NL.IMRO.1876.BP01047-VG01 bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst gemeentelijke overheid 1876 2016-04-04 PRPT2012
Stedelijk gebied Bronckhorst    

Toelichting     

Hoofdstuk 1 Inleiding     

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3), de vigerende bestemmingsplannen (paragraaf 1.4) en een leeswijzer (paragraaf 1.5).

1.1 Aanleiding     

Sinds 2007 heeft de gemeente Bronckhorst de meeste oude bestemmingsplannen geactualiseerd en gedigitaliseerd. Er zijn nu zes hoofdplannen voor het stedelijk gebied (de kernen) en drie voor het landelijk gebied (buitengebied). Deze hoofdplannen worden samengevoegd tot één bestemmingsplan voor het stedelijk gebied en één voor het landelijk gebied. Het samenvoegen van de plannen voor stedelijk gebied is momenteel aan de orde. Het samenvoegen van de plannen voor landelijk gebied volgt later.

Het bestemmingsplan Stedelijk gebied Bronckhorst heeft betrekking op de actualisatie van de momenteel vigerende bestemmingsplannen in de kernen Achter-Drempt, Baak, Bronkhorst, Drempt, Halle, Hengelo (Gld.), Hoog-Keppel, Hummelo, Keijenborg, Kranenburg, Laag-Keppel, Olburgen, Steenderen, Toldijk, Veldhoek, Velswijk, Vorden, Wichmond en Zelhem. In één bestemmingsplan voor het stedelijk gebied wordt de bestaande situatie vastgelegd en de bestemmingsregeling aangepast aan actuele inzichten en ontwikkelingen.

Op het bestemmingsplan voor Stad Bronkhorst na zijn alle plannen voor stedelijk gebied geactualiseerd en gedigitaliseerd. Omdat het nu geldende plan voor Bronkhorst in 2005 onherroepelijk is geworden, is deze nu ook aan actualisatie en digitalisering toe.

In de huidige plannen zijn voornamelijk de bestaande regelingen uit de oude plannen samengebracht in één plan per deelgebied. Ze voorzien niet in nieuwe ontwikkelingen. De samenvoeging van de plannen brengt wel enkele aanpassingen met zich mee ten opzichte van de huidige plannen. Echter zijn nieuwe ontwikkelingen nog steeds geen onderdeel van dit plan. Wel wordt er ingespeeld op nieuwe inzichten en behoeften. Ook biedt dit plan de mogelijkheid om onvolkomenheden uit eerdere plannen te herstellen.

Voor het gebied van Bronkhorst geldt dat de omzetting van analoog naar digitaal tot gevolg heeft dat de opbouw en systematiek van bestemmen zijn gewijzigd. We hebben te maken met landelijke uitgangspunten voor de wijze van bestemmen. Zo worden uniforme naamgevingen en kleurstellingen gebruikt voor de bestemmingen en zijn de bestemmingsplanregels opgebouwd volgens een landelijk vastgelegde systematiek. Binnen dat kader heeft de gemeente ruimte om een eigen invulling te geven aan de inhoud van de regels. Dit is niet onbeperkt omdat er rekening moet worden gehouden met ruimtelijke ordeningsaspecten, omgevingsaspecten, gemeentelijk, regionaal, provinciaal en rijksbeleid.

In het plandeel Stad Bronkhorst geldt een door de minister aangewezen beschermd stadsgezicht ten behoeve van het behoud, beheer en herstel van karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteiten. Bij het in het bestemmingsplan mogelijk maken van gebruiks- en bouwmogelijkheden dient daarmee rekening te worden gehouden. Dit brengt met zich mee dat, afhankelijk van de kenmerken per locatie, de mogelijkheden beperkt zijn. Na de aanwijzing tot beschermd gezicht in 1971 is in de bestemmingsplannen Bronkhorst 1984 en 2004 de regeling voor het gebied al grotendeels bepaald met het beschermde gezicht als leidraad. Het nu voorliggende plan zal daar geen wezenlijke verandering in brengen. Wel hebben wij waar mogelijk de opzet en inhoud van de regels vereenvoudigd en geharmoniseerd. Dit passend binnen de landelijke uitgangspunten en de invulling daaraan, zoals wij die bij onze Bronckhorster bestemmingsplannen hanteren.

Wij hebben bij de bestemmingen aansluiting gezocht bij bestemmingen die ook in de andere stedelijke gebieden van Bronckhorst voorkomen. Dus zo min mogelijk specifieke bestemmingen alleen voor Stad Bronkhorst. Voor een aantal bestemmingen ontkomen we daar niet aan omdat dit de leesbaarheid en begrijpelijkheid van het plan niet ten goede zou komen. Dit betreft de bestemmingen 'Wonen', 'Agrarisch', 'Horeca' en 'Maatschappelijk'. Echter waar mogelijk hebben we wel de opzet en mogelijkheden uit de algemene bredere bestemmingen overgenomen. Zo geldt dat bij wonen 'aan huis verbonden activiteiten zijn toegestaan' zoals kantoor aan huis en bed & breakfast. Waar specifieke bepalingen gelden vanwege de historische karakteristiek hebben wij dit in de regels opgenomen en op de bestemmingsplankaart (de verbeelding) met een aanduiding of maatvoering opgenomen.

In het gebied is sprake van enkele situaties die in strijd zijn met het nu geldende bestemmingsplan maar die onder het overgangsrecht van dat plan vallen. Deze situaties blijven in het nieuwe plan niet langer onder het overgangsrecht maar worden positief bestemd. Het gaat hier om gronden die worden gebruikt als tuin en enkele bijgebouwen.

1.2 Plangebied     

Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan omvat alle bebouwde kommen zoals deze in de zin van de Wet ruimtelijke ordening door de gemeente Bronckhorst zijn begrensd. Het betreft de kernen Achter-Drempt, Baak, Bronkhorst, Drempt, Halle, Hengelo, Hoog-Keppel, Hummelo, Keijenborg, Kranenburg, Laag-Keppel, Olburgen, Steenderen, Toldijk, Veldhoek, Velswijk, Vorden, Wichmond en Zelhem.

Omdat ten tijde van het ontwerp van voorliggend plan een aparte procedure wordt doorlopen voor uitbreiding van AVIKO op het bedrijventerrein in Steenderen, is deze locatie buiten het plangebied gelaten.

1.3 Aanpak     

Aan de totstandkoming van voorliggend bestemmingsplan heeft de in deze paragraaf beschreven aanpak ten grondslag gelegen.

1.3.1 Algemeen     

Bij het invoeren van digitale verplichting voor ruimtelijke plannen en de start van de actualisatie van de bestemmingsplannen van de gemeente Bronckhorst, is een opzet gemaakt voor een standaardregeling voor de regels, plankaart en toelichting. Doel daarvan is het komen tot een integrale, gebiedsgerichte herziening van de bestemmingsplannen van de gemeente Bronckhorst. Het streven is dat de bestemmingsplannen qua systematiek (opzet regels, opbouw toelichting, kaartbeeld) op elkaar worden afgestemd (standaardisering). Vanzelfsprekend dient daarbij rekening te worden gehouden met bestaande beleidskaders en vigerende bestemmingsplanregelingen. Het voorliggende bestemmingsplan heeft, in het kader van actualisering van bestemmingsplannen, primair een beheersfunctie. Dat wil zeggen dat het vastleggen en behouden van de bestaande ruimtelijke, functionele en verkeerskundige situatie voorop staat. Nieuwe ontwikkelingen beperken zich tot het bieden van beperkte uitbreidingsmogelijkheden van de bestaande bebouwing. Functieveranderingen zijn beperkt mogelijk.

Een nieuw bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om een nulsituatie vast te leggen met betrekking tot de aanwezige gebouwen en het gebruik van de gronden. Hiertoe heeft een inventarisatie plaatsgevonden aan de hand van verleende milieu- en bouwvergunningen, meldingen, luchtfoto's en inventarisatie in het veld.

Om te komen tot een planologische opzet die zoveel mogelijk recht doet aan de specifieke karakteristiek van het plangebied, rekening houdend met bestaande rechten, flexibiliteit biedt voor de gebruikers/bewoners van het gebied en tevens aansluit bij de uitgangspunten van rechtszekerheid, uniformiteit en toegankelijkheid, is aan het daadwerkelijke opstellen van het bestemmingsplan een zorgvuldig traject vooraf gegaan.

In eerste instantie heeft een inventarisatie en bestudering plaatsgevonden van de vigerende bestemmingsplannen. Daarna is aan de hand van bronnenonderzoek nagegaan welke functies binnen de respectievelijke deelplannen aanwezig zijn. Met deze achtergrondinformatie is vervolgens gekeken in hoeverre informatie en praktijk overeenkomen. De veldinventarisatie, in combinatie met een beleidsinventarisatie en literatuurstudie, vormen de basis voor deze toelichting (zie ook paragraaf 1.5).

Aan het actualiseringsproces liggen het Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst en de Nota van wijzigingen Stedelijk gebied ten grondslag. Het op een efficiënte manier herzien van alle bestemmingsplannen binnen de gemeente Bronckhorst vergt immers een eenduidige aanpak.

1.3.2 Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst     

Het Handboek ruimtelijke plannen Bronckhorst vormt de basis voor het opstellen van digitale bestemmingsplannen binnen de gemeente Bronckhorst. Doel van het handboek is om de herkenbaarheid en daarmee de raadpleegbaarheid van de bestemmingsplannen te vergroten. Dit geschiedt door de digitale en analoge opzet, vormgeving en inhoud te standaardiseren. Dit draagt bij aan een efficiënter en eenduidige ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Over de vorm en opzet hoeft niet meer te worden nagedacht, deze is in het handboek duidelijk voorgeschreven. De inhoud blijft uiteraard maatwerk en kan per plan verschillen. Alle afspraken die in het handboek zijn vastgelegd dienen bij het vervaardigen van alle ruimtelijke plantypes, waarvoor de digitale verplichting geldt, te worden nageleefd.

Het handboek is niet bedoeld als extra standaard, maar als hulpmiddel bij het (laten) vervaardigen, interpreteren en beoordelen van (digitale) ruimtelijke plannen. Het handboek sluit aan bij de verplichtingen die voortvloeien uit de Wro, het Bro, de RO Standaarden 2012 en de Werkafspraken RO Standaarden, waarin is voorgeschreven dat ruimtelijke plannen in elk stadium van de procedure digitaal vervaardigd, raadpleegbaar en beschikbaar dienen te zijn. Het digitale exemplaar is het authentieke plan. De analoge exemplaren zijn enkel een afgeleide daarvan, oftewel het digitale plan is leidend. Voorliggend bestemmingsplan is conform het handboek opgesteld.

1.3.3 Nota van wijzigingen Stedelijk gebied Bronckhorst     

Op 25 september 2014 heeft de raad van Bronckhorst de Nota van wijzigingen Stedelijk gebied Bronckhorst vastgesteld (zie Bijlage 1). De nota heeft betrekking op de uitgangspunten voor wijzigingen op hoofdlijnen van de bestemmingsregeling in stedelijk gebied. Daarnaast is er een afzonderlijke nota voor landelijk gebied.

Het coalitieakkoord van Bronckhorst richt zich op een andere manier van werken. Een bescheiden vorm van besturen, deregulering, en uitgaan van eigen kracht en verantwoordelijkheid van burgers. Dit heeft ook gevolgen voor het planologisch beleid. Annex aan het meer overlaten aan de bevolking staat dat we diezelfde bevolking dan ook meer moeten faciliteren. Een en ander voor zover passend binnen rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Die wens- en denkrichting vanuit het coalitieakkoord staat niet op zich. In relatie daarmee is een aantal trends en ontwikkelingen binnen gemeenteland en het domein van de ruimtelijke ordening relevant, te weten:

  1. terugtredende overheid
  2. efficiënt werkende overheid
  3. ontwikkeling richting het fenomeen uitnodigingsplanologie
  4. Omgevingswet

Het coalitieakkoord stuurt aan op implementatie in het proces van actualisering van bestemmingsplannen Bronckhorst van de zogenaamde veegplanmethode zoals dat ook in gemeenten als Gemert-Bakel en Buren wordt toegepast, dan wel een vergelijkbare versnelde en/of meer efficiënte procedure/planvorm. Geheel in lijn van het coalitieakkoord kiezen we bij het zogeheten ‘Bronckhorster bestemmingsplanproces’ (BBP) voor een variant, waarin de uitgangspunten voor een andere manier van werken: bescheiden vorm van besturen, minder regels, meer uitgaan van de eigen kracht en verantwoordelijkheid van de burger in terug te vinden zijn. In het BBP worden individuele initiatieven in een halfjaarlijkse cyclus gebundeld in twee zogeheten 'veegplannen'. Eén voor het stedelijk en één voor het landelijk gebied. Basis voor toepassing van een dergelijke procedure/planvorm vormt het samenvoegen van de bestemmingsplannen tot twee hoofdplannen. Ook één plan voor het stedelijk en één voor het landelijk gebied. Het gehele proces stellen we op een zodanige manier in, dat waar redelijkerwijs mogelijk, voorgesorteerd wordt op de planvorming volgens de Omgevingswet.

We hebben aandacht voor verdere vormen van deregulering, versnellen van procedures en verminderen/beperken van administratieve lasten voor bedrijf en burger. De nota heeft betrekking op de eerste stap, het samenvoegen van de diverse bestemmingsplannen tot twee hoofdplannen, op weg naar het Bronckhorster bestemmingsplanproces (BBP).

Niet alle aspecten uit de Nota van wijzigingen zijn in het plan volledig doorgevoerd. Bij de uitwerking van de hoofdlijnen is naar voren gekomen dat niet alle aspecten konden of hoefden worden uitgewerkt.

Herstel beperking bouwregeling

Bij commerciële en maatschappelijke functies de regeling voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken niet dermate verruimd als aanvankelijk werd beoogd. In tegenstelling tot de bestemming 'Wonen' staan de locaties erg op zichzelf en vergt een verruiming per locatie maatwerk. Dat is nauwelijks in algemene uitgangspunten te vatten. Het bleek bij het opstellen van dit plan niet mogelijk om elke locatie binnen de plansystematiek individueel te beoordelen en een ruimtelijke afweging te maken. Ook bleek het probleem zich in de praktijk slechts beperkt voor te doen. Het blijft wel mogelijk om in voorkomende gevallen, na een ruimtelijke afweging, van het bestemmingsplan af te wijken middels een reguliere omgevingsvergunningprocedure.

Beeldbepalende panden

Het aanvankelijke idee om in het bestemmingsplan een regeling op te nemen om beeldbepalende panden, niet zijnde monumenten, in beschermde gezichten is niet doorgevoerd in dit plan. Diverse redenen. Alvorens beeldbepalende panden kunnen worden aangewezen zal duidelijk moeten zijn welke panden dat betreft. Dat vergt een inventarisatie, beoordeling, waardering en een aanwijzingsprocedure, net als bij monumenten. De beschermde gezichten kennen reeds sloopvergunningstelsel die ook voor niet-monumenten geldt. Over (ver)bouwplannen binnen de beschermde gezichten adviseert altijd de gecombineerde monumenten- en welstandscommissie. Redenen om hier vooralsnog vanaf te zien. Als er vanuit cultuurhistorisch oogpunt wel behoefte blijkt, zal hier eerst beleid voor worden gemaakt.

Kantoren op bedrijventerreinen

De gedachte om op bedrijventerreinen via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid zelfstandige kantoren van beperkte omvang toe te laten is losgelaten. Overleg met de provincie wijst uit dat dit niet past in het provinciale beleid ten aanzien van kantoorvestiging.

Voor het overige zijn alle aspecten uit de nota in het plan verwerkt.

1.4 Vigerende planologische situatie     

De juridisch-planologische basis voor het plangebied wordt gevormd door 7 grotere bestemmingsplannen en enkele kleinere bestemmings- en herzieningsplannen. Voor het plangebied vigeren de volgende (delen van) plannen en worden door het voorliggende bestemmingsplan (deels) vervangen:

Plannaam IMRO-idn Vastgesteld
Hoofdplannen
Bronkhorst 2004 n.v.t. 28-04-2005
Zelhem Dorp NL.IMRO.1876.BP00864-VG01 25-02-2010
Hengelo Dorp NL.IMRO.1876.BP00889-VG01 30-06-2011
Vorden Dorp NL.IMRO.1876.BP00924-VG01 29-03-2012
Steenderen Dorp NL.IMRO.1876.BP00988-VG01 30-05-2013
Kleine kernen 1 NL.IMRO.1876.BP00953-VG01 30-05-2013
Kleine kernen 2 NL.IMRO.1876.BP00980-VG02 30-05-2013
Kleine kernen 1 - correctie na RvS-uitspraak NL.IMRO.1876.BP00953-VG02 26-06-2014
Correctieve herziening Kleine kernen 2 NL.IMRO.1876.BP01041-VG01 29-01-2015
Herzieningen
Hengelo, Molenenk 4  NL.IMRO.1876.BP00938-VG01 28-04-2011
Hengelo, Winkelskamp Oost NL.IMRO.1876.BP00892-VG01 22-09-2011
Dorpsstraat 20 en 22 Hummelo NL.IMRO.1876.BP00947-VG01 15-12-2011
Vorden, Burgemeester Galleestraat 67-69 NL.IMRO.1876.BP00965-VG01 15-12-2011
Drempt; Kulturhus NL.IMRO.1876.BP00995-VG01 06-09-2012
Hengelo, Raadhuisstraat 20-36 en Kerkstraat 1 NL.IMRO.1876.BP00964-VG01 22-11-2012
Hummelo; De Woordhof - herziening NL.IMRO.1876.BP01001-VG01 22-11-2012
Voor-Drempt 2011; Rijksweg 20-1 NL.IMRO.1876.BP00963-VG01 28-02-2013
Hengelo; herziening De Kwekerij NL.IMRO.1876.BP00992-VG01 27-03-2013
Zelhem Dorp; inperken woningbouwmogelijkheden NL.IMRO.1876.BP01018-VG01 26-09-2013
Hengelo; Schoolstraat 13 en Zelhem; Ermelinkstuk 6-12 en Huusakker 10, 14, 16 NL.IMRO.1876.BP01022-VG01 31-10-2013
Steenderen; Integraal kindcentrum NL.IMRO.1876.BP01025-VG01 25-09-2014
Vorden; Rotonde Horsterkamp-Ruurloseweg NL.IMRO.1876.BP01042-VG01 24-09-2015

Daarnaast zijn onherroepelijke omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingepast in het bestemmingsplan. Het betreffen zowel omgevingsvergunningen die tot stand zijn gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als met de reguliere procedure. Veelal gaat het hier om functiewijzigingen.

1.5 Leeswijzer     

De plantoelichting van voorliggend bestemmingsplan wijkt enigszins af van de toelichtingen van de voorafgaande plannen (zie paragraaf 1.4). Voorliggend bestemmingsplan vormt voor het stedelijk gebied de basis voor de toekomstige bestemmingsplannen in het kader van het zogeheten ‘Bronckhorster bestemmingsplanproces’ (BBP) (zie paragraaf 1.3.3). Daarom sluit deze toelichting reeds aan bij de gekozen opzet voor die plannen. De toelichting is als volgt opgebouwd.



Hoofdstuk 1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat de aanleiding van het plan (paragraaf 1.1), de begrenzing van het plangebied (paragraaf 1.2), de aanpak van de totstandkoming van het plan (paragraaf 1.3), de vigerende planologische situatie (paragraaf 1.4) en deze leeswijzer (paragraaf 1.5).



Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied

In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke en functionele situatie van de 19 kernen beschreven. Elke paragraaf bevat de beschrijving per kern. Hierbij wordt onder andere ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de kern en de bestaande ruimtelijke en functionele structuur.

Hoofdstuk 3 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 3.3), economische aspecten (paragraaf 3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 4.1), provinciaal beleid (paragraaf 4.2), regionaal beleid (paragraaf 4.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 4.4).

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 5.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 5.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 5.3).

Bijlagen bij de toelichting

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting opgenomen.

Hoofdstuk 2 Beschrijving plangebied     

In dit hoofdstuk wordt de ruimtelijke en functionele situatie van de 19 kernen beschreven. Elke paragraaf bevat de beschrijving per kern. Hierbij wordt onder andere ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van de kern en de bestaande ruimtelijke en functionele structuur.

2.1 Achter-Drempt     

2.1.1 Ontstaansgeschiedenis     

Achter-Drempt heet waar het ligt: achter Drempt. Achter-Drempt is ontstaan uit een kerk en een school. Langs de Zomerweg is een lint ontstaan van boerderijen en arbeiderswoningen. De Rooms-Katholieke Kerk vormt vanwege zijn massa een markant element tussen de relatief kleinschalige bebouwing. Een ander karakteristiek gebouw is Boerderij 'het Hoefken' dat een tijd lang dienst deed als R.K. schuilkerk. Aan het eind van de 19e eeuw kwam hiervoor een neogotisch exemplaar gewijd aan Willibrordus in de plaats, dat in 1936 werd vervangen door het huidige gebouw. Waardoor het dorp jonger lijkt dan het is.

Achter-Drempt is een relatief jong dorp en telt ruim 300 inwoners. Vanwege de bescherming van het omliggende landschap zal het dorp niet verder groeien.

verplicht verplicht verplicht

Achter-Drempt omstreeks 1905, 1955 en 1990

2.1.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Het dorp heeft een eigen gezicht door een lange ontstaansgeschiedenis en ieder huis is daarin een herkenbare schakel. Opvallend is dan ook de gevarieerde bebouwing en de landelijke profilering van het dorpslint evenals de groene aankleding van tuinen en erven. De naoorlogse uitbreidingen van het dorp bevinden zich vooral zuidoostelijk van de Zomerweg en bestaan uit rijwoningen, 2-onder-1-kapwoningen en individuele woningbouw.

verplicht

Luchtfoto Achter-Drempt

2.1.3 Functionele structuur     

Algemeen

Achter-Drempt heeft voornamelijk een woonfunctie. Aan de Zomerweg zijn verschillende niet-woonfuncties gesitueerd waaronder een café-restaurant, een fietsenwinkel met smederij en een meubelboerderij. In dit deel van het dorp is ook bedrijvigheid te vinden waaronder een transportbedrijf en een schildersbedrijf met een ondergeschikte detailhandelsfunctie.

Verspreid aan de rand van het dorp zijn enkele gronden gelegen met een agrarische functie. Ten zuidwesten van de kern Achter-Drempt zijn de sportvelden van Sportpark 't Doornslag gelegen.

Verkeersstructuur

Achter-Drempt wordt ontsloten door de Zomerweg. Deze weg is de verkeersader van het dorp en daarmee de belangrijkste weg van het dorp. In het noordoosten ontsluit de Zomerweg het dorp op de N314. In het zuidwestelijke richting ontsluit de Zomerweg het dorp op Doesburg en de N317. De overige wegen in het dorp hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie). Op de navolgende afbeelding is de hoofdwegenstructuur weergegeven.

verplicht

Hoofdwegenstructuur

Groenstructuur

Bij Achter-Drempt gaat de terrasrug geleidelijk over in het bouwland van het essenlandschap. De gronden rondom de bebouwde kom zijn vooral in gebruik als bouwland. Achter-Drempt zelf kenmerkt zich door grote groene tuinen, er is weinig openbaar groen. De Zomerweg wordt begeleidt door bomen met kleine groenstroken. Ten westen van de kern Achter-Drempt zijn de sportvelden van Sportpark 't Doornslag gelegen.

verplicht verplicht

Groenstructuur Achter-Drempt

2.2 Baak     

2.2.1 Ontstaansgeschiedenis     

De kleine kern Baak ligt in het IJssellandschap aan de rand van de Bakerwaard en is omstreeks 1190 ontstaan als buurtschap en later rond de (katholieke) kerk uitgegroeid tot dorp. De historische kern van Baak bestaat uit een voormalige waterstaatskerk, oranjerie – oude pastorie, een kleine concentratie van boerderijen, een grote RK kerk en een schoolgebouw aan de verbindingsweg van Huize Baak naar de Emmerikseweg. Binnen de dorpsgrenzen, langs de weg naar Wichmond, ligt Huize Baak. Dit is één van de vele kastelen die dit deel van de Achterhoek rijk is.

verplicht verplicht verplicht

Baak omstreeks 1905, 1955 en 1990

2.2.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

De historische kern van Baak heeft een sterke visuele relatie met het veel oudere huis Baak. De Waardevolle gebouwen in de historische kern zijn de grote kerk in neogotische stijl 1892, de pastorie in eclectische stijl ca.1860 met koetshuis ca.1900, en de genoemde kerk uit 1886 aan de Pastoriestraat, en verder de school en de meesterswoning en een ruïne van de kerk van de hof van Baak.

In de jaren 1960 en 1970 vond er ten noorden van de Vordenseweg een uitbreiding plaats (traditionele blokverkaveling). In de jaren 1980 werd het dorp uitgebreid ter plaatse van Leeuwencamp. In de jaren 1990 werd het dorp ten westen van de Zutphen-Emmerikseweg uitgebreid aan de Molenweg. Verspreid over het dorp staan vrijstaande gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. Ten zuiden van de het sportpark ligt bedrijventerrein Dambroek dat vanaf 1990 is gerealiseerd. Dit gemengde bedrijventerrein is rationeel opgezet en herbergt verschillende lokale bedrijven. De bebouwing wordt gekenmerkt door bedrijfsbebouwing bestaande uit platte daken en bedrijfshallen met kappen. Verspreid daartussen bevinden zich op het terrein bedrijfswoningen.

verplicht

Luchtfoto Baak

2.2.3 Functionele structuur     

Algemeen

De kom van Baak wordt gedomineerd door de functie wonen. In deze kom is aan de rand ook de kerk van Baak gelegen. De begraafplaats van Baak ligt op geruime afstand van de kerk aan de Zutphen-Emmerikseweg. In het midden van de kom staat de basisschool. De bedrijvigheid van het dorp bevindt zich vooral aan de Zutphense-Emmerikseweg. Naast het bedrijventerrein Dambroek zijn er langs deze weg ook een belastingadvieskantoor , een aannemers-, een schilders- en een autobedrijf aanwezig. Aan de L. Dolfingstraat is tevens een transportbedrijf gevestigd. In het dorp zijn twee horecafuncties te vinden: een restaurant aan de L. Dolfingstraat en de Zutphen-Emmerikseweg. Tegenover de kerk aan de Wichmondseweg is een café te vinden. Daarnaast liggen er verspreid over het lint van de Zutphense-Emmerikseweg twee agrarische percelen.

Bedrijventerrein Dambroek

Bedrijventerrein Dambroek is een gemengd bedrijventerrein waar voornamelijk lokale ondernemingen zijn gevestigd. Een groot deel van de bedrijven is auto- en bouwgerelateerd, daarnaast bevinden zich op het bedrijventerrein o.a. een opleidingscentrum voor brandveiligheid, een ontstoppingsbedrijf en een metaalverwerkingsbedrijf. Er bevinden zich verschillende bedrijfswoningen in het gebied. Het merendeel van de bedrijven bevindt zich in milieucategorie 2 en 3 en er zijn 2 milieucategorie 4 bedrijven.

Verkeersstructuur

Baak is gelegen aan de Zutphen-Emmerikseweg (N314). De N314 is een provinciale weg met een stroomfunctie en verbind Doetinchem met Zutphen. Het dorp wordt in noordelijke en zuidelijke richting ontsloten via deze weg. In westelijke en oostelijke richting wordt het dorp ontsloten via

de L. Dolfingweg respectievelijk de Vordenseweg, deze wegen hebben een ontsluitende functie. De overige wegen hebben een verblijfsfunctie. Op de navolgende afbeelding is de hoofdwegenstructuur weergegeven.

verplicht

Hoofdwegenstructuur

Groenstructuur

Het dorp heeft aan de noordoostzijde een gave landschappelijke relatie met de IJssel-uiterwaarden en de bossen rond Huize Baak. Baak wordt vooral gekenmerkt door de straten met groene voortuinen. In de buurt van de kerk zijn twee pleintjes gelegen die in de vorm van een minirotonde zijn aangelegd. Aan de straten Leeuwencamp/Bobbinkstraat is een speelplaats gelegen. Deze speelplaats wordt omzoomd door platanen. Ten westen van de kern zijn de sportvelden van Sportpark De Baakermat gelegen.

verplicht

verplicht

Groenstructuur Baak

2.3 Bronkhorst     

2.3.1 Ontstaansgeschiedenis     

Het kasteel Bronkhorst

Al omstreeks 1150 bevond zich een sterkte op de nu nog aanwezige heuvel. Dit was een zeer strategische plek voor de vestiging van een kasteel. Het kasteel lag op een natuurlijke hoogte aan de rand van een rug van rivierzand en werd beschermd door brede diepe grachten. Het kon eigenlijk alleen van de oostzijde, waar eens de voorburcht was, rechtstreeks worden aangevallen. Eventuele belegeraars konden zich in de altijd wat drassige, brede uiterwaarden van de IJssel slecht verplaatsen.

Het kasteel is meermalen belegerd geweest. Het meest bekende beleg is dat uit 1582 geweest, toen Spaanse troepen het na 9 maanden beleg in handen kregen. Na 1582 heeft het kasteel geen rol meer gespeeld als militaire versterking. Het werd daarna alleen nog gebruikt als woonhuis. In de eerste helft van de 18e eeuw had het kasteel nog een indrukwekkend uiterlijk, zoals te zien is op de afbeeldingen uit die tijd. In de loop van de 18e eeuw is het kasteel in verval geraakt en ten slotte werd het in 1828 afgebroken. Daarna heeft men van het vrij geringe overblijfsel een eenvoudig landhuis gemaakt, dat boven op de burchtheuvel werd geconstrueerd. Sinds ook dat huis in 1904 werd afgebroken, herinnert slechts de begroeide hoogte nog aan het kasteel.

verplicht verplicht

Het kasteel gezien vanuit het zuid-oosten en zuid-westen

verplicht verplicht

Het kasteel gezien vanuit het noord-oosten en noord-westen



Het stadje Bronkhorst

Het is onduidelijk wat er eerst was: het kasteel of de nederzetting. Het is mogelijk dat er reeds, voordat er sprake was van een militaire versterking of een kasteel, landbouwers zich tussen 600 en 700 hebben gevestigd op en nabij de heuvel. Deze heuvel maakte namelijk deel uit van een hoge rug van rivierzand en was een betrekkelijk veilige vestigingsplaats tussen de vette en vruchtbare kleigronden. Ook het omgekeerde kan mogelijk zijn: direct op de buiten de kasteelgracht gelegen gronden ontstond een woonbuurt met horigen, boeren en ambachtslieden. Uit oude geschriften valt echter wel af te leiden dat de nederzetting binnen de voorburcht reeds betrekkelijk vroeg als een, zij het kleine, stedelijke gemeenschap werd beschouwd. Stad in juridische zin was het toen nog niet. Wel had het 'stadsmuren', maar deze waren onderdeel van de voorburcht en vervulden een taak in de verdediging van het kasteelcomplex. In 1482 werd aan Bronkhorst stadsrecht verleend.

verplicht

Bronkhorst is een aantal malen geteisterd door zware branden, onder meer in 1633 en 1666. De laatste brand was zodanig dat er toen slechts een half stenen huis bleef staan, waarschijnlijk 't Hoge Huys. In 1770 woedde er eveneens een grote brand en brandden er 21 huizen af. Hoewel na de branden alle panden steeds zijn herbouwd, heeft het stadje waarschijnlijk toch een geringe verandering in haar karakter ondergaan. De totale opzet van het stadje is echter sinds haar bloeiperiode in de middeleeuwen maar weinig veranderd. Over de geschiedenis van een aantal gebouwen kan nog iets meer worden gezegd. De kapel is voor het eerst genoemd in 1344. Van 1842 tot ver in de 20e eeuw heeft de kapel als school gefungeerd. Daarna is de kerk gerestaureerd en heeft opnieuw een religieuze functie gekregen. Nu is het de hervormde kerk van Bronkhorst. Een tweede bijzonder pand is 't Hoge Huys, ook genaamd Huis Ophemert. Dit is gebouwd in 1633, na de stadsbrand in dat jaar. Het is aan het eind van de 18e eeuw in boerenhanden overgegaan. Het is het enige huis met een stedelijk karakter in heel Bronkhorst. Ten zuiden van Bronkhorst aan de weg naar Steenderen staat de Bronkhorster molen, welke volgens een gevelsteen herbouwd is in 1844. Voor zover er valt na te gaan heeft daar in de 15e eeuw al een molen gestaan.

verplicht

Beschermd stadsgezicht

De gehele stadskern en een deel van het omliggende buitengebied is op 24 juni 1971 aangewezen als Rijksbeschermd Stadsgezicht. De status van beschermd stadsgezicht heeft als doel om het kenmerkende historische karakter, zoals de fraaie aanzichten op het stadje, te beschermen. Om die reden geldt voor dit gebied een beschermende planologische regeling. Het historische karakter van Bronkhorst wordt in paragraaf 2.3.2 omschreven. Het aanwijzingsbesluit en de begrenzing van het beschermde stadsgezicht zijn opgenomen in Bijlage 2 van de plantoelichting.

De aanwijzing van Bronkhorst als beschermd stadsgezicht is vooral op gebaseerd op het beeld dat het als geheel biedt: niet alleen de aard en de aanleg van de bebouwing, maar ook de boombeplanting en het omliggende landschap. Doordat de bebouwing op een natuurlijke hoogte ligt in het open landschap van de lJsselvallei, levert het stadje vanaf de verschillende toevoerwegen een schilderachtig beeld op.

De bebouwing is beperkt van omvang en (van oorsprong) overwegend agrarisch van aard. Daarnaast zijn er nog enkele specifieke elementen, zoals de kapel, de kasteelheuvel en het Hoge Huys, ook wel Huis Ophemert genaamd. De meeste panden staan op de gemeentelijke- of rijksmonumentenlijst.

Met de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht wordt ernaar gestreefd het historische beeld van Bronkhorst te handhaven. In de kern zelf zullen eventuele wijzigingen van de bebouwing de uiterste zorg vereisen. Deze zorg betreft niet alleen de bebouwing qua type, dakvorm, gevelindeling en materiaalgebruik, maar ook de wegen en de beplantingen. Om het fraaie aanzicht op Bronkhorst te beschermen, dient het gebied rondom zoveel mogelijk gevrijwaard te blijven van bebouwing.

In het onderhavige bestemmingsplan is een deel van het aansluitende landelijke gebied opgenomen, namelijk dat deel dat zodanig met de bebouwde kom is verweven dat het daarmee een functionele eenheid vormt. Voor het overige deel biedt het bestemmingsplan Landelijk gebied Bronckhorst de nodige bescherming.

verplicht

Bronkhorst anno 2014

2.3.2 Ruimtelijke structuur     

Om de ruimtelijke kwaliteit van het beschermd stadsgezicht goed te kunnen beschermen, moet duidelijk omschreven zijn wat die kwaliteiten precies inhouden. Daarvoor is inzicht nodig in de historische ontwikkeling van Bronkhorst. Uit een analyse van de huidige ruimtelijke opbouw als resultaat van de geleidelijke historische ontwikkeling, komen richtlijnen voort voor de gewenste toekomstige ontwikkeling uit oogpunt van vormgeving en het behoud van historische waarden. In deze paragraaf wordt eerst de ruimtelijke kwaliteit van het stadje als geheel beschreven. Vervolgens zal meer gedetailleerd het ruimtelijk beeld per straat of gedeelten daarvan worden beschreven.

2.3.2.1 De ruimtelijke kwaliteit van Bronkhorst als geheel     

Ligging

Bronkhorst is gebouwd op een natuurlijke hoogte in de van oorsprong drassige uiterwaarden van de IJssel. Het landschap van de IJsselvallei wordt hier gekenmerkt door een grote openheid. Door de enigszins verhoogde ligging en de met hoge bomen begroeide heuvel, waar eertijds het kasteel heeft gestaan, wordt de ligging van Bronkhorst nog eens geaccentueerd. Van oorsprong ligt het stadje op een snijpunt van twee infrastructurele elementen: een vaarroute (de IJssel) en een landroute (welke loopt vanuit de Achterhoek naar de Veluwe, via het veer over de IJssel). Deze laatste was vroeger een doorgaande route, maar heeft aan belangrijkheid sterk ingeboet.

Structuur

De kasteelheuvel, het Hoge Huys en de kapel zijn belangrijke structuurbepalende elementen, zowel door hun afmetingen als door de bouwwijze. De bestaande structuur wordt voorts gekenmerkt door de (van oorsprong) overwegend agrarische bebouwing. Deze bebouwing bestaat hoofdzakelijk uit één verdieping met daarop een met riet of pannen afgedekte kap. In het hart van het stadje is de samenhang tussen de bebouwing het grootst. Hoewel de gebouwen daar min of meer gesloten wanden vormen, zijn zij altijd los van elkaar geplaatst. Naar de randen van het dorp toe wordt de structuur van bebouwing losser. De meer recente bebouwing aan 't Hof is ook een opvallend element, maar dit komt omdat zij juist niet aansluit bij de bestaande karakteristieke elementen.

Uit vergelijking tussen de huidige situatie en de kaarten van vóór 1800 blijkt dat veel van de oorspronkelijke stedebouwkundige opzet geleidelijk is verdwenen of verzwakt. Zo bestond er bijvoorbeeld een bijzondere relatie tussen het kasteel en het stadje. Beide waren zelfstandige, ommuurde en verdedigbare elementen met een eigenzinnige vorm en tot één geheel verbonden door een korte, rechte verbindingsweg. Dit ruimtelijke spanningsveld is nauwelijks meer voelbaar in de huidige situatie nu de burcht is verworden tot een begroeide kasteelheuvel. De toegang naar de heuvel verloopt nu via twee haakse bochten om het pand Kasteelweg nr. 5 heen. Van het oorspronkelijk karakteristieke stedelijk beeld van Bronkhorst is weinig meer over na afbraak van de stadspoorten en het verlanden en dempen van de grachten. Het contrast tussen een historisch stedelijk milieu en de landelijke omgeving is nauwelijks meer voelbaar. Tegenwoordig heeft Bronkhorst eerder een dorps dan een stedelijk aanzien.

De overgang van de rand van Bronkhorst naar de kern toe, verloopt geleidelijk. Nog steeds is Bronkhorst ruimtelijk een gaaf en aantrekkelijk geheel, maar het is als stedebouwkundig plan in de huidige situatie beslist minder boeiend dan in de oorspronkelijke situatie het geval moet zijn geweest. Deze indruk wordt nog versterkt doordat op enkele strategische punten beplanting en bebouwing is weggevallen.

Materiaalgebruik

In vrijwel het hele dorp zijn gelijke materialen gebruikt, te weten opgaand metselwerk, waarbij de woonhuizen zijn afgedekt met een pannendak en de schuren met een rieten kap. Slechts enkele bouwwerken vormen dissonanten in dit geheel, zoals nieuwe schuur op het achtererf aan de Onderstraat 14 en de woningen van recentere datum aan 't Hof. Ook de gebroken kap van het pand aan de Onderstraat 8 is door haar afwijkende vormgeving weinig beeldondersteunend.

Beplanting

Er is weinig straatbeplanting aanwezig. Alleen op het plein naast de kapel wordt de ruimte benadrukt door 3 monumentale bomen. Ook aan de andere kant van de kapel op het Gijsbertplein 1344 staat een monumentale boom. Verder wordt aanwezige boombeplanting eerder gezien als een aanvulling op de bebouwing dan als structuurbepalend; de bomen dragen weinig bij aan de karakteristiek van het stratenpatroon. Wel biedt het een levendige aanblik en verhoogt het de aantrekkelijkheid van het stadje. Onder meer aan de Boterstraat en de Onderstaat staan op een aantal plaatsen leilindes.

De toevoerwegen naar Bronkhorst worden begeleid door boombeplanting; vanuit Steenderen aan weerszijden van de weg, vanuit Baak een enkele rij bomen. Juist waar deze toevoerwegen het stadje naderen, wordt de boombeplanting langs de weg plotseling afgebroken. Weliswaar wordt de aanblik op het stadje hierdoor verruimd, maar de inleiding naar het stadje is minder duidelijk.

Langs de westzijde van de Bovenstraat staat een rij nog niet volgroeide bomen onder aan het dijklichaam.

Aan het restant boombeplanting in het open landschap tussen de Boterstraat en de Molenstraat is nog vaag het tracé van de vroegere stadsgracht te herkennen. Aan de westzijde domineert de zwaar beboste kasteelheuvel het beeld. Tussen de kasteelheuvel en de bebouwing ligt een dicht begroeid gebiedje met een onduidelijke functie.

Op het Maneveld, aan de noordzijde, is aaneengesloten beplanting aanwezig. De Joodse begraafplaats heeft er lange tijd 'kaal' bijgelegen, maar wordt nu gemarkeerd door een aantal nog jonge bomen. De diversiteit aan boomsoorten geeft een wat rommelig beeld.

Bestrating en straatmeubilair

Naast de bebouwing en beplanting wordt het ruimtelijk beeld ook bepaald door de bestrating en het straatmeubilair. Voor een aantal straatjes rondom de kapel is de bestrating van veldkeien karakteristiek. Daarnaast is er veel gewerkt met gebakken klinkers in verschillende kleuren, formaten en patronen. Heel geraffineerd is het centrale pleintje iets opgetild boven het straatniveau, waardoor de belijning van het stratenpatroon hier extra zichtbaar wordt gemaakt.

Kenmerkend is dat het profiel steeds een driedeling kent: een hoofdbaanbestrating met daarlangs aan beide zijden goten en een bestrating tot aan de voorgevels van de aanliggende panden. Deze stoep voor de panden ligt vaak iets verhoogd, waardoor het straatbeeld heel afwisselend is. In Bijlage 4 bij de planregels zijn de straatprofielen weergegeven.

Het straatmeubilair vormt een wezenlijk onderdeel van het ruimtelijk beeld. Juist op markante punten wordt het beeld ondersteund door een hoge tuinmuur, een heg of door de karakteristieke houten witgeschilderde hekwerken. Zonder deze attributen zou het stadje een meer open, amorfe indruk maken.

2.3.2.2 Het ruimtelijk beeld per straat     

In deze paragraaf wordt van elke straat een korte karakteristiek gegeven. Met name wordt aandacht besteed aan hoe de ruimten zijn opgebouwd en welke elementen bepalend zijn. In Bijlage 5 en Bijlage 6 van de plantoelichting zijn de rijks- en gemeentelijke monumenten opgenomen met een beschrijving van het monument. De in de straat voorkomende monumenten worden daar nader beschreven.

Boterstraat

Deze straat lag van oorsprong al binnen de grachten. In de loop der tijd is het karakter van de Boterstraat sterk veranderd, onder meer door de "nieuwe" boerderij aan de westzijde. Dit komt vooral door het materiaalgebruik en dan met name van de kap. Hoewel bronnen omtrent het type bebouwing aan de westzijde van deze straat ontbreken, mag men wel aannemen dat de panden, zoals die op de kadasterkaart van 1813 staan, met de nokrichting loodrecht op de straat hebben gestaan. Deze boerderij wijkt daarvan af.

Ook het karakter aan de andere zij de van de Boterstraat is veranderd door het wegvallen van enkele panden, die op de kadasterkaart van 1813 wel voorkwamen. Inmiddels is er op nr. 1a wel weer een pand teruggebouwd. Voor de panden nrs. 1 en 1a staat een aantal jonge leilindes.

verplicht verplicht

Voormalige boerderij aan de Boterstraat 4 en nieuwgebouwde woning aan de Boterstraat 1a

Bovenstraat

Deze van oudsher belangrijke straat wordt onder andere gekenmerkt door het eraan gelegen Hoge Huys (ook wel Huis Ophemert) met zijn ommuurde tuin, die een sterke begeleiding vormt van de noordzijde van deze straat. De drie voormalige agrarische schuren, die aan het Hoge Huys zijn aangebouwd, zijn enkele jaren terug verbouwd tot woningen met praktijk/kantoorruimte. Het complex vormt een heel karakteristieke eenheid op een belangrijke plek tussen Bronkhorst en de IJssel. Het is een van de eerste herkermingspunten vanuit westelijke richting (veer over de IJssel).

verplicht verplicht

het Hoge Huys vanuit de zuidzijde en de noordzijde

verplicht verplicht

'De Gouden Leeuw' hoek Bovenstraat/Onderstraat en pand aan de Bovenstraat 5

Kapelstraat

Langs de westzijde van de Kapelstraat is geen duidelijke bebouwingswand aanwezig, dit in tegenstelling met de situatie in vroegere tijden (zie kadasterkaart van 1817). Herstel van de oorspronkelijke bebouwingswand door passende nieuwbouw zou het besloten karakter van het plein ten noorden van de kapel benadrukken en daardoor de ruimte aantrekkelijker maken. De bestrating van veldkeien is zeer karakteristiek. Ook de drie bomen op het pleintje dragen bij tot het aangename karakter van deze straat.

verplicht verplicht

De kapel en de Kapelstraat

Kasteelweg

Dit straatje was vroeger de verbinding tussen het kasteel en het stadje. Deze belangrijke spilfunctie heeft het verloren. De weg leidt nu slechts naar een begroeide hoogte waar vroeger het kasteel heeft gestaan. Door het verdwijnen van het kasteel is de karakteristieke twee-eenheid tussen het kasteel en het stadje niet langer meer voelbaar. Van een boei end spanningsveld tussen twee bijzondere elementen is de Kasteelweg nu geworden tot een landelijke uitloper van de stedelijke bebouwing. De bestrating met veldkeien geeft het straatje een kleinschalig, historisch karakter.

verplicht

Bebouwing aan het Gijsbertplein 1344 nr. 2 bij de entree van de Kasteelweg (kasteelheuvel)

Gijsbertplein 1344

Dit plein ligt ingeklemd tussen de Kasteelweg en de Onderstraat. De pleinruimte wordt gevormd door de kapel aan de noordzijde en de bebouwing aan de zuidzijde. De plaatsing van de pomp, de hardstenen paaltjes en de zitbanken maken van dit plein een aangename verblijfsruimte. De historische bestrating met veldkeien en klinkers draagt ook hiertoe bij. De eenzame boom op het plein lijkt enigszins willekeurig geplaatst. Het vermoeden bestaat dat deze boom de enig overgeblevene is van een rijtje van drie of vier bomen, bedoeld om het plein te markeren.

verplicht

Restaurant 'Het Wapen van Bronkhorst' aan het Gijsbertplein 1344 nr. 1

Uilenhoek

Dit vroeger niet zo belangrijke, en thans ook nog doodlopende straatje wordt gekenmerkt door de aanliggende (voormalige) agrarische bebouwing. Ook de schuren aan het eind van het straatje hebben hun agrarische functie verloren. Hiervan is de oostelijk gelegen schuur een beschermd monument. Om dit monument te bewaren wordt de mogelijkheid geboden om de schuur om te zetten naar een woning. Bijzonder is de plotselinge confrontatie op verschillende punten met het achterliggende landschap. De Uilenhoek heeft een bestrating van veldkeien. Aan het straatje staat een aardige oude pomp.

verplicht verplicht

Pand aan de Uilenhoek 2 en een inkijkje bij de Uilenhoek

Onderstraat

De Onderstraat heeft qua bebouwing een aangenaam en kleinschalig karakter. Het ontbreken van een pand, dat op de kadasterkaart van 1813 wel voorkwam tussen de nummers 5 en 7, kan in de huidige situatie als weinig storend worden aangemerkt. Men ervaart deze straat als het spanningsveld tussen het Gijsbertplein 1344 enerzijds en de ruimte op de kruising met de Molenstraat en 't Hof anderzijds. Hierdoor wordt de aandacht niet zozeer op de wanden gevestigd. Ook tussen de nummers 10 en 12 (op de hoek van de Onderstraat en de Molenstraat) heeft vroeger een pand gestaan, dat later weer uit het stadsbeeld is verdwenen. Dit pand had een bijzondere functie, omdat het mede de ruimte vormde op het kruispunt Molenstraat - Onderstraat. Door het wegvallen van dit pand is op deze plaats een open ruimte ontstaan met een meer agrarisch en dorps karakter dan het oorspronkelijke stedelijke aanzien.

De kapvorm van nr. 8, een gebroken kap met pannen, past niet in het totale beeld. Dit wordt echter gecamoufleerd door enkele leilindes voor de voorgevel. Verder kent vooral de noordzijde en het oostelijk deel van de Onderstraat een eenvoudige en losse schikking van (oorspronkelijk) overwegend agrarische bebouwing. Hierin vormt de schuur op het achtererf van het agrarische bedrijf op nr. 14 een dissonant, zowel door de afmetingen als door het materiaalgebruik. Op het terras van de herberg op nr. 2, staat een boom, die een belangrijke invloed heeft op het beeld van deze straat.

verplicht verplicht

Een blik op de Onderstraat in westelijke richting en in oostelijke richting

verplicht verplicht

Bebouwing aan de Onderstraat 1 en afwijkende dakvorm bij Onderstraat 8

verplicht verplicht

Agrarisch bedrijf aan de Onderstraat 14 en Toeristisch overstappunt (TOP) op de parkeerplaats

't Hof

Deze straat is waarschijnlijk als laatste ontstaan. Aan de westkant sluit de van oorsprong overwegend agrarische bebouwing aan bij het historische karakter van het stadje. De oostzijde staat in schril contrast hiermee. De vormgeving (hoogte, kapvorm en gevelindeling), met name van de panden nr. 6, 8, 10 en 12 en in mindere mate van de panden nr. 14 en 16, wijkt sterk af van de in het stadje gebruikelijke vormgeving. Ook de aanwezigheid van een voortuin komt in de rest van het stadje niet voor. De bestrating en de openbare verlichting zijn wel aangepast aan het historische karakter van het stadje.

verplicht verplicht

Afwijkende bouwstijl aan 't Hof gezien vanuit de straat en vanaf de oostzijde

Maneveld

Deze straat is een onverharde voortzetting van 't Hof. Deze historische landweg leidt naar een verderop gelegen boerderij. Tussen twee zandwegen ligt een fraai met beplanting omzoomd weitje. Aan de westzijde ligt de Joodse begraafplaats, dat een rijksmonument is.

verplicht verplicht

Joodse begraafplaats aan het Maneveld en de noordzijde van het stadje vanaf het Maneveld

Molenstraat

Deze straat kwam reeds voor in het historische stratenpatroon en leidde naar de molen. De beplanting langs deze weg wordt op ruime afstand van het stadje beëindigd. Vanuit het stadje zelf is hier een heel open uitzicht op het omliggende landschap. In de historische situatie stonden er meer panden langs deze weg. Nu lijkt het of het stadje hier plotseling 'wegloopt' in het landelijke gebied.

verplicht verplicht

Voormalige boerderij aan de Molenstraat 1 en monumentale schuur hoek Molenstraat/Onderstraat

2.3.2.3 Archeologie     

Eind 2002/begin 2003 heeft de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg een beperkt archeologisch onderzoek uitgevoerd bij de kasteelheuvel. Doel was te achterhalen of er aanwijzingen te vinden zijn voor de aanwezigheid van een tweede grachtengordel en een voorburcht bij het kasteel, iets wat bij dergelijke bouwwerken uit die tijd gebruikelijk was. Het onderzoek heeft echter geen concrete aanwijzingen opgeleverd.

In Bronkhorst heeft verder geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Gelet op de historie van het stadje is de archeologische verwachtingswaarde zeer hoog.

2.3.3 Functionele structuur     

2.3.3.1 Bevolking en wonen     

Het aantal woningen in Bronkhorst is lange tijd vrijwel constant gebleven, maar door een dalende gemiddelde woningbezetting nam het aantal inwoners geleidelijk af. In de eerste helft van de 20e eeuw zijn enkele panden afgebroken, met name aan de Kapelstraat, de Onderstraat en de Boterstraat. Daar tegenover stond, gedeeltelijk ter compensatie, de nieuwbouw van enkele woningen aan 't Hof in de jaren vlak na de oorlog.

Uit de ontwikkeling van het aantal inwoners van een gemeenschap kunnen de periodes van groei en bloei en van achteruitgang en verval worden afgelezen. Een vergelijking met plaatsen uit de omgeving zegt iets over de positie van de betreffende gemeenschap in de regio. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat Bronkhorst vroeger grote naam en faam heeft gehad als vestingsstadje, maar dat het weinig interessant moet zijn geweest voor de handel en nijverheid. Bronkhorst is steeds een kleine agrarische gemeenschap gebleven. Het aantal woningen bleef nagenoeg gelijk, terwijl het inwonertal zelfs terugliep in een tijd dat de meeste omringende dorpen en steden een stormachtige groei doormaakten. Er hebben zo weinig veranderingen plaatsgevonden dat het lijkt of de tijd in Bronkhorst heeft stilgestaan. Hierdoor bleef het historische karakter van het stadje vrijwel ongeschonden bewaard. Er is een toenemende belangstelling voor het wonen in Bronkhorst. Het aandeel mensen van buitenaf wordt groter. Zij hebben veelal hun werk elders, maar worden aangetrokken door het rustieke historische karakter van het stadje, daarbij de jaarlijks terugkerende 'overlast' van toeristen voor lief nemend.

Als woonmilieu is Bronkhorst uniek. Het biedt binnen een historisch decor een bijzondere afwisseling aan gebouwen en activiteiten. Landschap en bebouwing zijn tot een aantrekkelijk harmonisch geheel gegroeid met een scala aan recreatieve mogelijkheden. Tegenover de aantrekkelijke kanten van Bronkhorst staat een bezwaar: met name tijdens de zomermaanden lopen er veel toeristen in het stadje en is er sprake van verkeersoverlast over de hoofdroute. Voor kleine kinderen is deze situatie niet ongevaarlijk, terwijl door de oudere bewoners een al te grote belangstelling nog wel eens als hinderlijk wordt ervaren.

2.3.3.2 Voorzieningen en bedrijvigheid     

De in Bronkhorst aanwezige functies zijn vooral gericht op de bezoekende toeristen. De meesten betreffen functies in de recreatieve en artistieke sfeer, zoals horeca, galerie, edelsmid, streekproducten, atiquariaat. Dagelijkse voorzieningen voor de eigen inwoners zijn er niet.

De agrarische functie in Bronkhorst is sterk afgenomen. Er is slechts nog één agrarisch bedrijf actief. Te weten aan de Onderstraat nr. 14.

Voorts is er nog een bijzondere functie aanwezig in de vorm van de kapel aan het Gijbertplein 1344.

2.3.3.3 Verkeer     

Bronkhorst ligt tussen een aantal belangrijke noord-zuidverbindingen, te weten de weg Zutphen-Doetinchem, de rivier de IJssel en de weg Zutphen-Arnhem (aan de overzijde van de IJssel). Een dwarsverbinding tussen deze drie elementen loopt dwars door het stadje heen. Het is de route Brummen, via het pontveer en door Bronkhorst naar Steenderen of Baak. Deze route is van lokaal en toeristisch belang.

Bronkhorst ligt in een verkeersluw gebied. Van buitenaf goed bereikbaar, maar aan een route die niet uitnodigend is voor doorgaand verkeer, vanwege het vertragende effect van het pontveer.

Binnen het stadje levert het (toeristisch) verkeer wel eens problemen op. Enerzijds moet de openbare buitenruimte een aangenaam verblijfsgebied voor de bezoekers zijn, anderzijds moet zij ook doorgang verlenen aan bezoekers. In de meeste gevallen rijden zij namelijk door het stadje heen.

Er geldt voor het openbaar gebied een parkeerverbod voor auto's en motoren op grond van de Wegenverkeerswet. Er is een parkeerterrein aanwezig aan de Onderstraat bij de oostelijk entree van het stadje en bij de Veerweg (buiten het plangebied) aan de andere zijde van de dijk. Bewoners hebben doorgaan op eigen erf over voldoende parkeerruimte of parkeren hun auto op de daarvoor aangewezen strook in de Kapelstraat of op het parkeerterrein aan de Onderstraat. Voorts beschikken de twee grotere horeca-gelegenheden over eigen parkeerruimte.

2.4 Drempt     

2.4.1 Ontstaansgeschiedenis     

Mogelijk is de naam Drempt afgeleid van het Romeinse woord 'terminus' wat eindpunt betekent. Dit woord komt voor in het dorpshuis 'Gildehöfke Trementhe'. Drempt is namelijk gelegen op het eindpunt van de stuifduin lang de oude IJssel. De daarop gelegen van origine 8e en 9e eeuwse St. Joriskerk vorm een markant punt in de omgeving. De kerk is gelegen op een voormalige oeverwal aan de weg Doesburg-Doetinchem. Het betreft een laat-gotische kerk. De hervormde kerk, met pastorie en groenelementen ligt samen met enkele omringende woningen op een 'hoge' kop ten opzichte van het stroomgebieden van de IJssel en oude IJssel.

De kern Drempt is ontstaan uit een lint van boerderijen langs de huidige Kerkstraat. Aan deze straat zijn individuele woningen geplaatst. Aan de oostkant van het dorp (vanaf de Braambergseweg) dateert de bebouwing uit verschillende perioden. Hierdoor is het historische karakter van de route door het dorp zichtbaar, aangezien de ontstaansgeschiedenis is opgebouwd uit een aantal schakels. Eveneens is het tracé van de Rijksweg met de markante bocht om de kerkheuvel een beeldbepalend lint.

verplicht verplicht verplicht

Drempt omstreeks 1908, 1955 en 1995

2.4.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Het oudste bebouwingslint van Drempt is de Kerkstraat. Aan deze straat zijn individuele woningen geplaatst. De historisch kern van Drempt heeft een karakteristieke stedenbouwkundige structuur waarbij de kerk met pastorie is gesitueerd aan het einde van een lang lint. De andere zijde van het lint eindigt bij de school en het dorpshuis. Het lint dat loopt van de kerk tot het dorpshuis kan bestempeld worden als de visueel-ruimtelijke ruggengraat van Drempt. De kerk is enigszins hoger gelegen dan haar omgeving en vormt met de bijbehorende groenelementen een op zichzelf staand element. De kerk is een rijksmonument.

De centrale naoorlogse uitbreiding ligt aan de zuidoost kant van het dorp, met de Gildeweg en de Dreef als centrale assen. Deze uitbreidingen dragen de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse 'tuindorpen' met symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en op de hoeken zijtuinstroken, woningen in twee bouwlagen met langskap, in tweekaptypen of rijtjes.

Verspreid over het dorp staan vrijstaande gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. De woningen aan de randen van het dorp hebben vrij uitzicht op het landschap.

Opvallend is dat dwars door de kern aan weerszijden van de N317 een strook bedrijven is gelegen. In dit gebied zijn verschillende bedrijven gehuisvest in milieucategorie 2 en 3.

verplicht

Luchtfoto Drempt

2.4.3 Functionele structuur     

Algemeen

Drempt heeft voornamelijk een woonfunctie. De overige functies zijn voornamelijk gelegen aan de Rijksweg. Zo zijn hier meerdere winkels te vinden en enkele grotere bedrijven. Verspreid over het dorp zijn onder andere een hengelsportwinkel en een brommer- en scooterwinkel te vinden. In het noordoosten van het dorp zijn er voorzieningen te vinden in de vorm van een zogeheten 'brede school' en een buurtcentrum/peuterspeelzaal. In het westen van het dorp is de kerk met een begraafplaats te vinden. Verder liggen er aan de randen van het dorp enkele agrarische percelen.

Verkeersstructuur

De belangrijkste ontsluitingsweg van Drempt is de Rijksweg (N317), welke ten zuiden van het dorp is gesitueerd. Daarnaast is Kerkstraat de een belangrijke corridor in de verkeersstructuur.

Drempt wordt regionaal in vier richtingen ontsloten. In noordelijke richting wordt Drempt ontsloten door de Veldweg; in oostelijke richting door de Kerkstraat en de N317; in zuidwestelijke richting door de N317 en later door de N337 en in westelijke richting door de N317. Alle wegen in Drempt hebben een verblijfsfunctie. Op de navolgende afbeelding is de hoofdwegenstructuur weergegeven.

verplicht

Hoofdwegenstructuur

Groenstructuur

De kern Drempt heeft een aantal beeldbepalende groenelementen, zo wordt de Kerkstraat begeleid door groene hagen en bevinden zich verspreid door de kern verschillende groenstroken met monumentale bomen. Samen met de groene voortuinen geeft dit Drempt een groen karakter. Ten noorden van de Rijksweg is een speeltuin gelegen. Buiten de kern dragen de zuidelijk gelegen uiterwaarden met plassen en strangen in belangrijke mate bij aan het groen karakter.

verplicht

verplicht

Groenstructuur Drempt

2.5 Halle     

2.5.1 Ontstaansgeschiedenis     

Halle ligt in het ontginningslandschap in de oostelijke onderhoek van de gemeente en bevindt zich evenals Zelhem op de hoge rug van het dekzandplateau. De geschiedenis is goeddeels gelijkluidend als die van de kern Zelhem maar veel beperkter in omvang. Ook Halle fungeerde eeuwenlang als pleisterplaats op de handelsroutes van Duitsland naar de Hanzesteden Zutphen en Doesburg. De ontwikkeling tot 1945 vindt plaats als lint langs de weg, en pas ná die tijd komt geleidelijk via een parallelweg enige planmatige nieuwbouw tot stand.

2.5.2 Ruimtelijke structuur     

Het dorp heeft een centrum bestaande uit het lange lint van de Dorpsstraat met gevarieerd geplaatste bebouwing langs de flauw gebogen weg, waardoor de bakstenen kerktoren met spits en houten lantaarn een belangrijk herkenningspunt vormt.

verplicht

Luchtfoto Halle met plangrens

De architectuur uit de 20'er - 30'er jaren neemt een belangrijke plaats in met veel eenlaagse bebouwing met mansardekap, dwars op de hoofdrichting naast naoorlogse woningbouw in 1 en 2 lagen met schilddak.

De uitbreiding ten zuiden van de Dorpsstraat bestaat in hoofdzaak uit 2 parallelle straten, de Roggestraat en de Haverstraat, waaraan gedurende een lange periode bebouwing is geplaatst en dus gevarieerd in stijl materiaal en kleur. Uitzondering hierop vormt de eerste rij woningen ten zuiden van de Dorpsstaat. Deze is in traditionele Delftse School-stijl gebouwd als één lang doorgaand gebaar van rode gevels en terracotta pannen langskappen. Aansluitend is ten zuiden van de Haverstraat een wijk met voornamelijk twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen gebouwd aan de Westerhofskamp en de Kampshöfken.

De meest recente uitbreiding van de kern heeft plaatsgevonden in de Abbinkskamp in de hoek ten oosten van de Abbinkstraat.

Aan de zuid- en noordzijde zijn ‘restjes’ landelijk gebied ontstaan door de formele kerngrenzen, maar deze behoren bij het aangrenzende landelijke gebied.

2.5.3 Functionele structuur     

Algemeen

Halle heeft voornamelijk een woonfunctie. Vooral aan de Dorpsstraat zijn verschillende niet-woonfuncties gesitueerd waaronder winkels, 2 kerken (waarvan 1 in gebruik als dorpshuis), een begraafplaats en een café/zalencentrum. De bedrijven in het dorp bevinden zich ten noorden van de lintbebouwing aan de Dorpsstraat, vooral ter hoogte van de kruising met de Fortstraat en een opvallend mengvoederbedrijf aan de oostzijde van de Dorpsstraat. Aan de Kerkstraat bevindt zich tenslotte nog een school.

Verspreid over het dorp zijn enkele gronden gelegen met een agrarische functie. Ten zuidwesten van de kern Halle zijn de sportvelden van Sportpark De Meisterskamp gelegen.

Verkeersstructuur

Halle wordt ontsloten door de Dorpsstraat (N330), die de kern verbindt met Zelhem in het westen en Varsseveld in het zuidoosten, en de Fortstraat in noordelijke richting. De Dorpsstraat is niet alleen de verkeersader van Halle en daarmee de belangrijkste weg van het dorp, maar heeft ook een regionale functie in de verkeersrelatie tussen Varsseveld (N18) en Zelhem. Alle overige wegen in het dorp hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

Groenstructuur

Het particuliere groen is beeldbepalend in Halle. Vooral de monumentale bomen bij de kerk (Kerkstraat) en de laanbeplanting langs de Kerkstraat - Fortstraat en de Dorpsstraat. De bebouwing staat in het algemeen op ruime kavels. De tuinen en de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landschap geven de kern zijn groene en landelijke karakter.

