);
  • c. plaatsvindt na een zorgvuldige afweging van alternatieve locaties.

In onderhavig geval gaat het meer specifiek om NNN-gebied behorend bij landgoed Het Oosterveld. Het realiseren van de woning op de beoogde locatie nabij het meer op landgoed Het Oosterveld zorgt voor de minst mogelijke aantasting van de kenmerken en waarden ter plaatse. Het toekomstige woonperceel is daarbij dusdanig omsloten door bos en water, dat het nauwelijks in het zicht valt en daarmee niet leidt tot landschapsontsiering. Deze locatie nabij het meer is daarbij reeds bereikbaar via een toegangspad op het landgoed. Er hoeft geen nieuwe ontsluiting te worden aangelegd. Daarnaast betreft deze bouwlocatie momenteel reeds een nagenoeg open plek in de bosrijke omgeving. Hiermee heeft het realiseren van bebouwing op deze locatie de minst mogelijke impact op de omgeving. Het verwijderen van NNN op de bouwlocatie wordt gecompenseerd door elders op het landgoed een oppervlakte van circa 3.000 m² aan te wijzen als NNN. Het voorstel hiervoor is opgenomen in Bijlage 2 en is verwerkt in het bestemmingsplan. Daarnaast wordt ter compensatie van het rood voor rood voornemen bovendien fors geinvesteerd in het omliggende landschap. Hieruit worden investeringen bekostigd in het landschapsbeheer en wordt landschapsontsierende bebouwing gesaneerd. Per saldo draagt het voornemen daarmee bij aan een versterking van de aanwezige waarden en kenmerken op het landgoed. De locatiekeuze van de beoogde woning komt ten slotte voort uit een grondige landschapsanalyse van de omgeving, waarbij diverse alternatieven zijn afgewogen, vanuit het oogpunt van cultuurhistorie en een geschikt woon- en leefklimaat. Deze complete analyse is uitgewerkt in de rood voor rood rapportage in Bijlage 1.

De bestaande (voormalig agrarische en woon) bebouwing op en nabij Landgoed het Oosterveld in Deurningen heeft geen toekomstperspectief en raakt in verval. Om te voorkomen dat de bebouwing in verder verval treedt en de ruimtelijke kwaliteit verslechterd c.q. een ongewenste situatie ontstaat, wordt ervoor gekozen de bebouwing te saneren. In het kader van rood voor rood mag er één compensatiewoning gerealiseerd worden. Het voornemen draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik, vindt plaats binnen een extensiveringsgebied en zorgt ervoor dat voormalige agrarische bebouwing en woonbebouwing wordt gesloopt. In ruil hiervoor mag een woonfunctie worden opgericht en wordt er geinvesteerd in de ruimtelijke kwaliteit. Het voornemen is daarmee verder passend binnen de generieke beleidskeuzes.

Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. In dit geval zijn uitsluitend de ontwikkelingsperspectieven voor de landelijke van belang. In figuur 3.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0009.png"

Figuur 3.2: Fragment ontwikkelingsperspectievenkaart, Omgevingsvisie Overijssel, de locatie is omlijnd (bron: Atlas van Overijssel)

Zoals in paragraaf 2.2 reeds verwoord komt de compensatiewoning in het kader van rood voor rood aan de oostelijke zijde van het meer op Landgoed Het Oosterveld. Deze locatie ligt binnen het ontwikkelingsperspectief 'Natuurnetwerk Nederland (NNN) voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)'.

Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) staan in Overijssel de kwaliteitsambities Natuur als ruggengraat en Continu en Beleefbaar watersysteem voorop. Behoud en versterking van de natuurkwaliteit staat centraal binnen de bestaande natuur van het natuurnetwerk.

Binnen de gebieden waar de komende jaren natuurrealisatie plaatsvindt, is medegebruik mogelijk. Voorwaarde is wel dat initiatieven actief bijdragen aan realisatie van het robuuste en samenhangende netwerk van gebieden met natuur-, water- en landschappelijke kwaliteit.

Het onderhavig plan voorziet in de realisatie van een woonfunctie op Landgoed Het Oosterveld. Het landgoed is voor het overgrote deel aangemerkt als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, zo ook de locatie waar de compensatiewoning beoogd is. Met behulp van het voornemen wordt elders op en nabij het landgoed landschapsontsierende bebouwing gesaneerd, zodat deze gronden teruggegeven worden aan het landschap. Er vinden verder forse investeringen op het landgoed plaats, welke bijdragen aan instandhouding van het landgoed en het landschap. De locatie waar de compensatiekavel beoogd is, betreft een open plek nabij het meer, alwaar eveneens een versterking van het landschap beoogd wordt. Het voornemen is samen met het ruimtelijk kwaliteitsteam van de gemeente Dinkelland besproken, waarin geconcludeerd is dat de herbouwlocatie aan het meer vanuit landschap bezien de meest postieve uitwerking heeft. Het voornemen zorgt hiermee voor een forse kwaliteitsverbetering en instandhouding van de landschapsstructuur op Landgoed Het Oosterveld.

De plannen van initiatiefnemer doen geen afbreuk aan het eigen karakter van het gebied, door middel van de investeringen wordt bovendien beoogd dit natuurlijke en landschappelijke karakter te herstellen. Het voornemen draagt daarmee bij aan een invulling van het ontwikkelingsperspectief 'Natuurnetwerk Nederland (NNN)' en levert geen extra belemmeringen op voor aanwezige functies en waarden in de omgeving.

Gebiedskenmerken

Natuurlijke laag

De natuurlijke laag geeft aan het gebied het kenmerk 'dekzandvlakte en ruggen'

In deze gebieden is er afwisseling van opgewaaide ruggen en uitgesleten beekdalen. De daarbij horende hoogteverschillen kenmerken de dekzandvlaktes van Overijssel. In het geval dat er ontwikkelingen plaats vinden, dan moeten deze bijdragen aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem.

Het onderhavig plan betreft de sloop van (agrarische) opstallen en een voormalige woning. De compensatiekavel wordt gesitueerd nabij het meer op Landgoed Het Oosterveld. Hierbij wordt er fors geïnvesteerd op het landgoed. Het meer wordt ontdaan van ondergroei, waardoor het wederom meer beleefbaar in het landschap gesitueerd wordt. Bovendien worden paden herstelt en begroeiing opgesnoeid. Gezamenlijk moeten deze investeringe in de ruimtelijke kwaliteit bijdragen aan het beleefbaar maken van de landschappelijke structuur op het landgoed. Bovendien worden de aanwezige waterstructuren weer zichtbaar gemaakt. Geconcludeerd wordt dan ook dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

Laag van het agrarisch cultuurlandschap

De laag van het agrarisch cultuurlandschap kent het kenmerk 'Jonge heide- en broekontginngingslandschap' aan het gebied toe.

