direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Bedrijventerreinen A20 Westland 1e herziening
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op 28 mei 2013 is het bestemmingsplan “Bedrijventerreinen A20 Westland” door de gemeenteraad van Westland vastgesteld. Het bestemmingsplan voorzag in een actualisering van de bestemmingsplannen voor bedrijventerreinen ALC Coldenhove/Poortcamp (inclusief BVB Substrates), Coldenhove (Noord & Zuid) en Transportcentrum Westland.

In dit bestemmingsplan zijn voor een tweetal percelen op het Transportcentrum Westland, kadastraal bekend gemeente De Lier, sectie E, nummers 1223, 1224 en 1225, bedrijven uit een lagere maximale milieucategorie toegekend dan op basis van de huidige situatie mogelijk zou zijn. De percelen grenzen aan de gemeentegrens van Maassluis, aan het gebied Dijkpolder. In verband met toekomstige woningbouwontwikkeling in de Dijkpolder, zoals opgenomen in het "Masterplan Dijkpolder" zou op ca. 100 meter van het bedrijventerrein woningbouw plaatsvinden.

Na vaststelling van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen A20 Westland" heeft de gemeeneraad van Maassluis op 4 februari 2014 het bestemmingsplan "Dijkpolder" gewijzigd vastgesteld. In het vastgestelde bestemmingsplan is tot op ca. 400 meter van Westlands grondgebied géén woningbouw mogelijk gemaakt. Voor de planperiode, de komende 10 jaar, zijn derhalve geen woningbouwplannen in het bestemmingsplan voorzien. Op dat moment was er nog beroep aanhangig bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen A20 Westland" met betrekking tot de toegestane maximale milieucategorie op de genoemde percelen. De Afdeling heeft het bestemmingsplan voor genoemde percelen vernietigd.

Het beperken van een gedeelte van het bedrijventerrein "Transportcentrum Westland", door het terugbrengen van de maximale milieucategorie, dient door de gewijzigde juridisch planologische omstandigheden geen planologisch belang (meer). In het licht van eventuele technologisch ontwikkelingen die de komende 10 jaar plaats kunnen vinden bestaat er daarom geen aanleiding meer om ontwikkelingsmogelijkheden van het bedrijventerrein, die gepaard zouden kunnen gaan met een hogere milieucategorie, uit te sluiten. Gelet op de grote onzekerheden over woningbouwontwikkeling en ontwikkeling van het bedrijventerrein is het voorbarig om vooruitlopend planologische beperkingen op te leggen. Het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen A20 Westland 1e herziening" brengt daarom de maximale milieucategorie terug.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied maakt onderdeel uit van het volledige plangebied van "Bedrijventerreinen A20 Westland (figuur 1.1.).

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0001.jpg"

Het plangebied voor deze herziening betreft de percelen kadastraal bekend De Lier, sectie E, nummers 1223, 1224 en 1225. Waarop de bedrijven Gist Limited, Van Daalen Transport, Cargoboss en Scania Beers B.V. zijn gevestigd (zie figuur 1.2)

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0002.jpg"

Figuur 1.2: Plangebied herziening

1.3 Geldende bestemmingsplannen

Het voorliggende bestemmingsplan herziet het volgende bestemmingsplan:

bestemmingsplan   vastgesteld  
Bedrijventerreinen A20 Westland   28-05-2013  

Wegens vernietiging van dit bestemmingsplan voor de genoemde percelen vervangt het voorliggende bestemmingsplan het volgende bestemmingsplan:

bestemmingsplan   vastgesteld  
Transportcentrum Maasland   19-10-1993  

1.4 Leeswijzer

Het bestemmingsplan Bedrijventerreinen A20 Westland 1e herziening bestaat uit een toelichting, de planregels en een planverbeelding. De toelichting is toegespitst op de herziening en is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 komt de gebiedsvisie aan de orde. Hierin wordt de ruimtelijke en functionele hoofdstructuur van het plangebied beschreven, alsmede de ruimtelijke kwaliteiten en aanwezige knelpunten. Dit tezamen leidt tot een beschrijving van de gemeentelijke visie op het gewenste behoud en beheer van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt, vanwege de beperkte herziening, alleen onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering behandeld. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de planvorm en de verbeelding.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

2.1 Beleidskader

2.1.1 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Westland

De gemeente heeft een structuurvisie vastgesteld als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet ruimtelijke ordening. Het plangebied is aangemerkt als "Bedrijventerrein".

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0003.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0004.jpg"

Uitsnede structuurvisie

Bedrijventerreinenvisie Westland (2013)

Op 19 februari 2013 heeft de gemeenteraad de Bedrijventerreinenvisie Westland vastgesteld. De bedrijventerreinenvisie betreft een actualisering van de visie uit 2008. In de terugblik worden twee sterke keuzes benoemd die van belang zijn bij onderhavige herziening: segmentering van bedrijventerreinen en de strategie voor milieuhinderlijke bedrijven.

Segmentering

Bedrijventerrein "Transportcentrum Westland" is een agrologistiek bedrijventerrein.

Milieuhinderlijke bedrijven

Ten aanzien van milieuhinderlijke bedrijven wordt in Westland geen extra ruimte geboden aan de hoogste categorieën: 5 en 6.

Milieucategorieën op bedrijventerreinen

Een belangrijk aspect van bedrijventerreinen is de toelaatbaarheid van milieuhinderlijke functies. Milieuhinderlijke bedrijven kunnen nergens anders ingepast worden dan op bedrijventerreinen. Op bedrijventerreinen wordt gestreefd naar een optimaal werkklimaat.

Als nadere uitwerking van de Bedrijventerreinenvisie Westland hebben burgemeester en wethouders de Nota publieksfuncties op bedrijventerreinen vastgesteld om maatwerk te kunnen bieden voor publieksfuncties op lokale bedrijventerreinen. In deze nota is aangegeven wat wel en niet is toegestaan op lokale bedrijventerreinen. Wonen, detailhandel, horeca, leisure en care-functies zijn uitgesloten in bestemmingsplannen die betrekking hebben op bedrijventerreinen. Bij leisure kan worden gedacht aan fitness, kookstudio's en hobbyfuncties. Care-functies zijn onder andere kinderopvang, ouderenzorg, gehandicaptenopvang en huisartsen- en fysiotherapie-collectieven. In hoofdzaak zijn op bedrijventerreinen bedrijfsmatige en industriële functies toegestaan. Genoemd worden het vervaardigen, bewerken, installeren en inzamelen van goederen. Ook verhandelen van goederen wordt genoemd, waarbij detailhandel (verkoop aan een eindconsument) is uitgesloten. In de loop der tijd zijn daarop uitzonderingen gemaakt voor specifieke vormen van detailhandel, zoals verkoop van brand- en explosiegevaarlijke stoffen.De verkoop van de zogenoemde ABC-goederen (Auto’s, Boten en Caravans) is alleen toegestaan met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Ook bouwmarkten zijn met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid mogelijk, conform de provinciale regelgeving. Tegelijkertijd is vestiging van woonwinkels aan strenge regionale regels van Haaglanden gebonden. Een andere functie die in beperkte mate is toegestaan zijn zelfstandige kantoren.Onzelfstandige kantoren, die ten dienste staan van een bedrijf blijven mogelijk. Elk bedrijf kan ruimte nodig hebben voor een administratie- en verkoopafdeling, waarbij de oppervlakte maximaal 3.000 m² bedraagt. Zelfstandige kantoren kunnen in bestemmingsplannen door middel van een afwijkingsprocedure mogelijk worden gemaakt tot 500 m² per gebouw. Hierbij kan worden gedacht aan accountants en architecten. De kantoren mogen echter geen baliefunctie hebben (zoals makelaars en uitzend- of reisbureaus) en moeten ingepast (kunnen) worden op het bedrijventerrein. Inpassing is mogelijk bij de entree, of op de eerste verdieping van bestaande panden. Daarnaast moet voldaan worden aan de parkeernorm, die voor kantoren hoger is dan voor bedrijven.Binnen het plangebied bevinden zich diverse functies die in strijd zijn met deze nota. Voor deze gevallen zal zoveel mogelijk worden aangesloten bij vigerende regelgeving.

Op 27 november 2007 heeft de gemeenteraad de kantorenvisie Westland vastgesteld. De kantorenvisie richt zich op zelfstandige kantoren, dat wil zeggen panden die uitsluitend kantoren huisvesten. Vier locaties zijn kansrijk voor kantoorontwikkelingen, namelijk de Tiendweg met in het verlengde Flora Holland, Centrum Naaldwijk, ABC Westland en Knooppunt Westerlee. Kantoren met een publieksfunctie horen in dorpskernen of de schil daaromheen.Bij de actualisatie van de bestemmingsplannen voor de bedrijventerreinen is gebleken dat zich hier veel kleine kantoorgebruikers gevestigd hebben. Dit terwijl de geldende bestemmingsplannen ze niet of slechts in beperkte mate toelaten. Omdat er een grote vraag vanuit de markt is en kleine zelfstandige kantoren naastgelegen bedrijven over het algemeen niet in de weg zitten, is ervoor gekozen de vraag naar kleine kantoren op bedrijventerreinen niet tegen te houden, maar te reguleren. Op bedrijventerreinen aanwezige kleine zelfstandige kantoren worden in beginsel positief bestemd. Hierop wordt echter een tweetal uitzonderingen gemaakt.De eerste betreft de situatie dat kantoren (potentieel) belemmerend (kunnen) zijn voor een naastgelegen bedrijf met een hoge milieucategorie (3.2 en hoger). In deze situaties wordt gekozen voor de milieuhinderlijke functie. De tweede uitzondering betreft kantoren met een baliefunctie. Baliefuncties horen in de centrumkern.Door middel van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid wordt de vestiging van nieuwe zelfstandige kantoren onder voorwaarden mogelijk gemaakt tot maximaal 500 m² per gebouw. De kantoren mogen echter geen baliefunctie hebben (zoals een makelaars of een uitzend- of reisbureau) en moeten ingepast worden op het bedrijventerrein.Inpassing is mogelijk bij de entree of op de eerste verdieping van bestaande panden. Daarnaast moet voldaan worden aan de parkeernorm, die voor kantoren hoger is dan voor bedrijven.

Met het Westlands Verkeers- en Vervoersplan (WVVP) wordt vanuit het oogpunt van verkeer en vervoer invulling gegeven aan het strategische beleid voor de gemeente Westland, zoals dat is beschreven in de, eind 2005 vastgestelde, Greenportvisie 2020. Op basis van deze vertaling zijn concrete projecten en maatregelen benoemd. Daarbij zijn prioriteiten bepaald en is een volgorde voor uitwerkingen realistisch weergegeven. Door het uitvoeringsprogramma wordt de stap gezet van papier (beleid) naar de praktijk (uitvoering). Het uitvoeringsprogramma en bijbehorende investeringsprogramma passen binnen de huidige begroting.

In de beleidsnotitie conventionele explosieven in het Westland wordt beschreven hoe om moet worden gegaan met dieptewerkzaamheden op locaties die mogelijk conventionele explosieven bevatten. De basis voor het gemeentelijk beleid voor het opsporen van explosieven is de explosieven risicokaart. Deze kaart geeft een eerste indicatie van het mogelijke gevaar van dieptewerkzaamheden op bepaalde locaties in het Westland.In het plangebied zijn volgens de explosievenkaart geen locaties van mogelijke conventionele explosieven opgenomen.

2.1.2 Provinciaal beleid

Visie Ruimte en Mobiliteit (2014)

De 'Visie Ruimte en Mobiliteit' (hierna 'de Visie') is op 9 juli 2014 vastgesteld door Provinciale Staten. Anders dan de voorgaande visie speelt de provincie veel meer in op de structurele veranderingen in de samenleving, de economie en het milieu, waarvan de uitkomsten nog onzeker zijn. Daarom is er sprake van een combinatie van zowel flexibiliteit als duidelijkheid in de vorm van randvoorwaarden en kaders. De visie is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen. Het beleid voor ruimte en mobiliteit bevat daarom geen eindbeeld, maar wel ambities. Deze zijn verwoord in vier rode draden door het beleid voor ruimte en mobiliteit heen en strategische doelstellingen voor onderdelen. De vier rode draden zijn:

  • 1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • 2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  • 3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • 4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.

