direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding opstellen bestemmingsplan

In de gemeente Midden-Groningen bestaat een grote zorg voor het eigen erfgoed. Een zorg die wordt ingegeven door het feit dat het erfgoed voor een belangrijk deel bepalend is voor het karakter van de gemeente, het erfgoed de gemeente aantrekkelijk maakt en inwoners zich ermee verbonden voelen. Erfgoed is de verzamelnaam voor rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en karakteristieke en beeldbepalende panden en objecten. Omdat de gemeente constateert dat in het aardbevingsgebied (voorgenomen) slopen van panden zonder zicht op een passende invulling of herontwikkeling van de locatie, de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente gevaar loopt, is er in het najaar van 2016 een plan van aanpak voor de bescherming van het erfgoed in de (toenmalige) gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren vastgesteld. Het doel hiervan was om naast beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten ook karakteristieke objecten aan te wijzen en te beschermen.

In voormalig Menterwolde was deze inventarisatie (beeldbepalende panden) al afgerond en ook opgenomen in de bestemmingsplannen. In Slochteren was alleen agrarische bebouwing als karakteristiek beschermd en in Hoogezand-Sappemeer tenslotte waren nog geen objecten als karakteristiek aangewezen. Vanwege de start van inspectiewerkzaamheden in Slochteren (aanpak risicovolle bouwdelen) heeft de raad van Slochteren in 2016 ook een voorbereidingsbesluit genomen. Met dit voorbereidingsbesluit kon de sloop van gebouwen binnen het lint en in de kleine kernen daarbuiten worden aangehouden. Alleen met een nadere afweging, waaronder een cultuurhistorisch onderzoek, kon worden bepaald of een omgevingsvergunning voor sloop kon worden afgegeven.

Eind 2016 is de inventarisatie van (potentieel) karakteristieke objecten gestart. Per deelgebied is door Libau samen met lokale werkgroepen een lijst van objecten opgesteld. Hoewel de lijst voornamelijk woonhuizen bevat staan er ook nutsvoorzieningen als gemaalhuisjes en bruggen op.

Eind 2017 is de inventarisatie in Hoogezand-Sappemeer afgerond. Samen met de bestaande inventarisatie lijst van Menterwolde is het resultaat een lijst van ca. 1200 karakteristieke objecten (panden en overige bouwwerken). Samen met 82 gemeentelijke monumenten, 156 rijksmonumenten en 2 (rijks)beschermde dorpsgezichten zijn er in Midden-Groningen hiermee in totaal circa 1400 erfgoed objecten! Deze informatie is ook digitaal beschikbaar op de gemeentelijke website met uitgebreide achtergrondinformatie.

Vanuit de gemeentelijke wens om de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en in het bijzonder het erfgoed te behouden, gelet op het voorbereidingsbesluit en gelet op de bepalingen vanuit de provinciale verordening, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld. Met dit bestemmingsplan worden alle karakteristieke objecten in de gemeente Midden-Groningen vastgelegd en voorzien van een regeling die toeziet op het, voor zover mogelijk, in stand houden van de ruimtelijk relevante kenmerken van deze panden die een belangrijk onderdeel zijn van het erfgoed in de gemeente.Vanwege de aardbevingsproblematiek is het belangrijk om zo spoedig mogelijk karakteristieke objecten als zodanig vast te leggen in het bestemmingsplan. Dit is de reden dat de regels in dit bestemmingsplan beperkt blijven tot objecten en een uitbreiding van de gebiedsbescherming nu niet wordt meegenomen. Uiteraard blijven gebiedsregels in bestaande plannen, zoals de regels voor de verschillende beschermde dorpsgezichten, gewoon bestaan. In een later stadium zullen de bestaande gebiedsregelingen binnen Midden-Groningen onder de loep genomen worden en wordt ook aan de raad voorgelegd of er behoefte is om nog nieuwe gebieden met cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden te beschermen. Ook wordt daarbij rekening gehouden met het aanwijzen van nieuwe gemeentelijke monumenten, waarvoor inmiddels ook een inventarisatie wordt gedaan.

1.2 Plangebied

Het plangebied bestaat uit verschillende losse percelen in de gemeente Midden-Groningen waar sprake is van erfgoedpanden (monumenten en karakteristieke objecten). De verschillende percelen worden ieder apart weergegeven op de verbeelding.

1.3 Doelstelling en afbakening plan

Het doel van dit plan is het zorgen voor een ruimtelijk-juridisch kader voor karakteristieke panden en objecten binnen de gemeente Midden-Groningen. Het facetbestemmingsplan vult voor percelen met karakteristieke objecten bestaande bestemmingsplannen aan met een regeling voor behoud, bescherming en herstel van deze panden en overige bouwwerken. Concreet betekent dit een sloopverbod voor deze panden en een vergunningstelsel voor sloop onder bepaalde voorwaarden.

Het plan vormt ook een aanvulling op de bestaande gebiedsbescherming die al is vastgelegd in bijvoorbeeld de beschermde dorpsgezichten en andere gebieden met cultuurhistorische waarden.

Met uitzondering van de bestaande lijsten van voormalig Menterwolde wordt er uitsluitend gesproken over 'karakteristieke objecten/ panden' en niet 'beeldbepalend'. Deze begrippen worden soms door elkaar gebruikt maar in bijvoorbeeld het provinciaal beleid wordt er onderscheid gemaakt tussen de 2 begrippen. Om verwarring te voorkomen wordt er in dit plan in de regels uitsluitend gewerkt met het begrip 'karakteristiek'.

1.4 Leeswijzer

In vervolg op dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 stil gestaan bij het beleid. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 een beschrijving gegeven van de ontstaansgeschiedenis van de streek (op basis van de 3 voormalige gemeenten) en de verschillende karakteristieken. Hoofdstuk 4 bouwt hierop voort door in te gaan op de karakteristieke objecten in het plangebied. De toelichting op de regels staat in hoofdstuk 5. Het laatste hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 Planologisch beleidskader

2.1 Rijksbeleid

2.1.1 Besluit ruimtelijke ordening

Sinds 1 januari 2012 is het op basis van artikel 3.6.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen over de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dit is geregeld in de Erfgoedwet. Ieder ruimtelijk plan moet een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Hierbij moeten zowel archeologische waarden van het plangebied als de cultuurhistorische waarden van het gebouwd erfgoed in dit gebied worden onderzocht en in beeld worden gebracht.

