direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum
Status: vastgesteld
Plantype: inpassingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Aanleiding

1.1 Aanleiding

In 1993 en 1995 werd Limburg opgeschrikt door grote overstromingen van de Maas. Dergelijke waterstanden waren sinds 1926 niet meer voorgekomen. De economische schade was aanzienlijk. Besloten werd om de bewoners langs de voorheen onbedijkte Zandmaas beter te beschermen. Dit kreeg vanaf 1997 vorm met het project Maaswerken; een samenhangend pakket maatregelen met daarin rivierverruiming, retentie en als sluitstuk dijkaanleg. Vooruitlopend op dit programma werden in 1996 ter voorkoming van acute problemen noodkaden aangelegd. Deze waterkeringen waren als tijdelijke maatregel bedoeld.

Bij Ooijen en Wanssum sluiten de noodkaden uit 1996 een Oude Maasarm af die cruciaal is voor de doorstroming van de rivier bij hoogwater. Tot 1996 stroomde deze Maasarm mee bij hoogwater op de Maas. De afdamming ervan leidt tot een flessenhals in de rivier en daardoor tot een verhoging van het Maaswater. In verscheidene programma's (Maaswerken, IVM, Deltaprogramma) wordt dit gezien als een onwenselijke situatie. Het weer mee laten stromen van deze Maasarm is een voorwaarde om een toekomstbestendige hoogwaterveiligheid in dit gebied te realiseren. Daarnaast moeten de huidige waterkeringen op het nieuwe wettelijke veiligheidsniveau worden gebracht.

Het gebied achter de waterkeringen is aangemerkt als stroomvoerend rivierbed en is daarmee gebonden aan strenge eisen in het belang van de waterveiligheid. Hierdoor zijn ruimtelijke en economische ontwikkelingen in het gebied zo goed als onmogelijk. In een gebied met onder meer veel (agrarische) bedrijvigheid en een florerende haven is dit onwenselijk. Door het creëren van zogenaamde overruimte, dat wil zeggen een extra waterstandsdaling tijdens hoogwater dan strikt noodzakelijk voor de waterveiligheid, ontstaan er mogelijkheden voor ruimtelijke en economische ontwikkelingen.

De waterveiligheid in het plangebied en in de Zandmaas moet verbeterd worden. Er moet invulling worden gegeven aan een duurzame rivierverruiming en deugdelijke waterkeringen om het beschermingsniveau in het plangebied op orde te brengen. Initiatieven van overheden, bedrijfsleven en burgers zijn afhankelijk van het oplossen van de hoogwaterproblematiek. De gebiedsontwikkeling biedt een uitweg om deze situatie op te lossen. Er ontstaat definitief duidelijkheid welke ruimte nodig is voor water en waar, en onder welke condities, ruimtelijke en economische ontwikkelingen weer kunnen plaatsvinden. Regionale overheden kunnen hun problemen zelf weer aanpakken en weer investeren in infrastructuur, haven, wonen en leefbaarheid. Daardoor komt het gebied weer in haar kracht en kunnen ondernemers vooruit.

De gebiedsontwikkeling past niet binnen de huidige planologische kaders. Om de ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is voorliggend provinciaal inpassingsplan (hierna: inpassingsplan en/of PIP) opgesteld. Dit inpassingsplan voorziet in de duurzame rivierverruiming en deugdelijke waterkeringen en daarnaast in economische ontwikkeling als recreatie, uitbreiding agrarische bouwkavels, infrastructuur en havenontwikkeling. Het plan vindt zijn basis in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) verkenning Ooijen-Wanssum en het Gebiedsplan Ooijen-Wanssum.

1.2 Bevoegdheidsverdeling en projectplan Waterwet

De provincie heeft binnen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de mogelijkheid een provinciaal inpassingsplan te maken. Het inpassingsplan legt de bestemming van een concreet gebied en het gebruik ervan juridisch bindend vast en is daarmee vergelijkbaar met een gemeentelijk bestemmingsplan. Een inpassingsplan kan alleen worden vastgesteld wanneer er sprake is van een 'provinciaal belang'.

Provincie Limburg heeft er voor gekozen een inpassingsplan op te stellen om de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum planologisch vast te leggen, omdat er in dit geval sprake is van een provincaal belang. De belangen in de gebiedsontwikkeling ontstijgen het gemeentelijk niveau. De provincie heeft belangen en verantwoordelijkheid op het gebied van het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen EHS) en de ontsluiting van het gebied middels een rondweg (een provinciale weg). Ook is het een provinciaal belang om in het Maasdal, waar tal van bedrijven in het winterbed van de rivier gevestigd zijn, te komen tot verdere economische ontwikkeling zonder de veiligheid verder te verslechteren. Daarnaast werkt de verlaging van de waterstanden bij hoogwater tot 40 kilometer stroomopwaarts door en zodoende profiteert een veel groter deel van de provincie van deze gebiedsontwikkeling.

Daarnaast is Provincie Limburg toezichthouder van de waterschappen. Ook vanuit deze rol is zij betrokken bij de hoogwaterbescherming langs de Maas. Vanuit de functie als toezichthouder heeft de provincie een 'secundaire' verantwoordelijkheid voor hoogwaterbescherming in Limburg.

In artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder geschiedt overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Op grond van artikel 5.4, zesde lid, van de Waterwet is het eerste lid niet van toepassing, indien ten aanzien van een in dat lid bedoeld werk toepassing wordt gegeven aan afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening. Ten behoeve van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is ervoor gekozen om toepassing te geven aan afdeling 3.5 van de Wet ruimtelijke ordening. De Provincie Limburg stelt ten behoeve van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum een inpassingsplan vast. Het provinciaal inpassingsplan komt daarmee in de plaats van het projectplan. Het inpassingsplan voorziet deels in een wijziging van de ligging van de primaire keringen in het plangebied. Bijlage IA bij de Waterwet zal te zijner tijd worden aangepast aan de (deels) gewijzigde ligging van de primaire keringen.

1.3 Verkenning en gebiedsplan Ooijen-Wanssum

In 2006 heeft de provincie Limburg aan Habiforum opdracht gegeven een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden voor integrale gebiedsontwikkeling in het gebied Ooijen-Wanssum. De oplossing van de (hoog-)waterproblematiek was hierbij leidend uitgangspunt. Deze verkenning heeft geresulteerd in zes mogelijke strategieën voor het gebied. Deze strategieën zijn tijdens een toetsdag besproken met alle betrokkenen, waarbij deze hun voorkeursstrategie konden bepalen. Ook is een duurzaamheidstoets op deze strategieën uitgevoerd. Dit alles leverde een voorkeur op voor de strategie verruiming, met daarin opgenomen de sterke elementen van de strategieën inlaat en kades. De voorkeursstrategie gecombineerd met en verbonden aan andere ruimtelijke ingrepen biedt het meeste perspectief voor de waterveiligheid, de vitaliteit én de leefbaarheid van het gebied.

Door de ruimtelijke ingrepen in onderlinge verbinding integraal aan te pakken, verloopt de realisatie naar verwachting sneller, goedkoper en beter. De verruimingsstrategie is onder meer op de punten maatschappelijke haalbaarheid en (maatschappelijke) kosten en baten nader verkend. Daarop volgend is een stuurgroep ingesteld met vertegenwoordigers van de provincie Limburg, de gemeenten Horst aan de Maas en Venray, de voormalige gemeente Meerlo-Wanssum, Waterschap Peel en Maasvallei, Rijkswaterstaat Limburg, Maaswerken en de betrokken gebiedscommissies. Deze stuurgroep heeft op 10 december 2007 besloten om een planstudie 'Gebiedsontwikkeling Ooijen- Wanssum' in te zetten, wat is vastgelegd in een intentieverklaring. Tevens is het projectbureau Ooijen-Wanssum opgericht om deze planstudie uit te voeren.

Het Gebiedsplan Ooijen-Wanssums 2010: doelen en maatregelen

Het doel van de integrale gebiedsontwikkeling is het oplossen van de hoogwaterproblematiek en het mogelijk maken van bepaalde ruimtelijke en economische ontwikkelingen in het gebied.

Voor de gebiedsontwikkeling zijn vijf subdoelen geformuleerd:

  • 1. Hoogwaterbescherming achter de waterkeringen conform de wettelijke veiligheidsnorm (gemiddelde overschrijdingskans van 1/250 per jaar, uiterlijk in 2020).
  • 2. Waterstanddaling van tenminste 35 cm bij rivierkilometer 123 bij een afvoer van 3275 m3/s op de Maas.
  • 3. Ontwikkelen van natuur en landschap.
  • 4. Vergroten van de leefbaarheid in Wanssum.
  • 5. Ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen.

In eerste instantie richtte het plan zich op de verkenning van maatregelen voor rivierverruiming, beginnend met het reactiveren en opnieuw inrichten van de Oude Maasarm, en vervolgens de hoogwatergeulen Ooijen en Wanssum. Hiermee werd invulling gegeven aan de eerste drie doelstellingen. De vierde en vijfde doelstelling leidden tot concrete plannen voor de aanleg van een al lang gewenste rondweg om Wanssum, de uitbreiding van de haven en het areaal bedrijfsterrein er omheen. Daarnaast zijn private initiatieven verkend die passen in de doelstellingen van de gebiedsontwikkeling en kunnen rekenen op draagvlak.

Het plan voor de integrale gebiedsontwikkeling bestaat nu uit de volgende onderdelen:

  • een gereactiveerde en heringerichte Oude Maasarm;
  • aanleg van de hoogwatergeulen Ooijen en Wanssum;
  • nieuwe dijken en versterking van bestaande dijken;
  • een rondweg rond Wanssum;
  • een uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum;
  • een privaat initiatief dat past in de doelstelling van de gebiedsontwikkeling: de uitbreiding van het vakantiepark Roekenbosch;
  • realisatie van nieuwe natuur.

Het Gebiedsplan heeft op een samenhangende manier de ruimtelijke opgaven voor het gebied. uitgewerkt. In het Gebiedsplan zijn de ingrepen, effecten en de kosten globaal in beeld gebracht. Daarnaast is het Gebiedsplan het kader, waarbinnen overeenstemming is gezocht tussen de verschillende projectpartners en vormt het een reactiedocument voor de omgeving en het basisdocument voor de marktbenadering.

1.4 MIRT verkenning Ooijen-Wanssum

In de MIRT-verkenning Ooijen-Wanssum van december 2012 zijn de inhoudelijke zaken onderzocht die zijn aangegeven in het “Beslisdocument startbeslissing MIRT-Verkenning Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum”. Het Beslisdocument is vastgesteld in het Bestuurlijk Overleg (BO) MIRT van 8 november 2011. Uitgangspunt voor de verkenning is dat zoveel mogelijk wordt voortgebouwd op het werk dat in de periode tot en met 2011 in de regio is verzet. Het werk van de regio is grotendeels gebundeld in het Gebiedsplan Ooijen-Wanssum (2010).

Bestuursovereenkomst

Ontwikkelingen die zijn opgetreden na publicatie van het Beslisdocument Startsbeslissing MIRT-verkenning Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (1 november 2011) zijn opgenomen in de Bestuursovereenkomst Waterveiligheid Maas. Deze bestuursovereenkomst is op 10 november 2011 getekend door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Provincie Limburg, Waterschap Roer en Overmaas en Waterschap Peel en Maasvallei.

Voor de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zijn de volgende afspraken relevant:

  • De veiligheidsopgave bestaat uit het realiseren van het beschermingsniveau van 1/250 per jaar bij een afvoer van 3275 m3/s door het verbeteren van primaire waterkeringen uitgaande van de huidige dijkringgebieden en het aansluiten van dijkringen tot aan de hoge gronden. Het betreft de resterende sluitstukkaden en de kaden die worden verbeterd, verplaatst of aangelegd in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.
  • De te realiseren waterstandsdaling als bijdrage aan de korte en lange termijn opgave is vastgesteld op 35 cm, gemeten in de as van de rivier bij rivierkilometer 123 bij een afvoer van 3275 m3/s, stationair berekend.
  • Uitgangspunt bij de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is een integrale aanpak die uitgaat van riviereffecten van het hele project en niet van de afzonderlijke onderdelen, waarmee het mogelijk wordt om waterstandverhogingen en -verlagingen te salderen.
  • Behaalde overruimte, dat wil zeggen centimeters waterstandsdaling boven de genoemde 35 cm, kunnen door de Provincie Limburg worden ingezet om ruimtelijke initiatieven in het plangebied mogelijk te maken.

1.5 M.e.r.-plicht

Het is wettelijk verplicht om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor het opstellen van het inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, omdat in het plan activiteiten zijn opgenomen waarvoor het op grond van het Besluit m.e.r. verplicht is om een MER op te stellen. Het gaat daarbij om de volgende activiteiten (de code tussen haakjes verwijst naar de bijlage bij het Besluit m.e.r., de letter is het onderdeel en het nummer de plaats op de lijst):

  • De wijziging of uitbreiding van een haven voor de binnenscheepvaart die bevaarbaar is voor schepen met een laadvermogen van 1.350 ton of meer (C 4).
  • De winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een terreinoppervlakte van 25 hectare of meer (C 16.1).
  • De aanleg of wijziging van werken ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken. (D3.2).
  • Landinrichtingsprojecten met functiewisselingen van water, natuur en/of landbouw met een oppervlakte van 125 ha of meer (D 9).
  • Een inrichting bestemd voor het storten van slib of baggerspecie of het in de diepe ondergrond brengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen (D 18.3)

In Hoofdstuk 6 worden de resultaten van het MER toegelicht. In de daaropvolgende hoofdstukken zijn de resultaten van de deelonderzoeken opgenomen die in het kader van het MER en het inpassingsplan zijn uitgevoerd.

1.6 Communicatie

In de planuitwerkingsfase heeft de externe communicatie zich gericht op de totstandkoming van een uitvoerbaar inpassingsplan. De intensieve communicatie met betrokkenen uit het gebied is hiertoe voortgezet en tegelijkertijd geformaliseerd. Op het inpassingsplan kan een ieder inspraak leveren. Het ontwerpinpassingsplan is gepubliceerd en gedurende een termijn van zes weken ter inzage gelegd. In deze periode is ook een informatieavond georganiseerd waar mondeling en schriftelijk formele zienswijzen konden worden ingediend. De resultaten van deze ter visielegging zijn opgenomen in Hoofdstuk 19.

Na de terinzagelegging volgde het besluit van het bevoegd gezag, in dit geval Provinciale Staten van Limburg. Belanghebbenden die binnen de in de wet gestelde termijn een zienswijze naar voren hebben gebracht tegen het ontwerp-inpassingsplan kunnen beroep indienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht tegen het ontwerp-inpassingsplan, kunnen ook beroep instellen. Het besluit tot vaststelling wijzigt het inpassingsplan ten opzichte van het ontwerp-inpassingsplan. Door belanghebbenden kan ook tegen deze wijzigingen, opgenomen in de Nota van Wijzigingen (Bijlage 53) beroep worden ingesteld.

De grote opgave voor het omgevingsmanagement is om het evenwicht te zoeken tussen deze formele procedure en de zich steeds verder (inhoudelijk) ontwikkelende betrokkenheid van ondernemers en burgers in het plangebied. De tot op heden zeer succesvol verlopen participatieve aanpak van de planvorming zorgde voor een gestage evolutie naar een breed gedragen plan. De vertaling van dit dynamische proces naar een uiteindelijk vrij statische planologische inpassing vergt alle aandacht. Hiertoe is de dialoog met de omgeving explicieter, feitelijker en onder tijdsdruk afgerond. In de wetenschap dat planonderdelen zeer nauw met elkaar verbonden zijn vormde dit een grote uitdaging.

Deze uitdaging lag met name in het vinden van een optimum tussen rechtszekerheid voor betrokkenen en het zoeken van de maximale vrijheidsgraden.

1.7 Opzet en leeswijzer inpassingsplan

Opzet milieuonderzoeken

Voor het inpassingsplan en het bijhorende MER zijn diverse milieuonderzoeken uitgevoerd die als bijlagen bij deze toelichting zijn opgenomen. Daarbij is het van belang om onderscheid te maken in de onderzoeken die zijn uitgevoerd specifiek voor het inpassingsplan en de onderzoeken die zijn uitgevoerd voor het MER.

Het MER bestaat uit een totaal van 12 rapporten die als één geheel beschouwd kunnen worden, te weten: het Hoofdrapport MER (Bijlage 6), de Passende Beoordeling (Bijlage 21) en de deelrapporten Rivierkunde (Bijlage 11), Grondwater en landbouw (Bijlage 12), (water)Bodem (Bijlage 13), Natuur en oppervlaktewater (Bijlage 14), Landschap en recreatie (Bijlage 15), Archeologie en cultuurhistorie (Bijlage 16), Verkeer en vervoer (Bijlage 17), Luchtkwaliteit (Bijlage 18), Geluid en trillingen (Bijlage 19) en Externe veiligheid (Bijlage 20). In deze rapporten is ook aandacht besteed aan de gevolgen voor het inpassingsplan. Daarnaast zijn ten behoeve van het inpassingsplan nog aanvullende onderzoeken uitgevoerd, waaronder voor de thema's Archeologie, Bodem, Geluid, Externe veiligheid, Natuur en Water.

Leeswijzer

Het inpassingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de inpassingsplanregeling zoals deze door Provinciale Staten (PS) wordt vastgesteld. De toelichting geeft de achtergronden (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de inpassingsplanregeling.

De toelichting van dit inpassingsplan bestaat uit 19 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven.

Na dit eerste inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder andere ingegaan op de ontstaansgeschiedenis en het plangebied en de bestaande functies worden beschreven. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeenten. In hoofdstuk 4 tot en met 16 worden diverse omgevingsaspecten beschreven. In hoofdstuk 17 wordt uitgelegd op welke wijze dit juridisch is vertaald in het inpassingsplan. In hoofdstuk 18 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en tot slot behandelt hoofdstuk 19 de maatschappelijke uitvoerbaarheid (het overleg ex artikel 3.1.1 Bro en de zienswijzen).

Hoofdstuk 2 Plankader

2.1 Begrenzing projectgebied

Het projectgebied ligt in de Provincie Limburg, in de noordelijke Maasvallei op de westelijke Maasoever tussen Wanssum en Ooijen. De dorpen Meerlo en Broekhuizen vormen de zuidgrens van het plangebied en de Maas de noordgrens. In onderstaande afbeelding is de begrenzing van het projectgebied weergegeven. Het plangebied waar het inpassingsplan voor zal gelden, valt binnen de grenzen van de gemeenten Horst aan de Maas en Venray.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0001.jpg"

Begrenzing van het projectgebied

In de aanloop naar de Notitie Reikwijdte en Detailniveau, voorafgaand aan het MER, is het projectgebied in noordwestelijke richting uitgebreid in verband met de dijktracés bij Geijsteren.

2.1.1 Verschil tussen projectgebied en 'plangrens inpassingsplan'

De plangrens van het inpassingsplan is niet hetzelfde als de grens van het projectgebied. Het projectgebied waarbinnen maatregelen worden getroffen en onderzoeken zijn uitgevoerd, beslaat een groter oppervlak dan het inpassingsplan. In het inpassingsplan worden alleen de gebieden meegenomen waar in planologisch-juridische zin een wijziging plaatsvindt. In onderstaande afbeelding is de plangrens van het inpassingsplan weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0002.png"

Plangrens inpassingsplan

2.2 Beschrijving en geschiedenis van het plangebied

2.2.1 Landschap

De Oude Maasarm is deel van het stroomgebied van de Zandmaas. In dit traject, tussen de ongestuwde Grensmaas en de bedijkte Maas, met name bij Broekhuizen, stroomt de Maas door een smal dal. De Maas wordt hier op beide oevers geflankeerd door trapsgewijs oplopende zandgronden, de zogenaamde Maasterrassen. Hoe verder van de Maas af gelegen, hoe hoger het terras ligt en des te langer geleden hier de rivier stroomde. Iedere terrasrand verder van de Maas af vormt een stap terug in de tijd. De laagste terrassen kunnen nog steeds overstromen. De hogere, oudste terrassen zijn door de stijging van het gebied enerzijds, en door het insnijden van de Maas anderzijds buiten het bereik van de rivier komen te liggen. Kenmerkend voor de Zandmaas is de aanwezigheid van Maasduinen. Deze opgewaaide zandduinen ontstonden tijdens de laatste ijstijd, zo'n 11.000 jaar geleden. Onderstaande afbeelding geeft de opbouw van de Maasterrassen weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0003.jpg"

Opbouw van de Maasterrassen

Het middelste terras is ontstaan in het Pleistoceen en ligt in het plangebied rond de 15 á 20 meter NAP. Het is een brede oude Maasbedding, waar de Maas de grote meanders zoals het Schuitwater en het Kaldenbroek achterliet. Doordat de Maas zich steeds dieper in het landschap insnijdt, is het middelste terras voor een groot deel buiten bereik van de rivier komen te liggen. Op het middelste terras liggen daarom ook de meeste dorpen in het Maasdal zoals Grubbenvorst, Broekhuizen en Meerlo.

Het laagste terras is ontstaan in de laatste koude periode in het Pleistoceen en ligt in het plangebied rond de 13 á 15 meter. Ongeveer 2 á 3 meter boven de rivier. Toen het terras werd gevormd had de Maas vele lopen. Dit vlechtende rivierpatroon maakt het laagste terras reliefrijk. Het wordt gekenmerkt door geulen afgewisseld met hoger gelegen ruggen. Het laagste terras overstroomt snel. Daarom liggen hier van oorsprong weinig nederzettingen en is bewoning beperkt tot de hogere ruggen tussen de stroomgeulen. Dekzanden en stuifduinen zijn andere opvallende fenomenen in het plangebied. Deze bedekken grote delen van het middelste terras. Deze zandpakketten en heuvels ontstonden tijdens de laatste koude periode, 10.000 jaar geleden. Die koude periode veranderde een groot deel van Nederland korte tijd in een poolwoestijn. Grote droogte, een gebrek aan vegetatie en stormachtige westenwinden zorgden voor grote zandverstuivingen. Vanuit het westen bereikte dikke pakketten dekzand de Maas en vanuit de Maasbedding waaiden hoge rivierduinen op.

In het plangebied zijn alle sporen van deze vroegere periodes nog te vinden. Afgezien van ingrepen op het gebied van waterbeheer is sprake van een nagenoeg onaangetaste, onvergraven ondergrond met terrassen, terrasranden en stuifduinen.

De Oude Maasarm

De hogere gronden in het plangebied maken deel uit van het middelste terras. Dit voor Europa bijzondere terrassenlandschap met rivierduinen wordt in het plangebied doorsneden door een 10 kilometer lange natuurlijke nevengeul op de westelijke Maasoever. In deze nevengeul staat bij normale Maaswaterstanden geen Maaswater. Bij hoogwater stroomt de Oude Maasarm van nature mee. Het ontstaan van deze geul hangt samen met de hooggelegen gronden aan de oostelijke oever (Maasduinen/Hamert). Die beperken de ruimte voor Maaswater op de oostelijke oever dusdanig dat de Maas waarschijnlijk een natuurlijke overloopgeul op de westelijke oever vormde.

2.2.2 Bodem

De Oude Maasarm is duidelijk herkenbaar in het landschap aanwezig als laaggelegen zone. De grote variatie onder invloed van de Maas, hoogteligging en waterhuishouding in het gebied hebben gezorgd voor een grote variatie in bodemtypen. Het plangebied is aardkundig bijzonder doordat zich op korte afstand van elkaar forse reliefverschillen en verschillende morfologische patronen voordoen. Veen, leem, jonge rivierklei, kleiig rivierzand, stuifzand en grind kunnen van plaats tot plaats in uiteenlopende gradientsituaties voorkomen.

In het verleden kon de Maas tijdens ijstijden het karakter hebben van een snelstromende grindrivier, daarom vinden we in de ondergrond naast zand ook veel grind. Nu heeft de Zandmaas een gering verval (ongeveer 9 cm per km bij hoog water over dit riviertraject) en wordt vooral zand en klei afgezet. Onderstaande afbeelding geeft de verschillen in bodemhoogte ten opzichte van het NAP weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0004.jpg"

Bodemhoogte AHN (m)

2.2.3 Water

De Maas

De Maas is een echte regenrivier (er is geen constante aanvoer van smeltwater zoals in de Rijn) en heeft van oudsher zeer variabele waterstanden. Het overgrote deel van het Maaswater komt uit de Ardennen waar door de slecht doorlatende stenige bodem er een tamelijk geringe buffercapaciteit is. In tijden van hoogwater kan er meer dan 3000 m³/s door de rivier stromen en lopen grote delen van het Maasdal onder water. In extreem droge periodes kan de afvoer afnemen tot 50 m³/s en viel de rivier van oorsprong vrijwel droog. Omdat de Zandmaas vanwege lage waterstanden regelmatig onbevaarbaar was zijn in het begin van de vorige eeuw stuwen aangelegd. De rivier kent daardoor een kunstmatig hoog stuwpeil. Dit stuwpeil is vergelijkbaar met de waterstand die de Maas van nature zou hebben bij een afvoer van 1000 á 1200 m³/s. Als de afvoer groter wordt, hebben de stuwen ook geen zin meer en worden deze gestreken.

De Oude Maasarm

De Oude Maasarm vormt vanwege haar ligging en lengte een unieke laagte in het terrassenlandschap. De Oude Maasarm ligt dermate laag dat deze bij hoogwaters vanuit de haven van Wanssum relatief snel instroomt. Bij een verdere stijging van de waterstanden stroomt het water ook via de opening bij Blitterswijck de Oude Maasarm in. Vanaf het moment dat het Maaswater bij Ooijen instroomt, fungeren Blitterswijck en Wanssum als uitstroomopeningen van de dan meestromende Oude Maasarm.

DGR kades

In het kader van de Deltawet Grote Rivieren (DGR) zijn bij Blitterswijck en langs de Ooijenseweg tussen Broekhuizenvorst en Ooijen kort na het hoogwater van 1995 twee groene DGR kades aangelegd. Daardoor werden dorpen als Blitterswijck en Ooijen beschermd tegen Maashoogwaters door afsluiting van de bovenstroomse verbinding tussen de Oude Maasarm en de Maas. Bij hoogwaterfase 1a (bij waterstanden hoger dan 1750 m³/s) wordt een derde, mobiele kade opgebouwd langs de Bergsboslaan en Pluisbergweg. Deze drie kades sluiten aan op hoger gelegen gronden in het gebied. Tezamen met de hoge grond vormen de kades een kadering die het bekade gebied een bescherming van 1:40 á 1:50 jaar geeft. De afsluiting van de Oude Maasarm, en de daarmee gepaard gaande opstuwing in de Maas bij hoog water is voor het waterbeheer op de langere termijn problematisch en vormt de primaire aanleiding voor de gebiedsontwikkeling.

Het dal van de Groote Molenbeek (inclusief Meerlo en Wanssum) valt niet binnen deze kadering maar profiteert wel van de afsluiting van de Maasarm met de kade langs de Ooijenseweg. Om toch het centrum van Wanssum en het industrieterrein te beschermen zijn ook daar kades aangelegd, evenals in Geysteren en Broekhuizenvorst. Op onderstaande afbeelding zijn de primaire waterkeringen en de dijkringgebieden weergegeven. Uit deze afbeelding wordt duidelijk dat de in de waterwet vastgelegde dijkringgbieden niet overeenkomen met de daadwerkelijk door de DGR kades beschermde gebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0005.jpg"

Primaire waterkeringen en de dijkringgebieden

Huidige waterlopen

In het projectgebied liggen verschillende waterlopen. Op onderstaande afbeelding staan deze waterlopen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0006.jpg"

Huidige waterlopen

2.2.4 Natuur

De Oude Maasarm bij Ooijen en Wanssum is een van oorsprong uitgestrekt moeras- en veengebied geflankeerd door bos dat bij tijd en wijle onder invloed van de Maas stond. Het noordelijk deel van de Oude Maasarm valt samen met het dal van de Groote Molenbeek, een dynamisch gebied onder invloed van beek- en rivierdynamiek. De Oude Maasarm is her en der vrij diep in het landschap ingesneden en kent goed ontwikkelde natte kernen, met veel zeldzame, vaak aan kwel gebonden soorten. De oevers van de Maas overstromen frequent en kennen van oorsprong een grote soortenrijkdom. Verder kent het plangebied grote reliëfverschillen, verschillen in bodemtypen en tussen natte en droge condities. Deze bijzondere combinatie van eigenschappen heeft in het plangebied geleid tot een grote ecologische diversiteit. Het meest kenmerkende natuurgebied binnen het plangebied is het Sohr- Legeterbos bij Meerlo-Wanssum. Het bos is gelegen op het laagterras langs de steilrand in het overgangsgebied naar het deklandschap ten westen van de Maas. Door het optreden van kwel en een grote variatie in bodemtypen kent het gebied een grote ecologische diversiteit.

Om een beeld van de aanwezige natuur te krijgen is het deelrapport 'natuur en oppervlaktewater' opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 14 bij deze toelichting opgenomen. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied diverse beschermde planten- en diersoorten voorkomen. Het plangebied vormt een mogelijke groeiplaats voor beschermde plantensoorten, zoals het Rapunzelklokje, Jeneverbes, Lange ereprijs, Wilde marjolein en Drijvende waterweegbree. Daarnaast wordt het gebied gebruikt door de Das, Vleermuizen en vermoedelijk door de Waterspitsmuis. In het gebied zijn vogelsoorten als Buizerd, Groene specht, Zwarte specht, Steenuil en Kerkuil gesignaleerd. In het gebied komen de beschermde vissoorten Rivierdonderpad, Kleine modderkruiper, Bermpje en Bittervoorn voor.

Behalve het Sohr- en Legeterbos liggen binnen het plangebied een aantal verspreid liggende natte natuurgebieden:

  • het Kapelaans Schuitwater ten oosten van Swolgen;
  • het Megelsums Schuitwater ten zuidoosten van Meerlo;
  • de vennen en broekbosjes ten noorden van de Kasteelweg;
  • de Linkstraat ten noordoosten van camping het Karrewiel;
  • het Geystersch Ven ten zuiden van Geijsteren.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0007.jpg"

Ligging van de natuurgebieden

Op de Geijsterenderheide, de Leeberg, de Nieuwlandse bossen, de Hooge Heide, de Galgenberg en de Tienraijsche- en Swolgenderheide is sprake van drogere, veelal beboste stuifzanden. De beekdalen van de Groote Molenbeek, de Oostrumsebeek en de Oude Maasarm, de Maas en het Maasdal hebben een landschappelijke en natuurwetenschappelijke waardevolle betekenis voor het plangebied.In het gebied komen kleine landschapelementen voor, zoals houtopstanden, houtwallen, bomenrijen en bomen, steilranden, oever- en watervegetatie en berm- en greppelvegetatie. Daarnaast kent het plangebied een aantal landschappelijk open gebieden, zoals ten noorden van Wanssum, ten noorden van Blitterswijck tot de provinciale weg Wanssum-Well en ten noordoosten van de Galgenberg.