Bestaand stedelijk gebied/Stedelijke agglomeratie

Binnen de stedelijke agglomeratie stuurt de provincie op sterke en complementaire centra en ontwikkelingslocaties bij knooppunten. Nieuwe investeringen in gebiedsontwikkeling, mobiliteit en infrastructuur worden zo veel mogelijk geconcentreerd. Daarvoor komen locaties in aanmerking binnen de stedelijke agglomeratie, waar het infrastructuurnetwerk nog onbenutte capaciteit heeft en waar door de stedelijke dynamiek kansen liggen voor de versterking van de agglomeratiekracht en complementariteit in de regio. Andere ontwikkelingslocaties kunnen in aanmerking komen, als ze uitstekend zijn ontsloten over de weg en per hoogwaardig openbaar vervoer en goed te bereiken zijn per fiets. Voor kantoren en detailhandel voert de provincie een selectief locatiebeleid. Nieuwe bovenregionale voorzieningen (zoals bovenregionale ziekenhuizen, opleidingscentra en culturele voorzieningen) wil de provincie concentreren op locaties die verschillende voordelen combineren: de te bereiken schaalvoordelen, de bijdrage aan de stedelijke dynamiek van de gebieden en het benutten van de capaciteit op het mobiliteitsnetwerk.

Laag van de stedelijke occupatie

Deze laag bestaat uit het bebouwde gebied (steden en dorpen) en de doorlopende netwerken van wegen, vaarwegen, spoor en groen. Zuid-Holland heeft een groot aantal bedrijventerreinen. Logistieke en watergebonden terreinen zijn onlosmakelijk verbonden met het netwerk van infra en water en staan daarom apart benoemd in deze laag. Het zijn monofunctionele werkgebieden met een ‘no nonsense’ karakter. Zuid-Holland wordt verder gekenmerkt door een aantal grote glascomplexen. Hier is het streven een modern uiterlijk en duurzaam en functioneel gebruik van de ruimte.

Bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen liggen veelal aan de toegangswegen van dorpen en steden en bepalen in belangrijke mate de entree van het gebied, maar zijn ruimtelijk veelal niet verbonden met het aangrenzende landschap, stads- of dorpsgebied en hebben daardoor een afgesloten karakter. Veelal betreft het logistieke bedrijventerreinen, waarvoor een goede aansluiting op het wegennet essentieel is. Daar waar bedrijventerreinen de entree van een stad of dorp vormen, is extra aandacht voor de beeldkwaliteit van (de rand van) het terrein, de ontsluiting en de samenhang met de omgeving van belang. Deze terreinen zijn het visitekaartje van dorp of stad. Doorgaande recreatieve routestructuren worden gerespecteerd of krijgen een gelijkwaardige vervanger. Het terrein of haar omgeving is aantrekkelijk voor verschillende gebruikers.

Richtpunten:

  • Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.

Verordening Ruimte

Bedrijven in de hogere milieucategorieën vormen een belangrijke schakel in de economische structuur van de provincie Zuid-Holland. Omvangrijke terreinen voor bedrijven met een hoge milieuhindercategorie (HMC-bedrijven) zijn te vinden in de zeehavengebieden in de Rotterdamse regio en de Drechtsteden. De zogenoemde HMC-bedrijven, kennen veelal een hoge toegevoegde waarde en vormen vaak het middelpunt van andere bedrijvigheid met vele toeleveranciers, inclusief de zakelijke dienstverlening.

De ruimte voor bedrijven in de hogere milieucategorieën staat onder druk door de milieuzoneringen rond woningbouw. Gezien het belang van de HMC-bedrijven is de (milieu)ruimte voor dit type bedrijven van provinciaal belang. Uitgangspunt voor bestemmingsplannen is het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein. Hiervan kan alleen worden afgeweken indien daartoe aanleiding bestaat in verband met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan of het Programma ruimte.

Artikel 3.2.1, lid 1:

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.

Programma Ruimte

In het Programma ruimte, onder bestuurlijke afspraken wordt vermeld dat:

In de gemeente Maassluis biedt de locatie Dijkpolder de mogelijkheid om invulling te geven aan een woningvraag die in deze subregio slechts in uitleglocaties gerealiseerd kan worden. In de Dijkpolder kan woningbouw ontwikkeld worden die aansluit bij de verhoudingen 80% binnenstedelijk bouwen en 20% in uitleglocaties, zoals in de Verstedelijkingsstrategie Zuidvleugel is opgenomen. In de komende 10 jaar bestaat er voldoende perspectief voor de ontwikkeling van de eerste fase van Dijkpolder (met een bandbreedte van ca 300 tot 1150 woningen).

Het vastgestelde bestemmingplan voor de (eerste fase van) Dijkpolder voorziet woningbouw op ca. 390 meter vanaf de bestemming "Bedrijventerrein" in het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen A20 Westland".

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0005.jpg"

Uitsnede Ruimtelijkeplannen.nl met afstand "Woongebied" - "Bedrijventerrein"

De maximale categorie voor 390 meter ten opzichte van een rustige woonwijk bedraagt 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.

2.1.3 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011)

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen, onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Doelen

In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Het Westland is op de kaart van de nationale ruimtelijke hoofdstructuur aangewezen als Greenport.

De Nederlandse open economie raakt steeds meer verweven met die van sterke concurrenten als Duitsland, China en India. De kansen in het internationale speelveld liggen vooral bij de zogenoemde topsectoren: logistiek, water, hightech, creatieve industrie, energie, chemie en voedsel en tuinbouw. Veel van die sectoren zijn geconcentreerd in de stedelijke regio's rond de mainports, brainport en greenports. De ambitie is dat Nederland in 2040 behoort tot de top 10 concurrerende landen van de wereld door een goede ruimtelijk-economische structuur voor een excellent vestigingsklimaat voor bedrijven en kenniswerkers. Dit betekent onder andere een optimale internationale bereikbaarheid van stedelijke regio's in 2040 en uitstekende (logistieke) verbindingen van de mainports Rotterdam en Schiphol, de brainport Zuidoost Nederland en de greenports met Europa en de rest van de wereld.

De meeste topsectoren concentreren zich in stedelijke regio's en dan vooral in de stedelijke regio's rond de mainports, brainport en greenports. Vanwege deze concentratie en de nationale baten die daarmee gemoeid zijn, wil het Rijk in deze regio's extra inzetten op versterking van de concurrentiekracht. Hiervoor wordt een gebiedsgerichte, programmatische urgentieaanpak ingezet waarin afspraken over de versterking van de ruimtelijk-economische structuur in brede zin worden gemaakt met de decentrale overheden.

Nationale belangen

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Dit besluit is op 30 december 2011 (grotendeels) in werking getreden en omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Uit de regels en kaarten behorende bij het Barro kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke besluit. Voor het plangebied is relevant dat het Rijk streeft naar een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren. In dit kader blijft het Rijk gebiedsgerichte afspraken maken met de stedelijke regio's (zoals Rotterdam) over de programmering van verstedelijking, zowel kwantitatief als kwalitatief.

Op 1 oktober 2012 zijn aan het Barro een aantal onderwerpen toegevoegd. Het gaat om de eerder aangekondigde onderwerpen Ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. Aan artikel 3.6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking toegevoegd. Dit artikel bepaalt, dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een verantwoording dient te bevatten dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk, zodat een verantwoording achterwege kan blijven

2.1.4 Conclusie

Het plangebied wordt beschouwd als bestaand stedelijk gebied en is ook als zodanig aangewezen. Het plangebied bestaat uit een gedeelte van een agrologistieke bedrijventerrein. Bij ontwikkelingen binnen het plangebied zijn intensief ruimtegebruik, duurzaamheid en segmentering belangrijke uitgangspunten. Voor segmentering geldt enerzijds waar mogelijk streven naar een zo hoog mogelijke milieuhindercategorie, anderzijds aandacht voor omgevingskwaliteit en landschappelijke inpassing. Het plangebied wordt conform de bestaande situatie bestemd, waarbij de hoogst haalbare milieuzonering wordt vastgelegd (met uitzondering van categorie 5 en 6 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten). Tot slot worden een aantal functies en bedrijfsactiviteiten conform de Bedrijventerreinenvisie uitgesloten, om het agrologistieke karakter te waarborgen. Het gaat hier om zelfstandige kantoren en detailhandel. Het bestemmingsplan past derhalve binnen de beleidslijnen van de diverse overheden.

2.2 Ruimtelijk-functionele structuur

2.2.1 Historisch ruimtelijke opbouw

Het plangebied, gelegen op Transportcentrum Westland, grenst tegen de gemeentegrens met Maassluis en Midden-Delfland (kern Maasland). De directe aansluiting op het rijkswegennet heeft geleid tot de grootschalige, bedrijfsmatige invulling van de bedrijvenzone. Dat karakter wordt versterkt door het ontbreken van een binding met een dorpskern.

Functionele beschrijving bedrijvenzone

Bij de actualisatie van bestemmingsplannen is gekozen voor harmonisatie van de planologische regimes op bedrijventerreinen. Drie verschillende type bedrijventerreinen worden onderscheiden: lokale terreinen, regionale terreinen en agrologistieke terreinen. Dit is een typering van de bedrijventerreinen op basis van functie. Transportcentrum Westland is een agrologistiek terrein. De grote loodsen, de vele dockshelters en de brede wegen voor vrachtverkeer zijn typerend voor agrologistieke bedrijventerreinen. De aansluiting op de A20 en het feit dat de terreinen niet geografisch of functioneel gebonden zijn aan een dorpskern versterkt dit karakter. De verdienstelijking van de economie heeft op deze terreinen weinig ruimtelijke gevolgen. Publieksfuncties en volumineuze detailhandel zijn uitgesloten op dit bedrijventerreinentype. De minimale omvang van een bedrijfsunit is 400 m².

Transportcentrum

Het Transportcentrum is een agrologistiek bedrijventerrein. Het terrein is geheel ingericht voor transport, handel en/of distributie vanuit de (glas)tuinbouw afkomstige producten, waarbij op- en overslag inclusief het verwerken, om-, her- en verpakken. Dit is gericht op de producten uit de Nederlandse (glas)tuinbouwgebieden en fruit dat via de Rotterdamse haven uit het buitenland komt.

In het voormalige bestemmingsplan 'Transportcentrum Maasland' zijn daarnaast bedrijven toegestaan die de transportfunctie ondersteunen zoals truckdealers, alsook ondersteunende functies als het van oudsher truckerscafé Westgaag en brandstofvulpunten, waarvan één uitsluitend geschikt is voor vrachtwagens.

Het Transportcentrum kent vrijwel geen functiemenging. In het verleden zijn bij de entree naast het brandstofvulpunt enkele kleine bedrijfsunits ontstaan die door andere functies dan transportfuncties zijn opgevuld. Direct ten zuiden van de aansluiting van de Coldenhovelaan op de rijksweg ligt een wegonderhoudsdepot van Rijkswaterstaat met een eigen ontsluiting, dat geen directe verbinding heeft met het bedrijventerrein. Het Transportcentrum wordt op twee punten ontsloten door de Transportweg, een centraal gelegen min of meer rechthoekig rondlopende ontsluitingsroute met bedrijven aan weerszijden van de weg. De weg sluit met twee verbindingen, één aan de noord- en één aan de zuidzijde, aan op de Coldenhovelaan respectievelijk de Westgaag.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0006.png"

Bedrijfsbebouwing Transportcentrum

Het plangebied bevindt zich in het uiterste zuidoosten van het bedrijventerrein en kent geen andere (neven-)functies dan de transportfunctie.

2.3 Gebiedsvisie

2.3.1 Algemeen

De geografische factoren van het gebied zijn optimaal voor bedrijvigheid. De excellente aansluitingen en de afwezigheid van intensieve woonbebouwing maakt dit gebied geschikt voor de omvang en het karakter van regionale en agrologistieke bedrijvigheid. Alleen de gemeente Maassluis heeft woonbebouwing grenzend aan het Transportcentrum. Deze woonbebouwing wordt uitgebreid in de Dijkpolder. Het plangebied is onderdeel van een bedrijventerrein dat is gelegen aan een op- en afrit van de rijksweg A20. De ligging aan de A20 is daarmee gunstig en de aansluiting op de haven van Hoek van Holland is door infrastructuurprojecten, zoals de tweede ontsluitingsweg Hoek van Holland en het 3-in-1 project (onder andere Knooppunt Westerlee) eveneens zeer goed.