Binnen Halle is weinig openbaar groen aanwezig. Het openbaar groen dat er is, is kleinschalig en ingevuld met cultuurlijke beplanting. Aan de westzijde van de kern ligt een sportpark en aan de zuidwestzijde van de kern is het dorp groen omkaderd.

verplicht

2.6 Hengelo     

2.6.1 Ontstaansgeschiedenis     

In de prehistorie was de Achterhoek een onherbergzaam en spaarzaam bewoond gebied. Het landschap bestond in die oude tijd uit brede moerassen, begroeid met struikgewas langs de IJssel. Er zijn enkele hoger gelegen delen, zoals bij Aalten, Neede en Lochem en de 'hoogvlakte' waarop Hengelo en Zelhem liggen. De riviertjes stromen er van oost naar west. Mede door de lagere ligging dan aangrenzende gebieden ontstonden er uitgestrekte moerassen en veengebieden waar weinig plaats over bleef dat geschikt was voor menselijk bewoning.

verplicht

Van Hengelo kan vermeld worden dat zij ontstaan is, zoals zovele dorpen op de zandgronden, als esdorp. Dit dorpstype vertegenwoordigt een soort, waarin de landbouw één van de belangrijkste bestaansbronnen vormt. Zij zijn meestal gelegen op een hoger stuk zandgrond, wat een eenvoudig te maken en veilige vestigingsplaats vormde. Daarnaast vormt ook de aanwezigheid van (stromend) water als drink- en wasplaats voor de bevolking met haar vee een belangrijke vestigingsfactor.

Het esdorp in het algemeen, en dat geldt evenzeer voor Hengelo, is door landbouwcrises, industrialisatie en niet te vergeten de betere ontsluitings- en transportmogelijkheden veranderd. Dit geldt zowel in economisch als in sociaal opzicht. Maar ook het ruimtelijk beeld, zowel in als buiten de bebouwde kom, is door die invloeden veranderd. Hoewel na deze periode van veel veranderingen er zich aan het begin van de 20e eeuw een minder dynamische ontwikkeling heeft voltrokken, zijn er de laatste decennia weer een aantal versterkte ontwikkelingstendensen te constateren. Belangrijke aspecten zijn daarbij maatschappelijke veranderingen als de scheiding tussen woon- en werkplaats, de toegenomen en nog steeds toenemende mobiliteit, vooral door toenemend autobezit en gebruik van de vele nieuw gerealiseerde wegen.

verplicht

Over de oudste ruimtelijke ontwikkeling van Hengelo is, evenals dit bij andere oudere (kleine) dorpen in de Achterhoek het geval is, weinig met zekerheid bekend. Wel kan met grote zekerheid worden vermeld, dat Hengelo is ontstaan als nederzetting met een overwegend 'agrarisch' karakter. Dit zal waarschijnlijk een vrij losse schikking van boerderijen hebben ingehouden, waarbij met name op de hoger gelegen zandruggen de boerderijen en wegen lagen. Belangrijke factoren om zich juist op die plaatsen te vestigen kunnen geweest zijn een open plek in het woud (loo betekent woud) en de aanwezigheid van water. De hoger gelegen zandruggen, waarop Hengelo ligt, liggen namelijk ingeklemd tussen twee beekjes, te weten de Dunborgse Laak en de Kloosterlaak. De eerste van deze twee laken zal ten zuiden van de huidige kom van de gemeente gelopen hebben; de tweede, de Kloosterlaak, ten noorden van de kom.

In latere tijden, zo ongeveer de 9e eeuw, is er in de geschiedschrijving sprake van een landgoed Villa Heingelo, wat aan monniken van de Benedictijnerorde wordt geschonken. Deze schenking zou omstreeks het jaar 963 hebben plaatsgevonden. Na deze daad zal waarschijnlijk door de geestelijken aan de bouw van een kerk of kapel zijn begonnen. Daarbij mag dan worden aangenomen, dat de plaats dezelfde is als die waar thans nog de Nederlands Hervormde Kerk staat. Deze Hervormde Kerk is een geheel vrijliggend laatgotisch gebouw. De kerk is een pseudo-basiliek met een flinke toren die aan drie zijden door de kerk wordt omvat. De noorderzijbeuk is breder dan de zuiderzijbeuk. In de eeuwen hierna, de Middeleeuwen, zal de ruimtelijke structuur van het dorp slechts geïntensiveerd zijn. Daartoe moet het karakter van het dorp hoofdzakelijk opgebouwd gedacht worden uit wegen met daaraan liggende boerderijbebouwing. De voornaamste zandwegen voerden destijds naar Doetinchem (Keijenborg), Ruurlo en Zutphen-Vorden.

Wanneer de situatie in de 19e eeuw wordt bekeken, dan bestaat het dorp uit de Nederlands Hervormde kerk, met de beeldbepalende, uit de 15e eeuw daterende hoge toren met daar omheen een vermenging van woningen en boerderijen. Daarnaast bestaan reeds straten, die ook in de huidige situatie nog aangetroffen worden, zoals: de Raadhuisstraat, Regelinkstraat, Kerkstraat, Ruurloseweg, Bleekstraat en Spalstraat. Mede onder invloed van veranderende bewerkingsmethoden in de akkerbouw (graan etc.) is het voorspoedig gegaan in de omgeving van Hengelo. In die tijd waren er een zestal molens te vinden in de directe omgeving van het dorp, welke echter nagenoeg allemaal zijn verdwenen. Ook met de paarden- en beestenmarkt, waarop sinds 1658 octrooi is verleend, en welke werd gehouden in de Spalstraat, ging het goed. De industrialisatie en de daarmee samengaande maatschappelijke ontwikkelingen hebben ook Hengelo in de 19e eeuw niet onberoerd gelaten. Die ontwikkelingen hebben er vooral toe geleid dat er reeds in 1863 sprake is van een geregelde verbinding tussen Hengelo en Zutphen. De schaalvergroting in de agrarische sector bracht tevens ook een bundeling van activiteiten met zich mee, hetgeen resulteerde in een aantal coöperaties. Enkele hiervan bevonden zich zelfs tot niet heel lang geleden, nog in de kom van de gemeente, zoals: de Coöperatieve Veevoederhandel en de Coöperatieve Zuivelhandel. Dat Hengelo in het midden van de vorige eeuw een groei doormaakte die waarschijnlijk niet alleen veroorzaakt werd door de groei van de eigen bevolking, maar ook door allochtonen, mag blijken uit het feit dat in 1843 een eigen Rooms Katholieke kerk aan de Spalstraat werd gebouwd en in 1841 er reeds een synagoge is gebouwd, waaraan nu nog de Synagogestraat herinnert.

Doordat de landbouw aan het einde van de 19e eeuw een ernstige crisis heeft beleefd, is de groei van het inwoneraantal tot 1900 beperkt gebleven. De landbouwcrisis heeft er echter wel toe geleid, dat de opkomst van kleinschalige ambachtelijke bedrijven mogelijk werd. De geringe loon- en vestigingskosten hebben dit type bedrijven aan de rand van de bebouwde kom doen ontstaan. Wanneer men afbeeldingen van rond 1929 bekijkt, dan kan men constateren dat met name aan de invalsroutes naar de kern toe er een soort lintbebouwing is ontstaan. Daarnaast is een aantal zandpaden omgevormd tot kleine straatjes of steegjes. Omstreeks de jaren '50 zien we dat er met name in noordelijke en zuidelijke richting een intensivering van de bebouwing is ontstaan en er een aantal straten aan het reeds bestaande patroon is toegevoegd. Op kaarten van begin tachtiger jaren zien we dat de Rondweg als belangrijk nieuw element toegevoegd (aangelegd in 1973). Tevens valt op dat de bebouwing tot aan deze weg is opgerukt en dat in zuidoostelijke en noordoostelijke richting er woongebieden aan toegevoegd zijn. Oorzaken daarvan kunnen gevonden worden in de bevolkingsgroei en de daling van de gemiddelde woningbezetting.

2.6.2 Ruimtelijke structuur     

Karakteristieke dorpsstructuur

De radiale structuur is nog altijd kenmerkend voor Hengelo. Daar waar de oude verbindingswegen samenkomen ligt het hart van het dorp. Het centrum van Hengelo wordt gevormd door het gebied rondom de kerk en twee uitlopers: de Raadhuisstraat en de Spalstraat. In dit gebied is het merendeel van de winkels, de horeca en de maatschappelijke voorzieningen gelegen, zoals onder meer het gemeentehuis, het politiebureau, de bibliotheek en drie kerken.

Niet alleen aan de oostkant, maar ook aan de noordrand wordt Hengelo begrensd door een landschappelijk fraai gebied. De Regelinklaan is een onverharde weg die wordt begeleid door hoge bomen rijen. Aansluitend liggen wat bosjes en historische boerderijen. De cultuurhistorische waarde van dit gebied is hoog. Iets verder richting provinciale weg vormt nieuwbouwwijk De Kwekerij de begrenzing van het dorp. Komende vanuit de richting Vorden is alleen de kerktoren van Hengelo zichtbaar, de rest ligt verborgen achter opgaand groen.

Vanuit oostelijke richting dringt het groen in een wig-vorm tot in het dorp door, tot aan het centrum. Dit groene gebied bestaat uit park De Bleijke, een cultuurhistorisch waardevolle plek, mede door de aanwezigheid van het bleekhuisje, bos, bomenrijen, een waterloop en kleinschalige agrarische percelen, voornamelijk weiland. Een aantal oude verbindingswegen komt hier samen (Aaltenseweg, Varsselseweg, Oude Varsselseweg), waardoor de terreinen ertussen een driehoekige vorm hebben.

De Ruurloseweg heeft aan de zuidzijde nog de kenmerken van lintbebouwing. Vrijstaande panden worden hier afgewisseld met open, groene ruimten, waardoor er een geleidelijke overgang tussen het dorp en het buitengebied is. De noordkant daarentegen is helemaal bebouwd.

De bedrijvigheid ligt geconcentreerd aan de zuidkant van Hengelo. Een groene wig en een waterloop (Oosterwijkse Vloed) vormen de scheiding tussen het bedrijventerrein en de jongste woonwijk. Dit groene gebied wordt gebruikt als evenemententerrein. De N316 – de provinciale weg tussen Doetinchem en Zutphen – is een “harde” grens aan de westkant van Hengelo. Door de intensiteit en snelheid van het verkeer wordt de weg ervaren als een barrière.

verplicht

Luchtfoto Hengelo



Ruimtelijke opbouw in deelgebieden

Vanuit de bovenstaande algemene beschrijving is een opdeling te maken in deelgebieden waarbij de ruimtelijke opbouw meer specifiek aan bod komt en de vertaling naar beleidsuitgangspunten.

verplicht

Beschrijving historische kern

De NH kerk vormt het centrum van het dorp en is tevens kruispunt van wegen. Aan de noordzijde ontstond een Brink met daarachter een secundaire straat, aan de zuidzijde ontstond bebouwing langs de Raadhuisstraat. Aan de andere zijde liep hier vroeger de beek. De oude dorpskern, met de kerk als middelpunt, ontleent haar kenmerken aan een langere periode van ontwikkeling. Dit heeft geresulteerd in een relatief open en kleinschalige bebouwing met een grote variatie aan bouwvormen en stijlen. De bebouwing is als regel direct - met rabatstrook - aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze krijgen zo alle nadruk, terwijl de zij- en achtergevels veel minder bewerkt zijn. De positie van de bebouwing aan de linten buiten de oude kern is in de regel gevarieerder en minder dicht aan de weg geplaatst. De bebouwing is in de regel een tot twee bouwlagen met kap en incidenteel 3 en zelfs 4 bouwlagen. Traditionele materialen als baksteen, keramische pan, hout en zink overheersen.

verplicht

De historische karakteristiek van Hengelo is nog goed afleesbaar. Zowel het silhouet rondom het dorp alsook de straatgezichten. De subtiele afbakening van de openbare ruimte waaraan de gebouwen min of meer op zichzelf staan, is erg gevoelig voor veranderingen: zie de verharde parkeerterreinen rond het centrum. Bepalende panden zijn de NH kerk en de RK kerk of zijn gelegen aan de Kerkstraat en de Regelinkstraat, het oudst bebouwde deel.

 verplicht verplicht

Kerken beeldbepalend

Verder ademt de bebouwing langs de Spalstraat nog grotendeels een historische sfeer met deels panden van rond de vorige eeuwswisseling. De omgeving van de NH kerk en de daaraan gelegen Kerkstraat, Raadhuisstraat en Spalstraat hebben door bovenstaande opbouw een intieme sfeer en presenteren zich duidelijk als hart van het dorp. Onmiskenbaar maken daar ook delen van de Banninkstraat, Bleekstraat, Regelinkstaat en Ruurloseweg deel van uit.

Er zijn enkele nieuwere toevoegingen in de oude kern die relatief grootschalig zijn en zich daardoor onderscheiden van de kleinschalige, fijnmazige historische verkaveling. Vooral in de centrale ruimte van het dorp aan weerszijden van de Raadhuisstraat en de supermarkten in het noorden aan eveneens de Raadhuisstraat en in het zuiden aan de Spalstraat, worden deze contrasten duidelijk.

verplicht

Relatief grootschalige nieuwere toevoeging

Uitgangspunten historische kern

Het ruimtelijk beleid voor de bebouwing in de historische kern is voornamelijk gericht op het behoud van de bestaande historische bebouwing, zowel hoofd- als bijgebouwen. Uitbreiding en vernieuwing van de bebouwing in dit dorpsgedeelte dient bij te dragen aan de ruimtelijke karakteristiek in die zin dat sprake moet zijn van een cultuurhistorisch meer verantwoorde situatie. Het beleid binnen het gebied historische kern is voorts gericht op:

  • het behoud van de cultuurhistorische waarde, zo mogelijk herstel daarvan op locaties waar door bouwontwikkelingen in het verleden dit verloren is gegaan;
  • vernieuwing, zolang dit in aansluiting gebeurt op de massa, hoogten en de geleding van het historische bebouwingsbeeld. Zeer terughoudend omgaan met verdichting;
  • het versterken van de ruimtelijke samenhang;
  • het versterken van de centrumfuncties van de pleinen en het verbeteren van de beeldkwaliteit van de pleinbebouwing.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling gericht te zijn op behoud van het kleinschalige karakter en de vrij hoge dichtheid van de bebouwde gedeelten en op de inrichting van de onbebouwde ruimten die past in de dorpse sfeer. Belangrijk zijn het behoud van de nog aanwezige open ruimten tussen de bebouwde gedeelten en de ligging van de bebouwing ten opzichte van de straat.

Het hierdoor te beschermen algemeen belang behoeft geenszins in strijd te komen met het privé-belang van de bewoners van de oude dorpskern, mits de bouwwijze en de erfinrichting niet essentieel veranderen ten opzichte van hetgeen algemeen gebruikelijk was en wat we nu dan ook nog steeds aantreffen.



Beschrijving linten (Ruurloseweg, Bleekstraat, Kastanjelaan, Wichmondseweg, Hummeloseweg, Banninkstraat, Zelhemseweg, Hofstraat en Vordenseweg/Raadhuisstraat)

De ruimtelijke opbouw van het dorp Hengelo is vrij duidelijk. Dat is behalve vanwege het hiervoor beschreven nog duidelijk aanwezige kerngebied (ruimtelijk verdicht) ook te danken aan de naar het centrum toe leidende wegen. De straalsgewijze linten vanuit de historische kern, vanaf de NH kerk, vormen van oudsher de uitvalswegen van Hengelo.

verplicht

Het is nog steeds duidelijk wat de uitvalswegen zijn

Veelal zijn deze straten geleidelijk met lintbebouwing volgebouwd. Eigenlijk alleen aan de Zelhemseweg zijn de randen van de latere grootschalige nieuwbouwwijken (Oosterwijkse Vloed) zichtbaar, in mindere mate en met meer moeite kan men het vermoeden krijgen dat ten noorden van de Ruurloseweg ook woongebieden van latere datum zijn gelegen. Overwegend is momenteel een divers bebouwingsbeeld te vinden. Er staan zowel historische als nieuwere panden die hoe dichter bij het centrum des te vaker met de voorgevel direct aan de straat zijn gelegen.

verplicht

Oud en nieuw aan het lint zorgen voor divers bebouwingsbeeld

Over het algemeen wordt het bebouwingsbeeld richting de dorpsgrens opener. De Bleekstraat en Ruurloseweg zijn naast de kenmerkende lintbebouwing ook herkenbaar door de aanwezige laanbeplanting. Voor alle linten geldt dat er sprake is van een ruime opzet waaraan het groen van de tuinen rond de woningen in belangrijke mate een bijdrage levert. De laanbomen aan een aantal belangrijke linten (Ruurloseweg, Aaltenseweg, Vordenseweg en Varsselseweg) zijn opgenomen in de hoofdgroenstructuur uit het Groenstructuurplan (zie 4.4.10).

verplicht

Groen van tuinen sfeer bepalend



Het oorspronkelijke lint is met allerlei invullingen verder verdicht met voornamelijk vrijstaande woningen. Er is ook een aantal invullingen met halfvrijstaande of aaneengesloten bebouwing aanwezig. Meer grootschalige panden komen ook voor, variërend van villa's op een grote kavel tot winkel-, bedrijfs- en kantoorpanden. Aan de Hummeloseweg is bijvoorbeeld een complex voor begeleid wonen gevestigd dat door de afwijkende schaal een min of meer zelfstandige positie heeft aan het lint. Door de afwisseling tussen oude en nieuwere panden is er sprake van een verspringende rooilijn.

verplicht

Buiten de historische kern grotere kans dat positionering afwijkt

De positie van de bebouwing aan de linten buiten de historische kern is in de regel gevarieerder en minder dicht aan de weg geplaatst. De bebouwing is in de regel een tot twee bouwlagen met kap en incidenteel 3 en zelfs 4 bouwlagen. Traditionele materialen als baksteen, keramische pan, hout en zink overheersen.

Uitgangspunten linten

Binnen de linten is het beleid primair gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarden. Beheer en herstel van het bestaande bebouwingsbeeld is de basis voor ontwikkelingsmogelijkheden.
  • Het creëren van continuïteit in het bebouwingslint. Beperkte verdichting is mogelijk, zolang dit niet koste gaat van de ruime, open opzet. Het behoud van het open bebouwingsbeeld met voornamelijk vrijstaande woningen en onbebouwde zijerven is hierbij het uitgangspunt, alsmede het behoud van groen in de tuinen en de aanwezige laanbeplanting.
  • Het behoud van het overwegend kleinschalige en gevarieerde karakter. Kenmerkend is de onregelmatige verkaveling, verspringende rooilijnen, wisselende kavelgroottes, individueel gebouwde panden, wisselende kapvormen en een kleine korrel aan de straatzijde.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling in de eerste plaats de bescherming van het waardevolle, gevarieerde en open ruimtelijke beeld. Belangrijk zijn het behoud van de open ruimten tussen de bebouwde gedeelten en de gevarieerde ligging van de bebouwing ten opzichte van de weg.

Het hierdoor te beschermen algemeen belang behoeft geenszins in strijd te komen met het privé-belang van de bewoners van de linten, mits de bouwwijze en de erfinrichting niet essentieel veranderen ten opzichte van hetgeen algemeen gebruikelijk was en wat we nu dan ook nog steeds aantreffen. Dit betekent dat er binnen deze randvoorwaarden op perceelsniveau zeker uitbreiding van de bebouwing en wijziging van de inrichting van de erven mogelijk is.

Beschrijving uitbreidingswijken

Naast de verdichting van de linten zelf zijn in de tussenliggende gebieden woonwijken aangelegd. De volgende buurten zijn te onderscheiden en, mede aan de hand van de welstandsnota, als volgt te beschrijven. Naast de bebouwing ‘langs oude wegen’ zijn tussen 1950 en 1990 bij haast alle in het gebied voorkomende kernen planmatige uitbreidingen gemaakt, alleen de omvang en het groeitempo verschilt sterk van elkaar. Deze uitbreidingen dragen de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse ‘tuindorpen’ met symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en op de hoeken zijtuinstroken, woningen in twee bouwlagen met langskap, in tweekaptypen of rijtjes. De architectuur richt zich naar verschillende perioden, maar dit leidt alleen in de grotere kernen tot duidelijk verschillende buurten. Hoe hoger het groeitempo des te uniformer de architectuur per periode. De woningbouw van vlak na WO II heeft soms nog karakteristieke Delftse School details als metselwerk beëindiging van de goten, schoorstenen, versierde voordeur – bovenramen. Kleur en materiaal is meestal bescheiden. In de grotere kernen als Hengelo, Vorden en Zelhem is het planmatige karakter te zien aan de herhaling van uniforme rijtjes en de herhaling van kopkanten van de rijtjes.

Traditionele blokverkaveling

In Hengelo zijn een viertal buurten van dit type te onderscheiden:

  • In het noordoosten tussen de Julianalaan en de Kerkekamp;
  • In het zuidoosten de omgeving van de Leliestraat;
  • Bij het centrum de omgeving van de Rozenhoflaan;
  • En in het westen een aantal kleine invullingen langs de Rondweg.

De naoorlogse uitbreidingen worden gekenmerkt door hun rechthoekige stratenpatroon. De woonfunctie is dominant. Het zijn planmatig opgezette buurten parallel aan of in de nabijheid van de invalswegen. Er is een grote mate van herhaling van woningtypes, waardoor deze wijken een grote mate van eenheid vertonen. In Hengelo valt de eenheid relatief mee door de beperkte omvang van de gebieden en de voor deze periode redelijk korte straten. De stedebouwkundige structuur bestaat uit een rechthoekig stratenpatroon Het straatprofiel bestaat uit ondiepe voortuinen, trottoirs aan weerszijden. Er wordt vaak op straat geparkeerd. De straten in de latere uitbreidingen zijn vaak breder dan die uit de jaren 50. Er is meer ruimte ingeruimd voor parkeren. De buurten hebben een open en groen karakter. In de achtertuinen bevinden zich kleine schuurtjes. De rooilijn wordt meestal strikt gevolgd.

verplicht verplicht

Typisch vroeg naoorlogse buurt en jaren '60-'70 bebouwing tussen Centrum en Rondweg

Woningen van kort na de tweede wereldoorlog met rode baksteen en terracotta pannen bepalen het beeld in de wijk ten zuidoosten van het centrum.

Het stratenplan in de naoorlogse buurten in het noorden van Hengelo bestaat deels uit de oude landwegen en deels uit planmatige straten. Daarbinnen staat zowel individuele woningbouw en projectmatige woningbouw met de kenmerken van het nieuwe bouwen. Deze bouwstijl uit zich in de dubbele ontsluiting en parkeerhoven, de blokplaatsing in een gestempeld patroon en de exacte herhaling van gevels. Een afwijking daarop is de sporthal op de hoek Karspel - Sarinkkamp.

Evenals in het noordoosten vertoont de wijk ten westen van het centrum (Zonneweg, Sterreweg, Maanstraat) het beeld van projectmatige woningbouw. Hierbij is gezien de beperkte ruimte en het invullen van een open ruimte resterend tussen bestaande dicht op elkaar gelegen uitvalswegen en de Rondweg niet zozeer een gestempeld patroon aanwezig als wel een efficiënte invulling met wat langere rijen. De buurt bestaat uit woningen met tuinen aan de straat afgezet met hagen en aan de achterzijde doorlopende aangesloten schuurtjes als perceelsbegrenzing en veel half vrijstaande woningen op de koppen.

Woonwijken jaren '70 en '80

De uitbreidingswijken uit deze periode in de kern Hengelo heeft veel overeenkomsten met woonwijken die gelijktijdig overal werden gerealiseerd in Nederland. Het betreft relatief grootschalige uitbreidingen aan de randen van de toenmalige dorpsgrenzen. Hengelo vormt daarop geen uitzondering met de voor die periode kenmerkende bouw aan de Plataanweg, hoewel dit geen grootschalige uitbreiding te noemen is. In tegenstelling tot de woonwijken uit de jaren ervoor is nu meestal sprake van één (gebogen of meanderende) ontsluitingsweg door de wijk, waaraan woonerven of hofjes liggen. Het straatprofiel is ruim, en opgebouwd uit de weg, trottoirs aan weerszijden met vaak ook nog parkeerhavens. Parkeren gebeurt op straat of in hofjes en soms op het eigen erf.

verplicht verplicht

Jaren '70-'80 buurt en Plataanweg, een typisch meanderende ontsluitingsweg

Het noordelijk deel van de Oosterwijkse Vloed behoort eveneens tot deze periode en is in oorsprong grootschalig. Aan een deel van het oospronkelijke bestemmingsplan van 1983 is door de Kroon goedkeuring onthouden waardoor het latere deel uiteindelijk wel conform de stedebouwkundige plan is opgezet, maar in uitvoering duidelijk anders is. Het later gerealiseerde deel van deze uitbreiding (jaren '90) heeft duidelijk andere kenmerken en wordt daarom hierna beschreven.

Thematische woningbouw / Oosterwijkse Vloed

In zuid oostelijke richting bevindt zich de uitbreiding de 'Oosterwijkse Vloed'. Dit gebied is in verschillende fasen gebouwd, de twee laatste zelfs volgens een beeldkwaliteitsplan van 1992 en van 2001. Deze woongebieden dragen een meer uitgesproken stempel. Conform ‘de wens uit de markt’ krijgen de woningen in groepjes of rijtjes een individueler gezicht en worden voorzien van bewust gewilde motieven. De erven zijn klein in relatie tot de bouwvolumes. en zijdelingse aanbouwen zijn uniform of aaneengebouwd. Er wordt uit alle voorgaande perioden ‘geciteerd’, hetgeen voorbeelden van onderling zeer verschillende kwaliteit oplevert. Het heldere stratenpatroon is weer terug en er wordt weer onderscheid gemaakt tussen openbare ruimten en privé tuinen. Soms vindt men historische routes of waterlopen terug en er is veel aandacht aan de inrichting van het straatprofiel besteed.

verplicht

Voor het hele gebied Oosterwijkse Vloed, dat wordt begrensd door de bestaande dorpskom in het noorden en de watergang de Oosterwijkse Vloed in het zuiden en zich voorts uitstrekt van de Aaltenseweg in het oosten tot de Zelhemseweg in het westen is een stedebouwkundige structuur ontworpen. Deze wordt gekenmerkt door de volgende elementen:

  • een hoofdontsluitingsweg die aansluit op de Zelhemseweg en vervolgens het plangebied ongeveer halverwege de oude dorpskom en de Oosterwijkse Vloed doorsnijdt. Deze weg maakt deel uit van de ruimtelijke hoofdstructuur: de weg heeft een duidelijke geledende functie voor het plangebied;
  • loodrecht op deze hoofdontsluitingsweg een tweede as met een bescheiden verkeersfunctie maar wel van belang voor de ruimtelijke geleding van het plangebied. Deze tweede as ligt in de zichtlijn op de NH kerk in het dorpscentrum en geeft in zuidelijke richting zicht op het buitengebied;
  • een aantal grotere groene plekken, gesitueerd langs de hoofdassen;
  • de Oosterwijkse Vloed met een daarlangs geprojecteerde wandelroute.

Deze stedebouwkundige hoofdstructuur is op bovenstaand kaartje aangegeven.

De geprojecteerde woonbebouwing volgt de heldere lijnen van de ruimtelijke hoofdstructuur.

Belangrijk is, dat de hoofdontsluitingsweg als duidelijk herkenbaar ruimtelijk element wordt begeleid door parallel daaraan gesitueerde bebouwing. Bij voorkeur dient deze bebouwing te bestaan uit woningen in 2 bouwlagen met een kap. Zodoende ontstaan duidelijke wanden die de ruimte bepalen. Het in verhouding brede profiel biedt ruimte voor, aan twee zijden te plaatsen bomen in groenstroken waardoor de weg een laankarakter krijgt. Ter plaatse van de kruising met de tweede as is een pleintje ontworpen waardoor een duidelijk centraal gelegen oriëntatiepunt in het plan ontstaat (ovatonde).

Individuele woningbouw

Het gebied tussen de hoofdontsluitingsweg en de Oosterwijkse vloed wordt ontsloten door woonstraten die een minder breed wegprofiel hebben gekregen. Openbare groenvoorzieningen ontbreken daar. Hier zal het continue beeld van beplante voorerven langs de smalle woonstraten zorgen voor een voldoende groene aankleding van deze ruimten. De zuidelijke rand van het plangebied zal worden gevormd door open bebouwing, bestaande uit vrijstaande woningen. Daardoor ontstaat een min of meer zachte, transparante dorpsrand. Ook langs de Berkenlaan is gekozen voor een open bebouwingstype waarmee wordt aangesloten op de bestaande woonbebouwing

aan de noordzijde van de Berkenlaan. Voor het overige biedt het plan ruimte voor een gevarieerd woningbouwprogramma dat optimaal kan worden afgestemd op de plaatselijke woningbehoefte. Daarmee behoort dit deel van de Oosterwijkse Vloed eigenlijk tot de individuele woningbouw.

verplicht

Bijzonder voorbeeld van individuele woningbouw en werkruimte



Behalve aan de rand van de Oosterwijkse Vloed komt individuele woningbouw in hoofdzaak nog voor aan de noordrand van Hengelo aan de Heurne, Beatrixlaan en Wilhelminalaan en in het westen aan de Fokkinkweg. Daarnaast ook nog aan de Kampstraat en verspreid over de hele kern in het centrum en de linten.

De individuele woningbouw bestaat uit vrijstaande gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. De straten hebben een informeel groen karakter en de karakterverschillen door de jaren heen (periode ’65 tot ’90) hebben een beperkte invloed op de openbare weg. Het groen overheerst en de architectuur van de woningen is nauwelijks zichtbaar. Na ’90 worden de kavels snel kleiner en de woningen groter, waardoor meer samenhang in architectuur nodig is. Bij de nieuwste plannen is beeldregie soms in combinatie met meer standaardisatie onvermijdelijk. Lichtere kleuren en uitgesproken materialen en vormen leiden tot een nieuw gezicht, dat om diezelfde reden moeilijker te wijzigen is. Iedere wijziging komt in het zicht door de ondiepe voortuinen; er is minder groen aanwezig en ook mogelijk. Doorgaande straatprofielen vragen om beheerst materiaal en kleurgebruik aan de naar de weg gekeerde zijde. Erfafscheidingen zijn net als in de 30'er jaren wijken belangrijk.

Uitgangspunten uitbreidingswijken

De bovengenoemde, meest na-oorlogse woonbuurten zijn opgezet naar de huisvestings- en vormgevingseisen van hun tijd. Daardoor harmoniëren ze vaak minder met het karakter van het oude dorp en evenmin met dat van het buitengebied. De gebieden zijn hierdoor minder bepalend voor het karakter en de identiteit van het dorp. Het beleid is gericht op het consolideren van de woonfunctie en het behoud van de aanwezige voorzieningen.

Het bestemmingsplan zal hier op perceelsniveau voor de particulier vrijheid kunnen bieden voor bouwkundige verandering van de woningen. Het toelaten van niet-woonfuncties is hier minder gewenst, vanwege de aanslag met verkeer en parkeren die deze functies doen op de daar in de regel niet op afgestemde maat van de openbare ruimten. De openbare ruimten in deze nieuwbouwbuurten zouden meer benut moeten worden voor een versterking van de (recreatieve) groenstructuur.

Beschrijving bedrijventerreinen

Het bedrijventerrein is gelegen aan de zuidkant van Hengelo ingeklemd of opgespannen tussen de uitvalswegen Hummeloseweg overgaand in de Kruisbergseweg en de Zelhemseweg ten zuiden van de Oosterwijkse Vloed en onderling verbonden door de Molenenk. De van oudsher ook in de kern aanwezige bedrijvigheid is heden ten dage in Hengelo grotendeels naar het bedrijventerrein vertokken, gestopt en/of herontwikkeld (zoals de voormalige Zuivelfabriek). In 1988 is het bedrijventerrein in oostelijke richting uitgebreid ten oosten van de Zelhemseweg tot aan het evenemententerrein. Door de daar aanwezige beek met hoogopgaande groene oevers is daar een fraaie landschappelijke inpassing gerealiseerd en geeft het bedrijventerrein daar een typische kromming. Het is een gebied van nogal wisselende kwaliteit. Dit geldt zowel voor de gebouwen alsook voor de inrichting van de openbare ruimte. Het noordelijk deel kent grote bedrijfshallen en een dominant aanwezige betonfabriek. De recentere uitbreiding is wat kleinschaliger van opzet. Dit deel kent een gelijksoortige uitstraling met bedrijfsloodsen in wisselende grootten, zonder echte uitschieters in uitzonderlijke grote of kleine schaal. Behalve de gedeeltelijk overgebleven lintbebouwing zijn er ook nog bedrijfswoningen aanwezig. Zo is verspreid over het gehele bedrijventerrein kleinschalige bebouwing in de vorm van bedrijfswoningen en enkele burgerwoningen aanwezig. Opvallend is verder dat er een begraafplaats grenst aan het bedrijventerrein, dat door zijn besloten karakter door omzoming met groen zowel op zichzelf staat als afschermend werkt.

verplicht

Functionele hal gecombineerd met representatieve voorkant

Het bedrijventerrein heeft voornamelijk een functionele vormgeving. Deze bebouwing vormt een contrast met de kleinschalige dorpsbebouwing van de rest van Hengelo. Dit contrast wordt beperkt ervaren omdat het bedrijventerrein deels is ingekleed door lintbebouwing en groen en al gepasseerd is als de kom wordt ingeslagen vanuit zuidelijke richting ter hoogte van de rotonde bij de Oosterwijkse Vloed en wordt vermeden bij aankomst uit noordelijke richting. De beeldkwaliteit van de bebouwing op het bedrijventerrein is wisselend. Aan de gebouwen aan de oostzijde is duidelijk meer aandacht besteed. Dit beeld zou in de toekomst met zorg beheerd moeten worden. Samenvattend kan gesteld worden dat het bedrijventerrein over het algemeen een duidelijke ruimtelijke structuur kent.

Uitgangspunten bedrijventerreinen

Voor het grootste deel van het bedrijventerrein geldt dat het beleid gericht is op het beheer van het bestaande bedrijventerrein. Daaraan kan het streven naar een hogere beeldkwaliteit in zowel bebouwing als openbare ruimte worden toegevoegd.

Het beleid is er voorts op gericht voor het bedrijventerrein een bebouwingspercentage toe te passen van minimaal 60 %; eventuele afwijkingen krijgen een specifieke regeling. De afweging vindt plaats op basis van een ontheffingsmogelijkheid. Daarnaast zijn er weliswaar verschillen in de bouwhoogte aanwezig, maar zal zoveel mogelijk een eenduidige hoogteregeling opgesteld worden.

Beschrijving groengebieden

Structureel groen is aanwezig in de vorm van een parkzone aan de oostkant. Dit groene gebied bestaat uit park, bos, bomenrijen, een waterloop en kleinschalige agrarische percelen, voornamelijk weiland. Een aantal oude verbindingswegen komt hier samen (Aaltenseweg, Varsselseweg, Oude Varsselseweg), waardoor de terreinen ertussen een driehoekige vorm hebben. De begraafplaats is in combinatie met de landschappelijke schil ook te beschouwen als groene wig aan de oostzijde.

De Ruurloseweg heeft aan de zuidzijde nog de kenmerken van lintbebouwing. Vrijstaande panden worden hier afgewisseld met open, groene ruimten, waardoor er een geleidelijke overgang tussen het dorp en het buitengebied is. De noordkant daarentegen is helemaal bebouwd. De omgeving rond het Nicodemuspad pal tegen de kern aan neemt hier een speciale positie in. Het gebied wordt door zijn beslotenheid wellicht niet optimaal ervaren, maar is vanuit cultuurhistorisch opzicht en voor de wandelaar die zich van de Ruurloseweg via het pad langs het zorgcentrum aan de Steintjesweide naar het park en of de ijsbaan aan de Dijenborghsestraat begeeft van grote waarde. Afgezien van de laanbeplanting langs de linten, komen in de kern zelf weinig structurerende groenzones voor.

De bedrijvigheid ligt geconcentreerd aan de zuidkant van Hengelo. Een groene wig en een waterloop (Oosterwijkse Vloed) vormen de scheiding tussen het bedrijventerrein en de jongste woonwijk. Dit groene gebied wordt gebruikt als evenemententerrein.

De overige groenvoorzieningen liggen verspreid over de kern in de vorm van kleine groenconcentraties, soms gecombineerd met speelvoorzieningen. Opvallende groenruimtes zijn allereerst de brinkvormige pleintjes bij de NH kerk en de Veemarktstraat/Bleekstraat en bij de Kampstraat/Leliestraat en bij het zorgcentrum aan de Steintjesweide. Andere bijzondere groenplekken zijn de nog immer aanwezige bomen bij de Zuivelweg, Raadhuisstraat en het Iekink en de oude, waardevolle, houtwallen in de omgeving van de Heurne.

Uitgangspunten groengebieden

Het beleid voor de bestaande groengebieden in de kern Hengelo is gericht op behoud. De groengebieden hebben een structurerende werking in de kern, verhogen zowel de woonkwaliteit als ruimtelijke kwaliteit en voorzien in speelgelegenheid.

2.6.3 Functionele structuur     

Hengelo is in hoofdopzet een woonkern met daaraan grenzend een bedrijventerrein. Verspreid over de kern komen voorzieningen voor die meestal gekoppeld zijn aan de wijk (schoolgebouwen en sporthal). Het zorgcentrum aan de Steintjesweide en de niet woonfuncties in het gebied rond de sportvelden en het zwembad en straks het nieuwe gemeentehuis zijn eigenlijk de enige voorzieningenconcentraties die een min of meer zelfstandige positie hebben in het dorp.

Hengelo kent een compact en gevarieerd centrumgebied met winkels, horeca en zakelijke dienstverlening aan voornamelijk de Spalstraat en Raadhuisstraat met enkele kleine uitlopers naar de omliggende straten. Aan de noorkant van het centrumgebied is een voorzieningencluster gesitueerd met onder andere twee supermarkten. Bedrijvigheid binnen de kern komt incidenteel voor en is veelal kleinschalig van aard, met uitzondering van het auto/motorbedrijf en het rietdekkersbedrijf op binnenterreinen van het dorp aan Prunusstraat en Aaltenseseweg. Wellicht kan ook de meubelmakerij genoemd worden in het noorden, maar die verdwijnt met de komst van de nieuwbouwwijk Kwekerij. Vrijwel alle bedrijvigheid is geconcentreerd op het bedrijventerrein aan de zuidzijde van de kern.

De functies wonen, voorzieningen binnen de wijken, groen, recreatie, sport en bedrijventerrein zijn onder de ruimtelijke structuur behandeld en binnen de kern gefixeerd. Voor functiemenging lenen zich twee gebieden: de historische kern en de linten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten.

Binnen het in de ruimtelijke structuur gedefinieerde gebied “historische kern” kan op cultuurhistorisch verantwoorde wijze functiemenging plaatsvinden. Naast wonen zijn allerlei andere functies toegestaan die passen in een dorpscentrum: detailhandel, horeca, dienstverlening, ambachtelijke bedrijven en maatschappelijke functies. Uitgangspunt is dat de centrumfuncties niet te grootschalig worden. Ze moeten passen binnen het bestaande kleinschalige bebouwingsbeeld en geen parkeerproblemen opleveren. De vormgeving van de toegelaten centrumfuncties dient zodanig aangepast te zijn dat met name de geleding van de bouwmassa's en de gevelindeling in overeenstemming zijn met het historische woonhuiskarakter van de bebouwing.

Ook op perceelsniveau kan onder voorwaarden functiemenging gerealiseerd worden. Uitgangspunt is het behoud van het karakteristieke bebouwingsbeeld met een duidelijk onderscheid tussen een hoofdgebouw aan de straat en ondergeschikte bijgebouwen hierachter. Een combinatie van een woonfunctie en een niet-woonfunctie op één perceel is mogelijk evenals de aanwezigheid van meerdere wooneenheden op één perceel. De niet-woonfuncties als detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke functies zijn bij voorkeur op de begane grond direct aan de straat gevestigd in de hoofdgebouwen. Ambachtelijke, kleinschalige bedrijven worden juist in de bijgebouwen achter op de percelen gesitueerd.

Binnen het gebied “linten” kan eveneens op cultuurhistorisch verantwoorde wijze een functiemenging plaatsvinden, hoewel het woonkarakter voorop staat. Hier zijn naast de woonfuncties ook kleine bedrijfjes, winkels of dienstverlening mogelijk. Hierbij gaat het uitsluitend om kleinschalige ontwikkelingen die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Nu binnen deze linten niet dezelfde uitwisselbaarheid wenselijk is als in de historische kernen is het uitgangspunt de niet-woonfuncties binnen de linten in de bestemmingsregeling specifiek te begrenzen.

Verkeersstructuur

De oude linten zijn van oudsher de invalswegen van de kern en hebben deze functie vandaag de dag nog steeds. Groot verschil is dat het vrijwel uitsluitend gaat om bestemmingsverkeer. Het doorgaande verkeer, met uitzondering van het verkeer van en naar Ruurlo, is door de aanleg van de rondweg uit de kern gehaald. De overige straten binnen de kern zijn wegen met een verblijfsfunctie, overwegend in de vorm van woonstraten.

2.7 Hoog-Keppel     

2.7.1 Ontstaansgeschiedenis     

Hoog-Keppel is oorspronkelijk ontstaan als brinkdorp op een rivierduin langs de Oude IJssel. De eerste bebouwing heeft plaatsgevonden op de kruising van twee wegen; de Burg. Vrijlandweg en de Burg. van Panhuysbrink, deze wegen zijn ook nog als historische linten herkenbaar. Karakteristiek is de kerk, zowel door de verhoogde ligging als de bouwmassa. De toren dateert uit de twaalfde eeuw en de kerk uit de vijftiende eeuw.

Andere historische bebouwing ligt langs de uitloper van de Burgemeester Vrijlandweg en de Monumentenweg en vormt en de zuidelijke bebouwing langs de Hessenweg. De laatste uitbreiding is tot stand gekomen in de jaren 1960. Nadien zijn slechts incidenteel open gaten ingevuld. Deze ontwikkeling heeft ertoe geleidt dat het huidige Hoog-Keppel hoofdzakelijk uit woonbebouwing bestaat.

verplicht verplicht verplicht

Hoog-Keppel omstreeks 1908, 1955 en 1995

2.7.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

De eerste bebouwing in Hoog-Keppel is ontstaan rondom de aansluiting tussen de Burg. Vrijlandweg en de Burg. van Panhuysbrink. Hierdoor is er een brink ontstaan. Een uitloper van de Burgemeester Vrijlandweg en de Monumentenweg vormt een bebouwingslint waarvan het historisch karakter herkenbaar is. Dit geldt ook voor de zuidelijke bebouwing langs de Hessenweg.

Traditionele blokverkaveling

Er is enkel een naoorlogse uitbreiding tot stand gekomen in de jaren 1960. Deze woningbouw is de vinden aan de Brinkenhorst, de A.G. Noijweg en aan de Schoolstraat. De bouwvorm bestaat voornamelijk uit vrijstaande woningen en twee-aaneengebouwde woningen.

Individuele woningbouw

De recente uitbreidingen bevinden zich aan de oostzijde van de kern. Deze uitbreiding bestaat hoofdzakelijk uit individuele woningbouw. Het zijn vaak gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. Het groen overheerst en de architectuur is nauwelijks zichtbaar.

verplicht

Luchtfoto Hoog-Keppel

2.7.3 Functionele structuur     

Algemeen

Hoog-Keppel heeft voornamelijk een woonfunctie. In de kern zijn enkele dienstverlenende en verzorgende functies gevestigd waaronder een apotheek. Daarnaast kent de kern een aantal recreatieve functies waaronder Tennispark De Drieslag, een therapeutisch zwembad en een openlucht recreatiezwembad. Ten noordoosten van de kern ligt de Keppelse golfclub (buiten het plangebied).

Verkeersstructuur

De ontsluitingsweg van Hoog-Keppel op een wat groter schaalniveau is de Rijksweg (N317), welke op geringe afstand ten zuiden van de kern is gelegen. Belangrijke ontsluitingswegen binnen de kern zelf zorgen voor een lokale ontsluiting in vijf richtingen. In noordelijke richting door de Prinsenweg; in oostelijke richting door de A.G. Noijweg; in zuidoostelijke richting door de Monumentenweg; in zuidelijke richting door de Burg. Vrijlandweg en in noordwestelijke richting door de Dubbeltjesweg. De Monumentenweg heeft een ontsluitende functie, de overige wegen hebben een verblijfsfunctie. Op de navolgende afbeelding is de hoofdwegenstructuur weergegeven.

verplicht

Hoofdwegenstructuur 

Groenstructuur

Hoog-Keppel wordt gekenmerkt door groene voortuinen en weinig laanbeplanting. In het straatbeeld zijn ook enkele kleine groenstroken te vinden tussen de weg en de voortuinen van de woningen. De woningen aan de randen van het dorp hebben vrij uitzicht op het landschap. Bij de kerk is een parkje gelegen met speeltoestellen. Door de geringe bebouwingsdichtheid en de aanwezige laanbeplanting is Hoog-Keppel een dorp met een groene structuur. Aan de rand van de kern zijn recreatieve voorzieningen te vinden. Verder bestaat de omgeving van het dorp uit weilanden en akkers die worden begrenst door bossen.

verplicht

verplicht

Groenstructuur Hoog-Keppel

2.8 Hummelo     

2.8.1 Ontstaansgeschiedenis     

Hummelo is van origine een esnederzetting die later het aanzien van een wegdorp heeft gekregen door de concentratie van bebouwing aan de weg van Zutphen naar Doetinchem. De lintbebouwing van het dorp is nog altijd goed zichtbaar. Al vanaf 828 wordt de plaats vermeld onder de naam 'Humelle' en vanaf de 12e eeuw onder de huidige naam Hummelo (-lo = bos).

Over de structurele ontwikkeling tot in de 19e eeuw is weinig bekend; wel zal de dorpskerk, gelegen voor de afslag naar Laag-Keppel en al in 1328 genoemd, een rol bij de concentratie gespeeld hebben. In 1817 zijn de belangrijkste gebouwen de kerk, de school en de 'Gouden Karper', één van de oudste hotels uit de streek, ontstaan. Rond de vorige eeuwwisseling kende het dorp een tramverbinding. Het goederenvervoer per spoor bleef tot de jaren 1950.

De kern ligt nabij het landgoed Enghuizen. Aan kasteel Enghuizen herinneren alleen nog de natuurstenen brokstukken op het landgoed.

Hummelo heeft zich in eerste instantie in de jaren 1950 en 1960 uitgebreid in noordwestelijke richting tussen de Zutphenseweg (N314) en de Keppelseweg (N814). In de jaren 1990 heeft het dorp zich in zuidelijke richting uitgebreid tussen de Dorpsstraat en de (N314) en de Keppelseweg (N814) waarbij de Zelhemseweg (N330) als afbakening fungeert.

verplicht verplicht verplicht

Hummelo omstreeks 1910, 1955 en 1990

Een deel van dorpskern is op 14 september 1993 aangewezen als Rijksbeschermd Dorpsgezicht. De status van beschermd dorpsgezicht heeft als doel om het kenmerkende historische karakter te beschermen. Om die reden geldt voor dit gebied een beschermende planologische regeling. Het historische karakter van Hummelo in paragraaf 2.8.2 omschreven. Het aanwijzingsbesluit en de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht zijn opgenomen in Bijlage 3 van de plantoelichting.

2.8.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Hummelo is van origine een esnederzetting die later het aanzien van een wegdorp heeft gekregen door de concentratie van bebouwing aan de weg van Zutphen naar Doetinchem. De lintbebouwing is nog altijd herkenbaar als raamwerk van het dorp. Op de kruising van de historische linten Keppelseweg en de Dorpsstraat bevindt zich het hart van het dorp, hier zijn de kerk en de supermarkt te vinden.

Vanuit de dorpskern gezien lopen linten met gemengde bebouwing in drie richtingen. Deze vormen een voortzetting van het wegprofiel en ondersteunen thans de kwaliteit van de historische kern.

Traditionele blokverkaveling

In eerste instantie vonden de uitbreidingen van de jaren 1950 en 1960 plaats in noordwestelijke richting. Deze uitbreidingen dragen de stedenbouwkundige kenmerken van de vooroorlogse 'tuindorpen' met symmetrische straatprofielen met voortuinstroken en op de hoeken zijtuinstroken, woningen in twee bouwlagen met langskap, in tweekaptypen of rijtjes.



Woonerven

Het woongebied uit deze periode (jaren 1990) heeft een grillig stratenpatroon en weinig doorgaande wegen. De woningen zijn geclusterd rond woonerven, waarbij het onderscheid tussen privé en openbaar ontbreekt, evenals duidelijke vóór- en achterzijden. Er grenzen veel tuinen aan openbaar gebied, hetgeen veel informele erfafscheidingen tot gevolg heeft. Typisch zijn ook de garages of bergingen, die een belangrijke plek hebben. Dit gebied wordt ook gekenmerkt door een waterpartij (langs de Weppel) te midden van dit woongebied.

Individuele woningbouw

Verspreid over het dorp staan vrijstaande gevarieerde woningen in een of twee bouwlagen met kap op eigen kavels. De straten hebben een informeel groen karakter en de karakterverschillen door de jaren heen (periode 1965 tot 1990) hebben een beperkte invloed op de openbare weg. Het groen overheerst en de architectuur van de woningen is nauwelijks zichtbaar.

verplicht

Luchtfoto Hummelo

2.8.3 Functionele structuur     

Algemeen

Hummelo heeft overwegend een woonfunctie. Daarnaast zijn er in Hummelo een groot aantal commerciële en verzorgende functies te vinden. Deze functies zijn voor een groot deel gelegen aan de Dorpsstraat. Aan deze weg vindt men een winkel in tuin- en parkmachines, een interieurwinkel, een supermarkt, een bloemenwinkel, twee autobedrijven, een kantoorpand, een bakker, een kapper, een kachelwinkel en een handel in natuursteen. Aan de Dorpsstraat ligt ook een café en het hotel De Gouden Karper (één van de oudste hotels uit de regio). Op de hoek van de Dorpsstraat met de Keppelseweg staat een kerk.

In het zuidwesten van het dorp zijn een aantal maatschappelijke functies te vinden zoals een basisschool, een verzorgingstehuis en een centrum voor tandtechniek. In het zuiden van het dorp aan de J.D. Pennekampweg ligt ook een zorgwooncentrum.

Verkeersstructuur

Hummelo ligt als het ware binnen een driehoek van ontsluitingswegen (N314, N330 en de N814). Hummelo wordt regionaal in vijf richtingen ontsloten. In noordelijke richting wordt Hummelo ontsloten door de N314; in oostelijke richting door de N330; in zuidoostelijke richting door de N314 en later door de N317; in zuidwestelijke richting door de N814; en in westelijke richting door de N317.

Met de komst van de rondweg is het doorgaande verkeer uit de Dorpsstraat verdwenen en is deze afgewaardeerd tot verblijfsgebied.

Groenstructuur

In het dorp is weinig openbaar groen te vinden, beeldbepalend zijn de monumentale bomen rondom de kerk en de oude dorpskern. Een ander belangrijk groenelement vormt de haag en bomenrij die de Keppelseweg flankeert. De Weppel is een (verbrede) sloot met oevers tot in het centrum van Hummelo. Dit groen/blauwe lint is sinds de herinrichting goed toegankelijk. Een belangrijk cultuurhistorisch punt is de bomengroep van oude kastanjes bij 'De Gouden Karper', de oudste (sinds 1642) horecagelegenheid van de Achterhoek.

Hummelo is een dorp met veel vrijstaande woningen op ruime kavels. Dankzij de grote tuinen van de woningen heeft Hummelo een groen en landelijk karakter. Hummelo als geheel ligt ook in het groen. Omdat Hummelo zo klein is, is het landschappelijk groen goed bereikbaar.

verplicht verplicht

Groenstructuur Hummelo

2.9 Keijenborg     

2.9.1 Ontstaansgeschiedenis     

Keijenborg ligt in het landschap van de enken en brinken, ten zuiden van Hengelo. Sinds 1938 is Keijenborg een zelfstanding dorp. Daarvoor hoorde het bij ’t Gooi; gelegen aan landwegen als de weg Hengelo – Hummelo en de weg Zelhem – Dunsborg en omgeven door oude enken.

De oudste bebouwing bevindt zich bij het Huis Keyenborg, de Kroeserije en Groot Jebbink. Recenter is de stroom en de korenmolen aan de zuidzijde. Als gebruikelijk werd eerst langs de oude landwegen gebouwd met name ten zuiden van de Kerkstraat. Het vrije zicht op de enken werd daarbij ontzien. Na 1950 werd de zuidelijke driehoek volgebouwd en meer recent de noordelijke. De noordpunt is de laatste locatie waar woningbouw heeft plaatsgevonden.

2.9.2 Ruimtelijke structuur     

De karakteristiek van de kern Keijenborg wordt vooral bepaald door de gevarieerde bebouwing langs de oude landwegen, en door het bescheiden silhouet van de kerk. Daarmee voegt deze kleine kern zich naadloos in het omringende landschap. Tussen de Kerkstraat en de Poelsweg is sprake van traditionele blokverkaveling met een mix van rijwoningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen.

verplicht

Luchtfoto Keijenborg met plangrens

In de driehoeken tussen de Sint Janstraat en de Hengelosestraat en tussen de Hengelosestraat en de Pastoor Thuisstraat is voornamelijk sprake van vrijstaande woningen.

Aan de west- en zuidoostzijde zijn ‘restjes’ landelijk gebied ontstaan door de formele kerngrenzen, maar deze behoren bij het aangrenzende landelijke gebied.

2.9.3 Functionele structuur     

Algemeen

Keijenborg heeft voornamelijk een woonfunctie. Met name aan de Sint Janstraat zijn ook enkele niet-woonfuncties gesitueerd waaronder een winkel, een café, een school met sportzaal en enkele bedrijven. In het verlengde van de Sint Janstraat, aan de Pastoor Thuisstraat, bevindt zich een verzorgingshuis. Centraal in de kern, ter hoogte van de kruising Kerkstraat - Sint Janstraat/ Pastoor Thuisstraat is een kerk gelegen. Verder bevinden zich aan de Sint Bernardusstraat nog een basisschool en aan de Koldeweiweg een tandarts. Langs de Hengeloseweg komen ook nog enkele bedrijven voor en een winkel.

Verspreid over het dorp zijn enkele gronden gelegen met een agrarische functie. Ten westen van de Sint Janstraat bevinden zich een tennispark en een begraafplaats. Aan de noordwestzijde van het dorp bevindt zich een sportpark aan de Pastoor Thuisstraat.

Verkeersstructuur

Keijenborg wordt ontsloten door de Hengelosestraat die parallel loopt aan de Kruisbergseweg (N316) tussen Hengelo in het noorden en Doetinchem in het zuiden. De Kerkstraat verbindt de kern in westelijke richting met Steenderen en de N314 tussen Zutphen en Doetinchem. Deze wegen zijn de verkeersaders van Keijenborg en daarmee de belangrijkste wegen van het dorp.

Parallel aan de Hengelosestraat, en ten westen hiervan, loopt de Sint Janstraat - Pastoor Thuisstraat. Deze wegen hebben een belangrijke functie in het dorp, maar hebben desondanks, net als alle andere wegen, een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

Groenstructuur

Het particuliere groen is beeldbepalend in Keijenborg. Vooral de monumentale bomen bij de kerk. Langs de Hengelosestraat, de Kerkstraat en de Sint Janstraat ontbreekt laanbeplanting. De bebouwing staat in het algemeen op ruime kavels. De tuinen en de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landschap geven de kern zijn groene en landelijke karakter.

Binnen Keijenborg is weinig openbaar groen aanwezig. Het openbaar groen dat er is, is kleinschalig en ingevuld met cultuurlijke beplanting. Ten westen van de Sint Janstraat is een begraafplaats aanwezig. Ten noorden van de Kerkstraat liggen ter hoogte van de splitsing Kerkstraat - Pastoor Thuisstraat en ten oosten van de Koldeweiweg wat grotere vlakken openbaar groen.

verplicht 

2.10 Kranenburg     

2.10.1 Ontstaansgeschiedenis     

Kranenburg ligt in het ontginningslandschap ten oosten van Vorden. Tot in de late middeleeuwen was dit deel van de Achterhoek een drassig gebied. Men zocht de hoger gelegen droge delen op om zich te vestigen. Deze nederzettingen werden vaak genoemd naar diersoorten die op deze 'bergen' voorkwamen. Op een heuvel iets ten zuiden van het huidige Kranenburg broedden kraanvogels. Om die reden werd de boerderij die hier gesticht werd dan ook 'De Kranenbarg' genoemd werd ('barg' is Nedersaksisch voor 'berg').

In 1850 was Kranenburg niet veel meer dan een zekere concentratie van verspreide bebouwing aan de Ruurloseweg (in 1850 de straatweg van Zutphen naar Winterswijk genoemd) en de Ganzensteeg. Het dorp is een typisch voorbeeld van een parochie-nederzetting; het ontstond in de omgeving van de kerk (1856) met pastorie en klooster (beiden 1867) als katholieke enclave in de gemeente Vorden.

De bebouwing is lintvormig en geconcentreerd aan de Ruurloseweg. Na 1940 vindt geconcentreerd enige uitbreiding in zuidoostelijke richting plaats.

2.10.2 Ruimtelijke structuur     

De belangrijkste bebouwing van de kern bevindt zich in het lint van de Ruurloseweg in de vorm van vrijstaande woningen. Ten zuiden van de Ruurloseweg, in het gebied rondom de Eikenlaan, zijn voornamelijk twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen gebouwd.

verplicht

Luchtfoto Kranenburg met plangrens

De laatste uitbreiding met woningbouw heeft in de jaren '90 plaatsgevonden aan de Kerkweide.

Aan de noordwest- en zuidzijde zijn ‘restjes’ landelijk gebied ontstaan door de formele kerngrenzen, maar deze behoren bij het aangrenzende landelijke gebied.

2.10.3 Functionele structuur     

Algemeen

Kranenburg heeft voornamelijk een woonfunctie. Aan de Ruurloseweg zijn ook enkele niet-woonfuncties gesitueerd waaronder een kerk (thans in gebruik als Heiligenbeeldenmuseum), met voormalig klooster en een (voormalig) restaurant. Voor het voormalige klooster ten noorden van de Ruurloseweg zijn plannen voor een complex voor wonen, zorggerelateerde maatschappelijke doeleinden en ondersteunende functies. Aan de Eikenlaan bevinden zich een begraafplaats met kapel, een basisschool en een sportcomplex.

Zowel aan de noord- als zuidzijde van het dorp zijn enkele gronden gelegen met een agrarische functie.

Verkeersstructuur

Kranenburg wordt ontsloten door de Ruurloseweg (N319) tussen Vorden in het westen en Ruurlo in het oosten. Deze provinciale weg heeft een belangrijke regionale functie en is de verkeersader van Kranenburg en daarmee de belangrijkste weg van het dorp. Alle overige wegen in het dorp hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

verplicht

Groenstructuur

Het particuliere groen is beeldbepalend in Kranenburg. Vooral de monumentale bomen bij de kerk en de laanbeplanting langs de Hamsveldseweg en de Eikenlaan. Langs de Ruurloseweg loopt een onderbroken haag met een aantal oude bomen. Deze bomenrij is onderbroken en de lanenstructuur ontbreekt. De bebouwing staat in het algemeen op ruime kavels. De tuinen en de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landschap geven de kern zijn groene en landelijke karakter.

Binnen Kranenburg is weinig openbaar groen aanwezig. Het openbaar groen dat er is, is kleinschalig en ingevuld met cultuurlijke beplanting. Aan de zuidoostzijde van de kern ligt een sportpark.

Aan de noordzijde van Kranenburg ligt de waterloop aan de Ganzesteeg.

verplicht

2.11 Laag-Keppel     

2.11.1 Ontstaansgeschiedenis     

Laag-Keppel is ontstaan op een rivierduin langs de Oude IJssel en ligt ten dele direct langs de rivier. Hier is, vermoedelijk rond 1350, kasteel Keppel gebouwd op een strategische locatie tussen twee riviertakken. Deze takken zijn de hoofdstroom van de Oude IJssel en hier een afsplitsing van, de latere Molenbeek. De plek en de situatie boden de mogelijkheid tot het exploiteren van een watermolen en het heffen van tol. Kasteel Keppel maakt deel uit van een serie van dit type kastelen langs de Oude IJssel.

Laag-Keppel ontwikkelde zich als dorp op het eiland tussen de twee riviertakken. Ondanks pogingen van de Heren van Keppel vanaf de vijftiende eeuw om de ontwikkeling van de plaats te stimuleren, groeide de nederzetting niet of nauwelijks. Het dorp mag zich ondanks dat toch een stad noemen, het kreeg namelijk als Keppel in 1404 stadsrechten.

Laag-Keppel bleef tot het eind van de negentiende eeuw vrijwel ongewijzigd van omvang. De latere uitbreiding kwam toen pas op gang en heeft zich voltrokken aan de weg langs de IJssel. Karakteristiek zijn de villa's langs de Rijksweg. Deze dateren bijna allemaal van de laatste kwart van de negentiende eeuw. Dat deze uitbreiding niet plaats vond tussen de beide bruggen, betekende dat de oorspronkelijke kern tot op heden zijn middeleeuwse omvang heeft behouden.

Vanwege het waardevolle omliggende landschap, is het beleid voor uitbreiding van de kern ook in de laatste decennia restrictief geweest. Hierdoor verbeeld het dorp een groot historische karakter.

Centraal in de kern liggen het kasteel, het kerkje en de Gouden Leeuw.

verplicht verplicht verplicht

Laag-Keppel omstreeks 1906, 1955 en 1995

Een deel van de dorpskern is op 16 april 1993 aangewezen als Rijksbeschermd Dorpsgezicht. De status van beschermd dorpsgezicht heeft als doel om het kenmerkende historische karakter te beschermen. Om die reden geldt voor dit gebied een beschermende planologische regeling. Het historische karakter van Laag-Keppel in paragraaf 2.11.2 omschreven. Het aanwijzingsbesluit en de begrenzing van het beschermde dorpsgezicht zijn opgenomen in Bijlage 4 van de plantoelichting.

2.11.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

De historische-ruimtelijke structuur van Laag-Keppel bestaat nog steeds uit het kasteelterrein en de dorpsstraat tussen de twee bruggen. Aan de oostkant achter de straat is nog steeds de oorspronkelijke omgrachting herkenbaar. Het dorp is nooit uitgegroeid tot een plaats van enige omvang, waardoor de middeleeuwse grondvorm, bestaande uit een nederzetting aan een doorgaande weg bij een rivieroversteekplaats en onder bescherming van een kasteel, bewaard is gebleven. De dorpskern van Laag-Keppel is vanwege het kenmerkende historische karakter aangewezen als Rijksbeschermd Dorpsgezicht. Dit heeft als doel de vrijwel ongewijzigde historische stedenbouwkundige structuur van het kasteel en het dorp te beschermen en waar mogelijk te versterken. Om die reden geldt voor dit gebied een beschermende planologische regeling.

De waarde van het gebied wordt bepaald door de kasteelsituatie met de naastliggende Dorpsstraat als historisch straatdorp met een watermolen. De Dorpsstraat kent een besloten karakter door de doorgaande rooilijnen, een smalle stoep en het ontbreken van voortuinen. Alleen het gedeelte vanaf de laan naar het Kasteel tot de IJssel met molen en tolhuis heeft een meer open karakter. Het kasteel Keppel met bijgebouwen vormt een belangrijk onderdeel van de historische vorm van het dorp.

Kenmerkend voor de bebouwing langs de Rijksweg en (N317) de Hummeloseweg (N330) is de eenheid in architectuur en de open situering/dichtheid van bebouwing in het bos.