Ten noordwesten van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen, dat beschermd is onder de Habitatrichtlijn. Een voormalig deel van het landgoed Geijsteren is onderdeel van dit 278 ha grote gebied. Het Natura 2000-gebied ligt in het rivierduinenlandschap met arme zandgronden en sluit aan de noordoostzijde aan op de Oude Maasarm. Droog stuifzandgebied met naaldbos, droge heide, jeneverbesstruwelen en vennen zijn de kenmerkende natuurwaarden van dit gebied. Aan de overzijde van de Maas ligt het Natura 2000-gebied Maasduinen, dat onderdeel uitmaakt van het rivierduinencomplex ten oosten van de Maas, tussen de plaatsen Gennep en Venlo. Het gebied kent een rijke afwisseling van bossen, droge en natte heiden, veentjes, vennen en stuifzanden.

2.2.5 Archeologie en cultuurhistorie

In het plangebied liggen op korte afstand van elkaar voedselrijke grond, water en hoge gronden. Al in het verre verleden waren dit bekende vestigingsplaatsen en het gebied kent dan ook een lange bewoningsgeschiedenis. De waterhuishouding, hoogteligging en de aanwezigheid van de Maas verklaren voor een belangrijk deel de bewoningsgeschiedenis, het landgebruik en de infrastructuur. De invloed van het (Maas)water heeft de ontwikkelingen van dit gebied tegelijkertijd altijd sterk bepaald en beperkt. Daardoor is er hier nog een onaangetast kleinschalig landschap waar reliëf en waterhuishouding nog altijd bepalend zijn voor het landgebruik.

2.2.5.1 Archeologische waarden

Het gebied kent voor een groot gedeelte een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Uit beschikbare onderzoeken en het aantal Archis meldingen blijkt dat op diverse deellocaties in het plangebied archeologische resten aanleiding zijn voor aanvullend onderzoek.

De vroegste bewoningssporen in het onderzoeksgebied dateren uit de periode van jagers en verzamelaars. De vondsten uit de Steentijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en de Middeleeuwen geven aanleiding het plangebied te bestempelen als een bijzonder archeologisch gebied, dat al lange tijd intensief in gebruik is. In het plangebied zijn prehistorische nederzettingen, kampementen en concentraties van vuurstenen voorwerpen aangetroffen, naast vondsten die dateren uit recentere tijden.

Op onderstaande afbeelding zijn de locaties van archeologische waarnemingen weergegeven. In het BAAC-rapport “Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum Archeologische verwachtings- en beleidskaart" is meer uitgebreide informatie opgenomen over de in het plangebied aanwezige en te verwachten archeologische waarden. Dit rapport is als Bijlage 32 bij deze toelichting opgenomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0008.jpg"

Archeologische waarnemingen

2.2.5.2 Cultuurhistorie

Het plangebied kent een lange bewoningsgeschiedenis, die zijn stempel op het gebied heeft gedrukt en waarvan de invloed tot op vandaag de dag is te zien. De kleinschalige kernen omringd door landelijk gebied, de boerderijen, kastelen, oude wegenpatronen (Venrayseweg en Geijsterseweg) en het buitengebied zijn voorbeelden van de langdurige bewoning. Daarnaast is de typische verdeling van weiden in de uiterwaarden en dalen en akkerbouw op de hogere delen nog steeds zichtbaar in het landschap.

Het plangebied herbergt een aantal kastelen en bijzondere gebouwen, die inmiddels een monumentale status hebben. Zo staat er te Meerlo “het Kasteelke” en de uit 1662 stammende Sint Goarkapel. Aan de Blitterwijckse weg staat het Kasteel Ooijen, dat stamt uit de Middeleeuwen.

In Hoofdstuk 11 wordt nader op de aspecten archeologie en cultuurhistorie ingegaan.

2.2.6 Infrastructuur

De provinciale weg N270 doorkruist Wanssum van oost naar west en is de belangrijkste ontsluitingsweg naar Venray (en de A73) en de brugverbinding over de Maas naar Well (en de N271). De provinciale weg is gereconstrueerd en van een rotonde voorzien op de kruising met de provinciale weg N554 naar Blitterswijck- Meerlo. Wanssum is met de omringende dorpen verbonden door wegen die aansluiten op deze provinciale weg. Vanuit Wanssum loopt de Blitterwijckseweg/Ooijenseweg via Blitterswijck en Ooijen richting Broekhuizenvorst en Broekhuizen. Deze weg doorsnijdt het gehele plangebied. Via de Helling is Wanssum verbonden met Meerlo. Deze weg doorsnijdt het Maas- en beekdal via Moleneind. Daarnaast kent het gebied een aantal fiets- en wandelpaden.

Kades

Doordat de oevers van de Zandmaas hoog liggen boden deze een natuurlijke bescherming tegen hoogwaters. De Zandmaas wordt daarom ook wel de ‘onbedijkte Maas’ genoemd. Deze situatie is sinds 1996 veranderd. Sinds die tijd zijn kades geïntroduceerd in het plangebied. In 2005 zijn de Maaskades onder de Wet op de Waterkering (nu Waterwet) gebracht en hebben nu de status van primaire waterkering. De kadetracés sluiten aan op gebieden die hoog genoeg liggen (‘hoge grond’). De waterkeringen en hoge grond vormen samen dijkringen, gebieden omsloten door kades of hoge grond waar een bepaald beschermingsniveau tegen hoogwater geldt. (Toekomstige) kadetracés en dijkringen vormen belangrijke elementen in de netwerklaag omdat dit ook invloed heeft op de ligging van (evacuatie-)wegen en bruggen.

2.2.7 Landbouw

Bepalend voor het grondgebruik in de Oude Maasarm was en is de waterhuishouding en grondsoort. Het gebied kent sinds jaar en dag een kleinschalig en gevarieerd landbouwkundig gebruik. Zo’n twee eeuwen geleden waren in de geul ter hoogte van Ooijen uitgestrekte moerassen te vinden, waar veen werd gewonnen (Habiforum, 2006). De vochtige beekdalen en de Oude Maasarm waren mogelijk in gebruik als grasland. De hogere gronden werden zoveel mogelijk gebruikt als akkers. De landbouw die lange tijd in en grenzend aan de Oude Maasarm plaatsvond, is marginaal te noemen, door de veelal natte condities.

In de Oude Maasarm kunnen in de huidige situatie drie agrarische gebieden worden onderscheiden. Het zuidelijke deel, grotendeels in eigendom van ontgronders (evenals de hoogwatergeul Ooijen) bestaat uit gras- en akkerland. Het middendeel van de Oude Maasarm bestaat van oudsher uit natte grond met marginale agrarische activiteit. Het noordelijke deel (dal van de Groote Molenbeek) is momenteel volledig agrarisch in gebruik. Mede vanwege de jaarlijkse inundatie van deze gronden door de Maas, bestaat het gebruik hier vooral uit grasland De hoogwatergeul Wanssum bestaat voor ca. de helft uit grasland, de andere helft wordt gebruikt voor akkerbouw. Het grondgebruik in het gebied voor de hoogwatergeul Ooijen wordt gekenmerkt door grootschalige akkerbouw, grasland en in mindere mate door boomteelt.

2.2.8 Kern Wanssum

Wanssum ontwikkelde zich sinds het begin van de vorige eeuw van een klein dorpje tot een industrieel en logistiek centrum van regionale betekenis. Het huidige dorp Wanssum wordt door de doorgaande provinciale weg, die de ontsluiting vormt naar Venray / snelweg A73 en de brugverbinding over de Maas naar Well/N271, in tweeën gedeeld. De (jacht)haven deelt het gebied in oost-westelijke richting op. De verkeersaantrekkende werking van de regionale haven en de groei van deze haven zetten de leefbaarheid van het dorp verder onder druk. Deze functies hebben het dorp Wanssum laten groeien, maar hierdoor mist Wanssum ook ruimtelijke samenhang en worden mogelijkheden voor de vorming van een kern belemmerd. De ligging in het winterbed belemmert verdere groei.

De kleine kern heeft grootschalig gerelateerde bedrijvigheid in het noorden. De voormalige gemeente Meerlo-Wanssum heeft in het Masterplan ‘Het Nieuwe Wanssum’ een plan ontwikkeld voor de herstructurering van het dorp, doorgaande weg en haven- en industrieterrein om hiermee een afgestemd woningaanbod te creëren, de leefbaarheid te vergroten en bij te dragen aan de economische ontwikkeling van het dorp en de regio.

2.2.9 Recreatie en toerisme

Het plangebied heeft een kleinschalig, landelijk karakter, met veel groene en agrarische functies. Op korte afstand vinden we hier een rivierenlandschap, kwelgebieden, bossen en beekdalen. Het plangebied is omringd door bijzondere natuurgebieden, zoals het landgoed Arcen, de Hamert, landgoed Geijsteren en het Schuitwater. Dit maakt het gebied aantrekkelijk voor verschillende vormen van (verblijfs)recreatie. Het gebied kent verschillende voorzieningen voor zowel dag- als verblijfsrecreatie. De voorzieningen in het gebied bestaan uit bungalow- of chaletparken, vier campings en enkele B&B’s en pensions.

De ligging aan het Pieterpad, de fiets- en wandelverbindingen, de aanwezigheid van de Maas, natuur en kastelen maken het een uniek gebied met een heel eigen karakter. Het gebied heeft een grote aantrekkingskracht op rustzoekers. De jachthaven Wanssum ligt in het centrum van het dorp en heeft hoofdzakelijk vaste ligplaatsen. De jachthaven wordt gebruikt door zeilers, waterskiërs, jetskiërs en een rondvaartboot. Naast de horecagelegenheid en de supermarkt zijn er weinig aanvullende voorzieningen aanwezig, zoals een detailhandel gericht op watersport. Hierdoor is de haven weinig aantrekkelijk voor passanten. Door zijn ligging deelt de jachthaven de dorpskern in tweeën. De Maas en visvijvers zijn in gebruik bij de hengelsport. Daarnaast bevindt zich op de Maas een snelvaartzone voor jetski's en motorboten. Een aantal gebruikers beschikt over een stukje grond met eigen aanlegsteiger of botenhelling.

2.2.10 Haven- en industrieterrein

De haven van Wanssum en het omliggende industrieterrein zijn van groot belang voor de economische ontwikkeling van de regio Venray en voor de lokale en regionale werkgelegenheid. De haven van Wanssum vormt een onderdeel van het Logistiek Knooppunt Noord-Limburg en heeft als multifunctionele haven een veelzijdige overslagfunctie. Het haventerrein (53 ha bruto) biedt plaats aan ongeveer 40 bedrijven. Het terrein is intensief benut en er is geen uitgeefbaar terrein meer. Verder kent het huidige haven- en industrieterrein haar beperkingen. Bestaande bedrijven worden belemmerd en begrensd in hun bedrijfsvoering doordat ze ingeklemd zitten tussen andere bedrijven, vanwege ontbrekende milieuruimte of omdat ze op de verkeerde plek zitten (wel/niet aan de kade). Een ander knelpunt is de verkeershinder, die wordt veroorzaakt door het vrachtverkeer over de N270. De overslaghaven is ook van groot belang voor de industriële en logistieke taakstelling van Venray. De containeroverslag in de haven is belangrijk voor de logistieke bedrijven op de bedrijventerreinen in Venray. De bulkoverslag in de haven van Wanssum is met name voor de veevoederindustrie van belang.

2.3 Geldend planologisch kader

De gebiedsontwikkeling past niet binnen de huidige planologische kaders. Voor het gebied waarop dit inpassingsplan betrekking heeft, gelden de planologische regimes zoals opgenomen in onderstaande tabel.

Gemeente   Plan   Vastgesteld   Goedgekeurd   Onherroepelijk  
Horst aan de Maas   Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (Deelgebied 3)   10 november 2009     18 maart 2010  
Horst aan de Maas   Bestemmingsplan Maaskernen   3 februari 2009   8 september 2009   17 november 2009  
Horst aan de Maas   Paraplubestemmingsplan 'Huisvesting arbeidsmigranten'   25 juni 2013     5 september 2013  
Meerlo   Beheersverordening Buitengebied   4 juni 2013      
Venray   Bestemmingsplan Buitengebied-Oost   18 juni 2013     20 maart 2014  
Venray   Bestemmingsplan Opslagterrein Geelen Beton Wanssum   21 juli 2011     27 april 2012  
Venray   Bestemmingsplan Partiële herziening Mantelzorg   10 mei 2011     1 juli 2011  
Venray   Bestemmingsplan Boltweg 6-7 Blitterswijck   18 december 2012     1 februari 2013  
Venray   Bestemmingsplan Burgemeester Ponjeestraat   15 december 2008     30 december 2009  
Meerlo - Wanssum**   Algemeen bestemmingsplan   12 oktober 1981   12 april 1983    
Meerlo - Wanssum**   1e partiele herziening algemeen bestemmingsplan   10 november 1986   10 maart 1987    
Meerlo - Wanssum**   Bestemmingsplan Buitengebied Meerlo-Wanssum   31 augustus 1999   9 oktober 2001   13 november 2002  
Meerlo - Wanssum**   Partiële herziening bestemmingsplan Buitengebied   24 september 2007   22 april 2008   19 november 2008  
Meerlo - Wanssum**   Bestemmingsplan Haven- en industrieterrein   9 maart 1987   22 september 1987   14 oktober 1987  
Meerlo - Wanssum**   Bestemmingsplan Partiële herziening Haven- en industrieterrein mestoverslag   14 september 1992   23 maart 1993   15 april 1993  
Meerlo - Wanssum**   Bestemmingsplan Zone industrielawaai bedrijventerreinen Haven Wanssum en Tienray   6 juli 2009   9 februari 2010   30 december 2010  
Meerlo - Wanssum**   Bestemmingsplan Kern Wanssum   6 mei 1991   10 september 1991   27 september 1991  

* Goedkeuring door gedeputeerde staten was aan de orde voor die bestemmingsplannen die onder de werking van de oude Wet op de Ruimtelijke Ordening zijn vastgesteld.

** Is thans gemeente Venray.

2.3.1 Gemeente Venray

De volgende ontwikkelingen zijn gelegen binnen de grenzen van de gemeente Venray:

  • (Uitbreiding) Haven- en industrieterrein Wanssum;
  • Hoogwatergeul Wanssum;
  • Reactivering van de Oude Maasarm waaronder de realisatie van een bredere doorstroomopening in het centrum van Wanssum;
  • Rondweg N270 inclusief brug over de haven;
  • Aanleggen keringen en dijken;
  • Verplaatsing schutterij;
  • Uitbreiding Het Roekenbosch;
  • Natuurcompensatie- en landschapsplan.

De Hoogwatergeul Wanssum, de Oude Maasarm, de Rondweg N270 en de uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum zijn grotendeel gelegen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost'. De huidige haven van Wanssum ligt in het bestemmingsplan 'Haven- en industrieterrein Wanssum'. Ten dienste van de bedrijvigheid is het bestemmingsplan 'Zone industrielawaai bedrijventerreinen Haven Wanssum en Tienray' vastgesteld.

2.3.2 Gemeente Horst aan de Maas

De volgende ontwikkelingen zijn gelegen binnen de grenzen van de gemeente Horst aan de Maas:

  • Hoogwatergeul Ooijen;
  • Reactivering Oude Maasarm en aanleg brugverbinding;
  • Aanleggen keringen en dijken;

De Hoogwatergeul Ooijen en de Oude Maasarm zijn grotendeels gelegen in het bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas (Deelgebied 3)'. De Oude Maasarm ligt tevens in de beheersverordening 'Buitengebied Meerlo'.

Hoofdstuk 3 Relevante beleidskaders

3.1 Rijk

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig", dat is de subtitel van deze structuurvisie. En dat is ook waar het Rijk naar streeft op de middellange termijn (2028). Om deze ambities te verwezenlijken formuleert het Rijk drie hoofddoelen:

  • 1. vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland;
  • 2. verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;
  • 3. waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Voor deze drie Rijksdelen worden 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, waaronder ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke herontwikkeling (nationaal belang 9) . Het Rijk is verantwoordelijk voor het integrale beheer van het hoofdwatersysteem en, samen met de waterschappen, verantwoordelijk voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen. Het is belangrijk dat bij ruimtelijke plannen, waaronder ook stedelijke (her)ontwikkeling, rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het hoofdwatersysteem van Nederland bestaat uit de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer, het Markermeer, de Randmeren, de grote rivieren, de Zuidwestelijke Delta en de Rijkskanalen. Het beheer van het watersysteem is gericht op het meebewegen met natuurlijke processen waar het kan en het

bieden van weerstand waar het moet. Naast preventie als primaire pijler bij de bescherming tegen overstromingen, is het waterveiligheidsbeleid ook gericht op het beperken van de gevolgen van overstromingen als gevolg van keuzes in de ruimtelijke planning en het op orde krijgen en houden van de rampenbeheersing (meerlaagsveiligheid). Het nationale waterbeleid is uitgewerkt in het Nationaal Waterplan 2016-2021 en komt aan de orde in het jaarlijkse Deltaprogramma. Hierin wordt gerapporteerd over de te nemen maatregelen en voorzieningen.

Het Rijk beschermt de primaire waterkeringen (dijken, dammen, kunstwerken en duinen) die in beheer zijn bij het Rijk evenals het kustfundament. Ook stelt het Rijk normen voor de primaire waterkeringen, ook die in beheer bij waterschappen. Daarnaast is de Planologische Kernbeslissing 'Ruimte voor de Rivier' expliciet benoemd in de structuurvisie. Deze blijft bestaan als uitwerking van de SVIR. Ontgrondingen, of de winning van oppervlaktedelfstoffen, is sinds 2003 geen onderwerp van nationaal belang meer. Sindsdien is de regie van de Rijksoverheid hierop afgebouwd. Van belang is nog dat ontgrondingen worden gekoppeld aan andere ontwikkelingen zoals recreatie, water, woningbouw en natuur. Het Rijk monitort nog wel de ontwikkelingen en bepaalt op basis hiervan of een ruimtelijke interventie via het instrumentarium van de Wro nodig is.

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de SVIR is voorts als nationaal belang opgenomen een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten (nationaal belang 13). Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is volgens de SVIR nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio's leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken, is een Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De stappen die ingevolge de Ladder voor duurzame verstedelijking moeten worden gezet, zijn uitgewerkt in paragraaf 4.6.1. De conclusie is overigens dat de nieuwe stedelijke ontwikkelingen die ingevolge het inpassingsplan mogelijk worden gemaakt, voldoen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie

Het inpassingsplan is verenigbaar met de SVIR. Het nationaal belang 'waterveiligheid' wordt met het inpassingsplan behartigd. Verder wordt voldaan aan de eisen van zorgvuldig ruimtegebruik, nu in overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt gehandeld.

3.1.2 Nationaal Waterplan 2016 - 2021

Op 10 december 2015 hebben de Minister van Infrastructuur en Milieu en de Staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 vastgesteld. De looptijd van het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 is van 22 december 2015 tot 22 december 2021. Het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan en de partiële herzieningen hiervan (Wind op Zee buiten 12 nautische mijl en verankering Rijksbeleid Deltabeslissingen). Het Nationaal Waterplan wordt vastgesteld op basis van de Waterwet en is voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. Daarnaast zijn in het Nationaal Waterplan 2016-2021 verwerkt:

  • De gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van watersystemen in Nederland;
  • Benodigde maatregelen en ontwikkelingen;
  • Beheerplannen voor de stroomgebieden;
  • Beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico;
  • Mariene Strategie;
  • Beleidsnota Noordzee;
  • Functies van de Rijkswateren.

Het Nationaal Waterplan 2016-2021 voorziet in een actualisatie van het waterbeleid op een aantal terreinen. Zo is het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater met de vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Het Rijksbeleid is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het Nationaal Waterplan 2009-2015 en opgenomen in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Daarnaast zijn de verschillende afspraken die door het kabinet zijn gemaakt de afgelopen jaren, over beleidsterreinen die raakvlakken hebben met water (zoals het Energieakkoord, de Natuurvisie en Deltaprogramma) verwerkt in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Dit beleid blijft ook afzonderlijk van kracht. Met de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2016-2021 voldoet Nederland tevens aan eisen die uit het Europees recht voortvloeien (de Kaderrichtlijn Water, Richtlijn Overstromingsrisico's en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie).

Conclusie

Het inpassingsplan is verenigbaar met het Nationaal Waterplan 2016-2021. Met het inpassingsplan wordt invulling gegeven aan het nationale waterbeleid gelet op de te treffen hoogwaterbeschermingsmaatregelen, de ruimte aan de rivier en de natuurlijke invulling van deze ruimte.

3.1.3 Het Deltaprogramma

Het zesde Deltaprogramma (DP2016) is op Prinsjesdag 2015 aangeboden aan de Tweede Kamer, samen met de begroting van het Deltafonds. Het Deltaprogramma heeft vanaf 2010 stap voor stap toegewerkt naar de nationale kaders die nodig zijn voor de invoering van een nieuwe aanpak. Het DP2016 is een uitvoeringsprogramma van het Nationaal Waterplan en hierin is zo gedetailleerd als redelijkerwijs mogelijk aangegeven welke maatregelen en voorzieningen in de betreffende periode zullen worden uitgevoerd en welke middelen beschikbaar worden gesteld voor de opgaven, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen beheer en onderhoud enerzijds en aanleg anderzijds. Dit heeft geleid tot de volgende voorstellen voor deltabeslissingen (de deltabeslissingen zijn hoofdkeuzen voor de aanpak van waterveiligheid en zoetwatervoorziening in Nederland en geven daarmee richting aan de maatregelen die Nederland hiervoor inzet, op korte en op lange termijn):

  • deltabeslissing Waterveiligheid;
  • deltabeslissing Zoetwaterstrategie;
  • deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie;
  • deltabeslissing Rijn-Maasdelta;
  • deltabeslissing IJsselmeergebied.
  • strategische beslissing Zand.

En de volgende voorkeurstrategieën:

  • Voorkeursstrategie IJsselmeergebied;
  • Voorkeursstrategie Rivieren;
  • Voorkeursstrategie Rijnmond-Drechtsteden;
  • Voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta;
  • Voorkeursstrategie Kust;
  • Voorkeursstrategie Waddengebied;
  • Hoge Zandgronden.

In de Provincie Limburg worden de voorstellen voor deltabeslissingen en voorkeurstrategieën in het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 verwerkt.

Conclusie

Het inpassingsplan is verenigbaar met het Deltaprogramma.

3.1.4 Beheer- en ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016 - 2021

Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016 - 2021 (Bprw) is op 10 december 2015 vastgesteld en van kracht sinds 17 december 2015 en beschrijft het beheer van de rijkswateren voor de genoemde periode. Rijkswaterstaat voert het beheer van de rijkswateren uit. Het plan vertaalt het Nationaal Waterplan 2016 - 2021 en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar beheer en onderhoud van de rijkswateren. Het Bprw is ook de beheervisie voor het hoofdwatersysteem en de vaarwegen in het beheer bij het Rijk. Het beschrijft rollen, taken en verantwoordelijkheden van Rijkswaterstaat en de te verwachten ontwikkelingen in de planperiode. De kerntaken in het plan zijn:

  • Waterveiligheid; bescherming tegen overstromingen, door implementatie van de deltabeslissingen, de versterking van primaire waterkeringen en het op orde brengen en houden van de uiterwaarden;
  • Voldoende water: het voorkomen van watertekort en wateroverlast, door het uitvoeren van het Deltaprogramma Zoetwater, het Deltaprogramma IJsselmeergebied, het handhaven van de vaste afvoerverdeling bij hoogwater en het tegengaan van verzilting;
  • Schoon en gezond water: dit ziet op de chemische en ecologische kwaliteit van de rijkswateren, waarbij onder meer de Kaderrichtlijn Water (KRW) een rol speelt;
  • Vlot en veilig verkeer over water: de begeleiding van het scheepvaartverkeer en het onderhoud van vaarwegen en kunstwerken;
  • Gebruiksfuncties: door het op orde brengen en houden van de bovenstaande kerntaken ontstaan gunstige condities voor het maatschappelijk en economisch gebruik van de rijkswateren.

Continuïteit is een belangrijk uitgangspunt voor beheer en onderhoud van de rijkswateren. Het plan bouwt daarom nadrukkelijk voort op voorgaande beheerplannen. Het wegwerken van achterstallig onderhoud door versobering en efficiency en de deltabeslissingen over waterveiligheid en zoetwatervoorziening zijn belangrijke ontwikkelingen binnen het plan. Bij beheer, onderhoud en aanleg tellen kwaliteit van de leefomgeving en duurzaamheid nadrukkelijk mee. Net als in de periode 2010-2015 groeit de beheeropgave in de periode 2016-2021. Dat komt door autonome ontwikkelingen zoals bodemdaling en erosie. Ook de oplevering van grote aanlegprogramma's zoals Ruimte voor de Rivier, Maaswerken en het KRW-maatregelenprogramma betekent een vergroting van het te beheren areaal. Daarnaast houdt Rijkswaterstaat om strategische redenen steeds meer gronden in eigen beheer. Het Bprw bevat gebiedsgerichte uitwerkingen met een programma van maatregelen voor beheer en ontwikkeling van de rijkswateren

Conclusie

Het inpassingsplan is verenigbaar met het Bprw.

3.1.5 Beleidslijn Grote rivieren

In 1996 is de Beleidslijn ruimte voor de rivier vastgesteld en in 1997 in werking getreden. In 2006 is de Beleidslijn ruimte voor de rivier herzien. Bij de herziening is de naam veranderd in 'Beleidslijn grote rivieren'. De Beleidslijn grote rivieren bestaat enerzijds uit een beleidsbrief van de toenmalige Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer en anderzijds uit beleidsregels. De Handreiking Beleidslijn grote rivieren (geactualiseerd in 2014) licht het beleid nader toe, maar heeft geen juridische status. De Beleidslijn grote rivieren is na de herziening in 2006 nog een aantal keer gewijzigd. Deze wijzigingen waren voornamelijk van cosmetische aard en betroffen vooral de aanpassing aan en de afstemming op het begrippenkader en de systematiek van de Waterwet. Het doel van de Beleidslijn grote rivieren is de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed van de grote rivieren te behouden en ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken.

De Beleidslijn grote rivieren verenigt twee sporen van beleid; de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. Er is een goede afweging in het ruimtelijk spoor noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Doorwerking in het spoor van de ruimtelijke ordening voorkomt het afgeven van omgevingsvergunningen voor activiteiten waarvoor de watervergunning moet worden geweigerd. Juridisch beschouwd zijn het spoor van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening complementair en staan zij los van elkaar. Een goede doorwerking van waterregelgeving vereist evenwel een adequate procedurele coördinatie tussen het ruimtelijk- en het waterspoor, waar bij de voorbereiding van het inpassingsplan gehoor aan is gegeven.

Conclusie

Het inpassingsplan is verenigbaar met de Beleidslijn grote rivieren. Daartoe wordt ook gewezen op paragraaf 3.1.6 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, waarin wordt beschreven dat aan de vereisten voor het rivierbed en het stroomvoerend deel van het rivierbed wordt voldaan.

3.1.6 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro is bedoeld om kaderstellende nationale belangen door te laten werken op lokaal niveau, en strekt mede ter uitvoering van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In deze paragraaf komen de voor Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum relevante onderwerpen uit het Barro aan de orde.

Rijksvaarwegen

Bij de vaststelling van een inpassingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van een rijksvaarweg of op een vrijwaringszone en dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan (vigerend ten tijde van de inwerkingtreding van de betreffende titel uit het Barro, in dit geval 1 oktober 2012) wordt rekening gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor:

  • de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte;
  • de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart;
  • het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten;
  • de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten,
  • en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.

De Maas is ter hoogte van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum een voor het openbaar verkeer van schepen openstaand oppervlaktewaterlichaam in CEMT-klasse Vb, waarvoor volgens het Barro een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijden van de rijksvaarweg en 50 meter aan weerszijden van de rijksvaarweg binnen een afstand van 300 meter van een vaarwegsplitsing of havenuitvaart moet worden opgenomen, beide gemeten vanaf de begrenzingslijn van de rijksvaarweg zoals opgenomen in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet. Ten behoeve hiervan is in het inpassingsplan een gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-vaarweg' opgenomen, waar een bouwverbod. Afwijking van dit bouwverbod bij omgevingsvergunning is alleen mogelijk indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de vaarweg en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat. Het inpassingsplan is dan ook in overeenstemming genoemde verplichtingen die voortvloeien uit het Barro.

Grote rivieren: Rivierbed

Een inpassingsplan mag alleen nieuwe bestemmingen - ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan - in een rivierbed aanwijzen in het geval er sprake is van:

  • een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft;
  • geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier;
  • een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en;
  • een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert.

De resterende waterstandseffecten of afname van het bergend vermogen dienen in dat geval te worden gecompenseerd. In het inpassingsplan dient vervolgens te worden vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd.

Aan bovenstaande zaken wordt met het inpassingsplan voldaan. Een van de belangrijkste doelen van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is juist het oplossen van de hoogwaterproblematiek en het realiseren van een waterstandsverlaging op de Maas. De taakstelling van het project is een waterstandsverlaging van 35 cm nabij de instroom naar de Oude Maasarm (rivierkilometer 123) plus 2 cm extra waterstandsdaling (overruimte) ten behoeve van ruimtelijke economische initiatieven. Deze taakstelling wordt in het bijzonder door de reactivering van de Oude Maasarm en de hoogwatergeulen gehaald. Door de reactivering van de Oude Maasarm en de aanleg van de twee hoogwatergeulen - in samenhang met alle overige bestemmingen die in het inpassingsplan mogelijk worden gemaakt - neemt de afvoercapaciteit van de Maas in het gebied juist toe. De integrale gebiedsontwikkeling vormt geen belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de Maas en zorgt over het gehele invloedsgebied bezien niet tot een waterstandverhoging. Verder zorgt de gebiedsontwikkeling voor een toename van het waterbergend volume. Dit komt door de uitbreiding van de havenkom bij Wanssum. Een deel van de verruiming wordt teniet gedaan door de ophoging van het haventerrein, maar netto zorgen de ontwikkelingen van de haven voor een verruiming van het bergend vermogen. Tot slot zorgt de gebiedsontwikkeling voor een verbetering van de ecologische toestand van de Maas, nu hoogwaardige natuur wordt ontwikkeld en wordt bijgedragen aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water voor de Maas (realisatie hoogwatergeulen, kwelgeulen). Het vorenstaande is toegelicht in de Nadere beschrijving rivierkunde, die als Bijlage 22 bij het inpassingsplan is gevoegd. Het inpassingsplan is dan ook in overeenstemming met de hiervoor genoemde verplichtingen uit het Barro.

