Type plan: bestemmingsplan
Naam van het plan: Brede school Hoogmade
Status: vastgesteld
Plan identificatie: NL.IMRO.1884.BPBREDESCHOOL-VAS1

Toelichting

 
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De gemeente Kaag en Braassem is voornemens om de huidige locatie van basisschool Ter Does aan de Schoollaan in Hoogmade te herontwikkelen. De ontwikkeling bestaat uit de realisatie van een brede school waarin een basisschool, een kinderdagverblijf, een peuterspeelzaal en een naschoolse opvang komen. Tot deze brede school is gerealiseerd, zal de huidige basisschool worden gebruikt voor tijdelijke huisvesting.
   
De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan. Ten behoeve van de ontwikkeling van de brede school is derhalve voorliggende herziening van het geldende bestemmingsplan opgesteld.
1.2 Ligging van het plangebied
Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan wordt gevormd door de huidige (basis)schoollocatie aan de Schoollaan in Hoogmade. De locatie wordt globaal gezien begrensd door de Schoollaan aan de oostzijde, de bestaande bebouwing langs de Kerkstraat aan de zuidzijde, de begraafplaats achter de katholieke kerk aan de Kerkstraat aan de westzijde en de Van Alcmaerlaan aan de noordzijde. De volgende afbeelding toont de begrenzing van het plangebied.
 
Globale ligging plangebied (rode omkadering)
1.3 Geldend bestemmingsplan
Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade'. Dit bestemmingsplan is op 18 oktober 2007 vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Jacobswoude. Op 17 juni 2013 is het bestemmingsplan 'Partiële herziening Kernen Woubrugge-Hoogmade’ vastgesteld door de raad. Dit bestemmingsplan betreft het bestemmen van enkele percelen waaraan in het verleden goedkeuring is onthouden. Het plangebied maakt hier geen onderdeel van uit. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade'.
 
Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan 'Kernen Woubrugge-Hoogmade' (plangebied rood omlijnd)
 
In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Maatschappelijke doeleinden' met een nadere aanduiding dat horeca is toegestaan. In de bouwregels behorende bij deze bestemming is opgenomen dat ten minste 60% van de breedte van een gebouw in de voorste bouwgrens moet worden gebouwd. In onderhavig geval wordt niet aan deze eis voldaan. Gezien onderhavige ontwikkeling hier vanaf wijkt is dit bestemmingsplan opgesteld.    
1.4 Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).
2 Het initiatief
Op de huidige plek van basisschool Ter Does een nieuwe brede school ter plaatse van het huidige schoolplein. Met de brede school zal basisonderwijs en kinderopvang onder één dak gerealiseerd worden. Concreet komen in de brede school een basisschool, een kinderdagverblijf, een peuterspeelzaal en een naschoolse opvang. De school sluit qua uitstraling aan op de bestaande bouw in de omgeving, onder andere van omliggende schuren. Wat betreft materiaalgebruik wordt er gebruik gemaakt van hout en steen. De brede school krijgt een golvend dak en is dermate ontworpen dat er sprake is van veel lichtinval. Het schoolgebouw bestaat voornamelijk uit twee bouwlagen.
Bij de aula en het speellokaal wordt de eerste verdiepingsvloer weggelaten waardoor hoge ruimten ontstaan.
 
De school omgeven door groen. Aan de oostzijde van de brede school is een buitenruimte voor de kinderopvang en aan de zuidzijde is een speelplaats voorzien. Het stallen van fietsen is mogelijk in de zuidoostelijke hoek van het schoolplein. De ontsluiting van de brede school vindt plaats via de Schoollaan.  
 
Onderstaande afbeelding geeft de ligging van de school weer in het plangebied, evenals de situering van de groenstroken en buitenspeelplaatsen.
 
 
Situering brede school  
 
3 Beleidskader
3.1 Rijksbeleid
3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. De Structuurvisie vervangt een groot aantal verschillende beleidsnota’s op het gebied van ruimte en mobiliteit zoals de Nota Ruimte (2006), Structuurvisie Randstad 2040 en de Structuurvisie voor de snelwegomgeving (2008). Door onder andere nieuwe politieke accenten, veranderende economische omstandigheden, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen zijn de geldende beleidsnota's gedateerd.
 