2.1.2 Erfgoedwet

Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Op diezelfde datum is de Monumentenwet 1988 vervallen. De Erfgoedwet regelt vooral bescherming van rijksmonumenten, archeologie, musea en collecties. De besluitvorming over erfgoed en monumenten in de fysieke leefomgeving en regels omtrent aanstellen van een erfgoed- of monumentencommissie zullen vanuit de Monumentenwet worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Omdat de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld (tot medio 2021) geldt tot die tijd het overgangsrecht uit de Erfgoedwet, de betreffende artikelen uit de Monumentenwet blijven onverkort van toepassing. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook te worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden. Op deze manier is een meer gebiedsgerichte benadering mogelijk. Deze benadering is gericht op het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van een bestemmingsplangebied, door te anticiperen op de voorkomende archeologische, historisch-geografische en historisch-(steden)bouwkundige waarden.

Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om het aanwezige bebouwde erfgoed in Midden-Groningen van een passende bescherming te voorzien door middel van een bestemmingsregeling. Dit bestemmingsplan vult specfiek voor 'karakteristieke objecten' het bestaande regime voor cultuurerfgoed (waaronder beschermde gezichten en waardevolle gebieden) aan.

2.1.3 AMvB Ruimte

Op 17 december 2011 heeft het kabinet de AMvB Ruimte vastgesteld. De officieel naam van het besluit is overigens Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Voor de overzichtelijkheid van het beleid is gekozen voor één AMvB voor alle deelaspecten van ruimtelijke ordening en infrastructuur. Daar waar sprake is van beleidsdoelen die gelijkwaardig worden geborgd is daarvoor gekozen. Daarbij wordt ingezet op nationale regels voor onder andere zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het
land tegen overstroming en wateroverlast. De inhoud van de Algemene Maatregel van Bestuur moet worden verwerkt in plannen van lagere overheden zoals structuurvisies en bestemmingsplannen van provincies en gemeenten. In 2012 is het Barro uitgebreid en aangepast.

2.1.4 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012. De SVIR vervangt verschillende oudere nota’s zoals de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de agenda Landschap en de agenda Vitaal Platteland. De SVIR bevat een aantal elementen die het jaar ervoor eigenlijk al geregeld waren in de AMvB Ruimte.

Het Rijk doet een stapje (verder) terug en laat meer over aan burgers, bedrijven en andere overheden. Het Rijk ziet zijn rol vooral in het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van belangen van Nederland als geheel. Het Rijk concentreert zijn bemoeienis op deze nationale belangen, hetzij via het planningsstelsel, hetzij via concrete uitvoeringsprogramma's en -projecten.

Het Rijk heeft 13 Nationale belangen gedefinieerd. In 1 'belang' is ook cultuurhistorie opgenomen:

  • Ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten.

De karakteristieke objecten die in dt bestemmingsplan worden opgenomen maken onderdeel uit van de cultuurhistorische kwaliteit van Nederland maar vooral op lokaal of bovenlokaal niveau. Erfgoed dat van (inter)nationaal belang is heeft een status als rijksmonument.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Provinciale omgevingsvisie

De provinciale Omgevingsvisie bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn in deze Omgevingsvisie zoveel mogelijk de visies op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen, samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden.

  • Landschap

In de provinciale Omgevingsvisie is het beschermen en versterken van de kenmerkende landschapsstructuren en het culturele erfgoed dat bijdraagt aan de identiteit en variëteit van de diverse landschappen in de provincie Groningen als een van de speerpunten van het beleid benoemd en als provinciaal belang geduid.

  • Cultureel erfgoed

De provincie Groningen ziet dat het cultureel erfgoed in haar provincie onder druk staat onder andere door leegstand en de staat van onderhoud. Bovendien wordt het erfgoed extra bedreigd door schade als gevolg van de gaswinning. De provincie wil dan ook sturen op het in beeld brengen van het culturele erfgoed en vraagt van gemeenten een passende inspanning om het erfgoed in het buitengebied te beschermen. In het aardbevingsgebied, waartoe ook Midden-Groningen behoort, ligt daarbij een extra opgave voor het beschermen van het cultureel erfgoed in de kernen.

2.2.2 Provinciaal Omgevingsplan

Op 1 juni 2016 hebben Provinciale Staten de provinciale Omgevingsvisie vastgesteld. Dit integrale plan is de opvolger van het Provinciaal Omgevingsplan Groningen (POP) en bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. De visie geldt voor de periode 2016-2020. In grote lijnen wordt het omgevingsbeleid uit het POP voortgezet maar de nieuwe Omgevingsvisie beslaat nu een breder terrein. De provincie stelt het begrip 'vertrouwen' centraal. Dit sluit aan op de in voorbereiding zijnde Omgevingswet. Ten opzichte van het voorgaande beleid heeft de provinciale op een aantal regels losgelaten en overgelaten aan bijvoorbeeld gemeenten.

2.2.3 Omgevingsverordening

De provinciale omgevingsverordening (POV) is een beleidsinstrument uit de Wro. De huidige verordening wordt vastgesteld door Provinciale Staten en bevat provinciale beleidsregels waarvan wordt verwacht dat gemeenten deze doorvertalen in hun bestemmingsplannen. De regels in de omgevingsverordening zijn gebaseerd op de doelen uit de Omgevingsvisie en zijn opgenomen voor onderwerpen:

  • 1. waarvoor de provincie in belangrijke mate verantwoordelijk is;
  • 2. die een algemene betekenis hebben;
  • 3. waarvan borging in een ruimtelijk plan mogelijk is;
  • 4. die blijvend moeten worden beschermd of veilig worden gesteld (waarborgfunctie);
  • 5. waarvan borging door middel van eenduidige kaderstelling nodig is (rechtszekerheid).

De verordening richt zich op de thema's milieu, water en ruimte. Er zijn ook regels over cultureel erfgoed opgenomen.

De huidige omgevingsverordening is vastgesteld op 1 juni 2016 maar is in 2017 op onderdelen aangepast. Ook voor wat betreft het onderdeel cultureel erfgoed. Inmiddels is bij de actualisatie van 2018 de regeling voor erfgoed wederom iets aangepast (tekstueel).

In de verordening wordt in artikel 2.9.1 aangegeven dat "een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het aardbevingsgebied regels stelt ter bescherming van de hoofdvorm van karakteristieke en beeldbepalende gebouwen. De provincie heeft in haar verordening opgenomen dat, voor zover het bestemmingsplan betrekking heeft op karakteristieke gebouwen, er regels worden opgenomen die deze bebouwing beschermen tegen ongewenste sloop.

