direct naar inhoud van Toelichting
Plan: IJsselmeer - Industriezandwinning
Status: voorontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Smals IJsselmeer B.V. heeft het voornemen om industriezand te gaan produceren uit specie, die wordt gewonnen in het IJsselmeer nabij Lemmer. Het voornemen om industriezanden te winnen op een dergelijk groot open water is zowel nieuw voor de initiatiefnemer, voor de branche als nieuw in het beoogde gebied. Intensief onderzoek heeft aangetoond dat op de gekozen locatie voldoende hoogwaardig zand aanwezig is om via een rendabele winning mede te kunnen voorzien in de nationale behoefte aan industriezand.

Smals IJsselmeer B.V. is een dochter van de Koninklijke Smals Beheer bv, waartoe een aantal ondernemingen behoort, met als kernactiviteit de winning en productie van bouwgrondstoffen. Verder houdt de groep zich bezig met activiteiten die daarmee direct verbonden zijn.

Om het project planologisch mogelijk te maken, stelt de gemeente De Friese Meren een nieuw bestemmingsplan op en dienen diverse besluiten te worden genomen (vergunningen). De onderbouwing daarvoor wordt gegeven door een plan- en project-m.e.r..

1.2 Ruimtelijke opgave

Onderdeel van de industriezandexploitatie vormt een werkeiland, dat speciaal daartoe wordt aangelegd. De ruimtelijke inpassing van het werkeiland dient met de nodige zorgvuldigheid te geschieden, gelet op de specifieke kwaliteiten van het IJsselmeer.

Eind 2012 kreeg Pouderoyen Compagnons de opdracht een ontwerp op te stellen, op grond van een aantal gemeentelijke randvoorwaarden.

Inmiddels is het ontwerp voorgelegd aan diverse partijen, waaronder Rijkswaterstaat, de Rijksadviseur Landschap en Water, de gemeenteraad Gaasterlân-Sleat, de provincie Fryslân, een aantal milieuverenigingen (w.o. It Fryske Gea en Het Blauwe Hart), en aan de lokale bevolking. De reacties bevestigen de verwachting dat dit plan op voldoende draagvlak mag rekenen. De economische haalbaarheid ervan wordt door Smals positief ingeschat.

Dit plan wordt als voorkeursalternatief opgenomen in de MER en zal worden beoordeeld op de milieueffecten.

1.3 Initiatief

De zandwinning vindt plaats in een cirkelvormig gebied met een oppervlakte van bruto 250 ha, dat is gelegen circa 5 km ten zuiden van de kust van Friesland en circa 7 km ten westen van de Noordoostpolder.

Aan de zuidwestzijde wordt binnen het plangebied een werkeiland gebouwd met daarop een zandveredelingsinstallatie (ZVI). Een havenbekken maakt het mogelijk het eindproduct per schip af te voeren naar de verschillende afnemers. Voor de stroomvoorziening op het eiland wordt een leiding van het eiland naar de Friese kust gelegd.

Er wordt naar gestreefd een volle productie en vermarkting te bereiken van 2 miljoen ton industriezand en 700.000 m3 ophoogzand per jaar, gedurende 30 jaar of meer.

Dit bestemmingsplan biedt de planologische basis voor de realisatie van het initiatief, alsmede (en in relatie met plan- en project-m.e.r.) voor de verschillende vergunningen en ontheffingen.

1.4 Locatiekeuze

Vanuit de filosofie van duurzaam ondernemen (people, planet, profit) streeft de initiatiefnemer ernaar om de effecten van de voorgenomen ingreep op het milieu te beperken.

Na een lang proces van verschillende (bodem)onderzoeken is uiteindelijk gekozen voor de aangegeven locatie en een hierop afgestemde winmethode.

Het plangebied is op onderstaande afbeelding aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0001.jpg"

1.5 Vigerend bestemmingsplan

Onderhavig bestemmingsplan wordt op- en vastgesteld door de gemeente De Friese Meren, waarin vanaf 1 januari 2014 o.a. de voormalige gemeenten Gaasterlân-Sleat en, Lemsterland via fusie zijn opgegaan.

Voor het plangebied geldt op dit moment de Beheersverordening Balk en het IJsselmeer (vastgesteld op 26 juni 2013 door de gemeente Gaasterlân-Sleat). Hierin is op een enkele aanvullende regeling na het daarvoor geldende bestemmingsplan van toepassing verklaard, zijnde het bestemmingsplan IJsselmeer. Daarin zijn de gronden bestemd voor:

  • 1. doeleinden van landschap en natuur, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterecosysteem IJsselmeer en de daaraan eigen landschappelijke en natuurlijke waarden.
  • 2. sociaal-economische en sociaal-culturele doeleinden, zijnde:
      • integraal waterbeheer;
      • beroepsscheepvaart;
      • beroepsvisserij;
      • recreatie, uitgezonderd verblijfsrecreatie;
      • de berging van bodemmateriaal;

met de daarbij behorende:

  • 3. kaden en dijken;
  • 4. aanleggelegenheid;
  • 5. wateren, terreinen en overige onbebouwde gronden;
  • 6. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals hierboven beschreven, wordt in ieder geval gerekend:

  • 1. het gebruik van de gronden voor het zoeken naar en de winning van diepe delfstoffen;
  • 2. het winnen van bodemmateriaal;
  • 3. de aanleg van transport- en energieleidingen onder de grond of in het water.

1.6 MER

De m.e.r.-procedure is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit MER. Het project zandwinning IJsselmeer valt onder de categorie D29.2 voor wat betreft de zandwinning en C4 voor wat betreft de aanleg van de haven op het werkeiland. De schepen die bij de zandtransporten ingezet zullen worden, zijn groter dan de norm in de C4-lijst. De zandwinning is m.e.r.-plichtig.

Het doel van de m.e.r.-procedure is het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming te betrekken. Dit om tijdig inzicht te krijgen in de effecten van de voorgenomen activiteit op de omgeving en om onderzoek te kunnen doen naar mogelijke maatregelen om negatieve effecten op de omgeving te verminderen.

Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op de onderzoeksresultaten uit deze MER, waarnaar kan worden verwezen als waardevolle achtergrondstudie (Industriezandwinning IJsselmeer Milieueffectrapport, AnteaGroup, Oosterhout (18 mei 2015). De MER is mede daarom ook als externe bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd (zie bijlage 2).

1.7 Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd:

  • In hoofdstuk 2 is een beschrijving van de huidige situatie opgenomen.
  • In hoofdstuk 3 is het ruimtelijke beleidskader opgenomen dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling.
  • In hoofdstuk 3 is het ruimtelijke beleidskader opgenomen dat relevant is voor de voorgenomen ontwikkeling.
  • In hoofdstuk 4 zijn de milieu- en omgevingsaspecten beschreven en is getoetst waaraan de voorgenomen ontwikkeling moet voldoen.
  • In hoofdstuk 5 wordt aangegeven aan welke technische eisen het eiland moet voldoen.
  • In hoofdstuk 6 wordt de ontwerpopgave gedefinieerd.
  • Hoofdstuk 7 beschrijft de voorgenomen ontwikkeling in concreto.
  • Hoofdstuk 8 beschrijft de beeldkwaliteiteisen, die (mede) het toetsingskader vormen bij de vergunningverlening.
  • In hoofdstuk 9 volgt de juridische toelichting, die aangeeft hoe de planregels zijn opgebouwd.
  • In hoofdstuk 10 wordt de economische uitvoerbaarheid aan de orde gesteld.
  • In hoofdstuk 11 tenslotte komen de resultaten uit inspraak en overleg aan bod.

Hoofdstuk 2 Situatie

In dit hoofdstuk wordt de bestaande situatie in het plangebied beschreven. Dit hoofdstuk is grotendeels gebaseerd op hoofdstuk 6 van het MER waarin de referentiesituatie wordt beschreven. Voor nadere informatie omtrent de verschillende aspecten wordt dan ook verwezen naar het MER.

2.1 Ligging plangebied

De zandwinning vindt plaats in een cirkelvormig plangebied met een oppervlakte van bruto 250 ha, dat is gelegen circa 5 km ten zuiden van de kust van de provincie Fryslân en circa 7 km ten westen van de Noordoostpolder.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0002.jpg"

2.2 Natuur

Het IJsselmeer is een Natura 2000-gebied, maakt onderdeel uit van de Ecologische hoofdstructuur (EHS) en is het leefgebied van beschermde soorten (naast de soorten waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd).

Wat betreft de ecologische betekenis is de openheid en grootschaligheid van het IJsselmeer van groot belang. Zeer grote aantallen watervogels foerageren en ruien er, in het bijzonder viseters en vogels die hun voedsel op de bodem van het meer zoeken. Ondiepten en buitendijkse droge gronden zijn vooral aanwezig langs de Friese kust, waar velden waterplanten en veenmosrietlanden voorkomen. Het plangebied is niet belangrijk voor soorten die foerageren op driehoeksmosselen. Het plangebied is daarop onderzocht door een groep duikers, waarbij is geconstateerd dat driehoeksmosselen in het plangebied niet voorkomen.

Het IJsselmeer in algemene zin echter is van grote (inter)nationale betekenis voor watervogels, met name voor vis- en bodemfauna-etende soorten. Het water is voedselrijk en spiering en driehoeksmosselen vormen de belangrijkste voedselbron (geldt dus niet het plangebied).

De factoren voedselaanbod en de beschikbaarheid aan rust- en slaapplaatsen zijn van invloed op de draagkracht van een gebied, waarbij het voedselaanbod verreweg de belangrijkste factor is. In het IJsselmeer zijn 3 ecologische voedselketens te onderscheiden:

  • 1. algen (fytoplankton) - zoöplankton (kleine dierlijke organismen) – plankton etende vis - roofvis - visetende vogels/ visserij;
  • 2. algen - detritus (dood organisch materiaal) - bodemorganismen – bodemfauna etende vis - roofvis - visetende vogels/ visserij;
  • 3. algen - driehoeksmosselen - mosseletende vogels (duikeenden).

In het IJsselmeer zijn grote ruimtelijke verschillen in waterkwaliteit en samenstelling van de voedselketen. Het relatief heldere water in het zuidelijk deel van het IJsselmeer kan worden verklaard door de grote filtratie van het water door driehoeksmosselen in dit gebied. In het noordelijke deel van het IJsselmeer zijn vooral de voedselketens 1 en 2 aanwezig. In het zuidelijke deel van het IJsselmeer overheerst voedselketen 3. De beschikbaarheid van zoöplankton (onder andere watervlooien, roeipootkreeften) volgt de verdeling van algen – hoog in noordelijk deel, laag in het zuidelijk deel van het IJsselmeer – vrij goed.

2.3 Landschap

Het IJsselmeer is een gebied van rust en duisternis. Door het ontbreken van belangrijke geluid- en lichtveroorzakers op het water kan het op en langs het water nog relatief donker en stil zijn.

De belangrijkste karakteristieken zijn: openheid, uitgestrektheid, donkerte, stilte, grote oeverlengte, dijken, buitendijkse waarden en havensilhouetten. Deze worden gewaardeerd door de bewoners in de dorpen langs het IJsselmeer, de recreanten op de dijken en stranden en de watersporters. Incidenteel zijn zichtafstanden tot 30 km mogelijk.

De landschappen rondom het IJsselmeer kenmerken zich door een grote variatie. Het oude land in Friesland kenmerkt zich door een gevarieerde kustlijn, kronkelige dijken en wegen, onregelmatige verkaveling en hoogteverschillen. De kliffen van Gaasterland vormen een belangrijk element in het landschap (landmark). Ze vormden eeuwenlang een natuurlijke wering tegen de Zuiderzee. Bij Oudemirdum ligt het Oudemirdumer klif, bij Mirns het Mirnserklif en bij Scharl het Rode Klif. Na de afsluiting van het IJsselmeer in 1932 verdwenen de getijden en het zoute water, waardoor de kliffen begroeid raakten met planten, struiken en bomen.

De nieuwe inpolderingen van de Noordoostpolder vormen een opvallend contrast met dit oude land. De Noordoostpolder is opgezet volgens een regelmatig patroon.

Elementen als lange, rechte dijken en windturbines onderstrepen het bijzondere, grootschalige, karakter van het gebied. Langs de kust van de Noordoostpolder en op enkele plaatsen langs de Friese kust staan windmolens. Met helder weer zijn de windmolens vanaf grote afstand te zien.

Vanuit de omgeving van het plangebied is bij helder weer goed zicht op een gevarieerde kustlijn. Deze bestaat deels uit de natuurlijke kliffenkust van Gaasterland, deels ook gaat het om de strakgetrokken dijken van de Noordoostpolder. Verder vertonen drie kernen hun kenmerkende silhouet in deze kustlijn; Stavoren, Lemmer en Urk.

Het aanbrengen van vooroevers langs de kusten van Noord-Holland, Friesland en Flevoland brengt meer variatie in het kustlandschap. De natuurontwikkelingsprojecten veranderen ook het beeld van (de kustgebieden van) het IJsselmeer.

Langs de kust van de Noordoostpolder langs de Zuider-, Wester- en Noordermeerdijk is een windmolenpark gepland. Een modern windpark is vanwege de omvang goed zichtbaar en is nadrukkelijk aanwezig in het landschap. Het gaat hierbij om 86 windturbines met een maximale tiphoogte van 190 meter.

2.4 Bodem & Water

Het IJsselmeer wordt voor 70 % gevoed door de IJssel. Het water wordt naar de Waddenzee geloosd door twee spuicomplexen, de Stevinsluizen bij Den Oever (Noord-Holland) en de Lorentzsluizen bij Kornwerderzand. Dat spuien gebeurt bij eb, dan staat het water in de Waddenzee lager dan in het IJsselmeer.

Het zomerpeil wordt op 0,2 m -NAP gehouden, het winterpeil op 0,4 m -NAP. Het relatief hoog waterpeil in het IJsselmeer is nodig voor het doorspoelen van kanalen en het tegengaan van verzilting in de polders in heel Noordwest-Nederland in de zomer, wanneer de rivieren weinig water aanvoeren. Een andere functie is om de omliggende gebieden te voorzien van zoet water; zo wordt bij Lemmer water ingelaten, om Friesland en Groningen te voorzien van zoet water. Ook is het IJsselmeer van groot belang voor de drinkwatervoorziening zoals bij Andijk.

Door de sterke variatie in afzettingen is ook vanuit geohydrologisch oogpunt een gevarieerde opbouw ontstaan. In sommige delen van het IJsselmeergebied zijn 3 watervoerende pakketten aanwezig, gescheiden door slechter doorlatende lagen. In andere delen ontbreken één of twee van de scheidende lagen, waardoor de watervoerende pakketten in elkaar overlopen.

De bodemdiepte van het IJsselmeer ter plaatse van het plangebied is ongeveer 4,7 m -NAP.

Rond het IJsselmeer zijn op verschillende plaatsen dijken aanwezig. Een deel van de waterkering in Friesland bestaat uit een natuurlijke hoogte in het landschap.

2.5 Archeologie & cultuurhistorie

Archeologie

Hoewel het invloedsgebied op de Indicatieve Kaart voor Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) grotendeels staat ingekleurd als een zone met lage trefkans op archeologische waarden, is een klein deel (geschat wordt ongeveer 20 %) ingekleurd als zone met middelhoge trefkans en zone met hoge trefkans op archeologische waarden.

In het plangebied zijn geen archeologische vondsten aangetroffen. Wel zijn op de rand van de geplande ontgronding drie waarnemingen gedaan die mogelijk kunnen duiden op resten van scheepswrakken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0003.jpg"

Ten zuiden van het plangebied zijn bij boringen boomstronken gevonden, die vermoedelijk toebehoren aan een oerbos (waarnemingsnummer 48415). Het hout is nooit gedateerd.

Archeologisch vervolgonderzoek heeft een exacter beeld van de daadwerkelijke archeologische waarden in het plangebied opgeleverd. Het merendeel van de vondsten die met de sonar in het kader van het onderzoek zijn gevonden, zijn klein en bestaan waarschijnlijk uit recent afval dat van passerende schepen afkomstig is, uit natuurlijke zwerfstenen, dan wel uit resten van vliegtuigwrakken uit WO ll.

Informatie uit aanvullend onderzoek is, ter bepaling van vervolgstappen overgedragen aan het Bevoegd Gezag, dat daar waar zij dit wenselijk acht, zal overgaan tot het verwijderen van het archeologisch materiaal.

 

Cultuurhistorie

De cultuurhistorische waarden van het IJsselmeergebied als geheel zijn grotendeels geconcentreerd in de oude Zuiderzeestadjes. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van cultuurhistorische waarden.

2.6 Functies IJsselmeergebied

Het plangebied en omgeving maken deel uit van het IJsselmeer; het grootste meer van Nederland met een oppervlakte van ruim 1.100 km2. Het IJsselmeer is groot, tamelijk ondiep en zoet en wordt grotendeels begrensd door dijken en dammen. Naast ruimtelijke kwaliteit en waarde als natuurlijk habitat, heeft het IJsselmeer een aantal belangrijke functies:

  • Waterrecreatie.
  • Scheepvaart.
  • Waterreservoir.
  • Visserij.

Scheepvaart

Het IJsselmeergebied kent verschillende soorten scheepvaart: recreatievaart, de bruine vloot, veerverbindingen en vrachtvaart.

Recreatievaart

Voor de recreatievaart vormt het IJsselmeergebied ideaal vaarwater. Het varen vindt in principe overal plaats waar de waterdiepte dit toelaat. De drukbevaren beroepsvaarroutes worden zoveel mogelijk gemeden door de recreatievaart (bron: Watersportverbond).

In de praktijk concentreert de grote watersport zich op een aantal (niet betonde) vaarroutes tussen havens onderling en tussen havens en sluizen. Kleine watersport (open zeilboten, speedboten, windsurfen) vindt overal in het IJsselmeer plaats, behalve waar het verboden is (dat betreft met name de ondiepe oeverzones langs de Friese kust).

Via het IJsselmeer zijn er enkele belangrijke doorgaande recreatie verbindingen. Dit zijn de routes uit de Beleidsvisie Recreatie Toervaart Nederland (BRTN) van de Stichting Recreatietoervaart Nederland (SRN):

  • de BRTN-route door de Randmeren van de Hollandsebrug via het Veluwemeer en Roggebotsluis naar de Ketelbrug;
  • de kustroutes langs de Friese kust en Noord-Hollandse kust.

De meeste recreatievaartuigen nemen de Krabbersgatsluis in de Houtribdijk bij Enkhuizen (meer dan 75.000 per jaar), en ook het aantal sluispassages bij Den Oever is opvallend hoog. In het meest noordelijke deel van het IJsselmeer is het nog relatief rustig, omdat aantrekkelijke vaarbestemmingen ontbreken.