De visie heeft als doel dat Nederland in 2040 concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Daarbij gaat de visie uit van het ‘decentraal, tenzij...’ principe. Hiermee wordt de ruimtelijke ordening in toenemende mate neergelegd bij gemeenten en provincies. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien:
  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingskracht van provincies en gemeenten overstijgt;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan;
  • een onderwerp provincie- of landsoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is.
Planspecifiek
Doordat de beoogde ontwikkeling geen rijksverantwoordelijkheid omvat zijn er geen raakvlakken met het Rijksbeleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken.
 
In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.
 
Planspecifiek
Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren: de "ladder voor duurzame verstedelijking". Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond of er een actuele regionale behoefte is (trede 1), deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - of de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).
 
Planspecifiek
De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de Verordening Ruimte 2014. In toelichting paragraaf 3.2.2 wordt hier nader op ingegaan.
3.2 Provinciaal beleid
Op 9 juni 2014 hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland de 'Visie Ruimte en Mobiliteit' en de bijbehorende 'Verordening Ruimte 2014' vastgesteld. Deze beleidsdocumenten vervangen de 'Structuurvisie: Visie op Zuid-Holland' en de 'Verordening Ruimte' (2010). Daarnaast is de provinciale Woonvisie 2011-2020 van toepassing. Het plan wordt aan deze nota's getoetst.
3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit
De Visie ruimte en mobiliteit (VRM) is de provinciale structuurvisie zoals voorgeschreven in de Wro en is vastgesteld op 9 juli 2014. De VRM biedt geen vast omlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven. Dit beleid is verder uitgewerkt in de Programma’s ruimte en mobiliteit.
  
De gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland is verwoord in vier rode draden:
  1. beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  2. vergroten van de agglomeratiekracht;
  3. verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  4. bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’. De verschillende onderdelen zijn samengevat weergegeven op een kaart met de volgende vier kaartlagen:
  • laag van de ondergrond;
  • laag van de cultuur- en natuurlandschappen;
  • laag van de stedelijke occupatie;
  • laag van de beleving.
Planspecifiek  
Met betrekking tot het plangebied zijn de kaartlagen 'Laag van de ondergrond', 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' en 'Laag van de stedelijke occupatie' van belang. Navolgend wordt op deze lagen nader ingegaan.    
 
Laag van de ondergrond
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de ondergrond'.
 
  
Fragment kaartlaag 'Laag van de ondergrond'
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een veencomplex ligt. De ondergrond (eerste laag) wordt gevormd door veen. Het veen kent een geringe draagkracht en is daarnaast zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor het behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van bodemdaling. De voorgenomen ontwikkeling betreft een dermate kleinschalige ontwikkeling dat deze geen nadelige invloed zal hebben op het veengebied of zal zorgen voor extra bodemdaling.  
 
Laag van de cultuur- en natuurlandschappen
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen'.
 
Fragment kaartlaag 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen'
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een veen(weide)landschap ligt. De provincie zet in de veen(weide)landschappen in op behoud en versterking van het waterrijke en open karakter. Daarnaast is behoud van de kenmerkende afwisseling van veen(weide)landschap, rivieren, boezems, plassen en droogmakerijen van groot belang. Gezien de stedelijke ligging van het plangebied doet de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk aan de kenmerken van het veen(weide)landschap.
 
Laag van de stedelijke occupatie
De volgende afbeelding toont een fragment van de kaartlaag 'Laag van de stedelijke occupatie'.
 
Laag van de stedelijke occupatie
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in een gebied aangeduid als 'steden en dorpen' ligt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. De voorgenomen ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de identiteit en gebruikswaarde van het stads- en dorpsgebied niet worden aangetast.
 
3.2.2 Verordening Ruimte
Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening Ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de Visie Ruimte en Mobiliteit toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.
 
Planspecifiek
Vanuit de Verordening Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking van belang.  
   