2.3.2 Typering gebied

Gedurende de 10-jarige looptijd van dit bestemmingsplan wordt geen herstructurering voorzien. Op de lange termijn is de revitaliseringsvraag afhankelijk van de investeringsbereidheid van ondernemers in hun gebouwen en hun bedrijfsgebied. Naar verwachting zal de dynamiek als gevolg van de clustering van grootschalige bedrijven nog verder toenemen. Qua segmentering blijft de hoofdlijn behouden: grote ruimte-extensieve bedrijven met veel vrachtwagentransport. Detailhandel is in elke vorm uitgesloten. Voor functiemenging is geen ruimte op het agrologistieke terreinen. De milieuzonering van het bedrijventerrein is geactualiseerd, waarbij de hoogst mogelijke milieucategorie is toegestaan, met uitzondering van bedrijven met milieucategorie 5 en 6.

2.3.3 Niet-toegestane en/of ongewenste functies

Het bestemmingsplan is gericht op een actuele bestemmingsregeling voor de bestaande situatie. Daar waar mogelijk is intensief ruimtegebruik mogelijk gemaakt. Overeenkomstig het beleid uit de gemeentelijke Bedrijventerreinenvisie, wordt vermenging van bedrijfsmatige functies met publieksfuncties zoals detailhandel uitgesloten in het bestemmingsplan. Bestaande vergunde situaties worden positief bestemd door middel van maatbestemmingen.Het toetsingskader in de Bedrijventerreinenvisie Westland voor andere functies op bedrijventerreinen luidt als volgt:

  • Detailhandel wordt uitgesloten op bedrijventerreinen;
  • Volumineuze detailhandel is mogelijk op zichtlocaties, maar uitsluitend op lokale terreinen. De bedrijventerreinen A20 zijn alleen geen lokaal terrein;
  • Volumineuze detailhandel is niet toegestaan op agrologistieke/agrogerelateerde bedrijventerreinen;
  • Nieuwe vestigingen van volumineuze detailhandel(centra) zijn uitgesloten tot 2015 vanwege een gebleken overaanbod in bouwmarkten en woonwinkels;
  • Verspreide zelfstandige kantoren op bedrijventerreinen zijn niet gewenst op bedrijventerreinen;
  • Publieksfuncties zoals horeca en fitness zijn niet toegestaan of gewenst op bedrijventerreinen;
  • Publieksfuncties zijn uitsluitend mogelijk op bedrijventerreinen indien de noodzakelijkheid is aangetoond, alternatieven zijn onderzocht en de functie ingepast kan worden op een locatie waar dit geen hinder veroorzaakt voor de bedrijven;
  • Woon-zorg functies worden niet toegelaten op bedrijventerreinen.

Hoofdstuk 3 Onderzoek

3.1 Milieueffectrapportage

3.1.1 Wettelijk kader

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.
3.1.2 Conclusie

In de regels van het bestemmingsplan is de vestiging van projectmer-plichtige en mer-beoordelingsplichtige bedrijven uitgesloten. Tevens zullen er gelet op de kenmerken van het project (het feit dat het bestemmingsplan consoliderend van aard is), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor het bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

3.2 Bedrijven en milieuzonering

3.2.1 Toetsingskader

Voor de milieuzonering van bedrijven in ruimtelijke plannen geldt in het algemeen geen wettelijk kader. Wel is het in het kader van een goede ruimtelijke ordening van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Met het oog hierop is in het bestemmingsplan gezorgd voor voldoende afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Met behulp van een milieuzonering is in het plangebied aangegeven welke bedrijfsactiviteiten op een locatie kunnen worden uitgeoefend. De milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naarmate van milieubelasting. De milieuzonering en de gebruikte Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009).

Rijks- en provinciaal beleid

Het kabinet heeft met provincies en gemeenten een convenant gesloten over een nieuwe aanpak van bedrijventerreinen. Doel is het stimuleren van een gezond economisch vestigingsklimaat waarbij open landschappen worden gespaard, verrommeling wordt tegengegaan en duurzaamheid wordt gestimuleerd. Uitgangspunt is dat eerst op bestaande terreinen naar ruimte voor bedrijvigheid wordt gezocht, voordat tot de aanleg van nieuwe terreinen wordt overgegaan. In de provinciale Verordening Ruimte worden de bedrijventerreinen aangewezen als bestaand bedrijventerrein. Op grond van de provinciale verordening dient bij bestaande bedrijventerreinen de hoogst mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving mogelijk gemaakt te worden. Het rijks- en provinciaal beleid gaat dus uit van een betere benutting van bestaande terreinen, eerder dan de aanleg van nieuwe terreinen.

Gemeentelijk beleid

De gemeente Westland heeft in de Bedrijventerreinenvisie 2008 een strategie voor milieuhinderlijke bedrijvigheid opgesteld. Hierin is het uitgangspunt neergelegd dat de gemeente Westland het niet wenselijk acht om milieuhinderlijke bedrijvigheid (categorie 5 en 6) meer ruimte te geven. Dergelijke bedrijvigheid krijgt binnen de gemeentegrenzen geen uitbreidingsmogelijkheden. Daarnaast heeft de gemeente specifiek beleid opgesteld voor de integrale benadering van de milieuzonering voor de bestemmingsplannen voor de diverse bedrijventerreinen binnen de gemeente. Een uitgebreide beschrijving van deze benadering is te vinden in bijlagen bij toelichting bijlage 2. Hieronder wordt deze benadering kort toegelicht.

3.2.2 Gevoelige bestemmingen en gebiedstypen; uitgangspunten milieuzonering

Het plangebied bestaat uit een gedeelte van een agrologistiek bedrijventerrein. Op dit type bedrijventerrein is functiemenging ongewenst. Daarom is in dit bestemmingsplan, die als agrologistiek bedrijventerrein is aangewezen, gebruikgemaakt van de SvB 'agrologistiek'. Voor een nadere toelichting op de aanpak van de milieuzonering met behulp van de Standaard SvB wordt verwezen naar bijlagen bij toelichting bijlage 1 van deze toelichting. Bij de milieuzonering dient rekening te worden gehouden met diverse bedrijfswoningen binnen het plangebied, de woningen op de bedrijventerreinen en de woningen direct langs de bedrijventerreinen.

Bedrijfswoningen

De bedrijfswoningen op het bedrijventerrein worden gehandhaafd. Voor dit type woningen worden minder hoge eisen aan het woon- en leefklimaat gesteld door de aanwezigheid van het (vaak eigen) bedrijf en de hinder die dit veroorzaakt. Voor nieuwe bedrijventerreinen wordt als uitgangspunt gehanteerd dat, naast bedrijfswoningen, bedrijven uit maximaal categorie 2 toelaatbaar zijn. Omdat het in dit geval gaat om een bestaande situatie en nieuwe bedrijfswoningen niet mogelijk worden gemaakt, wordt daar flexibeler mee omgegaan. Direct aangrenzend aan bedrijfswoningen, zijn bedrijven uit maximaal categorie 3.1 van de Standaard SvB toegestaan. Bedrijven uit categorie 3.2 zijn op een afstand van 30 m toegestaan. Dit betekent dat bij de milieuzonering voor bedrijfswoningen met 2 afstandsstappen wordt afgeweken van de richtafstanden uit de Standaard SvB. Het afwijken van de richtafstanden ten opzichte van bedrijfswoningen wordt hier aanvaardbaar geacht, omdat de aanwezigheid van bedrijfswoningen binnen het plangebied in de regel een historisch gegroeide situatie betreft. Bovendien is wegbestemmen van de momenteel aanwezige bedrijfswoningen financieel niet haalbaar noch gewenst.

Woningen in de directe omgeving van de bedrijventerreinen

Ten zuidwesten van het plangebied ligt een aantal verspreid liggende woningen. Deze woningen liggen in de directe omgeving van het plangebied. Ook liggen deze woningen in de directe omgeving van drukke wegen als de A20 en de N220. Ter plaatse van deze woningen is dan ook geen sprake van een rustige woonwijk. Deze woningen behoren daarom tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Bij deze woningen wordt met 1 afstandsstap afgeweken van de richtafstanden uit de Standaard SvB.

Rustige woonwijken

De toekomstige woonwijk "Dijkpolder" in de gemeente Maassluis wordt als rustige woonwijk beschouwd. In deze woonwijk is geen functiemenging beoogd. Tussen deze woonwijk en het plangebied is een duidelijke ruimtelijke afscheiding (de Westgaag). Ten opzichte van deze woningen worden de richtafstanden uit de Standaard SvB dan ook onverkort gehanteerd teneinde een goed woon- en leefklimaat te garanderen. De bestemming "Woongebied" ligt op ca. 400 meter van het plangebied. Ter plaatse van het plangebied, grenzend aan de nieuwe woonwijk, zijn ten hoogste bedrijven uit categorie 4.1 toegestaan. Voor bedrijven uit deze categorie geldt een richtafstand van 200 m ten opzichte van een rustige woonwijk. Omdat aan deze richtafstand sowieso wordt voldaan, is de toekomstige woonwijk geen belemmering voor de bedrijfsvoering van de bedrijven op het bedrijventerrein.

Daar waar de verschillende normen met elkaar overlappen, wordt ten gunste van de strengste norm besloten. Als de afstand tot een bedrijfswoning bijvoorbeeld categorie 3.2 toestaat, maar de afstand tot het gemengd gebied slechts categorie 2 toestaat, krijgt het betreffende bedrijfsperceel dus een algemene toelaatbaarheid van categorie 2. De gemeente Westland kiest voor bedrijvigheid door nog een extra stap af te wijken van de normen die gelden voor gemengd gebied bij gevoelige functies op de bedrijventerreinen zelf. Er kan echter niet zover worden gegaan dat het gunstige woon- en leefklimaat van rustige woonwijken wordt aangetast. De maximaal mogelijk milieucategorie in het plangebied, op basis van de afstand tot de toekomstige woonwijk, is 4.2, echter deze kan niet worden behaald door bestaande (bedrijfs-)woningen elders op/aan het bedrijventerrein, waardoor teruggevallen wordt op categorie 4.1.

3.2.3 Uitwerking milieuzonering

Op grond van de eerdergenoemde uitgangspunten is de milieuzonering op onderstaande verbeelding opgenomen. Hierbij is uitgegaan van de richtafstanden zoals genoemd in bijlagen bij toelichting bijlage 1 en de afwijkingen hiervan zoals hierboven beschreven. De milieuzonering is weergegeven in figuur 3.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0007.jpg"

Figuur 3.1: Maximaal milieucategorie

Afwijken van de gebruiksregels

De toelaatbaarheid, zoals deze hierboven is beschreven, betekent niet dat de uitoefening van activiteiten uit een hogere categorie in alle gevallen onaanvaardbaar is. De Standaard SvB geeft namelijk een vrij grove indeling van de hinderlijkheid van bedrijven. De situatie bij een specifiek bedrijf kan daarvan afwijken. Met name komt het voor dat een bedrijf als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze, minder hinder veroorzaakt dan in de Standaard SvB is verondersteld. In dat geval kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van de algemene toelaatbaarheid. Op die manier kan een dergelijk bedrijf voor de desbetreffende activiteit toe worden gelaten. Dit geldt alleen voor bedrijven uit maximaal één categorie hoger dan de in het bestemmingsplan toegestane categorie.

Bedrijfswoningen

In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe bedrijfswoningen toegelaten, alleen de momenteel aanwezige bedrijfswoningen worden positief bestemd. De moderne bedrijfsvoering en beveiliging vereisen in het algemeen niet meer dat er continu (toezichthoudend) personeel aanwezig is. Bovendien leidt de aanwezigheid van bedrijfswoningen tot onnodige beperkingen omtrent de toelaatbaarheid van bedrijven op de bedrijventerreinen: de bouw van een bedrijfswoning betekent dat er in de naaste omgeving alleen lichte bedrijven kunnen worden toegestaan.

3.2.4 Conclusie

In dit bestemmingsplan wordt door de gehanteerde milieuzonering, die in de bestemmingsplanregeling is opgenomen, zorg gedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen en worden de bestaande bedrijven niet in hun functioneren belemmerd.