In de Lemstergeul is er mogelijkheid tot surfen en kitesurfen. Het grote water is onaantrekkelijk (gevaarlijk) voor veel vormen van kleine watersport (surfen). Zeil-, windsurf- of kitesurfwedstrijden kunnen locatiegebonden (wedstrijdbaan) zijn of het gehele vaargebied gebruiken. Er ligt geen wedstrijdlocatie in het plangebied.

Snelle watersport (speedboten, jetski's en dergelijke; sneller dan 20 km/u) is op het IJsselmeer binnen 250 m uit de kust verboden. Het kitesurfen is bijna overal verboden, behalve op die locaties die door de vaarwegbeheerder als zodanig zijn aangewezen. Bij het Mirnserklif is een locatie voor kitesurfen aanwezig. Het is één van de weinige locaties waar een officiële vergunning geldt en waar binnen het aangewezen natuurgebied een aparte afbakening voor ingeruimd is. Er liggen geen kitesurflocaties in het plangebied.

Bruine vloot

De beroepschartervaart, ook wel bruine vloot genoemd, maakt gebruik van het gehele IJsselmeergebied. Alle havens van het IJsselmeer en Markermeer worden aangedaan. Lemmer is een van de thuishavens (waar vandaan de tochten vertrekken en na een dag, weekend of week weer terugkomen). In principe wordt het gehele jaar door gevaren, maar de meeste schepen halen tussen 1 april en 1 november 70 - 90 % van hun bezetting. De totale vloot bestond in 2013 uit 431 charterschepen. Daarvan exploiteert ca 75 % zijn/ haar schip voornamelijk in het IJsselmeergebied. De overige schepen komen incidenteel in het IJsselmeergebied (bron: Vereniging voor Beroepschartervaart).

Veerdiensten

Over het IJsselmeer is een aantal veerverbindingen. De meeste liggen niet in de directe omgeving van het plangebied. In de zomer vaart er een fastferry tussen Lemmer en Kornwerderzand op de Afsluitdijk. Deze komt wel langs het plangebied, maar de route loopt er niet doorheen.

Vrachtvaart

Vrachtvaart concentreert zich op het IJsselmeer op enkele vaargeulen en –routes. De belangrijkste scheepvaartverbinding voor de vrachtvaart is de hoofdvaarweg Amsterdam - Lemmer (VAL) via de Houtribsluizen bij Lelystad. Er is een aansluiting op de IJssel over het Ketelmeer. Deze laatste vaarweg heeft weer een aftakking, de vaarweg naar Zwartsluis en Meppel via het Zwartemeer. De vaarweg Amsterdam - Lemmer verbindt de havens van West-Nederland met bestemmingen in Oost- en Noord-Nederland. Ook biedt de VAL vaarmogelijkheden voor de beroepsvaart richting Duitsland. Daarnaast is de verbinding van Amsterdam met Harlingen van belang en - in de omgeving van het plangebied – Lemmer - Makkum en Lemmer - Enkhuizen.

In totaal passeren circa 48 vrachtschepen per maand via de route Lemmer - Makkum (A) ten noorden van het plangebied, 1.851 vrachtschepen via de route Amsterdam-Lemmer (C) ten oosten van het plangebied en 49 via de vaarroute Lemmer - Enkhuizen (B) ten zuiden van het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0004.jpg"

Waterreservoir

Het IJsselmeer, ontstaan na voltooiing van de Afsluitdijk, vormt het grootste zoetwaterbekken van ons land. Het meer wordt grotendeels gevoed door de IJssel, waarmee het oorspronkelijk zilte Zuiderzeewater geleidelijk aan via een brakwatermilieu inmiddels tot zoetwatermilieu is omgevormd. Het waterpeil wordt gereguleerd via een aantal uitwateringssluizen, waarmee overtollig water bij eb wordt geloosd op de Waddenzee.

Het zoetwaterbekken heeft een belangrijke functie als retentiebekken (voorraad- en bufferbekken), dat zo nodig kan worden ingezet voor aanvulling van oppervlaktewater bij een eventueel zomertekort. De watervoorraad wordt dan ook gebruikt om het waterpeil in de veengebieden in Noord-Holland en Utrecht te handhaven. Bij een te laag grondwaterpeil zou de veenbodem hier inklinken.

Daarnaast is het IJsselmeer van belang voor de drinkwatervoorziening van delen van Noord-Holland en vormt het bovendien een strategische reserve voor de algemene drinkwatervoorziening. Tenslotte levert het zoete water de nodige tegendruk om de verzilting vanuit de diepere ondergrond tegen te gaan.

Visserij

De IJsselmeervisserij is gebaseerd op een klein aantal soorten; met name Paling, Spiering en Snoekbaars vormen het overgrote deel van de vangst. Deze soorten worden op vrijwel het hele IJsselmeer gevangen.

Beroepsvisserij met grote fuiken en schietfuiken is een locatiegebonden vorm van beroepsvisserij. Grote fuiken worden geplaatst aan palen en of stokken en in hoofdzaak langs de oevers opgesteld. Ten westen van het plangebied is ook een gebied met vaste fuikopstelling gesitueerd.

De sportvisserij op het IJsselmeer is in 3 typen te verdelen:

  • statisch vanaf de kant, vooral vanaf dijken in nabijheid van parkeerplaatsen en andere goed bereikbare plaatsen;
  • wadend langs ondiepe oevers, vooral door vliegvissers;
  • vissen vanuit een boot: vanuit een (sportvis)bootje, vanaf plezierjachten, of vanaf een charterboot.

In het visplan 2011 is aangegeven dat mag worden uitgegaan van tienduizenden visdagen per jaar. Het IJsselmeer vervult voor de hengelsport een bovenregionale functie; het water wordt door sportvissers uit heel Nederland bezocht.

2.7 Schakelstation

Op het erf aan Liemerige wei nr. 6-8 te Oudemirdum zal een schakelstation worden gerealiseerd, van waaruit een kabel wordt aangelegd naar het werkeiland. Het buitendijkse gedeelte van deze kabel is tevens bestemd in onderhavig bestemmingsplan. Het binnendijkse deel kan op basis van de vigerende regeling worden toegestaan.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Europees beleid

Natura-2000

De wateren van het IJsselmeergebied zijn aangewezen als Natura-2000- gebied. Dit legt, aanvullend aan de beperkingen die volgen uit het kwantitatief waterbeheer, ook beperkingen op aan het gebruik van het gebied.

Wanneer een gebied, zoals onderhavig gebied onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-netwerk of een beschermd natuurmonument is, is de Natuurbeschermingswet 1998 van toepassing. Deze wet heeft tot doel specifieke soorten en habitattypen in een gunstige staat van instandhouding te houden of te brengen. Daartoe zijn instandhoudingdoelstellingen bepaald per Natura 2000-gebied. Geplande ingrepen in Natura 2000-gebieden moeten worden beoordeeld en worden getoetst op mogelijk significant negatieve effecten op deze instandhoudingdoelstellingen, waarbij effecten van andere plannen en projecten ook betrokken dienen te worden.

Compensatie in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 is aan de orde als een project significante negatieve effecten heeft op een beschermd natuurmonument of op de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied, of op de soorten waarvoor het gebied als Natura 2000-gebied is aangewezen, rekening houdend met de instandhoudingdoelstelling van het gebied. De initiatiefnemer van een project of andere handeling in het beschermde gebied dient dan een passende beoordeling op te stellen.

  • Indien uit de passende beoordeling blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingdoelstellingen worden uitgesloten, dan is een ingreep mogelijk, mits de effecten van de ingreep gemitigeerd worden. Aan het verlenen van de vergunning kunnen voorwaarden verbonden zijn als dit nodig is om significant negatieve effecten te voorkomen.
  • Indien er wél sprake is van een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen dan kan het plan of project in het Natura 2000-gebied alleen doorgang vinden indien er geen alternatieven zijn, er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en tijdig compenserende maatregelen zijn uitgevoerd.

Dit afwegingskader verschilt op de volgende punten van dat voor de EHS-gebieden:

  • de Passende Beoordeling vormt een strengere beoordeling van schadelijke effecten dan het geval is in het EHS-afwegingskader;
  • de Minister moet een dergelijk plan of project goedkeuren;
  • het afwegingskader voor de EHS spreekt over 'redenen van groot openbaar belang', het afwegingskader van de Natuurbeschermingswet over 'dwingende redenen van groot openbaar belang'. Voor gebieden met een prioritair type habitat en/of een prioritaire soort zijn deze redenen bovendien strikt beperkt, of moet de Europese Commissie goedkeuring verlenen;
  • compenserende maatregelen moeten tijdig en vooraf worden genomen;
  • voor Natuurbeschermingswetgebieden is financiële compensatie niet mogelijk.

Conclusie

Om aan de Natuurbeschermingswet uitvoering te geven is een Passende Beoordeling uitgevoerd voor het plangebied (zie bijlage 3). Hieruit blijkt dat significant negatieve effecten op de instandhoudingdoelstellingen worden uitgesloten.

3.2 Nationaal beleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid op rijksniveau. Daarmee is de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties.

Het Rijk formuleert 3 hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028):

  • Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland.
  • Het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat.
  • Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Om deze rijksdoelen te bereiken worden onderwerpen van nationaal belang benoemd. Voor het plangebied is het van belang dat de ruimtelijk-economische structuur van Nederland en de kwaliteit van de leefomgeving gewaarborgd wordt. Meer specifiek gaat het om:

  • Nationaal belang 4: Efficiënt gebruik van de ondergrond.
  • Nationaal belang 9: Ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling.

Ondergrond (nationaal belang 4)

Naast het feit dat de ondergrond belangrijk is voor de energievoorziening, moet in de ondergrond rekening gehouden worden met zaken als winning van oppervlaktedelfstoffen, archeologie, buisleidingen, het beheren van niet verwijderbare (resten van) bodemverontreiniging en de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Deze vormen van gebruik van de ondergrond beïnvloeden elkaar, zodat zonder ordening het gebruik voor de individuele functies inefficiënt wordt. Vanwege onder meer de beperkte ruimte in de ondergrond, de betekenis van de ondergrond voor het economisch functioneren, het voorkomen van onaanvaardbare aantasting van de ondergrond en afstemming op activiteiten in de bovengrond, zijn keuzes op rijksniveau noodzakelijk.

In de Rijksstructuurvisie Ondergrond (naar verwachting is de Structuurvisie in het najaar van 2015 gereed) zullen richtinggevende uitspraken worden gedaan voor de rijksbelangen in de ondergrond en de gebruiksmogelijkheden die maar op een beperkt aantal locaties aanwezig zijn. Dit betreft bijvoorbeeld ontgrondingen. De bodemgesteldheid en (grond)water zijn van grote invloed op de eisen aan bovengrondse functies.

Er is een blijvende behoefte aan winning van oppervlaktedelfstoffen uit de Nederlandse land- en zeebodem. De mogelijkheden van import zijn beperkt en de winningsmogelijkheden zijn ongelijk verdeeld in Nederland. De winning van oppervlaktedelfstoffen dient daarom een nationaal belang. Voor het landgebied en de grote wateren is het belangrijk dat maatschappelijk aanvaarbare winmogelijkheden worden benut. Winning van oppervlaktedelfstoffen wordt daarom verbonden met andere ontwikkelingen zoals recreatie, water, woningbouw en natuur.

IJsselmeer (nationaal belang 9)

Het nationale waterbeleid is uitgewerkt in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en komt aan de orde in het jaarlijkse Deltaprogramma. Hierin wordt gerapporteerd over de te nemen maatregelen en voorzieningen.

Het hoofdwatersysteem van Nederland bestaat uit de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, de Zuidwestelijke Delta en rijkskanalen. Het rijk borgt dat het riviersysteem ruimte houdt om water over Rijntakken en Maas veilig af te voeren, ook voor de lange termijn. Waar het verantwoord is, wordt binnen het hoofdwatersysteem ruimte voor andere functies geboden. Zo is kleinschalige en grootschalige buitendijkse bebouwing in het IJsselmeergebied onder voorwaarden mogelijk.

Vanuit de waterveiligheid en zoetwatervoorziening heeft het Rijk belang bij het afremmen van bodemdaling in veenweidegebieden en een goede bufferwerking in het regionale watersysteem om afwenteling op nationale opgaven te voorkomen. Provincies en gemeenten maken in samenwerking met de waterschappen afspraken over de ruimtelijke keuzes om dit belang te behartigen. Ook is het belangrijk dat bij ruimtelijke plannen rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Om te komen tot een dergelijke integrale ruimtelijke afweging is een samenhangende inzet van afwegingsinstrumenten zoals de m.e.r. en de watertoets noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0005.jpg"

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, eerste wijziging

De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), beter bekend als de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden. Het betreft alleen die regels uit het eerdere ontwerp van de AMvB Ruimte (d.d. 2 juni 2009), die als nationaal belang in de vastgestelde Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) worden herbevestigd: 2) Project Mainportontwikkeling Rotterdam, 3) Kustfundament, 4) Grote Rivieren (exclusief Maas), 5) Waddenzee en waddengebied, 6) Defensie en 13) Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Enkele bepalingen zijn hier echter van uitgezonderd. Deze hebben betrekking op provinciaal medebewind en op ontheffingsmogelijkheden en kunnen pas in werking treden op het moment waarop is voorzien in een wettelijke grondslag voor provinciaal medebewind en voor de mogelijkheid tot afwijking van algemene regels. Dit betekent tevens dat de artikelen ten behoeve van nationaal belang 13) 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde' van inwerkingtreding uitgezonderd zijn.

De overige in de SVIR opgenomen nationale belangen, behalve die voor belang 9) buisleidingen, zijn neergelegd in een wijziging van het Barro. Het betreft de nationale belangen: 1) Rijksvaarwegen 4) Grote Rivieren (alleen reserveringsgebieden Maas) 7) Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, 8) Elektriciteitsvoorziening, 10) EHS, 11) Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en 12) IJsselmeergebied.

Voor het plangebied is nationaal belang 12 'IJsselmeergebied' relevant.

Een belangrijk ruimtelijk aspect van het beleid uit het Nationaal Waterplan 2009 - 2015 is dat beperkte ontwikkeling wordt toegestaan in het IJsselmeergebied zonder compensatie van het waterbergend vermogen. Verdergaande ruimtelijke ontwikkeling zou in de weg kunnen staan aan (versterking van) toekomstig gebruik van het IJsselmeergebied als zoetwaterbuffer en behoud van de functie voor waterafvoer die het meer nu heeft.

De wel vrijgegeven ruimte voor specifieke projecten is primair bedoeld voor woningbouw met toebehoren. Daarnaast zijn gebouwen voor watergerelateerde activiteiten mogelijk, bijvoorbeeld voor waterrecreatie, visserij en logistiek. Gezien de overwegingen van het kabinet is ontwikkeling van grootschalige industriële activiteiten nadrukkelijk uitgesloten.

Voor het plangebied is hierop een uitzondering gemaakt in de eerste wijziging van het Barro. Hiertoe wordt in het 2e lid van artikel 2.12.2 ruimte geboden voor de gemeente De Friese Meren om een tijdelijk werkeiland aan te leggen voor de winning van beton- en metselzand met een oppervlakte van maximaal 7 ha.

Nationaal Waterplan 2009 - 2015 & Beleidsnota IJsselmeergebied

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer en richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wro heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.

Tevens bevat het Nationaal Waterplan een eerste beleidsmatige uitwerking van de kabinetsreactie op het advies van de Deltacommissie. Het plan omvat een samenhangende, anticiperende en integrale aanpak voor de waterveiligheid, die gericht is op het leggen van verbindingen met de andere opgaven voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland (zoals natuur, landbouw, waterbeheer).

Peilbeheer en zoetwatervoorziening

De beleidsnota IJsselmeergebied vormt een nadere uitwerking van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan. Het kabinet kiest ervoor de strategische functie van het IJsselmeergebied voor de levering van zoet water te versterken. De keuze van de Deltacommissie voor het IJsselmeer als zoetwaterreservoir en de vergroting van de opslagcapaciteit wordt in de beleidsnota vastgelegd. In het IJsselmeer ligt het accent op veiligheid en zoetwatervoorziening. Natuurbehoud en -ontwikkeling blijven van grote betekenis, maar kunnen verschuivingen hebben ondergaan door een veranderde hydrologische dynamiek. Er wordt gestreefd naar robuuste (aquatisch-) ecologische verbindingen met de Waddenzee, het Markermeer en de binnendijkse natte natuurgebieden.

Voor het IJsselmeer is de opgave met name om de zoet-zout overgang te verbeteren voor trekvissen, zonder het zoete karakter van het IJsselmeer aan te tasten. Ook is er de opgave om de natuurwaarden te behouden ondanks de negatieve effecten, die verwacht mogen worden van peilverhoging. De mate van peilverhoging die in het IJsselmeer noodzakelijk is, moet nog worden onderzocht. Onderzocht wordt ook wat nodig is om ook West-Nederland vanuit het IJsselmeer van zoet water te voorzien. Het kabinet wil ook nieuwe normen bepalen, uit te drukken in een overstromingskans per dijkring, voor de waterveiligheid voor het IJsselmeergebied.

De kernkwaliteiten van het IJsselmeer (natuur, cultuurhistorie en landschappelijke kwaliteit) worden onderkend als belangrijke waarde voor de toekomst van het gebied. Het behouden en versterken van deze kwaliteiten is daarom een belangrijk uitgangspunt in het beleid voor het IJsselmeergebied. Nieuwe ontwikkelingen in het gebied moeten daarom zorgvuldig worden ingepast.

Buitendijkse ontwikkelingen

Het kabinet maakt in het IJsselmeergebied ruimte voor nieuwe klein- en grootschalige buitendijkse ontwikkelingen. Buitendijkse ontwikkelingen moeten een toegevoegde waarde hebben voor de bestaande kernkwaliteiten en karakteristieken van het bestaande (water)landschap. Verrommeling moet worden voorkomen door bijvoorbeeld de bestaande zichtlijnen niet te doorbreken. Naast esthetische voorwaarden is het belangrijk bij de buitendijkse ontwikkelingen te streven naar versterking van ecologie en veiligheid. Dit kan door in het ontwerp aandacht te besteden aan land-waterovergangen.

Bij buitendijkse bebouwing moet aansluiting bij bestaande bebouwing en infrastructuur vanzelfsprekend zijn. Inpasbaarheid en maatvoering zijn daarbij belangrijke factoren.

Naast deze spelregels wordt de omvang voor nieuwe kleinschalige buitendijkse ontwikkelingen per gemeente beperkt tot een maximum van in totaal 5 ha per gemeente tot 2040. Daarnaast is herstructurering van bestaande buitendijkse bebouwing toegestaan onder dezelfde kwalitatieve voorwaarden. De omvang van de bestaande bebouwing heeft invloed op de maatvoering van de buitendijkse initiatieven.

