direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslan
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.BpKleinewindmolens-ON01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Provinciale Staten van de provincie Fryslân hebben in hun vergadering van 1 juli 2020 de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) gewijzigd vastgesteld. Door deze wijziging bestaan er in de provincie nu mogelijkheden om onder voorwaarden windturbines bij agrarische bouwpercelen te realiseren. Windturbines kunnen geregeld worden in een paraplubestemmingsplan door middel van een afwijkingsmogelijkheid gebaseerd op een aantal voorwaarden. Een aanvraag moet aan de provincie worden voorgelegd.


Deze wijziging in de provinciale verordening heeft ertoe geleid dat ook in de gemeente Noardeast-Fryslân diverse initiatieven zijn ingediend voor het plaatsen van kleine turbines. De geldende bestemmingsplannen zijn gebaseerd op verouderd provinciaal beleid en faciliteren deze kleine windturbines echter (nog) niet. Dat betekent dat voor elke aanvraag een uitgebreide vergunningprocedure nodig, die tijdrovend en kostbaar is.

De gemeente Noardeast-Fryslân wil daarom naar aanleiding van deze beleidswijziging een gemeentedekkende planologische regeling opstellen met daarin een eensluidende regeling voor windturbines bij agrarische bouwpercelen. Het voorliggende paraplubestemmingsplan voorziet daarin.

1.2 Planvorm

Het is mogelijk om meerdere bestemmingsplannen tegelijkertijd op één of meerdere thema's of onderdelen te wijzigen zodat ze weer zijn voorzien van een goede regeling. Dit kan in de vorm van een zogenaamd paraplubestemmingsplan dat thema's of onderdelen regelt voor de bestemmingsplannen die zijn genoemd in het paraplubestemmingsplan. Omdat de regeling overkoepelend geldt voor een aantal bestemmingsplannen wordt het een paraplubestemmingsplan genoemd.

Het voorliggende paraplubestemmingsplan is daarmee een aanvullende regeling voor het onderwerp windturbines bij agrarische bouwpercelen en herziet de bestaande bestemmingsplannen op dit onderdeel. Het paraplubestemmingsplan voorziet in een regeling om onder (de door de provincie gestelde) voorwaarden windturbines op of aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel toe te staan.

1.3 Plangebied

Het paraplubestemmingsplan heeft betrekking op alle gronden binnen geldende bestemmingsplannen waar agrarische bouwpercelen aanwezig zijn en op gronden direct grenzend aan agrarische bouwpercelen. Het plangebied behelst derhalve een groot deel van het grondgebied van de gemeente Noardeast-Fryslân. De uitzonderingen betreffen natuur- en kwetsbare gebieden. Het plangebied betreft het landelijk gebied waarin agrarische bedrijven zijn gelegen, dit in verband met de relatie van de plaatsing van windturbines met het agrarische bedrijf i.c. het bouwvlak. Het plangebied betreft in ieder geval de plangebieden van de volgende bestemmingsplannen:


Bestemmingsplan  

Voormalige gemeente  
Buitengebied Ferwerderadiel   Ferwerderadiel  
Bûtengebiet Dongeradeel   Dongeradeel  
Bestemmingsplan Buitengebied 2012   Kollumerland en Nieuwkruisland  

Daarnaast zijn een aantal andere bestemmingsplannen in het onderhavige paraplubestemmingsplan meegenomen, omdat daar agrarische gronden aanwezig zijn die grenzen aan agrarische bouwpercelen. In bijlage 1 van de regels zijn alle bestemmingsplannen opgenomen die met dit paraplubestemmingsplan worden herzien.

1.4 Startdocument

Gemeente Noardeast-Fryslân wil invulling en ruimte geven aan het nieuwe, provinciale windturbinebeleid. De geldende bestemmingsplannen zijn gebaseerd op verouderd provinciaal beleid en faciliteren deze kleine windturbines echter (nog) niet. Dat betekent dat voor elke aanvraag een uitgebreide vergunningprocedure nodig, die tijdrovend en kostbaar is. Om de verruimde mogelijkheden van de provincie te kunnen benutten is het noodzakelijk en gewenst om een nieuw bestemmingsplan voor het gemeentelijk grondgebied - een paraplubestemmingsplan - op te stellen, waarin het plaatsen van een windturbine onder voorwaarden mogelijk wordt gemaakt. Dit biedt mogelijkheden om agrarische bedrijven mogelijk te verduurzamen wat betreft de energievoorziening.