3.3 Geluid

3.3.1 Wettelijk kader

Wet geluidhinder

Met de Wet geluidhinder wordt, vanuit een goed milieubeheer, een aantal specifieke geluidsgevoelige bestemmingen beschermd zoals woningen, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen. De geluidszonering die door deze wet wordt voorgeschreven, ligt rondom bedrijventerreinen, langs wegen voor wegverkeer, langs spoor-, tram- en metrowegen en rondom of langs andere geluidsoverlast veroorzakende objecten. Aan de geluidsbelasting op de (gevels van de) geluidsgevoelige objecten worden grenzen gesteld terwille van het woon- en leefklimaat.In het algemeen is een geluidsbelasting op de gevel van een bestaande woning tot een maximum van 55 dB(A) toegestaan. Op andere geluidsgevoelige objecten kan die norm anders zijn. De wet kent de aanname dat het gebruik van een autoweg waarvoor als verkeersmaatregel een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt, geen ongeoorloofde geluidsbelasting teweeg brengt.In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van toelaatbare geluidhinder ten opzichte van geluidsgevoelige objecten.
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met de zogeheten geluidszonering.
Los van de wettelijke verplichting ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is het met het oog op een goede ruimtelijke ordening gewenst dat een bestemmingsplan dat geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, eveneens een zogenaamde geluidsparagraaf omvat. In dat onderdeel van de toelichting van het bestemmingsplan moet ingegaan worden op het door burgemeester en wethouders op grond van artikel 164 van de Wet geluidhinder vastgestelde zonebeheerplan. Dit zonebeheerplan regelt de verdeling van schaarse geluidruimte op een bedrijventerrein. Het is verder wenselijk dat wordt ingegaan op de huidige geluidskwaliteit, met name of die kwaliteit voldoet aan de (nieuwe) bestemming op die gronden.

3.3.2 Conclusie

Industrielawaai

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidshinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen – vroeger ook wel 'A-inrichtingen' genoemd – worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidszone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidsbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai. Nieuwe geluidsgevoelige functies (zoals woningen) binnen de zonegrens zijn niet zonder meer toegestaan. Indien er binnen de 50 dB(A)-contour, de zonegrens van het industrieterrein, geluidsgevoelige functies (bijvoorbeeld woningen) mogelijk worden gemaakt, geldt een onderzoeksplicht. Wanneer er voor een locatie binnen de zone industrielawaai wordt aangetoond dat de geluidsbelasting onder de 50 dB(A) ligt, is de bouw van geluidsgevoelige functies op die locatie toegestaan. Bij een geluidsbelasting van meer dan 50 dB(A) kan door burgemeester en wethouders een hogere grenswaarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A).

Het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein. Op de bedrijventerreinen kunnen zich dan ook geen grote lawaaimakers vestigen. In de huidige situatie zijn dergelijke inrichtingen hier ook niet aanwezig. Vrijwel het hele plangebied ligt binnen de geluidszone van industrieterrein Europoort-Maasvlakte. De geluidszone is opgenomen op de verbeelding. Aangezien het bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk maakt, vormt deze zone geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Wegverkeerslawaai

In het kader van de Wet geluidhinder bevindt zich langs veruit de meeste wegen in en rondom het plangebied een geluidszone. Alleen de wegen die zijn uitgevoerd als 30 km/h-gebied zijn niet gezoneerd. Binnen de geluidszone van de gezoneerde wegen dient de geluidsbelasting vanwege wegverkeerslawaai aan de gevels van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen te voldoen aan de normen van de Wet geluidhinder.

Er worden in dit bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Er is dan ook geen akoestisch onderzoek uitgevoerd.

3.4 Luchtkwaliteit

3.4.1 Wettelijk kader

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 (Luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde   Geldig  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 t/m 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)1)   jaargemiddelde concentratie   48 µg/m³    
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 75 µg/m³    
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   vanaf 11 juni 20111) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wlk behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007). Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:  
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In dit Besluit is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 1% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied.

3.4.2 Onderzoek

Het bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard. Het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid zal, gezien de beperkte omvang van de percelen waarop deze wijzigingsbevoegdheid ligt, slechts een zeer beperkt effect op de concentraties luchtverontreinigende stoffen hebben. Dit effect zal zeker kleiner zijn dan 3% van de bovengenoemde grenswaarden. Formele toetsing aan deze grenswaarden kan daarom achterwege blijven.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzicht gegeven in de luchtkwaliteit binnen het plangebied. Dit wordt gedaan aan de hand van de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) hoort. Deze webapplicatie geeft de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs maatgevende wegen weer. Uit de monitoringstool blijkt dat zowel in 2011 als in 2020 en alle tussenliggende jaren, direct langs de A20 en de N220 aan de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof wordt voldaan. Omdat direct langs deze wegen aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ter plaatse van de overige delen van het plangebied ook het geval zijn. De concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ter plaatse van het plangebied is vanuit luchtkwaliteit daarom sprake van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.

3.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de vaststelling van dit bestemmingsplan niet in de weg staat.

3.5 Externe veiligheid

3.5.1 Wettelijk kader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten\

Voorbeelden van kwetsbare objecten zijn woningen, ziekenhuizen en gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn (zoals kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlak van meer dan 1.500 m² per object).Voorbeelden van beperkt kwetsbare objecten zijn kantoorgebouwen en hotels met een brutovloeroppervlak van maximaal 1.500 m² per object. Ook een bedrijf is in principe een beperkt kwetsbaar object. Bedrijven vallen echter onder het begrip kwetsbaar object indien in het gebouw doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn.BedrijvigheidHet toetsingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi). Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aan grenswaarden moet altijd worden voldaan, van richtwaarden kan om gewichtige reden worden afgeweken. Zowel de grenswaarde als de richtwaarde liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan de grenswaarde worden voldaan en met de richtwaarde rekening worden gehouden, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft.Op basis van het Bevi geldt als oriëntatiewaarde voor het GR:

  • 10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers;
  • 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers;
  • 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers;
  • enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de richtwaarde).

Ook bedrijven waarop het Bevi niet van toepassing is, kunnen risico's voor de omgeving met zich meebrengen. Voor nieuwe situaties geldt voor het PR in principe een norm van 10-6 per jaar en voor bestaande situaties 10-5 per jaar. Voor het GR geldt de hierboven genoemde oriëntatiewaarde.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen is opgenomen in de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS). Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.Binnenkort zal het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen worden vastgesteld. Momenteel is een nieuwe AMvB voor het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoorlijnen in voorbereiding. In deze AMvB zal worden aangesloten bij de risiconormering uit het Bevi.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. Deze AMvB sluit aan bij de risiconormering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). De toetsings- en bebouwingsafstand zijn vervangen door een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt dat er binnen de risicocontour van 10-6 geen kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Voor het GR wordt een oriëntatiewaarde als ijkpunt gehanteerd. Het groepsrisico in de omgeving van buisleidingen moet worden verantwoord. Dit geldt zowel voor bestaande situaties als voor ontwikkelingen die zorgen voor een toename van het groepsrisico. In een aantal situaties kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het GR. Het betreft de volgende situatie:

  • het plangebied ligt buiten het gebied behorende bij de afstand waar nog 100% van de aanwezigen kan komen te overlijden (bij toxische stoffen de grens van PR 10-8 per jaar) of;
  • het GR is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde, of;
  • het GR neemt met minder dan 10% toe terwijl de oriënterende waarde niet wordt overschreden.
3.5.2 Onderzoek

Bedrijvigheid

Uit de provinciale risicokaart (www.risicokaart.nl) blijkt dat in het plangebied één risicovolle inrichting ligt, namelijk het tankstation met lpg-installatie aan de Coldenhovelaan. Dit tankstation valt onder het Bevi en heeft een jaardoorzet van minder dan 999 m³ lpg. Voor een dergelijke inrichting gelden verschillende PR 10-6-contouren. De grootste is die rond het vulpunt dat in het noorden van de inrichting ligt. Deze bedraagt 40 m. Verder zijn er nog twee kleinere risicocontouren behorende bij deze lpg installatie: één rond het reservoir (25 m) en één rond de afleverzuil (15 m). Binnen deze risicocontouren liggen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten (zie figuur 3.2). Tevens maakt het bestemmingsplan dergelijke objecten hier niet mogelijk. De risicocontouren zijn door middel van een gebiedsaanduiding op de verbeelding aangegeven.

Het invloedsgebied voor het GR bedraagt 150 m. Binnen dit invloedsgebied maakt het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk (ook niet via een wijzigingsbevoegdheid). De vaststelling van dit bestemmingsplan heeft dan ook geen invloed op de hoogte van het GR. Uit de provinciale risicokaart blijkt dat het GR in de huidige situatie onder de oriëntatiewaarde ligt. Een uitgebreide verantwoording van het GR kan daarom achterwege blijven. Een beperkte verantwoording van het GR is aan het eind van deze paragraaf te vinden.Ook in de directe omgeving van het plangebied ligt een aantal risicovolle inrichtingen, namelijk de aardolie- en aardgaswinning GAAG aan de Coldenhovelaan en The Greenery (opslag van ammoniak) aan de Herenlaan. De relevante kenmerken van deze inrichtingen zijn weergegeven in tabel 3.1 en zijn gebaseerd op informatie uit de provinciale risicokaart.

Tabel 3.1 risicovolle inrichtingen buiten het plangebied

inrichting   PR 10-6-
contour  
afstand tot plangebied   GR huidige situatie  
GAAG   145 m   0 m   kleiner dan oriëntatiewaarde  
The Greenery   1 m   30 m   kleiner dan oriëntatiewaarde  

Uit tabel 3.1 blijkt dat het plangebied buiten de PR 10-6-contour van The Greenery, maar binnen de PR 10-6-contour van GAAG ligt. In het plangebied liggen alleen bedrijfsgebouwen binnen deze risicocontour, (bedrijfs)woningen zijn hier niet aanwezig. De betreffende bedrijfsgebouwen worden gebruikt als transportbedrijf. Dergelijke bedrijven zijn, gezien het aantal personen en de tijd dat personen hier verblijven, aan te merken als beperkt kwetsbare objecten. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de PR 10-6-contour als een richtwaarde. Van deze waarde kan om gewichtige redenen worden afgeweken. In dit geval zijn er twee redenen om van deze richtwaarde af te wijken, namelijk:

  • het bedrijfsgebouw is ingeval van een calamiteit goed van de bron (de inrichting GAAG) af te ontvluchten. De in- en uitgangen van het bedrijfsgebouw zijn namelijk ook in het noorden van het bedrijf gesitueerd;
  • het bedrijfsgebouw betreft een bestaand object; het verwijderen van dit object zou hoge kosten met zich meebrengen.

Hierom vindt de gemeente het toelaatbaar dat het bestaande transportbedrijven binnen de PR 10-6-contour van GAAG ligt. In de directe omgeving van de inrichtingen GAAG en The Greenery maakt het bestemmingsplan geen ontwikkelingen mogelijk die tot een toename van het GR zullen leiden. Als gevolg van het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid kan de woonbestemming worden gewijzigd in een bedrijfsbestemming. Als gevolg van deze wijziging neemt de personendichtheid binnen het invloedsgebied af. Ter plaatse van bedrijven verblijven over het algemeen namelijk minder mensen dan ter plaatse van burgerwoningen. Ook zijn ter plaatse van bedrijven mensen gedurende een kortere tijd van de dag aanwezig dan bij woningen. Het gebruikmaken van de wijzigingsbevoegdheid zal dan ook niet tot een toename van het GR leiden. Aangezien in de huidige situatie aan de oriëntatiewaarde wordt voldaan, kan een uitgebreide verantwoording van het GR achterwege blijven. Een beperkte verantwoording van het GR is aan het eind van deze paragraaf opgenomen.Binnen het plangebied wordt de vestiging van nieuwe bedrijven die onder het Bevi vallen uitgesloten. De hierboven genoemde en reeds bestaande Bevi-inrichting wordt via een specifieke functieaanduiding mogelijk gemaakt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor of over het water vindt niet plaats in of in de omgeving van het plangebied. Uit de Circulaire RVGS blijkt dat door het plangebied gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de weg, namelijk over de A20 en de N220. De kenmerken van deze transportassen zijn weergegeven in tabel 3.2.

Tabel 3.2 Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

transportas   PR 10-6-contour   afstand tot plangebied   GR huidige situatie 1)  
A20   valt niet buiten de wegas   0 m   < 0,1 maal de oriëntatiewaarde  
N220   valt niet buiten de wegas   0 m   < 0,1 maal de oriëntatiewaarde  

1) Dit blijkt uit het ontwerpbasisnet weg en gegevens van de gemeente.