Grote rivieren: Stroomvoerend deel rivierbed

Voor het stroomvoerend deel van het rivierbed geldt dat een inpassingsplan dat betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het rivierbed ten opzichte van het daaraan voorafgaande bestemmingsplan uitsluitend een wijziging mogelijk kan maken, voor zover daarbij een of meer van de volgende activiteiten worden mogelijk gemaakt:

  • de aanleg of wijziging van waterstaatkundige kunstwerken;
  • de verwezenlijking van voorzieningen voor een betere en veilige afwikkeling van de beroeps- of recreatievaart;
  • de bouw of wijziging van waterkrachtcentrales;
  • de vestiging of uitbreiding van overslagbedrijven of het realiseren van overslagfaciliteiten, uitsluitend voor zover de activiteit gekoppeld is aan het vervoer over de rivier;
  • de aanleg of wijziging van scheepswerven voor beroeps- of pleziervaartuigen;
  • de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen;
  • de uitbreiding of wijziging van bestaande steenfabrieken;
  • de verwezenlijking van voorzieningen die onlosmakelijk met de waterrecreatie zijn verbonden;
  • de winning van oppervlaktedelfstoffen;
  • de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  • activiteiten van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  • een functieverandering binnen de bestaande bebouwing;
  • activiteiten die onderdeel uitmaken van de lijst van maatregelen opgenomen in de Bijlage bij de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en waarvan de uitvoering wordt gefinancierd door de Minister van Infrastructuur en Milieu.

Onverminderd hetgeen hiervoor is opgemerkt over 'Rivierbed', mag een inpassingsplan dat betrekking heeft op het stroomvoerend deel van het rivierbed ten opzichte van het daaraan voorafgaande inpassingsplan geen wijziging mogelijk maken, die andere bestemmingen dan de volgende toestaat;

  • de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  • activiteiten van een zwaarwegend bedrijfseconomisch belang voor bestaande grondgebonden agrarische bedrijven die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd;
  • een functieverandering binnen de bestaande bebouwing;
  • activiteiten die onderdeel uitmaken van de lijst van maatregelen opgenomen in de Bijlage bij de planologische kernbeslissing Ruimte voor de Rivier en waarvan de uitvoering wordt gefinancierd door de Minister van Infrastructuur en Milieu,

tenzij daarbij activiteiten worden mogelijk gemaakt die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren op een vanuit rivierkundig oogpunt bezien zo gunstig mogelijke locatie. Hieraan wordt echter slechts toepassing gegeven voor zover in het inpassingsplan is vastgelegd welke maatregelen die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren worden genomen.

Met de gebiedsontwikkeling worden maatregelen genomen die de afvoercapaciteit van de rivier vergroten en de waterstand verlagen met 35 cm nabij de instroom naar de Oude Maasarm plus 2 cm extra waterstandsdaling (overruimte) ten behoeve van ruimtelijke economische initiatieven. Dat laatste is ingegeven door de overweging dat nagenoeg het gehele projectgebied volledig binnen het stroomvoerend deel van de Maas is gesitueerd en economische ontwikkeling van het gehele gebied hierdoor in feite 'op slot' zit. Het is van groot openbaar belang (en daarmee ook één van de projectdoelstellingen) om ruimtelijke en economische ontwikkeling van het gebied mogelijk te maken. Alle bestemmingen in het inpassingsplan zijn ruimschoots en duurzaam gecompenseerd door de rivier verruimende activiteiten en maatregelen die eveneens in het inpassingsplan zijn voorzien. De rivier verruimende maatregelen zorgen er dus voor dat de integrale gebiedsontwikkeling - per saldo - niet zal leiden tot waterstandverhoging of tot een afname van bergend vermogen. Het vorenstaande is toegelicht in de Nadere beschrijving rivierkunde, die als Bijlage 22 bij het inpassingsplan is gevoegd. Het inpassingsplan is dan ook in overeenstemming met de hiervoor genoemde verplichtingen uit het Barro.

Primaire waterkeringen

Bij de eerstvolgende herziening van een bestemmingsplan (in dit geval de vaststelling van een inpassingsplan) dat betrekking heeft op gronden waarop een primaire waterkering ligt of die de functie van primaire waterkering hebben, dient voor die gronden de bestemming <waterkering> te worden opgenomen. Voor de gronden die deel uitmaken van een beschermingszone dient voor die gronden de gebiedsaanduiding <vrijwaringszone-dijk> te worden opgenomen, indien de primaire waterkering een dijk is dient voor de overige gevallen de gebiedsaanduiding <vrijwaringszone-waterstaatswerk> te worden opgenomen. Voorts kan een inpassingsplan dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het vigerende planologisch regime ten tijde van de inwerkingtreding de betreffende titel uit het Barro (1 oktober 2012) worden vastgesteld, voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de instandhouding of de versterking van de primaire waterkering. In het inpassingsplan zijn de voorziene primaire waterkeringen bestemd als 'Waterstaat-Waterkering' en zijn de bij deze waterkeringen behorende beschermingszones bestemd als 'vrijwaringszone-dijk'. Het inpassingsplan is op dit punt in overeenstemming met het Barro.

Natuurnetwerk Nederland (voormalige Ecologische Hoofdstructuur)

De bepalingen in het Barro die zien op het Natuurnetwerk Nederland zijn gericht tot de provincies, die een en ander in een provinciale verordening moeten regelen. Dit onderwerp komt aan de orde in paragraaf 3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening, waarin wordt ingegaan op de Goudgroene natuurzone (Limburgse aanduiding voor het Natuurnetwerk Nederland).

Conclusie

Op basis van de overwegingen in deze paragraaf is de conclusie dat het inpassingsplan in overeenstemming is met het Barro.

3.2 Provincie Limburg

Voor zover provinciaal beleid en wet- en regelgeving betrekking hebben op specifieke aspecten, worden deze behandeld in de hoofdstukken waarin de betreffende aspecten worden beoordeeld.

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL) is op 12 december 2014 door Provinciale Staten van Limburg vastgesteld. Het POL heeft vier wettelijke functies: structuurvisie (Wet ruimtelijke ordening), provinciaal milieubeleidsplan (Wet milieubeheer), regionaal waterplan (Waterwet) en Provinciaal Verkeer- en Vervoersplan (Planwet verkeer en vervoer).

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal, waarbij kwaliteit voorop staat. Om daaraan recht te doen, worden in POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen onderscheiden. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden.

Binnen het bebouwd gebied onderscheiden we de volgende zones:

  • stedelijk centrum,
  • bedrijventerrein,
  • overig bebouwd gebied

In het landelijk gebied gaat het om de zones:

  • goudgroene natuurzone (Limburgs deel van het nationale natuurnetwerk, Natura 2000 en nieuwe natuur);
  • zilvergroene natuurzone (landbouwgebieden met natuurwaarden, delfstoffenwinning i.c.m. natuur);
  • bronsgroene landschapszone (rivier- en beekdalen, landbouwgronden, verblijfsrecreatieve voorzieningen, woningen en bebouwingslinten);
  • buitengebieden (landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing).

Op onderstaande afbeelding zijn de zones weergegeven die van belang zijn voor het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0009.jpg"

Zones, gebiedstypen (Bron: http://www.polviewer.nl/)

Gebiedsvisie Noord-Limburg

Verder zijn per regio visies gemaakt waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijzen worden uitgewerkt. Voor de regio Noord-Limburg gelden verschillende opgaven, die onder meer zien op hoogwaterbescherming, logistiek en bereikbaarheid over weg, water en rail. De Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is in de visie als beoogde maatregel meegenomen en omvat de hoogwaterbescherming, de uitbreiding van de haven van Wanssum en de verkeersproblematiek op de N270.

Bedrijventerreinen

Voor de bedrijventerreinen in de provincie is de opgave vooral groei in kwaliteit. Er is bijzondere aandacht voor terreinen met havenfaciliteiten, zoals de uitbreiding van de haven van Wanssum, en terreinen met vestigingsmogelijkheden voor bedrijven met een hogere milieucategorie. De versterking en doorontwikkeling van het logistieke knooppunt Noord-Limburg (Venlo, Wanssum) is in dat verband van groot belang.

Infrastructuur en bereikbaarheid

De wegen van het Regionaal verbindend wegennetwerk (RVWN), waaronder de N270, dienen te voldoen aan eisen op het gebied van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid. In uiterlijk 2045 dienen alle wegen van het RVWN te voldoen aan de landelijke basiskenmerken. Door werk met werk te maken is het mogelijk om zonder afbreuk te doen aan de functionaliteit, veiligheid en leefbaarheid, dit eindbeeld met de regulier beschikbare financiële middelen te realiseren.

De omlegging van de N270 is van belang voor de bereikbaarheid van het industrieterrein in Wanssum en zorgt voor een verbetering van de leefbaarheid in de kern van Wanssum.

Leefomgeving

Een voortreffelijk leef- en vestigingsklimaat kan natuurlijk niet zonder woon- en leefomgeving van goede kwaliteit. Een gezonde en veilige leefomgeving vraagt om een goede milieukwaliteit waarbij gezondheidsschade en hinder door milieubelastende activiteiten wordt voorkomen. Tevens worden bestaande knelpunten aangepakt, in gevallen waar de kwaliteit nog niet voldoet aan de ambities of wettelijke normen voor het betreffende gebied. De omlegging van de N270 om de kern van Wanssum is een verbetering op het gebied van leefbaarheid.

Landelijk gebied

Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen, zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), de biodiversiteitsopgave, de waterkwaliteitsopgave en de opgaven in de watervoorziening.

Natuur

Uitgangspunt is het instandhouden van de biodiversiteit. De opgave is het realiseren van een robuust en duurzaam in stand te houden netwerk van natuurgebieden als basis voor behoud en herstel van de voor Limburg kenmerkende flora, fauna en habitats, met name in de goudgroene en zilvergroene natuurzone. Het waternetwerk is deels onderdeel van het natuurnetwerk. Belangrijke natuurgebieden, met name de Natura 2000-gebieden, worden versterkt door middel van areaaluitbreidingen, verbeterde inrichting, aanpassing van de waterhuishouding en verbetering van de waterkwaliteit, en vermindering van de stikstofdepositie. Het verbinden van natuurgebieden is daarnaast ook van belang, maar kan doorgaans ook gerealiseerd worden door beekherstelprojecten en door het in stand houden en/of herstellen van netwerken van kleine landschapselementen in combinatie met agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De hoogwatergeulen en de Oude Maasarm (tot aan het Groote Molenbeekdal) zijn als goudgroene natuurzone aangewezen, bij wijze van areaaluitbreiding van natuur. Het plangebied van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum ligt binnen de aanduiding zilvergroene natuurzone. Hier bevinden zich vooral landbouwgebieden met aanwezige natuurwaarden, geschikt voor agrarisch natuurbeheer, maar ook gebieden met delfstofwinningen waar na afloop de ontwikkeling als natuur (mede) aan de orde is.

Maasvallei

De Limburgse Maasvallei is een aantrekkelijk woon-, werk-, en leefgebied met een hoogwaterbescherming die voldoet aan de wettelijke eisen, ook op de lange termijn, rekening houdend met klimaatverandering en mogelijke herijking van normen voor hoogwaterveiligheid. Het wettelijk veiligheidsniveau van 1:250 per jaar overschrijdingskans moet worden bereikt. Daarvoor moeten tot en met 2024 nog een groot aantal projecten worden gerealiseerd en dijkverbeteringen worden uitgevoerd. Dit gebeurt gebiedsgericht en in samenwerking met andere betrokken partijen, onder regie van de provincie.

Regionaal water

De opgave is te komen tot robuuste en natuurlijk functionerende, veerkrachtige watersystemen, waardoor risico's op wateroverlast en watertekort verminderen en ook bij klimaatverandering beheersbaar en maatschappelijk acceptabel blijven. De normen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn hierbij maatgevend: in 2027 moet een goede ecologische en chemische toestand van al het oppervlaktewater en grondwater zijn bereikt, tenzij gekozen is voor doelverlaging, en een verdere achteruitgang van de huidige toestand worden voorkomen. Daarnaast voldoet al het oppervlaktewater aan de kwaliteitseisen ten aanzien van prioritaire stoffen en overige relevante stoffen, uiterlijk in 2027.

De beekdalen vervullen in de aanpak een cruciale functie als strategische waterberging (ruimte voor natuurlijke overstromingen, handhaven infiltratiecapaciteit van de bodem). Nieuw verhard oppervlak wordt gecompenseerd door extra ruimte te realiseren voor waterberging en infiltratiecapaciteit in de buurt van de ingreep.

Landschap en cultuurhistorie, archeologie

De ambitie van de provincie is het behouden en versterken van de kenmerkende kwaliteiten en afwisseling van het landschap, in combinatie met het ruimte bieden aan ontwikkelingen die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van dat landschap. Ruimtelijke kwaliteit wordt gezien als de goede functie op de goede plek op de goede manier ingepast in de omgeving. De aanpak richt zich met name op de landschappelijke kwaliteit van de goudgroene en zilvergroene natuurzones, de bronsgroene landschapszone en het Maasdal (landschappen van provinciaal belang).

De provincie beperkt zich tot archeologische waarden die van provinciaal belang worden geacht. Er zijn een aantal archeologische aandachtsgebieden aangewezen, die bij ruimtelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen goed moeten worden betrokken. Bij ontgrondingen en inpassingsplannen is de provincie bevoegd gezag en wordt de aanpak afgestemd met de gemeente.

Archeologisch onderzoek bij gebiedsontwikkelingsprojecten (met een groot maatschappelijk belang en een groot onderzoeksgebied) moet efficiënt en van goede kwaliteit zijn, maar ook proportioneel is, met een goede balans tussen kennis en kosten. De Maas is voor Limburg een belangrijke cultuurdrager en in de Maasvallei worden de komende jaren grote (hoogwaterbeschermings-) projecten gerealiseerd. Voor de Maasvallei wordt daarom een efficiënt en effectief archeologiebeleid voorgestaan.

Ontgrondingen

De provincie heeft als vergunningverlener en toezichthouder met betrekking tot ontgrondingen een duidelijke regulerende rol. In het Provinciaal Omgevingsplan 2014 is het actuele provinciale beleid ten aanzien van ontgrondingen te vinden. Ontgrondingen vinden plaats op basis van een goede afweging van alle betrokken belangen, waaronder de bijdrage aan de maatschappelijke behoefte aan oppervlaktedelfstoffen. De winning van oppervlaktedelfstoffen gebeurt als onderdeel van projecten met een meervoudige doelstelling en een zo groot mogelijke maatschappelijke meerwaarde. Verder wordt rekening gehouden met de betrokken belangen zoals ecologie, hydrologie, landschappelijke en archeologische waarden en belangen van omwonenden. Ook wordt, indien aan de orde, rekening gehouden met economische belangen, waaronder het belang van de (regionale) werkgelegenheid bij zowel het delfstoffenwinnende als het verwerkende bedrijfsleven.

Bij de winning van zand en grind gaat de voorkeur sterk uit naar projecten die bijdragen aan de waterveiligheid en gebiedsontwikkeling in de Maasvallei. Voor de Maasvallei neemt de Provincie de regie om in samenspraak met gemeenten en bedrijfsleven te komen tot een programmatische aanpak en afstemming van multifunctionele gebiedsontwikkelingsprojecten met winning van oppervlaktedelfstoffen en projecten gericht op waterbeheer en hoogwaterveiligheid. Het project Ooijen-Wanssum is een dergelijk gebiedsontwikkelingsproject dat voldoet aan het provinciaal beleid.

In de Omgevingsverordening zijn procedurevoorschriften voor het aanvragen van een ontgrondingsvergunning opgenomen. Ook zijn gevallen bepaald, waarvoor geen vergunningplicht geldt.

Conclusie

De Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zorgt voor hoogwaterbescherming langs de Maas in combinatie met natuurontwikkeling (toegankelijke natuur en landschap). Met de ontwikkeling van de haven Wanssum wordt een knelpunt in het infrastructureel netwerk voorkomen, wordt invulling gegeven aan de vraag naar terreinen met havenfaciliteiten en wordt ingespeeld op de groei in de containerbinnenvaart. De omlegging van de N270 om de kern van Wanssum voldoet aan de provinciale eisen op het gebied van bereikbaarheid, verkeersveiligheid en leefbaarheid.

De Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is, met al zijn onderdelen, opgenomen in het POL en past binnen de verschillende relevant beleidsuitgangspunten en opgaven, zoals die hierboven zijn beschreven.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening Limburg is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Daarnaast bevat de verordening in het hoofdstuk 'Ruimte' regels ten behoeve van de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen en zijn de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document.

Er zijn verschillende onderdelen uit de Omgevingsverordening van toepassing op het inpassingsplan.

  • 2.2 Ladder van duurzame verstedelijking;
  • 2.6 Goudgroene natuurzone;
  • 2.7 Bronsgroene landschapszone;
  • 2.9 Zone natuurbeken.

In de hoofdstukken 2 en 11 van deze toelichting wordt uitgebreid ingegaan op de cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten van het landschap. Daarbij wordt ingegaan hoe deze kwaliteiten worden beschermd. Tevens is een natuurcompensatie- en landschapsplan opgesteld waarin de negatieve effecten op de natuurlijke en landschappelijke waarden worden gecompenseerd. Hiermee wordt voldaan aan de Provinciale Omgevingsverordening.

3.2.3 Havennetwerkvisie 2030

De ontwikkelingen in de mainport Rotterdam maar ook die in Antwerpen zijn van grote invloed op de Limburgse binnenhavens, met name op het gebied van containerbinnenvaart en -overslag. Er zit groei in de containermarkt, minder in transport van bulk en stukgoederen. De Provincie Limburg en de Limburgse havengemeenten hebben een Havennetwerkvisie gemaakt die hier op in speelt.

Limburg is in staat om deze groei op te vangen. Zo wordt de Maasroute opgewaardeerd naar vaarklasse Vb, (duwkonvooien van 185 meter lang, laadvermogen van 3200 ton) en zijn in Wanssum en Weert havenuitbreidingen gepland.

3.2.4 Provinciaal Waterplan

Op 11 december 2015 hebben Provinciale Staten van de Provincie Limburg het Provinciaal Waterplan Limburg 2016-2021 vastgesteld. Dit plan is de opvolger van het Provinciaal Waterplan Limburg 2010-2015 en een uitwerking van het strategisch waterbeleid in POL 2014. Het waterplan is voor wat betreft de ruimtelijke aspecten tevens een provinciale structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening en bevat onder andere de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die de komende zes jaar worden uitgevoerd, op het gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei (waaronder Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum), de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationaal Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water. Ook worden in het waterplan de functies van regionale wateren vastgelegd.

Conclusie

Het inpassingsplan is in verenigbaar met het Provinciaal Waterplan.

3.3 Waterschap Peel en Maasvallei

3.3.1 Visie Waterbeheer Limburg 2020

Op 18 december 2012 hebben de Waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas de Visie Waterbeheer Limburg 2020 vastgesteld. In deze visie schetsen beide waterschappen hun visie op integraal waterbeheer, namelijk veilige dijken, droge voeten, schoon water en voldoende water, zowel in de grond als in de beken en rivieren. Voor 2020 dienen in het kader van de hoogwaterbescherming van de Maas o.a. een aantal (verschillende) maatregelen te zijn uitgevoerd. Van belang voor het inpassingsplan zijn:

  • Tot 2020 het versterken van circa 100 km aan waterkeringen conform de Bestuursovereenkomst Waterveiligheid Maas. Hiervoor is de financiering al geregeld via het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
  • Voor de toekomstige hoogwaterbescherming wordt gekozen voor de principes 'ruimte voor de rivier' en meerlaagsveiligheid. Waar mogelijk wordt de combinatie gezocht met integrale gebiedsontwikkelingen.
  • Sinds 2012 wordt geparticipeerd in een gebiedsproces vanuit het Deltaprogramma Rivieren om de norm per dijkring te heroverwegen. Hierin worden ook de principes van de meerlaagsveiligheid meegenomen.
3.3.2 Waterbeheerplan 2016 - 2021

Op 14 oktober 2015 hebben de Limburgse waterschappen een waterbeheerplan vastgesteld voor de periode 2016-2021. Het beheerplan bevat een programma van maatregelen en voorzieningen die, in aanvulling op en ter uitwerking van hetgeen in het Nationaal- en Provinciaal Waterplan is opgenomen over maatregelen, nodig zijn met het oog op de ontwikkeling, werking en bescherming van de regionale wateren onder vermelding van de bijbehorende termijnen. Het beheerplan voorziet ook in de aanvullende toekenning van functies aan regionale wateren. Daarnaast zijn in het beheerplan de voornemens opgenomen voor de wijze waarop het beheer van waterstaatswerken wordt gevoerd. Ten slotte bevat het beheerplan een overzicht van de financiële middelen die voor de uitvoering van het programma en het te voeren beheer nodig zijn. Het waterschap heeft ingevolge de Waterschapswet en de Waterwet taken en bevoegdheden inzake:

  • zorg voor het watersysteem. Het beheer van het regionale watersysteem en daarmee de taak zorg te dragen dat het watersysteem aan de doelstellingen van de Waterwet voldoet. Het gaat daarbij zowel om kwaliteitsbeheer als om kwantiteitsbeheer, de zorg voor de bescherming tegen wateroverlast en overstromingen (waterkeringszorg), en de zorg dat het watersysteem aan zijn maatschappelijke functies kan voldoen;
  • zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater in RWZI's;
  • (vaar)wegenbeheer, indien opgedragen aan het waterschap;
  • het maken van een beheerplan voor de regionale watersystemen en het vaststellen van een legger voor waterstaatswerken;
  • het vaststellen van de keur ingevolge de Waterschapswet;
  • het vaststellen van peilbesluiten voor waterlichamen bij provinciale verordening aangewezen;
  • aanleg en beheer van waterstaatswerken;
  • grondwaterzorg (kwantitatieve grondwaterbeheer, voor zover niet opgedragen aan de provincie);
  • waterbodemsanering;
  • muskusrattenbestrijding;
  • regionale calamiteitenplannen.
3.3.3 Keur, Algemene regels, Beleidsregels en Legger

De belangrijkste instrumenten om de hiervoor beschreven taken en bevoegdheden te kunnen uitvoeren zijn de Keur (inclusief de bijbehorende Algemene regels en de Beleidsregels) en de Legger.

De Keur is een verordening van het waterschap. Op 1 januari 2014 is de Keur Waterschap Peel en Maasvallei met de bijbehorende Algemene regels en Beleidsregels in werking getreden. Bij het bouwen en/of gebruik van watersystemen (oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken, inclusief eventuele beschermings-/vrijwaringszones) dienen de Keur en de Algemene regels van Waterschap Peel en Maasvallei in acht te worden genomen. In deze regelgeving zijn verbods- en gebodsbepalingen opgenomen die betrekking hebben op de 'eigen huishouding' van het waterschap. De Keur heeft de regulering ten behoeve van de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel, waaronder de zorg voor waterkeringen en de waterhuishouding. De Keur is daarmee een belangrijk normerend instrument bij de uitvoering van bepaalde activiteiten (in de nabijheid) van de in de Legger aangewezen waterstaatswerken. Van de ge- en verboden kan ontheffing (watervergunning) worden verleend. Daarnaast kunnen bepaalde activiteiten/handelingen zijn uitgezonderd van de ontheffing-/(watervergunning)plicht ingevolge de Algemene regels. Indien een bepaalde activiteit of handeling onder de Algemene regels valt, dienen de voorschriften die in de Algemene regels zijn opgenomen in acht te worden genomen. Daarbij kan ook een meldingsplicht gelden. Beleidsregels kunnen (indien die ten aanzien van een bepaalde activiteit/handeling zijn gesteld) van belang zijn bij de beoordeling van watervergunningaanvragen door het waterschap. Beleidsregels kunnen worden opgesteld door het waterschap ter invulling van de beleidsvrijheid bij de gebruikmaking van een bepaalde bevoegdheid. Het waterschap kan daarmee inzicht geven in de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften als het waterschap gebruik maakt van een bepaalde bevoegdheid. In de Beleidsregels geeft het waterschap dus aan op welke wijze aanvragen om een watervergunning voor bepaalde activiteiten/handelingen worden beoordeeld en welke criteria daarbij een rol spelen. Ook voor aanvragers van watervergunningen (initiatiefnemers) kunnen de Beleidsregels voordelen hebben, omdat een initiatiefnemer op voorhand kan beoordelen of een initiatief wel of niet haalbaar is en waar de initiatiefnemer rekening mee moet houden.

De Legger en de Keur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de Legger worden de fysieke grenzen van waterstaatswerken, waarop de Keurbepalingen van toepassing zijn, opgenomen. In de Legger wordt omschreven waar waterstaatswerken (inclusief beschermingszones/vrijwaringszones) naar ligging, vorm, afmeting, en constructie moeten voldoen. De ligging van de waterstaatswerken wordt nauwkeurig in het grafische deel (op overzichtskaarten) van de Legger vastgelegd. Het belangrijkste doel van de Legger is de waarborging van de instandhouding van waterstaatswerken, de toetsing van de onderhoudssituatie van deze werken en het verschaffen van inzicht in het functioneren van het watersysteem. Daarnaast geeft de Legger - gezien de daarin aangegeven begrenzingen van de waterstaatswerken - inzicht in de reikwijdte van de (opgelegde/op te leggen) gedoogplichten.

Na vaststelling van het inpassingsplan zal het Waterschap Peel en Maasvallei overigens te zijner tijd de bestaande Legger actualiseren, dan wel een nieuwe Legger vaststellen voor een aantal waterstaatswerken in het plangebied.

3.3.4 Conclusie

Het inpassingsplan is verenigbaar met de Visie, het Waterbeheerplan en de regelgeving van Waterschap Peel en Maasvallei. Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum voorziet onder andere in hoogwaterbescherming door het creëren van meer ruimte voor de rivier en de aanleg- en verlegging van primaire waterkeringen. Daarbij draagt Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum ook bij aan de visie van de Waterschappen Peel en Maasvallei en Roer en Overmaas inzake integraal waterbeheer.

3.4 Gemeente Venray

3.4.1 Strategische visie

In de Strategische visie Venray Dorp en Stad wordt geformuleerd waar de gemeente Venray in het jaar 2015 wil staan. Met deze visie kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. In de visie wordt de bewuste keuze gemaakt om dorp én stad te zijn.

Onder het thema 'Venray is kennisintensief' wordt onder andere ingegaan op de gewenste economische ontwikkeling van de gemeente, namelijk het bieden van ruimte aan behoud en groei van de bestaande werkgelegenheid en bedrijvigheid, bij voorkeur in de dienstensector en de moderne kennisindustrie.

3.4.2 Ontwikkelingsperspectief 2015

Het Ontwikkelingsperspectief 2015 dient als verbindende schakel tussen het strategisch beleid in de Strategische visie en het tactisch beleid in de verschillende Dorp- en Wijkontwikkelingsplannen. Daarbij worden dezelfde thema's aangehouden als in de Strategische visie, maar deze worden in dit document verder uitgewerkt in richtinggevende beleidsuitspraken met keuzes voor ontwikkelingen op middellange termijn. Het gemeentebestuur hanteert dit als leidraad bij de afweging van concrete beslissingen of voor de inzet van bestuurlijke uitvoeringsinstrumenten. Daarnaast bevat de nota een uitvoeringsprogramma.

3.4.3 Economische visie Venray 2008 - 2020

In haar Economische visie Venray 2008 - 2020 geeft de gemeente Venray verdere invulling aan de doelstelling 'Venray is kennisintensief' uit de Strategische Visie. Het bevat het gemeentelijk economisch beleid voor de periode 2008 - 2020, met waar nodig een doorkijk naar 2020/2025.

In de economische visie kiest Venray voor de volgende drie speerpunten:

  • Kennis en innovatie;
  • Kwaliteit en duurzaamheid;
  • Regionale identiteit.

Venray streeft naar voldoende en voldoende gevarieerde werklocaties voor bedrijven voor nu en in de toekomst en voor elke fase, waarin een bedrijf zich bevindt (startend, internationaal). Er gaat dus niet alleen maar aandacht uit naar nieuwe bedrijfskavels (van verschillende omvang en type), maar ook naar het bieden van mogelijkheden voor werken aan huis, in een bedrijfsverzamelgebouw of in een opgeknapt pand uit de bestaande voorraad. Behoud en versterking van de lokaal aanwezige bedrijven staat voorop, maar ook het voorkomen van leegstand en/of verpaupering.

Venray wil nieuwe uitbreidingsruimte creëren en de bestaande terreinen revitaliseren, waarbij ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid centraal staan. Er is verschil in kwaliteitsniveaus tussen de bedrijfsterreinen en binnen één bedrijfsterrein, maar elk terrein heeft een bepaalde basiskwaliteit. In de economische visie is per bedrijfsterrein het gewenste kwaliteitsniveau bepaald en zijn inrichtingsprincipes met oog voor ruimtelijke kwaliteit verwoord.

De gemeente Venray stimuleert de invoering van parkmanagement op alle bedrijventerreinen en kantorenlocaties in Venray.

3.4.4 Kadernota Toerisme en Recreatie

In de Kadernota Toerisme en Recreatie (2010) zijn de aantrekkingskracht van de stedelijke voorzieningen in het centrum van Venray en de charmes van de kernen in het fraaie landschap tussen de Maas(duinen) en de Peel belangrijke aandachtspunten. De gemeente wil – binnen de kaders van de aanwezige kernwaarden van het gebied – het toeristisch-recreatieve product van de gemeente verder ontwikkelen en kwalitatief versterken. Voor het behoud van een aantrekkelijk landschap zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd:

  • Het behouden, beschermen en versterken van de kwaliteiten van het landschap tussen Peel en Maas;
  • Het, waar mogelijk beter toegankelijk en beleefbaar maken van deze kwaliteiten voor (extensieve) dagrecreatie, bijvoorbeeld door het leggen van een koppeling tussen landschaps- en natuurontwikkeling en cultuurhistorie.
  • Het stimuleren van kleinschalig agrotoerisme in dorpen en buitengebied, voor zover landschappelijk inpasbaar.
  • Uitvoeren van nader onderzoek gedaan naar de mogelijkheid tot bundeling van toeristisch-recreatieve activiteiten in het buitengebied, en inpasbaarheid van grotere initiatieven op dit terrein.

Voor het versterken van toerisme en recreatie in het algemeen gelden de volgende uitgangspunten:

  • ruimte bieden aan nieuw onderscheidend aanbod en kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod;
  • verbeteren van onderlinge verbindingen/routes tussen de recreatieve activiteiten, onder andere door het vervolmaken van de fiets- en wandelroutes tot één knooppuntensysteem en modernisering daarvan via GPS;
  • ontwikkelen van nieuwe routes in relatie tot het culturele erfgoed of tot specfieke thema's, zoals het Rooms Katholieke erfgoed, de Tweede Wereldoorlog;
  • inspelen op de toenemende behoefte aan individueel sporten door uitbreiding van allerlei sportieve routes;
  • uitvoeren van nader locatieonderzoek naar mogelijkheden tot bundeling van toeristische en recratieve voorzieningen en/of inpassing van grootschaligere ontwikkelingen;
  • uitvoeren van nader onderzoek gedaan naar mogelijkheden om de waterrecreatie te bevorderen en naar het beter toegankelijk en beleefbaar maken van met name de Maas.

De gebieden in het inpassingsplan, waar rivierverruimende maatregelen zijn voorzien, worden ingericht als natuurgebied, wat past in de visie van de gemeente.