Onder een karakteristiek gebouw wordt verstaan een gebouw van cultuurhistorische waarde op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke en/of stedenbouwkundige situering, bijdragen aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Nieuw erfgoedbeleid Midden-Groningen

De gemeente Midden-Groningen is ontstaan op 1 januari 2018 uit een fusie van de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Menterwolde en Slochteren. Op veel terreinen wordt er nog gewerkt aan een harmonisatie van beleid. Op het gebied van erfgoed is dit niet anders. Eind 2016 is om te beginnen een 'Plan van aanpak' vastgesteld. Op basis van dit plan is als eerste stap alle gebouwd erfgoed voor de nieuwe gemeente geïnventariseerd. De inventarisatie heeft geleid tot het vaststellen van een lijst met circa 1200 karakteristieke objecten voor geheel Midden-Groningen. Deze objecten worden in 2018 juridisch geborgd in het facetbestemmingsplan 'karakteristieke objecten'. Samen met 82 gemeentelijke monumenten, 156 rijksmonumenten en 2 (rijks)beschermde dorpsgezichten zijn er in Midden-Groningen hiermee in totaal circa 1400 erfgoed objecten! Verder is eind 2017 de nieuwe Erfgoedcommissie Midden-Groningen opgericht. De Erfgoedcommissie adviseert het college over bouwaanvragen met betrekking tot erfgoed en monumenten en daarnaast over allerhande erfgoedzaken. De commissie bestaat uit vier externen (deskundige inwoners) en een vertegenwoordiger van de provinciale monumentencommissie Libau. De commissie wordt bijgestaan door twee gemeentelijke ambtenaren. Begin 2018 heeft het college besloten om nieuwe gemeentelijke monumenten te gaan selecteren en aan te wijzen voor Midden-Groningen. Enerzijds vanwege beleids-harmonisatie, binnen het grondgebied van de voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer is immers al een 80 tal gemeentelijke monumenten aanwezig. Anderzijds wordt ons gebouwd erfgoed ernstig bedreigd door de gevolgen van de gaswinning; alleen met een monumentstatus is er een optimale bescherming mogelijk. Het is de bedoeling om de echte 'pareltjes' uit de 1200 karakteristieke objecten een upgrade te geven tot gemeentelijk monument. Ook zal onderzocht worden of de gemeentelijke subsidieregeling zoals deze in Hoogezand-Sappemeer gold kan worden voortgezet. Ten slotte zal de komende jaren een onderzoek worden gestart naar mogelijkheden om waardevolle gebieden in de gemeente, zoals bijzondere bebouwingslinten en parken, te kunnen duiden en beschermen. Veel informatie is ook digitaal beschikbaar op de gemeentelijke website, zie: www.midden-groningen.nl/erfgoed.

2.3.2 Beleid voormalige HSSM- gemeenten

Geldend monumenten- en welstandsbeleid in de drie voormalige HSSM gemeenten (Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde) gaf al een ommekeer van een, tot dan toe ad-hoc beleid ten aanzien van karakteristieke panden, naar een integraal en stimulerend monumentenbeleid. Het gemeentelijke erfgoed- en monumentenbeleid kan beschouwd worden als een verfijning van het rijksbeleid. Uitgangspunt is dat de cultuurhistorische waarde van de gemeente niet alleen ligt in een aantal waardevolle losse panden, maar in de historisch gegroeide vorm van de gemeente als geheel. Niet alleen de monumentale bebouwing maar ook de omringende historische structuren verdienen dus bescherming. De historische structuur is waardevol; ontwikkelingen moeten echter mogelijk blijven. Hierbij is integratie met andere beleidssectoren - vooral de ruimtelijke ordening maar ook de stadsvernieuwing en het toerisme - noodzakelijk. Deze integrale benadering van erfgoedbeleid vindt nu al vorm in projecten als ERL (Erfgoed, Ruimte en Landschap) en in de benadering met betrekking tot het Omgevingsplan waarbij erfgoed als drager kan worden gezien. Deze visie zal de komende jaren verder worden uitgewerkt. Naar verwachting zal naast het erfgoedbeleid ook het welstandsbeleid de komende tijd worden geëvalueerd en opnieuw vastgesteld.

2.3.3 Erfgoedverordening

De raad van Midden-Groningen heeft op 19 april 2018 de Erfgoedverordening Midden-Groningen vastgesteld. De Erfgoedverordening regelt onder andere het aanwijzen van gemeentelijke monumenten, de instandhouding ervan, de bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten en de instandhouding van archeologische gebieden.

2.3.4 Gevolgen aardgaswinning; Erfgoedprogramma en Afwegingskader

Schadeherstel aan gebouwd erfgoed en de versterkingsopgave geven grote zorgen. Het versterken van een erfgoedpand moet zorgvuldig gebeuren waarbij het monumentale karakter van het pand niet verloren mag gaan.  In het Meerjaren Programma (MJP) aardbevingsbestendig en kansrijk Groningen van de Nationaal Coördinator Groningen ( NCG) heeft erfgoed daarom speciale aandacht gekregen. Er moet een optimale balans tussen veiligheid en schadeherstel enerzijds en het behoud van de culturele waarde van het gebouw anderzijds worden nagestreefd.  Het meerjarenprogramma is te vinden op: www.nationaalcoordinatorgroningen.nl

Om bovengenoemde doelstelling te kunnen behalen heeft de gemeente Midden-Groningen samen met de andere gemeenten in het aardbevingsgebied, de provincie Groningen, het NCG en het rijk in 2017 een gezamenlijke visie op erfgoed opgesteld en vastgelegd in het Erfgoedprogramma.  Het erfgoedprogramma geeft aan hoe en waarom het Groninger erfgoed behouden moet blijven en geeft beleidsrichtingen aan over de aanpak van erfgoed bij schadeherstel en versterking.  

Om een goede afweging te kunnen maken tussen veiligheid, gebruik en de monumentale waarde van een pand bij vergunningverlening is het Afwegingskader erfgoed geschreven. Vooruitlopend hierop wordt al gewerkt met het afwegingskader aanpak karakteristieke schoorstenen. Dit beleidsdocument is samen met NCG, CVW, gemeenten en de monumentencommissie opgesteld.  Hierbij is het handhaven van de bestaande schoorsteen op een erfgoedpand altijd uitgangspunt, behalve als dit technisch niet haalbaar is.

