direct naar inhoud van Toelichting
Plan: N629 Oosterhout - Dongen
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9930.ipN629-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De bestaande N629 (Heistraat) verbindt, samen met de Westerlaan, de gemeenten Dongen en Oosterhout met elkaar. Op regionaal niveau vormt de N629 de verbinding tussen de A27 en Tilburg. Op lokaal niveau is de weg naast een verbinding tussen Oosterhout en Dongen, vice versa een weg die diverse aanliggende functies zoals woningen, bedrijven en landbouwpercelen ontsluit. Door de verschillende functies van de bestaande N629 wordt de weg ook door uiteenlopende verkeersdeelnemers en hun voertuigen (auto's, vrachtauto's, landbouwverkeer, et cetera) gebruikt.

De bestaande N629 voldoet in de huidige vorm niet. Uit studies naar de N629 en Westerlaan, die gedaan zijn door de gemeenten samen met de provincie Noord-Brabant, blijkt namelijk dat:

  • Op de bestaande N629 sprake is van problemen met betrekking tot doorstroming, bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling.
  • Op de Westerlaan/Duiventorenbaan in de gemeente Dongen (die wegen sluiten aan op de N629) sprake is van leefbaarheids- en bereikbaarheidsproblemen.
  • De bovengenoemde problemen (beperkt) toe zullen nemen met de geplande ontwikkeling van het bedrijventerrein 'Everdenberg-Oost' (uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Everdenberg) en nieuwe bedrijvigheid en woningbouw in Dongen.

De provincie Noord-Brabant wil deze verbinding, samen met de gemeenten Dongen en Oosterhout verbeteren. Als toekomstbestendige oplossing voor de verkeersproblematiek krijgt de N629 een andere ligging tussen Dongen (Steenstraat) en Oosterhout (Kruising N629-Provincialeweg nabij Oosteind). Het nieuwe tracé van de N629 (zie figuur 1.1) loopt gedeeltelijk parallel aan de noordzijde van het Wilhelminakanaal. Het zorgt voor een betere doorstroming van het verkeer en een betere bereikbaarheid van onder andere het bedrijventerrein Everdenberg(-Oost), dat ten noorden van het Wilhelminakanaal ligt. Daarnaast verbetert de leefbaarheid en veiligheid voor veel mensen. De Heistraat en Westerlaan worden ontlast, waarmee de overlast door geluid voor de inwoners van de wijken West 1 en West 2 in Dongen vermindert en de luchtkwaliteit beter wordt. De overlast voor aanwonenden en bedrijven aan de Heistraat vanwege een slechte bereikbaarheid neemt ook af. Tevens wordt het gebied 't Blik (natuurgebied ten noorden van het Wilhelminakanaal) beter bereikbaar voor de inwoners van Dongen. Om het realiseren van de nieuwe N629 mogelijk te maken, wordt dit provinciaal inpassingsplan opgesteld. De namen van de bovengenoemde straten, gebieden, bedrijventerreinen et cetera zijn weergegeven op figuur 1.1. Die figuur laat ook het tracé van de nieuwe N629 zien.

Uit figuur 1.1 blijkt dat de aansluiting van de N629 op de A27 geen onderdeel is van dit inpassingsplan. Gelet op de urgentie van de verkeers- en leefbaarheidsproblematiek rondom die aansluiting is ervoor gekozen de aanpak van de aansluiting te realiseren middels een separaat en inmiddels voltooid besluitvormingstraject. De aanpak van de aansluiting is deelproject 1 van de aanpak van de N629. Dit inpassingsplan heeft betrekking op deelproject 2, de aanpak van de rest van de verbinding.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied

Het tracé (zie figuur 1.1) van de nieuwe N629 is gelegen in de gemeenten Dongen en Oosterhout. Dit inpassingsplan heeft betrekking op het tracé van de nieuwe N629 tussen de aansluiting van de Provincialeweg op de N629 nabij Oosteind en de aansluiting van de nieuwe N629 op de Duiventorenbaan en Steenstraat nabij Dongen. Daarnaast maakt een ecologische verbindingszone om bedrijventerrein 'De Wildert' in Dongen deel uit van dit provinciaal inpassingsplan. In die ecologische verbindingszone vindt namelijk een gedeelte van de natuurcompensatie (zie verder paragraaf 5.9) plaats.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging nieuwe N629 en overzicht van plaats-, gebied- en straatnamen in de omgeving van de nieuwe N629

In het plangebied van dit inpassingsplan (grijs vlak op figuur 1.2) ligt het tracé van de nieuwe N629 inclusief obstakelvrije zones, bermen, bijbehorende watergangen en andere voorzieningen die nodig zijn om de nieuwe N629 aan te leggen. Ook alle groenelementen die nodig zijn voor een goede landschappelijke inpassing van de weg en de inrichting van de ecologische verbindingszone langs het kanaal, worden aangelegd binnen de plangrenzen van dit provinciaal inpassingsplan. De plangrenzen van het provinciaal inpassingsplan zijn iets ruimer genomen dan de ruimte die voor het ontwerp van de weg nodig is. Met deze extra marge kunnen nog kleine wijzigingen aan het wegontwerp doorgevoerd worden. Dit biedt flexibiliteit in de uitvoeringsfase en zorgt daarmee voor een soepele uitvoering van de werkzaamheden.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0002.png"

Figuur 1.2 Ligging plangebied N629 (grijs vlak), gelegen tussen Oosterhout (links) en Dongen (rechts), inzet: De Wildert

Het gedeelte van de N629 tussen de kruising van de N629 met de Provincialeweg in Oosteind en de aansluiting op de A27 maakt geen onderdeel uit van het op te stellen inpassingsplan. De verkeersproblematiek op de aansluiting N629 - A27 is zo groot en urgent dat er in 2014 gekozen is voor een gefaseerde aanpak, waarbij voor deze aansluiting een aparte procedure gestart, vooruitlopend op de aanpak van de rest van de N629. De aanpak van de aansluiting N629 - A27 is deelproject 1. Voor dit gedeelte van het tracé van de N629 is een separaat bestemmingsplan opgesteld. Dit bestemmingsplan, met de naam 'Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herziening 5 (Aansluiting N629-A27)' is op 20 september 2016 door de raad van de gemeente Oosterhout vastgesteld. Het bestemmingsplan is inmiddels onherroepelijk. Het in dit inpassingsplan beschouwde tracé sluit aan op het plangebied van het onherroepelijk geworden bestemmingsplan.

1.3 Doel provinciaal inpassingsplan

De aanleg van de N629 past niet in de geldende bestemmingsplannen die van toepassing zijn op de gronden waar de nieuwe weg voorzien is. Om de realisatie van de nieuwe N629 mogelijk te maken, moet het juridisch-planologisch kader worden herzien. Conform de mogelijkheden die de Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt, wordt de aanleg van de N629 juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van een provinciaal inpassingsplan.

Een provinciaal inpassingsplan is een bestemmingsplan voor een ontwikkeling van provinciaal belang. In het plangebied van het provinciaal inpassingsplan komen de bestemmingen uit de onderliggende bestemmingsplannen te vervallen, dit betreffen (delen van) de bestemmingsplannen zoals genoemd in paragraaf 1.5.

Het provinciaal inpassingsplan is opgesteld conform de eisen van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) en wordt gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

1.4 Relatie met andere procedures

Relatie met milieueffectrapportage

In 2015 en 2016 is een milieueffectrapportage opgesteld om de effecten van de realisatie en het gebruik van een nieuwe N629 vast te stellen. Dit milieueffectrapport is als bijlage 1 bij deze toelichting gevoegd. Op basis van dit milieueffectrapport hebben de provincie Noord-Brabant en de gemeenten Dongen en Oosterhout een voorkeursalternatief voor de nieuwe N629 vastgesteld en uitgewerkt (onder andere in de Notitie Uitwerking Voorkeursalternatief N629 die in het voorjaar van 2017 ter inzage heeft gelegen). Op basis van reacties op het voorkeursalternatief is dit alternatief in onderhavig provinciaal inpassingsplan verder uitgewerkt. Dit provinciaal inpassingsplan maakt de realisatie van het voorkeursalternatief mogelijk. Hoofdstuk 2 gaat in op de doorlopen procedure en de in die procedure beschouwde alternatieven.

Relatie met Crisis- en herstelwet

Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet in werking getreden. Deze wet is gericht op de versnelling van projecten in het ruimtelijk domein, om de economische crisis en de bijbehorende gevolgen te bestrijden en duurzaam herstel van de economische structuur van Nederland te bevorderen. De wet voorziet in nieuwe/aangepaste procedures om zo doelgericht een bijdrage te leveren aan werkgelegenheid en duurzaamheid. De aanleg van de N629 wordt mogelijk gemaakt door middel van een provinciaal inpassingsplan. Bij dergelijke plannen kan de Crisis- en herstelwet toegepast worden (ingevolge artikel 1.1, lid 1 onder a en bijlage I onder 2.1 – afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet). Dat wordt in dit provinciaal inpassingsplan dan ook gedaan.

In afdeling 2 van de Crisis- en herstelwet zijn procedurele bepalingen opgenomen die een spoedig verloop van de beroepsprocedure bevorderen. Deze bepalingen hebben voor dit provinciaal inpassingsplan de volgende gevolgen:

  • De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt beroepen tegen dit provinciaal inpassingsplan versneld en doet binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak over de beroepen.
  • Indien advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak wordt ingewonnen, dan wordt dat advies binnen twee maanden uitgebracht.
  • Beroepschriften tegen het inpassingsplan moeten beroepsgronden bevatten; proformaberoepen zijn niet-ontvankelijk.
  • Na afloop van de beroepstermijn kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

1.5 Vigerende bestemmingsplannen

In het plangebied vigeren op dit moment, totdat dit inpassingsplan van kracht wordt, de bestemmingsplannen die in tabel 1.1 genoemd worden.

Tabel 1.1 Overzicht bestemmingsplannen in plangebied

Naam bestemmingsplan   Datum vaststelling   Gemeente  
Bedrijventerrein Everdenberg Oost   12 december 2017   Oosterhout  
Reparatie herziening buitengebied 2016   27 mei 2016   Oosterhout  
Buitengebied   28 augustus 2014   Oosterhout  
Dongen Buitengebied   11 mei 2009   Dongen  

1.6 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft de voorgeschiedenis van het project en het proces waarin het voorkeursalternatief voor de nieuwe N629 tot stand is gekomen. Hoofdstuk 3 beschrijft de huidige en toekomstige situatie op en om de bestaande en nieuwe N629. Dat hoofdstuk gaat ook in op de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629. Daarnaast gaat hoofdstuk 3 in op de kwaliteitsverbetering van het landschap, aanleg van een nieuwe ecologische verbindingszone en de natuurcompensatie die uitgevoerd worden in het kader van de realisatie van de nieuwe N629. Hoofdstuk 4 zet het relevant beleid van Rijk, provincie, waterschap en gemeenten uiteen en bepaalt welke beleidskader relevant zijn voor de aanleg en het gebruik van de nieuwe N629. Hoofdstuk 5 gaat in op de relevante milieu- en planologische aspecten. Hoofdstuk 6 bevat de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 7 licht tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van dit provinciaal inpassingsplan toe. Verder bevat dit provinciaal inpassingsplan een aantal bijlagen, waar nodig wordt in de toelichting naar deze bijlagen verwezen.

Hoofdstuk 2 De voorgeschiedenis

In dit hoofdstuk is de projectgeschiedenis en het proces om te komen tot een voorkeursalternatief (VKA) voor de nieuwe N629 uiteengezet. Hiermee wordt inzichtelijk gemaakt hoe de provincie Noord-Brabant, gemeente Dongen en gemeente Oosterhout zijn gekomen tot de keuze voor het voorkeursalternatief.

2.1 Projecthistorie en proces

De planvorming voor de N629 kent een relatief lange voorgeschiedenis. De voorgeschiedenis kan verdeeld worden in twee fasen:

  • 1. voorfase (1999 – 2006);
  • 2. planstudie (2006 – 2011).

2.1.1 De voorfase

De voorfase bestaat uit drie elementen:

  • 1. BORD(T);
  • 2. Integrale Effectenstudie Dongen-Oosterhout;
  • 3. Strategische Milieubeoordeling.

BORD(T)

In 1999 hebben de gemeenten Breda, Oosterhout, Gilze-Rijen en Dongen samen met de provincie Noord-Brabant onderzoek laten doen naar de regionale verkeerssituatie rondom de A27 tussen de aansluiting Breda-Noord en knooppunt Hooipolder. Hiervoor zijn elf varianten/alternatieven voor het verbeteren van de verkeerssituatie met elkaar vergeleken. De BORD-verkeersstudie heeft geresulteerd in een regionale visie op de verkeersstructuur.

Nadat de gemeente Tilburg zich aansloot bij het samenwerkingsverband werd gesproken over het BORDT-gebied.

Integrale Effectenstudie Dongen-Oosterhout

In de Integrale Effectenstudie Dongen-Oosterhout uit 2005 zijn de elf varianten/alternatieven uit de BORDT-verkenning verder onderzocht. Daarbij zijn op verzoek van de gemeente Dongen ook zuidelijke varianten in dit onderzoek meegenomen. Uit de conclusie van de studie blijkt dat een nieuw tracé ten noorden van het Wilhelminakanaal en de varianten met twee aansluitingen op de A27 de meest kansrijke alternatieven zijn. Verder is in de effectenstudie aangegeven dat een benutting van het huidige tracé als oplossingsrichting nog aandacht verdient.

Strategische Milieubeoordeling

Het derde element in de voorfase bestond uit het uitvoeren van een Strategische Milieubeoordeling door de gemeente Oosterhout. De Strategische Milieubeoordeling is opgesteld ten behoeve van de Strategische Gebiedsvisie Oosterhout-Oost (SGV) (2006). Ook de gemeente Dongen en de provincie Noord-Brabant zijn betrokken geweest bij het opstellen van de milieubeoordeling en de gebiedsvisie.

In de Strategische Milieubeoordeling is onderzoek verricht naar de milieueffecten van de meest kansrijke varianten uit de Integrale Effectenstudie Dongen-Oosterhout. Daarnaast is er een Meest Milieuvriendelijk Alternatief ontwikkeld: een nieuw tracé grotendeels parallel aan de bestaande N629 (Heistraat) dat aansluit op de Westerlaan.

Het Meest Milieuvriendelijke Alternatief werd destijds door de gemeente Oosterhout gekozen als voorkeursalternatief voor de ontwikkelingen aan de oostzijde van Oosterhout.

2.1.2 Planstudie

In 2006 heeft de provincie Noord-Brabant het initiatief genomen tot het starten van een planstudie/m.e.r.-procedure voor de aanpak van de N629. De procedure was gekoppeld aan bestemmingsplanwijzigingen in de gemeenten Dongen en Oosterhout. In 2011 heeft bij de provincie en gemeenten besluitvorming over de uitkomsten van de milieueffectrapportage en de te nemen vervolgstappen plaatsgevonden. Er is in die periode echter geen bestemmingsplan voor de aanpak van de N629 en Westerlaan opgesteld. De verkeers- en leefbaarheidsproblematiek op en om de N629 en Westerlaan bleef bestaan.

Om die reden is in 2015 en 2016 nieuw onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden om die problematiek op te lossen. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden in de milieueffectrapportage (uitgevoerd door ingenieursbureau Tauw) waarin aandacht is besteed aan verschillende aspecten (zoals de milieueffecten, kosten en draagvlak) van de beschouwde alternatieven. Op basis van nieuwe onderzoeksgegevens en een uitgebreide samenvatting van het onderzoek naar doelbereik, milieueffecten, kosten en draagvlak hebben provincie en gemeenten in het voorjaar van 2016 het alternatief Bundeling Noord gekozen als voorkeursalternatief. De milieueffectrapportage is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting.

In paragraaf 2.2 wordt een toelichting gegeven op de uitgevoerde milieueffectrapportage en alternatieven. In paragraaf 2.3 wordt het voorkeursalternatief verder behandeld.

2.2 Milieueffectrapportage

2.2.1 Inleiding

Een milieueffectrapportage-procedure (m.e.r.-procedure) is een hulpmiddel bij de besluitvorming over grote projecten. Het doel van een milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige rol in de besluitvorming te laten spelen. Het milieueffectrapport (MER) beschrijft op een samenhangende, objectieve en systematische wijze de milieueffecten die naar verwachting optreden als gevolg van de in het MER beschouwde activiteiten en alternatieven.

Voor de nieuwe verbinding is in 2016 een milieueffectrapport (projectMER) opgesteld. Dit Milieueffectrapport N629-Westerlaan (Tauw, 2016) gaat in op de mogelijke effecten van de aanleg van de nieuwe N629. Onderstaand zijn de onderzochte alternatieven beschreven.

2.2.2 Alternatieven

In het MER zijn vijf alternatieven (zie figuur 2.1) voor de nieuwe N629 beschouwd:

  • 1. Parallel Noord: Gebruikt een deel van het huidige tracé van de bestaande N629 en voorziet in een bypass vanaf de kruising N629/provinciale weg. Die bypass sluit tussen de Berkenstraat en de Groenstraat aan op de bestaande N629. Vanaf de aansluiting van de bypass op de bestaande N629 wordt het tracé van de bestaande N629 gevolgd tot de rotonde op de kruising van de Westerlaan en de Middellaan. In dit alternatief wordt de N629 (tracé tussen de Provincialeweg en de aansluiting op het toekomstig bedrijventerrein Everdenberg-Oost) uitgevoerd met 2*2 rijstroken met een parallelweg tussen Provincialeweg en Hoogstraat. Vanaf Everdenberg-Oost tot en met de rotonde Westerlaan wordt uitgegaan van 1*2 rijstroken. Het tuincentrum aan de bestaande N629 blijft bereikbaar door middel van een doodlopende parallelweg (bereikbaar vanaf kruising N629-Everdenberg-Oost. Vanaf het tuincentrum tot en met de Westerlaan wordt de N629 voorzien van een vrijliggend fietspad. Op de Westerlaan wordt uitgegaan van het huidige wegprofiel met 1*2 rijstroken.
  • 2. Parallel Noord – 't Blik: Ten opzichte van alternatief 1 gaat dit alternatief uit van een extra bypass ten westen van de Westerlaan in Dongen. De extra bypass begint ongeveer halverwege het tracé van de bestaande N629 dat tussen de kruising met de Groenstraat en de rotonde op de kruising van de Westerlaan en de Middellaan gelegen is. Het tracé maakt vervolgens gebruik van de bestaande brug over het Wilhelminakanaal. In dit alternatief functioneert de Westerlaan alleen nog als ontsluitingsweg voor de ijzertijdboerderij, de Doelstraat en omgeving en Dongen-West. Nabij de brug over het Wilhelminakanaal wordt de Westerlaan voorzien van een 'knip'. De Westerlaan is alleen vanuit noordelijke richting toegankelijk.
  • 3. Bundeling Noord: Vanaf de kruising van de N629 met de Provincialeweg heeft dit alternatief hetzelfde tracé als alternatief 1. Waar alternatief 1 zich doorzet in de richting van de bestaande N629, loopt dit alternatief richting het Wilhelminakanaal. Het alternatief komt tegen het bedrijventerrein Everdenberg-Oost aan te liggen en loopt vervolgens parallel aan (en zo dicht mogelijk op) het Wilhelminakanaal richting Dongen. Ten westen van Dongen voorziet een nieuwe brug in een oversteek over het Wilhelminakanaal. Het tracé sluit vervolgens aan op de huidige kruising van de Duiventorenbaan en de Steenstraat. In dit alternatief blijft het huidige tracé van de N629 bestaan, maar dient het als ontsluiting van aanliggende woningen en bedrijven.
  • 4. Bundeling Zuid: Net als alternatief 3 volgt dit alternatief vanaf de kruising van de N629 met de Provincialeweg het tracé van alternatief 1. Ook dit alternatief buigt af richting het Wilhelminakanaal. Anders dan alternatief 3 passeert dit alternatief het nieuwe bedrijventerrein Everdenberg-Oost op grotere afstand. Vervolgens wordt het Wilhelminakanaal door middel van een nieuwe brug overgestoken, buigt het alternatief terug richting het kanaal en loopt het richting Dongen waar het alternatief aansluit op de bestaande kruising van de Duiventorenbaan met de Steenstraat. Net als in alternatief 3 blijft het tracé van de bestaande N629 in tact en dient het als ontsluiting van woningen en bedrijven.
  • 5. Parallel Noord – Nieuwe Brug: Tot aan het tuincentrum aan de bestaande N629 heeft dit alternatief hetzelfde tracé als alternatief 2. Ter hoogte van het tuincentrum zet het tracé van dit alternatief zich in zuidelijke richting, naar het Wilhelminakanaal, voort. Er is gekozen voor een alternatief dat buiten bebouwingsclusters en de begraafplaats om loopt. Het tracé loopt grotendeels langs 't Blik. Door middel van een nieuwe brug wordt het Wilhelminakanaal overgestoken, waarna het tracé aansluit op de bestaande kruising van de Duiventorenbaan met de Steenstraat. Ook in dit alternatief functioneert de Westerlaan alleen nog als ontsluitingsweg voor de ijzertijdboerderij, de Doelstraat en omgeving en Dongen-West. Nabij de brug over het Wilhelminakanaal wordt de Westerlaan voorzien van een 'knip'. De Westerlaan is alleen vanuit noordelijke richting toegankelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0003.png"

Figuur 2.1 In het MER beschouwde alternatieven voor de nieuwe N629 (Tauw, 2016)

2.2.3 Nulplusalternatief

In het MER is ook een nulplusalternatief beschouwd. Dit is een alternatief waarbij zonder aanleg van nieuwe wegen wordt gestreefd naar oplossingen (zoals het stimuleren van het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer) voor de gestelde problemen, zoals benoemd in hoofdstuk 1. Geconcludeerd wordt dat het nulplusalternatief geen realistische oplossing voor de geconstateerde problematiek biedt. Autoverkeer, vrachtverkeer en openbaar vervoer zijn thans aangewezen op de bestaande N629 om van en naar de A27 te reizen. Gelet op de geprognosticeerde hoeveelheid verkeer dat gebruik maakt van de bestaande N629 zal het stimuleren van het gebruik van de fiets en het openbaar vervoer (dat ook de bestaande N629 gebruikt) weinig oplossen. De afstand tussen Oosterhout en Dongen is circa acht kilometer. Veel verkeer op de N629 bestaat uit woon-werkverkeer. Voor woon-werkverkeer wordt de fiets voornamelijk gebruikt voor afstanden tot vijf kilometer.

In het nulplusalternatief blijven de leefbaarheidsproblemen rondom de N629 en de Westerlaan bestaan. Daarmee voldoet het nulplusalternatief niet aan de doelstelling om de leefbaarheid rondom deze wegen te verbeteren. De andere doelstellingen van de aanpak van de N629 zijn het verbeteren van de doorstroming en het vergroten van de verkeersveiligheid. Om die twee doelstellingen te behalen, zal de bestaande N629 verbreed moeten worden naar 2*2 rijbanen en voorzien moeten worden van een parallelstructuur, onder andere voor landbouwverkeer en de ontsluiting van percelen uit oogpunt van het inrichtingsprincipe 'Duurzaam Veilig' (voorkomen verkeersonveilige situaties). Een dergelijke ingreep leidt tot het moeten slopen van veel bebouwing. Dat heeft onevenredige grote sociale en financiële gevolgen.

Om bovenstaande redenen is het nulplusalternatief in het MER niet verder uitgewerkt en maakt het geen deel uit van het effectonderzoek.

In het definitieve toetsingsadvies van het MER geeft de Comissie voor de milieueffectrapportage aan dat een profielverruiming naar 2x2 rijstroken noodzakelijk is om een goede doorstroming voor het gedeelte van de N629 tussen de A27 en de aansluiting Everdenberg-Oost te faciliteren. Daarnaast is ontmoediging van vrachtverkeer beleidsmatig niet (meer) gewenst en de potentie van meer fietspaden en openbaar vervoer te gering gebleken om de autobelasting zover terug te krijgen. De Commissie voor de milieueffectrapportage kan daarom zich vinden in de conclusie dat het nulplusalternatief geen realistisch alternatief is om nader te onderzoeken in het MER.

2.3 Het voorkeursalternatief

In het milieueffectrapport zijn de effecten van alle alternatieven inzichtelijk gemaakt. Op 28 juni hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant alternatief 3 (Bundeling Noord, zie paragraaf 2.2) als voorkeursalternatief gekozen. Gedeputeerde Staten zijn van mening dat dit alternatief het meeste bijdraagt aan het oplossen van de problemen op de N629. In maart 2016 spraken de bestuurders van de provincie Noord-Brabant, de gemeente Dongen en de gemeente Oosterhout al een voorkeur voor alternatief 3 uit. Op 21 maart 2016 zijn tijdens een informatieavond de meningen, suggesties en opmerkingen van bewoners verkend, die mee zijn genomen in het advies aan de gemeenteraden. De provincie Noord-Brabant heeft daarnaast een groot aantal gesprekken met belanghebbenden gevoerd om hun reacties te verkennen. Op 25 mei 2016 heeft de gemeenteraad van Oosterhout het alternatief Bundeling Noord overgenomen als voorkeursalternatief. Op 9 juni 2016 heeft de gemeenteraad van Dongen hetzelfde gedaan.

2.3.1 Motivatie voorkeursalternatief

Voor de N629 tussen Oosterhout en Dongen zijn vijf mogelijke alternatieve tracés onderzocht in het bijgevoegde MER. De alternatieven zijn eerst getoetst op hun doelbereik en effecten. Vervolgens zijn de alternatieven, die deze eerste toets hebben doorstaan, met elkaar vergeleken. Uit de vergelijking is een voorkeursalternatief gekozen. Deze stappen zijn weergegeven in de navolgende figuur (zie bijlage 2 voor een grotere weergave):

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0004.png"

Figuur 2.1 Verhaallijn keuze voorkeursalternatief N629 (Tauw, 2016)

Toets op doelbereik

De toets op het doelbereik was de eerste stap in het proces om een voorkeursvariant te kiezen. In deze stap is bepaald in welke mate de alternatieven bijdragen aan de doelstellingen van het MER (het oplossen van de problemen met betrekking tot de doorstroming, bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling op en om de bestaande N629). Uit de toets op doelbereik bleek dat de volgende twee alternatieven een te beperkt oplossend vermogen hebben:

  • 1. Alternatief Parallel Noord: Dit alternatief scoort het minst qua verkeersafwikkeling/doorstroming en laat een relatief hoge I/C-verhouding zien waardoor de toekomstvastheid (te) beperkt is. Daarnaast levert alternatief 1 ook geen verbetering op van de leefbaarheid; er is zelfs sprake van een verslechtering ten opzichte van de autonome situatie.
  • 2. Alternatief Parallel Noord 't Blik: Voor dit alternatief geldt in hoofdlijnen hetzelfde als voor alternatief Parallel Noord, zij het dat dit alternatief iets beter scoort op het gebied van leefbaarheid. Alternatief Parallel Noord 't Blik heeft als bijkomend nadeel dat bij dit alternatief relatief veel woningen moeten worden geamoveerd in de omgeving van de Doelstraat in Dongen.

Gezien het (te) beperkte oplossend vermogen van deze twee alternatieven (en de relatief hoge kosten die nodig zijn om deze alternatieven te realiseren) vallen deze alternatieven af en is de afweging toegespitst op de drie resterende alternatieven.

Onderlinge vergelijking tussen de alternatieven

Vergelijking alternatief Bundeling Noord en alternatief Bundeling Zuid

De onderlinge vergelijking tussen de alternatieven begon met een afweging tussen alternatief Bundeling Noord en alternatief Bundeling Zuid. Beide alternatieven voorzien in de aanleg van een nieuwe weg waarbij verkeer naar het bedrijventerrein Tichelrijt en verkeer naar Dongen gesplitst wordt bij de verbinding tussen de bestaande en de nieuwe N629. Verkeer naar Tichelrijt maakt vanaf daar gebruik van de nieuwe N629 en verkeer naar Dongen gebruikt de bestaande N629.

Het verschil tussen de beide alternatieven bestaat uit de ligging van de weg. In alternatief Bundeling Noord ligt de nieuwe N629 overwegend aan de noordzijde van het Wilhelminakanaal; ten oosten van 't Blik wordt het kanaal pas gekruist. In het alternatief Bundeling Zuid wordt het kanaal ten oosten van de bedrijventerreinen Everdenberg-Oost en Vijf Eiken al gekruist en ligt het tracé van de nieuwe N629 ten zuiden van het kanaal.

De effecten op verkeer en leefbaarheid zijn bij de alternatieven Bundeling Noord en Bundeling Zuid vergelijkbaar. Noemenswaardige verschillen doen zich vooral voor als het gaat om de impact op het Natuurnetwerk Brabant. Het alternatief Bundeling Zuid heeft beduidend grotere consequenties voor het Natuurnetwerk Brabant dan het alternatief Bundeling Noord. Daarnaast doorsnijdt het alternatief Bundeling Zuid een voormalige stortplaats aan de zuidzijde van het Wilhelminakanaal. Alternatief Bundeling Zuid is daardoor (vanwege extra saneringskosten) circa € 9 miljoen duurder dan alternatief Bundeling Noord. De conclusie van deze onderlinge vergelijking tussen de alternatieven is dat het alternatief Bundeling Noord de voorkeur verdient boven alternatief Bundeling Zuid.

Onderlinge vergelijking tussen de alternatieven alternatief Bundeling Noord en alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug.

Na de vergelijking tussen alternatief Bundeling Noord en alternatief Bundeling Zuid zijn alternatief Bundeling Noord en alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug met elkaar vergeleken.

Het alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug voorziet in de aanleg van een nieuwe N629 die op enige afstand van de Westerlaan in Dongen min of meer parallel aan die laan loopt. In dit alternatief wordt de Westerlaan 'geknipt', dat betekent dat de Westerlaan volledig afgesloten wordt voor gemotoriseerd verkeer. Die afsluiting heeft positieve consequenties voor de geluidbelasting op de kern van Dongen. De Westerlaan zorgt ook voor de ontsluiting van de kern Dongen, door afsluiting van die laan zal een deel van het interne Dongense verkeer dan ook gebruik moeten gaan maken van de nieuwe verbinding en dus om moeten rijden. Dat zorgt ook voor extra belasting van de bestaande N629.