Het paraplubestemmingsplan biedt het planologisch toetsingskader voor het plaatsen van kleine windturbines bij agrarische bedrijven in de gemeente. Ter voorbereiding van dit paraplubestemmingsplan is door de gemeente een startdocument opgesteld. Doel van dit startdocument is de uitgangspunten vast te stellen die als basis dienen voor het op te stellen paraplubestemmingsplan. De startnotitie is ter vaststelling aangeboden aan het college en opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting.

Hoofdstuk 2 Beleid

2.1 Rijksbeleid

Op verschillende niveaus gelden beleidsnota's die betrekking hebben op het plangebied. Op rijksniveau is dit onder andere de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Deze beleidsnota geeft geen specifieke uitgangspunten voor het plangebied.

Verder zijn op basis van rijksbeleid diverse thema's op het plangebied van toepassing. Hierbij worden uitsluitend regels gesteld ten aanzien van ontwikkelingen. Omdat geen sprake is van nieuwe, ruimtelijk relevante ontwikkelingen, zijn deze thema's niet van belang. In algemene zin wordt gestreefd naar een voortzetting en met name een verbetering van het bestaande kwaliteitsniveau. Dit geldt dan ook voor het plangebied.

2.2 Provinciaal beleid

Op provinciaal niveau geldt het Streekplan Fryslân 2007, dat verder is uitgewerkt in de Verordening Romte Fryslân 2014. Voor het onderhavige paraplubestemmingsplan is de Wijziging Verordening Romte Fryslân 2014 (windturbines) van belang. Deze wijziging voorziet in mogelijkheden om onder de volgende voorwaarden maximaal 3 windturbines op of direct grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf te realiseren:

  • 1. de windturbines mogen een maximale ashoogte van 15 meter hebben;
  • 2. het op te stellen vermogen is gericht op de energiebehoefte van het agrarisch bedrijf;
  • 3. de turbines moeten zorgvuldig worden ingepast binnen de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij de mogelijkheden om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen zijn verkend.

2.3 Gemeentelijk beleid

In de coalitieagenda voor de gemeente Noardeast-Fryslân 2019-2022 staat het volgende over kleine windturbines: “We streven naar het leveren van betekenisvolle bijdragen aan een duurzame samenleving. Energietransitie willen we stimuleren en de inwoners daar bij betrekken. Als gemeente zullen we invulling geven aan onze voorbeeldrol.

In het kader van de energietransitie zullen diverse vormen van duurzame energiebronnen moeten worden aangewend om een betekenisvolle bijdrage te leveren aan het behalen van klimaat doelstellingen (o.a. lagere CO2 uitstoot). Eén van deze milieuvriendelijke bronnen is windenergie, waarbij de bouw van molens vanzelfsprekend effect heeft op het landschap. Dit effect wil het college inkaderen:

  • Provinciaal beleid bepaalt welke ruimte een gemeente heeft voor het opwekken van energie door molens.
  • Indien toekomstig provinciaal beleid het mogelijk maakt dan zal het college naast kleine molens (zoals bijv. Groninger model) iets grotere molens toestaan, indien ze passen in de omgeving, er draagvlak voor is in de omgeving en burgers ervan profiteren, waarbij maatwerk altijd een leidend criterium is.
  • Solitaire megamolens en windparken van middelgrote en megamolens zullen in deze raadsperiode niet worden toegestaan".

Hoofdstuk 3 Omgevingsaspecten

In het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan in relatie tot een aantal kwaliteitseisen uit hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Met andere woorden, er moet sprake zijn van een goede omgevingssituatie.

