direct naar inhoud van Regels
Plan: Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan

Het inpassingsplan Provinciaal inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum met identificatienummer NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01 van de provincie Limburg.

1.2 inpassingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen.

1.3 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aanduidingsvlak

Een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde aanduiding.

1.6 aanmeerpaal

Een paal in het water bedoeld voor het aanleggen van vaartuigen.

1.7 achtererf

Erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant van het hoofdgebouw.

1.8 agrarisch bedrijf

Een bedrijf dat gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (met inbegrip van houtteelt) en/of het houden van dieren niet zijnde gebruiksgerichte paardenhouderijen, kennels en dierenasiels.

1.9 agrarisch grondgebruik

Grondgebruik door agrarische bedrijven.

1.10 ambacht

Het bedrijfsmatig, geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en installeren van goederen.

1.11 archeologische waarde

Waarde die bestaat uit de aanwezigheid van een bodem-archief alsmede uit bovengrondse archeologische en cultuurhistorische waarde met sporen van vroegere menselijke bewoning en/of grondgebruik daarin, en als zodanig van wetenschappelijk belang is en het cultuurhistorisch erfgoed vertegenwoordigt.

1.12 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.13 bebouwingsoppervlakte

De oppervlakte tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

1.14 bebouwingspercentage

Het percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van een bouwperceel, dat mag worden bebouwd.

1.15 bed & breakfast

Kleinschalige verblijfsrecreatie in de vorm van logies met ontbijt.

1.16 bedrijf

Een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij eventueel productiegebonden detailhandel plaats vindt, beroepen aan huis daaronder niet begrepen.

1.17 bedrijf aan huis

Het beroepsmatig uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, in tegenstelling tot het beroep aan huis, gericht op consumentenverzorging geheel of gedeeltelijk door middel van handwerk en waarbij de omvang van de activiteiten zodanig is dat als deze in een woning en bijgebouwen wordt uitgeoefend de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd.

1.18 bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein slechts bestemd voor (het gezin van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is.

1.19 Beleidsnota Parkeernormen, Gemeente Venray

De beleidsnota die als Bijlage 3 bij deze planregels is opgenomen.

1.20 beperkt kwetsbaar object

Een object waarvoor ingevolge artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico dan wel een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.

1.21 beroep aan huis

Het uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of qua aard en omvang hiermee gelijk te stellen gebied, waarbij de aard en de omvang van de activiteiten zodanig is dat deze in een woning of in een bijbehorend bouwwerk wordt uitgeoefend en de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd; hieronder wordt niet begrepen de uitoefening van prostitutie.

1.22 bestaand
  • Bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig of wordt gebouwd op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerpplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen.
  • Bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan of het betreffende planonderdeel inwerking is getreden.
1.23 bestaand kavel

Gronden behorend bij een ten tijde van de vaststelling van het plan bestaande inrichting, als weergeven in de toetsingstabellen.

1.24 bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak.

1.25 bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.

1.26 betonmortelcentrale

Fabriek die (stortklare) beton vervaardigt.

1.27 bevoegd gezag

Burgemeester en wethouders van de gemeente waar de activiteit plaatsvindt, tenzij gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn op grond van artikel 3.3, eerste lid, Besluit omgevingsrecht.

1.28 bijbehorend bouwwerk

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

1.29 bijgebouw

Een gebouw dat in bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat ten dienste staat van dat hoofdgebouw.

1.30 boomkwekerij

Agrarische bedrijfsactiviteit inhoudende het telen en verzorgen van bomen en struiken.

1.31 bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

1.32 bouw- en grondstoffenbedrijf

Bedrijf voor het produceren, mengen en opslaan van bouw- en grondstoffen.

1.33 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

1.34 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond maar met uitzondering van zolder en kelder.

1.35 bouwperceel

Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.36 bouwperceelsgrens

De grens van een bouwperceel.

1.37 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.38 bouwwerk

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

1.39 brandbare gassen

Gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen voor zover deze gassen ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar zijn als bedoeld in artikel 9.2.3.1 lid 1 van de Wet milieubeheer.

1.40 brug

Een civieltechnisch kunstwerk in de vorm van een verbinding voor het verkeer tussen twee punten, die door water of anderszins gescheiden zijn.

1.41 brutovloeroppervlakte (bvo)

De totale oppervlakte van de bouwlagen met inbegrip van de bouwconstructies, magazijnen, dienstruimten, bergingen etc en met uitzondering van gebouwde (ondergrondse of half verdiept gelegen) parkeervoorzieningen.

1.42 bulk

Onverpakte lading of los gestorte, niet per stuk verpakte lading.

1.43 calamiteitenweg

Een weg of verhard oppervlak die bedoeld en geschikt is als ontsluiting voor nood- en hulpdiensten, zoals ambulances en brandweerwagens.

1.44 carport

Een bouwwerk met een dakconstructie bestemd voor het stallen van een voertuig.

1.45 containerteelt

Het kweken van planten/bomen in potten op een gesloten bed-ondergrond of een open bed-ondergrond met drainage.

1.46 cultuurhistorische waarde

De aan een gebied of opstal toegekende waarde met betrekking tot de kenmerken van het gebruik dat de mens in de loop der geschiedenis van grond en gebouwen heeft gemaakt, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in de beplanting, het wegen- en slotenpatroon, de verkavelingsstructuur of de architectuur; onder cultuurhistorische waarden worden mede verstaan de archeologische waarden.

1.47 cumulatief gebudgetteerde geluidruimte

De totaal gebudgetteerde geluidruimte zonder geluidreserve voor onderscheidenlijk:

  • deelgebieden II, III, IV en VI gezamenlijk (nieuwe kavels);
  • deelgebieden I en V gezamenlijk (bestaande kavels);
  • deelgebied VII (bestaande kavels in deelgebied zuid-oost).
1.48 dagrecreatie

Recreatief gebruik niet zijnde verblijfsrecreatie, dat in de openlucht plaatsvindt, geschiedt tussen zonsopgang en zonsondergang en in hoofdzaak is gericht op natuur- en landschapsbeleving, hieronder wordt in ieder geval verstaan: vertoeven, wandelen, fietsen, paardrijden of kanoën.

1.49 dagrecreatief medegebruik 1

Een dagrecreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan.

1.50 dagrecreatief medegebruik 2

Tijdelijk medegebruik van weiland, akkerbouwgrond of onbebouwde agrarische grond voor kleinschalige dagrecreatie, waaronder kleinschalige recreatieve luchtvaart ten behoeve van luchtballonvaren en ultralights.

1.51 deelgebied bestaand zuid-oost

Deelgebied VII als weergegeven op de verkavelingskaart.

1.52 deelgebied voor nieuwe kavels

Deelgebieden II, III, IV, V en VI, als weergegeven op de verkavelingskaart, waarop nieuwe kavels voor bedrijven uitgegeven kunnen worden.

1.53 dekaardeproductiebedrijf

Bedrijf dat zich bezighoudt met het ontwikkelen, produceren en vermarkten van veensubstraten voor de champignoncultuur.

1.54 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor de verkoop, het verkopen, het verhuren of het leveren van goederen aan in hoofdzaak personen die deze zaken kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.55 dienstverlening

Een kantoor of bedrijf met een publieksgerichte functie dat in hoofdzaak is gericht op het ter plaatse bedrijfsmatig verlenen van diensten aan of ten behoeve van bedrijven/personen, zoals een voorlichtings-, advies-, reis- en uitzendbureau, een makelaars- en/of verzekeringskantoor of bank, of een bedrijf dat is gericht op het beroepsmatig uitoefenen van bedrijvigheid gericht op consumentverzorging, geheel of overwegend door middel van handwerk, zoals bijvoorbeeld een kapsalon, pedicure of schoonheidssalon.

1.56 dijk

Groene waterkering en harde waterkering.

1.57 drempel

Scheiding tussen geulen in de vorm van een grondlichaam die als doel heeft het (grond)water beter vast te houden waardoor grondwaterstandsverlagingen zoveel mogelijk worden beperkt.

1.59 ecologische voorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van natuurlijke waarden, zoals houtsingels, faunapassages, faunaduikers, wildrasters, nestkasten en kleinschalige natuurontwikkeling.

1.60 emissie-kental

geluidemissie van een deelgebied voor nieuwe kavels uitgedrukt als bronvermogen (Lw in dB(A)) per vierkante meter, of dB(A)/m2; het emissie-kental betreft een etmaalwaarde zoals bedoeld in de Hmrl 1999.

1.61 enkelbestemming

De bestemming “Agrarisch met waarden”, “Bedrijventerrein - 1”, “Bedrijventerrein - 2”, “Gemengd - Kasteelterrein”, “Natuur”, “Recreatie”, “Recreatie - Jachthaven”, “Verkeer”, “Water - 1”, "Water - 2" of “Wonen".

1.62 erfafscheiding

Een constructie ter afbakening van een perceel van een daarnaast gelegen perceel of van de openbare ruimte.

1.63 escortbedrijf

Het bedrijfsmatig, of in een omvang alsof die bedrijfsmatig is, prostitutie aanbieden door een natuurlijke persoon of rechtspersoon, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend, zoals escortservices en bemiddelingsbureaus.

1.64 evenement

Een tijdelijke activiteit (in de openlucht) dan wel in tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, vermaak, culturele en/of levensbeschouwelijke doeleinden.

1.65 faunapassage

Oversteekvoorziening voor diersoorten.

1.66 gassenhandel

Een gasdepot met gasoverslag- en/of gasafvulfaciliteiten, zijnde een risicovol bedrijf, met op- en overslag van (tot vloeistof verdichte) brandbare en toxische gassen en andere gassen waarvan de aan-/afvoer in hoofdzaak met tankwagens over de weg plaatsvindt.

1.67 gebiedskwaliteit

De aan een gebied toegekende kwaliteit die bestaat uit vier, onderling samenhangende aspecten:

  • 1. de landschappelijke structuur:

de wijze waarop de totstandkominggeschiedenis van een gebied afleesbaar is in de huidige situatie;

  • 2. de landschappelijke elementen:

de intrinsieke waarde van samenhangende ecologische en groenstructuren en watersystemen en de visuele waarde van de afwisseling van groene en gebouwde kwaliteiten;

  • 3. de verkavelingsstructuur en de bebouwingsstructuur:

de wijze waarop de ruimte in een gebied letterlijk geordend is door middel van open- en geslotenheid, de verdeling van bebouwd en onbebouwd en de functionele verdeling en de herkenbaarheid van de ruimtelijke structuur;

  • 4. de functionele structuur:

de kwaliteit van de gebouwde omgeving inhoudende de kwaliteit van en de onderlinge samenhang tussen de gebouwde elementen en de relatie tussen de gebouwde elementen en de andere landschappelijke elementen.

1.68 gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.69 geluidruimte door gebruik van een kavel

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vanweg een inrichting op een bestaand of nieuw kavel, inclusief de bij de inrichting behorende geluidbronnen op openbaar water, per periode van het etmaal (dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur, avondperiode van 19.00 tot 23.00 uur en nachtperiode van 23.00 tot 07.00 uur).

1.70 geluidsgevoelige objecten

Woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

1.71 geluidwerende voorzieningen

Voorzieningen ter reductie van de geluidbelasting, zoals geluidswallen, geluidschermen en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.72 gemaal

Een installatie om water van een lager naar een hoger niveau te brengen.

1.73 gemotoriseerd verkeer

Motorvoertuigen zoals bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zoals geldend op het moment van vaststelling van het plan.

1.74 gevaarlijke stoffen

Stoffen die door hun intrinsieke eigenschappen of de omstandigheden waaronder ze voorkomen gevaar, schade of ernstige hinder voor mens, dier of milieu kunnen veroorzaken.

1.75 groene waterkering

Waterkering bestaande uit een grondlichaam met een kern van klei en/of zand, eventueel voorzien van een bekleding, zoals gras of een laag asfalt of stenen.

1.76 groenvoorziening

(Bos)parken, plantsoenen, erfbeplanting, wegbeplanting, landschapselementen, bosschages en daarmee gelijk te stellen beplantingsvormen.

1.77 groepsaccommodatie

Een accommodatie voor verblijfsrecreatie die naar afmetingen en inrichting specifiek bedoeld is voor een grotere groep van personen, tot uitdrukking komend in onder andere gezamenlijke faciliteiten voor logies, dagverblijf en maaltijdbereiding.

1.78 groothandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan wederverkopers, dan wel aan instellinen of personen voor de aanwending in een andere bedrijfsactiviteit.

1.79 hagelnetten

Netten op palen ter bescherming van de gewassen en vruchten die in het voorjaar worden geplaatst en na de oogst weer worden weggehaald.

1.80 harde waterkering

Waterkering bestaande uit een harde constructie van veelal stenen, beton en/of damwanden.

1.81 havengebonden bedrijven

Bedrijven met een havenafhankelijke bedrijfsactiviteit en bedrijven die voor hun aan- en/of afvoer van goederen afhankelijk zijn van het vervoer over water.

1.82 havengerelateerde bedrijven

Bedrijven met een bedrijfsactiviteit die afhankelijk is van en/of die gericht is op een havengebonden bedrijf.

1.83 HmrI 1999

Handleiding meten en rekenen Industrielawaai 1999.

1.84 hoofdgebouw

Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

1.85 hoogwaterveiligheidsmaatregelen

De hoogwatergeul Ooijen, de hoogwatergeul Wanssum, de reactivering van de Oude Maasarm en de daarmee in fysiek of functioneel opzicht samenhangende voorzieningen, zoals hoogwatervluchtplaatsen, en de in het plan voorziene waterstaatkundige werken en civieltechnische (kunst)werken.

1.86 hoogwatervluchtplaats

Een verhoging in het landschap bedoeld als vluchtplaats voor dieren tijdens een overstroming.

1.87 horeca

Het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.

1.88 informatiebord

Een bord met locatiespecifieke informatie.

1.89 inrichting

Inrichting zoals omschreven in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer.