Het alternatief Bundeling Noord voorziet in een splitsing van verkeer richting Tichelrijt en het verkeer richting Dongen bij de verbinding tussen de bestaande en de nieuwe N629. Het alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug voorziet niet in een dergelijke splitsing en worden de verkeersstromen richting Tichelrijt en richting Dongen ter hoogte van tuincentrum AVRI samengevoegd en tussen dat tuincentrum en het splitsingspunt afgewikkeld over een tweebaansweg (1 rijstrook per richting). Dat maakt dat het alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug qua verkeersafwikkeling (mede omdat het alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug een extra kruising heeft) en robuustheid minder goed beoordeeld wordt dan het alternatief Bundeling Noord.

Ten opzichte van het alternatief Bundeling Noord heeft het alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug ook nadelen als het gaat om de doorsnijding van 't Blik en de oversteekbaarheid van de bestaande N629. Daarnaast komt de weg zoals voorzien in het alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug dicht bij woningen aan de Groenstraat te liggen, wat nadelige consequenties heeft voor de leefbaarheid in die woningen.

Al met al wordt het alternatief Bundeling Noord beter beoordeeld dan alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug. Bundeling Noord biedt een oplossing voor zowel de verkeers- als de leefbaarheidsproblematiek op de bestaande N629. Daar staan, vanwege de doorsnijding van het gebied tussen Oosterhout en Dongen, wel negatieve effecten op het gebied van natuur en landschap tegenover. Die negatieve effecten zijn echter minder ingrijpend dan bij de alternatieven Bundeling Zuid en Parallel Noord – Nieuwe brug. Op basis van het voorgaande is het alternatief Bundeling Noord daarom als voorkeursalternatief gekozen. Daarbij moet worden opgemerkt dat op het gebied van de leefbaarheid langs de bestaande wegen voor het aspect geluid, het alternatief Bundeling Noord veruit het meest positieve effect heeft. Bijlage 3 toont dit effect.

Onderstaande afbeelding toont de beoordeling van de vijf alternatieven op een groot aantal punten. Op basis van deze beoordeling heeft de alternatievenafweging plaatsgevonden. Een grotere weergave van dit figuur is opgenomen in bijlage 4.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0005.png"

Figuur 2.3 Beoordeling alternatieven nieuwe N629 (Tauw, 2016)

2.3.2 Toepassing nee, tenzij-principe

De aanleg van de nieuwe N629 leidt tot doorsnijding van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant. Artikel 5.1 van de Verordening ruimte Noord-Brabant beschermt de gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren. Als gevolg van de doorsnijding van het Natuurnetwerk Brabant, moet de procedure voor herbegrenzing van het Natuurnetwerk Brabant doorlopen worden. Artikel 5.3 van de Verordening ruimte Noord-Brabant omschrijft de procedure hiervoor bij projecten die vanuit een groot openbaar belang worden gerealiseerd, zoals de aanleg van nieuwe infrastructuur. Dit artikel gaat uit van het nee, tenzij-principe. Dat betekent dat aantasting van het Natuurnetwerk Brabant niet is toegestaan tenzij aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt. Onderstaand tekstvak toont deze voorwaarden.

Een verzoek om herbegrenzing gaat vergezeld van een bestemmingsplan waaruit blijkt dat:
a. er sprake is van een groot openbaar belang;
b. er voor de ontwikkeling geen alternatieve locaties voorhanden zijn buiten het Natuur Netwerk Brabant;
c. er geen andere oplossingen voorhanden zijn waardoor de aantasting van het Natuur Netwerk Brabant wordt voorkomen;
d. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende, negatieve effecten worden gecompenseerd, waarbij wordt voldaan aan de regels inzake het compenseren als bedoeld in artikel 5.6 (compensatieregels).  

In onderstaande paragrafen wordt toegelicht op welke manier voldaan is aan de vereisten uit voorgaand tekstvak.

Groot openbaar belang

Op de bestaande N629 en Westerlaan/Duiventorenbaan in Dongen is sprake van problemen met betrekking tot de doorstroming, bereikbaarheid, leefbaarheid, verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling.

Door de geplande ontwikkeling van Everdenberg-Oost en de geplande ontwikkeling van nieuwe woningen en bedrijvigheid in Dongen zullen deze genoemde problemen toenemen. De genoemde problematiek bestaat al geruime tijd en is onder andere aanleiding geweest tot het uitvoeren van een planstudie in 2006. Voor het oplossen van de problematiek bestaat een groot draagvlak in de gemeenteraden van Dongen en Oosterhout. De aanpak van de doorstromings-, bereikbaarheid-, leefbaarheids-, verkeersveiligheids- en verkeersafwikkelingsproblemen betreft het grote openbare belang dat met dit provinciaal inpassingsplan gediend wordt. Om te voorzien in een toekomstvaste oplossing voor deze problemen, wordt met de aanleg van de nieuwe N629 een beroep gedaan op het nee, tenzij-principe.

Beschikbaarheid van alternatieve locaties buiten NNB

In het MER is in het zoekgebied (zie navolgende figuur) gezocht naar alternatieven voor de nieuwe N629. Met dit zoekgebied wordt voortgeborduurd op de trechtering van de alternatieven die in het MER van 2011 ingezet is. Dat wil zeggen dat alternatieven die toen niet als kansrijk werden beschouwd in het huidig MER niet meer zijn meegenomen.

In het zoekgebied is gezocht naar onderscheidende alternatieven die de bandbreedte van het gebied afdekken. Daarbij is rekening gehouden met technische randvoorwaarden zoals rijafstanden, boogstralen en mogelijkheden om aan te sluiten op het onderliggend wegennet. Daarnaast zijn ook de huidige situatie en autonome ontwikkeling (zoals de ontwikkeling van bedrijventerrein Everdenberg-Oost en de ontwikkeling van woningen en bedrijvigheid in Dongen) in acht genomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0006.png"

Figuur 2.3 Zoekgebied (Tauw, 2016)

In het zoekgebied zijn vijf alternatieven voor de aanpak van de verkeers- en leefbaarheids-problematiek op en om de bestaande N629 en Westerlaan mogelijk. Andere alternatieven voor de aanpak van de genoemde problemen op andere locaties dragen niet bij aan het oplossen van de verkeers- en leefbaarheidsproblematiek op en om de N629. Zowel bij het opstellen van het MER in 2011 als bij het opstellen van het huidige MER is uitvoerig gezocht naar alternatieven voor de bestaande N629. De bestaande N629 heeft een belangrijke rol als verbinding tussen twee kernen en als verbinding tussen Dongen en de rijksweg A27. Die rol moet de nieuwe N629 ook hebben. Daarom gelden de vijf in het MER geselecteerde alternatieven als de enige op voorhand mogelijk kansrijke alternatieven.

Uit paragraaf 2.2.2 van het provinciaal inpassingsplan blijkt dat de alternatieven Parallel Noord en Parallel Noord – 't Blik afvallen in de alternatievenafweging omdat het probleemoplossend vermogen van deze varianten te beperkt is. Beide alternatieven scoren laag op het gebied van verkeersafwikkeling/doorstroming en kennen een relatief hoge I/C-verhouding, waardoor de toekomstvastheid (te) beperkt is. Daarnaast leveren de alternatieven geen verbetering op van de leefbaarheid; er is zelfs sprake van een verslechtering ten opzichte van de autonome situatie. Hiermee wordt niet voldaan aan de doelstellingen van de nieuwe weg, namelijk het verbeteren van de leefbaarheid en doorstroming. Een bijkomend nadeel van alternatief Parallel Noord – 't Blik is dat voor dit alternatief relatief veel woningen in de omgeving van de Doelstraat in Dongen gesloopt moeten worden.

Paarsgewijze vergelijking tussen de resterende alternatieven wees uit dat het alternatief Bundeling Noord van alle varianten het beste beoordeeld wordt. Dit omdat het alternatief qua oplossend vermogen lijkt op alternatief Bundeling Zuid, maar tegen lagere kosten. Verder scoort alternatief Bundeling Noord beter dan alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug omdat het doorgaand verkeer en het lokaal verkeer eerder gescheiden worden, de milieuconsequenties voor het uitloopgebied van Dongen lager zijn bij een vergelijkbare invloed van de alternatieven op 't Blik. Ten opzichte van alternatief Parallel Noord – Nieuwe brug vermindert alternatief Bundeling Noord de doorsnijding van het landschap door de hoofdrijbaan met het Wilhelminakanaal te bundelen. Gelet op het voorgaande is alternatief Bundeling Noord als voorkeursalternatief gekozen. Daarmee is ook de beste locatie voor de nieuwe N629 bepaald. Paragraaf 2.2.2 licht de volledige alternatievenafweging toe. De alternatieven voor de nieuwe N629 zijn voorgelegd aan de gemeenteraden van Dongen en Oosterhout. In beide gemeenten steunde een grote meerderheid de keuze voor alternatief Bundeling Noord als voorkeursalternatief.

Beschikbaarheid andere oplossingen

Voor bepaalde mobiliteits- en infrastructurele knelpunten kan een zogenoemd nulplusalternatief een oplossing zijn. Een nulplusalternatief is een alternatief waarbij zonder aanleg van nieuwe wegen wordt gestreefd naar de oplossing van de gestelde problemen. Voor de aanpak van de verkeersveiligheids- en leefbaarheidsproblemen op en om de bestaande N629 geldt echter dat een nulplusalternatief niet voldoet, zie verder paragraaf 2.2.3 van het provinciaal inpassingsplan.

Compensatie

Negatieve effecten op het Natuurnetwerk Brabant als gevolg van de aanleg en het gebruik van de nieuwe N629 moeten worden beperkt en de resterende negatieve effecten moeten worden gecompenseerd. Daarbij moet worden voldaan aan artikel 5.6 uit de Verordening ruimte Noord-Brabant.

In het geval van de nieuwe N629 moeten zowel de negatieve effecten als gevolg van de aanleg en als gevolg van het gebruik van de nieuwe N629 gecompenseerd worden. De aanleg van de nieuwe N629 leidt tot ruimtebeslag in het Natuurnetwerk Brabant, 't Blik en de Duiventoren. Het gebruik van de nieuwe N629 leidt tot geluidverstoring in het aangrenzend Natuurnetwerk Brabant. Bijlage 11 bevat een gedetailleerde bepaling van de compensatieopgave. De navolgende tabel toont de compensatieopgave die ontstaat als gevolg van de aanleg en het gebruik van de nieuwe N629.

Tabel 2.1 Overzicht compensatieopgave Natuurnetwerk Brabant als gevolg van de aanleg en het gebruik van de nieuwe N629

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0007.png"

De compensatieopgave kan worden gerealiseerd in de vorm van fysieke compensatie of in de vorm van financiële compensatie. Omdat er voldoende gronden beschikbaar zijn voor fysieke compensatie is financiële compensatie in dit geval niet nodig. Fysieke compensatie moet krachtens artikel 5.7 plaatsvinden in de niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Brabant of in de niet gerealiseerde ecologische verbindingszones. Op grond van het decentralisatieakkoord zijn de provincies verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid en dus voor de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. Naast het (door het Rijk bepaalde) Natuurnetwerk Nederland (NNN) heeft de provincie Brabant ook (aanvullende) gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Brabant (NNB).

Voor de ontwikkeling van het NNN stelt het Rijk financiële middelen ter beschikking. Daarnaast heeft de provincie een eigen ambitie waardoor zij meer NNB realiseert dan strikt genomen vanwege de landelijke afspraken verplicht is. Voor die delen van het NNB moet de provincie financiële middelen ter beschikking stellen. Hierbij geeft de provincie prioriteit aan natuurcompensatie in de nog niet gerealiseerde delen van het natuurnetwerk. Ook zet de provincie in op het koppelen van economische ontwikkeling aan investeringen in natuur. Waar de Verordening ruimte Noord-Brabant spreekt van de nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Brabant en nog niet gerealiseerde ecologische verbindingszones worden gebieden bedoeld die nog niet ingericht zijn als Natuurnetwerk Brabant of als ecologische verbindingszone en waarvoor nog geen subsidie voor inrichting verstrekt is.

Gelet op de eigen ambities van de provincie Noord-Brabant die een ruimere omvang van het natuurnetwerk behelzen is compensatie in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Brabant en in ecologische verbindingszones mogelijk en (vanuit de verordening) zelfs verplicht.

Naast compensatie van de negatieve effecten van de nieuwe N629 op natuur vindt ook mitigatie van de negatieve effecten van natuur plaats. Zo worden er voor vleermuizen in het gebied 'hop overs' gerealiseerd over de nieuwe N629 en maatregelen genomen om de effecten van lichtuitstraling te verzachten of te voorkomen. Voor het kleine wild komt een kleinwildtunnel tussen de EVZ-stapsteen en 't Blik. Een overzicht van alle mitigerende maatregelen is opgenomen in het rapport 'Mitigerende voorzieningen ecologie nieuwe N629'. Tevens vinden investeringen in de kwaliteit van het landschap plaats, die investeringen leveren ook een bijdrage aan natuur.

Hoofdstuk 3 Huidige situatie en nieuwe N629

In dit hoofdstuk wordt de huidige en toekomstige situatie van de N629 beschreven. De beschrijving van de huidige situatie gaat in op eigenschappen van de Heistraat en Westerlaan en de problematiek, die op deze wegen is ontstaan. Bij de omschrijving van de nieuwe situatie is het ontwerp voor de nieuwe N629 in 5 delen opgeknipt. In de derde paragraaf komt het landschap aan bod. Daarbij wordt eerst een analyse van het landschap gemaakt, vervolgens inzichtelijk gemaakt hoe de kwaliteitsverbetering voor het landschap tot stand komt en beschreven hoe het nieuwe tracé van de N629 ingepast wordt in het landschap. De inrichting van de nieuwe natuur, die wordt gecreeërd, komt als laatste aan bod.

3.1 Huidige situatie

Deze paragraaf gaat in op de kenmerken van de bestaande N629. Vervolgens komt het verkeer op de bestaande N629 aan bod en de effecten van dat verkeer op de omgeving.

3.1.1 Ruimtelijke en functionele structuur

De bestaande N629 (Heistraat) is een provinciale weg die de verbinding vormt tussen Dongen Oosterhout en de A27. De omgeving van de N629 kent aan de kant van Oosterhout een overwegend agrarisch gebruik. Veel gronden zijn in gebruik als weiland of akkerland. Enkele bedrijfsgebouwen liggen aan de Heistraat, waaronder glastuinbouwcomplexen. Tussen de Heistraat en het Wilhelminakanaal, ten westen van Dongen ligt het gebied 't Blik. De omgeving van 't Blik kent een gevarieerder gebruik dan het overige deel van het landschap van de N629. In dit deelgebied wordt de woonfunctie afgewisseld met gronden met een agrarische functie of natuurfunctie. Er is een bos, een begraafplaats, een tennisclub, een scoutingclub, een ijzertijdboerderij en een hondenschool. Daarnaast zijn natuurvereniging Ken en Geniet en bijenhoudersvereniging Sint Ambrosius in 't Blik actief.

3.1.2 Verkeer op de bestaande N629

De Heistraat (bestaande N629 tussen de Provincialeweg in Oosteind en de Westerlaan in Dongen) is ca. 3 kilometer lang en bestaat uit twee rijstroken zonder middenberm. De maximaal toegestane snelheid is 80 kilometer per uur. Langs de weg liggen vrijliggende fietspaden. Landbouwvoertuigen zijn er toegestaan. De Heistraat heeft de volgende functies:

  • gebiedsontsluiting voor de omgeving van Oosterhout en Dongen, waaronder bedrijventerrein Tichelrijt;
  • regionale verbinding voor verkeer tussen de A27 en het noordelijk deel van Tilburg en voor verkeer tussen Dongen en de A27/Oosterhout;
  • erfontsluiting en verbindingsweg voor landbouwverkeer;
  • onderdeel van recreatieve fietsroutes en de fietsroute voor scholieren tussen Dongen en Oosterhout.


Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat de N629 zowel fungeert als belangrijke verbinding (verkeersader) tussen Dongen en Oosterhout en als een weg die aangelegen objecten ontsluit. Deze vermenging gaat ten koste van de leefbaarheid (vanwege de beperkte afstand tussen de weg en de aangelegen woningen), bereikbaarheid, doorstroming en verkeersveiligheid. De variatie in weginrichting, gebruiken en gebruikers voldoet niet aan de principes van een duurzaam veilige weginrichting.

Een verkeersader moet voorzien in een betrouwbare doorstroming en een beperkt aantal conflictpunten, zoals oversteekplaatsen en kruisingen, kennen. Een belangrijk middel om conflictpunten te voorkomen is het scheiden van verkeersstromen. Doordat de weg aangelegen percelen ontsluit, maken naast automobilisten ook diverse andere verkeerssoorten (zoals landbouw- en vrachtverkeer) gebruik van de bestaande N629. Dit zorgt voor doorstromings- en verkeersveiligheidsproblemen. Ook komen er diverse verkeerssoorten bij elkaar en daardoor kunnen conflictsituaties ontstaan. Het landbouwverkeer op de bestaande N629 past niet in het wegprofiel van twee rijstroken. Dit verkeer heeft een nadelig effect op de doorstroming en de verkeersveiligheid.

3.1.3 Verkeer op de Westerlaan en Duiventorenbaan

De Westerlaan vormt de zuidelijke en westelijke ontsluiting van de kern Dongen. Het is een weg die bestaat uit twee rijstroken zonder middenberm met een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Inhalen is niet toegestaan. Naast de weg ligt een vrijliggend tweerichtingenfietspad. Ten zuiden van de kruising met het Wilhelminakanaal, gaat de Westerlaan over in de Duiventorenbaan.

Ten oosten van de Westerlaan liggen de Dongense woonwijken West 1 en West 2. De weg fungeert als ontsluiting voor de woonwijk West 2. Ook ontsluit de Westerlaan diverse voorzieningen ten westen van die laan. De Westerlaan en de Duiventorenbaan verbinden Dongen met Tilburg (via de Steenstraat en de N632) en Rijen (via Dongenseweg). Naast ontsluitingsweg is de Westerlaan dus ook een regionale verbindingsweg. Daarnaast wordt de Westerlaan gebruikt door landbouwverkeer.

De menging van verkeer op de Westerlaan leidt in de huidige situatie tot veiligheids- en doorstromingsproblemen. De oversteekbaarheid van de Westerlaan wordt in de huidige situatie als problematisch ervaren. Dit is een gevolg van toenemende drukte op de Westerlaan en de aantrekkende werking van 't Blik, door met name recreatieve- en vrijetijdsfuncties.

3.1.4 Verkeersveiligheid

Zoals eerder vermeld, voldoet de bestaande N629 niet aan de principes van Duurzaam Veilig. Uit cijfers over de periode 2003-2012 blijkt dat het aantal (letsel)ongevallen op de bestaande N629 hoger is dan het gemiddelde aantal (letsel)ongevallen op andere provinciale wegen in Noord-Brabant. Omwonenden en lokale politici zijn bezorgd over de veiligheid op en rond de bestaande N629 (met name tussen de Hoogstraat en de Groenstraat/Hogedijk). Deze bezorgdheid komt met name doordat auto's, vrachtverkeer, landbouwverkeer en fietsers elkaar kruisen op deze weg. Ter plaatse van de kruisingen van de bestaande N629 met het onderliggend wegennet (Ter Horst, de Provincialeweg, de Hoogstraat en de Heikantsestraat) hebben in de periode 2003-2012 relatief veel ongelukken plaatsgevonden.

Er zijn maatregelen genomen om de verkeersveiligheid op de bestaande N629 te vergroten. Zo zijn nieuwe markeringen en middengeleiders aangebracht. Verder is vanwege de verkeersveiligheid de oversteek bij de rotonde Middellaan-Westerlaan verplaatst naar de kruising Groenstraat/Hogedijk. Hier zijn later verkeersregelinstallaties aangebracht na een aantal ernstige ongevallen met fietsers. Deze maatregelen voorzien echter niet in structurele oplossingen. Met het nieuwe tracé van de N629 wordt wel een structurele oplossing geboden.

3.1.5 Oversteekbaarheid

In de huidige situatie is de N629 niet goed over te steken. Verkeer afkomstig van aangelegen woningen en bedrijven heeft moeite om de bestaande N629 op te draaien omdat de weg relatief druk is. Daarnaast zijn er kruisingen van de bestaande N629 met het onderliggend wegennet die onoverzichtelijk zijn of waar de continue verkeersstroom weinig gelegenheid tot oversteken geeft. Voor kruisingen die door middel van verkeersregelinstallaties of rotondes geregeld zijn, geldt dit in mindere mate. Als er niets gedaan wordt aan de oversteekbaarheid, verslechtert deze, doordat er in de toekomst meer verkeer gebruik gaat maken van de N629.

Ten oosten van de Westerlaan ligt een vrijliggend tweerichtingenfietspad. Ter hoogte van de Doelstraat kunnen gebruikers van dat fietspad de Westerlaan oversteken. Het beperkt aantal oversteekmogelijkheden (bij het kanaal ongelijkvloers) in relatie tot de hoeveelheid verkeer op de Westerlaan leidt ertoe dat de oversteekbaarheid van de weg als problematisch ervaren wordt. In de autonome ontwikkeling neemt de hoeveelheid verkeer op de Westerlaan toe, waardoor deze ervaring versterkt kan worden.

3.1.6 Luchtkwaliteit en geluidbelasting

Verkeer op de bestaande N629 heeft gevolgen voor de leefbaarheid op en rondom de bestaande weg. Het verkeer veroorzaakt luchtvervuiling en geluid. Aan de bestaande N629 en in de bebouwde kom van Dongen (in het bijzonder in de omgeving van de Westerlaan) wordt de hoeveelheid verkeer (met name het vrachtverkeer) als hinderlijk ervaren. Aan de bestaande N629, de Westerlaan, maar ook in het onderliggende wegennet liggen woningen die een te hoge geluidbelasting ontvangen. Uit hoofdstuk 8 van het MER blijkt dat er sprake is van 168 geluidgehinderden en 75 ernstig geluidgehinderden.

De grenswaarden voor luchtkwaliteit worden in de omgeving van de bestaande N629 en de Westerlaan niet overschreden. Het voorgaande houdt in dat er geen wettelijke noodzaak is om maatregelen te treffen. Dat neemt niet weg dat omwonenden bezorgd blijven over de luchtkwaliteit en de eventuele toename van luchtvervuiling als er meer verkeer over de N629 en Westerlaan gaat rijden.

3.2 Beoogde situatie en nieuwe N629

Deze paragraaf beschrijft het tracé en ontwerp van de nieuwe N629. Het tracé wordt behandeld in vijf subparagrafen, waarna de zesde subparagraaf ingaat op de gevolgen van de nieuwe N629 voor het onderliggend wegennet. Bijlage 5 bevat het volledige ontwerp van de nieuwe N629.

Voor de beschrijving van de nieuwe N629 wordt het volledige tracé opgeknipt in vijf tracédelen. Ieder deelgebied wordt separaat beschreven van noord naar zuid. Het tracé van de nieuwe N629 bestaat uit de volgende vijf deelgebieden (zie figuur 3.1):

  • 1. Tracédeel 1: kruispunt nieuwe N629 met Ter Horst en Provincialeweg – Hoogstraat.
  • 2. Tracédeel 2: Hoogstraat – kruispunt nieuwe N629 met ontsluitingsweg Everdenberg-Oost/verbindingsweg met de Heistraat.
  • 3. Tracédeel 3: kruispunt nieuwe N629 met ontsluitingsweg Everdenberg-Oost/verbindingsweg en de weg parallel langs Everdenberg-Oost - zone parallel aan het Wilhelminakanaal.
  • 4. Tracédeel 4: Deel van de nieuwe N629 parallel aan het Wilhelminakanaal - Brug over het Wilhelminakanaal.
  • 5. Tracédeel 5: Brug over het Wilhelminakanaal – kruispunt nieuwe N629 met Duiventorenbaan en Steenstraat.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0008.png"

Figuur 3.1 Beoogd tracé nieuwe N629 met de verschillende tracédelen.

3.2.1 Tracédeel 1

De gelijkvloerse kruising tussen de N629 en de Provincialeweg/Ter Horst bij Oosteind vormt de noordelijke grens van het plangebied van dit provinciaal inpassingsplan en is voorzien van een verkeersregelinstallatie. De kruising wordt in het kader van de eerste fase van de aanpak van de N629 al grotendeels gereconstrueerd. Dit inpassingsplan voorziet met name in de nieuwe aansluiting van de Ekelstraat op dit kruispunt. De nieuwe N629 bestaat hier uit 2x2 rijstroken. Daarnaast zal op dit kruispunt (via Ter Horst) de nieuw aan te leggen parallelweg richting de Hoogstraat worden aangesloten. Daarmee blijft de verbinding tussen Oosteind en Oosterhout via de Hoogstraat in stand. Ten zuiden van de kruising worden aan weerszijden van de nieuwe N629 bushaltes aangelegd. De Ekelstraat wordt niet aangesloten op de nieuwe N629. Wel wordt voorzien in een fietspad tussen de Ekelstraat en de Provincialeweg zodat de bestaande route in tact blijft voor fietsverkeer. Ten zuiden van de kruising is de nieuwe N629 gesloten voor landbouwverkeer. Landbouwverkeer mag wel gebruik maken van de parallelweg.

3.2.2 Tracédeel 2

De nieuwe N629 sluit niet aan op de Hoogstraat. De Hoogstraat kruist de N629 door middel van een fietstunnel. Fietsverkeer (en ook bromfietsers en voetgangers) kan de Hoogstraat nog wel als doorgaande route tussen Oosterhout en Oosteind gebruiken, maar (vracht-)autoverkeer en landbouwverkeer niet. Voor gemotoriseerd verkeer tussen Oosterhout en Oosteind wordt voorzien in een nieuwe verbinding in de vorm van een parallelweg langs de nieuwe N629 die de Hoogstraat via Ter Horst met Oosteind verbindt. De parallelstructuur zorgt er ook voor dat de agrarische percelen die in de huidige situatie via de Hoogstraat en de bestaande N629 ontsloten worden, toegankelijk blijven. De parallelstructuur fungeert tevens als route voor landbouwvoertuigen en is hier qua maatvoering op aangepast.

Voor de vormgeving van de tunnel hebben bijeenkomsten met belanghebbenden plaatsgevonden. Uit deze bijeenkomsten bleek dat de tunnel bij voorkeur schuine wanden en een zo goed mogelijk doorzicht moet krijgen. Daarnaast wordt naar aanleiding van de bijeenkomsten de fietstunnel vormgegeven als twee losse delen (met open middenruimte tussen twee rijstroken van de nieuwe N629) in plaats van als een volledig gesloten fietstunnel. De resultaten van die bijeenkomsten zijn, waar mogelijk, opgenomen in het wegontwerp.

De navolgende figuur bevat enkele impressies van een fietstunnel. De vormgeving van de tunnel in de Hoogstraat wordt gebaseerd op deze impressies. De fietstunnel in de Hoogstraat krijgt schuine wanden, een trottoir voor voetgangers en bestaat uit een dubbel viaduct (één viaduct per rijbaan van de nieuwe N629) met een open tussenruimte. Op die manier kan zoveel mogelijk daglicht in de tunnel komen. Verder wordt de fietstunnel zo breed en open mogelijk gemaakt omdat dit de sociale veiligheid zo groot mogelijk maakt. Op de plek waar de nieuwe N629 de fietstunnel kruist, ligt de nieuwe N629 circa 75 centimeter boven het maaiveld. Door die verhoogde ligging van de N629 kan de fietstunnel kortere hellingbanen en een beter doorzicht krijgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0009.png"

Figuur 3.2 Impressies fietstunnel

De nieuwe N629 bestaat in dit tracédeel uit 2x2 rijstroken die gescheiden worden door een middenberm. De maximumsnelheid op dit tracédeel is 80 kilometer per uur.

3.2.3 Tracédeel 3

Na de kruising met de Hoogstraat zet de nieuwe N629 zich voort in de richting van het te ontwikkelen bedrijventerrein Everdenberg-Oost. Nabij dit bedrijventerrein ontstaat een kruising van de nieuwe N629 met de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost en de verbindingsweg tussen de nieuwe N629 en de Heistraat. De kruising wordt een gelijkvloerse kruising met een verkeersregelinstallatie. Na de kruising gaat de nieuwe N629 over van een weg met 2x2 rijstroken naar een weg met 2x1 rijstrook.

De nieuwe N629 kent hier nog steeds een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur. Op de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Op de verbindingsweg naar de Heistraat geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Landbouwverkeer kan op deze kruising de nieuwe N629 oversteken, maar mag de nieuwe N629 niet op rijden.

De verbinding tussen de nieuwe N629 en de Heistraat bestaat uit twee rijstroken die nabij de Heistraat samenvloeien tot een rijstook. Vanaf de Heistraat is de nieuwe N629 richting Oosterhout te benaderen met een een zogenoemde vrije rechtsaffer (een invoegstrook waarbij niet gewacht hoeft te worden voor een verkeersregelinstallatie).

Deze verbinding tussen de nieuwe en de bestaande N629 zal overwegend gebruikt worden door verkeer tussen Dongen en de A27. Daarom maakt de nieuwe verbindingsweg een bocht richting Dongen. Door middel van een zogenoemde T-aansluiting wordt voorzien in een verbinding tussen het westelijk deel van de Heistraat en de verbindingsweg.

Ten opzichte van het ontwerp van de verbinding tussen de nieuwe en bestaande N629 uit de Notitie Uitwerking Voorkeursalternatief N629, is de verbindingsweg in westelijke richting verschoven. Hierdoor worden aangrenzende percelen meer ontzien. Het fietspad langs de Heistraat wordt verplaatst naar de noordzijde van de weg in de vorm van een tweerichtingenfietspad. Hierdoor hoeft het fietspad de nieuwe verbindingsweg naar de N629 niet te kruisen.