Laag-Keppel beschikt hoofdzakelijk over vrijstaande woningen dan wel twee-aaneengebouwde woningen. De meest recente en omvangrijkste invulling van Laag-Keppel, betreft de voormalige Keppelse ijzergieterij aan de Rijksweg.

verplicht

Luchtfoto Laag-Keppel

2.11.3 Functionele structuur     

Algemeen

Laag- Keppel vervult tegenwoordig voornamelijk een woonfunctie. De overige functies zijn voornamelijk aan de Rijksweg te vinden. Aan deze weg bevindt zich een kerk, een zorghotel/restaurant, een eetcafé, een tegelwinkel, een reisbureau en museum Margaretha. In dit museum worden voorwerpen uit vroeger tijden tentoongesteld. Daarnaast is in Laag-Keppel een aantal galerieën en ateliers gevestigd. Ten zuiden van het dorp waar de loop van de van de voormalige Oude IJssel samen komt met de oude IJssel ligt een jachthaven. Aan de dorpsstraat ligt een cateringbedrijf, een atelier en een galerie met beeldentuin. Ten zuidoosten van het dorp ligt het kasteel Keppel. Op het perceel van dit kasteel is eveneens een kinderdagverblijf gelegen.

Ten zuiden van de Rijksweg liggen twee agrarische percelen. Ten zuiden van de loop van de Oude IJssel liggen eveneens enkele agrarische percelen.

Verkeersstructuur

De belangrijkste ontsluitingsweg van Laag-Keppel is de Rijksweg (N317). Deze weg ontsluit in de richtingen oost en west en verdeeld het dorp in twee delen. Andere belangrijke ontsluitingswegen voor de kern zorgen voor een ontsluiting in drie richtingen. In noordoostelijke richting door de Hummeloseweg (N330); in zuidelijke richting door de Wehlsedijk (N814) en in noordwestelijke richting door de Oude Zutphenseweg.

Groenstructuur

Laag-Keppel kenmerkt zich door de beperkte bebouwingsdichtheid en groene voortuinen. Aan de Van Pallandtlaan is een brede groenstrook gelegen. Aan de noordoostkant van het dorp vindt men het Wilhelminaplantsoen. De Rijksweg wordt begeleidt door laanbeplanting.

Vanwege de geringe bebouwingsdichtheid, de aanwezige laanbeplanting en tevens de begrenzing van het dorp door middel van bossen, heeft Laag-Keppel een groen karakter.

verplicht

verplicht

Groenstructuur Laag-Keppel

2.12 Olburgen     

2.12.1 Ontstaansgeschiedenis     

Olburgen is al ruim duizend jaar oud. Het eerste deel van de naam Olburgen heeft waarschijnlijk niets met oud of old te maken , maar komt van "ôle", laag liggend land of vochtige plek. Wat betreft het tweede deel van de naam wijzen de oudste vormen op een relatie met het woord "burcht".

In 1800 is Olburgen een buurtschap van 19 huizen, bestaande uit 6 grote en enkele kleinere boerderijen naast een aantal daghuurderswoningen, die gebouwd zijn op grond die bij een boerderij hoort. Behalve twee middelgrote boeren is in 1800 niemand eigenaar van de grond, waarop hij woont.

Bij de start van het Kadaster in 1832 is Olburgen 364 ha groot. Deze grond is in de middeleeuwen voor het grootste deel in bezit van slechts drie eigenaren. Tussen 1812 en 1855 wordt 264 ha grond in Olburgen in het openbaar verkocht. De familie Van Heeckeren, later Heer van Twickel koopt hiervan 91,5 ha, voornamelijk uiterwaarden rond de Hof te Olburgen. Deze percelen komen na 1910 grotendeels in het bezit van de steenfabriek. De overige 172 ha komen in handen van de boeren.

verplicht verplicht verplicht

Olburgen omstreeks 1910, 1955 en 1990

2.12.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Olburgen bestaat uit een lint van voornamelijk boerderijen langs de Olburgseweg. Nabij de Willibrorduskerk bevinden zich de pastorie, enkele burgerwoningen en een winkel/café/feestzaal. Parallel hieraan zijn op een zandrug aan de oostzijde nog enkele boerderijen gebouwd. Van historische waarde zijn de pseudo-basilicale neogotische kerk (1869) met pastorie (ca.1900) en begraafplaats, de winkel/café/feestzaal en een enkele boerderij.

Aan het historische lint zijn in de vorige eeuw met enige regelmaat burgerwoningen toegevoegd. In de jaren 1980 en 1990 heeft er een uitbreiding plaatsgevonden aan de Roggelaan die om de kerk is gelegen. De laatste uitbreiding heeft plaatsgevonden aan de Zandweide. De uitbreidingen van het dorp hebben allen een kleinschalig karakter.

verplicht

Luchtfoto Olburgen

2.12.3 Functionele structuur     

Algemeen

De bebouwing Olburgen heeft voornamelijk een woonfunctie. Aan het lint (Olburgseweg) staat in het noorden een school (St. Willibrordusschool). Aan de zuidkant van het dorp bevindt zich de St. Willibrorduskerk met begraafplaats. Naast deze maatschappelijke functies is er één horecagelegenheid aanwezig aan de Olburgseweg in de vorm van een café-restaurant. Aangrenzend aan de achtertuinen van de woningen langs de westkant van de Olburgseweg ligt een strook met een agrarische functie.

Verkeersstructuur

De bebouwing van Olburgen is gesitueerd aan een lint (Olburgseweg). Dit lint vormt daarmee ook de ontsluitingsweg van het dorp. Olburgen is gelegen in een meander van de IJssel. Daarom is de Olburgseweg geen doorgaande weg die verschillende kernen met elkaar verbindt. Buiten het dorp is de veerpont Olburgen-Dieren aanwezig dat Olburgen verbindt met Dieren.

verplicht

Hoofdwegenstructuur 

Groenstructuur

De groenstructuur van het dorp kenmerkt zich door grote groene voortuinen. De straatbeeld van de Olburgseweg wordt bepaald door groene zuilvormige straatbomen. De percelen hebben een relatief kleine achtertuin, maar met vrij uitzicht op het landschap.

2.13 Steenderen     

2.13.1 Ontstaansgeschiedenis     

De kern van Steenderen is ontstaan ter hoogte van de kruising van de Bronckhorsterweg - Burgemeester Smitstraat met de J.F. Oltmanstraat - Doctor Alfons Ariënsstraat. Van oudsher had de kern een rechthoekige structuur bestaande uit de Dorpsstraat, de Burgemeester Smitstraat en de J.F. Oltmanstraat.

In de periode 1850 tot 1940 verdicht de bebouwing langs deze wegen en breidt zich aan de noordzijde lintvormig uit langs de Bronkhorsterweg en de Molenkolkweg met boerderijen en burgerwoonhuizen. In oostelijke richting gebeurt dit langs de Doctor Alfons Ariënsstraat met villa's, middenstandswoningen en kleine boerderijen. Ten zuiden van de Dorpsstraat ontwikkelen zich enkele grote boerderijen.

Het aldus beschreven stratenpatroon is kenmerkend voor een kern op een stroomrug en is nog weinig aangetast en goed herkenbaar. Met name waardevolle panden zijn een enkele villa, kleinere woonhuizen, enkele boerderijen en winkels, een horecapand uit 1909, een kleine fabriek/café, een gewijzigde smederij/ winkel uit 1896, een neogotische kerk, pastorie en naoorlogse begraafplaats, een gewijzigde school, een trafohuisje en het gemeentehuis in traditionele stijl uit de jaren '40 en verder een molenromp van het type beltkorenmolen.

Na 1940 vinden uitbreidingen plaats in noordelijke en oostelijke richting. Een snelgroeiende aardappelverwerkende industrie en een grote zuivelfabriek zijn de enige industrie van enige omvang in deze overwegend agrarische gemeente.

2.13.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Historische dorpskern en (historisch) dorpsgebied & linten

Van oorsprong had de kern een rechthoekige structuur bestaande uit de Dorpsstraat, de Burgemeester Smitstraat en de J.F. Oltmanstraat. De historische structuurdrager wordt gevormd door de oude wegen met lintbebouwing: J.F. Oltmansstraat - Doctor Alfons Ariënsstraat, Bronkhorsterweg - Smitstraat en de Dorpsstraat - Landlustweg.

Hieronder een impressie van de ruimtelijke structuur van Steenderen:

verplicht

Vooral het als 'historische dorpskern' aangegeven gebied tussen de Dorpsstraat, de J.F. Oltmansstraat en de Burgemeester Smitstraat en in mindere mate de 'linten' als de Bronkhorsterweg, de Molenkolkweg en de Doctor Alfons Ariënsstraat vertegenwoordigen de karakteristiek van Steenderen. De variatie is groot en de nadruk ligt op de diversiteit van perioden en stijlen. Dit effect wordt versterkt door de 'losse' plaatsing van de bebouwing. De vrijstaande bebouwing bestaan voornamelijk uit 1 bouwlaag met kap maar er komen ook gebouwen met 2 bouwlagen en kap voor.

Uitgangspunten historische dorpskern

Het ruimtelijk beleid voor de bebouwing in de historische dorpskern is voornamelijk gericht op het behoud van de bestaande historische bebouwing, zowel hoofd- als bijgebouwen. Uitbreiding en vernieuwing van de bebouwing in dit dorpsgedeelte dient bij te dragen aan de ruimtelijke karakteristiek in die zin dat sprake moet zijn van een cultuurhistorisch verantwoorde situatie. Het beleid binnen het gebied is voorts gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarde, zo mogelijk herstel daarvan op locaties waar door bouwontwikkelingen in het verleden dit verloren is gegaan;
  • Vernieuwing, zolang dit in aansluiting gebeurt op de massa, hoogten en de geleding van het historische bebouwingsbeeld. Zeer terughoudend omgaan met verdichting;
  • Het versterken van de ruimtelijke samenhang;
  • Het versterken van de centrumfuncties van de pleinen en het verbeteren van de beeldkwaliteit van de pleinbebouwing.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling gericht te zijn op behoud van het kleinschalige karakter en de vrij hoge dichtheid van de bebouwde gedeelten en op de inrichting van de onbebouwde ruimten die past in de dorpse sfeer. Belangrijk zijn het behoud van de nog aanwezige open ruimten tussen de bebouwde gedeelten en de ligging van de bebouwing ten opzichte van de straat.

Uitgangspunten historisch dorpsgebied & linten

Binnen dit gebied is het beleid primair gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarden. Beheer en herstel van het bestaande bebouwingsbeeld vormt de basis voor ontwikkelingsmogelijkheden;
  • Het creëren van continuïteit in het bebouwingslint. Beperkte verdichting is mogelijk, zolang dit niet koste gaat van de ruime, open opzet. Het behoud van het open bebouwingsbeeld met voornamelijk vrijstaande woningen en onbebouwde zijerven is hierbij het uitgangspunt, alsmede het behoud van groen in de tuinen en de aanwezige laanbeplanting;
  • Het behoud van het overwegend kleinschalige en gevarieerde karakter. Kenmerkend is de onregelmatige verkaveling, verspringende rooilijnen, wisselende kavelgroottes, individueel gebouwde panden, wisselende kapvormen en een kleine korrel aan de straatzijde.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling in de eerste plaats de bescherming van het waardevolle, gevarieerde en open ruimtelijke beeld. Belangrijk zijn het behoud van de open ruimten tussen de bebouwde gedeelten, de uitzichten naar het buitengebied en de gevarieerde ligging van de bebouwing ten opzichte van de straat.

Het hierdoor te beschermen algemeen belang behoeft geenszins in strijd te zijn met het privé-belang van de bewoners van de historische kern en de linten, mits de bouwwijze en de erfinrichting niet wezenlijk veranderen ten opzichte van datgene wat algemeen gebruikelijk was en wat we nu dan ook nog steeds aantreffen. Dit betekent dat er binnen deze randvoorwaarden op perceelsniveau uitbreiding van de bebouwing en wijziging van de inrichting van de erven mogelijk is.

Uitbreidingswijken

Naast de verdichting van de lintbebouwing zijn aan weerszijden van de Bronkhorsterweg en ten oosten van de Burgemeester Smitstraat woonwijken aangelegd.

De eerste naoorlogse uitbreiding is de buurt rondom de Koningin Wilhelminastraat en de Koningin Julianalaan in traditionele blokverkaveling in de vorm van rijwoningen en 2-onder-1-kapwoningen en met individuele woningbouw in 1 à 2 lagen met kap.

Vervolgens heeft uitbreiding plaatsgevonden langs de Prins Bernhardlaan en aan weerszijden van de Molenkolkweg ook weer in traditionele blokverkaveling met voor het merendeel rijwoningen. Met name langs de Leliestraat, de Prins Bernhardlaan en rondom de Begoniastraat komen 2-onder-1-kapwoningen voor. Ook deze woningen bestaan voornamelijk uit 1 à 2 lagen met kap

Vervolgens is de kern in verschillende fasen uitgebreid ten westen van de Bronkhorsterweg met thematische woningbouw en individuele woningbouw in de buurt 't Paradijs.

Uitgangspunten uitbreidingswijken

De bovengenoemde, meest na-oorlogse woonbuurten zijn opgezet naar de huisvestings- en vormgevingseisen van hun tijd. Daardoor harmoniëren ze vaak minder met het karakter van het oude dorp en evenmin met dat van het buitengebied. De gebieden zijn hierdoor minder bepalend voor het karakter en de identiteit van het dorp. Het beleid is gericht op het consolideren van de woonfunctie en het behoud van de aanwezige voorzieningen.

Het bestemmingsplan kan hier op perceelsniveau voor de particulier vrijheid bieden voor bouwkundige verandering van de woningen. Het toelaten van niet-woonfuncties (uitgezonderd aan huis verbonden beroepen en bedrijven) is hier minder gewenst, vanwege de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte die deze functies hebben en de openbare ruimten die daar in de regel niet op zijn afgestemd. De openbare ruimten in deze nieuwbouwbuurten zouden meer benut kunnen worden voor een versterking van de (recreatieve) groenstructuur.

Bedrijventerrein

Ten noordoosten van de Prins Bernhardlaan bevindt zich het grote bedrijfsterrein van Aviko met ten zuiden van de Doctor Alfons Ariënsstraat een kantoor ten behoeve van dit bedrijf. Aansluitend bevinden zich aan de Hoge Wesselink enkele kleinere bedrijven. Ten zuidoosten van de kern bevindt zich binnen het plangebied een groot bedrijfsterrein van FrieslandCampina.

In principe zijn op het terrein van Aviko en FrieslandCampina alle milieucategorieën tot en met milieucategorie 4.2 vertegenwoordigd. De overige bedrijventerreinen zijn tot en met milieucategorie 3.2.

Het bedrijventerrein is een gebied van nogal wisselende kwaliteit. Dit geldt zowel voor de gebouwen als voor de inrichting van de openbare ruimte. Het bedrijventerrein heeft voornamelijk een functionele vormgeving.

Uitgangspunten bedrijventerrein

Voor het grootste deel van het bedrijventerrein geldt dat het beleid gericht is op het beheer van de bestaande bebouwing. Echter, voor een deel van het terrein van Aviko bestaat een uitbreidingsplan. Dit is een nog niet gerealiseerde uitbreidingsmogelijkheid uit het geldende bestemmingsplan, dat in dit plan overgenomen zal worden. Het beleid is er voorts op gericht voor het bedrijventerrein een bebouwingspercentage toe te passen van maximaal 70 %; eventuele afwijkingen (op basis van vigerende rechten) krijgen een specifieke regeling. De afweging vindt plaats op basis van een afwijkingsmogelijkheid. Daarnaast zijn er weliswaar verschillen in de bebouwingshoogte aanwezig, maar zal zoveel mogelijk een eenduidige hoogteregeling opgesteld worden.

Groenstructuur

Het beeld in Steenderen wordt grotendeels bepaald door particulier groen, en dan met name de particuliere bomen.

De bomen op het plein bij de kerk zijn beeldbepalend in het centrum van Steenderen. Beeldbepalende groene linten binnen Steenderen zijn de lindenlaan in de groenstrook langs de Bronkhorsterweg en de bomenrijen en inheemse beplanting langs de Prins Bernhardlaan.

Beeldbepalende groene vlakken zijn de brede groenstroken langs de Bronckhorsterweg. Ook sportpark 't Hooge Wessel aan de noordoostzijde van het dorp en de begraafplaats ten westen van de Bronkhorsterweg zijn belangrijke groene plekken. De 'groene bocht' van de Molenstraat aan de rand van Steenderen is een belangrijk punt in de recreatieve routes binnen de gemeente. Bezoekers van het monumentale stadje Bronkhorst die vanuit het zuiden of het westen komen passeren deze plek. Dit geldt tevens voor de entree van Steenderen aan de zuidzijde. De groene waarde van deze plek wordt gedomineerd door verkeersinrichtingen. De hoek Bronkhorsterweg - Leliestraat is de 'ingang' naar de Molenkolk. Door de verkeerskundige en groene inrichting is er weinig relatie met het buitengebied.

verplicht

Uitgangspunten groengebieden

Het gemeentelijke beleid voor de bestaande groengebieden is gericht op behoud van de (cultuurhistorisch waardevolle) groene ruimte en het versoberen van de inrichting van het groen. De groengebieden hebben een structurerende werking in de kern, verhogen zowel de woonkwaliteit als de ruimtelijke kwaliteit en voorzien in speelgelegenheid.

Verkeersstructuur

Steenderen wordt in noordoostelijke richting ontsloten door de Doctor Alfons Ariënsstraat - L. Dolfingweg naar Baak en de N314, in zuidoostelijke richting door de Burgemeester Smitstraat - Toldijkseweg naar Toldijk en de N314.

verplicht

In zuidwestelijke richting wordt de kern ontsloten door de J.F. Oltmansstraat - Doesburgseweg richting Doesburg, Olburgen en (per autoveer) naar Dieren.

De Bronkhorsterweg - Molenstraat in noordwestelijke richting verbindt de kern met het monumentale stadje Bronkhorst en (per autoveer) met Brummen.

Alle overige wegen hebben slechts een verblijfsfunctie en een lokaal karakter.

2.13.3 Functionele structuur     

Steenderen is in hoofdopzet een woonkern met direct ten noordoosten daarvan het bedrijventerrein van Aviko en aangrenzend sportpark 't Hooge Wessel. Binnen het plangebied valt ook de grote vestiging van FrieslandCampina op, aan de zuidoostzijde van het plangebied.

De belangrijkste voorzieningen bevinden zich in de historische dorpskern tussen de J.F. Oltmansstraat, de Dorpsstraat en de Burgemeester Smitstraat. Het gaat hierbij onder andere om een verenigingsgebouw, een kerk, een café & zaal annex hotel/pension, een basisschool, een supermarkt, een bank, een apotheek, een huisarts en een dierenarts.

Verspreid over de kern komen voorzieningen voor die een functie hebben voor de hele kern. De belangrijkste zijn een verzorgingshuis op de hoek van de Burgemeester Smitstraat/ Doctor Alfons Ariënsstraat, met ten oosten daarvan een basisschool, een 2e kerk en een basisschool aan de Bronkhorsterweg, een buitenschoolse opvang/ peuterspeelzaal aan de Koningin Juliananlaan en wat verspreid liggende detailhandelsvestigingen en dienstverlenende bedrijven.

Op sportpark 't Hooge Wessel bevinden zich een zwembad, een manege, tennisbanen en voetbalvelden. Opvallend zijn verder het (commerciële) hoofdkantoor van Aviko in het oude Raadhuis aan de Burgemeester Smitstraat en het (productie) hoofdkantoor van Aviko op de hoek van de Koningin Julianalaan en de Doctor Alfons Ariënsstraat.

De functies wonen, voorzieningen binnen de wijken, groen, recreatie, sport en bedrijventerrein zijn onder de ruimtelijke structuur behandeld en binnen de kern gefixeerd. Voor functiemenging lenen zich de historische kern en de linten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

Binnen het in de ruimtelijke structuur gedefinieerde gebied “historische dorpskern” kan op cultuurhistorisch verantwoorde wijze functiemenging plaatsvinden. Naast wonen zijn allerlei andere functies toegestaan die passen in een dorpscentrum: detailhandel, horeca, dienstverlening, ambachtelijke bedrijven en maatschappelijke functies. De functies hoeven niet gekoppeld te zijn aan een woonfunctie. Uitgangspunt is dat de centrumfuncties niet te grootschalig worden. Ze moeten passen binnen het bestaande kleinschalige bebouwingsbeeld en geen parkeerproblemen opleveren. De vormgeving van de toegelaten centrumfuncties dient zodanig aangepast te zijn dat met name de geleding van de bouwmassa’s en de gevelindeling in overeenstemming zijn met het historische woonhuiskarakter van de bebouwing. Bij detailhandel is het gewenst dat op de verdieping wordt gewoond in verband met levendigheid en sociale veiligheid in de avonduren.

Ook op perceelsniveau kan onder voorwaarden functiemenging gerealiseerd worden. Uitgangspunt is het behoud van het karakteristieke bebouwingsbeeld met een duidelijk onderscheid tussen een hoofdgebouw aan de straat en ondergeschikte bijgebouwen hierachter. Een combinatie van een woonfunctie en een niet-woonfunctie op één perceel is mogelijk evenals de aanwezigheid van meerdere wooneenheden op één perceel. De niet-woonfuncties als detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke functies zijn bij voorkeur op de begane grond direct aan de straat gevestigd in de hoofdgebouwen. Ambachtelijke, kleinschalige bedrijven worden juist in de bijgebouwen achter op de percelen gesitueerd.

Binnen het gebied “linten” kan eveneens op cultuurhistorisch verantwoorde wijze functiemenging plaatsvinden, hoewel het woonkarakter voorop staat. Hier zijn naast de woonfuncties ook kleine bedrijven, winkels of dienstverlening mogelijk. Hierbij gaat het uitsluitend om kleinschalige ontwikkelingen die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Nu binnen deze linten niet dezelfde uitwisselbaarheid wenselijk is als in de historische dorpskern is het uitgangspunt de niet-woonfuncties binnen de linten in de bestemmingsregeling specifiek te begrenzen.

2.14 Toldijk     

2.14.1 Ontstaansgeschiedenis     

Het dorp Toldijk is ontstaan langs de Zutphen-Emmerikseweg als rustplaats voor handelslieden waar zij ook voor benodigdheden terecht konden. In het dorp waren destijds meerdere cafés, een bakker, een kleermaker en andere functies gevestigd. De Zutphen-Emmerikseweg lag boven de omringende weilanden uit en beschermde het tegen overstromingen van de IJssel. Op deze weg moest men vroeger tol betalen. Op de moest men op deze weg vroeger tol betalen. Hier komt dan ook de naam Toldijk vandaan. Door de tijd heen nam het aantal winkels af; omdat snellere transportmogelijkheden opkwamen en men zo geen dagen hoefde te doen over de afstand tussen twee grote steden.

verplicht verplicht verplicht

Toldijk omstreeks 1905, 1955 en 1990

2.14.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Toldijk is een hoofdzakelijk lineair wegdorp bij de aansluiting van de weg van Steenderen op de Zutphen-Emmerikseweg. Naast deze weg is er ook bebouwing gesitueerd aan de Hoogstraat. In de jaren 1960 en 1970 vonden uitbreidingen van Toldijk plaats ten westen van de Zutphen-Emmerikseweg. Deze uitbreidingen zijn in gang gezet langs de Russerweg en eindigde op de Kruisbrinkseweg. Later heeft er ten noorden van de Russerweg nog een uitbreiding plaatsgevonden aan de Wethouder Spekkinkstraat en de Wethouder Campermanstraat.

Door de jaren heeft er enkele individuele woningbouw plaats gevonden langs de linten van de Zutphen-Emmerikseweg en Hoogstraat.

verplicht

Luchtfoto Toldijk

2.14.3 Functionele structuur     

Algemeen

De kom van Toldijk, gelegen tussen de Zutphen-Emmerikseweg en de Kruisbrinkseweg wordt in functionele zin gedomineerd door de functie wonen. Centraal is in deze kom de basisschool gelegen (aan de Russerweg). De overige functies zijn te vinden aan de Zutphen-Emmerikseweg, voornamelijk ten zuiden van de rotonde. Hier zijn een motoren en bromfietsen bedrijf, de Welkoop en een café-restaurant gelegen. Ten noorden van de rotonde is een bouwbedrijf gesitueerd. Aan de Hoogstraat bevindt zich het gebouw van de jongerensoos Flophouse. Daarnaast liggen er enkele agrarische gronden verspreid aan de rand van het dorp.

Verkeersstructuur

De Zutphen-Emmerikseweg (N314) is de belangrijkste ontsluitingsweg gebleven voor Toldijk en heeft een regionale stroomfunctie. De weg verbindt het dorp in noordelijke richting met Baak en in zuidelijke richting met Hummelo. In westelijke richting wordt het dorp via de Kruisbrinkseweg met Steenderen verbonden. In zuidoostelijke richting wordt Toldijk via de Hoogstraat ontsloten richting Keijenborg en de N316. De Kruisbrinkseweg en de Hoogstraat zijn ontsluitingswegen. De overige wegen hebben een verblijfsfunctie.

verplicht

Hoofdwegenstructuur 

Groenstructuur

De groenstructuur van het dorp wordt gekenmerkt door de grote groene tuinen. Het dorp heeft behoudens de groenstrook voor de basisschool, weinig openbaar groen. De woningen aan de rand van het dorp hebben vrij zicht op het landschap.

verplicht

verplicht

Groenstructuur Toldijk

2.15 Veldhoek     

2.15.1 Ruimtelijke structuur     

Het landschap rond Veldhoek is een jonge veenontginning. Het bestaat uit een krans van kampen met school en boskapel (gemeente Ruurlo) en een nog jongere kern aan de weg Zelhem - Ruurlo, met eveneens een kapel.

verplicht

Luchtfoto Veldhoek met plangrens

Het enige herkenningspunt van de kern is de Zweeds aandoende rode houten kapel aan de Schapendijk. De vrijstaande woningen staan aan de doorgaande Veldhoekseweg, de parallel hieraan lopende Kapelweg, de Schapendijk en de Varsselseweg. Het bijzondere van deze kern is het zeer landelijke karakter.

De laatste woningbouw heeft plaatsgevonden op een inbreidingslocatie voor enkele woningen op de hoek Veldhoekseweg - Schapendijk.

2.15.2 Functionele structuur     

Algemeen

Het plangebied is een (vrijwel) monofunctioneel woongebied. Aan de Varsselseweg liggen sportpark Veldhoek met eetcafé en een bedrijf. Ook op de hoek Veldhoekseweg

- Schapendijk bevindt zich een bedrijf.

Verkeersstructuur

De belangrijkste weg door Veldhoek is de doorgaande Veldhoekseweg (N315) tussen Zelhem in het zuiden en Ruurlo in het noorden. De Veldhoekseweg heeft een belangrijke regionale functie en is de verkeersader van Veldhoek en daarmee de belangrijkste weg van het de kern. De overige wegen in de kern hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

verplicht

Groenstructuur

De groenstructuur van de kern wordt gekenmerkt door de grote groene tuinen bij de vrijstaande woningen op ruime kavels. Binnen Veldhoek is weinig openbaar groen aanwezig. Alleen aan de noordzijde van de Varsselseweg is de kern groen omkaderd.

2.16 Velswijk     

2.16.1 Ontstaansgeschiedenis     

Velswijk ligt in het landschap van de enken en brinken en ligt ten westen van Zelhem. Het dorp ligt op de overgang van het kleinschalige naar het grootschalige oude akkergebied. Met name in zuidoostelijke richting is de landschapsstructuur fijnmazig. Rond 1850 is de bebouwing meer gelijk verdeeld over de enken- en kampenzone rond Zelhem. Rond 1900 is daarin nog geen verandering te zien. Behoudens een enkele nieuwe woning ademt het dorp een historische sfeer, die representatief lijkt te zijn voor de historie van het gebied.

Van de historische bebouwing aan de Kruisbergseweg, van Hengelo naar Doetinchem, is vermoedelijk veel vervangen. Het traditionele naoorlogse beeld overheerst. Aan de dwarsweg richting Wittebrink bevinden zich een oudere boerderij en een fraai laat 19e eeuws huis. Op een enkele nieuwe woning na ademt dit gebiedje een historische sfeer, die representatief lijkt te zijn voor de historie van het gebied.

Het rechte wegprofiel van de weg naar Doetinchem snijdt het dorp in tweeën. Vanuit de beide andere richtingen komend heeft het dorp het karakter van een kleine kern behouden.

2.16.2 Ruimtelijke structuur     

De belangrijkste bebouwing van de kern bevindt zich in het lint van de Kruisbergseweg in de vorm van vrijstaande woningen. Ten oosten van de Kruisbergseweg, aan weerszijden van de Velswijkweg, zijn voornamelijk twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen gebouwd.

verplicht

Luchtfoto Velswijk met plangrens

De laatste uitbreiding met woningbouw heeft plaatsgevonden aan de Boomgaard, ten noordoosten van de kruising Kruisbergseweg - Velswijkweg met een mix van rijwoningen twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen.

2.16.3 Functionele structuur     

Algemeen

Velswijk heeft voornamelijk een woonfunctie. Aan de Kruisbergseweg zijn ook enkele niet-woonfuncties gesitueerd waaronder 2 bedrijven. Aan de Velswijkweg, ten westen van de doorgaande Kruisbergseweg zijn een basisschool met kinderopvang en een buurthuis met gymzaal gelegen.

Verkeersstructuur

De belangrijkste weg door Velswijk is de doorgaande Kruisbergseweg (N316) tussen Hengelo in het noorden en Doetinchem in het zuiden. Deze weg is de verkeersader van Velswijk en daarmee de belangrijkste wegen van het dorp. De Velswijkweg verbindt de kern in oostelijke en westelijke richting met het omliggende gebied. Alle wegen, behalve de Kruisbergseweg, hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

verplicht

Groenstructuur

Het particuliere groen is beeldbepalend in Velswijk. Vooral de laanbeplanting langs de Kruisbergseweg, die aan de rand van Velswijk wordt geflankeerd door een bomenrij (afwisselend linde en kastanje), en de Velswijkweg. Af en toe ontbreken er nog bomen (linden) in de bomenstructuur van de Kruisbergseweg. De bebouwing staat in het algemeen op ruime kavels. De tuinen en de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het landschap geven de kern zijn groene en landelijke karakter.

Binnen Velswijk is weinig openbaar groen aanwezig. Het openbaar groen dat er is, is kleinschalig en ingevuld met cultuurlijke beplanting.

verplicht

2.17 Vorden     

2.17.1 Ontstaansgeschiedenis     

De naam Vorden komt in 1121 voor het eerst in de geschriften voor en is afgeleid van het woord 'voorde'. Dit is een doorwaadbare plaats in een beek of rivier. In dit geval de kruising van de Vordense Beek met de verbindingsweg van Zutphen naar Groenlo en Winterswijk. Kruisingen van wegen en beken waren belangrijke punten en vaak verrees daar een versterkte nederzetting. In Vorden was dat het gelijknamige kasteel Vorden. Onder bescherming van de kasteelheer vestigden zich boeren en later handwerkslieden. Van oudsher is Vorden vooral een landbouwdorp. Rond 1850 bestond de bebouwing uit boerderijen langs de Zutphenseweg, het Hoge en de Dorpsstraat.

Tot begin 1900 stonden er nog boerderijen in de kom van het dorp. Het dorp ligt namelijk aan de voet van een uitgestrekte bouwenk, waar de akkerbouw plaatsvond. In de wat lager gelegen gebieden, langs de beken, lagen de weilanden. Door verbetering van de infrastructuur eind 19e -, begin 20e eeuw begon het agrarische karakter van het dorp te veranderen. Er kwam industrie en een bloeiende middenstand. Verdichting van de bebouwing vond vooral plaats ten zuiden van de Dorpsstraat en de Zutphenseweg; langs deze laatste weg met name in de vorm van villabebouwing.

verplicht

Historische kaart Vorden circa 1915

Daarnaast ontwikkelde zich lintvormige bebouwing in de vorm van eengezinswoningen langs Het Hoge, de Schoolstraat, de Smidsstraat en de Molenweg. Onder invloed van de aanleg van de spoorlijn werden in noordelijke richting aan de Insulindelaan, de Stationsweg en de Enkweg middenstandswoningen en enkele villa's gebouwd.

verplicht verplicht

Markante woningen Stationsweg en stationsgebouw Vorden

Bij het station werd rond 1910 een borstelfabriek gebouwd (inmiddels gesloopt). Winkels vestigden zich aan de Burgemeester Galleestraat en de Dorpsstraat, waarbij de Dorpsstraat tevens een horeca-accent kreeg. Na 1940 vinden nieuwe uitbreidingen in west- en zuidwestelijke richting plaats. Langs de spoorlijn vestigen zich bedrijven.

Opmerkelijke gebouwen uit de periode tot 1940 zijn de compleet herbouwde villa Het Wiemelinck (nu: appartementengebouw) met dienstwoning omringd door een landschapstuin, een enkele markante villa, kleinere woonhuizen deels in eclectische stijl, een reeks middenstandswoningen onder andere langs de Zutphenseweg en de Ruurloseweg, en enkele arbeiderswoningen.

In Vorden staan daarnaast enkele markante winkels, het pand van de apotheek, de meesterswoning op het Marktplein, de villa van architect Bakker aan de Zutphenseweg en een hotel. Het station stamt uit 1877 en 1919. Naast de oude kerk is er een gereformeerde kerk uit 1952, een katholieke kerk (Het Jebbink) en het voormalige gemeentehuis (nu: dorpscentrum). Verder staan er twee windkorenmolens: Molen De Hoop en de Hackfortermolen uit respectievelijk 1850 en 1851.

2.17.2 Ruimtelijke structuur     

Bebouwingsstructuur

Beschrijving historische dorpskern en (historisch) dorpsgebied & linten

Van oorsprong is Vorden een esdorp. De centraal gelegen brink is ondanks de ruimte die door de Zutphenseweg wordt ingenomen, nog steeds herkenbaar. De historische structuurdrager wordt gevormd door de oude wegen met lintbebouwing: Zutphenseweg - Ruurloseweg, Burgemeester Galleestraat - Enkweg, Almenseweg, Het Hoge en Raadhuisstraat - Nieuwstad. Hieronder is de ruimtelijke structuur van Vorden weergegeven:

verplicht

Vooral het als 'historische dorpskern' aangegeven gebied rondom de brink ter hoogte van de kruising Zutphenseweg - Dorpsstraat - Burgemeester Galleestraat - Raadhuisstraat, en in mindere mate de 'linten' als de Zutphenseweg en de Ruurloseweg, vertegenwoordigen de karakteristiek van Vorden. Behalve historische elementen bevat dit gebied ook veel nieuwe gebouwen. De variatie is groot en de nadruk ligt op de diversiteit van perioden en stijlen. Dit effect wordt versterkt door de 'losse' plaatsing van de bebouwing. De vrijstaande bebouwing bestaan voornamelijk uit 1 bouwlaag met kap maar er komen ook gebouwen met 2 bouwlagen en kap voor.

verplicht

Impressie Zutphenseweg

Het vigerende bestemmingsplan biedt al de mogelijkheid om alle bebouwing in 2 lagen met kap te realiseren om zo het centrum meer “aanzien” te geven. Bij de panden die nu nog uit één bouwlaag met kap bestaan kan derhalve een aanvullende woonlaag gerealiseerd worden. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de eventueel aanwezige cultuurhistorische waarde van het pand.

Het (historische) dorpsgebied en de linten bestaan uit de Zutphenseweg, de Ruurloseweg, de Almenseweg, de Raadhuisstraat - Nieuwstad, Het Hoge en de Burgemeester Galleestraat (tot aan de Almenseweg). Ook de bebouwing aan de Dokter C. Lulofsweg, de Schoolstraat en de Smidsstraat behoren tot het historisch dorpsgebied.

Uitgangspunten historische dorpskern

Het ruimtelijk beleid voor de bebouwing in de historische dorpskern is voornamelijk gericht op het behoud van de bestaande historische bebouwing, zowel hoofd- als bijgebouwen. Uitbreiding en vernieuwing van de bebouwing in dit dorpsgedeelte dient bij te dragen aan de ruimtelijke karakteristiek in die zin dat sprake moet zijn van een cultuurhistorisch meer verantwoorde situatie. Het beleid binnen het gebied is voorts gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarde, zo mogelijk herstel daarvan op locaties waar door bouwontwikkelingen in het verleden dit verloren is gegaan;
  • Vernieuwing, zolang dit in aansluiting gebeurt op de massa, hoogten en de geleding van het historische bebouwingsbeeld. Zeer terughoudend omgaan met verdichting;
  • Het versterken van de ruimtelijke samenhang;
  • Het versterken van de centrumfuncties van de pleinen en het verbeteren van de beeldkwaliteit van de pleinbebouwing.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling gericht te zijn op behoud van het kleinschalige karakter en de vrij hoge dichtheid van de bebouwde gedeelten en op de inrichting van de onbebouwde ruimten die past in de dorpse sfeer. Belangrijk zijn het behoud van de nog aanwezige open ruimten tussen de bebouwde gedeelten en de ligging van de bebouwing ten opzichte van de straat.

Uitgangspunten historisch dorpsgebied & linten

Binnen dit gebied is het beleid primair gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarden. Beheer en herstel van het bestaande bebouwingsbeeld vormt de basis voor ontwikkelingsmogelijkheden;
  • Het creëren van continuïteit in het bebouwingslint. Beperkte verdichting is mogelijk, zolang dit niet koste gaat van de ruime, open opzet. Het behoud van het open bebouwingsbeeld met voornamelijk vrijstaande woningen en onbebouwde zijerven is hierbij het uitgangspunt, alsmede het behoud van groen in de tuinen en de aanwezige laanbeplanting;
  • Het behoud van het overwegend kleinschalige en gevarieerde karakter. Kenmerkend is de onregelmatige verkaveling, verspringende rooilijnen, wisselende kavelgroottes, individueel gebouwde panden, wisselende kapvormen en een kleine korrel aan de straatzijde.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling in de eerste plaats de bescherming van het waardevolle, gevarieerde en open ruimtelijke beeld. Belangrijk zijn het behoud van de open ruimten tussen de bebouwde gedeelten, de uitzichten naar het buitengebied (Het Hoge) en de gevarieerde ligging van de bebouwing ten opzichte van de straat.

Het hierdoor te beschermen algemeen belang behoeft geenszins in strijd te zijn met het privé-belang van de bewoners van de historische kern en de linten, mits de bouwwijze en de erfinrichting niet wezenlijk veranderen ten opzichte van datgene wat algemeen gebruikelijk was en wat we nu dan ook nog steeds aantreffen. Dit betekent dat er binnen deze randvoorwaarden op perceelsniveau uitbreiding van de bebouwing en wijziging van de inrichting van de erven mogelijk is.

Beschrijving uitbreidingswijken

Naast de verdichting van de lintbebouwing zijn aan weerszijden van de Zutphenseweg woonwijken aangelegd. De eerste naoorlogse uitbreiding uit de jaren '50 is het Molenplan ten westen van het centrum rondom de Hertog Karel van Gelreweg. In de jaren '60 heeft vervolgens uitbreiding plaatsgevonden aan de oostzijde van het centrum tussen de Ruurloseweg en de Enkweg. In de jaren '70 werd deze uitbreiding opgevolgd door uitbreidingen aan de zuidzijde rondom de Beatrixlaan en aan de noordwestzijde de buurt De Boonk, waarna in de jaren '80 in westelijke richting is verder gegaan met de bouw van de buurten Brinkerhof, Hoetinkhof en Addinkhof. Aan het einde van de 20e - begin 21e eeuw heeft de tot nu toe laatste uitbreiding plaatsgevonden ten noorden van de Mispelkampdijk en 't Joostink.

De volgende gebieden zijn te onderscheiden en, mede aan de hand van de welstandsnota, als volgt te beschrijven:

Gemengde bebouwing

In het gebied ingeklemd tussen de Molenweg - Wilhelminalaan en de Burgemeester Galleestraat - Enkweg, het gebied aan de noordzijde van Het Wiemelink (en Zuivelhof) en de Burgemeester Vunderinkhof, is sprake van gemengde bebouwing. Hier wordt het beeld bepaald door eengezinswoningen in overwegend 2 bouwlagen met kap, bestaande uit dubbele woningen en aaneengebouwde woningen. Incidenteel komen vrijstaande woningen voor, vooral bestaande uit 1 bouwlaag met kap. De aaneengebouwde woningen vormen samen een duidelijk begrenzing van de openbare ruimte met enerzijds de daaraan grenzende voorerven en anderzijds de achtererven.

Traditionele blokverkaveling

Het Molenplan, gelegen achter de lintbebouwing aan Het Hoge rondom de Hertog Karel van Gelreweg, stamt uit de jaren '50 en kenmerkt zich door de grote eenvormigheid in bouwvorm en de enigszins gesloten straatwanden bestaande uit 2 bouwlagen met kap.

verplicht 

Na het Molenplan zijn de noordwestelijke uitbreiding De Boonk (het gebied ten noorden van de lintbebouwing aan de Zutphenseweg tussen De Boonk en de Mispelkampdijk) en de wijk Zuid (zuidelijke uitbreiding rondom de Beatrixlaan) gerealiseerd. De noordwestelijke uitbreiding bestaat, met uitzondering van het zuidelijke gedeelte tussen de Zutphenseweg en Het Jebbink, vrijwel uitsluitend uit aaneengebouwde woningen in blokken, met een hoge mate van eenvormigheid. De meeste woningen bestaan uit 2 bouwlagen met kap.

De zuidelijke uitbreiding rondom de Beatrixlaan kent daarentegen veel meer allure en bestaat naast enkele aaneengebouwde bejaardenwoningen vrijwel uitsluitend uit vrijstaande - en dubbele woningen bestaande uit 1 bouwlaag met kap.

Forumbeweging

In de jaren '70 - '80 zijn de buurten Brinkerhof en Hoetinkhof aan de westzijde van Vorden gebouwd. Beide buurten kenmerken zich door een speelse verkaveling, een minder strakke bebouwingsstructuur door verspringingen en hoekverdraaiingen, structurerende groenelementen en een verweving van verschillende typen eengezinswoningen. Hierdoor is visueel sprake van een enigszins open bebouwingsbeeld. Er is sprake van een mix van aaneengebouwde woningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen voornamelijk bestaande uit 2 bouwlagen met kap.

verplicht

Thematische bebouwing

In de jaren '80 en begin jaren '90 is de buurt Addinkhof ten noorden van de Hoetinkhof en westelijk van de Zutphenseweg gebouwd. Dit gebied kenmerkt zich door een organische bebouwings- en wegenstructuur en een hoge mate aan openheid. Het betreft eengezinswoningen in een mix van aaneengebouwde woningen, twee-onder-één-kapwoningen en vrijstaande woningen voornamelijk bestaande uit 2 bouwlagen met kap.

Op het voormalige fabrieksterrein van Nedac-Sorbo tussen de Vordense Beek en de Nieuwstad is een woonpark ontwikkeld. Het plan bestaat uit 14 twee-onder-een-kapwoningen, enkele villa's en 2 torens met daarin 32 appartementen.

verplicht verplicht

Ook in 't Joostink, de laatste uitbreiding van Vorden in het gebied ten noorden van de Mispelkampdijk, is sprake van thematische bebouwing in de vorm van aaneengebouwde woningen en twee-onder-één-kapwoningen voornamelijk bestaande uit 2 bouwlagen met kap. Ook komen er vrijstaande woningen bestaande uit 1 à 2 bouwlagen met kap voor.

Individuele woningbouw

In het gebied direct ten westen van de Horsterkamp (ten noorden van de Willem Alexanderlaan en rondom de Pieter van Vollenhovenlaan), de driehoek 'De Boonk - Het Jebbink - Het Molenblick' en de buurt Addinkhof wordt het beeld bepaald door individuele woningbouw in de vorm van vrijstaande woningen met een geringe bouwhoogte en een in verhouding daarmee groot kaveloppervlak. Door de grote ruimten tussen de hoofdgebouwen is sprake van een hoge mate aan openheid.

Uitgangspunten uitbreidingswijken

De bovengenoemde, meest na-oorlogse woonbuurten zijn opgezet naar de huisvestings- en vormgevingseisen van hun tijd. Daardoor harmoniëren ze vaak minder met het karakter van het oude dorp en evenmin met dat van het buitengebied. De gebieden zijn hierdoor minder bepalend voor het karakter en de identiteit van het dorp. Het beleid is gericht op het consolideren van de woonfunctie en het behoud van de aanwezige voorzieningen.

Het bestemmingsplan kan hier op perceelsniveau voor de particulier vrijheid bieden voor bouwkundige verandering van de woningen. Het toelaten van niet-woonfuncties (uitgezonderd aan huis verbonden beroepen en bedrijven) is hier minder gewenst, vanwege de verkeersaantrekkende werking en de parkeerbehoefte die deze functies hebben en de openbare ruimten die daar in de regel niet op zijn afgestemd. De openbare ruimten in deze nieuwbouwbuurten zouden meer benut kunnen worden voor een versterking van de (recreatieve) groenstructuur.

Beschrijving bedrijventerrein

Ten noorden van de spoorlijn Zutphen - Winterswijk bevindt zich aan weerszijden van de Kerkhoflaan het bedrijventerrein Werkveld. Ook ten zuiden van de spoorlijn, in het gebied ten noorden van de Enkweg en de Ruurloseweg, zijn enkele bedrijfspanden gelegen. Bedrijventerrein Werkveld wordt ontsloten via de Ruurloseweg. In principe zijn op dit terrein alle milieucategorieën tot en met milieucategorie 4 vertegenwoordigd. De bedrijven uit de hoogste milieucategorie zijn in het uiterste westen van het bedrijventerrein gesitueerd. Rondom de Kerkhoflaan bevinden zich bedrijven uit milieucategorie 1, 2 en 3.1. Verder bevinden zich op het bedrijventerrein een flink aantal bedrijfswoningen.

Het bedrijventerrein is een gebied van nogal wisselende kwaliteit. Dit geldt zowel voor de gebouwen als voor de inrichting van de openbare ruimte. Het bedrijventerrein heeft voornamelijk een functionele vormgeving.

 verplicht verplicht

Uitgangspunten bedrijventerrein

Voor het grootste deel van het bedrijventerrein geldt dat het beleid gericht is op het beheer van de bestaande bebouwing. Voor een gedeelte van het bedrijventerrein kan daaraan het streven naar een hogere beeldkwaliteit in zowel bebouwing als openbare ruimte worden toegevoegd. Voor de zone direct ten zuiden van de spoorlijn geldt dat hier mogelijkheden voor revitalisering liggen, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

Het beleid is er voorts op gericht voor het bedrijventerrein een bebouwingspercentage toe te passen van maximaal 70%; eventuele afwijkingen (op basis van vigerende rechten) krijgen een specifieke regeling. De afweging vindt plaats op basis van een afwijkingsmogelijkheid. Daarnaast zijn er weliswaar verschillen in de bebouwingshoogte aanwezig, maar zal zoveel mogelijk een eenduidige hoogteregeling opgesteld worden.

Groenstructuur

Beschrijving groengebieden

Het belangrijkste en ook cultuurhistorisch meest waardevolle groenelement van Vorden is het terrein van de Decanije. Het terrein maakte van oorsprong onderdeel uit van een tot herstellingsoord van de NS verbouwd landhuis, gelegen in een park met monumentale bomen. In de jaren '90 is het herstellingsoord opgeheven en zijn, met behoud van het park, enkele appartementenvilla's gerealiseerd. Ook de Brink in het centrum van Vorden is aan te merken als een beeldbepalend groenelement. Verder is waar de Vordense Beek door het plangebied loopt sprake van een verweving tussen het buitengebied en het dorp.

Ook het particuliere groen op de erven van de lintbebouwing, met name langs de Zutphenseweg, speelt een belangrijke rol in de belevingswaarde van het dorp.

Binnen de diverse buurten zijn kleine solitair gelegen plekken als waardevol groenelement aan te merken. Het betreffen de enige, wat grotere, groenplekken in de wijk die een betekenis hebben als speelplek of als enige onderbreking in de verder volledig bebouwde en uitgegeven wijk. Het groen aan de Hertog Karel van Gelreweg is groen dat het Molenplan van binnen uit structureert en een verbinding vormt tussen de twee molens.

Het structurerend groen wordt veelal aan de randen van de wijken gevonden. Tussen de buurten Brinkenhof, Hoetinkhof en Addinkhof bevindt zich een groenstructuur met daarin 2 oude houtwallen. Dit groengebied heeft voor beide buurten een recreatieve functie en verhoogt de belevingswaarde. In de meest recente uitbreidingswijk 't Joostink, ten noorden van de Mispelkampdijk, zijn nieuwe houtwallen aangelegd met hetzelfde doel. Ook het groen tussen Het Wiemelink en de spoorlijn en de laanbeplanting langs de Kerkhoflaan kunnen aangemerkt worden als structurerend groen.

Uitgangspunten groengebieden

Het beleid voor de bestaande groengebieden is gericht op behoud van de (cultuurhistorisch waardevolle) groene ruimte. De groengebieden hebben een structurerende werking in de kern, verhogen zowel de woonkwaliteit als de ruimtelijke kwaliteit en voorzien in speelgelegenheid.

Beschrijving landschappelijke schil

Deze zone ten noorden van Vorden bestaat uit de gebieden gelegen tussen de Oude Zutphensweg en de spoorlijn Zutpen - Winterswijk en tussen de Zutphenseweg en de Rondweg. Dit gebied aan de noordzijde van het plangebied wordt doorsneden door de Almenseweg. Het oostelijke deel bestaat voornamelijk uit weiden en akkerland. Het gebied ingeklemd tussen de spoorlijn, de Mispelkampdijk en de Almenseweg is in beeld als potentiële woningbouwlocatie. Mochten hiervoor plannen worden ontwikkeld, dan zal een aparte ruimtelijke procedure worden gevolgd. Voor het totale gebied wordt in onderhavig plan uitgegaan van de bestaande situatie.

Ook het gebied tussen de Vordense Beek en de lintbebouwing aan de zuidzijde van Het Hoge, de zone tussen de Rondweg en De Horsterkamp én het gebied ingeklemd tussen het bedrijventerrein, de Vierakkerse Laak en de lintbebouwing aan de noordzijde van de Ruurloseweg behoren tot de landschappelijk schil bestaande uit weiden en akkerland.

Uitgangspunten landschappelijke schil

Uitgangspunt voor het beleid in dit gebied is het behoud van de landschappelijke waarden en beheer van de daarin aanwezige bebouwing.

Verkeersstructuur

Belangrijke interne ontsluitingswegen voor de kern Vorden zijn, naast de Zutphenseweg - Dorpsstraat - Ruurloseweg, de Burgemeester Galleestraat - Enkweg, de Stationsweg en Het Hoge.

Voor het verkeer in oost-westelijke richting binnen de kern Vorden is de verbinding Zutphenseweg - Dorpsstraat - Ruurloseweg het belangrijkste. Dit is al van oudsher zo. In zuidelijke richting is de functie van de Raadhuisstraat - Nieuwstad vervangen door de Rondweg en De Horsterkamp. Extern verkeer uit de richting van Zutphen in de richting van Ruurlo maakt veelal gebruik van de Rondweg, De Horsterkamp en de Ruurloseweg.

2.17.3 Functionele structuur     

Vorden is een kern die op veel plaatsen nog geen strikte scheiding kent tussen woningen en bedrijven; met name in de oudste delen van de kern liggen kleine bedrijven tussen de woningen. De oudste woningen staan, op de lintbebouwing na, in het oostelijke deel van de kern. De planmatige uitbreidingen hebben ten zuiden en noordwesten van de oude bebouwing plaatsgevonden.

Tot de jaren '90 is ten noorden van de spoorlijn en ten westen van de Kerkhoflaan, een bedrijventerrein ontwikkeld. Eind jaren '90 is begonnen met uitbreiding van het bedrijventerrein ten oosten van de Kerkhoflaan.

Aan de Dorpsstraat, in het gebied tussen de Smidsstraat en de Raadhuisstraat, en langs de Zutphenseweg heeft Vorden een centrum ontwikkeld dat een bovenlokale verzorgingsfunctie heeft voor de omliggende kleine kernen. In het dorp liggen nog twee andere gebieden met een gemengd karakter. Met name de bebouwing langs de Nieuwstad is als uitloper van het centrumgebied te zien. Hier bevinden zich onder andere enkele voorzieningen waaronder een groot verzorgingshuis en een school. Het andere gemengde gebied ligt in/ nabij het Molenplan, direct ten westen van het centrum. Hier bevinden zich onder andere een dierenwinkel, een bedrijf in schoonmaakartikelen en enkele schoolgebouwen.

Verspreid over het dorp ligt een aantal grote groene plekken. Het gaat om het terrein van de Decanije met monumentale bomen, het groen ten noorden van Het Wiemelink, de houtwallen bij 't Joostink en gronden grenzend aan de Vordense beek. Daarnaast zijn er een aantal kleinere groene plekken te onderscheiden zoals de groenzone aan de Hertog Karel van Gelreweg. De westrand van de kern wordt door beplanting van de Rondweg afgeschermd. Deze beplanting dringt door in de aangrenzende woonbuurten.

De functies wonen, voorzieningen binnen de wijken, groen, recreatie, sport en bedrijventerrein zijn onder de ruimtelijke structuur behandeld en binnen de kern gefixeerd. Voor functiemenging lenen zich twee gebieden: de historische kern en de linten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten:

Binnen het in de ruimtelijke structuur gedefinieerde gebied “historische dorpskern” kan op cultuurhistorisch verantwoorde wijze functiemenging plaatsvinden. Naast wonen zijn allerlei andere functies toegestaan die passen in een dorpscentrum: detailhandel, horeca, dienstverlening, ambachtelijke bedrijven en maatschappelijke functies. De functies hoeven niet gekoppeld te zijn aan een woonfunctie. Uitgangspunt is dat de centrumfuncties niet te grootschalig worden. Ze moeten passen binnen het bestaande kleinschalige bebouwingsbeeld en geen parkeerproblemen opleveren. De vormgeving van de toegelaten centrumfuncties dient zodanig aangepast te zijn dat met name de geleding van de bouwmassa’s en de gevelindeling in overeenstemming zijn met het historische woonhuiskarakter van de bebouwing. Bij detailhandel is het gewenst dat op de verdieping wordt gewoond in verband met levendigheid en sociale veiligheid in de avonduren.

Ook op perceelsniveau kan onder voorwaarden functiemenging gerealiseerd worden. Uitgangspunt is het behoud van het karakteristieke bebouwingsbeeld met een duidelijk onderscheid tussen een hoofdgebouw aan de straat en ondergeschikte bijgebouwen hierachter. Een combinatie van een woonfunctie en een niet-woonfunctie op één perceel is mogelijk evenals de aanwezigheid van meerdere wooneenheden op één perceel. De niet-woonfuncties als detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke functies zijn bij voorkeur op de begane grond direct aan de straat gevestigd in de hoofdgebouwen. Ambachtelijke, kleinschalige bedrijven worden juist in de bijgebouwen achter op de percelen gesitueerd.

Binnen het gebied 'linten' kan eveneens op cultuurhistorisch verantwoorde wijze functiemenging plaatsvinden, hoewel het woonkarakter voorop staat. Hier zijn naast de woonfuncties ook kleine bedrijfjes, winkels of dienstverlening mogelijk. Hierbij gaat het uitsluitend om kleinschalige ontwikkelingen die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Nu binnen deze linten niet dezelfde uitwisselbaarheid wenselijk is als in de historische dorpskern is het uitgangspunt de niet-woonfuncties binnen de linten in de bestemmingsregeling specifiek te begrenzen.

2.18 Wichmond     

2.18.1 Ontstaansgeschiedenis     

Tijdens zijn verblijf in West-Saksen krijgt Ludger een aantal geschenken van rijke mensen, die zich tot het christendom hadden bekeerd. Een van deze geschenken was afkomstig van graaf Wrachar te Brummen. Hij schenkt Ludger in 794 een gebied dat ligt tussen Baak en Wichmond langs de IJssel; dit gebied is ruim een kilometer lang. In de schenkingsakte van 794 komt de eerste keer de naam Wichmond voor. Wichmond wordt dan geschreven als Withmundi, dat "wijde mond" betekent.

In 1850 bestond deze kern uit verspreide bebouwing langs de Dorpsstraat. In de periode 1850 - 1940 vindt verdichting plaats en aan het eind van de 19e eeuw worden een RK kerk, een pastorie en een verenigingsgebouw opgericht. Er is ook een NH-kerk uit circa 1860.

2.18.2 Ruimtelijke structuur     

In Wichmond bestaat de historische structuurdrager uit de 2 kruisende bebouwingslinten aan de noordzijde: Hackforterweg en Dorpsstraat - Vierakkersestraatweg. In de Dorpsstraat werd het beeld bepaald door afwisseling in vorm en functie, wonen en voorzieningen. Door bedrijfsbeëindigingen en functieveranderingen in de laatste 15 jaren, zijn veel niet-woonfuncties aan de Dorpsstraat verdwenen. In de Vierakkersestraatweg wordt het beeld bepaald door vrijstaande woningen en voorzieningen op grote percelen en aan weerszijden van de Hackforterweg door vrijstaande en dubbele woningen op kleinere percelen.

verplicht

Luchtfoto Wichmond met plangrens

Na 1940 vindt geconcentreerd enige uitbreiding plaats in oostelijke richting. Daarbij zijn 3 verschillende straatbeelden te onderscheiden:

  1. vooral vrijstaande woningen op grote percelen aan de noordzijde van de Baron van der Heijdenlaan;
  2. vrijstaande en dubbele woningen aan de zuidzijde van de Baron van der Heijdenlaan, de oostzijde van de Beeklaan, aan de Ludger en de Lindeselaak (De Wogt) en langs de zuidzijde van de Hackforterweg;
  3. dubbele woningen en rijen van maximaal 4 woningen aaneen aan de westzijde van de Beeklaan en in de Vogelzang.

Aan de zuidwestzijde is een ‘restje’ landelijk gebied ontstaan door de formele kerngrenzen, maar deze gronden behoren bij het aangrenzende landelijke gebied.

2.18.3 Functionele structuur     

Algemeen

Wichmond heeft voornamelijk een woonfunctie. Aan de Dorpsstraat, ten noorden van de kruising met de Baakseweg, zijn verschillende niet-woonfuncties gesitueerd waaronder een basisschool, de N.H.-kerk en een café/ restaurant. Aan de Vierakkersestraatweg in het uiterste noordwesten van de kern bevindt zich ook een R.K.-kerk, evenals de bijbehorende pastorie (thans gezinsvervangend tehuis) en een verenigingsgebouw dat tevens dienst doet als café.

Een deel van het gebied ten westen van de Dorpsstraat, dat aan de westzijde wordt begrensd door de Baakse Beek, heeft een agrarische functie.

Verkeersstructuur

De belangrijkste ontsluitende wegen zijn de doorgaande Vordenseweg - Baakseweg tussen Baak in zuidwestelijke richting en Vorden in noordoostelijke richting (N316). De Vierakkersestraatweg - Beeklaan verbindt de kern met Zutphen in noordwestelijke richting en de Lankhorsterweg verbindt de kern met Hengelo in zuidoostelijke richting. Deze wegen zijn belangrijkste verkeersaders van en naar het dorp.

De Beeklaan heeft de ontsluitende functie van de Dorpsstraat overgenomen, waardoor de Dorpsstraat haar directe verbinding met de omgeving heeft verloren. Alle overige wegen in het dorp hebben een lokaal karakter (verblijfsfunctie).

verplicht

Groenstructuur

Wichmond ligt in het overgangslandschap tussen enken en IJssel, ten noorden van de Vordense weg. Het cultuurhistorische groen is beeldbepalend in het dorp. Vooral de monumentale bomenlanen en bossen bij de landgoederen bepalen de groene sfeer. Langs de belangrijkste wegen, de Baakseweg en de Beeklaan - Lankhorsterstraat, komen bomenlanen voor.

Het bosje aan de noordzijde van de Baaksche Beek deelt het dorp in tweeën. De katholieke kerk en de pastorie aan de Vierakkersestraatweg staan in dit groene gebied; aan de straatzijde is deze locatie open groen aan de andere zijden wordt de bebouwing omgeven door bos.

Binnen de kern is het openbaar groen vooral ingevuld met gecultiveerd groen. Dit wordt veroorzaakt door de geringe omvang van de groenstroken. Aan de zuidzijde van de Protestantse kerk met predikantenwoning aan de Dorpsstraat ligt ook een waardevol groenelement.

Aan de oostzijde van de kern, aan de Ludger, is een evenementenweide gelegen. Deze groene plek is een belangrijke ontmoetingsplaats en versterkt het landelijke karakter van de kern. Op het veld staat een herdenkingslinde, de Beatrixboom; een 'moderne variant' op de marke-boom.

Het groen tussen de Baakseweg en de Lindeselaak zorgt voor afstand tussen de woningen en de hoofdweg en bepaalt dus de structuur van deze woonbuurt.

verplicht 

2.19 Zelhem     

2.19.1 Ontstaansgeschiedenis     

In de prehistorie was de Achterhoek een onherbergzaam en spaarzaam bewoond gebied. Het landschap bestond in die oude tijd uit brede moerassen, begroeid met struikgewas langs de IJssel. Er zijn enkele hoger gelegen delen, zoals bij Aalten, Neede en Lochem en de 'hoogvlakte' waarop Hengelo en Zelhem liggen. De riviertjes stromen er van oost naar west. Mede door de lagere ligging dan aangrenzende gebieden ontstonden er uitgestrekte moerassen en veengebieden waar weinig plaats over bleef dat geschikt was voor menselijk bewoning.

verplicht

Kaart omgeving Zelhem omstreeks 1600

De geschiedenis begint duidelijke vormen aan te nemen in de dagen van Karel de Grote (800 na Chr). Naar het voorbeeld van de Romeinen stichtte Karel overal in de veroverde gebieden koningshoven. Ook in de buurt van Zelhem werd een dergelijke hof of villa gesticht. Niet alleen werd een koningshof gesticht, maar er verrees ook een Christelijke kapel in Zelhem. De plaats, waar het kapelletje is gebouwd, werd blijkens een schenkingsoorkonde Salehem genoemd. Het zou betekenen: huis, woning of plaats, waar men zich thuis voelt. (Sele of Sale is woning; hem of heim betekent plaats of oord, waar men thuis is.

Zelhem groeit uit als een agrarische gemeente. Het dorpje rond de kapel zal vermoedelijk bestaan hebben uit drie boerderijen die aan een brink lagen. Bovendien moeten er meerdere plekken in de omgeving zijn geweest waar boerderijen ('t Soerlant) stonden. Op de brink was plaats voor spiekers, schuurtjes met een verhoogd vloerniveau die bedoeld waren voor de opslag van landbouwproducten. De brink bood ook ruimte voor ambachtelijke activiteiten. Tussen 1450 en 1500 kreeg de kerk z'n tegenwoordige vorm. Ze is gewijd aan St. Lambertus, bisschop van Maastricht.

verplicht

Zelhem anno 1928



Met het graven van de veengoot in 1835 wordt het startsein gegeven voor de ontginning van het Wolfersveen en vanaf 1846 beschikt Zelhem over de eerste straatweg, de Hummeloseweg. Tussen 1850 en 1900 blijft Zelhem sterk op landbouw gericht. In 1885 krijgt Zelhem een station. In de omgeving daarvan wordt een houtzagerij gevestigd. Tegen het eind van de eeuw worden de broeklanden stelselmatig ontgonnen. In 1902 wordt een zuivelfabriek opgericht. Verder is er wat bouwnijverheid en klompenmakerij en wat toerisme. Maar driekwart van de bevolking, zo blijkt in 1939, werkt nog steeds in de landbouw.

Zelhem ligt evenals de kernen Velswijk en Halle op de hogere rug van het dekzandplateau en wel op het punt waar wegen naar Doetinchem, Hengelo en Varsseveld elkaar snijden. In de periode 1850 - 1940 bestaat de bebouwing voornamelijk uit linten en verder tussen de bestaande bebouwing van de Stationsstraat, Kerkweg, de Burg. Rijpstrastraat, de Doetinchemseweg en de Smidstraat. De bebouwing bestaat afwisselend uit burgerwoningen, villa's, horecapanden, en winkels. Na de aanleg van de Ruurloseweg in 1928 vindt langs deze weg en een zijstraat van de Palmberg lintvormige bebouwing plaats. De oorspronkelijke kern bij de Markt met boerderijen, horeca en woningen verdwijnt. Aan de oostzijde vindt nu ontwikkeling plaats met winkels en woonhuizen. Langs de spoorlijn ontstaat een industriegebiedje met een zuivelfabriek en houthandel.