1.90 jachthaven

Een haven waar bedrijfsmatig voor pleziervaartuigen ligging, berging en onderhoud wordt geboden met bijbehorende voorzieningen, waaronder sanitaire voorzieningen, een havenkantoor en verenigingsruimten.

1.91 kampeermiddelen
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een tourcaravan;
  • b. enig ander onderkomen en enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde;

één en ander voorzover de onder a. en b. bedoelde onderwerpen onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn in- of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

1.92 kantoor

Een ruimte die door haar aard, indeling en inrichting is bedoeld voor het verrichten van werkzaamheden van hoofdzakelijk administratieve aard.

1.93 kantooractiviteiten

Activiteiten die in overwegende mate bestaan uit administratieve werkzaamheden, dan wel werkzaamheden die worden uitgevoerd uit hoofde van juridische, bancaire, ontwerptechnische of hiermee vergelijkbare dienstenverlenende beroepsgroepen, dan wel werkzaamheden welke verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen of hiermee vergelijkbare instellingen, zonder dat er sprake is van een baliefunctie.

1.94 kapel

Klein gebouw bedoeld voor godsdienstige handelingen.

1.95 kwetsbaar object

Een object waarvoor ingevolge artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico dan wel een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden.

1.96 landschappelijke waarde

De aan een gebied toebehorende waarde die wordt gekenmerkt door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur ter plaatse van het waarneembare deel van het aardoppervlak van dat gebied.

1.97 langzaam verkeer

Voetgangers en niet-gemotoriseerd verkeer.

1.98 lawaaisport

Een sportactiviteit waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd dat zodanig is dat het omgevingsgeluid wordt overschreden, waaronder in ieder geval begrepen de schuttersgilden, de autosport, motorsport, modelvliegsport, de schietsport met behulp van vuurwapens, de jachtsport wordt hier niet onder begrepen.

1.99 ligplaats

Plaats die ingericht is om schepen te doen afmeren.

1.100 maaiveld

De bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw.

1.101 Natuurcompensatie- en landschapsplan

Projectbureau Ooijen-Wanssum/Royal HaskoningDHV, Landschapsplan, Provinciale rondweg en uitbreiding havengebied Wanssum, Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, zoals opgenomen in Bijlage 2 bij de toelichting van dit plan.

1.102 natuurlijke waarden

De aan een gebied toegekende waarde, die bepaald wordt door het voorkomen van bodemkundige, hydrologische en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in samenhang.

1.103 nevenactiviteit

Een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit die in ruimtelijk en functioneel opzicht ondergeschikt is aan de ingevolge dit plan toegestane hoofdfunctie op een bouwperceel.

1.104 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf

Een agrarisch bedrijf waarvan de productie niet in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Niet-grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: intensieve veehouderijen, glastuinbouwbedrijven en gebouwgebonden teeltbedrijven en kwekerijen, zoals champignonteeltbedrijven, witlofkwekerijen, viskwekerijen en wormenkwekerijen.

1.105 nieuw kavel

Gronden voor een inrichting, gelegen op een deelgebied voor nieuwe kavels.

1.106 oeververbinding

Bouwwerk voor het oversteken van water.

1.107 omputlocatie

Een aangewezen locatie waarbinnen grond ontgraven mag worden en waar de vrijkomende ruimte gevuld dient te worden met grond.

1.108 ondergeschikte bouwdelen

Onderdelen van een gebouw of van een ander bouwwerk die in functioneel of architectonisch opzicht ondergeschikt zijn aan dat gebouw of dat andere bouwwerk, zoals erkers, luifels, schoorstenen, trappenhuizen, liftinstallaties, technische installaties, dakterrassen, hekwerken en antennes.

1.109 ondersteunende kampeervoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het gebruik van kampeermiddelen, zoals watertappunten, sanitairgelegenheid en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare bouwwerken.

1.110 ondersteunende recreatieve voorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van dagrecreatief medegebruik 1, zoals wegwijzers, informatieborden, zitbanken, markeerpalen, stapstenen, vlonderpaden, voetgangersbruggetjes en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare voorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.111 ontsluitingsweg

Weg die uitsluitend dient om toegang te geven tot een (bouw-)perceel gelegen aan die weg, waaronder begrepen in- en uitritten.

1.112 oppervlaktebron

Een geluidbron, bestaande uit deelbronnen die regelmatig zijn verdeeld over een bepaald oppervlak, waarbij een zekere bronhoogte en brondichtheid wordt aangehouden.

1.113 oppervlaktedelfstoffen

In de bodem aanwezige mineralen of substanties van organische oorsprong, in een aldaar langs natuurlijke weg onstane concentratie of afzetting, die kunnen worden gewonnen zonder dat ondergrondse mijnbouw nodig is, zoals kalksteen, grind, zand, klei, schelpen en mengsels daarvan.

1.114 opslag

Het bedrijfsmatig opslaan en verpakken en verhandelen van goederen, niet zijnde detailhandel.

1.115 overkapping

Een bouwwerk met een dakconstructie.

1.116 overslag

Handelingen, zoals (be)laden, lossen, overladen, hevelen en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare handelingen, al dan niet op pneumatische of mechanische wijze, bijvoorbeeld kranen, transportbanden, leidingen.

1.117 parkeervoorziening

Voorziening die geschikt is om een voertuig te parkeren, zoals een terrein dat bedoeld is om een voertuig op te parkeren.

1.118 peil

Onder het peil wordt verstaan:

  • a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • b. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang niet onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. voor bruggen, hoge grond en waterkeringen: NAP;
  • d. indien in of op het water wordt gebouwd (met uitzondering van bruggen): het stuwpeil van de Maas;
  • e. voor bouwwerken op bruggen, viaducten, waterkeringen en taluds: de hoogte van het wegdek;
  • f. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aangrenzend terrein, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
1.119 recreatiewoning

Een gebouw, bedoeld om uitsluitend door een of meer personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders heeft/hebben, gedurende een gedeelte van het jaar voor recreatief verblijf te worden gebruikt.

1.120 reserve geluidruimte

Geluidruimte als weergegeven in de toetsingstabellen, die niet is gebonden aan een deelgebied voor nieuwe kavels of aan een bestaand kavel.

1.121 rijstrook

Een strook van de weg welke voldoende plaats biedt aan een enkele rij rijdende motorvoertuigen op meer dan drie wielen, daaronder niet begrepen op- en afritten en in- en uitvoegstroken.

1.122 risicovol bedrijf

Een inrichting bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

1.123 schutterij

Een gilde met traditioneel schieten met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht en daarmee verwante ondergeschikte activiteiten en evenementen.

1.124 seksinrichting

Een gebouw of een gedeelte van een gebouw waarin tegen betaling handelingen en/of voorstellingen plaatsvinden van erotische en/of pornografische aard. Hieronder worden mede begrepen een seksbioscoop, -theater, -automatenhal en -winkel en naar de aard daarmee te vergelijke inrichtingen.

1.125 sierteelt

Agrarische bedrijfsactiviteit inhoudende de teelt van siergewassen, zoals bloembollenteelt, boomteelt en bloementeelt.

1.126 Staat van Bedrijfsactiviteiten

De als Bijlage 1 bij deze regels opgenomen lijst, waarin vormen van gebruik anders dan wonen, zijn aangegeven, ingedeeld in categorieën van toenemende hinder.

1.127 Staat van Horeca activiteiten

De als Bijlage 2 bij deze regels opgenomen lijst, waarin vormen van horeca zijn ingedeeld in categorieën van toenemende hinder.

1.128 steiger

Boven het water aangebrachte of op het water drijvende constructie, waarover gelopen kan worden en waaraan een vaartuig kan worden aangelegd.

1.129 (straat)prostitutie

Het zich (in de openbare ruimte) beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding.

1.130 tankcontainer

Een intermodale container voor het vervoer van vloeistoffen, gassen en poeders in bulk, daaronder niet begrepen het vervoer van vloeistoffen, gassen en poeders in gasflessen.

1.131 tankwagen

Een motorvoertuig bedoeld voor het vervoer over de weg van vloeistoffen, gassen en poeders in bulk, daaronder niet begrepen het vervoer van vloeistoffen, gassen en poeders in gasflessen.

1.132 terreinafscheiding

Een constructie ter afbakening van een deel van het perceel van een overig deel van een perceel.

1.133 toetsingstabel

De Excel-tabellen met bijbehorende verkavelingskaart, die als Bijlage 4 'Toetsingstabellen en verkavelingskaart geluid' bij deze regels zijn opgenomen, waarin zijn weergegeven de toetspunten, de grenswaarden en de gebudgetteerde geluidruimte voor deelgebieden voor nieuwe kavels en voor bestaande kavels.

1.134 tophoogte

Hoogste punt van een grondophoging.

1.135 toxische stoffen

Gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder i van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

1.136 transport

Het bedrijfsmatig vervoeren van goederen en/of personen.

1.137 vaarweg

Voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand oppervlaktewater.

1.138 veiligheidsregio

Veiligheidsregio Limburg-Noord.

1.139 verbeelding

De verbeelding van het plan.

1.140 verblijfsrecreatie

Recreatie in de vorm van nachtverblijf.

1.141 verkeersvoorzieningen

Voorzieningen ter geleiding van het verkeer en een verkeersveilig gebruik van de (vaar-)weg, zoals verlichtingsarmaturen, bewegwijzering, VRI-installaties en daarmee naar aard en omvang vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.142 visvijver

Een aangelegde plas water waarin vissen worden uitgezet en gehouden en recreatieve hengelsport wordt bedreven

1.143 volumineuze detailhandel

Detailhandel die vanwege de omvang en aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling, waaronder wordt begrepen:

  • a. detailhandel in auto’s en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
  • b. detailhandel in boten, caravans en landbouwwerktuigen en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen, alsmede detailhandel in grove bouwmaterialen en brand/explosiegevaarlijke stoffen;
  • c. detailhandel in meubels, vloeren, keukens, sanitair, zonwering, verlichting en hiermee vergelijkbare artikelen ten behoeve van woninginrichting en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
  • d. detailhandel in volumineuze goederen ten behoeve van de buiteninrichting zoals tuinartikelen, vijvers, zwembaden en hiermee vergelijkbare artikelen en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen;
  • e. detailhandel in bouwmaterialen (bouwmarkten) en de ter plaatse te verhandelen en hiermee direct samenhangende artikelen zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en/of materialen.
1.144 voorerf

Gedeelte van een erf dat aan de voorkant van het hoofdgebouw is gelegen.

1.145 voorgevelrooilijn

De voorgevelrooilijn is:

  • a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg.
1.146 voorzieningen ten behoeve van de waterkering

Voorzieningen nodig voor de aanleg, het beheer en de instandhouding van waterkeringen, waaronder onderhoudspaden en de voor de waterkering benodigde waterstaatkundige werken.

1.147 voorzieningen van openbaar nut

Een voorziening ten behoeve van de distributie van gas, water en elektriciteit, en de telecommunicatie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse afvalvoorzieningen, bovengrondse afvalvoorzieningen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten, plus voorzieningen voor warmte- en koudeopslag of voorzieningen van soortgelijke aard met de daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.148 waterhuishoudkundige voorzieningen

Boven- en ondergrondse voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en de handhaving of verbetering van de waterkwaliteit, waaronder in ieder geval worden begrepen duikers, stuwen, infiltratie- en drainagevoorzieningen, beregeningsputten, gemalen, inlaten, zaksloten en afwateringsloten.

1.149 waterkering

Werk dat het achterliggende land beschermt tegen overstromingen.

1.150 waterschap

Waterschap Peel en Maasvallei.

1.151 waterstaatkundige werken

Werken, waaronder begrepen kunstwerken, verband houdend met de waterstaat, zoals dammen, dijken, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, uitgezonderd steigers.

1.152 waterstandsdaling

waterstandsdaling zoals berekend met het Rivierkundig beoordelingskader voor ingrepen in de Grote Rivieren (versie 2.01, Rijkswaterstaat, 2009) en de Baseline handleiding, uitgaande van Simona versie 2011, Baseline versie 4.03, een fijn rooster van kmr 106-143, een bovenstroomse randvoorwaarde van 3.275 m3/s, een benedenstroomse randvoorwaarde van 14,45 m +NAP en de referentiesituatie Maas_hk_new met een natuurlijke vegetatiegroei.

1.153 weg

Alle voor het openbaar auto-, fiets-, voetgangers- of ander verkeer openstaande wegen of paden, geen spoorwegen of trambanen zijnde, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, voorzieningen van openbaar nut, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.

1.154 woning

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden c.q. een daarmee gelijk te stellen samenhangende groep van personen, die gebruik maken van voor bewoning gemeenschappelijke voorzieningen, zoals keuken, toilet en douche.

Artikel 2 Wijze van meten en berekenen

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de bouwperceelsgrens

Tussen de bouwperceelsgrens en enig punt van het betreffende bouwwerk, waarvan de afstand het kortst is.

2.2 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

Tussen de zijdelingse grenzen van een perceel en enig punt van het betreffende bouwwerk, waarvan de afstand het kortste is.

2.3 de bouwdiepte van een bouwwerk

Vanaf peil tot aan het laagste punt van het bouwwerk, met uitzondering van fundering of ondergeschikte bouwdelen van het bouwwerk.

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een ander bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen.

2.5 de minimum bouwhoogte van de onderkant van een brug

Vanaf het peil tot aan de onderkant van de brug ter plaatse van het hoogste punt van de overspanning.

2.6 de maximum bouwhoogte van een brug

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van het brugdek ter plaatse van het hoogste punt van de overspanning.

2.7 de minimum hoogte

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een werk.

2.8 de maximum hoogte

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een werk.

2.9 de brutovloeroppervlakte van een gebouw

De bebouwde oppervlakte van de afzonderlijke bouwlagen bij elkaar opgeteld.