In een variantenstudie (bijlage 6) hebben de provincie Noord-Brabant en de gemeenten Dongen en Oosterhout in het voorjaar van 2017 een keuze gemaakt over de vormgeving van de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost. Op 9 februari 2017 is een ontwerp van een bestemmingsplan dat de realisatie van Everdenberg-Oost mogelijk maakt in procedure gebracht. De delen van het ontwerpbestemmingsplan die overlapt worden door het plangebied van het provinciaal inpassingsplan worden 'overruled' door het inpassingsplan. Dat betekent dat na vaststelling van het inpassingsplan, de delen van het bestemmingsplan Everdenberg-Oost die worden overlapt door het provinciaal inpassingsplan, niet meer geldig zijn.

Het bestemmingsplan Everdenberg-Oost maakt ook de aanleg van een weg tussen Everdenberg-Oost en de bestaande N629 mogelijk. Het tracé van deze weg komt er binnen het ontwerp van de N629 iets anders uit te zien. In het bestemmingsplan Everdenberg-Oost is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de verkeersbestemming voor de verbinding tussen Everdenberg-Oost en de bestaande N629 te wijzigen naar de bestemming Agrarisch. Op die manier kunnen de gronden die in het ontwerpbestemmingsplan een verkeersbestemming hadden en hier niet voor gebruikt gaan worden, weer de bestemming Agrarisch krijgen.

Zowel de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost als de nieuwe N629 doorsnijden de Heikantsestraat. De Heikantsestraat wordt niet aangesloten op de nieuwe N629. Wel wordt de Heikantsestraat aangesloten op de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost. Paragraaf 3.3.3 licht toe hoe de doorsnijding van de Heikantsestraat landschappelijk ingepast wordt.

3.2.4 Tracédeel 4

Na de bovengenoemde kruising loopt de nieuwe N629 in zuidelijke richting parallel aan Everdenberg-Oost. Vervolgens maakt de weg een bocht en loopt de weg parallel aan het Wilhelminakanaal. Op dit gedeelte van de nieuwe N629 geldt een maximumsnelheid van 80 kilometer per uur en bestaat de weg uit 2x1 rijstrook. Tussen de weg en het kanaal komt een ecologische verbindingszone (EVZ) en ligt het bestaande fietspad. Het fietspad kan worden verbreed voor de aanleg van een snelfietsroute, mocht dit op termijn nodig zijn. Het verbreden van het bestaande fietspad voor de aanleg is mogelijk binnen de grenzen van dit plangebied van dit provinciaal inpassingsplan. Evenwel is de realisatie van de snelfietsroute geen onderdeel van dit provinciaal inpassingsplan. In paragraaf 3.4.2 wordt nader ingegaan op de inrichting van de EVZ.

3.2.5 Tracédeel 5

Na het gedeelte van de nieuwe N629 dat parallel aan het Wilhelminakanaal loopt, steekt de weg met behulp van een nieuwe brug het kanaal over. Vanwege de bochtstralen in de opmaat naar de brug geldt aan beide zijden van de brug een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Dit deel van de nieuwe N629 bestaat uit 2x1 rijstroken.

In een variantenstudie (zie bijlage 7) zijn diverse locaties en varianten voor deze brug tegen elkaar afgewogen. Op basis van de variantenstudie is in het voorjaar van 2017 een voorkeursvariant voor de brug gekozen. Die voorkeursvariant is opgenomen in het ontwerp voor de nieuwe N629. Ten opzichte van het voorkeursalternatief zoals opgenomen in het MER (bijlage 1) verschuift de brug 75 meter in westelijke richting. De verschuiving van de brug leidt tot een grotere afstand tussen de brug en de woningen aan de Doelstraat. Dat komt de leefbaarheid in die woningen ten goede.

Na de brug sluit de nieuwe N629 door middel van een gelijkvloerse kruising met verkeersregelinstallatie aan op de Duiventorenbaan en de Steenstraat. Op de Duiventorenbaan en de Steenstraat geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur.

3.2.6 Het onderliggend wegennet

De aanleg van de nieuwe N629 heeft gevolgen voor het wegennet tussen Oosterhout en Dongen. De navolgende afbeeldingen laten zien hoe het (onderliggend) wegennet er in de toekomstige situatie voor verschillende vervoersvormen uit komt te zien.

In de nieuwe situatie vormt de nieuwe N629 de doorgaande route tussen de A27 en Dongen, (vracht)verkeer dat niet Dongen als bestemming heeft, maar wel in de buurt van Dongen moet zijn, gebruikt de nieuwe N629. Wegen zoals de Bovensteweg, Provincialeweg, Westerlaan, Duiventorenbaan en de Steenstraat sluiten aan op de nieuwe N629.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0010.png"

Figuur 3.3 Wegennet voor autoverkeer in de nieuwe situatie

In de huidige situatie wordt de bestaande N629 ook gebruikt door landbouwverkeer. Op de nieuwe N629 is geen landbouwverkeer toegestaan. Op de Heistraat is na realisatie van de nieuwe N629 nog wel landbouwverkeer toegestaan. Figuur 3.4 laat zien welke routes na aanleg van de nieuwe N629 beschikbaar zijn voor landbouwverkeer. Na aanleg van de nieuwe N629 wordt de Ekelstraat een doodlopende weg, er is geen aansluiting op de nieuwe kruising N629/Provincialeweg. Naar aanleiding van de zienswijzen op het ontwerp van het provinciaal inpassingsplan is aan de zuidzijde van de nieuwe N629 een parallelweg voor landbouwverkeer toegevoegd. Deze weg verbindt de Hoogstraat met de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost. De weg past binnen de bestemming 'Verkeer'.

Figuur 3.5 laat vervolgens zien welke routes na aanleg van de nieuwe N629 gebruikt kunnen worden door fietsers. Uit dat figuur blijkt dat de meeste bestaande fietsroutes in de omgeving van de nieuwe N629 behouden blijven (waaronder de fietspaden parallel aan de bestaande N629). Alleen de fietsroute over de Heikantsestraat wordt onderbroken doordat deze straat gekruist wordt door de nieuwe N629. Uit verkeersveiligheidsoverwegingen wordt geen mogelijkheid geboden om ter hoogte van de Heikantsestraat of Everdenberg-Oost de nieuwe N629 over te steken. Er is voorzien in een alternatief: de fietsroute langs het Wilhelminakanaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0011.png"

Figuur 3.4 Wegennet landbouwverkeer

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0012.png"

Figuur 3.5 Wegennet fietsverkeer (doorgaande routes)

Via de Hoogstraat en Heikantsestraat is het bedrijventerrein Everdenberg(-Oost) nog wel per fiets bereikbaar. Daarnaast is Everdenberg-Oost bereikbaar via de bestaande fietsroute die parallel aan het Wilhelminakanaal loopt. Met uitzondering van het gedeelte langs het Wilhelminakanaal zijn langs de nieuwe N629 geen fietsroutes voorzien. De parallelweg tussen de Hoogstraat en Ter Horst is voorzien van een fietssuggestiestrook.

3.3 Landschap

Het nieuwe tracé van de N629 zal worden gesitueerd in het bestaande landschap. De inpassing van de weg in het landschap houdt zoveel mogelijk rekening met de kenmerken van dit landschap. Hierdoor zal de weg zoveel mogelijk opgaan in het landschap en de verstoring van bestaande structuren worden beperkt. In de Verordening ruimte Noord-Brabant van de gelijknamige provincie (artikel 2.3) is tevens de verplichting opgenomen om bij een project in het landelijk gebied, een kwaliteitsverbetering van het omliggende landschap tot stand te brengen. De kwaliteitsverbetering dient aan te sluiten bij de ambities uit het lokale beleid voor dat landschap. Deze paragraaf gaat dan ook eerst in op de kenmerken en kwaliteiten van het landschap, waar de nieuwe N629 in komt te liggen. Voor dit landschap is een gebiedsvisie opgesteld (bijlage 9). Vanuit deze gebiedsvisie, waarin ook de lokale visies zijn meegenomen, is een vertaling gemaakt naar de kwaliteitsverbetering van het landschap. Dit komt aan bod in het tweede gedeelte van deze paragraaf. Hoe de N629 wordt ingepast in het landschap en welke maatregelen daarvoor worden genomen, komt als laatste aan bod.

3.3.1 Analyse van het landschap en gebiedsvisie

De analyse van dat landschap uit de eerdergenoemde gebiedsvisie wordt in de navolgende alinea's samengevat. De gebiedsvisie is in zijn geheel als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd.

Het landschap tussen Dongen en Oosterhout is onder te verdelen in vier landschapstypen (zie ook figuur 3.6):

  • 1. boslandschap;
  • 2. akkerlandschap;
  • 3. polderlandschap;
  • 4. kanaal.

Naast deze landschapstypen is er een aantal bijzondere elementen in het landschap aanwezig, zoals de karakteristieke lintstructuren.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0013.png"

Figuur 3.6 Landschapstypen (Werkplaats De Gruyter, 2017, bewerking Antea Group)

Boslandschap

Kenmerkend voor het boslandschap (gelegen ten zuiden van het Wilhelminakanaal) is het oude lint dat in het verleden de verbinding vormde tussen Dongen en Breda. Dat lint loopt door 't Blik (ten noorden van het kanaal) en vormt nu de bosrand. In het boslandschap zijn nog oude verkavelingspatronen te herkennen. Deze verkavelingspatronen zijn restanten van de vroegere houtproductie. De zandpaden en lanen die door het bos lopen, vormen een netwerk van recreatieroutes. Een aantal boskamers in dit landschap zorgt voor een geleidelijke overgang van open naar gesloten gebieden.

Akkerlandschap

Het akkerlandschap wordt gekenmerkt door kleinschaligheid. In het akkerlandschap dat ten noorden van het Wilhelminakanaal ligt, zijn door het potstalsysteem bolle akkers gevormd. Door die bolle akkers verdwijnen boerderijen achter de bolling van de akkers, waardoor bebouwing naadloos overgaat in het landschap. Voor de introductie van het prikkerdraad werden houtwallen hagen gebruikt als afscherming van de akkers. Restanten van deze houtwallen en hagen zijn nog in het gebied aanwezig en verhogen de biodiversiteit. Zandpaden en enkele oude klinkerwegen die langs de akkers slingeren zijn kenmerkend voor de infrastructuur in dit gebied. De zandpaden vormen een belangrijk onderdeel van het netwerk van recreatieroutes in de omgeving van de nieuwe N629. Daarnaast hebben de paden een cultuurhistorische waarden waar zij nog de oude verbindende routes weergeven.

Polderlandschap

Het polderlandschap (dat ten noorden van de bestaande N629 gelegen is) kenmerkt zich door een weids uitzicht en langgerekte grasvelden. Infrastructuur ligt hier op dijklichamen en verheft zich daarmee boven het maaiveld. Sloten zorgen voor de ontwatering van het gebied en worden soms begeleid door een singel. Dwars door het landschap loopt een oud kerkepad dat de Berkenstraat met de kerk van Oosteind verbindt. Bebouwing ligt vaak als solitaire cluster in het landschap, vaak omgeven door groen.

Kanaal

Het Wilhelminakanaal is in 1923 voltooid en is gedurende de jaren vijftig intensief gebruikt als transportroute voor zand, grind en kolen. Ook tegenwoordig is het kanaal nog van groot belang voor de binnenvaart.

Lintbebouwing

De oude bebouwing aan de lintstructuren richt zich op het landschap en is vaak gesitueerd aan een klassiek boerenerf. Aan de voorkant van dit erf staat het woonhuis met een sier- of moestuin, aan de achterkant bevinden zich de stallen en werkruimtes. De woonboerderijen zijn hoger en nadrukkelijker ontworpen dan de stallen en werkvertrekken. De stallen en werkvertrekken gaan vaak meer op in het landschap door hun donkere kleuren en lagere kappen. Aan het lint leidt dit tot een afwisselend beeld van verschillende kappen en oriëntaties van de kap. De relatie met het landschap is in het lint door doorzichten naar het landschap alom aanwezig.

Gebiedsvisie

Figuur 3.7 geeft het basisconcept voor de gebiedsvisie weer. Het basisconcept gaat uit van kleinschalige gebieden nabij de bebouwde kom van zowel Oosterhout als Dongen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0014.png"

Figuur 3.7 Basisconcept voor de gebiedsvisie (Werkplaats De Gruyter, 2017)

De drie thema's uit het basisconcept zijn verder uitgewerkt in de gebiedsvisie (figuur 3.8):

  • 1. Groen en ecologie: Voor dit thema gaat de visie uit van een sterke natuurverbinding tussen het bosgebied de Duiventoren (ten zuiden van het Wilhelminakanaal) en het riviertje de Donge dat in noord-zuidrichting door Dongen stroomt. De nieuwe N629 doorsnijdt het Natuurnetwerk Nederland, maar voorziet ook in nieuwe ecologische verbindingen. De ecologische verbindingen zijn vooral van belang voor vleermuizen en reeën die de oversteek maken. Voor de reeën worden zogenoemde FUP's (Fauna- UittreedPlaatsen) aan het kanaal voorgesteld en verder zijn begeleiding langs de weg met hekwerk en begroeiing belangrijk. Een doorgang onder het tracé moet hoog en breed genoeg zijn zodat reeën duidelijk uitzicht hebben naar de andere kant van de weg.

    Voor vleermuizen zijn hoge bomen zoals populieren belangrijk om hen over de weg te begeleiden. Ook speciale wegverlichting helpt desoriëntatie bij vleermuizen te voorkomen. Deze maatregelen voor de vleermuizen zijn verder uitgewerkt in paragraaf 5.9.

    Tot slot wordt voorzien in groene omzoming van Dongen. Die omzoming zorgt voor een duidelijke overgang van het dorp naar het landschap.

  • 2. Recreatie: Met betrekking tot dit thema gaat de visie uit van recreatieve routes die Dongen en Oosterhout verbinden. Deze routes ontsluiten het recreatiepotentieel dat in het gebied tussen Dongen en Oosterhout aanwezig is. De verschillende functies in het gebied zoals de ijzertijdboerderij, Vlaamse schuur, minicampings en natuurtuinen, zorgen voor een gevarieerd gebied met een afwisselend recreatief aanbod. Daarnaast hebben De Duiventoren en de Heilige Driehoek ook een recreatieve aantrekkingskracht. Andere populaire bestemmingen zijn de detailhandelsvoorzieningen AVRI en Van Cranenbroek. Beide trekken veel bezoekers aan. Met de komst van het nieuwe tracé wordt een aantal zandpaden doorsneden die onderdeel uitmaken van het lokale wandelnetwerk. Het mitigeren van deze doorsnijdingen door recreatieve rondes af te maken is onderdeel van de recreatieve visie. Uitbreiding van het fietsnetwerk kan daarnaast de Heilige Driehoek, De Duiventoren, 't Blik, AVRI en oud-Dongen met elkaar verbinden. Een goede recreatieve verbinding tussen De Duiventoren en 't Blik is daarnaast onontbeerlijk voor de scouting en sportverenigingen die beide natuurgebieden gebruiken.

  • 3. Functionaliteit en bereikbaarheid: De visie zet in dit thema in op het benutten van de kruispunten van de nieuwe N629 met het onderliggend wegennet. De kruispunten bieden mogelijkheden voor interactie tussen mobiliteit en het gebied in bredere zin. Het gebied wordt gepresenteerd langs de weg door zichtlijnen in het open gebied. Aanleg van de nieuwe N629 betekent afwaardering van de bestaande N629. Daarmee krijgt de bestaande N629 een andere rol in het landschap. Tevens biedt de aanleg voor het nieuwe tracé ook ruimte aan nieuwe knooppunten. Nabij deze knooppunten zijn verschillende ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk. Het huidige wandelnetwerk van de N629 wordt door de komst van de weg verstoord. Door de afwaardering van de bestaande N629, ontstaan er mogelijkheden dit netwerk uit te breiden naar het noorden (over de bestaande N629 heen).

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0015.png"

Figuur 3.8 Visiekaart (Werkplaats De Gruyter, 2017)

3.3.2 Kwaliteitsverbetering landschap

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten het stedelijk gebied wordt in de Verordening Ruimte van de provincie een evenredige tegenprestatie gevraagd in de vorm van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Bij de aanleg van een nieuwe weg komt dit neer op een maatwerkoplossing, waar ook de inpassing van de weg onderdeel van is (bijlage 8). Deze paragraaf licht de gekozen maatwerkoplossing toe. De maatwerkoplossing kent twee sporen:

  • 1. Landschappelijke inpassing van de nieuwe N629. De kwaliteitsverbetering van het landschap bestaat onder andere uit de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629. Paragraaf 3.3.3 beschrijft hoe de nieuwe N629 landschappelijk ingepast wordt. Daarnaast bestaat de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629 uit het aanleggen van voorzieningen voor reeën en vleermuizen zodat zij het Wilhelminakanaal/de nieuwe N629 over kunnen steken, het voltooien van recreatieve routes en de wens tot het ruimtelijk ontwikkelen van de knooppunten van de nieuwe N629 met het onderliggend wegennet als zich daar mogelijkheden toe voordoen. Deze maatregelen zijn reeds omschreven in paragraaf 3.3.1.
  • 2. In het gebied tussen Oosteind, Dongen, De Duiventoren en Oosterhout wordt een investering in de kwaliteit van het landschap gedaan. Daartoe wordt een bijdrage in een speciaal voor dit gebied op te richten fonds gedaan door de gemeenten Dongen en Oosterhout en de provincie Brabant. Het fonds is bedoeld voor de herontwikkeling van het mozaïeklandschap tussen Ter Horst en Everdenberg. Het mozaïeklandschap is een kleinschalig en halfopenlandschap. Door de introductie van (nieuwe) bospercelen, laanbeplanting en houtwallen die alle haaks op de nieuwe N629 staan, komt de kenmerkende kleinschaligheid van dit landschap weer terug. De locaties waar de versterking van het mozaïeklandschap plaats kunnen vinden, worden weergegeven door figuur 3.9.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0016.png"

Figuur 3.9 locaties mozaïeklandschap, de rode ovaal geeft de indicatieve locaties weer waar het mozaïeklandschap (her)ontwikkeld wordt (Werkplaats De Gruyter, 2017, bewerking Antea Group)

Het fonds is ook bedoeld voor de versterking van ecologie en recreatiemogelijkheden in 't Blik. Deze versterking vindt plaats door:

  • De toegankelijkheid van 't Blik te vergroten en ontsnippering van het gebied te bevorderen, bijvoorbeeld door het aanbrengen van houtwallen en een structuur van bomenrijen.
  • Het herstellen en verbeteren van recreatieve fiets- en wandelverbindingen in het 't Blik, maar ook van en naar dit gebied. Bijvoorbeeld door het aanbrengen van bewegwijzering, maken van nieuwe recreatieve 'rondjes' en het investeren in rust- en ontmoetingsplaatsen.
  • Te investeren in de ecologische waarden van 't Blik door faunapassages in de noord-zuidas en het creëren van nieuwe natuur.
  • De lokale kracht, ideeën en initiatieven uit het gebied zelf te faciliteren en te benutten.

Het bedrag in het fonds is beschikbaar voor beide ontwikkelingen. Gezamenlijk moeten de gemeenten Dongen en Oosterhout de twee genoemde ontwikkelingen uitwerken. Voor realisatie van de ontwikkelingen kan het fonds aangewend worden.

3.3.3 Landschappelijke inpassing

Vanuit de analyse van het landschap is naast de kwaliteitsverbetering van het omliggende landschap ook gekeken naar een optimale inpassing van de weg in het landschap. Aangezien de nieuwe N629 in diverse landschappen komt te liggen, vraagt de inrichting van de zone langs de weg om een andere aanpak om ervoor te zorgen dat de weg bij ieder landschapstype goed ingepast wordt. Deze paragraaf gaat verder in op de landschappelijke inpassing van de N629 en de verschillende verschijningsvorm van de weg in het gehele tracé. Figuur 3.10 laat de integrale visie op de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629 zien. De landschappelijke inpassing van de nieuwe N629 bestaat uit onderstaande delen:

  • Parkway;
  • Linten;
  • Everdenberg-Oost, EVZ-stapsteen;
  • Wilhelminakanaal;
  • Bosgebied de Duiventoren.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0017.png"

Figuur 3.10 Totaalvisie op de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629

Onderstaande referentiebeelden zijn tot stand gekomen met behulp van een SWOT-analyse van beleidsstukken en visiestukken, gecombineerd met de inbreng van landschapsarchitecten en stedenbouwkundigen. In een SWOT-analyse worden de sterkten, zwakten van het landschap afgezet tegen de kansen en bedreigingen voor het landschap. Met behulp van een SWOT-analyse wordt bepaald hoe met toekomstige ontwikkelingen in het landschap om kan worden gegaan. De SWOT-analyse is doorvertaald naar themakaarten op het gebied van infrastructuur, landschap en ecologie, antropogene ontwikkeling en recreatie. Vervolgens is op basis van die themakaarten een integraal plan voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629 gemaakt (zie figuur 3.10 en bijlage 10). De referentiebeelden zijn een vertaalslag van de landschappelijke inpassing en ook bedoeld als blauwdruk voor de ambitie met betrekking tot het landschappelijk ontwerp. De referentiebeelden zijn terug te voeren naar de verschillende tracédelen (Parkway, toegangsweg naar Dongen, toegangsweg naar Everdenberg-Oost, de weg langs het kanaal, de weg door het bosgebied De Duiventoren).

De ligging van deze referentiebeelden op het tracé van nieuwe N629 is weergegeven op de navolgende figuur. De komende paragrafen geven een beschrijving van ieder referentiebeeld. De referentiebeelden verwoorden de ambitie voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe weg. Het is aan de aannemer die de nieuwe N629 aan gaat leggen om de ambitie voor de landschappelijke inpassing verder uit te werken.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0018.png"

Figuur 3.11 Ligging van referentiebeelden op het tracé van de nieuwe N629

Parkway

De 'Parkway' is een brede weg met een ruime middenberm en ruime zijbermen. De 'Parkway' doorsnijdt het mozaïeklandschap tussen De Provincialeweg en de kruising bij Everdenberg-Oost en wordt begeleid door een losse boomstructuur. De bermen hebben ontwateringsgreppels. Het beheer van de bermen is gericht op de ontwikkeling van een bloemrijk grasland. Ter plaatse van de verbinding Hoogstraat – Ter Horst is de 'Parkway' voorzien van een laanstructuur met haag.

Om de hoger gelegen akkergronden in beeld te brengen is voorgesteld om het wegtracé van de N629 binnen het mozaïeklandschap te verlagen. Het gaat hier om een wensbeeld, verdiepte ligging is geen noodzaak. Deze verlaging kan verder versterkt worden door de vrijkomende grond te gebruiken om de aanliggende kavels licht te verhogen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0019.png"

Figuur 3.12 Landschappelijke inpassing N629, referentiebeeld 'Parkway' 1

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0020.png"

Figuur 3.13 Landschappelijke inpassing N629, referentiebeeld 'Parkway' 2

Linten

De linten zijn de verbindingswegen in het landschap (aansluiting van de nieuwe N629 met de Heistraat). Het beeld van de linten is er één van wegen met een landelijk karakter: verschillende soorten inheemse bomen met verschillende tussenruimten. De bomen worden in een lijnstructuur aangeplant. De bloemrijke bermen zijn voorzien van ontwateringsgreppels.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0021.png"

Figuur 3.14 Landschappelijke inpassing N629, referentiebeeld 'Linten'

Everdenberg-Oost, EVZ-stapsteen

Het referentiebeeld voor de groenzone nabij Everdenberg-Oost en de EVZ-stapsteen bestaat uit een robuuste groenzone (brede houtwal) met natte gedeelten van grote omvang. De verhouding opgaande beplanting – struiken – ruig gras is globaal verdeeld in een verhouding van 1/3 – 1/3 – 1/3.

Aan de zijde van Everdenberg-Oost is voorzien in een laanstructuur als overgangszone en als begeleiding van de ontsluitingsweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0022.png"

Figuur 3.15 Landschappelijke inpassing N629, referentiebeeld 'Everdenberg-Oost'

Wilhelminakanaal

De zone langs het Wilhelminakanaal is gericht op de ontwikkeling van een ecologische verbindingszone (EVZ) langs het kanaal. In dit deelgebied is de nieuwe N629 qua beeld ondergeschikt aan het landschap. De wens is om de weg maximaal te integreren in de groene zone langs het Wilhelminakanaal. Dit kan gedaan worden door bijvoorbeeld het wegtracé licht verdiept aan te leggen. De zone langs het kanaal met EVZ wordt daarmee nog meer een groene plint waartegen de autobewegingen minder waarneembaar zijn. Naast de nieuwe N629 komt een (snel)fietspad te liggen. Tussen dat fietspad en het Wilhelminakanaal komt een ecologische zone met een breedte van circa 12,5 meter te liggen. Naast de rol voor de natuur dient de ecologische verbindingszone tevens als groene buffer tussen het kanaal en het fietspad/de nieuwe N629. Het licht verdiept aanleggen van de nieuwe N629 is een wens, uitvoering van dit voorstel is niet noodzakelijk voor de landschappelijke inpassing van de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0023.png"

Figuur 3.16 Landschappelijke inpassing N629, referentiebeeld 'Wilhelminakanaal'

Bosgebied de Duiventoren

De ambitie is om bosgebieden meer op elkaar aan te laten sluiten. Inpassing van de brug zal plaatsvinden op een manier die past in de groene en bosrijke omgeving. Dit betekent dat het talud van de weg en de aanlandingen voorzien worden van beplanting. Bospercelen krijgen struikrijke mantelzoomranden. Akkers hebben een natuurlijk en open karakter. De taluds van de N629 zijn aan de zijde van 't Blik aangeplant met bosschages, aan de Duiventorenzijde volstaat ruig grasland met een enkele boom en struiken in het verlengde van de nieuwe houtwal. Deze lijnen en verbindingen zijn ten bate van de vleermuizen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0024.png"

Figuur 3.17 Landschappelijke inpassing N629, referentiebeeld 'Bosgebied de Duiventoren'

Beeldkwaliteitplan

De kenmerken van de landschappelijke inpassing worden opgenomen in een beeldkwaliteitplan. Dit plan wordt opgenomen in het contract met de aannemer, die de weg zal gaan aanleggen, zodat is geborgd dat de landschappelijke inpassing op een goede manier wordt gerealiseerd. Op een zelfde manier worden de eisen voor de inrichting van het gebied met maatregelen voor de reeën en vleermuizen aan de aannemer meegegeven als eis voor de uitvoering van het project N629.

3.4 Ecologie

In deze paragraaf wordt omschreven op welke manier compensatie van de verstoring van het Natuurnetwerk Brabant plaatsvindt. Vervolgens gaat deze paragraaf in op de inrichting van de ecologische verbindingszone en de manier waarop die zone bij kan dragen aan het invullen van de compensatieopgave.

3.4.1 Compensatie

De aanleg van de nieuwe N629 leidt tot doorsnijding van gebieden die behoren tot het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Artikel 5.1 van de Verordening ruimte Noord-Brabant beschermt het NNB. Artikel 5.3 van de verordening beschrijft welke procedure doorlopen moet worden bij infrastructuurprojecten. Volgens artikel 5.3 moeten negatieve effecten waar mogelijk beperkt worden (nee-tenzij principe). De resterende negatieve effecten moeten gecompenseerd worden. Zie paragraaf 2.3.2 voor de toepassing van het nee, tenzij-principe. Bij de compensatie moet worden voldaan aan de regels die door artikel 5.6 van de Verordening ruimte Noord-Brabant gesteld worden.

De compensatieopgave voor het NNB bestaat in dit geval uit negatieve effecten als gevolg van zowel aanleg als gebruik van de nieuwe N629. De aanleg van de N629 leidt tot 3,20 hectare ruimtebeslag in het NNB in 't Blik. De gebruiksfase van de N629 leidt tot geluidsverstoring in het aangrenzende NNB, wat eveneens leidt tot een compensatieplicht. Het gebruik van de nieuwe N629 leidt tot geluidverstoring in de bossen in 't Blik. De provincie Noord-Brabant hanteert een geluidbelasting van 42 decibel als ondergrens voor geluidverstoring. Alle geluidbelasting boven de 42 decibel geldt dus als geluidverstoring. De oppervlakte van de gronden die meer dan 42 decibel geluidbelasting als gevolg van het gebruik van de nieuwe N629 ontvangen, komt voor compensatie in aanmerking. In dit geval bedraagt de oppervlakte aan geluidbelast NNB 24,60 hectare (zie ook figuur 3.18). Opgemerkt wordt dat de voorgeschreven toepassing van geluidsarm asfalt leidt tot een lagere geluidsverstoring in het NNB in vergelijking met 'niet-geluidsarm' asfalt.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0025.png"

Figuur 3.18 Geluidbelasting en ruimtebeslag op NNB als gevolg van de nieuwe N629

De compensatieopgave als gevolg van het ruimtebeslag en de verstoring van NNB-gebied wordt als volgt berekend (zie ook bijlage 11):

  • 1. Compensatie ruimtebeslag = oppervlakteverlies vermeerderd met toeslagfactor die wordt gebaseerd op de leeftijd/ontwikkelingstijd van het natuurtype. Het bos in 't Blik is heeft beheertype N16.01 'Droog bos met productie'. De leeftijd van het huidige bos bedraagt meer dan 25 jaar, zodat een toeslagfactor van 2/3 wordt gehanteerd (zie artikel 5.6 van de Verordening ruimte Noord-Brabant).
  • 2. Compensatie geluidsverstoring = oppervlakte geluidsbelast NNB met dat meer dan 42 decibel geluidbelasting ontvangt, vermenigvuldigd met factor 1/3.

Bovenstaande analyse leidt tot een compensatieopgave die in totaal 13,45 hectare groot is, zoals weergegeven in tabel 3.1.

Tabel 3.1 Berekening compensatieopgave

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0026.png"

De compensatieopgave kan worden gerealiseerd in de vorm van fysieke compensatie of financiële compensatie, overeenkomstig de bepalingen in artikel 5.6 van de Verordening ruimte Noord-Brabant.

Fysieke compensatie

Fysieke compensatie moet volgens artikel 5.7 van de Verordening ruimte Noord-Brabant plaatsvinden in:

  • 1. De niet gerealiseerde delen van het NNB.
  • 2. De niet gerealiseerde ecologische verbindingszones.

Vanuit zowel bestuurlijk als ecologisch oogpunt verdient het de voorkeur dat de fysieke compensatie wordt gerealiseerd zo dicht mogelijk bij de locatie waar de aantasting van het NNB plaatsvindt. In dit verband is door de betrokken overheden een verkenning uitgevoerd van mogelijke geschikte locaties voor fysieke natuurcompensatie in de regio Dongen-Oosterhout. Dit heeft geleid tot de navolgende potentiële compensatielocaties.