Hoofdstuk 3 Gebiedsverkenning

3.1 Historische ontwikkeling

3.1.1 Voormalige gemeente Slochteren

De gemeente Slochteren beslaat een groot deel van de streek 'Duurswold'. Het Duurswold heeft zijn naam te danken aan het karakter dat het vroeger bezat. Er was sprake van lage gronden waarop struiken en bomen elkaar afwisselden. Het gebied werd ook wel de Zevenwolden genoemd, naar de zeven concentraties die op de zandrug waren ontstaan. De streek behoort tot de laagste delen van de provincie. Vroeger stroomde het water van de hogere klei- en zandgronden hier naar toe en ontstonden er meren. Het huidige Schildmeer is hiervan nog een overblijfsel. Bewoning ontstond op de hogere, drogere zandrug in het Duurswold. Het huidige bewoningspatroon is nog steeds op deze rug, die loopt van Ruischerbrug (via Harkstede, Slochteren en Siddeburen) naar Wagenborgen, gesitueerd. In constrast met deze geconcentreerde bebouwing is het buitengebied grotendeels open. Buiten de lintbebouwing liggen slechts enkele bebouwingsconcentraties, waaronder Overschild en Tjuchem vallen. Bron: Toelichting lijst karakteristieke agrarische bebouwing (Libau, 2011)

3.1.2 Voormalige gemeente Menterwolde

Al in 800 voor Christus wordt de streek Menterwolde bewoond, getuige de archeologische vondsten die zijn gedaan. In de tiende eeuw na Christus ontstaan echter de eerste nederzettingen op de dekzandruggen van Noord- en Zuidbroek en Meeden. Deze dekzandruggen zijn gevormd in de laatste ijstijden en zijn een hogere en droge plek in het omringende natte hoogveengebied. Vanuit de nederzettingen worden de omliggende veengebieden ontgonnen. Na een grote overstroming van de Dollard komt de ontwikkeling van het gebied in een versnelling. De Dollard zet vruchtbare klei af, waarin de agrariërs wel waren geïnteresseerd. Onder leiding van diverse compagnies worden ook de veengebieden vergraven en in cultuur gebracht. Om de veenkoloniën beter te ontsluiten en de turf te kunnen afvoeren, wordt in 1650 het Winschoterdiep gegraven en kort daarna het Muntendammerdiep.

De bebouwing verspreidt zich over de lengte van de zandrug. In 1850 is er al vrijwel één lang bebouwingslint van Noordbroek, via Muntendam tot aan Meeden. In 1870 wordt de spoorlijn van Groningen naar Nieuweschans aangelegd met een halteplaats in Zuidbroek, gevolgd door een tweede spoorlijn van Delfzijl naar Zwolle rond 1910. Deze spoorlijn zorgt samen met een florerende aardappelmeel- en strokartonindustrie en scheepsbouw langs de kanalen voor een bloeiende werkgelegenheid in de regio.

In de twintigste eeuw vinden veel veranderingen plaats; ruilverkavelingen veranderen het landschap, dorpen groeien door en breiden uit en de bedrijvigheid vertaalt zich in industrieterreinen. Ook de mobiliteit groeit, wat zichtbaar is in de aanleg van diverse wegen. Zo wordt tussen Groningen en Duitsland een autosnelweg aangelegd waardoor de regio wordt verbonden met het grote Europese netwerk. Bron: bestemmingsplan Dorpen Menterwolde (2017)

3.1.3 Voormalige gemeente Hoogezand-Sappemeer

Het landschap van Hoogezand-Sappemeer is nog niet zo oud; het heeft zijn huidige inrichting geheel aan menselijk ingrijpen te danken. Nog maar 400 jaar geleden is de regio, een moerassig veengebied, vrijwel geheel ontgonnen. De gebruikswaarde van het veen ligt aan de basis van de ontwikkeling van het gebied. Vóór 1600 zijn delen van het land in bezit van een aantal kloosters, waarvan in het gebied dependances waren gevestigd. Zij deden aan veenwinning voor eigen gebruik. Rond 1600 vond de secularisatie van de kloosters plaats, waardoor hun bezittingen overgingen naar de stad Groningen. In die periode bestond in de steden een grote nood aan brandstof. Dit vormt de reden voor de stad Groningen om de veenontginning, voor de winning van turf, vanaf dat moment systematisch aan te pakken.

Het systeem, aangelegd tussen ongeveer 1600 en 1660, bepaalt het uiterlijk en de structuur van de veengebieden en de nederzettingen, en is zuiver functioneel en kunstmatig van aard. Kanalen waren nodig voor het transport van de afgestoken turf, de vele wijken en sloten dienden tegelijk ook voor de afwatering van de gebieden. Het Winschoterdiep vormde het hoofddiep, waarvan diepen het veen in werden geleid. Hierdoor ontstond de wijkenstructuur in het gebied. Langs de diepen werden wegen aangelegd, waarlangs de nederzettingen ontstonden.

Nadat is ontgonnen, werd dalgrond aangemaakt. Dit gebeurde door de opzij gezette bovenlaag te vermengen met vrijgekomen zandondergrond. Dalgrond kon worden gebruikt voor landbouw. In de met veenwinners gesloten contracten is zelfs in de voorwaarden opgenomen dat boerderijen gebouwd moesten worden en landbouw opgezet. Hiermee is het ontstaan van de typisch veenkoloniale dorpen verklaard. Iedereen vestigde zich langs het kanaal: de veenarbeiders in hun veelal aaneengebouwde dwarshuisjes op kleine ondiepe kavels, en de boeren in hun boerderijen. De systematiek van diep en wijken drong ook daar in door doordat naast een wijk steeds een boerderij kwam te staan. De veenkoloniale landschapsstructuur wordt zo rigide met een strak vestigingspatroon.

In de veenkoloniën staan ook renteniershuizen, zogenaamde 'Veenborgen'. Veelal betreft het huizen van grondeigenaren uit de stad Groningen. Er is een behoorlijk aantal veenborgen geweest. In de gehele gemeente gaat het om een getal van rond de veertig. Langs het Winschoterdiep worden meer echte buitenhuizen gebouwd, met een achterliggend park of lusttuin. De boeren in de veenkoloniën verbouwden aanvankelijk vooral graan, maar later ook aardappelen. Beide gewassen vormen de basis voor verdere ontwikkelingen.

De kanalen met wegen vormden een prima vervoerssysteem. Allereerst voor het vervoer van landbouwproducten vanuit het eigen gebied direct na de veenontginningen. Vervolgens blijkt het systeem een prima verbindingsweg te vormen met het oosten, tot in Duitsland, met een groot achterland. De scheepvaart komt tot grote bloei en de sluizen (zoals in Martenshoek) vormen internationale knooppunten in het waterwegennet. Daar concentreren zich de bijbehorende kroegen en andere commerciële activiteiten. Ook vestigen zich veel schippers in Hoogezand en Sappemeer. Naast de ontwikkeling van de scheepvaart dragen zij ook bij aan die van de scheepsbouw. Zo completeren scheepshellingen en insteekhaventjes het dorpsbeeld in het 19de eeuwse Hoogezand. De industriële verwerking van de landbouwproducten zorgt voor doorgaande economische ontwikkeling van de regio. In 1868 werd de spoorlijn naar Nieuweschans aangelegd, een rechtstreekse verbinding naar Duitsland. Dit heeft onder meer een positieve invloed gehad op de ontwikkeling van de tuinbouw, vooral in Sappemeer.