2.10 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.11 de inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.12 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.13 berekenen gebudgetteerde geluidruimte nieuw kavel

De gebudgetteerde geluidruimte voor een nieuw kavel wordt bepaald op basis van oppervlaktebronnen, met voor elke oppervlaktebron een bronsterkte overeenkomstig het emissie-kental voor het deelgebied voor nieuwe kavels waarin de oppervlaktebron is gelegen, verminderd met 1 dB (in verband met geluidreserve). Deze oppervlaktebronnen emitteren geluid volgens het spectrum industrielawaai als gehanteerd in het bij dit plan gevoegde geluidrapport Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum registratienummer: MD-AF20150614, versie Def2.2 d.d. 1 april 2016, hebben een hoogte van 2 m boven het plaatselijk maaiveld en een verdeling van ten minste één deelbron per 5 m in de x en y richting (per 25m2 een deelbron). Vervolgens wordt de geluidimmissie berekend op de toetspunten als opgenomen in de toetsingstabel, conform de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II) uit de HmrI 1999. De omgevingssituatie in het rekenmodel (bodemgebieden, afschermende en reflecterende objecten, maaiveldhoogtes en hoogtes tov maaiveld) dient gelijk te zijn aan die als opgenomen in het bij dit plan gevoegde geluidrapport Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum registratienummer: MD-AF20150614, versie Def2.2 d.d. 1 april 2016. Dit geldt ook voor het nieuwe kavel zelf. Berekeningen dienen uitgevoerd te worden met Geomilieu, versie 3.11. De aldus berekende geluidimmissie is de voor het kavel gebudgetteerde geluidruimte.

2.14 berekenen geluidruimte door gebruik van een kavel ten behoeve van toetsing aan gebruiksregels

De geluidruimte door het gebruik van een kavel wordt berekend op de toetspunten als opgenomen in de toetsingstabel, conform de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II) uit de HmrI 1999. De omgevingssituatie in het rekenmodel (bodemfactoren, afschermende en reflecterende objecten, maaiveldhoogtes en hoogtes tov maaiveld) dient, behoudens voor het kavel zelf, gelijk te zijn aan die als opgenomen in het bij dit plan gevoegde geluidrapport Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum registratienummer: MD-AF20150614, versie Def2.2 d.d. 1 april 2016. Berekeningen dienen uitgevoerd te worden met Geomilieu, versie 3.11.

2.15 berekenen geluidruimte door gebruik van een kavel ten behoeve van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels

De geluidruimte door het gebruik van een kavel wordt berekend op de toetspunten als opgenomen in de toetsingstabel, conform een op de meet- en rekenmethode industrielawaai voor complexe situaties (methode II) uit de HmrI 1999 gebaseerd rekenmodel op basis van de actuele omgevingssituatie ten tijde van het indienen van de aanvraag. Berekeningen dienen uitgevoerd te worden met Geomilieu, versie 3.11.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarisch grondgebruik;
  • b. behoud, ontwikkeling en versterking van:
    • 1. de landschappelijke waarden;
    • 2. de natuurlijke waarden;
    • 3. de cultuurhistorische waarden;
  • c. dagrecreatief medegebruik 2;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. voorzieningen van openbaar nut;
  • f. waterlopen;
  • g. ecologische voorzieningen;
  • h. kapel, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - kapel';

met de daarbij behorende:

  • i. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • j. verkeersvoorzieningen;
  • k. parkeervoorzieningen;
  • l. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Kapel

Ten aanzien van de maatvoering van de kapel gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van de kapel mag niet meer bedragen dan 6,5 m;
  • b. de breedte van de kapel mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • c. de lengte van de kapel mag niet meer bedragen dan 6,5 m.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Ten aanzien van de maatvoering van bouwwerken, geen gebouw zijnde geldt de volgende bepaling:

  • a. de maximum hoogte mag niet meer bedragen dan 2 m.
3.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van:
    • 1. de aard, bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen;
    • 2. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  • b. De onder a. genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:
    • 1. op basis van een landschappelijk inrichtingsplan gericht op het behoud, de ontwikkeling en de versterking van de natuurlijke waarden en de landschappelijke waarden en
    • 2. indien dit noodzakelijk is voor het behoud, de ontwikkeling en de versterking van cultuurhistorische waarden of ter voorkoming van onevenredige aantasting van omliggende waarden of ter verbetering van de gebiedskwaliteit.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens
    • 1. voor zover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik of
    • 2. tijdelijk opslag van geoogste producten met een maximum van drie maanden.
  • b. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, waaronder tevens caravans ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers;
  • c. het gebruik van gronden voor detailhandel;
  • d. het gebruik van gronden voor niet-agrarische activiteiten op een agrarisch bedrijf, anders dan genoemd in artikel 3.1;
  • e. het gebruik van gronden voor het bewerken van agrarische producten van derden;
  • f. het gebruik van gronden voor containerteelt;
  • g. het gebruik ten behoeve van horecadoeleinden;
  • h. het uitoefenen van nevenactiviteiten;
  • i. het gebruik van hagelnetten;
  • j. de opslag van gevaarlijke stoffen;
  • k. de uitoefening van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf;
  • l. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.

Artikel 4 Bedrijventerrein - 1

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieu-categorieën 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 2 tot en met 3.2' en zoals opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten';
  • b. bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de tot milieu-categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 3.1 tot en met 4.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten';
  • c. risicovolle bedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - risicovolle bedrijven', met dien verstande dat aan- en afvoer van brandbare gassen en toxische stoffen in tankwagens of in tankcontainers over de N270 niet is toegestaan;
  • d. metaalverwerkingsbedrijven tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – metaalverwerkingsbedrijf';
  • e. gassenhandel tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - gassenhandel';
  • f. volumineuze detailhandel, ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus';
  • g. dienstverlening, ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening';
  • h. verkooppunt van motorbrandstoffen zonder lpg, ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen - zonder lpg';
  • i. rioolgemaal, ter plaatse van de aanduiding 'gemaal';
  • j. kantooractiviteiten ten dienste van en ondergeschikt aan de onder a tot en met h genoemde bedrijvigheid, met dien verstande dat per bedrijfsgebouw maximaal 1500m2 aan brutovloeroppervlakte ten dienste van deze kantooractiviteiten mag worden aangewend;
  • k. ondergeschikte detailhandel in goederen welke ter plaatse zijn vervaardigd of ter plaatse een essentiële bewerking hebben ondergaan, zulks met uitzondering van de detailhandel in voedingsmiddelen;
  • l. voorzieningen van openbaar nut;
  • m. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • n. erven en groenvoorzieningen;
  • o. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • p. voorzieningen ten behoeve van laden en lossen
  • q. parkeervoorzieningen;
  • r. wegen voor langzaam verkeer;
  • s. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • t. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op de voor 'Bedrijventerrein - 1' aangewezen gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat:

  • a. gebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd;
  • b. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
4.2.2 Gebouwen

Ten aanzien van de situering en maatvoering van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afstand van nieuwe gebouwen en van uitbreidingen van bestaande gebouwen tot de bouwperceelsgrenzen bedraagt, met uitzondering van de op de openbare weg georiënteerde bouwperceelsgrens 5 m;
  • b. de afstand tussen nieuwe gebouwen onderling en de afstand tussen nieuwe gebouwen of uitbreidingen van bestaande gebouwen ten opzichte van bestaande gebouwen, indien niet aaneengebouwd, bedraagt minimaal 5 m.
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
4.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Ten aanzien van de situering en maatvoering van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van (portaal-)kranen bedraagt maximaal 20 m;
  • b. de hoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf bedraagt maximaal 5 m;
  • c. de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
  • d. de hoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 3 m;
  • e. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde bedraagt maximaal 16 m.
4.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • b. De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld, indien dit noodzakelijk is in verband met:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeers-, sociale en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
    • 3. de milieusituatie of;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 4.2.2 onder a voor het oprichten van een zijgevel op een afstand kleiner dan 5 m van de zijdelingse bouwperceelgrens, mits:
    • 1. de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft;
  • b. artikel 4.2.2 onder b voor het toestaan van een kleinere afstand dan 5 m tussen gebouwen, mits:
    • 1. de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft;
  • c. artikel 4.2.2 onder c voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen tot 20 m ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - afwijking bouwhoogte', mits het gebouw landschappelijk en stedenbouwkundig wordt ingepast;
  • d. artikel 4.2.2 onder c voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen tot 15 m anders dan bedoeld onder c;
  • e. artikel 4.2.3 onder b voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen tot 10 m;
  • f. artikel 4.2.3 onder d voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van erfafscheidingen tot 4 m;
  • g. artikel 4.2.3 onder e voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van deze bouwwerken tot 20 m;

mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Specifieke gebruiksverboden

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. detailhandel, met uitzondering van het gestelde onder 4.1 onder k, en volumineuze detailhandel, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel volumineus';
  • b. het gebruik van gronden (anders dan in bouwwerken) ten behoeve van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten;
  • c. permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen;
  • d. reclamezuilen en andere reclame-uitingen anders dan ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf;
  • e. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
4.5.2 Uitzondering op specifiek gebruiksverbod

Het in artikel 4.5.1 onder b vervatte verbod is niet van toepassing op opslag ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf in de vorm van:

  • a. containers tot een hoogte van maximaal 3 m;
  • b. mobiele kranen tot een hoogte van maximaal 20 m;
  • c. overige opslag tot een hoogte van maximaal 6 m.
4.5.3 Uitsterfregeling

In afwijking van het gestelde onder artikel 4.5.1 onder c is permanente bewoning ter plaatse van de aanduiding 'wonen' toegestaan. Indien deze permanente bewoning ter plaatse van de aanduiding 'wonen' voor een periode van meer dan één jaar wordt gestaakt, mag deze permanente bewoning niet worden hervat.

4.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 4.1 onder a voor het toestaan van een bedrijf in de milieu-categorie 2, 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' , mits de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • b. artikel 4.1 onder b voor het toestaan van een bedrijf in de milieu-categorie 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1 of 5.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' , mits de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • c. artikel 4.1 onder c voor het toestaan van andere risicovolle bedrijven dan genoemd in artikel 4.1 onder c, mits:
    • 1. er een integrale verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot het bedrijf inclusief het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 plaatsvindt;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de aan- en afvoer van brandbare gassen in tankwagens of in tankcontainers niet over de N270 plaatsvindt;
    • 4. deze bedrijven uitsluitend worden toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – risicovolle bedrijven'.
  • d. artikel 4.5.1 onder b voor het toestaan van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf tot een hoogte van maximaal 10 m voor overige opslag, mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

Artikel 5 Bedrijventerrein - 2

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. havengebonden en havengerelateerde bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieu-categorieën 2, 3.1 en 3.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 2 tot en met 3.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten';
  • b. havengebonden en havengerelateerde bedrijven, opslagen en installaties behorende tot de milieu-categorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - van categorie 3.1 tot en met 4.2' en zoals opgenomen in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten';
  • c. havengebonden en havengerelateerde risicovolle bedrijven, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - risicovolle bedrijven', met dien verstande dat aan- en afvoer van brandbare gassen en toxische stoffen in tankwagens of in tankcontainers over de N270 niet is toegestaan;
  • d. metaalverwerkingsbedrijven tot en met milieu-categorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – metaalverwerkingsbedrijf';
  • e. mengvoederbedrijven tot en met milieucategorie 4.1, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – mengvoederbedrijf';
  • f. betonwarenfabriek tot en met milieucategorie 5.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - betonwarenfabriek';
  • g. bouw- en grondstoffenbedrijf tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bouw- en grondstoffenbedrijf';
  • h. betonmortelcentrale tot en met milieucategorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - betonmortelcentrale';
  • i. dekaardeproductiebedrijf tot en met milieucategorie 4.1 met dien verstande dat het bouwperceel maximaal 4 ha bedraagt;
  • j. kantooractiviteiten ten dienste van en ondergeschikt aan de onder a tot en met h genoemde bedrijvigheid, met dien verstande dat per bedrijfsgebouw maximaal 1500 m2 aan brutovloeroppervlakte ten dienste van deze kantooractiviteiten mag worden aangewend;
  • k. ondergeschikte detailhandel in goederen welke ter plaatse zijn vervaardigd of ter plaatse een essentiële bewerking hebben ondergaan, zulks met uitzondering van de detailhandel in voedingsmiddelen;
  • l. voorzieningen van openbaar nut;
  • m. ecologische voorzieningen;
  • n. ondergrondse verankering van waterkeringen;

met de daarbij behorende:

  • o. erven en groenvoorzieningen;
  • p. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • q. voorzieningen ten behoeve van laden en lossen
  • r. parkeervoorzieningen;
  • s. wegen voor langzaam verkeer;
  • t. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • u. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
5.2 Bouwregels
5.2.1 Algemeen

Op de voor 'Bedrijventerrein - 2' aangewezen gronden mogen alleen bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met dien verstande dat:

  • a. gebouwen binnen het bouwvlak dienen te worden gebouwd;
  • b. het bebouwde oppervlak van het bouwperceel mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' is aangegeven.
5.2.2 Gebouwen

Ten aanzien van de situering en maatvoering van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de afstand van nieuwe gebouwen en van uitbreidingen van bestaande gebouwen tot de bouwperceelsgrenzen bedraagt, met uitzondering van de op de openbare weg georiënteerde bouwperceelsgrens 5 m;
  • b. de afstand tussen nieuwe gebouwen onderling en de afstand tussen nieuwe gebouwen of uitbreidingen van bestaande gebouwen ten opzichte van bestaande gebouwen, indien niet aaneen gebouwd, bedraagt minimaal 5 m.
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven.
5.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Ten aanzien van de situering en maatvoering van bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende bepalingen:

  • a. de hoogte van (portaal-)kranen bedraagt maximaal 45 m;
  • b. de hoogte van silo's bedraagt maximaal 32 m;
  • c. de hoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf bedraagt maximaal 5 m;
  • d. de hoogte van lichtmasten bedraagt maximaal 8 m;
  • e. de hoogte van erfafscheidingen bedraagt maximaal 3 m;
  • f. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 16 m.
5.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
  • b. De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld, indien dit noodzakelijk is in verband met:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeers-, sociale en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
    • 3. de milieusituatie of;
    • 4. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
5.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 5.2.2 onder a voor het oprichten van een zijgevel op een afstand kleiner dan 5 m van de zijdelingse bouwperceelgrens, mits:
    • 1. de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft;
  • b. artikel 5.2.2 onder b voor het toestaan van een kleinere afstand dan 5 m tussen gebouwen, mits:
    • 1. de bebouwing stedenbouwkundig wordt ingepast;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de bereikbaarheid voor nood- en hulpdiensten verzekerd blijft;
  • c. artikel 5.2.3 onder c voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van reclamezuilen en andere reclame-uitingen tot 10 m;
  • d. artikel 5.2.3 onder e voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van erfafscheidingen tot 4 m;
  • e. artikel 5.2.3 onder f voor een verhoging van de maximaal toegestane bouwhoogte van deze bouwwerken tot 20 m;

mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Specifieke gebruiksverboden

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouw zijnde voor:

  • a. detailhandel, met uitzondering van het gestelde onder 5.1 onder k;
  • b. het gebruik van gronden (anders dan in bouwwerken) ten behoeve van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten;
  • c. permanente of tijdelijke bewoning van gebouwen;
  • d. reclamezuilen en andere reclame-uitingen anders dan ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf;
  • e. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
5.5.2 Uitzondering op specifiek gebruiksverbod

Het in artikel 5.5.1 onder b vervatte verbod is niet van toepassing op opslag ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf in de vorm van:

  • a. containers tot een hoogte van maximaal 15 m ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - containeropslag';
  • b. containers anders dan bedoeld onder a tot een hoogte van maximaal 9 m;
  • c. mobiele kranen tot een hoogte van maximaal 45 m;
  • d. zand en grind tot een hoogte van maximaal 8 m;
  • e. betonelementen tot een hoogte van maximaal 10 m voor betonelementen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – betonwarenfabriek';
  • f. overige opslag tot een hoogte van maximaal 6 m.
5.6 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 5.1 onder a voor het toestaan van een bedrijf in de milieu-categorie 2, 3.1, 3.2, 4.1 of 4.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten', mits de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'staat van bedrijfsactiviteiten' dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • b. artikel 5.1 onder b voor het toestaan van een bedrijf in de milieu-categorie 3.1, 3.2, 4.1, 4.2, 5.1 of 5.2 dat al dan niet voorkomt op de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' , mits de aard en de omvang van de milieuhinder die dit bedrijf veroorzaakt gelijk kan worden gesteld met een bedrijf als genoemd in de 'staat van bedrijfsactiviteiten' dat conform de bepalingen van dit plan ter plaatse wel is toegestaan;
  • c. artikel 5.1 onder c voor het toestaan van andere havengebonden en havengerelateerde risicovolle bedrijven dan genoemd in artikel 5.1 onder c, mits:
    • 1. er een integrale verantwoording van het groepsrisico met betrekking tot het bedrijf inclusief het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 plaatsvindt;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de veiligheidsregio;
    • 3. de aan- en afvoer van brandbare gassen in tankwagens of in tankcontainers niet over de N270 plaatsvindt;
    • 4. deze bedrijven uitsluitend worden toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – risicovolle bedrijven;
  • d. artikel 5.5 onder b voor het toestaan van een opslag- of stortplaats van voorwerpen, stoffen en producten ten dienste van het op het bouwperceel aanwezige bedrijf:
    • 1. tot een hoogte van maximaal 18 m voor containers ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - containeropslag', mits de containeropslag landschappelijk en stedenbouwkundig wordt ingepast;
    • 2. tot een hoogte van maximaal 12 m voor containers anders dan bedoeld onder 1;
    • 3. tot een hoogte van maximaal 10 m voor overige opslag;

mits er geen afbreuk wordt gedaan aan het ter plaatse heersende of gewenste stedenbouwkundig beeld en er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de met naburige gronden en de daarop aanwezige opstallen verbonden belangen.

5.7 Wijzigingsbevoegdheid
5.7.1 Verkeer

Het bevoegd gezag kan de bestemming 'Bedrijventerrein - 2' naar de bestemming 'Verkeer' wijzigen mits:

  • a. de noodzaak voor de bestemmingswijziging vanuit verkeerskundig oogpunt voldoende is aangetoond;
  • b. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen ten aanzien van de bestemmingswijziging;
  • c. door de wijziging van de bestemming de belangen van derden (waaronder begrepen de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven in de omgeving) niet onevenredig worden belemmerd;
  • d. de regels van de bestemming 'Verkeer' onverkort van toepassing zijn.
5.7.2 Containeropslag

Het bevoegd gezag kan de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - containeropslag' van de verbeelding verwijderen, als containersopslag als bedoeld in artikel 5.5.2 onder a voor de huidige of toekomstige bedrijfsvoering van het ter plaatse gevestigde bedrijf niet langer noodzakelijk is.

Artikel 6 Gemengd - Kasteelterrein

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd - Kasteelterrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de instandhouding, het behoud en/of het herstel van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden, waaronder de ter plaatse bestaande cultuurhistorische en oudheidkundig waardevolle elementen (monumenten) en de patronen (parkstructuren, beplantingspatronen, waterpartijen, verkavelingen, wegenpatronen, het stedenbouwkundig beeld);
  • b. dagrecreatief medegebruik 1;
  • c. dagrecreatief medegebruik 2;
  • d. een terrein voor een schutterij, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie – schutterij';
  • e. parkeervoorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';
  • f. waterstaatkundige werken;
  • g. weiland;
  • h. voorzieningen van openbaar nut;
  • i. ecologische voorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • j. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • k. verkeersvoorzieningen;
  • l. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen

Ten aanzien van de situering en maatvoering van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het oppervlak van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding “maximum bebouwd oppervlak (m2)” is aangegeven;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • d. er moet een relatie zijn met historische bouwplaatsen, of moet passen binnen een nieuw ontwerp van het kasteelterrein;
  • e. de maatvoering en het aantal van de gebouwen moet afgestemd zijn op de historische situatie of het nieuwe ontwerp.
6.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde
  • a. Op de voor 'Gemengd - Kasteelterrein' aangewezen gronden mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, ten behoeve van het beheer, onderhoud, visualisatie, herstel en exploitatie van het kasteel en bijbehorend kasteelterrein, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen maximaal 2 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 5 m bedraagt;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - schutterij' kogelvangers en lichtmasten toegestaan. De bouwhoogte bedraagt voor:
    • 1. kogelvangers maximaal 25 m;
    • 2. lichtmasten maximaal 18 m.
6.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van:
    • 1. de situering, de oppervlakte, de hoogte van bebouwing;
    • 2. de aard, de bouwhoogte en de situering van erfafscheidingen;
    • 3. voorzieningen ter voorkoming van hemelwaterproblematiek in verband met nieuwe bebouwing;
  • b. De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld:
    • 1. op basis van een landschappelijk inrichtingsplan gericht op het behoud, de ontwikkeling en de versterking van de natuurlijke waarden en de landschappelijke waarden en
    • 2. indien dit noodzakelijk is voor het behoud, de ontwikkeling en de versterking van cultuurhistorische waarden of ter voorkoming van onevenredige aantasting van omliggende waarden of in het belang van de sociale veiligheid of de verkeersveiligheid of ter verbetering van de gebiedskwaliteit.
6.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, anders dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden;
  • b. het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;
  • c. elke vorm van detailhandel, behalve onderschikte detailhandel ten behoeve van dagrecreatief medegebruik 1 en dagrecreatief medegebruik 2;
  • d. evenementen;
  • e. het gebruik van bestaande opstallen voor opslagdoeleinden;
  • f. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
6.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van artikel 6.4 onder d ten behoeve van evenementen ter ondersteuning van de op het terrein voorkomende functies.

6.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.6.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te (doen) voeren of te laten voeren:

  • a. het aanbrengen van veranderingen in het aanwezige inrichtingspatroon, anders dan voor het herstellen van de oorspronkelijke parkstructuur;
  • b. het rooien van bomen, bosschages, houtwallen en singels;
  • c. het verwijderen van een of meer bodemlagen;
  • d. het opbrengen van grond op de bestaande toplaag;
  • e. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel met een diepte van meer dan 0,5 m (diepploegen- en woelen);
  • f. het geheel of gedeeltelijk dempen/graven en/of verbreden van waterpartijen;
  • g. het aanbrengen van een aaneengesloten verharding ter grootte van meer dan 200 m2.
6.6.2 Uitzonderingen

Het in artikel 6.6.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. die het normale onderhoud betreffen;
  • b. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut;
  • d. voor de aanleg van waterstaatkundige werken.
6.6.3 Verlening omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor het uitvoeren van de in artikel 6.6.1 genoemde werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden kan door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning worden verleend, mits de in artikel 6.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad of de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en doeleinden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind. Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied.

Artikel 7 Natuur

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bos- en natuurgebied;
  • b. het behoud, ontwikkeling en versterking van natuurlijke, cultuurhistorische, landschappelijke waarden;
  • c. water;
  • d. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. hoogwatervluchtplaatsen, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waterstaat - hoogwatervluchtplaats niet toegestaan';
  • f. visvijver, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - visvijver';
  • g. drempel, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - drempel';
  • h. agrarisch medegebruik in de vorm van grasland, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - grasland';
  • i. dagrecreatief medegebruik 1;
  • j. voorzieningen van openbaar nut;
  • k. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • l. wegen voor langzaam verkeer;
  • m. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • n. halfverharde en onverharde wegen;
  • o. verkeersvoorzieningen;
  • p. ondergeschikte parkeervoorzieningen;
  • q. waterstaatkundige werken;
  • r. steigers;
  • s. bruggen.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Algemeen

Op de voor 'Natuur' aangewezen gronden mogen uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouw zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd:

  • a. ondersteunende recreatieve voorzieningen;
  • b. waterstaatkundige werken;
  • c. bruggen;
  • d. voorzieningen voor het beheer en onderhoud van waterlopen;
  • e. ondergeschikte bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

met dien verstande dat de maximum hoogte niet meer bedraagt dan 4 m.

7.2.2 Gebouwen visvijver

In afwijking van het bepaalde in 7.2.1 zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - visvijver' gebouwen toegestaan met dien verstande dat:

  • a. de totale oppervlakte van gebouwen niet meer bedraagt dan 25 m2;
  • b. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
7.2.3 Steigers

Voor het bouwen van steigers gelden de volgende regels:

  • a. de lengte van de steiger bedraagt maximaal 2 m;
  • b. de breedte van de steiger bedraagt maximaal 0,8 m;
  • c. er moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder;
  • d. de steiger dient 'onderloops' te zijn, hetgeen betekent, dat het water onder de steiger en het plankier vrije doorloop moet hebben.
7.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.1 ten behoeve van de oprichting van uitkijkposten en daarmee naar aard en doel vergelijkbare bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een maximum hoogte van 15 m en een maximum oppervlakte van 10 m2, mits de natuurlijke waarden niet onevenredig worden geschaad of de mogelijkheden voor herstel van de natuurlijke waarden niet onevenredig worden verkleind.

7.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. aanleg en beheer van hoogwaterveiligheidsmaatregelen die tezamen een waterstandsdaling van minder dan 35 cm en/of een waterstandsdaling van meer dan 37 cm behalen gemeten in de as van de Maas bij rivierkilometer (rkm) 123 bij een afvoer van 3.275 m3/sec, stationair berekend;
  • b. het niet gelijktijdig met de hoogwatergeulen zoals bedoeld in lid 26.9 en lid 26.10, aanleggen van de drempels binnen de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - drempel';
  • c. het gebruik van de gronden voor agrarische doeleinden, anders dan ter ondersteuning en het beheer van de in het gebied voorkomende en/of te ontwikkelen waarden en anders dan agrarisch medegebruik in de vorm van grasland ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - grasland';
  • d. het storten, aanbrengen of toepassen van (mest)stoffen die niet noodzakelijk zijn ter verbetering of instandhouding van de kenmerkende vegetatie en flora;
  • e. elke vorm van detailhandel;
  • f. het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie;
  • g. lawaaisporten;
  • h. het aanbrengen van een aaneengesloten verharding ter grootte van meer dan 200 m2;
  • i. het gebruik van bestaande opstallen voor opslagdoeleinden.
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.5.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de navolgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag;
  • c. de oorspronkelijke toplaag verwijderen en/of grond van elders aanvoeren;
  • d. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 0,5 m ten behoeve van agrarisch gebruik;
  • e. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten, greppels en/of poelen;
  • k. het verwijderen van bomen en/of struiken;
  • l. het aanplanten van gewassen of jonge bomen;
  • m. het aanbrengen van een aaneengesloten verharding van meer dan 200 m2.
7.5.2 Uitzonderingen

Het in artikel 7.5.1 bepaalde is niet van toepassing op:

  • a. werken en werkzaamheden welke van ondergeschikte betekenis zijn;
  • b. werken en werkzaamheden welke normale onderhoudswerkzaamheden betreffen;
  • c. werken en werkzaamheden welke worden uitgevoerd in het kader van het op de bestemming gerichte normale beheer en gebruik van de grond;
  • d. werken en werkzaamheden welke gericht zijn op verwezenlijking van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen, van het Natuurcompensatie- en landschapsplan en van wegen voor langzaam verkeer.
7.5.3 Verlening omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor het uitvoeren van de in artikel 7.5.1 genoemde werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden kan door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning worden verleend, mits de in artikel 7.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad of de mogelijkheden voor herstel van deze waarden en doeleinden niet onevenredig (kunnen) worden verkleind. Aan de vergunning kunnen voorwaarden worden verbonden ter bescherming van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het gebied.