Ladder voor duurzame verstedelijking
Artikel 2.1.1 lid 1 van de Verordening Ruimte stelt dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende eisen moet voldoen:
  1. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd;
  2. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of
  3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die,
    1. gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld,
    2. passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en
    3. zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.
Toetsing
De voorgenomen ontwikkeling betreft de samenvoeging van een aantal functies (onderwijs, kinderdagverblijf, peuterspeelzaal en naschoolse opvang) die op hun huidige locaties zullen verdwijnen. Feitelijk is er dus sprake van een vervangingsvraag volgend uit een bestaande behoefte. Daarnaast ligt het plangebied binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Er is dus ook sprake van herstructurering van bestaand bebouwd gebied. Gezien voorgaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3 Gemeentelijk beleid
3.3.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025.
 
De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis.
 
De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Zo zijn de ‘gebiedsprofielen’ van de provincie gebruikt als basis voor de ruimtelijke structuur. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd. Ook is gekeken naar de verschillende beleidsdoelen van de voormalige gemeenten Alkemade en Jacobswoude.
 
Planspecifiek
Het plangebied ligt in de kern Hoogmade. Uitgangspunt voor maatschappelijke voorzieningen in dergelijke kernen is dat wordt gestreefd naar een bundeling van maatschappelijke voorzieningen. Het behoud van onderwijs in de kern Hoogmade en de realisatie van een brede school is geheel in lijn met dit uitgangspunt van de MRSV.
3.3.2 Nota Inbreidingslocaties
Op 7 februari 2011 is de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld door de gemeenteraad van Kaag en Braassem. De ‘nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel.
 
De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont de kaart van de kern Hoogmade uit de Nota Inbreidingslocaties .
 
Kaart Hoogmade uit Nota Inbreidingslocaties
 
Uit voorgaande afbeelding blijkt dat het plangebied in het lint van de kern Hoogmade ligt. In dit lint moet terughoudend worden omgegaan met inbreidingsinitiatieven. Nieuwe initiatieven mogen geen afbreuk doen aan de kwaliteiten van het lint.
 
De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van de bestaande school in het plangebied en de realisatie van een nieuwe brede school. De ontwikkeling wordt daarmee slecht beperkt als inbreidingsinitiatief gezien. Daarnaast ligt zowel de huidige bebouwing als de nieuwe bebouwing achter de bestaande lintbebouwing. De ontwikkeling heeft daarmee geen invloed op de kwaliteiten van het lint.
3.3.3 Welstandsnota
Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstands-aspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken.
 
In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de welstandskaart van de gemeente Kaag en Braassem.  
 
Fragment welstandskaart
 
Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied. Er zijn geen monumenten aanwezig binnen het plangebied en het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een beschermd dorpsgezicht. Aan de ontwikkeling worden vanuit het gemeentelijk welstandsbeleid geen nadere voorwaarden gesteld.
4 Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieu
4.1.1 Bodem
Artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat in het kader van de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan onderzoek moet worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde nieuwe functie of dient te worden gesaneerd. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe functie bij voorkeur op schone gronden dienen te worden gerealiseerd.
 
Planspecifiek
Om de actuele bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied vast te stellen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage. Uit dit onderzoek blijkt dat de bovengrond voldoet aan de klasse ’wonen’ en de ondergrond aan de klasse ’industrie’. De grond is daarmee geschikt voor de voorgenomen functies en staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
4.1.2 Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeurswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige functies niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige functies in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige functies aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeurswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd.
 
Planspecifiek
Wegverkeerslawaai
In artikel 74 van de Wet geluidhinder is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt. Dit is de zone langs een weg waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Uitzondering hierop zijn de wegen:
  • die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;
  • waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/u.
Voor de wegen rondom het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/u. Voor deze wegen is onderzoek niet noodzakelijk. De Rijksweg A4 heeft een geluidszone van 600 meter. Het plangebied ligt op circa 700 meter van de rijksweg. Voor de A4 is akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder niet verplicht.
 
Railverkeerslawaai
Voor het spoortraject tracé HSL-zuid geldt een geluidszone van 400 m. Het plangebied ligt op circa 700 meter van het HSL-traject. Een akoestisch onderzoek op basis van de Wet geluidhinder is niet verplicht.
 