Na opvulling van de bebouwing langs de hoofdkanalen, ontstond in de kernen Hoogezand en Sappemeer grote behoefte aan uitbreiding. De beide gemeenten zijn langs het water dan aan elkaar gegroeid en vormden destijds samen de snelst groeiende hoofdkern in de omgeving. Aanvankelijk volgt de uitbreiding in feite het lintpatroon van de veenkoloniën. Midden in een stuk weiland werd een weg aangelegd en kavels uitgegeven aan particulieren voor woningbouw.

Er waren echter ontwikkelingen die bij hebben gedragen aan een andere invulling van uitbreidingen. Al vanaf ongeveer 1850 kwam de scheepsbouw die binnen de dorpskommen lag in de problemen. De schepen werden groter, de stoomvaart kwam op, met ijzeren schepen, hoog in het water liggend. De vele bruggetjes en sluizen werden steeds grotere belemmeringen voor de doorvaart van nieuw gebouwde schepen. Vanaf eind negentiende eeuw verdwijnen de meeste werven dan ook. Zij vestigden zich vooral westwaarts, bij Waterhuizen, waar meer ruimte was. Daarnaast ontstaat in deze periode overal in Europa een fors groeiende middenklasse, die om een eigen woningtype en woonomgeving vraagt. Vanuit deze behoefte werden onder meer de zogenaamde parkwijken ontwikkeld. De nieuwe wijken vonden hun plaats tussen de oude dwarskanalen op het Hoofddiep en vulden de gebieden daartussen op. Deze uitbreidingen zijn het begin van het doorbreken van de lintstructuur. Na de Tweede Wereldoorlog krijgen Hoogezand en Sappemeer een meer stedelijke uitstraling door de vestiging van industrieën en de realisatie van nieuwe woonwijken in de jaren zestig en zeventig met ook hoogbouw en een nieuw winkelcentrum centraal gelegen in het stedelijk gebied van Hoogezand.

De laatste jaren vindt een herwaardering plaats van de veenkoloniale structuur. Ook in de planvorming wordt de lintstructuur blijvend gezien als basis voor nieuwe ontwikkelingen, zoals ook in dit, nochtans voornamelijk conserverend, bestemmingsplan zal blijken. Vaarverbindingen krijgen eveneens een nieuwe impuls. Bron: bestemmingsplan Buitengebied Hoogezand-Sappemeer (2010) en bestemmingsplan Woongebieden (2014)

3.2 Landschappen

Binnen de gemeente Midden-Groningen liggen verschillende landschappen.

  • Veenkoloniaal landschap

Kanaaldorpen met een een mix van burger-, agrarische en industriële bebouwing in een grootschalig open landschap. Het gebied ten zuidoosten van Hoogezand en Sappemeer en rondom Sappemeer-Noord valt onder dit landschapstype.

  • Wegdorpenlandschap op overgang zand/veen

Flauwe zandruggen met wegdorpen (groene linten) overgaand in een grootschalig open landschap. Een groot deel van de voormalige gemeente Slochteren en Menterwolde heeft dit landschapstype, oko het gebied rondom Westerbroek valt hieronder.

  • Wegdorpenlandschap op zeeklei

Grootschalig open landschap met reeksen boerderijen, deels op huiswierden en inversieruggen. Dit landschap wordt aangetroffen in het noorden van de gemeente tussen rondom Overschild en Tjuchem.

Beleidsmatig heeft de provincie haar grondgebied ingedeeld in 7 gebieden met een samenhangende landschapsstructuur. Binnen Midden-Groningen liggen 4 van deze gebieden:

  • Centrale woldgebied en Duurswold
  • Oldambt
  • Veenkoloniën
  • Gorecht

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0001.jpg"

Bron: Kwaliteitsgids provincie Groningen

3.3 Groene linten

Kenmerkend voor het wegdorpenlandschap zijn de lintdorpen die door de aanwezigheid van rijke wegbeplanting in contrast staan met het open landschap. De volgende lintdorpen zijn in het provinciaal beleid aangewezen als 'groen lint'. Dit betekent dat dat ingezet wordt op behoud en versterking van het groene karakter. De groene linten worden gekenmerkt door plaatselijk zware wegbeplanting, afwisseling van boerderijen, soms met slingertuin en woonhuizen.

  • Het dorpenlint vanaf Harkstede, via Slochteren naar Siddeburen;
  • Noordbroek en Zuidbroek
  • Meeden

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0002.png"

Luchtfoto Hoofdweg Hellum

De verschillende groene linten hebben een eigen karakter. Dit karakter wordt bepaald door de dichtheid van de bebouwing (onderscheid centrumgebieden in bijvoorbeeld Noord- en Zuidbroek en Siddeburen) en delen met een meer agrarisch karakter (linten ten zuiden van Hoogezand). Ook is aan de uitstraling van de bebouwing af te lezen welke linten in het verleden welvarend waren. In delen van bijvoorbeeld Hellum en Schildwolde en Noord- en Zuidbroek staan boerderijen met een rijkere uitstraling dan in bijvoorbeeld Harkstede of Kropswolde.

Binnen het groene lint van Slochteren is het gebied rondom de Fraeylemaborg aangewezen als beschermd dorpsgezicht.Dit plan vormt een aanvulling op de bestaande regelingen in het beschermde dorpsgezicht. De huidige regels blijven daarbij van kracht.

3.4 Historische lint Hoogezand-Sappemeer

Het Oude Winschoterdiep vormt de basis voor het onstaan van bebouwing, wegen, begroeiing en andere waterlopen in Hoogezand en Sappemeer. Langs het oude lint, vanaf Martenshoek tot zo'n vijf kilometer verder in oostelijke richting Sappemeer Oost bevindt zich veel monumentale- en karakteristieke bebouwing. Aan de noordzijde van het oorspronkelijke diep bevinden zich van oudsher de grotere panden, ten zuiden is de bebouwing kleinschaliger en meer aaneengebouwd. Met uitzondering van enkele waterrestanten aan de uiteinden is het diep over de hele lengte gedempt. Hierdoor is er meer ruimte gekomen voor bredere wegen in combinatie met parkeren en groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0003.jpg"

Luchtfoto historisch lint Hoogezand en Sappemeer

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0004.jpg"

Detailopname Hoofdstraat Hoogezand

3.5 Overige bebouwingsstructuren buitengebied

In het zuidelijk deel van de gemeente liggen in het veenkoloniale landschappen enkele parallel aan elkaar bebouwingslinten langs (voormalige) wijken. Voorbeelden zijn de Kalkwijk en Tripscompagnie. Kiel-Windeweer is het beste bewaarde lintdorp in dit gebied. Mede doordat de oorspronkelijke structuren van dit lintdorp nog goed bewaard zijn gebleven (de bebouwing, wijk en verkaveling) is dit dorp inclusief een deel van het aangrenzende buitengebied aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Ook hier geldt dat de gebiedsbescherming is opgenomen in het huidige bestemmingsplan (Buitengebied).