Artikel 8 Recreatie

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een terrein voor recreatiewoningen en groepsaccommodaties, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatiewoning';
  • b. dagrecreatief medegebruik 1;
  • c. voorzieningen van openbaar nut;
  • d. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • e. wegen voor langzaam verkeer;
  • f. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • g. verkeersvoorzieningen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. ondersteunende recreatieve voorzieningen;
  • l. tuinen en erven;
  • m. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Algemeen

Op de voor 'Recreatie' aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

8.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; met uitzondering van erf- en terreinafscheidingen, welke binnen het gehele bestemmingsvlak zijn toegestaan;
  • b. het oppervlak van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak (m2)' is aangegeven;
  • c. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is aangegeven;
  • d. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m)' is aangegeven;
  • e. het aantal recreatiewoningen en groepsaccommodaties mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal recreatiewoningen' is aangegeven;
  • f. het oppervlak van een recreatiewoning bedraagt maximaal 100 m2;
  • g. het oppervlak van een groepsaccommodatie bedraagt maximaal 300 m2;
  • h. het oppervlak van alle groepsaccommodaties samen bedraagt maximaal 1000 m2;
  • i. gebouwen mogen niet voor de voorgevelrooilijn gebouwd worden, met uitzondering van bouwwerken geen gebouwen zijnde;
  • j. de afstand tot de niet naar de weg gekeerde bouwperceelsgrens bedraagt minimaal 5 m;
  • k. de afstand tot de bestemming 'Verkeer' bedraagt minimaal 10 m;
8.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van overkappingen welke uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m, met uitzondering van:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen, die maximaal 2 m mogen zijn;
    • 2. lichtmasten, die maximaal 8 m hoog mogen zijn;
    • 3. antenne-installaties, die maximaal 12 m hoog mogen zijn;
    • 4. vlaggenmasten, die maximaal 10 m hoog mogen zijn.
8.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van:
    • 1. de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. de situering en de afmetingen van bouwpercelen.
  • b. De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld, indien dit noodzakelijk is in verband met:
    • 1. de bedrijfs- en woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeers-, sociale en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
    • 4. de milieusituatie of
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
8.4 Afwijken van de bouwregels
8.4.1 Groepsaccommodaties

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.2 onder h voor het toestaan van meer dan 1000 m2 aan groepsaccommodaties, met dien verstande dat de natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig worden aangetast.

8.4.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.2.3 met dien verstande dat:

  • a. de bouwwerken qua aard en omvang passen in de omgeving en de daarin voorkomende functies;
  • b. de bouwwerken gepaard moeten gaan met verbetering van de gebiedskwaliteit en uit een landschappelijk inrichtingsplan blijkt dat de nieuwe bebouwing wordt ingepast;
  • c. de natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig mogen worden aangetast en
  • d. voldaan wordt aan het bepaalde in Artikel 27 onder c en d.
8.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. permanente bewoning van recreatiewoningen en groepsaccommodaties;
  • b. het gebruik voor huisvesting van tijdelijke werknemers;
  • c. een bedrijf aan huis;
  • d. een beroep aan huis;
  • e. nevenactiviteiten;
  • f. het gebruik of het laten gebruiken van gronden en/of gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
8.6 Afwijken van de gebruiksregels
8.6.1 Algemeen

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.5 en de in artikel 8.5 onder a tot en met e genoemde activiteiten toestaan, met dien verstande dat:

  • a. de activiteiten qua aard en omvang passen in de omgeving en de daarin voorkomende functies;
  • b. de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;
  • c. de activiteiten gepaard moeten gaan met verbetering van de gebiedskwaliteit en uit een landschappelijk inrichtingsplan blijkt dat de activiteiten worden ingepast;
  • d. de natuurlijke en landschappelijke waarden niet onevenredig mogen worden aangetast;
  • e. er sprake is van een gelijke of verminderde milieukundige en ruimtelijke impact bij verandering van de bedrijfsfunctie;
  • f. er sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid.

Artikel 9 Recreatie - Jachthaven

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Jachthaven' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water;
  • b. een jachthaven;
  • c. horeca die is opgenomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende 'Staat van Horeca activiteiten' en ondergeschikte detailhandel, ter plaatse van de aanduiding 'horeca'.
  • d. goederenstalling en opslag ten dienste van een jachthaven;
  • e. steigers, ter plaatse van de aanduiding 'steiger';
  • f. voorzieningen van openbaar nut;

met de daarbij behorende:

  • g. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • h. verkeersvoorzieningen;
  • i. parkeervoorzieningen;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Algemeen

Op de voor 'Recreatie - Jachthaven' aangewezen gronden mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

9.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bouwperceel mag worden bebouwd tot maximaal het door middel van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)' aangeduide bebouwingspercentage;
  • c. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte (m)‘ is aangegeven;
  • d. gebouwen dienen te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0° en ten hoogste 65° bedraagt.
9.2.3 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd, met uitzondering van overkappingen welke uitsluitend binnen het bouwvlak mogen worden gebouwd;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 m, met uitzondering van:
    • 1. erfafscheidingen, die voor de voorgevelrooilijn van enig (hoofd)gebouw maximaal 1 m mogen zijn en achter de voorgevelrooilijn van enig (hoofd)gebouw maximaal 2 m mogen zijn;
    • 2. lichtmasten, die maximaal 8 m hoog mogen zijn;
    • 3. antenne-installaties, die maximaal 12 m hoog mogen zijn;
    • 4. vlaggenmasten, die maximaal 10 m hoog mogen zijn.
9.2.4 Steigers

Voor het bouwen van steigers gelden de volgende regels:

  • a. er moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder;
  • b. de steiger dient 'onderloops' te zijn, hetgeen betekent, dat het water onder de steiger en het plankier vrije doorloop moet hebben.
9.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van:
    • 1. de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. de situering en de afmetingen van bouwpercelen.
  • b. De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld, indien dit noodzakelijk is in verband met:
    • 1. de bedrijfs- en woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeers-, sociale en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
    • 4. de milieusituatie of
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
9.4 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het plan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. permanente of tijdelijke bewoning van bebouwing;
  • b. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn;
  • c. opslag van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • d. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover dat noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • e. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie;

Artikel 10 Verkeer

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen met maximaal twee rijstroken;
  • b. wegen voor langzaam verkeer;
  • c. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • d. kapel, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk – kapel';
  • e. verblijfsgebied;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. voorzieningen van openbaar nut;
  • i. geluidwerende voorzieningen;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. waterlopen;
  • l. ecologische voorzieningen;
  • m. verkeersvoorzieningen;
  • n. ondergrondse verankering van waterkeringen;

met de daarbij behorende:

  • o. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
10.2 Bouwregels

Op de voor 'Verkeer' aangewezen gronden mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat

  • a. de maximum bouwhoogte van de brug, ter plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 1', niet meer bedraagt dan 18,75 m;
  • b. de minimum bouwhoogte ter plaatse van het hoogste punt aan de onderkant van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 1', ten minste 16,75 m bedraagt;
  • c. de maximum bouwhoogte van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 2', niet meer bedraagt dan 26,00 m;
  • d. de minimum bouwhoogte ter plaatse van het hoogste punt aan de onderkant van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 2', ten minste 22,05 m bedraagt;
  • e. de maximum bouwhoogte van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 3' dan 19,00 m;
  • f. de minimum bouwhoogte ter plaatse van het hoogste punt aan de onderkant van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 3' ten minste 16,80 m bedraagt;
  • g. de maximum bouwhoogte van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' dan 19,00 m;
  • h. de minimum bouwhoogte ter plaatse van het hoogste punt aan de onderkant van de brug, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' ten minste 16,30 m bedraagt;
  • i. de maximum hoogte van viaducten en ecologische voorzieningen niet meer bedraagt dan 8 m;
  • j. de maximum hoogte van verkeersvoorzieningen niet meer bedraagt dan 12 m;
  • k. de maximum hoogte van geluidwerende voorzieningen niet meer bedraagt dan 8 m;
  • l. de maximum hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedraagt dan 4 m.
10.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. het gebruik van de gronden of opstallen ten behoeve van motorbrandstofverkooppunten;
  • b. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.

Artikel 11 Water - 1

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. overslag;
  • d. voorzieningen van openbaar nut;
  • e. verkeersvoorzieningen;
  • f. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • g. kades;
  • h. aanmeerpalen.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Aanmeerpalen

Voor het bouwen van aanmeerpalen gelden de volgende regels:

  • a. er moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder;
  • b. de hoogte van de aanmeerpaal bedraagt maximaal 7 m.
11.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het aanleggen, aanmeren of als ligplaats innemen van woonschepen;
  • b. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, en opstallen als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voertuigen, goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond en opstallen.

Artikel 12 Water - 2

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. water;
  • b. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • c. voorzieningen van openbaar nut;
  • d. ecologische voorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • e. steigers;
  • f. oeververbindingen;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
12.2 bouwregels
12.2.1 Algemeen

Op de voor 'Water - 2' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd, met een maximum bouwhoogte van 4 m.

12.2.2 Steigers

Voor het bouwen van steigers gelden de volgende regels:

  • a. de lengte van de steiger bedraagt maximaal 2 m;
  • b. de breedte van de steiger bedraagt maximaal 0,8 m;
  • c. er moet vooraf schriftelijk advies worden ingewonnen bij de waterbeheerder;
  • d. de steiger dient 'onderloops' te zijn, hetgeen betekent, dat het water onder de steiger en het plankier vrije doorloop moet hebben.
12.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor:

  • a. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het aanleggen, aanmeren of als ligplaats innemen van woonschepen;
  • b. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, voor het opslaan, storten of bergen van materialen, producten en mest, behoudens voorzover zulks noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond;
  • c. gebruik van de grond, daaronder mede begrepen wateren, als opslag-, stort- en/of lozingsplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voertuigen, goederen, grond, stoffen en materialen, behoudens voorzover dat noodzakelijk is voor het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.

Artikel 13 Wonen

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. beroepen aan huis;
  • c. voorzieningen van openbaar nut;

met de daarbij behorende:

  • d. ontsluitingswegen en calamiteitenwegen;
  • e. verkeersvoorzieningen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. waterlopen;
  • h. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • i. tuinen en erven;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Algemeen

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen alleen hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken, en daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande dat ten minste 50% van het achtererf onbebouwd en onoverdekt blijft.

13.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het maximum aantal woningen mag per bouwvlak niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • c. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte‘ is aangegeven.
  • d. elk hoofdgebouw dient te worden afgedekt met een dak, waarvan de dakhelling ten minste 0° en ten hoogste 65° bedraagt;
  • e. de voorgevel van een hoofdgebouw dient in of ten hoogste 3 m achter de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd.
  • f. de voorgevelbreedte per hoofdgebouw mag maximaal 12 m bedragen;
  • g. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt minimaal 3 m aan beide zijden.
13.2.3 Bijbehorende bouwwerken

Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend op het achtererf worden gebouwd, met dien verstande dat bij vrijstaande woningen aan één zijde minimaal 7 m aan opstelruimte ten behoeve van parkeren vrij blijft;
  • b. tegen de achtergevel van het hoofdgebouw mag/mogen (een) bijbehorende bouwwerk(en) worden gebouwd over de volledige breedte van die achtergevel, met een diepte van maximaal 4 m. De oppervlakte hiervan telt niet mee bij de berekening van de oppervlakte als bedoeld onder c;
  • c. bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 50 m². De oppervlakte van carports blijft bij de berekening van die oppervlakte buiten beschouwing;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld onder c mag worden verhoogd tot maximaal 70 m2, mits het achtererf, ook na de bouw van bijgebouwen als bedoeld onder b en carports, voor niet meer dan 50% wordt bebouwd;
  • e. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet hoger zijn dan:
    • 1. voor aangebouwde bijbehorende bouwwerken: 0,3 m boven de vloer van de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, of –als het hoofdgebouw geen tweede bouwlaag heeft- even hoog als het hoofdgebouw met een maximum van 3 m;
    • 2. voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken 3 m.
  • f. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 5 m bedragen;
  • g. bijbehorende bouwwerken dienen met de dichtstbijzijnde gevel binnen een afstand van 15 m van de achter- en/of zijgevels van de woning te worden gebouwd.
  • h. in afwijking van het bepaalde onder a mogen worden gebouwd:
    • 1. bijbehorende bouwwerken in hoeksituaties op het naar openbaar gebied gekeerde zijerf, met dien verstande dat:
      • de totale bebouwde oppervlakte maximaal 30 m² mag bedragen;
      • slechts aan het hoofdgebouw aangebouwde bijgebouwen zijn toegestaan, met een breedte van maximaal 4 m;
    • 2. carports, zowel op het voorerf als het achtererf, met dien verstande dat:
      • de oppervlakte tot maximaal 20 m² mag bedragen;
      • de bouwhoogte maximaal 3 m mag bedragen;
      • de carport met minimaal één zijde of een deel daarvan tegen de zijgevel van het hoofdgebouw of tegen een voor- of zijgevel van een bijgebouw wordt gebouwd;
      • de carport maximaal 2,5 m voor de voorgevelrooilijn mag worden gebouwd;
    • 3. ondergeschikte bouwdelen op het voorerf, met dien verstande dat:
      • de diepte maximaal 1 m bedraagt;
      • de breedte maximaal 50% bedraagt van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw;
      • de hoogte maximaal 3 m bedraagt.
13.2.4 Bouwwerken geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen vóór de voorgevel maximaal 1 m mag bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen aan de zijgevel bij hoekwoningen voor de voorgevel maximaal 2 m bedragen, mits:
    • 1. de afstand tot de bestemming 'Verkeer' minimaal 0,5 m bedraagt;
    • 2. de afstand tot de voorgevel minimaal 3 m bedraagt;
    • 3. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 3 m.
13.3 Nadere eisen
  • a. Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen ten aanzien van:
    • 1. de situering en de afmetingen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
    • 2. de situering en de afmetingen van bouwpercelen.
  • b. De onder a genoemde nadere eisen mogen uitsluitend worden gesteld, indien dit noodzakelijk is in verband met:
    • 1. de bedrijfs- en woonsituatie;
    • 2. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 3. de verkeers-, sociale en brandveiligheid c.q. brand- en rampenbestrijding;
    • 4. de milieusituatie of
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
13.4 Specifieke gebruiksregels
13.4.1 Verboden gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het plan wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als:

  • a. opslag anders dan inherent aan het toegelaten gebruik;
  • b. de uitoefening van detailhandel, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt aan het beroep aan huis als bedoeld in artikel 13.1 onder b;
  • c. zelfstandige bewoning voor zover het vrijstaande bijgebouwen betreft;
  • d. woningsplitsing;
  • e. gebruik van gronden voor de voorgevelrooilijn voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit;
  • f. bedrijf aan huis;
  • g. recreatief (mede)gebruik;
  • h. een seksinrichting, een escortbedrijf en (straat)prostitutie.
13.4.2 Beroep aan huis

Een beroep aan huis is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. een beroep aan huis mag worden uitgeoefend in het hoofdgebouw en de bijbehorende bouwwerken;
  • b. de woonfunctie blijft in overwegende mate gehandhaafd en de verschijningsvorm als woning wordt niet aangetast;
  • c. maximaal 40 m2 van het vloeroppervlak van de woning inclusief de daarbij behorende bijgebouwen mag als zodanig worden gebruikt;
  • d. degene die de activiteiten uitvoert, is tevens de bewoner van de woning;
  • e. het gebruik mag geen (ernstige of onevenredige) hinder opleveren voor het woonmilieu en geen afbreuk doen aan het woonkarakter van de omgeving;
  • f. voldaan wordt aan het bepaalde in artikel 27 onder c en d;
  • g. er vindt geen detailhandel plaats, met uitzondering van beperkte detailhandel, ondergeschikt en in direct verband met het beroep aan huis.
13.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • a. artikel 13.4.1 onder f ten behoeve van een bedrijf aan huis, met dien verstande dat de voorwaarden zoals genoemd in artikel 13.4.2 onder a tot en met g in acht worden genomen;
  • b. artikel 13.4.2 onder c en een bed & breakfast toestaan onder de voorwaarden dat:
    • 1. de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin in overwegende mate wordt gehandhaafd;
    • 2. de voorzieningen in hun totaliteit niet groter zijn dan 100 m²;
    • 3. het woonmilieu niet onevenredig wordt aangetast;
    • 4. sprake is van een goede milieuhygiënische uitvoerbaarheid;
    • 5. de parkeerbalans en verkeersafwikkeling in de directe omgeving niet onevenredig worden benadeeld;
    • 6. detailhandel slechts plaatsvindt voor zover deze beperkt blijft tot verkoop in direct verband met de verblijfsrecreatieve voorziening.

Artikel 14 Leiding - Riool

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van ondergrondse rioolleidingen voor het transport van afvalstoffen, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

14.2 Bouwregels

Op de voor dubbelbestemming 'Leiding - Riool' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke noodzakelijk zijn voor de aanleg, het beheer en het onderhoud;
  • b. overige bebouwing is uitgesloten.
14.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14.2, met dien verstande dat:

  • a. de onderliggende enkelbestemming de bebouwing toelaat;
  • b. door de bouw of plaatsing of de aanwezigheid van een bouwwerk geen schade wordt of kan worden toegebracht aan de in 14.1 omschreven functie van de gronden;
  • c. alvorens het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verleent, de beheerder van de betrokken leidingen wordt gehoord.
14.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
14.4.1 Verbod

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het opbrengen van grond van elders op de bestaande toplaag;
  • c. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/of grond van elders;
  • d. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel met een diepte van minimaal 50 centimeter gemeten vanaf het oorspronkelijke maaiveld ten behoeve van agrarisch gebruik (diepploegen- en woelen);
  • e. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • f. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het verwijderen van bomen en/of struiken (solitairen of in de vorm van bos, houtsingels, houtwallen);
  • k. het planten van bomen en/of struiken;
  • l. het aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt;
  • m. het aanbrengen van een aaneengesloten verharding ter grootte van meer dan 200 m2.
14.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 14.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen.
  • b. beplanting betreft, die voorkomt op de beplantingslijst van de leidingbeheerder;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
  • d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden ;
  • e. worden uitgevoerd ten behoeve van de instandhouding van de leiding(en);
  • f. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming 'Verkeer', voor zover deze wegbermen niet aansluiten op gronden met de bestemming 'Natuur';
  • g. gericht zijn op verwezenlijking van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen en van het Natuurcompensatie- en landschapsplan.
14.4.3 Verlening omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Voor het uitvoeren van de in artikel 14.4.1 genoemde werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden, kan een omgevingsvergunning worden verleend. De vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden of door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de functie van de gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad. De beheerder van de leiding dient te zijn gehoord.

Artikel 15 Waarde - Archeologie - 1

15.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 1' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

15.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 1' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 250 m2 bedraagt; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 30 cm onder maaiveld bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

15.3 Afwijken van de bouwregels
15.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 15.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. tot het doen van opgravingen;
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
15.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
15.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
15.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 15.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m2 of niet dieper gaan 30 cm onder maaiveld;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
15.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 15.4.1 kan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

15.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 15.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

15.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 16 Waarde - Archeologie - 2

16.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 2' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

16.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 2' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 100 m2 bedraagt; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 30 cm onder maaiveld bedraagt, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1' meer dan 30 cm onder 14,5 m + NAP bedraagt, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' onder 12 m +NAP bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

16.3 Afwijken van de bouwregels
16.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 16.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden,
  • b. tot het doen van opgravingen,
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
16.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
16.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
16.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 16.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2 of niet dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1' niet dieper gaan dan 30 cm onder 14,5 m +NAP, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' niet dieper gaan dan 12 m +NAP;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
16.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 16.4.1 kkan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

16.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 16.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

16.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 17 Waarde - Archeologie - 3

17.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 3' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

17.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 3' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 500 m2; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 30 cm onder maaiveld bedraagt, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1' meer dan 30 cm onder 14,5 m + NAP bedraagt, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' onder 12 m +NAP bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

17.3 Afwijken van de bouwregels
17.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 17.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. tot het doen van opgravingen;
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
17.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
17.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
17.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 17.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m2 of niet dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1' niet dieper gaan dan 30 cm onder 14,5 m +NAP, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' niet dieper gaan dan 12 m +NAP;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
17.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 17.4.1 kan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

17.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 17.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

17.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 18 Waarde - Archeologie - 4

18.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 4' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

18.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 4' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 2.500 m2 bedraagt; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 30 cm onder maaiveld bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

18.3 Afwijken van de bouwregels
18.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 18.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. tot het doen van opgravingen;
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
18.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
18.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 18.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 250 m2 of niet dieper gaan 30 cm onder maaiveld;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
18.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 18.4.1 kan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

18.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 18.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

18.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 4' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 19 Waarde - Archeologie - 5

19.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 5' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

19.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 5' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 100 m2 bedraagt; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 50 cm onder maaiveld bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

19.3 Afwijken van de bouwregels
19.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 19.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. tot het doen van opgravingen;
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
19.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
19.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 19.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m2 of niet dieper gaan 50 cm onder maaiveld;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
19.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 19.4.1 kan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

19.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 19.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

19.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 5' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 20 Waarde - Archeologie - 6

20.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 6' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

20.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 6' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 500 m2; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 50 cm onder maaiveld bedraagt, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1' meer dan 50 cm onder 14,5 m +NAP bedraagt, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' onder 12 m +NAP bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

20.3 Afwijken van de bouwregels
20.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 20.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden,
  • b. tot het doen van opgravingen,
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
20.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 20.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m2 of niet dieper gaan dan 50 cm onder maaiveld, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1' niet dieper gaan dan 50 cm onder 14,5 m +NAP, dan wel ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' niet dieper gaan dan 12 m +NAP;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
20.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 20.4.1 kan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

20.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 20.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

20.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 6' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 21 Waarde - Archeologie - 7

21.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden op de verbeelding nader aangewezen voor 'Waarde - Archeologie - 7' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden in het gebied, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

21.2 Bouwregels

Op of in de als 'Waarde - Archeologie - 7' bestemde gronden gelden in het geval:

  • de oppervlakte van het (ondergrondse) bouwwerk meer dan 2500 m2 bedraagt; en
  • de ondergrondse bouwdiepte meer dan 50 cm onder maaiveld bedraagt;

de volgende bouwregels:

Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager een archeologisch onderzoek worden overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Wanneer uit dit onderzoek volgt dat archeologische waarden worden geschaad wordt de omgevingsvergunning voor het bouwen geweigerd.

21.3 Afwijken van de bouwregels
21.3.1 Algemeen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 21.2 indien naar het oordeel van het bevoegd gezag, mede gelet op het door de aanvrager overgelegde archeologisch onderzoek en voorwaarden, volgt dat er geen onevenredige aantasting van archeologische waarden plaatsvindt door de bouwactiviteiten.

Indien uit het archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning inhoudende een verplichting:

  • a. tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. tot het doen van opgravingen;
  • c. de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.
21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.4.1 Algemeen

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van de bovenste bodemlaag / bodemlagen;
  • b. het verwijderen van een of meer bodemlagen en het daarna weer opbrengen van grond, bestaand uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • c. het vermengen, keren van lagen in het bodemprofiel ten behoeve van agrarisch gebruik ;
  • d. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag c.q. het egaliseren van de toplaag;
  • e. het diep in de grond indrijven van heipalen of andere voorwerpen;
  • f. het aanbrengen van leidingen en daarna weer terugbrengen van de grond, bestaande uit de oorspronkelijke toplaag en/ of grond van elders;
  • g. het aanbrengen van drainagebuizen in de grond;
  • h. het bemalen van een of meerdere percelen, waaronder het aanbrengen van onderbemaling;
  • i. het aanleggen van sloten of greppels, verbreden en/of uitdiepen van bestaande sloten of greppels;
  • j. het dempen van sloten of greppels;
  • k. het verwijderen van gras en het vervolgens aanplanten van gewassen of jonge bomen ten behoeve van boomkwekerij of sierteelt.
21.4.2 Uitzonderingen

Het in artikel 21.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2500 m2 of niet dieper gaan 50 cm onder maaiveld;
  • c. het aanbrengen van leidingen in wegbermen binnen de bestemming verkeer, voor zover deze niet aansluit op de bestemming natuur.
21.4.3 Archeologische rapportage

Alvorens een vergunning als bedoeld in artikel 21.4.1 kan worden verleend, dient de aanvrager een archeologisch onderzoek te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

21.4.4 Afwegingskader

Een in artikel 21.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien door de werken en/of werkzaamheden dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen de archeologische waarden van deze gronden, zoals omschreven in de bestemmingsomschrijving van onderhavige bestemming, niet onevenredig (kunnen) worden geschaad.

21.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 7' van de verbeelding verwijderen, wanneer uit archeologische onderzoek volgt dat sprake is van een lage archeologische verwachtingswaarde, de waarden niet langer aanwezig zijn, of niet behoudenswaardig zijn.

Artikel 22 Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen, mede bestemd voor:

  • a. de bescherming en het behoud van het stroomvoerend vermogen van het rivierbed, waaronder het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden, van sediment en van ijs en het vergroten van de afvoercapaciteit van de rivier;
  • b. de waterhuishouding.
22.2 Bouwregels
  • a. Op of in de voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd.
  • b. Het bepaalde onder a geldt niet voor:
    • 1. bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot;
    • 2. herbouw van gesloopte of anderszins tenietgegane bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot.
22.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 22.2 onder a ten behoeve van het bouwen van bebouwing op basis van de onderliggende enkelbestemming, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming en het behoud van het stroomvoerend vermogen van het rivierbed;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat.
22.4 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de planregels wijzigingen inhoudende dat het bepaalde in artikel 22.2 en in artikel 22.3 komt te vervallen, indien deze bepalingen niet langer noodzakelijk zijn ter bescherming van het waterstaatkundig belang gerelateerd aan de bescherming en het behoud van het stroomvoerend vermogen van het rivierbed en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat.

Artikel 23 Waterstaat - Waterbergend rivierbed

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van het waterbergend rivierbed, waarbij artikel 31.1 in acht dient te worden genomen.

Artikel 24 Waterstaat - Waterkering

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), waarbij de artikelen 31.1 en 31.2.1 onder c in acht dienen te worden genomen, mede bestemd voor:

  • a. de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van waterkering;
  • b. voorzieningen ten behoeve van de waterkering;
  • c. wegen voor langzaam verkeer;
  • d. ontsluitingswegen ten behoeve van agrarische percelen en calamiteitenwegen;
  • e. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • f. kloosterpoortje ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kloosterpoortje'.
24.2 Bouwregels

Op of in de voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte van een harde waterkering niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte (m)' is aangegeven minus 20 cm;
  • b. de bouwhoogte van het kloosterpoortje niet meer mag bedragen dan 2 m.
24.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 24.2 voor het bouwen op basis van de onderliggende enkelbestemming, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de het waterschap.
24.4 Specifieke gebruiksregels

De hoogte van een groene waterkering mag niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte (m)' is aangegeven.

24.5 Wijzigingsbevoegdheid
24.5.1 Wijzigen bouwregels

Het bevoegd gezag kan de planregels wijzigen inhoudende dat de bouwregels zodanig worden aangepast dat het woord 'uitsluitend' wordt geschrapt uit artikel 24.2 en het bepaalde in 24.3 komt te vervallen, indien deze bepalingen niet langer noodzakelijk zijn ter bescherming van het waterstaatkundig belang gerelateerd aan de waterkering en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap.

24.5.2 Verwijderen dubbelbestemming

Het bevoegd gezag kan de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' geheel of ten dele van de verbeelding verwijderen, indien:

  • a. de dubbelbestemming niet langer noodzakelijk is ter bescherming van de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van de waterkering en de voorzieningen ten behoeve van de waterkering;
  • b. ter plaatse van de verwijderde dubbelbestemming de aanduiding 'vrijwaringszone – dijk' wordt opgenomen en aldaar de regels van artikel 26.3 onverkort van toepassing worden verklaard;
  • c. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 25 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 26 Algemene aanduidingsregels

26.1 geluidzone - industrie

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - industrie' is het niet toegestaan om geluidsgevoelige objecten op te richten, behoudens na verlening van een omgevingsvergunning met inachtneming van de Wet geluidhinder.