Kenmerkend voor het jonge heide- en broekontginningslandschap waren oorspronkelijk de grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden. Deze waren functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemestte plaggen dienden als structuur verbeteraar en bemesting voor de akker gronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Vanaf 1750 zijn vanuit de landgoederen en buitens ook veel van de voormalige heidegronden voor de jacht en houtproductie bebost.

De ontwikkeling van een Rood voor Rood woning in het onderhavig plan doet geen afbreuk aan de kenmerken van het jonge heide- en broekontginningslandschap. Met het voornemen wordt het Landgoed Het Oosterveld qua landschappelijke structuur versterkt en waar nodig herstelt. Door de landschappelijke inpassing wordt recht gedaan aan de bestaande structuren en opbouw van het landschap. Het onderhavig plan is daarmee passend binnen het gebiedskenmerk.

Stedelijke laag

De 'Stedelijke laag' heeft binnen het plangebied geen specifieke kenmerken en blijft daarom verder buiten beschouwing.

Laag van de beleving

De laag van de beleving geeft voor het plangebied het gebiedskenmerk 'Landgoederen en buitenplaatsen' aan.

De ambitie is het in stand houden en herstel van bestaande landgoederen. De groene raamwerken, de parkbossen, de tuinen, open ruimtes met solitaire bomen worden daarbij als deel van het culturele erfgoed beschouwd. Ze bieden ruimte voor nieuwe functionele toevoegingen, zoals recreatieve functies, publieke voorzieningen, eventueel woningen, als deze de kwaliteit versterken. Bij dit alles mag een natuurgericht beheer niet ten koste gaan van monumentaliteit en het behoud van het erfgoed.

De ambitie is de kwaliteiten van gebieden waar veel landgoederen bij elkaar zitten te versterken en verder uit te bouwen. Dit vooral door op eigentijdse wijze voort te bouwen op de kwaliteiten en landgoedtradities en landgoederen te verbinden door een samenhangende lanen-, wegen- en padenstructuur.

Met het onderhavig plan wordt invulling gegeven aan de instandhouding van het bestaande Landgoed Het Oosterveld. Bovendien wordt landschapsontsierende bebouwing op en nabij het landgoed gesaneerd en worden investeringen verricht in de landschapsstructuur. Het voornemen draagt bij aan behoud en herstel van het landschap conform de sturingrichting behorend bij het gebiedskenmerk 'Landgoederen en buitenplaatsen', in ruil hiervoor wordt een compensatiewoning gerealiseerd. De balans tussen kwaliteit van het landgoed met de 'verdichting' door het toevoegen van een woning wordt bewaakt door deelname aan de Rood voor Rood regeling. Er wordt dan ook een geruime hoeveelheid bebouwing gesloopt.

Conclusie  

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende bestemmingsplan besloten planologische wijziging volledig in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Dinkelland

De gemeente Dinkelland heeft op grond van artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening een structuurvisie vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente (10 september 2013). De visie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van dat gebied en de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.

De gemeente Dinkelland profileert zich als een agrarische en toeristische gemeente. Deze twee componenten zijn dan ook grote dragers van de Dinkellandse economie. Het beleid wordt gericht op het versterken van dit economische profiel. Dinkelland kiest voor een regisserende en faciliterende rol in het borgen en bevorderen van een gezond en maatschappelijk verantwoord economisch leven in de gemeente. Realisering van compenserende werkgelegenheid voor de teruglopende agrarische sector en de bevordering van de economische betekenis van de toeristisch-recreatieve sector zijn hoofdkeuzes van beleid.

Kenmerkend voor de gemeente Dinkelland is het unieke landschap dat is aan te merken als een kleinschalig samenhangend complex van beken, essen, kampen en moderne ontginningen. De gemeente heeft een gezonde economie die ten dele drijft op de agrarische en toeristische sector maar waarin ook zeker andere bedrijvigheid, die zowel in de kernen als het buitengebied is gevestigd, een belangrijke rol speelt. Dinkelland staat voor het duurzaam borgen en ontwikkelen van deze unieke combinatie van levende en sociaal coherente gemeenschappen, ligging en landschap, rijk historisch bezit en een gezonde weerbare economie. Voor de ruimtelijke ontwikkeling van het buitengebied betekent dit dat Dinkelland staat voor:

  • een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het grondgebied, met respect voor het natuurlijke en culturele erfgoed;
  • goede condities voor een goed functionerende economische sector, passend bij het karakter van Dinkelland, met bijzondere aandacht voor de agrarische sector en de toeristisch recreatieve sector.

Toets 

Vanuit het gemeentelijk beleid moet bijgedragen worden aan het realiseren van nieuwe economische dragers en ruimte bieden voor een verbreding van bestaande economische dragers in het landelijk gebied. Het gemeentelijk beleid heeft een sociaal-economisch hoofddoel. Daarnaast dient het ter voorkoming van verval en verkrotting van agrarische (en overige) gebouwen in het landelijk gebied. De verruiming van de mogelijkheden mag in elk geval niet leiden tot afbreuk van de ruimtelijke kwaliteit. Eén van de regelingen die hiervoor in het leven is geroepen is de ' Rood voor rood' regeling. Dit betreft een apart beleidskader dat hierna zal worden behandeld.

Met het voorliggende Rood-voor-rood plan wordt op een positieve bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse van Landgoed Het Oosterveld in Deurningen. De hoeveelheid leegstaand voormalige (agrarische en woon) gebouwen wordt verminderd en tegelijkertijd wordt er op het bestaande landgoed geïnvesteerd in de ontwikkeling en herstel van de landschapsstructuur.

Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan niet in strijd is met het beleid uit de gemeentelijke structuurvisie.

3.3.2 Woonvisie 2016+ gemeente Dinkelland

Op 11 juli 2016 is de Woonvisie 2016+ vastgesteld. De centrale ambitie van de woonvisie is dat het voor alle doelgroepen, jong en oud, het aantrekkelijk wonen blijft in Dinkelland. Hiervoor dient het woningaanbod gevarieerd en comfortabel en toekomstbestendig te zijn, zodat men ook op latere leeftijd thuis kan blijven wonen. Hierbij hoort een passend voorzieningenniveau en betrokkenheid van inwoners tot elkaar, waardoor de leefbaarheid in de negen kernen wordt versterkt.