3.1 Slagschaduw

De windturbine moet voldoen aan de van toepassing zijnde eisen van het Activiteitenbesluit, waaronder de normen voor slagschaduw.

Bij kleine windturbines treedt geen slagschaduw op. Als de zon de rotor van een grote windturbine belicht, leidt dit tot een bewegende schaduw. Doordat de wieken van een grote windturbine heel lang zijn (30 tot 50 meter) ervaren mensen deze schaduw soms als hinderlijk. De lange wieken maken namelijk een lange schaduw en bewegen bovendien relatief langzaam (20 omwentelingen per minuut). Miniturbines kunnen geen slagschaduw maken. Enerzijds heeft dat te maken met een korte en smalle wiek (maximale wieklengte is 2,5 meter) en anderzijds door een hoog aantal (150 tot 400) omwentelingen per minuut. De wieken van een miniturbine zijn te klein en draaien te snel om een hinderlijke schaduw te kunnen veroorzaken.

De wat ‘grotere’ kleinschalige turbines (wieklengte 4,5 tot 8 meter) veroorzaken mogelijk wel slagschaduw. In het activiteitenbesluit en de activiteitenregeling Milieubeheer staan daarom normen voor hinder door slagschaduw. Hier moet de turbine aan voldoen. Als er sprake is van hinder door slagschaduw bij een gevoelig object, dan is men verplicht om een automatische stilstand voorziening aan te brengen bij de windturbine (artikel 3.12 lid 1 van de Activiteitenregeling).

3.2 Geluid

De windturbine moet voldoen aan de van toepassing zijnde eisen van het Activiteitenbesluit, waaronder de normen voor geluidhinder. Het totale geluidniveau wat een inrichting maximaal mag produceren op de gevel van omwonenden en andere geluidgevoelige objecten is opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor een kleine windturbine met een rotordiameter van 2 meter of meer is een melding Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht. Bij de melding moet een akoestisch onderzoek worden gevoegd.

3.3 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.


Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.


Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.


Onderzoek

Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied van dit bestemmingsplan, verscheidene risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de betreffende risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.BpKleinewindmolens-ON01_0001.jpg"

Figuur 3: Uitsnede risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)

Binnen het plangebied waarop dit paraplubestemmingsplan van toepassing is, liggen verscheidene hogedruk aardgastransportleidingen, gasleidingen, regionale wegen en andere risicobronnen. Gebieden kunnen op voorhand niet worden getoetst op de mogelijkheid van de bouw van een windturbine met een ashoogte van maximaal 15 meter. Deze toetsing wordt uitgevoerd bij een aanvraag omgevingsvergunning. In de juridische regeling is om die reden een regel opgenomen die de afstand van windturbines tot risicobronnen borgt.

Hoogspanningsleidingen

In onderstaande figuur wordt de ligging van hoogspanningsverbindingen die door de gemeente Noardeast-Fryslân lopen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.BpKleinewindmolens-ON01_0002.jpg"

Figuur 4: Uitsnede HoogspanningsNet Netkaart (bron: hoogspanningsnet.com)


De eigenaar van de hoogspanningsleidingen, TenneT, bepaalt de afstand die moet worden aangehouden tussen eigendommen van TenneT en windturbines op basis van het 'Handboek Risicozonering Windturbines'. Omdat geen eis voor certificering is opgenomen en omdat de veiligheidsmaatregelen bij windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter afwijken van de grote exemplaren, heeft TenneT rekening gehouden met de maximale werpafstand bij tweemaal nominaal toerental waarbij de mogelijkheid wordt geboden dat kan worden volstaan met een kortere afstand. De gemeente Noardeast-Fryslân heeft in regels bepaald dat een windturbine op zijn minst op de maximale werpafstand bij twee keer het maximale toerental van hoogspanningsleidingen moeten worden geplaatst. Dat is de afstand die een rotorblad kan afleggen bij het losschieten van de windturbine als deze twee keer zo snel draait dan maximaal mogelijk (nominaal toerental). Het toetsingskader wordt toegepast bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine, zoals door dit bestemmingsplan geboden. Het plan voldoet hiermee aan de gestelde eisen.