Industrielawaai
In toelichting paragraaf 4.1.4 is gemotiveerd dat met de situering van de brede school wordt voldaan aan de richtafstand ten opzichte van omliggende bestaande woningen in verband met geluid. Derhalve kan worden gemotiveerd dat de omliggende woningen geen geluidhinder zullen ondervinden van de school.
4.1.3 Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit  
Het doel van Wet luchtkwaliteit is het beschermen van mensen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op de gezondheid. De wet bevat grenswaarden voor de stoffen zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOX), stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), lood (Pb), koolmonoxide (CO) en benzeen. De normen gelden overal in de buitenlucht en niet alleen ter plekke van gevoelige bestemmingen. In de praktijk blijken er vooral grenswaardenoverschrijdingen te zijn voor PM10 en NO2.
 
Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)
Het begrip NIBM speelt een belangrijke rol in de regelgeving voor luchtkwaliteit en is uitgewerkt in het Besluit 'Niet in betekende mate' bijdragen en de Regeling 'Niet in betekende mate' bijdragen. Projecten die 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreinigingen, hoeven niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen (in de vorm van grenswaarden). In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen), tot 100.000 m2 kantooroppervlakte met één ontsluitingsweg (200.000 m2 met twee ontsluitingswegen) en intensieve veehouderijen (afhankelijk van het aantal dieren), bij voorbaat aangemerkt als niet in betekenende mate.
 
Planspecifiek
De ontwikkeling van de brede school zal nagenoeg geen effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling is kleiner dan bij een woonwijk tot 1.500 woningen. Hierdoor draagt het project 'Niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen. Hieruit kan worden opgemaakt dat de ontwikkeling geen bijdrage levert aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en past binnen de kaders van de Wet luchtkwaliteit.
4.1.4 Bedrijven en milieuzonering
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan hinder door bedrijven in algemene zin. Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder veroorzaken door onaangename geuren, lawaai, stof, trillingen of drukke verkeersbewegingen. Het is daarom wenselijk als bedrijfsactiviteiten of andere milieubelastende functies op een zekere afstand van woningen en andere hindergevoelige functies zijn gesitueerd. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft hiervoor een handreiking opgesteld: de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009).
 
In deze handreiking wordt aangegeven hoe door middel van milieuzonering de afstand tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies voldoende blijft. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een passende afstand ten opzichte van woningen worden gesitueerd en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bestaande bedrijven worden gepland. Niet ieder bedrijf heeft evenveel invloed op de omgeving. In de handreiking worden bedrijfsactiviteiten daarom ingedeeld in zes categorieën. Per milieucategorie zijn richtafstanden opgenomen die aangehouden kunnen worden om hinder te voorkomen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt in afstanden tot een rustige woonwijk en tot een gebied met een menging van functies. In tabel 1 zijn de richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. De bedrijvigheid kan volgens de handreiking van de VNG ingedeeld worden in categorieën die lopen van 1 tot en met 6. Hierbij lopen de richtafstanden uiteen van 0 meter tot 1500 meter.
 
MilieucategorieRichtafstand tot een 'rustige woonwijk'Richtafstand tot een 'gebied met menging van functies'
110 meter0 meter
230 meter10 meter
350 - 100 meter30 - 50 meter
4200 - 300 meter100 - 200 meter
5500 - 1.000 meter300 - 700 meter
61.500 meter1.000 meter
Tabel 1: richtafstanden per milieucategorie
 
De VNG-publicatie blijft een richtlijn, waarin in algemene zin richtafstanden zijn bepaald op basis van gemiddelde productieprocessen. Het kan daarom zinvol zijn om in specifieke situaties de bewuste bedrijven nader te beschouwen op hun bedrijfsactiviteiten. Het kan immers zo zijn dat een specifiek bedrijf er een andere bedrijfsvoering op nahoudt, waardoor de hinder minder is dan wat op grond van de VNG-publicatie wordt ingeschat.
 
Bovendien moeten bedrijven op basis van een vergunning krachtens de Wet milieubeheer (milieuvergunning) of op basis van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) aan voorschriften voldoen. Deze voorschriften hebben onder meer als doel de hinder voor de omgeving te reguleren en op een acceptabel niveau te houden. Deze voorschriften bieden daarom ook inzicht in de hindersituatie.
 
