direct naar inhoud van Regels
Plan: Partiële herziening bestemmingsplan Harnaschpolder Noord 2014 - Reclamemast
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1842.bp16HP02-va01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Harnaschpolder Noord 2014 - Reclamemast" met identificatienummer NL.IMRO.1842.bp16HP02-va01 van de gemeente Midden-Delfland.

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels.

Verdere begrippen zoals deze onderdeel uitmaken van de regels van het bestemmingsplan "Harnaschpolder Noord 2014" blijven ongewijzigd van toepassing op het plan.

Artikel 2 Toepassingsbereik regels

De regels van het bestemmingsplan "Harnaschpolder Noord 2014", zoals vastgesteld door de raad van de gemeente Midden-Delfland op 26 mei 2015, met identificatienummer NL.IMRO.1842.bp14HP01-VA01 blijven ongewijzigd van toepassing op het plan, tenzij in afwijking in dit bestemmingsplan anders geregeld.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bedrijventerrein

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een reclamemast, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reclamemast 1', met als voorwaardelijke verplichting dat wordt voldaan aan het bepaalde in lid 9.1.1 onder b.;
  • b. bedrijven tot en met de hoogst mogelijke milieucategorie die toelaatbaar wordt geacht volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009);
  • c. internetverkoop;
  • d. horecabedrijf uit ten hoogste categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten;
  • e. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangs- en ontsluitingswegen.
3.2 Bouwregels

Op deze gronden mag, met in achtneming van de bebouwingstypologie en ruimtelijke kwaliteit (met uitzondering van de maatvoering) zoals deze in het door de gemeenteraad vastgestelde 'Beeldkwaliteitsplan Bedrijventerrein Harnaschpolder Midden-Delfland' zijn opgenomen, worden gebouwd en gelden de volgende regels:

3.2.1 Gebouwen
  • a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan als onderdeel van te realiseren bouwwerken op de aangrenzende bestemming Bedrijventerrein - Uit te werken en dienen in dit kader te voldoen aan de onderzoeksverplichting op de volgende onderdelen:
    • 1. luchtkwaliteit;
    • 2. parkeren en mobiliteit;
    • 3. bodemkwaliteit;
    • 4. waterhuishouding;
    • 5. externe veiligheid;
    • 6. ecologie, toetsing flora- en faunawet;
    • 7. grondexploitatie en kostenverhaal;
  • b. het maximum bebouwingspercentage bedraagt ten hoogste 70% per bouwperceel;
  • c. nieuwvestiging mag de bedrijfsvoering van omliggende bestaande bedrijven niet onevenredig hinderen.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - reclamemast 1' geldt:
    • 1. de voorwaardelijke verplichting dat compensatie zoals bedoeld in lid 9.1.1 onder b. heeft plaatsgevonden;
    • 2. dat het oprichten van maximaal 1 reclamemast met 2 maal 3 reclamevlakken voor algemene commerciële en bedrijfsgebonden doeleinden is toegestaan;
    • 3. dat de bouwhoogte van de reclamemast ten hoogste 40 m mag bedragen ten opzichte van de hoogte van het asfalt van de naastgelegen rijksweg A4, gemeten op het meest nabij gelegen gedeelte, met dien verstande dat de bouwhoogte van de reclamevlakken ten hoogste 30 m mag bedragen;
    • 4. dat het aantal reclamevlakken ten hoogste 6 bedraagt, verdeeld in 2 maal 3 vlakken boven elkaar in driehoeksopstelling, met dien verstande dat:

van 3 reclamevlakken (1 driehoeksopstelling):

      • de oppervlakte ten hoogste 120 m² mag bedragen;
      • de breedte ten hoogste 13 m mag bedragen;
      • de hoogte ten hoogste 13 m mag bedragen;

van 3 reclamevlakken (1 driehoeksopstelling):