De voormalige gemeente Zelhem had in 1829 ruim 2900 inwoners. Een eeuw later waren het er bijna 5800. Eind 19e eeuw woonden er weinig mensen in het dorp. Er waren toen 175 huisnummers. In de 40 jaar daarna liep het aantal nummers op van respectievelijk 175 tot 211, 274 en 328 in 1940. Na 1940 verandert de kern Zelhem. Er worden planmatige uitbreidingen gemaakt rondom de kern en een bedrijventerrein aan de zuidkant.

verplicht

Luchtfoto naoorlogse uitbreidingen Zelhem



Maar ook het centrum verandert van gedaante. Er komt een zakelijk ogende winkelgalerij met bovenwoningen ten zuiden van de kerk en aan de Markt in de 70'er jaren ook winkels met bovenwoningen maar nu in de traditioneel ogende 70'er jarenstijl. Daarmee verdwijnt nog meer, maar niet geheel, het agrarische karakter van de kern. Van recente datum is de nieuwe rondweg aan de westkant, die een harde grens vormt van het dorp ten opzichte van het omringende landschap. Aan de zuidzijde is de jongste uitbreiding 't Soerlant in ontwikkeling. Het enige rijksmonument is de grote kerk; van de gemeentelijke monumenten is bijna eenderde deel boerderij.

2.19.2 Ruimtelijke structuur     

Karakteristieke dorpsstructuur

Zelhem is in oorsprong te karakteriseren als een brinkdorp. De huidige structuur van het dorp weerspiegelt nog de ontstaansgeschiedenis als agrarische kern met de straalsgewijze bebouwingslinten vanuit de Brink. Maar ook de voormalige spoorlijn heeft de structuur van het dorp bepaald. Het verloop van de oude spoorbaan, het station en het stationsplein zijn nog duidelijk herkenbaar. Binnen dit raamwerk is vervolgens het dorp opgebouwd door het opvullen dan de gebieden tussen de historische bebouwingslinten en -ruimten.



verplicht

Zelhem anno 2014



De historische structuur heeft ook een ontwikkeling doorgemaakt door vernieuwing of verdichting van de bebouwing. Bijvoorbeeld de toevoeging van het winkelplein aan de Magnoliaweg. Het hart van het dorp bestaat daarmee uit een aaneenschakeling van pleinvormige ruimten verbonden door historische wegen. In het bijzonder geldt dat voor de as Smidsstraat-Stationsstraat.

Het hart van het dorp met meerdere pleintjes en onderlinge verbindingen is een sterk ruimtelijk concept en is ook herkenbaar, zij het niet als ruimtelijke eenheid. Ieder pleintje heeft zijn eigen karakteristiek en inrichting en wisselende begeleidende bebouwing. Dit geldt zowel voor de schaal van de bebouwing, leeftijd als architectonische uitstraling. Op individueel niveau hebben de panden vaak kwaliteit, maar de samenhang met de omgeving ontbreekt. Hierdoor is over het geheel gezien een rommelig beeld ontstaan.

Opvallend aan Zelhem is dat het omliggende landschap nauwelijks het dorp binnendringt. Vanuit dat oogpunt is het vroegere agrarische karakter verloren gegaan. Aan de noord-westzijde is sprake van een gebied (schil) met oorspronkelijk landschap, maar door de aanleg van de westelijke rondweg is dit gebied min of meer binnen het dorp komen te liggen. Bij de ontwikkeling van de nieuwe wijken 't Soerlant III en IV is juist wel rekening gehouden met het binnentreden van het landschap in de kern. Voor het overige bestaan de randen uit de bebouwing van de verschillende wijken, parkzones, sportvelden, een camping en bedrijventerreinen.

Ruimtelijke opbouw in deelgebieden

Vanuit de bovenstaande algemene beschrijving is een opdeling te maken in deelgebieden waarbij de ruimtelijke opbouw meer specifiek aan bod komt en de vertaling naar beleidsuitgangspunten.



Beschrijving historische kern (Markt, Smidsstraat, Stationsstraat, Stationsplein, Ruurloseweg)

De oude dorpskern, met de kerk als middelpunt, ontleent haar kenmerken aan een langere periode van ontwikkeling. Dit heeft geresulteerd in een relatief open en kleinschalige bebouwing met een grote variatie aan bouwvormen en stijlen. De bebouwing is als regel direct - met rabatstrook - aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze krijgen zo alle nadruk, terwijl de zij- en achtergevels veel minder bewerkt zijn. De positie van de bebouwing aan de linten buiten de oude kern is in de regel gevarieerder en minder dicht aan de weg geplaatst. De bebouwing is in de regel een tot twee bouwlagen met kap en incidenteel 3 en zelfs 4 bouwlagen. Traditionele materialen als baksteen, keramische pan, hout en zink overheersen.

De Stationsstraat en voornamelijk de Smidsstraat hebben door bovenstaande opbouw een intieme sfeer en presenteren zich duidelijk als hart van het dorp.

verplicht

Omgeving Markt

De nieuwere toevoegingen in de oude kern zijn relatief grootschalig en onderscheiden zich daardoor van de kleinschalige, fijnmazige historische verkaveling. Vooral in de centrale ruimte van het dorp, de Markt met uitlopers naar Ruurloseweg en Doetinchemseweg, worden deze contrasten duidelijk. Tegenover de kerk en zuidelijk gelegen kleinschalige bebouwing staan twee grotere, nieuwe panden. Terwijl richting de Doetinchemseweg de situatie juist andersom is. Oostelijk staat een functionele winkelgalerij en westelijk de historische bebouwing.

verplicht verplicht

Nieuwere toevoegingen in oude structuur

De pleinruimte richting de Hummeloseweg oogt, ondanks wat grootschaligere bebouwing aan de oostzijde, vriendelijker. Dit komt waarschijnlijk door de overwegend historische uitstraling van de bebouwing. De boerderij-achtige bebouwing aan de westzijde met de groene ruimte daarvoor weerspiegelen de agrarische oorsprong van Zelhem.

verplicht

Omgeving Smidsstraat

Het Stationsplein is eveneens contrastrijk waarbij individueel kwaliteiten duidelijk aanwezig zijn, maar de samenhang ontbreekt. Het voormalige station is duidelijk herkenbaar, zo ook de in de loop van de tijd toegevoegde verschillend ogende panden. De muziekkoepel centraal op het plein hoort hier als contrast ook bij en komt niet tot zijn recht. De sfeer en historie die dit element uitstraalt, past niet bij de omliggende pleinwanden.

verplicht verplicht

Omgeving stationsplein en kop Smidsstraat/Bergstraat

De nieuwbouw op de kop van de Smidsstraat (Bergstraat) en Magnoliaweg hoort bij het kerngebied van Zelhem. Ook hier is sprake van een schaalsprong, die enigszins gemaskeerd wordt door de vriendelijk ogende bouwstijl van het pand.

Uitgangspunten historische kern

Het ruimtelijk beleid voor de bebouwing in de historische kern is voornamelijk gericht op het behoud van de bestaande historische bebouwing, zowel hoofd- als bijgebouwen. Uitbreiding en vernieuwing van de bebouwing in dit dorpsgedeelte dient bij te dragen aan de ruimtelijke karakteristiek in die zin dat sprake moet zijn van een cultuurhistorisch meer verantwoorde situatie. Het beleid binnen het gebied historische kern is voorts gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarde, zo mogelijk herstel daarvan op locaties waar door bouwontwikkelingen in het verleden dit verloren is gegaan.
  • Vernieuwing, zolang dit in aansluiting gebeurt op de massa, hoogten en de geleding van het historische bebouwingsbeeld. Zeer terughoudend omgaan met verdichting.
  • Het versterken van de ruimtelijke samenhang.
  • Het versterken van de centrumfuncties van de pleinen en het verbeteren van de beeldkwaliteit van de pleinbebouwing.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling gericht te zijn op behoud van het kleinschalige karakter en de vrij hoge dichtheid van de bebouwde gedeelten en op de inrichting van de onbebouwde ruimten die past in de dorpse sfeer. Belangrijk zijn het behoud van de nog aanwezige open ruimten tussen de bebouwde gedeelten en de ligging van de bebouwing ten opzichte van de straat.

Het hierdoor te beschermen algemeen belang behoeft geenszins in strijd te komen met het privé-belang van de bewoners van de oude dorpskern, mits de bouwwijze en de erfinrichting niet essentieel veranderen ten opzichte van hetgeen algemeen gebruikelijk was en wat we nu dan ook nog steeds aantreffen.



Beschrijving linten (Ruurloseweg, Halseweg, Doetinchemseweg, Hummeloseweg, Hengeloseweg)

De straalsgewijze linten vanuit de historische kern vormen van oudsher de uitvalswegen van Zelhem. Veelal zijn deze straten geleidelijk met lintbebouwing volgebouwd. Alleen aan de Ruurloseweg zijn de randen van latere nieuwbouwwijken zichtbaar. Overwegend is momenteel een divers bebouwingsbeeld te vinden. Er staan zowel historische als nieuwere panden die met de voorgevel direct aan de straat zijn gelegen. Over het algemeen wordt het bebouwingsbeeld richting de dorpsgrens opener. De Hengeloseweg en Ruurloseweg zijn naast de kenmerkende lintbebouwing ook herkenbaar door de aanwezige laanbeplanting. Voor alle linten geldt dat er sprake is van een ruime opzet waaraan het groen van de tuinen rond de woningen in belangrijke mate een bijdrage levert.

verplicht

Herkenbaar lint door laanbeplanting

Het oorspronkelijke lint is met allerlei invullingen verder verdicht met voornamelijk vrijstaande woningen. Er is ook een aantal invullingen met halfvrijstaande of aaneengesloten bebouwing aanwezig. Meer grootschalige panden komen ook voor, variërend van villa's op een grote kavel tot winkel-, bedrijfs- en kantoorpanden. Aan de Hengeloseweg is een groot zorgcentrum gevestigd dat door de afwijkende schaal een min of meer zelfstandige positie heeft aan het lint. Door de afwisseling tussen oude en nieuwere panden is er sprake van een verspringende rooilijn.

verplicht 

Grootschalig pand in de vorm van een villa

De positie van de bebouwing aan de linten buiten de historische kern is in de regel gevarieerder en minder dicht aan de weg geplaatst. De bebouwing is in de regel een tot twee bouwlagen met kap en incidenteel 3 en zelfs 4 bouwlagen. Traditionele materialen als baksteen, keramische pan, hout en zink overheersen.

Uitgangspunten linten

Binnen de linten is het beleid primair gericht op:

  • Het behoud van de cultuurhistorische waarden. Beheer en herstel van het bestaande bebouwingsbeeld is de basis voor ontwikkelingsmogelijkheden.
  • Het creëren van continuïteit in het bebouwingslint. Beperkte verdichting is mogelijk, zolang dit niet koste gaat van de ruime, open opzet. Het behoud van het open bebouwingsbeeld met voornamelijk vrijstaande woningen en onbebouwde zijerven is hierbij het uitgangspunt, alsmede het behoud van groen in de tuinen en de aanwezige laanbeplanting.
  • Het behoud van het overwegend kleinschalige en gevarieerde karakter. Kenmerkend is de onregelmatige verkaveling, verspringende rooilijnen, wisselende kavelgroottes, individueel gebouwde panden, wisselende kapvormen en een kleine korrel aan de straatzijde.

In dit dorpsgedeelte dient de bestemmingsregeling in de eerste plaats de bescherming van het waardevolle, gevarieerde en open ruimtelijke beeld. Belangrijk zijn het behoud van de open ruimten tussen de bebouwde gedeelten en de gevarieerde ligging van de bebouwing ten opzichte van de weg.

Het hierdoor te beschermen algemeen belang behoeft geenszins in strijd te komen met het privé-belang van de bewoners van de linten, mits de bouwwijze en de erfinrichting niet essentieel veranderen ten opzichte van hetgeen algemeen gebruikelijk was en wat we nu dan ook nog steeds aantreffen. Dit betekent dat er binnen deze randvoorwaarden op perceelsniveau zeker uitbreiding van de bebouwing en wijziging van de inrichting van de erven mogelijk is.

verplicht

Beschrijving uitbreidingswijken

Naast de verdichting van de linten zelf zijn in de tussenliggende gebieden woonwijken aangelegd. De volgende buurten zijn te onderscheiden en, mede aan de hand van de welstandsnota, als volgt te beschrijven.

Oranjebuurt

Gelet op de stijl is deze buurt de oudste planmatige uitbreiding van Zelhem. Woningen van kort na de tweede wereldoorlog met rode baksteen en terracotta pannen bepalen het beeld. Van recentere datum is het seniorencomplex aan de Prinses Beatrixstraat. Alhoewel in schaal afwijkend van de buurt, heeft het gebouw een vriendelijke uitstraling door het ingetogen kleur- en materiaalgebruik.

verplicht

Eerste planmatige uitbreidingen

Bloemenbuurt

Het stratenplan van deze buurt bestaat deels uit de oude landwegen en deels uit planmatige straten. Daarbinnen staat zowel individuele woningbouw en projectmatige woningbouw met de kenmerken van het nieuwe bouwen. Deze bouwstijl uit zich in de dubbele ontsluiting en parkeerhoven, de blokplaatsing in een gestempeld patroon en de exacte herhaling van gevels. Een afwijking daarop is het schoolgebouw aan de Bergstraat. De begraafplaats aan de Kerkhoflaan hoort ook bij deze buurt.

verplicht

Gestempeld patroon bloemenbuurt

Hanenhoek / Hissinkhoek

Een groenstrook ter hoogte van het voormalige tracé van de spoorbaan verdeelt het plan in twee buurten. Verder beantwoordt deze buurt aan de kenmerken van individuele woningbouw.

verplicht

Individuele woningbouw

Schildersbuurt

Deze buurt kent twee gezichten: een traditionele buurt met het tuindorpprofiel en in het noord oosten een buurt met eenduidig vormgegeven rijenwoningen rond parkeerhoven in een gestempeld patroon. Als uitzondering binnen deze structuur liggen centraal in deze buurt twee schoolgebouwen aan de Frans Halsstraat. Kenmerkend voor deze buurt is de doorsnijding van de verkaveling door het tracé van de oude spoorbaan, nu ingericht als groenstrook.

verplicht

Jacob van Ruysdaelstraat

Staatsliedenbuurt

Evenals de Schildersbuurt vertoont deze woonbuurt het beeld van traditionele blokverkaveling. De buurt bestaat uit woningen met tuinen aan de straat afgezet met hagen, binnenruimten met de achtertuinen en veel half vrijstaande woningen. Daarbinnen zijn als grotere bouwmassa's een school aan de Groen van Prinstererstraat en een gymzaal aan de Thorbeckestraat gevestigd. De rand aan de zijde van 't Soerlant bestaat uit vrije kavelbouw.

verplicht

Fraaie jaren '50 bouw in Staatsliedenbuurt

't Soerlant

Deze buurt is de jongste uitbreiding van Zelhem. Kenmerkend is de thematische benadering van de bouwblokken en bouwfases. Ieder deel heeft daardoor een eigen karakteristiek, waarbij met name de duurzame insteek (met grasdaken en zonnepanelen) van fase III in het oog springt. Fase IV is momenteel in ontwikkeling.

verplicht

Duurzame bouw met zonnepanelen in 't Soerlant

Uitgangspunten uitbreidingswijken

De bovengenoemde, meest na-oorlogse woonbuurten zijn opgezet naar de huisvestings- en vormgevingseisen van hun tijd. Daardoor harmoniëren ze vaak minder met het karakter van het oude dorp en evenmin met dat van het buitengebied. De gebieden zijn hierdoor minder bepalend voor het karakter en de identiteit van het dorp. Het beleid is gericht op het consolideren van de woonfunctie en het behoud van de aanwezige voorzieningen.

Het bestemmingsplan zal hier op perceelsniveau voor de particulier vrijheid kunnen bieden voor bouwkundige verandering van de woningen. Het toelaten van niet-woonfuncties is hier minder gewenst, vanwege de aanslag met verkeer en parkeren die deze functies doen op de daar in de regel niet op afgestemde maat van de openbare ruimten. De openbare ruimten in deze nieuwbouwbuurten zouden meer benut moeten worden voor een versterking van de (recreatieve) groenstructuur.

Beschrijving bedrijventerreinen

Het bedrijventerrein beslaat ongeveer eenderde van het hele oppervlak van Zelhem. Het is een gebied van nogal wisselende kwaliteit. Dit geldt zowel voor de gebouwen alsook voor de inrichting van de openbare ruimte. In het gebied tussen de N330, de Pluimersdijk, de Brinkweg en de Doetinchemseweg is het grootste del van het bedrijventerrein van Zelhem gelegen. Voor een klein deel is een uitbreiding gemaakt ten zuiden van de N330. Voornoemde gedeelten hebben een gelijksoortige uitstraling met bedrijfsloodsen in wisselende grootten, zonder echte uitschieters in uitzonderlijke grote of kleine schaal. Verspreid over het gehele bedrijventerrein is kleinschalige bebouwing in de vorm van bedrijfswoningen en enkele burgerwoningen aanwezig.

verplicht 

Functionele vormgeving op het bedrijventerrein

Het bedrijventerrein heeft voornamelijk een functionele vormgeving. Deze bebouwing vormt een contrast met de kleinschalige dorpsbebouwing van de rest van Zelhem. Dit contrast wordt vooral voelbaar in de Dr. Grashuisstraat. Dit vormt de verbinding tussen de oude dorpskern en het bedrijventerrein. Ook hier is, met name aan de westzijde en net als aan het stationsplein, sprake van individuele bebouwing zonder samenhang. Aan de oostzijde is minder sprake van een contrast, omdat daar de afgelopen jaren nieuwbouw met woon-werk functies is gerealiseerd. Dit geeft een goede aanzet voor een overgang van dorp naar bedrijventerrein.

De beeldkwaliteit van de bebouwing op het bedrijventerrein is wisselend. Aan de gebouwen aan de rotonde is duidelijk meer aandacht besteed. Dit beeld zou in de toekomst met zorg beheerd moeten worden. Er is één pand aanwezig die er qua schaalgrootte uitspringt. Dit is de grote loods (voormalig Celtona-complex) met onder andere het indoor sport en snowcenter aan de Brinkweg. Deze heeft een korrelgrootte van ruim 90 bij 130 meter, tegen een overwegende korrelgrootte van 35 tot 80 meter op het overige bedrijventerrein. Ook dit pand ligt dicht tegen de oude, kleinschalige dorpskern aan. Daarnaast bevindt zich aan de oostzijde van de loods een stuk braakliggende grond.

verplicht

Grootschalige bedrijfsmatige vormgeving

Samenvattend kan gesteld worden dat de driehoek die omsloten wordt door de Brinkweg, Zuivelweg, Prinses Irenestraat en Prinses Beatrixstraat een rommelige ruimtelijke structuur kent. Dit terwijl sprake is van een schakelfunctie tussen de historische kern en de bedrijventerreinen. Uitzondering hierop is de begeleidende woonbebouwing langs bovengenoemde wegen.

Uitgangspunten bedrijventerreinen

Voor het grootste deel van het bedrijventerrein geldt dat het beleid gericht is op het beheer van het bestaande bedrijventerrein. Daaraan kan het streven naar een hogere beeldkwaliteit in zowel bebouwing als openbare ruimte worden toegevoegd. Voor het overgangsgebied tussen Stationplein en de Brinkweg geldt dat hier mogelijkheden voor revitalisering en intensiever ruimtegebruik liggen, teneinde de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

Het beleid is er voorts op gericht voor het bedrijventerrein een bebouwingspercentage toe te passen van minimaal 60 %; eventuele afwijkingen krijgen een specifieke regeling. De afweging vindt plaats op basis van een vrijstellingsmogelijkheid. Daarnaast zijn er weliswaar verschillen in de bebouwingshoogte aanwezig, maar zal zoveel mogelijk een eenduidige hoogteregeling opgesteld worden.

Beschrijving landschappelijke schil

Dit gebied bestaat uit een, door de rondweg, afgesneden stuk Kampen en Hoevenlandschap aan de noord-west en noordzijde van Zelhem. Met name het noordoostelijk deel is doorsneden met wegen en met bebouwing van diverse aard. In dit gedeelte geven alleen al benamingen als Esweg en Kampweg aan, dat het hier om een voormalige oude ontginning gaat. Duidelijke afwijkende functie is de gemeentewerf aan de Kampweg. Het noordelijk deel bestaat voornamelijk uit weiden en akkerland.

verplicht 

Landschappelijke groene uitstraling schil

Dit gebied bevat een locatie waarvoor een concreet woningbouwplan bestaat, i.c. de hoek Orchideestraat Hummeloseweg. Hiervoor wordt een aparte planprocedure gevolgd. Voor het totale gebied wordt in onderhavig plan uitgegaan van de bestaande situatie.

Uitgangspunten landschappelijke schil

Uitgangspunt voor het beleid in dit gebied is daarom het behoud van de landschappelijke waarden en beheer van de daarin aanwezige bebouwing.

Beschrijving groengebieden

Structureel groen is, naast de hierboven beschreven landschappelijke schil, aanwezig in de vorm van een parkzone aan de rand van 't Soerlant. Ook deze zone grenst aan de rondweg. Aan de oostzijde van de kern bevindt zich een belangrijke en aanzienlijke groene wig bestaande uit functioneel groen in de vorm van de sportvelden en een ponyweide en het Pelikaansbos. De begraafplaats is in combinatie met de landschappelijke schil ook te beschouwen als groene wig aan de noordzijde. Afgezien van het al eerder genoemde tracé van de oude spoorbaan en de laanbeplanting langs de linten, komen in de kern zelf weinig structurerende groenzones voor.

verplicht 

Groene ruimte in historische kern

De overige groenvoorzieningen liggen verspreid over de kern in de vorm van kleine groenconcentraties, soms gecombineerd met speelvoorzieningen. Opvallende groenruimtes zijn allereerst de brinkvormige pleintjes bij de Markt, de Bergstraat en bij het zorgcentrum aan de Hengeloseweg. Andere bijzondere groenplekken zijn het parkje achter de bibliotheek en de vijver met bomen aan de Vincent van Goghstraat.

Uitgangspunten groengebieden

Het beleid voor de bestaande groengebieden in de kern Zelhem is gericht op behoud. De groengebieden hebben een structurerende werking in de kern, verhogen zowel de woonkwaliteit als ruimtelijke kwaliteit en voorzien in speelgelegenheid.

2.19.3 Functionele structuur     

Zelhem is in hoofdopzet een woonkern met daaraan grenzend een relatief groot bedrijventerrein. Verspreid over de kern komen voorzieningen voor die meestal gekoppeld zijn aan wijk (schoolgebouwen). Zorgcentrum De Zonnekamp aan de Magnoliaweg en de niet woonfuncties in het gebied rond de Rabobank zijn eigenlijk de enige voorzieningenconcentraties die een min of meer zelfstandige positie hebben in het dorp.

Zelhem kent een compact en gevarieerd centrumgebied met winkels, horeca en zakelijke dienstverlening aan de Markt, de Smidsstraat en de Stationsstraat met enkele kleine uitlopers naar de omliggende straten. Aan het Stationsplein is een voorzieningencluster gesitueerd met onder andere het zwembad en een cultureel centrum. Bedrijvigheid binnen de kern komt incidenteel voor en is veelal kleinschalig van aard, met uitzondering van het autobedrijf en tankstation bij de entree van het dorp aan het begin Doetinchemseweg. Vrijwel alle bedrijvigheid is geconcentreerd op het bedrijventerrein aan de zuidzijde van de kern.

De functies wonen, voorzieningen binnen de wijken, groen, recreatie, sport en bedrijventerrein zijn onder de ruimtelijke structuur behandeld en binnen de kern gefixeerd. Voor functiemenging lenen zich twee gebieden: de historische kern en de linten. Hiervoor gelden de volgende uitgangspunten.

Binnen het in de ruimtelijke structuur gedefinieerde gebied “historische kern” kan op cultuurhistorisch verantwoorde wijze functiemenging plaatsvinden. Naast wonen zijn allerlei andere functies toegestaan die passen in een dorpscentrum: detailhandel, horeca, dienstverlening, ambachtelijke bedrijven en maatschappelijke functies. De functies hoeven niet gekoppeld te zijn aan een woonfunctie. Uitgangspunt is dat de centrumfuncties niet te grootschalig worden. Ze moeten passen binnen het bestaande kleinschalige bebouwingsbeeld en geen parkeerproblemen opleveren. De vormgeving van de toegelaten centrumfuncties dient zodanig aangepast te zijn dat met name de geleding van de bouwmassa's en de gevelindeling in overeenstemming zijn met het historische woonhuiskarakter van de bebouwing.

Ook op perceelsniveau kan onder voorwaarden functiemenging gerealiseerd worden. Uitgangspunt is het behoud van het karakteristieke bebouwingsbeeld met een duidelijk onderscheid tussen een hoofdgebouw aan de straat en ondergeschikte bijgebouwen hierachter. Een combinatie van een woonfunctie en een niet-woonfunctie op één perceel is mogelijk evenals de aanwezigheid van meerdere wooneenheden op één perceel. De niet-woonfuncties als detailhandel, horeca, dienstverlening en maatschappelijke functies zijn bij voorkeur op de begane grond direct aan de straat gevestigd in de hoofdgebouwen. Ambachtelijke, kleinschalige bedrijven worden juist in de bijgebouwen achter op de percelen gesitueerd.

Binnen het gebied “linten” kan eveneens op cultuurhistorisch verantwoorde wijze een functiemenging plaatsvinden, hoewel het woonkarakter voorop staat. Hier zijn naast de woonfuncties ook kleine bedrijfjes, winkels of dienstverlening mogelijk. Hierbij gaat het uitsluitend om kleinschalige ontwikkelingen die ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Nu binnen deze linten niet dezelfde uitwisselbaarheid wenselijk is als in de historische kernen is het uitgangspunt de niet-woonfuncties binnen de linten in de bestemmingsregeling specifiek te begrenzen.

Verkeersstructuur

De oude linten zijn van oudsher de invalswegen van de kern en hebben deze functie vandaag de dag nog steeds. Groot verschil is dat het vrijwel uitsluitend gaat om bestemmingsverkeer. Het doorgaande verkeer is door de aanlag van de rondwegen (N315 en N330) uit de kern gehaald. Binnen de kern is ook nog een rondweg te herkennen in de vorm van de Brinkweg – Zevenweg – Orchideestraat. Deze verbindt weliswaar verschillende buurten aan elkaar, maar heeft geen functie als hoofdontsluiting. De overige straten binnen de kern zijn wegen met een verblijfsfunctie, overwegend in de vorm van woonstraten.

Hoofdstuk 3 Uitvoerbaarheid     

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan. Het betreft de toetsing van het beleidskader (paragraaf 3.1), omgevingsaspecten (paragraaf 3.2), volkshuisvestelijke aspecten (paragraaf 3.3), economische aspecten (paragraaf 3.4), maatschappelijke aspecten (paragraaf 3.5) en overleg en inspraak (paragraaf 3.6). Per uitvoerbaarheidsaspect wordt aangegeven in hoeverre het plan uitvoerbaar is op dat aspect. De laatste paragraaf (3.7) geeft een eindconclusie over de uitvoerbaarheid.

3.1 Toetsing aan beleidskader     

Omdat het bestemmingsplan voornamelijk een consoliderend karakter heeft en geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, raakt het het in Hoofdstuk 4 gegeven beleidskader niet direct. Daar waar wel een relatie is tussen de in dit plan gegeven planologische ruimte en het beleidskader, is het plan passend binnen het gegeven beleid.

3.2 Omgevingsaspecten     

3.2.1 Milieu     

3.2.1.1 Bodem     

Het bestemmingsplan staat geen nieuwe milieuhindergevoelige functies toe, maar legt voornamelijk de bestaande situatie vast. In het kader van dit bestemmingsplan is dan ook geen verkennend bodem- en grondwateronderzoek uitgevoerd. Bij eventuele bebouwingsuitbreidingen, welke binnen de beheerskaders van dit bestemmingsplan mogelijk zijn, wordt via de bouwverordening in het kader van de omgevingsvergunning tot bouwen zorg gedragen voor een goede bodemkwaliteit.

In onderstaande tabel worden bekende gevallen van bodemverontreiniging boven de interventiewaarde weergegeven.

deelgebied grond grondwater
Achter-Drempt - Hulsevoortseweg 1
Baak Zutphen-Emmerikseweg 103

Hofstraat 6
-
Drempt - -
Halle - Kerkstraat 2
Hengelo Beukenlaan 37

Hummeloseweg 10

Hummeloseweg 21

Regelinkstraat ong.

Spalstraat 28

Spalstraat 37
Beukenlaan 37 Hummeloseweg 10

Hummeloseweg 21

Spalstraat 28

Zelhemseweg 20-22
Hoog-Keppel Monumentenweg 24 -
Hummelo Dorpsstraat 4

Dorpsstraat 38 40

Dorpsstraat 23

Dorpsstraat 27

Dorpsstraat 30

Keppelseweg 40
Dorpsstraat 38 40

Dorpsstraat 27
Keijenborg Sint Janstraat 28

Sint Janstraat 38

Hengelosestraat 45

Hengelosestraat 47-49
-
Kranenburg - -
Laag-Keppel -

Hummeloseweg 13

Kolenweg 2

Julianalaan 9

Dorpsstraat 14a
Olburgen - Zandweide
Steenderen Dorpsstraat 11 -
Toldijk Zutphen-Emmerikseweg 33 -
Veldhoek - -
Velswijk - -
Vorden Ambachtsweg 10

Dorpsstraat 24

Industrieweg 2

Industrieweg 4

Nieuwstad 28a

Nijverheidsweg 4

Schoolstraat ong.

Zutphenseweg 30
Dorpsstraat 24

Enkweg 17

Industrieweg 2

Industrieweg 4 (en omgeving)

Zutphenseweg 30
Wichmond Dorpsstraat 20

Hackforterweg 16

Hackforterweg/ Baron van der Heydenlaan
-
Zelhem Brinkweg 5

Brinkweg 38

Dr Grashuisstraat 11

Industriepark 9

Ruurloseweg 3
Brinkweg 5

Brinkweg 38

Industriepark 9

Ruurloseweg 3

Conclusie

Het milieuaspect bodem belemmert de uitvoering van het bestemmingsplan niet.

3.2.1.2 Geluid     

De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. De wet stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Aangezien het bestemmingsplan geen nieuwe geluidsgevoelige functies of wegen toelaat, is geen akoestisch onderzoek verricht.

In het geval van bestaande situaties waar geen nieuwe functies zijn voorzien, wordt de geluidsbelasting met betrekking tot de wettelijke normen voor binnenniveaus geregeld via het Bouwbesluit. Indien derhalve een bestaande woning of een ander geluidsgevoelig object een uitbreiding wenst te realiseren, dan wordt via de omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen in een aanvaardbaar binnenniveau van het geluid voorzien.

Hengelo

In en om de kern van Hengelo zijn bedrijven en voorzieningen gelegen, welke in het bedrijfsproces geluid produceren. In de Staat van bedrijfsactiviteiten – opgenomen in de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2009) – worden voor diverse milieuaspecten, zoals geluid, een indicatieve afstand tot geluidsgevoelige objecten gegeven. Dikwijls is echter de omvang en aard van het productieproces bepalend voor de daadwerkelijke hinderafstand. Derhalve is voor de bedrijven en voorzieningen in en om het plangebied het aspect geluid ook geregeld in de voorschriften van de milieuvergunning of zijn normen van toepassing op basis van een AMvB.

In het zuidelijk plandeel ligt het gezoneerde industrieterrein Molenenk. In bijgaande afbeelding is het gezoneerde industrieterrein en de geluidszone weergegeven.

Steenderen

In en om de kern van Steenderen zijn bedrijven en voorzieningen gelegen, welke in het bedrijfsproces geluid produceren. In de Staat van bedrijfsactiviteiten – opgenomen in de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2009) – worden voor diverse milieuaspecten, zoals geluid, een indicatieve afstand tot geluidsgevoelige objecten gegeven. Dikwijls is echter de omvang en aard van het productieproces bepalend voor de daadwerkelijke hinderafstand. Derhalve is voor de bedrijven en voorzieningen in en om het plangebied het aspect geluid ook geregeld in de voorschriften van de milieuvergunning of zijn normen van toepassing op basis van een AmvB.

In het noordoostelijke plandeel ligt het gezoneerde bedrijventerrein Steenderdiek. In de bijgaande afbeelding is het bedrijventerrein en haar geluidszone weergegeven.

De geluidszone is op de verbeelding opgenomen met behulp van een algemene aanduiding, geluidszone - industrie, artikel 30 van de regels behorende bij dit plan.

Vorden

In en om de kern van Vorden zijn bedrijven en voorzieningen gelegen, welke in het bedrijfsproces geluid produceren. In de Staat van bedrijfsactiviteiten – opgenomen in de uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2009) – worden voor diverse milieuaspecten, zoals geluid, een indicatieve afstand tot geluidsgevoelige objecten gegeven. Dikwijls is echter de omvang en aard van het productieproces bepalend voor de daadwerkelijke hinderafstand. Derhalve is voor de bedrijven en voorzieningen in en om het plangebied het aspect geluid ook geregeld in de voorschriften van de milieuvergunning of zijn normen van toepassing op basis van een AmvB.

In het noordoostelijke plandeel ligt een gezoneerde bedrijf. In de bijgaande afbeelding is het gezoneerde bedrijf en haar geluidszone weergegeven.



Zelhem

In en om de kern van Zelhem zijn bedrijven en voorzieningen gelegen, welke in het bedrijfsproces geluid produceren. In de Staat van bedrijfsactiviteiten – opgenomen in de uitgave nr. 9 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (2006) – worden voor diverse milieuaspecten, zoals geluid, een indicatieve afstand tot geluidsgevoelige objecten gegeven. Dikwijls is echter de omvang en aard van het productieproces bepalend voor de daadwerkelijke hinderafstand. Derhalve is voor de bedrijven en voorzieningen in en om het plangebied het aspect geluid geregeld in de voorschriften van de milieuvergunning of zijn normen van toepassing op basis van een AmvB. Aangenomen wordt dat in de huidige situatie de geluidsnormen door de bedrijven en voorzieningen voor geluidsgevoelige objecten niet overschreden worden.

Conclusie

Het milieuaspect geluid belemmert de uitvoering van het bestemmingsplan niet. Op het onderwerp industrielawaai wordt verder nader ingegaan in de paragraaf 3.2.1.5.

3.2.1.3 Luchtkwaliteit     

De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichts bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio's waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 ug/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Zo staat een grenswaarde van 3% gelijk aan bijvoorbeeld de bouw van circa 1500 woningen met één ontsluitingsweg;

Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is significant is ten op-zichte van een etmaal. Volgens de toelichting op de 'Regeling beoordeling luchtkwaliteit' is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein.

Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming: substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden.

Zodra een ontwikkeling zich voordoet, die met een afwijking van de gebruiks- en/of bouwregels of wijziging mogelijk kan worden gemaakt, wordt op dat moment het aspect luchtkwaliteit onderzocht aan de op dat moment geldende wet- en regelgeving en normen.

Conclusie

Dit is een consoliderend bestemmingsplan dat geen grote nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt. Het plan draagt daardoor 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtverontreiniging. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.2.1.4 Externe Veiligheid     

Algemeen

Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation, en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de aanwezigheid van stationaire en mobiele bronnen in het plangebied.

Deelgebied Mobiele bronnen Stationaire bronnen
Achter-Drempt Hogedrukaardgasleidingen

A-505-KR-096, A-506-KR-096, A-511-KR-091, A-522-KR-091, A-608-KR-036
Niet aanwezig
Baak Niet aanwezig Zutphen Emmerikseweg 103, opslag gevaarlijke stoffen
Drempt Hogedrukaardgasleidingen

A-505-KR-096, A-506-KR-096, A-511-KR-091, A-522-KR-091, A-608-KR-036
Rijksweg 14, opslag consumentenvuurwerk
Halle Niet aanwezig Dorpsstraat 2, LPG-tankstation

Dorpsstraat 93, opslag consumentenvuurwerk
Hengelo Hogedrukaardgasleidingen A-523-03, N-566-08

Elderinkweg 1, opslag chloor

Elderinkweg 3, schietterrein

Molenenk 2, LPG-tankstation

Zelhemseweg 24, opslag gevaarlijke stoffen
Hoog-Keppel Niet aanwezig Monumentenweg 32, opslag chloor
Hummelo Niet aanwezig Niet aanwezig
Keijenborg Niet aanwezig Niet aanwezig
Kranenburg Hogedrukaardgasleidingen A-523, A-529 Niet aanwezig
Laag-Keppel Niet aanwezig Niet aanwezig
Olburgen Niet aanwezig Niet aanwezig
Steenderen Hogedrukaardgasleidingen A-511-07, A-511, A-522, A-662 Dr. Alfons Ariënsstraat 29, opslag ammoniak, aardappelverwerkende industrie

Prins Bernhardlaan 9, opslag chloor

Toldijkseweg 21, opslag ammoniak
Toldijk Niet aanwezig Niet aanwezig
Veldhoek Niet aanwezig Niet aanwezig
Velswijk Niet aanwezig Niet aanwezig
Vorden Niet aanwezig Handelsweg 7, opslag gevaarlijke stoffen

Industrieweg 10, opslag gevaarlijke stoffen

Nieuwstad 36, LPG-tankstation

Oude Zutphenseweg 6, boomkwekerij

Zutphenseweg 9, wapenhandel

Zutphenseweg 15, opslag consumentenvuurwerk
Wichmond Niet aanwezig Niet aanwezig
Zelhem Niet aanwezig Ambachtsweg 18, opslag gevaarlijke stoffen

Brinkweg 23, opslag ammoniak

Doetinchemseweg 53, LPG-tankstation

Stationsplein 8, opslag chloor

Stationaire bronnen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken of lpg-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij kwetsbare objecten zoals bijvoorbeeld huizen, ziekenhuizen of scholen. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is - op enkele onderdelen na - op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Vanwege het consoliderend karakter van voorliggend plan is geen sprake van nieuw te realiseren gevoelige bestemmingen (beperkt- en/of kwetsbare objecten). In het plangebied zijn geen Bevi inrichtingen aanwezig.

Mobiele bronnen

Wegen

In de Nota Vervoer gevaarlijke stoffen (2005) wordt een Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen aangekondigd, dat naar verwachting in 2013 wordt voorzien van een wettelijke basis. Op dit moment wordt het beleidskader nog gevormd door de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen en de Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen. De circulaire is een operationalisering en verduidelijking van het beleid uit de nota. Op basis van deze beleidsstukken gelden normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).

Het PR is de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer van gevaarlijke stoffen. Wat betreft het PR geldt ten opzichte van woningen (kwetsbare objecten) een grenswaarde van 10-6 per jaar. Het GR is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute.

Het GR geeft de aandachtspunten op een transportroute aan waar zich mogelijk een ramp met veel slachtoffers kan voordoen en houdt daarmee rekening met de aard en dichtheid van de bebouwing in de nabijheid van de transportroute. Wat betreft het GR is de oriëntatiewaarde bij het vervoer van gevaarlijke stoffen per transportsegment gemeten per kilometer per jaar:

10-4 voor een ongeval met ten minste 10 dodelijke slachtoffers;

10-6 voor een ongeval met ten minste 100 dodelijke slachtoffers;

10-8 voor een ongeval met ten minste 1.000 dodelijke slachtoffers.

Voor onderhavig plan is de routering gevaarlijke stoffen verder niet van belang, omdat voorliggend plan consoliderend van aard is. Voor de plaatselijke bevoorrading per weg wordt met jaarlijkse ontheffingen gewerkt. Verder zijn er geen relevante spoorlijnen aanwezig in het plangebied. Dit aspect is dan ook niet nader beoordeeld.

Buisleidingen

In bovenstaande tabel is te zien dat in (de omgeving van) Achter-Drempt en Drempt hogedrukaardgasleidingen aanwezig zijn. Voor ruimtelijke plannen waarin hogedrukaardgasleidingen met een externe veiligheidscontour zijn opgenomen of plannen voor gebieden in de omgeving van hogedrukaardgasleidingen is sinds 1 januari 2011 het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van dit besluit dienen plannen te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriënterende waarde voor het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Deze kans mag volgens het Bevb 10-6 zijn, dat wil zeggen de kans op een dodelijk slachtoffer door een ongeval met gevaarlijke stof mag maximaal één op de miljoen per jaar zijn. Deze PR wordt weergegeven met een risicocontour rondom de aardgasleiding. Binnen deze risicocontour mogen geen kwetsbare objecten (woning, ziekenhuis, recreatieterrein, school en andere gebouwen waar grote aantallen personen een groot deel van de dag aanwezig zijn) worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten (verspreid liggende woningen, kleine kantoren, kleine hotels en restaurants, lintbebouwing) geldt deze waarde als een richtwaarde. Van deze richtwaarde kan gemotiveerd worden afgeweken indien sprake is van een bijzonder planologisch, economisch of maatschappelijk belang.

Het GR voor buisleidingen is gedefinieerd als de kans per jaar en per kilometer transportleiding dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportleiding in een keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval met die transportleiding. Het GR kan worden uitgedrukt in een logaritmische grafiek, de FN-curve. Voor de toetsing van het GR geldt geen wettelijke norm, maar een oriënterende waarde. Met het GR wordt invulling gegeven aan het idee dat niet alleen de kans op een ongeval een rol speelt bij de beoordeling van risico's (deze wordt uitgedrukt door het PR), maar ook de effecten en eventuele maatschappij ontwrichtende gevolgen daarvan. Voor het GR geldt een verantwoordingsplicht indien er kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van de buisleiding liggen. In het geval van buisleidingen is dat het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is.

Binnen de 10-6 contour (plaatsgebondenrisico) liggen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. Binnen het invloedsgebied van het groepsrisico bevinden zich wel kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. In de kernen worden planologische gezien geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het groepsrisico niet zal toenemen.

Conclusie

Voorliggend plan heeft een beheersgericht karakter en maakt geen nieuwe bouwtitels nabij genoemde stationaire en mobiele bronnen mogelijk. Daarnaast worden ook geen nieuwe bronnen toegestaan. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan.

3.2.1.5 Bedrijven en milieuzonering     

Een doel van de ruimtelijke ordening en het milieubeleid is het handhaven en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. In een bestemmingsplan wordt daarom onder andere ingezet op de milieuzonering van bedrijfsfuncties. Dit betreft het verantwoord vastleggen van de milieuhygiënische situatie in het plangebied. Het gaat erom dat voldoende ruimtelijke scheiding is tussen enerzijds milieubelastende inrichtingen en bedrijven en anderzijds milieugevoelige functies als wonen.

Bij de milieuzonering wordt gebruikt gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'. Een kwalificatie van de bedrijfsfuncties in het plangebied vindt plaats op basis van de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in voornoemde VNG-uitgave. Per milieuaspect (geur, stof, geluid, gevaar, lucht-, water- en bodemverontreiniging, verkeersaantrekkende werking en visuele hinder) is in deze brochure voor bedrijven een afstand genoemd, welke tot de dichtstbijzijnde milieugevoelige bebouwing in beginsel in acht moet worden genomen. Zonering op basis van de VNG-methode gebeurt aan de hand van een categorie-indeling. Bedrijven zijn in categorieën ingedeeld, waarbij de categorie is gekoppeld aan een afstand die aangehouden dient te worden tot gevoelige functies. Bepalend is de afstand van het meest hinderlijke milieuaspect, hetgeen resulteert in de zogenaamde 'grootste afstand'. De grootste afstand is de afstand, die tenminste in acht dient te worden genomen ten opzichte van gevoelige functies zoals bijvoorbeeld een rustige woonwijk. Wordt niet voldaan aan de grootste afstanden dan dient te worden afgewogen in hoeverre de functies passend zijn ten opzichte van elkaar. Uit specifiek milieuonderzoek in het kader van een eventuele Wabo-vergunning voor het onderdeel milieu kan blijken dat de grootste afstand voor het betreffende bedrijf kleiner is dan op basis van de VNG-lijst is aangegeven, bijvoorbeeld door de omvang en/of aard van de activiteiten en/of technische vooruitgang.

De indicatieve richtafstanden kunnen op basis van een gebiedskwalificatie, waarbij sprake is van een functiemenging, worden gereduceerd. Dit betreft het zogenaamde gemengde gebied.

Plangebied

In het plangebied komen in de verschillende kernen bedrijven voor. Een overzicht van deze bedrijven en hun milieucategorie is opgenomen in een bijlage bij de regels. Voor de bestaande bedrijven en tevens gevoelige functies in het plangebied geldt dat de onderlinge afstanden tussen de bestaande functies niet met dit bestemmingsplan worden gewijzigd. Het bestemmingsplan voorziet niet in nieuwe mogelijkheden voor bedrijven. De bestaande bedrijven in het plangebied zijn op basis van het geldende planologisch regime reeds toegestaan. Deze bedrijven zijn planologisch ingepast in onderhavig bestemmingsplan waarbij de planologische mogelijkheden zijn gebaseerd op de bestaande milieucategorie. Voor deze bestaande bedrijven is de milieuhinder op gevoelige functies geregeld via de omgevingsvergunning of een melding op grond van het Activiteitenbesluit. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die de bedrijven kunnen beperken in de ontwikkelingsmogelijkheden.

Conclusie

De bestaande bedrijven in de kern behoren tot milieucategorieën 1 tot en met 4. De mate van hinder geproduceerd door deze bedrijven is vastgelegd in een omgevingsvergunning of een melding. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt hiermee geen belemmering voor de haalbaarheid van voorliggend plan.

3.2.1.6 Geur     

Voor agrarische bedrijven is het agrarische bouwblok in combinatie met hun veehouderijactiviteiten bepalend voor de afstand tot milieugevoelige functies. Afhankelijk van de aard en omvang van het agrarische bedrijf wordt de afstand bepaald door een AmvB of indien voor bedrijfsvoering noodzakelijk, een milieuvergunning. In de Wet geurhinder en veehouderij zijn odour units per m3 opgenomen voor geurgegvoelige objecten binnen de bebouwde kom. De gemeente Bronckhorst is opgenomen in het concentratiegebied I, (oost), wat inhoudt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten niet meer dan 3,0 ouE/m3 mogen bedragen. De gemeente heeft geen geurbeleid.

Conclusie

Het milieuaspect geur belemmert de uitvoering van het bestemmingsplan niet.

3.2.2 Waterhuishouding     

Onderhavig bestemmingsplan betreft een consoliderend bestemmingsplan en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Met dit bestemmingsplan vinden dan ook geen wijzigingen plaats in de waterhuishouding.

Conclusie

Het aspect van waterhuishouding belemmert de uitvoering van het bestemmingsplan niet.

3.2.3 Archeologie en cultuurhistorie     

3.2.3.1 Archeologie     

Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien sprake is van een archeologische trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd.

In artikel 5 van het Verdrag van Valletta (Malta) wordt gewezen op de noodzaak van een vroegtijdige interactie tussen plannenmakers en archeologen bij het voorbereiden en ontwikkelen van plannen. Alleen zo kan het gemeentelijk bodemarchief op een juiste wijze bij de belangenafweging worden meegenomen. De archeologische beleidsadvieskaart dient als onderlegger voor deze interactie. Er gaat een signaalfunctie van uit en er wordt in het kort op aangegeven wat de te ondernemen stappen zijn.

De gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart van Bronckhorst geeft inzicht in de bekende en te verwachten archeologische waarden binnen het plangebied.



Archeologisch waardevol gebied (AWG)

De bekende archeologische vindplaatsen worden op de beleidskaart aangeduid als archeologisch waardevol gebied (AWG). Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:

  • AMK-terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd (beschermd archeologisch monument) of gebouwd Rijksmonument (AWG categorie 1)
  • AMK –terrein van (hoge) archeologisch waarde (archeologisch monument; AWG categorie 2)
  • Bekende archeologische vindplaats (AWG categorie 3)
  • Historische dorpskern of gemeentelijk gebouwd monument (AWG categorie 4)



Rijksmonumenten (AWG categorie 1)

Hieronder vallen de gebouwde rijksmonumenten. Niet alleen zijn de monumenten zelf van historische waarde, ook valt te verwachten dat rondom deze monumenten waardevolle archeologische resten in de grond zitten die verband houden met het monumenten. Rondom deze monumenten is daarom een zone van 50 m ingesteld waarbinnen een hoge verwachting geldt met bijbehorende restricties.

Terreinen van (zeer hoge of hoge) archeologische waarde (AWG categorie 2)

Het gaat hierbij in principe om gewaardeerde archeologische vindplaatsen waarin de aanwezigheid, de aard, datering en de omvang van de archeologische resten (tot op zekere hoogte) bekend zijn.



Bekende archeologische vindplaatsen (AWG categorie 3)

Het merendeel van de bekende archeologische vindplaatsen in de gemeente Bronckhorst zijn zogenaamde 'terreinen zonder status'. Dit wil zeggen dat het terrein niet is opgenomen op de Archeologische Monumentenkaart Gelderland, omdat het over het algemeen niet-gewaardeerde vindplaatsen zijn. De conservering, de omvang en de aard van de archeologische resten zijn niet of slechts ten dele bekend. Bij gebrek aan een begrenzing van de vindplaats is een attentiezone van 50 m rondom de centrumcoördinaat gehanteerd als zone waarbinnen een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van archeologische resten.



Historische structuren en gemeentelijke monumenten (AWV categorie 4)

Op basis van historisch kaartmateriaal en andere bronnen is het duidelijk dat in deze gebieden in de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd sprake was van bebouwing.



Archeologisch waardevolle verwachtingsgebied (AWV)

Op basis van archeologische kennis en fysieke kenmerken van het landschap zijn 5 verwachtingsgebieden onderscheiden waarin sprake is van verschillen in de verwachte dichtheid waarin archeologische resten voorkomen. Deze gebieden zijn relevant in het buitengebied en in delen van de bebouwde kom buiten de historische kernen. In tegenstelling tot de terreinen van archeologische waarde is in deze gebieden de dichtheid aan, en de ligging, omvang en conservering van terreinen met archeologische resten slechts in grote lijnen bekend.

De verwachtingsgebieden worden op de beleidsadvieskaart aangeduid als archeologisch waardevol verwachtingsgebied (AWV). Er is een onderscheid in de mate van verwachting (hoog, middelmatig en laag) aangebracht. De volgend categorieën AWV worden onderscheiden:

  • Geomorfologische eenheden met een plaggendek, gebieden met een hoge archeologische verwachting, (AWV categorie 5)
  • Overige gebieden met een hoge archeologische verwachting (AWV categorie 6)
  • Gebieden met een hoge archeologische verwachting (AWV categorie 7)
  • Gebieden met een middelmatige archeologische verwachting (AWV categorie 8)
  • Gebieden met een lage verwachting voor nederzettingsresten, maar met een verhoogde kans op archeologische off-site resten (AWV categorie 9)



Gebieden met een hoge archeologische verwachting (AWV categorie 5)

Binnen de gemeente Bronckhorst is een onderscheid gemaakt tussen 3 zones met een hoge archeologische verwachting. Onder AWV5 zijn alle landschappelijke eenheden met een plaggendek weergegeven. Voor gebieden met plaggendek geldt een licht verhoogde kans op het voorkomen van archeologische resten. Gebieden waar plaggendekken voorkomen, waren waarschijnlijk ook in de Prehistorie al aantrekkelijke vestigingslocaties. Mogelijk aanwezige archeologische resten zijn door het plaggendek goed afgedekt en hierdoor (mogelijk) goed beschermd.

In gebieden met een hoge archeologische verwachting wordt de hoogste dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht. Ingrepen die kunnen leiden tot verstoring of vernietiging van de archeologische resten binnen deze terreinen dienen te worden voorkomen. Bij ingrepen die dieper dan 40 cm -mv en groter dan 100 m2 zijn is een archeologisch onderzoek verplicht.



Gebieden met een hoge archeologische verwachting (AWV categorie 6 en 7)

Gebieden waar stuifzand voorkomt, waren waarschijnlijk ook in de Prehistorie al aantrekkelijke vestigingslocaties. De conserveringsgraad van archeologische resten in deze gebieden is sterk afhankelijk van de aard van het stuifzand (opgestoven, afgestoven of verstoven). Afhankelijk hiervan zijn eventuele archeologische resten mogelijk overdekt door stuifzand en daardoor goed geconserveerd, of uitgestoven en daardoor verstoord. AWV 6 betreft alle overige landschappelijke eenheden waarvoor een hoge verwachting geldt.



Gebieden met een middelmatige archeologische verwachting (AWV categorie 8)

In gebieden met een middelmatige archeologische verwachting wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge archeologische verwachting.

Gebieden met een lage verwachting archeologische verwachting (AWV categorie 9)

In gebieden met een lage archeologische verwachting wordt een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen verwacht dan in gebieden met een hoge en middelmatige archeologische verwachting.



Overige vlakken

Behalve AWG's en AWV's zijn de volgende vlakken op de beleidsadvieskaart opgenomen:

  • Onderzoeksmeldingen (reeds archeologisch onderzochte gebieden)
  • Bodemverstoringen



Vertaling archeologische waarden- en verwachtingskaart naar juridisch-planologische regeling

In dit bestemmingsplan zijn de zones afhankelijk van de bekende en verwachtingswaarde voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Afhankelijk van de waarde moeten bij bepaalde ingrepen archeologisch onderzoek plaatsvinden. In paragraaf 5.3.2.19 wordt nader ingegaan op de vertaling van het archeologiebeleid in dit bestemmingsplan.

3.2.3.2 Cultuurhistorie     

Voor de Rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten van Bronkhorst, Hummelo en Laag Keppel is in dit bestemmingsplan een beschermende regeling getroffen om zodoende 'de karakteristieke met de historie samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de verdere ontwikkeling'. Voor de gebieden geldt de bestemming 'Waarde – Beschermd stadsgezicht' en 'Waarde – Beschermd dorpsgezicht' waarmee de aangewezen gronden mede bestemd zijn voor het behoud en herstel van karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteiten van het beschermd dorpsgezicht. Daarnaast worden in de bestemmingen binnen de beschermde gezichten nadere stedenbouwkundige regels gesteld. Voor het overige raakt het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle aspecten die in de Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst zijn genoemd (zie paragraaf 4.4.7).

3.2.3.3 Conclusie     

Omdat voorliggend bestemmingsplan een consoliderend karakter heeft en dus niet wordt voorzien in ontwikkelingen waarvoor de grond wordt geroerd, is een archeologisch onderzoek in de regel niet noodzakelijk. Om de gronden met mogelijk aanwezige archeologische waarden te beschermen is in dit bestemmingsplan een beschermende regeling opgenomen. Daarnaast worden de cultuurhistorische waarden van de beschermde gezichten van Bronkhorst, Hummelo en Laag Keppel in dit bestemmingsplan planologisch beschermd. Hiermee vormen archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van onderhavig bestemmingsplan.

3.2.4 Flora en fauna     

3.2.4.1 Gebiedsbescherming     

Natuurbeschermingswet 1998

Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998. Hierin zijn de al bestaande staatsnatuurmonumenten ook opgenomen. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. De acht kleine kernen die onderdeel uitmaken van het plangebied liggen niet in een gebied dat is aangewezen in het kader van de Natuurbeschermingswet. Het dichtstbijzijnde beschermde gebied is het Natura 2000-gebied ''Uiterwaarden IJssel''. Dit gebied ligt op ongeveer 200 meter afstand van de kern Olburgen. De overige kernen liggen op minimaal 1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied. Omdat deze afstand groot is en geen activiteiten of functies anders dan de al bestaande worden toegestaan, zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Bij nieuwe ontwikkelingen dient te zijner tijd een beoordeling plaats te vinden of mogelijk effecten optreden.

Groene natuurnetwerk

Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit de aanwijzing van een gebied in het kader van het Groene natuurnetwerk (GNN). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen en kernkwaliteiten. Anders dan bij Natura 2000-gebieden en soortbescherming is de status van het GNN niet verankerd in de natuurwetgeving, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Een aantal van de kernen in het plangebied grenst aan het GNN. Omdat het om de actualisering van een bestemmingsplan gaat, en er dus geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, zijn geen negatieve effecten te verwachten op het GNN. Toekomstige activiteiten in of rondom bovengenoemde zes kernen kunnen wel een negatief effect hebben. Als er ruimtelijke ontwikkelingen worden uitgevoerd, dient voorafgaand aan de ingrepen een beoordeling plaats te vinden van de mogelijke effecten op het GNN.

3.2.4.2 Soortenbescherming     

Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Flora- en faunawet bepalend. Deze wet is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Flora- en faunawet. Voor aantasting van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen van) leefgebieden van strikt beschermde soorten, is ontheffing ex. Artikel 75 van de Flora- en faunawet nodig van het ministerie van Economie, Landbouw en Innovatie. Op basis van beschikbare verspreidingsgegevens, habitateisen en de in het plangebied aanwezige habitats is een inschatting gemaakt van mogelijk aanwezige strikt beschermde soorten. Aangezien het bestemmingsplan een groot gebied omvat en er dus ook veel verschillende habitats binnen dit plangebied vallen, zijn alle soortgroepen mogelijk aanwezig. Strikt beschermde vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, amfibieën, reptielen, vissen en insecten zijn bij voorbaat niet uit te sluiten in het plangebied en de directe omgeving. Aangezien sprake is van een consoliderend bestemmingsplan, waarin alleen bestaande functies en bebouwing planologisch worden vastgelegd, is geen sprake van directe aantasting van vaste rust- of verblijfplaatsen van strikt beschermde soorten. Indien sloop of nieuw te ontwikkelen activiteiten of functies worden gerealiseerd, moet een herbeoordeling plaatsvinden.

3.2.4.3 Conclusie     

Voorliggend plan betreft een consoliderend bestemmingsplan en maakt daarom geen nieuwe initiatieven mogelijk, maar legt alleen de bestaande bebouwing en functies planologisch vast. Aangezien geen sprake is van ruimtelijke ontwikkelingen zijn negatieve effecten op beschermde gebieden en eventueel voorkomende strikt beschermde soorten niet te verwachten. Vanuit ecologisch oogpunt zijn er daarom geen beperkingen voor de uitvoering van het plan.

3.2.5 Leidingen     

In Achter-Drempt, Hengelo, Kranenburg, Steenderen en Voor-Drempt zijn hogedrukaardgasleiding aanwezig. De leidingen worden in dit bestemmingsplan opgenomen met een dubbelbestemming. In Hoog-Keppel, Hummelo, Voor-Dremp en Zelhem liggen tevens rioolpersleidingen van het Waterschap Rijn en IJssel. Ook de persleidingen zijn in dit bestemmingsplan voorzien van een dubbelbestemming. Met deze dubbelbestemmingen zijn de leidingen voorzien van een passende bescherming.

3.2.6 Duurzaamheid     

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt de Gelderse Duurzaamheidsladder gehanteerd. Onderhavig bestemmingsplan betreft een consoliderend bestemmingsplan en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De duurzaamheidsladder is daarom niet van toepassing.

3.3 Volkshuisvesting     

In paragraaf 4.4.3 van deze plantoelichting is het gemeentelijke woonbeleid beschreven. Daar wordt aangegeven dat door bevolkingskrimp de woningbouwprogramma's in de regio Achterhoek sterk onder druk staan. Voor Bronckhorst betekent de regionale verdeling dat er fors geschrapt moest en nog steeds moet worden in de eerder voorziene plannen en aantallen nieuw te bouwen woningen. Een groot deel van de geplande woningen is al in aanbouw, dan wel staat in de startblokken. De beperkte mogelijkheden voor nieuwbouw hebben ook consequenties voor het ruimtelijk beleid. Zo zal er verder geschrapt moeten worden in de woningbouwplannen. Ook in al bestaande capaciteit, variërend van grotere plannen tot mogelijkheden op perceelsniveau. Niet-benutte bouwvergunningen worden ingetrokken en niet-benutte woningbouwmogelijkheden zullen in de bestemmingsplannen worden wegbestemd.

In voorliggend plan is rekening gehouden met deze ontwikkeling. In de voorgaande actualisatieplannen en herzieningen zijn woningbouwmogelijkheden reeds ingeperkt. In voorliggend plan wordt deze lijn doorgezet. Zo was het in voorgaande plannen in de bestemming 'Centrum' mogelijk om per bouwperceel een (boven)woning te realiseren. In voorliggend plan is dit beperkt tot het aantal bestaande woningen. Ook binnen wonen mag het bestaand aantal woningen niet worden vermeerderd. Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken (zie paragraaf 5.3.2.17) fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, biedt het plan daarvoor geen planologische ruimte. Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is dit op de betreffende locaties aangeduid. Door deze aanpak conflicteert het plan niet met het woonbeleid.

3.4 Economisch     

Voorliggend plan is een actualisatieplan dat voornamelijk een consoliderend karakter heeft. Het plan voorziet niet in nieuwe ontwikkelingen die niet reeds in een ander planologisch besluit, zoals een bestemmingsplan of omgevingsvergunning, zijn mogelijk gemaakt. Verruiming van planologische mogelijkheden ten gevolge van bijvoorbeeld deregulering hebben een generiek karakter. Daardoor geldt de verruiming in algemene zin en niet specifiek voor bepaalde locaties. Hoewel het plan ten gevolge van regionaal en gemeentelijk woonbeleid vigerende woningbouwmogelijkheden beperkt zijn daardoor geen toewijsbare planschadeverzoeken te verwachten. Reeds in november 2011 is openbaar bekendgemaakt dat door 'bevolkingskrimp' het gemeentelijke woonprogramma naar beneden is bijgesteld en dat in toekomstige plannen vigerende bouwmogelijkheden worden 'wegbestemd'. Daarmee is voorzienbaarheid gecreëerd. Er zijn dan ook geen financiële consequenties verbonden aan voorliggend plan.

3.5 Maatschappelijk     

Een actueel, helder en overzichtelijk bestemmingsplan vormt de basis voor een geloofwaardig ruimtelijk beleid. Met een actueel plan en een goede handhaving van het hierin vastgelegde beleid kunnen de kwaliteiten van het gebied worden beschermd en ruimtelijke ontwikkelingen beter worden gestuurd. Zowel burgers als de uitvoeringsambtenaar moeten snel inzicht krijgen in wat er wel of niet in bepaalde omstandigheden is toegestaan.

Een nieuw bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om een nulsituatie vast te leggen met betrekking tot de aanwezige gebouwen en het gebruik van de gronden. Hiertoe heeft een inventarisatie plaatsgevonden aan de hand van verleende milieu- en bouwvergunningen, meldingen en luchtfoto's.

Ook draagvlak is van essentieel belang voor de handhaving. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is/wordt gezocht naar een breed maatschappelijk draagvlak. Het nieuwe ruimtelijk beleid is daartoe reeds meerdere malen onderwerp van overleg geweest met een klankbordgroep waarin vertegenwoordigers van diverse betrokken maatschappelijke organisaties zitting hebben. Verder krijgen burgers en overige belanghebbenden uitgebreid de gelegenheid om in het kader van de inspraakprocedure invloed uit te oefenen op de inhoud van het plan.

3.6 Overleg en inspraak     

3.6.1 Overleg     

Ten behoeve van de voorbereiding van dit bestemmingsplan is de klankbordgroep Stedelijk gebied ingesteld. In deze klankbordgroep hebben vertegenwoordigers uit de kernen, zoals dorpsbelangenorganisaties (dbo's), Waterschap Rijn en IJssel, Kamer van Koophandel, lokale bedrijfs- en ondernemersorganisaties en de wooncorporaties zitting. Voor het plandeel Stad Bronkhorst hebben tevens de indieners van het burgerinitiatief Bronkhorst, dat in 2014 in de raad is behandeld, zitting in de klankborgroep. De Provincie Gelderland en de Rijksdiensten hebben aangegeven geen zitting te zullen nemen maar als er provinciale en rijksbelangen zijn, zij op de gebruikelijke wijze het plan in het kader van overleg willen ontvangen. Uitzondering daarop is de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed die wel zitting heeft ten aanzien van het plandeel Stad Bronkhorst. Op 24 juli 2014 is de Nota van wijzigingen (zie paragraaf 1.3) met de klankbordgroep Stedelijk gebied besproken.