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0005.jpg"

Luchtfoto Kiel-Windeweer

3.6 Bebouwingstypologie

De historische bebouwing in Midden-Groningen is een afspiegeling van de sociale verhoudingen uit het verleden en varieert van kleine eenvoudige arbeiderswoningen tot rijke boerderijen en renteniersvilla's.

In de gemeente zijn een aantal boerderijtypen kenmerkend voor het gebied:

3.6.1 Oldambtsterboerderij

Veel van de historische boerderijen in de gemeente (vooral de groene linten) zijn van het Oldambtster type. Bij dit boerderijtype zijn de schuur en het woongedeelte onder één dak zijn geplaatst met een doorlopende noklijn. In de richting van het voorhuis versmalt de boerderij sprongsgewijs, de zogeheten krimpen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0006.jpg"

Oldambtster type (Hoofdweg 61 Schildwolde)

In het Hellum en Schildwolde staat, in verhouding tot de rest van het hoofdlint, de wat rijkere agrarische bebouwing. Ook in het gebied ten oosten van Siddeburen en in Noord- en Zuidbroek en Meeden getuigen de boerderijen met hun voortuinen en ruim beplante erven van de welvaart van de boeren in de tweede helft van de negentiende eeuw. Boerderijen met (zeer) forse schuren komen ook elders in het gebied voor. Opvallend is dat de voorhuizen van deze boerderijen veelal eenvoudiger zijn uitgevoerd dan die van de boerderijen in voornoemde gebieden.

Typerend voor de streek Duurswold zijn de evenwijdig aan de hoofdschuur gebouwde bijschuren waardoor twee- of driekapsschuren zijn ontstaan. In een enkel geval heeft deze ontwikkeling zelfs tot een zeskapsschuur geleid. Eveneens typerend voor de streek zijn de open veldschuren (ofwel kapschuren) waarin vroeger hooi en stro werden opgeslagen. Ook deze schuren zijn soms uitgevoerd als twee- of driekapsschuur. Ook een element als een stookhut draagt sterk bij aan het historische karakter van veel boerenerven. De boerenerven in Duurswold kennen over het algemeen nog een sober, agrarisch karakter. Sommige erven zijn voorzien van slingerpaden en andere elementen van een landschappelijke aanleg, de zogeheten slingertuin, die past bij de rijkere agrarische bebouwing. De meeste erven zijn voorzien van hoog opgaand geboomte. Bron: Toelichting lijst karakteristieke agrarische bebouwing (Libau, 2011)

3.6.2 Dwarshuis boerderij

Een minderheid van de boerderijen in het gebied heeft de vorm van een dwarshuis- of villaboerderij. Dit boerderijtype is vooral aanwezig in de kleigebieden van Noord-Groningen en komt ook voor in het noorden van de gemeente (omgeving Overschild).

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0007.jpg"

Villa of dwarshuistype, Graauwedijk 15 Overschild

3.6.3 Krimpenhuis

Verwant aan het Oldambster-boerderijttype is het krimpenhuis. Kleinere boerderijen en arbeiderswoningen zijn in dit type uitgevoerd, vaak in een sobere uitvoering. Het is een veel voorkomend bouwwerk in de provincie Groningen en nauw verbonden met de geschiedenis en daardoor van cultuurhistorische waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0008.jpg"

Krimpentype Borgweg 86, Scharmer

3.6.4 Overige boerderijtypen

Daarnaast komen in het gebied Interbellum- en wederopbouwboerderijen voor in de vorm van kop-rompboerderijen.

3.6.5 Industriele bebouwing

In het gebied, met name in Hoogezand en Sappemeer, is ook nog veel industrieel erfgoed aanwezig. Langs het Winschoterdiep bevinden zich nog oude scheepswerven en oude fabriekspanden. Een voorbeeld is de voormalige scheepswerf van Bodewes in Foxham (zie afbeelding hieronder). Karakteristiek vanwege met name de beeldbepalende ligging aan het Oude Winschoterdiep.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0009.jpg"

3.6.6 Winkels en dienstverlening

In het historisch lint van Hoogezand en Sappemeer nog veel oude winkel en bedrijfspanden aanwezig. Ook de lintdorpen in de voormalige gemeenten Slochteren en Menterwolde worden gekenmerkt door oude winkelpanden en (voormalige) bedrijfspanden die naast de boerderijen bijdragen aan de identiteit van de lintbebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0010.jpg"

Winkel-woonpand Spoorstraat 22 in Zuidbroek, markante ligging bij brug.

3.6.7 Maatschappelijke functies

Op de lijst van karakteristieke objecten staan ook panden die van oudsher een maatschappelijke functie vervullen, van oudsher vaak gekoppeld aan een kerk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0011.jpg"

Een voorbeeld is hier het kerkhuis in Zuidbroek. Dat gebouwd is als school vanaf 1860 in gebruik is geweest als armenhuis en later consistorie en verenigingsgebouw van de kerk. Het oudste deel van het pand is van 1818. Het pand vormt een ensemble met kerk en toren.

3.6.8 Woonbebouwing

Een groot deel van de karakteristieke objecten bestaat uit woonhuizen, van eenvoudige arbeidershuisjes tot rijkuitgevoerde jugendstil villa. Ook vroeg naoorlogse planmatige woningbouw is gewaardeerd als (jong) erfgoed. Voorbeelden hiervan zijn coöperatie woningen aan de Hamweg in Harkstede (48-54) en een flatcomplex aan de Kerkstraat (111-133) in Hoogezand.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0012.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0013.jpg"

Arbeiderswoningen Hamweg in Harkstede Flatcomplex Kerkstraat 111-133 in Hoogezand

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0014.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0015.jpg"

Renteniersvilla, het Loeg 27 in Muntendam Arbeiderswoning, Woldweg 222 in Kropswolde

Hoofdstuk 4 Uitgangspunten karakteristieke objecten

4.1 Waarderingscriteria

Voor het aanwijzen van de karakteristieke objecten, zoals genoemd in Hoofdstuk 1 is gebruik gemaakt van 5 vaste waarderingscriteria.

Cultuurhistorische waarde, met als leidraad:

  • het belang van het object / complex als bijzondere uitdrukking van een lokale culturele, sociaal-economische, maatschappelijke en/of wetenschappelijke ontwikkeling;
  • het belang van het object / complex als uitdrukking van een emotionele band of beleving van de bewoners met het gebied.