Natuurcompensatie in de gemeente Oosterhout

De gemeente Oosterhout heeft in het buitengebied noordelijk van de bebouwde kom van Oosterhout een perceel beschikbaar dat ten dele kan worden ingezet voor het realiseren van natuurcompensatie. Het perceel is gelegen in de Oranjepolder en wordt aangewend voor natuurcompensatie van een tweetal projecten, waarvan één de aanleg en het gebruik van de nieuwe N629 is. De beschikbare oppervlakte natuurcompensatie voor de N629 betreft een oppervlakte van 1,3 hectare. De gronden hebben reeds de juiste bestemming.

Tevens heeft de gemeente Oosterhout de ecologische verbindingszone langs het Wilhelminakanaal (op de noordoever, ten zuiden van bedrijventerrein Everdenberg-Oost) beschikbaar als compensatielocatie. Ook deze gronden worden ingezet voor de natuurcompensatie. De beschikbare oppervlakte van de gronden is circa 1,0 hectare. Ook deze gronden hebben reeds de juiste bestemming.

Naast de compensatie in de Oranjepolder en ten zuiden van Everdenberg-Oost wordt de natuurlijke inrichting van de ecologische verbindingszone tussen de nieuwe N629 en het Wilhelminakanaal in het kader van het project N629 (oppervlakte van 8,22 hectare) voorgedragen als invulling van de compensatieopgave in 'nog niet gerealiseerde ecologische verbindingszones'. Dit provinciaal inpassingsplan kent aan de ecologische verbindingszone een passende bestemming toe.

Natuurcompensatie in de gemeente Dongen

Het Waterschap Brabantse Delta en de gemeente Dongen dragen de inrichting van de EVZ Wildertse Arm (EVZ om bedrijventerrein De Wildert) aan als locatie die kan worden ingezet voor natuurcompensatie van de effecten van de N629. De beschikbare oppervlakte bedraagt 3,65 hectare. De betreffende gronden worden met dit inpassingsplan bestemd als 'Natuur'. Vanwege de totale compensatieopgave voor de aanleg van de N629 zal niet de gehele oppervlakte van de Wildert vanuit dit project ingericht worden als EVZ. Een oppervlakte van 2,93 hectare wordt vanuit dit project ingericht als EVZ.

Financiële compensatie

De genoemde compensatielocaties zijn planologisch geborgd en daarmee inzetbaar voor daadwerkelijke natuurcompensatie. Met een beschikbare oppervlakte van 14,17 hectare aan compensatiegronden kan ruim worden voldaan aan de compensatie-opgave, welke is berekend op 13,45 hectare. Gezien de beschikbaarheid van gronden voor invulling van de compensatieplicht, is financiële compensatie op basis van artikel 5.8 van de Verordening ruimte Noord-Brabant niet aan de orde.

Bijlage 11 bevat een meer gedetailleerde beschrijving van de compensatie als gevolg van de aanleg en het gebruik van de nieuwe N629.

Proces

Op het moment dat het provinciaal inpassingsplan N629 wordt vastgesteld door Provinciale Staten (PS), zal PS tevens een opdracht verlenen aan Gedeputeerde Staten voor het aanpassen van de grenzen van het NNB.

3.4.2 Ecologische verbindingszone

Onderdeel van de aanpak van de N629 is de realisatie van een ecologische verbindingszone met twee stapstenen langs het Wilhelminakanaal, de EVZ Wilhelminakanaal. De EVZ ligt tussen het fietspad en het Wilhelminakanaal. De EVZ bestaat uit een tweetal stapstenen en een verbindingszone daartussen, de zogenaamde corridor.

De EVZ Wilhelminakanaal wordt ontwikkeld als een natte EVZ. Dat betekent dat de EVZ wordt opgebouwd met natte biotopen die geschikt zijn als leefgebied voor diersoorten waarvan water een wezenlijk onderdeel vormt van het leefgebied. Het betreft diverse soorten amfibieën, libellen, vogels en vlinders. Voor de amfibieën en libellen geldt de aanwezigheid van water als een voorwaarde.

De biotopen die binnen de stapstenen en de corridor worden ontwikkeld zijn weergegeven in navolgende tabellen. Daarbij geldt dat de stapstenen groter moeten zijn dan 1 hectare en de corridor minimaal 5 meter breed moet zijn.

Stapstenen

De benodigde biotopen en bijbehorende doelsoorten in de stapstenen zijn weergegeven in navolgende tabel.

Tabel 3.2 Doelsoorten stapstenen

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0027.png"

Corridor

De benodigde biotopen en bijbehorende doelsoorten in de stapstenen zijn weergegeven in navolgende tabel.

Tabel 3.3 Doelsoorten corridor

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0028.png"

Noord-zuidverbinding

In verband met de landschapsecologische context is de oostelijke stapsteen het meest kansrijk als potentieel voortplantingswater voor amfibieën. Deze stapsteen vervult tevens een verbindende functie in de ecologische noord-zuidverbinding tussen de waterrijke bossen van de Duiventoren en de noordelijke zone van de groenblauwe mantel in het buitengebied van Dongen. Om de ecologische verbinding in noord-zuidrichting de versterken is het van belang dat de kanaaloevers worden voorzien van goed werkende fauna-uitreedplaatsen, zogenoemde FUP's.

Afscherming

De EVZ ligt op betrekkelijk korte afstand van de nieuwe N629. Dat betekent dat ook verstorende invloeden vanuit die weg en het wegverkeer op de EVZ waar mogelijk moeten worden beperkt. Ter behoud van de rust en ter beperking van lichtverstoring is daarom langs de gehele EVZ een afscherming tegen lichthinder voorzien.

Beheer en onderhoud

Beheer en onderhoud van de EVZ wordt gericht op het in stand houden van de gewenste biotopen. Voor de aanwezige biotopen bestaat het beheer uit periodiek onderhoud, variërend van jaarlijks maaien van grazige vegetaties, tot extensief maaien (eens per 2-3 jaar) in ruigtevegetaties en periodiek afzetten van houtige gewassen (eens per 10-15 jaar). De onderhoudswerkzaamheden dienen gefaseerd te worden uitgevoerd, waarbij altijd een substantieel van de vegetatie gespaard blijft. Voor het onderhoud dient een onderhoudsbestek te worden opgesteld waarin de wijze van fasering concreet wordt uitgewerkt.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk toetst het initiatief tot aanleg en gebruik van de nieuwe N629 aan het relevante beleid van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, het waterschap Brabantse Delta en de gemeenten Dongen en Oosterhout. Per beleidsdocument wordt geanalyseerd welke gevolgen de inhoud van het document heeft voor de nieuwe N629.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de definitieve Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren. En op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. De SVIR biedt een nieuw en integraal kader voor het rijksbeleid over de ruimte en mobiliteit.

Overheden, burgers en bedrijven krijgen de ruimte om oplossingen te creëren. Zij verdienen het vertrouwen dat ze dat op een goede manier doen. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie en natuur. Ook waterveiligheid en milieukwaliteit (lucht, geluid, bodem, water en externe veiligheid) horen daarbij, evenals de bescherming van het Nederlands werelderfgoed (zoals de Waddenzee en de Nieuwe Hollandse Waterlinie).

Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen.

Het roer moet om in de gebiedsontwikkeling. De daadwerkelijke vraag van bewoners, bedrijven en organisaties wordt daarin leidend. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte verstevigt het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet'. De verantwoordelijkheid om te sturen in de ruimtelijke ordening wordt door de SVIR nog meer bij de provincies en gemeenten gelegd. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Dit houdt in dat de betekenis van de nationale structuurvisie voor het provinciaal inpassingsplan zodoende zeer beperkt blijft.

De structuurvisie richt zich op een dusdanig schaalniveau en is als gevolg daarvan ook van een zeker (hoog) abstractieniveau, dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor dit provinciaal inpassingsplan. Door decentralisatie van bevoegdheden wordt het relevante afwegingskader gevormd door het beleid van de provincie Noord-Brabant en de gemeenten Dongen en Oosterhout.

Conclusie

Het beleid zoals vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte heeft geen gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. Voor die ontwikkeling vindt de afweging decentraal plaats.

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (ook wel AMvB Ruimte genoemd) stelt het Rijk regels die betrekking hebben op de inhoud van bestemmingsplannen. De onderwerpen waar het Rijk regels over stelt zijn beperkt. De onderwerpen zijn: project mainportontwikkeling Rotterdam, kustfundamenten, grote rivieren, Waddenzee en waddengebied en defensie (met uitzondering van radar). Voor de in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna afgekort tot Barro) genoemde onderwerpen moeten op grond van de Wet ruimtelijke ordening alle bestemmingsplannen binnen een jaar aan de bepalingen uit het Barro voldoen. Geen van de in onderwerpen die genoemd worden in het Barro hebben echter betrekking op dit provinciaal inpassingsplan.

Conclusie

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening heeft geen betrekking op dit provinciaal inpassingsplan.

4.1.3 Nationaal milieubeleidsplan 4

Het Nationaal Milieubeleidsplan 4 (hierna afgekort tot NMP4) uit 2001 is het vierde strategische milieubeleidsplan van de nationale overheid. Het plan heeft een reikwijdte tot 2030 en richt zich in hoofdzaak op enkele hardnekkige milieuproblemen waarbij de aandacht uitgaat naar de duurzaamheid van de samenleving. Het NMP4 kijkt in tegenstelling tot het NMP3 meer naar wereldwijde dimensies van de vraagstukken. Er wordt over problemen gesproken die niet alleen vanuit Nederland kunnen worden aangepakt, maar een internationale samenwerking vereisen.

De problemen hebben betrekking op de thema's biodiversiteit, klimaatverandering, natuurlijke hulpbronnen, gezondheid, externe veiligheid, leefomgeving en mogelijke onbeheersbare risico's. Voor de thema's klimaatverandering, biodiversiteit en natuurlijke hulpbronnen biedt het NMP4 een belangrijke strategische vernieuwing in de vorm van transitiebeleid voor de lange termijn (tot 2030). Voor de thema's gezondheid, externe veiligheid, leefomgeving en mogelijke onbeheersbare risico's bevat het NMP4 zogeheten beleidsvernieuwingen.

Streven naar rust is onderdeel van het NMP4 gericht op de kwaliteit van het Natuurnetwerk Nederland (in het NMP4 nog aangeduid als ecologisch hoofdstructuur of EHS). 30% van de natuurgebieden heeft met een geluidniveau van meer dan 40 dB(A) te maken. Vanwege verschillen in functie van de NNN-gebieden is er geen uniforme norm te geven voor de geluidkwaliteit in deze natuurgebieden. Het is de verantwoordelijkheid van de provincies om voor deze natuurgebieden te bepalen welke kwaliteit daar gewenst is. De voorgenomen ontwikkeling loopt door een NNN-gebied en zal aan de geluidkwaliteit moeten voldoen die door de provincie is vastgesteld.

Conclusie

Het beleid zoals vastgelegd in de NMP4 heeft gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling mag niet leiden tot overschrijding van het door de provincie vastgesteld geluidniveau voor NNN-gebieden. Uit hoofdstuk 5 blijkt dat er wel sprake is van een dergelijke overschrijding. Deze overschrijding wordt gecompenseerd. De wijze waarop die compensatie plaatsvindt is toegelicht in paragraaf 3.4.1.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Structuurvisie ruimtelijke ordening

Op 19 maart 2014 is de Structuurvisie ruimtelijke ordening in werking getreden. De structuurvisie is een actualisatie van de visie die in 2010 werd vastgesteld. De provincie Noord-Brabant geeft in de structuurvisie de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het handelen van de provincie Noord-Brabant in de ruimtelijke ordening. De structuurvisie benoemt en beschrijft ambities voor vier ruimtelijke structuren: infrastructuur, landelijk gebied, groenblauwe mantel en stedelijke structuur. Op gebied van infrastructuur is een belangrijke ambitie het bevorderen van de bereikbaarheid (ook internationaal) en het beter verknopen van infrastructuur en ruimtelijke ontwikkelingen en het inpassen van nieuwe infrastructuur in het landschap. Investeren in bereikbaarheid wordt gekoppeld aan verbeteringen in het omliggende (landelijke) gebied. Beter benutten van bestaande infrastructuur staat voorop, daarna wordt geanalyseerd waar uitbouw van infrastructuur noodzakelijk is. De voorgenomen ontwikkeling valt onder de stedelijke structuur in een zoekgebied voor verstedelijking en doorsnijdt een deel van het kerngebied groenblauw (groen vlak op figuur 4.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0029.png"

Figuur 4.1 Uitsnede Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant, het plangebied ligt in de witte ovaal (provincie Noord-Brabant, 2017, bewerking Antea Group)

De voorgenomen ontwikkeling levert ook een bijdrage aan het verbeteren van de regionale en lokale bereikbaarheid. Het inpassingsplan voorziet ook in een aansluiting op de in ontwikkeling zijnde uitbreiding van het bedrijventerrein Everdenberg (hiervoor is een bestemmingsplan in procedure) en daarmee in een verknoping van infrastructurele en ruimtelijke opgaven. Om de nieuwe N629 zo optimaal mogelijk in het landschap op te laten gaan, wordt een landschapsvisie gemaakt. Op die manieren wordt in de voorgenomen ontwikkeling uitwerking gegeven aan het beleid zoals dat geformuleerd is in de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant. De aanleg van de nieuwe N629 heeft effect op het kerngebied groenblauw omdat deze structuur doorsneden wordt door de nieuwe weg. De nieuwe weg leidt daarnaast tot verstoring van flora en fauna in deze structuur. De doorsnijding en verstoring worden gecompenseerd (zie verder hoofdstuk 5).

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past in de beleidskaders die gesteld worden door de Structuurvisie ruimtelijke ordening van de provincie Noord-Brabant.

4.2.2 Verordening ruimte Noord-Brabant

In hun vergadering van 7 februari 2014 en 14 maart 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014 vastgesteld. Vervolgens is deze op 18 maart 2014 door Gedeputeerde Staten gewijzigd. De Verordening ruimte 2014 is met ingang van 19 maart 2014 in werking getreden. In hun vergadering van 10 juli 2015 hebben Provinciale Staten van Noord-Brabant de Verordening ruimte 2014 opnieuw vastgesteld. Op 15 juli 2015 is deze opnieuw vastgestelde verordening in werking getreden. Een geconsolideerde versie van de verordening ruimte is op 15 juli 2017 van kracht geworden als de Verordening ruimte Noord-Brabant .

De thema's, die worden behandeld in de Verordening ruimte Noord-Brabant zijn gebaseerd op de Structuurvisie ruimtelijke ordening. In de structuurvisie is beschreven welke belangen de provincie Noord-Brabant wil behartigen en hoe zij dat wil doen. De verordening is een manier om doorwerking van de provinciale belangen veilig te stellen. Het beleidsstuk is ook bindend voor de provincie zelf. Dientengevolge hebben de regels en aanduidingen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant als basis gediend voor de uitwerking van het wegontwerp van de nieuwe verbinding tussen Dongen en Oosterhout.

De navolgende alinea's en figuren geven de voor de voorgenomen ontwikkeling relevante structuren en aanduidingen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant weer. Per themakaart uit de verordening wordt bepaald hoe de thema's van die kaart zich verhouden tot de aanleg of het gebruik van de nieuwe N629.

Themakaart stedelijke ontwikkeling

Op figuur 4.2 is weergegeven dat het plangebied grotendeels is gelegen binnen de zone 'zoekgebied voor stedelijke ontwikkeling, stedelijk concentratiegebied.'

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0030.png"

Figuur 4.2 Uitsnede themakaart stedelijke ontwikkeling, in grijs de grens van het plangebied van het provinciaal inpassingsplan

Dit geeft aan dat het gebied niet alleen wordt gezien als een groen/agrarisch gebied, maar ook als een gebied dat ruimte biedt voor stedelijke ontwikkeling. De aanleg van een provinciale weg in gebieden met deze aanduiding is derhalve te voorzien.

Themakaart cultuurhistorie

Van figuur 4.3 is af te lezen dat van dit thema geen onderwerpen uit de Verordening ruimte Noord-Brabant voor het plangebied relevant zijn. De archeologische waarden in het gebied langs het Wilhelminakanaal zijn daarentegen hoog. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op deze archeologische waarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0031.png"

Figuur 4.3 Uitsnede themakaart cultuurhistorie, in grijs de grens van het plangebied van het provinciaal inpassingsplan

Themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines

Op figuur 4.4 is te zien dat het plangebied gelegen is in een 'gemengd landelijk gebied', een zone 'beperkingen veehouderij' en grenst aan de zone 'doorgroeigebied glastuinbouw'. Het vlak 'doorgroeigebied glastuinbouw' blijft door de aanleg van de nieuwe N629 in tact. Aanleg van de nieuwe N629 leidt niet tot het moeten verplaatsen van glastuinbouwbedrijven nabij de nieuwe weg. De overige thema's in deze themakaart zijn niet relevant voor de aanleg of het gebruik van de nieuwe N629.

In het MER is aandacht besteed aan het effect van de nieuwe N629 op de landbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0032.png"

Figuur 4.4 Uitsnede themakaart agrarische ontwikkeling en windturbines, in grijs de grens van het plangebied van het provinciaal inpassingsplan

Themakaart water

Te zien op figuur 4.5 is dat het plangebied reikt tot in een waterbergingsgebied nabij de kruising van de bestaande N629 en de Provincialeweg. In het wegontwerp is nadrukkelijk rekening gehouden met deze aspecten. In hoofdstuk 5 wordt uitgebreid ingegaan op het aspect water in relatie tot dit inpassingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0033.png"

Figuur 4.5 Uitsnede water, in grijs de grens van het plangebied van het provinciaal inpassingsplan

Themakaart natuur en landschap

Figuur 4.6 laat zien dat, met betrekking tot de themakaart natuur en landschap zien dat de aanleg van de nieuwe N629 leidt tot doorsnijding en verstoring van het Natuurnetwerk Brabant. Deze doorsnijding en verstoring worden gecompenseerd, daarvoor wordt een compensatieplan opgesteld (zie paragraaf 3.4.1). Naast hoofdstuk 3 gaat ook hoofdstuk 5 in op de wijze waarop dit provinciaal inpassingsplan om gaat met het aspect natuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0034.png"

Figuur 4.6 Uitsnede natuur en landschap, het grijze vlak geeft de indicatieve ligging van de nieuwe N629 weer (provincie Noord-Brabant, 2017, bewerking Antea Group)

Conclusie

De kaders die de Verordening ruimte Noord-Brabant (geconsolideerde versie van 15 juli 2017) stelt, worden in acht genomen bij de planvorming voor de voorgenomen ontwikkeling. Waar nodig wordt in hoofdstuk 5 nader ingegaan op de wijze waarop dit provinciaal inpassingsplan omgaat met de planologische aspecten en de milieuaspecten waar de Verordening ruimte Noord-Brabant eisen over stelt.

4.2.3 Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan en Brabants Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport

De provincie Noord-Brabant heeft bereikbaarheid hoog in het vaandel staan en wil ervoor zorgen dat reizigers binnen een acceptabele tijd van A naar B kunnen komen. Daarnaast zet de provincie in op het waar mogelijk voorkomen van filevorming. Vanuit diverse invalshoeken zoekt de provincie naar innovatieve en duurzame antwoorden op mobiliteitsvraagstukken. In het Provinciaal Verkeers-en Vervoersplan (PVVP) 'Verplaatsen in Brabant' geeft de provincie haar visie op de mobiliteit richting 2020. De doelen en ambities worden onderverdeeld in drie verschillende kwaliteiten; de economische kwaliteit, de sociale kwaliteit en de ecologische kwaliteit. Voorbeelden van doelen en ambities zijn goed functionerende infrastructuurnetwerken die goed met elkaar zijn verknoopt, verbetering kwaliteit van de leefomgeving, verbetering kwaliteit van de sociale veiligheid en bescherming en ontwikkeling van natuur en landschap bij inpassing van nieuwe infrastructuur.

De uitvoering van het PVVP vindt plaats door middel van het Brabants Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport (MIT). Het Brabants MIT biedt overzicht en samenhang in de diverse uitvoeringsprogramma's en projecten op het gebied van infrastructuur en mobiliteit in Noord-Brabant, zodat provinciale investeringen zowel qua inhoud als financieel integraal afgewogen kunnen worden vanuit een breed geheel en inzicht ontstaat in de samenwerking tussen de diverse partijen die betrokken zijn bij het mobiliteitsbeleid. In het onderdeel Regionaal Mobiliteitsbeleid van het Brabants MIT is de voorgenomen ontwikkeling als project opgenomen.

De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de drie kwaliteiten die benoemd worden in het PVVP en is opgenomen als project van het Regionaal Mobiliteitsbeleid van de MIT.

Conclusie

Het beleid zoals vastgelegd in het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan en uitgevoerd in het Brabants Meerjarenprogramma Infrastructuur en Transport vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Dit provinciaal inpassingsplan geeft uitwerking aan het Brabants MIT omdat het de verwezenlijking van een in dat beleidsdocument opgenomen project mogelijk maakt.

4.2.4 Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021

Op 18 december 2015 is het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (hierna afgekort tot PMWP) vastgesteld. Het opstellen van een strategisch beleidsplan op de gebieden van milieu en water is een verplichting uit de Wet Milieubeheer en uit de Waterwet. In het PMWP staat hoe de provincie Noord-Brabant de komende jaren gaat werken aan een veilig en gezond milieu en aan voldoende en schoon drinkwater. Het gecombineerde plan maakt een slag naar de integrale benadering van de fysieke leefomgeving. Uitgangspunten zijn hierbij een gezonde fysieke leefomgeving, een veilige leefomgeving en groene groei.

Het plan concentreert zich op nieuwe stappen en nieuwe accenten. Uitgangspunten hierbij zijn:

  • Een balans tussen efficiënt beschermen en duurzaam benutten van de fysieke leefomgeving;
  • Uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen; streng voor achterblijvers;
  • Opgaven integraal en gebiedsgericht oplossen;
  • Een dynamische en uitnodigende uitvoeringsagenda, die samen met partners wordt uitgevoerd.

Het PWMP stelt kaders voor de bescherming van het milieu en beschrijft wat de provincie Noord-Brabant gaat doen om de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te behouden en te verbeteren. De provincie formuleert doelstellingen voor de thema's bodem, water, lucht, geluid, trillingen, licht en bestrijdingsmiddelen. Daarnaast stelt het PWMP eisen ten aanzien van waterveiligheid, externe veiligheid en overige risicobronnen.

Conclusie

Uit hoofdstuk 5 blijkt dat de voorgenomen aanpak van de N629 voldoet aan de geldende eisen met betrekking tot milieukwaliteit en veiligheid. Dat betekent dat het beleid zoals geformuleerd in het PWMP zich niet verzet tegen de voorgenomen ontwikkeling.

4.2.5 Agenda van Brabant

Op 20 april 2010 is de Agenda van Brabant vastgesteld. De Agenda van Brabant zet in op het vestigings- en leefklimaat in de provincie Noord-Brabant, zodat Noord-Brabant tot de top van de (industriële) kennis- en innovatieregio's in Europa blijft behoren. Een leefklimaat waarin ondernemers, kennis- en onderwijsinstellingen en maatschappelijke organisaties optimaal functioneren en een bijdrage leveren aan het welzijn van de Noord-Brabantse burgers en bedrijven. Het doel van de Agenda is om het vestigings- en leefklimaat zodanig te beïnvloeden, dat Noord-Brabant vanuit een mondiaal en Europees concurrentieperspectief aantrekkelijk, duurzaam en welvarend wordt en blijft. De Agenda streeft naar evenwicht tussen economie en innovatie en de kwaliteit van het woon- en leefmilieu. Om het behoud en ontwikkeling van de regionale kwaliteit te waarborgen wordt er onder andere ingezet op een goede bereikbaarheid. Een goede bereikbaarheid in de regio is in de Agenda benoemd als kerntaak van de provincie. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan een goede bereikbaarheid in de regio.

 

Conclusie

De aanpak van de N629 leidt tot een verbeterde lokale en regionale bereikbaarheid. Op die manier levert de voorgenomen ontwikkeling een bijdrage aan de verwezenlijking van het beleid zoals dat vastgelegd is in de Agenda van Brabant. De aanleg van de nieuwe N629 past daarmee in de Agenda van Brabant.

4.2.6 Brabant uitnodigend groen - integrale provinciale natuur- en landschapsvisie

Op 21 september 2012 is het provinciale natuur- en landschapsbeleid 'Brabant uitnodigend groen' voor de jaren 2012-2022 vastgesteld. De nota vervangt het oude Natuur en landschapsoffensief 2002-2012. 'Brabant uitnodigend groen' is een uitwerking van een aantal al vastgestelde kaderstellende beleidstukken, zoals de Agenda van Brabant, het Bestuursakkoord en het Koersdocument Stad en Platteland. Daarnaast wordt er ook een nieuwe koers uitgezet voor versterking van de Brabantse natuur. De nota biedt de basis voor de uitvoeringsprogramma's die in samenwerking met andere partijen, zoals terreinbeheerders en waterschappen, opgesteld worden. Een belangrijke opgave is om het robuuste Noord-Brabantse natuurnetwerk – Het Natuurnetwerk Nederland van de provincie Noord-Brabant en de ecologische verbindingszones- in zijn geheel te realiseren. De bedoeling is om hierbij meer uit te gaan van natuurlijke processen in plaats van intensieve en dure beheersmaatregelen. Ondernemers en andere organisaties hebben meer ruimte om activiteiten te ontplooien in het Natuurnetwerk Nederland, mits de ecologische waarden en kenmerken van een gebied behouden worden en groene investeringen worden gedaan die in verhouding staan tot de aantasting.

De voorgenomen ontwikkeling doorkruist delen van het Natuurnetwerk Nederland van de provincie Noord-Brabant. Deze doorkruising veroorzaakt verstoring van flora en fauna. Om de negatieve effecten van deze verstoring te compenseren is een compensatieplan opgesteld. Dat compensatieplan wordt toegelicht in paragraaf 3.4.1.

Conclusie

Het beleid zoals vastgesteld in het provinciale natuur-en landschapsbeleid 'Brabant uitnodigend groen' heeft gevolgen voor de voorgenomen ontwikkeling. Om de voorgenomen ontwikkeling te realiseren, wordt het door de ontwikkeling verstoorde Natuurnetwerk Nederland van de provincie Noord-Brabant gecompenseerd. Daarnaast voorziet de voorgenomen ontwikkeling in de aanleg van een ecologische verbindingszone, ook dit is een uitwerking van het in dit document vastgelegde beleid.

4.2.7 Bestuursakkoord 2015 - 2019

Het bestuursakkoord 'Beweging in Brabant', opgesteld door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, geeft in 10 paragrafen de hoofdlijnen van het beleid voor de periode 2015-2019. Het bestuursakkoord zoekt antwoorden in de vorm van ambities op de belangrijkste maatschappelijke uitdagingen waar de provincie Noord-Brabant voor staat. Het doel is om door deze ambities maatschappelijke partners uit te dagen om actief deel te nemen en met innovatie oplossingen te komen om de provincie Noord-Brabant buiten de geijkte kaders te vernieuwen. Door middel van een flexibele bestuursstijl die maximaal aansluit bij de maatschappelijke dynamiek kunnen de ambities op vernieuwende wijze gerealiseerd worden. De nadruk wordt gelegd op veerkracht, aanpassingsvermogen en improvisatie in plaats van het strak managen van beleidsvorming en- uitvoering.

De maatschappelijke opgave voor mobiliteit is om het transportsysteem zo in te richten dat het efficiënt met grondstoffen omgaat, milieuvriendelijk en veilig is en daarnaast snelle en slimme verbindingen biedt voor burgers en bedrijven. Noord-Brabant moet intern en internationaal optimaal verbonden zijn. Noodzaak is om de interne samenhang in de Brabantse mozaïekmetropool te versterken, onder meer door het versneld oplossen van bereikbaarheidsknelpunten in Zuidoost-Brabant. Hierbij gaat de aandacht ook uit naar de N629 Oosterhout-Dongen.

Conclusie

De aanpak van de N629 geeft uitwerking aan de doelen die gesteld zijn in het bestuursakkoord voor de periode 2015-2019. Daarmee past de voorgenomen ontwikkeling in dit gedeelte van het provinciaal beleid.

4.3 Regionaal beleid

4.3.1 Waterbeheerplan waterschap Brabantse Delta 2016-2021

In het Waterbeheerplan van Waterschap Brabantse Delta staan doelen en maatregelen voor het beheer van water- en zuiveringssystemen en wordt beschreven hoe er ingespeeld wordt op veranderende omstandigheden zoals het klimaat en ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode 2016-2021. Het waterbeheerplan geeft het gebied Oosterhout – Waalwijk een hoge prioriteit mee voor de komende planperiode. In het gebied is sprake van een aantal projecten rondom veiligheid, deels vanuit het Hoogwaterbeschermingsprogramma (Geertruidenberg en Amertak, Oosterhout) en Ruimte voor de Rivier.

Het waterschap zet in op het beheer van zowel de waterkwaliteit als de –kwantiteit. Net als in het vorige waterbeheerplan, formuleert het waterschap in dit waterbeheerplan doelen met betrekking tot waterkwaliteitsverbetering, beperking van de kans op wateroverlast en de bestrijding van verdroging. Nieuwe accenten in het waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 zijn:

  • De versterking van de primaire en regionale keringen (de dijken langs de Rijkswateren en langs de regionale rivieren.
  • Inzet op waterbewustwording van watergebruikers: het waterschap wil investeren in het vergroten van inzicht in eigen handelingsperspectief van burgers en ondernemers.
  • Helder zijn over de beperkingen en mogelijkheden die er vanuit het watersysteem zijn voor de gebruiksfuncties.
  • Een meer integrale, gebiedsgerichte uitvoeringsstrategie (combineren van optimaliseren peilbeheer en inrichtingsmaatregelen.
  • Dynamisch waterbeheer: flexibel beheer op basis van actuele informatie over de situatie in het gebied en de regionale verschillen daarin.