Met de Rijksdienst is op 4 december 2014 overleg gevoerd over enkele vraagstukken ten aanzien van het stadje Bronkhorst in relatie tot het daar geldende beschermde stadsgezicht.

Het bestemmingsplan Bronkhorst 2004 moest als enige plan voor stedelijk gebied nog worden geactualiseerd en gedigitaliseerd (zie ook paragraaf 1.1). Ook behoeft dat plandeel vanwege het sterk historische karakter extra aandacht. Daarom is voorafgaand aan de officiële bestemmingsplanprocedure het voorontwerp voor dit plandeel op 11 maart 2015 besproken met de Belangengroep Stad Bronkhorst, de indieners van het burgerinitiatief Bronkhorst en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Gelijktijdig is het voorontwerp voor overleg aangeboden aan de Rijksdienst. De indieners van het burgerinitiatief en de Rijksdienst hebben een reactie gegeven op het plan. In de als Bijlage 8 bij de toelichting van dit plan gevoegde Inspraak- en overlegnotitie plandeel Stad Bronkhorst zijn de reacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke beantwoording. Daarbij is aangegeven in hoeverre de reacties hebben geleid tot aanpassing van het ontwerp ten opzichte van het voorontwerp.

Na afloop van deze eerste fase van vooroverleg is het ontwerpplan Stedelijk gebied Bronckhorst (dat betrekking heeft op alle kernen van de gemeente, voorafgaand aan de terinzagelegging voorgelegd aan Waterschap Rijn en IJssel en de Provincie Gelderland en besproken in de klankborgroep Stedelijk gebied.

[PM overlegreacties]

3.6.2 Inspraak     

Het bestemmingsplan Bronkhorst 2004 moest als enige plan voor stedelijk gebied nog worden geactualiseerd en gedigitaliseerd (zie ook paragraaf 1.1). Ook behoeft dat plandeel vanwege het sterk historische karakter extra aandacht. Daarom heeft voorafgaand aan de officiële bestemmingsplanprocedure het voorontwerp voor dit plandeel een publieke consultatie plaatsgevonden. Op 17 juli 2014 is er een inloopbijeenkomst geweest in Bronkhorst. Tijdens deze bijeenkomst en de twee weken daarna konden inwoners en belanghebbenden hun visie geven op het geldende bestemmingsplan Bronkhorst 2004. Er zijn 16 reacties ingediend. In de als Bijlage 7 bij de toelichting van dit plan gevoegde Reactienota Bronkhorst 2004 zijn de reacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke beantwoording. Daarbij is aangegeven in hoeverre de reacties hebben geleid tot aanpassing van het voorontwerp ten opzichte van het bestemmingsplan Bronkhorst 2004. Naast reacties op bestemmingsplanaspecten waren er ook reacties op aspecten die niet in een bestemmingsplan worden geregeld. In deze reactienota is ook ingegaan die reacties. Deze zijn echter niet verder bij het bestemmingsplan betrokken.

Het voorontwerpbestemmingsplan voor plandeel Stad Bronkhorst heeft van 12 maart t/m 1 april 2015 als voorontwerp voor inspraak ter inzage gelegen. Er zijn 8 inspraakreacties ingediend. In de als Bijlage 8 bij de toelichting van dit plan gevoegde Inspraak- en overlegnotitie plandeel Stad Bronkhorst zijn de reacties samengevat en voorzien van een gemeentelijke beantwoording. Daarbij is aangegeven in hoeverre de reacties hebben geleid tot aanpassing van het ontwerp ten opzichte van het voorontwerp. Naast reacties op bestemmingsplanaspecten waren er ook reacties op aspecten die niet in een bestemmingsplan worden geregeld. In deze notitie is niet verder ingegaan op die inspraakreacties. Deze zijn dan ook niet bij het bestemmingsplan betrokken.

3.7 Conclusie     

Gelet op het voorgaande in dit hoofdstuk kan worden gesteld dat, gelet op het consoliderende karakter van het plan, er geen aspecten zijn die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan.

Hoofdstuk 4 Beleidskader     

In dit hoofdstuk wordt het algemene ruimtelijke beleidskader weergegeven. De paragrafen bevatten samenvattingen van het rijksbeleid (paragraaf 4.1), provinciaal beleid (paragraaf 4.2), regionaal beleid (paragraaf 4.3) en gemeentelijk beleid (paragraaf 4.4).

4.1 Rijksbeleid     

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte     

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. De SVIR vervangt de Nota Ruimte, de Structuurvisie Randstad 2040, de Nota Mobiliteit, de MobiliteitsAanpak en de Structuurvisie voor de Snelwegomgeving. Tevens vervangt het de ruimtelijke doelen en uitspraken in de PKB Tweede structuurschema Militaire terreinen, de agenda landschap, de agenda Vitaal Platteland en Pieken in de Delta. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Wel zijn er 13 nationale belangen opgenomen in de SVIR, die nader zijn uitgewerkt in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening     

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van nationale en provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen.

Het Barro is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van ronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Ecologische Hoofdstructuur (EHS)

Volgens artikel 2.10 van het Barro worden bij provinciale verordening de gebieden aangewezen die de ecologische hoofdstructuur vormen alsmede de wezenlijke kenmerken hiervan. Bij provinciale verordening worden regels gesteld die bewerkstelligen dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een gebied behorende tot de ecologische hoofdstructuur en een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan wordt afgeweken geen activiteiten mogelijk maken ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van de verordening geldende bestemmingsplan, die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden, tenzij:

  1. er sprake is van een groot openbaar belang,
  2. er geen reële alternatieven zijn, en
  3. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

Daarnaast biedt het Barro de mogelijkheid de begrenzing te wijzigen:

  1. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van de ecologische hoofdstructuur, voor zover:
    1. de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur worden behouden, en
    2. de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur ten minste gelijk blijft;
  2. ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover:
    1. de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van de ecologische hoofdstructuur beperkt is,
    2. de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur, of een vergroting van de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur, en
    3. de oppervlakte van de ecologische hoofdstructuur ten minste gelijk blijft;
  3. ten behoeve van de toepassing van de krachtens artikel 2.10.4, eerste lid, gestelde regels.

De uitwerking in de provinciale Omgevingsvisie van Gelderland wordt toegelicht in paragraaf 4.2.1.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd en ook in het Barro opgenomen. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 2). Dit artikel bepaalt dat een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies gebaseerd dient te zijn op een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en op een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en om overprogrammering op regionaal niveau te voorkomen. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd.

De ladder bestaat uit drie treden (de 3 B's):

  1. Behoefte: voorziet de voorgenomen stedelijke ontwikkeling in een actuele regionale behoefte waarin nog niet elders in de regio is voorzien? Het kan zowel om een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte gaan.
  2. Binnen- of buitenstedelijk: indien er sprake is van een actuele regionale behoefte, dan moet worden beoordeeld of deze in bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden gerealiseerd, eventueel door benutting van beschikbare gronden, herontwikkeling of transformatie van bestaande locaties.
  3. Bereikbaarheid met meerdere modaliteiten: indien gekozen moet worden voor een locatie buiten het stedelijke gebied, dan gaat de voorkeur uit naar een plek die (in de toekomst) bereikbaar is via verschillende vervoerswijzen.

verplicht

Afbeelding - Ladder duurzame verstedelijking

In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: “bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.”

Het beter benutten van het bestaand stedelijk gebied kent randvoorwaarden en een concurrerende ruimtevraag die wordt opgelost door maatwerk te bieden binnen de kaders die wet- en regelgeving stellen. Uitgangspunt hierbij is een goede ruimtelijke ordening gericht op een duurzame ruimtelijke kwaliteit. Met de huidige maatschappelijke opgaven op o.a. het gebied van klimaat en energie is het duidelijk dat er meerdere claims liggen op de ruimte binnen bestaand stedelijk gebied. Deze claims moeten onderling afgewogen worden om tot zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame ruimtelijke kwaliteit te komen. Het transparant en helder motiveren is de essentie van het werken aan een duurzame verstedelijking.

4.1.3 Nationaal Waterplan     

Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015, inclusief alle tussentijdse wijzigingen.

Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021 en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid, met een vooruitblik richting 2050. Met dit waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van het watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het streven is gericht op een integrale benadering, door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie (inclusief verdienvermogen) zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in het NWP2 dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland.

In het NWP2 staan de volgende ambities centraal:

  • Nederland blijft de veiligste delta in de wereld;
  • Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater;
  • Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht;
  • Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement;
  • Nederlanders leven waterbewust.

Belangrijke onderdelen van dit plan zijn:

  • rijksbeleid dat voortvloeit uit de deltabeslissingen (waterveiligheid, zoetwatervoorziening en ruimtelijke adaptatie);
  • Beleidsnota Noordzee 2016-2021, waarmee het beleid voor doorvaart en medegebruik in windparken op zee onder voorwaarden is vastgesteld;
  • Stroomgebiedbeheerplannen en Maatregelenprogramma's voor de Eems, Maas, Rijn en Schelde 2016-2021, met de beschrijving van de watersystemen, doelen en maatregelen;
  • verankering van afspraken die betrekking hebben op water vanuit energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet (Internationale Waterambitie) en bestuurlijke verhoudingen (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, Bestuursakkoord Water en Deltaprogramma);
  • het voldoen aan de Europese eisen voor waterkwaliteit, overstromingsrisico's en het marine milieu door geactualiseerde plannen en maatregelenprogramma's op te nemen.

Voor het NWP2 is een milieueffectrapport opgesteld. Daarin is ook een passende beoordeling vanuit Natura 2000 opgenomen.

Gelijktijdig met de vaststelling van het NWP2 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer.

4.1.4 Waterbeleid van de 21e eeuw     

De kern van het Waterbeleid 21e eeuw is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. Het water de ruimte geven betekent dat in het landschap en in de stad ruimte gemaakt wordt om water op te slaan. Daarmee worden problemen in andere, lager gelegen gebieden voorkomen.

Het Waterbeleid 21e eeuw breekt met de traditie van zoveel mogelijk pompen en zo snel mogelijk lozen. De waterbeheerders hebben samen gekozen voor een drietrapsstrategie, die uitgaat van het principe dat een overvloed aan water wordt opgevangen waar deze ontstaat. Dat betekent dat het water niet meer zo snel mogelijk afgevoerd wordt, maar dat het water zolang mogelijk wordt vastgehouden onder andere in de bodem. Is vasthouden niet meer mogelijk, dan bergen de waterbeheerders het in gebieden die daarvoor zijn uitgekozen. Door het water zo lang mogelijk vast te houden wordt tevens verdroging voorkomen De strategie vasthouden, bergen, afvoeren betekent ook dat het water meer dan nu de kans krijgt om langzaam in de grond te zakken. Zo bestrijden we het watertekort. Pas als het niet anders kan, wordt het water afgevoerd.

In het kader van het actualiseren van bestemmingsplannen betekent dit dat het aanbeveling verdient om ook in het bestaand stedelijk gebied ruimte te reserveren voor waterberging; bijvoorbeeld door deze mogelijkheid toe te voegen aan een bestemming 'Groen'.

4.1.5 Externe veiligheid     

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transport (weg, spoor, water en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans om te overlijden op een bepaalde plaats ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR is op de kaart van het gebied weer te geven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk grenswaarde fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten komen.

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR is weer te gegeven in de fN-curve: een grafiek waar de kans (f) is afgezet tegen het aantal slachtoffers (N). Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. De 1% letaliteitgrens vormt doorgaans de grens van het invloedsgebied (tenzij anders bepaald). Dit is de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen.

Op inrichtingen en transport is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Dit wordt in de navolgende paragrafen nader toegelicht.

4.1.5.1 Besluit externe veiligheid Inrichtingen     

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is op 27 oktober 2004 van kracht geworden en regelt hoe een gemeente of provincie moet omgaan met risico's voor mensen buiten een bedrijf als gevolg van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in een bedrijf. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) staan regels over de veiligheidsafstanden en over de berekening van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De gemeentelijke beleidsvisie op externe veiligheidbeleid voor inrichtingen is opgenomen in paragraaf 4.4.16.

4.1.5.2 Besluit externe veiligheid buisleidingen     

Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Het Bevb regelt de taken en verantwoordelijkheden van de leidingexploitant en de gemeenten.

Gemeenten zijn verplicht om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekening te houden met het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR is de 10-6 contour de grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Het GR moet worden verantwoord binnen het invloedsgebied van de buisleiding. Voor een aantal installaties, zoals bijvoorbeeld lpg tankstations, pgs 15 kluizen en ammoniak koelinstallaties, gelden vaste afstanden voor het plaatgebonden risico en het invloedsgebied. Voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet een berekening worden gemaakt om de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied te kunnen bepalen. Daarnaast wordt in elk bestemmingsplan ruimte gereserveerd voor onderhoud aan de leiding door een belemmerende strook van minimaal 5,0 m aan weerszijden van de leiding met een bouwverbod en een omgevingsvergunningstelsel.

4.1.5.3 Besluit externe veiligheid transportroutes     

Het Besluit externe veiligheid transportroutes, inwerking getreden op 1 april 2015, betreft milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid in verband met het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportroutes. Het besluit bevat de uitwerking van de ruimtelijke component van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Doel van dit besluit is het waarborgen van een basisbeschermingsniveau door te voorkomen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen mensen worden blootgesteld aan een hoger risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen dan maatschappelijk aanvaardbaar wordt geacht. Verder maakt het besluit de kans op een ramp met veel slachtoffers inzichtelijk en biedt het regels voor het afwegen van het risico ten opzichte van de ruimtelijke ontwikkelingen.

4.1.6 M.e.r.-beoordeling     

Bijna alle activiteiten die mensen ondernemen hebben milieugevolgen. Voor activiteiten die nadelige milieugevolgen kunnen hebben, kan het vereist zijn dat een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld. De procedure voor de milieu-effectrapportage is geregeld in de Wet milieubeheer. De uitvoeringsregels staan in het Besluit m.e.r.

In het Besluit m.e.r. staan de verschillende activiteiten, besluiten en overheidsplannen waarvoor het verplicht is een milieu-effectrapportage te maken. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig meegewogen in de besluitvorming.

In het Besluit m.e.r. (gewijzigd 1 april 2011) wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen m.e.r.:

  • m.e.r.-plicht;
  • m.e.r.-beoordelingsplicht;
  • vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.

In het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.

In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn de activiteiten, plannen en besluiten genoemd waarvoor een m.e.r. in alle gevallen verplicht is als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden. Voor deze activiteiten moet een milieu-effectrapportage worden opgesteld.

Onderdeel B van de bijlage bij het Besluit m.e.r. bevat activiteiten die qua omvang onder de in onderdeel C genoemde drempel blijven. Voor deze situaties moet eveneens in alle gevallen als een bepaalde drempelwaarde wordt overschreden, per geval door middel van een m.e.r.-beoordeling worden vastgesteld of een milieu-effectrapportage moet worden opgesteld.

De drempelwaarden in onderdeel D zijn indicatief. Om te beoordelen of voor een activiteit een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt kan niet alleen volstaan worden met het raadplegen van de drempelwaarden in onderdeel D. Er moet sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 een extra stap doorlopen worden om na te gaan of er een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Dit wordt ook wel aangeduid met de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'.

4.2 Provinciaal beleid     

4.2.1 Omgevingsvisie     

Op 9 juli 2014 en 24 september 2014 stelden Provinciale Staten respectievelijk de Omgevingsvisie en de bijbehorende Omgevingsverordening vast. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels. Het Waterplan, het Provinciaal Verkeer en Vervoer Plan, het Streekplan, het Milieuplan en de Reconstructieplannen zijn herzien en samengebracht in de nieuwe Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie en -verordening zijn beiden op 18 oktober 2014 in werking getreden.

De provincie kiest er in deze Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  1. een duurzame economische structuur;
  2. het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.

Ruimte in kleinere kernen en vrijgekomen bebouwing in het landelijk gebied kan worden benut voor wonen en nieuwe economische dragers en als versterking van de vitaliteit van het landelijk gebied. Bij de nadere invulling van de uitgangspunten wordt ruimte gelaten voor lokale of regionale initiatieven door gemeenten of regionale samenwerkingsverbanden. Bouwprogramma's voor nieuwe woningen zijn daarbij in regionaal verband afgestemd. Waar mogelijk kan lokaal maatwerk worden geleverd. De strategie van de provincie om de doelen van 'duurzame economische structuurversterking' en 'een gezonde en veilige leefomgeving' te bereiken wordt gevoed door het besef dat stad en land elkaar nodig hebben. De provincie gaat voor:

  • sterke steden, van belang voor toekomstige aantrekkingskracht, waar kennis zich samenbalt en waar veel jongeren naar toe trekken, waar ook nu al de meeste mensen wonen en werken;
  • een vitaal platteland, waar mensen inspelen op grote veranderingen, waar inwoners zich actief inzetten voor hun gezamenlijke toekomst, een platteland met een eigen economische kracht en een grote natuurlijke en landschappelijke waarde, waar kwaliteit en vitaliteit samen op gaan.



Ook de provincie kent, evenals het rijk, een ladder voor duurzame verstedelijking. Voor nieuwe stedelijke functies in het buitengebied geldt dat deze afgewogen dienen te worden in het licht van de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. De Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik vervangt het beleid van de woningbouwcontour en de zoekzones. Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing. Een goede afweging volgens de ladder vraagt om kennis van de bestaande voorraad. Gekoppeld daaraan zijn er vragen over de opgaven en kwaliteiten in een gebied:

  1. past de ontwikkeling bij de doelen in Gelderland? Zo ja:
  2. hoe voegt de ontwikkeling extra kwaliteit toe aan een gebied?

Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen de locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Aangezien de juridische borging van de ladder al geregeld is in het Bro, heeft de provincie de ladder niet nogmaals opgenomen in de provinciale omgevingsverordening.

De rijksladder heeft betrekking op stedelijke ontwikkelingen. De provincie wil onderzoeken of de ladder ook voor landelijke functies kan worden uitgewerkt. Vooruitlopend daarop spreekt de provincie nu al van de ladder voor duurzaam ruimtegebruik.

De provincie streeft naar een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. De provincie heeft daartoe de Ecologische Hoofdstructuur opnieuw gedefinieerd in het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het GNN is uitsluitend sprake van een natuurbestemming. Hier ligt een opgave om nog 5.300 hectare natuur te ontwikkelen (was 11.000 hectare). De provincie richt zich op het realiseren van een robuust Gelders Natuurwerk met voldoende middelen voor het ontwikkelen, onderhouden en beheren op de langere termijn.

De 'niet-natuur' in de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (woningen, bedrijven, infrastructuur) heet voortaan de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. Het betreft 25.000 hectare grond. In de GO liggen ontwikkelingsmogelijkheden voor organisaties en particulieren. De ontwikkelingen moeten passen bij het karakter van het GO. De GO heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden.

4.2.2 Omgevingsverordening     

De omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking van het beleid uit de Omgevingsvisie in regels. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. Voor de niet-grondgebonden landbouw stuurt de verordening op een 'plussenbeleid' (bovenwettelijke maatregelen) bij uitbreidingen. Een en ander volgens door de gemeenten/regio's nader uit te werken beleidskaders.

4.2.3 Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties     

De Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties (vastgesteld 30 juni 2010) is een aanpassing van het beleid voor bedrijventerreinen van de in 2005 vastgestelde Structuurvisie Gelderland. Het structuurvisiebeleid is aangepast als gevolg van de sterk afnemende vraag naar en krimp van het aantal bedrijventerreinen na 2020 en de maatschappelijke weerstand tegen verrommeling van het landschap.



Doelstelling van de structuurvisie is tweeledig:

  • Voldoende terreinen van een goede kwaliteit die aansluit op de vraag van bedrijven.
  • Zorgvuldig gebruik van de ruimte en bedrijventerreinen die energiezuinig en klimaatbestendig zijn.



De verantwoordelijkheid voor planning, locatiekeuze, herstructurering van bestaande en aanleg van nieuwe bedrijventerreinen is een taak van de samenwerkende gemeenten. Nieuwe bedrijventerreinen mogen pas ontwikkeld worden als er geen mogelijkheden meer zijn op bestaande bedrijventerreinen.



Om een zorgvuldige afweging te maken van het ruimtegebruik hanteert de provincie Gelderland de SER-ladder:

  1. Gebruik de ruimte die reeds beschikbaar is gesteld voor een bepaalde functie of door herstructurering (inclusief schuifruimte) beschikbaar gemaakt kan worden.
  2. Vergroot de mogelijkheden om door meervoudig ruimtegebruik de ruimteproductiviteit te verhogen.
  3. Aanleg van nieuwe terreinen, waarbij relevante waarden en belangen in een gebiedsgerichte aanpak worden afgewogen, onder meer aan de hand van gebiedsspecifieke kwaliteitsvoorwaarden.

In navolging van de SER-ladder is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" in 2012 ingevoerd en heeft daarmee een juridische status gekregen. Gemeenten moeten onderbouwen waarom een nieuwe stedelijke ontwikkeling past in een regionale behoefte, niet kan worden opgevangen in bestaande gebieden en gebouwen en goed ontsloten is.

De uitdaging voor Gelderland is het realiseren van voldoende ruimte voor bedrijfsontwikkeling van de juiste kwaliteit zodat tekorten, leegstand en verloedering wordt voorkomen.

4.2.4 Belvoir 3     

Monumenten, archeologische vindplaatsen en waardevolle landschappen worden steeds meer bedreigd door oprukkende bebouwing en economische activiteiten. De nota Belvoir 3 (2009-2012) wil daar wat aan doen.

De provincie heeft met Belvoir 3 als centrale doelstelling; het realiseren van betekenisvolle plekken en daarmee een duurzame leefomgeving. Met betekenisvolle plekken bedoelen we wenselijke, zich onderscheidende-, sociaal- en economisch succesvolle plaatsen. Daarbij is er niet alleen aandacht voor cultuurhistorie, maar ook een duidelijke missie op dit gebied. De nota is een vervolg op de eerdere nota's Belvoir 1 en 2. In deze nota's is vastgelegd hoe de provincie haar cultuurhistorisch erfgoed wil bewaren en versterken. De twee vorige nota's hebben voorkomen dat veel typisch Gelderse cultuurhistorische waarden versnipperden of zelfs verdwenen.

Ook in de derde beleidsperiode gaat de provincie hier onverminderd mee door. Niet afwachtend, maar pro-actief. De Gelderse identiteit blijft hierbij de rode draad. De provincie zet nadrukkelijk in op gebiedsgericht beleid, op basis van de cultuurhistorische kenmerken (DNA's) die voor de tien gebieden in Gelderland zijn bepaald. Daarnaast werkt de nota Belvoir 3 aan:

  • implementatie van het Archeologisch afwegingskader;
  • professionalisering en intensivering van de taken van het Gelders Archeologisch Centrum;
  • het programma 'de Gelderse Voet': het kennis- en kundeproject in de restauratiebouw;
  • grote projecten zoals het 'Masterplan Limes', de 'Nieuwe Waterlinie' en 'Religieus Erfgoed';
  • betere communicatie van het cultuurhistorische beleid.

4.2.5 Cultuur- en erfgoedprogramma 2013-2016     

Erfgoed is een belangrijke pijler van identiteit en ruimtelijke kwaliteit. Investeren in erfgoed heeft ook economische voordelen, zoals werkgelegenheid in de restauratiebouw en een sterkere vrijetijdseconomie. De provincie Gelderland doet dit door:

  • kennis en vakmanschap over restauraties te bevorderen om erfgoed te kunnen behouden en ontwikkelen;
  • musea en erfgoedinstellingen te ondersteunen;
  • in duurzame herbestemming van religieus -en industrieel erfgoed te investeren;
  • te werken aan de ontwikkeling en instandhouding van monumentale landgoederen;
  • particulieren te ondersteunen met subsidies voor restauratie en onderhoud;
  • de molens en stoomgemalen te subsidiëren.

Met het programma Gelderland Cultuurprovincie! 2013-2016 draagt de provincie bij aan een hoogwaardig cultuur- en erfgoedklimaat dat door zijn kwaliteit kleur en karakter geeft aan de Gelderse steden en aan de buitengebieden van Veluwe, Achterhoek en Rivierengebied. Daarbij besteedt de provincie extra aandacht aan innovatie en talentontwikkeling in de culturele sector en duurzaamheid en ontwikkeling van vakmanschap in de erfgoed sector. Tevens voert zij een aantal wettelijke taken uit, zoals bijvoorbeeld de ondersteuning van het netwerk van bibliotheken in de provincie en het beheer van archeologische vondsten.

De provincie Gelderland wil in algemene zin bevorderen dat de sector cultuur en erfgoed minder afhankelijk wordt van subsidies. De provincie stimuleert meer ondernemerschap en draagt bij aan vernieuwing, talentontwikkeling en kwaliteitsverbetering. Tevens stimuleert zij gemeentelijke samenwerking in cultuur- en erfgoedpacten, waarin twee of meerdere gemeenten samenwerken om de cultuurparticipatie en/of vrijetijdseconomie in de regio te bevorderen.

4.2.6 Waterplan Gelderland 2010 - 2015     

Het Waterplan bevat het waterbeleid van de provincie en is de opvolger van het derde Waterhuishoudingsplan (WHP3). Het beleid uit WHP3 wordt grotendeels voortgezet. Het Waterplan is tegelijk opgesteld met de water(beheer)plannen van het Rijk en de waterschappen. In onderlinge samenwerking zijn de plannen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Het Waterplan Gelderland 2010 - 2015 is op 1 januari 2010 in werking getreden. In het plan staan de doelen voor het waterbeheer, de maatregelen die daarvoor nodig zijn en wie ze gaat uitvoeren. Voor oppervlaktewaterkwaliteit, hoogwaterbescherming, regionale wateroverlast, watertekort en waterbodems gelden provinciebrede doelen. Voor een aantal functies, zoals landbouw, natte natuur, waterbergingsgebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, zijn specifieke doelen geformuleerd.

Op de functiekaart van het Waterplan van de provincie Gelderland zijn de waterfuncties van het plangebied weergegeven. Hieronder staan alle aanwezige functies in het plangebied benoemd.

Stedelijk gebied

Elke kern heeft op grond van het Waterplan de basisfunctie 'stedelijk gebied'. Zowel in nieuw als in bestaand stedelijk gebied streeft de provincie naar een duurzaam watersysteem. Nadelige effecten op de waterhuishouding moeten in beginsel voorkomen worden. Hierbij wordt het water in de stad met het omringende watersysteem als één geheel beschouwd. De inrichting en het beheer van het waterhuishoudkundige systeem zijn in stedelijk gebied gericht op:

  • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van wateroverlast;
  • de ontwikkeling en het behoud van de natuur in het stedelijk gebied;
  • het voorkomen van zettingen;
  • het herbenutten van ontwateringswater voor drink- en industriewatervoorziening of voor herstel van verdroogde natuur;
  • het weren van de riolering van (diepe) drainage en instromend grond- en oppervlaktewater;
  • het beperken van de vuilbelasting door riooloverstorten en hemelwateruitlaten;
  • het beperken van de invloed van bronbemaling;
  • het realiseren van de basiskwaliteit voor oppervlaktewater.

Landbouw

Binnen de functie landbouw komt natte natuur verspreid in kleine elementen voor. In de gebieden met de functie landbouw is de inrichting en het beheer van het watersysteem allereerst gericht op:

  • een ontwateringsdiepte met aanvaardbare risico's voor wateroverlast en vervolgens minimale vochttekorten;
  • oppervlaktewaterpeilen die het meest voorkomende landbouwkundige grondgebruik accommoderen;
  • beschikbaarheid van oppervlaktewater voor het op peil houden van de grondwaterstand en voor beregening;
  • (zeer) lokale afstemming op verspreid liggende natuurelementen en waardevolle ecologie (vissen, waterplanten);
  • een grondwaterpeil in de veenweidegebieden dat niet verlaagd wordt ten opzichte van het maaiveld (wel het volgen van maaivelddaling). De maximale drooglegging in veenweidegebieden is 60 cm onder maaiveld.

4.3 Regionaal beleid     

4.3.1 Algemeen     

Op het terrein van de ruimtelijke ordening en volkshuisvesting heeft de Regio Achterhoek geen structurele overgedragen taak. Sinds september 2008 worden deze taken door de gezamenlijke gemeenten zelf opgepakt. Bestuurlijk en ambtelijk aanspreekpunt voor dit werkterrein ligt bij respectievelijk de gemeente Aalten en Bronckhorst.

4.3.2 Regionale Structuurvisie Achterhoek 2012     

De gemeenteraden van Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk hebben in hun vergaderingen van april/mei 2012 de 'Regionale structuurvisie Achterhoek 2012' vastgesteld. De gemeenteraad van Montferland heeft de visie niet formeel vastgesteld, maar daaraan wel instemming betuigd, omdat Montferland voor ruimtelijk ordening tevens deel uitmaakt van de Stadsregio.

De Regionale structuurvisie is een actualisatie van de visie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat in de Achterhoek zich een aantal belangrijke en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals:

  • energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen;
  • bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening;
  • de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied;
  • positionering van de Achterhoek in (inter)nationaal perspectief.



Deze ontwikkelingen zullen gevolgen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de Achterhoek. Ze hebben ook invloed op de wijze waarop geld verdiend wordt in de regio. Wijzigingen hierin kunnen ruimtelijke consequenties hebben. De geactualiseerde visie geeft richting aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven goed te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema’s te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel is, dat de Achterhoek ook in de toekomst een vitale, regionale economie heeft en een zeer prettige omgeving blijft om in te wonen en te recreëren.



De visie sluit aan bij de Agenda 2020 van Regio Achterhoek en de provinciale regioverkenningen. Inhoudelijk beschrijft de structuurvisie:

  • Samenwerking op volkshuisvesting, bedrijfsvestigingen en functieveranderingsbeleid
  • Bereikbaarheid van de regio, zowel fysiek als digitaal
  • Balans tussen bestaande en nieuwe kwaliteiten in de landbouw/het landschap
  • Innoveren van de maakindustrie en landbouw en het verduurzamen van productieprocessen en energievoorziening
  • Ruimtelijk wordt de 'ja, mits' benadering leidend.

Deze visie is geen blauwdruk voor hoe het allemaal zou moeten. Respect voor het Achterhoekse landschap staat voorop, maar het ruimtelijk beleid mag innovatieve en duurzame ontwikkelingen niet in de weg staan. Van belang is om flexibel te blijven.

4.3.3 Regionale Detailhandelsvisie     

Door de Kamer van Koophandel, MKB Nederland, Provincie Gelderland en de regio Achterhoek is een Regionale Detailhandelsvisie voor de Regio Achterhoek opgesteld. In deze visie staan, kijkend naar de huidige situatie, (toekomstige) ontwikkelingen en bestaande beleidsstukken, het toekomstbeeld van de winkelstructuur in de Achterhoek centraal. De visie maakt strategische keuzen en geeft beleidsstandpunten. Het beleid is gericht op optimalisering van de bestaande detailhandelsstructuur. De dynamiek in vraag en aanbod wordt ingezet in de bestaande winkelgebieden. De belangrijkste doelstellingen daarbij zijn: geen uitbreiding van het aantal detailhandelsconcentraties, voortzetten en versterken van de bestaande hiërarchie in de verzorgingsstructuur, versterking van de koppositie van de binnensteden van Doetinchem en Winterswijk t.o.v. Twente, KAN en Duitsland, compacte winkelcentra in een omgeving met hoge verblijfswaarde, regionale toetsing bij initiatieven met gemeenteoverschrijdende effecten, versterking van het bestaande woonthemacentrum in Doetinchem. Verder is er sprake van terughoudend beleid ten aanzien van perifere en grootschalige detailhandel, is flankerend beleid vanuit andere beleidssectoren noodzakelijk om de leefbaarheid van dorpen en kernen te stimuleren door behoud van voorzieningen, het bevorderen van samenwerking tussen recreatie/toerisme en detailhandel en is er geen plaats voor het realiseren van een Factory Outlet Center. Initiatieven in de regiogemeenten worden getoetst aan de regionale visie. Initiatieven met gemeente overschrijdende effecten worden ter toetsing aan de Regio Achterhoek voorgelegd. Er vindt periodiek regionaal overleg plaats.

4.3.4 Regionaal programma Bedrijventerreinen Regio Achterhoek     

De regio Achterhoek wil de kansen benutten die samenwerking op het vlak van bedrijventerreinen biedt. Zij kijkt hierbij naar de regionale marktsituatie, de kwaliteiten van de regio en de bestuurlijke ambitie. In het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB, concept) geeft de regio een nadere uitwerking van vraag en aanbod, regulering van het aanbod, segmentering, programmering van de herstructurering, grondprijs, implementatie van de SER-ladder en monitoring. Het RPB biedt het kader voor concrete werk- en projectafspraken tussen de regiogemeenten.

De regio Achterhoek wil de kwaliteit van leven en wonen hoog houden. Voldoende en passende banen zijn daarbij onmisbaar. De werkgelegenheid zit grotendeels op bedrijventerreinen. Deze bedrijventerreinen moeten vitaal zijn en blijven, kwaliteit speelt hierin een steeds belangrijkere rol. De vraag naar bedrijventerreinen zal de komende tien jaren structureel lager liggen dan in voorgaande decennia. Er is vooral ruimte nodig voor de opvang van de vervangingsvraag.



Afspraken

Binnen de regio en subregio's zijn afspraken gemaakt over de toekomst van bedrijventerreinen. De gemeente Bronckhorst participeert in de subregio West-Achterhoek. De gemeenten in West-Achterhoek werken samen rondom A18 Bedrijvenpark en het EBT in Montferland.

De vraag in West-Achterhoek is 109,8 hectare aan bedrijventerreinen in de periode 2009-2023. Een overaanbod dreigt. Voor de gemeente Bronckhorst geldt dat De Vinkenkamp en Steenderdiek B harde plannen zijn en doorgang zullen vinden. Winkelskamp Oost en Dambroek Zuid betreffen zachte plannen. Voor Dambroek Zuid wordt in de periode 2010-2015 de behoefte nader bekeken.

Subregio West-Achterhoek pakt de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen samen op met de herstructurering van oude bedrijventerreinen. Binnen de gemeente Bronckhorst hebben de volgende terreinen een transformatieopgave: het HAVO-terrein, het buitengebied en de kleine kernen. Bij de transformatie van deze terreinen kan gebruik gemaakt worden van het HRT-fonds, waarin positieve opbrengsten van de ontwikkeling van het A18 Bedrijvenpark en het EBT Montferland en gelden van de provincie zijn opgenomen.

De regiogemeenten stimuleren Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO), energiebesparing en gebruik van duurzame energie bij bedrijven.

Monitoring moet uitwijzen of aanpassing van de gemaakte afspraken nodig en mogelijk is.

4.3.5 Waterbeheerplan     

Het Waterschap Rijn en IJssel heeft in het Waterbeheerplan 2010 - 2015 haar beleid vermeld. Dit plan is opgesteld in samenwerking met 4 andere waterschappen, die deel uitmaken van deelstroomgebied Rijn-Oost. Dit plan is per 1 januari 2010 in werking getreden.

De opdracht van de waterschappen in Rijn-Oost is te zorgen voor voldoende water, schoon water en voor veilig wonen en werken op de taakvelden watersysteem, waterketen en veiligheid. Het waterschap houdt daarbij rekening met agrarische, economische, ecologische en recreatieve belangen. Aandachtspunten zijn het verbeteren van ecologische en chemische waterkwaliteit (terugdringen van oppervlaktewatervervuiling) en het voorkomen van wateroverlast, waarbij rekening wordt gehouden met het veranderende klimaat. In zowel landelijk als stedelijk gebied kunnen ruimtelijke ontwikkelingen een positief maar ook een negatief effect hebben op het watersysteem.

In de Watervisie geeft het Waterschap aan hoe ze aankijken tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het werkgebied om de wateropgaven waarvoor ze de komende 50 jaar staan, duurzaam op te lossen.

In januari 2015 lag het ontwerp van het Waterbeheerplan 2016 - 2021 ter visie voor inspraak. Dit plan zal het huidige Waterbeheerplan vervangen. Naar verwachting wordt het nieuwe Waterbeheerplan in september 2015 vastgesteld.

4.4 Gemeentelijk beleid     

4.4.1 Structuurvisie     

Op grond van de Wro dient elke gemeente een of meerdere structuurvisies vast te stellen voor haar gehele grondgebied. Beleidsdoelen uit de structuurvisie worden gerealiseerd in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen.



De structuurvisie voor de gemeente Bronckhorst is op 25 oktober 2012 vastgesteld en kent een plantermijn van 10 jaar. De structuurvisie is een visie waarin het bestaande beleid geactualiseerd en afgestemd is. Voor het landelijk gebied vormt het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) dat op 25 juni 2009 is vastgesteld, een belangrijke basis (zie 4.4.12).

In deze Structuurvisie wordt onderscheid gemaakt in grote kernen, kleinere kernen, buurtschappen en overig buitengebied. De kernen betreffen de vier grote kernen Hengelo, Steenderen, Vorden en Zelhem en de kleinere kernen Achter-Drempt, Baak, Bronkhorst, Halle, Hoog-Keppel, Hummelo, Keijenborg, Kranenburg, Laag-Keppel, Olburgen, Toldijk, Veldhoek, Velswijk, Voor-Drempt en Wichmond. De buurtschappen onderscheiden zich van het overige buitengebied door een concentratie van woonbebouwing met eventuele voorzieningen. De buurtschappen zijn Bekveld, De Meene, Delden, Dunsborg, Eldrik, Gooi, Halle-Heide, Halle-Nijman, Heidenhoek, Heurne, Linde, Medler, Mossel, Noordink, Oosterwijk, Rha, Varssel, Veldwijk, Vierakker, Wassinkbrink, Wildenborch, Winkelshoek, Wittebrink en Wolfersveen.



De gemeente Bronckhorst heeft in 2006 een groot aantal gebieden aangewezen onder de Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Deze zogenaamde Wvg-gebieden reserveren ruimte voor woningbouw, bedrijvigheid en maatschappelijke doeleinden, zoals scholen, gemeentehuis en sportvoorzieningen. Met de vaststelling van de structuurvisie zijn de aangewezen gebieden die onder de Wet voorkeursrecht gemeenten vallen (Wvg-gebieden), bestendigd. De structuurvisie geeft mede de ruimtelijke onderbouwing van het al dan niet bestendigen van de Wvg en de omvang daar van. Inmiddels zijn alle Wvg-aanwijzingen komen te vervallen.

De structuurvisie kent een uitvoeringsparagraaf. In de structuurvisie wordt bepaald welke voorzieningen als 'bovenwijks' worden aangeduid en hoe deze kunnen worden gefinancierd. Hierin wordt aangegeven welk deel van de kosten mogelijk ten laste zal komen van ontwikkelingslocaties. In de structuurvisie wordt ook bepaald of er ten aanzien van nieuwe ontwikkellocaties sprake zal zijn van verevening tussen die locaties. Ook beschrijft de structuurvisie het beleidskader voor eventuele eisen aan woningbouwcategorieën in ontwikkellocaties.

4.4.2 Kernenbeleid     

Op 1 januari 2005 zijn vijf gemeenten samengevoegd tot 1 nieuwe gemeente. Voor de herindeling had bijna ieder dorp een eigen gemeentehuis en gemeentebestuur in de nabije omgeving. De wethouders waren bekenden en ook de meeste ambtenaren woonden in het dorp. Zij maakten deel uit van de gemeenschap en waren daardoor vanzelfsprekend op de hoogte van wat er leefde in hun dorp. Zaken die de dorpsbewoners dwars zaten werden bijvoorbeeld op informele wijze, tijdens de wekelijkse sportavond, besproken of men liep even het gemeentehuis binnen om navraag te doen hoe het met de voortgang van een bepaald project stond. Sinds de herindeling bestrijkt de gemeente nu een groot gebied, waardoor de afstand tussen de burger en de gemeente in zowel sociaal als fysiek opzicht groter is geworden. De contacten met het gemeentebestuur verlopen via formelere procedures en de gemeente moet haar aandacht verdelen over ruim 40 kernen en buurtschappen. Vanaf 1 januari 2010 is het convenant dorpsbelangenorganisaties en gemeenten van kracht.

Het kernenbeleid verschaft in het convenant duidelijkheid over de wijze waarop de gemeente omgaat met de kernen. Het kernenbeleid van de gemeente Bronckhorst wordt beschreven in de volgende twee doelstellingen:

  • Het behouden van de bestaande korte lijnen in de relatie tussen burger en bestuur. Door deze korte communicatielijnen met de burgers kan een beter draagvlak worden gecreëerd voor het gemeentelijk beleid binnen het dorp.
  • De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in de gemeente Bronckhorst in stand houden en verbeteren. De kernen in Bronckhorst hebben allemaal een eigen identiteit, meestal gekenmerkt door een rijk verenigingsleven en grote sociale betrokkenheid. Zowel de gemeente als de burgers willen dit graag in stand houden.

4.4.3 Woonbeleid     

De provincie Gelderland, de Achterhoekse woningcorporaties (verenigd in het ACO) en de zeven Achterhoekse gemeenten willen vanuit een gedeeld urgentiegevoel en een gezamenlijk belang zorgen voor een gezonde woningmarkt. De partijen werken daarom sinds 2010 nauw samen. Deze samenwerking heeft geresulteerd in een regionale woonvisie voor de Achterhoek voor de periode 2010-2020 met als titel 'Alleen ga je sneller, samen kom je verder'. Deze woonvisie is vastgesteld op 27 januari 2011 en speelt in op de gevolgen van de bevolkingsdaling en vergrijzing. In 2013 is de regionale geëvalueerd en geactualiseerd. Gebleken is dat de bevolkingskrimp doorzet en dat aanscherping van de afspraken noodzakelijk was. Een van de maatregelen was dat de werkingsduur van de afspraken verlengd werd van 2010-2020 naar 2010-2025. In mei 2015 is vervolgens de 'Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 vastgesteld met een verdere bijstelling van de afspraken op het gebied van woningbouw en bestaande woningvoorraad. Deze vervangt de voorgaande regionale woonvisie en vormt het nieuwe afsprakenkader met de provincie Gelderland. Nieuw bij de regionale Woonagenda is, dat deze mede tot stand is gekomen met burgers, ondernemers en maatschappelijke organisaties.



De Achterhoek heeft te maken met bevolkingskrimp en heeft inmiddels de officiële status van 'Krimpregio' gekregen. De Achterhoekse gemeenten hebben zich de afgelopen jaren georiënteerd op deze problematiek en hebben verschillende krimpregio's bezocht. Samen met de provincie en de corporaties zijn ze in gesprek gegaan over de prognoses over de demografische ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de woningbouw en woningvoorraad in de Achterhoek. Uiteraard is wonen mede afhankelijk van ontwikkelingen op andere terreinen, zoals economie en recreatie. De relatie met de totaalvisie van de Achterhoek, zoals weergegeven in de regionale structuurvisie mag dan ook niet uit het oog worden verloren. Er zijn regionale afspraken gemaakt over de nog toe te voegen woningaantallen alsmede kwalitatieve afspraken over de nieuwbouw en bestaande woningvoorraad. Ook thema's zoals wonen en zorg en de toenemende leegstand in zowel de woningvoorraad als in maatschappelijk en zakelijk vastgoed worden belicht, Het is belangrijk dat de plannen die het meest bijdragen aan het versterken van de woonkwaliteit in de Achterhoek uitgevoerd worden. Het bepalen van de beste locaties is maatwerk dat door de gemeenten zelf wordt gedaan.



Doelstellingen en ambities Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025:

  1. Er zijn in 2025 voldoende woningen van een door bewoners en woningzoekenden gewenste prijs en kwaliteit voorhanden in de bestaande woningvoorraad.
  2. Het eerder afgesproken aantal netto toe te voegen woningen op regioniveau van 5.900 in de periode 2010-2025, wordt met 10% verlaagd.
  3. Op termijn zal sloop van woningen meer dan ooit noodzakelijke worden. Sloop/nieuwbouw is een gezamenlijke regionale opgave en levert een belangrijke bijdrage aan het instandhouden van de woonkwaliteit van de regio. Het draagt tevens bij aan het realiseren van de energiedoelstellingen en aan het vergroten van de woningvoorraad die levensloopbestendig is.
  4. Bij de monitoring van leegstand van woningen hanteren we de grens van maximaal 2%. Hierbij maken we onderscheid tussen huur en koop: huur maximaal 1% en koop maximaal 3%. Als de werkelijke leegstand hoger is dan genoemde percentages wordt aan de hand van een nadere analyse bepaald of maatregelen nodig zijn.
  5. Binnen de bestaande woningvoorraad is enerzijds sprake van waardevermindering en anderzijds van waardetoevoeging. Per saldo streven we zowel op regionaal als lokaal niveau op waardebehoud.
  6. De leefbaarheidsaspecten worden door bewoners gewaardeerd met eenzelfde oordeel als uit het Achterhoeks Woonwensen en Leefbaarheidsonderzoek uit 2013.
  7. Er zijn voldoende kwalitatief hoogwaardige en bereikbare voorzieningen (ontmoeting, sport, zorg) om in de behoefte van de inwoners te voorzien.
  8. In het Akkoord van Groenlo is afgesproken toe te werken naar een energieneutrale Achterhoek in 2030. Een van de onderdelen hierbij vormt het verduurzamen van de bestaande woningvoorraad.



Verdeling per gemeente

De zeven Achterhoekse gemeenten hebben op 9 juli 2010 consensus bereikt over de onderlinge verdeling per gemeente van de 5.900 woningen. Ook hebben zij een convenant ondertekend, onder andere inhoudend dat geen nieuwe plannen in behandeling worden genomen die tot een toename van de netto-woningvoorraad leiden. De zeven gemeenteraden hebben in januari 2011 de eerste regionale woonvisie vastgesteld.



In de opvolger hiervan, de Regionale Woonagenda die vastgesteld is op 28 mei 2015, is op basis van nieuwe inzichten besloten dat de afspraak om nog 5.900 woningen toe te voegen in de periode 2010-2025 met 10% zal worden verlaagd. Aan de hand van monitoring kan op een later moment besloten worden of verdere verlaging van het nog toe te voegen aantal woningen plaats moet vinden.



Voor Bronckhorst betekent de regionale verdeling dat er fors geschrapt moest en nog steeds moet worden in de eerder voorziene plannen/aantallen nieuw te bouwen woningen. De destijds berekende lokale woningbehoefte van Bronckhorst van ca. 900 woningen voor de periode 2006-2015 is in de Regionale Woonvisie bijgesteld naar 385 woningen voor de periode 2010-2025. Dit aantal blijft voor Bronckhorst blijft overigens in de Regionale Woonagenda gehandhaafd.



Een groot deel van deze woningen is al in aanbouw, dan wel staat in de startblokken. Voor zover mogelijk blijft de gemeente sturen op het bouwen van het leeuwendeel van de woningen in de vier grotere kernen Hengelo, Steenderen, Vorden en Zelhem. Het handhaven en bevorderen van het voorzieningenniveau heeft hier aandacht, daarnaast is er versnelde aandacht voor de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Wonen en zorg is een belangrijk thema. Maar ook leegstaand en leegkomend vastgoed heeft nadrukkelijk de aandacht gezien het effect hiervan op de kwaliteit en leefbaarheid van het omliggende gebied.



De beperkte mogelijkheden voor nieuwbouw hebben ook consequenties voor het ruimtelijk beleid. Zo zal er aanzienlijk geschrapt moeten worden in de woningbouwplannen. Ook in al bestaande capaciteit, variërend van grotere plannen tot mogelijkheden op perceelsniveau. Niet-benutte bouwvergunningen worden ingetrokken en niet-benutte woningbouwmogelijkheden zullen in de bestemmingsplannen worden wegbestemd.



Voor het buitengebied betekent het bijstellen van de aantallen dat er nog maar zeer beperkte mogelijkheid voor toepassing van het functieveranderingsbeleid in de vorm van woningtoevoeging is en is ook het splitsen van de grotere woningen niet meer mogelijk.



De constructieve samenwerking van de partijen bij de totstandkoming van de eerdere Regionale woonvisie en de huidige regionale Woonagenda zal ook bij de uitvoering ervan, samen met de marktpartijen, cruciaal zijn.

4.4.4 Wonen en zorg     

Op 25 februari 2014 stelde het college van Bronckhorst het 'Beleid- en uitvoeringsplan Wonen en Zorg' vast. Via het beleid- en uitvoeringsplan wil de gemeente een visie op wonen en zorg bieden zoals deze werd aangekondigd in de 'Structuurvisie Bronckhorst' (zie paragraaf 4.4.1). Daarnaast wil de gemeente de visie operationaliseren door nadere definities te stellen, zoals in geval van woonzorggebieden, of het vaststellen van acties, zoals het zoeken van samenwerking met de eerstelijnszorg.

Het beleid- en uitvoeringsplan kent diverse uiteenlopende onderwerpen en beleidsvisies. De onderwerpen met ruimtelijke relevantie zijn hieronder samengevat.



Woningvoorraad

De bestaande woningvoorraad past niet bij de toekomstige samenstelling van de bevolking. Daarnaast worden er de komende jaren nog maar zeer beperkt nieuwbouwwoningen toegevoegd. Tussen de zeven Achterhoekse gemeenten is afgesproken dat er fors wordt geschrapt in de plancapaciteit (zie paragraaf 4.4.3).

De gemeente Bronckhorst wil zorgen voor een gedifferentieerd aanbod aan kwalitatief en kwantitatief voldoende woningen die voldoen aan de bestaande en toekomstige vraag. 'De juiste woning op de juiste plaats' is hierbij uitgangspunt. Dit wil zeggen dat er voldoende woningen zijn, nu en in de toekomst, die zo goed mogelijk aansluiten bij wat mensen willen. Er is echter weinig sturing in de nog toe te voegen woningbouw mogelijk. Daar waar sturing bij nieuwbouw nog enigszins mogelijk is, wordt ingezet op toekomstbestendige woningen. Kansen moeten echter vooral gezocht worden in de bestaande woningvoorraad.

De huidige en toekomstige generatie ouderen blijft steeds langer actief en blijft zo lang mogelijk thuis wonen. Daarnaast is er de ontwikkeling scheiden van wonen en zorg. Gevolg is, dat er een groeiende behoefte is aan zorg aan huis en toegankelijke woningen voor mensen met een beperking in hun dagelijkse doen en laten. Dit alles heeft grote consequenties voor de bestaande woningvoorraad. De bestaande woningvoorraad is hier grotendeels niet geschikt voor.

De bestaande woningen zullen aangepast moeten worden. De woningen moeten 'geschikt' gemaakt worden. De meningen over wanneer een woning daadwerkelijk geschikt genoemd kan worden lopen uiteen. Wanneer gesproken wordt over een geschikte woning, is er veelal sprake van maatwerk.

In de prestatieafspraken met de corporaties is opgenomen dat we samen onderzoeken wat we verstaan onder een geschikte woning en hoe we hiermee om zullen gaan in de praktijk. Het volledig aanpassen van alle (corporatie)woningen heeft geen zin. Veel van de in de woning aangebrachte voorzieningen zullen in de meeste gevallen niet worden gebruikt, omdat veel ouderen zich tot op hoge leeftijd nog prima kunnen redden. De investering staat dan niet in verhouding tot de opbrengst ervan.



Woonzorggebieden

Door extramuralisering zijn zorgaanbieders steeds meer gaan inspelen op de mogelijkheden om zorg bij mensen thuis te brengen. Mensen kunnen daardoor langer in hun eigen vertrouwde omgeving blijven wonen. Er is een aantal groepen inwoners waarvoor het van belang is dat zij dicht bij de voorzieningen wonen. Daarnaast kiest ook een deel van de inwoners bij het ouder worden voor een aangepaste woning in de nabijheid van de voorzieningen.

De gemeente wil daarom in de vijf grote kernen: Hengelo, Hummelo, Steenderen, Vorden en Zelhem, woonzorggebieden realiseren. Een woonzorggebied is een kern waar ouderen en mensen met een beperking zo zelfstandig mogelijk kunnen wonen en deelnemen aan de samenleving. Binnen deze gebieden is sprake van wonen, welzijn en zorg op maat variërend van aangepaste woningen tot 24 uurs-zorg. In de gebieden worden de voorzieningen zoveel mogelijk geclusterd. Door deze clustering wordt versnippering voorkomen. Hierdoor wordt in deze gebieden een versterkt en hoogwaardig aanbod gerealiseerd.

Definitie van een woonzorggebied: een (deel van een) kern, waarin optimale condities zijn geschapen voor wonen met zorg. De bewoners van het totale woonzorggebied zijn in principe een dwarsdoorsnede van de samenstelling van de plaatselijke bevolking.

Een woonzorggebied is een gewoon gebied waarin de zorg beslist niet domineert, waar sprake is van integrale zorg en dienstverlening en waar overwegend levensloopgeschikte woningen en woonomgeving met een goed voorzieningenniveau aanwezig zijn.

Als woonzorggebied wordt de totale bebouwde kom van de de kernen gerekend, met uitzondering van de bedrijventerreinen. Er wordt gekozen voor de totale (woon)kern om te voorkomen dat woningen 'net buiten de werkingsgebied van het beleid valt' of dat zorgaanbod gaat domineren in een gebied.

De zorg- en dienstverlening binnen deze gebieden is niet overal gelijk. Dit is afhankelijk van de kansen en mogelijkheden die zich voordoen in de verschillende gebieden. Rondom de verzorgings- en verpleeghuizen is het niveau van zorg en dienstverlening hoger dan in de rest van de kern.

Bij het aanmerken van de woonzorggebieden is aansluiting gezocht bij de bestaande verzorgings- en verpleeghuizen.

Ouderen worden gestimuleerd om dicht bij de voorzieningen in de woonzorggebieden te gaan wonen. Met de forse toename van het aantal ouderen is het niet reëel om er vanuit te gaan dat alle ouderen daar ook gehuisvest kunnen worden omdat daar op termijn onvoldoende woningen beschikbaar zullen zijn.

Mensen hebben de keuze om dicht bij de voorzieningen in een woonzorggebied te gaan wonen. Met name voor ouderen kan dit een bewuste keuze zijn. Er is echter een aantal groepen inwoners waarvoor het wel van belang is dat zij in de woonzorggebieden wonen. Dit zijn onder meer mensen met dementie, de groep die onder de psychogeriatrie (pg) valt. Voor het exploiteren van intensieve zorgplaatsen is een bepaald volume nodig. Organisaties hebben elkaar nodig om de gewenste zorg en ondersteuning te kunnen bieden. De intensieve zorgplaatsen wil de gemeente daarom concentreren in de woonzorggebieden. Deze intensieve zorgplaatsen zijn een goede basis voor de zorginfrastructuur in de kern en het gebied dat bij de kern hoort. Door clustering van deze intensieve zorgplaatsen met andere voorzieningen wil de gemeente een versterkt en hoogwaardig aanbod realiseren in de vijf kernen. Woonvoorzieningen voor mensen met een beperking wil de gemeenten ook concentreren in de vijf grote kernen. Het gaat om mensen die niet zelfstandig initiatief kunnen nemen en/of niet in staat zijn het vervoer te regelen. Door deze mensen dicht bij de voorzieningen te huisvesten, worden zij geprikkeld en in staat gesteld deel te nemen aan het maatschappelijk leven.

In en woonzorggebied streeft de gemeente ernaar dat de volgende voorzieningen aanwezig zijn:

  • intensieve zorgplaatsen voor de verschillende groepen;
  • 24-uurs zorg op afroep;
  • informatie- en adviesfunctie;
  • zoveel mogelijk nultredenwoningen;
  • Welzijns- en ondersteuningsdiensten;
  • huisarts, tandarts, apotheek in een gezondheidscentrum met eventueel andere zorg- en welzijnsdiensten;
  • aandacht voor:

- openbare ruimte rolstoeltoegankelijk en sociaal veilig;

- slim gebruik van vrijkomende gebouwen;

- goed gladheidbeleid.

De huisarts, tandarts en apotheek behoren tot de basisvoorzieningen in een gebied. Huisartsen zoeken steeds meer de samenwerking en samenhang met andere zorgverleners. Op meerdere locaties in de gemeente is een HOED (Huisartsen onder één dak). In een aantal gevallen zijn meerdere zorg- en welzijnsfuncties hieraan gekoppeld en is sprake van een gezondheidscentrum.

De clustering van voorzieningen in een HOED of gezondheidscentrum kan er toe bijdragen dat de gezondheidszorg minder kwetsbaar is. De zorgvragen nemen toe en er is schaarste aan mensen en middelen. De zorg moet zo doelmatig mogelijk georganiseerd worden. De nadruk ligt op vraag gestuurde zorg en dit betekent inspelen op wat zorgvragers belangrijk vinden en rekening houden met hun daadwerkelijke behoeften en de wijze waarop zij hun leven willen inrichten. Er is bij de eerstelijnszorgverleners een groeiende wens naar werkbare zorg. Door een combinatie van toenemende werklast en andere beroepsoriëntatie (normale werkdagen, parttime werken) ontstaat bij huisartsen, verloskundigen en andere vrije beroepsgroepen meer behoefte aan onderlinge samenwerking en facilitaire ondersteuning. Een deel van hen wil liever geen eigen bedrijf meer runnen.

De gemeente stimuleert de ontwikkeling van samenwerking en samenhang van zorg- en welzijnsfuncties (bijvoorbeeld in de vorm van een gezondheidscentrum) in de vijf woonzorggebieden.

Wonen en zorg in het buitengebied

Zorg en welzijn houden niet op bij de grenzen van de woonzorggebieden. Ook het buitengebied maakt gebruik van de zorg- en ondersteuningsinfrastructuur die in de woonzorggebieden aanwezig is. Met buitengebied wordt het hele gebied buiten de vijf woonzorggebieden bedoeld, dus ook de kleine kernen. De mate waarin zorg en ondersteuning in het buitengebied geboden kunnen worden, zal echter op een lager niveau liggen dan in de vijf woonzorggebieden. Hierbij wordt opgemerkt dat burgers een eigen verantwoordelijkheid hebben in de keuzes die zij maken en de gevolgen van die keuzes. Als mensen met een grote zorgvraag ervoor kiezen in het buitengebied te gaan (of te blijven) wonen, kan dit in de toekomst betekenen dat een eigen bijdrage wordt gevraagd om de hogere kosten die de levering van zorg in het buitengebied met zich meebrengt te dekken.

Woonzorgvoorzieningen in het buitengebied zijn niet op voorhand uitgesloten. Er geldt een 'ja, mits principe'. Dit houdt in: willen (zorg)organisaties zich in het buitengebied vestigen, dan wil de gemeente daaraan medewerking verlenen op voorwaarde dat er zich geen negatieve consequenties voordoen voor de cliënten of de voorgestane concentratie van wonen en zorg in de woonzorggebieden.

4.4.5 Masterplannen en centrumvisie     

4.4.5.1 Masterplan Hengelo Centrum     

Het Masterplan Hengelo Centrum is aan te merken als een nadere uitwerking van de 'Structuurvisie bebouwd gebied' en als opvolger van de 'Structuurvisie Hengelo-Kom', en geeft een kaderstellende ruimtelijke visie waaraan eventuele ontwikkelingsplannen voor de verschillende locaties in het centrum van Hengelo moeten gaan voldoen.

Met het masterplan wil de gemeente een proces in gang zetten om het centrum compacter te maken en kwalitatief te versterken, en zodoende de levendigheid te handhaven.

De volgende (primaire) opgaven zijn gesteld:

  1. het compacter maken van het centrum aan de Noordzijde (Raadhuisstraat);
  2. het verbeteren van de verblijfskwaliteit rondom de Sint Remigiuskerk (horecaconcentratie);
  3. het ontwikkelen van betere looproutes (circuit Raadhuisstraat - Kerkstraat - Spalstraat);
  4. het geven van een nieuwe functie aan de gemeentehuis-locatie;
  5. het compacter maken van het centrum aan de zuidzijde (Spalstraat, Welkoop en Aldi);

De secundaire opgaven zijn:

  1. het geven van een nieuwe functie aan door het compacter maken vrijkomende locaties;
  2. het voorkomen en tegengaan van leegstand;
  3. het niet verder laten toenemen van woonfuncties op de begane grond in het centrum;
  4. het verhogen van de beeldkwaliteit in het centrum (zowel bebouwing als openbare ruimte).

In het Masterplan zijn enkele concrete locaties benoemd, en is een voorbeelduitwerking gegeven. Per locatie wordt inzicht gegeven in de bestaande waarden en kwetsbaarheden, de knelpunten en beperkingen, maar vooral ook op de kansen, die de beoogde ontwikkeling kan bieden. Het gaat hierbij om de volgende locaties:

  1. locatie huidige plusmarkt en Albert Heijn
  2. locatie gemeentehuis
  3. locatie Schoolstraat
  4. locatie hoek Ruurloseweg - Bleekstraat
  5. locatie Raadhuisstraat - Horecaplein
  6. locatie Rabobank
  7. locatie Hoek Spalstraat - Raadhuisstraat

verplicht

4.4.5.2 Masterplan Vorden Centrum     

Het Masterplan Vorden centrum is een actualisatie van de Centrumvisie 2003 en geeft een kaderstellende ruimtelijke visie, waaraan eventuele ontwikkelingsplannen voor de verschillende locaties in het centrum van Vorden zouden moeten voldoen.

De volgende actiepunten kunnen als taakstellend worden beschouwd:

  • Versterken van het voorzieningenapparaat:
    1. door uitbreiding en nieuwvestiging van detailhandel en horeca;
    2. door aanleg van extra parkeervoorzieningen.
  • Versterken van de wervingskracht van het centrummilieu:
    1. door verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van straat- en dorpsbeeld;
    2. door verbetering van het verblijfsklimaat in de openbare ruimte.
  • Versterken van de woonfunctie in het centrumgebied, waardoor de gewenste functiemenging duurzaam is gewaarborgd (sociale controle, leefbaarheid);
  • Uitplaatsen van storende functies, sloop van bedrijfsgebouwen en opname van nutteloos geworden verhardingen;
  • Opwaarderen van de binnenhoven, waardoor de algemene woonkwaliteit en leefbaarheid voor de omwonenden wordt verbeterd;
  • Doorkoppelen van langzaamverkeersrelaties, waardoor een grotere mate van doorkruisbaarheid van het centrumgebied ontstaat. Dit versterkt het openbare karakter van de buitenruimte en draagt zo bij tot sociale veiligheid.

In het Masterplan zijn enkele concrete locaties benoemd. Per locatie wordt inzicht gegeven in de bestaande waarden en kwetsbaarheden, de knelpunten en beperkingen, maar vooral ook op de kansen, die de beoogde ontwikkeling kan bieden. Het gaat hierbij om de volgende locaties:

  1. Zutphenseweg 32;
  2. Schoolstraat – Smidstraat;
  3. Zutphenseweg 1 t/m 3f;
  4. Kerkstraat 13;
  5. Dorpsstraat - Molenweg;
  6. Raadhuisstraat - Het Hoge;
  7. Zutphenseweg 26;
  8. Raadhuisstraat 1;
  9. Dorpsstraat 42;
  10. Zutphenseweg 2, 4, 6, 8 & 10;
  11. Raadhuisstraat 4 & 6.

verplicht

4.4.5.3 Ontwikkelingsvisie Centrum Zelhem en Halle     

In de Ontwikkelingsvisie Centrum Zelhem en Halle is de ambitie voor beide kernen geformuleerd en zijn belangrijke uitgangspunten voor de ontwikkeling opgesteld. Op basis van de visie wil de gemeente afgewogen beslissingen kunnen nemen over belangrijke ontwikkelingen in de kernen. Er is in Zelhem een redelijk voorzieningenniveau. De detailhandel functioneert goed, ondernemers en consumenten zijn redelijk goed te spreken over het winkelaanbod. Knelpunten liggen vooral rond de verkeers- en verblijfsfunctie rond de Markt, de inrichting van het centrum, de kleine omvang van enkele winkelbranches (m.n. supermarkten) en de inpassing van schaalvergroting in het overwegend kleinschalige centrum. Doelstellingen voor het centrum van Zelhem zijn het versterken van de functie als aantrekkelijk koop- en toeristisch centrum, verbeteren van de verblijfskwaliteit en verkeersveiligheid en herontwikkeling van structuurbepalende locaties. Het streefbeeld is een compact centrumgebied met een compleet voorzieningenaanbod, concentratie van detailhandel en aanverwante functies in het centrumgebied, ruimte voor schaalvergroting en verplaatsing (m.n. supermarktbranche), de Markt als middelpunt en rustpunt in het centrum met een betere functionele ondersteuning (horeca, terrassen, groen), een hogere verblijfskwaliteit met een veilige en comfortabele inrichting en een goede bereikbaarheid met voldoende parkeervoorzieningen. Een en ander is vertaald in een plan van aanpak. Initiatieven worden getoetst aan de ontwikkelingsvisie.