      • de breedte ten hoogste 16 m mag bedragen;
      • de hoogte ten hoogste 2,5 m mag bedragen;
    • 1. verlichte reclame-uitingen moeten voldoen aan de Richtlijn Lichthinder van de Commissie Lichthinder, zoals gepubliceerd door de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde in 2014 met dien verstande, dat de verlichting van de reclamevlakken die niet gericht zijn op de snelweg in ieder geval uitgeschakeld dient te zijn tussen 00.00 uur en 06.00 uur;
    • 2. bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de oprichting van een reclamemast wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de wegbeheerder;
  • b. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 m;
  • c. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt ten hoogste 6 m;
  • d. de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt ten hoogste 9 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 3 m.
3.3 Nadere eisen
3.3.1 Externe veiligheid - vluchtmogelijkheden

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect externe veiligheid, ter beheersing van de uitpandige vluchtroutes, en de bereikbaarheid voor de brandweer, voor zover dit niet elders in dit plan is vastgelegd, nadere eisen stellen aan:

  • a. vluchtmogelijkheden en de situering van bouwwerken;
  • b. vluchtmogelijkheden en de inrichting van terreinen/openbare ruimte;
  • c. vluchtmogelijkheden en het bebouwd oppervlak van gebouwen;
  • d. vluchtmogelijkheden en het vloeroppervlak van gebouwen.
3.3.2 Externe veiligheid - afsluitbaarheid mechanische ventilatie

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het aspect externe veiligheid, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen, nadere eisen stellen aan de afsluitbaarheid van mechanische ventilatie.

Artikel 4 Water

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water ten behoeve van de waterhuishouding;
  • b. verkeer te water;
  • c. bruggen;
  • d. duikers;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. natuurvriendelijke oevers.
4.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de breedte van een brug ter ontsluiting van een agrarisch of bedrijfsperceel bedraagt ten hoogste 6 m;
  • c. de breedte van een brug ter ontsluiting van andere dan onder b genoemde percelen waarop zich een hoofdgebouw bevindt bedraagt ten hoogste 3 m;
  • d. de oppervlakte van een steiger bedraagt ten hoogste 6 m²;
  • e. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m.

Artikel 5 Bedrijventerrein - Uit te werken

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein - Uit te werken' aan gewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven tot en met de hoogst mogelijke milieucategorie die toelaatbaar wordt geacht volgens de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009);
  • b. internetverkoop;
  • c. horecabedrijf uit ten hoogste categorie 1c van de Staat van Horeca-activiteiten;
  • d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen en toegangs- en ontsluitingswegen.
5.2 Uitwerkingsregels

Het bevoegd gezag werkt de in lid 5.1 genoemde bestemming nader uit, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. het maximum bebouwingspercentage bedraagt ten hoogste 70% per bouwperceel;
  • b. nieuwvestiging mag de bedrijfsvoering van omliggende bestaande bedrijven niet onevenredig hinderen.
  • c. met het oog op het aspect externe veiligheid, ter beheersing van de uitpandige vluchtroutes, en de bereikbaarheid voor de brandweer, voor zover dit niet elders in dit plan is vastgelegd, kunnen nadere eisen stellen aan:
    • 1. vluchtmogelijkheden en de situering van bouwwerken;
    • 2. vluchtmogelijkheden en de inrichting van terreinen/openbare ruimte;
    • 3. vluchtmogelijkheden en het bebouwd oppervlak van gebouwen;
    • 4. vluchtmogelijkheden en het vloeroppervlak van gebouwen;
  • d. met het oog op het aspect externe veiligheid, ter bescherming van de blootstelling aan toxische gassen, kunnen nadere eisen worden gesteld aan de afsluitbaarheid van mechanische ventilatie.
5.3 Bouwregels

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd in overeenstemming met een in werking getreden uitwerkingsplan en met inachtneming van de in dat plan opgenomen regels.

Artikel 6 Leiding - Gas

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - primair bestemd voor een aardgastransportleiding met een diameter van ten hoogste 30 inch en een druk van ten hoogste 66,2 bar en de bijbehorende belemmeringenstrook.