Architectuurhistorische waarde, zich uitend in één of meer van de volgende punten:

  • het belang van het object / complex voor de geschiedenis van de architectuur van het exterieur;
  • het belang van het object / complex voor het oeuvre van een architect, stedenbouwkundige of ontwerper;
  • het belang van het object / complex vanwege de esthetische kwaliteiten van het ontwerp;
  • het belang van het object / complex vanwege bijzonder materiaalgebruik, detaillering en constructie van het ontwerp (of onderdelen daarvan);
  • het belang van het object / complex vanwege het innovatieve karakter als uitdrukking van een technische of typologische ontwikkeling.

Stedenbouwkundig-landschappelijke/ensemble waarde, met als leidraad:

  • de betekenis van het object / complex vanwege de situering en de ruimtelijke relaties met de omgeving;
  • de betekenis van het object / complex als essentieel onderdeel of representant van een groter geheel, dat cultuurhistorisch, architectuurhistorisch en/of stedenbouwkundig-landschappelijk van belang is.

Authenticiteit:

  • de betekenis van het object / complex vanwege de authenticiteit van het ontwerp (of onderdelen daarvan);
  • het belang van het object / complex in relatie tot de structurele en/of visuele gaafheid van de rurale omgeving of directe omgevingsruimte.

Zeldzaamheid:

  • het belang van het object / complex vanwege de architectonische, stedenbouwkundig-landschappelijke, bouwtechnische, typologische en/of functionele zeldzaamheid in het gebied van de gemeente Slochteren.

De mate waarin een criterium bijdraagt aan de cultuurghistorische waarde is af te lezen aan het aantal kruisjes (lijst Slochteren) of het getal (Hoogezand-Sappemeer). Een groter aantal kruisjes betekent een hogere waarde, dit geldt ook voor een hoger getal (bijv. 3 in plaats van 1).

Naast een afweging op basis van de 5 criteria is bij een groot deel van de objecten op de lijsten een korte toelichting/ motivering opgenomen. Dit is geen uitgebreide redengevende omschrijving zoals bij monumenten gebruikelijk is.

4.2 Resultaat inventarisatie

Karakteristieke objecten (gebouwen en overige bouwwerken) zijn over het algemeen vanwege hun ligging en hun verschijningsvorm van belang voor de (afleesbaarheid van) de cultuurhistorie van Midden-Groningen. Het zijn de bijzondere parels in de kernen en en in het buitengebied van de gemeente.

Op de verbeelding van het bestemmingsplan zijn de locaties opgenomen. De wijze van bestemmien wordt in Hoofdstuk 5 toegelicht.

Daarbij is (via de regels) een link aangemaakt naar een externe website waarop de verzamelde nadere informatie is te raadplegen.

Alle objecten met karakteristieke objecten (op basis van de voormalige gemeenten) zijn ook raadpleegbaar via digitale Erfgoedkaart Midden-Groningen die ook op de website van de gemeente Midden-Groningen is te vinden.

De eerder vastgestelde lijsten met objecten inclusief waardering, foto en motivering zijn als bijlage opgenomen in de toelichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0016.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0017.png"

Voorbeelden lijst karakteristieke objecten Hoogezand-Sappemeer

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0018.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0019.png"

Voorbeelden lijst karakteristieke objecten Slochteren

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0020.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1952.bpmigfpkarobjecten-va01_0021.png"

Voorbeelden lijst beeldbepalende panden Menterwolde (boven: Meeden en onder: Zuidbroek)

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 RO standaarden en regels 2012

5.1.1 Algemeen

Onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden alle planologische visies, plannen, besluiten, verordeningen en algemene maatregelen van bestuur (Wro-instrumenten) digitaal vervaardigd en op elektronische wijze beschikbaar gesteld. Ten behoeve van de eenheid en de uitwisselbaarheid zijn er standaarden en regels ontwikkeld. Sinds 1 oktober 2012 gelden de RO standaarden en regels 2012 (ter vervanging van de RO Standaarden en regels 2008). Sinds 1 juli 2013 moeten deze verplicht worden toegepast. De RO standaarden en regels 2012 vervangen de RO standaarden 2008.

Omdat dit een facetbestemmingsplan is dat zich beperkt tot (aanvullende) regels voor karakteristieke objecten wordt er slechts beperkt gebruik gemaakt van alle digitale aspecten.

5.2 Toelichting dubbelbestemmingen

5.2.1 Indeling

Aan een dubbelbestemming bestaat de behoefte, wanneer een bestemming onvoldoende recht doet aan de functies/gebruiksdoeleinden die op de gronden toelaatbaar zijn of wanneer ruimtelijk relevante belangen veilig moeten worden gesteld die niet of onvoldoende met een bestemming kunnen worden gewaarborgd. Een dubbelbestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak.

In dit plan zijn 2 dubbelbestemming opgenomen:

  • Waarde - Cultuurhistorie - Karakteristiek' en
  • Waarde - Cultuurhistorie - Monument

De bestemmingen zijn aangevuld met aanduidingen.

Bestemming / aanduiding   Toepassing  
Dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie - Karakteristiek'
 
Op de (bouw)percelen van alle karakteristieke gebouwen en objecten  
Dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - Monument'   Op de objecten die als rijks- of gemeentelijk monument zijn aangewezen.
 
Aanduiding 'karakteristiek'   Karakteristieke gebouwen en objecten (bouwwerken geen gebouw zijnde), afgestemd op contour het bouwwerk  
Aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – karakteristieke boerderij'   Specifiek bedoeld voor karakteristieke agrarische bebouwing (in bedrijf), afgestemd op contour bouwwerk  
Aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – rijksmonument'   Rijksmonumenten, afgestemd op contour bouwwerk  
Aanduiding 'specifieke bouwaanduiding – gemeentelijk monument'   Gemeentelijke monumenten, afgestemd op contour bouwwerk  

In de (dubbel)bestemming 'Waarde – Cultuurhistorie - Karakteristiek' zijn de karakteristieke gebouwen en objecten geregeld. Het doel van de regeling is beschermen van de bebouwing.

Omdat er ook bouwwerken op de lijst staan die niet atijd als gebouw zijn te typeren (bruggen, gemalen etc.) wordt er in de regels vaak gesproken over 'objecten'. De dubbelbestemming wordt gekoppeld aan de percelen van karakteristieke objecten. Sloop is alleen onder voorwaarden mogelijk met een omgevingsvergunning. De complete lijst met objecten is ook als bijlage opgenomen bij de toelichting.

Aanvullend op de dubbelbestemming heeft elk object één van de twee aanduidingen:

  • karakteristiek of
  • specifieke bouwaanduiding – karakteristieke boerderij

De (dubbel)bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - Monument' heeft strikt genomen een zeer beperkte betekenis. De bestemming is opgenomen om ook in het bestemmingsplan inzicht te geven op de aanwezigheid van rijks- en gemeentelijke monumenten. Deze objecten worden beschermd vanuit de Erfgoedwet.