3.4.5 Ruimtelijk kwaliteitskader buitengebied

In dit kader zijn de landschappelijke kenmerken, de functionele en ruimtelijke opbouw van het buitengebied onderzocht en (per deelgebied) beschreven. Vervolgens zijn ruimtelijke en functionele beleidskeuzes gemaakt voor de toekomstige mogelijkheden van de diverse deelgebieden.

Voor het inpassingsplan is het gebied Wanssum en Blitterswijck relevant. Dit wordt grotendeels beïnvloed door de Maas, de Grote Molenbeek en de oude stroomgeulen van de Maas die beeldbepalend zijn voor de structuur van het landschap. Ontwikkelingen worden in sterke mate door het waterregime van de Maas bepaald, waarbij de oude stroomgeulen hoofdzakelijk open gebieden blijven, die op den duur met extreem hoge Maaswaters meestromen met de Maas. In de tabel hieronder zijn de relevante streefbeelden uit het kader verwoord.

Het vergroten van het waterbergend vermogen van de oude Maasarmen gaat gepaard met ontwikkeling van natuur. In het gebied vinden de komende jaren grootschalige wijzigingen plaats in het kader van de gebiedsuitwerking. Bedrijvigheid kan worden behouden en versterkt rondom de Helling, Krekelkamp, Blitterswijck en de Ooijenseweg.

Streefbeeld   Gebied Wanssum en Blitterswijck  
Landschappelijke structuur   Behouden van bestaande structuren  
Landschappelijke elementen   Behoud en versterking laanbeplanting van de invalswegen. Geen beplanting in open structuren.
Bij erfbeplanting afwisselend beeld van open- en geslotenheid creëren met spannende doorzichten/zichtlijnen naar achtergelegen open gebied.  
Verkavelingsstructuur/ bebouwingsstructuur   Behoud van grootschalig patroon verkaveling en bestaande bebouwingsstructuur in de vorm van linten.  
Functionele structuur   Behoud van veehouderij in het gebied. Aan randen van open gebieden mogelijk, met boomteelt, tunnelkassen etc. Openheid van esgrond en beekdal zo veel mogelijk behouden. Versterken van recreatieve functies.  

In het Ruimtelijk kwaliteitskader is de gebiedsontwikkeling al meegenomen.

3.4.6 Dorpsontwikkelingsprogramma Wanssum

Op 1 november 2011 heeft de Raad van de gemeente Venray het Dorpsontwikkelingsprogramma Wanssum vastgesteld. Dit is een structuurvisie is opgesteld door de Dorpsraad Wanssum en gedragen door het dorpspanel en de inwoners van Wanssum. Wanssum wordt in deze visie een open, sociaal en levendig woondorp voor alle bevolkingsgroepen met de daarbij behorende voorzieningen. Daarnaast is het ook een aantrekkelijk dorp voor (water)recreanten. Om de aantrekkelijkheid van het dorp voor de eigen bewoners te versterken is een dorpshart met onder andere een multifunctionele accommodatie een belangrijk item. Van cruciaal belang hierbij is de herinrichting van de Venrayseweg/Brugstraat (en de aanwezigheid van de rondweg), zodat de huidige verkeersader door de kern, die de kern in twee delen splitst, is veranderd in een autoluw verblijfsgebied.

Het inpassingsplan draagt bij aan het programma; door de rondweg wordt kern van Wanssum wezenlijk ontlast.

3.4.7 Toekomstvisie Haven Wanssum

In deze toekomstvisie (september 2011) worden de belangrijkste uitgangspunten en randvoorwaarden geschetst voor een duurzame en verantwoorde ontwikkeling van de haven, die een belangrijke functie heeft voor de aan- en afvoer van goederen via de binnenvaart. Door uitbreidingswensen van zittende bedrijven en van regionale en landelijke ontwikkelingen op het gebied van de binnenvaart is extra behoefte aan 'nat' bedrijventerrein ontstaan. De geplande maatregelen in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum bieden kansen voor een verdere ontwikkeling van deze haven en voor Wanssum. Bij deze ontwikkeling moet nadrukkelijk aandacht zijn voor de leefbaarheid voor de inwoners van Wanssum en de in het gebied aanwezige natuur- en landschapswaarden. Het bestaande industrieterrein wordt functioneel beter ingedeeld (inwaartse zonering en branchering) en de haven en het industrieterrein worden uitgebreid. Zeer zware milieubelastende activiteiten (die nu nog wel zijn toegestaan) worden geweerd en het industrieterrein wordt gezoneerd (conform Wet geluidhinder). Belangrijke randvoorwaarde voor de uitbreiding van de haven en industrieterrein is de aanleg van de nieuwe rondweg. Uitbreiding zonder rondweg leidt tot een verdere toename van het aantal verkeersbewegingen door Wanssum, wat uit oogpunt van leefbaarheid niet aanvaardbaar is. De toekomstvisie heeft mede geleid tot het inpassingsplan.

3.4.8 Verkeers- en vervoersbeleid

Het verkeers- en vervoersplan (VVP 2007) ziet op de periode 2006 – 2015 en bevat de volgende vier doelstellingen:

  • een voortzetting van het 'Duurzaam Veilig'-beleid;
  • het mogelijk maken/ondersteunen van ruimtelijke ontwikkelingen door het verbeteren van de bereikbaarheid;
  • het bijdragen aan het verbeteren van de leefbaarheid, het welzijn, de economie en het milieu;
  • het verbeteren van de verkeersveiligheid voor alle, maar vooral voor de kwetsbare verkeersdeelnemers.

De gemeente onderscheidt verschillende wegtypes (stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen wijkontsluitingswegen en erftoegangswegen. De inrichtingseisen voor gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen lenen zich niet zonder meer voor toepassing op bedrijventerreinen, vanwege het grote aandeel (lang en zwaar) vrachtverkeer. In een nieuwe Visie Wegenstructuur en Wegcategorisering, die geldt in aanvulling op het VVP, is daarom bepaald op openbare wegen op bedrijventerreinen maatwerk wordt toegepast.

Uit het VVP blijkt dat het verkeer op de autosnelwegen en hoofdwegen in en rondom Venray fors is toegenomen en dat het verkeer de hoofdwegen een barrière vormt. In de Visie zijn hiervoor oplossingsrichtingen benoemd, waarbij vooral moet worden gekeken naar uitbreiding en optimalisatie van de bestaande wegenstructuur. De geplande rondweg past in dit beeld.

3.4.9 Verkeersvisie Wanssum, Blitterswijck en Geijsteren

De Verkeersvisie Wanssum, Blitterswijck en Geijsteren is gericht op een nieuwe verkeerssituatie in en rondom Wanssum, Blitterswijck en Geijsteren. De principes hiervoor zijn af te leiden uit het gemeentelijke verkeer- en vervoerbeleid en zijn bereikbaarheid, verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid. De provinciale weg N270 (vanuit Eindhoven, via Helmond, Deurne en Venray, dóór Wanssum naar Well) is een belangrijke schakel in het regionaal verbindende wegennet van Oost-Brabant en Noord-Limburg. De weg biedt aansluiting op het hoofdwegennet van de A73 nabij Venray, de A2 nabij Eindhoven en in Well op de N271 op de oostelijke Maasoever. De weg wordt gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg. Vanaf de huidige rotonde aan de oostkant van Wanssum bieden gemeentelijke wegen doorgaande verbindingen naar Blitterswijck en Meerlo.

In de visie zijn de komst en het tracé van de rondweg een gegeven. De visie beschrijft vanuit dit gegeven de gevolgen ervan voor de omliggende lokale wegenstructuur.

De gemeentelijke wegenstructuur is op basis van het beleid in, onder meer de visie, ingevuld waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met de historisch gegroeide wegenstructuur maar ook met de komst van de rondweg en de wijzigingen die daar het gevolg van zijn.

3.4.10 Beleidsnota Parkeernormen

De Beleidsnota Parkeernormen (december 2013) is van toepassing op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en plannen binnen de gemeente (nieuwbouw, verbouw, uitbreiding of wijziging van functies). Verder is de nota van toepassing op ruimtelijke plannen.

De beleidsnota is een richtlijn waarmee externe partijen (adviesbureaus, projectontwikkelaars, woningbouwverenigingen, makelaars enzovoort) de parkeerbehoefte en de bijbehorende parkeereisen kunnen bepalen. De regels van het inpassingsplan verwijzen naar het gemeentelijk parkeerbeleid, waarbij uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein plaatsvindt.

3.4.11 Energiestrategie Beesel - Venlo - Venray 2030

In 2013 is de Energiestrategie Beesel-Venlo-Venray vastgesteld met als doel: energieneutraliteit in 2030 (met compenserende maatregelen).

De gemeenten kiezen voor een strategie gericht op:

  • het zichtbaar maken van economische kansen waardoor deze ten volle kunnen worden benut;
  • het mobiliseren van de samenleving door partijen bij elkaar te brengen en netwerken te vormen;
  • het faciliteren van initiatieven vanuit de samenleving waarbij het accent ligt op 'grote klappers', pareltjes vinden, synergie zoeken en betrouwbaarheid tonen.

De gemeenten verwachten een nadrukkelijke bijdrage en initiatief van de bedrijven, aangezien daar grote energieverbruikers tussen zitten en dus grote slagen te maken zijn. Door gezamenlijk of individueel te investeren in bijvoorbeeld zonnepanelen kunnen ze hun energiekosten verlagen. De rol van de gemeenten is om die initiatieven aan te jagen door economische kansen zichtbaar te maken, kennis te delen en te verspreiden, verbindingen te leggen, barrières weg te nemen en positieve aandacht te geven aan interessante projecten.

3.4.12 Welstandsnota 2013

De ambitie van de welstandsnota is behoud van ruimtelijke kwaliteit en wederzijds vertrouwen. Er is een onderscheid gemaakt in gebieden. Voor beeldbepalende en belangrijke gebieden blijft het welstandstoezicht behouden. Minder beeldbepalende gebieden zijn welstandsvrij. Daarnaast geldt een differentiatie in bouwplannen: de mate van de ingreep is bepalend voor de mate van welstandstoezicht.

Voor de minder grote bouwplannen in gebieden als woonwijken en bedrijventerreinen en de kleinere bouwplannen gelden daarom geen preventieve welstandscriteria: deze zijn welstandsvrij. Voor de uitbreiding van het industrieterrein geldt een uitzondering en is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat wordt geïntegreerd in de welstandsnota.

3.4.13 Algemene conclusie

In het gemeentelijk beleid is eigenlijk al rekening gehouden met de komst van de rondweg en de uitbreiding van het industrieterrein. Ook de hoogwaterbeschermingsmaatregelen passen in de ambities van de gemeente, ook vanwege het feit dat de gronden na uitvoering van de maatregelen als natuur worden ingericht.

3.5 Gemeente Horst aan de Maas

3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas

De Structuurvisie Horst aan de Maas (9 april 2013) is een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal maatschappelijke ontwikkelingen voor de langere termijn en biedt een basis voor kostenverhaal in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs KwaliteitsMenu (LKM) is geïmplementeerd. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de structuurkaart uit de structuurvisie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0010.jpg"

Structuurkaart Structuurvisie

In de Structuurvisie worden de volgende hoofdthema's uitgewerkt:

  • Integrale visie op hoofdlijnen
  • Wonen en woonomgeving
  • Economie en werkgelegenheidsgebieden
  • Zorg en Welzijn
  • Omgevingskwaliteit
  • Mobiliteit

Integrale visie

Het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas bestaat (op hoofdlijnen en van west naar oost) uit drie afzonderlijke landschapstypen: het hoogveenontginningenlandschap, het zandgrondenlandschap en het rivierdallandschap. Deze categorieën onderscheiden zich op basis van ondergrond, infrastructuur en gebruik. De ruimtelijk economische ontwikkelingen, zoals deze de komende jaren voorzien worden, sluiten nagenoeg naadloos op deze landschapsindeling aan.

Het plangebied Ooijen-Wanssum is gelegen in het rivierdallandschap. Dit landschap staat sterk onder invloed van de Maas en bestaat uit een kleinschalige mix van oude akkercomplexen, jonge ontginningen en bos- en natuurgebieden, waaronder de natte Oude Maasarmen, de hoger en droger gelegen bossen op de rivierduinen en steilranden en glooiingen. Dit landschapstype is het meest intact gebleven en deze zone heeft dan ook de meeste cultuurhistorische waarde. De meeste bebouwing is gesitueerd aan de Maas. Het rivierdallandschap is relatief rustig en natuurlijk van karakter. De invloed van het water vertaalt zich onder meer in een afwisselend patroon van bebouwing en beplanting, afgewisseld met meer open gebieden. Het grootste deel van het landschap wordt agrarisch gebruikt. De Maas heeft - voor de gemeente - met name een toeristische functie, met drie veerponten (in Broekhuizen, Lottum en Grubbenvorst).

In het oostelijk deel spelen ontwikkelingen gekoppeld aan de Maas een grote rol. De vele bestaande kwaliteiten en ook veiligheidsregimes maken dat kleinschalige ontwikkelingen, zoals natuurontwikkeling, ruimte voor retentie en berging van water en extensieve recreatieve ontwikkeling gewenst zijn.

Economie en werkgelegenheidsgebieden

Eén van de speerpunten in de structuurvisie is het versterken van de concurrentiepositie van duurzame agribusiness. Meer specifiek is beleid geformuleerd voor de intensieve veehouderij en glastuinbouw in de vorm van een zogenaamde 'voor- en nadelenanalyse intensieve veehouderij/glastuinbouw' (15 mei 2012). Aanvullend hierop wil de gemeente in overleg met de provincie en regiogemeenten aanvullende eisen formuleren voor stikstofreductie bij nieuwe initiatieven (nieuwvestiging dan wel uitbreiding).

Toerisme en recreatie

De gemeente wil de kwaliteit van toerisme, recreatie en horeca verhogen, onder andere door in te zetten op een divers en een kwalitatief hoogwaardig aanbod. Bestaande recreatiebedrijven en horecabedrijven moeten zich verantwoord (verder) kunnen ontwikkelen en nieuwe initiatieven moeten onderscheidend en vernieuwend zijn. Ook streeft de gemeente naar verbreding van de bedrijfsvoering, in de vorm van bijvoorbeeld een combinatie van kampeerterreinen en binnenaccommodaties en andere dagrecreatieve voorzieningen naast verblijfsrecreatie. Agrarische bedrijven combineren hun activiteiten vaker met recreatieve, toeristische en horeca-activiteiten. Een professionele aanpak is uitgangspunt.

De 'Visie (verblijfs)recreatie en horeca Horst aan de Maas' bevat een toetsingskader voor de beoordeling van verzoeken op het gebied van (verblijfs)recreatie en horeca. Stapeling van nevenactiviteiten wordt gezien als een nieuw initiatief. Bij nieuwe initiatieven wordt gekeken naar kwaliteitsverbetering, onderscheidend vermogen, algemene voorwaarden, het inpassingsplan en, vooral, de locatie en de omgeving. Voor het landelijk gebied geldt een zonering ter bescherming van kwetsbare functies en waarden.

Omgevingskwaliteit

Het thema omgevingskwaliteit ziet op de aspecten milieu, natuur, ruimtelijke ordening, sociale belangen, economische belangen en mobiliteit. De gemeente Horst aan de Maas streeft ernaar om de bestaande omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Aanvullend op dit beleid wordt grote waarde gehecht aan het open cultuurlandschap, zoals bijvoorbeeld het Meterikseveld, Meldersloseveld, tussen Sevenum en Kronenberg en tussen Lottum en Broekhuizen en de 'driehoek' tussen Meerlo, Tienray en Swolgen. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme en recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.

Mobiliteit

De hoofddoelstelling van het gemeentelijk mobiliteitsbeleid is: “het zorgdragen voor een betrouwbare bereikbaarheid voor het sociaal, economisch en toeristisch recreatief functioneren van de gemeente Horst aan de Maas, rekening houdend met de aspecten; verkeersveiligheid, verkeersleefbaarheid en duurzaamheid.” In het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan komen de volgende, ruimtelijk relevante, onderwerpen aan bod:

  • het verhogen van de verkeersveiligheid: vormgeving wegennet conform de gewenste wegcategorisering;
  • het inrichten van (nieuwe) woonwijken als 30km-zone;
  • het verder inrichten van 60 km-zones in het buitengebied;
  • het waarborgen van de bereikbaarheid van sociaal, economische en toeristisch-recreatieve bestemmingen;
  • het bevorderen van het gebruik van de fiets;
  • het bevorderen van utilitaire en recreatieve fietsroutes;
  • het bevorderen van het gebruik van het openbaar vervoer.

Conclusie

De gebiedsontwikkeling biedt ruimte aan kleinschalige ontwikkelingen, zoals natuurontwikkeling, ruimte voor retentie en berging van water en extensieve recreatieve ontwikkeling. De aantrekkelijkheid van het landschap wordt waar mogelijk versterkt. Dit past in het gemeentelijk beleid van Horst aan de Maas.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Algemeen

In dit hoofdstuk zal nader worden ingegaan op de maatregelen zoals ook al beschreven in Hoofdstuk 1. De doelstellingen van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zijn samengevat als volgt:

  • 1. hoogwaterbescherming achter de waterkeringen tegen een waterstand die eens in de 250 jaar voorkomt, conform de wettelijke veiligheidsnorm (gemiddelde overschrijdingskans van 1/250 per jaar, uiterlijk in 2020);
  • 2. waterstanddaling van tenminste 35 cm bij rivierkilometer 123 bij een afvoer van 3275 m3/s op de Maas;
  • 3. ontwikkelen van natuur en landschap;
  • 4. vergroten van de leefbaarheid in Wanssum;
  • 5. ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen.
4.1.1 MER Voorkeursvariant

Bovenstaande doelstellingen zijn verwerkt in de varianten die in het MER op hun milieueffecten zijn onderzocht. Uiteindelijk zijn de bouwstenen uit de verschillende varianten vertaald in een voorkeursvariant. Voor een nadere toelichting op het MER en de variantenstudie wordt verwezen naar Hoofdstuk 6. In onderstaande paragrafen worden de planonderdelen die in de voorkeursvariant zijn meegenomen en zijn doorvertaald in dit inpassingsplan nader toegelicht:

  • hoogwatergeulen Ooijen en Wanssum;
  • Oude Maasarm;
  • waterkeringen;
  • rondweg Wanssum;
  • haven- en industrieterrein Wanssum;
  • uitbreiding recreatiepark Roekenbosch;

De realisatie van nieuwe natuur vormt ook een belangrijk onderdeel van de gebiedsontwikkeling. Deze natuurontwikkeling vindt plaats in de Hoogwatergeulen en de Oude Maasarm en wordt in de betreffende paragrafen nader toegelicht. Tot slot wordt de verplaatsing van het Gilde toegelicht die noodzakelijk is voor de gebiedsontwikkeling.

4.1.2 Aanpassingen ten opzichte van voorkeursvariant

De voorkeursvariant zoals deze ten tijde van het MER is opgesteld, is de basis voor het inpassingsplan en de milieuonderzoeken. In de aanloop naar de vaststelling van het inpassingsplan is het plan echter aangepast mede als gevolg van het wijzigen van en niet meer meenemen van enkele particuliere initiatieven. In relatie tot de uitgevoerde milieuonderzoeken in het kader van het MER en het inpassingsplan, zijn dit de belangrijkste wijzigingen:

  • het initiatief voor de uitbreiding van het recreatiepark Kasteel Ooijen is niet opgenomen in dit inpassingsplan;
  • in overleg met de initiatiefnemer  voor de haven in Wanssum is de uitbreiding van het industrieterrein beperkter van omvang geworden (oppervlakte van 22,6 naar 19,2 ha bruto bedrijventerrein). Ook is de uitbreiding van de insteekhaven verkort (van 438 naar 400 meter).

In paragraaf 19.4 worden alle wijzigingen nader toegelicht.

4.2 Hoogwatergeulen Ooijen en Wanssum

In de Bestuursovereenkomst waterveiligheid Maas die in november 2011 is ondertekend door het Rijk, de waterschappen en de Provincie Limburg, is vastgelegd dat de rivierkundige taakstelling voor Ooijen-Wanssum voor de korte en lange termijn 35 cm waterstandsverlaging bedraagt bij rivierkilometer 123 bij een afvoer van 3275 m3/s. Om deze taakstelling te bereiken worden rivierverruimende maatregelen uitgevoerd, waaronder de aanleg van geulen en maaiveldverlagingen in de uiterwaard bij Wanssum en Ooijen en de reactivering van de Oude Maasarm, door het verwijderen van kaden en plaatselijke maaiveldverlagingen. Deze ruimtelijke ingrepen gaan gepaard met bevordering van de natuur, het landschap en de mogelijkheden voor recreatie.

Ook wordt er ruimte geboden voor de toekomstige uitbreiding van bedrijven in het plangebied door realisatie van rivierkundige ' overruimte' . Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de beoogde economische ontwikkelingen.

Natuurontwikkeling

Voor het Zandmaasgebied is een pakket aan maatregelen voorzien, gesplitst in een Pakket 1 en een Pakket 2. Pakket 1 omvat twee hoogwatergeulen (Lomm en Well-Aijen) en vooral kade maatregelen, waaronder de zogenaamde sluitstukkaden. In Pakket 2 zitten met name rivierkundige maatregelen, in de vorm van verruiming van het rivierprofiel in combinatie met natuurgerichte herstel- en inrichtingsmaatregelen. In het kader van Pakket 2 hebben de Minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit en de provincie Limburg op 7 december 2005 de 'Overeenkomst Natuurrealisatie Zandmaas' gesloten. Het doel van de overeenkomst is het realiseren van 460 hectare te verwerven en in te richten natuur langs de 'Zandmaas', waarbij hoogwaterbescherming waar mogelijk meelift. Om dit te realiseren kreeg de provincie Limburg de beschikking over de zogenoemde 'Veermangelden' (die later zijn ondergebracht in het Investeringsbudget Landelijk Gebied, ILG). Oorspronkelijk moest het doel van de overeenkomst in 2015 zijn bereikt, maar dit bleek vanwege onder andere langdurige verwervingstrajecten niet haalbaar.

De overeenkomst verplichtte de provincie een plan op te stellen om het doel van de overeenkomst te bereiken, wat heeft geresulteerd in het Meerjarenplan Zandmaas2 2009, perspectief op 2015 - 2050 (d.d. februari 2009). Het Meerjarenplan geeft inzicht in de provinciale visie, strategie en inzet van instrumenten en financiële middelen (Veermangelden) voor Zandmaas2 en in de samenhang van de diverse projecten in het Zandmaasgebied en de wijze waarop de provincie hier mee omgaat.

De integrale Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, waaronder de reactivering van de Oude Maasarm en de hoogwatergeulen Ooijen en Wanssum, werd al in het Meerjarenplan genoemd als een gebied dat in aanmerking kwam voor het realiseren van extra hectares Ecologische Hoofdstructuur (thans: Nationaal Natuurnetwerk). Dit komt met name door het gegeven dat rivierverruiming en natuurontwikkeling in deze gebiedsontwikkeling zo goed met elkaar kunnen worden gecombineerd. Eén van de opgaves en doelstellingen van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is daarom altijd geweest het realiseren van nieuwe natuur.

Ook in latere documenten, zoals POL2014 en het Programma Natuur "Natuurbeleid: natuurlijk eenvoudig", Programma Natuur- en landschapsbeleid 2013 -2020 is de aanleg van nieuwe natuur in onder het gebied van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum nog steeds actueel. In Limburg is het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen: Ecologische hoofdstructuur) vastgelegd in de Goudgroene Natuurzone. De begrenzing en de bescherming van deze gebieden -waaronder de voorziene natuurgebieden in het plangebied van Ooijen-Wanssum - is geregeld in de Provinciale Omgevingsverordening 2014.

Om de rivierkundige taakstelling te bereiken dienen de weerden vele meters te worden afgegraven. Na het graafwerk resteren veelal laaggelegen weerden die regelmatig overstromen bij (middel)hoge afvoeren en waar op veel plekken de zandige ondergrond aan de oppervlakte komt. Dit zijn weinig ideale omstandigheden voor de landbouw, maar voor natuur biedt dit mooie kansen. Dit is de reden waarom rivierverruiming met natuurontwikkeling hier zo goed met elkaar samengaan. Deze combinatie is voor de provincie Limburg aanleiding geweest om hier 'goudgroene natuur' te realiseren en zo recht te doen aan een groot deel van de (extra) riviernatuuropgave uit de hiervoor genoemde bestuursovereenkomst in het kader van Zandmaas Pakket II/Veermangelden.

In totaal wordt in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum ca. 350 ha aan nieuwe (rivier)natuur gerealiseerd.

Rivierkundige overruimte

Een van de projectdoelstellingen van de gebiedsontwikkeling is het creëren van ruimte voor nieuwe economische initiatieven. In het stroomvoerend en in het bergend deel van de Maas gelden strenge regels voor het realiseren van bouwwerken. Elk bouwwerk in dat gebied is een obstakel voor het afvoeren of bergen van water. Om te mogen bouwen is dan ook een watervergunning op grond van de Waterwet nodig, waarbij wordt getoetst aan de Beleidslijn Grote Rivieren. Aan een watervergunning worden voorwaarden verbonden. Voor bouwwerken in het stroomvoerend deel van de Maas kunnen deze voorwaarden bestaan uit de verplichting om rivierverruimende maatregelen te treffen. Voor bouwwerken in het bergend deel van de Maas kan het bevoegd gezag eisen dat de ruimte die het bouwwerk inneemt wordt gecompenseerd. Dergelijke maatregelen zijn omvangrijk en kostbaar en voor initiatiefnemers vaak niet haalbaar, waardoor een gebied als het ware economisch “op slot” staat.

In het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum geldt een taakstelling van 35 cm waterstandsdaling, waarmee op korte en lange termijn wordt voldaan aan de eisen van hoogwaterveiligheid. Daarnaast wil men extra waterstandsdaling realiseren om daarmee ruimte voor economische initiatieven te maken. Dit is ook vastgelegd in de bestuursovereenkomst. Concreet betekent dit dat er 37 cm waterstandsdaling wordt gerealiseerd, dus 2 cm extra ' overruimte' bovenop de taakstelling van 35 cm. Deze overruimte kan in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden worden ingezet als compensatie voor bouwwerken in het rivierbed. In de Regeling Ontwikkelingsruimte, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 19 mei 2015, is vastgelegd hoe men gebruik kan maken van de overruimte en aan welke voorwaarden daarbij moet worden voldaan.

In 2013 heeft het projectbureau een initiatievenloket geopend (van 1 februari 2013 tot 15 mei 2013) waar bedrijven uit het plangebied een initiatief konden indienen voor ontwikkelingen in het rivierbed. In totaal zijn in die periode meer dan 50 initiatieven ingediend voor bijvoorbeeld vakantiewoningen, opslagloodsen, veestallen en voeropslag. Met de 2 cm overruimte is er voldoende (compensatie-)ruimte om alle ingediende initiatieven in het kader van de Waterwet en de Beleidslijn Grote Rivieren te kunnen vergunnen. Verder is er ook nog ruimte voor initiatieven die nu nog niet bekend zijn.

Hoogwatergeul Ooijen

De hoogwatergeul heeft een lengte van ca. 1,5 kilometer en een breedte die varieert van 80 tot 150 meter. De gehele weerd wordt vergraven. Veelal tot 2 meter beneden maaiveld maar ter plekke van de geul worden er ook locaties tot 6 meter ontgraven. De geul bestaat uit verschillende delen die van elkaar zijn gescheiden door drempels. Het waterpeil in de zuidelijke geuldelen is daardoor hoger dan het waterpeil van het meest benedenstroomse deel van de geul die op de Maas is aangetakt. De drempels hebben tot doel de grondwatereffecten in het Maasduinengebied aan de andere kant van de Maas te beperken. De geulen hebben een waterdiepte van 2,5 tot 3 meter diep en hebben flauwe oevers. De weerden rondom de geul worden reliëfvolgend ontgraven (0,5 - 2 meter). Op onderstaande afbeelding is een toekomstimpressie van de hoogwatergeul weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0011.png"

Toekomstimpressie hoogwatergeul Ooijen

De drempels tussen de verschillende delen van de hoogwatergeul kunnen door wandelaars worden gebruikt als wandelroute om de hogere rug tussen de hoogwatergeul en de Maas te bereiken. De oevers van de hoogwatergeul kunnen recreatief gebruikt worden. Op de kop van Ooijen is ruimte voor zachthoutooibos. Dit is een hoger gelegen stromingsluw gebied wat een logische locatie voor een hoogwatervluchtplaats is.

Hoogwatergeul Wanssum

Voor de hoogwatergeul Wanssum is een meer ruwe vegetatie voorzien dan bij hoogwatergeul Ooijen. Rondom de geulen is ruimte voor moerassen en wat wilgenbegroeiing, omdat deze hoogwatergeul (in vergelijking met de hoogwatergeul bij Ooijen) een beperktere bijdrage levert aan de waterstandsdaling. Middels reliëfvolgend ontgraven ontstaat een stelsel van ondiepe kwelgeulen die uitmonden in de monding van de hoogwatergeul.

Gemiddeld wordt er 1 tot 2 meter beneden maaiveld ontgraven. Ten behoeve van de te halen taakstelling en de gewenste vegetatie wordt plaatselijk, zoals bij de monding van de hoogwatergeul tot maximaal 6 meter beneden maaiveld ontgraven. Op onderstaande afbeelding is een toekomstimpressie van de hoogwatergeul weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0012.jpg"

Toekomstimpressie hoogwatergeul Wanssum

Aan de noordoostzijde van de hoogwatergeul blijft een landbouwstrook intact evenals camping de Kooij, die voor autoverkeer bereikbaar is via de weg De Kooij. Bij de uitstroom van de hoogwatergeul wordt de weg de Kooij verlegd en komt de weg Haalweide te vervallen.

Hoogwatervluchtplaatsen

De hogere stromingsluwe gebieden binnen het plangebied komen in aanmerking als natuurlijke hoogwatervluchtplaats waar tijdens hoogwater de grote grazers hun toevlucht zoeken. Dergelijke hoogwatervluchtplaatsen zijn van belang voor het uitgangspunt voor natuurbeheer met jaarrondbegrazing met grote grazers. Dat betekent dat er verspreid over het plangebied plekken moeten zijn waar de grazers een veilig heenkomen kunnen zoeken tijdens een hoogwatersituatie. Daarbij wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke hoogtes. Gezien de locaties van natuurlijke hoogwatervluchtplaatsen en het instroomgedrag van de rivier is het noodzakelijk dat er naast de natuurlijke hoogtes ook nieuwe hoogwatervluchtplaatsen worden gerealiseerd door lokaal grond op te hogen. Deze ophogingen dienen enkel het doel hoogwatervluchtplaats en worden daarom in aantal, omvang en hoogte beperkt en afgestemd op het aantal grazers dat hier gebruik van maakt.

4.3 Oude Maasarm

Door het verwijderen van enkele bestaande kades wordt de Oude Maasarm weer gereactiveerd en ontstaat meer ruimte voor de Maas tijdens een hoogwater. Daarnaast vindt er ook nog rivierverruiming plaats door het graven van diverse geulsegmenten. De Oude Maasarm zal jaarlijks (gedeeltelijk) vollopen vanuit Ooijen, Wanssum en Blitterswijck. Gemiddeld één keer per 10 jaar zal de volledige Oude Maasarm gaan meestromen.