Conclusie

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een windturbine met een ashoogte van maximaal 15 meter moet beoordeeld worden of op grond van het aspect externe veiligheid de omgevingsvergunning kan worden verleend. Eventueel kunnen in het kader van externe veiligheid voorwaarden worden gesteld. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

3.4 Ecologie

Door de plaatsing van windturbines kunnen ecologische belangen worden geschaad. Het gaat daarbij met name om effecten voor (beschermde) vogels of vleermuizen. Dit is op voorhand niet direct duidelijk en afhankelijk van de locatie. Bij elke aanvraag zal getoetst moeten worden aan de natuurbelangen. Dit kan in de vorm van een quickscan. Met een natuurtoets (quickscan) moet worden onderzocht welk effect de windturbine heeft. Worden beschermde soorten verstoord, verwond of zelfs gedood? Dan kan het reden zijn om de windturbine niet toe te staan. Bij elke aanvraag voor plaatsing van een kleinschalige windturbine wordt per locatie gekeken of de Flora- en Faunawet van toepassing is. Wanneer dit het geval is, zal de initiatiefnemer een ontheffing moeten aanvragen. In de regels is hiertoe een bepaling opgenomen.

3.5 Landschap en cultuurhistorie

Windturbines zijn door hun hoogte en de noodzaak van vrije ruimte voor windvang goed zichtbaar vanuit de omgeving. En als zij draaien worden zij juist door die beweging nog eens extra benadrukt. Daarnaast zijn dergelijke bouwwerken van recente oorsprong en daarom worden zij in het algemeen niet ervaren als passend bij het traditionele landschap. Om die reden wordt de impact van windturbines nogal eens als negatief beoordeeld. Al snel kan een turbine beschouwd worden als afbreuk van het landschap.

Om die afbreuk op de landschappelijke kwaliteit te beperken kan een landschappelijke inpassing verlangd worden. Daartoe wordt een plan opgesteld. Initiatiefnemer en gemeente komen in een dergelijk plan overeen waar de turbine geplaatst wordt en welke aanvullende maatregelen genomen worden. Hierbij valt te denken aan beplanting, positionering maar mogelijk ook sloop of kap.

Om de impact op het landschap te beperken moet de turbine een ruimtelijke eenheid vormen met de overige bebouwing en beplanting op het perceel. Voor een initiatief dient een landschappelijk inpassingsplan opgesteld te worden. Dit gebeurt in overleg met: initiatiefnemer, de gemeentelijke stedenbouwkundige, de welstandscommissie Hûs en Hiem en de provincie. Maatwerk is belangrijk en mogelijk. Elke locatie, elk project is anders. Vroegtijdig overleg bij de start van het initiatief met alle betrokken partijen wordt daarom sterk aanbevolen. In een gezamenlijk overleg met initiatiefnemer, gemeente en Hûs en Hiem kan het voorstel dan worden besproken en kunnen de landschappelijke inpassing en de welstandsaspecten (uiterlijke verschijninsvorm) beoordeeld worden.

Voor het landschappelijk inpassingsplan dient gebruik te worden gemaakt van de handvatten die zijn aangereikt door Hûs en Hiem in de notitie 'Kleine windturbines in Fryslân'. Deze notitie is opgenomen als bijlage 3 van de regels. Voor de op te stellen inpassingsplannen en de randvoorwaarden per landschapstype kan eveneens gebruik gemaakt worden van de informatie over het landschap in de 'Landschapsbiografie van Noardeast-Fryslân' (januari 2021). De Landschaps biografie is opgenomen als bijlage 2 bij de regels. Ook dient bij een aanvraag rekening te worden gehouden met de beschermde waarden zoals die zijn opgenomen in de onderliggende bestemmingsplannen ('moederplannen'). Het kan daarbij gaan om archeologische-, cultuurhistorische-, landschappelijke- en geomorfologische waarden.