Planspecifiek
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een brede school. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom. Naast het plangebied zijn woningen, een dorpscentrum en een kerk aanwezig. Hierdoor kan het gebied worden getypeerd als 'gemengd gebied'. De richtafstand tussen de brede school en de omliggende woningen bedraagt hierbij 10 meter in verband met geluid.
 
De bestaande woningen liggen met minimaal 18 meter op voldoende afstand tot de brede school. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen aanwezig, waarvan de milieuzonering mogelijk van invloed is op de brede school.
4.1.5 Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor derden. Het gaat daarbij zowel om het vervoer van gevaarlijke stoffen (weg, water, spoor en buisleidingen) als om inrichtingen met opslag, productie en/of gebruik van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (Circulaire RNVGS) zijn risicomaten met bijbehorende risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
 
Plaatsgebonden risico en groepsrisico
Het externe veiligheidsbeleid kent twee risicomaten, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de overlijdenskans per jaar als gevolg van het vrijkomen van gevaarlijke stoffen bij een ongeval. Dit kan op een kaart worden weergegeven met behulp van contouren. Het groepsrisico betreft de kans per jaar dat in één keer een groep mensen komt te overlijden bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt met behulp van een diagram weergegeven. Bovendien geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht, waarbij het bevoegd gezag verplicht wordt gesteld om advies in te winnen bij hulpverleningsdiensten omtrent aspecten als hulpverlening en zelfredzaamheid.
 
Planspecifiek
Met behulp van de risicokaart is gekeken of in de directe omgeving van het plangebied risicovolle activiteiten plaatsvinden of risicovolle inrichtingen liggen. De volgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart.
 
Fragment risicokaart oktober 2014
 
Uit de risicokaart blijkt dat er geen risicovolle bedrijven in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Vervoer door buisleidingen is niet relevant omdat het plangebied buiten het invloedsgebied blijft van de buisleidingen ten oosten van het plangebied.
 
Ten noorden van het plangebied loopt een route voor transport van gevaarlijke stoffen. Dit transport vindt plaats via de rijksweg A4. De rijksweg A4 ligt ruim 700 meter van het plangebied. Hierdoor is er geen noodzaak om nader onderzoek uit te voeren. Op grond hiervan kan worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.
4.2 Water
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
4.2.1 Generiek beleid
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
 
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet
Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning.  
 
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2009-2015 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 
4.2.2 Hoogheemraadschap van Rijnland
Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder
Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en  kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities.
In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheersfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol.
 
Keur en uitvoeringsregels
Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:
  • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),
  • watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),
  • andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen)
  • de bodem van kwelgevoelige gebieden
Maar ook aan:
  • Onttrekken en lozen van grondwater
  • Het aanbrengen van verhard oppervlak
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels  die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.
 
Riolering en afkoppelen 
Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.
4.2.3 Watertoets
In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
 
Planspecifiek
In de huidige situatie is het plan grotendeels verhard. Het Hoogheemraadschap Rijnland schrijft voor dat een toename van meer dan 500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water. Aangezien het plangebied echter al grotendeels verhard is, zal de toename aan verharding met de nieuwe situatie in geen geval meer dan 500 m² bedragen. Compenserende maatregelen zijn derhalve niet vereist.
4.3 Verkeer en parkeren
Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogde nieuwe ontwikkeling op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor het maken van een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen en de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn parkeerkencijfers en kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen en kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen en wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
 
Planspecifiek
Het plangebied wordt ontsloten via de Schoollaan. De Schoollaan is een langzaamverkeersroute tussen de Van Alcmaerlaan en de Kerkstraat. In de huidige situatie worden reeds de Kerkstraat, de Van Alcmaerlaan, enkele zijstraten en in mindere mate de Bruijnlaan gebruikt als kiss & ride voor de basisschool. Deze locaties zijn allen binnen ca. 100 meter afstand tot de school gesitueerd.
 
Vanwege de realisatie van de brede school is door Goudappel Coffeng een parkeeronderzoek uitgevoerd in de omgeving van de basisschool (25 oktober 2016, kenmerk SR0042/Bkd, zie bijlage). Tevens is een parkeerbalans opgesteld voor de huidige en nieuwe situatie.
 