De visie is vertaald in drie ambities:

- kwaliteitsslag maken: in stand houden kwaliteit centrumgebied/kernwinkelgebieden, verduurzamen en toekomstbestendig maken van de woningvoorraad, gerichte aanpak in buurten door renovatie van woningen en woonomgeving

-beschikbaarheid: voor iedere doelgroep een woning. Het nieuwbouwprogramma wordt afgestemd met regiogemeenten, nieuwe plancapaciteit wordt getoetst aan afwegingskader, flexibele woningdifferentiatie in bestemmingsplannen en nieuwbouwaccenten op sociale huur en voor middeninkomens.

-betaalbaarheid: passende prijs met bijbehorende kwaliteit. Beperkte vermindering van de kernvoorraad sociale huurwoningen is mogelijk, voortzetten starterslening, onderzoek naar blijverslening, in huurprijsbeleid corporatie wordt huurprijs beter afgestemd op inkomen.

Dinkelland krijgt de komende jaren te maken met enige bevolkingskrimp. Tot 2035 blijft het aantal huishoudens nog wel toenemen, waarvoor nog aanvullende nieuwbouw nodig is. De gemeente vindt het belangrijk dat er in alle kernen woningen worden gebouwd om te kunnenvoorzien in de lokale woonbehoefte. Consumenten en ontwikkelaars vragen om meer ‘ontwikkel-vrijheid’, meer maatwerk en mogelijkheden om eigen ideeën te kunnen vormgeven. Een nieuwbouwprogramma moet flexibel zijn naar type woning, prijsklassen, eigendomsvormen enwoonconcepten. De gemeente volstaat in de Woonvisie met een prioritering voor welke doelgroepen het bestemmingsplan geschikt is.

Voor de kleine kernen wordt de woningdifferentiatie op andere wijze bepaald, omdat het erg moeilijk is om inzicht te krijgen in de woonwensen van verschillende doelgroepen. Daarom worden er bestemmingsplannen gerealiseerd met een flexibele woningdifferentiatie. Verder wordt aan marktpartijen en corporatie gevraagd om concrete bouwplannen te ontwikkelen. Bij het niet voldoende op gang komen van de bouwproductie in een bepaalde kern worden de verschillende doelgroepen die actief zijn op de woningmarkt betrokken en worden concrete woonwensen geinventariseerd.

Toets

Voor de periode 2015-2024 is de woningbehoefte voor Deurningen 30 tot 46 woningen. De beschikbare bestemmingsplancapaciteit bedraagt 39+ woningen, met daarbij nog een nader te bepalen aantal die zullen voortkomen uit woningbouwinitiatieven die de komende periode worden ontwikkeld en ingediend. De gemeente Dinkelland houdt rekening met plannen in het buitengebied door een reservering van 5% van de plancapaciteit aan te houden. Er bestaat daarmee plancapaciteit voor plannen in het buitengebied van Deurningen.

Bij voorliggend plan is sprake van één extra burgerwoning in het kader van de Rood-voor-Rood-regeling. Het voornemen is in lijn met het beleid uit de Woonvisie 2016+.

3.3.3 Rood voor rood beleid gemeente Dinkelland 2015

Op 6 oktober 2015 heeft de gemeente Dinkelland het rood voor rood beleid gemeente Dinkelland 2015 vastgesteld. Dit beleid biedt het toetsingskader voor rood voor rood plannen binnen de gemeente.

Aanleiding voor het vaststellen van het beleid is dat steeds meer agrarische bedrijven veranderen in hobbymatige agrarische activiteiten of volledig stoppen met hun agrarische activiteiten. Het gevolg hiervan is een toename van leegstaande landschapsontsierende bedrijfsgebouwen. Middels Rood voor Rood is het mogelijk om deze gebouwen te slopen en er een woning voor terug te bouwen. Centrale doelstelling is om een ruimtelijke kwaliteitsverbetering te realiseren.

Uitgangspunt van beleid is dat een oppervlakte van minimaal 850 m2 landschapsontsierende bebouwing of 4500 m2 aan kassen dient te worden gesloopt om een compensatiekavel (woning) te kunnen verkrijgen. Daarnaast dient een erfplan te worden ontwikkeld waaruit blijkt dat wordt geinvesteerd in ruimtelijke kwaliteit.

In het beleid zijn verschillende uitgangspunten voor de sloop- en herbouwlocatie opgenomen, waaraan het plan in principe dient te voldoen. In het beleid is ook de mogelijkheid tot maatwerk opgenomen.

Toets

Er zal een oppervlakte van 1.024 m2 aan landschapsontsierende bedrijfsgebouwen worden gesloopt, waarmee aan de voorwaarde van minimaal 850 m2 wordt voldaan. Deze bebouwing bevindt zich deels op het Landgoed Het Oosterveld en deels in de directe omgeving, aan de Sniedersveldweg in Deurningen.

Naast de sloop van de opstallen zal er binnen het plangebied tevens sprake zijn van het verwijderen van eventuele verhardingen bij de slooplocaties.

Er is een rood voor rood plan opgesteld dat als Bijlage 1 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is gevoegd. In dit plan is de te slopen bebouwing weergegeven, de situering van de bouwkavel en woning (inclusief inpassing in het landschap).

Het erfplan is tot stand gekomen op basis van de beeldkwaliteitsprincipes Rood voor Rood, het landschapsontwikkelingsplan (LOP), het Cascobeleid en Kwaliteitskader Gebiedskenmerken van de gemeente (een uitwerking van de gebiedskenmerken uit de Omgevingsvisie Overijssel)

Het te realiseren plan voldoet aan de criteria van het gemeentelijk Rood voor Rood-beleid en is nader onderbouwd en verantwoord in een Rood voor Rood-plan. Op basis van dit plan is met de initiatiefnemer een Rood voor Rood-overeenkomst gesloten waarin alle afspraken zijn vastgelegd.

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Op 1 april 2011 is het huidige Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Op 7 juli 2017 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd binnen dit besluit om de m.e.r.-procedure eenduidiger en overzichtelijker te maken, alsmede het aspect milieueffectrapportage explicieter te behandelen in aanvragen. Dit besluit heeft tot doel het vaststellen van mogelijke, ernstig nadelige milieugevolgen ten gevolge van een activiteit binnen de aanvraag.

Binnen het Besluit milieueffectrapportage zijn een tweetal mogelijkheden opgenomen hoe om te gaan met dit besluit bij een aanvraag. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd, maar onder de gestelde drempelwaarden blijft, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Wanneer de beoogde activiteit in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage wordt benoemd en bovendien de gestelde drempelwaarden overstijgt, is de betreffende aanvraag m.e.r.-plichtig. Op dat moment zal een m.e.r.-rapportage op moeten worden gesteld.