Per gemeente is het maximum aantal hectares ontwikkelruimte vastgesteld. Waar normaal gesproken het verlies aan waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, kan dat in dit geval achterwege blijven. De ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkelingen wordt door het vaststellen van het maximum aantal hectares ontwikkelruimte geborgd. De voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen in het IJsselmeergebied hebben de status van structuurvisie.

Grootschalige buitendijkse bebouwing is alleen mogelijk in het zuidelijk deel van het IJsselmeergebied, in de gemeenten Amsterdam, Almere en Lelystad. Deze gemeenten krijgen respectievelijk 350, 700 en 150 ha ruimte voor nieuwe buitendijkse bebouwing. Deze grootschalige ontwikkelingen passen niet altijd in de bestaande kernkwaliteiten, maar voegen nieuwe kwaliteiten aan het gebied toe. Het ontwikkelen van deze gebieden vereist extra aandacht om een hoogwaardige toekomstwaarde te kunnen realiseren, die innovatief is. Hoewel afwijkend, moet die aansluiting vinden met de bestaande ruimtelijke inrichting.

Dit beleid is verder vastgelegd in de SVIR en het Barro, eerste wijziging. In deze eerste wijziging is in het 2e lid van artikel 2.12.2 ruimte geboden voor de gemeente De Friese Meren om een tijdelijk werkeiland van 7 ha. aan te leggen voor de winning van beton- en metselzand.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma moet Nederland beschermen tegen hoogwater en leiden tot voldoende zoetwater. Voor het IJsselmeergebied ligt het accent op twee nationale opgaven: waterveiligheid en zoetwatervoorziening.
Belangrijk uitgangspunt bij de nu voorgestelde deltabeslissing is dat het gemiddelde winterpeil in het IJsselmeer tot 2050 gelijk blijft. Het water wordt met een combinatie van spuien en pompen naar de Waddenzee afgevoerd. Als de zeespiegel en het weer het toelaten, vindt afvoer plaats via spuien. Als spuien niet kan, is met inzet van pompen toch een voldoende afvoer te waarborgen; hiertoe wordt de pompcapaciteit aan de Afsluitdijk verder opgevoerd. Dit is goedkoper dan het waterpeil geleidelijk mee te laten stijgen met de zeespiegel. Voor de periode na 2050 blijft de optie open om het winterpeil beperkt mee te laten stijgen met de zeespiegel (maximaal 10-30 cm), maar alleen als dat noodzakelijk en kosteneffectief is. 

De voorkeursstrategie voor een lange termijnpeilbeheer in het IJsselmeer richt zich op het hanteren van een flexibel peilbeheer. Daarmee kan de waterbeheerder beter inspelen op de verwachte weersomstandigheden en een grotere zoetwatervoorraad in de zomer creëren. Met flexibel peilbeheer is het mogelijk de zoetwaterbuffer in het IJsselmeergebied stapsgewijs te vergroten. Met de eerste stap van flexibel peilbeheer neemt de voorraad in het zomerseizoen toe met 20 cm in het IJsselmeer, Markermeer en de Zuidelijke Randmeren. Als de vraag naar zoetwater toeneemt, is de buffer verder te vergroten tot een waterschijf van 40-50 cm. Om flexibel peilbeheer mogelijk te maken, krijgen de oevergebieden een flexibele inrichting.

Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010 - 2015

In het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2010 - 2015 (BPRW) is beschreven dat de Ontgrondingenwet, het Besluit ontgrondingen in rijkswateren en de ministeriële Regeling ontgrondingen in rijkswateren gelden als wettelijk kader voor vergunningverlening in de rijkswateren. Aansluitend hierop heeft Rijkswaterstaat 'Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren' opgesteld. Daarnaast zorgt een 'Leidraad ontgrondingen in rijkswateren' voor het borgen van kennis en voor ondersteuning van de vergunningverlening door Rijkswaterstaat en de handhaving.

De winning van bouwstoffen wordt ook aan de Waterwet getoetst.

Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren

De Beleidsregels van het ministerie van Infrastructuur en Milieu geven een nadere invulling aan de wijze waarop Rijkswaterstaat omgaat met aanvragen voor ontgrondingsvergunningen, op welke wijze deze beoordeeld worden, en welke voorwaarden hierop van toepassing zijn.

De Beleidsregels betreffen grotendeels een voortzetting van het beleid zoals vastgelegd in de Nota Oppervlaktedelfstoffenwinning wateren IJsselmeergebied 1991 - 2000 ('Zand boven Water', 1991). Het beleid voor de winning van beton- en metselzand in de nota 'Zand boven Water' wordt voor het IJsselmeergebied aangepast, omdat is gebleken dat winning van beton- en metselzand binnen de randvoorwaarden van deze beleidsnota niet heeft kunnen plaatsvinden. Om invulling te geven aan de beleidsmatige wens om de winning van beton- en metselzand op IJssel- en Markermeer te stimuleren en de beleidsmatige belemmeringen weg te nemen zijn in de Beleidsregels (deels) nieuwe voorwaarden opgenomen voor de winning van beton- en metselzand in het IJsselmeergebied. In de Beleidsregels worden geen locaties aangegeven. Dit initiatief wordt aan de markt overgelaten.

Voor niet standaardsituaties worden randvoorwaarden met betrekking tot win- en opleverdiepte losgelaten maar worden per geval de win- en opleverdieptes bepaald.

De SVIR geeft het nationaal belang aan van de winning van oppervlaktedelfstoffen. Waar de winning van bouwgrondstoffen plaatsvindt, dient dit op een maatschappelijk aanvaardbare wijze te gebeuren. Diepe winning van ophoogzand en van beton- en metselzand in de Noordzee is in beginsel toegestaan. Ook in het IJsselmeergebied en in het winterbed van de rivieren is diepe winning van beton- en metselzand in beginsel toegestaan, voor zover verenigbaar met de Ecologische Hoofdstructuur en de Natura 2000-gebieden. Er zijn vaak goede mogelijkheden om ontgrondingen te koppelen aan rivierverruiming en natuurontwikkeling.

Conclusie

Het rijksbeleid zoals vastgelegd in de SVIR maakt onderhavig initiatief mogelijk. De winning geeft invulling aan één van de doelstellingen op rijksniveau. Op het niveau van de verordening, welke de regels bevat waaraan een bestemmingsplan dient te voldoen, is eveneens geen knelpunt, aangezien het Barro concrete mogelijkheden beschrijft voor onderhavig initiatief. Tot slot voldoet de winning aan de randvoorwaarden vanuit verschillende sectorale beleidsdocumenten op gebied van water, waterbescherming en ontgrondingen.

3.3 Provinciaal beleid

Streekplan Fryslân 2007 - Romte foar kwaliteit

In het Streekplan Fryslân 2007 staan de provinciale kaders waarbinnen ruimtelijke ontwikkelingen de komende 10 jaar kunnen plaatsvinden. Binnen deze kaders hebben gemeenten en andere initiatiefnemers ruim de mogelijkheid om ontwikkelingen tot stand te brengen, waarbij de kernkwaliteiten van Friesland voor de toekomst in stand gehouden en versterkt worden.

Buitendijkse ontwikkelingen

Alleen in bijzondere situaties ziet de provincie nog ruimte voor nieuwe buitendijkse ontwikkelingen. Daarbij dient risicobewust te worden gebouwd, rekening gehouden te worden met zeespiegelstijging of toekomstige peilverhogingen op het IJsselmeer, en is een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing vereist. De waterbergingsfunctie van het IJsselmeer mag niet significant afnemen.

De provincie ziet mogelijkheden voor nieuwe buitendijkse functies die specifiek aan het water gebonden zijn, zoals watergebonden bedrijvigheid. Vanwege het behoud van waterbergingscapaciteit zijn inpolderingen en overige onomkeerbare ingrepen/ bebouwing die de bergingscapaciteit van het IJsselmeer (op termijn) onevenredig aantasten niet mogelijk.

Oppervlaktedelfstoffen

Voor de winning van oppervlaktedelfstoffen - in Friesland voornamelijk ophoogzand - kan (in eerste instantie) gebruik worden gemaakt van bestaande (zand)winputten en (zand)winplaatsen op het vaste land, inclusief gepaste uitbreiding daarvan.

Winning van ophoog-, beton- en metselzand in het IJsselmeer is in beginsel mogelijk, bij voorkeur in relatie tot aanleg, verbeteringen of verdiepingen van de vaargeulen. Voor overige zandwinninglocaties worden geen voorkeursgebieden aangewezen.

Concrete initiatieven voor winning binnen en buiten de vaargeulen en winning op grotere diepten (> 8 m) zijn alleen mogelijk wanneer uit toetsing aan de effecten op de waterkwaliteit, de natuurwaarden (toets Natura 2000) en de kustveiligheid (stabiliteit dijken) blijkt dat geen onevenredige nadelige effecten optreden.

Overigens treedt bij de voorgenomen delfstofwinning in het IJsselmeer, zoals bedoeld in dit bestemmingsplan, niet de provincie Fryslân, maar Rijkswaterstaat op als bevoegd gezag.

IJsselmeer

Centraal in het beleid voor het IJsselmeer staat het duurzaam ontwikkelen van het IJsselmeer als grootschalig open water met een multifunctioneel karakter. Van wezenlijk belang zijn de waterbergingsfunctie van het gebied, de zoetwatervoorziening, het bieden van veiligheid van het gebied achter de primaire waterkering (Afsluitdijk en IJsselmeerdijken) en de natuurwaarden. Ze vormen de essentiële randvoorwaarden waarbinnen de ontwikkeling van andere watergebonden functies plaats kan krijgen.

De provincie zet in op het behoud van de grootschalige openheid en weidsheid van het gebied. Compartimentering van het gebied wordt tegengegaan. Ook van belang is het behoud van zichtlijnen en aandacht voor bebouwing op de vaste wal, passend bij aard en schaal van het achterliggende gebied. Daarnaast gaat de provincie terughoudend om met gebruiksvormen die de landschappelijke en natuurlijke kernkwaliteiten van het IJsselmeergebied kunnen aantasten. Vervoer over water, recreatie en toerisme, natuurontwikkeling en duurzame visserij zijn functies die binnen deze kernkwaliteiten ontwikkelingsruimte krijgen. Voor delfstoffenwinning, militaire activiteiten en stedelijke functies stelt de provincie zich terughoudend op afhankelijk van de effecten op de omgevingskwaliteit en de veiligheid.

Conclusie

De waterbergingsfunctie en -capaciteit nemen niet significant af (uiteindelijk zelfs toe) als gevolg van de zandwinning, en het eiland met daarop de bedrijfsbebouwing wordt zo goed mogelijk landschappelijk ingepast. Bovendien betreft het een semi-permanente situatie die eindig is (circa 30 jaar).

Uit het MER en de Passende Beoordeling blijkt bovendien dat er geen (onevenredige) nadelige effecten optreden op de waterkwaliteit (zie bijlage 2 MER paragraaf 8.2), de natuurwaarden (zie bijlage 2 MER paragraaf 8.3 en bijlage 3) en de kustveiligheid (stabiliteit dijken: zie bijlage 2 MER paragraaf 8.2.4).

Verordening Romte Fryslân 2014

De Verordening Romte Fryslân 2014 is op 25 juni 2014 door Provinciale Staten vastgesteld . De verordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De verordening staat de aanleg van een werkeiland ten behoeve van zandwinning.niet in de weg. Dit vanwege het feit dat het Barro (regelgeving van hogere orde) hierop van toepassing is. Wel stelt de verordening voorwaarden aan m.n. de landschappelijke afweging en inpassing. Gemeenten kunnen in sommige gevallen afwijken, mits wordt voldaan aan deze voorwaarden.

Voor het plangebied zijn vooral hoofdstuk 7 (natuur, EHS) en 8 (kustverdediging) relevant en tevens hoofdstuk 2 (ruimtelijke kwaliteit).

Natuur (hfst 7)

Er zijn geen ontwikkelingen mogelijk die significant negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van de (natuur)gronden (EHS). Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen indien:

  • a. de ontwikkeling van groot openbaar belang is;
  • b. er geen reële alternatieven mogelijk zijn;
  • c. mitigerende maatregelen mogelijk zijn;
  • d. compenserende maatregelen mogelijk zijn.

Conclusie Natuur

Uit de Passende Beoordeling blijkt dat er geen significant negatieve effecten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van de (natuur)gronden in het IJsselmeer. De voorgenomen activiteit staat het natuurbelang niet in de weg. Hierbij dienen de volgende overwegingen in aanmerking te worden genomen:

  • a. de voorgenomen ontwikkeling is van groot openbaar belang gezien de grote vraag naar industriezand;
  • b. er zijn weinig alternatieven met voldoende maatschappelijk draagvlak in Nederland (zie hiervoor hoofdstuk 4 van bijlage 2 MER);
  • c. er worden mitigerende maatregelen genomen;
  • d. compenserende maatregelen zijn niet nodig.

Kustverdediging (hfst 8)

Buitendijks zijn er geen bouw- en gebruiksmogelijkheden voor nieuwe bedrijven. Afwijking daarvan is mogelijk voor watergebonden bedrijven indien:

  • a. de mogelijkheden worden afgewogen ten opzichte van het risico op calamiteiten bij overstroming, waarbij de risico's worden beperkt door risicobewust te bouwen en rekening wordt gehouden met toekomstige stijging van het waterpeil;
  • b. versterking van de waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd;
  • c. er geen beperkingen optreden voor de beroepsscheepvaart;
  • d. de mogelijkheden geen afbreuk doen aan de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten en de natuurlijke waarden van de omgeving;
  • e. de waterkwaliteit niet nadelig wordt beïnvloed;
  • f. advies is gevraagd aan de waterbeheerder en voor zover van toepassing de vaarwegbeheerder.

Conclusie Kustverdediging

Met deze zandwinning wordt aan alle voorwaarden voldaan om af te kunnen wijken:

  • a. Het risico op calamiteiten bij overstroming neemt niet toe aangezien bij de aanleg van de bebouwing op het eiland rekening wordt gehouden met dit risico. Bovendien betreft het een semi-permanente situatie die eindig is (circa 30 jaar).
  • b. De aanleg van het werkeiland vindt op ca. 5 km van de Friese kust en de bijbehorende waterkering plaats zodat een eventuele versterking niet belemmerd wordt;.
  • c. De ligging van de zandwinlocatie is zo gekozen dat er geen scheepvaartroutes geblokkeerd worden.
  • d. De aanleg en aanwezigheid van het eiland met bebouwing en bouwwerken in het open IJsselmeer zullen tijdelijk (gedurende 30 jaar) een negatief effect op de landschappelijke openheid en de zichtlijnen op het landschap veroorzaken. Daarom worden zoveel mogelijk mitigerende maatregelen genomen (zie paragraaf 4.9 voor een overzicht van deze maatregelen). Het blijft echter een 'industriële' activiteit in een natuurlijke, open omgeving.
  • e. De waterkwaliteit wordt niet negatief beïnvloed (zie bijlage 2 MER paragraaf 8.2.2).
  • f. De waterbeheerder(s) zijn bij de hele planvorming betrokken geweest en hebben op meerdere momenten hun inbreng geleverd.

Ruimtelijke kwaliteit (hfst 2)

De plantoelichting van een ruimtelijk plan voor een uitbreidingslocatie of voor het landelijk gebied omvat een ruimtelijke kwaliteitsparagraaf waarin, voor zover noodzakelijk, wordt aangegeven op welke wijze:

  • het plan rekening houdt met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van nieuwe functies, op grond van een analyse van de samenhang van de ondergrond, netwerken en nederzettingspatronen;
  • het plan invulling geeft aan blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zijnde de structuren van provinciaal belang zoals die, met inbegrip van een richtinggevend advies, per deelgebied of gebiedsoverschrijdend zijn omschreven in de structuurvisie Grutsk op é Romte.;
  • de volgens het plan gewenste beeldkwaliteit, bebouwingstypologieën en bebouwingsvormen, materiaal- en kleurgebruik worden gerealiseerd.

De in de verordening benoemde kernkwaliteiten van het IJsselmeergebied zijn:

  • De historische kuststeden, vlecken en dorpen vormen de poorten van Fryslân aan grootschalig open water en naar het binnenwater en het binnenland. Door hun karakteristieke, herkenbare silhouet vormen deze oude handelsteden van oudsher de oriëntatiepunten langs de kust.
  • Het grote, open watervlak van het IJsselmeer tegen het lange groene lint van de IJsselmeerdijk die de vlakte van het water begrenst en de havens met bijbehorende kunstwerken zoals dammen, sluizen, kribben, havens, boeien, bakens en havenlichten. Bijzonder hierbij is het Woudagemaal (werelderfgoed) en de omgeving daarvan.
  • De Afsluitdijk als strakke, lineaire scheiding tussen twee grote, open watervlakten met de daaraan en erop gelegen waterstaatkundige en militaire werken.
  • Het aardkundige verschijnsel van de kliffen, dat een markante scheiding vormt tussen de open vlakte van het IJsselmeer en het glooiende landschap van Gaasterlân.

Een ruimtelijk plan dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing van uitbreidingslocaties binnen de kernkwaliteiten per landschapstype, ofwel de structuren van provinciaal belang, zoals omschreven in de Structuurvisie Grutsk op é Romte.

Conclusie

Er worden zoveel mogelijk mitigerende maatregelen genomen (zie paragraaf 4.9 voor een overzicht van deze maatregelen) voor een overzicht van deze maatregelen) om de kernkwaliteiten blijvend herkenbaar te laten zijn en de ruimtelijke kwaliteit van het gebied te behouden. Landschappelijke inpassing krijgt naast de al bekende mitigerende maatregelen, aandacht bij de verdere optimalisatie van de inrichting van het eiland. Bovendien stelt een beeldkwaliteitplan eisen aan de bebouwing op het eiland.

In het kader van het plan is echter belangrijk op te merken dat het een semi-permanente situatie betreft. Na circa 30 jaar verdwijnen de industriële activiteiten en daarmee de eventuele (tijdelijke) aantasting van de kernkwaliteiten. Op de lange termijn is zelfs verbetering mogelijk door diversificatie binnen het spectrum van gewenste landschapstypen door middel van bijvoorbeeld oplevering als overstroombare natuur/ slikken.

Hoofdstuk 4 Randvoorwaarden

4.1 Algemeen

Omdat alle relevante milieueffecten al onderzocht zijn in het kader van het MER (AnteaGroup, 18 mei 2015) wordt in dit hoofdstuk volstaan met een samenvatting hiervan. Meer specifiek zijn in het MER de milieueffecten van de voorgenomen industriezandwinning in het IJsselmeer vergeleken met de huidige situatie. Het MER is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd (zie bijlage 2).