De diverse geulsegmenten – die met name kwel gevoed zijn en die een maximale waterdiepte van 1,5 meter hebben - kennen ieder hun eigen (grond)waterpeil, doordat ze van elkaar zijn gescheiden door drempels (veelal in de vorm van wegen). Zodoende wordt voorkomen dat er verdroging optreedt in het bestaande beschermde natuurgebied (Sohr- en Legeterbos).

Vrijwel alle sloten in de Oude Maasarm worden gedempt. Daar waar gebiedsdelen te nat en daarmee niet te beheren dreigen te worden, wordt lokaal het terrein iets opgehoogd. De ophogingen blijven beperkt om de functie van de Oude Maasarm voor de afvoer van Maaswater bij hoogwater te behouden. Het landschapsbeeld in dit deelgebied is vrij open en bestaat uit een afwisseling van kwelgeulen, graslanden en lokaal zeggemoerassen. Aan de randen van de Maasarm is ook ruimte voor zachthoutooibos. Op onderstaande afbeelding is een toekomstimpressie van de Oude Maasarm weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0013.png"

Toekomstimpressie Oude Maasarm

De laaggelegen Oude Maasarm is door de ontgraving, de aanwezige kwel en de verdere vernatting weinig ideaal voor de landbouw. In het centrale deel van de Oude Maasarm is al een grote natuurkern aanwezig en daardoor kan door het omvormen van de resterende landbouwgronden in natuur één groot aaneengesloten riviernatuurgebied worden gerealiseerd waar de hoogwatergeulen ook onderdeel van uitmaken. De aanwezige kwel biedt een zeer goede uitgangssituatie voor hoogwaardige natuur. Deze redenen zijn voor de Provincie Limburg aanleiding geweest om ook de Oude Maasarm deel te laten uitmaken van de (extra) riviernatuuropgave die in het kader van Zandmaas Pakket II/Veermangelden in Ooijen-Wanssum wordt gerealiseerd (zie hiervoor uitgebreider paragraaf 4.2 onder natuurontwikkeling). Met uitzondering van een deel van het dal van de Groote Molenbeek wordt de gehele Oude Maasarm omgevormd tot goudgroene natuur. In totaal wordt in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum ca. 350 ha aan nieuwe (rivier)natuur gerealiseerd.

Ten behoeve van de bereikbaarheid van Blitterswijck (tijdens hoogwater) wordt er een brug aangelegd. De Ooijenseweg, tussen Ooijen en Broekhuizenvorst, wordt vervangen door een nieuwe brugconstructie/ oeververbinding met een lengte van 200 meter, zodat ook Ooijen tijdens hoogwater goed bereikbaar blijft. De bomenrij naast de Ooijenseweg wordt verwijderd ten behoeve van de afvoercapaciteit van de Oude Maasarm bij hoogwater op de Maas.

4.4 Waterkeringen

De bestaande waterkeringen geven het plangebied momenteel een feitelijk beschermingsniveau van ongeveer 1/50. Dat is de gemiddelde kans per jaar dat de hoogste waterstand waarop de (primaire) waterkering moet zijn berekend, wordt overschreden. In het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zal dit beschermingsniveau worden verhoogd naar 1/250 conform de doelstellingen van het project. Daarnaast wordt de Oude Maasarm weer open gemaakt om tijdens hoogwater de waterstanden op de Maas te verlagen. De combinatie van deze twee doelen vraagt wel om nieuwe waterkeringen langs de Oude Maasarm, zodat de dorpen in het plangebied ook in de nieuwe situatie beschermd zijn. In deze paragaaf wordt inzicht geboden in de huidige en de nieuwe ligging van de waterkeringen. Ook wordt in deze toelichting beschreven op basis van welke uitgangspunten en principes de nieuwe ligging van de primaire waterkeringen tot stand is gekomen. Tevens wordt ingegaan op de relatie van de waterkeringen met de Waterwet, de type keringen en vrijwaringszones.

Bepaling van de ligging van de waterkeringen en dijkringen

Huidige waterkeringen en veiligheidsopgave Ooijen-Wanssum

De huidige kaden zijn tot stand gekomen nadat in 1993 en 1995 Limburg werd opgeschrikt door grote overstromingen van het Maasdal. De economische schade was aanzienlijk. Besloten werd om de bewoners langs de voorheen onbedijkte Zandmaas beter te beschermen. Dit kreeg vanaf 1997 vorm met het project Maaswerken; een samenhangend pakket maatregelen waaronder rivierverruiming, retentie en als sluitstuk dijkaanleg. Vooruitlopend op dit programma werden in 1996 ter voorkoming van acute problemen noodkaden aangelegd. Deze waterkeringen waren als tijdelijke maatregel bedoeld. Door de aanleg van de noodkaden is in Ooijen-Wanssum de Oude Maasarm - welke cruciaal is voor de doorstroming van de rivier bij hoogwater - afgesloten. Na de realisatie van de noodkaden is een deel van deze noodkaden in de Waterwet vastgelegd als primaire waterkeringen. De Waterwet geeft aan welke gebieden beschermd moeten worden tegen hoge waterstanden. Deze gebieden worden dijkringen of dijkringgebieden genoemd. Een dijkring is een stelsel van primaire waterkeringen dat, al dan niet tezamen met hoge gronden, beveiliging biedt tegen overstroming, in het bijzonder door buitenwater. De dijkringen en de primaire waterkeringen worden aangegeven op de als bijlage IA bij de Waterwet behorende landkaarten (zie ook onderstaande afbeelding). Op onderstaande afbeelding zijn de huidige waterkeringen volgens de legger en dijkringen volgens Waterwet weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0014.jpg"

Huidige waterkeringen volgens de legger en dijkringen volgens de Waterwet

De Waterwet geeft daarnaast voor ieder dijkringgebied een veiligheidsnorm aan. Voor de dijkringgebieden in het plangebied van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (61, 62, 63 en 64) geldt een wettelijk beschermingsniveau van 1/250. De waterveiligheidsopgave voor de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is dan ook gericht op het realiseren van een hoogwaterbeschermingsniveau van 1/250 binnen de dijkringgebieden. Om de dijkringgebieden de gewenste bescherming te geven moeten de bestaande dijken worden verhoogd en versterkt. Daarnaast moeten nieuwe stukken dijk worden aangelegd naar de hoge gronden om de dijkring weer sluitend te maken. Om de Oude Maasarm weer mee te kunnen laten stromen bij hoogwater ("reactiveren") is het noodzakelijk openingen te maken in de waterkeringen bij Ooijen en Blitterswijck. Alleen op deze manier kan de hoogwaterdoelstelling worden bereikt.

Uitgangspunten en principes nieuwe dijkringgebieden; voorgeschiedenis

Ten aanzien van de bepaling van de dijktracés heeft een uitgebreide afweging plaatsgevonden. In 2012 hebben het Projectbureau Ooijen-Wanssum en het Waterschap Peel en Maasvallei gezamenlijk kansrijke oplossingen voor dijktracés uitgewerkt. Op basis van deze kansrijke tracéoplossingen is vervolgens een basisvariant samengesteld en is een variantenstudie uitgevoerd. Ten aanzien van de inpassing en de keuze van de tracés is voor zover mogelijk kwalitatief rekening gehouden met een aantal afwegingcriteria. De afwegingcriteria en de tracékeuzes zijn meer tot in detail uitgewerkt in een eindrapport getiteld 'Kansrijke tracé-varianten primaire waterkeringen Ooijen-Wanssum, 9 september 2013'.

In het kader van het Gebiedsplan Ooijen-Wanssum zijn ontwerpprincipes geformuleerd voor de waterkeringen. Daarbij is ook uitgegaan van het ontwerpkader Maaskaden, leidraad voor het ontwerpen van waterkeringen langs de Maas en uitgangspunt voor het Waterschap. De belangrijkste ontwerpprincipes zijn vastgelegd in het Gebiedsplan Ooijen-Wanssum (2010):

  • Bescherming van kernen (binnen de dijkringgebieden) op het niveau van 1:250 conform de toezegging van het Rijk;
  • Bescherming van overige buurtschappen, huizen en gebouwen zoveel mogelijk op minimaal het huidige feitelijke beschermingsniveau;
  • Aanleg van duurzame en zo robuust mogelijke kadetracés;
  • Voldoende ruimte voor rivier verruimende ingrepen die de benodigde waterstanddaling op de Maas opleveren.

Op basis van deze uitgangspunten en de resultaten van diverse rivierkundige berekeningen zijn indicatieve kadetracés tot stand gekomen voor de primaire waterkeringen, die zijn uitgewerkt in het Gebiedsplan Ooijen-Wanssum.

Gebleken is dat de huidige dijkringgebieden, zoals opgenomen op bijlage IA bij de Waterwet, niet overal kunnen worden gevolgd. Dat is ook niet de bedoeling, nu het project de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum (waarin het Rijk/Rijkswaterstaat participeert) er juist op is gericht om om basis van een integrale afweging van alle hoogwaterveiilgheids- en andere doelstellingen tot de bepaling van (waar nodig) tot nieuwe dijkringgebieden te komen.

Op een aantal plaatsen was het nodig een afweging te maken welke gebieden wel/niet worden beschermd met een veiligheidsnorm van 1/250 per jaar. Daartoe zijn onderstaande uitgangspunten gehanteerd, welke ook zijn opgenomen in de MIRT Verkenning Ooijen-Wanssum:

  • 1. Zoveel mogelijk volgen van de huidige dijkringgebieden uit de Waterwet, zodat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij het vastgestelde wettelijke kader en invulling wordt gegeven aan de afspraken uit het Maasakkoord (Op 10 november 2011 ondertekenden Rijk, Provincie Limburg en de beide Limburgse waterschappen de bestuursovereenkomst 'Waterveiligheid Maas'. Daarin is in één keer de totale financiering geregeld van de hoogwaterbescherming in Limburg). Concreet betekent dit:
    • a. gebieden/woningen die buiten de huidige dijkringgebieden liggen blijven in principe buitendijks liggen en krijgen geen 1/250 per jaar bescherming.
    • b. gebieden die binnen een dijkringgebied liggen, krijgen in principe een 1/250 per jaar hoogwaterbescherming.
  • 2. Het bestuurlijk streven is om achteruitgang in het feitelijk beschermingsniveau ten opzichte van het huidige feitelijk beschermingsniveau - indien redelijkerwijs mogelijk - te voorkomen. In de huidige situatie bieden de kades een feitelijke bescherming van ongeveer 1/50. Indien achteruitgang niet te voorkomen is, is in overleg met de betrokkenen gezocht naar mogelijkheden voor mitigatie door middel van het aanbieden van maatwerkbescherming waardoor het huidige feitelijke beschermingsniveau gehandhaafd blijft. Verwezen wordt op het document "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum beschermingsaanpak" dat als bijlage bij dit inpassingsplan is gevoegd.

De uitgangspunten/principes voldoen niet op alle plaatsen. Het volgende afwegingskader is gehanteerd om af te wijken van de huidige dijkringgebieden:

  • 1. Wanneer er rivierkundige argumenten zijn om de waterkering anders te situeren, omdat:
    • a. de waterkering hydraulisch ongunstig ligt en opstuwing veroorzaakt;
    • b. de waterkering toekomstige rivierverruiming belemmert (Deltaprogramma).
  • 2. De kosten voor de aanleg van een 1/250 per jaar waterkering wegen niet op tegen de te beschermen waarde van de bebouwing. Dit is onder andere het geval bij solitaire bebouwing.
  • 3. De landschappelijke impact van een primaire waterkering op 1/250 per jaar is groot.
  • 4. Er is geen draagvlak voor de aanleg van een 1/250 waterkering.
  • 5. Er zijn zwaarwegende economische redenen om de waterkering niet te realiseren of anders te situeren.

In het MER zijn verder ten aanzien van onder meer de waterkeringen de milieueffecten onderzocht. Ten behoeve daarvan zijn ook verschillende varianten onderzocht.

  • 1. Variant 1: Ontwikkelen van natuur en landschap. 2 dijkringen bij Blitterswijck en Ooijen, haven volledig buitendijks;
  • 2. Variant 2: Vergroten van de leefbaarheid in de dorpskernen. 1 dijkring om Blitterswijck en Ooijen, haven deels buitendijks;
  • 3. Variant 3: Ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen. 2 dijkringen bij Blitterswijck en Ooijen, haven volledig binnendijks.

Op de varianten wordt meer gedetailleerd ingegaan in hoofdstuk 3 van het MER. Uiteindelijk is de Voorkeursvariant gekozen op basis van de effecten van alle gepresenteerde varianten. Ten behoeve van de Voorkeursvariant is het ontwerp en de inpassing van de waterkeringen op een aantal specifieke locaties nader onderzocht. Een meer gedetailleerde uitwerking van de Voorkeursvariant kan worden gevonden in hoofdstuk 5 van het MER.

In 2015 is de voorkeursvariant verder uitgewerkt in het dijkenplan zoals dat als bijlage bij het inpassingsplan is opgenomen. Het ruimtebeslag in het inpassingsplan is op dit laatste dijkenplan gebaseerd. Stroken grond hebben daarvoor de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' gekregen. Voor elk dijkvak afzonderlijk worden in de factsheets bijbehorende bij het dijkenplan de uitgangspunten en afwegingen weergegeven. Dit dijkenplan bevat ook situatietekeningen, dwarsprofielen en berekeningen van de waterkeringen.

Op onderstaande afbeelding is de nieuwe ligging van de primaire waterkeringen en de dijkringgebieden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0015.jpg"

Nieuwe ligging primaire waterkeringen en te beschermen dijkringgebieden

Dijkringen en buitendijks gebied

Voor Ooijen en Blitterswijck is in het plan gekozen voor een situatie met twee dijkringen in plaats van één grote dijkring om zo het waterbergend gebied maximaal groot te houden. Dit draagt bij aan de waterstanddaling op de rivier. Hierbij is rekening gehouden met de evacuatiemogelijkheden vanaf de twee nieuwe dijkringen bij Blitterswijck en Ooijen. Ten opzichte van de huidige situatie is er sprake van een verbetering. Tot een waterstand 1/50ste hebben beide dijkringen twee evacuatiemogelijkheden. In de nieuwe situatie verbetert de veiligheid tot 1/250ste.

Dijkring 61: Wanssum west

Op het containerterrein na wordt de huidige grens van het dijkringgebied gevolgd voor de aanleg van de nieuwe primaire waterkering:

  • Daar waar de huidige kade aansluit op "hoge grond" die echter geen 1/250ste hoogte heeft, wordt een nieuwe waterkering aangelegd, die de grens van het huidige dijkringgebied volgt.
  • De drie woningen aan de Geijsterseweg die nu buitendijks liggen, zullen dat in de toekomst ook blijven. De woningen gaan er door de maatregelen niet in feitelijke bescherming op achteruit. Een dijk aan de Maaszijde van deze woningen zou ook een belemmering voor toekomstige verruiming vormen.
  • Bij het terrein van de containeroverslag wordt afgeweken van de huidige dijkligging en wordt een harde kademuur om het terrein aangelegd. Reden hiervoor is dat de aanleg van een 1/250ste waterkering/kademuur een enorme investering met zich meebrengt terwijl er feitelijk alleen containers mee beschermd worden en de bedrijfsvoering er mogelijk door wordt belemmerd. Het kantoor ligt boven het huidige feitelijke beschermingsniveau.
  • Bij de industriehaven van Wanssum is vooralsnog de huidige ligging van de waterkering gevolgd. Indien de havenuitbreiding wordt gerealiseerd, zal ook hier in verband met de bedrijfsvoering de kering aan de buitenzijde worden aangelegd zodat het industrieterrein zelf buitendijks komt te liggen. Op een tweetal plekken tussen de insteekhaven en de jachthaven is bij een scherpe hoek van de huidige kering het nieuwe tracé rechtgetrokken/afgeschuind.

Dijkring 62: Wanssum oost

Ook hier wordt overal de huidige grens van het dijkringgebied gevolgd voor de aanleg van de 1/250ste kering.

  • De woningen op de Helling blijven ook in de nieuwe situatie buitendijks liggen. Ze liggen op een natuurlijke hoogte en gaan er door de maatregelen feitelijk niet op achteruit.
  • Er is in de huidige situatie sprake van "hoge grond" die echter geen 1/250ste hoogte heeft. Hier zal een nieuwe waterkering worden aangelegd, op de grens van het huidige dijkringgebied.

Dijkring 63: Blitterswijck

De reactivering van de Oude Maasarm maakt het noodzakelijk om de ligging van de huidige waterkeringen en het huidige dijkringgebied grotendeels aan te passen.

  • Dijkring 62 en 63 bestaan in de huidige situatie uit twee afzonderlijke dijkringen die van elkaar zijn gescheiden door een strook "hoge grond". Deze hoge grond is echter niet hoog genoeg om een 1/250 jaar afvoer te keren. Om Blitterswijck en Wanssum een 1/250 bescherming te bieden, zal een nieuwe kering worden aangelegd. Hierbij wordt de natuurlijke terreinhoogte gevolgd. Bij een herziening van kaartbijlage IA van de Waterwet worden dijkkringgebied 62 en een klein deel van dijkkringgebied 63 te zijner tijd samengevoegd tot dijkring 62.
  • Bij Blitterswijck moet het water vanuit de Oude Maasarm richting de Maas kunnen uitstromen. Hiervoor zal een stuk bestaande kering worden verwijderd. Om Blitterswijck tegen hoogwater te beschermen zal langs de oostkant van het dorp een nieuwe waterkering worden aangelegd. De ligging van deze kering is vrij gedetailleerd uitgewerkt waarbij rekening is gehouden met recreatiepark Het Roekenbosch en de bebouwing bij Blitterswijck langs het nieuwe dijktracé.
  • De Boltwegregio bevat een cluster van huizen en bedrijven dat in de huidige situatie binnen het dijkringgebied ligt. Hier liggen meerdere woningen lager dan 1/50. Er wordt een nieuwe waterkering aangelegd om de huizen en bedrijven te beschermen tegen een 1/250 hoogwater. Voor een drietal huizen langs de Veerweg - die in de huidige situatie dus binnendijks liggen - is er voor gekozen deze in de nieuwe situatie buitendijks te leggen. Het gaat hier om solitaire bebouwing. De kosten voor een 1/250 jaar waterkering wegen hier niet op tegen de te beschermen waarde van de bebouwing. Ook belemmert een 1/250ste waterkering de doorstroming. Eén van de 3 woningen ligt op een natuurlijke hoogte en gaat er qua feitelijk beschermingsniveau niet op achteruit. Dat geldt niet voor de overige 2 zeer laaggelegen woningen. Deze zijn in het kader van de gebiedsontwikkeling aangekocht.
  • Het dorp Ooijen ligt in de huidige situatie binnen het dijkringgebied en wordt ook in de toekomst beschermd door een 1/250ste dijkring.
  • In de omgeving van Nachtegaal ligt een cluster met huizen en bedrijven, dat in de huidige situatie binnen het dijkringgebied ligt. Deze woningen liggen op een natuurlijke hoogte die boven het huidige feitelijke beschermingsniveau ligt; een deel ligt zelfs al op 1/250ste hoogte. De keuze is gemaakt om geen 1/250ste waterkering om deze woningen aan te leggen. Ze gaan er door de maatregelen qua (feitelijk) beschermingsniveau niet op achteruit en de kosten voor de aanleg van een 1/250 jaar waterkering wegen niet op tegen de te beschermen waarde.

Dijkring 64: Broekhuizenvorst

Ook hier maakt de reactivering het noodzakelijk om de ligging van de huidige waterkeringen deels aan te passen.

  • Broekhuizenvorst ligt in de huidige situatie binnen een dijkringgebied. In de nieuwe situatie zal het dorp een 1/250ste bescherming krijgen door ophoging van de bestaande keringen. Om ervoor te zorgen dat het dorp niet achterlangs (via de Oude Maasarm) volloopt, wordt een nieuwe waterkering aangelegd in de laagte en wordt bij een andere laagte het maaiveld opgehoogd.
  • Het huidige dijkringgebied loopt nog iets verder door tot Zeelberg. Er is gekozen om hier geen 1/250ste waterkering aan te leggen. Het gaat om enkele solitaire woningen waarvan een deel al op een natuurlijke hoogte ligt boven het huidige feitelijke beschermingsniveau. De kosten voor de aanleg van een 1/250 jaar waterkering wegen hier niet op tegen de te beschermen waarde. Drie woningen gaan er door de maatregelen qua huidig feitelijk beschermingsniveau op achteruit. Twee van deze woningen -waarvan er één op het tracé van de te verleggen Ooijenseweg is gelegen- zijn in het kader van de gebiedsontwikkeling aangekocht. De andere woning wordt op hogere grond herbouwd.

Voor meer gedetailleerde informatie over precieze ligging van de waterkeringen en de onderbouwing daarvan wordt verwezen naar het dijkenplan en de bijbehorende factsheets dat als bijlage bij dit inpassingsplan is opgenomen. Naast deze factsheets bevat het dijkenplan ook overzichtstekeningen en dwarsprofielen.

Gebieden die niet binnen een dijkringgebied liggen

Het dorp Meerlo ligt in de huidige situatie buitendijks en buiten een bestaand dijkringgebied. Alle woningen liggen boven een 1/250ste beschermingsniveau. Qua hoogwaterbescherming gaat Meerlo er door de maatregelen feitelijk niet op achteruit. Er zal dan ook geen 1/250 waterkering worden aangelegd. Camping 't Karrewiel wordt in de huidige situatie wel beschermd door de waterkering maar ligt formeel buiten het dijkringgebied. Door de reactivering van de Oude Maasarm gaat deze camping er qua feitelijk beschermingsniveau op achteruit. Hetzelfde geldt voor een aantal woningen/gebouwen ter plaatse van het gehucht Megelsum. Zowel bij camping Karrewiel als Megelsum worden beschermingsmaatregelen getroffen zodat de camping en de woningen hun huidige feitelijke beschermingsniveau behouden. Ter plaatse van Moleneind/sportpark Meerlo wordt in de huidige situatie bij hoogwater een tijdelijke kering opgebouwd. Deze tijdelijke kering is geen primaire kering volgens de Waterwet en het gebied erachter valt buiten een dijkringgebied. Deze tijdelijke kering kan in verband met de reactivering van de Oude Maasarm niet gehandhaafd blijven. Het laten vervallen van deze waterkering leidt er niet toe dat het feitelijk beschermingsniveau voor de bebouwing van Moleneind/sportpark Meerlo verslechtert. Er ligt een aantal woningen onder het huidige feitelijke beschermingsniveau die door de reactivering van de Oude Maasarm er qua feitelijke bescherming op achteruit zullen gaan. Daarom wordt ook hier een beschermingsmaatregel getroffen zodat de woningen hun huidige feitelijke beschermingsniveau behouden. Voor de beveiliging van Broekhuizen wordt een maatwerkbescherming gerealiseerd zodat het feitelijke beschermingsniveau hier verbetert. De bewoners van de panden die door deze -deels demontabele kering worden beschermd, doen zelf het beheer en onderhoud. Daartoe zijn contracten met de grondeigenaren gesloten.

Waterwet

In relatie tot de Waterwet zijn in Ooijen-Wanssum kort samengevat de volgende waterkeringen en aanpassingen van belang:

  • Het verwijderen van de noodkade die 1996 is aangelegd tussen Broekhuizenvorst en Ooijen ter hoogte van de instroom van de Oude Maasarm
  • Het verwijderen van de noodkade die 1996 is aangelegd bij de uitstroom aan de oostzijde van Blitterswijck
  • De aanleg van nieuwe primaire waterkeringen bij Broekhuizenvorst, Ooijen, Blitterswijck en Wanssum.

De noodkade bij Ooijen/Broekhuizenvorst die in de voorliggende plannen wordt verwijderd is niet in bijlage IA van de Waterwet aangemerkt als primaire waterkering. De kade is wel in beheer bij het Waterschap Peel en Maasvallei. De noodkade bij Blitterswijck die in de voorliggende plannen wordt verwijderd is in bijlage IA van de Waterwet wel aangemerkt als primaire waterkering. In bijlage II is voor deze kaden een 1/250ste beschermingsniveau vastgelegd. De kade is in beheer bij het Waterschap Peel en Maasvallei. Gelet op het feit dat de kaden langs de Maas nu al zijn aangemerkt als primaire waterkering en er nieuwe dijkringen gerealiseerd worden, dienen de nieuwe keringen/dijkringgebieden opgenomen te worden op bijlage IA van de Waterwet. Op grond van artikel 1.3 lid 2 van de Waterwet kan bijlage IA bij algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. Te zijner tijd zal de bijlage bij de Waterwet worden aangepast op de nieuwe dijkringgebieden in het plangebied.

Hiervoor wordt verwezen naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 2 maart 2015, tot wijziging van de bijlagen I en II van de Waterwet (aanpassingen Ruimte voor de Rivier (gepubliceerd in het Staatsblad 2015, nr. 110), waarin het volgende wordt opgemerkt:

Momenteel worden ook andere projecten voorbereid die ten behoeve van de waterveiligheid een wijziging van de ligging van primaire waterkeringen beogen. Ook voor deze projecten geldt dat na uitvoering de feitelijke ligging van de dijkring niet meer overeenkomt met de globale ligging van de dijkring, zoals weergegeven op de landkaart van bijlage I of bijlage IA bij de Waterwet. Dat geldt bijvoorbeeld voor de in voorbereiding zijnde Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Deze projecten zijn niet opgenomen in onderhavig besluit, omdat de publiekrechtelijke besluiten voor deze projecten nog niet onherroepelijk zijn. Voor deze projecten zal eenzelfde werkwijze worden gevolgd als voor de maatregelen waarvoor in dit besluit wijzigingen van bijlage I en bijlage II bij de Waterwet zijn opgenomen.

Dit betekent dat eerst de benodigde publiekrechtelijke besluiten worden voorbereid en vastgesteld. Op het moment dat deze besluiten onherroepelijk zijn en derhalve niet meer in rechte aantastbaar, is er duidelijkheid over de uitvoering van het project en derhalve ook over de wijziging van de ligging van primaire waterkeringen. Vervolgens wordt een wijziging van de landkaart van bijlage I of bijlage IA en, indien nodig, van bijlage II bij de Waterwet voorbereid en vastgesteld. Deze wijzigingen treden in werking op of nabij het tijdstip waarop de bestaande primaire waterkering wordt doorgestoken. Dat is immers het moment waarop de bestaande waterkering de functie primaire waterkering verliest en niet meer als zodanig dient te worden beheerd. Tevens is dat ook het moment waarop de nieuwe waterkering dienst gaat doen als primaire waterkering.

Aard waterkeringen

Uitgangspunt is geweest om zoveel mogelijk "groene dijken" (dijken in grond, zonder constructies) te realiseren. Om die reden is bijvoorbeeld bij Het Roekenbosch gekozen voor een oplossing met groene dijken aan weerskanten van de uitstroom van de Oude Maasarm. Om voldoende ruimte te maken voor de groene keringen wordt een gedeelte van de huidige parkeerruimte buitendijks geplaatst. Het parkeerterrein zelf wordt daarbij op een zodanige hoogte gebracht (15,7 meter+ NAP) dat dit de bedrijfsvoering van het park niet schaadt. Dit is een waterstand dat na de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum samenhangt met een 1/50-niveau.

Een ander voorbeeld van de uitwerking van dit uitgangspunt is de situatie aan de Molenhoek/Meerloseweg en de keuze om aldaar dus geen demontabele kering te realiseren. Waterkeringen bestaan in Nederland uit grond (groene waterkeringen) of damwanden (harde waterkeringen). Het voordeel van deze waterkeringen is dat deze te allen tijde zonder ingrepen van de mens functioneren. In uitzonderlijke situaties worden om landschappelijke en/of cultuurhistorische redenen beweegbare of demontabele waterkeringen aangebracht. Uitgangspunt is meestal dat deze over een zo kort mogelijke afstand worden aangebracht. Een nadeel van deze keringen is dat menselijke handelingen nodig zijn om de kering te kunnen laten functioneren. Hierdoor bestaat dat de kans dat keringen niet of niet goed wordt aangebracht. Waterschappen dienen als beheerders zodoende grote inspanningen te leveren voor het ter beschikking houden van materieel en het trainen van personeel. Het uitgangspunt om zoveel mogelijk groene dijken te realiseren is voor dijkvak WAN_03 en WAN_04 nader uitgewerkt in de betreffende factsheet behorende bij het dijkenplan, dat als bijlage is opgenomen bij het inpassingsplan. Waterschap Peel en Maasvallei heeft op dit moment ruim 3 kilometer demontabele waterkeringen in beheer die worden opgebouwd bij een dreigend hoogwater. Geen ander Waterschap heeft zoveel demontabele waterkeringen. Daarvoor betalen het Waterschap en de inwoners een hoge prijs. De grote lengte aan demontabele keringen in relatie tot de beschikbare tijd om deze op te bouwen, is als kritisch onderkend. Zodoende brengen demontabele waterkeringen veiligheidsrisico's met zich mee. De kans op falen van deze demontabele waterkeringen wordt daarnaast hoger ingeschat dan wettelijk is toegestaan. Dit is onderkend in een uitgevoerde risicoanalyse en het Beheerplan 2009-2013 van het Waterschap Peel en Maasvallei. Ook is het systeem van demontabele keringen zeer duur en intensief in onderhoud: niet alleen het systeem op zich, maar ook stallingsruimte voor de demontabele delen, afspraken voor opbouw bij hoogwater, regelmatig testen/opbouwen, beveiliging, toezicht en handhaving om aan de wettelijke eisen te kunnen voldoen. Voorts is de herinvestering aan het einde van de levensduur van demontabele waterkeringen voor het Waterschap een kostbare aangelegenheid in vergelijking met groene waterkeringen. Dit strookt niet met het uitgangspunt van het Waterschap om tot sobere en doelmatige waterkeringen te komen met een beperking van (de stijging van) Waterschapslasten voor de ingezetenen. Voorgaande punten vloeien voort uit het Beheerplan Waterkeringen 2009-2013, dat is vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Waterschap Peel en Maasvallei op 25 maart 2009. Daarin heeft het Waterschap Peel en Maasvallei tevens vastgelegd dat het areaal aan demontabele waterkeringen moet worden teruggeschroefd en dat geen nieuwe demontabele waterkeringen worden aangelegd.

Vrijwaringszones/beschermingszones langs primaire waterkeringen

De waterkeringen worden in het inpassingsplan bestemd als 'Waterstaat-Waterkering'. Aan weerszijden van de waterkering zijn beschermingszones opgenomen. Hierna wordt een toelichting gegeven op deze beschermingszones. Daartoe wijzen wij allereerst op hetgeen over de Keur, Algemene Regels, Beleidsregels en Legger, in paragraaf 3.3.3, van dit inpassingsplan is opgenomen.

De gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' wordt in het inpassingsplan gebruikt om de beschermingszones van de waterkeringen aan te duiden, zoals die qua locatie en afmetingen zijn opgenomen in de Legger van Waterschap Peel en Maasvallei. De beschermingszones zijn zones langs de waterkeringen waarvoor beperkingen en voorschriften gelden ter bescherming van de waterkerende functie van de waterkering. Het Waterschap Peel en Maasvallei is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de waterkeringen in haar beheergebied, zo ook de (huidige en aan te leggen/verleggen) primaire waterkeringen in het plangebied Ooijen-Wanssum. De waterkering zelf ligt in de kernzone, die is bestemd in het inpassingsplan middels de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering'. Hier zijn vrijwel alle activiteiten verboden. Deze zone is dan ook meestal in eigendom van het waterschap. De beschermingszones bestaan uit twee naast elkaar (aan weerszijden van de dijk) gelegen zones, namelijk de beschermingszone en de buitenbeschermingszone. De beschermingszone ligt langs de waterkering (kernzone) en betreft de gronden die van directe invloed zijn op de stabiliteit van de waterkering. De buitenbeschermingszone betreft de gronden die indirect, via een 'kettingeffect' van invloed kunnen zijn op de stabiliteit van de waterkering. Beperkingen in de buitenbeschermingszone hebben vooral betrekking op diepe ingrepen (zoals diepe fundering, diepe ontgravingen). Hoe groter de afstand tot de kering, hoe kleiner de invloed op de stabiliteit van de kering. Binnen deze zones gelden beperkingen op ontwikkelingsmogelijkheden en zijn bepaalde activiteiten onderworpen aan vergunnings- of meldingsplicht. In de Legger kan ook nog een profiel van vrije ruimte worden opgenomen. Het profiel van vrije ruimte dient met name de toekomstige verbetering van de waterkering.

Een essentieel onderdeel van waterkeringen betreft de klei-inkassing om het gevaar van piping te voorkomen. Piping is een belangrijk faalmechanisme bij dijken. Bij piping stroomt water via een zandlaag onder de dijk door en komt het achter de dijk weer omhoog. Hierdoor kan kwel ontstaan. Na verloop van tijd kan het water zand meegevoerd worden en begint er een kanaal (pipe) onder de dijk te ontstaan. Als dit wat langer doorgaat, vormt zich een doorgaande verbinding tussen het buitenwater en het achterland waardoor de dijk het kan begeven. Na de klei-inkassing wordt de oorspronkelijke grond in de bovenste laag van 1 meter teruggebracht en de ontwatering en afwatering worden weer op hetzelfde peil gebracht. De ervaring met klei-inkassing in de praktijk wijst uit dat agrarisch gebruik met een klei-inkassing mogelijk is.

Aan de gronden die in de Legger zijn aangeduid als beschermingszone of buitenbeschermingszone wordt in het inpassingsplan de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk' toegekend. Dit betekent dat ingevolge het inpassingsplan op deze gronden een bouwverbod geldt. Het betreft evenwel geen absoluut bouwverbod. Afwijking ervan is bij omgevingsvergunning mogelijk, als het bouwwerk geen onevenredige afbreuk doet aan de waterkerende functie van de waterkering. In de toekomst zal door het Waterschap Peel en Maasvallei ook de Legger conform de nieuwe waterkeringen worden vastgesteld. Voor een gedeelte van het tracé in het plangebied geldt dat de waterkeringen reeds zijn aangepast of niet meer behoeven te worden aangepast. Hiervoor is de Legger al aangepast en hierin brengt Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum geen verandering.

Bij het gebruik van/bouwen op de waterkering en/of de bijbehorende vrijwaringszones/beschermingszones dienen de Keur en de Algemene regels van het Waterschap in acht te worden genomen. Uit deze regels volgt dat onder voorwaarden bebouwing en gebruik kunnen worden toegestaan, mits deze (kort samengevat) geen afbreuk doen aan de waterkerende functie van de waterkering. Voor de gronden waar de Keur thans nog niet geldt, en (planologisch legaal) gebruik wordt/is gestart, geldt dat na inwerkingtreding van de Keur dit gebruik op basis van het overgangsrecht van de Keur kan worden voortgezet. De planregels die zien op het beschermingsregime voor de gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone-dijk' kunnen komen te vervallen op het moment dat Waterschap Peel en Maasvallei de Legger conform de nieuwe situatie heeft vastgesteld. Op dat moment voorzien de Keur en de Algemene regels van Waterschap Peel en Maasvallei in de waterstaatkundige bescherming van de nieuwe waterkeringen en is het dus niet meer nodig om middels het inpassingsplan regels te stellen ten behoeve van de waterstaatkundige bescherming van de waterkering. Op basis van een in het inpassingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid kunnen de betreffende planregels te zijner tijd worden geschrapt.

De huidige primaire waterkeringen in het plangebied zijn waterkeringen die een feitelijk beschermingsniveau bieden van 1/50. De waterkeringen worden met Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum versterkt tot het wettelijk vereiste beschermingsniveau van 1/250e. Voor deze 1/50e keringen is in het verleden een beschermingszone van 10 meter en een buitenbeschermingszone van 20 meter vastgelegd door Waterschap Peel en Maasvallei. Met voortschrijdend inzicht is inmiddels bekend dat de directe invloedzone van de waterkeringen breder is dan 10 meter. Tevens wordt de invloedzone breder naarmate de waterkering hoger wordt en een hoger beschermingsniveau moet bieden. Om die reden is, conform het beleid en regelgeving van Waterschap Peel en Maasvallei, voor de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone-dijk' in het inpassingsplan aangesloten bij de maatvoering van Waterschap Peel en Maasvallei, zijnde een beschermingszone van 20 meter en een buitenbeschermingszone van 20 meter. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen groene dijken of harde waterkeringen.

4.5 Rondweg Wanssum

De nieuwe rondweg die in het kader van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is gepland, zal leiden tot een sterke afname van het verkeer door Wanssum. Voor de leefbaarheid van Wanssum is met name de afname van de hoeveelheid vrachtverkeer van belang. De verwachting is dat circa 12.500 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) de rondweg gaan gebruiken. De bestaande weg door Wanssum zal verkeersluw worden gemaakt en de maximumsnelheid wordt teruggebracht tot 30 km/u. Daarbij zal een verbod voor vrachtverkeer (niet-zijnde bestemmingsverkeer) worden ingesteld op de brug in het centrum van Wanssum. Het aantal motorvoertuigen per etmaal in de dorpskern van Wanssum daalt van circa 11.000 naar 5.000 mvt/etm. Op onderstaande afbeelding is het nieuwe tracé van de rondweg weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0016.png"

Tracé rondweg Wanssum

Het bestaande Haven- en Industrieterrein Wanssum wordt in de toekomstige situatie via de rondweg ontsloten. De ontsluiting van de bedrijven loopt dan niet meer via de kern Wanssum. Hiermee worden verkeersveiligheidsknelpunten op de provinciale weg en omliggende straten opgelost, omdat de verkeersdruk in het centrum aanzienlijk vermindert. De leefbaarheid in Wanssum verbetert door een vermindering van de geluidhinder, verbetering van de luchtkwaliteit en daling van het externe veiligheidsrisico. Er vinden geen transporten met gevaarlijke stoffen meer over de weg door de kern van Wanssum plaats.

4.5.1 Tracé afwegingen

Aan de bepaling van het tracé van de rondweg is een langdurige en zorgvuldige tracéafweging vooraf gegaan. Na de start van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is in 2008 een Richtingendocument opgesteld. Hiervoor zijn zes (alternatieve) tracés voor de provinciale weg bij Wanssum onderzocht: twee tracés ten noorden van Wanssum, twee tracés uitgaande van een zuidelijke rondweg, inclusief realisatie van een nieuwe gebiedsontsluitingsweg voor de haven, en twee tracés op basis van de huidige ligging van de provinciale weg. Een beknopt verslag van deze afweging is opgenomen in bijlage 3 van het MER. De conclusie uit deze verkenning is dat een nieuw te maken rondweg aan de noordkant van Wanssum in het algemeen als beste uit de bus komt. De redenen zijn de volgende. Doorgaand verkeer en doorgaand vrachtverkeer worden geweerd uit de kern van Wanssum. Hierdoor neemt de hinder in het centrum van Wanssum af, is er minder kans op ongevallen en neemt de leefbaarheid toe. De aanleg van een noordelijke rondweg zorgt voor een betere verbinding tussen haven en bedrijfsterreinen en de N271. Er ontstaat de gewenste ruimte voor de herontwikkeling van het centrum van Wanssum. Bovendien zijn de noordelijke tracés korter (minder asfalt en minder kosten) dan de zuidelijke tracés. Verder zou een zuidelijke rondweg voor een aanmerkelijk grotere aantasting van de goudgroene zone (doorsnijding Molenbeekdal) zorgen dan een noordelijk tracé.

In het MER zijn daarna drie alternatieven en een Nulplus-alternatief zonder rondweg, inhoudende het opwaarderen van de bestaande N270, onderzocht. Mede op basis daarvan is vervolgens het definitieve tracé is bepaald. Daarbij is een aantal basale uitgangspunten gehanteerd: de rondweg moet niet onnodig lang zijn, de rondweg moet niet onnodig natuurwaarden of eigendommen aantasten en de rondweg moet een effectieve spreiding van verkeer geven over de verschillende toegangen tot het dorp. Tracés voor de rondweg zijn om die reden in eerste instantie gezocht ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur); Goudgroene natuurzone in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg en in de Provinciale Omgevingsverordening Limburg 2014) en zover mogelijk westelijk van de huidige bebouwing van Wanssum om de milieubelasting te beperken. Een rondweg ten westen van het Natuurnetwerk Nederland is niet wenselijk gevonden; het is langer, brengt hogere kosten mee en versnippert en vergt meer landbouwareaal.

Tot slot zijn bij de tracékeuze stedenbouwkundige en landschappelijke aspecten betrokken. Stedenbouwkundig is uitgegaan van het zo goed als mogelijk bij elkaar houden van bebouwing en stedelijke ontwikkelingen (bestaande kern Wanssum, het bestaande Haven- en Industrieterrein Wanssum en de uitbreiding daarvan en de provinciale (rond-)weg). Een stedelijke ontwikkeling als een provinciale weg met verharding en verstening is daarom zo dicht bij de kern van Wanssum geprojecteerd, zonder dat dit ten koste gaat van de milieunormeringen. Zo is in het kader van het inpassingsplan onderzoek gedaan naar de geluidbelasting vanwege de nieuwe rondweg. Uit dit onderzoek volgt dat bij veruit de meeste woningen en overige geluidgevoelige objecten aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt voldaan. Slechts in vijf gevallen is vanwege de rondweg een hogere-waardenbesluit nodig. Verder leidt de nieuwe rondweg in combinatie met het afwaarderen van de bestaande N270 ertoe dat bij een groot aantal woningen sprake zal zijn van een afname van de cumulatieve geluidbelasting. Uit het verrichte luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat ruimschoots aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden wordt voldaan.

Met de tracékeuze wordt ook tegemoet gekomen aan het principe "meer stad, meer land" uit het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014. Door stedelijke ontwikkelingen bij stedelijk gebied te concentreren wordt er automatisch "meer land" (lees buitengebied) gespaard. Dat is gelijk een belangrijke landschappelijke overweging. Een meer westelijke projectie van de rondweg zou het landschap ten westen van Wanssum meer versnipperen dan een zo nabij als mogelijke ligging ten opzichte van de kern van Wanssum. Bij het bepalen van het tracé en het maken van het ontwerp is daarnaast rekening gehouden met de verkeerskundige ontwerprichtlijnen en de bestaande bebouwing.

De nieuwe rondweg bij Wanssum krijgt een lengte van circa 3,5 kilometer en wordt ontworpen als een 80 km/u gebiedsontsluitingsweg waarop geen landbouwverkeer is toegelaten. Het tracé van de rondweg is zo gekozen dat het zo ver mogelijk wegblijft bij de bebouwing maar wel een maximale concentratie van verkeersstromen wordt bevorderd.

De rondweg begint aan de zuidwestzijde ter hoogte van het Natuurnetwerk Nederland als een afbuiging van de bestaande Venrayseweg. De locatie van deze afbuiging is bepaald door rekening te houden met de natuurgebieden aan de westzijde en de bebouwing aan de oostzijde. De weg ligt met een ruime boog om de bebouwing van Wanssum heen. Het westelijk deel van de rondweg heeft een verdiepte ligging om (geluid)hinder voor omwonenden te beperken, om de weg minder zichtbaar te maken vanuit de omgeving en de te kruisen steilrand zoveel mogelijk intact te kunnen laten.

Hierdoor kan ook de Meerlosebaan vrij eenvoudig ongelijkvloers kruisen voor langzaam verkeer. De rondweg volgt dan het maaiveld zo dicht mogelijk langs het Natuurnetwerk Nederland. Ter hoogte van de Nieuwlandsestraat is een tweede rotonde opgenomen die het westelijk deel van het Haven- en Industrieterrein Wanssum moet ontsluiten.

De Geijsterseweg wordt verlegd naar een tracé buiten het haven- en industrieterrein om daar aan te sluiten op de rotonde. Deze weg krijgt een maximum snelheid van 50 km/u en heeft een belangrijke functie als ontsluiting van met name het bestaande deel van het haven- en industrieterrein.

Tussen de Nieuwlandsestraat en de Driesstraat moet het tracé door het bestaande haven- en industrieterrein en over de havenkom heen. Ongeveer 600 meter van het tracé van de rondweg wordt verhoogd aangelegd om de havenkom van Wanssum te kunnen kruisen (verhoging van 0 tot circa 8 meter ten opzichte van maaiveld). Ter plaatse van de havenkom wordt een nieuwe brug aangelegd voor de rondweg. De hoogte van de brug bedraagt circa 8 meter boven maaiveld en is afgestemd op een minimaal vereiste doorvaarthoogte bij scheepvaartklasse Vb. De brug sluit aan de oostzijde aan op de Busserhofweg.

Om zoveel mogelijk bedrijven te sparen, is aan de westzijde van de haven gekozen voor een tracé tussen de firma Geelen en Topterra. Aan de oostzijde is het tracé zoveel als mogelijk ten zuiden van de Busserhofweg en de Kooij gelegd. De ontsluiting van bedrijven als Jewagas en Vitelia kan daardoor ongewijzigd blijven. Alleen de zoutloods dient te verdwijnen. Dit deel van het tracé loopt vervolgens parallel aan de hal van Kersten Europe om in het verlengde van de Driesstraat te eindigen in een laatste rotonde. Deze rotonde sluit het oostelijk haven- en industrieterrein aan op de rondweg en via de oostelijke randweg het verkeer uit Wanssum-oost, Blitterwijck en Meerlo. Dit deel van het tracé wordt niet uitgevoerd met taluds maar wordt op een constructie van keerwanden gerealiseerd. Alleen op deze wijze is het tracé in te passen in het industrieterrein.

Via een tweetal krappe bogen wordt een vloeiend alignement gerealiseerd naar de bestaande Koninginnebrug waar het huidige tracé van de N270 weer wordt opgepakt. De aansluiting nabij de opgang van de brug komt daarbij om verkeersveiligheidsredenen te vervallen. De parallelbaan op de brug blijft zoals in de huidige situatie in gebruik bij langzaam en landbouwverkeer. De rondweg wordt niet voorzien van een fietspad naast de weg. Fietsroutes blijven lopen via de kern van Wanssum. Langzaam verkeer kan de rondweg ongelijkvloers kruisen aan de westzijde door middel van een fietstunnel, ter hoogte van de Meerlosebaan door middel van een fietsbrug, ter hoogte van de Geijsterseweg en Stayerhof door middel van een viaduct en via een extra onderdoorgang van de Koninginnebrug ter hoogte van de dijk.

In het plan wordt de rondweg om het huidige terrein van het Jewa Gas heengeleid, zodat de huidige bedrijfsvoering gehandhaafd kan blijven. Aan de oostzijde wordt een bedrijfskavel, die verloren gaat door aanleg van de rondweg, gecompenseerd.

4.6 Haven- en industrieterrein

De uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum beoogt met name nieuwe watergebonden (natte) kavels te realiseren. In totaal gaat het in de uitbreiding van 19,2 hectare. Het terrein zal hoofdzakelijk gebruikt worden door bedrijven die nu al op het terrein gevestigd zijn en een uitbreidingswens hebben. Daarnaast is beperkt ruimte voor nieuwe bedrijvigheid.

De toekomstige uitbreiding van de haven is gesitueerd aan de westzijde van de huidige haven. De uitbreiding vormt daar een logisch vervolg op de bestaande insteekhaven. De meeste watergebonden bedrijvigheid bevindt zich al in het westelijk deel van het industrieterrein. Aan de oostzijde wordt het industrieterrein uitgebreid met 0,7 ha. Dit is louter bedoeld ter compensatie van een bedrijfskavel (bedrijf Kersten) die verloren gaat door aanleg van de rondweg.

De bestaande havenkom wordt verlengd met 400 meter. De lengte van de kades is afgestemd op de lengte van de te verwachten duwvaart in de Maas, zijnde klasse Vb. De toename aan transportbewegingen als gevolg van de uitbreiding van het haven- en industrieterrein behelst naar verwachting 17 scheepvaartbewegingen per week en 600 vrachtautobewegingen per werkdag.

De huidige veehouderij aan de Geijsterseweg ligt op het beoogde terrein voor de uitbreiding van de haven en industrieterrein en wordt verplaatst naar een nieuwe locatie. Het haven- en industrieterrein Wanssum wordt inwaarts gezoneerd (zie ook paragraaf 4.6.2). Dat wil zeggen dat de meest belastende bedrijven zo ver mogelijk van de bebouwingsconcentratie worden gesitueerd om daarmee het aantal gehinderden maximaal te beperken.

4.6.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

Op grond van artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen overheden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen drie stappen te doorlopen.

Artikel 1.1.1 Bro definieert 'stedelijke ontwikkeling': ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. In dit plan is een dergelijke 'stedelijke ontwikkeling' voorzien, te weten de uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum. De uitbreidingsplannen voorzien in de vergroting van de haven. Het industrieterrein wordt met 19,17 hectare bruto uitgebreid.

Omdat dit inpassingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling toe staat, is een onderbouwing van de ladder nodig. Deze onderbouwing wordt gevormd door de treden van de ladder uit te werken. De ladder bestaat uit drie treden:

  • 1. Is er een regionale behoefte?
  • 2. Is (een deel van) de regionale behoefte op te vangen binnen het bestaand stedelijk gebied?
  • 3. Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte.

Ten behoeve van de ladder is het onderzoek 'Ladder uitbreiding Haven Wanssum' uitgevoerd. In dit onderzoek is nader ingegaan op de (regionale) behoefte van de uitbreiding. Dit onderzoek is als Bijlage 48 bij deze toelichting opgenomen.

Uit dit onderzoek blijkt dat er behoefte is aan nieuwe, extra bedrijfskavels (voor zowel havengebonden als havengerelateerde bedrijven). De uitbreiding van het Haven- en Industrieterrein Wanssum vormt een belangrijke ruimtelijke en economische kwaliteitsimpuls voor de haven en haar huidige bedrijven en het omliggende gebied. Bovendien zijn er geen ruimtelijke alternatieven beschikbaar of geschikt te maken voor de concrete uitbreidingsbehoefte. De ontwikkeling van nieuwe industrieterrein leidt daardoor niet tot extra leegstand elders of overaanbod in de regio (omdat heel specifiek is bestemd voor havengebonden bedrijvigheid en lokale uitbreiding).

Argumenten voor deze conclusie zijn:

  • De uitbreiding van de haven in Wanssum wordt zowel door provincie, regio(gemeenten) als gemeente Venray als gewenst gezien. In zowel provinciaal beleid (POL, Havennetwerkvisie), beleidsdocumenten van de gemeente Venray en planningsafspraken omtrent bedrijventerreinen genoemd als wenselijk. Regionale afstemming heeft plaats gevonden.
  • Er is een aantoonbare (kwalitatieve) ruimtevraag naar havengebonden en havengerelateerde kavels (15 hectare ruimtevraag tot en met 2025). Het netto plangebied bedraagt 15,4 hectare. Er is geen harde plancapaciteit beschikbaar om in deze vraag te kunnen voorzien.
  • Uit de analyse van de regionale behoefte is gebleken dat deze ruimtevraag niet gefaciliteerd kan worden op bestaande of in de toekomst beschikbare bedrijfslocaties (gelegen aan of nabij het water). Er wordt – met het toevoegen van kavels voor havengebonden bedrijvigheid - ingezet wordt op concentratie van havengebonden bedrijvigheid binnen de regio, in plaats van versnippering op suboptimale locaties (die mogelijk ook minder goed bereikbaar zijn).
  • Het is ruimtelijk en financieel wenselijk voor 'havengerelateerde' bedrijven om uit te breiden aansluitend aan de bestaande bedrijfslocatie.
  • De uitbreiding is ook noodzakelijk vanwege de realisatie van de nieuwe rondweg en verplaatsing van een enkel bedrijf als gevolg daarvan. Bedrijven – die noodzakelijkerwijs aan water gevestigd moeten zijn – moeten elders gehuisvest worden. Uit de analyse is gebleken dat er in de marktregio geen alternatieven beschikbaar zijn.
  • Door de aanleg van de rondweg en het verplaatsen van een enkel bedrijf wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de leefbaarheid van de omgeving, in het bijzonder de kern van Wanssum (doorgaande (vracht)verkeer wordt om de kern geleid). Deze rondweg betekent ook een verbetering van de bereikbaarheid – en daarmee de marktaantrekkelijkheid – van de haven omdat deze dan zowel aan west- als oostzijde wordt ontsloten. De ontsluiting op de A73 wordt daarmee ook versterkt.
4.6.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieucategorieën

In de Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (verder: Handreiking) beschreven hoe bij ruimtelijke planvorming moet worden omgegaan met nieuwe bedrijvigheid in relatie tot bestaande woningen en andere bestaande situaties. Alhoewel de Handreiking niet bedoeld is om de aanvaardbaarheid van bestaande situaties (inhoudende bestaande woningen in de nabijheid van bestaande bedrijven) te beoordelen, geeft de Handreiking wel een stappenplan voor de aanpak van bestaande situaties. De Handreiking verdeelt bedrijven en bedrijfsactiviteiten in verschillende typen (milieubelastende) bedrijvigheid en koppelt zogenaamde richtafstanden (uiteenlopend van 10 tot 1.500 meter) aan de verwachte milieubelasting. Bij de indeling in bedrijvigheid/milieucategorie wordt gebruik gemaakt van de Standaard Bedrijfsindeling van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Op grond van het geldend bestemmingsplan 'Haven- en industrieterrein Wanssum' vastgesteld d.d. 9 maart 1987 en goedgekeurd d.d. 22 september 1987, geldt voor de delen van het gebied (te weten enkele percelen aan de zuidzijde van het terrein en ten oosten van de Geijsterseweg, enkele percelen tussen de Burgemeester de Weichshavenstraat en de Piet van Elsstraat en de percelen ten zuiden van de Parakkerweg en ten oosten van de Stayerhofweg) de bestemming 'Bedrijven'. Hier zijn bedrijven in de categorieën 3 en 4 van de bijgevoegde Bedrijvenstaat toegestaan, met uitzondering van A-inrichtingen en (in principe) detailhandel. Middels een afwijkingsbevoegdheid konden onder voorwaarden ook bedrijven in categorie 2 worden toegestaan. Voor de rest van het terrein geldt de bestemming 'Industrie'. Hier zijn bedrijven in de categorieën 4 en 5 en 6 voor zover specifiek met een asterisk aangemerkt op de Bedrijvenstaat, toegestaan. Daarbij geldt dat slechts in het gebied tussen de Geijsterseweg en de havenkom en in een deel van het gebied direct ten oosten van de havenkom A-inrichtingen zijn toegestaan; hiermee is kort samengevat gedoeld op geluidhinder veroorzakende inrichtingen waarbij voor het industrieterrein een geluidzone ingevolge de Wet geluidzone moet worden vastgesteld. In het noordwesten van het gebied zijn 'watergebonden bedrijven' toegestaan. Met de 'Partiële herziening bestemmingsplan 'Haven en industrieterrein Wanssum' Mestoverslag', vastgesteld d.d. 14 september 1992 en goedgekeurd d.d. 23 maart 1993 is aan percelen ten noordwesten van de bestaande havenkom ook de bestemming "Industrie" toegekend. Met het bestemmingsplan 'Zone industrielawaai bedrijventerreinen Haven Wanssum en Tienray', vastgesteld d.d. 6 juli 2009 en goedgekeurd d.d. 9 februari 2010, is behalve in de geluidzone vanwege het geluidgezoneerd industrieterrein, ook voorzien in een bestemming 'Bedrijventerrein' aan de westzijde van het terrein, te weten ten westen van de Geijsterseweg en ten noorden van de St. Leonardsweg. Ter plaatse van deze bestemming is de uitoefening van transport- en/of opslagactiviteiten ten behoeve van een betonfabriek en een geluidhinderlijke inrichting toegestaan. Vanwege de vernietiging van het goedkeuringsbesluit is opnieuw in de bedrijventerreinbestemming voorzien middels het bestemmingsplan 'Opslagterrein Geelen Beton Wanssum' vastgesteld d.d. 21 juli 2011.

In dit inpassingsplan wordt het industrieterrein planologisch opnieuw geregeld. Voor wat betreft de indeling in milieucategorieën en het opstellen van een 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' is gebruik gemaakt van de meest recente versie van de Handreiking uit 2009. De diverse bedrijfssoorten en- activiteiten zijn in de huidige - moderne - Handreiking soms anders aangeduid of ingedeeld in een andere milieucategorie, die zowel hoger als lager kan zijn dan in het vigerende bestemmingsplan. Veel bedrijfsactiviteiten die in de jaren 80 in een hoge milieucategorie vielen, vallen nu in een lagere milieucategorie, omdat deze minder milieubelastend zijn gebleken. Daarnaast zijn er enkele die met de huidige inzichten in een hogere milieucategorie komen te vallen.

De verandering in milieucategorisering betekent niet per definitie dat de planologische gebruiksmogelijkheden voor de bedrijfspercelen worden ingeperkt. Op basis van de bij dit inpassingsplan behorende Staat van bedrijfsactiviteiten, die ook een meer gedetailleerde categorie-indeling kent (zoals 3.1 en 3.2 in plaats van alleen 3), zijn nog altijd veel bedrijfsactiviteiten toegestaan. Daarbij komt, zoals al aangegeven, dat bepaalde bedrijfsactiviteiten van categorie zijn gewisseld. Sommige bedrijfsactiviteiten werden in het verleden als categorie 4 aangemerkt en worden nu (afhankelijk van de aard en omvang) ook als categorie 3.1 of 3.2 aangemerkt. Verder bevat de huidige Staat van bedrijfsactiviteiten ook activiteiten die op de oude Bedrijvenlijst niet waren opgenomen.

De tegenwoordig als 'zeer zware milieubelastende activiteiten' geclassificeerde milieucategorie 6 (in de huidige situatie nergens aanwezig op het haven- en industrieterrein) komt niet meer voor op de nieuwe 'Staat van Bedrijfsactiviteiten en ook de mogelijkheid om bedrijven in milieucategorie 5 te vestigen zijn beperkter. Bestaande bedrijven die niet of niet geheel passen binnen de bestemmingsregeling in het inpassingsplan, omdat zij bijvoorbeeld niet op de Staat van Bedrijfsactiviteiten voorkomen, een afwijkende milieucategorie hebben of niet havengebonden/havengerelateerd zijn, krijgen een specifieke passende bestemming die aansluit bij de vergunde activiteiten. Bovendien krijgen deze 'afwijkende' bedrijven net als de wel passende bedrijven een realistische uitbreidingsmogelijkheid. Het inpassingsplan werpt dus geen belemmeringen op voor de bestaande bedrijven op het industrieterrein.

Inwaartse zonering en branchering

Het vigerende bestemmingsplan kent geen inwaartse zonering, waardoor niet alleen al bestaande bedrijven op relatief korte afstand van gevoelige functies zijn gevestigd, maar ook nieuwe bedrijven zich op korte afstand van gevoelige functies kunnen vestigen. Dit is vanwege de leefbaarheid niet wenselijk. In de 'Toekomstvisie Haven Wanssum' van de gemeente Venray (beschreven in paragraaf 3.5.7) wordt een nieuwe indeling van het industrieterrein voorgestaan. Onderdeel hiervan is het toepassen van een inwaartse zonering, waarbij ten zuiden van de nieuwe rondweg nieuwe bedrijven in de milieucategorieën 2, 3.1. en 3.2. zijn toegestaan, waarbij de richtafstanden tot (geclusterde) woonfuncties conform de Handreiking respectievelijk 30, 50 en 100 meter bedragen. Ten noorden van de rondweg worden nieuwe bedrijven in de milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 en eventueel, via een binnenplanse afwijking en onder voorwaarden, bedrijven in de milieucategorieën 5.1 en 5.2, toegestaan. De richtafstanden die hier volgens de Handreiking bij horen bedragen 50 meter (categorie 3.1), 100 meter (categorie 3.2), 200 meter (categorie 4.1), 300 meter (categorie 4.2), 500 meter (categorie 5.1) en 700 meter (categorie 5.2).

Verder is de toekomstige ontwikkeling van het Haven- en Industrieterrein voor zover het kavels betreffen die aan de bestaande of de nieuwe havenkom zijn gelegen, gericht op het toestaan van havengebonden en havengerelateerde bedrijven. Dit is ingegeven door een optimaal gebruik van de kades en het vergroten van de overslagcapaciteit. Binnen de regio en Noord-Limburg zijn slechts beperkt bedrijfskavels gesitueerd aan een havenkom die een directe verbinding hebben met de Maas, terwijl in dit gebied veel meer kavels (al dan niet in de vorm van harde plancapaciteit) beschikbaar zijn die "droog bedrijventerrein" betreffen. Teneinde ervoor te zorgen dat deze bijzondere eigenschap van de kavels in Wanssum gelegen aan de havenkom in de toekomst ook als zodanig wordt gebruikt, zijn deze kavels specifiek bestemd voor havengebonden en havengerelateerde bedrijvigheid (bestemming 'Bedrijventerrein - 2'). Verder is deze branchering ingegeven door het beleid van het rijk (Beleidsregels grote rivieren). Daarin geldt als beleidsuitgangspunt om in het stroomvoerend regime van de Maas vooral watergebonden activiteiten toe te staan.

De systematiek in het inpassingsplan is als volgt:

  • bestaande bedrijven worden ingedeeld in de voorgeschreven categorie, via de 'Staat van bedrijfsactiviteiten' en bestemming 'Bedrijventerrein - 1' (niet-havengebonden of -havengerelateerd) of 'Bedrijventerrein - 2' (wel havengebonden of havengerelateerd);
  • als een bedrijf niet voorkomt op de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten', of niet de juiste milieucategorie heeft dan wel niet havengebonden/havengerelateerd is, terwijl het betreffende kavel wel de bestemming 'Bedrijventerrein - 2' heeft, is in een specifieke passende bestemming voorzien, met bijbehorende - eventueel hogere - milieucategorie, waarbij in ieder geval de huidige, vergunde bedrijfsvoering positief wordt bestemd en ermee rekening wordt gehouden dat het bedrijf nog over enige uitbreidingsmogelijkheden beschikt.