Toets - Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Het plan betreft de bouw van een nieuwe woning ter compensatie voor de sloop van landschapsontsierende opstallen. De ontwikkeling is concreet beschreven in paragraaf 2.2. Het huidige gebruik van het plangebied is natuurgrond.

Woningbouw wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject. De m.e.r.- plicht geldt bij projceten van een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De genoemde maximum oppervlakken gelden als drempelwaarden. Het ruimtebeslag van het onderhavige project ligt ruimschoots beneden de drempelwaarde. Conclusie die op grond hiervan getrokken kan worden is dat het onderhavige project niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is. In de nota van toelichting op het Besluit mer wordt het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' geduid. Hier wordt het volgende over gezegd:

“Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Er kan overigens geen misverstand over bestaan dat ook «dorpen» hieronder vallen. Wat «stedelijke ontwikkeling» inhoudt kan van regio tot regio verschillen. Van belang hierbij is of er per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen zijn. Indien bijvoorbeeld een woonwijk wordt afgebroken en er komt een nieuwe voor in de plaats, zal dit in de regel per saldo geen of weinig milieugevolgen hebben. Bij een uitbreiding zal er eerder sprake kunnen zijn van aanzienlijke gevolgen.”

Uit voorgaande volgt dat de bouw van één woning in algemene zin niet te kwalificeren is als stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. De kwalificatie is wel afhankelijk van specifieke omstandigheden van een project en de ruimtelijke gevolgen die het project met zich meebrengt. In die gevallen is het Besluit m.e.r. niet van toepassing en hoeft geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

Toets
In onderhavige situatie is sprake van de realisatie van één woning buiten de bebouwde kom. De ontwikkeling wordt daarbij op passende wijze in het landschap opgenomen. De ruimtelijke uitstraling/de verandering die de ontwikkeling per saldo op de omgeving heeft is daardoor beperkt. Geconcludeerd kan worden dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als in de zin van het Besluit m.e.r.

4.2 Milieuzonering

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan/wijzigingsplan mogelijk is.

Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied' dan wel 'gemengd gebied'. In het voorliggende geval is er sprake van het omgevingstype 'rustige woonwijk/buitengebied'. In figuur 4.1 zijn de richtafstanden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0010.png"

Figuur 4.1: Richtafstanden VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering

Toets

Op circa 400 m van het de locatie voor de Rood voor Rood-compensatiewoning is de voormalige vliegbasis Twenthe gelegen. Voor dit terrein wordt een nieuwe functie als bedrijventerrein beoogd. Er is hierom sprake van twee vergelijkingen, zowel met de huidige situatie als met de beoogde situatie in het bestemmingsplan 'Voormalige vliegbasis Twenthe - Noord'.

Vergelijking met huidige situatie

In de huidige situatie grenst onderhavig bestemmingsplan aan het bestemmingsplan 'Luchthavengebied Noord'. Hierin zijn 2 algemene aanduidingen opgenomen, te weten 'Overige zone - Twente Safety Campus' en 'Overige zone - opslag en culturele activiteiten'.

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - Twente Safety Campus' zijn de gronden bestemd voor een veiligheidscentrum, niet zijnde een geluidzoneringsplichtige inrichting en een risicovolle inrichting. De richtafstand van een veiligheidscentrum tot gevoelige functies is 50 meter. De afstand van ruim 400 meter tussen het rood voor rood compensatiekavel en deze aanduiding is dan ook ruim voldoende.

Ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - opslag en culturele activiteiten' zijn de gronden bestemd voor opslag in bestaande gebouwen, niet zijnde opslag van gevaarlijke stoffen, opslag van vuurwerk, een geluidszoneringsplichtige inrichting of een risicovolle inrichting. Bovendien zijn deze gronden bestemd voor culturele activiteiten. De richtafstand tot gevoelige functies is hiervoor 300 meter. De afstand van ruim 500 meter tussen het rood voor rood compensatiekavel en deze aanduiding is dan ook ruim voldoende.

Vergelijking met beoogde situatie

Voor de herontwikkeling van van het voormalige vliegveld Twente is het bestemmingsplan 'Voormalige vliegbasis Twenthe - Noord' opgesteld. De grenzen van dit bestemmingsplan zijn gelegen op circa 400 m van de Rood voor Rood compensatiekavel in onderhavig plan. Ter plaatse van deze dichtstbijzijnde locatie is bedrijvigheid tot maximaal categorie 4.2 toegestaan. Daarnaast is op circa 600 m van de compensatiekavel bedrijvigheid tot maximaal categorie 5.1 toegestaan.

Afgaande op de richtafstanden zoals deze zijn weergegeven in figuur 4.1 wordt hiermee voldoende onderlinge afstand is acht genomen. Voor categorie 4.2 geldt een richtafstand van 300 m, hieraan wordt met minimaal 400 m ruim voldaan. Voor categorie 5.1 geldt een richtafstand van 500 m, de onderlinge afstand tussen de gevel van de compensatiewoning en deze bedrijvigheid is meer dan 600 m.

Conclusie

Voor wat betreft bedrijven en milieuzonering wordt voldoende afstand in acht genomen. Hiermee wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

4.3 Bodem

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient in de daarvoor aangewezen gevallen een bodemonderzoek te worden verricht.

Artikel 3.1.6 van het Bro bepaalt dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met de bodemkwaliteit ter plaatse. De reden hiervoor is dat een eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of de (financiële) uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De bodemtoets moet worden uitgevoerd bij het opstellen of wijzigen van het bestemmingsplan of een planologische afwijking. Als er verontreiniging aanwezig is moet bepaald (nader onderzoek) worden of het een geval is in de zin de Wbb of een diffuse verontreiniging. In de exploitatieopzet moeten de saneringskosten en de verwerkingskosten voor diffuus verontreinigde grond worden opgenomen.

Toets

Ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan is gebruik gemaakt van een verkennend bodemonderzoek van Kruse Milieu BV (projectcode 17041410, d.d. 27 juli 2017) om ter plaatse van de nieuwe woning de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen (zie Bijlage 3).

In opdracht van Ad Fontem is in een verkennend bodemonderzoek de bodem onderzocht op een terreindeel met een oppervlakte van circa 1.200 m² gelegen op Landgoed “Het Oosterveld” te Deurningen. De aanleiding van dit onderzoek is een bestemmingsplanwijziging en de geplande bouw van een woning. In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de aanvraag van een omgevingsvergunning dient onderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Voorafgaande aan het verkennend bodemonderzoek is uitgegaan van een onverdachte locatie.