Het plangebied ligt binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied IJsselmeer. De voorgenomen ontwikkeling heeft effect op de aanwezige natuurwaarden in het Natura 2000-gebied. Omdat op voorhand significante effecten niet uit te sluiten zijn is, conform de Natuurbeschermingswet, een Passende Beoordeling uitgevoerd. Omdat alle effecten op het Natura 2000-gebied al zijn onderzocht en opgenomen in het bijbehorende rapport 'Passende Beoordeling Natuurbeschermingswet 1998' (AnteaGroup 18 mei 2015), wordt in dit hoofdstuk volstaan met een samenvatting hiervan. De Passende Beoordeling is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd (zie bijlage 3)

4.2 Natuur

Natura 2000

Op grond van de conclusies in de Passende Beoordeling zijn significant negatieve effecten als gevolg van de zandwinning op de instandhoudingsdoelen van de watervogels in het IJsselmeer uitgesloten. Het belangrijkste effect dat door de activiteiten optreedt, namelijk vertroebeling, wordt door te treffen voorzieningen in de winfase tot het minimum teruggebracht.

Vermeldenswaard zijn ook de positieve en permanente effecten die als gevolg van de zandwinning kunnen optreden. De reeds genoemde slibvang en gradiëntverbetering, maar ook de functie die de zandwinput zal vervullen als refugium voor vis met name in de winterperiode, zullen bijdragen aan verbetering van de omgevingsfactoren ten gunste van de foeragerende watervogels. Ook de landschappelijke inpassing kan positief bijdragen aan verbetering van de leefgebieden voor watervogels die in dit gebied foerageren, rusten en/of ruien.

Ook door de eventuele aanleg van de elektriciteitskabel is er geen sprake van een significant negatief effect op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied IJsselmeer.

Aanbevolen wordt de onzekerheden ten aanzien van het gedrag van slibdeeltjes tijdens de zandwinning, vanwege het ontbreken van kennis daaromtrent, in een nog op te stellen monitoringsprogramma af te dekken.

Natuurmonument

Een deel van de Friese kust is aangewezen als natuurmonument 'Friese IJsselmeerkust'. Voor gebieden die zijn/waren aangewezen als beschermd- of staatsnatuurmonument wordt naast het beoordelen van de effecten op planten en dieren ook getoetst aan de landschappelijke waarden van het gebied (natuurschoon). De gebieden die aangewezen zijn als beschermd natuurmonument vallen ook binnen de begrenzing van het vogel- en habitatrichtlijngebied.

Belangrijke gebieden met waardevolle natuurwaarden, die in dit deel van het IJsselmeer liggen, zijn de Steile Bank en het Oudemirdumerklif.

De Steile Bank is een zandplaat. Wind en water houden het laag gelegen complex van zandplaten vrij van begroeiing. De Steile Bank is een belangrijk vogelgebied, vooral voor aalscholvers, futen, eenden en ganzen.

Het Oudemirdumerklif is een zeer gevarieerd gebied met graslanden, rietvelden, moerassen, schelpenbanken en ondiep water. Talloze vogels komen er rusten, broeden en eten. In het klif van 6 meter hoog broedden de afgelopen jaren tientallen zeldzame oeverzwaluwen.

De elektriciteitskabel ligt buiten de beschermde natuurmonumenten en doordat de kans op vertroebeling zeer klein is, is de achteruitgang van de waterkwaliteit in de Natuurmonumenten nihil en is er geen sprake van een permanent negatief effect op de Natuurmonumenten voor de Friese kust. Wezenlijke landschappelijke kenmerken als rust en ruimte worden door de ingreep niet significant beïnvloed.

Ecologische hoofdstructuur

Het IJsselmeergebied maakt tevens onderdeel uit van de EHS. Uit de kaart bij de Verordening Romte Fryslân (VRF) (2014) blijkt dat het IJsselmeer volledig als EHS-water is aangeduid. De bescherming van wezenlijke waarden en kenmerken van dit gebied vindt plaats door toepassing van het zogenoemde 'nee, tenzij'-regime (afwegingskader vastgelegd door ministerie van LNV en VROM en de Provincies in de Spelregels EHS (2007)). De wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied moeten beschermd worden. Het gaat hierbij om 'het gebied als grootschalig open gebied met bijzondere internationale waarden van natuur, landschap en cultuur te behouden en te ontwikkelen'.

De belangrijkste natuurwaarden zijn gekoppeld aan de vogels die foerageren, ruien en rusten in het grootschalige open water dan wel rusten, foerageren en broeden aan de randen van het gebied. Wezenlijke landschappelijke kenmerken van het IJsselmeer zijn rust, duisternis en ruimte. Cultuurwaarden worden in dit deel van het IJsselmeer niet aangetroffen.

Op basis van het MER en de Passende beoordeling worden significant negatieve effecten op de natuurwaarden van de EHS IJsselmeer uitgesloten.

Permanente effecten op broedvogels in de kustzone worden, vanwege hun beperkte actieradius, hun voorkeursbiotoop en de ligging van hun broedgebied ten opzichte van het plangebied voor zandwinning, bij voorbaat uitgesloten. Wel is sprake van een tijdelijke en zeer lokale verstoring door de elektriciteitskabel. Wezenlijke landschappelijke kenmerken als rust, duisternis en ruimte worden door de ingreep in dit gedeelte van het IJsselmeer wel aangetast. De ruimte waar het effect klein is of niet optreedt, is beperkt ten opzichte van het totale IJsselmeer en de waardevolle kustzones worden niet beïnvloed. Daarom is het effect als niet significant beoordeeld.

Beschermde soorten

De meeste effecten op rode lijst en beschermde soorten treden op door de aanleg van de kabel. Deze effecten zijn lokaal en tijdelijk van aard en hebben geen effect op de gunstige staat van instandhouding van de beschermde soorten. Bij de nadere bepaling van het tracé en de locatie van het schakelstation dient bepaald te worden of een ontheffing van de flora- en faunawet aangevraagd dient te worden. De zandwinning zelf heeft door de afstand tot de kust en de beperkte waarde voor beschermde soorten geen effect op beschermde soorten. De Flora- en faunawet staat het voornemen van de initiatiefnemer niet in de weg.

4.3 Landschap

De aanleg en (weliswaar tijdelijke, gedurende circa 30 jaar) aanwezigheid van het eiland met bebouwing en bouwwerken in het open IJsselmeer, met name de ZVI en de loodsen zullen een negatief effect op het landschap veroorzaken. Daarom worden zoveel mogelijk mitigerende maatregelen genomen. Vanuit de beleving vanaf de kusten is het effect zo veel mogelijk beperkt door de locatie van het eiland in de zuidwestpunt van het plangebied. Het blijft ook voor de gebruikers van het IJsselmeer een 'industriële' activiteit in een natuurlijke, open omgeving. De landschappelijke inpassing van het eiland heeft bij het ontwerp een centrale rol gespeeld.

Weids uitzicht

Lokaal betekent de wininstallatie een (grote) aantasting van de openheid. De aanwezigheid van de installatie heeft invloed op de visuele beleving van het IJsselmeer. Een 3D-animatie geeft aan hoe de ZVI eruit ziet vanaf het dichtstbijzijnde punt op de oevers van Friesland (dagrecreatieterreinen) en vanaf de dijk van de Noordoostpolder.

Uitgangspunten bij de geconstrueerde visualisaties zijn:

  • een(opgespoten) werkeiland van circa 7 ha op 1,80 m +N.A.P.;
  • een zandveredelingsinstallatie (ZVI): l x b x h = 100 x 20 x 22 m;
  • een (of enkele) gebouw(en) met logies- en werkruimten, additionele accommodaties voor recreatie en EHBO: ca. 300 m2., hoogte 9 m.;
  • 4 opslagloodsen: elk l x b x h = 100 x 30 x 15 m.;
  • bewerkingsloods: l x b x h = 30 x 20 x 15 m.;
  • landschappelijk kader maximale hoogte 15 m. ( begroeide duintop).

Naast de benodigde 7 ha. t.b.v. industriële activiteiten is ruimte gereserveerd voor een landschappelijke inpassing. Deze landschappelijke inpassing is vooral bedoeld om het zicht op de gebouwen te beperken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0006.jpg"

Visualisatie van het eiland met ZVI vanaf de dijk in Friesland, afstand 5 km

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0007.jpg"

Visualisatie van het eiland met ZVI vanaf de dijk Noordoostpolder, afstand 7 km

Duisternis

De verlichte installatie kan, gezien vanaf de kust en mede vanwege de grote zichtlengten, verstorend werken in de beleving van het landschap. Om dit effect tegen te gaan, wordt voor de terreinverlichting uitgegaan van naar beneden gerichte armaturen met een beperkte lichtpunthoogte. De lichtbron zelf blijft zo, gezien vanaf de kust, onzichtbaar.

Daarnaast wordt gebruik gemaakt van groene LED-verlichting. De LED-lampen verbruiken minder energie dan de gewone straatverlichting en stoten minder CO2 uit. Volgens onderzoek van de NAM en Philips is deze verlichting niet storend voor nachtdieren zoals uilen, vleermuizen en andere vogels. In de nachtelijke uren is het bij groen licht bovendien prettiger werken, zo blijkt uit de eerste onderzoeksresultaten.

In de winfase is er sprake van enige lichtuitstraling naar de omgeving. Het eiland, met name het werkterrein zal worden verlicht met naar beneden gerichte armaturen, die de kruinhoogte van de omringwal niet zullen overschrijden.

Met de basislichtintensiteit die voor de veiligheid op de pontons en schepen minimaal noodzakelijk is, ontstaat in de nacht een beperkte lichtuitstraling. Vanaf de oevers is dit niet of nauwelijks waarneembaar, ook omdat uitgegaan wordt van de toepassing van 'groen licht'. Tevens wordt het licht afgeschermd met lichtkappen om de lichthinder zoveel mogelijk te beperken.

De nautische verlichting op de schepen voor afvoer van het zand of de aanvoer van personeel is verwaarloosbaar ten opzichte van de achtergrond van de drukke vaarroute.

Stilte

In paragraaf 4.4 zijn de effecten van de verstoring door scheepvaart en de installatie (geluid) nader beschouwd.

Landschappelijke inpassing

Bij de aanleg van het eiland zal grote aandacht worden besteed aan de landschappelijke inpassing van het eiland en met name van de industriële bebouwing en installaties. Het ontwerp gaat uit van een zo natuurlijk mogelijk uitziende duingordel die de industriële kern van het eiland grotendeels afschermt. Bovendien worden hoge eisen gesteld aan de expressie in vorm, materiaalkeuze en kleurstelling van de bebouwing. Dit is gedetailleerd uitgewerkt in het landschappelijk ontwerp en een hierop afgestemd beeldkwaliteitplan.

De zichtbaarheid van de installatie is mede afhankelijk van de kleurstelling. Door te kiezen voor een neutrale kleur die gemakkelijker wegvalt tegen lucht en water (bijvoorbeeld grijs) is het effect beperkter dan wanneer meer opvallende kleuren worden toegepast.

4.4 Geluid

In het kader van het MER Industriezandwinning IJsselmeer is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Akoestisch onderzoek, Bijlage bij MER en bestemmingsplan Industriezandwinning IJsselmeer, AnteaGroup 26 maart 2015). Het doel van het onderzoek is om de effecten ten gevolge van het plan voor de geluidbelasting op de omgeving vast te stellen. Het akoestisch onderzoek is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd (zie bijlage 6)

Rond het gebied van de zandwinning zijn vaarroutes gelegen, waar gebruik van wordt gemaakt door de beroepsvaart. Voor de scheepvaartbewegingen worden geen autonome ontwikkelingen verwacht. De 'huidige en autonome situatie' is in dit akoestisch onderzoek gebruikt als referentie.

Effecten op natuurgebieden

Uit de resultaten blijkt, dat ten gevolge van de zandwinning het geluidbelaste oppervlak van het 24-uursgemiddelde geluidniveau, groter dan 40 dB(A), toeneemt met 2017 ha. De stiltegebieden ter hoogte van de Friese IJsselmeerkust worden niet beïnvloed doordat de 35 dB(A)-contour ter hoogte van de grens van de stiltegebieden ligt, ook bij realisatie van het plan.

Het voornemen wordt voor het aspect geluid negatief beoordeeld. De zandwinning leidt tot een toename van geluid op het IJsselmeer. Wel blijft de verstoringsbron ver weg van de kwetsbare en verstoringsgevoelige broed- en stiltegebieden langs de Friese IJsselmeerkust door situering van het werkeiland in de zuidwestpunt van het plangebied.

Er is een toename van geluidverstoring als gevolg van het voornemen.

Effecten op geluidgevoelige bestemmingen: etmaalwaarde

Uit de rekenresultaten op de waarneempunten nabij geluidgevoelige bestemmingen blijkt, dat de avondperiode de maatgevende periode is.

De geluidbelasting bij Lemmer bedraagt maximaal 46 dB(A). Deze geluidbelasting wordt echter veroorzaakt door de scheepvaartbewegingen in de huidige en autonome situatie.

Bij de overige geluidgevoelige bestemmingen is de geluidbelasting lager dan de richtwaarde voor landelijk gebied. De toename van de maximale geluidbelasting ten gevolge van de zandwinning ten opzichte van de huidige en autonome situatie bedraagt maximaal 11 dB(A) (kern Oudemirdum).

Effecten op geluidgevoelige bestemmingen: maximaal geluidniveau

Uit de rekenresultaten op de waarneempunten nabij geluidgevoelige bestemmingen blijkt, dat de nachtperiode de maatgevende periode is. De maximale geluidniveaus bedragen maximaal 53 dB(A). Deze maximale geluidniveaus worden veroorzaakt door de bestaande scheepvaartbewegingen. De toename van het maximale geluidniveau ten gevolge van het plan is maximaal 6 dB(A).

Laagfrequent geluid

Gezien de afstand tot de kust zal er geen effect van laagfrequent geluid optreden.

4.5 Lucht

De concentraties luchtverontreinigende stoffen dienen beoordeeld te worden op die locaties waar sprake is van relevante blootstelling. In dit geval gaat het om het vaste land van Friesland en Flevoland. De afstand tussen de werklocatie en het vaste land is dusdanig groot dat daar geen relevante effecten op de luchtkwaliteit te verwachten zijn als gevolg van de activiteiten ter plaatse van het werkeiland.

Nabij Lemmer (als maatgevend punt) leidt de voorgenomen activiteit tot een toename van het aantal aan- en afvarende schepen. Per dag gaat het om maximaal 14 schepen (28 scheepvaartbewegingen) die tussen de werklocatie en Lemmer varen. Ondanks dat de extra scheepvaartbewegingen zullen leiden tot een lichte stijging van de concentraties luchtverontreinigende stoffen, zullen de maatgevende grenswaarden als gevolg van het plan niet worden overschreden gezien het grote gat tussen de lage achtergrondconcentraties en de grenswaarden.

4.6 Bodem & Water

De watertoets is verplicht bij ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op afgewogen wijze in beschouwing worden genomen bij ruimtelijke plannen en besluiten.

Om optimaal gebruik te kunnen maken van de ervaringen die bij de waterbeheerders aanwezig zijn en 'water' daarmee een goede plek in het proces te kunnen geven, is in het MER een procedure gevolgd die geënt is op de watertoets. Er is contact opgenomen met de waterbeheerders en hun uitgangspunten, wensen en zorgpunten ten aanzien van water zijn verzameld. De criteria waarop de effecten zijn getoetst, zijn mede hierop gebaseerd. Het MER vormt daarmee de basis voor deze waterparagraaf.

Waterbeweging

Verandering grondwaterstanden en stijghoogten

Bij de winning is sprake van een maximale verhoging van de stijghoogte met 0,20 meter; deze verhoging treedt op in het 2e watervoerende pakket. De verhoging is alleen in de directe omgeving van de zandwinning aanwezig. Op een afstand van meer dan 2.500 m vanaf het midden van de put is het effect kleiner dan 5 cm. In het 1e watervoerende pakket is de maximale verhoging 0,07 m, met een invloedsgebied van ca. 1.500 m. In het freatische pakket is de verandering van de grondwaterstand minder dan 5 cm.

Dit houdt in dat er geen negatieve effecten zijn op het vaste land van Friesland of Flevoland, alleen onder het IJsselmeer.

Stromingspatroon en stroomsnelheid

Geconcludeerd is dat de stromingspatronen in het plangebied bepaald worden door de wind. De winput zal nauwelijks invloed hebben op de stromingspatronen, alleen zeer lokaal.

Waterkwaliteit

Vertroebeling

Geconcludeerd wordt dat het risico van vertroebeling zeer klein is. Door de diepte van de winput is het effect van de winning zelf zeer klein tot nihil. Vertroebeling door zettingsvloeiing, afschuiving en bresvloeiing wordt voorkomen door de gekozen inrichting van de winput en het winproces (productie/verhaalsnelheid). Hiermee wordt het risico op vertroebeling door instabiliteit van de winput beheerst. De kans op vertroebeling door lozing van water is beperkt door de toepassing van cyclonen en bassins voordat het water wordt geloosd. Vertroebeling door aanleg van het eiland wordt beperkt door het eiland binnen een ring van stortsteen of geotubes aan te leggen. Wanneer het eiland hoger wordt, kan dit nog onvoldoende zijn. Indien nodig worden dan aanvullend baggerschermen gebruikt.

De kans op vertroebeling wordt door het nemen van effect beperkende maatregelen tot het minimum beperkt. Het is echter nooit helemaal te voorkomen.

Brak en zout grondwater

Het brakke grondwater zal in ieder geval de komende 100 jaar niet het vaste land bereiken, noch in de situatie zonder zandwinning, noch in de situatie met zandwinning.

Zoutgehalte van het IJsselmeer

Geconcludeerd wordt dat er geen significante wijziging van het zoutgehalte verwacht kan worden; effecten op belangen door een verhoogd zoutgehalte zijn daardoor uit te sluiten. Het voornemen heeft geen consequenties voor het Rijnzoutverdrag.

Nutriënten en verontreinigingen

De kans op opwerveling en een negatief effect op nutriënten en microverontreiniging wordt als licht negatief beschouwd. Dit effect ontstaat vooral door de scheepvaart die naar de verwerkingsinstallatie gaat.

Stratificatie

Op basis van de ervaring in andere putten en de verhouding tussen oppervlakte en diepte zijn negatieve effecten als gevolg van stratificatie niet te verwachten.

Effecten op doelen vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)

De zandwinning heeft geen effect op de KRW-doelen.

Bodem

Bodemopbouw en bodemsamenstelling

De effecten op de bodemsamenstelling worden neutraal beoordeeld en op de bodemopbouw licht negatief als gevolg van de diepe put en de lange vergraving van de kabel tussen het eiland en de Friese kust.