De eisen uit het waterbeheerplan voor de periode 2016-2021 worden in acht genomen bij de watertoets (zie hoofdstuk 5) die in het kader van de aanpak van de N629 uitgevoerd is.

Conclusie

Uit de watertoets in hoofdstuk 5 kan worden afgeleid dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan het beleid zoals dat vastgelegd is in het Waterbeheerplan 2016-2021 van het Waterschap Brabantse Delta.

4.4 Gemeentelijk beleid

4.4.1 Structuurvisie Oosterhout (gemeente Oosterhout)

De Structuurvisie Oosterhout is op 22 oktober 2013 vastgesteld. De structuurvisie geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Oosterhout. In de structuurvisie is het ruimtelijk beleid van de gemeente opgenomen voor de periode tot 2020, met een doorkijk naar de langere termijn. De structuurvisie vormt zowel een inspiratie- en informatiebron als een strategisch communicatiemiddel van de gemeente naar burgers, ontwikkelende partijen en het maatschappelijk middenveld. Veel gemeentelijk beleid is reeds uitgewerkt in sectorale nota's, visies en plannen. Dit beleid staat niet ter discussie, maar wordt door vaststelling van de structuurvisie bevestigd. De structuurvisie Oosterhout heeft dan ook met name een functie ter continuering van het bestaande beleid en om samenhang aan te brengen in het ruimtelijke beleidsveld. Daarmee is de structuurvisie Oosterhout een continuering van het beleid zoals dat is verwoord in de Stadsvisie Plus uit 2001.

De kern van de structuurvisie kan worden samengevat als:

  • Continueren van het versterken van de kwaliteit van het bestaand stedelijk gebied door herstructurering, vernieuwing en intensivering en verbeteringen in de infrastructuur.
  • Transformeren van verouderde locaties naar eigentijdse gebieden door een nieuwe invulling en versterken van de voorzieningenstructuur, vergroening van de wegenstructuur en het markeren van stedelijke knooppunten.
  • Maken van een kwaliteitsslag in het buitengebied op het gebied van landschap, recreatie en natuur, met name door het aanbrengen van verbindingen.
  • Maken van een sprong over de A27, waar kansen kunnen worden benut voor wonen, werken en mobiliteit.

Het ruimtelijk beleid is in de structuurvisie uitgewerkt per thema. In het thema 'mobiliteit' is aangegeven dat er gezien de afwikkelingsmaatregelen op de bestaande provinciale weg tussen Oosterhout en Dongen, de N629, maatregelen noodzakelijk zijn. Dit met het oog op de ontwikkeling van het bedrijventerrein Everdenberg-Oost. Er wordt ingezet op de aanleg van een (deels) nieuwe weg zuidelijk van de Heistraat, waarbij die nieuwe weg het doorgaande verkeer gaat verwerken en de Heistraat vooral een functie voor het lokale verkeer blijft vervullen.

Op de structuurvisiekaart (figuur 4.7 )is de verplaatsing van de N629 weergegeven (rode gestippelde pijl). De nieuwe N629 zal door een agrarisch gebied met een zoekgebied voor wonen gaan lopen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0035.png"

Figuur 4.7 Uitsnede structuurvisie Oosterhout (gemeente Oosterhout, 2013)

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling is in lijn met het gemeentelijk beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie Oosterhout.

4.4.2 Structuurplan Oosterhout-Oost (gemeente Oosterhout)

Het structuurplan Oosterhout-Oost vormt de omzetting van de bij raadsbesluit van 20 juni 2006 vastgestelde Strategische Gebiedsvisie Oosterhout-Oost. Het structuurplan Oosterhout-Oost vormt het integratiekader voor de keuzes op het gebied van infrastructuur (stedelijke en regionale ontwikkelingen), bedrijvigheids-en natuurontwikkeling, en ontwikkelingen voor andere functies, zoals (op langere termijn) het wonen.

Het structuurplan beschrijft dat er op de bestaande N629 sprake is van doorstromings- en leefbaarheidsproblemen, geluidoverlast, slechte luchtkwaliteit en oversteekbaarheidsproblemen. Deze problemen moeten opgelost worden om de ontwikkeling van Oosterhout-Oost te laten slagen. Het structuurplan beschrijft ook dat er gezocht wordt naar een nieuwe verbinding tussen de A27 en het Dongense bedrijventerrein Tichelrijt die goed in het landschap in te passen is. Deze nieuwe verbinding is nodig omdat de hoeveelheid verkeer in de regio blijft groeien.

Conclusie

De aanleg van de nieuwe N629 geeft uitwerking aan het beleid, met betrekking tot de N629, zoals dat in het Structuurplan Oosterhout-Oost geformuleerd is. Voor de nieuwe verbinding wordt gezocht naar een zo goed mogelijke landschappelijk inpassing. Daarnaast zorgt de aanpak van de nieuwe N629 voor het oplossen van de geconstateerde leefbaarheids- en doorstromingsproblemen op de bestaande N629.

4.4.3 Structuurvisie Dongen 2020 (gemeente Dongen)

In december 2009 is de Structuurvisie Dongen 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. De Structuurvisie bevat het integrale ruimtelijke beleid op hoofdlijnen voor de gehele gemeente tot 2020. De huidige ruimtelijke hoofdstructuur van de gemeente wordt gekenmerkt door de woonkernen Dongen, 's Gravenmoer, Vaart en Klein Dongen, de bedrijventerreinen Tichelrijt en de Wildert en het landelijk gebied. Tussen die gebieden ligt een aantal infrastructurele lijnen. De gemeente Dongen wordt doorsneden door het Wilhelminakanaal en het riviertje de Donge. De bestaande N629 vormt de verbinding met de A27, terwijl de N632 de verbinding vormt met Tilburg. Het landelijk gebied wordt gekenmerkt door bebouwingslinten en een opstrekkende verkaveling. Tussen Dongen en Oosterhout en tussen Dongen en Tilburg worden stedelijke buffers ingericht.

De ambitie die in de structuurvisie is vastgelegd is het met open vizier en met zoveel mogelijk inwoners van Dongen nadenken over het creëren, het in stand houden en het versterken van een aantrekkelijke en functionele woon-, werk- en leefomgeving. Centraal in het beleid staat dat iedereen zoveel mogelijk kan deelnemen aan het wonen, werken en leven in de gemeente en dat de eigenheid van Dongen wordt gewaarborgd. Aan die ambitie zijn drie belangrijke hoofdopgaven gekoppeld:

  • goed wonen, werken en leven voor iedereen;
  • (cultuur)historisch Dongen;
  • versterken groenblauwe raamwerk.

Voor verschillende thema's zijn visies geformuleerd. Relevant voor dit inpassingsplan is het thema 'Verkeer en vervoer'. In het thema wordt de doelstelling voor het verbeteren van de leefbaarheid langs de Westerlaan benoemd. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de verbetering van de leefbaarheid van de Westerlaan.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling leidt tot een verbetering van de leefbaarheid op en om de Westerlaan. Op die manier geeft de aanpak van de N629 uitwerking aan het beleid zoals geformuleerd in de Structuurvisie Dongen 2020.

4.4.4 Mobiliteitsplan 2007-2015 (gemeente Oosterhout)

Het overkoepelende verkeersbeleid van de gemeente Oosterhout is vastgelegd in het mobiliteitsplan 2007-2015. De belangrijkste speerpunten zijn een duidelijk onderscheid tussen verkeers-en verblijfsgebieden, verbetering van fietsvoorzieningen en hoogwaardig openbaar vervoer. Conform de richtlijnen voor Duurzaam Veilig worden maatregelen genomen om de overgangen te verbeteren en verblijfsgebieden in te richten. De capaciteit van het wegennet wordt geoptimaliseerd door sturings-en benuttingsmaatregelen en het oplossen van knelpunten. Goede fietsverbindingen tussen wijken en centrum en fietsverbindingen naar dorpen en belangrijkste sportvoorzieningen worden nagestreefd. In het fietsmasterplan is een en ander nader uitgewerkt. Het openbaar vervoer wordt gedifferentieerd naar drie niveaus met elk een eigen kwaliteitsniveau. De uitgangspunten zijn vertaald naar een concrete projectenlijst. In voortgangsrapportages wordt verslag gedaan van de uitgevoerde en nog te nemen maatregelen met de daarbij behorende planning. De voorgenomen ontwikkeling komt (nog) niet voor in de projectenlijst en heeft geen invloed op de voorgenomen projecten.

Conclusie

Het beleid zoals vastgesteld in het Mobiliteitsplan verzet zich niet tegen de voorgenomen ontwikkeling. Aan de N629 zijn stedelijke functies (zoals een tuincentrum gelegen). Daardoor krijgt de weg steeds meer bestemmingsverkeer te verwerken. De aanleg van de nieuwe N629 zorgt voor een duidelijker onderscheid in doorgaand verkeer en bestemmingsverkeer en levert daarmee een bijdrage aan de scheiding tussen verkeers- en verblijfsgebieden en de verkeersveiligheid.

4.4.5 Bestemmingsplan Reparatie herziening buitengebied 2016 (gemeente Oosterhout)

Op 7 oktober 2015 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over de vijf ingediende beroepen tegen het raadsbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)'. Hierbij heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak enkele onderdelen van het bestemmingsplan vernietigd en de raad opgedragen het plan binnen 26 weken te repareren. De aanpassingen van het bestemmingsplan zijn doorgevoerd in de regels, verbeelding en toelichting. De regels voor de bestemmingen in het plangebied van dit inpassingsplan zijn ook aangepast.

Conclusie

De reparatie van het bestemmingsplan Buitengebied heeft geen consequenties voor dit inpassingsplan. De waarden, die in het gebied aanwezig zijn en waarmee bij de aanleg van de N629 rekening wordt gehouden, blijven van toepassing.

4.4.6 Bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) (gemeente Oosterhout)

Het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oosterhout is vastgesteld op 28 augustus 2014. Het grootste gedeelte van het plangebied voor dit inpassingsplan valt op dit moment binnen de bestemming Agrarisch van dit bestemmingsplan (zie figuur 4.8). Het natuurgebied 't Blik kent de bestemming Natuur en ten zuiden van dit gebied is nog een klein agrarisch deelgebied met de Landschappelijke waarden. Ten zuiden van het kanaal overheerst de natuurbestemming. Enkele deelgebieden kennen een archeologische waarde.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0036.png"

Figuur 4.8 Uitsnede Bestemmingsplan Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), gemeente Oosterhout (Ruimtelijkeplannen, 2017)

Conclusie

Aanleg van de nieuwe N629 past niet in het vigerend bestemmingsplan. Om de aanleg van de nieuwe N629 mogelijk te maken is dit provinciaal inpassingsplan opgesteld. Er wordt rekening gehouden met de waarden in het gebied: de N629 wordt landschappelijk zoveel mogelijk ingepast en de archeologische waarden in het gebied zijn overgenomen in het inpassingsplan.

4.4.7 Bestemmingsplan Everdenberg-Oost

Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Everdenberg in Oosterhout is het ontwerpbestemmingsplan Everdenberg-Oost op 9 februari 2017 in procedure gebracht. Vaststelling van dit bestemmingsplan vond plaats op 12 december 2017.

Het bestemmingsplan bestaat naast de uitbreiding van bedrijventerrein ook uit de aansluiting op de bestaande N629 (zie figuur 4.9). Het tracé van de nieuw N629 snijdt door de voorziene aansluiting van Everdenberg-Oost op de bestaande N629. Het provinciaal inpassingsplan voorziet in een nieuwe aansluiting op Everdenberg-Oost en op de bestaande N629 ter hoogte van de in dit bestemmingsplan voorziene aansluiting op de bestaande N629. Het in procedure gebrachte bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegheid die gebruikt kan worden om de verkeersbestemming ten bate van de aansluiting van het bedrijventerrein op de bestaande N629 te wijzigen naar de bestemming Agrarisch als de ontsluitingsweg niet nodig is. Ten oosten van Everdenberg-Oost komt het PIP voor een klein gedeelte over de bestemming Groen van Everdenberg-Oost te liggen. Dit heeft geen gevolgen voor de realisatie van het bedrijventerrein.

Conclusie

De aanleg van de nieuwe N629 past niet in de verkeersbestemming uit dit bestemmingsplan die doorsneden wordt door de nieuwe N629. Om die reden voorziet het inpassingsplan in een nieuwe aansluiting op Everdenberg-Oost en de bestaande N629. Het gedeelte van de bestemming Verkeer uit het bestemmingsplan Everdenberg-Oost, dat zorgt voor de aansluiting van het bedrijventerrein met de bestaande N629, wordt gewijzigd door dit inpassingsplan. Met deze andere ligging van de weg is rekening gehouden door een wijzigingsbevoegdheid in het plan op te nemen die aangewend kan worden als de voorziene ontsluiting niet nodig is (zie ook paragraaf 3.2.3).

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0037.png"

Figuur 4.9 Verbeelding Bestemmingsplan Everdenberg-Oost (Ruimtelijkeplannen, 2017)

4.4.8 Bestemmingsplan Buitengebied Dongen (gemeente Dongen)

Op 9 november 2009 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan Buitengebied Dongen vastgesteld. De bestemmingen in dit bestemmingsplan sluiten aan op die van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Oosterhout. Het gebied tegen het natuurgebied 't Blik heeft de bestemming Natuur, de overige gronden in het plangebied van dit inpassingsplan hebben de bestemming Agrarisch (zie ook figuur 4.10). De gasleiding langs het kanaal heeft een aanduiding gekregen op de verbeelding.

Conclusie

De aanleg van de nieuwe N629 past niet in de kaders die dit bestemmingsplan stelt. In het inpassingsplan worden de natuurwaarden die aangetast worden door de aanleg van de N629 gecompenseerd in de nabije omgeving. De aanwezige gasleiding krijgt in het inpassingsplan een beschermingszone.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0038.png"

Figuur 4.10 Verbeelding Bestemmingsplan Buitengebied Dongen (Gemeente Dongen, 2009)

4.4.9 Beheersverordening Bedrijventerrein Tichelrijt (gemeente Dongen)

Bij de nieuwe aansluiting van de N629 met de Duiventorenbaan ligt een heel klein gedeelte van het plangebied in het plangebied van de Beheersverordening Bedrijventerrein Tichelrijt. Op deze locatie is een besluitvlak 'Wonen' van kracht, samen met een besluitvlak dat archeologische waarden beschermt. In het besluitvlak mogen de gronden en bestaande bouwwerken overeenkomstig het huidige gebruik worden gebruikt.

Conclusie

De aanleg van de nieuwe N629 past niet in de kaders die deze beheersverordening stelt. Om de aanleg van de nieuwe N629 mogelijk te maken is daarom dit provinciaal inpassingsplan opgesteld. In het Inpassingsplan worden de archeologische waarden uit de beheersverordening van TIchelrijt overgenomen op de verbeelding.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Verkeer

5.1.1 Verkeerseffecten N629

Voor de N629 heeft het adviesbureau 4Cast de effecten van het voorkeursalternatief onderzocht. Daarbij is gebruik gemaakt van de verkeersgegevens en het verkeersmodel Hart van Brabant (OT6.1.4). Onderzocht is wat de verkeerseffecten zijn in de autonome situatie (huidige situatie) tot 2030 en wat de verkeerseffecten van het voorkeursalternatief tot 2030 zijn. Het onderzoek is opgenomen in het MER. In het provinciaal inpassingsplan zijn deze verkeerscijfers ook gebruikt.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de nieuwe N629 voornamelijk zorgt voor een verschuiving van het verkeer vanaf de Westerlaan en de Heistraat naar de nieuwe N629. Ongeveer 24.500 motorvoertuigen per etmaal gaan gebruik maken van de nieuwe N629 tussen de aansluiting Oosterhout en Everdenberg-Oost en ongeveer 12.300 motorvoertuigen per etmaal tussen Everdenberg Oost en de Westerlaan. De afname op de Westerlaan is ongeveer 9.700 motorvoertuigen en op de bestaande N629 11.700 motorvoertuigen per etmaal. Op deel van de bestaande N629 ten westen van de verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629 is de afname nog groter dan 11.700 motorvoertuigen per etmaal. Op de overige wegen is het effect van de nieuwe N629 niet groot. In Oosterhout is er een kleine verschuiving van ongeveer 400 motorvoertuigen per etmaal van de twee zuidelijke aansluitingen (Oosterhout-Oost /-Zuid) op de A27 naar de aansluiting Oosterhout (nr. 19) op de A27. Voor aanvullende verkeerskundige gegevens wordt verwezen naar de milieueffectrapportage.

5.1.2 Hoogstraat

Om de doorstroming op de nieuwe N629 te bevorderen, wordt het aantal aansluitingen op de N629 beperkt. Dit heeft met name gevolgen voor het gebruik van de Hoogstraat. De Hoogstraat krijgt geen aansluiting op de nieuwe N629. Wel komt er een nieuwe verbinding in de vorm van een parallelweg langs de nieuwe N629 die de Hoogstraat via Ter Horst met Oosteind verbindt (waardoor de verbinding tussen Oosteind en Oosterhout in stand blijft). Deze aanpassing in de wegenstructuur heeft tot gevolg dat de verkeersintensiteit op de Hoogstraat daalt tot circa 5.000 motorvoertuigen per etmaal.

5.1.3 Kruispunten

Uit het verkeersmodel blijkt dat voor onderstaande kruispunten nadere kruispuntenberekeningen noodzakelijk waren om te bepalen of de kruispunten het verkeer kunnen verwerken. Onderstaande opsomming geeft de resultaten van die berekeningen weer.

  • 1. Nieuwe N629 – Everdenberg-Oost: Uit de kruispuntberekening van het kruispunt nieuwe N629 – Everdenberg-Oost blijkt dat een verkeersregelinstallatie (VRI) noodzakelijk is om het verkeer op een goede wijze te verwerken. Een rotonde heeft te weinig capaciteit om het verkeer dat gebruikt maakt van de kruising nieuwe N629-Everdenberg-Oost en de kruising nieuwe N629-Duiventorenbaan straks en in de verdere toekomst doelmatig af te wikkelen. Mogelijke verkeerslichtenregelingen zijn beoordeeld op de criteria cyclustijd en verzadigingsgraad. De cyclustijden liggen voor de zowel de ochtendspits als de avondspits onder de grenswaarde van 120 seconden met respectievelijk 56 seconden en 75 seconden. Voor alle richtingen blijft de verzadigingsgraad in zowel de ochtendspits als de avondspits onder de grenswaarde van 0,9. Binnen dit kruispunt is nog voldoende restcapaciteit aanwezig om extra verkeer te verwerken. Daarnaast zijn er nog optimalisaties mogelijk van de VRI-regeling.
  • 2. Nieuwe N629 – Duiventorenbaan: Uit de kruispuntberekening van het kruispunt nieuwe N629 - Duiventorenbaan blijkt dat een VRI noodzakelijk is om het verkeer op een goede wijze te verwerken. De verkeerslichtenregelingen zijn beoordeeld op de criteria cyclustijd en verzadigingsgraad. De cyclustijden liggen voor de zowel de ochtendspits als de avondspits onder de grenswaarde van 120 seconden met respectievelijk 101 seconden en 88 seconden. Voor alle richtingen blijft de verzadigingsgraad in zowel de ochtendspits als de avondspits onder de grenswaarde van 0,9. In dit kruispunt is nog restcapaciteit om extra verkeer te verwerken. Net als het kruispunt nieuwe N629 – Everdenberg-Oost zijn er optimalisaties mogelijk van de VRI-regeling.

Figuur 5.1 laat zien hoeveel motorvoertuigen per werkdag gebruik maken van de nieuwe N629 en het onderliggend wegennet. Deze verkeersintensiteiten zijn afkomstig uit het eerdergenoemde MER en geprojecteerd op het ontwerp voor de nieuwe N629. Bij de modelprognoses in het MER is ervan uitgegaan dat er via Everdenberg(-Oost) geen doorgaand verkeer mogelijk is tussen de nieuwe N629 en de aansluiting Oosterhout-Oost op de A27. Daartoe zullen bij realisering van het bedrijventerrein Everdenberg-Oost nog verkeersmaatregelen moeten worden getroffen aan het Wilhelminakanaal-Oost. Dit is ook benoemd in het ontwerpbestemmingsplan Bedrijventerrein Everdenberg-Oost. Voorts is er bij de modelberekeningen van uitgegaan dat er geen doorgaand verkeer mogelijk is via de Heikantsestraat. Ook hier zullen verkeersmaatregelen moeten worden getroffen. Een eerste overleg hierover met de omwonenden heeft eind 2016 plaatsgevonden.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0039.png"

Figuur 5.1 Verkeersintensiteiten op de nieuwe N629 en het onderliggend wegennet (Tauw, 2016)

5.1.4 Conclusie

Uit het verkeersmodel blijkt dat de nieuwe N629 de hoge drukte op de Heistraat (huidige N629) wegneemt. Daarnaast zijn de twee kruispunten N629 – Everdenberg-Oost en N629 – Duiventorenbaan opnieuw doorgerekend. Uit deze berekening is naar voren gekomen dat het verkeer met een VRI goed verwerkt kan worden met acceptabele wachttijden. Daarnaast geldt voor beide kruispunten dat de verkeersregelinstallaties (verkeerslichten) nog verder geoptimaliseerd kunnen worden.

5.2 Geluidhinder

5.2.1 Wet- en regelgeving

Sinds 1 januari 2007 geldt de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder (Wgh) geeft een normeringskader waarmee de geluidbelasting als gevolg van onder andere verkeer op wegen ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen gereguleerd kan worden. Ingevolge artikel 74 Wgh zijn in principe alle wegen gezoneerd. Uitzonderingen op deze regel zijn wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt en woonerven.

De Wet geluidhinder (Wgh) is alleen van toepassing binnen de wettelijke vastgestelde zone van de weg. De breedte van de geluidzone langs wegen is geregeld in artikel 74 Wgh en is gerelateerd aan het aantal rijstroken van de weg en het type weg (stedelijk of buitenstedelijk). Bij het bepalen van het aantal rijstroken tellen opstelstroken en in- en uitvoegstroken niet mee. De afstanden worden aan weerszijden van de weg gemeten vanaf de buitenste begrenzing van de buitenste rijstrook. De ruimte boven en onder de weg behoort eveneens tot de zone van de weg. De betreffende zonebreedtes zijn in tabel 5.1 weergegeven.

Tabel 5.1 Zonebreedtes wegen

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0040.png"

Het stedelijk gebied wordt in de Wgh gedefinieerd als 'het gebied binnen de bebouwde kom doch voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone van een autoweg of autosnelweg'. Dit laatste gebied valt onder het buitenstedelijk gebied.

In artikel 75 Wgh is geregeld dat het breedste zonedeel van een weg, bij een overgang tussen weggedeelten met verschillende zonebreedte, over een afstand van een derde van de breedte nog langs de wegas doorloopt. Aan de uiteinden van een weg loopt de zone door over een afstand gelijk aan de breedte van de zone ter hoogte van het einde van de weg.

Binnen de zone van een weg dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting op de binnen de zone gelegen woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt de Lden-waarde in dB bepaald.

Geluidnormen bij aanleg van een weg

In artikel 82 en volgende worden de grenswaarden vermeld met betrekking tot nieuwe situaties bij zones. In tabel 5.2 zijn deze waarden (voorkeursgrenswaarden en de maximaal toelaatbare hogere grenswaarde) opgenomen.

Tabel 5.2 Geluidnormen bij bestaande woningen langs nieuwe wegen

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0041.png"

Geluidnormen bij reconstructie van wegen

Bij reconstructie is de normering afhankelijk van de situatie voor het wijzigen. De ten hoogste toelaatbare geluidbelastingen bij wijzigingen op of aan een weg zijn vermeld in de artikelen 100, 100a en 100b. In de tabel 5.3 zijn deze waarden weergegeven.

Tabel 5.3 Grenswaarden voor woningen bij reconstructie en sanering

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0042.png"

Er is overigens pas sprake van een reconstructie (een reconstructie van een weg omvat iedere fysieke verandering op of aan een aanwezige weg ) in de zin van de Wet geluidhinder bij een wijziging op of aan een aanwezige weg waarbij de toename van de geluidbelasting 2 dB (onafgerond 1,50 dB) of meer bedraagt.

Sanering in relatie tot reconstructie

Er is sprake van een saneringssituatie als een woning op 1 maart 1986 een geluidbelasting hoger dan 60 dB(A) (tot 1 januari 2007 was de etmaalwaarde de dosismaat die in de Wet geluidhinder werd gebruikt. Deze is voor weg- en railverkeerslawaai vervangen door de Lden. Om het onderscheid te maken worden normen in de etmaalwaarde aangeduid met 'dB(A)' en de Lden-normen in 'dB'. ) had én voor 1 januari 2009 is aangemeld bij het Bureau Sanering Verkeerslawaai. Indien voor de betreffende woning de sanering nog niet is afgehandeld, is sprake van een nog te saneren saneringssituatie. Deze woningen vallen niet onder het toetsingskader voor reconstructie.

Uitstraling

Ingevolge artikel 99 lid 2 Wgh dienen bij wijzigingen op of aan een weg ook andere wegen te worden onderzocht waar naar verwachting een toename van 2 dB of meer zal optreden als gevolg van de wijzigingen op of aan de eerdergenoemde weg. Het betreft hier de zogenaamde 'uitstraling van de reconstructie'. Toetsing aan de normering van de Wet geluidhinder behoeft voor deze wegen niet plaats te vinden als er bij deze wegen geen fysieke wijzigingen plaatsvinden.

Aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder

De hoogte van de aftrek is geregeld in artikel 3.4 van het "Reken- en meetvoorschrift geluid 2012". Op basis van dit voorschrift mag voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen 70 km/uur of meer bedraagt, de volgende aftrek worden toegepast:

  • 4 dB aftrek bij een berekende geluidbelasting van 57 dB;
  • 3 dB aftrek bij een berekende geluidbelasting van 56 dB;
  • 2 dB aftrek bij alle andere berekende geluidbelastingen.

Voor de overige wegen bedraagt de aftrek 5 dB. Alvorens de aftrek toe te passen dient eerst afgerond te worden op hele dB's, waarbij halve eenheden worden afgerond naar het dichtstbijzijnde even getal.

30-km/uurzone

Een weg waar de maximale snelheid 30 km/uur bedraagt, is in de zin van de Wet geluidhinder niet-zoneplichtig. Een akoestisch onderzoek is voor dergelijke wegen derhalve niet noodzakelijk.

Gelet op de jurisprudentie aangaande dit punt blijkt echter dat, bij het opstellen van een bestemmingsplan of bij een omgevingsvergunning, de geluidbelasting wel inzichtelijk dient te worden gemaakt. Er dient sprake te zijn van een 'deugdelijke motivering' bij het vaststellen van een bestemmingsplan.

Vanuit het oogpunt van een 'goede ruimtelijke ordening' is derhalve akoestisch onderzoek gewenst. In de zin van de Wet geluidhinder zijn geen streef- en/of grenswaarden gesteld aan dergelijke wegen. De aftrek ex artikel 110g Wgh is eveneens niet van toepassing op wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

Cumulatie

Indien een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidbronnen (samenloop van wegverkeer, railverkeer en/of industrie) ligt, dient inzichtelijk gemaakt te worden hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het “Reken- en meetvoorschrift geluid 2012” is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect-relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toets aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde.

5.2.2 Onderzoek

Onderliggend onderzoek (bijlage 12) bevindt zich in de eindconceptfase. In september en oktober 2017 heeft overleg plaatsgevonden tussen de provincie Noord-Brabant en Antea Group teneinde tot een solide onderzoeksstrategie te komen. De resultaten van deze overleggen worden opgenomen in de volgende revisie van dit onderzoek die in oktober wordt afgerond. De resultaten van onderliggend onderzoek en daarmee de conclusies en aanbevelingen wijzigen niet. Derhalve is de keuze gemaakt onderhavig eindconcept vooralsnog te hanteren.

Geluidbelasting voor treffen van maatregelen

Uit de geluidberekeningen blijkt dat ten gevolge van de aanleg van de nieuwe N629 de geluidbelasting vanwege wegverkeer ten hoogste 60 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt bij 19 bestaande woningen en bij 3 nieuwe woningen overschreden. De maximaal te ontheffen geluidbelasting van 58 dB wordt bij 1 woningen overschreden.

Vanwege de aanleg van de parallelweg tussen de Hoogstraat en de nieuwe N629 wordt bij 2 woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De geluidbelasting ten gevolge van de parallelweg bedraagt ten hoogste 56 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. De maximaal toelaatbare hogere waarde van 58 dB wordt niet overschreden.

De geluidbelasting ten gevolge de verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629 bedraagt bij de omliggende woningen ten hoogste 51 dB inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden, de maximaal toelaatbare hogere waarde van 58 dB wordt niet overschreden.

Gelet op de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde en de maximaal te ontheffen waarde is onderzocht welke maatregelen ter beperking van het geluidmogelijk en/of noodzakelijk zijn.

Voor de bestaande en geprojecteerde woningen binnen de zone van de te wijzigen Hoogstraat, Heistraat, (geprojecteerde) ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost, Duiventorenbaan, Steenstraat en Ter Horst bedraagt de toename van de geluidbelasting nergens 2 dB of meer. Er is derhalve geen sprake van reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder en het treffen van maatregelen en het vaststellen van hogere waarden is daarom voor deze te wijzigen wegen niet nodig.

Maatregelen op nieuwe N629

Het aanbrengen van geluidreducerende wegdekverharding van het type SM8+ over een lengte van 1.750 meter op de rechtstanden van de nieuwe N629 tussen de kruising met de Provincialeweg en de kruising met de ontsluitingsweg van Everdenberg-Oost/verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629 brengt de geluidbelasting vanwege de nieuwe N629 terug. De opstelstroken bij de genoemde kruisingen worden niet voorzien van dit wegdektype.

Na het nemen van deze maatregel wordt ten gevolge van de nieuwe N629 nog bij 9 bestaande en 3 geprojecteerde woningen de voorkeursgrenswaarde overschreden. Het treffen van een aanvullende overdrachtsmaatregel (aanbrengen van geluidwallen en dergelijke) is niet doelmatig. Voor deze woningen moeten daarom hogere waarden vastgesteld worden door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant. Het gaat daarbij om de woningen zoals opgenomen in tabel 5.4. Bij het bepalen van de te verlenen hogere waarden is ervan uitgegaan dat de bovengenoemde geluidreducerende verharding aangelegd wordt op de bedoelde delen van de nieuwe N629.