Uit het onderzoek blijkt dat de totale parkeerbehoefte van de basisschool en het kinderdagverblijf op het piekmoment (parkeren t.b.v. personeel + kiss & ride) 23 parkeerplaatsen is. Ten opzichte van de parkeerbehoefte van de bestaande basisschool (17 parkeerplaatsen) is er een toename van de parkeerbehoefte van de brede school van 6 parkeerplaatsen.
 
Derhalve is in de omgeving van de basisschool een parkeertelling uitgevoerd op een drietal meetmomenten. Uit deze tellingen blijkt dat in de huidige situatie sprake is van een lage parkeerbezetting rondom de basisschool. Op werkdagen in de ochtend en middag ligt de parkeerbezetting tussen de 48 en 55 procent. De maximale parkeerdruk in de omgeving komt ten gevolge van de ontwikkeling op 89% uit. Tot 90% is er sprake van een acceptabele parkeersituatie. Dat is hier het geval.
4.4 Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is de Flora- en Faunawet van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd.
 
Gebiedsbescherming
De Natuurbeschermingswet richt zich op de bescherming van gebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn de volgende gronden aangewezen en beschermd:
  • Natura 2000-gebieden (Habitat- en Vogelrichtlijngebieden);
  • Beschermde Natuurmonumenten;
  • Wetlands.
Naast deze drie soorten gebieden is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het kader van de gebiedsbescherming van belang is (voorheen ecologische hoofdstructuur). Het NNN is een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvat bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
  • vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden;
  • verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden;
  • verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming
De Flora- en faunawet regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Naast een aantal in de wet (en daarop gebaseerde besluiten) vermelde specifieke mogelijkheden om ontheffing te verlenen van in de wet genoemde verboden, geeft de wet een algemene ontheffingsbevoegdheid aan de minister (artikel 75, lid 3). Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden.
 
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
 
Planspecifiek
Gebiedsbescherming
De volgende afbeelding toont de beschermde natuurgebieden in de omgeving van het plangebied.
 
Te beschermen natuurgebieden
 
Het plangebied ligt niet in of nabij een beschermd natuur- of groengebied. Daarnaast maakt het plangebied ook geen deel uit van een Natuurnetwerk Nederland. Ten zuiden van het plangebied vormt De Kromme Does een ecologische verbindingszone (paarse lijn in voorgaande afbeelding). De graslanden ten (zuid)oosten van het plangebied zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied (groene vlakken in voorgaande afbeelding). Als gevolg van de ontwikkeling zal in de nieuwe situatie niet meer verstoring optreden dan nu het geval is. Negatieve effecten op de verbindingszone en het weidevogelgebied kunnen dan ook worden uitgesloten.
 
Soortenbescherming
Ten behoeve van de soortenbescherming is een quickscan Flora- en fauna uitgevoerd (Royal Haskoning DHV, 3 oktober 2014). Hierbij zijn de beschermde planten- en diersoorten in beeld gebracht. Navolgend worden de belangrijkste conclusies uit de quickscan weergegeven.
 
In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen beschermde diersoorten van de Flora- en faunawet voor. Het plangebied heeft, behoudens vleermuizen en kleine modderkruiper, aannemelijk geen essentiële betekenis voor zwaarder en strikt beschermde soorten (tabel 2 & 3). De schoolgebouwen zijn mogelijk in gebruik als vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen. Tevens maken vleermuizen mogelijk gebruik van de bomen langs de planlocatie. De sloot maakt mogelijk onderdeel uit van het leefgebied van kleine modderkruiper. De haag, slootoevers en het gazon worden mogelijk incidenteel gebruikt door algemene (licht beschermde) amfibieën en zoogdieren. De struiken, bomen en slootoevers zijn geschikt als broedlocatie voor algemene broedvogels.
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, Beschermd natuurmonument, Nationaal Park, Nationaal Landschap of het Natuurnetwerk Nederland Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de energiezuinigere woningen is van externe werking op omliggende Natura2000 gebieden geen sprake.
   
