direct naar inhoud van Regels
Plan: N629 Oosterhout - Dongen
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ipN629-va01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het inpassingsplan N629 Oosterhout - Dongen met identificatienummer NL.IMRO.9930.ipN629-va01 van de provincie Noord-Brabant;

1.2 inpassingsplan:

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar, ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.5 agrarisch gebruik:

het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.6 antennedrager:

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;

1.7 antenne-installatie:

installatie bestaande uit een antennestaaf, -spriet (al dan niet met dwarssprieten) of -schotel, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

1.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.9 beperkt kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden;

1.10 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.11 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.13 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.14 ecologische verbindingszone:

een verbinding tussen natuurgebieden (met nieuwe of herstelde natuur) die migratie van planten en dieren tussen natuurgebieden mogelijk maakt;

1.15 extensief recreatief medegebruik:

een vorm van recreatief medegebruik die nauwelijks of geen invloed heeft op de in de bestemmingsomschrijving van de bestemmingen gegeven doeleinden zoals wandelen, fietsen en dergelijke;

1.16 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.17 geluidsgevoelig object:

geluidsgevoelige gebouwen of terreinen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.18 geluidsgevoelige functies:

functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidsgevoelig object kan worden aangemerkt;

1.19 houtgewas:

bomen, struiken, houtopstanden, boomgaarden, knotbomen, singels en houtwallen;

1.20 kunstwerk:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam, een duiker, een tunnel, een via- of aquaduct dan wel een daarmee gelijk te stellen voorziening;

1.21 kwetsbaar object:

een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden;

1.22 Natuur Netwerk Brabant:

samenhangend netwerk van natuurgebieden van nationaal en internationaal belang in de provincie Noord-Brabant (voorheen aangeduid als de ecologische hoofdstructuur) met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten bestaande uit de meest waardevolle natuur- en bosgebieden en andere gebieden met belangrijke aanwezige en te ontwikkelen natuurwaarden;

1.23 nutsvoorziening:

voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals voor de levering van elektriciteit, gas, drinkwater en telecommunicatiediensten, alsmede voor riolering en afvalinzameling;

1.24 omgevingsvergunning:

vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo);

1.25 onderdoorgang:

een kort, grotendeels gesloten kunstwerk waarmee een weg of andere verkeersverbinding onder een bouwwerk, een weg en/of maaiveld wordt geleid;

1.26 peil:
  • a. voor een bouwwerk op een kunstwerk: de hoogte van de kruin van het kunstwerk ter plaatse van het bouwwerk;
  • b. voor geluidschermen: de hoogte van de weg ter plaatse van het geluidscherm;
  • c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd: het ter plaatse aan te houden waterpeil;
  • e. in afwijking van het bepaalde in lid 1.26 onder a t/m d geldt als peil het Normaal Amsterdams Peil, indien N.A.P. staat aangegeven;
1.27 rijstrook:

een enkele strook van de rijbaan van een weg, die voldoende plaats biedt aan een enkele rij rijdende motorvoertuigen op meer dan drie wielen, waaronder niet begrepen opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten;

1.28 straatmeubilair:

de op of bij de weg behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals: verkeerstekens, wegbebakeningen, bewegwijzeringen, verlichting, halte-aanduidingen, parkeerregulerende constructies, roadbarriers, afvalinzamelsystemen, brandkranen, informatie- en reclameobjecten, rijwielstandaards, papier- en plantenbakken, zitbanken, communicatievoorzieningen, beeldende kunst, gedenktekens, speelvoorzieningen, abri's en dergelijke;

1.29 waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit;

1.30 waterstaatsdoeleinden:

onder waterstaatsdoeleinden worden onder meer verstaan waterberging, waterhuishouding, waterlopen en waterkerende werken ten behoeve van de waterstaat.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en de buitenzijde van de bovenafdekking;

2.3 de ondegrondse bouwdiepte van een bouwwerk:

Vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

2.4 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.5 ondergeschikte bouwdelen:

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen buiten beschouwing gelaten, tot een maximum van 1,00 m.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving
3.1.1 Algemeen

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch gebruik, zowel bedrijfsmatig als hobbymatig;
  • b. behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden;
  • c. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • d. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • e. erfbeplanting;
  • f. landschappelijke inpassing van bouwwerken en voorzieningen;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen.