26.2 veiligheidheidszone - bevi
26.2.1 Aanduidingsomschrijving
  • a. Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi' is de bouw of vestiging van nieuwe kwetsbare objecten niet toegestaan;
  • b. Het plaatsgebonden risico van een binnen de aanduiding 'veiligheidszone -bevi' gelegen risicovol bedrijf mag de waarde van 10-6 per jaar op de grens van die aanduiding niet overschrijden.
26.3 vrijwaringszone - dijk
26.3.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen.

26.3.2 Bouwregels
  • a. Op deze gronden mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht.
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op de herbouw van gesloopte of anderszins tenietgegane bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – kade'.
26.3.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.3.2 onder a voor het bouwen op basis van de onderliggende enkelbestemming, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap.
26.3.4 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de aanduiding 'vrijwaringszone – dijk' geheel of ten dele van de waterkering verwijderen, indien:

  • a. de aanduiding niet langer noodzakelijk is ter bescherming van de waterkerende functie van de waterkering;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap.
26.4 vrijwaringszone - vaarweg
26.4.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - vaarweg' zijn de gronden mede bestemd als beschermingszone voor de rijksvaarweg.

26.4.2 Bouwregels

Op deze gronden mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht.

26.4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.4.2 voor het bouwen op basis van de onderliggende enkelbestemming, met dien verstande dat:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de vaarweg;
  • b. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat.
26.4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het ophogen van gronden;
    • 2. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
    • 3. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen, het bebossen en aanplanten van gronden.
  • b. Een vergunning als bedoeld onder a kan slechts worden verleend indien:
    • 1. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de vaarweg;
    • 2. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat.
  • c. Geen vergunning als bedoeld onder a is nodig voor:
    • 1. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die het normale onderhoud en beheer betreffen;
    • 2. werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan of uitgevoerd kunnen worden op grond van een voor dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning.
26.5 overige zone - geluidruimte
26.5.1 Aanduidingsomschrijving

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - geluidruimte' zijn behalve voor de daar toegelaten bestemming(en), mede bestemd voor het verdelen van de totale beschikbare geluidruimte op het industrieterrein.

26.5.2 Nadere eisen

Het bevoegd gezag kan ter bescherming van de beschikbare geluidruimte nadere eisen stellen aan:

  • a. de plaats van bouwwerken op het terrein van de inrichting ten behoeve van een doelmatige akoestische afscherming;
  • b. de plaats en afmeting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een doelmatige akoestische afscherming.
26.5.3 Specifieke gebruiksregel

Onder gebruik van de gronden in strijd met de bestemming ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - geluidruimte' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van een bestaand kavel waarbij de geluidruimte meer bedraagt dan de voor het kavel gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabellen, tenzij de geluidruimte ten gevolge van dit gebruik niet leidt tot overschrijding van de cumulatief gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabellen, beoordeeld op één cijfer achter de komma; alsmede het gebruik van een nieuw kavel waarbij de geluidruimte meer bedraagt dan de gebudgetteerde geluidruimte voor dat nieuwe kavel, tenzij de geluidruimte ten gevolge van dit gebruik niet leidt tot overschrijding van de cumulatief gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabellen, beoordeeld op één cijfer achter de komma;
  • b. het in gebruik hebben van een inrichting op een bestaand kavel, waarbij de grenzen van de inrichting afwijken van de grenzen van de inrichting als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabellen.
26.5.4 Afwijken van de gebruiksregels
a Toestaan grotere geluidruimte

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.5.2 onder a teneinde een grotere geluidruimte op een nieuw kavel of bestaand kavel toe te staan, zonder dat de wettelijke grenswaarden in de zin van de Wet geluidhinder worden overschreden;

  • a. Deze omgevingsvergunning kan alleen worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • 1. het betreft niet een kavel op het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII);
    • 2. uit akoestisch onderzoek en de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt, dat aanvullend op de toepassing van de Best Beschikbare Technieken, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is geluidbeperkende maatregelen worden getroffen;
    • 3. het gebruik van de reserve geluidruimte, na aftrek van de geluidruimte voor eerder verleende omgevingsverguningen voor afwijken van deze gebruiksregels, boven de 33% wordt zo veel mogelijk voorkomen;
    • 4. het gebruik van de aanwezige reserve geluidruimte wordt gemotiveerd, waarbij onder meer de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken bij de beslissing:
      • en/of het betreft een bedrijfsverplaatsing, waarmee elders een milieuhygiënisch knelpunt wordt opgelost;
      • en/of het betreft een bedrijf die een bijdrage levert aan de ruimtelijke en economische ontwikkeling van het bedrijventerrein;
      • en/of het betreft een bestaand bedrijf.
b Splitsing, vergroting of verkleining van een bestaand kavel

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 26.5.2 onder a en b teneinde tot een splitsing, vergroting of verkleining van een bestaand kavel te komen, zonder dat de nieuwe indeling van de kavels er toe leidt dat de wettelijke grenswaarden in de zin van de Wet geluidhinder dan wel de vastgestelde hogere waarden worden overschreden;

  • a. Deze omgevingsvergunning kan worden verleend als:
    • 1. de geluidruimte ten gevolge van deze splitsing, vergroting of verkleining niet leidt tot overschrijding van de gecumuleerde gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabellen, beoordeeld op één cijfer achter de komma;
    • 2. de splitsing, vergroting of verkleining niet leidt tot een onevenredige beperking van de geluidruimte voor één of meer van de nieuwe kavels;
  • b. Deze omgevingsvergunning kan tevens worden verleend als de geluidruimte ten gevolge van deze splitsing, vergroting of verkleining wél leidt tot overschrijding van de gecumuleerde gebudgetteerde geluidruimte op de toetspunten, als genoemd in de bij deze regels behorende toetsingstabellen, beoordeeld op één cijfer achter de komma, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
    • 1. het betreft niet een kavel op het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII);
    • 2. uit akoestisch onderzoek en de aanvraag om omgevingsvergunning blijkt, dat aanvullend op de toepassing van de Best Beschikbare Technieken, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is aanvullende geluidbeperkende maatregelen worden getroffen;
    • 3. het gebruik van de reserve geluidruimte, na aftrek van de geluidruimte voor eerder verleende omgevingsverguningen voor afwijken van deze gebruiksregels, boven de 33% wordt zo veel mogelijk voorkomen;
    • 4. het gebruik van de aanwezige reserve geluidruimte wordt gemotiveerd, waarbij onder meer de volgende omstandigheden kunnen worden betrokken bij de beslissing:
      • het betreft een bedrijfsverplaatsing, waarmee elders een milieuhygiënisch knelpunt wordt opgelost;
      • en/of het betreft een bedrijf die een bijdrage levert aan de ruimtelijke en economische ontwikkeling van het bedrijventerrein;
      • en/of het betreft een bestaand bedrijf.
    • 5. de splitsing, vergroting of verkleining niet leidt tot een onevenredige beperking van de geluidruimte voor één of meer van de nieuwe kavels;
26.5.5 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door aanpassing van de in Bijlage 4 van deze regels opgenomen toetsingstabellen en verkavelingskaart. De aanpassing kan bestaan uit het wijzigen van één of meer kavels en uit het vergroten of verkleinen van de geluidruimte van de deelgebieden voor nieuwe kavels en/of de geluidruimte voor bestaande kavels, onder de volgende voorwaarden:

  • a. Met de wijziging wordt een positieve bijdrage geleverd aan de optimalisering van een effectief en doelmatig gebruik van de geluidruimte.
  • b. De wijziging mag niet leiden tot een onevenredige beperking van geluidruimte van een kavel. Hierbij geldt dat een beperking per kavel van meer dan 5 dB op één of meer toetspunten, in ieder geval als onevenredig moet worden gekwalificeerd.
  • c. De wijziging mag niet leiden tot een onevenredige vergroting van geluidruimte van een kavel. Hierbij geldt dat een vergroting per kavel van meer dan 5 dB op één of meer toetspunten, in ieder geval als onevenredig moet worden gekwalificeerd.
  • d. De geluidruimte van een kavel mag na wijziging niet kleiner zijn dan noodzakelijk voor continuering van de binnen dat kavel vergunde bedrijfsmatige activiteiten.
26.6 overige zone - gronddepot en grondverwerking
26.6.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gronddepot en grondverwerking' zijn de gronden mede bestemd als omputlocatie en voor de winning van oppervlaktedelfstoffen.

26.6.2 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het afgraven van gronden ten behoeve van een omputlocatie en de winning van oppervlaktedelfstoffen ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gronddepot en grondverwerking':
    • 1. dieper dan 20 m;
    • 2. indien dit in totaal meer bedraagt dan 2.963.040 m3;
  • b. het vullen van de omputlocatie ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gronddepot en grondverwerking' met overtollige grond die niet is vrijgekomen bij de realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen.
26.6.3 Wijzigingsbevoegdheid

Het bevoegd gezag kan de aanduiding 'overige zone - gronddepot en grondverwerking' van de verbeelding verwijderen zodra de winning van oppervlaktedelfstoffen en het gebruik van de omputlocatie niet meer nodig is voor de realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen.

26.7 overige zone - hoge grond 1
26.7.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - hoge grond 1' zijn de gronden mede bestemd voor het ophogen van grond, met dien verstande dat de tophoogte van de opgehoogde grond niet minder mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte (m)' is aangegeven.

26.7.2 Specifieke gebruiksregels
  • a. Tot een strijdig gebruik wordt gerekend:
    • 1. het verwijderen en verwijderd houden van de hoge grond;
    • 2. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag.
  • b. Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing op:
    • 1. het vermengen, keren en bewerken van lagen in het bodemprofiel met een diepte van maximaal 0,5 m;
    • 2. het beheer en onderhoud strekkende tot instandhouding van de hoge grond.
26.8 overige zone - hoge grond 2
26.8.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - hoge grond 2' zijn de gronden mede bestemd voor het ophogen van grond, met dien verstande dat de tophoogte van de opgehoogde grond niet minder mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'minimum hoogte (m)' is aangegeven.

26.8.2 Specifieke gebruiksregels
  • a. Tot een strijdig gebruik wordt gerekend:
    • 1. het verwijderen en verwijderd houden van de hoge grond;
    • 2. het verwijderen van het microreliëf in de toplaag.
  • b. Het onder a bedoelde verbod is niet van toepassing op:
    • 1. het beheer en onderhoud strekkende tot instandhouding van de hoge grond.
26.9 overige zone - Hoogwatergeul Ooijen
26.9.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Hoogwatergeul Ooijen' zijn de gronden mede bestemd als hoogwatergeul.

26.9.2 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het afgraven van gronden ten behoeve van een hoogwatergeul ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Hoogwatergeul Ooijen':
    • 1. dieper dan 6 m;
    • 2. dieper dan 4 m over een percentage van maximaal 25% van het aanduidingsvlak;
    • 3. dieper dan 2 m over een percentage van maximaal 50% van het aanduidingsvlak;
    • 4. indien de inhoud van de hoogwatergeul groter wordt dan 1.482.000 m3;
  • b. het gebruik van de gronden als bos.
26.10 overige zone - Hoogwatergeul Wanssum
26.10.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Hoogwatergeul Wanssum' zijn de gronden mede bestemd als hoogwatergeul.

26.10.2 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het afgraven van gronden ten behoeve van een hoogwatergeul ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Hoogwatergeul Wanssum':
    • 1. dieper dan 6 m;
    • 2. dieper dan 4 m over een percentage van maximaal 25% van het aanduidingsvlak;
    • 3. dieper dan 2 m over een percentage van maximaal 35% van het aanduidingsvlak;
    • 4. indien de inhoud van de hoogwatergeul groter wordt dan 1.230.000 m3;
  • b. het gebruik van de gronden als bos.
26.11 overige zone - OMA Blitterswijck

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - OMA Blitterswijck' is het niet toegestaan gronden af te graven:

  • a. dieper dan 6 m;
  • b. dieper dan 4 m over een percentage van maximaal 10% van het aanduidingsvlak;
  • c. dieper dan 2 m over een percentage van maximaal 20% van het aanduidingsvlak;
  • d. indien de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm deel 'Blitterswijck' tezamen met de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - OMA midden' en 'overige zone - OMA Molenbeekdal' groter wordt dan 221.000 m3.
26.12 overige zone - OMA instroom

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - OMA instroom' is het niet toegestaan gronden af te graven:

  • a. dieper dan 6 m;
  • b. dieper dan 4 m over een percentage van maximaal 10% van het aanduidingsvlak;
  • c. dieper dan 2 m over een percentage van maximaal 20% van het aanduidingsvlak;
  • d. indien de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm deel 'instroom' groter wordt dan 604.000 m3.
26.13 overige zone - OMA midden

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - OMA midden' is het niet toegestaan gronden af te graven:

  • a. dieper dan 2 m;
  • b. indien de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm deel 'midden' tezamen met de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - OMA Blitterswijck' en 'overige zone - OMA Molenbeekdal' groter wordt dan 221.000 m3.
26.14 overige zone - OMA Molenbeekdal

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - OMA Molenbeekdal' is het niet toegestaan gronden af te graven:

  • a. dieper dan 2 m;
  • b. indien de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm deel 'Molenbeekdal' tezamen met de inhoud van de reactivering van de Oude Maasarm ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - OMA Blitterswijck' en 'overige zone - OMA midden' groter wordt dan 221.000 m3.
26.15 overige zone - Jachthaven Wanssum

Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Jachthaven Wanssum' is het niet toegestaan gronden af te graven:

  • a. dieper dan 6 m;
  • b. indien de inhoud van de 'overige zone - jachthaven' groter wordt dan 98.000 m3.
26.16 wetgevingzone - wijzigingsgebied 1

Het bevoegd gezag is bevoegd de bestemming van de gronden, ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' te wijzigen ten behoeve van een 'verkeersfunctie' en de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - brug 1', 'specifieke vorm van verkeer - brug 3' of 'specifieke vorm van verkeer - brug 4' over te nemen, mits:

  • a. de regels van de bestemming Verkeer onverkort van toepassing zijn;
  • b. een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor in de omgeving gelegen woningen of andere gebouwen waar langdurig mensen verblijven is verzekerd;
  • c. er geen sprake is van milieu hygiënische belemmeringen ten aanzien van de bestemmingswijziging;
  • d. de overige op basis van het plan ter plaatse vigerende dubbelbestemmingen, algemene aanduidingsregels en overige algemene regels onverkort van toepassing zijn.
26.17 wetgevingzone - wijzigingsgebied 2

Het bevoegd gezag is bevoegd de bestemming van de gronden, ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 2' te wijzigen ten behoeve van een 'waterkering', mits:

  • a. de hoogwaterveiligheid voldoende gegarandeerd is;
  • b. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen ten aanzien van de wijziging;
  • c. door de wijziging van de bestemming de belangen van derden niet onevenredig worden belemmerd;
  • d. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap;
  • e. de regels van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering onverkort van toepassing zijn.
26.18 wetgevingzone - wijzigingsgebied 3

Het bevoegd gezag is bevoegd de bestemming van de gronden, ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 3' te wijzigen ten behoeve van een 'vrijwaringszone', mits:

  • a. de hoogwaterveiligheid voldoende gegarandeerd is;
  • b. er geen sprake is van milieuhygiënische belemmeringen ten aanzien van de wijziging;
  • c. door de wijziging van de bestemming de belangen van derden niet onevenredig worden belemmerd;
  • d. vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij het waterschap;
  • e. de regels van de gebiedsaanduiding vrijwaringszone - dijk onverkort van toepassing zijn.