4.7 Privaat initiatief: uitbreiding Roekenbosch

De initiatiefnemers van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum hebben de mogelijkheid geboden aan burgers en ondernemers in het plangebied om met voorstellen te komen voor ontwikkelingen die passen in de doelstellingen van de gebiedsontwikkeling. In dit inpassingsplan is alleen de uitbreiding van het Roekenbosch als privaat initiatief meegenomen. Het Roekenbosch heeft een initiatief ingediend voor meer ruimte voor de aanleg van vakantiewoningen aan de zuidoost-zijde van het park. Hierdoor komt er per vakantiewoning meer ruimte beschikbaar.

Uitbreiding Roekenbosch

Vakantiepark het Roekenbosch moet ten behoeve van de reactivering van de Oude Maasarm gronden afstaan inclusief het grootste deel van de bestaande parkeerplaats. Het Roekenbosch heeft daarnaast een initiatief ingediend om het bestaande park een kwaliteitsslag te geven door de bebouwingsdichtheid in het huidige park te verminderen. Hiertoe wil zij het bestaande park uitbreiden. Omdat het aantal bestaande recreatiewoningen wordt gehandhaafd, neemt daarbij echter noch het bebouwde oppervlak als het aantal vakantiewoningen toe. Het Roekenbosch wil hiermee inspelen op de recreatieve potentie die ontstaat als gevolg van de realisatie van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.

In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking is het de vraag of een recreatiepark te scharen is onder de definitie voor 'stedelijke ontwikkeling'. Bovendien is het de vraag of het hier gaat om een 'nieuwe' stedelijke ontwikkeling. Er vindt immers een herschikking plaats van een bestaande, juridisch-planologisch geregelde ontwikkeling. Omdat de herschikking deels buiten de bestaande contouren van de vigerende positieve bestemming plaatsvindt, is desondanks voor de volledigheid en zorgvuldigheid de ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen, als onderdeel van de Ruimtelijke Onderbouwing voor de uitbreiding/wijziging van recreatiepark Het Roekenbosch. De Ruimtelijke Onderbouwing is als Bijlage 4 bij deze toelichting opgenomen.

Uit de onderbouwing blijkt dat het planvoornemen aansluit bij de behoefte in de regio Noord-Limburg om de kwaliteit van bestaande verblijfsrecreatieve mogelijkheden te vergroten. Het aantal recreatiewoningen op het bestaande terrein wordt verminderd, de overblijvende woningen worden gemoderniseerd en opgewaardeerd en er worden enkele gevarieerde en luxe recreatiewoningen terug gebouwd. Kwantitatief heeft het voornemen geen effecten, omdat het totaal aantal recreatiewoningen en de bebouwde oppervlakte binnen de nieuwe begrenzing van het park niet veranderen. Een recreatiepark met verblijfsrecreatieve voorzieningen hoort per definitie thuis in het buitengebied en niet binnen bestaand stedelijk gebied. De ontsluiting van het park per auto is goed en wordt als zodanig gehandhaafd.

4.8 Verplaatsing Gilde

Het St. Antonius Abt Gilde Blitterswijck (hierna het Gilde) is een relatief groot gilde met ruim 70 gekostumeerde leden. Het gilde is nauw met het dorp verbonden en heeft een eigen schietterrein voorzien van een schietinstallatie met een 6-tal kogelvangers. Op het huidige schietterrein van het Gilde nabij de Maas vinden wekelijks onderlinge schietwedstrijden plaats alsmede algemene wedstrijden waaraan ook regelmatig schutters van nabij gelegen schutterijen deelnemen. Als gevolg van de gebiedsontwikkeling wordt het huidige schietterrein verlaagd en zal het in de toekomst frequent inunderen. In overleg met het Gilde zijn een aantal alternatieve locaties beoordeeld. De meest kansrijke locaties waren de locatie sportterrein Blitterswijck en de locatie kasteelruïne Blitterswijck. Gelet op de volgende argumenten heeft locatie kasteelruïne de voorkeur: het geven van een zinvolle en passende bestemming aan deze historische plek, de unieke setting die het kasteelruïneterrein aan activiteiten biedt, de loopafstand tot het dorp, de samenwerking met de stichting die zich inzet voor het behoud van de kasteelruïne en het feit dat deze locatie onafhankelijk is van andere verenigingen.

Akoestische inpasbaarheid

Middels een wijziging van het Activiteitenbesluit van 1 januari 2010 zijn inrichtingen voor traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. Derhalve is een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de nieuwe locatie van het Gilde. Het Gilde beoefent Brabants schieten. In de regel worden activiteiten van schutterijen getoetst aan de De 'Handreiking Limburg Traditioneel Schieten'. De handreiking is echter ook geschikt voor de activiteit Brabants schieten en is daarom ook in dit geval als toetsingskader gehanteerd. Bij deze toetsing blijkt dat bij bestaande woningen, die zijn gelegen op minimaal ongeveer 140 meter van het beoogde terrein, sprake is van een inpasbare situatie. Hierbij is wel van belang dat geluidarme kogelvangers worden gehanteerd en het oefenen in de buitenlucht wordt beperkt. Deze voorwaarden zullen in het kader van de milieuregelgeving worden gesteld.

Bodem

Econsultancy heeft in opdracht van Projectbureau Oijen-Wanssum een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd aan de Maasweg (ong.) te Blitterswijck in de gemeente Venray. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw op de onderzoekslocatie, alsmede de planwijziging. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de bodem ter plaatste als 'verdacht' beschouwd, zie ook hoofdstuk 8.2.1.

Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er echter géén reden voor een nader onderzoek. Er bestaan met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem dan ook géén belemmeringen voor de nieuwbouw op de onderzoekslocatie. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. De regels van het Besluit bodemkwaliteit zijn hierop mogelijk van toepassing.

Hoofdstuk 5 Ruimtelijke kwaliteit

5.1 Inleiding

Het Ruimtelijk Kwaliteitskader (Kwaliteitskader Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, projectbureau Ooijen- Wanssum, februari 2013; verder te noemen RKK) voor de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum legt de ruimtelijke kwaliteitsprincipes vast die gehanteerd zijn in de planvorming en borgt een passend kwaliteitsniveau bij de verdere uitwerking, aanbesteding en uitvoering. Het RKK beschrijft de ruimtelijke ambitie en na te streven kwaliteit, de huidige kwaliteiten van de Zandmaas en Ooijen-Wanssum en legt de ruimtelijke ambities en de leidende principes vast voor de gebiedsontwikkeling. Het RKK vormt een bindend contractdocument in de aanbestedings- en realisatiefase. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwerpvisies voor de groen-blauwe structuur, waterkeringen, recreatieve netwerk, Rondweg Wanssum, Centrum Wanssum en de bruggen Ooijen en Blitterswijck.

5.2 Ambitie en kwaliteit

Grote ingrepen in een uniek en grotendeels intact landschap maken de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum tot een delicate opgave. De kwaliteitsambities of –eisen voor de opgave schikken zich naar de volgende prioriteitsvolgorde:

  • Water is bepalend
  • Landschap is leidend
  • Economie en leefbaarheid profiteren

Het is mogelijk dit te bereiken zonder het bijzondere landschap tekort te doen. Want, als het landschap leidend is voor de ingrepen, is het ook expliciet het uitgangspunt van het gebiedsplan.

5.3 Leidende principes

Er worden negen leidende principes in de gebiedsontwikkeling onderscheiden:

  • 1. De levende rivier krijgt de ruimte.
  • 2. Elke maatregel moet het gebiedseigen karakter versterken.
  • 3. Behoud of verbetering van bestaande grondwaterstromen.
  • 4. Nieuwe economische ontwikkelingen met oog voor het geheel.
  • 5. De rondweg maakt onderdeel uit van een integrale route en maakt doorkruising van het Maasdal beleefbaar.
  • 6. De maatregelen vergroten het hoogwaterbewustzijn en de belevingswaarde.
  • 7. Robuust en volhoudhaar bij verschillende waterstanden van de Maas.
  • 8. Dynamiek in het gebied benutten voor avontuurlijke inrichting.
  • 9. Vrije toegankelijkheid, ook van de nieuwe natuurgebieden.

1. De levende rivier krijgt de ruimte

Maatregelen in de gebiedsontwikkeling dragen bij aan het herstel van een levende zandrivier. Dijken worden alleen aangelegd ter bescherming. Flora en fauna krijgt er de ruimte. Het gebied ontwikkelt zich op een natuurlijke wijze. Het gebied dient, waar mogelijk, toegankelijk te zijn en als eenheid beheerd te worden.

2. Elke maatregel moet het gebiedseigen karakter versterken

Bij ingrepen wordt altijd gezocht naar oplossingen die eigen zijn aan het specifieke riviersysteem. De structuren worden gevormd door natuurlijke laagtes en hoogtes en zullen niet kunstmatig worden aangelegd. Waar mogelijk wordt het oorspronkelijk 'onbedijkte' karakter van de rivier behouden. Maatregelen dragen bij aan het zichtbaarder maken van het terrassenlandschap. De natuurontwikkeling in de laag gelegen Oude Maasarm en het landbouwkundig gebruik van de hoger gelegen terrassen vergroot het ruimtelijk contrast tussen de lagere nattere delen en de hogere drogere delen, waarbij de terrasranden de scheiding tussen droog en nat accentueren.

3. Behoud of verbetering van bestaande grondwaterstromen

Alle keuzes omtrent geulaanleg staan in het teken van het benutten van grondwaterstromen. Dit houdt in dat de gebiedsontwikkeling is gericht op realisatie van ondiepe geulstructuren die grondwaterstromen aansnijden.

4. Nieuwe economische ontwikkelingen met oog voor het geheel

Nieuwe economische initiatieven, zoals de uitbreiding van het haven- en industrieterrein van Wanssum, leveren niet altijd een bijdrage aan de karakteristiek, eigenheid en beleefbaarheid van het gebied. Dit wordt geaccepteerd omdat de uitbreiding van het haven- en industrieterrein zorgt voor economische vitaliteit. Wel is versterking van de aangrenzende landschaps- en ecologische structuur gewenst en is een beeldkwaliteitsplan voor het haven- en industrieterrein opgesteld. Bij kleinere ingrepen en initiatieven wordt gezocht naar een optimaal ontwerp passend in het lokale landschap, waarbij wordt gelet op de karakteristieke waarden. Nieuwe recreatieve initiatieven zijn mogelijk maar dienen zich qua schaal, opzet en bouwstijl te voegen in de karakteristieken van het gebied. De gebiedsontwikkeling houdt bij keuzes rekening met de historie van het gebied.

5. De rondweg maakt onderdeel uit van een integrale route en maakt doorkruising van het Maasdal beleefbaar

De nieuwe rondweg met brug over de haven moet samen met de bestaande Koninginnenbrug als een oversteek van het Maasdal worden gezien. Deze oversteek dient als één integrale en herkenbare route ontworpen te worden. Op maaiveld zal een markante laanstructuur de route begeleiden terwijl beide bruggen een panoramisch zicht op de omgeving bieden.

6. De maatregelen vergroten het hoogwaterbewustzijn en de belevingswaarde

Hoewel er gemiddeld maar een aantal dagen in het jaar water in de Oude Maasarm en de hoogwatergeulen stroomt, wordt de belevingswaarde van het gebied vergroot door de aandacht op het (hoog-)water te vestigen.

7. Robuust en volhoudhaar bij verschillende waterstanden van de Maas

De Oude Maasarm en de hoogwatergeulen mogen na aanleg binnen een behoorlijke bandbreedte door de kracht van hoogwater en door geomorfologische processen veranderen. Hetzelfde geldt voor de vegetatie. Bij de inrichtingsontwerpen wordt uitgegaan van een realistische vegetatieontwikkeling. Er wordt uitgegaan van een zich spontaan ontwikkelend landschap onder een beheer van extensieve jaarrondbegrazing.

8. Dynamiek in het gebied benutten voor avontuurlijke inrichting

Het gebied wordt ingericht vanuit de gedachte dat ontdekken leuker is dan consumeren. De verschillende waterstanden spelen daarbij een belangrijke rol. De dynamiek van het water wordt daarmee zichtbaar en beleefbaar en zorgt voor een waterkalender waar specifieke gebruiksfuncties of evenementen aan te koppelen zijn.

9. Vrije toegankelijkheid, ook van de nieuwe natuurgebieden

Het hele natuurgebied is vrij toegankelijk. Waar huidige recreatieve routes worden onderbroken door de gebiedsontwikkeling worden nieuwe, zo mogelijk aantrekkelijkere, verbindingen voorzien.

Hoofdstuk 6 MER

6.1 Wettelijk kader

Wet milieubeheer en Besluit milieueffectrapportage

In de Wet milieubeheer (Wm) en het Besluit milieuffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijk plan dat voorziet in een project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden, zijn opgesomd in de bijlage van het Besluit m.e.r.. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen een m.e.r.-beoordeling (categorie D), waarbij het bevoegd gezag een beslissing kan nemen of een m.e.r.-procedure nodig is, of een verplichte m.e.r. (categorie C). Op grond van artikel 7.2a Wet milieubeheer moet ook een milieueffectrapport worden gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit betekent dat als een plan significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kan hebben, ook verplicht een plan-MER moet worden gemaakt.

6.2 Beoordelingskader

Het is wettelijk verplicht om een m.e.r.-procedure te doorlopen voor het opstellen van het Inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum, omdat in het plan activiteiten zijn opgenomen waarvoor het op grond van het Besluit m.e.r. verplicht is om een project-MER op te stellen. Daarnaast is nader onderzoek nodig om significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uit te sluiten (de zogenaamde Passende beoordeling). Dat maakt dat een plan-MER opgesteld moet worden. Het bevoegde gezag, de provincie Limburg, doorloopt daarom voor dit Inpassingsplan een gecombineerde plan-m.e.r./project-m.e.r.-procedure. Verder bevat het inpassingsplan enkele besluit-m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten. Besloten is om hiervoor direct een besluit-MER op te stellen en deze activiteiten in het gecombineerde plan- en besluit-MER mee te nemen.

In de onderstaande tabel zijn de categorieën activiteiten opgenomen die voorkomen in de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De codes in de eerste kolom verwijzen naar de nummering in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage. In de tweede kolom is tussen haakjes opgenomen vanuit welke onderdelen van de gebiedsontwikkeling de m.e.r.-(beoordelings-)plicht voortkomt.

C 4/ D 4   aanleg, wijziging of uitbreiding van een haven voor de binnenscheepvaart (vanwege de haven)  
C 16.1   winning van oppervlaktedelfstoffen uit de landbodem (vanwege ontgrondingen in de twee hoogwatergeulen en de mogelijkheid van omputten van vrijkomende grond)  
D 3.2   aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen, met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken (vanwege de reactivering van de Oude Maasarm, de (primaire) waterkeringen en twee hoogwatergeulen)  
D 9   landinrichtingsproject (planologische functiewijziging van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw) (vanwege de functiewijzigingen in de Oude Maasarm en de hoogwatergeulen)  
D 11.3   aanleg, wijziging of uitbreiding van jachthavens bij 100 ligplaatsen of meer (vanwege het plan voor een jachthaven in Ooijen)  
D 18.3   inrichting bestemd voor het storten van slib of baggerspecie of het in de diepe ondergrond brengen van niet-gevaarlijke afvalstoffen (vanwege de berging van niet-vermarktbare grond in het gebied  

In het MER is onderzocht wat de milieueffecten van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zijn. Dit wordt gedaan door mogelijke varianten van het project te beschrijven en de effecten daarvan te vergelijken. Het MER is als Bijlage 6 bij deze toelichting opgenomen.

Uit wet- en regelgeving, de doelstellingen van het project en de notitie Reikwijdte en Detailniveau zijn 46 criteria afgeleid waarop de voorgenomen activiteit en de varianten zijn getoetst. De criteria zijn ingedeeld in 12 disciplines: rivierkunde, grondwater en landbouw, bodem, natuur en oppervlaktewater, landschap, cultuurhistorie en archeologie, verkeer en vervoer, luchtkwaliteit, geluidhinder, externe veiligheid en gezondheid en duurzaamheid. De waarderingen zijn grotendeels kwalitatief op een zogenaamde vijfpuntsschaal (met plussen en minnen) uitgevoerd, soms gebaseerd op kwantitatieve (model)berekeningen. In dit hoofstuk wordt een samenvatting gegeven van de uitgevoerde m.e.r.

6.3 Varianten

In de periode van 2006 tot 2010 zijn strategieën voor de gebiedsontwikkeling verkend en beoordeeld. Op basis van deze verkenningen is in 2012 een voorkeursalternatief samengesteld, die als basis dient voor de drie varianten in het MER. De drie varianten geven elk in meer of mindere mate invulling aan de doelstellingen. In de periode van planontwikkeling tot 2012 zijn de doelstellingen 'Hoogwaterbescherming' en 'Waterstandsdaling' leidend geweest voor de hele gebiedsontwikkeling. De drie integrale varianten in het MER onderzoeken nu vervolgens vooral de uitersten van de overige drie doelstellingen, te weten:

  • variant 1: Ontwikkelen van natuur en landschap;
  • variant 2: Vergroten van de leefbaarheid in de dorpskernen;
  • variant 3: Ruimte voor nieuwe economische ontwikkelingen.

Om duidelijk te maken wat er zou gebeuren als haven en bedrijfsterreinen worden ontwikkeld zonder dat de rondweg bij Wanssum wordt aangelegd, is een aanvullende variant beschouwd, die overeenkomt met variant 3, maar dan zonder de rondweg. Deze variant wordt de “variant 0+” genoemd. Met deze variant zijn inzichten verkregen in de effecten van de uitbreiding van het haven- en industrieterrein en de aanleg van de rondweg afzonderlijk.

6.4 Voorkeursvariant

Op grond van de variantenstudies (paragraaf 6.3) is een voorkeursvariant vastgesteld. Deze variant is opgebouwd uit 'bouwstenen' uit de verschillende varianten. De keuze is daarbij gebaseerd op meerdere criteria, zoals milieueffecten, wensen vanuit de omgeving, politieke en bestuurlijke overwegingen en de kosten. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de voorkeursvariant weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0017.png"

Uitsnede voorkeursvariant

Het MER heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan het ontwerp van de voorkeursvariant. Op basis van de beoordeling van de effecten in het MER zijn ondermeer de navolgende ontwerpkeuzes gemaakt:

  • Verdiepte ligging van de rondweg voor de beperking van de geluidsbelasting op de bebouwing van Wanssum;
  • Locatie van de uitstroom van de Groote Molenbeek nabij de Brugstraat;
  • Aanleg drempels in de Hoogwatergeul Ooijen ter beperking van grondwatereffecten op omliggende natuur- en landbouwgebieden.

Voor een nadere toelichting van de voorkeursvariant wordt verwezen naar Hoofdstuk 4.

6.5 Milieueffecten

In onderstaande tabel zijn de milieueffecten per thema en per variant samengevat. In de tabel is de beoordeling op milieueffecten in “plussen en minnen” en in kleur aangegeven. De beoordeling heeft daarbij plaatsgevonden ten opzichte van de referentiesituatie. Deze bestaat meestal uit de huidige situatie, maar in sommige gevallen worden ook reeds projecten meegenomen die nog uitgevoerd moeten worden (zogenoemde autonome ontwikkeling). In de tabel is een gedifferentieerd beeld te zien. De voorkeursvariant scoort in de meeste gevallen gelijk of beter dan de overige varianten. Op enkele aspecten komen echter onvermijdelijk negatieve effecten voor, bijvoorbeeld vermindering van het landbouwareaal, of aantasting van archeologische waarden. Daarnaast is in het MER en de bijbehorende deelonderzoeken aangetoond dat het plan uitvoerbaar is.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0018.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0019.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0020.png"

6.6 Advies Commissie m.e.r.

Op 21 augustus 2015 heeft de Commissie m.e.r. (hierna ook: Commissie) een voorlopig advies uitgebracht over het MER. De Commissie was van mening dat in het MER en de achtergrondrapporten veel milieu-informatie over het plan beschikbaar is. De Commissie miste echter informatie over de uitbreiding van de haven bij Wanssum en de effecten daarvan en vond dit een tekortkoming in het MER. De Commissie adviseerde de uitbreiding van de haven te onderbouwen en de gevolgen daarvan op zichzelf en in cumulatie met de overige activiteiten rond Wanssum te beschrijven, zowel in de richting van de kern van Wanssum als in de richting van landgoed Geijsteren. De Commissie deed ook enkele aanbevelingen die de kwaliteit van het MER en de besluitvorming ten goede zou komen.

6.7 Aanvulling op het MER

Naar aanleiding van het voorlopig advies van de Commissie is het MER aangevuld. Deze aanvulling is als Bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Op 17 december 2015 heeft de Commissie een definitief advies uitgebracht. De Commissie is van oordeel dat het MER en de aanvulling tezamen alle informatie bevatten die nodig is voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij een besluit over het inpassingsplan. Het voorlopig en definitieve advies is als Bijlage 9 bij deze toelichting opgenomen.

De aanbevelingen van de Commissie zijn in een memo weergegeven. Per aanbeveling is in de memo een reactie opgenomen hoe dit is verwekt in de aanvulling op het MER. De memo "Reactie op aanbevelingen Commissie m.e.r." is als Bijlage 8 van deze toelichting opgenomen.

Hoofdstuk 7 Landbouweffectrapportage

7.1 Inleiding

In het kader van de gebiedsontwikkeling worden diverse maatregelen getroffen die invloed hebben op de landbouwsector. In het MER zijn in beperkte mate de effecten op de landbouwsector meegenomen. Gelet op de relatief grote oppervlakte aan landbouwgrond die omgezet wordt van een agrarische naar een natuurbestemming heeft de Provincie Limburg daarom aanvullend op de MER een landbouweffectenrapportage opgesteld. Met de landbouweffectrapportage is duidelijk gemaakt wat de impact is van de maatregelen van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum op de landbouwsector. De landbouweffectrapportage is als Bijlage 26 bij deze toelichting opgenomen.

7.2 Situatie plangebied

Met de landbouweffectrapportage zijn de volgende aspecten nader onderzocht:

  • Omvang van het areaal landbouwgrond dat wordt onttrokken
  • Aantal en type bedrijven dat wordt geraakt
  • Verandering in de verkaveling
  • Verandering in de ontsluiting
  • Verandering qua waterbeheersing/grondwater
  • Agrarische bebouwing en ontwikkelingsruimte

Zowel de negatieve als de positieve effecten zijn in beeld gebracht. Meer concreet gaat het om de volgende effecten op de landbouw:

  • 78 bedrijven worden geraakt door de maatregelen;
  • 2 (kleine hobbymatige) bedrijven liggen met hun percelen volledig binnen ingreepgebied;
  • Door de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum wordt 395 ha aan de landbouw onttrokken;
  • De gemiddelde kavelgrootte neemt af van 2,4 ha naar 2,0 ha
  • Van 46 bedrijven wordt de huiskavel kleiner;
  • De gemiddelde oppervlakte huiskavel neemt af 4,2 ha naar 2,6 ha;
  • Naast lokaal een afname van de natschade treedt er als gevolg van de maatregelen lokaal natschade op;
  • Natschade als gevolg van de gebiedsontwikkeling wordt niet versterkt door de peilopzet van de Maas;
  • Naast lokaal een afname van de droogteschade treedt er als gevolg van de maatregelen bij Ooijen een toename van de droogteschade op;
  • Nabij de Maas wordt de droogteschade (deels) gecompenseerd door de peilopzet van de Maas;
  • Door de reactivering van de Oude Maasarm overstromen een aantal landbouwpercelen in de periode november t/m april frequenter waardoor er een kleine kans is op minder opbrengst of verlies van de oogst. Aandachtspunt zijn een boomkwekerij en een fruitboomgaard die frequent overstromen;
  • De rondweg Wanssum wordt niet toegankelijk voor landbouwverkeer en de bestaande route door Wanssum blijft gehandhaafd;
  • Door de aanleg van rotondes, een parallelweg, een tunnel en een nieuwe verbindingsweg is rondweg goed passeerbaar voor landbouwverkeer;
  • Een enkele agrariër/loonwerker zal als gevolg van de maatregelen te maken krijgen met een langere rijroute;
  • De verkeersveiligheid van langzaam verkeer neemt toe doordat onder meer nieuwe fietspaden op de dijken worden aangelegd.

7.3 Conclusie

Door de gebiedsontwikkeling treden voor het aspect landbouw zowel negatieve als positieve effecten op. In de landbouweffectrapportage zijn een aantal aanbevelingen opgenomen. De aanbevelingen zien onder meer op vrijwillige kavelruil, natuurbeheer door agrariërs, het ontzien van huiskavels, overleg over percelen met droogte- dan wel natschade, overleg over agrarisch verkeer en het tellen van ganzen. Een aantal aanbevelingen zijn verwerkt in de voorkeursvariant en doorvertaald naar dit inpassingsplan. Met het overnemen van deze aanbevelingen worden negatieve effecten voor de landbouw zoveel mogelijk beperkt. Zo is het effect op de huiskavels sterk verminderd door een grote huiskavel buiten de begrenzing van het plangebied te houden en krijgen de agrariërs een rol in het beheer.

Hoofdstuk 8 Bodem

8.1 Inleiding

Bij de beoordeling van de invloed van een ingreep of de realisatie van een plan op de (water)bodemkwaliteit zijn de volgende aspecten van belang:

  • Toetsen of de (water)bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige nieuwe gebruik;
  • Verandering van (water)bodemkwaliteit door de realisatie;
  • Omgaan met aanwezige (water)bodem- en/of grondwaterverontreiniging (chemische stoffen, asbest), of verdachte (punt)locaties voor verontreiniging;
  • Hergebruik van onverdachte grond en/of gebiedseigen (diffuus verontreinigd) waterbodemmateriaal;
  • Omgaan met bodemvreemd materiaal.
8.1.1 Onderzoeken

Ten behoeve van het inpassingsplan zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd:

  • 1. (Water)bodemkwaliteitskaart Plangebied Ooijen-Wanssum, Grontmij, 8 juni 2015 GM-0162390, revisie D0 (zie Bijlage 28);
  • 2. Nota bodembeheer Plangebied Ooijen-Wanssum, Grontmij, 8 juni 2015 GM-0162392, revisie D0, aangepaste versie d.d. 26.10.2015 (enkele toevoeging n.a.v. overleg d.d. 24.09 .2015 tussen Rijkswaterstaat Zuid Nederland en projectbureau Ooijen-Wanssum) (zie Bijlage 29);
  • 3. Memo Verdachte (punt)locaties/bodeminformatie Ooijen-Wanssum, RHDHV, 24 juni 2015 RDCIP_9Y3672.A0_N0004_903124_f (zie Bijlage 30);
  • 4. Rapportage nader onderzoek verdachte locaties, Econsultancy, rapportnummer 15091880, 17 februari 2016 (zie Bijlage 31);
  • 5. Verkennend bodemonderzoek Maasweg (ong.) te Blitterswijck in de gemeente Venray, Ecoconsultancy, 8 juli 2014, rapportnummer 14041384 (nieuwe locatie schutterij) (zie Bijlage 27).
8.1.2 (Water)bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer

Binnen het plangebied zijn diverse (grootschalige) grondwerkzaamheden voorzien. Voor het hergebruik van de daarbij vrijkomende (licht verontreinigde) grond zijn de regels uit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) van toepassing. Voorafgaand aan het toepassen van grond moet bij het bevoegd gezag een melding worden gedaan te worden vergezeld van een erkende kwaliteitsverklaring. Een vastgestelde (water)bodemkwaliteitskaart kan als een dergelijke erkende kwaliteitsverklaring worden gehanteerd. Hierdoor zijn losse onderzoeken en partijkeuringen niet meer nodig.

Ten behoeve van de gebiedsontwikkeling is een (water)bodemkwaliteitskaart ((w)BKK) opgesteld (Grontmij, kenmerk GM-0162390, d.d. 08-06-2015). Deze (w)BKK beslaat de water- en landbodems binnen het gehele plangebied en is daarmee groter dan het gebied binnen de grenzen van de gebiedsontwikkeling. De (w)BKK geeft een volledig overzicht van de toepassingsmogelijkheden van de binnen het gebied vrijkomende grond. Uit de (w)BKK blijkt dat de diffuse milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit volgens het reguliere kader van het Bbk beperkingen oplevert voor hergebruik van grond binnen het plangebied. Het Bbk biedt echter de mogelijkheid om in een Nota bodembeheer gebiedsspecifiek beleid en lokale normen (LMW's) te formuleren, die optimaal aansluiten bij de kwaliteit, functies en de ontwikkelingen binnen het plangebied. Hierdoor worden de mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen het plangebied verruimd. In het kader van de gebiedsontwikkeling is daarom een Nota bodembeheer opgesteld.

Om de (water)bodemkwaliteitskaart ook als erkende kwaliteitsverklaring te mogen gebruiken voor hergebruik van grond buiten het plangebied is in de Nota ook hiervoor gebiedspecifiek beleid gedefinieerd. Er is naar mogelijkheden gezocht binnen het beheergebied van de betrokken bevoegde gezagen:

  • het Maasdal (beheergebied RWS-ZN);
  • de gemeente Venray;
  • de gemeente Horst aan de Maas.

De Bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer zijn in overleg met de bevoegde gezagen opgesteld en doorlopen op dit moment de vaststellingsprocedure(s). De eerder door Venray vastgestelde BKK en Nbb, zoals die bij het ontwerp inpassingsplan waren gevoegd, vervallen daarmee voor het plangebied.

De (w)BKK is een erkende kwaliteitsverklaring voor de toepassing van bodem/grond maar er zijn beperkingen, bijvoorbeeld voor locaties waar een afwijkende bodemkwaliteit is vastgesteld op basis van vooronderzoek (NEN5717 of NEN5725. Vanwege vastgestelde of te verwachten afwijkingen moeten in elk geval de volgende locaties van de (w)BKK worden uitgesloten:

  • (nood)dijken/kades
  • oppervlaktewateren binnen plangebied (o.a. haven Wanssum, beken, vijvers, grachten);
  • oevergebied langs de Maas en haven Wanssum (onder of nabij oeverbestorting);
  • bebouwde gebieden/erven;
  • infrastructuur (wegen, paden, wegbermen, dijklichaam onder weg);
  • ontgrondingen/aanvullingen;
  • veengebieden (zie paragraaf 3.2)
  • locaties die naar voren kwamen bij de uitschieteranalyse, waaronder een zone van 25 m langs de Maas.

Daarnaast worden uitgesloten de verdachte locaties op de inventarisatielijst die is gemaakt in het kader van de MER en bekende potentieel verontreinigde of op voorhand verdachte locaties (zoals funderingen, wegen enz.).