4.4.6 Economisch beleid     

Op 22 juni 2006 heeft de gemeenteraad het beleid voor economische ontwikkeling van Bronckhorst 'Kansen benutten in Bronckhorst' 2006 - 2010 vastgesteld. Dit beleidsdocument geeft richting aan de gewenste economische ontwikkeling van de gemeente Bronckhorst. De centrale doelstelling van het beleid luidt als volgt: 'De gemeente Bronckhorst werkt aan een duurzame evenwichtig en vitale economische ontwikkeling van Bronckhorst, waarbij gebruik gemaakt wordt van aanwezige kwaliteiten. In de zin van rust en ruimte wordt gestreefd naar behoud en versterking van de werkgelegenheid en een regelmatige ontwikkeling van de werkgelegenheid in kansrijke sectoren als recreatie en toerisme, (niet) commerciële dienstverlening.'

Nijverheid is een stabiele economische sector van betekenis. De trend is dat het aantal arbeidsplaatsen licht daalt als gevolg van globalisering. Veel investeringen waardoor arbeidsproductiviteit stijgt. Door specialisatie en aansluiting op kennis- en innovatiecentra kan de sector zich handhaven in nichemarkten.

Bereikbaarheid is een absolute voorwaarde voor deze en andere sectoren. Enerzijds moet de aantakking op het regionale en rijkswegennet verbeterd worden, anderzijds moeten ook de wegen binnen de gemeente een goede doorstroming van het vrachtverkeer mogelijk maken. In samenspraak met omliggende gemeenten zal gezocht worden naar oplossingen voor verbetering van de regionale ontsluiting.

Daarnaast is bereikbaarheid via snelle en toekomstvaste telecommunicatieverbindingen een absolute voorwaarde om een concurrerende positie te kunnen blijven houden.

Het bedrijfsleven is gebaat bij een vitale samenleving. Met name een verbetering van het woningaanbod voor jongeren zal meer jongeren aan de gemeente binden, waardoor de benodigde verjonging van het werknemersbestand kan optreden.

4.4.7 Monumenten, archeologisch en cultuurhistorisch beleid     

De gemeente Bronckhorst kent een Erfgoedverordening waarin de aanwijzing en bescherming van gemeentelijke monumenten is geregeld en waarin het archeologiebeleid is vastgelegd. In september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Deze wet verplicht de raad om bij vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en daarvoor regels op te nemen. De Wamz wijst het bestemmingsplan aan als planmodel waarin de archeologische waarden en verwachtingen moeten worden geborgd. Instrument daarvoor is de archeologische waarden- en verwachtingskaart.

De gemeente Bronckhorst heeft een archeologische waarden- en verwachtingskaart en een archeologische beleidskaart. De archeologische waarden- en verwachtingskaart is een kaart waarop bekende archeologische vindplaatsen en terreinen staan die door de provincie en de rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een archeologische status. Daarnaast geeft de archeologische waarden- en verwachtingskaart een vlakdekkend en zo gedetailleerd mogelijk overzicht van de archeologische verwachtingen binnen de gemeente. Op de hier vanaf geleide beleidsadvieskaart zijn aan de verschillende verwachtingszones uitvoeringsgerichte adviezen voor het gemeentelijk AMZ (Archeologische MonumentenZorg)–beleid gekoppeld. Deze kaarten samen bieden daarmee zowel inzicht in de bestaande archeologische toestand van het landelijke en het bebouwde gebied van de gemeente alsmede een handvat voor een zorgvuldige omgang met archeologische waarden in de ruimtelijke ordening conform de Wamz en de Wro. Op 11 juli 2013 heeft de gemeenteraad middels wijziging van de erfgoedverordening het meest actuele archeologiebeleid vastgesteld. Dit beleid is gebaseerd op de regionale nota 'Archeologie met beleid - Afwegingskader voor het archeologiebeleid in de Achterhoek'.

De inbreng van cultuurhistorie in ruimtelijk beleid was één van de belangrijkste pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo) in 2009. Het verankeren van de bescherming van cultuurhistorische waarden in ruimtelijke regelgeving is daarbij een belangrijk uitgangspunt. Per 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd dat in de ruimtelijke ordening "rekening wordt gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten". Historische (stede)bouwkunde en historische geografie moeten worden meegenomen in de belangenafweging. Het gaat niet meer alleen om het beschermen van tot monument aangewezen panden en objecten en archeologische waarden, maar ook om andere waardevolle objecten en structuren. Concreet betekent dit dat gemeenten de cultuurhistorie als vast onderdeel mee gaan nemen in structuurvisies, met een doorwerking ervan in bestemmingsplannen.

De gemeente Bronckhorst heeft een cultuurhistorische gebiedsbeschrijving gemaakt om inzichtelijk te krijgen wat de cultuurhistorische waarden in de gemeente zijn. Met deze cultuurhistorische beschrijving geeft de gemeente inzicht in de ontstaansgeschiedenis van het gemeentelijk grondgebied en in de bijbehorende cultuurhistorische waarden. In het bijbehorende SWOT-analyse is aangegeven wat op dit vlak de sterke en zwakke punten zijn en waar kansen en bedreigingen liggen. De beschrijving is bruikbaar voor het inpassen in diverse beleidsstukken. Daarnaast is het behulpzaam bij het ontwikkelen van een visie op toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen rondom de cultuurhistorische waarden. De doelgroep van dit project is tweeledig. Enerzijds zijn de resultaten bedoeld als bruikbare instrumenten voor de bestuurders en ambtenaren van de gemeente Bronckhorst. Anderzijds is het uiteindelijk de burger binnen gemeente Bronckhorst die gebaat is bij een degelijke cultuurhistorische beschrijving en aanvullende beleidsnotities. Omdat de gemeente Bronckhorst een groot belang hecht aan de bijdrage van cultuurhistorie aan de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente, en om de cultuurhistorische kenmerken en kansen te verankeren in beleid, koos de gemeente ervoor om cultuurhistorisch beleid vast te leggen in een thematische structuurvisie cultuurhistorie. De structuurvisie geeft input bij de onderbouwing van de omgang met cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplan. In de structuurvisie is de gemeente verdeeld in de volgende drie gebieden, hetgeen de basis vormt van het gemeentelijke cultuurhistorische beleid:

  • Cultuurhistorisch vrije gebieden
    1. geen leidraad vanuit cultuurhistorie voor ontwikkelingen
    2. cultuurhistorie als vrije inspiratie
    3. gemeente vraagt niets en biedt enthousiasme en welwillendheid
  • Cultuurhistorische kansgebieden
    1. cultuurhistorie als kans en inspirerende leidraad
    2. cultuurhistorie levert een bijdrage aan ontwikkelingen en de ontwikkelingen versterken de cultuurhistorie
    3. gemeente faciliteert en inspireert
  • Cultuurhistorische topgebieden
    1. cultuurhistorie als uitgangspunt
    2. ontwikkeling versterkt cultuurhistorie
    3. gemeente faciliteert, stimuleert en werkt mee

Naast deze drie gebieden zijn tevens cultuurhistorische ensembles en hotspots omschreven. Het gaat om cultuurhistorische structuren en elementen die op het schaalniveau van de gemeente van belang zijn. Ze geven karakter en kleur aan de deelgebieden en kunnen als inspiratie of leidraad dienen bij ontwikkelingen.

De Structuurvisie cultuurhistorie Bronckhorst is op 31 oktober 2013 door de raad vastgesteld en op 9 januari 2014 in werking getreden.

4.4.8 Welstandsnota     

De herziening van de Woningwet, die 1 januari 2003 in werking is getreden, heeft onder meer als doel, het inzichtelijk maken van de beoordeling van de aanvragen voor bouwplannen door de welstandscommissie. Die beoordeling zelf is niet veranderd en betreft 'de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in zijn omgeving, van het bouwwerk op zichzelf en van de toegepaste details, materialen en kleuren'. Nieuw is de vaststelling van de nota door de gemeenteraad.

De welstandsnota bevat de criteria die gelden bij de beoordeling van bouwplannen door de welstandscommissie. De reden voor dit nieuwe beleidsinstrument is én de gemeenteraad én de burger te betrekken bij het welstandsbeleid, zodat dit beleid voor een ieder inzichtelijk wordt.

De formulering luidt, dat de plannen moeten voldoen 'aan redelijke eisen van welstand'. Thans is het al lang niet meer zo dat overal op dezelfde wijze naar de plannen wordt gekeken; eerst wordt de aanvraag al getoetst aan het bestemmingsplan; in nieuwe plangebieden bepalen daarnaast beeldkwaliteitplannen waaraan de bouwplannen moeten voldoen. In beschermde stads- en dorpsgezichten wordt speciaal gelet op het historische kader. Wat 'redelijk' is voor welstand, hangt dus af van het kader waarbinnen de plannen worden getoetst.

De nota brengt samenhang in die toetsingskaders en de daarbij behorende criteria en presenteert deze overzichtelijk en inzichtelijk. Met vaststelling van de welstandsnota door de gemeenteraad kan de welstandsbeoordeling alleen nog maar gebaseerd worden op de criteria die in de welstandsnota worden genoemd.

4.4.9 Reclamebeleid     

Op 9 september 2008 hebben B en W het definitieve beleid vastgesteld voor het plaatsen van permanente reclame-uitingen in de gemeente. Hiermee willen zij de beeldkwaliteit in Bronckhorst verhogen en aantasting van de architectuur voorkomen. Een rustig en overzichtelijk straatbeeld verhoogt de beeldkwaliteit en creëert een toegankelijke en veilige openbare ruimte voor bezoekers, bewoners en hulpdiensten. Daarnaast biedt dit beleid rechtszekerheid voor ondernemers, die hun bedrijf op de kaart willen zetten, door duidelijke richtlijnen te stellen. Het nieuwe reclamebeleid staat in verband met de Welstandsnota en is afgestemd op de functie van de verschillende delen van de gemeente (gebiedsgerichte benadering), die hierin is opgenomen. In het ene gebied mag meer dan in het andere.

Richtlijnen

De gemeente maakt in het reclamebeleid onderscheid in algemene en gebiedsgerichte richtlijnen. Alle reclame-uitingen moeten aan de algemene richtlijnen voldoen. Het gaat hierbij om functioneel, technische eisen (reclame-objecten moeten een verband hebben met de activiteiten van het bedrijf, het gebruikte materiaal moet deugdelijk zijn etc.), verkeersveiligheidseisen (er mag geen overlast zijn voor gebruikers van nabijgelegen onroerend goed, er mag geen sprake zijn van uitzichtbelemmering etc.) en welstandsaspecten (eisen ten aanzien van het uiterlijk van het reclameobject; de uiting moet bij voorkeur een verrijking zijn van gevels en de openbare ruimte/nabije omgeving etc). Ook geldt dat alle reclame-uitingen op eigen terrein moeten worden geplaatst. Voor de gebiedsgerichte richtlijnen is het uitgangspunt dat de reclame moet passen binnen de functie van het karakter van een gebied. Zo verdienen historische centra een extra bescherming en zijn er op bedrijven- en kantoorterreinen meer mogelijkheden voor reclame.



Veel bedrijven hebben een huisstijl en/of huiskleuren die zij willen gebruiken in hun reclame-uitingen. Deze spelen geen overwegende rol in de beoordeling van de aanvraag om een vergunning voor reclameobjecten.

Gebieden

De gemeente onderscheidt op haar grondgebied onder andere de volgende gebieden: bebouwde kom, bedrijventerreinen, sportterreinen, buitengebied (buiten de bebouwde kom), beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. Per gebied zijn regels opgesteld voor reclame-uitingen. Voor het buitengebied geldt bijvoorbeeld in principe dat alle reclame-objecten ontoelaatbaar zijn. Om ondernemers in het buitengebied echter niet te benadelen, zijn enkele reclamevormen toegestaan onder bepaalde voorwaarden:

  • reclameborden moeten een direct verband hebben met de activiteiten, die de ter plaatse gevestigde ondernemer op dat perceel uitoefent;
  • in totaal zijn maximaal twee reclameobjecten toegestaan per onderneming.

Verwijsborden

Het is moeilijk te bepalen waar bewegwijzering eindigt en reclame begint. De gemeente ontwikkelt beleid om de vraag naar verwijsborden te kunnen reguleren en wil een uniform bewegwijzeringsysteem voor heel Bronckhorst realiseren. Op dit moment is alleen een keuze gemaakt in toeristische bewegwijzering. Het overige bewegwijzeringsbeleid is nog in ontwikkeling. Om niet alle vormen van verwijzing naar een onderneming te verbieden, is in het nieuwe reclamebeleid voor een tussenoplossing gekozen. Op het moment dat de beleidsnota met regels voor bewegwijzering in werking treedt, komt dit onderdeel hierover in het reclamebeleid te vervallen. Volgens het reclamebeleid geldt voorlopig dat voor nieuwe aanvragen voor bewegwijzering alleen een tijdelijke vergunning afgegeven kan worden.

Overgangsregeling

In Bronckhorst staan, net zoals elders in ons land, veel reclame-objecten. De vergunningen voor deze permanente reclame-uitingen blijven van kracht totdat een eigenaar zijn reclameborden wil vervangen. Dan geldt het nieuwe reclamebeleid. Het nieuwe beleid is nu al wel van kracht voor alle nieuwe aanvragen die binnenkomen. Deze worden hieraan getoetst. Reclame-objecten die zonder vergunning zijn geplaatst, zijn in principe illegaal en moeten verwijderd worden.

Handhaving

In 2007 is de hele gemeente in beeld gebracht op panoramafoto's. Op de foto's zijn alle aanwezige reclame-uitingen vanaf de verharde rijweg zichtbaar, voor zover openbaar en redelijkerwijs toegankelijk. Deze foto's zijn voor de gemeente de nulsituatie. Van de reclame-uitingen die op de foto's zichtbaar zijn, wordt uitgezocht of ze met een vergunning zijn geplaatst. Niet vergunde objecten zijn niet toegestaan en moet de eigenaar verwijderen. Voor vergunde objecten die niet voldoen aan de nieuwe reclameregels geldt zoals aangegeven de overgangsregeling. De gemeente zet handhaving in om toe te zien op het naleven van de regels rond reclame-uitingen.

Relatie met ander gemeentelijk beleid 

Naast de regels in het reclamebeleid, kunnen voor het al dan niet vergunnen van reclame-uitingen, bepaalde voorschriften die zijn opgenomen in gemeentelijke bestemmingsplannen van kracht zijn. Deze gaan vóór op de regels in het reclamebeleid. Verder vormt het reclamebeleid dus een aanvulling op de Welstandsnota.

4.4.10 Groenstructuurplan     

Het "Groenstructuurplan voor het openbaar groen" heeft tot doel om vanuit een gezamenlijke visie de gewenste groenstructuur en de gewenste kwaliteit van het groen vast te leggen en zowel kwantitatief als kwalitatief in stand te houden. Het in 2008 vastgestelde groenstructuurplan heeft een looptijd van 15 jaar en fungeert als toetsingskader voor het behouden, verwerven en afstoten van het groen. Het plan is ontwikkeld op basis van de ambities van de verschillende sleutelfiguren (onder andere ambtelijk apparaat, burgers, bestuur) in het openbaar groen. Samen hebben zij de inhoud bepaald. Het geeft een kader voor ontwerpen, inrichtingsvoorstellen en beheerplannen, levert randvoorwaarden voor de beleids- en beheerplannen voor alle deelproducten en behartigt het openbaar groen in de dorpen en de kernen in de gemeente, inclusief de sportcomplexen en begraafplaatsen die in de dorpen of kernen liggen of er aan grenzen. Tevens bevat het een aantal uitgangspunten voor het bereiken van de doelstelling.

4.4.11 Speelruimteplan     

Het Speelruimteplan Gemeente Bronckhorst maakt op basis van demografische ontwikkelingen keuzes voor vermindering van het aantal speelplaatsen en -plekken. Doel is een passen en aantrekkelijke speelruimte die goed verdeeld is over de Bronckhorster jeugd.

De landelijke gehanteerde richtlijn voor speelplekken in plattelandsgemeentes is 1 speelplek per 30 tot 100 kinderen. Uit de analyse van onze speelruimte blijkt dat Bronckhorst volgens deze richtlijn ruim bedeeld is wat betreft speelvoorzieningen. Terwijl in Bronckhorst een afname van het aantal kinderen wordt verwacht. Bronckhorst heeft gemiddeld 2,8 speelplekken per 100 kinderen. Wij streven naar het gemiddelde van 1 plek per 100 kinderen als basisniveau voor speelvoorzieningen. Concreet betekent dit voor wijken of dorpen met:

  • minder dan ca. 30 kinderen geen traditionele speelplek maar informele speelruimte;
  • tussen de ca. 30 tot 100 kinderen een kleine speelplek;
  • rond de 100 kinderen een centrale speelplek, met iedere ca. 50 kinderen extra, een kleine speelplek extra.

Het basisniveau speelvoorzieningen realiseren we in 6 jaar. Van de 95 speelplekken (2013) vallen er 36 buiten het basisniveau. Deze plekken hebben geen functie meer en worden ingericht als openbaar groen. Op 31 van de te behouden speelplekken verminderen we het aantal toestellen door een toestel op termijn niet meer te vervangen. Op 12 speelplekken plaatsen wij toestellen bij en maken de groene omgeving rond de speelplek ook geschikt voor spelen.

4.4.12 Landschapsontwikkelingsplan Bronckhorst, Lochem en Zutphen     

Op 25 juni 2009 heeft de raad van Bronckhorst het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het buitengebied vastgesteld. Dit beleidsplan is door de gemeenten Bronckhorst, Lochem en Zutphen gezamenlijk opgesteld. Het doel van het LOP is om een stimuleringskader te bieden voor het landelijke gebied en de gewenste initiatieven te ondersteunen, wat moet leiden tot verder behoud en versterking van het landschap. Hierbij wordt rekening gehouden met bestaande plannen. Het LOP is uitgewerkt in de gemeentelijke structuurvisie Bronckhorst 2012 dat als basis voor bestemmingsplannen dient.

Conform het landschapsbeleid geldt onder meer een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde voor ontwikkelingen in het buitengebied, onder meer functieverandering, uitbreidingen van bebouwing, bedrijventerreinen en wegenaanleg. Daarbij dient gelet te worden op de vormgeving van nieuwe bebouwing, de situering van nieuwe gebouwen ten opzichte van de reeds bestaande gebouwen en de wijze waarop de nieuwe gebouwen zich verhouden tot de ruimere omgeving in het betreffende landschapstype. Dit doel wordt door de aanleg van streekeigen beplanting gerealiseerd en leidt tot een verhoging van de landschappelijke kwaliteit.

4.4.13 Verkeersbeleid     

Op 28 juni 2007 heeft de gemeenteraad het Gemeentelijk Verkeer en Vervoerplan (GVVP) vastgesteld. Dit plan geeft zodanig sturing aan de ontwikkeling van de mobiliteit dat de kwaliteit van zowel de bereikbaarheid, de leefbaarheid als de verkeersveiligheid in de gemeente wordt gewaarborgd.

Het GVVP is van cruciaal belang omdat hierin de toekomstige beleidskaders voor de gemeente Bronckhorst zijn vastgelegd. Er is onderscheid gemaakt in de volgende thema's:

  • Verkeersveiligheid: eenduidige inrichting van wegen volgens de duurzaam veilig filosofie.
  • Bereikbaarheid: definiëren van verkeersaantrekkende locaties (woon, werk of bijvoorbeeld recreatieve locaties), benoemen van routes tussen hoofdwegen en deze verkeersaantrekkende locaties, beschrijven van bereikbaarheidsniveaus, prioriteren van locaties.
  • Leefbaarheid: benoemen van kwetsbare gebieden en robuuste wegen, beschrijven van acceptabele grenzen voor intensiteit, milieu en geluid en benoemen van voorwaarden.

4.4.14 Parkeerbeleid     

Op 16 december 2013 hebben burgemeester en wethouders de beleidsregels 'Parkeernormen Gemeente Bronckhorst' vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 25 december 2013 in werking getreden. De beleidsregels bevatten parkeernormen die dienen als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en waar initiatiefnemers van ruimtelijke activiteiten aan moeten voldoen.

De parkeernormen geven aan hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor een bepaalde functie. Het kan gaan over woningen, kantoren en supermarkten maar bijvoorbeeld ook over een camping of een manege. Iedere functie heeft een eigen parkeernorm. De normen die in deze beleidsregels zijn opgenomen komen uit publicatie "kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW. Niet alle functies zijn opgenomen in de beleidsregels. Voor functies die niet in de beleidsregels staan hanteren wij als uitgangspunt de maximale norm uit de CROW publicatie 'kencijfers voor parkeren en verkeersgeneratie'.

De parkeernormen worden gebruikt om praktische en wettelijke redenen. Praktisch is het handig om met elkaar af te spreken hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn per functie. Op deze manier kan de gemeente van te voren toetsen of een nieuw of aangepast plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Hiermee wordt achteraf getouwtrek en mogelijke parkeeroverlast in de toekomst voorkomen. Wettelijk gezien vloeit het gebruik en toepassen van parkeernormen voort uit de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Binnen de Wro speelt het bestemmingplan een centrale rol. Hierdoor verdwijnen de stedenbouwkundige bepalingen uit de Bouwverordening. Een eis voor voldoende parkeergelegenheid is zo'n stedenbouwkundige bepaling. Nu deze niet meer middels de bouwverordening worden geregeld, moeten de parkeernormen op een andere manier vastgesteld worden. Het vastleggen in beleidsregels, als toetsingskader voor het opstellen van ruimtelijke plannen en beoordeling van verzoeken om medewerking aan ruimtelijke ontwikkelingen, is een goed instrument voor dit doel.



Bij nieuwe ontwikkelingen of functieveranderingen moet gekeken worden naar het benodigde aantal parkeerplaatsen voor de nieuwe situatie. Is er sprake van een geheel nieuwe situatie dan moet de berekende parkeervraag in zijn geheel toegevoegd worden. Wanneer er sprake is van een functieverandering dan moet het verschil in parkeervraag tussen oude en nieuwe situatie worden toegevoegd. Vraagt de nieuwe functie om minder parkeerplaatsen dan hoeven de, eventueel, te veel aanwezige parkeerplaatsen niet verwijdert te worden.

4.4.15 Milieubeleid     

De gemeente Bronckhorst kende een Milieubeleidsplan 2009-2012. Dit beleidsplan geldt niet meer. Een milieubeleidsplan is niet verplicht en om deze reden is er geen nieuwe meer opgesteld. de gemeente Bronckhorst handelt echter nog wel volgens dit beleid.

Het Milieubeleid van de gemeente Bronckhorst komen allerlei milieu-aspecten aan de orde. Bijvoorbeeld wat de gemeente nu doet en in de toekomst van plan is met belangrijke onderwerpen als afval, klimaat, bodem, geluid, lucht, openbaar groen, externe veiligheid en landschap. Dit milieubeleid geeft de ambities en de richting aan die wordt gevolgd voor wat betreft het te voeren gemeentelijk milieubeleid.

In het milieubeleid worden verbanden gelegd tussen de diverse thematische beleidsplannen. Voor veel onderwerpen is al beleid vastgesteld, zoals afval, klimaat, groen, bodem en geluid. Dit beleid is verwerkt en waar nodig aangescherpt. Er zijn duidelijker doelen opgenomen en maatregelen om die te bereiken. Nieuwe onderwerpen in het milieubeleid zijn een nagenoeg afvalloze maatschappij door nog betere scheidingsmogelijkheden en afval als grondstof voor nieuwe producten en de mogelijkheid van subsidie voor energiebesparende maatregelen bij particuliere woningen.

Duurzaamheid en leefbaarheid zijn actuele thema's en met een aantal maatregelen die in het plan zijn opgenomen zet de gemeente zich hiervoor in. Het verminderen van afval en het bijdragen aan het tegengaan van klimaatsverandering zijn aangegeven als de belangrijkste uitgangspunten. Leefbaarheid richt zich hierbij op de korte termijn, hier en nu, de mensen in hun leefomgeving. Duurzaamheid richt op de langere termijn, de volgende generatie en kijkt over de grenzen heen. Het doel van het milieubeleid is een bijdrage leveren aan het creëren van een gezonde, prettige en duurzame leefomgeving voor nu en in de toekomst.

Ruimtelijke ordening richt zich op de inrichting van de leefomgeving. Als gevolg hiervan heeft ruimtelijke ordening vele raakvlakken met de in dit milieubeleid genoemde thema's (bijvoorbeeld Externe Veiligheid en Geluid). Ten aanzien van ruimtelijke ordening zijn als ambitie en doelstelling opgenomen een duurzame inrichting van de schaarse grond, harmonie tussen de diverse functies en het handhaven daarvan. Om deze doelstellingen te kunnen bereiken zullen de volgende activiteiten worden uitgevoerd:

  • In een vroeg stadium van de ruimtelijke planvorming wordt inzicht verkregen in de gevolgen voor milieu, duurzaamheid en natuur.
  • Elk ruimtelijk plan/besluit wordt voorzien van een afgewogen keuze ten aanzien van milieuaspecten (geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, flora en fauna en waterhuishouding).
  • Toepassen van de afstandcriteria voor externe veiligheid, geluid, geur en lucht.
  • Onderzoeken in hoeverre de bestemmingsplannen voldoen aan de normen met betrekking tot externe veiligheid (risicovolle planologische situaties worden zoveel mogelijk voorkomen en de gewenste veiligheidsituatie wordt planologisch vastgelegd).
  • Onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om duurzaamheid te integreren in bestemmingsplannen.

Met het milieubeleid wordt bij het uitoefenen van gemeentelijke taken, waaronder ruimtelijke ordening, rekening gehouden.

4.4.16 Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen     

Op 27 oktober 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) van kracht geworden. In het BEVI zijn risiconormen opgenomen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijke vastgelegd. Het besluit verplicht het bevoegd gezag op grond van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Tevens beperkt het besluit het totale aantal personen dat zich in de directe omgeving van een risicovol bedrijf mag bevinden. Gemeenten moeten de normen uit het besluit naleven bij het opstellen en wijzigen van bestemmingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen. Tevens moet de brandweer om advies worden gevraagd. Afstemming tussen de drie taakvelden ruimtelijke ordening, milieu en rampenbestrijding is zodoende van groot belang.

Het Beleid externe veiligheid inrichtingen heeft betrekking op het beheersen van risico's die ontstaan bij het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen. Het beleid besteedt aandacht aan de onderwerpen waar de gemeente Bronckhorst bevoegdheden of instrumenten heeft via de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Wet milieubeheer. Het Beleid externe veiligheid inrichtingen heeft geen betrekking op het beheersen van risico's die ontstaan bij het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor of door buisleidingen.

Voor de totale gemeente Bronckhorst heeft de gemeenteraad op 25 september 2008 een Beleidsvisie Externe Veiligheid Inrichtingen vastgesteld. De ambitie van de gemeente is om “de gemeente Bronckhorst in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken in samenwerking met alle partners”. De belangrijke beleidskeuzes zijn als volgt:

Plaatsgebonden risico

In aansluiting op de ambitie is het plaatsgebonden risico het minimale beschermingsniveau die aan personen geboden moet worden. Gezien het wettelijke kader en de kosten die een passende oplossing met zich meebrengt, is het niet realistisch om de risico's voor de reeds aanwezige beperkt kwetsbare objecten, gelegen binnen de gestelde norm, te beperken. Binnen de gemeente Bronckhorst wordt de hoogst mogelijke bescherming van de kwetsbare objecten gegeven zonder de bestaande knelpunten direct te saneren.

Bescherming nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten: Beperkt kwetsbare objecten zijn binnen de richtwaarde toegestaan. Er wordt gestreefd (bij beslissingen Wet op de Ruimtelijke Ordening of Wet milieubeheer ) om de risico's zoveel mogelijk te beperken en eventueel te saneren. Nieuwe nog te realiseren beperkt kwetsbare objecten worden binnen de gestelde richtwaarde niet toegestaan.

Groepsrisico

De visie van de gemeente Bronckhorst is om de gemeente in subjectieve en objectieve zin veiliger te maken. Bij deze visie sluit de beleidsmogelijkheid toename van het groepsrisico is niet toegestaan het meest aan. In deze situatie kunnen er geen nieuwe onveilige situaties ontstaan en zullen reeds aanwezige onveilige situaties worden bevroren.

Een zeer groot nadeel is, dat deze visie voor bedrijven waarvoor het beleid van toepassing is een grote beperking oplegt. Reeds bestaande bedrijven kunnen door het hanteren van de deze ambitie niet meer uitbreiden en nieuwe (externe veiligheidrelevante) bedrijven kunnen zich niet binnen de gemeente vestigen. Daarnaast leidt deze ambitie ertoe dat er binnen de invloedssfeer van de inrichting geen planontwikkeling mogelijk is. Het realiseren van nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten is niet mogelijk en het veranderen van bestemmingen is alleen nog mogelijk indien dit geen negatieve gevolgen heeft voor de risico's. Daarnaast is het de vraag of de algemene visie van de gemeente Bronckhorst strikt toegepast moet worden voor alle gebieden van de gemeente.

Om de algemene visie van de gemeente Bronckhorst te volgen en tegemoet te komen aan de nadelen, wordt een gebiedsgerichte benadering toegepast die onderscheidt maakt in:

Ruimte voor wonen: woongebieden, landelijk gebied, gemengd wonen en werken

Voor de woongebieden, het landelijk gebied en gemengd wonen en werken biedt de gemeente Bronckhorst de maximale bescherming aan (beperkt) kwetsbare objecten, ook als dit ten koste gaat van de ontplooiingsruimte van bedrijven. Voor deze gebieden is een toename van het groepsrisico niet toegestaan. Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt maar dat de kans op een calamiteit of door een vergroting van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot de oriëntatiewaarde onder de voorwaarde dat de risico's worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen.

Ruimte voor bedrijvigheid: bedrijven en industrieterreinen

Voor de gebieden waarvoor een bestemmingsplan is vastgesteld met de bestemming bedrijventerrein c.q. industrieterrein wordt gestreefd naar een optimale combinatie van gewenste ruimtelijke en economische ontwikkelingen. Daarbij zijn er mogelijkheden om te wonen en te werken waarbij bedrijven de mogelijkheid hebben om zich te vestigen en activiteiten te ontplooien. Voor dit gebied “ruimte voor bedrijvigheid” legt het hanteren van de algemene visie een ongewenst grote beperking op. Om deze reden mag in deze gebieden het groepsrisico toenemen tot aan de oriëntatiewaarde.

Bij een beoordeling van een planontwikkeling of een aanvraag voor een Wet milieubeheer vergunning kan blijken dat het aantal personen in een invloedsgebied toeneemt tot boven de oriëntatiewaarde maar dat de kans op een calamiteit of door het vergroten van de zelfredzaamheid de risico's ter plaatse afnemen. Het is in die situaties niet logisch om deze veranderingen niet door te voeren. In die gevallen is een toename van het groepsrisico toegestaan tot boven de oriëntatiewaarde onder de voorwaarden:

  1. De risico's moeten ten gevolge van pro-actieve of preventieve maatregelen worden verbeterd ten opzichte van de dan geldende situatie.
  2. Binnen de invloedssfeer van de inrichting mogen uitsluitend nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden gerealiseerd. Nieuwe kwetsbare objecten mogen niet binnen de invloedsfeer van de inrichting worden gerealiseerd.
  3. De oriëntatiewaarde mag worden overschreden. Het totaal aantal personen dat zich in de invloedssfeer bevindt in kwetsbare objecten mag de oriëntatiewaarde niet overschrijden. Een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het aantal personen in kwetsbare objecten is niet toegestaan.

4.4.17 Geluidsbeleid     

De gemeente Bronckhorst heeft in concept een geluidnota opgesteld. In deze nota wordt het grondgebied van Bronckhorst verdeeld in een aantal zogenaamde gebiedstypen. Voor elk gebiedstype wordt een bepaalde geluidskwaliteit nagestreefd door het hanteren van gebiedspecifieke streef-, grens- en plafondwaarden. Op deze wijze kunnen bepaalde activiteiten vanwege hun geluidproductie wel of niet toegelaten worden in een bepaald gebied. Het geluidbeleid is op deze wijze een ordenend instrument.



De gemeente wil dit beleid toepassen op alle inrichtingen die onder de Wet milieubeheer vallen. Voor de inrichtingen onder de werkingsfeer van het zogeheten Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) is de toepassing alleen mogelijk indien de gebiedstypen met hun geluidwaarden zijn vastgelegd in een verordening, overeenkomstig artikel 2.19 van genoemd besluit. Dit artikel is echter nog niet in werking getreden waardoor de gemeente haar beleidsvisie verwoord in de geluidsnota vooralsnog niet in de praktijk kan brengen. Om deze reden is de gemeente nu nog gehouden de bestaande wet- en regelgeving toe te passen.

4.4.18 Duurzaamheidsbeleid     

De gemeente streeft naar duurzaamheid en wil inzetten op het gebruik van alternatieve energiebronnen, met name biogas en zonne-energie. Daartoe heeft de gemeenteraad op 27 september 2012 de 'Duurzaamheidsagenda Bronckhorst 2013 - 2016' vastgesteld.

Het duurzaamheidsbeleid van de gemeente is afgestemd op de EU-doelen voor Nederland en voorziet in een reductie van CO2-uitstoot met 20% en het toepassen van 14% duurzame energie in 2020. Daarnaast is het de ambitie van de gemeente om in 2030 energieneutraal te worden.

De gemeente ziet duurzaamheid als een kans voor economische groei. Door het innovatieve karakter liggen er kansen om nieuwe, vaak kennisintensieve werkgelegenheid te scheppen. Het duurzaamheidsbeleid geeft een belangrijke impuls aan de leefbaarheid in de gemeente en aan de lokale en regionale economie.

Lokale initiatieven zijn essentieel voor een duurzaam klimaat. Naast initiatieven om haar eigen bedrijfsvoering energieneutraal te maken, heeft de gemeente het plan om ook met inwoners, dorpsbelangenorganisaties en bedrijven gezamenlijk duurzaamheidsprojecten op te starten en zo bijvoorbeeld de kernen energieneutraal te maken. De gemeente wil deze lokale initiatieven faciliteren.

In de Duurzaamheidsagenda worden tenslotte de speerpunten en belangrijkste acties bij het creëren van een duurzame en groene economie vermeld. Deze speerpunten zijn: klimaat & energie, grondstoffen & produktketens, duurzame gebouwde omgeving, duurzame mobiliteit, duurzame economie en duurzame energieproductie.

4.4.19 Waterbeleid     

De gemeente Bronckhorst sluit ten aanzien van waterhuishouding aan op het beleid van het 'Waterbeleid voor de 21e eeuw' (zie ook paragraaf 4.1.4) en beleid van het Waterschap Rijn en IJssel ten aanzien van integraal waterbeheer zoals dat in het Waterbeheerplan 2010-2015 en de Watervisie is vastgelegd.

Het Waterbeheerplan beschrijft het beleid op hoofdlijnen voor de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de waterkeringen in het beheersgebied van het waterschap. Het plan sluit aan op de beleidskaders van de provincie Gelderland en het Rijk, zoals opgenomen in het provinciale waterhuishoudingsplan en de Kaderrichtlijn Water. De hoofdthema's in het waterbeheerplan zijn veiligheid, watersysteembeheer en waterketenbeheer.

In de Watervisie geeft het Waterschap aan hoe ze aankijken tegen de gewenste ruimtelijke inrichting van het werkgebied om de wateropgaven waarvoor ze de komende vijftig jaar staan, duurzaam op te lossen.

4.4.20 Prostitutiebeleid     

Met ingang van 1 oktober 2000 is tengevolge van wijziging van zedelijkheidswetgeving de opheffing van het algemene bordeelverbod in werking getreden. Met de opheffing van dit verbod is een einde gekomen aan het illegale karakter van deze prostitutiebedrijven. De verwachting bestaat dat van deze wetswijziging een sanerende werking uitgaat en uiteindelijk zal leiden tot een betere regulering van de prostitutiebranche.

Ondanks het feit dat deze bedrijvigheid in Bronckhorst momenteel niet voorkomt, is de opheffing van het bordeelverbod voor de gemeente aanleiding geweest om de eventuele vestiging en exploitatie van de aan de seksindustrie gelieerde bedrijven/activiteiten planologisch nader te reguleren.

In de bestemmingsplannen van Bronckhorst is de vestiging van een sexinrichting in eerste aanleg uitgesloten. Middels een wijzigingsbevoegdheid kan onder voorwaarden het vestigen van maximaal één seksinrichting in een daarvoor aangewezen zone worden toegelaten. Bij het bepalen van die zone is rekening gehouden met de uitstraling die een sexinrichting heeft naar de omgeving.

4.4.21 Handhavingsbeleid     

Op grond van de huidige rechtspraak is het college van burgemeester en wethouders niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht om tot handhaving over te gaan. Het college heeft een handhavingsbeleid opgesteld waarin gemotiveerd wordt aangegeven welke doelen het zichzelf stelt bij de handhaving en welke activiteiten het daartoe zal uitvoeren. Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich naar het oordeel van het college kunnen voordoen op basis van prioritering en de benodigde en beschikbare financiële en personele middelen.

Het beleid richt zich op de zogenaamde preventieve en repressieve vormen van handhaving. Onder deze vormen van handhaving wordt het volgende verstaan.

Preventieve handhaving

Preventief handhaven is gericht op het voorkomen van overtredingen. Onderzoeken hebben aangewezen dat veel overtredingen vaak onbewust plaatsvinden. Goede voorlichting, via brochures, voorlichtingsbijeenkomsten, herhaalde informatie in het gemeentelijke nieuwsbulletin, actieve benadering doelgroepen etc. kunnen er toe leiden dat overtredingen worden voorkomen.

Repressieve handhaving

Deze vorm van handhaving ziet op het beëindigen van de overtreding door het inzetten van sanctiemiddelen. Bestuursdwang en een dwangsom zijn de meest voorkomende instrumenten die de gemeente tot haar beschikking heeft. Voordat deze instrumenten worden ingezet kan in overleg met de overtreder vaak een oplossing bereikt worden. In dat kader wordt er een belangenafweging gemaakt tussen het belang van de overtreder en het algemeen belang.

Gedogen Het is niet altijd mogelijk, nodig of zelfs wenselijk dat tegen elke vorm van overtreding van een beleidsregel wordt opgetreden. Niet mogelijk, omdat soms teveel overtredingen worden begaan om daartegen op te treden; niet nodig omdat steekproefsgewijs controles en sancties een preventief effect kunnen hebben; niet wenselijk omdat er andere zwaarwegende belangen kunnen zijn die zich tegen handhaving verzetten. Er is/wordt ten aanzien van bestemmingsplannen geen algemeen gemeentelijk gedoogbeleid ontwikkeld.

De handhaving van c.q. het toezicht op de ruimtelijke ordening is aangestuurd vanuit het handhavingsprogramma van de gemeente Bronckhorst. Het toezicht vindt onder meer plaats vanuit de thema’s permanente bewoning, klachten verzoeken om handhaving en eigen constateringen.

Wanneer een overtreding wordt geconstateerd wordt via een vaste werkwijze opgetreden. Deze werkwijze is vastgelegd in de nota “Sanctiestrategie Fysieke Leefomgeving’. Voordat wordt gecorrigeerd wordt eerst de legalisatiemogelijkheid onderzocht.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten     

In dit hoofdstuk worden de juridische aspecten van het plan toegelicht. Na een algemene aspecten (paragraaf 5.1) wordt er stilgestaan bij de opbouw van de regels (paragraaf 5.2) en de inhoud van de regels, zoals de wijze van bestemmen (paragraaf 5.3).

5.1 Algemeen     

Dit bestemmingsplan is opgesteld overeenkomstig de RO Standaarden zoals opgenomen in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het plan voldoet aan het Informatiemodel ruimtelijke ordening 2012 (IMRO2012), de Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten 2012 (STRI2012), het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening Planteksten 2012 (IMROPT2012), de Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012) en de Praktijkrichtlijn Analoge Bestemmingsplankaart (PRABPK2012).

Het juridisch bindend deel van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de verbeelding tezamen.

Uitgangspunt voor de regels en de verbeelding is het handboek van de gemeente Bronckhorst, welke gebaseerd is op de SVBP2012 en de PRABPK2012. Daarnaast bevat het plan regels die de Wet ruimtelijke ordening voorschrijft. De basis voor de verbeelding is de Grootschalige basiskaart Nederland (GBKN) en de Kadastrale kaart (LKI).

Door gewijzigde wet- en regelgeving voor vergunningvrij bouwen, zijn er ruimere mogelijkheden ontstaan voor aanpassingen aan gebouwen en het realiseren van andere bouwwerken, zowel binnen als buiten de beschermde gezichten. Dit geldt met name voor bepaalde aanpassingen van gebouwen aan de achterzijde en andere werken in openbaar gebied. Bij niet-monumentale gebouwen zijn deze mogelijkheden ruimer dan bij monumentale gebouwen. Hierdoor is het voor een aantal bouwactiviteiten niet langer nodig om daarvoor regels in het bestemmingsplan op te nemen.

5.2 Opbouw regels     

5.2.1 Algemeen     

De regels zijn opgedeeld in vier hoofdstukken:

Hoofdstuk 1 bevat Inleidende regels waarin de onderdelen Begrippen en Wijze van meten zijn opgenomen. Deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.

Hoofdstuk 2 bevat Bestemmingsregels waarin de diverse bestemmingen zijn opgenomen. De artikelen met de bestemmingen hebben een min of meer vaste opbouw.

Hoofdstuk 3 bevat Algemene regels, die van algemeen belang zijn voor het plan.

Hoofdstuk 4 bevat tenslotte Overgangs- en slotregels.

5.2.2 Functies     

De indeling in bestemmingen is gebaseerd op de gewenste hoofdfunctie van het gebied. Het grootste deel van de kom heeft een woonfunctie en is bestemd voor 'Wonen'. Incidenteel komen hiernaast niet-woonfuncties voor, zoals 'Bedrijf', 'Cultuur en ontspanning', 'Detailhandel', 'Horeca', 'Kantoor' (incl. dienstverlening) en 'Maatschappelijk'. Deze hebben elk hun eigen bestemmingsregeling gekregen.

Voor het centrum is de algemene bestemming 'Centrum' opgenomen, waarbinnen meerdere functies uitwisselbaar zijn. Op deze manier wordt voor dit gebied een flexibele regeling voorgestaan, waarbinnen functiewisselingen vrij mogelijk zijn.

De productiegerichte bedrijvigheid is geconcentreerd op bedrijventerreinen dat de bestemming 'Bedrijventerrein' heeft gekregen. Voor een groot aardappelverwerkend bedrijf is de specifieke bestemming 'Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie' opgenomen. Eén groter productiebedrijf ligt niet op het bedrijventerrein en heeft daarom de specifieke bestemming 'Bedrijf - Melkverwerkende industrie'.

Ook sportvelden concentreren zich op enkele locaties aan de randen van de kernen. Deze zijn ondergebracht in de bestemming 'Sport'.

In het plangebied komt één camping voor die de bestemming 'Recreatie' heeft gekregen.

Op enkele plekken komen accommodaties en complexen voor waar diverse functies zijn ondergebracht of waar, buiten de centrumgebieden, het samengaan van diverse functies mogelijk is. Deze hebben de bestemming 'Gemengd', 'Gemengd - 1', 'Gemengd - 2' en 'Gemengd - 3' gekregen.

In het plangebied komen nog enkele agrarische bedrijven voor. Deze liggen in de bestemming 'Agrarisch'. Een kwekerij heeft de specifieke bestemming 'Agrarisch - Kwekerij' gekregen.

Enkele grotere nutsvoorzieningen zoals transformatorhuisjes en gasregelstations hebben de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' gekregen.

Naast bovengenoemde (deels) bebouwde functies kent het plangebied onbebouwde ruimten, grotendeels openbaar, die onderscheiden zijn in de bestemmingen 'Verkeer', 'Verkeer - Railverkeer', 'Groen' en 'Water'.

Aan de randen van de kernen bevinden zich ook (semi)agrarische gronden. Dit zijn grotendeels weilanden waarop hobbymatig dieren worden gehouden of gronden waarop hobbymatig gewassen worden verbouwd. Deze zijn bestemd als 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur''. De diverse bospercelen om deze agrarische gronden, maar ook enkele percelen in de kern, zijn bestemd als 'Bos'.

Tot slot zijn er in het bestemmingsplan enkele dubbelbestemmingen opgenomen. 'Waarde - Archeologie', 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' ter bescherming van de in de bodem aanwezige en verwachte archeologische waarden. 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' en 'Waarde - Beschermd dorpsgezicht' ter bescherming van de rijksaangewezen stads- en dorpsgezichten van Bronkhorst, Hummelo en Laag-Keppel. 'Leiding - Gas' en 'Leiding - Riool' ter bescherming van een ondergrondse gas- en rioolleidingen. 'Waterstaat - Waterkering' ter bescherming van waterkeringen en 'Waterstaat - Waterlopen' ter bescherming van waterlopen.

5.2.3 Bebouwing     

In het bestemmingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen (hoofd)gebouwen en bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen, aan- en uitbouwen, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de situering en maatvoering van bouwwerken is het belangrijk dat er regels zijn opgenomen met betrekking tot:

Bouwwijze

Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat de bestaande situatie op een goede manier dient te worden gereguleerd. Doelstelling is dat het centrum en de woonwijken in hun karakter gehandhaafd blijven. Dit betekent dat de bouwwijze voor woningen is vastgelegd. Op de plankaart is aangeduid of binnen het bouwvlak vrijstaande, twee-aaneen (halfvrijstaand), aaneengebouwde of gestapelde woningen (appartementen) zijn toegestaan.

Goot- en bouwhoogte

De maximale goot- en/of bouwhoogte van (hoofd)gebouwen is aangegeven binnen het bouwvlak op de plankaart. De goot- en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt in de regels gereguleerd. De wijze van meten van de goothoogte van een bouwwerk en de bouwhoogte van een bouwwerk is in de Inleidende regels bepaald. Bij het bepalen van de goothoogte wordt onderstaande tekening gehanteerd:

verplicht

Situering gebouwen

Teneinde de situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing gezoneerd. Voor de zonering van woningen wordt verwezen naar paragraaf 5.3.2.17 waarin de regeling van deze bestemming is uitgewerkt. Voor de overige bestemmingen wordt de bebouwing gereguleerd door het opnemen van de aanduiding 'bouwvlak' waarbinnen gebouwen zijn toegestaan.

Bebouwingspercentage

Bij de regeling van andere dan woonfuncties, is zowel voor de situering van de gebouwen als voor het toegestane bebouwingspercentage, uitgegaan van de vigerende regeling. Dit betekent dat in de regels is opgenomen voor welk deel het bebouwingspercentage geldt. Het kan voorkomen dat een bebouwingspercentage geldt voor het gehele bouwperceel (zie formulering in betreffende bestemming), en niet voor uitsluitend de gronden gelegen binnen het bouwvlak.

Voorerfgebied, achtererfgebied en zijerfgebied

In de bestemming 'Wonen' is een verbale regeling opgenomen voor bijbehorende bouwwerken. Deze worden niet meer, zoals in voorgaande bestemmingsplannnen, middels de verbeelding geregeld. Daarbij is de positie ten opzichte van het hoofdgebouw van belang. Voor het bepalen van de positie van bijbehorende bouwwerken wordt aansluiting gezocht bij de begrippen achtererfgebied en voorerfgebied uit het Besluit omgevingsrecht welke op 1 november 2014 in werking is getreden. Daar is van gemeentewege het begrip zijerfgebied aan toegevoegd.

Achtererfgebied

Deze definitie gaat uit van een denkbeeldige lijn, waarachter het achtererfgebied zich bevindt. De lijn loopt door het hoofdgebouw, op 1 m achter de voorkant. Daar, op 1 meter achter het snijpunt van de voorgevel met de zijgevel, komt de lijn uit de zijgevel van het hoofdgebouw. In standaardsituaties loopt de lijn vervolgens buiten het hoofdgebouw verder, evenwijdig aan het openbaar toegankelijk gebied. Het gaat hier om het openbaar toegankelijk gebied dat grenst aan het perceel waarop zich het hoofdgebouw bevindt. In het merendeel van de situaties grenst dit openbaar toegankelijk gebied alleen aan de voorzijde van een perceel. Bij hoofdgebouwen die langs schuine wegen staan of in een bocht in de weg, zal ook de lijn evenwijdig met die schuine weg of de bocht in de weg 'meelopen'.

In hoeksituaties zal de lijn uit de zijgevel, vanaf het punt op 1 meter achter de voorkant, evenwijdig meelopen met het openbaar toegankelijk gebied dat aan de zijkant van het perceel is gelegen. Bij rechthoekige verkavelingen zal de lijn in zo’n geval direct langs de zijgevel en in het verlengde daarvan, verder naar achteren lopen. Deze begrenzing valt veelal samen met de zijgevelrooilijn, die in hoeksituaties wordt aangemerkt als voorgevelrooilijn.

Ook bij hoeksituaties kunnen zich echter schuine wegen of bochten in de weg voordoen. Ook kan er sprake zijn van vaarwater of ander openbaar toegankelijk gebied dat niet evenwijdig met de zijgevel van het hoofdgebouw loopt. De hoofdregel blijft dat ook in die gevallen de lijn evenwijdig met de schuine weg of de bocht in de weg (of het schuinliggende andere openbaar toegankelijk gebied) meeloopt. Er kunnen dan gevallen ontstaan waarbij een deel van een zijerf, dat gekeerd is naar openbaar toegankelijk gebied, onder het achtererfgebied komt te vallen.

In de definitie is bepaald dat de lijn niet opnieuw het hoofdgebouw kan doorkruisen en evenmin in het erf achter het hoofdgebouw kan komen. Hiermee wordt bereikt dat het erf dat is gelegen achter het hoofdgebouw, altijd volledig tot het achtererfgebied zal behoren. Onder omstandigheden kan dat tot gevolg hebben dat de lijn aan de zijkant van het hoofdgebouw, niet evenwijdig met de begrenzing van het openbaar toegankelijk gebied loopt, maar langs de zijgevel van het hoofdgebouw en in het verlengde daarvan naar de achterste perceelgrens loopt. Uitgangspunt in dit verband is dat het erf achter het hoofdgebouw zich bevindt tussen de denkbeeldige lijnen die gelegen zijn in het verlengde van de zijgevels van het hoofdgebouw. Met deze uitleg zal in de meeste situaties helder zijn welk deel van het erf zich achter het hoofdgebouw bevindt. Niet te ondervangen is dat in een enkele bijzondere situatie, bij bijzondere architectuur, een andere benadering gekozen moet worden om aan te sluiten bij de bedoelingen van de regeling dat zich achter het hoofdgebouw een deel van het achtererfgebied bevindt. Bij de ronde 'vuurtorenwoning' ontbreken er voor-, zij- en achtergevels en kan wellicht gekozen worden voor het tekenen van een denkbeeldig vierkant rondom het hoofdgebouw (met daarbinnen diagonale lijnen tussen de hoekpunten) om het achtererfgebied goed te bepalen.

Om te bepalen welke zijde van een hoofdgebouw als voorkant moet worden aangemerkt, wordt in de jurisprudentie een aantal aanknopingspunten gehanteerd. Voor het bepalen van de voorgevel van een gebouw kan primair worden afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die door een bestemmingsplan of bouwverordening wordt bepaald. Als dan nog twijfel bestaat zal de feitelijke situatie doorslaggevend moeten worden geacht. Mede gebaseerd op jurisprudentie zijn daarbij de volgende aanknopingspunten genoemd: de systematiek van huisnummering (de plaats waar de brievenbus is aangebracht, waar zich het huisnummer bevindt of aan welke wegzijde het gebouw of perceel is geadresseerd), de zijde van het gebouw waar zich de voordeur of hoofdingang bevindt en de plaats waar de hoofdontsluiting van het perceel zich bevindt.

Aanvullend kan opgemerkt worden dat de voorkant van het hoofdgebouw wordt gevormd door de gevel die bepalend is voor de hoofdmassa van het hoofdgebouw. Ondergeschikte aan- of uitbouwen, zoals erkers of uitgebouwde vestibules, blijven dus buiten beschouwing bij het bepalen van de voorgevel. In de regel geldt als voorgevel het geveldeel aan de voorkant met de grootste oppervlakte. De hoofdmassa van het hoofdgebouw kan aan de voorzijde ook bepaald worden door meer dan één geveldeel. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de hoofdmassa van een hoofdgebouw L-vormig of T-vormig is. In zo’n geval bestaat de voorkant van het hoofdgebouw uit meer geveldelen. Bij dergelijke situaties, waar de voorgevel verspringt, kan de lijn die bepalend is voor het achtererfgebied, in een knik evenwijdig met deze geveldelen meelopen.

Aan- en uitbouwen die zich aan een zijgevel van een hoofdgebouw bevinden, spelen in beginsel geen rol bij het bepalen van de voorgevel. Alleen in geval een dergelijke aan- of uitbouw een uitbreiding vormt van de hoofdmassa van het hoofdgebouw, wordt het geveldeel aan de voorkant van die desbetreffende uitbreiding mede aangemerkt als voorgevel. Dat zal echter alleen aan de orde zijn indien sprake is van een geheel in de architectuur van de hoofdmassa van het hoofdgebouw geïntegreerde uitbreiding die alle bouwlagen van het hoofdgebouw betreft.

Verder ligt het voor de hand om bij het bepalen van de voorgevel van een hoofdgebouw alleen uit te gaan van de boven de grond gelegen bouwmassa. Kelders of geheel onder de grond gelegen souterrains blijven in die uitleg dus buiten beschouwing bij het bepalen van het achtererfgebied.

 

Voorerfgebied

Onder voorerfgebied wordt het erfdeel verstaan dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. Het gaat hier dus om het voorerf en de delen van het zijerf die naar openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd dan wel op minder dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw zijn gelegen.

Zijerfgebied

Het begrip 'zijerfgebied' komt niet uit het Besluit omgevingsrecht, maar is in dit bestemmingsplan afgeleid van het de definitite van het voorerfgebied. Zijerfgebied komt voor in hoeksituaties met het openbaar toegankelijk gebied waar het voorerfgebied op meer dan 1 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw ligt. Het zijerfgebied is het deel van het voorerfgebied dat zich bevindt aan de zijkant van het hoofdgebouw en op meer dan 1 meter van de voorkant van een hoofdgebouw ligt.

In onderstaande tekening is ter verduidelijking een aantal situaties weergegeven. Ook enkele lastige hoeksituaties zijn daarbij weergegeven (zie de woning linksboven en de woning rechtsonder), waarin te zien is dat de denkbeeldige lijn aan de zijkant van het hoofdgebouw niet evenwijdig loopt met openbaar toegankelijk gebied, maar langs en vervolgens in het verlengde van de zijgevel.

verplicht verplicht

5.3 Inhoud regels     

5.3.1 Inleidende regels     

In Hoofdstuk 1 van de planregels zijn de volgende Inleidende regels opgenomen.

5.3.1.1 Begrippen     

In Artikel 1 Begrippen is een aantal begrippen nader gedefinieerd teneinde onduidelijkheid te voorkomen. Voor een gedeelte van de begrippen is aansluiting gezocht bij de SVBP2012 en het Besluit omgevingsrecht. De rest is afkomstig uit het handboek Bronckhorst en zijn in de gemeente gebruikelijke definities. De begrippen achtererfgebied, voorerfgebied en zijerfgebied worden nader toegelicht in paragraaf 5.2.3.

5.3.1.2 Wijze van meten     

In Artikel 2 Wijze van meten is aangegeven op welke wijze gemeten moet worden bij het beoordelen of de maatvoering in overeenstemming is met de regels.

5.3.2 Bestemmingsregels     

In Hoofdstuk 2 van de planregels zijn de volgende Bestemmingsregels opgenomen.

5.3.2.1 Agrarisch     

In de agrarische bestemmingen zijn gronden aan de rand van de bebouwde kom opgenomen die nog een (semi)agrarische functie hebben, bijvoorbeeld als weiland voor (hobby)vee. Het verschil tussen deze bestemmingen is dat Artikel 3 Agrarisch betrekking heeft op het merendeel van deze gronden. Artikel 4 Agrarisch - 1 heeft betrekking op het agrarisch bedrijf aan de rand van het stadje Bronkhorst. Deze heeft een eigen regeling vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht. Hierdoor zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt en richt zich de bestemmingsregeling op het behoud van de historische karakteristiek en het rijksmonument. Artikel 5 Agrarisch - Kwekerij betreft een kwekerij aan de rand van Vorden waar een eigen regeling geldt. De kleinschaliger tuinkwekerij in Laag-Keppel is binnen de bestemming 'Agrarisch' met een aanduiding geregeld. Artikel 6 Agrarisch met waarden - Landschap heeft betrekking op gronden gelegen in landschappelijk waardevol gebied, zoals ten zuiden van Drempt en rond het stadje Bronkhorst, waar tevens een aanduiding is opgenomen ten behoeve van het beschermde stadsgezicht. Artikel 7 Agrarisch met waarden - Landschap en natuur betreft gronden in het beekdal in Vorden dat is gelegen in landschappelijk waardevol gebied liggend in het Groene natuurnetwerk (GNN).

Voor deze laatste twee bestemmingen geldt een aanlegvergunning ter bescherming van landschappelijke kenmerken zoals openheid en reliëf.

Binnen 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - Landschap' en 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' is ook extensief recreatief medegebruik mogelijk.

Voor de drie nog actieve agrarische bedrijven binnen het plangebied is een bouwregeling opgenomen die is afgestemd op de situatie ter plaatse.

Bestaande volkstuintjes hebben een aanduiding gekregen en is er in een enkel geval een beperkte bouwmogelijkheid opgenomen ten behoeve van berging van gereedschappen. Tevens zijn de bestaande ijsbanen aangeduid.

5.3.2.2 Bedrijven     

De bedrijven in het plangebied hebben diverse bestemmingen gekregen afhankelijk van aard, omvang en ligging.

Artikel 8 Bedrijf

De verspreid binnen het plangebied aanwezige bedrijven zijn binnen de bestemming 'Bedrijf' opgenomen. Deze bedrijven zijn allen specifiek aangeduid. Deze aanduiding is van belang voor het kunnen waarborgen van de rustige woonomgeving in de nabijheid van de bedrijven. Door middel van een omgevingsvergunning kan het bevoegd gezag andere bedrijvigheid, uit maximaal categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, toestaan.

Artikel 9 Bedrijf - Melkverwerkende industrie

Deze bestemming maakt specifiek de activiteiten van een melkverwerkend bedrijf aan de oostrand van Steenderen mogelijk.

Artikel 10 Bedrijf - Nutsvoorziening

Voor de grotere nutsvoorzieningen is in het bestemmingsplan een aparte bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' opgenomen. Zowel zendmasten als rioolgemalen zijn voorzien van een aanduiding vanwege hun grotere oppervlakte, bouwhoogte en uitstraling op de omgeving. Voor deze bouwwerken is de maximale bouwhoogte opgenomen. De overige (kleine) nutsvoorzieningen vallen binnen de bestemming waar ze voorkomen (bijv. 'Groen', 'Verkeer' of 'Centrum'). Omdat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) reeds mogelijkheden biedt voor het vergunningvrij bouwen van de meest voorkomende nutsvoorzieningen, zijn hiervoor geen bouwregels opgenomen.

Artikel 11 Bedrijventerrein

Voor de bestemming 'Bedrijventerrein' is het uitgangspunt dat de vigerende regeling zoveel mogelijk is overgenomen, met onder meer de vigerende bouwhoogtes en bebouwingspercentages. Met betrekking tot de milieucategorieën is waar mogelijk aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan. Hierbij is zoveel mogelijk zonering toegepast op basis van bestaande perceelsgrenzen.

Nieuwbouw van bedrijfswoningen is binnen deze bestemming in principe niet toegestaan. De op het bedrijventerrein aanwezige bedrijfswoningen zijn aangeduid als 'bedrijfswoning'. Enkel ter plaatse van deze aanduidingen is een bedrijfswoning toegestaan.

Voor gebouwen geldt dat deze op minimaal 3 m van de zijdelingse perceelsgrens dienen te worden gebouwd. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken indien het bestaande bedrijfsgebouw reeds is gelegen op een kortere afstand en alsdan tot uiterlijk de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Daarnaast dient voldaan te worden aan de overige voorwaarden zoals opgenomen in 11.4.2.

Detailhandel is slechts in beperkte mate toegelaten. Het betreft detailhandelsactiviteiten die de voorzieningen in centrumgebieden niet aantast, zoals internetverkoop, detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten. Daarnaast geldt dat bestaande niet-wederrechtelijke detailhandelsactiviteiten mogen worden voortgezet. Detailhandel in volumineuze goederen, dat niet past in centrumgebieden, is enkel met een afwijking van het bestemmingsplan toegelaten.

Zelfstandige kantoren zijn niet toegelaten maar enkel als onderdeel van de toegelaten bedrijven. De reeds aanwezige zelfstandige kantoren mogen worden voortgezet en zijn met een aanduiding op de kaart aangegeven.

Artikel 12 Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie

Deze bestemming reeft een specifieke regeling voor een aardappelverwerkend bedrijf op het bedrijventerrein in Steenderen. Aangezien er een separate herzieningsprocedure wordt doorlopen voor uitbreiding van dit bedrijf, is het plangebied van die herziening buiten dit plan gelaten. Deze bestemming betreft slechts nog een beperkt gedeelte van het bedrijf dat geen onderdeel uitmaakt van die herziening.

5.3.2.3 Bos     

Bos is overeenkomstig de vigerende bestemming bestemd en opgenomen in Artikel 13 Bos. Ter bescherming van de natuurwaarden van deze gronden is een omgevingsvergunningstelsel in de regels opgenomen.

5.3.2.4 Centrum     

Artikel 14 Centrum is een verzamelbestemming waarbinnen vele functies in de centrumgebieden zijn ondergebracht, die onderling ook uitwisselbaar zijn. Zo zijn onder meer (ambachtelijke) bedrijven, detailhandel, dienstverlening, cultuur en ontspanning, maatschappelijk, horeca en wonen toegestaan binnen deze bestemming. Door een algemene bestemming voor deze gronden op te nemen wordt het uitwisselen van functies vergemakkelijkt, wat de levendigheid van het centrum ten goede komt. Voor diverse functies zijn echter wel verdere regels opgenomen, die zorgen voor een nadere regulering.

Voor horeca is het uitgangspunt dat lichte horeca (categorie 2) zoals cafetaria, lunchroom, broodjeszaak, overal is toegestaan. Uit de masterplannen voor de centra van Hengelo en Vorden vloeit voort dat de doelstelling is om zwaardere horeca (categorie 1) als hotels, cafés en restaurants te concentreren 'rond de kerk'. Daarom is in deze gebieden deze vorm van horeca aangeduid op de kaart in die gebieden waar dit wordt toegelaten. In andere centrumgebieden zijn horeca van categorie 1 en 2 direct toegelaten omdat daar deze doelstelling vanuit een masterplan niet geldt. Mogelijk dat in de toekomst deze doelstelling ook voor andere centrumgebieden gaat gelden, dan kan ook daar dezelfde systematiek gaan gelden. De zwaarste horeca (categorie 3) zoals zaalaccommodaties en discotheken zijn alleen toegelaten daar waar dat op de kaart is aangeduid.

Voor detailhandel is bepaald dat het vloeroppervlak van detailhandelsvestigingen niet meer mag bedragen dan 1500 m². Dit sluit aan bij provinciaal beleid.