De PR 10-6-contour van deze wegen valt niet buiten de wegas. Daarom vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In de huidige situatie wordt ruimschoots aan de oriëntatiewaarde voor het GR voldaan. Omdat de ontwikkeling die het bestemmingsplan (via een wijzigingsbevoegdheid) mogelijk maakt niet tot een toename van de personendichtheid en dus ook niet tot een toename van het GR leidt, kan een uitgebreide verantwoording van het GR achterwege blijven. Een beperkte verantwoording van het GR is aan het eind van deze paragraaf opgenomen.

Leidingen

Door het plangebied loopt een groot aantal leidingen van en naar het bedrijf GAAG. Deze leidingen liggen langs de Coldenhovelaan en langs de Oude Campsweg. Ook ligt er een aantal leidingen in de directe omgeving van het plangebied. Deze leidingen liggen langs de A20. De kenmerken van deze leidingen zijn weergegeven in tabel 3.3. De ligging van deze leidingen is weergegeven in figuur 3.2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0008.png"

Figuur 3.2 Leidingen en risicovolle inrichtingen

Tabel 3.3 Eigenschappen risicovolle leidingen

leiding nr.   eigenaar/beheerder   druk (bar)   uitwendige diameter (inch)   afstand PR 10-6-contour (m)   invloedsgebied (m) GR   kortste afstand tot plangebied (m)   belemmeringenstrook (m)  
411042   NAM1 (olie)   95   4   10   17   0   5  
411008   NAM (olie)   95   8   0   27   0   5  
411017   NAM (olie)   95   8   12   27   0   5  
411043   NAM (olie)   115   12   0   35   0   5  
411041   NAM (olie)   95   6   10   22   0   5  
A-617-KR   Gasunie (aardgas)   80   12   0   180   30   5  
A-613-KR   Gasunie (aardgas)   80   16   30   230   30   5  
A20-tracé   Pipeline control (CO2)   22   20   5   40   30   5  
W-508-01   Gasunie (aardgas)   40   12   0   140   30   5  
405070   NAM (olie)   95   8   12   27   30   5  

1 NAM staat voor Nederlandse Aardolie Maatschappij.

Uit tabel 3.3 blijkt dat het delen van het plangebied binnen de PR 10-6-contouren van een aantal leidingen ligt. Hier zijn echter in de regel geen gebouwen en dus ook geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig. De uitzondering hierop vormen het tankstation en transportbedrijf Bud. Beide objecten liggen aan de Coldenhovelaan. Deze objecten zijn, gezien het aantal personen en de tijd dat personen hier verblijven, aan te merken als beperkt kwetsbare objecten. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de PR 10-6-contour als een richtwaarde. Van deze waarde kan om gewichtige redenen worden afgeweken. Ook in dit geval zijn er twee redenen om van deze richtwaarde af te wijken, namelijk:

  • 1. het bedrijfsgebouw en het tankstation zijn ingeval van een calamiteit goed van de bron af te ontvluchten;
  • 2. het gaat hier om bestaande objecten; het verwijderen van deze objecten zou hoge kosten met zich meebrengen.

Hierom vindt de gemeente het toelaatbaar dat het bestaande transportbedrijf en het tankstation binnen de PR 10-6-contour van een aantal leidingen ligt. Tevens ligt het plangebied binnen de invloedsgebieden van vrijwel alle leidingen. Hierboven is reeds uitgelegd waarom de vaststelling van het bestemmingsplan niet tot een toename van het GR leidt. Binnen de invloedsgebieden van de bovengenoemde leidingen liggen voornamelijk bedrijven, kassen en wegen. Het aantal woningen binnen deze invloedsgebieden is zeer gering. Ter plaatse van bedrijven en kassen is over het algemeen sprake van een lage personendichtheid (in vergelijking met bijvoorbeeld woningen). Tevens verblijven de aanwezige personen hier in de regel slechts gedurende een gedeelte van de dag. Daarom zal in de huidige situatie geen sprake zijn van een overschrijding van de oriëntatiewaarde. Een uitgebreide verantwoording van het GR kan daarom achterwege blijven. Een beperkte verantwoording van het GR is aan het eind van deze paragraaf opgenomen.In verband met de vaststelling van het bestemmingsplan is voor de leidingen A-617-KR en A-613-KR een risicoberekening uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlagen bij toelichting bijlage 5. Hieruit blijkt dat de PR 10-6-contour van de leiding A-613-KR plaatselijk buiten de leiding ligt. Binnen de PR 10-6-contour zijn echter geen kwetsbare objecten gelegen en deze worden ook niet mogelijk gemaakt. Binnen het invloedsgebied voor het groepsrisico van de leidingen is nauwelijks bebouwing aanwezig zodat er sprake is van een lage personendichtheid. Dit komt tot uitdrukking in de hoogte van het groepsrisico. Uit de risicoberekening blijkt dat het groepsrisico voor de leiding A-613-KR 0 is en voor de leiding A-617-KR 1.013E-003. Het groepsrisico is dus kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Deze buisleidingen staan de vaststelling van het bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

Structuurvisie Buisleidingen

In het zuidelijke deel van het plangebied is in de Structuurvisie Buisleidingen een stuk grond gereserveerd voor de buisleiding Tracé Noord-Holland en Zuid-Holland. Dit is een belangrijke verbinding vanuit Groningen naar Rijnmond en vervolgens via Zuid-Nederland naar België voor aardgastransport. Het doel van de Structuurvisie is om ruimte vrij te houden in Nederland voor de aanleg van toekomstige buisleidingen van nationaal en internationaal belang voor het transport van gevaarlijke stoffen. Rondom de aangegeven strook geldt een belemmeringenstrook van 5 m aan beide zijden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0009.png"

Figuur 3.3 Structuurvisie Buisleidingen

Verantwoording groepsrisico

Hierboven is reeds vermeld dat delen van het plangebied binnen de invloedsgebieden van risicovolle inrichtingen, wegen en leidingen liggen. Aangezien de vaststelling van het bestemmingsplan niet tot een toename van het GR leidt en er voor geen van de risicobronnen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het GR, waarin aandacht wordt besteed aan zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten. Over deze aspecten is advies gevraagd aan de regionale brandweer. Hierboven is reeds inzicht gegeven in de hoogte van het GR en de (zeer lage) personendichtheid binnen de verschillende invloedsgebieden.

Zelfredzaamheid

Het plangebied bestaat uit drie bedrijventerreinen met enkele (bedrijfs)woningen. Ter plaatse van de bedrijven zijn geen verminderd zelfredzame personen aanwezig. Dergelijke personen kunnen wel aanwezig zijn ter plaatse van de (bedrijfs)woningen. Aangezien er slecht een zeer beperkt aantal (bedrijfs)woningen binnen de invloedsgebieden van de risicobronnen ligt, is het aantal verminderd zelfredzame personen binnen deze invloedsgebieden zeer laag. Tevens zijn de bedrijfsgebouwen en de (bedrijfs)woningen goed te ontvluchten. Het gaat hier namelijk om gebouwen met een beperkt aantal bouwlagen. De zelfredzaamheid van personen binnen het plangebied is daarmee goed te noemen.

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten

Het plangebied wordt ontsloten door de A20, N220 en Coldenhovelaan. Via deze wegen is het plangebied goed bereikbaar voor hulpdiensten. Ook is er voldoende bluswater aanwezig. Daarom zijn ook de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten goed te noemen.

3.5.3 Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

3.6 Water

3.6.1 Wettelijk kader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, alle met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het projectgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap en de gemeente nader wordt behandeld.Europa:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW).

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW);
  • Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);
  • Waterwet.

Provinciaal

  • Provinciaal Waterplan;
  • Provinciale Structuurvisie;
  • Verordening Ruimte.

WaterschapsbeleidIn het Waterbeheerplan 2010-2015 beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland de strategische keuzes, de doelen voor het waterbeheer en de financiële consequenties daarvan. De complexiteit van het gebied en de omvang van de noodzakelijke investeringen dwingen tot het stellen van prioriteiten. Het hoogheemraadschap gaat het beheer en onderhoud van het watersysteem optimaliseren en zal daarbij flink investeren in waterkwaliteit, waterkeringen en het voorkomen van wateroverlast en watertekort. Voor de zuiveringstechnische infrastructuur ligt de nadruk op beheren, onderhouden en optimaliseren.In het kader van de afstemming van het waterbeleid met ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening heeft het Hoogheemraadschap in 2007 een Waterkansenkaart opgesteld. Deze Waterkansenkaart kan gezien worden als de nadere, gebiedsspecifieke uitwerking van de Deelstroomgebiedsvisie Midden-Holland. Ten slotte is in 2007 een Handreiking Watertoets, ruimte voor water in ruimtelijke plannen opgesteld. Met deze handreiking wordt inzicht gegeven in de wijze waarop het Hoogheemraadschap Delfland procedureel en inhoudelijk omgaat met de watertoets.Gemeentelijk beleidHet waterplan Westland 2009-2015, met als ondertitel 'Westlands water, nu en later' is een product van de gemeente Westland en het Hoogheemraadschap van Delfland. Hierin wordt onder andere de waterhuishoudkundige visie en ambities tot 2030 en de daarbij horende doelstellingen tot 2015 beschreven. Centraal hierin staan de thema's 'Droge voeten, levend water en zichtbaar water'. De ruimtelijke vertaling van de hieruit voortkomende maatregelen is per polder in kaart weergegeven. De gewenste waterstructuur wordt door de gemeente vertaald in bestemmingsplannen en structuurvisies.In het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Westland 2011-2015 heeft de gemeente haar visie op het stedelijk waterbeheer vastgelegd. Met het eerste Verbreed GRP Westland 2011-2015 wordt niet alleen uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen, maar wordt ook de onderlinge samenhang tussen de drie zorgplichten en reeds in gang gezette ontwikkelingen zoals het project Riolering Glastuinbouw Westland (RGW) weergegeven. Het Verbreed GRP is een logisch vervolg op de wijzigingen in wetgeving/beleid en een noodzakelijke verdere optimalisatie van het beleid dat de afgelopen 5 jaar is gevolgd.

3.6.2 Onderzoek

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied bestaat uit de bedrijventerreinen A20 en ligt ten zuiden van de kern Maasdijk. Het plangebied bestaat grotendeels uit bebouwing en verharding.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit zavel en klei. In het plangebied is ten oosten van de A20 sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand meer dan 0,4 m beneden maaiveld ligt en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,8 m en 1,2 m beneden maaiveld. Ten westen van de A20 is sprake van grondwatertrap VI. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand varieert tussen de 0,4 m en 0,8 m beneden maaiveld en dat de gemiddeld laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden maaiveld ligt.

Waterkwantiteit

Het plangebied ligt in de Hoefpolder en de Oude Campspolder, er is weinig oppervlaktewater aanwezig. In het plangebied liggen twee primaire watergangen, namelijk het Nieuw water langs de Coldenhovelaan in het westen van het plangebied en de westgang in het zuiden van het plangebied. Het water langs de Coldenhovelaan in het oosten van het plangebied. is een secundaire Het plangebied ligt in de peilgebieden Hoefpolder en Oude Camspolder. In de Hoefpolder wordt een peil gehanteerd van 0,92 m beneden NAP. In de Oude Campspolder wordt een peil gehanteerd van 1,8 m beneden NAP. In het plangebied liggen twee gemalen. Deze zijn als nutsvoorziening weergegeven op de verbeelding.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0010.png"

Figuur 3.4 Wateren

Veiligheid en waterkeringen

In het plangebied liggen verschillende waterkeringen (zie figuur 3.5). Voor de boezemkade ten zuiden van de Coldenhovenlaan geldt dat de kernzone 15 m breed is aan de polderzijde van de buitenkruin. Daarnaast geldt een beschermingszone van 15 m breed. Ten noorden van de Coldenhovenlaan is de breedte van de kernzone aan de polderzijde van de buitenkruin 13 m. De polderkade in het noorden van het plangebied is aan weerszijden van de hartlijn 12,5 m breed. Ook hier geldt de beschermingszone van 15 m. De westgrens van het plangebied wordt gedeeltelijk gevormd door de Maasdijk. Deze secundaire waterkering kent een kernzone van 30 m en aan twee zijden een beschermingszone van 25 m. De totale breedte van de keurzone (bestaande uit het waterstaatswerk en de beschermingszone) is 80 m aan weerszijde van de Maasdijk. De kade en beschermingszone zijn opgenomen op de verbeelding met een dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering'. Voor de kade en bijbehorende beschermingszone is de Keur van Hoogheemraadschap van Delfland van toepassing. Bij eventuele toekomstige ontwikkelingen in dit gebied dient een vergunning te worden aangevraagd op grond van de Waterwet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0011.png"

Figuur 3.5 Boezemkade (geel) en Polderkade (groen).