Wet natuurbescherming (per 01-01-2017)
Voor de thans licht beschermde soorten (Ff-wet, tabel 1) geldt vrijstelling ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Onder de Wet natuurbescherming geldt dat het aantasten van het leefgebied van deze soorten ontheffingsplichtig is. Voor deze ‘overige soorten’ geldt dat op provinciaal niveau mag worden bepaald in welke mate een soort beschermd moet worden. Naar verwachting worden voor deze algemene soorten nieuwe vrijstellingsbesluiten opgesteld.
 
Voor kleine modderkruiper geldt momenteel een ontheffingsplicht ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Als alternatief kunnen de werkzaamheden worden uitgevoerd conform een goedgekeurde gedragscode. Onder de Wet natuurbescherming geniet de vorengenoemde soort niet meer van een zwaarder beschermde status. Na 1 januari 2017 dient er voor deze soorten enkel rekening gehouden te worden in het kader van de algemene zorgplicht, aanvullende maatregelen zijn dan niet meer van toepassing.
 
Tabel 1   Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.
  
Legenda
 
x = ongeschikt
ja = geschikt
m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden
vaatplanten
zoogdieren
vleermuizen
amfibieën
reptielen
vissen
broedvogels (a)
broedvogels (j)
Geschikt habitat Ff-wet, tab. 1 soort
x
ja
 
ja
x
ja
ja
 
Geschikt habitat Ff-wet, tab. 2&3 soort
x
x
m
x
x
ja
 
x
Negatief effect op soortgroep
x
x
m
x
x
m
m
x
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
x
x
ja1
x
x
x
x
x
 
 
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
> 11km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
80m
geen
n.v.t.
 
1 De verblijfplaatsen van soorten die mogelijk gebruik maken van de planlocatie zijn goed te mitigeren. Indien een ontheffing noodzakelijk is, is het de verwachting dat deze, na het treffen van de juiste maatregelen, door het bevoegd gezag zal worden afgegeven.
 
Vleermuisonderzoek
In de periode augustus-oktober is een onderzoek uitgevoerd naar de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen (Blom Ecologie, 2 november 2016).
  • Gewone dwergvleermuis: Tijdens alle veldbezoeken zijn waarnemingen gedaan van foeragerende en passerende gewone dwergvleermuizen. Telkens betrof het maximaal 3-5 foeragerende dieren die ruim na zonsondergang of voor zonsopkomst in het plangebied aanwezig waren. Veelal betrof het foeragerende dieren langs de west- en noordzijde van het schoolgebouw. De waargenomen gewone dwergvleermuizen waren in meest gevallen slechts een korte periode 5-10 min. aanwezig. Tijdens de veldbezoeken in de paarperiode zijn tevens geen roepende mannetjes waargenomen. In- en/of uitvliegende dieren in gebouwen zijn niet geconstateerd.
  • Laatvlieger: Tijdens de veldbezoeken is slechts één waarneming gedaan van een overvliegende of passerende laatvlieger boven het schoolgebouw. In- en/of uitvliegende dieren in gebouwen en/of bomen zijn niet geconstateerd.
  • Verblijfsplaatsen en leefgebied vleermuizen: Gedurende het vleermuisonderzoek zijn tos dusver geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen in de te slopen bebouwing. De eerste waarnemingen van vleermuizen tijdens de veldbezoeken vonden telkens ruim na het uit- of invliegmoment plaats. Naar verwachting bevinden de verblijfplaatsen van deze dieren op enige afstand van de planlocatie. De meeste dieren verdwijnen in (zuid)westelijke richting. Tijdens het onderzoek is duidelijk geworden dat het plangebied hoofdzakelijk door gewone dwergvleermuis gebruikt wordt als foerageergebied Tijdens alle bezoeken maakten de vleermuizen telkens hoogstens 10 minuten gebruik van de planlocatie als foerageergebied. De meest gebruikte locaties zijn de luwte en beplanting aan de noordzijde van het schoolgebouw en de groenstrook aan de westzijde van het schoolgebouw. Op de projectlocatie is in beperkte mate relevante vegetatie aanwezig. Het aanbod van prooidieren is relatief laag en beperkt ongeschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Het relatief lage aantal en korte waarnemingen bevestigd dit beeld.
    Gewone dwergvleermuizen foerageren in dorpskernen rondom structuurrijke tuinen, groenstroken, parkachtige structuren en dergelijke. De soort is slechts beperkt gevoelig voor lichtverstoring, reguliere straat- en tuinverlichting leidt niet tot effecten op de soort. De ontwikkeling leidt niet tot een (significante) aantasting van de functionele leefomgeving van de gewone dwergvleermuis en/of andere vleermuizen.
Conclusie
Het te slopen schoolgebouw heeft mogelijk een functie als vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen. Indien vaste rust- en/of verblijflocaties van vleermuizen aanwezig zijn, kan door het treffen van de juiste maatregelen en het aanvragen van een ontheffing de sloop van de school en ontwikkeling van woningen plaatsvinden. De mogelijke aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen vormen derhalve geen bezwaar voor de beoogde bestemmingsplanwijziging. Middels een aanvullend onderzoek naar vleermuizen is onderzocht of het schoolgebouw daadwerkelijk in gebruik is als zomer, en paar- en winterverblijfplaats. Uit het vleermuisonderzoek is gebleken dat van vorengenoemde verblijfplaatsen geen sprake is.
 