6.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 6.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  • c. nieuwe kwetsbare objecten zijn niet toegestaan.
6.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid  6.2 onder b) indien:

  • a. de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad;
  • b. de werkelijke ligging van de leiding niet leidt tot belemmeringen voor het toestaan van kwetsbare objecten;
  • c. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant.
6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Leiding - Gas zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • b. het aanbrengen/rooien van diepwortelende beplantingen en bomen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren,
  • g. het permanent opslaan van goederen.
6.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 6.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 6.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
6.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 6.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad. Om een zorgvuldige afweging omtrent het niet schaden van de leiding te kunnen maken, dient het bevoegd gezag advies in te winnen bij de leidingbeheerder alvorens te beslissen op de aanvraag.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Antidubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene bouwregels

8.1 Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van aanduidingen, aanduidingsgrenzen en regels worden overschreden door:

  • a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 m bedraagt;
  • b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 m bedraagt;
  • c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 m bedraagt.
8.2 Bestaande maten
  • a. Voor een bouwwerk, dat bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat:
    • 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden;
    • 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden.
  • b. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt.
  • c. Op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Molenbiotoop
9.1.1 Vrijwaringszone - molenbiotoop 400m

In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - molenbiotoop 400m' de volgende regels:

  • a. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht of beplanting aangebracht met een hoogte die meer bedraagt dan 1/30 van de afstand van het bouwwerk tot het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  • b. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a indien de vrije windvang of het zicht op de molen al zijn beperkt vanwege aanwezige bebouwing en de windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt vanwege de nieuw op te richten bebouwing, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd;
  • c. indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge dit lid onder a en b, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.
9.2 Reclamemast
9.2.1 Overige zone - reclamemast - 2

In afwijking van hoofdstuk 2 gelden ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone - reclamemast - 2' de volgende regels:

  • a. het oprichten van maximaal 1 bedrijfsgebonden reclamemast is toegestaan;
  • b. de bouwhoogte van de reclamemast bedraagt ten hoogste 25 m;
  • c. de diameter van een reclamemast bedraagt ten hoogste 2 meter;
  • d. het aantal reclamevlakken bedraagt ten hoogste 3;
  • e. de bouwhoogte van een reclamevlak bedraagt ten hoogste 10 m;
  • f. de breedte van een reclamevlak bedraagt ten hoogste 12 m;
  • g. het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van dit lid onder a en toestaan dat er één extra reclamemast wordt opgericht, met in achtneming van de regels zoals gesteld in b tot en met f.;
  • h. bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de oprichting van een reclamemast wordt door het bevoegd gezag advies ingewonnen bij de wegbeheerder;
  • i. het belang van de aanwezige leiding niet wordt geschaad, met dien verstande dat, indien van toepassing, het bepaalde in art. 6 onverkort van toepassing blijft.

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels

Het bevoegd gezag kan - tenzij op grond van hoofdstuk 2 reeds afwijking mogelijk is - bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor:

  • a. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%;
  • b. overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen ten hoogste 3 m bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot;
  • c. het oprichten van voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie voor zover deze voorzieningen van geringe horizontale afmetingen zijn en mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 40 m;
  • d. het oprichten van nutsvoorzieningen zoals transformatorhuisjes, gasdrukregel- en meetstations en bemalingsinrichtingen mits de oppervlakte van elk van deze gebouwen niet bedraagt dan 20 m² en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 5 m;

De omgevingsvergunning wordt niet verleend, indien daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ingevolge de bestemming gegeven gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken

Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan;
  • b. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van dit lid onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in dit lid onder a met maximaal 10%;
  • c. dit lid onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik

Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt:

  • a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;
  • b. het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;
  • c. indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;
  • d. dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het bestemmingsplan Partiële herziening bestemmingsplan Harnaschpolder Noord 2014 - Reclamemast'.