Tabel 5.4 Vast te stellen hogere waarden inclusief aftrek ex artikel 110 Wet geluidhinder ten gevolge van de nieuwe N629

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0043.png"

Voor de woningen aan Ter Horst 22 en Ter Horst 24 geldt dat deze aan de woonbestemming ontrokken worden en dan geen geluidgevoelige objecten meer zijn. De maatregelen die in akoestisch onderzoek als doelmatig voor deze woningen zijn omschreven, hoeven na onttrekking aan de woonbestemming niet meer te worden gerealiseerd. Het vaststellen van hogere waarden voor deze woningen is na onttrekking aan de woonbestemming ook niet meer noodzakelijk.

Maatregelen verbindingsweg tussen nieuwe en bestaande N629

Voor de woningen waar sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de aanleg van de verbindingsweg is het treffen van maatregelen (geluidreducerend wegdek en/of geluidschermen/-wallen) niet doelmatig. 1 woning ontvangt een te hoge geluidbelasting als gevolg van de verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout dient ten gevolge van de aanleg van de verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629 voor die woning de hogere waarde zoals benoemd in tabel 5.5 weer te geven.

Tabel 5.5 Vast te stellen hogere waarden inclusief aftrek ex artikel 110 Wet geluidhinder ten gevolge van de verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0044.png"

Gevelgeluidwering

Voor alle woningen of andere (geluidgevoelige) bestemmingen waarvoor het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant en het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout hogere waarden vaststellen, moet met behulp van een gevelgeluidweringsonderzoek worden onderzocht of deze woningen aan de wettelijke geluidgrenswaarde voor het binnenniveau kunnen voldoen. Daarbij moet worden uitgegaan van de gecumuleerde geluidbelasting (zie verder) zonder aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder.

Uitstraling

Langs de aansluitende wegvakken van de te wijzigen wegen is bij de Provincialeweg sprake van een toename van de geluidbelasting van 2 dB of meer. Langs dit wegvak is sprake van een uitstralingseffect als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het project.

Op grond van de Wet geluidhinder bestaat er geen verplichting om maatregelen te treffen vanwege het uitstralingseffect. Wel kan het bevoegd gezag het nemen van een bronmaatregel overwegen. Indien de bestaande klinkerverharding wordt vervangen door stille klinkers of asfalt, dan kan de toename van de geluidbelasting ten gevolge van uitstraling worden beperkt.

Cumulatie

Als een geluidgevoelige bestemming waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in de zone van meerdere geluidsbronnen ligt, moet de hoogte van de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk worden gemaakt. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van de geluidbelasting. Er is geen sprake van een wettelijke toets aan een grenswaarde.

Bij de woningen of andere (geluidgevoelige) bestemmingen waarvoor een hogere waarde moet worden vastgesteld is geen sprake van cumulatie met andere geluidbronnen dan wegverkeer.

Cumulatie nieuwe N629

De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer bedraagt bij de woningen waar een hogere waarde wordt vastgesteld ten gevolge van de aanleg van de N629 ten hoogste 61 dB exclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder. Deze gecumuleerde geluidbelasting in de toekomstige projectsituatie is niet hoger dan de plandrempel van 65 dB uit het actieplan geluid van de provincie Noord-Brabant.

Cumulatie verbindingsweg tussen nieuwe en bestaande N629

De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer bedraagt bij de woningen waar een hogere waarde wordt vastgesteld ten gevolge van de aanleg van de verbindingsweg tussen de nieuwe en bestaande N629 ten hoogste 59 dB (exclusief aftrek ex art. 110g Wet geluidhinder). Deze gecumuleerde geluidbelasting in de toekomstige projectsituatie is 11 dB lager dan de gecumuleerde geluidbelasting in de huidige situatie.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat de gecumuleerde geluidbelasting in de toekomstige situatie niet onaanvaardbaar is.

5.2.3 Conclusie

Mits de in bijlage 12 (uitgezonderd de maatregelen voor de woningen aan Ter Horst 22 en 24) genoemde maatregelen genomen worden, belemmert het aspect geluid de uitvoerbaarheid van dit provinciaal inpassingsplan niet.

5.3 Luchtkwaliteit

5.3.1 Wet- en regelgeving

De belangrijkste wet- en regelgeving voor het milieuaspect luchtkwaliteit is vastgelegd in 'Titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen' van de Wet milieubeheer (Wm). In samenhang met Titel 5.2 zijn de grenswaarden voor luchtkwaliteit in bijlage 2 van de Wm opgenomen. Artikel 5.1.6, lid 1 van de Wet milieubeheer bepaalt dat bestuursorganen een besluit, dat gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen nemen wanneer aannemelijk is dat aan één of meer van onderstaande grondslagen wordt voldaan:

  • Er wordt voldaan aan de in bijlage 2 van de Wm opgenomen grenswaarden.
  • Het besluit leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
  • Het besluit draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10).
  • Het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (ook wel NSL genoemd).

Bij Titel 5.2 Wm horen uitvoeringsregels die zijn vastgelegd in Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en ministeriële regelingen. Het gaat daarbij onder andere om het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen, de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 en het Besluit Gevoelige bestemmingen.

Grenswaarden

De (Europese) grenswaarden voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht zijn vastgelegd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Deze grenswaarden zijn gericht op de bescherming van de gezondheid van mensen en dienen op voorgeschreven data te zijn bereikt. In onderstaande tabel zijn de desbetreffende grenswaarden weergegeven.

Tabel 5.7 Vastgestelde grenswaarden (concentraties in µg/m3) (Antea Group, 2017)

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0045.png"

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2.5) in Nederland over het algemeen het meest kritisch. Voor deze stoffen is de kans het grootste dat de bijbehorende grenswaarden worden overschreden. Overschrijding van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 (200 µg/m3) is, in relatie tot wegverkeer, redelijkerwijs uitgesloten. Dergelijke hoge concentraties doen zich niet voor langs wegen en uit metingen over een periode van 10 jaar blijkt dat overschrijding van de uurnorm voor NO2 niet meer aan de orde is

Fijn stof (PM2.5)

Net als voor de jaargemiddelde concentratie PM10, is voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5 ook een grenswaarde vastgesteld (25 µg/m3). PM2,5 is een deelverzameling van PM10 en de PM10- en PM2,5-concentraties zijn dan ook sterk aan elkaar gerelateerd. Uitgaande van de huidige kennis over emissies en concentraties van PM2,5 en PM10 kan worden gesteld dat, als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarden voor PM2,5 zal worden voldaan.

Overige luchtverontreinigende stoffen

Voor de overige luchtverontreinigende stoffen waarvoor grens- of richtwaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer (zwaveldioxide, lood, koolmonoxide en benzeen), geldt dat deze waarden de laatste jaren nergens in Nederland overschreden worden. De concentraties vertonen een dalende trend. Het is dan ook aannemelijk dat een overschrijding van de voor die stoffen vastgestelde grenswaarden, als gevolg van een besluit, redelijkerwijs kan worden uitgesloten.

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007

De Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 bevat voorschriften voor het meten en berekenen van de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er is onder andere voorgeschreven waar en hoe de luchtkwaliteit vastgesteld dient te worden en er zijn enkele standaardrekenmethoden voorgeschreven. Daarnaast is benoemd dat voor berekeningen gebruik gemaakt dient te worden van de generieke invoergegevens die jaarlijks worden vastgesteld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu. Tot deze gegevens behoren onder andere de emissiefactoren voor het wegverkeer, de grootschalige achtergrondconcentraties en meteorologische gegevens.

Toepasbaarheidsbeginsel en significante blootstelling

In artikel 5.19 van de Wet milieubeheer is vastgesteld op welke plaatsen geen beoordeling van de luchtkwaliteit plaats hoeft te vinden. Dit zogenaamde toepasbaarheidsbeginsel beschrijft dat de luchtkwaliteit niet beoordeeld hoeft te worden op locaties:

  • Die zich bevinden in gebieden waartoe leden van het publiek geen toegang hebben en waar geen vaste bewoning is.
  • Terreinen waarop een of meer inrichtingen zijn gelegen.

Op de rijbaan en in de middenberm van wegen hoeft de lcuhtkwaliteit ook niet beoordeeld te worden. Tenzij voetgangers normaliter toegang hebben tot de middenberm.

Op locaties waar de luchtkwaliteit wel beoordeeld moet worden, wordt deze beoordeeld op plaatsen waar significante blootstelling van mensen plaatsvindt. Hierbij wordt gekeken naar het zogenaamde blootstellingscriterium, zoals dat is opgenomen in artikel 22 van de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Het gaat om blootstelling gedurende een periode die, in vergelijking met de middelingstijd van de grenswaarde (jaar, etmaal, uur), significant is. Dit betekent bijvoorbeeld dat op een plaats waar een burger langdurig wordt blootgesteld (onder meer bij woningen) getoetst moet worden aan de jaargemiddelde grenswaarden.

5.3.2 Onderzoek

Luchtverontreinigende stoffen

In het kader van dit provinciaal inpassingsplan is naast het luchtkwaliteitsonderzoek in het MER (bijlage 1) aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd (bijlage 13). Als rekenjaar is in het aanvullend onderzoek het jaar van besluitvorming aangehouden, 2018, omdat dit het eerste jaar is waarin eventuele effecten te verwachten zijn. Daarnaast wordt, voor een blik in de toekomst, ook het rekenjaar 2028 gehanteerd (10 jaar na besluitvorming). Onderstaand de scenario's die zijn doorgerekend:

  • Referentiesituatie: rekenjaar 2018.
  • Plansituatie: rekenjaar 2018.
  • Referentiesituatie: rekenjaar 2028.
  • Plansituatie: rekenjaar 2028.

De referentiesituatie betreft de (toekomstige) situatie zonder uitvoering van het voorgenomen plan (waaronder de realisatie van de nieuwe N629). In de plansituatie zijn de voorgenomen aanpassingen meegenomen en beoordeeld. De plansituatie is de situatie met aanleg en gebruik van de nieuwe N629.

Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn alle nieuwe en aan te passen wegen meegenomen, alsmede alle wegen waarop sprake is van een relevante toe- of afname als gevolg van het voorgenomen plan. Het gaat daarbij onder andere om de bestaande N629 (Heistraat), het nieuwe tracé en een stuk van de Middellaan en het zuidelijke deel van de Westerlaan in Dongen. Met behulp van zwarte lijnen geeft figuur 5.2 de beschouwde wegen weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0046.png"

Figuur 5.2 In het aanvullend luchtkwaliteitsonderzoek beschouwde wegen (de blauwe lijn is de nieuwe N629)

Langs de beschouwde wegen zijn beoordelingspunten gelegd (zie bijlage 2 van bijlage 13 voor een overzicht van deze punten). De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn berekend op deze beoordelingspunten. Overeenkomstig de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 liggen deze beoordelingspunten aan weerszijden van de weg op (maximaal) 10 meter uit de wegrand. Op die locaties waar de bebouwing op minder dan 10 meter is gelegen is de afstand tot deze bebouwing aangehouden.

Rekenresultaten referentiesituatie

De referentiesituatie is de situatie zonder aanleg en gebruik van de nieuwe N629. Uit de resultaten voor de referentiesituatie 2018 en de referentiesituatie 2028 blijkt dat de geldende grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie voor geen van de beschouwde stoffen wordt overschreden. De hoogst berekende jaargemiddelde concentraties liggen voor deze stoffen (ruim) onder de grenswaarden.

De maximaal berekende jaargemiddelde concentratie in 2018 voor NO2 bedraagt 33,4 µg/m3 en voor PM10 21,7 µg/m3. In 2028 bedragen de maximale jaargemiddelde concentraties voor NO2 20,7 µg/m3 en voor PM10 18,5 µg/m3.

Rekenresultaten plansituatie

De plansituatie is de situatie met aanleg en gebruik van de nieuwe N629. Uit de resultaten blijkt dat de geldende grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie voor geen van de beschouwde stoffen wordt overschreden, de hoogst berekende jaargemiddelde concentraties liggen voor deze stoffen (ruim) onder de grenswaarden. De maximaal berekende jaargemiddelde concentratie in 2018 voor NO2 bedraagt 33,4 µg/m3 en voor PM10 21,7 µg/m3. In 2028 bedragen de maximale jaargemiddelde concentraties voor NO2 20,7 µg/m3 en voor PM10 18,5 µg/m3.

Vergelijking referentiesituatie met de plansituatie

In figuren 5.3 tot en met 5.6 zijn de toe- of afnamen ten opzichte van de referentiesituatie per beoordelingspunt in beeld gebracht. De locaties waar de berekende concentraties niet of nauwelijks toe- of afnemen zijn met geel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0047.png"

Figuur 5.3 Verschil in concentraties NO2 tussen de referentiesituatie en de plansituatie voor het rekenjaar 2018

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0048.png"

Figuur 5.4 Verschil in concentraties NO2 tussen de referentiesituatie en de plansituatie voor het rekenjaar 2028

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0049.png"

Figuur 5.5 Verschil in concentraties PM10 tussen de referentiesituatie en de plansituatie voor het rekenjaar 2018

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0050.png"

Figuur 5.6 Verschil in concentraties PM10 tussen de referentiesituatie en de plansituatie voor het rekenjaar 2028

Op basis van dit luchtkwaliteitonderzoek kan worden geconcludeerd dat op alle in het onderzoek opgenomen beoordelingspunten wordt voldaan aan de grenswaarden zoals opgenomen in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit provinciaal inpassingsplan.

Stikstofdepositie

Voor het provinciaal inpassingsplan is een Aeriusberekening uitgevoerd Uit die berekening blijkt dat de drempelwaarde van 0,05 mol stikstof/hectare/jaar als gevolg van het nieuwe tracé van de N629, ter plaatse van voor stikstofgevoelige habitats in de Natura 2000-gebieden, niet wordt overschreden. De hoogst berekende toename op een PAS-Natura 2000-gebied bedraagt 0,01 stikstof/hectare/jaar op het Natura 2000-gebied Langstraat. Op de Natura 2000-gebieden de Biesbosch en het Ulvenhoutse Bos is sprake van een lichte afname van de stikstofdepositie.

Het PAS is, inclusief de binnen het programma beschikbare ontwikkelingsruimte en de bijdragen van ontwikkelingen beneden de drempelwaarde van 0,05 mol stikstof/hectare/jaar, in zijn geheel passend beoordeeld. De gebiedsanalyses die onderdeel uitmaken van het programma, vormen de onderbouwing van de passende beoordeling op gebiedsniveau. In de gebiedsanalyses is voor elk Natura 2000-gebied onderbouwd dat het gebruik van de ontwikkelingsruimte en de bijdrage van de ontwikkelingen beneden de drempelwaarde van 0,05 mol stikstof/hectare/jaar de natuurlijke kenmerken van de te beschermen habitattypen en leefgebieden van de soorten niet zal aantasten.

Doordat de ontwikkeling een bijdrage aan de stikstofdepositie heeft van maximaal 0,01 mol stikstof/hectare/jaar op een voor stikstof gevoelig habitat en de bijdragen onder de drempelwaarde in zijn geheel passend zijn beoordeeld, kan uitgesloten worden dat het plan leidt tot de aantasting van de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied en de betreffende instandhoudingsdoelen in gevaar komen. Het aspect stikstofdepositie vormt dan ook geen belemmering voor de vaststelling van het provinciaal inpassingsplan. Bijlage 14 bevat de volledige Aeriusberekening.

5.3.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit provinciaal inpassingsplan.

5.4 Bodemkwaliteit

5.4.1 Wet- en regelgeving

In het Besluit ruimtelijke ordening is in artikel 3.1.6 indirect geregeld dat een bodemonderzoek verricht moet worden met het oog op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het gebied. Een initiatiefnemer moet onderzoek verrichten naar de bestaande toestand en deze toetsen aan de wenselijke bodemkwaliteit. Op sterk verontreinigde grond mogen geen gevoelige objecten, zoals woningen gerealiseerd worden.

Naast het Besluit ruimtelijke ordening bevat ook de Wet bodembescherming regelgeving met betrekking tot de bodemkwaliteit. De Wet bodembescherming (Wbb) heet officieel de 'Wet houdende regelen inzake bescherming van de bodem' (3 juli 1986). De Wbb is het wettelijk kader voor het bodembeleid. De wet is voor het laatst gewijzigd op 1 januari 2006. Het doel van de Wbb is het beschermen van de bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant: nu en in de toekomst. Eenieder die handelingen op of in de bodem verricht is verplicht om op grond van de Wbb maatregelen te nemen die verontreiniging of aantasting voorkomen of de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken. De Wbb bevat onder meer regels in geval van verontreiniging van de bodem. In de wet is een formulering opgenomen van de saneringsdoelstelling (zgn. functiegericht saneren) en het saneringscriterium (wanneer met spoed saneren).

5.4.2 Onderzoek

Uit navolgend figuur blijkt dat het tracé van de nieuwe N629 voorzien is op gronden waarvoor in enkele gevallen nog (aanvullend) bodemonderzoek uitgevoerd moet worden. Indien op die gronden werkzaamheden plaatsvinden, wordt aanbevolen om bodemonderzoek uit te voeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0051.png"

Figuur 5.7 Achtergrondwaarden en bodemonderzoeken in omgeving nieuwe N629

Als het bevoegd gezag geen vrijstelling voor onderzoeksverplichting verleent, moeten in het kader van de vergunningaanvragen actuele bodemonderzoeken overlegd worden. Deze bodemonderzoeken mogen niet ouder zijn dan vijf jaar. Het onderzoek moet volgens de NEN 5740 uitgevoerd zijn. Indien de initiatiefnemer beschikt over een bodemonderzoek van meer dan vijf jaar maar maximaal tien jaar oud, kan mogelijk worden volstaan met een beperkt aanvullend bodemonderzoek. Dit dient vooraf overlegd te worden met het bevoegd gezag.

5.4.3 Conclusie

Het aanvullend bodemonderzoek hoeft niet in het kader van dit provinciaal inpassingsplan uitgevoerd te worden. Het onderzoek kan uitgevoerd worden voor de daadwerkelijke aanleg van de nieuwe N629 begint. Bij het opstellen van dit provinciaal inpassingsplan is als uitgangspunt gehanteerd dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de aanleg van de nieuwe N629. Indien er uit nader onderzoek naar voren komt dat delen van de bodem gesaneerd dienen te worden, dan worden hier financiële middelen voor gereserveerd.

5.5 Water

5.5.1 Wet- en regelgeving

Europees en nationaal beleid

Op Europees niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) leidend. Daarnaast zijn op nationaal niveau het Nationaal Waterplan (NWP) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van toepassing.

Europese Kaderrichtlijn Water (KRW)

De KRW omvat afspraken die ervoor moeten zorgen dat in geheel Europa het water voldoende schoon en gezond is op zowel chemisch als ecologisch gebied in 2027. Deze afspraken omvatten verplichtingen voor de Europese landen voor zowel de rivieren, meren, kust- en grondwateren, waarbij voor elk stroomgebied een beheersysteem moet worden opgesteld dat bureaucratische grenzen overschrijdt.

Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR)

De ROR heeft als doel de negatieve effecten van overstromingen te beperken, waarbij in 2016 de eerste implementatieronde is afgerond en is begonnen aan de tweede implementatieronde. Voor de eerste ronde is de rapportage van overstromingsrisicobeheerplannen afgerond.

Nationaal Waterplan (NWP)

Het NWP, daterend uit 2016, beschrijft de hoofdlijnen, principes en richting van het waterbeleid voor Nederland voor de komende 5 jaar (tot 2021) inclusief een vooruitblik tot 2050. Gestreefd wordt naar een integrale benadering door natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie, cultureel erfgoed en economie zo veel mogelijk in samenhang met wateropgaven te ontwikkelen.

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)

Het doel van het NBW is om te zorgen voor veiligheid tegen overstromingen, goede waterkwaliteit en voldoende zoet water. Dit door het watersysteem op orde te maken en te houden.

Provincie

Provincies en gemeenten dragen zorg voor een integrale afweging van de ruimtebehoefte en leggen deze vast in provinciale beleids- en streekplannen, respectievelijk structuur- en bestemmingsplannen. De Europese en Nationale richtlijnen op het gebied van water zijn vertaald door de provincie Noord-Brabant en opgesteld in het regionaal waterplan Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021. Hierin wordt een integrale benadering van de fysieke leefomgeving omschreven met het streven naar een duurzaam, gezond en veilig Brabant. Vanaf 2018 zal de Omgevingsvisie van kracht zijn waarin lucht, water, bodem, natuur, cultuurhistorie, ruimtelijke ordening en mobiliteit in één plan worden gecombineerd.

Meer gedetailleerd zijn de verordeningen waarin alle regels zijn opgenomen, waarbij op dit project de drie verordeningen water, ruimte en milieu van toepassing zijn.

Verordening Water

De Verordening Water omvat regels voor het waterbeheer, waarbij onder andere normen zijn gesteld voor regionale waterkeringen en voor wateroverlast. Verschillende voorschriften zijn opgenomen voor grondwateronttrekkingen, waarvoor de provincie het bevoegd gezag is.

Binnen het plangebied liggen geen regionale waterkeringen. De norm voor wateroverlast is gesteld op 1 keer per 100 jaar als werknorm voor stedelijk gebied conform het NBW.

Verordening ruimte Noord-Brabant

De Verordening ruimte Noord-Brabant bevat regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Met betrekking tot water gaat het om de volgende onderwerpen:

  • regionale waterbergingsgebieden en reserveringsgebieden waterberging;
  • beschermingszones voor grondwaterwinningen voor de openbare drinkwatervoorziening (zie PMV);
  • hoogwaterbescherming.

Provinciale milieuverordening

In de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant zijn milieuregels opgenomen die het grondwater, dat is bestemd voor menselijke consumptie, moeten beschermen. De grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderverdeeld in verschillende gebieden waarin voor bedrijven bijzondere bepalingen gelden:

  • waterwingebieden;
  • beschermingszones;
  • boringsvrije zones.

Waterschap

Het Provinciaal Milieu- en Waterplan is door Waterschap Brabantse Delta geconcretiseerd in een Waterbeheerplan, de Beleidsregel toepassing Waterwet en de waterschapsverordening (Keur). De Beleidsregel toepassing Waterwet geeft aan hoe het dagelijks bestuur omgaat met zijn bevoegdheid vergunning te verlenen aan bepalingen die in de keur en Waterwet zijn opgenomen.

Waterbeheerplan

Het waterbeheerplan beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-2020. In deze periode zal onder andere ingezet worden op de versterking van primaire en regionale keringen, waterbewustwording van watergebruikers, transparantie binnen de beperkingen en mogelijkheden vanuit het watersysteem voor gebruiksfuncties, integrale uitvoeringsstrategieën en het inzetten van dynamisch waterbeheer.

Keur

De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel. Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren.

De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de beleidsregel 'Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'.

Besluit lozen buiten inrichtingen

Het besluit lozen buiten inrichtingen is gebaseerd op de Wet Milieubeheer en bevat algemene milieuregels voor het lozen van afvalwater dat niet vanuit een huishouden of een inrichting (bedrijf) plaatsvindt. Onderscheid is gemaakt tussen afstromend hemelwater en afstromend reinigingswater bij onderhoud. Het besluit is gericht op de wijze waarop met lozingen moet worden omgegaan, niet op de waterkwaliteitsnormen van lozingswater en het ontvangende watersysteem. De voorkeursvolgorde voor lozen is:

  • 1. Infiltratie in de bodem.
  • 2. Lozing in aangewezen oppervlaktewaterlichaam.
  • 3. Lozing op regenwaterriolering.
  • 4. Lozing in niet-aangewezen oppervlaktewaterlichaam.

Gemeenten

De aan te leggen weg bevindt zich in zowel de Gemeente Dongen als de Gemeente Oosterhout. In de gemeente Dongen is het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) van toepassing, dat is vastgesteld voor de perioden 2016-2020 en 2017-2021. In dit plan is de aanleg, beheer en onderhoud van rioleringen omschreven, waarnaast nu ook de verantwoordelijkheid voor afvloeiend hemel- en grondwater is toegevoegd. In hoofdlijnen geeft het weer hoe de gemeente invulling geeft aan de gemeentelijke watertaken.

De gemeente Oosterhout heeft het beleid ten aanzien van water vastgelegd in een Water- en Rioleringsplan (WRP) voor de periode 2017-2021. Voor de hemelwaterafvoer gelden met name de volgende voorwaarden:

  • Bij nieuwbouw gescheiden afvoer van regenwater van alle verhard oppervlakken waar dit mogelijk is.
  • Voorkeursvolgorde hanteren: infiltratie – berging – afvoer.
  • Infiltratie is mogelijk als k-waarde (doorlatendheid bodem) 0,5 m/d of groter is.
  • Zoveel als mogelijk bovengrondse afvoer (ook daken), water blijft zichtbaar. Voordeel: minder vervuilingsrisico en meer waterbeleving van burger.
  • Bij bui 10 (circa 40 millimeter in één uur) geen water op straat berekend vanuit een leidingstelsel.
  • Bij bui 100 (circa 70 millimeter in één uur) geen inundatie vanuit open waterberging (onder andere wadi) of watergang.
  • PVC uitvoeren in de kleur grijs als er aangesloten wordt op een regenwaterriolering en uitvoeren in de kleur groen als aangesloten op een infiltrerende voorziening.
  • In verband met terugdringen onderhoudskosten alleen kolken toepassen als geen andere afvoer mogelijk is.

Om structurele grondwateroverlast te voorkomen hanteren beide gemeenten een streefwaarde voor de maximale grondwaterstand (ontwateringsdiepte). Hierbij wordt uitgegaan van een ontwateringsdiepte die ten minste 70 centimeter onder het maaiveld ligt.

De gemeente Dongen heeft daarnaast aangegeven dat er dient te worden uitgegaan van waterneutraal bouwen, waarbij 78 millimeter neerslag dient te worden geborgen.

5.5.2 Onderzoek

Huidige situatie

De toekomstige N629 loopt door een gebied dat in de huidige situatie vooral agrarisch is. Uit literatuur en gegevens van de gemeenten Dongen en Oosterhout is geconstateerd dat de hoogste grondwaterstanden relatief dicht bij maaiveld liggen. Verder zijn verschillende watergangen in het gebied aanwezig. Ook kruist de N629 het Wilhelminakanaal.

Toekomstige situatie

Uit de watertoets (bijlage 15) blijkt dat de maatregelen voor water in de begrenzing van dit provinciaal inpassingsplan past.

Ten behoeve van de vereiste ontwateringsdiepte moet de nieuwe N629 in het grootste deel van het gebied verhoogd worden aangelegd. In deze delen worden de greppels voor de waterberging ook veelal in de verhoogde delen opgenomen, zodat de berging en infiltratie boven de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand plaatsvindt. Door de overwegend oppervlakkige afstroming over de berm naar greppels, wordt voorkomen dat verontreinigingen van het wegwater in de bodem en het grond- en oppervlaktewater komen. Hiervoor is periodiek onderhoud van het wegdek en de berm nodig. De benodigde waterberging is globaal uitgewerkt om te voorkomen dat er een toename van de afvoer plaatsvindt. De volledige waterbergingsopgave kan binnen de grenzen van het provinciaal inpassingsplan gerealiseerd worden. Verder moeten enkele watergangen aangepast worden om te blijven functioneren of verlegd worden om hun functie te behouden. Nader informatie over de waterberging en de aanpassingen aan het watersysteem is opgenomen in hoofdstuk 4 van bijlage 15.

Bij de meer gedetailleerde uitwerking moet op enkele locaties rekening worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen. Op basis van de huidige gegevens wordt verwacht dat de kabels en leidingen geen onoverkomelijke belemmering vormen voor de aanleg van de N629.

Voor het beheer en onderhoud van de watergangen worden onderhoudsstroken aangelegd of zijn de obstakelvrije zones langs de weg te benutten. Het beheer en onderhoud van watergangen nabij de N629 wordt niet belemmerd.

Fietsverkeer op de Hoogstraat kruist de nieuwe N629 door middel van een fietstunnel. De tunnel wordt tot boven de hoogst voorkomende grondwaterstand uitgevoerd met waterdicht materiaal, zodat er geen grondwater wordt onttrokken in de gebruiksfase. Doordat het watervoerende pakket hier tamelijk dik is, wordt van de fietstunnel geen significante invloed op het grondwater door opstuwing verwacht. Voor de aanleg is een bronnering benodigd, aangezien de onderkant van de fietstunnel lager dan de grondwaterstanden ligt. Uit een quickscan die bij het MER is uitgevoerd, blijkt dat hiervoor een relatief groot debiet benodigd is. Bij een nadere uitwerking van de bronnering moeten het waterbezwaar, eventuele gevolgen voor de omgeving en eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen (bijvoorbeeld retourinfiltratie) worden bepaald.

Ten behoeve van de uitvoeringsfase dient een waterhuishoudkundig plan te worden opgesteld, waarbij de meetgegevens uit juli 2017 verwerkt zijn en waarbij maaiveldverloop, compenserende maatregelen en dimensioneringen/afvoerrichtingen van watergangen op elkaar zijn afgestemd.

Door Rijkswaterstaat is aangegeven dat langs een deel van het Wilhelminakanaal een waterkering ligt. Bij werkzaamheden in de kernzone en/of beschermingszone moet worden aangetoond dat de stabiliteit van de kering geen gevaar loopt. Op basis van de nu beschikbare gegevens wordt verwacht dat er geen werkzaamheden in de kern- of beschermingszone worden uitgevoerd. Er zijn dus geen gevolgen voor de waterkering.

In het gebied zijn geen grondwaterbeschermingsgebieden aanwezig.

5.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de aanleg van de nieuwe N629 voor het aspect water niet tot negatieve effecten zal leiden. Wel is op verschillende punten nog een nadere uitwerking nodig. Deze uitwerking wordt opgenomen in het eerdergenoemde waterhuishoudkundig plan.

Uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC kunnen zich ophopen in het water(bodem)systeem en nadelige effecten hebben op de water(bodem)kwaliteit en op flora en fauna. Daarom wordt bij realisatie van de nieuwe N629 het gebruik van niet-uitlogende bouwmaterialen waar mogelijk gestimuleerd.