Supermarkten zijn aangeduid als 'supermarkt' en zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van deze aanduiding. Deze aanduiding is onder meer opgenomen vanwege de verkeersaantrekkende werking van dergelijke detailhandel, door supermarkten op bepaalde locaties vast te leggen kan deze overlast beperkt worden.

Voor terrassen geldt dat deze uitsluitend zijn toegelaten aan de naar de openbare weg gekeerde zijde van een horecabedrijf. Daar waar reeds op andere plekken terrassen aanwezig zijn, zijn deze toegelaten en aangeduid op de kaart. Daarmee handhaven we de huidige situatie.

De woonfunctie is gelet op de bedrijvigheid binnen het centrum echter enkel toegestaan op de verdieping, met dien verstande dat er een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen teneinde wonen ook op de begane grond toe te staan. In enkele panden vindt er al bewoning op de begane grond plaats. Deze woningen zijn op de verbeelding aangeduid met als 'wonen'.

Commerciële activiteiten op de begane grond zijn in eerste aanleg enkel toegelaten in combinatie met de bestaande woningen op de etage(s). Dit om te voorkomen dat het centrumgebied na winkelsluitingstijd 'leegloopt' en er geen levendigheid meer is. Daar waar reeds sprake is van commerciële ruimte zonder wonen, is deze situatie bij recht toegelaten. Het bestaande aantal woningen is toegestaan en mag niet worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 4.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

5.3.2.5 Cultuur en ontspanning     

Artikel 15 Cultuur en ontspanning regelt het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur en ontspanning, zoals concerten, evenementen, galerie en tentoonstellingen. Activiteiten als een casino, bordeel, (raam)prostitutie en seksinrichting zijn uitgesloten. Het evenemententerrein in Hengelo is op de verbeelding aangegeven als 'evenemententerrein'. Hiervoor is in de planregels een maximaal aantal evenementen per jaar opgenomen. Naast de toegelaten functies is ook ondersteunende horeca en ondergeschikte detailhandel toegestaan. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor o.a. wegen en paden, speel-, parkeer- en groenvoorzieningen en agrarische activiteiten. Dit laatste geldt in het bijzonder voor het evenemententerrein in Hengelo.

Gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maximale goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangegeven. Daarnaast mogen er ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. In de regels zijn de maatvoeringseisen van deze bouwwerken opgenomen.

5.3.2.6 Detailhandel     

Bestemmingen zoals Artikel 16 Detailhandel zijn volop in beweging, dikwijls onder de noemer van de zogenaamde branchevervaging om economisch te kunnen overleven. Winkels bieden vormen van dienstverlening aan en andersom bieden dienstverleners niet alleen diensten maar ook steeds vaker producten aan. Een volledige wijziging van de bedrijfsaard van winkel naar dienstverlening of vice versa is in de praktijk dan ook dikwijls aan de orde. Met het oog op deze ontwikkelingen is in dit bestemmingsplan voor deze bestemming een flexibele bepaling opgenomen.

In het voorliggende bestemmingsplan blijven de beide bestemmingen 'Detailhandel' bestaan. De aard van de handelingen verschilt – de winkel verkoopt een product en de dienstverlener verleent een dienst – waardoor beide bestemmingen qua (steden)bouwkundige en ruimtelijke inpasbaarheid kunnen verschillen, zodat ze niet zonder meer uitwisselbaar zijn. Detailhandel en dienstverleners worden dan ook conform de bestaande situatie positief bestemd. Om toch de gewenste flexibiliteit te bieden wordt in beide bestemmingen een omgevingsvergunningsbepaling opgenomen om de andere functie toe te kunnen staan. In de afweging voor deze omgevingsvergunning wordt tenminste aandacht besteed aan het volgende:

  • inpasbaarheid in het ruimtelijke beleid: in een structuur- of centrumvisie kan men het uitgangspunt formuleren dat men streeft naar een concentratie van dienstverlening in een bepaald gebied in het centrum, b.v. aanloopstraten;
  • inpasbaarheid in de directe omgeving: de ruimtelijke uitstraling, verkeersaantrekkende werking en bedrijfsactiviteiten – zoals laden en lossen – die kunnen leiden tot overlast kunnen, tussen een winkel en dienstverlener sterk verschillen;
  • inpasbaarheid op kavel/gebouw: ruimtelijke en functioneel gezien zijn de kavel of de bebouwing niet zonder meer geschikt om van functie te veranderen, een supermarkt staat qua gemiddelde omvang niet in verhouding tot de gemiddelde omvang van een dienstverlener.

Binnen de bestemming 'Detailhandel' is door middel van een aanduiding 'supermarkt' plankaart zijn aangegeven.

Binnen deze bestemming is ook tot maximaal 25% of 50m² vloeroppervlakte ondersteunende horeca toegestaan. Bij ondersteunende horeca kan onder meer gedacht worden aan de bakker die een ruimte inricht voor de consumptie van verkochte goederen.

Wonen is in eerste aanleg op de verdieping toegestaan. Enkel het bestaand aantal woningen is toegelaten en mag in aantal niet toenemen. Omdat het solitaire detailhandelsbedrijven in de woonwijken betreft, is het gebruik enkel als woning op zichzelf niet bezwaarlijk. Daarom kan er bij een omgevingsvergunning met afwijking uitsluitend gebruik van het pand als woning worden toegelaten. Daar waar een aparte vrijstaande bedrijfswoning op het bouwperceel aanwezig is, is deze aangeduid door middel van de aanduiding 'bedrijfswoning'.

5.3.2.7 Gemengd     

Voor deze verzamelbestemmingen Artikel 17 Gemengd, Artikel 18 Gemengd - 1, Artikel 19 Gemengd - 2 en Artikel 20 Gemengd - 3 is gekozen omdat vanwege de verscheidenheid aan functies, zoals bedrijf en kantoor met bedrijfswoning, sport, cultuur en ontspanning, maatschappelijk, een algemene bestemming het meest passend is voor deze gronden. Door bij bedrijven wonen in de vorm van een bedrijfswoning mogelijk te maken wordt beoogd een aantrekkelijk klimaat te creëren voor beginnende ondernemers. Detailhandel is in principe niet toegestaan binnen deze bestemming, tenzij het detailhandel betreft als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde of bewerkte goederen. In afwijking van het voorgaande is voor de aanduiding 'detailhandel' opgenomen, teneinde te regelen dat de bestaande toegelaten detailhandelsactiviteiten gehandhaafd kunnen blijven.

5.3.2.8 Groen     

Artikel 21 Groen richt zich op het openbare gebied waar groenvoorzieningen, paden, sport- en speelvoorzieningen, water, evenementen e.d. zijn toegestaan. Het onderscheid met de bestemming 'Verkeer' is gelegen in het feit dat de groenvoorzieningen een daadwerkelijk structureel groen karakter hebben en behouden. Bij het bestemmen van de groenvoorzieningen is om die reden ook aansluiting gezocht bij het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst.

Bepaalde (invals)wegen beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is op de plankaart de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

5.3.2.9 Horeca     

Artikel 22 Horeca.

Horecavoorzieningen buiten de bestemming 'Centrum' hebben de bestemming 'Horeca' gekregen. In beginsel wordt de bestaande situatie vastgelegd. De categorieën van horecabedrijven zijn met de aanduiding 'horeca van categorie (nummer horecacategorie)' op de verbeelding opgenomen. Deze categorie-indeling wordt bepaald door de bestaande situatie en de beperkingen die de ligging in de woongebieden met zich meebrengt.

In de begripsbepalingen is de indeling van de horeca-categorieën opgenomen:

  • categorie 1: vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden, (alcoholische) dranken en/of logies worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, zoals een café, restaurant, hotel en pension;
  • categorie 2: vormen van kleinschalige horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie zowel overdag als in de avonduren plaatsvindt, zoals een lunchroom, broodjeszaak, ijssalon, cafetaria, snackbar, afhaalhoreca, automatiek;
  • categorie 3: vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, een aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals bar-dancings, discotheken, nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie.

Om toch enige flexibiliteit te creëren is een omgevingsvergunningsbepaling opgenomen die het mogelijk maakt om omgevingsvergunning te verlenen van de horecacategorie op een perceel.

Wonen is in eerste aanleg op de verdieping toegestaan. Enkel het bestaand aantal woningen is toegelaten en mag in aantal niet toenemen. Omdat het solitaire horecabedrijven in de woonwijken betreft, is het gebruik enkel als woning op zichzelf niet bezwaarlijk. Daarom kan er bij een omgevingsvergunning met afwijking uitsluitend gebruik van het pand als woning worden toegelaten.

Terrassen zijn uitsluitend toegestaan aan de naar de weg gekeerde zijde van het horecabedrijf.

Artikel 23 Horeca - 1

Deze bestemming richt zich op de horecabedrijven in het stadje Bronkhorst. Deze hebben een eigen regeling vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht. Hierdoor, ter behoud van openheid en zicht vanuit en op het stadje, zijn de bebouwingsmogelijkheden beperkt en richt zich de bestemmingsregeling op het behoud van de historische karakteristiek en de rijksmonumenten.

5.3.2.10 Kantoor     

In Artikel 24 Kantoor kantoren en zakelijke dienstverlening ondergebracht. Op de verdieping van de kantoorpanden is bewoning toegestaan. Wonen is in eerste aanleg op de verdieping toegestaan. Enkel het bestaand aantal woningen is toegelaten en mag in aantal niet toenemen. Omdat het solitaire kantoor- en dienstverleningsfuncties in de woonwijken betreft, is het gebruik enkel als woning op zichzelf niet bezwaarlijk. Daarom kan er bij een omgevingsvergunning met afwijking uitsluitend gebruik van het pand als woning worden toegelaten.

5.3.2.11 Maatschappelijk     

Artikel 25 Maatschappelijk

deze bestemming richt zich op de binnen het plangebied aanwezige maatschappelijke voorzieningen zoals scholen, kinderopvang, dorpshuis, kerk, verenigingsgebouwen, gymzaal, woon- zorgcomplexen en dergelijke. Enkele functies zijn binnen deze bestemming specifiek aangeduid, zoals de begraafplaats en de zorginstelling. Voor de overige bestemmingsvlakken is volstaan met een ruimere regeling waarbinnen verschillende maatschappelijke doeleinden mogelijk zijn. Wonen is enkel toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'wonen', 'bedrijfswoning' en 'gestapeld'. Enkel het bestaand aantal woningen is toegelaten en mag in aantal niet toenemen.

Artikel 26 Maatschappelijk - 1 

Deze bestemming richt zich op de kapel en de joodse begraafplaats in het stadje Bronkhorst. Deze hebben een eigen regeling vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht. Hierdoor zijn de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden beperkt en richt zich de bestemmingsregeling op het behoud van de historische karakteristiek en de rijksmonumenten.

5.3.2.12 Recreatie     

In Artikel 27 Recreatie zijn de camping in Zelhem en de jachthaven in Laag-Keppel geregeld. Op de gronden van de camping zijn verscheidene recreatieve functies toegestaan, waarbij voor de omvang van deze functies aansluiting is gezocht bij de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan.

Ter ondersteuning van de recreatieve functie is ook detailhandel en horeca toegestaan in een ondergeschikte en ondersteunende rol. Niet aan recreatie gerelateerde horeca is alleen toegestaan in ondergeschikte vorm waarbij de functie als recreatievoorziening de hoofdfunctie blijft. Deze horeca-activiteit mag dan ook niet zelfstandig worden uitgeoefend maar enkel als ondergeschikte nevenactiviteit als recreatie als hoofdactiviteit aanwezig blijft.

Er zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van bedrijfsgebouwen en de bedrijfswoningen bij de camping.

Wonen is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' toegelaten in de vorm van twee bedrijfswoningen.

Langs de bestemmingsgrens van de camping is de aanduiding 'groen' opgenomen, ter plaatse van deze aanduiding zijn de gronden bestemd voor een afschermende groenvoorziening.

5.3.2.13 Sport     

De sportvoorzieningen binnen de kern zijn opgenomen in Artikel 28 Sport. Hieronder vallen bijvoorbeeld voetbal-, tennis- en korfbalvelden, sporthallen en zwembaden. Ter ondersteuning van de sportfunctie is ook detailhandel en horeca toegestaan in een ondergeschikte en ondersteunende rol. Niet aan de sportfunctie gerelateerde horeca is alleen toegestaan in ondergeschikte vorm waarbij de functie als sportvoorziening de hoofdfunctie blijft. Deze horeca-activiteit mag dan ook niet zelfstandig worden uitgeoefend maar enkel als ondergeschikte nevenactiviteit als sport als hoofdactiviteit aanwezig blijft.

Er zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van bedrijfsgebouwen.

5.3.2.14 Tuin     

Artikel 29 Tuin richt zich op de tuinen en erven rondom de woonbebouwing met de bestemming 'Wonen - 1' in het stadje Bronkhorst. Deze gebieden hebben een eigen regeling vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht. Hierdoor zijn, ter behoud van openheid en zicht vanuit en op het stadje, de bebouwingsmogelijkheden beperkt en richt zich de bestemmingsregeling op het behoud van de historische karakteristiek. Enerzijds bestaat de wens om tussen de bebouwing door doorkijkjes te bewaren naar het fraaie open landschap rondom, anderzijds dient ook het zicht op de fraaie gevels van de bestaande gebouwen niet geblokkeerd te worden door te dichtbij gesitueerde bijgebouwen. Dit heeft in de meeste gevallen geleid tot een zone voor het oprichten van bijgebouwen op enige afstand van het hoofdgebouw, maar wel zodanig dat belangrijke doorzichten niet geblokkeerd worden. Middels drie aanduidingen wordt onderscheid gemaakt in bebouwingsmogelijkheden die aansluiten bij de karakteristiek van de aangrenzende bebouwing in de bestemming 'Wonen - 1'. Zo zijn er bij de naoorlogse bebouwing aan 't Hof andere bouwmogelijkheden dan bij de monumentale bebouwing aan bijvoorbeeld de Onderstraat en Bovenstraat.

Binnen deze bestemming kunnen tevens ondergeschikte bouwdelen voorkomen van bebouwing binnen de aangrenzende bestemming 'Wonen - 1'. Het gaat om zaken als pilasters, ventilatiekanalen en schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken, toegangen van gebouwen, luifels en balkons.

Verder zijn er binnen deze bestemming specifieke zaken geregeld zoals bedrijfs- en detailhandelsactiviteiten aan de Molenstraat en de tuinmuur en theetuin bij het Hoge Huys.

5.3.2.15 Verkeer     

Artikel 30 Verkeer

Deze bestemming richt zich op het openbare gebied. Binnen deze bestemming kunnen meerdere doeleinden worden onderscheiden, zoals ontsluitingswegen, voet- en fietspaden, parkeer-, groen- en verblijfsvoorzieningen. Gelet op het openbare karakter van deze bestemming bevinden zich hier ook openbare voorzieningen en vinden activiteiten als evenementen en markten (standplaatsen voor kramen, stallen en voertuigen voor het aanbieden van goederen of diensten) plaats.

Het groen dat geen onderdeel uitmaakt van de hoofdgroenstructuur volgens het groenstructuurplan van de gemeente Bronckhorst (maar wel een ruimtelijke functie vervult) is bestemd als 'Verkeer'.

Garageboxen zijn tevens onder deze bestemming gebracht door middel van de aanduiding 'garage'. Enkel ter plaatse van deze aanduiding zijn garageboxen toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m.

Om na verkoop van zogeheten 'overhoekjes' en openbaar groen door de gemeente aan particulieren, deze delen te kunnen gebruiken als tuin, is in de bestemmingsbeschrijving 'tuinen' opgenomen. Hier gelden geen bouwmogelijkheden anders dan vergunningsvrije bouwwerken.

Om terrassen ten behoeve van horeca-activiteiten in de openbare ruimte mogelijk te maken is voor bepaalde gebieden de aanduiding 'terras' opgenomen. Terrassen zijn uitsluitend daar toegelaten. Omdat deze delen van de bestemming in eigendom zijn van de gemeente, kunnen terrassen daar alleen worden gerealiseerd als de exploitant kan beschikken over deze gronden met toestemming van de gemeente.

Bepaalde (invals)wegen van de kern beschikken over een mooie lanenstructuur. Daar waar een fraaie lanenstructuur aanwezig is, is de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - lanenstructuur' opgenomen teneinde aan te geven dat hier de aanwezige laanstructuur behouden dient te blijven.

In het stadje Bronkhorst geldt dat binnen het beschermd stadsgezicht bouwmogelijkheden beperkt zijn. Voor het Toeristisch overstappunt (TOP) op de parkeerplaats aan de Onderstraat is een aanduiding opgenomen om deze specifiek te regelen. In de planregels is opgenomen dat binnen het stadsgezicht de straatprofielen beschermd zijn vanwege hun kenmerkende karakteristiek. In Bijlage 4 van de planregels zijn daarvoor de dwarsprofielen van de straten opgenomen.

Artikel 31 Verkeer - Railverkeer

Deze bestemming richt zich specifiek op de spoorlijn Zutphen – Winterswijk, en de daar bijbehorende gronden.

5.3.2.16 Water     

Artikel 32 Water regelt de binnen het plangebied gelegen waterlopen en een vijver. Voorzover het water zichtbaar is heeft dit de bestemming 'Water' gekregen, met dien verstande dat op locaties waar enige flexibiliteit in functies gewenst is gekozen is voor de algemenere bestemming 'Groen' en 'Verkeer'.

5.3.2.17 Wonen     

Artikel 33 Wonen

Woningen zijn ondergebracht in de bestemming 'Wonen'. Voor regulering van de woonfunctie kan deels verwezen worden naar paragraaf 5.2.3.

Het hoofdgebouw (de woning, al dan niet met aan- en uitbouwen) kunnen worden gerealiseerd binnen het op de verbeelding aangegeven 'bouwvlak'. Deze bouwvlakken zijn, in tegenstelling tot de voorgaande plannen, niet per hoofdgebouw strak om de bestaande bebouwing getrokken, maar betreffen bouwstroken waarbinnen meerdere woningen liggen.

Bij het bepalen van de bouwvlakken worden de volgende uitgangspunten gehanteerd.

  1. zoveel mogelijk bestaande rechten respecteren, tenzij er ruimtelijk-stedenbouwkundige argumenten zijn om te beperken
  2. geen doublures met de toekomstige regels voor vergunningvrij bouwen
  3. ruimte creëren voor de toekomst
  4. toekomstige afwijkingsprocedures voorkomen
  5. rekening houden met belangen belendende bestemmingen/bebouwing
  6. rekening houden met het algemeen ruimtelijk beeld

De woningen worden als volgt gereguleerd. In beginsel worden aaneengesloten bouwvlakken gehanteerd. Woningen van eenzelfde categorie (vrijstaand, twee-aaneen, aaneengebouwd, gestapeld) die naast elkaar gesitueerd zijn, worden zoveel mogelijk in één bouwvlak geplaatst. Daarbij worden in de regel rechthoekige bouwvlakken gehanteerd. Er kunnen stedenbouwkundige redenen zijn om hier van af te wijken. Voor de situering en grootte van het bouwvlak gelden de volgende uitgangspunten:

woningtype min. afstand zijdelingse perceelgrens voetnoot: De afstand tot de zijdelingse perceelgrens geldt voor 'tussensituaties' en 'eindsituaties', die niet op een hoek liggen, bij 'hoeksituaties' kunnen andere uitgangspunten gelden, afhankelijk van de stedenbouwkundige situatie  diepte bouwvlak max. oppervlakte min. afstand achterste perceelgrens
vrijstaand [vrij] 5m (eindsituatie)

3m (tussensituatie)
15m 200m2 8m
twee-aaneen [tae] 3m 12m 150m2 8m
aaneengebouwd [aeg] bestaande bebouwing bestaande maat

met afwijking 10m voetnoot: Bij aaneengebouwde woningen wordt de bestaande maat gehanteerd. Het wordt ook mogelijk om, zoals bij vrijstaand en twee-aaneen, het hoofdgebouw aan de achterzijde uit te breiden middels binnenplanse afwijking. Daarbij kan sprake zijn van de schaduwwerking. Aan deze afwijkingsbevoegdheid worden criteria gesteld ter voorkoming van onevenredige hinder voor omwonenden door schaduwwerking of in verband met privacy. 
- 8m
gestapeld bestaande maat bestaande maat - -

Hoewel er door het hanteren van ruime bouwvlakken fysiek ruimte is voor de bouw van een extra woning, is daarvoor geen planologische ruimte. In de planregels is opgenomen dat het bestaand aantal woningen niet mag worden vermeerderd. Dit vanwege het regionale en gemeentelijke woonbeleid (zie paragraaf 4.4.3). Daar waar op grond van het woonbeleid nog ruimte is voor het realiseren van nieuwe woningen, is op de betreffende locaties de aanduiding 'maximum aantal woningen' opgenomen.

De plaatsing van bijbehorende bouwwerken als aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de planregels verbaal beschreven. Bijbehorende bouwwerken zijn ook binnen het bouwvlak mogelijk. De maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op een bouwperceel is 120 m².

Voor kleinere percelen zouden de bouwmogelijkheden voor hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken kunnen leiden tot een ongewenste dichtheid aan bebouwing. Daarom is er per bouwwijze een maximum bebouwingspercentage van het bouwperceel opgenomen, te weten 30% voor vrijstaande woningen, 40% voor twee-aaneen woningen (halfvrijstaand) en 50% voor aaneengebouwde woningen (rijwoningen).

Binnen de woonfunctie worden onder voorwaarden nevenactiviteiten toegelaten in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken, die qua functie hieraan ondergeschikt zijn. Deze aan huis verbonden activiteiten bestaan uit een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

Bij een aan huis verbonden beroep en aan huis verbonden bedrijf is het uitgangspunt dat de activiteiten qua aard, omvang en uitstraling past in een woonomgeving. Bij een bedrijf geldt aanvullend dat deze vermeld moet zijn in de activiteiten in de bijgevoegde Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging. Omdat de functiemengingslijst een algemene lijst is waarnaar in meerdere bestemmingen wordt verwezen, is niet zonder meer iedere in de lijst vermelde activiteit toegelaten. Leidend is dat de activiteit past in de woonomgeving. Verder zijn er enkele kwalitatieve en kwantitatieve voorwaarden gesteld en is detailhandel als hoofdactiviteit niet toegestaan.

Bij internetverkoop gaat het om een vorm van detailhandel dat op essentiële punten afwijkt van de traditionele detailhandel in winkels. Waar die traditionele detailhandel nu in bestemmingsplannen wordt uitgesloten vanwege haar (ruimtelijke) uitstraling en effecten op de omgeving, kan internetverkoop juist vanwege de aard en uitstraling van de activiteiten wel worden toegelaten.

Bij een bed & breakfast-accommodatie geldt dat er maximaal 2 gastenkamers mogen worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast. Door deze bepaling is het mogelijk binnen de grenzen van het bestemmingsplan initiatieven te ontplooien ter bevordering van het toerisme.

Een gedeelte van de woning mag onder voorwaarden als afhankelijke woonruimte worden gebruikt. Daarmee is het mogelijk om ruimten binnen de woning in te richten om een naaste te kunnen verzorgen uit het oogpunt van mantelzorg Een belangrijke voorwaarde is echter wel dat er geen sprake mag zijn van woningsplitsing. Hiervoor zijn geen regels in het bestemmingsplan opgenomen omdat het landelijke Besluit omgevingsrecht reeds in voorziet in een vergunningvrije mogelijkheid.

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om bij Molenweg 16a in Baak de bouw van een vrijstaande woning mogelijk te maken. Deze mogelijkheid was ook in het voorgaande bestemmingsplan (Kleine kernen 1, NL.IMRO.1876.BP00953-VG02) opgenomen. Echter is deze mogelijkheid niet geconsumeerd. Daarmee staat deze op de nominatie om bij een herziening te worden wegbestemd. Voorwaarde aan de wijzigingsbevoegdheid is o.a. dat het initiatief moet passen binnen het gemeentelijk kwalitatief woonprogramma c.q. gemeentelijke woonvisie.

Artikel 34 Wonen - 1

Deze bestemming richt zich op de woonbebouwing in het stadje Bronkhorst. Dit heeft een eigen regeling vanwege de ligging in het beschermd stadsgezicht. De bestemming beperkt zich tot uitsluitend de woonbebouwing zelf. de omliggende tuinen en erven zijn bestemd tot 'Tuin'. De bestemmingsregeling richt zich op het behoud van de historische karakteristiek en de rijksmonumenten. Net als bij de bestemming 'Wonen' zijn aan huis verbonden activiteiten toegelaten. Naast deze activiteiten zijn op diverse locaties specifieke activiteiten toegelaten zoals detailhandel, museum, kantoor, praktijkruimte en een logiesaccommodatie. Deze locaties zijn op de verbeelding aangeduid.

Om te voorkomen dat de beeldbepalende elementen in de bebouwing worden verbouwd of uitgebreid op een wijze die in contrast is met de karakteristiek van het stadje, zijn de belangrijkste kenmerken van de uiterlijke verschijningsvorm vastgelegd in de regels en op de verbeelding. De breedte van de panden, de maximale en minimale goot- en bouwhoogte, de minimale hellinghoek van daken en de kapvorm zijn in de regels en op de verbeelding juridisch vastgelegd door het opnemen van aanduidingen. Voor de kapvormen zijn in Bijlage 3 van de planregels de bestaande beschermde kapvormen opgenomen. Op deze tekeningen zijn tevens de gevelindeling zichtbaar, maar deze zijn niet in de regels voorbeschreven. Indien er wijzigingen aan de gevelindeling plaatsvinden is niet het bestemmingsplan hiervoor het juiste toetsingsinstrument, maar zal de gecombineerde monumenten- en welstandscommissie hierover advies uitbrengen.

Er is onderscheid gemaakt tussen de monumenten, als meest beeldbepalende bebouwing en de overige meer beeldondersteunende bebouwing. De gemeentelijke en rijksmonumenten zijn op de verbeelding aangeduid. Dit onderscheid komt tot uitdrukking in de bestemmingsomschrijving. De monumenten worden genoemd als te behouden cultuurhistorisch monument. Bij de niet-monumenten ontbreekt een voorgeschreven kapvorm, zodat voor deze categorie wat meer mogelijkheden aanwezig zijn tot aanpassing van de bestaande (soms afwijkende) kapvormen aan het historische stadsbeeld.

De bebouwing in het plangebied kan in beperkte mate worden uitgebreid met aan- of bijgebouwen. Per pand is bekeken of uitbreiding aanvaardbaar is en in welke richting deze bij voorkeur zou moeten plaatsvinden.

Ondergeschikte bouwdelen van binnen deze bestemming voorkomende woonbebouwing kunnen tevens binnen de aangrenzende bestemming 'Tuin' worden gerealiseerd. Het gaat om zaken als pilasters, ventilatiekanalen en schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken, toegangen van gebouwen, luifels en balkons.

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om binnen de daarvoor aangegeven zones de aanduiding 'detailhandel' en/of de aanduiding 'horeca' op te nemen. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Zo mag het aantal horecabedrijven ten hoogste 3 bedragen, moet er sprake zijn van goede landschappelijke inpassing, mag geen afbreuk worden gedaan aan de historische karakteristiek van het stadsgezicht en moet er sprake zijn van voldoende parkeergelegenheid.

5.3.2.18 Leiding     

Artikel 35 Leiding - Gas

Ten behoeve van de bescherming van grote gasleidingen is deze dubbelbestemming opgenomen. Binnen de zone mag niet worden gebouwd ten behoeve van de onderliggende bestemming, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. Daarnaast is voor bepaalde werken en werkzaamheden die tot beschadiging van de gasleiding zou kunnen leiden een omgevingsvergunning nodig.

Artikel 36 Leiding - Riool

In het plangebied bevinden zich enkele persleidingen van het waterschap, welke zijn voorzien van deze dubbelbestemming. Binnen de zone mag niet worden gebouwd ten behoeve van de onderliggende bestemming, tenzij hiervoor een omgevingsvergunning wordt verleend. Daarnaast is voor bepaalde werken en werkzaamheden die tot beschadiging van de rioolpersleiding zou kunnen leiden een omgevingsvergunning nodig.

5.3.2.19 Archeologie     

De archeologische waarden worden beschermd door middel van dubbelbestemmingen welke zijn gebaseerd op de Archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Bronckhorst. Deze artikelen zijn inhoudelijk hetzelfde van opbouw, maar verschillen onderling in archeologische waarden en de regels die daar mee samenhangen. Artikel 37 Waarde - Archeologie staat voor gebieden met een bekende zeer hoge of hoge archeologische waarde. Artikel 38 Waarde - Archeologische verwachting 1 staat voor een hoge verwachtingswaarde. Artikel 39 Waarde - Archeologische verwachting 2 staat voor een voor een middelhoge verwachtingswaarde. Artikel 40 Waarde - Archeologische verwachting 3 staat voor een lage verwachtingswaarde.

Ter bescherming van deze waarden zijn bouwregels, gebruiksregels en een omgevingsvergunningstelsel opgenomen met daarbij een onderzoeksverplichting. Het bestemmingsregime is afhankelijk van de aangetoonde waarde en de hoogte van de verwachting. De onderzoeksverplichting vervalt als er reeds onderzoeksgegevens bekend zijn of op andere wijze voldoende informatie beschikbaar is over de aanwezigheid van archeologische waarden. Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee burgemeester en wethouders, als onderzoeksgegevens daartoe aanleiding geven, de dubbelbestemming geheel of gedeeltelijk kunnen laten vervallen of deze kunnen omzetten van een verwachtingswaarde naar een aangetoonde waarde.

5.3.2.20 Beschermd dorps- en stadsgezicht     

De dubbelbestemming Artikel 41 Waarde - Beschermd dorpsgezicht heeft betrekking op de rijksbeschermde dorpsgezichten van Hummelo en Laag-Keppel. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van karakteristieke met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteiten van het beschermd dorpsgezicht. Hoofdgebouwen moeten uitsluitend in de gevellijn te worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'. Bij het bouwen moet er aansluiting worden gezocht bij bestaande bebouwing ten aanzien van de goothoogte, kapvorm en materiaalgebruik.

De dubbelbestemming in Artikel 42 Waarde - Beschermd stadsgezicht heeft betrekking op het rijksbeschermde stadsgezicht van het stadje Bronkhorst. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud, beheer en/of herstel van karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteiten van het beschermd stadsgezicht. In de planregels is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor andere werken ten behoeve van het behoud van het historische karakter zoals openheid en reliëf.

Voor zowel het beschermde dorps- als stadsgezicht geldt dat voor slopen van bebouwing in de planregels een sloopvergunningstelsel is opgenomen. Alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen of slopen te verlenen, wordt er advies gevraagd bij de gecombineerde gemeentelijke welstands- en monumentencommissie.

5.3.2.21 Waterstaat     

Artikel 43 Waterstaat - Waterkering

De gronden waar deze dubbelbestemming geldt, zijn mede bestemd voor waterkering en bij die functie behorende voorzieningen. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van en behorende bij de waterkering. In de regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om van de bouwregels af te wijken. Wel moet worden voldaan aan de daaraan verbonden voorwaarde, die is opgenomen in de regels.

Artikel 44 Waterstaat - Waterlopen

Ter bescherming van de A-watergangen die door het plangebied lopen is deze dubbelbestemming opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor het beheer en het onderhoud van de watergangen en/of retentievoorzieningen met de bijbehorende voorzieningen, zoals bermen en beschoeiing. Op deze gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan met een bouwhoogte van 2 m. In de regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om van de bouwregels af te wijken. Wel moet worden voldaan aan de daaraan verbonden voorwaarde, die is opgenomen in de regels.

5.3.3 Algemene regels     

In Hoofdstuk 3 van de planregels zijn de volgende Algemene regels opgenomen.

5.3.3.1 Anti-dubbeltelregel     

In Artikel 45 Anti-dubbeltelregel wordt geregeld dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning is meegenomen niet nog eens bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning mag worden meegenomen. Deze regel is rechtstreeks overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening.

5.3.3.2 Algemene bouwregels     

In Artikel 46 Algemene bouwregels is een bepaling opgenomen waarmee grotere maatvoeringen die afwijken van het plan en die op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan reeds aanwezig zijn, zijn toegelaten. Ook is er een regeling opgenomen ter bescherming van de molenbiotoop van de Hackforter Molen in Vorden en De Hoop in Vorden. Voor deze molens geldt namelijk een beschermde molenbiotoop op grond van de provinciale Ruimtelijke verordening Gelderland. Op de verbeelding is dit aangegeven met de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop'.

5.3.3.3 Algemene gebruiksregels     

In Artikel 47 Algemene gebruiksregels zijn activiteiten opgenomen die voor alle bestemmingen als strijdig gebruik worden aangemerkt. Het gaat onder meer om het gebruik van gronden en bouwwerken voor het opslaan van materialen anders dan ten behoeve van de bestemming. Hierdoor wordt voorkomen dat opslag ontstaat van materialen die een negatieve uitstraling heeft op de omgeving. Voorzover opslag plaatsvindt in het kader van de bedrijfsvoering is deze toegestaan. Ook het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting. Hiermee wordt voorkomen dat gebouwen in de kom worden aangewend voor prostitutiedoeleinden. Het gebruik van een recreatiewoning of een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van permanente bewoning. En het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid volgens de 'Beleidsregels parkeernormen Bronckhorst'. Dit laatste is aan een voorwaardelijke verplichting gekoppeld waarbij een gewijzigd gebruik binnen een bestemming pas mag plaatsvinden als is voldaan aan de beleidsregels.

5.3.3.4 Algemene aanduidingsregels     

Artikel 48 Algemene aanduidingsregels kent diverse algemene aanduidingsregels.

Er zijn zonevoorschriften opgenomen ter bescherming van hindergevoelige en kwetsbare objecten (zoals woningen, verzorgingshuizen en scholen) in de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie' en 'veiligheidszone - lpg'. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken door middel van een omgevingsvergunning na een besluit hogere grenswaarde geluidhinder, danwel als wordt voldaan aan de wet- en regelgeving ten aanzien van externe veiligheid.

Met de aanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'milieuzone - waterwingebied' zijn de gronden aldaar mede bestemd voor de bescherming van de drinkwaterkwaliteit. Hier gelden beperkingen ten aanzien van het bouwen en het gebruik.

Met de 'overige zone - gemengde functies' wordt geregeld dat ter plaatse van die aanduiding, behalve de daar aanwezige bestemmingen, tevens kleinschalige bedrijven, detailhandel, dienstverlening en kantoren zijn toegelaten. Deze regeling is specifiek opgenomen voor het dorpscentrum van Steenderen. Daar zijn centrumfuncties beperkt aanwezig, maar biedt deze regeling wel de nodige flexibiliteit.

5.3.3.5 Algemene afwijkingsregels     

In Artikel 49 Algemene afwijkingsregels zijn de volgende afwijkingsmogelijkheden opgenomen.

Overige zone - gemengde functies

Ten behoeve van de algemene aanduidingsregel binnen de 'overige zone - gemengde functies' is er een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om bedrijven toe te staan uit een hogere categorie als deze qua aard, omvang en uitstraling passen in een woonomgeving en er uit milieuoogpunt bestaat geen bezwaar bestaat.

Camperovernachtingsplaatsen

Er is tevens een algemene afwijkingsmogelijkheid opgenomen ten behoeve van het toelaten van camperovernachtingsplaatsen. Camperovernachtingsplaatsen zijn mogelijk en wenselijk omdat daarmee wordt voorzien in een toenemende behoefte aan overnachtingsplaatsen voor kampeerauto's (campers) buiten reguliere kampeerterreinen. In Bronckhorst wordt tot nu toe alleen gelegenheid geboden op twee openbare plekken in Zelhem en Hengelo (elk 2 plaatsen), op een particulier terrein in Steenderen (8 plaatsen) en bij enkele campings waar speciale plekken op het terrein beschikbaar zijn voor deze vorm van verblijfsrecreatie, veelal op het parkeerterrein. Met deze mogelijkheid wordt het aantal verblijfsrecreatieve mogelijkheden in de gemeente vergroot (vergroting diversiteit in aanbod). Een specifieke doelgroep wordt gestimuleerd een bezoek te brengen aan de gemeente. Een bepaalde groep kampeerautogebruikers kiest specifiek voor een overnachtingsplaats en maakt geen gebruik van een camping. Een bepaalde groep kampeerautogebruikers zal, ondanks de komst van een camperovernachtingsplaats, toch specifiek voor een camping kiezen omdat zij gebruik wensen te maken van de daar aanwezige faciliteiten.

Er worden voorwaarden gesteld aan o.a. bereikbaarheid, maximale verblijfsduur, aantal plaatsen, (eenvoudige) inrichting en voorzieningen, parkeren, landschappelijke inpassing en omgevingsaspecten.

De VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' kent geen specifieke richtafstanden voor een dergelijke voorziening. Voor kampeerterreinen en vakantiecentra e.d. (met keuken) geldt een richtafstand van 50 meter (i.v.m. geluid) tot aan de gevels van woningen van derden. Van een dergelijke richtafstand kan gemotiveerd worden afgeweken.

Op de voorziening is een informatiebord aanwezig met de spelregels die gelden voor gebruikmaking van het terrein. Het bord bevat verder de namen en adressen van één of meer direct in de buurt gelegen (mini)campings waarnaar wordt verwezen als camperovernachtingsplaats vol is. De voorziening is bij voorkeur gesitueerd nabij een dorpskern of een attractie. Dit met het oog op horeca- en middenstandbezoek in verband met de economische spin-off. De voorziening is eigenlijk een soort van speciale parkeerplaats voor campers, waarop in de camper mag worden overnacht. Van verblijfsrecreatie, zoals op een camping, is eigenlijk geen sprake.

Afwijking van maatvoeringen

Er is een afwijkingsmogelijkheid van 10% van de in de regels gegeven maten en normen met betrekking tot het bouwen. Deze afwijkingsmogelijkheid zal slechts bij hoge uitzondering worden toegepast. Het is niet de bedoeling dat bouwplannen hier op worden ontworpen. Voor het beschermd stadsgezicht van het stadje Bronkhorst geldt dat deze mogelijkheid alleen kan worden toegepast ten behoeve van het behoud en/of herstel van een gebouw als cultuurhistorisch monument.

5.3.3.6 Algemene wijzigingsregels     

In Artikel 50 Algemene wijzigingsregels zijn voor de 'wetgevingzone - wijzigingsgebied' op de verbeelding de kaders benoemd waarbinnen en waarvoor de bestemming 'Agrarisch' kan worden gewijzigd. Het betreft hier de mogelijkheid om aan de daartoe aangeduide gronden in de agrarische bestemming de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - solarpark' (sa-sol) en 'groen' (g) toe te voegen om een solarpark mogelijk te maken. Tevens is er de mogelijkheid om in die gebieden de bestemming te wijzigen in 'Maatschappelijk' om er eventueel een educatief centrum en kinderboerderij te kunnen realiseren. Het gaat om de voormalige gemeentewerven in Vorden en Zelhem, de voormalige voetbalvelden in Hoog-Keppel en het solarpark bij plan De Kwekerij in Hengelo.

5.3.4 Overgangs- en slotregels     

In Hoofdstuk 4 van de planregels zijn de volgende Overgangs- en slotregels opgenomen.

5.3.4.1 Overgangsrecht     

In Artikel 52 Overgangsrecht is een regeling opgenomen voor bestaande zaken en rechten die niet in overeenstemming zijn met de overige regelingen in dit bestemmingsplan. De regels voor het overgangsrecht zijn overgenomen uit het Besluit ruimtelijke ordening, waarin standaard overgangsrecht voor bestemmingsplannen is opgenomen.

5.3.4.2 Slotregel     

Artikel 53 Slotregel bevat de titel van het bestemmingsplan.

Bijlagen bij de toelichting     

Hierin zijn diverse bijlagen bij de plantoelichting opgenomen.

Regels     

Hoofdstuk 1 Inleidende regels     

Artikel 1 Begrippen     

1.1 Plan     

Het  Stedelijk gebied Bronckhorst met identificatienummer NL.IMRO.1876.BP01047-VG01 van de gemeente Bronckhorst.

1.2 Bestemmingsplan     

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 Aanbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw dat als afzonderlijke ruimte aan het hoofdgebouw is aangebouwd, dat architectonisch ondergeschikt is aan, maar in functioneel opzicht deel uitmaakt van het hoofdgebouw.

1.4 Aanduiding     

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.5 Aanduidingsgrens     

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.6 Aaneengebouwde woning     

Een blok van meer dan twee-aaneengebouwde woningen inclusief de van dit blok deel uitmakende eind- of hoekwoningen.

1.7 Aan huis verbonden activiteit     

Een aan huis verbonden beroep, een aan huis verbonden bedrijf, internetverkoop en bed & breakfast.

1.8 Aan huis verbonden beroep     

Een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, cosmetisch of hiermee gelijk te stellen gebied, daaronder niet begrepen prostitutie, dat door zijn beperkte omvang in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend.

1.9 Aan huis verbonden bedrijf     

Het bedrijfsmatig verlenen van diensten, dan wel het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door middel van handwerk, en waarvan de omvang van de activiteiten zodanig is, dat de activiteiten in een woning, in bijbehorende bouwwerken en de bij de woning behorende gronden, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Daaronder niet begrepen prostitutie of een seksinrichting.

1.10 Aardkundige waarden     

De aan een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het aanwezig zijn van bijzondere aardkundige verschijnselen, zoals steilranden en bodemtypen.

1.11 Achtererfgebied     

Erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

1.12 Afhaalhoreca     

Horecabedrijf dat tevens is gericht op de verkoop van ter plaatse bereide etenswaren voor het nuttigen elders.

1.13 Agrarisch bedrijf     

Een bedrijf met agrarische doeleinden.

1.14 Agrarische activiteiten     

Activiteiten die gericht zijn op het bedrijfsmatig danwel hobbymatig voortbrengen van producten door middel van het houden van dieren en/of telen van gewassen.

1.15 Agrarische gebouwen     

Gebouwen ten dienste van agrarische doeleinden, niet zijnde een bedrijfswoning.

1.16 Algemene wet bestuursrecht     

Wet van 4 juni 1992, Stb. 315, houdende algemene regels van bestuursrecht, zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.17 Archeologisch deskundige     

De regionaal (beleids)archeoloog of een andere door het college van Burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg.

1.18 Archeologisch onderzoek     

Onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of geofysisch onderzoek en/of graven en/of begeleiden) verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK/SIKB), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 MW en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie.

1.19 Archeologische verwachting     

De aan een gebied toegekende hoge, middelmatige of lage verwachting in verband met de kennis en wetenschap van de in dat gebied te verwachten overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.20 Archeologische waarden     

De aan gebieden toegekende waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden.

1.21 Bebouwing     

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.22 Bebouwingsgebied     

Achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.

1.23 Bebouwingspercentage     

Het percentage van gronden, nader bepaald in de regels, dat ten hoogste mag worden bebouwd.

1.24 Bed & breakfast     

Een kleinschalige vorm van logiesaccommodatie, waarbij één of meerdere gastenkamers aanwezig zijn en waarbij de gastenkamers geen eigen kookgelegenheid hebben en waarbij er een gemeenschappelijke ruimte is waar de gasten een door de ondernemer bereide maaltijd (ontbijt) kunnen nuttigen.

1.25 Bedrijfsmatige exploitatie recreatiebedrijven     

Het via een bedrijf/stichting of ander rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat de recreatiebedrijven daadwerkelijk worden gebruikt voor recreatieve doeleinden en waarbij tevens sprake is van verhuur van de recreatieverblijven ten behoeve van een wisselend gebruik.

1.26 Bedrijfswoning     

Een woning, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.

1.27 Begane grondbouwlaag     

De onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

1.28 Beschermd dorpsgezicht     

Gebied dat ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 als zodanig door het bevoegd gezag is aangewezen ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden.

1.29 Beschermd stadsgezicht     

Gebied dat ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 als zodanig door het bevoegd gezag is aangewezen ter bescherming van cultuurhistorische en archeologische waarden.

1.30 Bestaand     

  1. Bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen;
  2. bij gebruik: het gebruik van grond en bouwwerkwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

1.31 Bestemmingsgrens     

De grens van een bestemmingsvlak.

1.32 Bestemmingsvlak     

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.33 Bevi-inrichtingen     

Inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

1.34 Bijgebouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een gebouw, dat ten dienste staat van een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw al dan niet aan het hoofdgebouw gebonden, zoals een berging, hobbyruimte, dierenverblijf of garagebox en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

1.35 Bijbehorend bouwwerk     

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.

1.36 Boomkwekerij     

Het telen van laan- en sierbomen, vruchtbomen en/of heesters.

1.37 Bos     

Elk terrein waarop bosbouw wordt uitgeoefend, zijnde het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de duurzame instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (één of meerdere van de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu (waaronder begrepen waterhuishouding) en recreatie.

1.38 Bouwen     

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.39 Bouwgrens     

De grens van een bouwvlak.

1.40 Bouwperceel     

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.41 Bouwperceelgrens     

De grens van een bouwperceel.

1.42 Bouwvlak     

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.43 Bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.44 Bouwwijze     

De wijze van bouwen van een hoofdgebouw, te onderscheiden in vrijstaande woningen, twee-aaneengebouwde woningen, aaneengebouwde woningen en gestapelde woningen.

1.45 Café     

Een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar-dancing, dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteiten het verstrekken van kleinere etenswaren, al dan niet ter plaatse bereid.

1.46 Camperovernachtingsplaats     

Een parkeerplaats op particulier terrein, geheel of gedeeltelijk ingericht met voorzieningen, welke een goede en stevige ondergrond biedt voor een kampeerauto (camper) en die gedurende een beperkt aantal nachten wordt gebruikt als verblijfsplaats.

1.47 Caravan     

Een niet-omgevingsvergunningplichtige ruimte, niet zijnde een gebouw (waaronder een stacaravan), in de vorm van een aanhangwagen, gefabriceerd, ingericht en bestemd voor het genieten van recreatief verblijf elders en bedoeld om achter een personenauto voortbewogen te worden;

1.48 Carport     

Een overdekte stallingsruimte die dient als stallingsplaats voor een motorvoertuig, die geen eigen wanden of deuren heeft en waarvan de begrenzing wordt gevormd door gebouwen en/of ondersteuningen van het dak.

1.49 Chalet     

Een permanent aanwezig gebouw, geen recreatiewoning of stacaravan, in één bouwlaag, grotendeels uitgevoerd in hout, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.50 Cultuur en ontspanning     

Het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur en ontspanning, zoals concerten, evenementen en tentoonstellingen, met uitzondering van een bordeel, casino, (raam)prostitutie en seksinrichting.

1.51 Cultuurhistorische waarde     

De aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt.

1.52 Detailhandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en waarbij een showroom en/of verkoopruimte ter plaatse aanwezig is; horeca-activiteiten zijn hieronder niet begrepen.

1.53 Detailhandel in eigen vervaardigde en/of voortgebrachte producten     

Het verkopen van producten, die door het toegelaten bedrijf zijn voortgebracht, geteeld of vervaardigd.

1.54 Detailhandel in streekeigen geproduceerde (agrarische) producten     

Het verkopen van plaatselijk gekweekte of vervaardigde producten op een agrarisch bedrijf al dan niet in combinatie met een nevenfunctie, als ondergeschikte nevenactiviteit, aan personen die deze producten kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.55 Detailhandel in volumineuze goederen     

Detailhandel in auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels.

1.56 Dienstverlening     

Dienstverlening door een bedrijf met uitsluitend of in hoofdzaak een verzorgende taak met een publieksgerichte functie zoals wasserette, kapsalon, schoonheidssalon, autorijschool, videotheek, uitzendbureau, reisbureau, bank, postkantoor, makelaarskantoor, fotoatelier (inclusief ontwikkelen), kopieerservicebedrijf, schoenreparatiebedrijf, reparatiebedrijf voor muziekinstrumenten, cateringbedrijf, alsmede naar aard en uitstraling overeenkomstige bedrijven.

1.57 Diepploegen     

Het omzetten van de grond, gemeten vanaf peil met een diepte van minimaal 0,80 m, ten behoeve van het agrarisch gebruik.

1.58 Discotheek/bar-dancing     

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van (overwegend mechanische) muziek en het gelegenheid geven tot dansen een wezenlijk onderdeel vormt.

1.59 Erf     

Al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

1.60 Evenemententerrein     

Een terrein dat gebruikt wordt voor jaarlijks terugkerende één- of meerdaagse festiviteiten met bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen en tijdelijke bouwwerken.

1.61 Extensief recreatief medegebruik     

Die vormen van recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, paardrijden, boerengolf en fietsen.

1.62 Galerie     

Een (culturele) voorziening ten behoeve van het tentoonstellen en het verkopen van kunst.

1.63 Gebouw     

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.64 Gelieerde bedrijven     

Bedrijven waarvan de vestiging ter plaatse uitsluitend een activiteit uitoefent die ten dienste staat van de ter plaatse gevestigde aardappelverwerkende industrie.

1.65 Geluidzoneringsplichtige inrichtingen     

Bedrijven en/of inrichtingen welke zijn genoemd in artikel 2.4 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet milieubeheer (Staatsblad 1993, 50).

1.66 Gestapelde woning     

Een woning deel uitmakend van één gebouw waarin meerdere woningen, boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht.

1.67 Glastuinbouwbedrijf     

Een agrarisch bedrijf waarbij het telen van gewassen in kassen plaatsvindt.

1.68 Groepsaccommodatie     

Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan of trekkershut zijnde, bestemd om uitsluitend door minimaal 12 personen, die het hoofdverblijf elders hebben, gedurende een gedeelte van het jaar uitsluitend te worden bewoond in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie.

1.69 Groothandel     

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellingen of personen ter aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.70 Haantjesbraderij     

Een bedrijf gericht op het bereiden van gevogelte voor consumptie.

1.71 Hoofdgebouw     

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.72 Hotel/motel     

Een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van logies (per nacht) met als nevenactiviteiten het verstrekken van maaltijden en/of dranken voor consumptie ter plaatse en/of de verhuur van een zaalruimte voor feesten en partijen.

1.73 Horecabedrijf     

Een bedrijf, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bieden van nachtverblijf;

de horecabedrijven zijn in drie categorieën te onderscheiden:

  1. categorie 1: vormen van horeca-activiteiten waar in hoofdzaak maaltijden, (alcoholische) dranken en/of logies worden verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, zoals een café, restaurant, hotel en pension;
  2. categorie 2: vormen van kleinschalige horeca-activiteiten die qua exploitatievorm aansluiten bij winkelvoorzieningen, waar naast kleinere etenswaren in hoofdzaak alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waarvan de exploitatie zowel overdag als in de avonduren plaatsvindt, zoals een lunchroom, broodjeszaak, ijssalon, cafetaria, snackbar, afhaalhoreca, automatiek;
  3. categorie 3: vormen van horeca-activiteiten waarbij in hoofdzaak alcoholische drank wordt verstrekt en waarvan de exploitatie doorgaans in de avonduren plaatsvindt, een aantasting van het woon- en leefklimaat veroorzaakt en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals bar-dancings, discotheken, nachtclubs, alsmede horeca met zaalaccommodatie.

1.74 Houtproductie     

Het voortbrengen van hout op bedrijfsmatige wijze door een mede daarop afgestemd duurzaam beheer van bos.

1.75 Hoveniersbedrijf     

Een bedrijf gericht op het kweken en verkopen van planten en siergewassen en het aanleggen en onderhouden van tuinen en andere groenvoorzieningen.

1.76 Huishouden     

Eén of meer personen die sociaal en economisch een eenheid vormen.

1.77 Internetverkoop     

Een specifieke vorm van detailhandel, waarbij:

  1. de te verkopen goederen uitsluitend via internet worden getoond en aangeboden;
  2. de transactie via internet tot stand komt;
  3. opslag van goederen plaatsvindt (op de bedrijfslocatie zelf of elders);
  4. op de bedrijfslocatie geen sprake is van enige fysieke vorm van uitstalling ter verkoop, een showroom, of van verkoop, betaling en/of het afhalen van goederen én
  5. de uitlevering van verkochte goederen aan kopers geschiedt per post of bezorgdienst.

1.78 Inwoning     

Het bewonen van één woning door twee of meer huishoudens met gemeenschappelijk gebruik van één of meerdere voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn.

1.79 Jachthaven     

Haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatie- of pleziervaartuigen.

1.80 Kantoor     

Een verblijfsruimte die door haar aard, indeling en inrichting kennelijk is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard zonder baliefunctie.

1.81 Kampeermiddelen     

  1. Een tent, tentwagen, een kampeerauto of caravan;
  2. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelten daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde.

1.82 Kampeerseizoen     

De periode tussen 15 maart en 31 oktober.

1.83 Kap     

Een geheel of gedeeltelijke niet horizontale dakconstructie gevormd door ten minste twee schuin hellende dakschilden met een helling van elk ten minste 15° en ten hoogste 75°.

1.84 Kelder     

Een overdekte, met wanden omsloten, voor mensen toegankelijke ruimte, beneden of tot ten hoogste 1 m boven de gemiddelde, bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein.

1.85 Kleinschalig horecavoorziening     

Een horecavoorziening, die uitsluitend tot hoofddoel heeft het verstrekken van niet-alcoholische dranken en versnaperingen.

1.86 Landschappelijke inpassing     

Een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op bestaande danwel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten.

1.87 Landschappelijke waarde     

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.88 Luifel     

Afdak of overkapping met een diepte van tenminste 1 m, aan of bij een gebouw, al of niet ondersteund.

1.89 Maatschappelijke voorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, religie, verenigingsleven, onderwijs en (kinder)dagopvang met bijbehorende sport- en speelvoorzieningen, opvoeding, cultuur, lichamelijke en/of geestelijke volksgezondheid.

1.90 Manege     

Een gebruiksgerichte, dienstverlenende paarden- en ponyhouderij, waarbij het doel is het geven van gelegenheid om met paarden en/of pony's binnen en/of buiten het betreffende perceel te rijden en het daaruit genereren van inkomsten.

1.91 Mobiele kampeervoertuigen     

Een tentwagen, een kampeerauto of een caravan (geen stacaravan zijnde), die uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar gebruikt wordt uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.92 Monumenten     

Rijks- en gemeentelijke monumenten, welke van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde, alsmede terreinen van belang wegens de aanwezigheid daar van voornoemde zaken.

1.93 Natuurwaarde     

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

1.94 Nevenfunctie     

Activiteiten die in ruimtelijke en bedrijfseconomische zin een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsactiviteiten op een agrarisch bouwperceel.

1.95 Niet-zelfstandig kantoor     

Een onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft.

1.96 Nutsvoorzieningen     

Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, bemalinginstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.97 Omgevingsvergunning     

Een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.98 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

Een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening.

1.99 Ondergeschikte bouwdelen     

Bouwdelen van beperkte afmetingen, die buiten het gebouw uitsteken, zoals schoorstenen, windvanen, dakoverstekken (< 1,5 m), balkons (< 5 m2), erkers (<7 m3), dakkapellen (< 7 m3) en liftschachten.

1.100 Ondergronds     

Onder peil.

1.101 Onderkomens     

Voor verblijf geschikte, al dan niet aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voer- en vaartuigen, waaronder begrepen woonwagens, woonschepen, caravans, kampeerauto's, alsook tenten, schuilhutten en keten, al dan niet ingericht ten behoeve van recreatief buitenverblijf voor zover deze niet als bouwwerken zijn aan te merken.

1.102 Ondersteunende horeca     

Een horecavoorziening binnen een bestemming waarvan de functie een andere dan horeca is maar waar men ten behoeve van de hoofdfunctie een ruimte specifiek heeft ingericht voor de consumptie van drank en etenswaren.

1.103 Openbaar toegankelijk gebied     

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

1.104 Overbouwing     

Een aan- of uitgebouwd bouwdeel, dat gelegen is op minimaal 2,5 m boven peil, dat geen grotere hoogte heeft dan het aangrenzende bouwdeel, dat uitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel en dat geen rechtstreekse verbinding heeft met het aansluitend afgewerkte terrein.

verplicht

1.105 Overig bouwwerk     

Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

1.106 Overkapping     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een bouwwerk, geen gebouw zijnde met één dakvlak en maximaal één gesloten wand.

1.107 Paardenfokkerij     

Agrarische bedrijvigheid bestaande uit het fokken van paarden en/of pony's.

1.108 Paardenhouderij     

een dienstverlenende paarden- en/of ponyhouderij waarbij het doel is het bedrijfsmatig stallen, trainen en africhten van paarden en/pony's op het perceel en het daaruit genereren van inkomsten.

1.109 Pand     

De kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.

1.110 Peil     

  1. Voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst, mits het gebouw op een afstand van niet meer dan 20 m van die weg is gelegen: maximaal 35 cm boven de kruin van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  2. in andere gevallen bij gebouwen: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het gebouw grenzende terrein;
  3. voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde bestaande hoogte van het aan het bouwwerk grenzende terrein.

1.111 Pergola     

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, bestaande uit een open constructie van twee of meer palen, die onderling met elkaar verbonden zijn.

1.112 Permanente bewoning     

Gebruik van (een deel van) een gebouw als hoofdwoonverblijf.

1.113 Plat dak     

Een dak met een dakhelling van minder dan 15º.

1.114 Recreatieve voorziening:     

Een kleinschalige, niet-bedrijfsmatige voorziening met een dagrecreatief karakter, zoals zwembad of tennisbaan.

1.115 Recreatieappartement     

Een recreatiewoning deel uitmakend van één gebouw waarin meerdere recreatiewoningen, boven en/of naast elkaar zijn ondergebracht.

1.116 Recreatiewoning     

Een permanent aanwezig gebouw, geen stacaravan zijnde, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.117 Seksinrichting     

Een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang als zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.118 Sociaal-culturele voorzieningen     

Voorzieningen voor het uitoefenen van culturele, sociale en levensbeschouwelijke activiteiten.

1.119 Stacaravan     

Een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede, gelet op de afmetingen, niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen over grote afstanden als aanhangsel van een auto te worden voortbewogen, bestemd om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar bewoond te worden, uitsluitend voor recreatieve doeleinden.

1.120 Supermarkt     

Een detailhandelsbedrijf met een winkelvloeroppervlak van meer dan 500 m² en een grote verscheidenheid aan artikelen, merendeels levensmiddelen, waarbij sprake is van zelfbediening door de klanten.

1.121 Teeltondersteunende voorzieningen     

Ondersteunende voorzieningen ten behoeve van vollegronds groente-, fruit-, bloemen-, en boomteelt, te onderscheiden in de volgende categorieën:

  1. laag/tijdelijk:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van max. 1,50 m, uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 8 maanden, bijvoorbeeld insectengaas, afdekfolie en lage tunnels;
  2. laag/permanent:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van max. 1,50 m en met een permanent karakter, bijvoorbeeld containervelden;
  3. hoog/tijdelijk:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van min. 1,50 m en maximaal 2 m. uitsluitend toegestaan zolang de teelt het vereist met een maximum van 8 maanden, bijvoorbeeld menstoegankelijke wandelkappen, schaduwhallen en hagelnetten;
  4. hoog/permanent:

    teeltondersteunende voorzieningen met een hoogte van min. 1,50 en maximaal 3,50 m met een permanent karakter, bijvoorbeeld stellingenteelt (bakken in stellingen, regenkappen) en teeltondersteunende kassen;
  5. overig:

    vraatnetten, boomteelthekken.

1.122 Trekkershut     

Een gebouw met een eenvoudige constructie, uitsluitend bestemd voor recreatief nachtverblijf zonder sanitaire voorzieningen.

1.123 Tuincentrum     

Een bedrijf dat is gericht op het telen en voornamelijk verkopen van planten en siergewassen, alsmede het verkopen en leveren van andere goederen en materialen voor het aanleggen, onderhouden en verfraaien van tuinen.

1.124 Twee-aaneengebouwde woning     

Een blok van maximaal twee-aaneengebouwde woningen, waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar gekoppeld zijn.

1.125 Uitbouw     

Een bijbehorend bouwwerk, zijnde een als vergroting van het hoofdgebouw gebouwd gebouw, hetwelk door de vorm kan worden onderscheiden van het hoofdgebouw en daar in architectonisch opzicht ondergeschikt aan is, maar in functioneel opzicht wel deel uitmaakt van dat hoofdgebouw.

1.126 Verkoopvloeroppervlak     

De oppervlakte van een ruimte, die uitsluitend gebruikt wordt voor het verkopen van producten, niet zijnde de ruimte voor opslag of het vervaardigen/ bewerken van producten.

1.127 Voorerfgebied     

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.

1.128 Voorgevel     

De naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel(s) van een hoofdgebouw, (doorgaans) gekeerd naar de weg of het openbaar gebied.

1.129 Voorgevelrooilijn     

De lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. (Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel).

1.130 Vrijstaande woning     

Een woning die geheel vrij staat ten opzichte van andere bebouwing.

1.131 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht     

Wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.132 Wet geluidhinder     

Wet van 16 februari 1979, Stb. 99, houdende regels inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder.

1.133 Wet milieubeheer     

Wet van 13 juni 1979, Stb. 442, houdende regelen met betrekking tot een aantal algemene onderwerpen op het gebied van de milieuhygiëne, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.134 Wet ruimtelijke ordening     

Wet van 20 oktober 2006, Stb. 2006, 566, zoals gewijzigd bij de Wet van 24 mei 2007, Stb. 2007, 271 (grondexploitatie), inclusief de door de Tweede Kamer op 1 januari 2008 aanvaarde wijzigingen in het kader van de Invoeringswet (TK 2007-2008, 30 938, A).

1.135 Woning     

Een complex van ruimten, inclusief aanbouwen en uitbouwen uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

1.136 Woningwet     

Wet van 29 augustus 1991 , (Stb. 1991, nr. 439), tot herziening van de Woningwet, zoals deze luidde op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van het plan.

1.137 Woongebouw     

Een gebouw, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd.

1.138 Woonschip     

Een vaartuig of drijvend voorwerp, dat uitsluitend of hoofdzakelijk als woning wordt gebruikt en daartoe is ingericht.

1.139 Woonwagen     

Een voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een woonwagenstandplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst.

1.140 Woonzorgcomplex     

Een woongebouw, waarin de hoofdfunctie wonen wordt gecombineerd met zorg- en welzijnsvoorzieningen en waarbij tevens ter ondersteuning van deze functies kleinschalige, ondergeschikte detailhandel, dienstverlening en/of horeca kan voorkomen.

1.141 Zijerfgebied     

Het voorerfgebied aan de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van een hoofdgebouw.

1.142 Zorghotelkamer     

Een gelegenheid voor tijdelijke overnachting in combinatie met zorg al dan niet ten behoeve van recreatief verblijf.

Artikel 2 Wijze van meten     

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens     

De afstand van een gebouw tot de perceelsgrens wordt bepaald door het buitenwerks meten van de kortste afstand van een gevel van het gebouw tot de perceelsgrens.

2.2 De dakhelling     

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.3 De goothoogte van een bouwwerk     

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeiboord, of daarbij gelijk te stellen constructiedeel.

2.4 De inhoud van een bouwwerk     

Tussen de bovenzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.5 De bouwhoogte van een bouwwerk     

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.6 De oppervlakte van een bouwwerk     

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.7 De bruto vloeroppervlakte (bvo)     

De oppervlakte van een ruimte of een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen.