3.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mogen uitsluitend erfafscheidingen worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 2 m.

Artikel 4 Natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de natuurwaarden en ecologische waarden;
  • b. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke waarden;
  • c. behoud, herstel en/of ontwikkeling van de hydrologische waarden;
  • d. behoud, herstel en/of ontwikkeling van een ecologische verbindingszone, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant Ecologische Verbindingszone', de aanduiding 'overige zone - Ecologische Verbindingszone' en de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem';
  • e. een brug ter plaatse van de aanduiding 'verkeer'.
  • f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. (onverharde) paden, wegen en parkeervoorzieningen;
  • h. extensief recreatief medegebruik;

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder perceelsontsluitingen.

4.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. op of in deze gronden mogen geen gebouwen en bouwwerken worden gebouwd, behoudens eenvoudige voorzieningen in de vorm van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor extensief recreatief medegebruik, zoals informatieborden, picknickplekken, banken en afvalbakken en/of waterhuishoudkundige voorzieningen, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem' voorzieningen ten behoeve van het realiseren van een ecologische verbindingszone als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant, alsmede voorzieningen ten behoeve van een verbetering/herstel van het natuurlijk watersysteem van bovenregionaal belang;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'verkeer' mag een brug gebouwd worden die op het Wilhelminakanaal een doorvaarthoogte van minimaal 7,30 meter, gerekend vanaf een peil van 540 centimeter boven N.A.P., mogelijk maakt.

4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 4.2 voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van het natuurbeheer, mits:

  • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 4 meter;
  • b. de oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 m²;
  • c. het bouwwerk noodzakelijk is in het kader van bos- en natuurbeheer;
  • d. het bouwwerk wordt gesitueerd binnen minimaal 2,5 hectare aaneengesloten bos- en/of natuurgebied;
  • e. de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant Ecologische Verbindingszone' niet verhinderd wordt.
4.4 Specifieke gebruiksregels

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen:

  • a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. voor lawaaisporten;
  • c. voor verblijfsrecreatie;
  • d. het aanleggen van drainage.
4.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.5.1 Werken en werkzaamheden

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het verzetten of vergraven van grond waarbij het maaiveld over meer dan 100 m² wordt gewijzigd of het maaiveld zelf met meer dan 0,5 meter wordt gewijzigd;
  • b. het aanleggen, verdiepen of dempen (van oevers, profiel, doorstroom- of bergingscapaciteit) van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. het verlagen van de grondwaterstand door aanleg van drainage of door bemaling en/of bronnering;
  • d. het verwijderen van beplanting (landschapselementen);
  • e. het verwijderen, aanleggen en/of verharden van wegen, paden, parkeerterreinen, of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • f. het vellen of rooien van houtgewas;
  • g. het aanbrengen van (infrastructurele) ondergrondse leidingen.
4.5.2 Uitzonderingen

Het in sublid 4.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud en/of gebruik betreffen, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende omgevingsvergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het inwerkingtreden van dit plan;
  • c. noodzakelijk zijn voor de ontwikkeling van de nieuwe ecologische verbindingszone ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant Ecologische Verbindingszone' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem'.
4.5.3 Toelaatbaarheid

De in sublid 4.5.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de in de bestemmingsomschrijving aangegeven waarden.

Artikel 5 Verkeer

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, met niet meer dan 2x2 rijstroken, alsmede parallelwegen, opstelstroken, in- en uitvoegstroken, op- en afritten;
  • b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers;
  • c. kabels en leidingen;
  • d. de landschappelijke inpassing van wegen;
  • e. een ecologische verbindingszone als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant en/of het verbeteren en herstellen van het natuurlijk watersysteem van bovenregionaal belang ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem';
  • f. een antennedrager en antenne-installatie, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie';

een en ander met bijbehorende voorzieningen, waaronder straatmeubilair, groen, nutsvoorzieningen, kunstwerken, een fietstunnel, geluidwerende voorzieningen, langzaamverkeerverbindingen, zoals voet, bromfiets- en rijwielpaden en overige bij het wegverkeer behorende voorzieningen, zoals bermen, taluds en vluchtstroken.