Hoogwaterveiligheid

De aanleg van het zandwingebied heeft geen effecten op de stabiliteit van de IJsselmeerdijken en de hydraulische randvoorwaarden.

Ten aanzien van de aanleg van de kabel kan worden gesteld dat het technisch goed haalbaar is om de kabel zo onder de dijk door te leggen dat de veiligheid van de waterkerende functie niet in gevaar komt. De aanleg van de kabel dient afgestemd te worden met het waterschap (keurvergunning). Hierbij is het van belang dat met een technisch ontwerp aangetoond wordt dat de veiligheid gegarandeerd wordt.

Waterwet

De toepassing van de Waterwet is op grond van artikel 2.1 van de Waterwet gericht op:

  • a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met;
  • b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;
  • c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

In het MER zijn deze aspecten als volgt ingevuld:

Ad a

Door de te realiseren zandwinning wordt geen effect op de waterstand in het IJsselmeer verwacht en daarmee geen toename van kans op overstromingen of waterschaarste veroorzaakt.

Uit (geo)hydrologisch onderzoek dat uitgevoerd is, worden geen significante veranderingen verwacht van de binnendijkse kwel en wegzijging.

Er worden geen nadelige effecten verwacht op de stabiliteit van de primaire keringen.

Ad b

Chemie

Als gevolg van de ingreep in de waterbodem komt een nieuwe waterbodem bloot te liggen, die mogelijk effect heeft op de chemische kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam. De mogelijke effecten van de achterblijvende waterbodem kunnen worden getoetst met het Toetsingskader BPRW. Dit dient echter alleen te gebeuren in de gevallen waarin de vrijkomende bodemkwaliteit slechter is dan de interventiewaarde én slechter is dan de kwaliteit die weggebaggerd wordt. Dat is niet de verwachting. Door het verwijderen van de bovenlaag wordt een situatie gecreëerd die gelijk of beter is dan de uitgangssituatie. Verdere toetsing aan het toetsingskader BPRW is daarom niet nodig.

Ecologie

Het is uitgesloten dat de zandwinning leidt tot significant negatieve beïnvloeding van de relevante biologische maatlatten. Het project voegt vanuit de relevante biologische maatlatten (onder andere visfauna, aquatische en semi-terrestrische macrofauna) een aantal positieve elementen toe door de vergraving van de waterbodem en de realisatie van een diepere put (refugium voor vis), gradiënten langs de randen van de put en de inrichting van een eiland.

Aangezien de ingrepen geen significant effect hebben op de ecologische waterkwaliteit is mitigatie of compensatie van de negatieve beïnvloeding niet van toepassing.

De maatregelen die bij de zandwinning in het IJsselmeer zullen worden uitgevoerd, dragen per saldo bij aan een verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit, waardoor het plan in lijn is met de doelstellingen uit de Waterwet.

Ad c

Scheepvaart

Voor de scheepvaart is het van belang dat de zandwinput niet ter plekke van vaargeulen ligt (is voorwaarde bij locatiekeuze), dat deze op voldoende diepte worden gehouden en dat door de ingreep geen hinderlijke golven ontstaan. De aanwezigheid van de zandwinput heeft geen effect op de aanzanding van de vaargeulen. De scheepvaart zal geen overlast hebben van hinderlijke golven.

Drinkwater, recreatie/ zwemwater en visserij

De aanwezigheid van de zandwinput heeft geen effect op het innamepunt voor drinkwater in het IJsselmeer. Ook heeft de zandwinning geen effect op de kwaliteit van het zwemwater, maar wel een beperkt negatief effect op de waterrecreatie. De oppervlakte bevaarbaar water neemt af. Vanuit veiligheidsoverwegingen (voorkomen van aanvaringen met zuigers of drijvende leidingen) wordt de toegankelijkheid van het plangebied door middel van betonning beperkt (deels afgesloten) voor de recreatievaart.

De zandwinning betekent een verlies aan viswater ter plaatse van het eiland (semi-permanent) en ter plaatse van de winput. Semi-permanent want de winning zal minimaal 30 jaar duren.

Natuur

In de Passende Beoordeling is aangegeven dat de zandwinning niet leidt tot significant negatieve effecten op belangrijke waarden in het IJsselmeer.

Geconcludeerd wordt dat de zandwinning geen, dan wel acceptabele effecten heeft op de maatschappelijke functies van het watersysteem en in overeenstemming is met de doelstelling van de Waterwet.

4.7 Archeologie & cultuurhistorie

Cultuurhistorische elementen

De cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied blijven behouden. Deze ondervinden evenmin hinder door de abiotische veranderingen als gevolg van de winning (vertroebeling, kwel), door geluid of door aantasting van het landschap.

Bekende archeologische waarden

Voor het in beeld brengen van de effecten voor de archeologie is een locatieonderzoek uitgevoerd (Inventariserend Veldonderzoek onderwaterfase, 30 april 2014 en Inventariserend Veldonderzoek opwaterfase, 20 februari 2014, beide door Periplus Archeomare).

In totaal is met een grondradar 86 kilometer aan raaien gedetecteerd. Op drie plaatsen werden mogelijk archeologisch waardevolle voorwerpen gedetecteerd. Een (nr. 1) daarvan ligt 28 m buiten het te ontgronden gebied, de tweede (nr.10) ligt 62 m buiten het te ontgronden gebied. De derde (nr.16) ligt in de niet te vergraven veiligheidszone rond het werkeiland op 34 m afstand van het te ontgronden gebied.

Aanvullend onderwater-onderzoek heeft nadere informatie opgeleverd over archeologisch materiaal van jongere datum, welke is overgedragen aan het bevoegd gezag ter bepaling van eventuele vervolgstappen. In de tussentijd is gebleken dat het bevoegd gezag, daar waar zij dit wenselijk acht, overgaat tot het verwijderen van het archeologisch materiaal.

Binnen het te vergraven gebied van 215 hectare zelf zijn geen onderzoekwaardige

archeologische projecten waargenomen.

Indien tijdens de werkzaamheden alsnog archeologische waarden worden aangetroffen, moet dat worden gemeld aan het bevoegd gezag en de Rijksdienst voor cultureel erfgoed. Ook bij het aanleggen van het leidingtracé zal zorgvuldig te werk worden gegaan.

4.8 Externe veiligheid

In deze paragraaf wordt ingegaan op de risico's voor omwonenden en passanten tijdens de exploitatie van de zandwinning. Het groepsrisico wordt bepaald door de kans op een calamiteit enerzijds en het aantal slachtoffers anderzijds. Pas als er meer dan 10 slachtoffers vallen en er een reële kans op een calamiteit bestaat, is sprake van een groepsrisico. Het Plaatsgebonden Risico (PR) is alleen relevant als er substantiële risico's zijn (bijvoorbeeld transport gevaarlijke stoffen, grootschalige opslag chemicaliën). Daar is hier geen sprake van.

De activiteiten die kunnen leiden tot ongevallen met gevaarlijke stoffen zijn:

  • toename scheepvaart ten gevolge van aan- en afvoer materieel en materiaal;
  • bagger- en graafwerkzaamheden;
  • milieuvervuiling door lekkage gebiedsvreemde stoffen (diesel, verf, etcetera).

De risico's ten aanzien van de veiligheid tijdens de winning beperken zich tot de directe omgeving van de winlocatie. Omwonenden zullen gezien de afstand tussen de woonkernen en de winlocatie geen verhoogd risico lopen, alleen recreanten die zich op zeer korte afstand van de winlocatie bevinden (tientallen meters). Daarnaast betreft het hier risico's met een zeer geringe kans van voorkomen.

4.9 Mitigerende maatregelen

De initiatiefnemer heeft in het voornemen maatregelen geïntegreerd om negatieve (milieu)effecten te voorkomen of te beperken. In onderstaande tabel is het overzicht hiervan opgenomen:

Maatregel om effect te voorkomen of beperken  
Zorgvuldige selectie van het plangebied  
Voorzichtig baggeren  
Afstemmen putproductie en zuigerproductie (behoud van stabiliteit van de winput is een uitgangspunt bij het ontwerp van de machine)  
Geen (te) steile taludhelling en werken met onderwaterbanketten  
De bovenste rand is in diepte beperkt tot 5,0 m diep (9,7 m -NAP) met berm van 15 m breed  
Het proceswater nabehandelen met cyclonen  
Waterbassins aanleggen zodat het aanwezige zand en slib kan bezinken voordat het geloosd wordt  
Beperking van lichthinder door gebruik te maken van groen licht  
Beperking van lichthinder door het afschermen van licht met lichtkappen  
Zo veel mogelijk met elektriciteit werken en niet met diesel  
Scheepsbewegingen verlopen zoveel mogelijk via vaste patronen. Dit houdt in dat de binnenvaartschepen steeds, zo lang mogelijk, de route van de vaargeul zullen volgen. Van of naar de werklocatie wordt verder steeds de kortste, bevaarbare route ten opzichte van de vaargeul gekozen.  
Tijdig archeologisch vervolgonderzoek opstarten  
De zichtbaarheid van de installatie is afhankelijk van de kleursamenstelling. Door te kiezen voor een neutrale kleur die gemakkelijker wegvalt tegen lucht en water (bijvoorbeeld grijs) is het effect beperkter dan wanneer meer opvallende kleuren worden toegepast.  
Aanleg van betonning rond winlocatie om recreatie op een veilige afstand te houden  
Boeien ter plaatse van drijvende leiding om de zichtbaarheid van de leiding te verhogen  
Pro-actieve communicatie over ligging leiding en wininstallatie op plekken die voor watersporters van belang zijn, zeker op momenten dat het eiland en de installatie worden geplaatst.  

Door monitoring zullen de effecten van de zandwinning worden gevolgd. In 2012 zijn nieuwe peilbuizen geplaatst aan de kust van Friesland en de Noordoostpolder. Op deze wijze kunnen toekomstige veranderingen in de grondwaterstand gemonitord worden omdat zorg is gedragen voor een goede 0-situatie. Indien nodig kunnen aanvullende mitigerende maatregelen worden genomen:

  • Het gebruiken van schermen/ gordijnen om verspreiding van het troebele water te voorkomen en het slib lokaal te laten bezinken.
  • Het aanleggen van een onderwaterdam rond de put: het aanbrengen van verhoogde randen naast de zandwinput om reliëf te creëren waardoor er een verbetering van het leefgebied van de driehoeksmosselen en andere bodemfauna kan ontstaan.
  • Het maximaal isoleren van de verwerkingsinstallatie voor een verdere afname van geluid.
  • Het clusteren van de vaarbewegingen kan leiden tot vermindering van geluidseffecten van vaarbewegingen.

Hoofdstuk 5 Technische Eisen Eiland

5.1 Locatiekeuze

Vanuit de filosofie van duurzaam ondernemen (people, planet, profit) streeft de initiatiefnemer ernaar om de effecten van de voorgenomen ingreep op het milieu te beperken. Hiervoor is een proces doorlopen waarbij zo veel mogelijk rekening is gehouden met de verschillende milieubelangen. Vooral de aspecten bodem, water en natuur hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Vanuit het milieubelang mag het plangebied niet te dicht voor de kust liggen (rustgebieden vogels), geen trekroutes van vogels doorsnijden, niet leiden tot verslechtering van de (grond)waterkwaliteit en geen scheidende bodemlagen doorbreken (om verzilting van het water te vermijden). Ook mag het plangebied niet liggen in bestaande vaarroutes en/of gebruikelijke watersportwedstrijdgebieden, zoals de Baai van Lemmer.

Na een lang proces van verschillende (bodem)onderzoeken is uiteindelijk gekozen voor de aangegeven locatie en een hierop afgestemde winmethode. Voor nadere informatie omtrent alternatieven en een verdere onderbouwing van de locatiekeuze wordt verwezen naar de plan- en besluit-m.e.r.

5.2 Industriezandwinning

De zandwinning vindt plaats in een cirkelvormig gebied van bruto 250 ha (waterpeil 0,4 m -NAP, maaiveld 4,7 m -NAP) waarbinnen:

  • een grootschalig wingebied van 218 ha ten NO van het te maken werkeiland met maximale diepte van 60 m (64,7 -NAP) in 2 of 3 treden met taluds van 1:3 en tussenbermen van 20 m breed;
  • een onderwaterdepot van 3 ha voor restzanden nabij het te maken werkeiland met maximale diepte van 10 m (14,7 m -NAP) en een maximale inhoud van 200.000 m3;
  • een werkeiland van 7 ha, opgehoogd tot 1,80 m +NAP met tussen de 2 ijsbrekerdammen een bassin als overloop in de luwte voor de restzanden naar het onderwaterdepot.

Gestreefd wordt (na een geleidelijke toename) de productie in 10 jaar op te voeren van 0,5 miljoen ton naar 2 miljoen ton industriezand. Daarnaast voorziet de zandwinning in 700.000 m3 per jaar structureel te beladen ophoogzand. Dat betekent ongeveer 13 schepen per dag bij 5 dagen en 11 schepen per dag bij 6 dagen. De winning kan zodoende minimaal 30 jaar actief zijn.

Er wordt in 2 ploegen gewerkt, in principe 6 dagen in de week, gedurende 45 weken per jaar. Het personeel verblijft meerdere dagen achtereen op het eiland. Vervoer van personeel en materieel geschiedt in principe per diesel aangedreven boot. De kleine werkschepen worden niet meer dan 4 uur per dag gedurende de dagperiode ingezet en gedurende de nacht, zijnde van 5 tot 7 's morgens bij vervoer personeel. De schepen zullen vanaf Lemmer vertrekken, de dichtstbijzijnde haven (ruim een half uur varen). Bij calamiteiten en noodvoorzieningen kan een helikopter worden ingezet.

Er wordt maximaal 24 uur per dag gedraaid met de zuiger in de grote winput. De ZVI en de belading werken ook maximaal 24 uur per dag. Op het eiland zijn maximaal 2 diesel-elektrisch aangedreven hybride laadschoppen aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0008.jpg"

Inrichting winput, afzonderlijk onderwaterdepot en vormgeving eiland

Stappen in de zandwinning

Zand wordt gewonnen door een zandzuiger boven de winput en getransporteerd naar het eiland. Via een drijvende leiding (diameter 450mm) gaat het zand naar de zandverwerkingsinstallatie (ZVI) of naar een voordepot. Bij de veredeling wordt het zand gescheiden in vier korrelfracties. Elke fractie wordt afzonderlijk opgeslagen in een opslag/droogloods. Vanuit deze loods gaan de fracties per transportband naar het beladingsgebouw waarbij de fracties volgens een met de afnemer afgestemd productrecept gemengd worden en in een binnenvaartschip geladen. Deze schepen kunnen aan de voor hen ontwikkelde kade op het eiland aanleggen.
 

5.3 Fasering

De winning kent verschillende fasen. Gestart wordt met het verwijderen van een deel van de bovenste fijnere zandlaag, de deklaag, in een klein deel van de winput (8 hectare). De deklaag is ongeveer 10 m dik. Uit dit startgat komt 500.000 m3 zand vrij. Het vrijgekomen zand uit de deklaag kan gebruikt worden als ophoogmateriaal, bijvoorbeeld voor het werkeiland, eilanden, vooroevers of andere vormen van natuurontwikkeling. Het overige zand van de deklaag wordt afgezet als ophoogzand. Het is ook mogelijk het eiland te realiseren met materiaal van elders, mits passend binnen het Besluit bodemkwaliteit (BBK).

Onder de deklaag kan worden begonnen met het winnen van het industriezand.

De planning voor de aanleg van het eiland is als volgt: de eilandbouw start met het opspuiten, een jaar later wordt al het civiele werk uitgevoerd. Vervolgens vindt over een langjarige periode winning, productie en verlading van industriezanden plaats.

5.4 Wintechnieken

De winning geschiedt met een diesel aangedreven profielzuiger met een capaciteit van 1.500 ton zand/ uur. Afhankelijk van de technische mogelijkheden kiest de initiatiefnemer er voor om een elektrisch aangedreven zuiger in te zetten. Indien de zuiger actief is in de bovenste 10 m van het zandpakket wordt een korte zuigbuis gebruikt. Voor de dieper gelegen grovere zandlagen wordt de zuiger via een snelkoppeling voorzien van een lange zuigbuis. Bezinkingsproeven hebben aangetoond dat ook de fijnste zandfracties van 0,02 tot 0,125 mm zeer snel bezinken, waardoor een specifieke winmethodiek om vertroebeling te voorkomen niet nodig is.

De zuiger is gekoppeld aan een diesel / elektrisch aangedreven laadponton waardoor, in de uren dat er geen industriezandvraag is op het werkeiland, als tweede functie ook rechtstreeks ophoogzandschepen langs het ponton beladen kunnen worden in de grote winput.

Indien er op het werkeiland tijdens de industriezandproductie bepaalde zandfracties niet nodig zijn voor de productie van industriezand, worden deze via een loospijp weggeleid naar het aparte onderwaterdepot. Daar wordt het zand geladen door hoppers (zelfzuigende beunschepen) en afgevoerd naar de klant.

Om het zand te kunnen winnen moet het zand kunnen toestromen naar een dieper punt, dat wordt gerealiseerd door het lokaal diep insteken van de zuigbuis waarbij het zand gecontroleerd wordt gebrest.

In principe worden enkele tussenbermen aangelegd waardoor het mogelijke bressen niet over een grotere diepte dan 20 m zal plaatsvinden. Naast het verkrijgen van een stabiel onderwatertalud heeft dit ook een effectbeperkende werking door het risico op vertroebeling tijdens de winning te beperken. Uit onderzoek naar de bodemstabiliteit (Deltares 2008 en Wiertsema 2013) is namelijk gebleken dat kan worden gegraven onder een talud van 1:3 als regelmatig een tussenberm (onderwaterbanket) aanwezig is (zie onderstaande figuur).

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0009.jpg"

Het bressen wordt op gang gehouden door het wegzuigen van het toestromende zand. Door de keuze van de plaats en diepte van insteken en het beheersen van de verticale en horizontale insteeksnelheid c.q. de positie van de winzuiger ten opzichte van het talud, kan dit bresproces bij homogeen, vastgepakt zand, goed beheerst worden.

5.5 Verwerkingstechnieken

De verwerking tot hoogwaardige industriezanden vindt plaats in een ZVI op het eiland.

Bij de veredeling wordt het zand gescheiden in 4 korrelfracties. Elke fractie wordt afzonderlijk gebunkerd in een opslagloods (elk 30 bij 100 en 15 m hoog). Het gebruik van loodsen voor de zanddepots is van belang nu de afnemers in toenemende mate bouwgrondstoffen met een laag en constant vochtgehalte wensen, waardoor in hun betonfabrieken duurzamer gewerkt kan worden. Tevens voorkomen de loodsen dat het zand gaat stuiven.