Resultaten veldwerk

Er zijn in totaal 9 boringen verricht met behulp van een Edelmanboor, waarvan er 2 zijn doorgezet tot 2.0 m-mv of tot het grondwaterniveau. Eén van de diepe boringen is afgewerkt tot peilbuis.

De bodem op de onderzoekslocatie bestaat tot circa 1.10 m-mv uit matig fijn en zwak siltig zand, tot circa 0.5 m-mv is de bodem tevens zwak humeus. Tot einde boordiepte (2.90 m-mv) bestaat de bodem uit zeer fijn matig siltig zand. In de bodem zijn oerhoudende lagen aangetroffen. Er zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen, die zouden kunnen duiden op een bodemverontreiniging. Door de veldwerker zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen op het maaiveld of in de bodem. Het freatische grondwater is in peilbuis 1 aangetroffen op 1.40 meter min maaiveld.

Resultaten chemische analyses

Op basis van de resultaten van de chemische analyses is het volgende geconcludeerd:

  • Het mengmonster van de bovengrond (BG) is niet verontreinigd;
  • Het mengmonster van de ondergrond (OG) is niet verontreinigd;
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium, cadmium en zink.

Hypothese

De hypothese "onverdachte locatie" dient te worden verworpen, aangezien een overschrijding van de streefwaarden is aangetoond.

Conclusies en aanbevelingen

In het grondwater is zijn lichte verontreinigingen aangetoond. Voor een beschrijving en mogelijke verklaringen wordt verwezen naar de paragrafen 4.3 en 4.4. De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd. Aangezien de tussenwaarden niet worden overschreden, is er geen reden om een nader onderzoek uit te voeren.

Uit milieukundig oogpunt is er naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen nieuwbouwplannen, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik (wonen met tuin).

Slooplocaties

Ter plaatse van de slooplocaties is sprake van het saneren van de bebouwing. Voor de slooplocatie op het landgoed Het Oosterveld blijft de toegekende bestemming 'Bos - Natuur' ongewijzigd, wel wordt de aanduiding veldschuur verwijderd van de locatie. Voor de nog te saneren schuur geldt dat er geen sprake is van asbest (stenen muren en pannen dak). Ook is er voorzover bekend geen ondergrondse tank aanwezig geweest op de locatie. De locatie aan de Sniedersveldweg is in het verleden reeds overgedragen aan de organisatie Area Development Twente, hierbij is afgesproken dat door deze partij zorg gedragen wordt voor het saneren van de bebouwing.

4.4 Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder moet er bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, c.q. een ontheffing op grond van de Wro, een onderzoek worden gedaan naar de geluidsbelasting op de gevels van geluidsgevoelige objecten, voor zover deze geluidsgevoelige objecten zijn gelegen binnen een zonering van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen.

De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies:

  • Woningen.
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal).
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Enerzijds betekent dit dat (geluids-)eisen worden gesteld aan de nieuwe milieubelastende functies, anderzijds betekent dit eveneens dat beperkingen worden opgelegd aan de nieuwe milieugevoelige functies.

Toets

De locatie van de compensatiewoning is gelegen binnen de aanduiding 'geluidszone - industrie' van Technology Base Twente (TecBT). Door de zonebeheerder is de geluidsbelasting op de locatie voor de woning inzichtelijk gemaakt. De bevindingen zijn opgenomen in de briefnotitie van adecs airinfra (kenmerk: adt171212v2not/aH/kd, d.d. 21 december 2017), bijgevoegd als Bijlage 4. Onderstaand zijn de bevindingen kort opgesomd, voor de volledigheid wordt naar de bijlage verwerzen.

Geluidsbelasting ten gevolge industrie in plangebied

Op alle gevels is de waarde lager dan de grenswaarde van 55 dB(A) L etmaal . Op de oost- en zuidgevel zijn de berekende niveaus het hoogst, namelijk 52 dB(A) deze gevels zijn naar het TechBT-plangebied gericht.

De toetspunten op 5 meter hoogte zijn maatgevend aangezien het TechBT-plangebied gezoneerd wordt. De waarde in deze punten dient bij voorkeur maximaal 50 dB(A) te zijn, dit is 52 dB(A). Aangezien dit het geval is, zal voor het bouwblok een hogere waarde van in dit geval 52 dB(A), de maximale waarde, moeten worden vastgesteld.

Overige geluidsbelastingen

De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer is het hoogst op de noord- en westgevel, en is voor BP-3 identiek aan de autonome ontwikkeling. Zowel in de BP-3 als in de autonome ontwikkeling is hier geen sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB(A) Lden. Op de westgevel is de maximale belasting 45 dB(A) Lden . Op de zuid- en oostgevel neemt de geluidsbelasting door verkeer in de BP-3 situatie met maximaal 1 dB(A) toe ten opzichte van de autonome ontwikkeling. De belasting op deze gevels is maximaal 41 dB(A) Lden en voldoet daarmee ook ruim aan de voorkeurswaarde.

De belasting van het spoor zal, gezien de ligging van het spoor, voornamelijk op de noordgevel plaatsvinden. De belasting is zonder de afschermende werking van de woning berekend en is op die noordgevel maximaal 40 dB(A) Lden . Daarmee is de bijdrage van het spoor aan de geluidsbelasting in alle toetspunten verwaarloosbaar.

De belasting van de luchtvaart zal voornamelijk op de zuid- en oostgevel plaatsvinden. De belasting is zonder de afschermende werking van de woning berekend, omdat het voorgeschreven rekenmodel dit niet mogelijk maakt. De bijdrage van de luchtvaart is maximaal 37 dB(A) Lden en zal net als spoorweglawaai een verwaarloosbare bijdrage leveren aan de gecumuleerde geluidsbelastingen. De geluidsbelasting ten gevolge van luchtvaart blijft ruim onder de 48 dB(A) Lden en daarmee ver buiten de 48 dB(A) Lden contour.

4.5 Luchtkwaliteit

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit.

In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen:

  • Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen);
  • Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen

Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

Besluit gevoelige bestemmingen 

Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.