Afvalwaterketen en riolering

Binnen het plangebied is een voornamelijk gemengd rioleringsstelsel aanwezig.

Toekomstige situatie

Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Op een aantal percelen is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waardoor de woonbestemming kan worden gewijzigd in een bedrijfsbestemming. Deze percelen zijn reeds verhard. Vanwege de consoliderende aard biedt het bestemmingsplan weinig tot geen mogelijkheden om het watersysteem en -beheer te verbeteren.

Als in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden, is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak, hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies, zoals groen en recreatie, liggen voor de hand. Door de aanleg van natuurvriendelijke en ecologische oevers wordt bijvoorbeeld meer waterberging gerealiseerd. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkeling diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.

Veiligheid en waterkeringen

Omdat er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, is er geen verandering van de waterveiligheid in het plangebied.

Afvalwaterketen en riolering

Volgens de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting;
  • water opvangen door toepassen van vegetatiedaken;
  • (in)filtratie van afstromend hemelwater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Aangezien in dit bestemmingsplan geen nieuwbouw mogelijk wordt gemaakt, is dit aspect niet van direct belang voor dit bestemmingsplan.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem dient bij het hoogheemraadschap op basis van de Keur een watervergunning te worden aangevraagd. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van water naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder toestemming van het hoogheemraadschap gebouwd en opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Water en waterstaat in het bestemmingsplan

In het bestemmingsplan wordt het oppervlaktewater in het plangebied bestemd als 'Water'. Voor waterkeringen (kernzone) inclusief de beschermingszones geldt een zogenaamde dubbelbestemming, deze hebben de bestemming 'Waterstaat' toebedeeld gekregen.

3.6.3 Conclusie

Vanwege de consoliderende aard van het bestemmingsplan zijn er geen gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

3.7 Bodem

Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak.Het voorliggend bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard. Via een wijzigingsbevoegdheid wordt de wijziging van een aantal burgerwoningen in bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Gezien het gebruik als burgerwoning worden op deze locatie geen (grootschalige) bodemverontreinigingen verwacht. Het aspect bodemkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

3.7.1 Wettelijk kader

Wet bodembescherming De Wet bodembescherming ziet, vanuit een goed milieubeheer, op de bodembescherming en bodemsanering. Met deze wet moet rekening worden gehouden met het ontwikkelen en realiseren van ruimtelijke plannen. In een bestemmingsplan dat voorziet in ruimtelijke ontwikkeling, moet verantwoord zijn dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is op grond van de bodemkwaliteit voor die ruimtelijke ontwikkeling. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

3.7.2 Onderzoek

Het voorliggend bestemmingsplan is overwegend consoliderend van aard. Via een wijzigingsbevoegdheid wordt de wijziging van een aantal burgerwoningen in bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Gezien het gebruik als burgerwoning worden op deze locatie geen (grootschalige) bodemverontreinigingen verwacht.

3.7.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

3.8 Ecologie

3.8.1 Wettelijk kader

De Nota Ruimte geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) weer. De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt, een Provinciale Ecologische Hoofdstructuur.

Flora- en faunawet

Voor de soortenbescherming is de Flora- en faunawet (hierna Ffw) van toepassing. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Ffw bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de
Ffw níet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en
    bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient in het geval van zwaar beschermde soorten of broedende vogels overtreding van de Ffw voorkomen te worden door het treffen van maatregelen, aangezien voor dergelijke situaties geen ontheffing kan worden verleend.Met betrekking tot vogels hanteert het Ministerie van EL&I de volgende interpretatie van artikel 11:

'De verbodsbepalingen van artikel 11 beperken zich bij vogels tot alleen de plaatsen waar
gebroed wordt, inclusief de functionele omgeving om het broeden succesvol te doen zijn, én
slechts gedurende de periode dat er gebroed wordt.'

Er zijn hierop echter verschillende uitzonderingen:

Nesten die het hele jaar door zijn beschermd

Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 11 van de Ffw het gehele seizoen:

  • 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil).
  • 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus).
  • 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk).
  • 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil).

Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd

In de 'aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten' worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd:

  • 1. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het hele jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

De soorten uit categorie 5 vragen wel om nader onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.De Ffw is voor dit bestemmingsplan van belang, omdat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Natuurbeschermingswet

Uit het oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van EL&I aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van EL&I aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van EL&I). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan. De speciale beschermingszones (a) hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze zones plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

3.8.2 Onderzoek

Deze paragraaf betreft een samenvatting van het uitgebreide bureauonderzoek zoals opgenomen in bijlagen bij toelichting bijlage 3.

Bestaande situatie en beoogde ontwikkelingen

Het plangebied bestaat uit drie bedrijventerreinen. In het noorden, oosten en zuidoosten wordt het plangebied begrensd door bedrijventerreinen. In het westen wordt het begrensd door kassen en in het zuiden door weilanden. De bedrijventerreinen worden omzoomd door groenstroken.Het voorliggende bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Dit betekent dat geen grootschalige functieveranderingen en/of herinrichting is gepland.

Resultaten onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Deze natuurgebieden liggen op relatief grote afstand van het plangebied en worden niet beïnvloed door het hoofdzakelijk consoliderende bestemmingsplan. De Natuurbeschermingswet 1998 en het beleid van de provincie staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.SoortenbeschermingHet bestemmingsplan is het besluit dat ingrepen mogelijk maakt en een aantasting van beschermde dier- of plantensoorten kan betekenen. Uiterlijk bij het nemen van een besluit dat ruimtelijke veranderingen mogelijk maakt, zal daarom zekerheid moeten zijn verkregen dat overtredingen van de Flora- en faunawet niet optreden. Het bestemmingsplan is hoofdzakelijk consoliderend van aard. Dit betekent dat er geen ontwikkelingen direct mogelijk worden gemaakt. De Flora- en faunawet staat de uitvoering van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

3.8.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect ecologie de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

3.9 Cultuurhistorische aspecten

3.9.1 Wettelijk kader

Als gevolg van het Verdrag van Valetta, dat in 1998 door het Nederlandse parlement is goedgekeurd en in 2006 zijn beslag heeft gekregen in de gewijzigde Monumentenwet 1988, stellen Rijk en Provincie zich op het standpunt dat in het ruimtelijk beleid zorgvuldig met het archeologische erfgoed moet worden omgegaan. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het Rijk heeft deze beleidsuitgangspunten neergelegd in onder meer de Cultuurnota 2005 - 2008, de Nota Belvedère, de Nota Ruimte en het Structuurschema Groene Ruimte 2. De provincie Zuid-Holland hanteert het uitgangspunt dat op terreinen die voorkomen op de Archeologische Monumentenkaart Zuid-Holland en in gebieden die op de kaart archeologische waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS-kaart) ten minste een redelijke tot grote kans op archeologische sporen hebben, archeologisch vooronderzoek in het kader van de planvoorbereiding dient plaats te vinden. Voor zover er onzekerheid bestaat over de precieze aanwezigheid van archeologische waarden, dient in het bestemmingsplan voor het bouwrijp maken een omgevingsvergunningplicht te worden gehanteerd. Het verlenen van een omgevingsvergunning wordt daarbij afhankelijk gesteld van de uitkomsten van nader archeologisch onderzoek en de belangenafweging op grond daarvan. Doelstelling van het Verdrag van Valetta is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.

3.9.2 Onderzoek cultuurhistorie

In het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen zoals rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten.

3.9.3 Onderzoek archeologie

Het gemeentelijk archeologiebeleid geeft een zonering aan waarmee de archeologische (verwachtings)waarden in beeld worden gebracht. Er zijn verwachtingsgebieden gedefinieërd op basis van de geologische ondergrond, bekende archeologische informatie en historisch kaartmateriaal.

Er zijn 7 verschillende gebieden onderscheiden:

  • Rijksmonument (vastgesteld door de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed)
  • Bekende archeologische vindplaats (opgenomen in Archeologische Monumenten Kaart (AMK))
  • Historische stads- of dorpskern (komen voort uit archeologische en historisch-geografische bronnen)
  • Verwachtingszone I
  • Verwachtingszone II
  • Verwachtingszone III
  • Verwachtingszone IV (gebieden zonder archeologische verwachtingswaarde)

Voor elk van deze verwachtingswaarden geldt een maximale oppervlakte en maximale diepte beneden maaiveld voor bodemverstorende ingrepen, waarbij deze ingrepen vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd. Zie onderstaande tabel:

Voor de verschillende gebieden worden de volgende grenzen gehanteerd.

Rijksmonumenten   bevoegdheid ligt bij de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.  
Bekende archeologische vindplaats   altijd archologisch onderzoek benodigd bij het verlenen van omgevingsvergunning  
Historische stads- of dorpskernen   vergunningsvrij bij ingrepen <30 cm beneden maaiveld en <50m2  
Verwachtingszone I   vergunningsvrij bij ingrepen <50 cm beneden maaiveld en <100m2  
Verwachtingszone II   vergunningsvrij bij ingrepen <50 cm beneden maaiveld en <250m2  
Verwachtingszone III   vergunningsvrij bij ingrepen <50 cm beneden maaiveld en <500m2  
Verwachtingszone IV   vergunningsvrij  


De argumentatie om af te wijken van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur en het VNG-model die aangeven dat als basis 50 cm beneden maaiveld en 100 m2 hanteert, is als volgt:

Uitgaande van de wettelijke richtlijn van 100 m2 zou in Westland nog altijd aan circa 60% van de af te geven vergunningen een archeologische onderzoeksplicht worden verbonden. Het aantrekkelijke van het stellen van ondergrenzen is dat het aantal vergunningen met een archeologische onderzoeksplicht enorm kan teruglopen – en dus de uitvoeringskosten aanzienlijk kunnen worden beperkt – terwijl het te onderzoeken bodemarchief nog altijd zeer substantieel kan zijn. In opdracht van de gemeente heeft het archeologisch adviesbureau Past2Present aan de hand van een inventarisatie van bodemverstorende activiteiten in de gemeente Westland becijferd dat de gemiddelde grondverstoring per vergunning in de gemeente Westland beduidend hoger ligt dan het landelijke gemiddelde (2946 m2 in Westland tegen 324 m2 landelijk). Dit heeft alles te maken met het aantal vergunningen voor de kassenbouw. Hierdoor ligt dit gemiddelde veel hoger. Voor wat betreft de onderzoeksplicht bij vergunningen betreffende de kassenbouw koppelt de gemeente Westland aan deze vergunningen geen archeologische onderzoeksplicht.

Omdat dit bestemmingsplan betrekking heeft op een bedrijventerrein, wordt hierop verder niet ingegaan. Door de norm voor onderzoek in gebieden met een lage verwachting bij 500 m2 te leggen wordt nog altijd een aanzienlijk deel van het archeologisch bodemarchief onderzocht terwijl een minderheid van de initiatiefnemers met een onderzoeksplicht wordt geconfronteerd (geschat: circa 1/3 van de aanvragers van een bouwvergunning). De ondergrens in de gebieden met een hoge en middelhoge verwachting, respectievelijk aangeduid als verwachtingszone I en verwachtingszone II op de beleidskaart - stelt de gemeente Westland daarom vast op respectievelijk 100m2 en 250 m² en een diepte van 50cm.

Verstoringen die in deze gebieden deze oppervlakten en diepte niet bereiken, zijn derhalve vrijgesteld van de archeologische onderzoeksplicht. Voor verstoringen die deze oppervlakten en diepten overschrijden, stelt de gemeente Westland archeologisch vooronderzoek wél verplicht. Dit betekent uiteraard niet dat daarmee dan tevens een opgraving noodzakelijk is. Het vooronderzoek kan immers ook uitwijzen dat de aangetroffen sporen niet behoudenswaardig zijn. Dan zullen er vanuit de archeologie geen eisen meer worden gesteld in het verdere verstoringstraject. Met deze keuzen van ondergrenzen is naar het oordeel van de gemeente een goed evenwicht gevonden tussen de uitgangspunten 'verantwoord', ook in archeologische zin, en 'praktisch uitvoerbaar'.