5.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan, met uitzondering van nutsvoorzieningen waarbij geldt dat de bouwhoogte maximaal 3 meter en de oppervlakte maximaal 15 m² mag bedragen;
  • b. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijn, geldt dat:
    • 1. de bouwhoogte niet meer dan 3 meter bedraagt;
    • 2. de maximale diepte voor de aanleg van een fietstunnel niet meer dan 1 meter onder N.A.P. mag bedragen.
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem' voorzieningen ten behoeve van het realiseren van een ecologische verbindingszone als onderdeelvan het Natuurnetwerk Brabant, alsmede voorzieningen ten behoeve van een verbetering/herstel van het natuurlijk watersysteem van bovenregionaal belang met een maximale bouwhoogte van 3 meter;
  • d. ter plaatse van de functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' mag maximaal 1 antennedrager met antenne-installatie opgericht worden;
  • e. ter plaatse van de functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' mag de bouwhoogte van een antennedrager met antenne-installatie maximaal 25 meter bedragen;
  • f. ter plaatse van de functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' mag de bouwhoogte van erf- en perceelsafscheidingen maximaal 3,5 meter bedragen;
  • g. ter plaatse van de functieaanduiding 'zend-/ontvangstinstallatie' mag de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 4 meter bedragen.

5.3 Specifieke gebruiksregels

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en opstallen waar de aanduidingen 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant Ecologische Verbindingszone' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem' samenvallen met de bestemming 'Verkeer':

  • a. voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • b. voor lawaaisporten;
  • c. voor verblijfsrecreatie;
  • d. het aanleggen van drainage.

5.4 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd deze bestemming te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch', dan wel 'Natuur', mits wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3 (Agrarisch) dan wel artikel 4 (Natuur).

Artikel 6 Water

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals duikers;
  • b. bermen en taluds;
  • c. bruggen voor kruisingen met wegverkeer;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. natuur;
  • e. groen.
6.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming met inachtneming van de volgende regels:

  • a. gebouwen zijn niet toegestaan;
  • b. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat:
    • 1. de doorvaarthoogte van de brug over het Wilhelminakanaal mag niet minder dan 7,30 meter bedragen, gemeten vanaf een peil van 540 centimeter boven N.A.P. tot aan de onderkant van het brugdek, met dien verstande dat over de gehele breedte van het kanaal de doorvaarthoogte minimaal 7,30 meter moet bedragen;
    • 2. de bouwhoogte van palen en masten maximaal 10 meter mag bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 3 meter mag bedragen.

Artikel 7 Leiding - Gas

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse buisleiding voor het transport van aardgas (droog) ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - gas', met een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van deze leiding.
7.2 Bouwregels

In afwijking van hetgeen elders in deze regels is bepaald, geldt dat op of in de in 7.1 bedoelde gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de leiding(en) mogen worden gebouwd waarbij de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen. Overige gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn niet toegestaan uit oogpunt van externe veiligheid en energieleveringszekerheid.

7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

7.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming zoals bedoeld in lid 7.1 gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.5.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Gas' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen, reconstrueren of verwijderen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals ten behoeve van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair en reclamevoorzieningen;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. het tijdelijk of permanent opslaan van goederen;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere oppervlaktewateren;
  • g. het wijzigen van het maaiveldniveau door het afgraven of het ophogen van gronden.
7.5.2 Uitzondering op verbod

Het verbod van lid 7.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. betrekking hebben op normaal onderhoud;
  • b. betrekking hebben op de buisleiding zelf of op de andere voorkomende bestemming(en);
  • c. graafwerkzaamheden zijn als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
7.5.3 Voorwaarden

De in artikel 7.5.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:

  • a. de integriteit en werking van de buisleiding zijn gewaarborgd, en
  • b. voor zover de veiligheid met betrekking tot de in de belemmeringenstrook gelegen buisleiding niet wordt geschaad, en
  • c. voordat de omgevingsvergunning wordt verleend, schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsverbinding van ten hoogste 150 kV.

8.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 8.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan de hoogspanningsmasten, bedraagt ten hoogste 3 meter;
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
8.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 8.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de bovengrondse hoogspanningsverbinding door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens omtrent het verlenen van afwijking te beslissen wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoog opgroeiende beplantingen en bomen;
  • b. het aanbrengen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
8.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 8.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 8.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
8.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 8.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

8.4.4 Advisering over de omgevingsvergunning

Alvorens omtrent het verlenen van de omgevingsvergunning te beslissen wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 9 Leiding - Leidingstrook

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Leidingstrook' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse (hoofd)buisleidingen voor gevaarlijke stoffen die van nationaal belang zijn.