De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

Toets

In de toekomstige situatie is er sprake van één extra woning op een bestaand landgoed. Structurele verkeersbewegingen bestaan enkel uit het af en aanrijden van de bewoners. Hierdoor zullen de verkeersbewegingen door het voornemen op de omgeving nauwelijks toenemen. Voor zover er sprake zal zijn van een toename aan verkeersbewegingen, zal deze zeer beperkt zijn. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 10 per dag gesteld worden. Er zal geen of nauwelijks sprake zijn van vrachtverkeer, waardoor het percentage vrachtverkeer op 0 gezet kan worden. In figuur 4.2 is de worst-case berekening weergegeven met 10 extra voertuigbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0011.png"
Figuur 4.2: Worst-case berekening voor bijdrage van extra verkeer (bron: infomil.nl)

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig.

4.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Per 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

  • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • de Regeling externe veiligheid (Revi);
  • het Registratiebesluit externe veiligheid;
  • het Besluit risico's Zware Ongevallen 1999 (Brzo 1999);
  • het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRvgs). Op transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) van toepassing.

Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

  • Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
  • Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

In het BEVI zijn de risiconormen wettelijk vastgelegd. Deze normen zijn niet effectgericht maar gebaseerd op een kansberekening. Tevens geven de risiconormen alleen de kans weer om als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen te overlijden. Gezondheidsschade en de kans op verwonding of materiële schade zijn daarin niet meegenomen. Er is in het BEVI geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt geen norm maar slechts een oriënterende waarde. Er is sprake van een verantwoordingsplicht in geval van een toename van het groepsrisico.

Risicokaart

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven.

Toets

Op meer dan 500 m van het plangebied bevindt zich een buisleiding van de Defensie Pijpleiding Organisatie (DPO). Op basis van de risicokaart wordt een risicoafstand (PR 10-6) aangegeven van 0 m.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0012.png" Figuur 4.3: Afstand van rood voor rood compensatiewoning tot buisleiding (bron: Risicokaart)

Uit de inventarisatie blijkt dat binnen een straal van minstens 500 m van het plangebied geen risico's op basis van de externe veiligheid zijn gelegen (zie figuur 4.3), derhalve geldt dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen, danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving met betrekking tot externe veiligheid.

4.7 Water

Een belangrijk instrument om waterbelangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets, die sinds 1 november 2003 wettelijk is verankerd. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

Waterbeleid

De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld die in 2015 moeten worden bereikt. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen).

Op provinciaal niveau zijn de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening richtinggevend voor ruimtelijke plannen.

Het Waterschap Vechtstromen heeft de beleidskaders van rijk en provincie nader uitgewerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021. De belangrijkste ruimtelijk relevante thema's zijn de Kaderrichtlijn Water en retentiecompensatie. Daarnaast is de Keur van Waterschap Vechtstromen een belangrijk regelstellend instrument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden.
Op gemeentelijk niveau zijn het in overleg met Waterschap Vechtstromen opgestelde gemeentelijk Waterplan en het gemeentelijk Rioleringsplan van belang bij het afwegen van waterbelangen in ruimtelijke plannen.

Waterbeheerplan 2016-2021

Het waterschap laat in het waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke (bestuurlijke) accenten zij in de samenwerking met partners willen leggen. Van daar uit wordt vervolgens het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven voor de primaire taakgebieden:

  • Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.
  • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water.
  • Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water.
  • Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Waterveiligheid

Ingezet wordt op meerlaagsveiligheid: het op orde brengen van de waterkeringen, proberen te bereiken dat in de ruimtelijke ordening meer rekening wordt gehouden met waterveiligheid en eventuele gevolgen van een overstroming. En om adequaat te kunnen optreden bij hoog water zorgt het waterschap er voor dat de crisisbeheersing op orde is.

De regionale waterkeringen worden in de planperiode opnieuw getoetst waarbij gekeken wordt of daarbij gebruik gemaakt kan worden van nieuwe normen gebaseerd op de risicobenadering. Tevens gaat het waterschap extra aandacht schenken aan de vele kilometers overige keringen die bescherming bieden op lokale schaal.

Voldoende Water

De doelen voor 'Voldoende Water' zijn uitgewerkt voor drie situaties:

  • 1. In normale omstandigheden werkt het waterschap aan doeltreffend en doelmatig waterbeheer gericht op optimaal functiegebruik.
  • 2. In droge omstandigheden wil het waterschap droogteschade zo lang mogelijk voorkomen.
  • 3. In natte omstandigheden wil het waterschap wateroverlast en natschade zoveel mogelijk voorkomen.

De beleidsmatige kern voor voldoende water onder normale omstandigheden vormt de GGOR; het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater-Regiem. In de planperiode wordt dit GGOR omgevormd en uitgebreid tot het 'Voorzieningenniveau'. Daarmee wil het waterschap aan de (grond)gebruikers helder aangeven op welke wijze de landgebruik-functies bedient gaan worden, onder zowel normale, als onder droge en natte omstandigheden. Knelpunt is nog steeds de verdroging van vele natuurgebieden. Voor de maatregelen richt het waterschap zich primair op de uitvoering van de maatregelen voor Natura2000-gebieden.

Als gevolg van de klimaatontwikkeling nemen droge periodes toe. Het waterschap speelt daarop in door de maatregelen uit te voeren die in het kader van de Zoetwatervoorziening Oost Nederland zijn afgesproken. Het betreft een pakket aan maatregelen om de beschikbaarheid van zoetwater voor gebieds- en oppervlaktewaterfuncties zo lang mogelijk op peil te houden en om schade door droogte te beperken Het waterschap spaart water door het vasthouden van grond- en oppervlaktewater in het gebied. Het waterschap voert water aan waar nodig en mogelijk.

Kern van het waterbeheer onder natte omstandigheden vormen de werknormen voor regionale wateroverlast. Het waterschap gaat de komende jaren opnieuw toetsen of het gebied nog aan deze normen voldoet en zullen maatregelen nemen waar dat niet het geval is. Het streven is om de toetsingsmethodiek in Rijn Oost te harmoniseren. En het waterschap stelt een strategie op over hoe de organisatie wil omgaan met verdere klimaatontwikkeling en de gevolgen daarvan voor wateroverlast (en droogte).

Schoon water

De doelen voor een gezond en schoon watersysteem zijn een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Vanuit de Kaderrichtlijn Water zijn voor de grotere waterlichamen doelen en maatregelen vastgesteld in factsheets. De meest voorkomende maatregelen zijn beekherstel, aanleg van natuurvriendelijke oevers, aanleg van vistrappen en aanpassing van het onderhoud. De maatregelen zijn uitgesmeerd over de hele KRW periode tot 2027. Naast de aandacht voor de KRW waterlichamen wil het waterschap in de planperiode ook meer aandacht geven aan doelen voor overige oppervlaktewateren zoals stedelijk water, kleine waardevolle wateren en diepe plassen: het waterschap is immers beheerder van al het oppervlaktewater.