Uit onderstaande figuur blijkt dat het plangebied één verwachtingswaarde kent: verwachtingszone II. De archeologische waarde van het gebied bestaan uit de reeds aangetroffen of te verwachten aanwezigheid, boven of onder de grond, van bouwhistorische resten en archeologische sporen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1783.abp00000023h01-VA02_0012.png"

Samen bevatten zij een hoeveelheid aan historische informatie over ouderdom en ruimtelijke ontwikkeling. Vanwege deze waarde is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' op de plankaart opgenomen. Binnen de bestemmingsregels wordt archeologisch onderzoek verplicht gesteld voor (bouw)werkzaamheden die het archeologisch belang kunnen schaden. Hierbij geldt dat hoe hoger de verwachtingswaarde, hoe eerder archeologisch onderzoek nodig is.

3.9.4 Conclusie

In het plan worden drie dubbelbestemmingen opgenomen ter bescherming van de drie aanwezige categorieën van archeologische waarden. In de planregels is een bouw- en gebruiksregeling opgenomen waardoor de archeologische waarden voldoende zijn geborgd.

3.10 Kabels en leidingen

Binnen het plangebied ligt een aantal leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In paragraaf toelichting paragraaf 3.5 is op de externe veiligheidsaspecten van deze leidingen ingegaan. Hier zijn ook de belemmeringenstroken van deze leidingen genoemd. De belemmeringenstroken worden opgenomen op de verbeelding. Overige planologisch relevante leiding zijn in de directe omgeving van het plangebied niet aanwezig. Ook liggen hier geen hoogspanningsverbindingen, straalpaden of telecomverbindingen. Er wordt daarom geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Planvorm

4.1.1 Verantwoording planvorm

Voor het bedrijventerrein "Transportcentrum Westland" is in 2013 een bestemmingsplan "Bedrijventerreinen A20 Westland" vastgesteld. Dit plan betreft de eerste herziening van dit vastgestelde plan. Dit bestemmingsplan actualiseert de bestaande situatie, met uitzondering van de toegestande maximale milieucategorie.

4.1.2 Wettelijk voorgeschreven standaardisering

De planregels en de planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn overeenkomstig de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen als gepubliceerd door het ministerie van I&M (SVBP 2012) en als wettelijk voorgeschreven in de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (Staatscourant 2012, nr. 14821, van 24 juli 2012).

Daarnaast zijn in de planregels de standaardregels opgenomen als geboden in artikelen 3.2.1 en 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening. In een apart artikel zijn de bijzondere gebruiksverboden opgenomen voor alle bestemmingen, welke verboden aansluiten op het wettelijk verbod als neergelegd in artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening.

Voor uitleg van die planregels wordt verwezen naar de toelichting op het Besluit ruimtelijke ordening en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012, in samenhang met de jurisprudentie over die uitleg.

Voorts is de "Werkafspraak terminologie Wabo in Standaard voor Vergelijkbare bestemmingsplannen" van september 2010 verwerkt. Die werkafspraak in het kader van de ministeriële regeling is gemaakt met het oog op de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

4.1.3 Aanvulling en geoorloofde afwijking van de SVBP 2008

De planregels en planverbeelding van dit bestemmingsplan zijn toegesneden op de specifieke behoefte aan planregulering voor het gegeven plangebied. In de hierna volgende paragrafen is de aan het bestemmingsplan eigen plansystematiek toegelicht voor zover die een aanvulling of een geoorloofde afwijking vormt van de SVBP 2012.

4.1.4 Systematiek van de planregels

Opbouw planregels

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • inleidende regels;
  • bestemmingsregels;
  • algemene regels;
  • overgangs- en slotregel.

Inleidende regels

Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

Bestemmingsregels

De bestemmingsregels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen:

  • doeleindenomschrijving (gebruiksregels);
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijkingsregels.

Gebruiksregels

De doeleindenbeschrijving van de bestemming of de dubbelbestemming, waarvan opname in de planregels is geboden in artikel 3.1.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, is in de planregels voor elke bestemming in eerste instantie vervat in het onderdeel "Bestemmingsomschrijving". Van het onderdeel "Specifieke gebruiksregels" wordt in de planregels vooral gebruik gemaakt om regels te geven voor de onder de bestemming of dubbelbestemming vallende functieaanduidingen en bouwaanduidingen en andere aanduidingen.

Afwijkingsregels

In het onderdeel "Afwijken van de gebruiksregels" wordt alleen die afwijkingsbevoegdheid opgenomen die uitsluitend ziet op het gebruik. Zodra sprake is van het afwijken van de bouwregels - ook al vormt dat bouwen een (klein) onderdeel van het gebruik in ruime zin - wordt de bevoegdheid daartoe geplaatst in het onderdeel "Afwijken van de bouwregels".

Aanleggen of slopen

De aanlegregels of sloopregels zijn uitvoerig met het oog op een zorgvuldige verlening van de omgevingsvergunning daartoe, voor zover regels daarvoor niet reeds zijn voorzien in de Wet ruimtelijke ordening of het Besluit ruimtelijke ordening. De aanlegregels of sloopregels kennen de volgende onderverdeling:

  • het aanlegverbod of sloopverbod zelf;
  • de voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning mag worden verleend en het inwinnen van deskundigenadvies;
  • de specifieke aanlegverboden of sloopverboden met de daarop gegeven uitzonderingen.

Algemene gebruiksregels

In het artikel "Algemene gebruiksregels" zijn naast een verwijzing naar het algemene gebruiksverbod van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening, specifieke gebruiksverboden ter invulling van het algemene gebruiksverbod opgenomen. Daarin is onderscheid gemaakt tussen het verbod op het gebruik van gronden en het verbod op het gebruik van bouwwerken.

Overgangs- en slotregels

In het artikel "Slotregel" zijn de volgende onderdelen opgenomen:

  • het onderdeel "Vervangen bestemmingsplannen" waarin een overzicht van de bestemmingsplannen en andere planregimes is opgenomen die met dit bestemmingsplan zijn vervangen;
  • en het onderdeel "Citeertitel".

4.2 Verbeelding (plankaart)

De verbeelding is opgebouwd uit een aantal elementen te weten:

  • enkelbestemmingen;
  • bouwvlakken;
  • dubbelbestemmingen;
  • aanduidingen.

Enkelbestemmingen en bouwvlakken

Bestemmingen bestaan doorgaans uit twee vlakken: een enkelbestemmingsvlak en een bouwvlak. In sommige gevallen is uitsluitend een enkelbestemming opgenomen. Het enkelbestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Bouwvlakken worden op de verbeelding doorgaans voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. In sommige gevallen in het bestemmingsplan vallen het bestemmingsvlak en het bouwvlak met elkaar samen. Op de verbeelding is dan uitsluitend een bouwvlak te zien (het bestemmingsvlak ligt hieronder).

Dubbelbestemmingen

Dubbelbestemmingen zijn opgenomen voor gronden, waar twee of meer onafhankelijk van elkaar voorkomende bestemmingen voorkomen, waarbij er sprake is van een rangorde tussen de dubbelbestemming en de daarmee samenvallende bestemming. Voorbeelden van dubbelbestemmingen zijn leidingtracés, archeologische waarden en waterkeringen.

Aanduidingen

Op de verbeelding is een onderscheid gemaakt in drie verschillende aanduidingen te weten:

  • 1. gebiedsaanduidingen;
  • 2. functieaanduidingen;
  • 3. maatvoeringsaanduidingen.

Gebiedsaanduidingen

Een gebiedsaanduiding is een aanduiding die verwijst naar een gebied waarvoor bij de toepassing specifieke regels gelden of waar nadere afwegingen moeten worden gemaakt. Bij gebiedsaanduidingen gaat het veelal om zones en (deel)gebieden die aan sectorale regelgeving zijn ontleend. In het bestemmingsplan zijn gebiedsaanduidingen opgenomen voor een tweetal typen wijzigingsgebieden (zie voor een toelichting het artikel algemene wijzigingsregels) en voor de zone industrielawaai Europoort-Maasvlakte die voor een groot gedeelte over het plangebied valt.

Functieaanduidingen

Een aantal functieaanduidingen is gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemming of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Het kan hierbij gaan om een nadere specificatie van de gebruiksmogelijkheden, een expliciete verruiming daarvan of juist een beperking.

Maatvoeringsaanduidingen

Alle aanduidingen die betrekking hebben op afmetingen, percentages en oppervlakten, zowel ten aanzien van het bouwen als ten aanzien van het gebruik, zijn maatvoeringsaanduidingen. In het plangebied zijn maatvoeringsaanduidingen opgenomen voor de maximale goot- en bouwhoogtes (m) en de maximum bebouwingspercentages (%).

4.3 Bestemmingsregeling

4.3.1 Bestemming "Bedrijventerrein"

De bestemming 'Bedrijventerrein' is toegekend aan de belangrijkste functie in het plangebied. Om deze reden wordt de uitleg van dit artikel uitgebreid toegelicht.

Bestemmingsomschrijving

Op gronden met de bestemming Bedrijventerrein zijn zowel bedrijven toegestaan, alsmede wegen, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en overige bijbehorende voorzieningen.Bedrijven zijn toegestaan voor zover deze behoren tot de algemeen toelaatbare categorieën van bedrijvigheid. De milieucategorie van de bedrijven wordt bepaald aan de hand van de Staat van Bedrijfsactiviteiten die is opgenomen als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan. In bijlagen bij toelichting bijlage 1 is een toelichting op het gebruik van deze Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen.Voor het vaststellen van de milieuzonering is uitgegaan van de bestaande woonbebouwing of solitaire woningen (burgerwoningen en bedrijfwoningen) in of langs de randen van het plangebied. Bedrijven uit een zwaardere categorie dienen op een grotere afstand van de woonbebouwing te worden gesitueerd dan de bedrijven uit lagere milieucategorieën. Voor een uitgebreide toelichting op de aanpak van de milieuzonering zie ook paragraaf toelichting paragraaf 3.2.De milieuzonering is op de verbeelding aangegeven door middel van categorieaanduidingen binnen de bestemming Bedrijventerrein. Op de verbeelding is na de letter die de bestemming aangeeft, de hoogst toelaatbare categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten (tussen haakjes) aangegeven (bijvoorbeeld BT b<3.1). Op de bedrijventerreinen varieert de algemene toelaatbaarheid van maximaal milieucategorie 2 tot en met maximaal milieucategorie 4.2. Een aantal bedrijven voldoet niet aan de aldaar maximale toelaatbare milieucategorie, maar kunnen ter plaatse wel gehandhaafd blijven. Voor deze bedrijven zijn maatbestemmingen opgenomen. Dit betekent dat bij verplaatsing of beëindiging van een dergelijk bedrijf eenzelfde soort bedrijf is toegestaan of een bedrijf dat past binnen de toelaatbare categorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten.Op de bedrijventerreinen bevinden zich naast bedrijven een aantal andere functies. Deze hebben een specifieke functieaanduiding gekregen om het gebruik goed mogelijk te maken. Voorbeelden hiervan zijn zelfstandige kantoren en benzinestations.

Bouwregels

Bebouwing ten dienste van de bestemming mag alleen worden gerealiseerd binnen de op de kaart aangegeven bouwvlakken. Op de verbeelding en in de regels zijn de maximale hoogtematen van de bebouwing aangegeven. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt in bedrijfsgebouwen en overkappingen, bedrijfswoningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Nadere eisen

In dit lid is bepaald dat burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen omtrent de situering van de gebouwen mede in verband met de inrichting van de onbebouwde terrein voor wat betreft de aan- en afvoerroutes van goederen en de parkeerruimte voor (vracht)verkeer.