9.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 9.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 meter;
  • b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
9.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van lid 9.2 onder b, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad. Alvorens omtrent het verlenen van ontheffing te beslissen wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

9.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.4.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Leidingstrook' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van hoog opgroeiende en/of diepwortelende beplantingen en bomen waaronder bijvoorbeeld rietbeplanting;
  • b. het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanleggen van andere kabels en leidingen dan in de bestemmingsomschrijving is aangegeven, en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • d. het indrijven van voorwerpen in de bodem;
  • e. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • f. het permanent opslaan van goederen waaronder ook begrepen het opslaan van afvalstoffen;
  • g. het aanleggen van waterlopen of het verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
9.4.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod

Het verbod van lid 9.4.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 9.3 bedoeld;
  • b. normaal onderhoud en beheer betreffen;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.
9.4.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning

De werken en werkzaamheden, zoals in lid 9.4.1 bedoeld, zijn slechts toelaatbaar, indien het leidingbelang daardoor niet onevenredig wordt geschaad.

9.4.4 Advisering over de omgevingsvergunning

Alvorens omtrent het verlenen van omgevingsvergunning te beslissen wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder(s) van de leiding(en).

Artikel 10 Leiding - Riool

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse leiding voor afvalwater ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - riool', met een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de hartlijn van deze leiding;
  • b. het beheer, de instandhouding en het onderhoud van een ondergrondse leiding voor afvalwater.
10.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. uitsluitend toegestaan zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de leidingen met een bouwhoogte van maximaal 4 meter.
10.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 10.2, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

  • a. de veiligheid van de betrokken ondergrondse leiding voor afvalwater niet wordt geschaad;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder;
  • c. geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
10.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.5.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen, reconstrueren of verwijderen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals ten behoeve van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair en reclamevoorzieningen;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. het tijdelijk of permanent opslaan van goederen;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere oppervlaktewateren;
  • g. het wijzigen van het maaiveldniveau door het afgraven of het ophogen van gronden.
10.5.2 Uitzondering op verbod

Het verbod van lid 10.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;
  • b. het normale onderhoud ten aanzien van de ondergrondse leiding voor afvalwater en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. graafwerkzaamheden zijn als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
10.5.3 Voorwaarden

De in artikel 10.5.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:

  • a. de integriteit en werking van de buisleiding zijn gewaarborgd, en
  • b. voordat de omgevingsvergunning wordt verleend, schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Artikel 11 Leiding - Water

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

  • a. een ondergrondse waterleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - water', met een belemmeringenstrook van 4 meter aan weerszijden van de hartlijn van deze leiding;
  • b. het beheer, de instandhouding en het onderhoud van een waterleiding.
11.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. uitsluitend toegestaan zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de aanleg en instandhouding van de leidingen met een bouwhoogte van maximaal 4 meter.
11.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag is bevoegd bij een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in 11.2, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en), mits:

  • a. de veiligheid van de betrokken waterleiding niet wordt geschaad;
  • b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de leidingbeheerder;
  • c. geen kwetsbare objecten worden toegelaten.
11.4 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
11.5.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Water' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen en rooien van hoogopgaande of diepwortelende beplantingen en bomen;
  • b. het aanleggen, reconstrueren of verwijderen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het indrijven van voorwerpen in de bodem, zoals ten behoeve van lichtmasten, wegwijzers en ander straatmeubilair en reclamevoorzieningen;
  • d. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage;
  • e. het tijdelijk of permanent opslaan van goederen;
  • f. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere oppervlaktewateren;
  • g. het wijzigen van het maaiveldniveau door het afgraven of het ophogen van gronden.
11.5.2 Uitzondering op verbod

Het verbod van lid 11.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;
  • b. het normale onderhoud ten aanzien van de waterleiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;
  • c. graafwerkzaamheden zijn als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning.
11.5.3 Voorwaarden

De in artikel 11.5.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:

  • a. de integriteit en werking van de buisleiding zijn gewaarborgd en
  • b. voordat de omgevingsvergunning wordt verleend, schriftelijk advies is ingewonnen bij de leidingbeheerder.