Vanuit deze loodsen worden de fracties per transportband in een continu proces doorgevoerd naar het beladingsgebouw waarbij de fracties volgens een met de afnemer afgestemd productrecept gemengd worden en in het schip geladen met een met de klant overeengekomen vochtpercentage. Binnenvaartschepen kunnen aan de voor hen ontwikkelde kade op het eiland, direct aanleggen. Vanuit de haven in het eiland vertrekken de schepen in meerdere richtingen, voornamelijk via de nabijgelegen Vaargeul Amsterdam-Lemmer (VAL).

Op het werkeiland vindt ook nog bebouwing plaats in de vorm van een werkplaats voor machines en materieel en personeelsverblijven. Om de effecten van verlichting van het werkeiland te beperken (met name voor vogels tijdens de vogeltrek), wordt door de initiatiefnemer uitgegaan van de toepassing van milieuvriendelijk 'groen licht'. De lichtmasthoogte blijft beperkt tot maximaal 5 meter, zodat de armaturen (lichtbronnen) niet hoger zullen reiken dan tot 6,80 m +NAP.

5.6 Bebouwing

De bebouwing die op het eiland zal worden gerealiseerd, bestaat uit:

  • Een zandveredelingsinstallatie (ZVI): l x b x h = 100 x 20 x 22 m.
  • Een (of enkele) gebouw(en) met logiesruimte (15 verblijfseenheden)- en kantoor- en werkruimten met additionele accommodaties voor recreatie en EHBO: ca. 300 m2. hoogte 9 m.
  • 4 opslagloodsen: elk l x b x h = 100 x 30 x 15 m.
  • Bewerkingsloods: l x b x h = 30 x 20 x 15 m.
  • Enkele ondergeschikte hulpgebouwtjes (traforuimten, schakelkasten, schuilgelegenheden, observatiehut, uitkijkpunt, etc.).

5.7 Leidingtracé & schakelstation

Het eiland wordt van stroom voorzien, hetzij via een op het eiland aanwezig aggregaat, hetzij via een leiding vanaf de vaste wal met een vermogen van 10 MVA. In het laatste geval wordt daartoe aan de Friese kust, nabij Oudemirdum, een schakelstation (trafohuisje) gerealiseerd.

De initiatiefnemer gaat op het eiland 4-6 MVA gebruiken en indien de zuiger ook wordt geëlektrificeerd, komt daar nog 2 MVA bij. Dit betekent dat een 10 MVA-leiding noodzakelijk is. Overigens gaat initiatiefnemer er vanuit dat in eerste instantie (tijdens de aanvangsperiode) een dieselzuiger zal worden ingezet. Tevens wordt een glasvezelkabel bijgevoegd.

De aanlegwijze van de kabel is nog niet bekend. Uitgangspunt is dat ter plaatse van de dijk en de aanwezige brede natuurvooroevers een gestuurde boring zal worden toegepast. Het schakelstation (middenspanningsruimte) komt binnendijks nabij het Oudemirdumer klif.

Tezamen met de elektriciteitskabel zal een glasvezelkabel ten behoeve van benodigd dataverkeer worden aangelegd.

Het beheer van beide leidingen valt onder verantwoordelijkheid van de lokale netwerkproviders

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0010.jpg"

Leiningtracé en locatie schakelstation

Hoofdstuk 6 Ontwerpuitgangspunten

6.1 Technische eisen

Het ontwerp van het eiland moet in eerste instantie ruimte bieden aan de, voor de verwerking benodigde gebouwen, installaties en terreinen, zoals beschreven in hoofdstuk 5.

Aan de zuidwestzijde van het eiland wordt een tweetal kribben gebouwd, die dienst doen als ijsbrekers voor eventueel kruiend ijs. De belading van schepen geschiedt in een in het eiland ingesneden haven waarvan de invaart is gelegen aan de gunstige, want luwe noordoostzijde.

6.2 Ruimtelijke inpassing

De gemeente De Friese Meren heeft aangegeven planologische medewerking te verlenen aan het initiatief van Smals, mits de ruimtelijke inpassing van het eiland voldoet aan een aantal door haar geformuleerde randvoorwaarden.

Het gaat daarbij om de volgende punten:

  • Bebouwingshoogte blijft beperkt tot 15 en 22 meter (voor loodsen, resp. installaties).
  • Ruimtelijke inpassing vindt plaats met behulp van dijkstructuren (“eigen” aan het IJsselmeergebied).
  • In principe vindt geen aanplant van bos en kleine landschapselementen plaats.
  • De zandwinactiviteiten hoeven niet volledig aan het zicht te worden onttrokken.

Naast deze gemeentelijke uitgangspunten hebben de volgende overwegingen een beslissende rol gespeeld bij de keuze voor het concept:

Het eilandontwerp kan niet zonder meer worden beschouwd als regulier landschapsontwerp, waarbij het eindbeeld vooraf is bepaald en dat na realisatie duurzaam wordt vastgelegd. Het IJsselmeer en dus ook de locatie voor het eiland vormt een extreem milieu, waar wind, golfoploop en periodiek ijsgang van grote invloed zijn. Het eiland dient bestand te zijn tegen deze (over)heersende milieu-invloeden en zal dus een robuust en duurzaam karakter moeten krijgen. Een eiland, waarvan de vorm een zekere flexibiliteit vertoont. Een eiland dat een dynamisch geheel vormt met haar omgeving en kan “meebuigen” in het krachtenspel van de elementen.

Het spreekt vanzelf dat het industrieel complex met de veredelingsinstallatie, de zanddepots, de haven en bijbehorende verladingsinstallaties een vast gegeven vormen. De kernzone van het eiland dient natuurlijk volledig “onder controle” te worden gehouden.

De ontwerpopgave spitst zich daarom toe op de ontwikkeling van een mantel rond deze harde kernzone. Een mantel, die een dynamisch evenwicht aangaat met de omgeving en zo een voor dit milieu vanzelfsprekende ruimtelijke inpassing verzorgt. Met deze aanpak worden tal van ecologische processen mogelijk, zoals erosie en sedimentatie van substraat, vervolgens de kolonisatie door allerlei levensvormen en bijbehorende successiestadia. Bovendien vormt de mantel een goede fysieke bescherming voor de kernzone.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0011.jpg"

6.3 Strategie

De te volgen aanpak kan in enkele stappen worden toegelicht:

  • Stap 1 spuit een zandplaat op met een hoogte van 1,50 m. boven het IJsselmeerpeil.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0012.jpg"

  • Stap 2 realiseer een waterkering met een hoogte van 5,00 m t.o.v. de zandplaat, waarbinnen het industrieel complex kan worden aangelegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0013.jpg"

  • Stap 3 breng op het buitenkaadse voorland geleidelijk een 'zandkraag' aan m.b.v. 'waste' (niet vermarktbaar spoelzand). Door de suppletie van zand te concentreren aan de loefzijden, wordt successieve afzetting en wellicht duinvorming aan lijzijde bevorderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0014.jpg"

  • Stap 4 zonodig vindt ontwikkeling van een vegetatiedek (struweel) plaats waarmee verstuiving naar de kernzone wordt voorkomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0015.jpg"

  • Stappen 5, 6 laat vervolgens de elementen een 'dynamisch evenwicht' zoeken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0016.jpg"

De beschreven strategie sluit aan bij de principes van 'Building with nature'; een ontwikkelingsmethode, waarbij ingespeeld wordt op het krachtenspel van de natuur en de elementen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0017.jpg"

Hoofdstuk 7 Planbeschrijving

7.1 Concept

Het concept wordt gevormd door de (industriële) kern van het werkeiland te laten flankeren door een voorlandzone, die een natuurlijk gevormde zandkraag moet gaan vormen. De vorm van het eiland wordt daarbij mede bepaald door de oriëntatie op de windrichting. Het gesuppleerde zand zal zich met name naar de lijzijde van het eiland verplaatsen en daar (wellicht) kunnen leiden tot lichte duinvorming.

Een strak vormgegeven kade met een cultuurtechnisch karakter staat in sterk contrast met de natuurlijk gevormde zandkraag. De kade scheidt het natuurlijk milieu van de industriële kernzone.

Een aantal strekdammen in het verlengde van de kade beschermt het eiland tegen de aanhoudende golfwerking en periodieke ijsgang vanuit het zuidwesten.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0018.jpg"

7.2 Hoofdstructuur

De hoofdstructuur van het eiland bestaat uit een drietal elementen.

  • Het skelet van het eiland wordt gevormd door een haakvormig en een gebogen element; dit is het harde fundament bestaande uit stortsteen, of basaltblokken. Het gaat hierbij om de strekdammen en de met stortsteen gewapende voet van de kade.
  • Daarbinnen ligt de met grasvegetatie bedekte kade, die de industriële kernzone omsluit. De kade vormt als het ware een beschermende huid.
  • Het organisch gevormde en met de elementen meebewegende voorland biedt een tweede beschermende laag. Dit plandeel is bepalend voor de uiterlijke expressie van het eiland en vormt als het ware de vacht.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0019.jpg"

7.3 Werking

Om de natuurlijke processen werkelijk te laten functioneren, zoals beoogd, zal het accent bij de zandsuppleties moeten liggen op de loefzijden van de voorlandzone. Dit kan in de aanvangsjaren geschieden door het benutten van vrijkomende restzanden tijdens het veredelingsproces in de installatie. Deze restzanden worden “waste” genoemd. Door toepassing van juist deze fijnkorrelige zanden, waar de wind maximaal vat op krijgt, zal gemakkelijk verstuiving optreden.

Door deze verstuiving vindt aan de lijzijden afzetting plaats in de vorm van welvende dekzandlagen en kan wellicht zelfs duinvorming optreden.

De plaatsen waar de “waste”-suppleties in eerste instantie op worden gericht, de zgn. zandmotoren fungeren als katalysator in het natuurlijke proces van erosie en sedimentatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0020.jpg"

7.4 Ruimtelijk plan

Bijgaande afbeelding van het uiteindelijke ontwerp toont een fotorealistische impressie van het werkeiland, zoals dat er uiteindelijk uit komt te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0021.jpg"

Hoewel het eindbeeld voor het eiland niet exact kan worden vastgelegd, biedt bijgaande impressie een goed beeld van het te verwachten ruimtelijk resultaat. De harde kern van het eiland, het installatieterrein vormt een onaantastbaar plandeel, waar het natuurlijk krachtenspel geen invloed op heeft. Een robuuste kade, in de IJsselmeerbodem verankerd met strekdammen die zich als tentakels uitstrekken naar de omgeving, garandeert een duurzaam behoud van het productiegebied.

Daarbuiten ontwikkelt zich een dekzandlandschap met mogelijkheden voor duinvorming en een boeiend onderwatermilieu met ondiepten, periodiek overspoelde platen en tal van ecologisch interessante gradiënten. De uiteindelijke contouren van het eiland worden bepaald door wind, water en de hoeveelheid suppletiezand die wordt ingezet.

Er is slechts een uitzondering in dit natuurlijk milieu, waar wel menselijke controle wordt uitgeoefend. Achter een korte strekdam ligt aan de oostzijde een voor de recreatievaart geschikte aanlegplaats; goed beschermd tegen golfslag en verzanding, en gunstig op de (heersende) wind gelegen, om te kunnen "landen". In combinatie met deze aanlegplaats kan op het nabijgelegen duin een aantrekkelijk uitzichtpunt worden gerealiseerd. Overnachten wordt niet toegestaan. Beheer en handhaving vallen onder verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer.

Ruimtelijke inpassing van het werkeiland, in combinatie met ecologische ontwikkelingen, zowel in droog als nat milieu, en mogelijkheden voor beperkt recreatief medegebruik verlenen het eiland een meervoudige waarde. De hoofdfunctie van het eiland wordt niet ontkend; de installaties blijven deels zichtbaar, maar worden verzacht door een, voor deze omgeving vanzelfsprekend en natuurlijk landschapsbeeld op de voorgrond.

Uiteraard worden de gebouwen en installaties volgens een zorgvuldig samengesteld beeldkwaliteitplan vormgegeven.

De vier grote loodsen; de zanddepots, worden bij voorkeur afgedekt met een kapvorm, waaruit het constante verweer tegen de heersende wind spreekt. De monumentale kappen vormen als het ware lamellen, die qua vorm nauw aansluiten bij het natuurlijk reliëf van het duinlandschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0022.jpg"

Lamelvormige kappen sluiten aan bij de welving van het duinlandschap

7.5 Realisatie

Planning

Na positieve afronding van de procedures rond bestemmingsplan en vergunningverlening kan worden gestart met de voorbereidende werkzaamheden.

Winperiode

Afhankelijk van de marktsituatie en de daarmee verband houdende maatschappelijke behoefte aan industriezanden, wordt gerekend op een totale winperiode van minimaal 30 jaar.

Inpassingsmaatregelen

Maatschappelijk (en dus ook politiek) draagvlak is behalve van het eindbeeld, vooral ook afhankelijk van het tempo waarin de opbouw van de zandkraag rond het eiland zich kan voltrekken. Een belangrijke wens van de overheid (i.c. provincie Fryslân) is, dat het eindbeeld (de landschappelijke inpassing) na maximaal 5 jaar na realisatie van de gebouwen en aanvang van de industriezandproductie, moet kunnen zijn gerealiseerd.

Er zijn twee factoren, die het realisatietempo van het eindbeeld beïnvloeden:

  • De beschikbaarheid van voldoende waste-zanden (kwantitatief aspect).
  • De natuurlijke dynamiek voor een natuurlijke sedimentatie (kwalitatief aspect).

Kwantitatief aspect

Uitgangspunt is de inzet van de bij de productie vrijkomende waste in de aanvangsjaren.

De groeisituatie is, indien de afzetplanning daadwerkelijk wordt gehaald, als volgt:

Jaar   Jaarlijks   Cumulatief  
1   42.000 m3   42.000 m3  
2   53.000 m3                         95.000 m3  
3   74.000 m3   169.000 m3  
4   84.000 m3   253.000 m3  
5   84.000 m3   337.000 m3  

Na 5 jaar is ca. 337.000 m3 'waste' beschikbaar.

In het ontwerp is er vanuit gegaan dat de voorlandzone minimaal 40 m breed is. Met een lengte van ca. 600 m. bedraagt de totale oppervlakte van de voorlandzone dus ca. 24.000 m2. Om het voorland over de volle oppervlakte (theoretisch, want zonder taluds) met 10 m. op te hogen is dus 240.000 m3 zand nodig. Het overzicht geeft aan dat die hoeveelheid in ca. 4 jaar beschikbaar is.

Overigens vergt een hoogte van 10 meter zandduin (in landschappelijk opzicht het maximaal aanvaardbare) een basisbreedte van tenminste 80 meter (taludhelling maximaal 1:4). Door de aanwezigheid van de kade, die een ondersteunende functie heeft, zal dat hier zijn beperkt tot ca. 60 m. Dit houdt in dat daar, waar de hoogte van 10 meter wordt behaald of incidenteel zelfs wordt overschreden, de breedte van de voorlandzone extra maat dient te krijgen. Dit geschiedt door plaatselijke uitbouw van de voorlandzone in het water, waar een wetland-achtige situatie de overgang tussen voorland en dieper water gaat vormen. Uiteraard vergt ook dit een zekere hoeveelheid zand. Daarentegen wordt zeker niet de gehele voorlandzone opgehoogd tot 10 meter hoogte en is sprake van flauwe taluds.

Hiermee kan in kwantitatief opzicht worden zekergesteld dat de hoeveelheid 'bouwmateriaal' ruim voldoende is om al snel tot (visueel) resultaat te komen. Na deze eerste jaren kan de focus worden gericht op de dynamische ontwikkeling, die de beoogde landschapsecologische kwaliteiten moet opleveren.

Kwalitatief aspect

De dynamische ontwikkeling die de zandkraag haar uiteindelijke vorm moet geven, is afhankelijk van het optreden en de kracht van de elementen:

  • De heersende zuidwestenwind, die het onbeschutte eiland benadert vanaf een groot wateroppervlak (strijklengte v.a. IJmeer ca. 57km.).
    Mediane windkracht: 4 Beaufort (windsnelheden tot 8,4 m/s, golfhoogten tot 0,70 m.).
    Maximale windkracht: 10 Beaufort (windsnelheden tot 28,5 m/s, golfhoogten van meer dan 2,00 m.).
    Effecten:
    • 1. Verstuiving.
    • 2. Golfoploop.
    • 3. IJsgang (bij dooi onder normale omstandigheden).
  • Incidenteel is sprake van een noordwesterstorm (strijklengte v.a. Den Oever ca. 35 km.), met een maximale windkracht van 8 Beaufort (windsnelheden tot 21 m/s., golfhoogten tot 2,00 m).
    Effecten:
    • 1. Verstuiving.
    • 2. Golfoploop.
    • 3. IJsgang (uitzonderlijk; combinatie dooi en noordwestenwind).


Andere natuurkrachten die van invloed kunnen zijn op de verplaatsing van zand:

  • Stroming;
    Stroming van enige orde komt niet voor in het IJsselmeer. Bij normale condities, tot ca. windkracht 5 Bft., bedraagt de stroomsnelheid aan het oppervlak maximaal 0,20 m/sec. Dit leidt niet tot verplaatsing van zand.
  • Opwaaiing/opstuwing;
    Scheefstand van het IJsselmeerpeil kan leiden tot peilverschillen in de ordegrootte van maximaal 1 meter. De beperkte waterdiepte van ca. 4 m. zal daarbij een retourstroom langs de bodem tot gevolg hebben. Dit leidt echter niet tot verplaatsing van zand. De periodieke inundatie van de voorlandzone heeft daarentegen een negatief, want reliëf-nivellerend effect op de eerder boven water afgezette zanden.

De gegeven jaarrond-dynamiek (geldt vooral het windpatroon) zal het gedeponeerde waste-zand in de loop der jaren op natuurlijke wijze vervormen (strand- en duinvorming). Het feit dat de toplagen van het zand ruim boven het grondwaterpeil liggen, zorgt er voor dat de omstandigheden voor verstuiving / uitstuiving gunstig zijn. Dit erosieproces kan zich voortzetten tot op de diepere, vochtige zandlagen. Vervolgens kan, na droging, ook dit zand wellicht weer worden opgenomen.

Zand dat via verstuiving in het water terechtkomt zal leiden tot een natuurlijke overgang van de opgespoten zandplaat naar de IJsselmeerbodem. Natuurlijke onderwatertaluds, ondiepten en zandbanken bepalen de karakteristiek van de land-waterovergang. Zand dat zich “in den droge” verplaatst en zich dus op het voorland afzet, leidt tot een natuurlijk gevormd, glooiend zanddek.