Landschappelijk inpassingsplan

Als er meerdere vrijstaande turbines worden geplaatst (maximaal 3), dan is het belangrijk de opstelling te plaatsen op een manier die past bij de landschappelijke structuren rondom het erf. Als daar geen aandacht voor zou zijn, kan een erg rommelig of onlogisch beeld ontstaan Voor elk initiatief dient daarom een landschappelijk inpassingsplan opgesteld te worden. Het landschappelijk inpassingsplan omvat in ieder geval:

  • een beschrijving van de landschappelijke hoofdstructuur en de cultuurhistorische betekenis van de locatie en omgeving;
  • een omschrijving van de plaatsing van de windturbines op het erf in relatie tot de kenmerkende landschappelijke structuren;
  • inzicht in de plaatsing van de windturbines in relatie tot het totaalbeeld van het erf en in relatie tot de naastgelegen erven;
  • aandacht voor de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle elementen ende aanwezige beplanting;
  • aspecten die te maken hebben met de verschijningsvorm (zoals de (eenheid) in de hoofdvorm, de hoogte, materialen, kleurgebruik);
  • aandacht voor (de borging van) wateraspecten, bijvoorbeeld in het geval van de plaatsing van een windmolen op of in de nabijheid van een waterkering.

Uitsluitingsgebieden

De gemeente Noardeast-Fryslân kent grofweg drie landschapstypen: het Lauwersmeergebied, met het stroomgebied van het Dokkumer Grutdjip, het Oostergose Kleigebied en de Noordelijke Wouden. Binnen deze landschapstypen zijn er gebieden die logischerwijs vrij moeten blijven van turbines, zoals het stroomgebied van het Dokkumer Grutdjip, de buitendijkse polders en kwelders en de voormalige zomerpolders tussen Paesens en Oostmahorn. Het overgaan tot uitsluitingsgebieden lijkt echter op voorhand niet nodig aangezien in deze deelgebieden nauwelijks tot geen agrarische bouwpercelen aanwezig zijn.

Hoofdstuk 4 Juridische toelichting

4.1 Uitleg van de regeling

4.1.1 Inleiding

Het paraplubestemmingsplan is gebaseerd op het behouden van de juridisch-planologische ruimte zoals deze is opgenomen in de geldende bestemmingsplannen. Het paraplubestemmingsplan vormt het juridisch-planologische regime voor het onder voorwaarden mogelijk maken van windturbines op en aangrenzend aan agrarische bouwpercelen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde binnenplanse afwijkingsprocedure.

4.1.2 Opzet en toelichting regels

Per hoofdstuk is de opbouw van de regels beschreven.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

Dit hoofdstuk bestaat uit de inhoudelijke begripsbepalingen die van belang zijn voor de toepassing van het paraplubestemmingsplan. Deze regeling heeft zijn eigen begrippen. Deze begrippen worden daarom toegevoegd of vervangen de bestaande begrippen uit de geldende bestemmingsplannen.

Het begrip windturbine: is toegevoegd om aan te geven wat hieronder valt. Het begrip sluit aan op het begrip uit de Verordening Romte 2014. Het begrip risicovolle inrichting: is opgenomen omdat moet worden voldaan aan bepaalde richtafstanden tot aardgastransportleidingen en hoogspanningsverbindingen. Verder is, om duidelijk te maken wat onder het gebruik van gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning wordt verstaan, het begrip kleinschalige duurzame energiewinning toegevoegd.

Artikel 2. Wijze van meten

Teneinde interpretatieverschillen over het bepalen van de hoogte van een windturbine te voorkomen, wordt gemeten vanaf de ashoogte (zijnde het grondpeil tot het middelpunt van de rotorbladen). Tevens is een meetvoorschrift voor de tiphoogte en rotordiameter van een windturbine opgenomen. Bij de wijze van meten is aangegeven wat hieronder wordt verstaan.

Artikel 3 Van toepassing verklaring

Dit artikel geeft aan op welke gebieden het paraplubestemmingsplan betrekking heeft. De regels in dit bestemmingsplan zijn van toepassing op de in bijlage Lijst van toepassing zijnde bestemmingsplannen opgenomen bestemmingsplannen. In deze bestemmingsplannen wordt met de nieuwe regeling binnen de van toepassing zijnde agrarische bestemmingen het plaatsen van windturbines via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakt. De overige regels binnen de vigerende bestemmingsplannen blijven onverkort van toepassing.