Artikel 12 Waarde - Archeologie

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

12.2 Bouwregels

Ten aanzien van het oprichten van bebouwing gelden de volgende regels:

  • a. bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen, waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 100 m2 dient de aanvrager een onderzoeksrapport te waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld;
  • b. indien uit het onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet;
    • 3. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
12.3 Specifieke gebruiksregels
  • a. De regels van de dubbelbestemming gelden primair ten opzichte van de regels van iedere andere bestemming, waarmee de dubbelbestemming samenvalt.
  • b. De regels van een andere bestemming zijn van overeenkomstige toepassing indien en voor zover deze regels in overeenstemming zijn met de regels van de dubbelbestemming.
12.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.4.1 Verbod

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologie' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, ingeval het gaat om:

  • a. het verzetten van grond van meer dan 100 m2 en op een diepte van meer dan 30 centimeter;
  • b. de aanleg van drainage ongeacht de diepte, tenzij het gaat om vervanging van een al bestaande drainage;
  • c. het verlagen van de grondwaterstand anders dan door middel van het graven van sloten of het toepassen van drainagemiddelen, met uitzondering van grondwateronttrekkingen.
12.4.2 Uitzonderingen

Het in sublid 12.4.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het inpassingsplan;
  • b. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • c. mogen worden uitgevoerd op grond van een reeds verleende vergunning;
  • d. die worden uitgevoerd in het kader van archeologisch onderzoek.
12.4.3 Beoordelingscriteria

Ten aanzien van de in sublid 12.4.1 genoemde omgevingsvergunning geldt het volgende beoordelingscriterium:

  • a. de omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een onderzoeksrapport, dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.
12.4.4 Voorwaarden aan omgevingsvergunning
  • a. Het bevoegd gezag kan één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 12.4.1:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
    • 2. tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 5.1, eerste lid van de Erfgoedwet;
    • 3. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.
  • b. Voordat het bevoegd gezag beslist over het verlenen van een omgevingsvergunning als bedoeld in sublid 12.4.1 wordt bij een archeologisch deskundige advies ingewonnen omtrent de vraag of door het verlenen van een omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.
12.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag is bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het geheel of gedeeltelijk laten vervallen van de bestemming 'Waarde - Archeologie', indien één of meerdere van de volgende situaties van toepassing zijn:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse geen archeologische waarden zijn vastgesteld;
  • b. op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse archeologische waarden zijn vastgesteld maar conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie niet behoudenswaardig blijken te zijn;
  • c. op basis van archeologisch onderzoek ter plaatse archeologische waarden zijn vastgesteld en deze behouden zijn middels een archeologische opgraving;
  • d. uit een door het bevoegd gezag goedgekeurd programma van eisen blijkt dat de aanwezige archeologische waarden zullen worden behouden middels een archeologische opgraving en geborgd is dat er geen grondwerk ter plekke verricht zal wordt voorafgaand aan deze opgraving.

Artikel 13 Waterstaat - Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. water, waterhuishoudkundige en waterstaatkundige voorzieningen;
  • b. waterwegen;
  • c. voorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer;
  • d. verhardingen ten behoeve van de waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige voorziening.
13.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van het scheepvaartverkeer;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van het scheepvaartverkeer mag niet meer bedragen dan 4 m.
13.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 13.2 sub a, voor het oprichten van een bouwwerk overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemmingen, mits:

  • a. de belangen van de waterweg niet worden geschaad;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de beheerder van de waterweg;
  • c. er geen sprake is van strijdigheid met de Waterwet en het Binnenvaart Politieregelement.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

15.1 Voorwaardelijke verplichting geluidreducerende maatregelen

Bij het in gebruik nemen van de N629 zoals bedoeld in lid 5.1, sub a, dienen de overdrachtsmaatregelen zoals opgenomen op de kaart 'Wegdekverharding projectsituatie 2030 met maatregel' die als bijlage 1 bij deze regels gevoegd is, te zijn getroffen.

15.2 Voorwaardelijke verplichting kwaliteitsverbetering landschap

Alvorens met de aanleg van de infrastructurele voorzieningen in de bestemming 'Verkeer' kan worden gestart, dienen de financiële middelen ten behoeve van het uitvoeren van de actiepunten voor de kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals opgenomen in het rapport met de titel 'N629 Kwaliteitsverbeteringsplan' dat als bijlage 2 bij deze regels gevoegd is, door de gemeente Oosterhout, de gemeente Dongen en de provincie Brabant te zijn gereserveerd in een fonds.