2.8 De hoogte van een windturbine     

Vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels     

Artikel 3 Agrarisch     

3.1 Bestemmingsomschrijving     

3.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. uitoefening van agrarische activiteiten;
  2. kaasboerderij;
  3. bedrijfswoningen;
  4. kwekerij;
  5. teeltondersteunende voorzieningen;
  6. solarpark;
  7. gebouw ten behoeve van opslagdoeleinden;
  8. schuilgelegenheid voor dieren;
  9. nutsvoorzieningen;
  10. ontsluitingswegen;
  11. parkeerterrein;
  12. volkstuinen;
  13. beeldentuin;
  14. paardenbak;
  15. ijsbaan;
  16. fietscrossterrein;
  17. groenvoorzieningen;
  18. waterhuishoudkundige doeleinden;
  19. extensief recreatief medegebruik;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 3.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

3.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 3.1.1:

a Teeltondersteunende voorzieningen     

Er zijn uitsluitend lage tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen toegestaan ten dienste van grondgebonden agrarische bedrijfsvoering.

b Kwekerij     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tuinkwekerij' is een kwekerij toegestaan.

c Solarpark     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - solarpark' is een solarpark toegestaan. Gronden binnen deze aanduiding zijn mede bedoeld voor het opwekken van energie door middel van het omzetten van zonlicht in elektriciteit met gebruik van zonnepanelen en met de daarbij behorende voorzieningen.

d Gebouw ten behoeve van opslagdoeleinden     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is een gebouw ten behoeve van opslagdoeleinden toegestaan.

e Groenvoorzieningen     

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend groenvoorzieningen voor de landschappelijke inpassing van een solarpark toegestaan.

f Parkeerterrein     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' is een parkeerterrein toegestaan.

g Volkstuin     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin' zijn volkstuinen toegestaan.

h Beeldentuin     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - beeldentuin' is een beeldentuin toegestaan.

i Paardenbak     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenbak' is een paardenbak toegestaan.

j IJsbaan     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' is een ijsbaan toegestaan.

k Fietscrossterrein     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van sport - fietscrossterrein' is een fietscrossterrein toegestaan.

l Extensief recreatief medegebruik     

De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

3.2 Bouwregels     

3.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

3.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' ter plaatse van aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan met een maximale inhoud van 750 m³;
  4. voor bestaande gebouwen buiten de aanduiding 'bouwvlak' geldt dat deze uitsluitend zijn toegestaan in de bestaande maatvoering en met de bestaande situering, mits deze gebouwen reeds waren toegestaan onder het overgangsrecht van het aan dit plan voorafgaande bestemmingsplan.
3.2.3 Gebouw ten behoeve van schuilgelegenheid voor dieren     

In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.2.2 geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuilgelegenheid voor dieren' tevens een gebouw mag worden gebouwd, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m2;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m.
3.2.4 Gebouw ten behoeve van opslag     

In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.2.2 geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'opslag' tevens een gebouw mag worden gebouwd, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

  1. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 30 m2;
  2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan in het 'bouwvlak', ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' is aangegeven.
3.2.5 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
3.2.6 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

3.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1,5 m;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4 m;
  3. de bouwhoogte van zonnepanelen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - solarpark' bedraagt maximaal 3 m;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - solarpark' bedraagt de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 2 m met uitzondering van palen en masten, waarvan de bouwhoogte maximaal 10 m bedraagt;
3.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen bouwvlak     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak gelden de volgende bepalingen:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 3 m;
  2. de goot- en bouwhoogte van een mestsilo bedraagt respectievelijk maximaal 4 m en 8,5 m;
  3. de bouwhoogte van overige silo's mag niet meer bedragen dan 12 m;
  4. de goot- en bouwhoogte van een hooiberg bedraagt respectievelijk maximaal 6 m en 9 m.
  5. de bebouwde oppervlakte van een hooiberg bedraagt maximaal 36 m2;
  6. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 6 m.
3.2.9 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. het agrarisch grondgebruik, met een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat sleufsilo's en kassen niet zijn toegestaan;
  2. het extensief recreatief medegebruik zoals banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d. met een maximale hoogte van 2 m;
  1. het plaatsen van erf- of terreinafscheidingen tot een maximale hoogte van 1 m;
  2. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarvan de bouwhoogte maximaal 4 m bedraagt;
  3. een paardenbak is niet toegestaan.

3.3 Afwijken van de bouwregels     

3.3.1 Omgevingsvergunning schuilgelegenheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.2.2 onder a teneinde buiten de aanduiding 'bouwvlak' een schuilgelegenheid voor vee toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de bebouwing kan, gezien de specifieke situatie, niet binnen het agarisch bouwvlak worden geplaatst;
  2. schuilgelegenheden mogen uitsluitend worden gebouwd op een terrein van aaneengesloten minimaal 1 ha;
  3. de goothoogte bedraagt maximaal 2,5 m;
  4. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
  5. de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m2;
  6. de schuilgelegenheid dient uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel te worden gesitueerd en landschappelijk te worden ingepast;
  7. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 30 m te bedragen;
  8. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarde als opgenomen in 3.1.

3.4 Specifieke gebruiksregels     

3.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het houden van vee;
  2. glastuinbouw;
  3. de uitoefening van een boom- en/of fruitteeltbedrijf;
  4. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 4 Agrarisch - 1     

4.1 Bestemmingsomschrijving     

4.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. uitoefening van agrarische activiteiten;
  2. bedrijfswoning;
  3. waterhuishoudkundige doeleinden;
  4. ontsluitingswegen;
  5. behoud, beheer en herstel van gebouwen als cultuurhistorische monumenten;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 4.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

4.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 4.1.1:

a Agrarisch     

Er zijn uitsluitend akkerbouwactiviteiten toegelaten.

b Rijksmonument     

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - rijksmonument' zijn de gronden bestemd voor het behoud, beheer en herstel van de aanwezige gebouwen als cultuurhistorisch monument.

4.2 Bouwregels     

4.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

4.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen 'bouwvlak', 'specifieke vorm van agrarisch - 2' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3' worden gebouwd;
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 2' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  3. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan ter plaatse van de 'specifieke vorm van agrarisch - 2' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - 2' bedraagt de dakhelling ten minste 40°, tenzij de dakhelling ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan reeds kleiner is dan 40°, in dat geval mag de bestaande dakhelling bij het bestaande gebouw als minimum gehandhaafd blijven;
  5. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - 3' bedraagt de dakhelling ten minste 30°;
  6. ter plaatse van de aanduiding 'kap' mogen de bestaande kaprichting en kapvorm zoals opgenomen in de bij de regels behorende Bijlage 3 Kapvormen beschermd stadsgezicht niet worden gewijzigd.
4.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende bregels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
4.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

4.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - 1':
    1. hekken en andere afscheidingen, klim- en speeltoestellen, bouwwerken met een maximale oppervlakte van 6 m2, trappen en toegangsbruggen: 1 m;
    2. antennes: maximaal 1 m boven de maximale hoogte van op de bestemming toegestane gebouwen;
    3. pergola's en tuinverlichting: 2,25 m;
    4. vlaggenmasten en verlichtingsmasten: 4 m;
  2. de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - 2' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3':
    1. trappen en toegangsbruggen: 1 m;
    2. bouwwerken met een maximale oppervlakte van 6 m2: 1,50 m;
    3. hekken en andere afscheidingen: 2 m;
    4. pergola's en tuinverlichting: 2,25 m;
    5. klim- en speeltoestellen: 3 m;
    6. vlaggenmasten en verlichtingsmasten: 4 m;
    7. antennes: maximaal 4 m boven de maximale hoogte van in de bestemming toegestane gebouwen;
  3. de maximale overschreiding van de begrenzende lijn tussen de aanduidingen 'specifieke vorm van agrarisch - 1' en 'specifieke vorm van agrarisch - 2' zomede 'specifieke vorm van agrarisch - 1' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3', ter plaatse van de 'specifieke vorm van agrarisch - 1':
    1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen en schoorstenen, deel uitmakende van gebouwen toegelaten ter plaatse van de 'specifieke vorm van agrarisch - 2' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3': 0,50 m;
    2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, deel uitmakende van gebouwen toegelaten ter plaatse van de 'specifieke vorm van agrarisch - 2' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3': 1 m;
    3. kelderingangen en kelderkoekoeken, deel uitmakende van gebouwen toegelaten ter plaatse van de 'specifieke vorm van agrarisch - 2' en 'specifieke vorm van agrarisch - 3': 2,50 m.

4.3 Wijzigingsbevoegdheid     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen in de bestemming:
    1. 'Wonen - 1';
    2. 'Tuin', al dan niet in combinatie met de onder 1 genoemde wijzigingsbevoegdheid;
  2. bij het toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid wordt het volgende in acht genomen:
    1. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de historische karakteristiek van het stadsgezicht;
    2. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.

4.4 Specifieke gebruiksregels     

4.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het houden van vee;
  2. glastuinbouw;
  3. de uitoefening van een boom- en/of fruitteeltbedrijf;
  4. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 5 Agrarisch - Kwekerij     

5.1 Bestemmingsomschrijving     

5.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch - Kwekerij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. kwekerij;
  2. bedrijfswoning;
  3. waterbassins;
  4. afschermende groenvoorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 5.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

5.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 5.1.1:

a Kwekerij     

De gronden binnen deze bestemming zijn, voor zover gelegen buiten het bouwvlak en met inachtneming van het bepaalde onder b en c, uitsluitend bestemd voor open grondteelt en/of teelt waarbij de planten in een pot staan, alsmede voor de oprichting van kassen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kas'.

Uitgespreide afdekmaterialen, of niet verankerde, niet voor mensen toegankelijke tunnels zijn toegestaan, mits deze teeltgebonden zijn en uitsluitend tijdens de teeltperiode voor de overkapping van gewassen worden gebruikt, een en ander met inachtneming van het bepaalde in 5.2.6.

b Waterbassin     

Ter plaatse van de aanduiding 'water' is uitsluitend een waterbassin toegestaan.

c Afschermende groenvoorzieningen     

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend afschermende groenvoorzieningen toegestaan.

5.2 Bouwregels     

5.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

5.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedragen maximaal 4 m respectievelijk 10 m;
  2. de bouwhoogte van kassen bedraagt maximaal 6 m;
  3. het bebouwingspercentage van de gronden ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' bedraagt maximaal 50 %.
5.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
5.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

5.2.5 Bedrijfswoningen     

Voor bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is per bouwvlak maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal 6 m respectievelijk 12 m.
5.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken ter ondersteuning van de teelt bedraagt maximaal 1,5 m;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2 m.

5.3 Specifieke gebruiksregels     

5.3.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 6 Agrarisch met waarden - Landschap     

6.1 Bestemmingsomschrijving     

6.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. uitoefening van agrarische activiteiten, met dien verstande dat deze ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - paardenhouderij en paardenfokkerij' uitsluitend zijn gericht op het houden, fokken, stallen, trainen en africhten van paarden en pony's;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden;
  3. waterhuishoudkundige doeleinden;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. volkstuin;
  6. behoud, beheer en/of herstel van het beschermd stadsgezicht;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 6.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

6.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 6.1.1:

a Bouwvlak     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' is maximaal één agrarisch bedrijf gericht op het houden, fokken, stallen, trainen en africhten van paarden en pony's, als bedoeld in artikel 6.1.1 onder a, toegestaan.

b Bedrijfswoning     

Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' is geen bedrijfswoning toegestaan.

c Landschappelijke waarden     

De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarde, zoals:

  1. waardevol landschap, bestaande uit het behoud van open essen en gave broekgebieden, afwisseling van landgoederen, bouwland en grotere bossen, karakteristiek verspreide bebouwing en, in het oosten van het plangebied, het behoud van rivierduin met micro-reliëf;
  2. historische verkaveling, bestaande uit de instandhouding van de aldaar voorkomende, dan wel daaraan eigen, grote landschappelijke-esthetische en geomorfologische waarden en de recreatieve belevingswaarde en van het milieu van de natuurlijke leefgemeenschappen;
  3. instandhouding van aanwezige landschapselementen.
d Volkstuin     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin' zijn volkstuinen toegestaan.

e Extensief recreatief medegebruik     

De gronden, behoudens gronden gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht', mogen worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

f Beschermd stadsgezicht     

Voor zover gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' zijn de gronden bestemd voor behoud, beheer en/of herstel van karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteiten van het beschermd stadsgezicht.

6.2 Bouwregels     

6.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

6.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  2. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal 6 m respectievelijk 10 m.
6.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
6.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

6.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen bouwvlak     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde binnen het bouwvlak gelden de volgende regels:

  1. de goot- en bouwhoogte van een mestsilo bedragen maximaal 4 m respectievelijk 8,5 m;
  2. de bouwhoogte van overige silo's bedraagt maximaal 12 m;
  3. de bouwhoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 3 m;
  4. de goot- en bouwhoogte van een hooiberg bedragen maximaal 6 m respectievelijk 9 m;
  5. de bebouwde oppervlakte van een hooiberg bedraagt maximaal 36 m²;
  6. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 6 m.
6.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. agrarisch grondgebruik, met een bouwhoogte van maximaal 3 m, met dien verstande dat sleufsilo's en kassen niet zijn toegestaan;
  2. erf- of terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 1 m;
  3. in afwijking van het gestelde onder a en b zijn, voor zover gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht', uitsluitend erf- of terreinafscheidingen en trappen en toegangsbruggen toegelaten waarvan de bouwhoogte maximaal 1 m bedraagt;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin zijn tevens maximaal 4 bergkisten toegelaten tot een maximale oppervlakte van 1 m2 en een maximale hoogte van 2 m elk;
  5. een paardenbak is niet toegestaan.

6.3 Nadere eisen     

6.3.1 Nadere eisen i.v.m. landschapswaarden     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van nieuw op te richten bebouwing op percelen met het oog op de bescherming van de landschapswaarden, als bedoeld in 6.1.

6.4 Afwijken van de bouwregels     

6.4.1 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere bouwhoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen als omschreven in 6.1.
6.4.2 Omgevingsvergunning schuilgelegenheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 onder a teneinde buiten de aanduiding 'bouwvlak' een schuilgelegenheid voor vee toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de bebouwing kan, gezien de specifieke situatie, niet binnen het agarisch bouwvlak worden geplaatst;
  2. schuilgelegenheden mogen uitsluitend worden gebouwd op een terrein van aaneengesloten minimaal 1 ha;
  3. de goothoogte bedraagt maximaal 2,5 m;
  4. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
  5. de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m2;
  6. de schuilgelegenheid dient uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel te worden gesitueerd en landschappelijk te worden ingepast;
  7. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 30 m te bedragen;
  8. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarde als opgenomen in 6.1.
6.4.3 Omgevingsvergunning bouwhoogte bedrijfsgebouwen     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.2 onder b, teneinde de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen te vergroten, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 12 m;
  2. de vergroting van de bouwhoogte is noodzakelijk voor de bedrijfsvoering;
  3. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemerdient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  5. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in artikel 3.1.
6.4.4 Omgevingsvergunning paardenbak buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.2.6 onder e, teneinde buiten het 'bouwvlak' een paardenbak toe te staan, ten behoeve van deze bestemming danwel de bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. situering binnen het bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Wonen' is redelijkerwijs niet mogelijk;
  2. indien een paardenbak ten behoeve van deze bestemming wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend aan het eigen bouwvlak opgericht; indien een paardenbak ten behoeve van de bestemming 'Wonen' wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend of binnen een afstand van 50 m van dat bestemmingsvlak 'Wonen' opgericht;
  3. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 1500 m²;
  4. de afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden bedraagt ten minste 50 m;
  5. de activiteit leidt niet tot extra (licht)hinder voor omwonenden;
  6. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  7. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, het bevoegd gezag kan daartoe van de initiatiefnemer een inrichtingsplan eisen.
6.4.5 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, als opgenomen in 6.2, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten;
  2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de woonsituatie;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  6. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in artikel 6.1.
6.4.6 Uitsluiting omgevingsvergunning in beschermd stadsgezicht     

Het bepaalde in 6.4.1, 6.4.2, 6.4.3, 6.4.4 en 6.4.5 is niet van toepassing op gronden gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht'.

6.5 Specifieke gebruiksregels     

6.5.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. groepskamperen;
  2. het gebruik van gronden voor de opslag van (hooi)balen, al dan niet verpakt in folie of afgedekt met folie, gedurende een periode langer dan 6 weken.

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

6.6.1 Vergunningplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding :

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. graven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 1', te weten aardkundig waardevol gebied;
  3. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  4. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen en het slaan van putten;
  5. aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  6. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2;
  7. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken;
  8. diepploegen;
  9. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben;
  10. de bedrijfsmatige teelt van gewassen die naar hun aard en wijze van telen - bijvoorbeeld ten gevolge van een hoge afhankelijkheid van bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen - negatieve invloed kunnen hebben op wateren van het hoogste ecologische niveau en de daarop toestromende A-watergangen, indien en voor zover deze teelten nog niet aanwezig waren op het tijdstip waarop dit plan inwerking treedt;
  11. het wijzigen van het verkavelingspatroon.
6.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 6.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
  4. werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning om een houtopstand te (doen) vellen benodigd is.
6.6.3 Beoordelingscriteria     

De in 6.6.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 1' mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het reliëfrijke karakter van de bolle akkers en de openheid van de open akkers mag niet onevenredig worden aangetast;
  3. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het historische verkavelingspatroon;
  4. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de overige aanwezige waarden zoals opgenomen in 6.1.

6.7 Wijzigingsbevoegdheid     

6.7.1 Wijziging vergroting en/of vormverandering bouwvlak     

Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen teneinde het aangeduide 'bouwvlak' te vergroten en/of van vorm te veranderen, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de economische noodzaak van de wijziging wordt aangetoond;
  2. er wordt volledig rekening gehouden met de bestaande rechten van in de directe omgeving gelegen bedrijven en woningen en de bedrijven worden niet onevenredig in hun ontwikkelingsmogelijkheden geschaad;
  3. de maximale oppervlakte van het bouwvlak mag na vergroting en/of vormverandering niet meer bedragen dan 1,5 ha;
  4. ingeval van uitbreiding van het bouwvlak dient vooraf advies te worden ingewonnen bij een onafhankelijke deskundige op het gebied van agrarische bouwaanvragen;
  5. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. De initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen;
  6. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 6.1.

Artikel 7 Agrarisch met waarden - Landschap en natuur     

7.1 Bestemmingsomschrijving     

7.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Agrarisch met waarden - Landschap en natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. uitoefening van agrarische activiteiten;
  2. behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden;
  3. waterhuishoudkundige doeleinden;
  4. volkstuin;
  5. ijsbaan;
  6. extensief recreatief medegebruik;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 7.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

7.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 7.1.1:

a Landschaps- en natuurwaarden     

De gronden zijn tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden, zoals:

  1. het behoud van open essen en gave broekgebieden, afwisseling van landgoederen, bouwland en grotere bossen, karakteristiek verspreide bebouwing en het behoud van rivierduin met micro-reliëf;
  2. aardkundig waardevol gebied, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 1' ter instandhouding van het aardkundig waardevol gebied;
  3. waardevol open gebied, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - 2';
  4. instandhouding van aanwezige landschapselementen.
b Volkstuin     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'volkstuin' zijn volkstuinen toegestaan.

c IJsbaan     

Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ijsbaan' is een ijsbaan toegestaan.

d Extensief recreatief medegebruik     

De gronden mogen worden gebruikt ten behoeve van extensief recreatief medegebruik. Ter ondersteuning van het extensief recreatief medegebruik worden beperkte recreatieve voorzieningen toegestaan in het gehele gebied, zoals paden, banken, picknicktafels, bewegwijzering e.d.

7.2 Bouwregels     

7.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

7.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten dienste van de ijsbaan zoals bedoeld in 7.1.2 onder c;
  2. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  3. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' ter plaatse van aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven'.
7.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
7.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

7.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het oprichten van bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten het bouwvlak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van:

  1. het agrarisch grondgebruik, met een maximale bouwhoogte van 3 m, met dien verstande dat sleufsilo's en kassen niet zijn toegestaan;
  2. het plaatsen van perceelafscheidingen tot een maximale hoogte van 1,5 m;
  3. het extensief recreatief medegebruik zoals banken, bewegwijzering, picknicktafels e.d. met een maximale hoogte van 2 m;
  4. een paardenbak is niet toegestaan.

7.3 Nadere eisen     

7.3.1 Nadere eisen i.v.m. landschapswaarden     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van nieuw op te richten bebouwing op percelen met het oog op de bescherming van de landschapswaarden, als bedoeld in 7.1.

7.4 Afwijken van de bouwregels     

7.4.1 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 4 m;
  2. de grotere bouwhoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  3. de omgevingsvergunning mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen als omschreven in 7.1.
7.4.2 Omgevingsvergunning schuilgelegenheid     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.2 onder a teneinde buiten de aanduiding 'bouwvlak' een schuilgelegenheid voor vee toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de bebouwing kan, gezien de specifieke situatie, niet binnen het agarisch bouwvlak worden geplaatst;
  2. schuilgelegenheden mogen uitsluitend worden gebouwd op een terrein van aaneengesloten minimaal 1 ha;
  3. de goothoogte bedraagt maximaal 2,5 m;
  4. de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 m;
  5. de oppervlakte bedraagt maximaal 30 m2;
  6. de schuilgelegenheid dient uit oogpunt van ruimtelijke ordening goed op het perceel te worden gesitueerd en landschappelijk te worden ingepast;
  7. de afstand tot woningen van derden dient ten minste 30 m te bedragen;
  8. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarde als opgenomen in 7.1.
7.4.3 Omgevingsvergunning paardenbak buiten bouwvlak     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 7.2.5 onder d, teneinde buiten het 'bouwvlak' een paardenbak toe te staan, ten behoeve van deze bestemming danwel de bestemming 'Wonen', mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. situering binnen het bouwvlak danwel het bestemmingsvlak 'Wonen' is redelijkerwijs niet mogelijk;
  2. indien een paardenbak ten behoeve van deze bestemming wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend aan het eigen bouwvlak opgericht; indien een paardenbak ten behoeve van de bestemming 'Wonen' wordt toegestaan, dan wordt de paardenbak aansluitend of binnen een afstand van 50 m van dat bestemmingsvlak 'Wonen' opgericht;
  3. de oppervlakte van de paardenbak bedraagt maximaal 1500 m²;
  4. de afstand van de paardenbak tot de bouwperceelgrens van woningen van derden bedraagt ten minste 50 m;
  5. lichtmasten zijn niet toegestaan;
  6. de belangen van in de omgeving aanwezige functies en waarden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  7. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, de initiatiefnemer dient hiertoe een door het bevoegd gezag goed te keuren inrichtingsplan te overleggen.
7.4.4 Omgevingsvergunning maatvoering     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de in de regels genoemde maten, als opgenomen in 7.2, mits wordt voldaan aan de volgende bepalingen:

  1. de afwijking bedraagt niet meer dan 10% van de genoemde maten;
  2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld;
  3. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de woonsituatie;
  4. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de verkeersveiligheid;
  5. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
  6. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke inpassing, het bevoegd gezag kan daartoe van de initiatiefnemer een inrichtingsplan eisen;
  7. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in artikel 7.1.

7.5 Specifieke gebruiksregels     

7.5.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. groepskamperen;
  2. het gebruik van gronden voor de opslag van (hooi)balen, al dan niet verpakt in folie of afgedekt met folie, gedurende een periode langer dan 6 weken.

7.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

7.6.1 Vergunningplicht     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding :

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  3. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen en het slaan van putten;
  4. aanbrengen van ondergrondse leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
  5. aanleggen en verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m2;
  6. het aanbrengen van teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde bouwwerken;
  7. diepploegen;
  8. vellen en rooien van bomen, hakhout en andere houtopstanden en handelingen die de dood of beschadigingen van bomen tengevolge kunnen hebben;
  9. het beplanten van gronden met houtgewas, voorzover het houtgewas betreft dat hoger opgaat dan 1 m;
  10. het scheuren van grasland;
  11. het wijzigen van het verkavelingspatroon.
7.6.2 Uitzonderingen vergunningplicht     

Het in 7.6.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, (agrarisch) gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden;
  4. werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning om een houtopstand te (doen) vellen benodigd is.
7.6.3 Beoordelingscriteria     

De in 7.6.1 genoemde vergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  2. er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van het historische verkavelingspatroon;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de overige aanwezige waarden zoals opgenomen in 7.1.

Artikel 8 Bedrijf     

8.1 Bestemmingsomschrijving     

8.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten;
  2. bedrijfswoningen;
  3. niet-zelfstandige kantoren;
  4. detailhandel;
  5. zend- en ontvangstinstallaties;
  6. kazerne voor hulpdiensten;
  7. parkeervoorzieningen;
  8. garageboxen;
  9. groenvoorzieningen;
  10. wegen en paden;
  11. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  12. nutsvoorzieningen;
  13. geluidwerende voorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 8.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

8.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Bedrijf' gelden de volgende regels:

a Bedrijfactiviteiten     

Bedrijven zijn uitsluitend toegestaan indien deze behoren tot de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

  1. 'specifieke vorm van bedrijf - metaalbewerking' een metaalbewerkingsbedrijf uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  2. 'specifieke vorm van bedrijf - smederij' een smederij uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  3. 'specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij' een meubelmakerij uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  4. 'specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf' een bouwbedrijf uit categorie 3.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  5. 'specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf' een aannemersbedrijf uit categorie 3.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  6. 'specifieke vorm van bedrijf - constructiewerkplaats' een constructiewerkplaats uit categorie 3.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan;
  7. 'hovenier' een hoveniersbedrijf uit categorie 3.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  8. 'specifieke vorm van bedrijf - gemeentewerf' uitsluitend een gemeentewerf uit categorie 3.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten is toegestaan;
  9. 'specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf' een garagebedrijf met een bijbehorende plaatwerkerij en spuiterij uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan;
  10. 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg' een verkooppunt van motorbrandstoffen met LPG uit categorie 3.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten uitsluitend aldaar is toegestaan, waarbij een LPG-vulpunt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg';
  11. 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg' een verkooppunt motorbrandstoffen zonder LPG uitsluitend aldaar is toegestaan;
  12. 'specifieke vorm van bedrijf - transportbedrijf' een transportbedrijf uitsluitend aldaar is toegestaan;
  13. 'specifieke vorm van bedrijf - mengvoederbedrijf' een mengvoerderbedrijf uitsluitend aldaar is toegestaan;
  14. 'specifieke vorm van bedrijf - mechanisatie landbouwmachines' een landbouwmechanisatiebedrijf uitsluitend aldaar is toegestaan;
  15. 'specifieke vorm van bedrijf - schildersbedrijf' een schildersbedrijf uitsluitend aldaar is toegestaan;
  16. 'specifieke vorm van bedrijf - installatiebedrijf' een installatiebedrijf uitsluitend aldaar is toegestaan;
  17. 'specifieke vorm van bedrijf - woningstoffeerderij' een woningstoffeerderij / gordijnleverancier uitsluitend aldaar is toegestaan;
  18. 'specifieke vorm van bedrijf - textielwaren' een bedrijf gericht of het vervaardigen van textielwaren uitsluitend aldaar is toegestaan;
  19. 'specifieke vorm van bedrijf - haantjesbraderij' een haantjesbraderij uitsluitend aldaar is toegestaan;
  20. 'specifieke vorm van bedrijf - caravanstalling' een caravanstalling uitsluitend aldaar is toegestaan;
  21. 'brandweerkazerne' een kazerne voor hulpdiensten is toegestaan;
  22. 'opslag' opslag is toegestaan.
b Detailhandel     

Detailhandel is niet toegestaan, behoudens:

  1. internetverkoop
  2. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten;
  3. detailhandel in auto's en toebehoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autobedrijf' en 'specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf';
  4. detailhandel in fietsen en toebehoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - fietsenwinkel';
  5. detailhandel in meubels en toebehoren, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - meubelwinkel';
  6. detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';
  7. bestaande niet-wederrechtelijke detailhandelsactiviteiten.
c Niet-zelfstandige kantoren     

Uitsluitend niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan.

d Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 8.1.1.

e Buitenopslag     

Voor buitenopslag geldt dat dit uitsluitend is toegestaan achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.

f Zend- en ontvangstinstallatie     

Een zend- en ontvangstinstallatie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zend/ontvangstinstallatie'.

g Afschermend groen     

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend afschermende groenvoorzieningen voor landschappelijke inpassing toegestaan.

8.2 Bouwregels     

8.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

8.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlakt (m2)' bedraagt de oppervlakte aan gebouwen niet meer dan aangegeven;
  6. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m;
  7. voor zover een gevellijn is opgenomen wordt de voorgevel van het hoofdgebouw binnen het bouwperceel gesitueerd in de bouwgrens ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'.
8.2.3 Bedrijfswoningen     

Voor bedrijfswoningen gelden, naast het bepaalde in 8.2.2, de volgende regels:

  1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. ter plaatse van de aanduiding 'nokrichting' mag de nokrichting van de bedrijfswoning uitsluitend evenwijdig aan het aanduidingsvlak worden gerealiseerd.
8.2.4 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
8.2.5 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

8.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  2. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt maximaal 8 m;
  3. de bouwhoogte van een zend- en ontvangstinstallatie bedraagt maximaal 40 m;
  4. ter plaatse van 'specifieke bouwaanduiding - overkapping' bedraagt de bouwhoogte van een overkapping maximaal 6 m;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 4 m;
  6. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 3 m.

8.3 Nadere eisen     

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de inrichting en situering van parkeervoorzieningen en kunnen uitsluitend worden gesteld indien zulks noodzakelijk is:

  1. voor een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit;
  2. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
  3. ter bevordering van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

8.4 Specifieke gebruiksregels     

8.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. bedrijfsactiviteiten anders dan voorgeschreven in 8.1.2 onder a;
  2. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  3. een geluidzoneringsplichtige inrichting;
  4. een Bevi-inrichting;
  5. zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte, voor zover het betreft bijbehorend bouwwerk.

8.5 Afwijken van de gebruiksregels     

8.5.1 Omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.1.2 onder a, teneinde bedrijven toe te staan die niet voorkomen op de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, danwel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.

Artikel 9 Bedrijf - Melkverwerkende industrie     

9.1 Bestemmingsomschrijving     

9.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bedrijf - Melkverwerkende industrie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. melkverwerkende industrie, met daartoe dienende gebouwen, installaties en voorzieningen;
  2. detailhandel;
  3. parkeervoorzieningen;
  4. groenvoorzieningen;
  5. wegen en paden;
  6. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. geluidwerende voorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 9.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

9.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Bedrijf - Melkverwerkende industrie' gelden de volgende regels:

a Detailhandel     

Detailhandel is uitsluitend toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten.

b Niet-zelfstandige kantoren     

Uitsluitend niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan.

c Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 9.1.1

d Afschermende groenvoorzieningen     

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend bestemd voor afschermende groenvoorzieningen.

9.2 Bouwregels     

9.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

9.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximale bouwhoogte' is aangegeven;
  3. in afwijking van het bepaalde onder b geldt dat de bouwhoogte van silo's en installaties maximaal 18 m bedraagt, met dien verstande dat de oppervlakte van deze silo's en installaties niet meer dan 10% van het bebouwde oppervlak van het bedrijf bedraagt;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd;
  5. de onderlinge afstand van vrijstaande gebouwen bedraagt minimaal 5 m.
9.2.3 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

9.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2,25 m;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat de bouwhoogte van kranen en hijsinrichtingen maximaal de bouwhoogte bedraagt zoals aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)', vermeerderd met 5 m.

9.3 Afwijken van de bouwregels     

9.3.1 Afwijking bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.2.4, teneinde een bouwhoogte van maximaal 10 m, toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden plaats en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.

9.4 Specifieke gebruiksregels     

9.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval een geluidzoneringsplichtige inrichting begrepen.

9.5 Afwijken van de gebruiksregels     

9.5.1 Omgevingsvergunning t.b.v. andere bedrijven     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.1 onder a teneinde andere bedrijven toe te staan, mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. de bedrijven zijn qua aard, omvang en invloed op het milieu en omgeving gelijk te stellen aan het bestaande bedrijf;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  3. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  5. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.

Artikel 10 Bedrijf - Nutsvoorziening     

10.1 Bestemmingsomschrijving     

10.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. nutsvoorzieningen;
  2. zend- en ontvangstinstallaties;
  3. groenvoorzieningen;
  4. verhardingen;

één en ander met de bijbehorende bouwwerken en voorzieningen en overeenkomstig de in 10.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

10.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' gelden de volgende regels:

a Zend- en ontvangstinstallatie     

Een zend- en ontvangstinstallatie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zend/ontvangstinstallatie'.

10.2 Bouwregels     

10.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen van openbaar nut en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

10.2.2 Nutsvoorzieningen     

Voor nutsvoorzieningen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goothoogte bedraagt niet meer dan in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  4. de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
10.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
10.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

10.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  2. de bouwhoogte van zend-/ontvangstinstallaties bedraagt maximaal 40 m, met dien verstande dat ter plaatse van aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)', de daar aangegeven bouwhoogte is toegelaten;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m.

Artikel 11 Bedrijventerrein     

11.1 Bestemmingsomschrijving     

11.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijven;
  2. bedrijfswoningen;
  3. detailhandel;
  4. kantoor;
  5. sportcentrum;
  6. praktijkruimte voor fysiotherapie;
  7. zend- en ontvangstinstallaties;
  8. kazerne voor hulpdiensten;
  9. ontsluitingswegen;
  10. voet- en fietspaden;
  11. groenvoorzieningen;
  12. nutsvoorzieningen;
  13. parkeervoorzieningen;
  14. geluidswerende voorzieningen;
  15. water, waterhuishoudkundige voorzieningen en waterberging.

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 11.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

11.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Bedrijventerrein' gelden de volgende regels:

a Bedrijfsctiviteiten     

Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bedrijven toegestaan voorzover deze voorkomen in categorie 1, 2, 3.1. en 3.2. van de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, alsmede vergelijkbare bedrijven of bedrijven in een hogere milieucategorie na het verlenen van omgevingsvergunning op grond van 11.6.1, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding:

  1. 'bedrijven tot en met categorie (nummer categorie)' slechts bedrijven zijn toegestaan tot maximaal de aangegeven categorie;
  2. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - betonmortelcentrale' een betonmortelcentrale is toegestaan;
  3. 'specifieke vorm van bedrijf - autobedrijf' uitsluitend een autobedrijf is toegestaan uit categorie 2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  4. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - melkproductenbedrijf' een bedrijf in melkproducten is toegestaan uit categorie 4.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  5. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - kunststofverwerking' een kunststofverwerkend bedrijf is toegestaan uit categorie 4.1 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  6. 'specfieke vorm van bedrijventerrein - slachterij' een slachterij is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  7. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - metaalbewerkende industrie' metaalbewerkende industrie is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  8. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - papier- en kartonverwerkende industrie' papier- en kartonverwerkende industrie is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  9. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - metaalwerken' een bedrijf in metaalwerken is toegestaan;
  10. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - transportbedrijf' een goederenwegvervoerbedrijf is toegestaan uit categorie 3.2 van Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  11. 'verkooppunt motorbrandstoffen met LPG' een verkooppunt motorbrandstoffen met LPG uitsluitend aldaar is toegestaan, waarbij een LPG-vulpunt uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg';
  12. 'specifieke vorm van bedrijventerrein - voorwaardelijke verplichting' het gebruik ten behoeve van deze bestemming alleen is toegestaan, indien gelijktijdig de aangrenzende groenzone binnen de bestemming 'Groen' conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd beplantings- en beheerplan in stand wordt gehouden.
b Kantoren     

Voor kantoren geldt het volgende:

  1. uitsluitend niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan;
  2. in afwijking van het bepaalde onder 1 geldt dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' zelfstandige kantoren zijn toegestaan.
c Detailhandel     

Detailhandel is uitsluitend toegestaan in de vorm van:

  1. internetverkoop;
  2. detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten;
  3. detailhandel in volumineuze goederen, uitsluitend na het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van 11.6.2;
  4. detailhandel in landbouwvoertuigen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - landbouwvoertuigen';
  5. detailhandel in (grove) bouwmaterialen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - bouwmarkt';
  6. bestaande niet-wederrechtelijke detailhandelsactiviteiten.
d Dienstverlening     

Dienstverlening is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening'.

e Sportcentrum     

Voor het sportcentrum geld het volgende:

  1. een sportcentrum is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'sportcentrum' toegestaan;
  2. binnen het sportcentrum is ondersteunende horeca en een schoonheidssalon toegestaan.
f Praktijkruimte     

Een praktijkruimte voor fysiotherapie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'praktijkruimte'.

g Zend- en ontvangstinstallatie     

Een zend- en ontvangstinstallatie is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'zend/ontvangstinstallatie'.

h Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 11.1.1.

i Buitenopslag     

Voor buitenopslag geldt dat dit uitsluitend is toegestaan achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.

11.2 Bouwregels     

11.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

11.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd;
  5. de afstand van gebouwen tot de naar de weg gekeerde perceelsgrens bedraagt minimaal 5 m;
  6. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m.
11.2.3 Bedrijfswoningen     

Voor bedrijfswoningen gelden, naast het bepaalde in 11.2.2, de volgende regels:

  1. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' is maximaal één bedrijfswoning toegestaan;
  2. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein - 2 bedrijfswoningen' zijn twee bedrijfswoningen toegestaan;
  3. de goot- en bouwhoogte van de bedrijfswoning bedragen maximaal 6 m respectievelijk 9 m.
11.2.4 Ondergrondse gebouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende regels:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
11.2.5 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel ondergeschikt is en een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

11.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  2. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten en verkeerregelinstallaties bedraagt maximaal 8 m;
  3. de bouwhoogte van een zend- en ontvangstinstallatie bedraagt maximaal 55 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 4 m;
  5. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 3 m.

11.3 Nadere eisen     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de inrichting en situering van parkeervoorzieningen;
  2. Nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld indien zulks noodzakelijk is:
    1. voor een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit;
    2. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    3. ter bevordering van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

11.4 Afwijken van de bouwregels     

11.4.1 Omgevingsvergunning bebouwingspercentage     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.2 onder d voor het verhogen van het bebouwingspercentage met maximaal 10%, mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. de noodzaak hiertoe vloeit voort uit de aard van de bedrijvigheid;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van belangen van derden of van landschappelijke waarden in de omgeving.
11.4.2 Omgevingsvergunning afstand zijdelingse perceelsgrens     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.2 onder f teneinde een kleinere afstand tot de zijdelingse perceelsgrens toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. het bouwen op een kortere afstand van de zijdelingse perceelsgrens is uitsluitend toegestaan bij de verbouw en/of uitbreiding van een bestaand bedrijfsgebouw, voor zover het bestaande bedrijfsgebouw reeds is gelegen op een kortere afstand en alsdan tot uiterlijk de bestaande afstand tot de zijdelingse perceelsgrens;
  2. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast, dit houdt in ieder geval in dat het algemene (bestaande) straatbeeld van openheid op hoofdlijnen gehandhaafd moet blijven;
  3. de hoogte van het gebouw binnen 3 meter tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt maximaal de hoogte van het bestaande bedrijfsgebouw(gedeelte) in dat gebied;
  4. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  6. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  7. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  8. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen;
  9. er zijn geen belemmeringen op het gebied van brandpreventie.
11.4.3 Omgevingsvergunning hoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.2.6 teneinde een hogere bouwhoogte voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 20 m;
  3. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast.

11.5 Specifieke gebruiksregels     

11.5.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. bedrijfsactiviteiten anders dan voorgeschreven in 11.1.2 onder a;
  2. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  3. geluidzoneringsplichtige inrichtingen, met uitzondering van bestaande geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
  4. Bevi-inrichtingen, met uitzondering van bestaande Bevi-inrichtingen;
  5. zelfstandige bewoning van bijbehorende bouwwerken.

11.6 Afwijken van de gebruiksregels     

11.6.1 Omgevingsvergunning Staat van Bedrijfsactiviteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.1.2 onder a jo. 11.5.1, teneinde bedrijven toe te staan die niet voorkomen op de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, danwel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.
11.6.2 Omgevingsvergunning volumineuze detailhandel     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 11.1.2 onder c teneinde detailhandel in volumineuze goederen toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. uit onderzoek dient te blijken dat het vanwege ruimtebeslag of verkeersoverlast onmogelijk of ongewenst is de desbetreffende vestiging ruimtelijk in te passen in bestaande winkelgebieden;
  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. bij het verlenen van omgevingsvergunning begrenst het bevoegd gezag het maximaal toegestane vloeroppervlak, met dien verstande dat het verkoopvloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 4.000 m²;
  3. het verkoopvloeroppervlak mag in ieder geval nooit meer bedragen dan 60% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.
  6. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.

11.7 Wijzigingsbevoegdheid     

11.7.1 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 4     

Burgemeester en wethouders de bestemming 'Bedrijventerrein', voor zover gelegen binnen de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 4', wijzigen in de bestemming 'Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie', mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad;
  3. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  4. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.

Artikel 12 Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie     

12.1 Bestemmingsomschrijving     

12.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. aardappelverwerkende industrie, met daaraan gelieerde bedrijven, alsmede een warmtekrachtcentrale, met daartoe dienende gebouwen, installaties en voorzieningen;
  2. parkeervoorzieningen;
  3. groenvoorzieningen;
  4. wegen en paden;
  5. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  6. geluidwerende voorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 12.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

12.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie' gelden de volgende regels:

a Gelieerde bedrijven     

Het totale bedrijfsoppervlak - bebouwd en onbebouwd - van de gezamelijke gelieerde bedrijven bedraagt binnen het bouwvlak maximaal 10 % van het daaronder begrepen terrein.

b Niet-zelfstandige kantoren     

Uitsluitend niet-zelfstandige kantoren zijn toegestaan.

c Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 12.1.

12.2 Bouwregels     

12.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

12.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. in afwijking van het bepaalde in sub b bedraagt de bouwhoogte van ventilatiekanalen en schoorstenen ten behoeve van de naverbrandingsinstallatie maximaal 19,5 m;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd.
12.2.3 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

12.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2,5 m;
  2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 15 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten maximaal 10 m bedraagt.

12.3 Afwijken van de bouwregels     

12.3.1 Afwijking bouwhoogte bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.2.4 onder c, teneinde een bouwhoogte van 4 m, toe te staan, mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. de grotere hoogte is noodzakelijk voor een doelmatiger gebruik van de aan de grond gegeven bestemming;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.

Artikel 13 Bos     

13.1 Bestemmingsomschrijving     

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bos met bijbehorende voorzieningen;
  2. houtproductie;
  3. bescherming van de droge en natte natuurwaarden en landschappelijke waarden;
  4. extensief recreatief medegebruik;
  5. water en waterlopen;
  6. bescherming en instandhouding van drinkwatervoorzieningen;
  7. nutsvoorzieningen;
  8. voet- en fietspaden;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen.

13.2 Bouwregels     

13.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

13.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 1 m;
  2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van informatievoorzieningen bedraagt maximaal 2,5 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 1 m.

13.3 Specifieke gebruiksregels     

13.3.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  2. het geplaatst houden van kampeermiddelen.

13.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden     

13.4.1 Werken en werkzaamheden     

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren die mogelijk gevolgen hebben voor bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding:

  1. ophoging, egalisering van gronden en afgraven van de bodem;
  2. aanleggen en dempen van watergangen, sloten en andere waterpartijen;
  3. overige werken en werkzaamheden die de waterhuishouding beïnvloeden, zoals bemalen, onderbemalen, het slaan van putten;
  4. aanleggen en (half)verharden van wegen, het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen groter dan 200 m².
13.4.2 Uitzonderingen vergunningsplicht     

Het in 13.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden:

  1. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer, gebruik en onderhoud;
  2. werken en/of werkzaamheden welke zijn aangevangen dan wel in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  3. de aanleg van verharde kavelpaden ter ontsluiting van agrarische gronden.
13.4.3 Voorwaarden     

De in 13.4.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien en voorzover door de werken en werkzaamheden geen onevenredige aantasting ontstaat of kan ontstaan:

  1. voor de bodemstructuur, het bodemniveau, het landschap en de waterhuishouding;
  2. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de aanwezige waarden zoals opgenomen in 13.1.

Artikel 14 Centrum     

14.1 Bestemmingsomschrijving     

14.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Centrum' aangewezen gronden zijn bestemd voor centrumvoorzieningen in de vorm van:

  1. bedrijf;
  2. cultuur en ontspanning;
  3. detailhandel;
  4. dienstverlening;
  5. groen;
  6. horecabedrijf;
  7. maatschappelijke voorzieningen;
  8. nutsvoorzieningen;
  9. terrassen;
  10. verkeer;
  11. wonen;
  12. parkeervoorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 14.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

14.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Centrum' gelden de volgende regels:

a Algemeen     
  1. centrumfuncties, met uitzondering van horeca en maatschappelijk, zijn uitsluitend toegestaan in combinatie met wonen op de verdieping(en) boven de begane grondbouwlaag, met dien verstande dat dit niet geldt voor centrumfuncties waar ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan geen woning op de verdieping(en) was;
  2. centrumfuncties, met uitzondering van wonen alsmede horeca- en maatschappelijke functies als niet-zelfstandig onderdeel van de functie op de begane grond, zijn uitsluitend toegestaan op de begane grondbouwlaag van het hoofdgebouw, met dien verstande dat:
    1. in afwijking van het voorgaande en het bepaalde onder 1 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - detailhandel op de verdieping' detailhandel op de verdieping is toegestaan;
    2. in afwijking van het voorgaande en het bepaalde in onder 1 ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van kantoor - kantoor op de verdieping' kantoren op de verdieping zijn toegestaan;
    3. centrumfuncties in de kelder toegestaan zijn als niet-zelfstandig onderdeel van de functie op de begane grond.
b Bedrijf     

Voor bedrijven geldt dat binnen deze bestemming uitsluitend ambachtelijke bedrijven uit categorie A en B van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging zijn toegestaan, alsmede vergelijkbare bedrijven of bedrijven in een hogere categorie na omgevingsvergunning op grond van 14.5.1.

c Detailhandel     

Voor detailhandel geldt het volgende:

  1. een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
  2. ondersteunende horeca binnen een detailhandelsvestiging is toegestaan tot maximaal 25% van de hoofdfunctie met een maximale vloeroppervlakte van 25 m², behoudens omgevingsvergunning op grond van 14.5.2;
  3. het verkoopvloeroppervlak per detailhandelsvestiging mag niet meer dan 1.500 m² gaan bedragen.
d Horecabedrijf     

Voor horecabedrijven geldt het volgende:

  1. binnen deze bestemming zijn uitsluitend horecabedrijven uit horecacategorie 2 toegestaan;
  2. in aanvulling op het bepaalde onder 1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 1' horecabedrijven uit horecacategorie 1 en 2 toegestaan;
  3. in aanvulling op het bepaalde onder 1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 3' horecabedrijven uit horecacategorie 1, 2 en 3 toegestaan;
  4. terrassen zijn uitsluitend toegestaan aan de naar de openbare weg gekeerde zijde(n) van het horecabedrijf;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'terras' zijn tevens terrassen toegestaan.
e Parkeren     

Voor parkeren geldt het volgende:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' is uitsluitend een parkeerterrein toegestaan;
  2. het gestelde in 47.2 is van toepassing bij het bouwen en het realiseren en het wisselen van toegelaten functies zoals opgenomen in 14.1.1.
f Nutsvoorziening     

Ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' zijn uitsluitend nutsvoorzieningen toegestaan.

g Wonen     

Voor wonen geldt het volgende:

  1. maximaal het aantal woningen is toegestaan dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan reeds niet wederrechtelijk aanwezig was, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen', ten hoogste het aangegeven aantal woningen is toegestaan;
  2. in afwijking van het bepaalde onder a geldt dat wonen op de begane grondbouwlaag is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'wonen'.
h Aan huis verbonden activiteit     

Het gebruik van een woning, een bijbehorend bouwwerk en bij de woning behorende gronden voor de uitoefening van een aan huis verbonden activiteit wordt geacht overeenkomstig de bestemming te zijn mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. de activiteit dient qua aard, omvang en uitstraling te passen in een woonomgeving;
  2. de eigenaar van de aan huis verbonden activiteit is tevens de bewoner van de woning;
  3. de woonfunctie blijft de hoofdfunctie en de uitoefening van het aan huis verbonden bedrijf is hieraan ondergeschikt;
  4. het geheel blijft het uiterlijk van een woning behouden;
  5. opslag is uitsluitend binnen bebouwing toegestaan;
  6. het gebruik mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
  7. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  8. bij een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf mag maximaal 40% van de bruto vloeroppervlakte (bvo) worden gebruikt tot een maximum van 50 m²;
  9. bij een aan huis verbonden bedrijf zijn alleen activiteiten toegestaan die vallen in de categorie A van de bij de regels behorende Bijlage 2 Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging;
  10. bij bed & breakfast is er sprake van maximaal 2 gastenkamers;
  11. detailhandel is enkel toegelaten in de vorm van internetverkoop en een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit in verband met de aan huis verbonden activiteit.

14.2 Bouwregels     

14.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

14.2.2 Hoofdgebouwen     

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  1. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd;
  5. voor zover een gevellijn is opgenomen wordt de voorgevel van het hoofdgebouw binnen het bouwperceel gesitueerd in de bouwgrens ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn'.
14.2.3 Bijbehorende bouwwerken     

Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk gelden de volgende regels:

  1. bijbehorende bouwwerken mogen ter plaatse van het 'bouwvlak', achtererfgebied en zijerfgebied worden gebouwd;
  2. de goothoogte en bouwhoogte bedragen maximaal 4 meter respectievelijk 6 meter;
  3. buiten het 'bouwvlak' bedraagt de bebouwde oppervlakte per bouwperceel maximaal 120 m2;
  4. in zijerfgebied gelden de volgende aanvullende regels:
    1. ingeval op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, een hoofdgebouw aanwezig is:
      • in het zijerfgedeelte, dat ligt op minimaal 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw op dat belendend perceel, bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 4 m respectievelijk 6 m;
      • in het resterende zijerfgedeelte bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 2 m respectievelijk 3 m;
    2. ingeval op een belendend perceel, grenzend aan het zijerfgebied, geen hoofdgebouw aanwezig is:
      • in het zijerfgedeelte, dat ligt op minimaal 3 m vanaf het openbaar toegankelijk gebied, bedraagt de goot- en bouwhoogte maximaal 4 m respectievelijk 6 m;
      • in het resterende zijerfgedeelte bedraagt de goothoogte en bouwhoogte maximaal 2 m respectievelijk 3 m.
  5. buiten het 'bouwvlak' en buiten het achtererfgebied, gelden de volgende aanvullende regels:
    1. de diepte bedraagt maximaal 1,5 m;
    2. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3,5 m;
    3. de breedte bedraagt maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw;
    4. de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied bedraagt minimaal 1,5 m.
  6. in afwijking van het gestelde onder b geldt in hoeksituaties dat bij een aangebouwd bijbehorend bouwwerk een grotere bouw- en/of goothoogte is toegestaan, mits:
    1. de omvang en vormgeving van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijven aan die van het hoofdgebouw en het hoofdgebouw als zodanig duidelijk herkenbaar blijft;
    2. het bijbehorend bouwwerk minimaal 3 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw staat;
    3. de gewenste openheid van de tussenruimten (tuinen) tussen het hoofdgebouw op dit perceel en die op aansluitende percelen gewaarborgd blijft;
    4. het bijbehorend bouwwerk niet staat vóór de voorgevels van hoofdgebouwen op aansluitende percelen ‘om de hoek’.
14.2.4 Nutsvoorzieningen     

Voor nutsvoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening' gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m;
  2. de bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 20 m².
14.2.5 Ondergrondse gebouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
14.2.6 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

14.2.7 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 2 m;
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt binnen het 'bouwvlak' maximaal 4 m.

14.3 Nadere eisen     

  1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen ten aanzien van de situering van parkeervoorzieningen;
  2. Nadere eisen kunnen uitsluitend worden gesteld indien zulks noodzakelijk is:
    1. voor een verantwoorde en evenwichtige stedenbouwkundige inpassing en ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit;
    2. ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
    3. ter bevordering van de verkeers-, sociale en brandveiligheid.

14.4 Specifieke gebruiksregels     

14.4.1 Strijdig gebruik     

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  1. het gebruik van gronden en/of opstallen voor bedrijfsactiviteiten anders dan voorgeschreven in 14.1.2 onder b;
  2. opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen;
  3. het gebruik van (bedrijfs)woningen voor bedrijfsactiviteiten;
  4. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;
  5. Bevi-inrichtingen;
  6. zelfstandige bewoning voor zover het betreft een bijbehorend bouwwerk.

14.5 Afwijken van de gebruiksregels     

14.5.1 Omgevingsvergunning Staat van Bedrijfsactiviteiten (functiemenging)     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.1.2 onder b. jo 14.4, teneinde bedrijven toe te staan die niet voorkomen op de bij de regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging, danwel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  2. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.
14.5.2 Omgevingsvergunning ondersteunende horeca     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.1.2 onder c, teneinde een vloeroppervlak van maximaal 40 m² voor ondersteunende horeca toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de detailhandelsfunctie blijft op het perceel als hoofdfunctie in stand en het voorgestane medegebruik is een ondergeschikte toevoeging hieraan;
  2. het pand blijft het uiterlijk van een detailhandelsbedrijf behouden;
  3. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  4. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.
14.5.3 Omgevingsvergunning oppervlakte aan huis verbonden beroep en bedrijf     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.1.2 onder h onder 2 onder a en b, teneinde een oppervlakte van meer dan 50 m2 toe te staan voor een aan huis verbonden beroep en een aan huis verbonden bedrijf, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. het geheel blijft het uiterlijk van een woning behouden;
  2. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  3. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
14.5.4 Omgevingsvergunning bed & breakfast     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 14.1.2 onder h onder 2 onder d, teneinde een bed & breakfast voorziening in maximaal 3 kamers als nevenactiviteit toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. een bed & breakfast is enkel in de woning of in een bijbehorend bouwwerk toegestaan;
  2. er vindt geen uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast plaats;
  3. permanente bewoning of huisvesting van tijdelijke werknemers is niet toegestaan;
  4. de cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast;
  5. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  6. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.

14.6 Wijzigingsbevoegdheid     

14.6.1 Wijziging wonen op begane grond     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door gronden aan te duiden met de aanduiding 'wonen', teneinde op de begane grond een woning toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. gebruik van de begane grond door de functies detailhandel, dienstverlening, horeca of maatschappelijke doeleinden is redelijkerwijs binnen afzienbare tijd niet mogelijk;
  2. vastgelegd wordt hoeveel woningen er in totaal zijn toegestaan;
  3. het initiatief moet passen binnen het gemeentelijk kwalitatief woonprogramma c.q. gemeentelijke woonvisie;
  4. de woning vormt geen belemmering voor bedrijfsactiviteiten in de omgeving;
  5. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  6. er bestaan voor woon- en leefmilieu geen belemmeringen;
  7. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;
  8. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  9. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  10. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen;
  11. de geluidbelasting vanwege het wegverkeer van geluidsgevoelige gebouwen is niet hoger dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een reeds verkregen hogere grenswaarde ten tijde van het ter visie leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan.
14.6.2 Wijziging supermarkt     

Burgemeester en wethouders kunnen deze bestemming wijzigen door gronden aan te duiden met de aanduiding 'supermarkt', teneinde op de begane grond een supermarkt toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast;
  1. de bevoorradingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  2. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  3. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  4. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.

Artikel 15 Cultuur en ontspanning     

15.1 Bestemmingsomschrijving     

15.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. cultuur en ontspanning
  2. galerie;
  3. evenemententerrein;
  4. de uitoefening van agrarische activiteiten;
  5. wegen en paden;
  6. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  7. groenvoorzieningen;
  8. parkeervoorzieningen;
  9. speelvoorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 15.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

15.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Cultuur en ontspanning' gelden de volgende regels:

a Evenemententerrein     

Voor evenementen gelden de volgende regels:

  1. een evenemententerrein is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein';
  2. er zijn jaarlijks maximaal 12 evenementen toegestaan, tot een maximum van 14 dagen.
b Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 15.1.1.

15.2 Bouwregels     

15.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

15.2.2 Gebouwen     
  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen in het 'bouwvlak' met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
15.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
15.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

15.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt buiten het 'bouwvlak' maximaal 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen bedraagt maximaal 2 m;
  3. de bouwhoogte van licht- en vlaggenmasten bedraagt maximaal 10 m;
  4. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 4 m.

15.3 Afwijken van de gebruiksregels     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde 15.1.1 voor het toestaan van een andere vorm van cultuur en ontspanning, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  6. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.

Artikel 16 Detailhandel     

16.1 Bestemmingsomschrijving     

16.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Detailhandel' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. detailhandel;
  2. dienstverlening;
  3. wonen;
  4. opslag;
  5. parkeervoorzieningen;
  6. groenvoorzieningen;

één en ander met de bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 16.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

16.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Detailhandel' gelden de volgende regels:

a Detailhandel     

Voor detailhandel geldt het volgende:

  1. detailhandel is uitsluitend toegestaan op de begane grond, met dien verstande dat bijbehorende ondergeschikte en ondersteunende voorzieningen ook in de kelder en op de verdieping zijn toegestaan;
  2. een supermarkt is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'supermarkt';
  3. indien er binnen een bouwvlak de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - entree' voorkomt, is de entree van het hoofdgebouw uitsluitend ter plaatse van die aanduiding toegestaan;
  4. indien er binnen een bouwvlak de aanduiding 'laad- en losplaats' voorkomt, is de entree van de laad- en losplaats uitsluitend ter plaatse van die aanduiding toegestaan;
  5. ondersteunende horeca is toegestaan tot maximaal 25% van de hoofdfunctie, met een maximale vloeroppervlakte van 50 m², voor zover het de publieksfunctie van de ondersteunende horeca betreft.
b Dienstverlening     

Dienstverlening is uitsluitend toegestaan na het verlenen van omgevingsvergunning als opgenomen in 16.3.2.

c Wonen     

Voor wonen geldt het volgende:

  1. wonen is toegestaan in combinatie met detailhandel;
  2. een bedrijfswoning is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  3. maximaal het aantal (bedrijfs)woningen is toegestaan dat ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan reeds niet wederrechtelijk aanwezig was;
  4. in afwijking van het gestelde onder 3 geldt ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' dat maximaal het aantal aangegeven woningen is toegestaan en wel uitsluitend op de verdieping(en) boven de begane grondbouwlaag;
  5. wonen als zelfstandige functie, zonder de uitoefening van detailhandel, is uitsluitend toegestaan na het verlenen van omgevingsvergunning op grond van 16.3.3.
d Opslag     

Ter plaatse van de aanduiding 'opslag' is uitsluitend opslag toegestaan.

e Parkerterrein     

Voor parkeren geldt het volgende:

  1. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' is uitsluitend een parkeerterrein toegestaan;
  2. het gestelde in 47.2 is van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 16.1.1.
f Afschermend groen     

Ter plaatse van de aanduiding 'groen' zijn uitsluitend afschermende groenvoorzieningen voor landschappelijke inpassing toegestaan.

g Relatie     

Daar waar meerdere bestemmingsvlakken met een relatiesymbool verbonden zijn worden deze vlakken als zijnde één bestemmingsvlak gezien.

16.2 Bouwregels     

16.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

16.2.2 Gebouwen     

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. in afwijking van het bepaalde onder b is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - dakopbouw' een dakopbouw toegestaan met een maximale bouwhoogte van 7,5 m, met dien verstande dat de oppervlakte van de dakopbouw maximaal 150 m² bedraagt;
  5. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd.
16.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor het bouwen van ondergrondse gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
16.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

16.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, mag buiten het 'bouwvlak' niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen binnen het 'bouwvlak' mag niet meer bedragen dan 2 m.
  3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het 'bouwvlak' niet meer bedragen dan 4 m.

16.3 Afwijken van de gebruiksregels     

16.3.1 Omgevingsvergunning ondersteunende horeca     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.1.2 onder a onder 5 teneinde een vloeroppervlak van maximaal 40 m² voor ondersteunende horeca toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de detailhandelsfunctie op het perceel als hoofdfunctie in stand blijft en het voorgestane medegebruik een ondergeschikte toevoeging hieraan is;
  2. het pand het uiterlijk van een detailhandelsbedrijf blijft behouden;
  3. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse;
  4. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing.
16.3.2 Omgevingsvergunning dienstverlening     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 16.1.2 onder b, teneinde dienstverlening op de begane grond toe te staan, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  3. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  4. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  5. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  6. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.
16.3.3 Omgevingsvergunning wonen     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in 16.1.2 onder c onder 1 teneinde wonen als zelfstandige functie zonder de uitoefening van detailhandel toe te laten, mits wordt voldaan aan het volgende:

  1. het bestaande aantal woningen wordt niet vermeerderd;
  2. de woonfunctie wordt ondergebracht in het voormalige detailhandelspand;
  3. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu;
  4. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 17 Gemengd     

17.1 Bestemmingsomschrijving     

17.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. bedrijf;
  2. wonen;
  3. evenemententerrein;
  4. dienstverlening;
  5. kantoor;
  6. maatschappelijke voorzieningen;
  7. wegen en paden;
  8. water en voorzieningen voor de waterhuishouding;
  9. groenvoorzieningen;
  10. speelvoorzieningen;

één en ander met bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 17.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

17.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

Voor de bestemming 'Gemengd' gelden de volgende regels:

a Bedrijf     

Er zijn uitsluitend bedrijven toegestaan voorzover deze voorkomen in categorie 1 van de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, alsmede vergelijkbare bedrijven of bedrijven in een hogere milieucategorie na het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van 17.3.1.

b Wonen     

Er zijn uitsluitend bestaande woningen toegestaan die op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan reeds niet wederrechtelijk aanwezig waren.

c Evenemententerrein     

Evenementen die 5 dagen of langer duren, inclusief op- en afbouw, zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'evenemententerrein' mits wordt voldaan aan de in onderstaande tabel opgenomen periodes en type evenement:

evenement periode duur (inclusief op- en afbouw)
Jazzevenement in Laag-Keppel juni, juli, augustus 5 dagen
d Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 17.1.1.

17.2 Bouwregels     

17.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

17.2.2 Gebouwen     

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

  1. gebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak';
  2. de bouwhoogte bedraagt maximaal hetgeen met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  3. de goot- en bouwhoogte bedragen maximaal hetgeen met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  4. ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage' mogen de daar aanwezige gronden tot maximaal het aangegeven bebouwingspercentage worden bebouwd.
17.2.3 Ondergrondse gebouwen     

Voor ondergrondse gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  1. ondergrondse gebouwen (kelders) zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van bovengrondse gebouwen, dan wel maximaal 1 m daarbuiten;
  2. ondergrondse gebouwen zijn uitsluitend toegestaan in één bouwlaag ondergronds.
17.2.4 Ondergeschikte bouwdelen     

Overschrijding van het 'bouwvlak' is toegestaan voor ondergeschikte bouwdelen, mits het bouwdeel een diepte heeft van maximaal 1,5 m.

17.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde     

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  1. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag buiten het 'bouwvlak' niet meer bedragen dan 1 m;
  2. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen binnen het 'bouwvlak' mag niet meer bedragen dan 2 m;
  3. de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het 'bouwvlak' niet meer bedragen dan 4 m.

17.3 Afwijken van de gebruiksregels     

17.3.1 Omgevingsvergunning bedrijfsactiviteiten     

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 17.1.2 onder a teneinde bedrijven die niet voorkomen op de bij de regels behorende Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel bedrijven in een hogere categorie, maar die qua aard, omvang en invloed op het milieu gelijk te stellen zijn aan de genoemde bedrijven, toe te staan, mits voldaan wordt aan het volgende:

  1. de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving wordt niet onevenredige aangetast;
  2. er zijn geen belemmeringen voor woon- en leefmilieu
  1. het betreft geen geluidzoneringsplichtige inrichting;
  2. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken worden niet onevenredig aangetast en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad;
  3. de verkeersontsluitingssituatie ter plaatse wordt niet onevenredig aangetast;
  4. ten aanzien van parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing;
  5. het bevoegd gezag kan bij het verlenen van de vergunning nadere eisen te stellen omtrent de inrichting van het terrein en met name omtrent de inrichting en situering van parkeervoorzieningen.

Artikel 18 Gemengd - 1     

18.1 Bestemmingsomschrijving     

18.1.1 Algemene bestemmingsomschrijving     

De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  1. cultuur en ontspanning;
  2. horecabedrijf;
  3. maatschappelijke voorzieningen;
  4. sport;
  5. verkeer;

één en ander met bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 18.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving.

18.1.2 Nadere detaillering van de bestemmingsomschrijving     

In het onderstaande is een nadere detaillering opgenomen van het bepaalde in 18.1.1:

a Horeca     

Binnen deze bestemming is een horecabedrijf uitsluitend toegestaan op de begane grond in de horecacategorieën 1 en 2.

b Parkeren     

Voor parkeren is het gestelde in 47.2 van toepassing bij het bouwen en het wijzigen van het toegelaten gebruik van gronden en gebouwen zoals opgenomen in 18.1.1

18.2 Bouwregels     

18.2.1 Algemeen     

Uitsluitend zijn toegestaan gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van deze bestemming.

18.2.2 Gebouwen