Hoofdstuk 2 Regels windturbines

Artikel 4 Algemene bouwregels

In dit artikel is de afwijkingsbevoegdheid opgenomen om windturbines te bouwen bij of aangrenzend aan een agrarisch bouwperceel. De voorwaarden die de provincie aan het toestaan van windturbines stelt, zijn als toetsingskader aan de afwijking met een omgevingsvergunning opgenomen. Voor de toetsing aan de onderdelen b en c van lid 5 Algemene gebruiksregels kan de toelichting van de provincie als leidraad worden genomen:

4.1.b. Eigen behoefte:

Uit landschappelijke overwegingen is het van belang dat het aantal windturbines beperkt blijft en dat extra druk op het net zoveel mogelijk wordt voorkomen. Om deze redenen mogen alleen bij agrarische bedrijven windturbines worden geplaatst als het opgestelde vermogen van de te plaatsen windturbine(s) is gericht op de eigen behoefte van het agrarisch bedrijf. Voor het bepalen van het eigen gebruik kan het gemiddelde energieverbruik van de afgelopen drie jaar als leidraad aangehouden worden. Voor een berekeningsmethode van deze eigen behoefte in relatie tot de opbrengst van de windturbinekan kan worden verwezen naar de landelijke Windviewer SDE ++. Wanneer gekozen wordt voor een combinatie met zonnepanelen of een mestvergister is het bijna niet te vermijden dat op enig moment toch sprake is van teruglevering aan het net. Dit mag, zolang gebruik gemaakt kan worden van de bestaande eigen netaansluiting van het agrarische bedrijf. Maatwerk blijft ook hier echter mogelijk. In uitzonderingsgevallen kan gemotiveerd worden dat door omstandigheden een netverzwaring toch nodig is om in de eigen behoefte te kunnen voorzien.

4.1.c. Landschappelijke inpassing

Het is verder van belang om de windturbines goed in te passen en daarbij de tevens mogelijkheden voor zon op dak te verkennen. Maatwerk is belangrijk. Vroegtijdig overleg met alle betrokken partijen bij de start van het initiatief wordt daarom sterk aanbevolen. Zie verder paragraaf 3.5. Wanneer zon op dak een reële optie is voor het bedrijf dan moet zorgvuldig worden afgewogen of vanuit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit het plaatsen van zon op dak dan niet de betere manier is om te voorzien in de eigen energiebehoefte.

Met betrekking tot de voorwaarde dat de windturbines zorgvuldig worden ingepast in de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten van het landschapstype, zal de beoordeling plaatsvinden aan de hand van bijlagen 2 en 3 zoals opgenomen bij de regels.

Artikel 5 Algemene gebruiksregels

Het is mogelijk dat in een aantal geldende bestemmingsplannen windturbines niet zijn toegestaan en/of het gebruik van de gronden voor (kleinschalige) duurzame energiewinning planologisch niet mogelijk is op agrarische bouwpercelen en de daarbijbehorende agrarische gronden.

Indien hiervan sprake is, dient in combinatie met het bouwen ook het gebruik mogelijk te worden gemaakt. Hiervoor is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen die in dat geval in combinatie met artikel 4 lid 5 moet worden toegepast.

In artikel 5.1, afwijken van de gebruiksregels is opgenomen dat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken voor het gebruik van de gronden voor kleinschalige duurzame energiewinning in de vorm van zonne- en windenergie. De provincie geeft in haar beleid aan dat voorafgaand aan het toelaten van windturbines  vooraf ook naar de mogelijkheden moet worden gekeken om te voorzien in de energiebehoefte van het agrarische bedrijf door middel van zonnepanelen op de gebouwen. Het plaatsen van zonnepanelen op dak is grotendeels wel vergunningvrij, maar niet altijd. Indien het niet vergunningvrij is, moet de bestemming het wel toelaten. De verbreding van het gebruik -zoals verwoord in artikel 5.1- is uitsluitend toegespitst op kleinschalige duurzame energiewinning, hetgeen perceelgebonden is (zie begrip) en is niet van toepassing op de ontwikkeling van zonneparken. De Verordening Romte Fryslân geeft daarnaast aan dat opstellingen voor zonne-energie, mits voor eigen energieverbruik, alleen zijn toegestaan op het bestaande bouwperceel. De regeling in artikel 5.1 is hier op afgestemd.