5.6 Archeologie

5.6.1 Wet- en regelgeving

Het Verdrag van Valletta (16 april 1992 van de Raad voor Europa), ook wel het Verdrag van Malta genoemd, beoogt het cultureel erfgoed in de breedste zin van het woord te behouden, te beschermen en te delen met het publiek. Het gaat in archeologische zin daarbij bijvoorbeeld om grafvelden, gebruiksvoorwerpen en resten van bewoning. Het verdrag van Valletta is in 1998 uitgewerkt in interimbeleid dat vervolgens in 2007 is ingebed in de Monumentwet 1988 door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007). Vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet (het van kracht worden van deze wet is voorzien voor het eind van dit decennium) is vervolgens ter vervanging van de Monumentenwet 1988 per 1 juli 2016 de Erfgoedwet in werking getreden.

Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Om het bodemarchief beter te beschermen en om onzekerheden tijdens de aanleg van bijvoorbeeld nieuwe wegen te beperken, is het vanaf 1 januari 2005 verplicht vooraf onderzoek te laten doen naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op deze manier kan daar bij de ontwikkeling van ruimtelijke plannen zoveel mogelijk rekening mee worden gehouden.

5.6.2 Onderzoek

In de periode maart-april 2017 heeft Antea Group in opdracht van de provincie Noord-Brabant een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het kader van een provinciaal inpassingsplan (PIP) voor de N629 (nieuwe provinciale weg tussen Oosterhout en Dongen). Het onderzoek (bijlage 16 bij de toelichting) bestaat uit een archeologisch bureauonderzoek en een booronderzoek, verkennende fase. Doel van het archeologisch vooronderzoek is het onderdeel archeologie nader in beeld te brengen binnen de voorgenomen bodemingrepen. Daarbij is gebruik gemaakt van de eerder verkregen gegevens uit de milieueffectrapportage (bijlage 1). Verder is ook gebruik gemaakt van gebiedspecifieke studies die Antea Group juist voor voorliggende plangebied in opdracht van de gemeente Oosterhout reeds heeft uitgevoerd.

Het voorgenomen tracé van de nieuwe N629 heeft een lengte van circa 3,7 kilometer. De exacte verstoringsdieptes zijn op dit moment nog niet bekend, maar zullen de bodem hoogstwaarschijnlijk dieper dan 0,5 m beneden maaiveld verstoren.

Het plangebied doorkruist het dekzandlandschap tussen Oosterhout en Dongen. Archeologische resten in dit landschap kunnen dateren vanaf de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, hoewel de hoogste verwachting geldt voor de perioden ijzertijd, (late) middeleeuwen en nieuwe tijd. Oudere resten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten, maar worden op basis van diverse oudere veldonderzoeken in de nabijheid van het plangebied niet verwacht.

De aanwezigheid van archeologische resten is echter sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is. Dit kan niet worden bepaald door een bureauonderzoek alleen. Daarom is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd.

Het booronderzoek wijst uit dat met uitzondering van het zuidoostelijke deel van het tracé redelijkerwijs verondersteld mag worden dat bodemroeringen uit het verleden een eventueel aanwezig archeologisch vlak reeds in het verleden hebben verstoord. Het gaat daarbij zowel om daadwerkelijke bodemingrepen ten behoeve van ontgrondingen als om het regulier agrarisch gebruik van de gronden vanaf de nieuwe tijd. Uitzondering hierop vormt het zuidoostelijke deel van het tracé. Onder het zuidoostelijk tracé kunnen namelijk nog archeologische vindplaatsen aanwezig zijn.

Ter plaatse van het gebied tussen boring 1 tot en met 7 en 15 tot en met 18 (zie boorpuntenkaart, figuur 5.8) kunnen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Daarbij geldt specifiek voor het gedeelte van boring 1 tot en met 7 (het tracégedeelte ten zuiden van het Wilhelminakanaal) dat hier in het verleden bij het provinciaal meldpunt voor archeologie melding is gedaan van de mogelijke aanwezigheid van grafveld uit de ijzertijd.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0052.png"

Figuur 5.8 Boorpuntenkaart, rechtsonder (ter hoogte van de brug over het Wilhelminakanaal boringen 1 tot en met 18)

5.6.3 Conclusie

Het selectieadvies luidt vrijgave voor het tracé van de N629 zoals weergegeven op figuur 5.8, met uitzondering van het gedeelte van het tracé tussen boorpunten 1 tot en met 18. Hier dient een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd te worden om eventueel aanwezige archeologische vindplaatsen op te sporen en te waarderen. Vooralsnog de mogelijk aanwezige archeologische vindplaatsen onder het tracégedeelte tussen boorpunten 1 tot en met 18 in dit provinciaal inpassingsplan beschermd door middel van een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming vervalt zodra aangetoond kan worden dat de bodem onder het eerdergenoemde tracégedeelte geen archeologische vindplaatsen bevat.

Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan de bevoegde overheid. Bij aanvraag van een omgevingsvergunning is dat de gemeente, in dit geval Oosterhout of Dongen. Mocht er tevens sprake zijn van een ontgrondingsvergunning, dan is de provincie Noord-Brabant de bevoegde overheid. De provincie Noord-Brabant, de gemeente Dongen en de gemeente Oosterhout hebben ingestemd met het opgestelde selectieadvies.

Mocht uit het proefsleuvenonderzoek blijken dat er ook in het tracégedeelte tussen boorpunten 1 en 18 geen behoudenswaardige vindplaatsen aanwezig zijn, dan is daarmee het aspect archeologie volledig onderzocht en geldt enkel de wettelijke meldingsplicht conform Artikel 5:10 uit de Erfgoedwet 2016 bij het aantreffen van toevalvondsten.

Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

5.7 Cultuurhistorie

5.7.1 Wet- en regelgeving

Besluit ruimtelijke ordening

Het accent in de monumentenzorg verschuift van een objectgerichte aanpak naar een gebiedsgerichte aanpak. Een van de manieren waarop dit plaats vindt, is door het verder versterken en borgen van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Zo is aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) toegevoegd dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen of de provincie/het Rijk bij inpassingsplannen, rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt in dat verband specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen en ook in het kader van de milieueffectrapportage is de cultuurhistorie een mede te onderzoeken aspect. Waar mogelijk moeten cultuurhistorische waarden worden behouden of versterkt. Cultuurhistorie is daarmee veelal een sturend onderdeel geworden in de ruimtelijke ordening.

Modernisering Monumentenzorg

Op 1 januari 2009 is de Monumentenwet aangepast voor wat betreft de beperking van de adviesplicht van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en de vereenvoudiging van de vergunningsprocedure voor alle situaties waarin de rijksdienst niet meer adviseert.


Per 1 oktober 2010 vallen de meeste monumentenvergunningen onder de Wabo (geldt voor een: a) rijks- of gemeentelijk gebouwd monument; b) gemeentelijk archeologisch monument, c) beschermd stads- of dorpsgezicht. Alleen voor rijksbeschermde archeologische monumenten blijft de monumentenvergunning gelden zoals geregeld in de Monumentenwet 1988.) Op 1 januari 2012 is de modernisering van de monumentenzorg in werking getreden met de wijziging van de het Bro, de Wabo en het Bouwbesluit. Dit heeft geleid tot aanpassing van de regelgeving met betrekking tot vergunningvrije werkzaamheden aan monumenten en beschermde dorpsgezichten, de monumentenwet voor wat betreft de 50-jaren grens, de beperking van de aanwijzingsverzoeken door derden, de beschermde dorpsgezichten, de beperking van aanwijzing van rijksmonumenten van voor de Tweede Wereldoorlog.

5.7.2 Onderzoek

Het tracé van de nieuwe N629 doorsnijdt geen gebieden die een een hoge cultuurhistorische waarde hebben. Echter, het tracé van de nieuwe N629 leidt wel tot aantasting van het bos en de verkaveling aan van 't Blik om ruimte te maken voor de oversteek over het Wilhelminakanaal.

Daarnaast kruisen het doorgaande tracé van de nieuwe N629 en de aansluiting op Everdenberg-Oost de Heikantsestraat. Als historisch-geografische lijn heeft de Heikantsestraat een hoge cultuurhistorische waarde. Het tracé en de opmaat naar de brug over het Wilhelminakanaal doorsnijden een gedeelte van de Nieuwe Baan van Breda (een overblijfsel van de Plantagelaan in het bosgebied de Duiventoren). De Nieuwe Baan van Breda is aangemerkt als een historisch-geografische lijn met een zeer hoge cultuurhistorische waarde. Het gedeelte van het Wilhelminakanaal waar de nieuwe brug voorzien is, is ook aangemerkt als een lijn met een hoge cultuurhistorische waarde. Het gebied ten oosten van 't Blik is een oude esakker. Ook die esakker wordt doorsneden door (het talud van) de nieuwe N629.

5.7.3 Conclusie

De aanleg van de nieuwe N629 doorsnijdt enkele historisch-geografische lijnen met een cultuurhistorische waarde. Uitgangspunt bij het wegontwerp is geweest om bestaande lijnen zoveel mogelijk in stand te houden om de effecten op cultuurhistorie te waar mogelijk te beperken. In de visie op de landschappelijke inpassing van de nieuwe weg (paragraaf 3.3.3) worden maatregelen benoemd waarmee de aantasting van landschappelijke patronen gemitigeerd kan worden. Het kan dan gaan om het accentueren van oude verbindingswegen waar deze aansluiten op nieuwe wegen.

5.8 Landschap

5.8.1 Wet- en regelgeving

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (zie ook hoofdstuk 4) introduceert een aantal wijzigingen voor de omgang met het onderwerp landschap. Zo laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Hieronder vallen ook de nationale landschappen. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten. Deze afstemming moet plaatsvinden binnen de kaders die door de provincies gesteld worden. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los. Alleen in de stedelijke regio's rondom de mainports zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van de verstedelijking. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte noemt ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten wel als nationaal belang.

5.8.2 Onderzoek

Hoofdstuk 3 beschrijft het landschap waarin de nieuwe N629 komt te liggen. De weg doorsnijdt bestaande landschappelijke structuren zoals het gebied 't Blik en het halfopen landschap tussen de Westerlaan en 't Blik. Ten opzichte van deze structuren zal de nieuwe N629 nadrukkelijk zichtbaar zijn. Ook bestaande landschappelijke structuren zoals het Wilhelminakanaal worden doorkruist door de nieuwe N629. Deze doorkruisingen verstoren de continuïteit van de structuren die door de nieuwe N629 doorsneden worden.

Gelet op de consequenties van de nieuwe N629 voor het landschap is een plan opgesteld voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe weg (zie paragraaf 3.3.3). Bij het opstellen van het plan voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629 is rekening gehouden met de structuren die doorsneden worden door de nieuwe N629. Waar mogelijk is deze doorsnijding gebruikt als kans om de landschappelijke kwaliteiten te versterken.

5.8.3 Conclusie

De nieuwe N629 doorsnijdt bestaande patronen in het landschap. Door het opstellen van een plan voor de landschappelijke inpassing van de nieuwe N629 wordt de aantasting ruimtelijk ingepast in het landschap. Het plan voor de landschappelijke inpassing wordt gekoppeld aan het contract dat gesloten gaat worden met de aannemer die de weg aan zal leggen. Daarmee wordt verplichting van de landschappelijke inpassing van de weg verplicht gesteld. Door de nieuwe weg landschappelijk in te passen worden negatieve effecten op het landschap zoveel mogelijk voorkomen en vormt het aspect landschap geen belemmering voor de uitvoering van dit provinciaal inpassingsplan. Verder wordt in de regels een bepaling opgenomen die verplicht tot verbeteren van de kwaliteit van het landschap zoals beschreven in bijlage 8. De kwaliteitsverbetering moet binnen een jaar na aanleg van de nieuwe N629 gerealiseerd zijn.

5.9 Ecologie

5.9.1 Wet- en regelgeving

De beschouwing van natuurlijke waarden rond de nieuwe N629 vindt plaats binnen het juridisch kader van de vigerende natuurwetgeving. Het betreft de Wet natuurbescherming voor beschermde soorten en bescherming van houtopstanden, en de Verordening ruimte Noord-Brabant van de provincie Noord-Brabant voor het Natuurnetwerk Nederland en de groenblauwe mantel.

5.9.2 Onderzoek

De ontwikkeling van de nieuwe N629 als nieuwe infrastructuur tussen Oosterhout en Dongen, vice versa leidt tot doorsnijding van het landelijk gebied, inclusief bosgebied, waarin beschermde natuurwaarden aanwezig zijn. De natuurwaarden zijn beschermde soorten in agrarisch gebied en bosgebied, en beschermde gebieden (bos) die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, het Natuurnetwerk Nederland wordt in de provincie Noord-Brabant ook wel Natuurnetwerk Brabant: NNB genoemd). Daarnaast valt het tracé van de weg samen met een nog te ontwikkelen ecologische verbindingszone (EVZ) langs het Wilhelminakanaal.

Het plangebied van het beoogde tracé is in 2015 en 2016 onderzocht op aanwezige beschermde natuurwaarden. Bij de effectbepaling in het provinciaal inpassingsplan wordt gebruik gemaakt van de beschikbare onderzoeksgegevens.

Tijdens de in 2014 en 2016 uitgevoerde onderzoeken (zie bijlagen 17 en 18) zijn alle relevante soortgroepen onderzocht (planten, vogels, vleermuizen en overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vlinders en libellen). Uit de verkennende natuurtoets uit 2014 is gebleken dat soortgericht onderzoek nodig was naar de aan- of afwezigheid van vleermuizen, eekhoorns en jaarrond beschermde vogelnesten. Dat gerichte onderzoek is uitgevoerd in 2016.

Aanwezige natuurwaarden

In het plangebied zijn de belangrijkste natuurwaarden aanwezig in de bospercelen van bosgebied 't Blik, de landschapselementen langs het Wilhelminakanaal, het Wilhelminakanaal zelf en een bebouwingscluster aan de Hoogstraat.

Beschermde soorten

Er is sprake van beschermde natuurwaarden in de vorm van foerageergebied en vliegroutes van diverse vleermuissoorten. De vliegroutes over en langs het Wilhelminakanaal zijn beoordeeld als essentiële vliegroutes voor vleermuizen, en zijn daarom wettelijk beschermd. Naast het genoemde leefgebied van vleermuizen zijn in het plangebied, ondanks gericht soortenonderzoek naar jaarrond beschermde vogelnesten en eekhoornnesten, geen beschermde soorten of verblijfplaatsen van soorten aangetroffen.

Het plangebied biedt potentieel geschikt leefgebied voor wezel en hermelijn. Deze soorten vielen tot en met 2016 onder de algemene vrijstellingsregeling, waarvoor geen ontheffing voor hoefde te worden aangevraagd. Vanaf 1 januari 2017 zijn in de provincie Noord-Brabant deze soorten niet meer vrijgesteld.

In het plangebied zijn verder ook meer algemene natuurwaarden aanwezig die slechts beperkte bescherming genieten van de Wet natuurbescherming. Het betreft het voorkomen van algemene soorten planten, insecten, kleine zoogdieren en broedvogels langs de kanaalzone en in de landschappelijke elementen in het agrarisch gebied. Van deze soorten zijn de broedvogels beschermd in het broedseizoen, en geldt voor de overige soorten (met uitzondering van wezel en hermelijn) en voor vogels buiten het broedseizoen de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming).

Beschermde gebieden

In het plangebied bevinden zich gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland van de provincie Noord-Brabant. Het zijn het bosgebied van 't Blik en het Wilhelminakanaal. Daarnaast is het NNN-gebied 't Blik omgeven door een zone die is aangemerkt is als groenblauwe mantel. Het bosgebied 't Blik is in het Natuurbeheerplan aangemerkt als 'Droog bos met productie (N16.01). Het Wilhelminakanaal is aangewezen als ecologische verbindingszone (EVZ) en heeft een belangrijke functie als geleiding van diersoorten die het kanaal gebruik als migratiezone tussen delen van hun leefgebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit agrarisch gebied dat grenst aan het NNN-gebied van 't Blik. Westelijk van 't Blik zijn nauwelijks natuurwaarden aanwezig in de groenblauwe mantel, oostelijk van 't Blik is een boomkwekerij aanwezig in de groenblauwe mantel. Die boomkwekerij heeft een beperkte natuurwaarde in de vorm van de aanwezige beplanting en beschutting.

Effecten op de natuurwaarden

Beschermde soorten

De aanleg van de nieuwe N629 leidt tot effecten op het leefgebied van beschermde soorten. De aanleg van de weg leidt tot doorsnijding van vliegroutes van vleermuizen nabij bosgebied 't Blik en de woningen aan de Hoogstraat 90A. De doorsnijdingen moeten gemitigeerd worden (zie ook bijlage 19).

Bij de doorsnijding van 't Blik wordt op 2 locaties een vliegroute van de laatvlieger doorsneden. De huidige vliegroutes volgen de bosrand aan beide zijden van 't Blik aan de noordzijde van het kanaal. De vliegroute moet in de nieuwe situatie worden hersteld door bij de kruising van de nieuwe N629 met de vliegroutes aan beide zijden van de weg boomgroepen aan te brengen. De bomen in de groepen moeten minimaal 5 meter hoog zijn.

De oostelijke vliegroute over het Wilhelminakanaal volgt niet de bosrand maar de beplanting langs het kanaal. Voor de nieuwe N629 geldt dat de route overgenomen kan worden door het kunstwerk over het kanaal, op een vergelijkbare wijze als de brug waarmee de Westerlaan over het kanaal gaat in de huidige situatie werkt als geleiding voor vleermuizen.

Nabij de Hoogstraat 90A is sprake van een vliegroute langs de bomenrij van de Hoogstraat. In het ontwerp van de nieuwe N629 is bij de landschappelijke inpassing van de kruising met de Hoogstraat rekening gehouden met behoud van bestaande bomen langs de Hoogstraat, alsook aanplant van een nieuwe bomenrij langs de aansluitende en kruisende wegen rond deze kruising. Desondanks gaat bij de aanleg van de kruising (tunnel) een deel van de huidige beplanting verloren en wordt de kans reëel dat de vliegroute wordt onderbroken. Het effect van deze onderbreking moet worden opgeheven door de aanleg van een 'hop over' op deze kruising. De 'hop over' wordt aan weerszijden van de weg aangelegd in de zone die beschikbaar is voor de landschappelijke inpassing.

Er worden geen verblijfplaatsen van vleermuizen en geen jaarrond beschermde nesten van vogels vernietigd. Voor de doorsnijding van de vliegroutes dient een vergunning/ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. De vergunning/ontheffing moet aangevraagd worden op basis van een concreet ontwerp van de mitigerende voorzieningen.

Het gebruik van de weg leidt tot verstoring van het leefgebied van dieren in de vorm van geluidsverstoring en lichtverstoring. Geluidsverstoring leidt tot een afname van de rust in met name het bosgebied van 't Blik. Daarmee neemt de kwaliteit van 't Blik als broedgebied voor vogels af. Deze kwaliteitsvermindering is vertaald in een compensatieopgave van 1/3 van de verstoorde oppervlakte (zie ook paragraaf 3.4.1).

Lichtverstoring leidt tot een afname van de kwaliteit van het leefgebied van diersoorten langs het Wilhelminakanaal en tot een afname van de kwaliteit van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Aangezien de weg op enige afstand van het kanaal wordt aangelegd, is er voornamelijk sprake van lichtuitstraling vanuit de bochten en de zijwaartse uitstraling van licht vanaf het parallelle deel langs het kanaal. Lichtverstoring kan worden gemitigeerd door middel van afschermende voorzieningen in het integrale ontwerp van de weg.

Het gebruik van de weg leidt in de avond- en nachturen tot verstoring van vleermuizen en andere diersoorten die in de avond en nacht actief zijn.Dergelijke diersoorten hebben het gehele buitengebied als leefgebied. Langs het tracé van de nieuwe N629 is in de volgende deeltrajecten lichtverstoring van diersoorten aan de orde:

  • Deeltraject parallel aan het Wilhelminakanaal en de ecologische verbindingszone.
  • Deeltraject doorsnijding van 't Blik en het bosgebied van de Duiventoren.
  • Het snelfietspad dat mogelijk op termijn gerealiseerd wordt, kan ook een bron van lichtverstoring voor zowel het kanaal als de EVZ zijn. Aanleg van het snelfietspad is geen onderdeel van dit provinciaal inpassingsplan. Bij een eventuele aanleg van dit fietspad moeten maatregelen worden genomen om lichthinder te voorkomen.

Aangezien vleermuizen en andere avond- en nachtactieve soorten voorkomen in het gedeelte van de N629 dat langs het Wilhelminakanaal loopt en in het gedeelte van de weg dat door 't Blik en de Duiventorenloopt wordt voorgesteld om daar de volgende mitigerende maatregelen uit te werken om effecten van lichtuitstraling te verzachten of te voorkomen (zie ook bijlage 19):

  • Plaatsing van voorzieningen die leiden tot afscherming van lichtuitstraling buiten de weg. Deze voorzieningen moeten worden aangebracht op locaties die direct grenzen aan beschermde natuurgebieden (NNB).
  • Plaatsing van lichtafschermende voorzieningen langs de toekomstige te ontwikkelen nieuwe natuur van de EVZ Wilhelminakanaal over het gehele deeltraject van de N629 langs de ecologische verbindingszone – Wilhelminakanaal.
  • Voor bovengenoemde locaties geldt maatwerk voor de bepaling van begin en eind van de zone waarin de antiverblindingsschildjes nodig zijn op basis van lichtuitstraling in de bochten.

De nieuwe N629 doorsnijdt daarnaast het leefgebied van diverse soortgroepen dieren. Onder deze soortgroepen zijn geen strik beschermde, vergunningsplichtige soorten. Maar voor het functioneren van de resterende delen van 't Blik als onderdeel van het Natuurnetwerk Brabant en de omgeving van de nieuwe N629 als geheel, is het van belang om de volgende ecologische verbeteringen door te voeren (zie ook bijlage 19):

  • 1. Aanleg van een kleinwildtunnel tussen de EVZ-stapsteen en 't Blik. De tunnel moet op maaiveld worden aangelegd, de exacte uitwerking van de tunnel moet plaatsvinden bij het technisch wegontwerp waarbij de maaiveldligging van de bodem van de tunnel de ontwerpopgave is. Om gebruik van de kleinwildtunnel te bevorderen en om verkeersslachtoffers onder de dieren te voorkomen, wordt de weg N629 over de volledige lengte van de doorsnijding van t Blik aan twee zijden uitgerasterd met een gecombineerd reeraster + kleinwildraster.
  • 2. Aanleg van 2 fauna-uitreedplaatsen in de zuid- en noordoever van het Wilhelminakanaal nabij het bosgebied van de Duiventoren en 't Blik.
  • 3. Aanleg van voortplantingswater voor amfibieën in de westelijke en oostelijke stapsteen van de EVZ op de noordoever van het kanaal.
  • 4. Aanleg van een natte corridor tussen de twee stapstenen in de genoemde EVZ op de noordelijke kanaaloever.

In het plangebied is verder potentieel geschikt leefgebied aanwezig voor de wezel en de hermelijn in de kanaalzone en langs de bosranden. In het plangebied zijn tijdens onderzoek (bijlage 20) geen kleine marterachtigen waargenomen. Onderzoek naar kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) laat zien dat alleen 't Blik geldt als potentieel leefgebied voor kleine marterachtigen. Dit gebied is echter niet optimaal verbonden (bijvoorbeeld door de barrièrewerking van het Wilhelminakanaal) met andere locaties die potentieel leefgebied voor kleine marterachtigen bieden. Bij de vormgeving van de EVZ zijn de inrichtingseisen van kleine marterachtigen, als een van de soortgroepen waar de EVZ voor wordt aangelegd, reeds meegenomen. De oostelijke EVZ-stapsteen aan de wordt voor de aanleg van de nieuwe N629 en daarmee voor de vernietiging van mogelijk marterbiotoop gerealiseerd. Vanuit de zorgplicht voor flora en fauna wordt in 't Blik voor kleine zoogdieren hier een faunatunnel onder de N629 gerealiseerd. Bij eventuele aanwezigheid van kleine marterachtigen in het gebied kunnen deze ook gebruik maken van de tunnel. Een mogelijke barrièrewerking door de weg voor kleine marterachtigen wordt daarmee gemitigeerd.

Deze soorten worden in het ontwerp ontzien door behoud van leefgebied in de EVZ langs het Wilhelminakanaal en de inrichting van de stapstenen aan weerszijden van de parallelle ligging langs het kanaal.

Beschermde gebieden

De doorsnijding van 't Blik als NNN-gebied leidt tot ruimtebeslag en verstoring in deze beschermde gebieden. Als gevolg van deze doorsnijding is tevens in beperkte mate sprake van versnippering van het gedeelte van 't Blik tussen het kanaal en de nieuwe N629.


De doorsnijding en verstoring worden gecompenseerd volgens de daarvoor geldende regels van het Natuurnetwerk Nederland van de provincie Noord-Brabant. De compensatieopgave van de aantasting van het Natuurnetwerk Nederland is 13,45 hectare en wordt gerealiseerd in de vorm van in te richten nieuwe natuur (zie ook paragraaf 3.4.1). De nieuwe natuur wordt aangelegd in de gebieden die beschreven worden door paragraaf 3.4.1).

Bij doorsnijding van de groenblauwe mantel is in het gedeelte tussen 't Blik en de Westerlaan sprake van doorsnijding en versnippering van de groenblauwe mantel. Daarbij gaat de kleinschaligheid van de als boomkwekerij gebruikte percelen verloren. De aanwezige waarden worden gecompenseerd bij de inrichting van de stapstenen die als onderdeel van de ecologische verbindingszone langs het Wilhelminakanaal in de ruimte tussen het kanaal en de nieuwe N629 worden gerealiseerd.

Ecologische Verbindingszone (EVZ) Wilhelminakanaal

Onderdeel van de aanpak van de N629 is de realisatie van een natte ecologische verbindingszone, bestaande uit twee EVZ-stapstenen die verbonden worden door een corridor die parallel aan het Wilhelminakanaal loopt. Een van de stapstenen ligt nabij Everdenberg-Oost, de andere stapsteen ligt nabij de nieuwe brug over het Wilhelminakanaal. Paragraaf 3.4.2 beschrijft de inrichting van de ecologische verbindingszone. Meer informatie over deze ecologische verbindingszone is ook opgenomen in bijlage 11.

5.9.3 Conclusie

De realisatie van de nieuwe N629 leidt tot doorsnijding van het leefgebied van beschermde soorten en doorsnijding en verstoring van beschermde gebieden (Natuurnetwerk Nederland).

Het effect op beschermde soorten leidt tot een mitigatieopgave voor het integrale wegontwerp. De mitigatieopgave is in voorgaande paragrafen toegelicht. Het veroorzaakte effect en de mitigerende maatregelen moeten worden verwerkt in een vergunning/ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming.

Het effect op beschermde gebieden leidt tot een compensatieopgave vanwege ruimtebeslag en verstoring. De compensatie is uitgewerkt in paragraaf 3.4.1.

De aantasting van het Natuurnetwerk Brabant wordt gecompenseerd, onder andere door de inrichting van de EVZ langs het Wilhelminakanaal, waarbij een van de stapstenen van de te ontwikkelen EVZ wordt ingericht als stapsteen in de groenblauwe mantel.

Na het nemen van de bovengenoemde maatregelen, vormt het aspect ecologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.10 Externe veiligheid

5.10.1 Wet- en regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het relevante beleidskader, voor buisleidingen is dit het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid voor transportmodaliteiten staat in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) beschreven. Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt.

Plaatsgebonden Risico (PR)

Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaar-contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve (zie figuur 5.10).

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0053.png"

Figuur 5.10 Weergave plaatsgebonden risicocontouren, invloedsgebied en groepsrisicografiek met oriëntatiewaarde voor transport

Verantwoordingsplicht

In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht moet het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico onderbouwen en verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico moet het bevoegd gezag advies inwinnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico dient naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), tevens rekening houden met een aantal kwalitatieve aspecten, zoals weergegeven in figuur 5.11.

+afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0054.png"

Figuur 5.11 Verplichte en onmisbare onderdelen van de verantwoordingsplicht van het groepsrisico

Voor tracébesluiten is door de minister van Infrastructuur en Milieu een separaat kader vastgesteld, maar dat kader is strikt juridisch genomen niet van toepassing op dit project. De minister vraagt echter wel om dit kader ook toe te passen bij andere wegen van enige importantie, zoals provinciale wegen. Daarom wordt in dit provinciaal inpassingsplan aangesloten bij deze beleidsrichtlijn.

In het beleidskader voor tracébesluiten is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Bij deze verantwoordingsplicht moet het bevoegd gezag op een juiste wijze de toename en ligging van het groepsrisico onderbouwen en verantwoorden. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. Bij de verantwoording van het groepsrisico moet het bevoegd gezag advies inwinnen bij de veiligheidsregio. De verantwoordingsplicht van het groepsrisico moet naast de rekenkundige hoogte van het groepsrisico, dat berekend wordt door middel van een kwantitatieve risicoanalyse (QRA), ook een aantal kwalitatieve aspecten bevatten. De te beschouwen kwalitatieve aspecten zijn weergegeven in de navolgende opsomming.

  • Welke maatregelen zijn overwogen om de toename van het groepsrisico als gevolg van het tracébesluit te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
  • Welke maatregelen worden getroffen om de toename van het groepsrisico als gevolg van het tracébesluit te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
  • Welke toename van het groepsrisico na afweging van alle betrokken belangen wordt geaccepteerd.
  • De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp.
  • De mogelijkheden voor personen binnen het invloedsgebied om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet.
  • Advies van de veiligheidsregio.

De noodzaak tot een groepsrisicoberekening en een berekening van het plaatsgebonden risico volgt uit artikelen 10, 12 en 13 van het eerdergenoemde beleidskader. Artikel 10 stelt dat de paragraaf (waarin artikel 12 en 13 staan) gaat over de aanleg van een hoofdweg die geen deel uitmaakt van een basisnet. Uit artikel 12 volgt dat het plaatsgebonden risico moet worden berekend, artikel 13 vermeldt hoe het groepsrisico moet worden berekend.