Artikel 27 Algemene bouwregels

Op en onder in het plan begrepen gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, voor zover in deze regels bepaald, met in achtneming van de volgende bepalingen:

  • a. Het is toegestaan de in dit plan aangegeven maatvoering voor bouwwerken te overschrijden ten behoeve van stoepen, stoeptreden, funderingen, plinten, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en naar aard en omvang vergelijkbare delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,2 m;
  • b. Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bouwvlakgrenzen te overschrijden ten behoeve van gevelaccenten, gevel- en kroonlijsten, pilasters, overstekende daken, erkers, balkons en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,2 m en deze werken niet lager gelegen zijn dan de tweede bouwlaag;
  • c. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voldoende parkeergelegenheid betekent dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in “Bijlage 3 Parkeernormen Venray” die als bijlage bij de "Beleidsnota parkeernormen, Gemeente Venray” hoort, en dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging;
  • d. Het bepaalde onder c is niet van toepassing:
    • 1. op de herbouw van een gesloopt of te slopen of anderszins tenietgegaan bestaand gebouw, waarbij de brutovloeroppervlakte niet toeneemt en de gebruiksfunctie niet wijzigt;
    • 2. op de verbouw van een bestaand gebouw, waarbij de gebruiksfunctie niet wijzigt.

Artikel 28 Algemene gebruiksregels

28.1 Winning van oppervlaktedelfstoffen
  • a. Tot een met dit plan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde van, voor de winning van oppervlaktedelfstoffen anders dan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gronddepot en grondverwerking'.
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op de winning van delfstoffen anders dan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone-gronddepot en grondverwerking' en welke winning het onlosmakelijke gevolg is van de realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen en waarbij de gewonnen delfstoffen worden ingezet voor de realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen.
28.2 Ingebruikname uitbreiding Haven- en Industrieterrein Wanssum
  • a. Het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, is ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - uitbreiding Haven- en Industrieterrein Wanssum' toegestaan tot en met maximaal 10 hectare aan grondoppervlak.
  • b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het oprichten van nieuwe bebouwing, voor zover deze bebouwing niet in gebruik wordt genomen.
  • c. In afwijking van het bepaalde onder a, en met inachtneming van de overige van toepassing zijnde regels uit dit plan, is het gebruik van de gronden, gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding 'overige zone – uitbreiding Haven- en industrieterrein Wanssum' voor meer dan 10 hectare aan grondoppervlak toegestaan, indien:
    • 1. de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf aan de Geijsterseweg 19b, 5861 BK Wanssum is beëindigd en
    • 2. de agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt dan wel de agrarische bedrijfsvoering voor meer dan één jaar is gestaakt.

Artikel 29 Algemene afwijkingsregels

29.1 Omgevingsvergunning algemene afwijkingen
29.1.1 Omgevingsvergunning algemene afwijkingen

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels omgevingsvergunning voor het afwijken van dit plan kan worden verleend, kan het bevoegd gezag middels een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de planregels ten behoeve van het onderling in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven, mits vooraf bij de wegbeheerder schriftelijk advies is ingewonnen;
  • b. de planregels ten behoeve van het bouwen van kunstuitingen en van zend-, ontvang- en sirenemasten, waarbij voor een masthoogte van meer dan 65 m +NAP vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de Dienst Vastgoed Defensie;
  • c. afmetingen en percentages in de planregels en op de verbeelding met een maximum van 10%.
29.1.2 Verlening omgevingsvergunning algemene afwijkingen

Een in artikel 29.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de situering, de oppervlakte en de (goot)hoogte van de bebouwing;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
29.2 Omgevingsvergunning rekenprogramma geluidruimte

Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in de artikelen 2.13, 2.14 en 2.15 inhoudende dat de geluidruimte met een ander rekenprogramma dan Geomilieu, versie 3.11, wordt bepaald, mits dit rekenprogramma voldoet aan HmrI 1999.

Artikel 30 Algemene wijzigingsregels

30.1 Staat van bedrijfsactiviteiten en Staat van Horeca activiteiten

Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen, met dien verstande dat:

30.2 Berekenen geluidruimte

Het bevoegd gezag kan het plan wijzigen door aanpassing van de voorgeschreven wijze van het berekenen van de geluidruimte in de artikelen 2.13, 2.14 en 2.15.

Artikel 31 Overige regels

31.1 Prioriteit van de dubbelbestemmingen
31.2 Verhouding met gemeentelijke bestemmingsplannen
31.2.1 Onderliggende bestemmingen
  • a. Voor gronden waaraan in het plan geen enkelbestemming, maar de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is toegekend, gelden naast de dubbelbestemming eveneens de voor die gronden geldende bestemmingen en planregels uit het:
    • 1. Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3) van de gemeente Horst aan de Maas, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Stroomvoerend rivierbed', de dubbelbestemming 'Bergend Rivierbed', de dubbelbestemming 'Archeologisch gebied', de aanduiding 'waterkering' en de dubbelbestemming 'Waterkering' en de bij deze dubbelbestemmingen en aanduiding behorende planregels;
    • 2. Bestemmingsplan Maaskernen van de gemeente Horst aan de Maas, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Zone bescherming waterkering' en de dubbelbestemming 'Archeologisch waardevol gebied' en de bij deze dubbelbestemmingen behorende planregels;
    • 3. Paraplubestemmingsplan Huisvesting arbeidsmigranten van de gemeente Horst aan de Maas;
    • 4. Correctieve herziening paraplubestemmingsplan Huisvesting arbeidsmigranten van de gemeente Horst aan de Maas;
    • 5. Herziening Verbeelding Bestemmingsplan Buitengebied 2011 van de gemeente Horst aan de Maas
    • 6. Bestemmingsplan Buitengebied Meerlo-Wanssum van de gemeente Venray, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Tevens stroomvoerend winterbed van de Maas' en de aanduiding 'kades' en de bij deze dubbelbestemming en aanduiding behorende planregels;
    • 7. Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied –art. 30 WRO en actualisering van de gemeente Venray, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Tevens stroomvoerend rivierbed van de Maas' en de dubbelbestemming 'Tevens waterkering met beschermingszone' en de bij deze dubbelbestemmingen behorende planregels;
    • 8. Bestemmingsplan Buitengebied-Oost van de gemeente Venray, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering', de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-waterstaatswerk', de dubbelbestemming 'Waterstaat-Stroomvoerend deel rivierbed', de gebiedsaanduiding 'geluidzone-industrie', de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 1', de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 2' en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3' en de bij deze dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen behorende planregels;
    • 9. Bestemmingsplan Kern Wanssum '89 van de gemeente Venray;
  • b. Voor gronden waaraan in het plan geen enkelbestemming en geen dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is toegekend, maar de gebiedsaanduiding(en) 'geluidzone - industrie', 'geluidzone - vervallen geluidzone', 'veiligheidszone - bevi', 'vrijwaringszone - dijk' en/of 'overige zone - hoge grond 1', 'overige zone - hoge grond 2' is/zijn toegekend, gelden naast de gebiedsaanduiding(en) eveneens de voor die gronden geldende bestemmingen en planregels uit het:
    • 1. Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (deelgebied 3) van de gemeente Horst aan de Maas, met uitzondering van de aanduiding 'waterkering' en de dubbelbestemming 'Waterkering' en de bij deze aanduiding en dubbelbestemming behorende planregels;
    • 2. Bestemmingsplan Maaskernen van de gemeente Horst aan de Maas, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Zone bescherming waterkering' en de bij deze dubbelbestemming behorende planregels;
    • 3. Paraplubestemmingsplan Huisvesting arbeidsmigranten van de gemeente Horst aan de Maas;
    • 4. Correctieve herziening paraplubestemmingsplan Huisvesting arbeidsmigranten van de gemeente Horst aan de Maas;
    • 5. Herziening Verbeelding Bestemmingsplan Buitengebied 2011 van de gemeente Horst aan de Maas;
    • 6. Bestemmingsplan Buitengebied Meerlo-Wanssum van de gemeente Venray, met uitzondering van de aanduiding 'kades' en de bij deze aanduiding behorende planregels;
    • 7. Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied –art. 30 WRO en actualisering van de gemeente Venray, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Tevens waterkering met beschermingszone' en de bij deze dubbelbestemming behorende planregels;
    • 8. Bestemmingsplan Buitengebied-Oost van de gemeente Venray, met uitzondering van de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering', de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-waterstaatswerk' en de gebiedsaanduiding 'geluidzone-industrie' en de bij deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen behorende planregels;
    • 9. Bestemmingsplan Kern Wanssum '89 van de gemeente Venray;
    • 10. Bestemmingsplan Boltweg 6-7 Blitterswijck van de gemeente Venray;
    • 11. Algemeen Bestemmingsplan van de gemeente Venray;
    • 12. Bestemmingsplan 1e partiële herziening Algemeen Bestemmingsplan van de gemeente Venray;
    • 13. Bestemmingsplan Burgemeester Ponjeestraat van de gemeente Venray;
    • 14. Beheersverordening Buitengebied Meerlo van de gemeente Horst aan de Maas;
  • c. Waar de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' en/of de de gebiedsaanduiding(en) 'geluidzone - industrie', 'veiligheidszone - bevi', 'vrijwaringszone - dijk' en/of 'overige zone - hoge grond 1', 'overige zone - hoge grond 2' samenvalt/samenvallen met een bestemming uit een gemeentelijk bestemmingsplan als genoemd onder a en/of onder b, gelden in de eerste plaats de regels van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering', in de tweede plaats de regels van de gebiedsaanduiding(en) en in de derde plaats de regels uit het gemeentelijk bestemmingsplan;
  • d. Voor gronden met de aanduiding 'geluidzone - vervallen geluidzone' gelden de voor die gronden geldende bestemmingen en planregels uit het:
    • 1. Bestemmingsplan Buitengebied-Oost van de gemeente Venray, met uitzondering van de gebiedsaanduiding 'geluidzone-industrie' en de bij deze gebiedsaanduiding behorende planregels;
    • 2. Bestemmingsplan Kern Wanssum '89 van de gemeente Venray.
31.2.2 Gemeentelijke bevoegdheid
  • a. De gemeenteraden van Venray en Horst aan de Maas zijn vanaf drie jaar na de vaststelling van het plan bevoegd om voor gronden waaraan in het plan geen enkelbestemming, maar louter de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' is toegekend, een gemeentelijk bestemmingsplan vast te stellen, mits deze dubbelbestemming met de bijbehorende planregels uit het plan, in het gemeentelijk bestemmingsplan worden opgenomen.
  • b. De gemeenteraden van Venray en Horst aan de Maas zijn vanaf een dag na de inwerkingtreding van het plan bevoegd om voor gronden waaraan in het plan geen enkelbestemming, maar louter (een) dubbelbestemming(en) (niet-zijnde de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering') en/of (een) gebiedsaanduiding(en) is/zijn toegekend, een gemeentelijk bestemmingsplan vast te stellen, mits die dubbelbestemming(en) en/of die gebiedsaanduiding(en) met de bijbehorende planregels uit het plan, in het gemeentelijk bestemmingsplan worden opgenomen.
  • c. De gemeenteraad van Venray is vanaf een dag na de inwerkingtreding van het plan bevoegd om voor gronden met de aanduiding 'overige zone – bestemmingsplanbevoegdheid' voor zover gelegen binnen de gemeente Venray een gemeentelijk bestemmingsplan vast te stellen, mits de dubbelbestemming(en) en de gebiedsaanduiding(en) met de bijbehorende planregels uit het plan, in het gemeentelijk bestemmingsplan worden opgenomen.
  • d. De gemeenteraad van Horst aan de Maas is vanaf een dag na de inwerkingtreding van het plan bevoegd om voor gronden met de aanduiding 'overige zone - bestemmingsplanbevoegdheid' voor zover gelegen binnen de gemeente Horst aan de Maas een gemeentelijk bestemmingsplan vast te stellen, mits:
    • 1. de ter plaatse geldende enkelbestemming 'Natuur' inclusief de ter plaatse geldende aanduidingen behorende bij deze bestemming met de bijbehorende planregels uit het plan, in het gemeentelijk bestemmingsplan worden opgenomen;
    • 2. de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' met de bijbehorende planregels uit het plan, in het gemeentelijk bestemmingsplan worden opgenomen, waarbij een gewijzigde situering van deze dubbelbestemming en deze gebiedsaanduiding is toegestaan, mits na de gewijzigde situering sprake is van een gesloten dijkring Ooijen;
    • 3. de ter plaatse geldende overige dubbelbestemming(en) en gebiedsaanduiding(en) met de bijbehorende planregels uit het plan, in het gemeentelijk bestemmingsplan worden opgenomen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 32 Overgangsrecht

32.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig ontheffing verlenen van het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10% zijn.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
32.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het plan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 33 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.