5.2.2 Regeling karakteristieke objecten

Op de percelen met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie - Karakteristiek' waarbij de objecten zijn opgenomen/ benoemd in één van de lijsten met karakteristieke objecten wordt een omgevingsvergunning voor het slopen slechts verleend in één of meer van de volgende situaties:

  • 1. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden en een algemeen belang waarvoor het pand/object moet wijken. Het kan daarbij gaan om nieuwe ontwikkelingen van maatschappelijk belang zoals de aanleg van een weg of andere infrastructurele werkzaamheden. Deze situatie geldt niet als er uitsluitend sprake is van schade aan een pand of een slechte bouwkundige staat. Een dusdanige situatie sluit aan bij punt 5.
  • 2. De karakteristieken niet meer aanwezig zijn en herstel alleen met ingrijpende aanpassingen mogelijk is.
  • 3. Een deel van het bouwwerk wordt gesloopt dat niet als karakteristiek wordt aangemerkt;
  • 4. Een deel van het pand wordt gesloopt dat weliswaar karakteristiek is, maar een vervanging plaatsvindt door gelijkwaardige delen. Dit betekent dat de vervangende delen in materiaal, kleur en uitstraling identiek zijn, dan wel in belangrijke mate de oorspronkelijke delen benaderen, waardoor voor het pand als geheel de kwaliteit overeind blijft of verbetert en een eenduidige uitstraling behouden blijft. Dit begrip is uiteraard niet volledig objectief te begrenzen. Daarom is ook een vergunning vereist en zullen deskundigen en de belanghebbenden in de omgeving kunnen worden betrokken om te bezien wat hieronder in voorkomende gevallen worden begrepen. Het is niet de bedoeling dit voor ieder onderdeel uitgebreid te beoordelen. In de meeste gevallen is hier snel duidelijkheid over.
  • 5. Als wordt aangetoond dat zinvol (her)gebruik van het bouwwerk in lijn met de geldende bestemming van het gebouw objectief gezien niet mogelijk is en het belang van de aanvrager bij sloop van het bouwwerk zwaarder weegt dan het cultuurhistorisch belang bij behoud van de bebouwing. In deze afweging worden ook de mogelijkheden voor herbestemming onderzocht. Er daarbij ook een onderbouwing nodig (een rapport), opgesteld door een deskundige, dat in gaat op:
    • a. de bouwkundige en gebruik technische staat van het gebouw;
    • b. de mate waarin het gebouw geschikt is om het aan te passen voor zinvol (her)gebruik in lijn met de bestemming of toekomstige bestemming en
    • c. de cultuurhistorische waarde van het bouwwerk,

De gemeentelijke erfgoedcommissie krijgt een adviserende rol in de afweging, waarbij nadrukkelijk gekeken of een duurzame instandhouding van het pand mogelijk is. De waarde van het pand nu en in de toekomst en de benodigde investeringen voor instandhouding worden daarbij betrokken. De instandhouding van gebouwen/objecten met een maximale waardering van de cultuurhistorische waarde kan net iets hoger liggen dan wanneer sprake is van een lagere waardering.

5.2.3 Regeling agrarische bedrijfsgebouwen

Voor bedrijfsschuren ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - karakteristieke boerderij' wijken de regels voor situatie 5 (zoals in 5.2.2 genoemd) iets af om in te kunnen spelen op de agrarische bedrijfsontwikkeling. Als inzichtelijk wordt gemaakt dat zinvol (agrarisch) gebruik van het bouwwerk of het aanpassen ervan objectief gezien niet meer mogelijk is kan onder voorwaarden een sloopvergunning worden afgegeven. Deze kan worden verleend als er sprake is van een met de 'maatwerkmethode' doorlopen en door het college goedgekeurd plan voor herinrichting van de locatie. Dit betekent dat de gemeente samen met initiatiefnemer en deskundigen (bijvoorbeeld een landschapsarchitect of stedenbouwkundige) een nieuw plan wordt opgesteld.

Voor de sloop van de (inpandige) bedrijfswoning gelden dezelfde criteria als genoemd onder de categorie 'karakteristiek'.

5.3 Verbeelding

5.3.1 Algemeen

Het onderscheid tussen de digitale en de analoge verbeelding van het bestemmingsplan bestaat sinds invoering van de RO-standaarden 2008. Sinds 2012 opgevolgd door de RO-Standaarden 2012.

In het Bro wordt de verbeelding niet langer als onderdeel van het bestemmingsplan genoemd. Dit komt omdat in de nieuwe wettelijke regelingen wordt uitgegaan van het primaat van digitalisering. Wel wordt door het Bro een volledige verbeelding van het bestemmingsplan op papier verplicht gesteld. In dat verband blijft de analoge verbeelding van het bestemmingsplan van belang. Overigens bepaalt het Bro dat bestemmingen en hun aansluiting op aangrenzend gebied moeten worden vastgesteld met gebruikmaking van een duidelijke ondergrond.

In dit bestemmingsplan bestaat de verbeelding uit een verzameling losse percelen met een dubbelbestemming in combinatie met een aanduiding (karakteristieke objecten) of alleen een aanduiding (monumenten).

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Voor het opstellen van dit bestemmingsplan is geld gereserveerd op de gemeentelijke begroting. Voor het overige zijn er aan de uitvoering van dit bestemmingsplan geen kosten verbonden voor de gemeente. Het opstellen van onderzoeken en onderbouwingen, komen volgens de Monumentenwet voor rekening van de verstoorder. De uitvoering van dit bestemmingsplan leidt naar verwachting niet tot planschade. De objecten zijn in het verleden al aangewezen als karakteristiek en/of hebben deze status al in een geldend bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid is daarmee gegarandeerd.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan is opgesteld op basis van de bestaande vastgesteld erfgoedlijsten in de gemeente Midden-Groningen. De lijst van (voormalig) Menterwolde) is al eerder vastgelegd in bestemmingsplannen. Dit geldt ook voor de lijst met agrarische bebouwing van (voormalig) Slochteren. De overige lijsten (Slochteren en Hoogezand-Sappemeer) zijn in 2017 tot standgekomen met inbreng door lokale werkgroepen. Ook hebben beiden lijsten voor inspraak ter inzage gelegen. Het voorontwerp bestemmingsplan is, naast de provincie en het waterschap, ook voorgelegd aan andere overlegpartners (waaronder Bond Heemschut, LTO, Libau en Rijksdienst Cultureel Erfgoed). De reacties zijn opgenomen in de Nota Inspraak en Overleg en waar mogelijk verwerkt in het plan.