Hoofdstuk 3 Algemene regels en hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

De overige artikelen in dit paraplubestemmingsplan zijn opgenomen omdat dat op basis van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht is. De anti-dubbeltelregeling in hoofdstuk 3, artikel 6 is bedoeld om te voorkomen dat van ruimte die in een bestemmingsplan voor de realisering van een bepaald gebruik of functie mogelijk is gemaakt, na realisering daarvan, ten gevolge van feitelijke functie- of gebruiksverandering van het gerealiseerde, opnieuw zou kunnen worden gebruik gemaakt. Tenslotte is in hoofdstuk 4 een standaardbepaling voor het overgangsrecht opgenomen (artikel Overgangsrecht) en een slotregel (artikel Slotregel).

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Als er sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, moeten deze kosten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. De kosten die worden gemaakt voor het opstellen van voorliggende paraplubestemmingsplan worden gefinancierd uit de gemeentelijke middelen.

Grondexploitatieplan

De Wet ruimtelijke ordening verplicht gemeenten om bij ontwikkelplannen een exploitatieplan op te stellen, tenzij het kostenverhaal anderzijds is verzekerd. De kosten voor het opstellen van dit plan komen voor rekening van de gemeente. Het oprichten van kleinschalige windturbines is alleen toegestaan na het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemmingsregels. De kosten voor de gemeente betreffen het beoordelen van deze aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. De economische uitvoerbaarheid ligt in de handen van initiatiefnemers. Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg en inspraak

In artikel 3.1.1. Bro is bepaald dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg wordt gepleegd met de voor het onderwerp betrokken overheden of instanties. Ook is het plan voorgelegd ter inspraak. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen.

In het kader van het vooroverleg is aan de overlegpartners om een reactie gevraagd. Er is een reactie binnengekomen van de provincie Fryslân, wetterskip Fryslân, brandweer Fryslân en Liander. Brandweer fryslan en Liander hebben laten weten geen opmerkingen op het plan te hebben.

Provincie Fryslân verzoekt de regelgeving aan te passen zodat alleen duurzame emergiewinning in de vorm van zonne- en windenergie mogelijk wordt gemaakt, waarbij zonne-energie uitsluitend binnen het bouwvlak wordt toegestaan. Deze opmerking heeft geleid tot het aanpassen van artikel 5.1.

Ook heeft de provincie enkele opmerkingen gemaakt betreffende de landschappelijk inpassing. Voor zo ver deze opmerkingen daartoe aanleiding gaven, is het paraplu bestemmingsplan hier op aangepast.

Het wetterskip geeft in haar reactie aan dat gemist wordt hoe het wateraspect geborgd wordt in het plan. Deze opmerking heeft geleid tot het aanvullen van de punten waaraan een landschappelijk inpassingsplan moet voldoen.

Zienswijzen

Nadat de reacties zijn beantwoord en eventuele aanpassingen in het plan zijn verwerkt, wordt het ontwerp-paraplubestemmingsplan ter inzage gelegd. Gedurende zes weken kunnen zienswijzen worden ingediend. De gemeente beantwoordt alle ingekomen zienswijzen. Zienswijzen kunnen leiden tot een aanpassing van het paraplubestemmingsplan.

Vastgesteld paraplubestemmingsplan

Nadat de ingekomen zienswijzen zijn beantwoord, wordt het paraplubestemmingsplan – al dan niet gewijzigd – ter vaststelling aangeboden aan de raad. Na publicatie start de beroepstermijn van zes weken. Het vaststellingsbesluit staat open voor beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.