Op veel plaatsen worden de normen voor diverse chemische stoffen overschreden. Ook maakt het waterschap zich zorgen over verontreinigingen waar tot voor kort weinig aandacht voor was zoals medicijnresten en microplastics. In de planperiode wordt een emissiebeheerplan opgesteld waarin het waterschap aangeeft welke stoffen een probleem zijn of kunnen worden en welke maatregelen we daar als waterschap tegen kunnen nemen. Ook gaat het waterschap na of we aanvullende maatregelen moeten nemen op onze rwzi's om effecten van de effluentlozingen terug te dringen.

Waterketen

Als beheerder van de rioolwaterzuiveringen werkt het waterschap aan een effectieve en efficiënte behandeling van het afvalwater. Dat doet het waterschap in nauwe samenwerking met de belangrijkste partners op dat gebied: de gemeenten. Riolering en zuivering worden in samenhang bekeken waarbij het waterschap er op blijft inzetten dat relatief schoon water, zoals neerslag en grondwater, niet via de riolering wordt afgevoerd. In het beheer van de zuiveringen gaat het waterschap nauw samenwerken met de andere waterschappen in Rijn Oost om te zorgen voor efficiënt en doelmatig beheer. Bijzondere aandacht is er voor energiebesparing, terugwinnen van energie en het nuttig toepassen van rioolslib door bijvoorbeeld het terugwinnen van fosfaat.

Watertoetsproces

Op 7 juli 2017 is via www.dewatertoets.nl de digitale watertoets verricht, zie bijlage Bijlage 5. Op basis van de watertoets is de standaard waterparagraaf van toepassing. Dit betekent dat met inachtneming van de uitgangspunten zoals verstrekt door het waterschap, het voornemen een positief waterschapsadvies verkrijgt.

4.8 Ecologie

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De wettelijke kaders hiervoor worden gevormd door Europese richtlijnen (Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), nationale regelgeving (Wet natuurbescherming) en provinciale regelgeving (NNN in provinciale verordening).

Toetsing 

De voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Overijssel een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk vernielen en weghalen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen verstoren en vernielen.

Het plangebied behoort tot het functionele leefgebied van sommige vogel-, vleermuis, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een (vrijwel) ongeschikt leefgebied voor andere beschermde soorten.

Vermoedelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in het plangebied. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen, zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten, zoals het slopen van de schuur en het bouwrijp maken van de bouwplaats, dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om deze werkzaamheden uit te voeren is augustus-februari.

Sommige vleermuis-, amfibieën- en grondgebonden zoogdiersoorten benutten het plangebied als foerageergebied, maar deze functie wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten rust- en voortplantingslocaties in het plangebied en bezetten sommige amfibieën winterrustplaatsen op de bouwlocatie. Voor deze soorten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om de bouwlocatie bouwrijp te maken buiten de winterrustperiode van amfibieën om zo geen amfibieën in winterrust te storen.

De bouwlocatie ligt in het NNN en de slooplocatie ligt in de zone ‘Ondernemen met water en natuur’.

Conclusie

Mits bezette vogelnesten en amfibieën in winterrust beschermd worden, dan leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. De woning wordt in het bos gebouwd. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden de Provincie Overijssel als bevoegd gezag in het kader van de Wnb. Door uitvoering van de quickscan natuurwaardenonderzoek, heeft initiatiefnemer voldaan aan de zorgplicht, zoals verwoord in art. 1.11 van de Wnb.

4.9 Archeologie en Cultuurhistorie

Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reële verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden.

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumtenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet.

Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Archeologie

Het bureau RAAP heeft in 2008 een archeologische verwachtings- en advieskaart opgesteld voor de gemeente Dinkelland. Binnen het plangebied vinden er alleen bodemingrepen plaats ten behoeve van de bouw van de woning en sloop van de opstallen. Daarom is hiervoor specifiek bekeken wat de archeologische verwachting is ter plaatse van de Landgoed Het Oosterveld in Deurningen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1774.BUIBPOOSTERVELDRVR-OW01_0013.png"
Figuur 4.4 uitsnede archeologische verwachtingenkaart

Toets

De locatie is geomorfologisch deels aangewezen als "dekzandwelvingen- en vlakten" en deels als 'beekdalen en overige laagten', zie bovenstaande afbeelding. Het te bebouwen oppervlak bedraagt circa 500 m². Archeologisch onderzoek in dergelijke gebieden, die een middelmatige archeologische verwachtingswaarde scoren voor archeologische resten uit alle perioden, is noodzakelijk voor plangebieden groter dan 5.000 m² en bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Voor gebieden kleiner dan 2.500 m², zoals onderhavig plangebied, geldt vrijstelling van archeologisch onderzoek.

Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988 (die nog geldt als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet). Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties.

Toets

Uit de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Overijssel kan worden afgeleid dat er in de directe omgeving geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor het aspect 'cultuurhistorie'.

4.10 Verkeer / parkeren

Het plangebied wordt ontsloten via de paden op Landgoed Het Oosterveld en ontsluit uiteindelijk op de Oude Postweg in Deurningen. Dit betreft een 60 km/u weg in het buitengebied van de gemeente Dinkelland Deze weg kan de een (zeer beperkte) toename van verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van één Rood voor Rood-woning eenvoudig afwikkelen. Het aspect 'verkeer' levert geen belemmeringen op voor dit plan.

Het parkeren vindt plaats op eigen terrein, waar voldoende ruimte is om in parkeerplaatsen te voorzien. Het aspect 'parkeren' levert derhalve geen belemmeringen op voor dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Planopzet en systematiek

De in Hoofdstuk 2 beschreven toekomstige situatie is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die bindend is voor overheid, bedrijven en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding (plankaart) vormen het juridisch bindende deel. Op de verbeelding worden de toegekende bestemmingen en aanduidingen visueel weergegeven. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De toelichting heeft zelf geen juridische bindende werking, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen.

5.2 Toelichting op de regels

5.2.1 Opbouw

In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, zoals verplicht is sinds 1 juli 2013. Dit houdt onder meer in dat het plan IMRO-gecodeerd wordt opgeleverd. Navolgend wordt de opbouw, indeling en systematiek van de regels kort toegelicht.

Inleidende regels

  • Begrippen

In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.

  • Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding (plankaart) geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Bestemmingsregels

De opbouw van de bestemmingen ziet er als volgt uit:

  • bestemmingsomschrijving:

De omschrijving van de doeleinden. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies;

  • bouwregels:

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels geregeld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding (plankaart);

  • afwijken van de bouwregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouwregels ten aanzien van het oppervlak en de vorm van bijbehorende bouwwerken;

  • specifieke gebruiksregels:

In dit onderdeel is aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval zijn toegestaan dan wel strijdig zijn met de bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd, maar alleen die functies, waarvan het niet op voorhand duidelijk is. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling/verduidelijking op de in de bestemmingsomschrijving genoemde functies;

  • afwijken van de gebruiksregels:

Bij een omgevingsvergunning kan onder voorwaarden worden afgeweken van het in de bestemmingsomschrijving beschreven gebruik van hoofdgebouwen.

Algemene regels

  • Anti-dubbeltelregel:

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;

  • Algemene gebruiksregels:

Deze bepaling bevat een opsomming van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken in algemene zin;

  • Algemene afwijkingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Algemene wijzigingsregels:

In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven;

  • Overige regels:

Hier staan regels geformuleerd ten aanzien van bijvoorbeeld welstand en wegverkeerslawaai en er wordt de mogelijkheid geboden om nadere eisen aan aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

Overgangs- en slotregels

  • Overgangsrecht:

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een bouwvergunning kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het overgangsrecht is opgenomen zoals opgenomen in artikel 3.2.1 Bro. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet;

  • Slotregel: 

Deze bepaling geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2.2 Bestemmingen

Naast de inleidende regels (begrippen en wijze van meten), algemene regels (zoals bouwregels, gebruiksregels en proceduregels) en de overgangs- en slotregels, zijn de volgende bestemmingen in dit plan opgenomen:

Bestemmingen

  • 'Wonen'

De als 'Wonen' bestemde gronden zijn bestemd voor het wonen met daaronder begrepen beroep aan huis en de daarbij behorende tuinen en erven, parkeervoorzieningen op eigen terrein, waterhuishoudkundige voorzieningen en gebouwen van algemeen nut. Per bestemmingsvlak is één (nieuwe) woning toegelaten. De goot- en bouwhoogte bedragen 3,5 en 9 meter. Bijgebouwen zijn eveneens binnen het bestemmingsvlak toegelaten. De maximale oppervlakte voor aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een woning is begrensd tot een maximum van 100 vierkante meter, met een afwijkingsmogelijkheid is een vergroting van de maximum oppervlakte tot 200 m² mogelijk.

  • 'Bos - Natuur'

De bestemming 'Bos - Natuur' is in dit plan opgenomen op de slooplocatie. Deze locatie betreft een open ruimte tussen de omliggende 'Bos - Natuur' bestemming. Binnen deze bestemming mag geen bebouwing worden opgericht.

  • 'Waarde - Ecologie'

Binnen de dubbelbestemming ‘Waarde - Ecologie’ wordt het Natuunetwerk Nederland beschermd.De bestaande natuurgebieden binnen de EHS en de natuurgebieden die zijn aangewezen als nieuwe natuur krijgen deze bestemming.

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening 2008 (Bro) onderzoek plaats te vinden
naar de uitvoerbaarheid van het plan. Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

De gemeentelijke kosten, waaronder leges en planschadekosten, komen voor rekening van de aanvrager. Hiermee is het kostenverhaal anderzins verzekerd en kan de raad op grond van artikel 6.12, lid 2 onder a besluiten geen exploitatieplan vast te stellen.

Hoofdstuk 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1 Vooroverleg

Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met instanties, zoals gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Rijksdiensten
Op 1 januari 2012 is de Vrom-Inspectie samengevoegd met de Inspectie V&W tot de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT heeft in het nieuwe toezichtbeleid geen adviserende en coördinerende rol meer met betrekking tot de advisering over gemeentelijke ruimtelijke plannen. Dit betekent onder meer dat geen plannen voor vooroverleg naar de ILT gestuurd hoeven te worden. Omdat de coördinatierol vervalt, reageren andere rijksdiensten (Rijkswaterstaat, Defensie en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie) afzonderlijk.

Rijkswaterstaat
Bij brief van 2 februari 2016 heeft Rijkswaterstaat aangegeven graag vroegtijdig betrokken te worden bij de opstelling van ruimtelijke plannen. In de publicatie 'Rijkswaterstaat en ruimtelijke plannen van gemeenten'(oktober 2015) staan de onderwerpen die voor Rijkswaterstaat belangrijk zijn. Aangezien geen van de belangen van Rijkswaterstaat in het plan betrokken zijn, is vooroverleg met deze dienst niet vereist.

Defensie
Bij brief van 16 februari 2012 wordt aangegeven dat binnen het Ministerie van Defensie de behartiging van ruimtelijke plannen uitgevoerd wordt door de Dienst Vastgoed Defensie. Het gaat hierbij om militaire terreinen (direct ruimtebeslag), het beheer van diverse zoneringen, brandstofleidingen, verstoringsgebieden, laagvliegroutes en -gebieden (indirect ruimtebeslag). De belangen die door het Ministerie van Defensie worden bewaakt, spelen in het voorliggend plan geen rol. Vooroverleg met de Dienst Vastgoed Defensie (Directie noord) is niet vereist.

Ministerie van Economische Zaken
Bij brief van 6 maart 2012 wordt aangegeven dat gemeentelijke bestemmingsplannen die een relatie hebben met rijksinpassingsplannen op het terrein van energie-infrastructuur gemeld moeten worden bij het Ministerie van Economische Zaken (destijds nog het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie). Het onderhavige bestemmingsplan heeft geen raakvlakken met de energie-infrastructuur, waardoor vooroverleg met dit ministerie niet vereist is.

Provincie Overijssel

Conform het door de provincie Overijssel gehanteerde beleid is onderhavig bestemmingsplan voor vooroverleg verzonden aan de provincie Overijssel. De provincie heeft in haar reactie aangegeven dat het plan niet in strijd is met het provinciaal ruimtelijk beleid, onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de afwijkingsmogelijkheid uit de provinciale omgevingsverordening (art. 2.7.4).

Hiermee is, voor zover het de provinciale diensten betreft, voldaan aan het ambtelijke vooroverleg als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening.

Waterschap Vechtstromen
Op 7 juli 2017 is het plan via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Vechtstromen. De conclusie van die digitale toets is dat het waterschap Vechstromen een positief advies geeft. Hiermee is voldaan aan het verplichte vooroverleg.

7.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van ......... voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze periode kon een ieder zijn of haar zienswijze ten aanzien van dit bestemmingsplan kenbaar maken. Tijdens de termijn van de terinzagelegging zijn ......... zienswijzen binnengekomen.