Specifieke gebruiksregels

In de eerste plaats wordt in dit lid de minimale bedrijfsomvang vastgelegd, om er voor te zorgen dat de ruimte op het bedrijventerrein primair bedoeld is voor grote(re) bedrijven. De minimum vloeroppervlakte per bedrijfsvestiging is daarom vastgelegd op 450 m².Daarnaast zijn in dit lid een aantal bepalingen opgenomen die bepaalde gebruiksvormen uitsluiten. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is in de regeling geïmplementeerd door middel van het uitsluiten van risicovolle inrichtingen. In de begrippen is het begrip 'risicovolle inrichtingen' verklaard. Ook geluidshinderlijke inrichtingen zijn niet toegestaan. De enige Bevi-inrichting in het plangebied, te weten het verkooppunt van lpg, is wel positief bestemd door middel van een functieaanduiding.Daarnaast zijn een aantal zaken uit de beleidsregels voor publieksfuncties op bedrijventerreinen (zie paragraaf toelichting paragraaf 2.1.2) in de specifieke gebruiksregels opgenomen. Zo zijn bijvoorbeeld leisure, detailhandel en zelfstandige kantoren niet toegestaan.Tot slot zijn er specifieke gebruiksregels opgenomen voor showrooms, onzelfstandige kantoren en opslag van goederen buiten het bouwvlak.

Afwijken van de bouwregels

In dit lid zijn een aantal bepalingen opgenomen in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Het gaat hier om het vergroten van de goothoogte en bouwhoogte van gebouwen, alsmede het aanpassen van het maximum bebouwingspercentage.

Afwijken van de gebruiksregels

Uit het oogpunt van flexibiliteit zijn in dit lid een aantal bepalingen opgenomen waarbij het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning van kan afwijken.- Staat van BedrijfsactiviteitenDe eerste bepaling betreft het afwijken van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken om bedrijfsactiviteiten toe te staan die genoemd worden in twee categorieën hoger dan algemeen toelaatbaar is en voor bedrijven die niet genoemd worden in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, op voorwaarde dat deze bedrijfsactiviteiten (als gevolg van de geringe omvang van hinderlijke (deel)activiteiten of door een milieuvriendelijke werkwijze) naar aard en invloed op de omgeving vergelijkbaar zijn met de bedrijfsactiviteiten genoemd in de lagere algemeen toegelaten milieucategorieën.- Zelfstandige kantorenIn overeenstemming met het de Bedrijventerreinvisie en de beleidsregels voor publieksfuncties op bedrijventerreinen kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van de specifieke gebruiksregels voor het toestaan van zelfstandige kantoren. Alvorens omgevingsvergunning te verlenen, dient te worden getoetst aan een aantal voorwaarden die zijn opgenomen in de regels.

Wijzigingsbevoegdheden

Binnen de bestemming zijn twee wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Om te voorkomen dat zich in het plangebied een planmer-plichtig bedrijf vestigt, waardoor er in dat kader een planMER voor het bestemmingsplan nodig is, zijn planmer-plichtige activiteiten niet rechtstreeks toegestaan. Door middel van de wijzigingsbevoegdheid kunnen deze alsnog worden toegestaan, mits vooraf een milieueffectenrapportage wordt opgesteld zoals bedoeld in de Wet milieubeheer. De tweede wijzigingsbevoegdheid heeft betrekking op het verwijderen van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Van deze bedrijfswoning kan gebruik worden gemaakt indien het gebruik als bedrijfswoning is komen te vervallen.

4.3.2 Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3"

Conform het archeologiebeleid wordt een beschermingsregime vastgelegd in het kader van te beschermen archeologische waarden. Deze bestemming fungeert als dubbelbestemming. Bouwwerken op gronden met samenvallende bestemmingen kunnen weliswaar worden gerealiseerd, maar dan met inachtneming van de in de planregels opgenomen voorwaarden. Daarvoor is een verplichting opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Is er blijkens onderzoek geen sprake van archeologische waarden, dan kunnen de werken en bouwwerken met omgevingsvergunning worden gerealiseerd.

In het kader van de bescherming van de archeologische waarden is ook voor een aantal werken, niet zijnde bouwwerken, en werkzaamheden een omgevingsvergunningsplicht opgenomen. Archeologische waarden kunnen ook worden bedreigd door grondwerkzaamheden die samengaan met de aanleg van bijvoorbeeld wegen, bebouwing en watergangen. Ook ingrijpende agrarische werkzaamheden (diepploegen, onderbemalen) kunnen het bodemarchief onherstelbaar beschadigen en de daarin opgeslagen informatie verloren doen gaan. Deze gronden worden derhalve mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de aanwezige archeologische waarden. Bouwen ten behoeve van samenvallende bestemmingen is via omgevingsvergunning alleen toegestaan voor zover de archeologische waarden niet worden geschaad. Genoemde werken en werkzaamheden zijn zonder omgevingsvergunning niet toegestaan.

4.3.3 Algemene regels

In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen.

Antidubbeltelregel (artikel 15)

Een antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro).

Algemene bouwregels (artikel 16)

De algemene bouwregels omvatten bouwregels die aanvullend op de regels van hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Er wordt onder andere verwezen naar de op de verbeelding vastgelegde hoogtematen en bebouwingspercentages. Daarnaast zijn er, tenzij hoofdstuk 2 anders bepaalt, standaard hoogtematen vastgelegd voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Naast deze meer algemene bepalingen kent het artikel de volgende regelingen.

Overschrijding bouwgrenzen

Dit lid bevat een algemene regeling voor een geringe overschrijding van bouwgrenzen door ondergeschikte onderdelen van gebouwen. De overschrijding van de bouwgrenzen dient wel beperkt te zijn.

Ondergrondse bouwwerken

In dit lid is bepaald dat de regels in de plan ook van toepassing zijn op ondergrondse bouwwerken.

Parkeernormering

In dit lid is bepaald dat bij iedere ruimtelijke ontwikkeling het Westlands Verkeer- en Vervoerplan van toepassing is.

Dakkapellen

In dit lid zijn de mogelijkheden en toegestane afmetingen voor dakkapellen vastgelegd.

Bestaande bouwwerken

Dit lid bepaalt dat bestaande bouwwerken mogen worden teruggebouwd wanneer deze met een vergunning tot stand zijn gekomen.

Algemene gebruiksregels (artikel 17)

In dit artikel zijn een aantal vormen van strijdig gebruik als bedoeld in artikel 7.2 Wro opgenomen. Daarnaast is aangegeven wat niet onder strijdig gebruik valt. Het gaat hier om gebruik dat ingevolge de APV van de gemeente Westland is toegestaan.

Algemene afwijkingsregels (artikel 18)

In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Het gaat hier om de overschrijding van de bouwregels, voor zover deze afwijkingen niet onder de regel 'algemene bouwregels' valt te scharen. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken van de voorgeschreven maten en percentages. Hierbij is ook bepaald dat in ieder geval niet kan worden afgeweken van de bouwregels wanneer hiermee onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken. Dit artikel bepaalt tevens op welke onderdelen de bouwverordening niet van toepassing wordt is. Artikel 9 van de Woningwet regelt immers primair dat de bouwverordening buiten toepassing blijft voor zover deze niet overeenstemt met het desbetreffende bestemmingsplan. Voor zover het bestemmingsplan geen regels bevat ten aanzien van een onderwerp dat in de bouwverordening is geregeld, is de bouwverordening wel van toepassing, tenzij het bestemmingsplan anders bepaalt. De bepaling dient als uitwerking van de laatste zinsnede en voorkomt dat de bouwverordening onbedoeld aanvullend werkt bij onderwerpen die in het bestemmingsplan bewust niet zijn geregeld, bijvoorbeeld omwille van globaliteit. De relevante onderwerpen staan allemaal in paragraaf 2.5 van de bouwverordening.

Algemene wijzigingsregels (artikel 19)

Wro-zone wijzigingsgebied - 1

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de gebieden die zijn aangeduid met de Wro-zone wijzigingsgebied - 1. Dit betreft de burgerwoningen die op en langs de bedrijventerreinen zijn gelegen. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingen 'Tuin', 'Wonen', 'Groen' en 'Water' wijzigingen naar de bestemming 'Bedrijventerrein' indien de functie is beëindigd.

Wro-zone wijzigingsgebied - 2

Dit artikel is uitsluitend van toepassing op de gebieden die zijn aangeduid met de Wro-zone wijzigingsgebied - 2. Dit betreft de stedenbouwkundig gewenste groenstructuur op gronden met de nu nog de bestemming "Wonen" of "Bedrijventerrein". Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingen wijzigingen naar de bestemming 'Groen' indien de functie is beëindigd.

Water

Dit artikel is van toepassing indien er structurele aanpassingen aan het plan plaatsvinden (al dan niet in combinatie met de wijzigingsgebieden), waarmee wordt gewaarborgd dat watergangen die gedempt worden op de nieuwe locatie planologisch worden vastgelegd.

Overige regels (artikel 20)

In de bepaling is geregeld dat alle wettelijke regelingen, waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan.

4.3.4 Overgangs- en slotregel

Hoofdstuk 5 Handhaving

5.1 Handhavingsbeleid

Burgemeester en wethouders van Westland hebben begin 2011 de beleidsnota 'Handhaven op maat' vastgesteld. Hierin zijn de doelen en richting voor milieuhandhaving en bouw- en woningtoezicht voor de komende vier jaren beschreven. De gemeente Westland wil een prettige woon-, werk- en leefomgeving voor haar burgers en ondernemers. Dat wil de gemeente bereiken door de duurzaamheid, veiligheid en leefbaarheid in het Westland te vergroten en te waarborgen. Handhaving is hierbij één van de middelen die hiervoor wordt ingezet. Handhaving is dus geen doel op zich, maar een onderdeel van de reguleringsketen (ontwikkeling wet- en regelgeving-normstelling-vergunningverlening-uitvoering-toezicht-handhaving). De handhaving van de regelgeving vervat in dit plan is de bevoegdheid van burgemeester en wethouders. Het gaat daarmee met name om de planregels inzake het bouwen en het gebruik van gronden en bouwwerken. Een aantal vormen van gebruik wordt specifiek aangeduid als strijdig met de bestemming, om handhavend optreden hiertegen goed mogelijk te maken. Uiteraard betreft het hier een niet-limitatieve opsomming. Handhaving van dit plan is van belang om de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid van in stand te houden. Daarnaast heeft handhaving uiteraard ook een belangrijke functie in het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De planregels in dit plan zijn voldoende duidelijk, concreet en toepasbaar om te kunnen handhaven. Handhaving van het plan zal in de praktijk primair plaatsvinden via de bestemmingsplantoets in het kader van de omgevingsvergunning en door feitelijk toezicht op de aanwezigheid van bouwwerken en op gebruiksactiviteiten. Binnen de gemeente heeft het team bouw- en woningtoezicht van de afdeling Ruimte, Omgeving en Veiligheid hierin een centrale taakstelling. Bij gebleken strijdigheid met het plan wordt, afhankelijk van de prioriteitsstelling, een handhavingtraject ingezet.

5.2 Strijdige functies

Er heeft een inventarisatie binnen het plangebied plaatsgevonden, waaruit een aantal overtredingen naar voren is gekomen. In de fase van voorontwerp- naar ontwerpbestemmingsplan wordt bekeken of deze overtredingen al dan niet voor legalisering in aanmerking komen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het voorliggende bestemmingsplan richt zich voornamelijk op de consolidatie van de huidige situatie. In dit plan kunnen hooguit door particulier initiatief wijzigingen in functies of bebouwing ontstaan. Er is geen sprake van kosten bij de gemeente waarop de regels ten aanzien van grondexploitatie in de Wro van toepassing zijn. Met de aangepaste milieuzonering wordt het bestemmingsplan aangepast aan de verplichtingen die voortvloeien uit huidige wet- en regelgeving. Waar mogelijk wordt hiervan afgeweken, om tegemoet te komen aan de nodige flexibiliteit. Omdat het bestemmingsplan geen veranderingen meebrengt en de bestaande situaties die mogelijk strijdig zijn met actuele milieuregelgeving specifiek worden bestemd, kan een nader onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid achterwege blijven.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Zienswijzen

Van vrijdag 8 augustus 2014 t/m donderdag 18 september 2014 heeft het ontwerp van dit bestemmingsplan ter visie gelegen voor het indienen van zienswijzen, als bedoeld in artikel 3.8, lid 1, van de Wet ruimtelijke ordening in verbintenis met Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Gedurende de periode van tervisielegging zijn 2 zienswijzen ingediend. De ontvangen zienswijzen zijn beoordeeld. Voor een overzicht van de zienswijzen wordt verwezen naar Bijlage 3 van deze toelichting.