Door de waste deels te spreiden zoals eerder omschreven (als basis voor vervorming) en deels ook op strategisch gelegen, bovenwindse plaatsen (“zandmotoren”) te deponeren, zal het eindbeeld zowel efficiënt als ook op natuurlijke wijze tot stand kunnen komen. Door de waste bovendien te selecteren op de kleinere fracties kan een eventueel gebrek aan natuurlijke dynamiek nog worden gecompenseerd door het gebruik van voor verstuiving gevoelige zanden.

Struweelvorming wordt bij voorkeur zoveel mogelijk overgelaten aan het natuurlijke proces van successie. Indien struweelvorming te lang uitblijft, of verstuiving van zand de productie, of het in depot staand product negatief beïnvloedt, zullen waar nodig op strategische plaatsen streekeigen struweelsoorten (veldesdoorn, veldiep, meidoorn, etc.) worden aangeplant. Zo nodig zal daarvoor bodemverbetering (leemhoudend, of lemig zand) worden toegepast.

Daar waar geen struweelvorming gewenst is (o.m. op de hogere toppen) zal de vegetatie worden kort gehouden d.m.v. begrazingsbeheer. Hiervoor zullen zo nodig t.z.t. voorzieningen worden aangebracht (veerasters, schuilgelegenheid, etc.) door initiatiefnemer die de verantwoordelijkheid voor het beheer draagt.

7.6 Monitoring

Aandachtspunt bij deze minder conventionele aanpak is de onzekerheidsfactor. De natuurkrachten zijn nu eenmaal grillig en veel ervaring met de beoogde procesgang is er niet. Het eindbeeld is weliswaar niet in beton gegoten, maar er is wel duidelijk sprake van een doelstelling. De industriële kernzone behoeft niet volledig afgeschermd te worden, maar het zandlandschap voor de kade dient het beeld wel degelijk te verzachten.

Met behulp van een monitoringsprogramma wordt dan ook zicht gehouden op de ontwikkelingen die, indien nodig, zullen worden bijgestuurd door menselijk ingrijpen. Sturingsmiddelen zijn daarbij:

  • Bij de zandveredeling zal jaarlijks ook een hoeveelheid schelpen worden afgezeefd. Daarmee kan op zorgvuldig te kiezen locaties een schelpenbank worden ontwikkeld.
  • Aanplant van struweel; door de (versnelde) aanplant van struweelsoorten kan het zand worden vastgelegd, waarmee verdere verstuiving, of verstuiving naar de kernzone wordt voorkomen.
  • Bodemverbetering; door plaatselijk bodemverbetering toe te passen met bijv. leemhoudend zand, wordt de ontwikkeling van een vegetatiedek, struweelgordels, etc. bevorderd.
  • Begrazingsbeheer; met behulp van begrazing (schapen) kan worden bijgestuurd in het volume en de bedekkingsgraad van de vegetatie, waarmee verdergaande ontwikkeling van struweelzones, of zelfs de ontwikkeling van bos kan worden tegengegaan.
  • Grondverzet; indien de vorming van glooiende dekzanden en lichte duinvorming niet tot stand komt, rest uiteindelijk nog de mogelijkheid om dit via actief grondverzet te realiseren (heeft uiteraard niet de voorkeur).
  • Selectieve inzet van waste; door verdere veredeling kunnen vooral de allerfijnste zandfracties worden ingezet, fracties die het meest gevoelig zijn voor verstuiving.

7.7 Eindsituatie na winperiode

Na beëindiging van de winperiode, en na ontmanteling van de installaties, depots en overige accommodaties, resteert een verlaten eiland te midden van een weidse watervlakte. Conform het huidige beleid en gemaakte afspraken zal het eiland volledig worden geamoveerd, waarna het IJsselmeerwater haar oude positie weer inneemt.


Tijdens de winperiode echter zal zich buitendijks, in de voorlandzone, een zeker vegetatiepatroon hebben ontwikkeld. Aangenomen mag worden, dat na afronding van de winactiviteiten, vanuit deze "broedplaatsen" ook de overige delen van het eiland, inclusief aangrenzende ondiepten in hoog tempo zullen worden gekoloniseerd door de natuur.

Behalve voor natuurontwikkeling kan het eiland ook (mede) een recreatieve functie krijgen; de voormalige haven kan bijvoorbeeld als vluchthaven worden ingericht voor de watersport. Ook kan worden gedacht aan de realisering van, voor dit milieu specifieke verblijfsrecreatieve voorzieningen.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0023.jpg"

Mocht echter besloten worden het eiland te verwijderen ten gunste van de oorspronkelijke weidsheid van het IJsselmeer, dan kan het (immers uit zand opgebouwde) eiland worden afgegraven en alsnog worden vermarkt. De onbruikbare fracties kunnen daarbij in de winput worden teruggespoten.

Dit perspectief ligt echter zo ver voorbij de planhorizon van dit bestemmingsplan (10 jaar), dat daar in dit kader niet verder op kan worden ingegaan. Duidelijk is wel dat het gebied meerdere mogelijkheden biedt voor een positieve eindbestemming.

Hoofdstuk 8 Beeldkwaliteitplan

Initiatiefnemer Smals en de gemeente De Friese Meren hechten bij de ontwikkeling van het werkeiland aan een hoge ruimtelijke en beeldkwaliteit. Daartoe is een beeldkwaliteitplan opgesteld, waarin de eisen ten aanzien van architectuur, materiaaluitdrukking en kleurstelling van de gebouwen en installaties zijn vastgelegd (Beeldkwaliteitplan werkeiland IJsselmeer, JanBruyn landschapsarchitectuur, oktober 2013). Het beeldkwaliteitplan is als bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd (zie bijlage 1).


De ruimtelijke verschijning van het werkeiland wordt van groot belang geacht, mede gelet op de specifieke kwaliteiten van het IJsselmeer. De ruimtelijke kwaliteit van de landschappelijke inpassing van het industriële complex is reeds vervat in het ruimtelijk ontwerp, dat ten grondslag ligt aan dit bestemmingsplan.


Daarnaast is ook de opbouw en expressie van het industriële complex zelf bepalend voor het eindbeeld. Het beeldkwaliteitplan geeft richtlijnen voor de verdere uitwerking van gebouwen, installaties en overige voorzieningen binnen de kernzone van het eiland.

De hierin opgenomen beeldkwaliteiteisen vormen de beoordelingscriteria, die bij de vergunningverlening, en daaraan voorafgaande welstands-beoordeling zullen worden gehanteerd. Gemeente De Friese Meren beschouwt een positief welstandsoordeel immers als vereiste om de benodigde Omgevingsvergunning(en) te kunnen verlenen.


Het beeldkwaliteitplan doorloopt tegelijk, en in samenhang met dit bestemmingsplan, de inspraakprocedure, waarna beide plannen gezamenlijk worden vastgesteld. Bovendien wordt het beeldkwaliteitplan door middel van een aanvulling op de gemeentelijke Welstandnota tot een integraal onderdeel van het geldende welstandsbeleid.

Hoofdstuk 9 Waterparagraaf

9.1 Inleiding

De waterparagraaf is een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan of besluit en beschrijft de gevolgen van een planinitiatief op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. De waterparagraaf is de plek waar, naast een beschrijving van de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of besluit, het wateradvies en de gemaakte afwegingen expliciet en toetsbaar een plaats krijgen.

Aanleiding en doel onderzoek


De ontwikkeling van een grootschalige zandwinning in het IJsselmeer, waaraan de realisatie van een werkeiland is verbonden, vormt de aanleiding voor dit bestemmingsplan en de hierin opgenomen waterparagraaf. De conclusies in deze paragraaf zijn mede gebaseerd op de diverse onderzoeken die gedaan zijn in het kader van de MER, die als bijlage aan dit bestemmingplan is gekoppeld.


Sinds 1 november 2003 is het wettelijk geregeld dat in alle ruimtelijke plannen een watertoets dient te worden uitgevoerd. Het doel van de watertoets is in een vroeg stadium waterhuishoudkundige doelstellingen zichtbaar te maken en evenwichtig mee te nemen bij ruimtelijke plannen.


De waterbeheerders worden actief betrokken bij de planvorming. Bij een bestemmingsplan betekent dit, dat een 'waterparagraaf' in het plan wordt opgenomen. In de waterparagraaf wordt met name ingegaan op de gevolgen van een plan voor de waterhuishouding en de beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om het gewenste watersysteem te creëren.


Proces watertoets


De watertoets is een proces dat verloopt via een aantal stappen. Uiteindelijk leidt de watertoets tot de waterparagraaf, die nu integraal deel uitmaakt van het bestemmingsplan.


Het waterbeheer in het plangebied vindt plaats onder verantwoordelijkheid van Rijkswaterstaat. Al in een vroeg stadium is de beheerder betrokken bij de planvorming. Tijdens het ontwerp- en planproces heeft diverse malen overleg plaatsgevonden tussen initiatiefnemer en Rijkswaterstaat. Tenslotte is deze paragraaf in concept nog voorgelegd aan laatstgenoemde.

9.2 Beleid

Europese Kaderrichtlijn Water (2000)


In 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) in werking getreden. De KRW gaat uit van een stroomgebiedbenadering waarbij voor Nederland de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems van belang zijn. Het doel van de KRW is dat al het water in de Europese Unie in 2015 in 'goede chemische toestand" en een 'goede ecologische toestand' moet verkeren. Het vaststellen van de doelen, de actuele toestand, een afweging van de te nemen maatregelen en de mate van doelbereik worden voorbereid door de waterschappen in samenspraak met de overige waterbeheerders. De afweging wordt integraal op rijksniveau gemaakt. De te treffen maatregelen worden opgenomen in de stroomgebiedsplannen.


Nationaal Bestuursakkoord Water Actueel (2008)


Deze nota beschrijft de hoofdlijnen van het rijksbeleid voor de waterhuishouding. Het NBW is doorgevoerd in de provinciale en regionale beleidsplannen. Hoofddoelstelling van het beleid is 'het hebben en houden van een veilig en bewoonbaar land en het in standhouden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd'. Tevens is bekrachtigd dat het watertoetsproces wordt doorlopen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Dit proces is vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003).


De basisprincipes van bovengenoemd beleid zijn: meer ruimte voor water en het voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd. Dit is in 2000 door de Commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) geconcludeerd in de twee drietrapsstrategieën voor: Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren) en Waterkwaliteit (schoonhouden, schoon en vuil scheiden, zuiveren).


Waterwet (2009)


De Waterwet regelt de verantwoordelijkheden ten aanzien van hemelwater, oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. In december 2009 is de Waterwet van kracht geworden. Deze bestaat uit een samentrekking van diverse wetten die zich richtten op de verschillende aspecten (kwantitatief en kwalitatief) van de waterhuishouding in ons land. Alle wateraspecten waarvoor een vergunning nodig is kunnen zo in één watervergunning worden meegenomen.


De Waterwet stelt waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat om wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water, bijvoorbeeld scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Op basis van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water.


Nationaal waterplan, beleidsnota IJsselmeergebied en Water in Beeld Ministerie V&W, 2009]


In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2010 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer.


Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen. Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.


De beleidsnota IJsselmeergebied vormt een nadere uitwerking van de keuzes die in de hoofdtekst staan van het Nationaal Waterplan. In het IJsselmeer ligt het accent op veiligheid en zoetwatervoorziening. Natuurbehoud en -ontwikkeling blijven van grote betekenis, maar kunnen verschuivingen hebben ondergaan door een veranderde hydrologische dynamiek. Er wordt gestreefd naar robuuste (aquatisch-) ecologische verbindingen met de Waddenzee, het Markermeer en de binnendijkse natte natuurgebieden.


Het kabinet maakt in het IJsselmeergebied ruimte voor nieuwe klein- en grootschalige buitendijkse ontwikkelingen. Buitendijkse ontwikkelingen moeten een toegevoegde waarde hebben voor de bestaande kernkwaliteiten en karakteristieken van het bestaande (water)landschap. Verrommeling moet worden voorkomen door bijvoorbeeld de bestaande zichtlijnen niet te doorbreken. Naast esthetische voorwaarden is het belangrijk bij de buitendijkse ontwikkelingen te streven naar versterking van ecologie en veiligheid.


Per gemeente is het maximum aantal hectares (5 ha) ontwikkelruimte vastgesteld. Waar normaal gesproken het verlies aan waterbergingscapaciteit moet worden gecompenseerd, kan dat in dit geval achterwege blijven. De voorwaarden voor ruimtelijke ontwikkelingen in het IJsselmeergebied hebben de status van structuurvisie. Dit beleid is verder vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte en het Barro, eerste wijziging (beschreven in paragraaf 3.2). Aan de toenmalige gemeente Gaasterlân-Sleat (nu De Friese Meren) is in de eerste wijziging van het Barro, behoudens de hiervoor genoemde 5 ha, specifiek ruimte geboden voor de aanleg van een tijdelijk werkeiland voor winning van beton- en metselzand met een oppervlakte van 7 ha. Buitendijkse natuurontwikkeling kan in principe in het gehele gebied plaatsvinden, maar met nadruk op ontwikkeling in het Markermeer-IJmeer.


Deltaprogramma


Het Deltaprogramma moet Nederland beschermen tegen hoogwater en leiden tot voldoende zoetwater. Voor het IJsselmeergebied ligt het accent op twee nationale opgaven: waterveiligheid en zoetwatervoorziening.


In 2014 heeft het kabinet de besluitvorming over de deltabeslissing afgerond en vastgelegd via de Tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan. Belangrijk uitgangspunt is dat het gemiddelde winterpeil in het IJsselmeer tot 2050 gelijk blijft. Het water wordt met een combinatie van spuien en pompen naar de Waddenzee afgevoerd. Als de zeespiegel en het weer het toelaten, vindt afvoer plaats via spuien. Als spuien niet kan, is met inzet van pompen toch een voldoende afvoer te waarborgen; hiertoe wordt de pompcapaciteit aan de Afsluitdijk verder opgevoerd. Dit is goedkoper dan het waterpeil geleidelijk mee te laten stijgen met de zeespiegel. Voor de periode na 2050 blijft de optie open om het winterpeil beperkt mee te laten stijgen met de zeespiegel (maximaal 10-30 cm), maar alleen als dat noodzakelijk en kosteneffectief is.


De voorkeursstrategie voor een lange termijnpeilbeheer in het IJsselmeer richt zich op het hanteren van een flexibel peilbeheer. Daarmee kan de waterbeheerder beter inspelen op de verwachte weersomstandigheden en een grotere zoetwatervoorraad in de zomer creëren. Met flexibel peilbeheer is het mogelijk de zoetwaterbuffer in het IJsselmeergebied stapsgewijs te vergroten. Met de eerste stap van flexibel peilbeheer neemt de voorraad in het zomerseizoen toe met 20 cm in het IJsselmeer, Markermeer en de Zuidelijke Randmeren. Als de vraag naar zoetwater toeneemt, is de buffer verder te vergroten tot een waterschijf van 40-50 cm. Om flexibel peilbeheer mogelijk te maken, krijgen de oevergebieden een flexibele inrichting.


Beheerplan voor de Rijkswateren 2010-2015 (Ministerie van Verkeer & Waterstaat, 2009)


De Wet op de Waterhuishouding schrijft voor dat elke vier jaar het BPRW wordt herzien. Bij dit bestemmingsplan is rekening gehouden met het BPRW 2010-2015. De BPRW maakt de vertaalslag van beleid naar uitvoering.


De Nederlandse implementatie van de voorschriften en doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn Prioritaire Stoffen vindt in principe plaats in het Besluit Kwaliteitseisen en MonitoringWater (Bkmw) dan wel in een vergelijkbare wettelijke regeling. In de water(beheer)plannen worden de doelstellingen specifiek uitgewerkt naar waterlichamen en wordt aangegeven hoe hierop voor nieuwe activiteiten wordt getoetst. Voor de rijkswateren vindt deze uitwerking plaats in het toetsingskader waterkwaliteit, dat als bijlage is opgenomen bij het BPRW.

9.3 Huidige situatie waterhuishouding

Plangebied


Het plangebied beslaat in de huidige situatie een deel van het IJsselmeer. Het betreft een weids wateroppervlak met een omvang van ca. 250 ha., gelegen op ca. 5 kilometer uit de kust van Gaasterland en op ca. 7 kilometer uit de kust van de Noordoostpolder.


Oppervlaktewater


Het IJsselmeer, zoor zover gelegen binnen de plangrenzen, heeft een gemiddelde diepte van ca. 4,50 meter met een tamelijk vlakke bodem. Het waterpeil fluctueert tussen NAP- 0,20 (zomerpeil) en NAP - 0,40 (winterpeil). De minimale diepte in het gebied is NAP - 4,41 en maximaal NAP - 4,84. De gemiddelde (mediane) diepte ligt op NAP - 4,72 (metingen Geofox-Lexmond, 2010).


De waterkwaliteit in het IJsselmeer is overwegend goed. Een enkele keer worden de normen voor fosfaat, chloride, stikstof en zuurgraad lokaal overschreden. De oorzaak hiervan ligt meestal niet in het gebied zelf, maar in de aanvoerende rivieren. Het zoutgehalte (gehalte chloride) varieert binnen het IJsselmeer (bron: Rijkswaterstaat, Waterbase). Uit langjarige analyses blijkt dat het zoutgehalte fluctueert met de seizoenen, waarbij de hogere gehalten in het najaar en winter voorkomen (oktober-december) en de lagere gehalten in de zomer. Het gemiddelde gehalte bij Kampen ligt op ca. 150 mg/l met een standaardafwijking van 55 mg/l.


Grondwater


Door de sterke variatie in afzettingen is vanuit geohydrologisch oogpunt een gevarieerde opbouw ontstaan. In sommige delen van het IJsselmeergebied zijn drie watervoerende pakketten aanwezig, gescheiden door slechter doorlatende lagen. In andere delen ontbreken één of twee van de scheidende lagen, waardoor de watervoerende pakketten in elkaar overlopen. Uit de verschillende bronnen (Geologische en bodemkundige atlas van het IJsselmeer; Geohydrologische atlas IJsselmeergebied; Regis) blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen slecht doorlatende lagen in de bodem voorkomen. Zowel vanuit het perspectief van de zandwinning als vanuit de effectbepaling op hydrologie is dit gunstig.


Het grondwater in de deklaag en het eerste watervoerende pakket wordt sterk beïnvloed door de oppervlaktewaterpeilen ter plaatse. In het IJsselmeer is er een winterpeil van NAP -0,4 m en een zomerpeil van NAP -0,2 m. Op grotere diepte (vanaf ca. NAP -30 à -50 m) blijkt de waterspanning iets lager te liggen dan de hydrostatische drukverdeling. Dit houdt in dat er sprake is van een beperkte infiltratiesituatie.