15.3 Voorwaardelijke verplichting compenserende maatregelen Natuurnetwerk Brabant

Alvorens met de aanleg van de infrastructurele voorzieningen in de bestemming 'Verkeer' kan worden gestart, dienen de compenserende maatregelen ten behoeve van het Natuurnetwerk Brabant zoals opgenomen in het rapport met de titel 'Compensatieplan N629' dat als bijlage 3 bij deze regels gevoegd is, financieel en in uitvoeringsafspraken (beheer- en/of inrichtingsplannen) geborgd zijn.

15.4 Voorwaardelijke verplichting mitigerende maatregelen flora en fauna

Alvorens de infrastructurele voorzieningen in de bestemming 'Verkeer' in gebruik kunnen worden genomen, dienen de mitigerende voorzieningen ten behoeve van flora en fauna zoals opgenomen op de kaart 'Mitigerende maatregelen N629' die als bijlage 4 bij deze regels gevoegd is, gerealiseerd te zijn.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

16.1 Ecologische verbindingszone
16.1.1 Specifieke gebruiksregels
  • a. Ter plaatse van de gebiedsaanduidingen 'overige zone - Natuur Netwerk Brabant Ecologische Verbindingszone' en 'wetgevingszone - wijzigingsgebied ecologische verbindingszone/herstel watersysteem' aangeduide gronden gelden de specifieke gebruiksregels zoals opgenomen in lid 5.3.
16.2 Geluidzone - industrie

In afwijking van het overige in het plan bepaalde is het niet toegestaan nieuwe geluidgevoelige objecten te bouwen en/of in gebruik te nemen ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie', te weten de 50 dB(A) zone behorende bij het industrieterrein Vijf Eiken.

16.3 Veiligheidszone - leiding
16.3.1 Aanduiding veiligheidszone

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding', te weten de plaatsgebonden risicoafstand van een leiding, zijn niet toegelaten:

  • a. nieuwe kwetsbare objecten;
  • b. nieuwe beperkt kwetsbare objecten;
  • c. andere nieuwe objecten, zoals windmolens, waardoor het plaatsgebonden risico zal toenemen.
16.3.2 Afwijken van de bouwregels, binnen plaatsgebonden risicoafstand

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16.3.1 voor het oprichten van (beperkt) kwetsbare objecten of andere nieuwe objecten in de veiligheidszone, indien:

  • a. voldaan wordt aan het plaatsgebonden risico van 10-6/jaar bij een (beperkt) kwetsbaar object, en
  • b. het berekende groepsrisico wordt verantwoord, en
  • c. voordat een omgevingsvergunning wordt verleend het bevoegd gezag de beheerder van de betrokken leiding(en) in de gelegenheid stelt om uiterlijk binnen 4 weken advies uit te brengen.
16.4 Overige zone - te verwijderen Natuurnetwerk Brabant

Verzocht wordt de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - te verwijderen Natuurnetwerk Brabant' te laten vervallen uit het Natuurnetwerk Brabant zoals opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant.

Artikel 17 Algemene wijzigingsregels

17.1 Wetgevingszone - wijzigingsgebied

Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' de ligging van de bestemmingen 'Natuur' en 'Verkeer' wijzigen, mits:

  • a. de oppervlakte van de bestemming 'Natuur' ten minste gelijk blijft;
  • b. de wijziging geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor de verwezenlijking, het behoud, het beheer en het herstel van de ecologische waarden ter plaatse van de bestemming 'Natuur'.

Artikel 18 Overige regels

18.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen

Indien en voor zover in deze regels wordt verwezen naar een wet, een algemene maatregel van bestuur, een verordening, een richtlijn of een andere (wettelijke) regeling, dan geldt deze wet, algemene maatregel van bestuur, verordening, richtlijn of andere (wettelijke) regeling zoals die luidt dan wel van kracht is op het moment van de inwerkingtreding van dit plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 19 Overgangsrecht

19.1 Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • c. het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid 19.1 sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • d. lid 19.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
19.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het inpassingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het inpassingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 19.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het lid 19.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Lid 19.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 20 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het inpassingsplan N629 Oosterhout - Dongen.