De sloop van basisschool Ter Does en de ontwikkeling van een Brede school met 12 woningen aan de Schoollaan 4 te Hoogmade is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
4.5 Archeologie
Wet op de archeologische monumentenzorg
In de Wet op de archeologische monumentenzorg is bepaald dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dit verband dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan een inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen.
 
Gemeentelijk archeologiebeleid
De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 23 mei 2011 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. In dit beleid is de verwachting en archeologische bescherming in kaart gebracht en onderbouwd.
 
Planspecifiek
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.
 
Fragment archeologische beleidskaart gemeente Kaag en Braassem
 
Uit de gemeentelijke archeologische beleidskaart blijkt dat het plangebied in een historische kern/ontginningsas ligt. Hiervoor geldt: Wanneer er sprake is van grotere nieuwbouwplannen (dus bij bodemingrepen groter dan 150 m², naast de dieptenorm van 30 cm beneden maaiveld), is archeologisch onderzoek verplicht. Er is kans op het aantreffen van onverstoorde archeologische resten. Om de archeologische waarde in kaart te brengen is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen uitgevoerd, zie bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat er geen aanwijzingen zijn dat archeologische waarden aanwezig zijn in het plangebied. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6 Cultuurhistorie
Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in de diverse ruimtelijke plannen. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
 
De aandacht voor cultuurhistorie is ook wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6 onder 2 van dit Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden.
 
Planspecifiek
Binnen het plangebied zijn geen monumenten of cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. Wel blijkt uit de gemeentelijke Welstandsnota (zie toelichting paragraaf 3.3.3) dat er in de directe omgeving van het plangebied monumenten aanwezig zijn. De aard en schaal van de ontwikkeling is echter dusdanig beperkt dat de monumentale waarden niet worden aangetast.
5 Juridische planbeschrijving
5.1 Algemeen
Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).     
 
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
 
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.   
5.2 Verbeelding
Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels
De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. 
 
Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
  • Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);
  • Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.4 Wijze van bestemmen
Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:
 
Maatschappelijk
Het plangebied heeft de bestemming 'Maatschappelijk'. De op de verbeelding voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van activiteiten gericht op maatschappelijke en culturele voorzieningen.
6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1 Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.
In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek
Huisvesting van een school is een gemeentelijke taak. De gemeenteraad heeft voor de bouw van een brede school een voorziening getroffen en een krediet gereserveerd. De eventuele planschade zal worden gedekt uit de post algemene kosten.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Algemeen
Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
 
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 
6.2.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg
Het ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro voorgelegd aan verschillende overlegpartners. De provincie Zuid-Holland heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben. Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft evenmin een zienswijze ingediend.
6.2.3 Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn een tweetal zienswijzen ingediend. De resultaten hiervan zijn in de nota van Beantwoording zienswijzen beantwoordt. De nota van Beantwoording zienswijzen maakt onderdeel uit van de bijlagen behorende bij dit bestemmingsplan.