Het diepere grondwater onder het IJsselmeer bevat nog verhoogde zoutgehalten als gevolg van de periode dat hier de Zuiderzee lag. In de Geohydrologische atlas IJsselmeergebied (RGD) zijn onder andere kaarten opgenomen van het zoutgehalte van de bodem tot ca. NAP -25 m en van de bodem tussen NAP -25 m en -50 m.


Waterbodem


Ten behoeve van dit initiatief is in het kader van de MER een onderzoek naar de waterbodemkwaliteit van het plangebied verricht. De resultaten van het onderzoek geven aan dat de te verwijderen waterbodem van de locatie op het IJsselmeer overwegend schoon is. Binnen één monstervak wordt de waterbodem als Klasse B getoetst (landbodem Klasse Wonen), waardoor de vrijkomende waterbodem niet zondermeer kan worden toegepast

9.4 Toekomstige situatie waterhuishouding

Zandwinput


De feitelijke zandwinning vindt plaats in een cirkelvormig gebied van 218 ha. (maaiveld-oppervlakte) met een maximale diepte van 60 m (64,7 m - NAP). Om de 20 meter wordt een tussenberm aangelegd met een breedte van 20 meter en met een maximale taludhelling van 1:3.


Bovendien wordt een onderwaterdepot gerealiseerd van 3 ha voor restzanden met een maximale diepte van 10 m (14,70 m - NAP) en een maximale inhoud van 200.000 m3.


Afgezien van verdieping van de waterbodem en de effecten daarop doen zich hier geen veranderingen voor van waterhuishoudkundige aard in kwantitatieve zin. De vergroting van de zoetwatervoorraad is positief, maar draagt niet noemenswaardig bij aan het totaal volume.


De ingrepen in de waterbodem hebben beperkt en veelal slechts lokaal effect. Het belangrijkste effect van de zandwinning is de mogelijke verhoging van de slib- en zandconcentratie in de waterkolom. Voor de overige aspecten (dijkveiligheid, kwel e.d.) zijn de effecten minimaal tot verwaarloosbaar. De effecten op het slib- en zandtransport beperken zich tot de situatie in en rondom de zandwinning. De ruimtelijke schaal van de effecten is beperkt.


Op basis van de ervaring in andere putten en de verhouding tussen oppervlakte en diepte zijn negatieve effecten als gevolg van stratificatie niet te verwachten.


Werkeiland


Om de gewonnen zandspecie te kunnen veredelen en klaar te maken voor transport wordt een werkeiland gerealiseerd van 7 ha. omsloten door een robuuste kade/waterkering. Het eiland wordt grotendeels opgebouwd uit zand, dat plaatselijk wordt gewonnen. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing zal zich een natuurzone in de vorm van een variabel voorland ontwikkelen. Het maaiveld van de industriële kernzone komt te liggen op een peil van 1,80 m + NAP.


Het binnen de kade gelegen bedrijfsgedeelte wordt deels bebouwd (ca. 14.800 m2) en deels verhard (ca. 11.000 m2). De overige terreindelen, zoals de groene kade blijven onverhard, evenals de natuurzone buiten deze waterkering.

afbeelding "i_NL.IMRO.1921.BPDFM14IJSINDSZAND-VO01_0024.jpg"
Oppervlaktewater komt niet voor op het eiland, met uitzondering van enkele bekkens (haven en onderwaterdepot) die in open verbinding staan met het IJsselmeer.


Op de droge delen van het eiland zal zich een grondwaterspiegel instellen, die sterk onder invloed staat van het IJsselmeerpeil (zomer 0.20 -NAP, winter 0.40 m. -NAP). Uitgaande van een beperkte capillaire stijging bedraagt de drooglegging daarmee gemiddeld zo'n 2.00 m. De sterke doorlaatbaarheid van de (zand)bodem garandeert een ongehinderde infiltratie van hemelwater. Het IJsselmeer heeft door een goede horizontale doorlaatbaarheid anderzijds een sterk drainerende werking op het grondwater, waardoor de afvoer naar het IJsselmeer gegarandeerd is. Binnen de kade blijft de infiltratie beperkt tot de onverharde oppervlakken.


Maatregelen en ruimtebeslag


Proceswater


Vertroebeling van het oppervlaktewater ten gevolge van de winactiviteiten, bijvoorbeeld door zettingsvloeiing, afschuiving en/of bresvloeiing, wordt voorkomen door de gekozen inrichting van de winput en het winproces (productie/verhaalsnelheid). Hiermee wordt het risico op vertroebeling door instabiliteit van de winput beheerst.


De kans op vertroebeling door lozing van water wordt beperkt door de toepassing van cyclonen en bassins voordat het water wordt geloosd.


Vertroebeling door aanleg van het eiland wordt beperkt door het eiland binnen een ring van stortsteen of geotubes aan te leggen. Wanneer het eiland hoger wordt, kan dit nog onvoldoende zijn. Indien nodig worden dan aanvullend baggerschermen gebruikt.


Eventuele onzekerheden ten aanzien van het gedrag van slibdeeltjes tijdens de zandwinning zullen in een nog op te stellen monitoringsprogramma worden afgedekt.


Hemelwater


Water afkomstig van daken zal rechtstreeks worden geloosd op het havenbekken. Door de materiaalkeuze bij de dakbedekking daarop af te stemmen (geen uitlogende metalen), worden negatieve milieueffecten uitgesloten.


Water afkomstig van verhardingen wordt afhankelijk van de locatie, hetzij rechtstreeks, hetzij na infiltratie via bodempassage geloosd op het havenbekken.


Drinkwater


Drinkwater wordt per schip aangevoerd en in de nabijheid van de logies- en verblijfsruimten opgeslagen in tanks.


Afvalwater


Voorzieningen voor het huishoudelijk afvalwater van het eiland zijn conform voorzieningen voor huizen die nog niet aangesloten zijn op het rioolstelsel. Zo zal een Individuele Behandeling Afvalwater (IBA) geplaatst worden, waarbij het afvalwater wordt gezuiverd in een septic tank. De gemiddelde bezetting ligt op maximaal 11 personen, die continu in ploegendienst aanwezig zijn op het eiland.


Chemische stoffen en brandstoffen


Grond- en oppervlaktewater zullen optimaal worden beschermd tegen verontreiniging door gebiedsvreemde stoffen. De op het eiland noodzakelijke brandstoffen en andere potentieel milieubelastende middelen worden veilig opgeslagen. Bij eventuele calamiteiten zal weglekkend materiaal onder controle blijven en niet in het milieu terecht kunnen komen.

9.5 Overleg; resultaten en afspraken

Inmiddels heeft intensief overleg plaatsgehad met o.m. Rijkswaterstaat over de aard en opzet van het initiatiefplan. Ook is meerder malen overleg gevoerd met LTO Noord over de kwaliteitbewaking van het grondwater in aangrenzende landbouwgebieden in de Noordoostpolder en Gaasterland. Behalve overleg op ambtelijk niveau heeft ook een informatieavond plaatsgehad met belanghebbende agrariërs en brancheondersteunende adviseurs.


Dit overleg heeft geleid tot afspraken over het plaatsen van een netwerk van peilbuizen en een monitoringsprogramma. Aan de hand van periodiek genomen watermonsters , wordt over een periode van 30 jaar het zoutgehalte in het grondwater gemeten.

Hoofdstuk 10 Borging

Het is van belang om de beoogde plankwaliteiten ook daadwerkelijk te realiseren. Daartoe worden in het bestemmingsplan, maar ook in de vergunningsvoorwaarden diverse garantiebepalingen opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de wijze waarop de borging via het bestemmingsplan en de Wet op de Ruimtelijke ordening wordt geregeld.

10.1 Ruimtelijke inpassing

Borging van de effectiviteit en kwaliteit van de ruimtelijke inpassing van het werkeiland wordt vastgelegd in de regels en richt zich op de volgende aspecten:

  • Een minimale oppervlakte van 24.000 m2 aan voorlandzone, met een permanent maaiveldpeil boven het IJsselmeerpeil (zomerpeil) moet zijn gerealiseerd binnen 5 jaar na aanvang industriezandwinning.

  • Een gemiddelde maaiveldhoogte van 3.00 . boven IJsselmeerpeil (zomer), die door duinvorming, of eventueel anderzins in de voorlandzone moet zijn bereikt binnen 5 jaar na aanvang industriezandwinning.

  • Aan de noordzijde van het eiland moet het maaiveld in de voorlandzone 5 jaar na aanvang industriezandwinning toppen vertonen met een peil van tenminste 8.00 meter boven IJsselmeerpeil (zomer).


Overigens zullen deze voorwaarden ook worden gesteld aan de landschappelijke afwerking van het eiland in de Ontgrondingsvergunning.


Initiatiefnemer zal een strikt monitoringsprogramma volgen, om voldoende controle te houden op de ontwikkeling van de landschapszone. Bij ontoereikende natuurlijke dynamiek is een pakket sturingsmiddelen beschikbaar, waarmee alsnog het beoogde resultaat kan worden bereikt (zie paragraaf 7.6).

Bovengenoemde criteria vormen de eindtermen waaraan het landschapsvormende proces tenminste zal moeten voldoen. Monitoring van dit proces gebeurt met deze waarden als ten doel gesteld ijkpunt. Daarnaast (en vervolgens) richt de monitoring zich op het duurzaam in stand blijven van de geomorfologie en op de vegetatiekundige ontwikkelingen. Hierbij is het van belang de juiste balans te behouden tussen de dynamiek van het zandlandschap en de fixerende werking door de vegetatie.

10.2 Beeldkwaliteit

Borging van de beoogde beeldkwaliteit van gebouwen en installaties vindt plaats door implementering van de geformuleerde beeldkwaliteiteisen in het gemeentelijk welstandsbeleid. De gemeentelijke Welstandsnota zal bij de eerstvolgende actualisatie gaan verwijzen naar het Beeldkwaliteitplan werkeiland IJsselmeer (zie hfdst. 8), dat daarmee wettelijke status verkrijgt.

De hierin opgenomen beeldkwaliteiteisen vormen het toetsingskader bij de beoordeling van de bouwplannen door de Welstandscommissie en vormen een voorwaarde bij het verlenen van de Omgevingsvergunning Bouwen.

10.3 Inleiding

Bij de aanleg van de leiding (electra en data) is borging van de belangen van de waterkering en de aanwezige natuurwaarden aan de orde. Hiertoe zal initiatiefnemer zorgdragen voor een gestuurde boring over een dusdanige lengte dat bedoelde belangen worden gevrijwaard van aantasting. Buiten de zones waar deze belangen spelen wordt de leiding ingegraven in de IJsselmeerbodem.

Hoofdstuk 11 Juridische toelichting

11.1 Algemeen

In dit hoofdstuk volgt een toelichting op de juridische regeling. Het juridisch bindende gedeelte van dit bestemmingsplan bestaat uit de digitale verbeelding1 (plankaart) en de regels. De verbeelding en de regels dienen in samenhang met elkaar te worden begrepen.

De verbeelding en de regels zijn opgesteld conform de landelijke Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hiermee wordt voldaan aan de digitale eisen die aan bestemmingsplannen gesteld worden. In deze standaard is de opzet van de regels en de benaming en verbeelding van bestemmingen en diverse functieaanduidingen, bouwaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen bindend voorgeschreven.

11.2 Doelstellingen en planopzet

Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren weergegeven. Voorts zijn diverse aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen.

De planregels van het bestemmingsplan zijn ondergebracht in vier hoofdstukken:

  • Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels beogen een eenduidige interpretatie en toepassing van de overige, meer inhoudelijke regels en van de verbeelding te waarborgen. Met name de peilbepalingen zijn specifiek uitgewerkt gezien de aard van de regeling die zowel delen op land als in/onder water aangaat.
  • Hoofdstuk 2 bevat de planregels in verband met de bestemmingsbepalingen. Per bestemming bevat dit hoofdstuk planregels, welke specifiek voor die bestemming gelden.
  • Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Hierbij gaat het om planregels die op nagenoeg alle bestemmingen betrekking hebben en die vooral om praktische redenen zijn ondergebracht in dit hoofdstuk.
  • Tenslotte bevat hoofdstuk 4 de overgangs- en slotregels. Deze planregels bevatten het overgangsrecht en de titel van het bestemmingsplan.

11.3 Functies algemeen

De hoofdfuncties van het plangebied betreffen Water, deels met landschappelijke en natuurdoelstellingen en het werkeiland (Bedrijvigheid).

11.4 Bebouwing algemeen

Er wordt in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Voor de situering en maatvoering van gebouwen is het belangrijk dat er bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot:

  • Bouwhoogte
    De maximale bouwhoogte van gebouwen is door middel van een aanduiding aangegeven op de verbeelding.
  • Situering gebouwen
    Teneinde de situatie eenduidig te kunnen reguleren, is de bebouwing “gezoneerd”. Voor de functies is op de verbeelding en in de regels onderscheid gemaakt in een bouwvlak (op de verbeelding weergegeven vlak waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd) en  een bestemmingsvlak (het bebouwingsvlak en de gronden er omheen, vallende binnen dezelfde bestemming).

11.5 Toelichting afzonderlijke bestemmingen en regelingen

In deze paragraaf worden de bestemmingen – voor zover noodzakelijk – afzonderlijk toegelicht.

Voor een goed begrip van de regeling dienen in elk geval de regels tezamen met de verbeelding te worden geraadpleegd.

Bedrijf – Water/natuur (artikel 3)

Dit artikel regelt de aanleg en het gebruik van het werkeiland met bijbehorende gebouwen, bouwwerken en voorzieningen. Binnen het werkeiland is een zonering aangebracht voor de situering en hoogtedifferentiatie van de benodigde bebouwing. Binnen de randen van de bestemming is de overgang naar de zone met water en te vormen landschappelijke inpassing medebestemd.

Water (artikel 4)

In de bestemming water is primair de vigerende regeling overgenomen voor de waterfuncties. Daaraan is toegevoegd een regeling voor aanleg en beheer van de leiding tussen het werkeiland en het vasteland en een regeling voor het deel van de bestemming waar de winning dient plaats te vinden. Daar is tevens een bouw- en gebruiksregeling bij opgenomen die de benodigde werken en werkzaamheden voor deze winning, inclusief o.a. depots etc. mogelijk maakt.

Water – Natuur (artikel 5)

De zone waar de landschappelijke inpassing rond het eiland dient plaats te vinden, is specifiek bestemd en ruim begrensd. Dit biedt voldoende ruimte aan het semi-natuurlijke proces van duinvorming en opspuiten etc. Om het beheer en recreatieve medegebruik mogelijk te maken, is een eenvoudige bebouwingsregeling opgenomen.

De landschappelijke inpassing vindt borging in artikel 5.3.2.. Hier is de kwantitatieve invulling beschreven, die binnen een periode van 5 jaar dient te zijn bewerkstelligd. Deze invulling dient plaatst te vinden binnen de zgn. voorlandzone; dit is een gebied dat gelegen is buiten de waterkerende kade van het eiland (en hier wel direct op aansluit), waar zich, door zandsuppletie en milieudynamiek een halfnatuurlijke landschapszone ontwikkelt. De term voorlandzone wordt gedefinieerd in de begripsbepalingen.

Hoofdstuk 12 Economische uitvoerbaarheid

De hier beschreven zandwinning in de IJsselmeerbodem wordt voor rekening en risico van Smals BV gerealiseerd. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten van vooronderzoek en planontwikkeling, alsmede de aanlegkosten van een tijdelijk werkeiland, incl. landschappelijke inrichting en verdere exploitatiekosten komen volledig voor rekening van de initiatiefnemer en zullen worden gefinancierd uit de opbrengst van de zandwinning. Daarbij is tevens rekening gehouden met de uiteindelijke ontmanteling en verwijdering van het eiland, na afloop van de winperiode.

Aan de planontwikkeling, noch aan de exploitatie zijn daarom kosten of risico's voor de gemeente verbonden.


De mogelijkheden tot het winnen van bouwgrondstoffen in Nederland zijn eindig. Om die reden heeft de Rijksoverheid marktpartijen uitgedaagd te zoeken naar alternatieven, zoals winning en toepassing van delfstoffen uit Noordzee en IJsselmeer. Het Rijksbeleid (SVIR en Barro) speelt daar op in en biedt specifieke planologische mogelijkheden.

Smals BV gaat met dit initiatiefplan de uitdaging aan en is na gedegen onderzoek tot de conclusie gekomen dat winning van industrie- en ophoogzand op de gekozen locatie, en op deze schaal, realistisch is. De (hoge) investeringen, die met dit innovatieve project samenhangen, blijken aanvaardbaar bij een uiteindelijke wincapaciteit met een minimale omvang van ca. 2 miljoen ton industriezand. Dit plan voldoet daaraan.


De gemeente Gaasterlân-Sleat achtte destijds de economische uitvoerbaarheid van de plannen voldoende verzekerd. Er is om die reden op 18 mei 2011 een bestemmingsplanovereenkomst gesloten tussen de gemeente Gaasterlân-Sleat en initiatiefnemer Koninklijke Smals Beheer BV, waarin de gemeente zich bereid verklaart planologische medewerking te verlenen aan het project. De gemeente De Friese Meren, waarin Gaasterlân-Sleat is opgegaan, is eveneens overtuigd van de haalbaarheid van het plan en geeft nu uitvoering aan de overeenkomst.

Hoofdstuk 13 Overleg en inspraak

13.1 Overleg

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het informeel vooroverleg is het plan besproken met de volgende partijen:

  • Koninklijke Schuttevaer.
  • Provincie Flevoland.
  • Provincie Fryslân.
  • Rijkswaterstaat.
  • Inspectie Leefomgeving en Transport.
  • Wetterskip Fryslân.
  • LTO Noord.
  • Nederlandse Visserijbond.
  • Koninklijke Nederlandse Watersportbond.
  • Stichting Het Blauwe Hart.

Na de formele inspraak- en overlegronde met betrekking tot het voorontwerp, zullen eventuele opmerkingen uit het vooroverleg hier van een gemeentelijke reactie worden voorzien, waarna het voorontwerp wordt aangepast tot ontwerp-bestemmingsplan.

13.2 Zienswijzen

Het ontwerp-bestemmingsplan wordt op grond van de Algemene wet bestuursrecht gedurende 6 weken voor een ieder ter visie gelegd.

Te zijner tijd zullen de ingediende zienswijzen in overweging worden genomen en van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

13.3 Afstemming met MER

Gelijktijdig met het voorontwerp bestemmingsplan zal het concept-MER worden gepubliceerd. Het MER zal samen met het voorontwerp bestemmingsplan naar de wettelijke adviseurs en de commissie m.e.r. worden verzonden. Rijkswaterstaat treedt hierbij op als coördinerende instantie.