5.10.2 Onderzoek

Het externeveiligheidsonderzoek is opgenomen in bijlage 21. Deze paragraaf van dat onderzoek samen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar de eerdergenoemde bijlage. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan het externeveiligheidsbeleid van de provincie Noord-Brabant, de gemeente Dongen en de gemeente Oosterhout.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

De aanleg van de nieuwe provinciale weg N629 betekent dat er een verschuiving van het vervoer van gevaarlijke stoffen gaat plaatsvinden. Het vervoer over de huidige N629 (de 'oude' N629) zal afnemen en verplaatsen naar de 'nieuwe' N629.

Er zijn voor twee situaties berekeningen uitgevoerd. In de eerste situatie (situatie 1) wordt ervan uitgegaan dat al het vervoer van gevaarlijke stoffen over het nieuw aan te leggen tracé gaat. In de tweede situatie (situatie 2) wordt ervan uitgegaan dat een deel van het vervoer over de nieuwe N629 gaat. Het andere deel gaat via de aftakking van de nieuwe N629 naar de oude N629 richting het LPG-tankstation in Dongen. Deze situaties zijn uitgewerkt in de alinea's onder de koppen 'Situatie 1' en 'Situatie 2'.

Situatie 1

Het groepsrisico is in situatie 1 berekend in de huidige en toekomstige situatie. Voor de huidige situatie is op basis van de vigerende bestemmingsplannen de bevolkingsdichtheid bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0055.png"

Figuur 5.12 Links de huidige N629, rechts het te realiseren tracé

De huidige N629 is in zijn geheel twee banen breed (7 meter). De nieuwe N629 bestaat uit twee delen (figuur 5.12). Het rode gedeelte is 4 banen breed (17,3 meter) terwijl het gele gedeelte 2 banen breed (6,3 meter) is.

Plaatsgebonden risico

Het risicoplafond van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen is vastgelegd in de Regeling basisnet. De N629 maakt hier geen deel van uit en dus is er geen sprake van een risicoplafond. Uit de berekening volgt dat er geen 10-6-contour is.

Groepsrisico

Over de N629 wordt LF1, LF2 (brandbare vloeistoffen) en GF3 (brandbaar gas) getransporteerd. GF3 stelt de grootte van het invloedsgebied vast op 355 meter. Het groepsrisico dient conform het beleidskader voor tracébesluiten te worden vastgesteld. In onderstaande figuur (figuur 5.13) is de kilometer met het hoogste groepsrisico weergegeven. De uitgangspunten van deze groepsrisicoberekening zijn beschreven in bijlage 1 in het externeveiligheidsonderzoek dat als bijlage 21 bij deze toelichting is gevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0056.png"

Figuur 5.13 De rode lijn is het GR van de nieuwe N629, de blauwe lijn van de huidige N629

Tabel 5.8 Normwaarde groepsrisico situatie 1

  Groepsrisico: normwaarde  
Oude (huidige) N629   0,00042  
Nieuwe N629   0,00011  

Het groepsrisico neemt met de aanleg van het nieuwe tracé af in vergelijking met het huidige tracé en ligt onder de oriëntatiewaarde. Het groepsrisico van het nieuwe tracé is 1,1% van de oriëntatiewaarde, terwijl deze lag op 4,2% van de oriëntatiewaarde.

Wel is het zo dat het groepsrisico in vergelijking met de huidige situatie toeneemt, omdat op dit moment het tracé niet aanwezig is (en er dus geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt). Echter blijkt uit de berekening dat in vergelijking met de huidige situatie het nieuwe tracé een lager groepsrisico heeft. Tevens neemt het groepsrisico op het oude tracé af doordat er geen (of minder, zie situatie 2) gevaarlijke stoffen overheen gaan.

Situatie 2

In het centrum van Dongen bevindt zich een LPG-tankstation, waardoor niet het volledige vervoer van gevaarlijke stoffen over het nieuwe tracé gaat. Een deel van het vervoer zal richting Dongen gaan via een afsplitsing zoals afgebeeld in figuur 5.14. Om deze reden is deze deelberekening uitgevoerd, waarbij ervan uit is gegaan dat 50 GF3-auto's (22%) van de auto's naar het LPG-tankstation in Dongen gaan en de rest doorrijdt over de nieuwe weg. Daarbij is uitgegaan van 50 lossingen bij het tankstation per jaar. Het groene deel van de N629 is waar 22% van de tankauto's overheen rijdt op weg naar het LPG-tankstation, het rood/gele deel waar de rest (78%) overheen rijdt. Voor LF1 en LF2 zijn dezelfde percentages aangehouden.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0057.png"

Figuur 5.14 Verdeling vervoerstromen N629

In situatie 2 valt het groepsrisico lager uit dan in situatie 1 (zie ook tabel 5.9). De normwaarde ligt op respectievelijk 0,6% en 0,8% van de oriëntatiewaarde, wat een forse vermindering is van de in situatie 1 berekende oriëntatiewaarde (4,2% van de oriëntatiewaarde).

Tabel 5.9 Normwaarde groepsrisico situatie 2

  Groepsrisico: normwaarde  
Deelberekening 22% (deels nieuwe en deels oude N629)   0,00042  
Deelberekening 78% (over nieuwe N629)   0,00011  

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0058.png"

Figuur 5.15 Rode lijn is 22% vervoer (allebei over oude+nieuwe) Blauwe lijn is 78% vervoer over nieuwe N629.

Gasleidingen

Nabij de nieuwe N629 liggen enkele gasleidingen (zie figuur 5.16) die in eigendom zijn van Gasunie. Tabel 5.10 geeft de belangrijkste kenmerken van die leidingen weer, waaronder het invloedsgebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.9930.ipN629-va01_0059.png"

Figuur 5.16 Ligging van hogedrukaardgastransportleidingen ten opzichte van de N629. Oranje cirkels geven aan waar het tracé de leidingen kruist

Tabel 5.10 Gegevens leidingen

Leiding-
beheerder  
Kenmerk   Druk (bar)   Diameter (mm)   Invloedsgebied (1%-letaliteit)
(meter)  
100% letaliteit (meter)  
N.V. Nederlandse Gasunie   Z-521-01   40   159.00   70   40  
N.V. Nederlandse Gasunie   Z-521-08   40   219.10   100   50  
N.V. Nederlandse Gasunie   Z-522-01   40   219.10   100   50  

Overige leidingen

Door de ecologische verbindingszone om bedrijventerrein De Wildert in Dongen lopen daarnaast ook buisleidingen. Het gaat hier om een PRB-leiding (transport van vloeibare koolwaterstoffen) met een diameter van 200 millimeter. Deze leiding kent aan weerszijden van de leiding een plaatsgebonden risicocontour van 10,3 meter. Het invloedsgebied voor het groepsrisico (1%-letaliteit) bedraagt 29,2 meter aan weerszijden van de leiding (gemeten vanuit het hart van de leiding).

Daarnaast liggen in de nabijheid van de PRB-leiding een leiding voor olieproducten met een diameter van 600 millimeter en een maximale druk van 62 bar. Tevens ligt in de nabijheid van de PRB-leiding een een leiding voor ruwe olie met een diameter van 910 millimeter en een maximale druk van 43 bar. Beide leidingen hebben een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding.

Gelet op de ligging van de leidingen in de nabijheid van elkaar zijn deze drie leidingen in dit bestemmingsplan bestemd als 'Leiding - Leidingstrook'.

Groepsrisicoverantwoording

Scenario's

Over het tracé worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Door het vervoer van deze gevaarlijke stoffen kunnen onderstaande scenario's voorkomen:

  • effecten ten gevolge van een plasbrand;
  • effecten ten gevolge van een koude BLEVE.

Plasbrandscenario

Het effect dat optreedt bij een ongeval met enkel brandbare vloeistoffen is vooral warmtestraling door een (plas)brand. Het invloedsgebied is circa 30 meter, uitgaande van een calamiteit waarbij de gehele wagen- of tankinhoud vrijkomt. De omvang van het effect wordt beïnvloed door de oppervlakte van de plasbrand.

Koude BLEVE-scenario

Een koude BLEVE houdt in dat een tot vloeistof verdicht gas bij instantaan falen van de tank onder druk expandeert tot een dampwolk die vervolgens ontsteekt. Er ontstaat dan een vuurbal. De BLEVE geeft zowel een drukgolf als intense warmtestraling en treedt direct op bij een calamiteit met een wagon/tank gevuld met brandbare gassen.

Cumulatie en domino-effecten

Bij het uitvoeren van een groepsrisicoverantwoording zijn (naast de hoogte van de afzonderlijke groepsrisico's) ook cumulatie en eventuele domino-effecten relevant. Cumulatie is het optellen van afzonderlijk berekende groepsrisico's, van een domino-effect is sprake wanneer het falen van de ene risicobron leidt tot het falen van een andere risicobron. De kans op domino-effecten is verwaarloosbaar klein en bovendien verwerkt in de faalkans waarmee het groepsrisico van afzonderlijke risicobronnen berekend is.

De buisleiding Z-522-01 loopt parallel aan het tracé. Hier wordt rekening gehouden met een belemmeringsstrook van 4 meter aan weerzijden van de buisleiding. ook bij de waterovergang moeten mogelijk maatregelen ter bescherming van de gasleiding genomen worden. In overleg met de Gasunie moet worden bepaald hoe de nieuwe N629 de leidingen zal kruisen.

Veiligheidsmaatregelen

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling hoeven geen bouwkundige maatregelen getroffen te worden. Dit omdat de N629 niet aangewezen is als weg met een plasbrandaandachtsgebied (PAG). Het nemen van bouwtechnische maatregelen is daarmee niet nodig.

Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid bij een plasbrand

Bij een calamiteit met brandbare vloeistoffen moeten aanwezige personen zich in veiligheid brengen op een afstand van ten minste 45 meter (en bij voorkeur op een grotere afstand), buiten het invloedsgebied van brandbare vloeistoffen. Personen binnen dit gebied kunnen ernstige (dodelijke) brandverwondingen oplopen.

Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een dreigende BLEVE

In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen in het plangebied binnen de 150 meter slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde.

Beperkt zelfredzame groepen

In het invloedsgebied van de nieuw aan te leggen N629 bevinden zich geen bestemmingen waar beperkt zelfredzame groepen voorkomen. Er bevindt zich tussen Oosterhout en Dongen wel een ijzertijdboerderij in het invloedsgebied van vervoer over de huidige (oude) N629. Hier kunnen beperkt zelfredzame groepen komen (zoals kinderen), maar die zijn er maar een beperkte tijd van het jaar (alleen op zaterdagen van april tot en met de laatste zaterdag van oktober, tussen 13.00 en 17.00). Bovendien zijn deze groepen onder begeleiding en neemt het groepsrisico van het vervoer over de oude N629 af door de nieuwe ontwikkeling.

De Veiligheidsregio dient in het kader van de ruimtelijke procedure in de gelegenheid te worden gesteld advies uit te brengen en kan hierbij ook ingaan op de zelfredzaamheid bij en bestrijdbaarheid van eventuele incidenten.

5.10.3 Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit provinciaal inpassingsplan. De belemmeringenstroken van gasleidingen worden, indien noodzakelijk, weergeven op de verbeelding. In de regels van dit provinciaal inpassingsplan is bepaald dat in deze zones geen ingrepen plaats mogen vinden zonder uitdrukkelijke toestemming van de Gasunie. Het inpassingsplan wordt voorgelegd aan de Gasunie en de Veiligheidsregio.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

Het inpassingsplan 'N629 Oosterhout - Dongen' is opgesteld conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Dit provinciaal inpassingsplan bestaat uit een geografische plaatsbepaling (verbeelding), regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het inpassingsplan. Beide onderdelen moeten in onderlinge samenhang gelezen en toegepast worden. Het provinciaal inpassingsplan is opgesteld conform het (wettelijke) model Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) versie 2012. De SVBP 2012 heeft met name invloed op de vorm van het inpassingsplan. Zo zijn in deze regeling hoofdgroepen van bestemmingen opgenomen en worden standaardregels voor de begrippen en de wijze van meten gegeven. Hierdoor is het plan geschikt voor interactieve uitwisseling via het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO) 2012.

De toelichting heeft in beginsel geen rechtskracht. Niettemin is de toelichting een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die ten grondslag liggen aan het provinciaal inpassingsplan. De toelichting is daarom van groot belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het provinciaal inpassingsplan.

6.1 Methodiek

6.1.1 Algemeen

Het provinciaal inpassingsplan kent aan alle gronden in het plangebied een bestemming toe. Daarnaast komen op sommige gronden aanduidingen voor. Met een bestemming wordt tot uitdrukking gebracht welke gebruiksdoelen of functies, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, aan de in het plangebied gelegen gronden zijn toegekend. Een bestemming heeft altijd betrekking op een geometrisch bepaald vlak; lijn- en puntbestemmingen komen niet voor. Aanduidingen bevatten specificaties van bestemmingen met betrekking tot het gebruik of het bouwen. Aanduidingen hebben altijd juridische betekenis. Die juridische betekenis wordt in de regels van het provinciaal inpassingsplan gegeven.

Op de verbeelding is aan weerszijden van de weg extra ruimte gereserveerd voor de verkeersbestemming. Een uitzondering hierop is het weggedeelte dat parallel loopt aan het Wilhelminakanaal, daar is deze ruimtereservering alleen van toepassing aan de noordzijde van de nieuwe N629. De ruimtereservering maakt direct een beperkte verschuiving van het tracé mogelijk als hier tijdens de aanlegfase om wordt gevraagd. Gelet op de flexibiliteit die deze ruimtereservering biedt, zijn in dit plan geen algemene wijzigingsregels voor de verplaatsing van het tracé opgenomen.

6.1.2 Werkterreinen

Voor de aanleg van de N629 zijn op diverse plaatsen langs of nabij het tracé werkterreinen nodig. Deze werkterreinen worden gebruikt om bouwmateriaal op te slaan, aannemers een werklocatie te bieden of andere bouwgerelateerde zaken te herbergen. Een deel van de werkterreinen komt naar verwachting op het huidige tracé te liggen. Zoals hierboven vermeld, wordt in dit inpassingsplan een marge aangehouden voor de verkeersbestemming van 5 meter aan weerszijden van de N629. Binnen deze marge zijn ook de werkterreinen te realiseren. Hiervoor hoeft geen aparte (tijdelijke) bestemming of aanduiding opgenomen te worden.

6.2 Toelichting op de bestemmingsregeling

De regels van dit provinciaal inpassingsplan zijn verdeeld in vier hoofdstukken en kennen de volgende (wettelijk verplichte volgorde):

6.2.1 Bestemmingen

De regels volgen een eenduidige opbouw, zoals bepaald in de SVBP2012. De regels voor de bestemmingen zijn in de regel als volgt opgebouwd en bevatten in ieder geval:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels.

In de bestemmingsomschrijving wordt aangegeven welke functies in een bestemming toegestaan zijn. Daarnaast maakt de bestemmingsomschrijving duidelijk of gebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en/of andere werken toegestaan zijn.

De bouwregels bevatten regels voor het oprichten van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het zijn doorgaans regels die betrekking hebben op de situering van gebouwen en de maximale bouwhoogte.

Daarnaast komen in sommige bestemmingen één of meer van de volgende onderdelen voor:

  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijking van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

6.2.2 Artikelsgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

De in het inpassingsplan opgenomen begrippen zijn beperkt tot de begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 zijn ook conform de SVBP2012 overgenomen.

Artikel 2 Wijze van meten

Ter toelichting op de in de regels aangegeven bouwhoogten is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Voor gebruikmaking van het overgangsrecht is de wijze van meten ten behoeve van de inhoud van een bouwwerk opgenomen.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Enkelbestemmingen

Dit provinciaal inpassingsplan bevat de enkelbestemmingen die in de navolgende paragrafen toegelicht worden.

Artikel 3 Agrarisch

De aanleg van de nieuwe N629 leidt tot de demping van enkele watergangen. Daarbij gaat het om kleine watergangen nabij de nieuwe N629. De gronden waar demping plaatsvindt krijgen de bestemming 'Agrarisch'.

Artikel 4 Natuur

Voor de gronden die momenteel die momenteel tot het Natuurnetwerk Nederland van de provincie Noord-Brabant behoren en voor de gronden die ingericht gaan worden als natuur, is de bestemming 'Natuur' opgenomen. In de zone tussen de nieuwe N629 en het Wilhelminakanaal wordt een ecologische verbindingszone gerealiseerd. Voor deze zone is de aanduiding 'ecologische verbindingszone' opgenomen. Op gronden met de bestemming 'Natuur' mogen geen gebouwen dan wel bouwwerken worden gebouwd, tenzij deze ten dienste staan van de bestemming.

De regels voor deze bestemming bevatten tevens een aanduiding 'verkeer'. Deze aanduiding is van toepassing op de gronden onder de nieuwe brug over het Wilhelminakanaal. Met de aanduiding wordt mogelijk gemaakt dat de brug over de ecologische verbindingszone heen loopt.

Artikel 5 Verkeer

Voor de nieuw te realiseren verbinding inclusief alle op- en afritten en kruisende wegen met autoverkeer, is de bestemming 'Verkeer' opgenomen. Deze bestemming staat ook de aanleg en het gebruik van verbindingen voor Fietsverkeer toe. Onderdeel van de verkeersbestemming zijn tevens de bij de weg behorende voorzieningen zoals vluchtstroken, wegbermen, taluds, geluidwerende voorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. In de bestemmingsregels is verder bepaald dat de nieuwe verbinding uit niet meer dan 2x2 rijstroken mag bestaan.

Artikel 6 Water

De bestemming 'Water' is gegeven aan het gedeelte van het Wilhelminakanaal onder de nieuwe brug. Op gronden met deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor de bouw van bouwwerken is voorzien in een maximale maatvoering van bouwwerken.

Dubbelbestemmingen

Naast eerdergenoemde enkelbestemmingen bevat dit provinciaal inpassingsplan ook dubbelbestemmingen. Onderstaande paragrafen lichten de gebruikte dubbelbestemmingen toe.

Artikel 7 Leiding - Gas

Het plangebied wordt doorkruist door meerdere planologisch relevante hogedrukaardgastransportleidingen. Deze leidingen worden beschermd door de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'.

De hartlijn van de leidingen is weergegeven op de verbeelding. Daarnaast is de beschermingszone (belemmeringenstrook) van vier meter aan weerszijden van de leiding (gemeten vanuit de hartlijn van de leiding) weergegeven op de verbeelding. In de belemmeringenstrook mogen uitsluitend werken plaatsvinden die ten dienste staan van de aanleg en instandhouding van de leiding. Overige werken zijn uitsluitend toegestaan door middel van een vergunning.

Artikel 8 Leiding - Hoogspanningsverbinding

De ecologische verbindingszone om bedrijventerrein 'De Wildert' in Dongen maakt onderdeel uit van dit provinciaal inpassingsplan. Nabij deze ecologische verbindingszone bevindt zich een hoogspanningsleiding. Deze dubbelbestemming is opgenomen ten bate van deze hoogspanningsleiding en bepaalt dat op gronden met deze dubbelbestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gebouwd mogen worden.

Artikel 9 Leiding - Leidingstrook

Onder het maaiveld wordt de ecologische verbindingszone om bedrijventerrein 'De Wildert' in Dongen ook gekruist door een leidingstrook. In deze leidingstrook liggen diverse leidingen. Ten behoeve van deze dubbelbestemmingen mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijde, worden gebouwd. Bij initiatieven tot de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dient het bouwen getoetst te worden aan het leidingbelang.

Ten behoeve van de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook' is ook een 'veiligheidszone leiding' opgenomen. In deze veiligheidszone is de bouw van nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten niet toegestaan. Belangrijker nog is dat in de leidingenstrook geen leidingen aangelegd mogen worden met een 10-6-plaatsgebonden risicocontour die buiten de veiligheidszone valt.

Artikel 10 Leiding - Riool

Onder de kruising van de nieuwe N629 met de Provicialeweg en Ter Horst loopt een rioolleiding. Deze dubbelbestemming beschermt de rioolleiding.

De hartlijn van de rioolleiding is weergegeven op de verbeelding. Tevens is de beschermingszone (belemmeringenstrook) van vier meter aan weerszijden van de leiding weergegeven op de verbeelding. In de belemmeringenstrook mogen uitsluitend werken plaatsvinden die ten dienste staan van de aanleg en instandhouding van de leiding. Overige werken zijn uitsluitend toegestaan door middel van een vergunning.

Artikel 11 Leiding - Water

Onder de kruising van de nieuwe N629 met de Provincialeweg en Ter Horst loopt ook een waterleiding. De waterleiding wordt beschermd door deze dubbelbestemming.

De hartlijn van de waterleiding is weergegeven op de verbeelding. Tevens is de beschermingszone (belemmeringenstrook) van vier meter aan weerszijden van de leiding weergegeven op de verbeelding. In de belemmeringenstrook mogen uitsluitend werken plaatsvinden die ten dienste staan van de aanleg en instandhouding van de leiding. Overige werken zijn uitsluitend toegestaan door middel van een vergunning.

Artikel 12 Waarde - Archeologie

Deze dubbelbestemming beschermt de archeologische waarden die mogelijk in de bodem onder het plangebied aanwezig zijn. Bij bodemingrepen die dieper dan 30 centimeter onder maaiveld reiken en een oppervlakte van meer dan 100 vierkante meter is een archeologisch vervolgonderzoek nodig.

Artikel 13 Waterstaat - Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie

De voor 'Waterstaat - Waterhuishoudkundige en/of waterstaatkundige functie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterhuishoudkundige en waterstaatkundige functies en voorzieningen ten behoeve van het scheepvaartverkeer. In afwijking van het bepaalde in de andere bestemmingen mag op deze gronden niet worden gebouwd in strijd met de Waterwet en Binnenvaart Politiereglement (Bpr).

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende bouwaanvragen waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De antidubbeltelregel is conform het Besluit ruimtelijke ordening overgenomen in het inpassingsplan.

Artikel 15 Algemene gebruiksregels

Dit artikel bevat voorwaardelijke verplichtingen die bepalen dat:

  • Bij het in gebruik nemen van de nieuwe N629 geluidreducerende maatregelen (bron- of overdrachtsmaatregelen) genomen moeten zijn. Dit om geluidhinder in woningen te voorkomen. De te nemen maatregelen zijn getoond op een kaart die als bijlage bij de regels gevoegd is. De getoonde maatregelen moeten uitgevoerd worden. Een toelichting op de maatregelen kan gevonden worden in bijlage 12.
  • Financiële middelen voor de kwaliteitsverbetering van het landschap gereserveerd moeten zijn zodat de actiepunten voor de kwaliteitsverbetering van het landschap (zie bijlage 8) uitgevoerd kunnen worden.
  • Maatregelen voor de compensatie van het Natuurnetwerk Brabant geborgd zijn, zowel financieel als in uitvoeringsafspraken.
  • Bij het in gebruik nemen van de nieuwe N629 moeten mitigerende voorzieningen ten bate van flora en fauna genomen zijn. De te nemen maatregelen zijn getoond op een kaart die als bijlage bij de regels gevoegd is. De getoonde maatregelen moeten uitgevoerd worden. Een toelichting op de maatregelen kan gevonden worden in bijlage 19.

Artikel 16 Algemene aanduidingsregels

Dit artikel bevat alle bepalingen die voor het gehele plangebied van toepassing zijn.

Artikel 17 Algemene wijzigingsregels

Dit artikel maakt de aanleg van het (snel)fietspad door de ecologische verbindingszone langs het kanaal mogelijk. Het (snel)fietspad komt naast de nieuwe N629 te liggen, maar moet ook aansluiten op het resterende gedeelte van het fietspad langs het Wilhelminakanaal. Dit artikel maakt het mogelijk om twee aansluitingen voor het fietspad door de ecologische verbindingszone aan te leggen, mits de oppervlakte van de bestemming 'Natuur' ten minste gelijk blijft en de verbinding geen onevenredig nadelige effecten op flora en fauna heeft.

Artikel 18 Overige regels

Als overige regel is een verwijzing naar andere regelgeving opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 19 Overgangsrecht

In dit inpassingsplan is het overgangsrecht conform de artikelen 3.2.1 en 3.2.2 uit het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen.

Artikel 20 Slotregel

De slotregel geeft aan dat het inpassingsplan aangehaald wordt als 'N629 Oosterhout - Dongen'.

6.2.3 Plantoetsing en handhaving

Op het moment dat het inpassingsplan rechtskracht verkrijgt, wordt het geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan of de bestemmingsplannen waarop het inpassingsplan betrekking heeft. Voor het onderhavige inpassingsplan betekent dit dat plantoetsing en planhandhaving een taak van de betrokken gemeenten is.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

Gelet op het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening moet bij het in procedure brengen van een inpassingsplan onder andere inzicht worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In dit verband dient tevens onderzocht te zijn of op grond van artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting bestaat om een exploitatieplan op te stellen. Daarbij is in de eerste plaats van belang welk type bouwplan wordt gerealiseerd. Indien het een bouwplan betreft dat behoort tot een categorie die is genoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, bestaat in beginsel de plicht een exploitatieplan op te stellen. Deze verplichting vervalt indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Bij besluit tot vaststelling van het inpassingsplan moet dan wel beslist worden om geen exploitatieplan vast te stellen.

7.1.1 Verwerving

Om de nieuwe N629 daadwerkelijk aan te kunnen leggen, moet de provincie Noord-Brabant de beschikking hebben over de gronden waarop het tracé van de nieuwe N629 voorzien is. Door de provincie wordt voor onderhavig project een actief grondbeleid toegepast. Dit houdt in dat de provincie actief poogt de gronden via minnelijke weg te verwerven op basis van de door de provincie gehanteerde uitgangspunten ten aanzien van prijsstelling en tempo. Dit alles op zodanige wijze dat de voorgenomen uitvoering van het provinciaal inpassingsplan hierdoor niet wordt belemmerd.

Als het niet mogelijk is om particuliere percelen die nodig zijn voor de uitvoering van het in het inpassingsplan voorgestane beleid te verwerven en als sprake is van voldoende noodzaak en urgentie om tijdig over de betreffende gronden te beschikken voor de uitvoering van het inpassingsplan, dan bestaat de mogelijkheid om over te gaan tot onteigening. Het inpassingsplan vormt hiervoor de onteigeningstitel. Bij de onteigeningsprocedure worden de wettelijke procedures in acht genomen.

7.1.2 Exploitatieplan

De plannen voor de nieuwe provinciale weg hebben uitsluitend betrekking op infrastructurele werken, kunstwerken en landschappelijke inrichting. De daarmee samenhangende bouwwerken vallen niet onder de categorie bouwplannen die is genoemd in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het opstellen van een exploitatieplan bij dit provinciaal inpassingsplan is daarom niet noodzakelijk.

7.1.3 Financiële uitvoerbaarheid

De provincie Noord-Brabant en de gemeenten Dongen en Oosterhout hebben voor de ontwikkeling die door dit provinciaal inpassingsplan mogelijk gemaakt wordt financiële middelen gereserveerd.

Voor de kwaliteitsverbetering van het landschap hebben de gemeenten en provincie tevens middelen gereserveerd. Door de gemeenten Dongen en Oosterhout wordt eerst een opzet uitgewerkt voor een fonds om deze middelen te beheren. Dit wordt vervolgens besproken met de partners inclusief provincie.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Horen van de gemeenteraden

Op basis van artikel 3.26 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de provincie verplicht om de gemeenteraden te horen die betrokken zijn bij het opstellen van het inpassingsplan. Daarbij gaat het om de raden van de gemeenten waarvan het grondgebied rechtstreeks betrokken is bij het inpassingsplan, in dit geval de gemeenteraden van Dongen en Oosterhout. Het horen van de gemeenteraad van Oosterhout vond plaats op 6 december 2017. Het horen van de gemeenteraad van Dongen vond plaats op 7 december 2017. De resultaten van het horen van de gemeenteraden zijn, voor zover noodzakelijk, verwerkt in het provinciaal inpassingsplan.

7.2.2 Inspraak en vooroverleg ex. artikel 3.1.1. Bro

Provinciale Staten hebben van vrijdag 12 mei tot en met donderdag 22 juni 2017 de Notitie Uitwerking Voorkeursalternatief N629 ter inzage gelegd. De notitie bevat een verdere uitwerking van het tracé 'Bundeling Noord' waarvoor de provincie Noord-Brabant, de gemeente Dongen en de gemeente Oosterhout in juni 2016 hun voorkeur uitspraken. Op dinsdag 30 mei vond een informatiebijeenkomst plaats waarin de uitgewerkte plannen werden toegelicht.

Gedurende het proces zijn de daarvoor in aanmerking komende overlegpartners benaderd over de voorgenomen ontwikkeling. Artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht tot het voeren van overleg met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn.

De Notitie Uitwerking Voorkeursalternatief N629 is naar verschillende vooroverlegpartners gestuurd. Met diverse vooroverlegpartners zijn gesprekken gevoerd. Van deze gesprekken is geen verslag gemaakt. Het vooroverleg heeft niet tot wijzigingen van de notitie geleid.

Tevens is van 12 mei tot en met 22 juni de Notitie Uitwerking Voorkeursalternatief N629 ter inzage gelegd. In die periode kon iedereen die dat wenste een inspraakreactie op de verdere uitwerking van de plannen geven. In totaal zijn in de voornoemde periode 62 inspraakreacties binnengekomen. De reacties zijn samengevat en beantwoord in de nota van inspraak en vooroverleg (bijlage 22).

7.2.3 Zienswijzen

Het ontwerp van dit provinciaal inpassingsplan heeft vanaf 26 januari 2018 tot en met 8 maart 2018 gedurende zes weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens voornoemde termijn kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Naar aanleiding van de terinzagelegging zijn 517 zienswijzen ontvangen. In bijlage 23 zijn de ingekomen zienswijzen samengevat en van reactie voorzien. Tevens zijn in bijlage 23 de aanpassingen die naar aanleiding van de zienswijzen in het provinciaal inpassingsplan gedaan zijn, opgenomen. Bijlage 23 toont ook de ambtshalve wijzigingen van het provinciaal inpassingsplan.

7.2.4 Vaststelling provinciaal inpassingsplan

Na afronding van de ontwerpfase kan Provinciale Staten overgaan tot vaststelling van het provinciaal inpassingsplan. Na vaststelling wordt het vastgestelde inpassingsplan eveneens gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend, bij de Raad van State beroep instellen tegen het vastgestelde inpassingsplan.