8.2 Situatie plangebied

8.2.1 Bestemmingswijzigingen

In het plangebied zijn verschillende activiteiten voorzien, waarvoor een bestemmingswijziging noodzakelijk is. Voor deze activiteiten moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit in overeenstemming is met de toekomstige bestemming.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0021.jpg"

Tabel met minimaal noodzakelijke bodemkwaliteit per bestemming:

De grootschalige ingrepen binnen het projectgebied zijn:

Hoogwatergeulen Ooijen en Wanssum 

De beide hoogwatergeulen krijgen de bestemming 'Natuur'. De grond wordt hier afgegraven, tot een diepte van 0 - 1 meter tot circa 6 meter. Uit de (w)BKK (zie onderzoek nr. 1) blijkt dat de (generieke) bodemkwaliteit van de bovengrond (Klasse A) en de ondergrond (AW2000) voldoet voor de beoogde bestemming 'Natuur'. Afwijkingen zijn mogelijk daar waar wegen/funderingen ontgraven moeten worden. In het onderzoek nr. 4 is de kwaliteit van het te verwijderen materiaal alsook de ondergrond onderzocht.

Conclusie

Er zijn geen beperkingen, met uitzondering van de van de (w)BKK uitgezonderde locaties en de locaties van de huidige wegen. Na ontgraving van de wegen zijn ook daar geen beperkingen meer. Het te ontgraven weg- en funderingsmateriaal kan deels worden hergebruikt en deels naar een verwerker moeten worden afgevoerd. De exacte hoeveelheden en verdeling hiervan zijn op dit moment nog in onderzoek, zie rapportage onderzoek nr. 4.

Instroom Oude Maasarm en Oude Maasarm

In de Instroom Oude Maasarm en de Oude Maasarm wordt plaatselijk grond afgegraven, veelal tot een maximale diepte van 2 meter. Daar waar de hoogwatergeul Ooijen overgaat in de Instroom OudeMaasarm wordt in de Instroom OudeMaasarm lokaal tot 6 meter diep ontgraven. Uit de onderzoeken is gebleken dat de bodemkwaliteit van bovengrond (AW2000) en de ondergrond (AW2000) voldoet voor de beoogde bestemming 'Natuur'. Bij de Instroom wordt een klein deel opgehoogd tot max. 1 meter. Hiervoor geldt dat de toegepaste grond dient te voldoen aan de bodemklasse die voor natuur geschikt is. Ook hier zijn afwijkingen mogelijk daar waar wegen/funderingen ontgraven moeten worden.

Conclusie

Er zijn geen beperkingen, met uitzondering van de van de (w)BKK uitgezonderde locaties en de locaties van de huidige wegen. Na ontgraving van de wegen zijn ook daar geen beperkingen meer. Het te ontgraven weg- en funderingsmateriaal kan deels worden hergebruikt en deels naar een verwerker moeten worden afgevoerd. De exacte hoeveelheden en verdeling hiervan zijn op dit moment nog in onderzoek, zie rapportage onderzoek nr. 4.

Nieuwe / versterking bestaande waterkeringen

Uit de onderzoeken is gebleken dat de ontvangende (water)bodem voor de te realiseren ophoging naar verwachting voldoet aan AW2000. Bij de realisatie van de ophoging moet worden gehandeld volgens het Besluit bodemkwaliteit.

Nieuwe rondweg Wanssum en verlegde Geijsterseweg

De bodemkwaliteit ter plaatse van de nieuwe Rondweg en de Geijsterseweg voldoet volgens de onderzoeken aan de vereiste bodemfunctieklasse voor verkeer.

Uitbreiding haven- en industrieterrein Wanssum

De uitbreiding van het haven- en industrieterrein in Wanssum wordt opgehoogd van 0 tot maximaal 3 meter. De (water)bodemkwaliteit ter plaatse varieert (AW2000, Klasse A en Wonen) maar voldoet overal aan de minimaal vereiste bodemfunctieklasse Industrie. Bij de realisatie van de ophoging moet worden gehandeld volgens het Besluit bodemkwaliteit. Ter plaatse van de uitbreiding van het oostelijk deel van het haven- en industrieterrein (max. 2,9 ha) vinden geen ophogingen plaats. De bodemkwaliteit ter plaatse (AW2000 en Wonen) en voldoet voor de bestemming 'Bedrijventerrein'.

Jachthaven Centrum Wanssum:

In dit deelgebied vindt ontgraving plaats ten behoeve van de ontwikkeling van de jachthaven. De aanwezige (water)bodem zal worden onderzocht. De aanwezige (water)bodemkwaliteit zal uiteindelijk in overeenstemming zijn met de beoogde recreatieve bestemming voor de jachthaven.

Nieuwe locatie Gilde

Voor een beoordeling van de bodem van de nieuwe locatie van het Gilde bij de kasteelruïne Blitterswijck wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

8.2.2 Mogelijk verontreinigde locaties

Naar aanleiding van de beschikbare historische gegevens van bodemonderzoek alsook een inventarisatie van verdachte locaties (provinciaal bestand) is aanvullende onderzoek gedaan naar een aantal potentieel verontreinigde locatie (voor motivatie zie onderzoek 3). Op basis hiervan zijn de volgende locaties nader onderzocht (zie onderzoek nr. 4):

Locatie Brugstraat 1 (Gesaneerd benzineverkooppunt)

De resultaten wijzen uit dat de waterbodem ter plaatse voor het grootste deel "altijd toepasbaar" is. Over een beperkte oppervlakte wordt een dun laagje van ca. 30-40 cm beoordeeld als Klasse B en heeft daardoor een minder toepassingsbereik. Nader onderzoek is niet nodig.

Deelgebied B (Pluisbergweg)

De ondergrond in het onderzochte gebied wordt (als waterbodem) vrijwel geheel als Klasse B gekwalificeerd en is daarmee slechts met beperkingen toepasbaar. Op één locatie is bij een bovengrondse dieseltank (boring 12-4) een ernstige verontreiniging aangetroffen op een diepte van 0,7-1,2 m -m.v.. Bij ontgraving zal de omvang van deze locatie nader moeten worden ingeperkt. Op dit moment loopt nog onderzoek (nr. 4) om de mate van (asbest)verontreiniging en mogelijkheden van hergebruik van de bovengrond vast te stellen.

Deelgebied C (Brugstraat, wegen 18, 19)

De funderingen van de weg wordt grotendeels beoordeeld als Klasse B en de fundering op één locatie (18.7-2) moet worden afgevoerd. Voor weg 19 geldt Klasse A of altijd toepasbaar. Het asfalt is indicatief geheel teervrij, maar dit wordt nog met onderzoek geverifieerd. Op dit moment loopt nog onderzoek (nr. 4) om de mate van (asbest)verontreiniging en mogelijkheden van hergebruik van funderingen en de bovengrond vast te stellen.

Deelgebied D (HWG Wanssum, wegen 9 t/m 17)

De funderingen zijn in het algemeen beperkt toepasbaar (A/B tot niet toepasbaar), voor de ondergrond zijn nauwelijks beperkingen. De fundering van wegen 10 en 14 is als bouwstof niet her te gebruiken en moet worden afgevoerd. Bij weg 10B (10b.5) is een sterke verontreiniging in de berm aan getroffen. Deze grond is niet toepasbaar en de locatie wordt in het kader van onderzoek nr. 4 nader ingeperkt (uitsplitsen mengmonster). Het asfalt is indicatief grotendeels teervrij met uitzonderingen, maar dit wordt nog met onderzoek geverifieerd. In de wegen 10 en 10B is een teerhoudende kern aangetroffen. De wegen 14A en 16 hebben een teerhoudende top-, respectievelijk onderlaag. Op dit moment loopt nog onderzoek (nr. 4) om de mate van (asbest)verontreiniging en mogelijkheden van hergebruik van funderingen en bovengrond vast te stellen.

Deelgebied E (Ooijenseweg/Veerweg, wegen 7, 8)

De funderingen bestaan uit klasse A/B en zijn altijd toepasbaar. De berm langs weg 7 is matig verontreinigd; hier volgt nog onderzoek om na te gaan of er sprake is van een sterke verontreiniging. Het asfalt heeft teerhoudende tussenlagen, waarvan vooralsnog wordt aangenomen dat dit geheel moet worden afgevoerd. Op dit moment loopt nog onderzoek (nr. 4) om de mate van (asbest)verontreiniging en mogelijkheden van hergebruik van de funderingen vast te stellen.

Locatie Ooijenseweg 15

De bovengrond op deze locatie is (voor wat betreft de onderzochte parameters) altijd toepasbaar als waterbodem. De uit het verleden bekende verontreiniging is niet meer teruggevonden. Er vindt nog nader onderzoek plaats naar asbest in de ondergrond.

Deelgebied A (HWG Ooijen, wegen 1 t/m 5)

Zowel funderingen als ondergronden zijn voor een groot deel altijd toepasbaar. Daar waar de weg met asfalt is afgewerkt zijn op wisselende diepte teerhoudende lagen aangetoond. Het asfalt dient vooralsnog geheel als teerhoudend te worden beschouwd en afgevoerd. Op dit moment loopt nog onderzoek (nr. 4) om de mate van (asbest)verontreiniging en mogelijkheden van hergebruik van de funderingen vast te stellen.

8.3 Conclusie

  • 1. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat de bodem- en waterbodemkwaliteit geen belemmering vormen voor de nieuwe bestemmingen in het inpassingsplan;
  • 2. De (water)bodemkwaliteit ter plaatse van op te hogen terreindelen wordt nooit slechter, want volgens het Bbk moet de ophoging plaatsvinden met grond van dezelfde of betere kwaliteit dan de ontvangende grond. Daar waar het maaiveld lager komt te liggen is de kwaliteit van het nieuwe maaiveld altijd gelijk of beter dan de huidige kwaliteit;
  • 3. Geïnventariseerd is op welke verdachte (punt)locaties binnen en aan de rand van het projectgebied plaatselijk (potentiële) verontreinigingen aanwezig zijn. Niet uitgesloten kan worden dat tijdens de uitvoering tot dusver onbekende (nog niet voorziene) verontreinigingen worden aangetroffen. In een werkomschrijving wordt beschreven hoe te handelen bij het aantreffen van verontreiniging. Voor een aantal verontreinigde locaties vindt nog afronding van het nader onderzoek plaats.
  • 4. Er zal (water)bodemmateriaal worden ontgraven en worden herschikt binnen het plan. De (water)bodemkwaliteitskaart, die voor het gebied is opgesteld, kan in combinatie met de Nota bodembeheer als bewijsmiddel dienen voor de bodemkwaliteit bij toepassing/hergebruik van grond in een groter gebied dan alleen het projectgebied zelf. Hierdoor kunnen de grondstromen worden geoptimaliseerd en kunnen de benodigde vervoersbewegingen met bijbehorend energieverbruik en emissies van uitlaatgassen zoveel mogelijk beperkt worden;
  • 5. De aanwezigheid van bodemvreemd materiaal zal voornamelijk pas tijdens de uitvoering bekend worden. In een werkomschrijving wordt beschreven hoe te handelen bij het aantreffen van bodemvreemd materiaal;
  • 6. In gevallen grond, funderingen enz. niet kunnen worden hergebruikt, worden deze materialen afgevoerd naar een erkende verwerker.

De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het inpassingsplan.

Hoofdstuk 9 Natuur

9.1 Inleiding

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is vooral geregeld in de Flora- en faunawet, de gebiedsbescherming is in de Natuurbeschermingswet 1998. Het plangebied ligt in de nabijheid van Natura 2000-gebieden. De mogelijke effecten van de gebiedsontwikkeling op deze gebieden is onderzocht.

9.2 Situatie plangebied

Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden zijn op voorhand niet uit te sluiten. Derhalve is er een zogenoemde Passende Beoordeling in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 uitgevoerd, waarin deze effecten nader beoordeeld zijn. De Natuurtoets en de Passende Beoordeling zijn als Bijlage 3 en Bijlage 21 bij deze toelichting opgenomen.

9.2.1 Verspreidingsgegevens

Het actuele verspreidingsbeeld van beschermde soorten over de periode 2009 - 2015 is opgebouwd aan de hand van NDFF/Natuurbank Limburg (april 2009 - najaar 2015), en de Broedvogelkartering 2014 (Provincie Limburg, 2014). Deze gegevens zijn nog aangevuld met veldwaarnemingen uit 2013 en 2014. Deze veldverkenningen betreffen een serie gerichte en/of oriënterende veldbezoeken/onderzoeken in specifieke delen van het gebied waar gedurende de loop van het nadere planproces bleek dat er mogelijk ingrepen zouden gaan plaatsvinden (bijvoorbeeld aanleg van dijkvakken). Verder heeft specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de functie van de boomgaard aan de Veerweg.

Tijdens de gebiedsconsultaties in 2014 en 2015 zijn nog enkele betrouwbare broedgevallen gemeld van uilensoorten (onder andere kerkuil) in Blitterswijck en de nabijheid van de Galgenberg (oostelijk van Blitterswijck). Deze zijn eveneens aan het databestand toegevoegd. Ten slotte heeft in 2016 nog een veldbezoek plaatsgevonden gericht op de waarde van te amoveren gebouwen voor (gebouw bewonende) vleermuizen. Hierbij is ook het gebruik van andere beschermde soorten van stedelijke omgeving (bijvoorbeeld de huismus) meegenomen

Het verspreidingsbeeld van de das kon worden aangevuld dankzij informatie van de plaatselijke Dassenwerkgroep Das en Boom en het gebiedsgericht onderzoek naar dassen nabij Het Roekenbosch. Er zijn tal van vaatplanten, grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, vogels, amfibieën, reptielen en vissen aangetroffen. De ruimtelijke verspreiding van de wettelijk beschermde soorten krachtens Flora- en faunawet (tabel 2 en 3, soorten van de Habitatrichtlijn VI en jaarrond beschermde nesten), waargenomen in de periode 2009-2014, zijn weergegeven in de Natuurtoets.

9.2.2 Natura 2000/ Passende Beoordeling

Voor de voorgenomen gebiedsontwikkeling is beoordeeld wat de effecten zijn van de verschillende activiteiten ter plaatse van Natura 2000-gebieden. Uit de Passende Beoordeling blijkt dat mogelijke effecten zich alleen op de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Boschhuizerbergen, Deurnsche Peel & Mariapeel en Zeldersche Driessen zouden kunnen voordoen. Effecten op deze Natura 2000-gebieden betreffen externe effecten ten gevolge van grondwaterstandsdaling, stikstofemissie en/of geluidsemissie. Andere effecten (zoals ruimtebeslag en verlichting) op habitattypen en soorten, zijn niet aan de orde.. Nader onderzoek laat zien dat er als gevolg van het plan geen (cumulatief) negatieve, tijdelijke dan wel permanente, effecten op het gebied van hydrologie en geluid zijn te verwachten op de natuurlijke kenmerken en instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden Maasduinen en Boschhuizerbergen.

Voor wat betreft stikstofdepositie is in de Passende Beoordeling bij het ontwerp inpassingsplan uitgegaan van de PAS. Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is opgenomen in de bij artikel 6 Regeling PAS behorende bijlage en heeft aldus als segment 1-project te gelden. Voor dit type projecten is in de PAS exclusief ontwikkelingsruimte gereserveerd. Daarmee is rekening gehouden met de bij de PAS behorende Passende Beoordeling. Aldus kan gesteld worden dat voor het aspect stikstof(depositie) vanwege artikel 19j lid 5 Natuurbeschermingswet 1998 geen verplichting bestaat om voor het inpassingsplan in zoverre een separate passende beoordeling op te stellen. De Commissie m.e.r. heeft nadrukkelijk ook de Passende Beoordeling bij het ontwerp inpassingsplan beoordeeld en heeft die geaccordeerd. Desalniettemin is er voor gekozen om ten behoeve van het definitief vast te stellen inpassingsplan de Passende Beoordeling aan te passen door daarin met betrekking tot stikstof niet te volstaan met te verwijzen naar het feit dat de gebiedsontwikkeling als segment 1-project in de PAS is opgenomen. Primair is een zogeheten gebiedsspecifieke (systeem)benadering gekozen. In de definitieve Passende Beoordeling is voor de afzonderlijke vier planonderdelen (Hoogwatermaatregelen, Haven, Rondweg en Roekenbosch) ook voor het aspect stikstofdepositie bezien of daarvan significant negatieve effecten zijn te verwachten c.q. of die de natuurlijke kenmerken van enig Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Daarbij zijn de aanleg- en gebruiksfase onderscheiden.

De Passende Beoordeling wijst uit dat voor alle planonderdelen kan worden uitgesloten dat er significante effecten zullen optreden op met name de Natura 2000-gebieden Maasduinen, Boschhuizerbergen, Deurnsche Peel & Mariapeel en Zeldersche Driessen. Weliswaar is er - al dan niet tijdelijk - op zeer beperkte oppervlakten sprake van een geringe toename van stikstofdepositie, maar in de Passende Beoordeling is in de voorkomende gevallen vanwege de tijdelijkheid, het feit dat stikstofdepositie niet de bepalende factor is, het reguliere beheer en/of de PAS-maatregelen (die als autonome ontwikkeling hebben te gelden), geconcludeerd dat die toename niet leidt tot conflicten met het duurzaam behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen en aldus niet als significant zijn aan te merken. De in het kader van de gebiedsontwikkeling voorziene ontwikkelingen nopen derhalve niet tot aanvullende en/of andere maatregelen dan die welke thans zijn voorzien om de instandhoudingsdoelstellingen op termijn te behalen.

In de definitieve Passende Beoordeling zijn ook de effecten van de vier planonderdelen tezamen beschouwd. Voor het aspect stikstof heeft dat uitgewezen dat na realisatie van alle planonderdelen er een duidelijke verbetering op de Natura 2000-gebieden in de omgeving plaatsvindt, met name voor Maasduinen en Boschhuizerbergen.

In de Passende Beoordeling is ten slotte ook onderbouwd dat er (vanwege stikstofdepositie) geen significante effecten zullen zijn indien gedurende de aanlegfase van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum reeds 10 hectare van het haventerrein wordt ontwikkeld, terwijl de agrarische bedrijfsvoering aan de Geijsterseweg 19b te Wanssum nog aanwezig is. Dit onderzoek vormt mede de onderbouwing van artikel 28.2 van de planregels van het voorliggende inpassingsplan.

9.2.3 Flora en fauna/ Natuurnetwerken/ Boswet

De meeste, negatieve effecten op de bestaande natuurwaarden en het provinciaal natuurnetwerk spelen zich af rond Wanssum - Blitterswijck. Naast ruimtebeslag gaat het vooral om effecten (versnippering, kwaliteitsverlies) op het leefgebied van cultuurvolgers als de das en steenuil maar ook andere jaarrond beschermde fauna zoals vleermuizen. Voor een aantal soorten dient een ontheffing te worden aangevraagd, aangezien de verblijfplaats wordt verstoord dan wel daarmee samenvallend essentieel leefgebied wordt aangetast of verstoord. Deze ontheffing zal kunnen worden verkregen, nu aan de voorwaarden voor ontheffingverlening wordt voldaan. Middels mitigerende en compenserende maatregelen wordt daarbij verzekerd dat aan de gunstige staat van instandhouding geen afbreuk wordt gedaan. Dit is toegelicht in de Natuurtoets die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. Voor de omgeving van Wanssum is een geïntegreerd natuurcompensatie- en landschapsplan uitgewerkt, waarin mitigatie en compensatie nader in detail is uitgewerkt. Dit plan is als Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen.

In de Natuurtoets is toegelicht dat het plan enkele effecten heeft op het provinciaal natuurnetwerk. Aan de 'nee, tenzij'-benadering zoals deze ook is neergelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt voldaan. Omdat met de gebiedsontwikkeling een groot oppervlak (circa 340 hectare) aan nieuwe natuur ontwikkeld wordt in de Oude Maasarm en de hoogwatergeulen, kan conform de Beleidsregel natuurcompensatie Limburg aan de compensatieopgave worden voldaan binnen de nog te realiseren natuurgebieden in de goudgroene natuurzone.

In de Natuurtoets is verder geïnventariseerd waar bos en houtopstanden verdwijnen vanwege de gebiedsontwikkeling en wat de compensatieopgave is. Voor het gehele project Gebiedsontwikkeling Ooijen - Wanssum is ca. 13 ha compensatiepopgave vanuit de Boswet berekend. Daar tegenover staat dat met de natuurontwikkeling in de Oude Maasarm en hoogwatergeulen ca. 35 ha bosontwikkeling wordt voorzien. Aanvullend worden in het landschapsplan nog oppervlaktes bos gecompenseerd. Daarmee is de benodigde compensatie vanuit de Boswet verzekerd.

9.3 Conclusie

Natura 2000/ Passende beoordeling

Uit de Passende Beoordeling volgt dat het inpassingsplan geen significante effecten heeft voor de Natura 2000-gebieden Maasduinen en Boschhuizerbergen noch voor enig ander Natura 2000-gebied en de natuurlijke kenmerken van die gebieden niet zal aantasten. Artikel 19j Natuurbeschermingswet 1998 verzet zich derhalve niet tegen de vaststelling van het inpassingsplan.

Flora en fauna/ Natuurnetwerken/ Boswet

Voor verschillende soorten dient een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet te worden aangevraagd, omdat de verblijfplaats of daarmee samenvallend essentieel leefgebied wordt aangetast of verstoord. Deze ontheffing zal kunnen worden verkregen, nu aan de voorwaarden voor ontheffingverlening wordt voldaan. Het verlies aan oppervlakte van het provinciaal natuurnetwerk / goudgroene zone wordt gecompenseerd. Datzelfde geldt voor de compensatieopgave op grond van de Boswet.

Hoofdstuk 10 Landschap en recreatie

10.1 Inleiding

Het thema Landschap is onderverdeeld in 'geomorfologie en aardkunde' en 'kernkwaliteiten landschap'. In het landschapskader Noord- en Midden Limburg zijn de landschappelijk kernkwaliteiten benoemd. Dit zijn - globaal omschreven - elementen die bepalend zijn voor het landschap. De eerste stap in de beoordeling van het landschap is de uitwerking van deze kernkwaliteiten naar karakteristieke elementen voor het landschap van het plangebied. Deze karakteristieke elementen vormen de basis bij de beoordeling van het landschap. De operationele invulling van de beoordeling van het landschap is op basis van de Handreiking cultuurhistorie in de milieueffectrapportage (m.e.r.) en de Maatschappelijke Kosten-batenanalyse (MKBA) vorm gegeven. Onder kernkwaliteiten valt ook het aspect beleving. Bij het onderdeel geomorfologie en aardkunde wordt alleen de fysieke aantasting van het reliëf en de aardkundige waarden beoordeeld.

10.2 Situatie plangebied

Ten behoeve van het aspect landschap en recreatie is een deelrapport opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 15 bij deze toelichting opgenomen. Omdat het project bestaat uit verschillende onderdelen die elk op hun eigen manier een effect hebben op de geomorfologie en de kernkwaliteiten is elk onderdeel afzonderlijk beoordeeld. De activiteiten kunnen globaal in twee onderdelen worden verdeeld.

  • hoogwaterveiligheid: hieronder vallen de ontwikkelingen die nodig zijn voor de waterstandsdaling waaronder de hoogwatergeulen, de waterkeringen en de bruggen;
  • economische ontwikkelingen: hieronder vallen alle andere ontwikkelingen o.a. de (industrie)haven van Wanssum en de rondweg.

Geomorfologie en aardkundige waarden

Met het graven van de hoogwatergeulen wordt het natuurlijk reliëf en de oorspronkelijke bodemopbouw aangetast. Vooral ter plaatse van waardevolle structuren zoals stroomruggen hebben de maatregelen een negatief effect. Waar nieuwe keringen worden aangelegd, zal de bodem ook worden verstoord. Naast negatieve effecten zijn er ook positieve effecten: de geomorfologische opbouw van het landschap wordt door het plan geaccentueerd en op sommige plekken zelfs hersteld.

Kernkwaliteiten van het landschap

De gebiedsontwikkeling draagt bij aan het versterken van de landschappelijke waarden in het plangebied. Het contrast tussen hoog en laag en de werking van de rivier worden beter beleefbaar door de hoogwatergeulen en de reactivering van de Oude Maasarm. De Oude Maasarm en de Groote Molenbeek zijn beter herkenbaar door de aanwezigheid van water en vegetatietypen die passen bij de zandmaas. De verschillen tussen landschapstypen worden extra benadrukt. De maatregelen sluiten daarmee aan bij het Provinciaal Omgevingsplan en het landschapskader Noord- en Midden Limburg.

De ligging en aanleg van 20 km nieuwe waterkeringen heft het positieve effect van de hoogwatergeulen enigszins op. Op bepaalde locaties wordt natuurlijk reliëf juist minder zichtbaar.

De rondweg vormt een nieuwe landschappelijke barrière tussen Wanssum en landgoed Geijsteren en doorsnijdt het mozaïek landschap ter plaatse. Om deze effecten te beperken wordt de rondweg ten westen van de haven en het industrieterrein met gebruikmaking van het bestaande reliëf en hoogteverschillen in het landschap deels verdiept aangelegd en zijn diverse beplantingen in het plan opgenomen voor de landschappelijke inpassing van de rondweg.

De haven en het industrieterrein Wanssum met zijn gebouwen en de omgelegde Geijsterseweg hebben een grote impact op het landschap. De maat en schaal van de haven is groot en de gebouwen en containers zullen in de wijde omtrek te zien zijn. Daarnaast ondermijnt de ligging van de haven de landschappelijke structuren en het natuurlijk reliëf ter plaatse volledig. Tot slot raakt het aan landgoed Geijsteren en is er sprake van een harde overgang. Om deze effecten zo goed als mogelijk te beperken en in te passen is voor de rondweg en de ontwikkeling van de haven en het industrieterrein welke als maatregelen de grootste impact hebben op de kernkwaliteiten van het landschap, een natuur- en landschapscompensatieplan opgesteld (zie bijlage). Dit plan gaat uit van inpassing, herstel en verbetering van de ter plaatste aanwezige landschappelijke structuren welke door de aanleg van de rondweg en haven en het industrieterrein aangetast worden. Ook is er specifiek een beeldkwaliteitsplan opgesteld voor de haven dat onderdeel zal worden van het welstandbeleid van de gemeente Venray.

Recreatie

Voor het thema recreatie zijn de aanpassingen van routes van belang ter plaatse van de hoogwatergeulen, de Oude Maasarm, de keringen en de wijzigingen rondom de rondweg en het industrieterrein. Met de gebiedsontwikkeling wordt het bestaande landschap versterkt en is er ruimte voor versterking van recreatieve waarden. De natuur in de hoogwatergeulen en de Oude Maasarm en de daaraan gekoppelde natuurontwikkeling maken het gebied diverser en daardoor aantrekkelijker. Er ontstaat een nieuw netwerk van paden door het gebied. Dit netwerk wordt gekoppeld aan bestaande routes en de nieuwe routes op de keringen. Het centrum van Wanssum wordt met de nieuwe brug over de Groote Molenbeek en de beoogde ontwikkelingen rondom de brug en de uitstroom van de beek aantrekkelijker.

10.3 Conclusie

Op onderdelen heeft het plan grote impact op het landschap. Daarom is een natuur- en landschapscompensatieplan opgesteld dat planologisch geborgd is in dit inpassingsplan. Het plan draagt echter ook bij aan het versterken van landschappelijke waarden. Het plan biedt daarnaast mogelijkheden om de recreatieve waarden te versterken.

Hoofdstuk 11 Cultuurhistorie en archeologie

11.1 Inleiding

Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Op basis van de Monumentenwet 1988 en het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke planontwikkeling rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. De archeologische verwachtingswaarde van het plangebied moet in kaart worden gebracht. Verder moet worden gewaarborgd dat, voorafgaand aan een bodemverstoring in gebieden met een bepaalde verwachtingswaarde, onderzoek wordt uitgevoerd nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden.

11.2 Situatie plangebied

De aanleg van de hoogwatergeulen zijn de belangrijkste bodemverstorende activiteiten. In het kader van het MER is onderzoek verricht naar archeologie en cultuurhistorie, weergegeven in het deelrapport Archeologie en Cultuurhistorie behorend bij het MER. Dit deelrapport is als Bijlage 16 bij deze toelichting opgenomen. De beoordeling van de resultaten van het onderzoek is uitgevoerd aan de hand van de 'Handreiking cultuurhistorie in m.e.r. en MKBA'. In de handreiking zijn de criteria beleefde kwaliteit (herkenbaarheid/zichtbaarheid van objecten), fysieke kwaliteit (zijn objecten intact) en inhoudelijke kwaliteit (wat zegt het object over het ontstaan, waarde enz.) opgenomen. In het onderzoek is gekeken naar:

  • Historisch geografische objecten: gewaardeerde, maar nog niet beschermde, objecten die bijzonder of kansrijk worden geacht en als zodanig zijn benoemd in CultGIS en/of de CHW van Limburg (kastelen en kapellen/kruizen/beelden);
  • Historisch geografische lijnelementen: gewaardeerde, maar nog niet beschermde, elementen die bijzonder of kansrijk worden geacht en als zodanig zijn benoemd in CultGIS en/of de CHW van Limburg (wegen ouder dan of uit de periode 1806-1890, natuurlijke waterlopen (getrokken en onderbroken), oude akkergrenzen (glooiing, houtwal, perceelsgrens, steilrand), oude grenzen herkenbaar in terrein;
  • Historisch geografische landschappen: nog niet beschermde landschappen die voorkomen in CultGIS en/of de CHW van Limburg (bouwlanden (kampen en velden), graslanden, kernen, nieuw cultuurland (1806/1840-1890 en1890-1990);
  • Waardevaste historisch (steden)bouwkundige objecten: gewaardeerde objecten met een beschermde (monumentale) status (rijks- en gemeentelijke monumenten);
  • Waardevolle historisch (steden)bouwkundige objecten: gewaardeerde, maar nog niet beschermde, objecten die bijzonder of kansrijk worden geacht en als zodanig zijn benoemd (waardevolle panden en MIP-objecten);
  • Aantasting bekende archeologisch waarden: gewaardeerde archeologische terreinen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) Limburg en 'vindplaatsen', onder andere in de beoogde Hoogwatergeul Ooijen en rondom waarnemingen in Venray, waarvan de aard, omvang en kwaliteit niet goed bekend zijn;
  • Verdroging/vernatting bekende archeologische waarde;
  • Aantasting van verwachte archeologische waarden;
  • Verdroging/vernatting van verwachte archeologische waarden.
11.2.1 Effecten cultuurhistorie

Voor elke gebiedsingreep is in het hiervoor genoemde onderzoek inzichtelijk gemaakt welke effecten de ingrepen op de cultuurhistorie heeft. In het grote gebied van de Hoogwatergeulen en Oude Maasarm (incl. instroom en Molenbeekdal) is nauwelijks sprake van een negatieve cultuurhistorische impact. Het enige aspect dat licht negatief scoort zijn de historisch-geografische lijnelementen en de nieuwe rondweg, vanwege de grootschaligheid van deze ingreep. De aanleg van nieuwe en aanpassing van bestaande waterkeringen heeft geen noemenswaardig effect op waardevaste en waardevolle gebouwen en passen naar aard in het rivierdal.

De uitbreiding van het al bestaande haven- en industrieterrein heeft een beperkt negatieve invloed op de verstoring van historisch-geografische lijnelementen en historisch-geografische landschappen.

In concluderende zin kan het volgende worden opgemerkt: Er is nauwelijks sprake van een cultuurhistorische impact. Door de aanleg van de nieuwe rondweg, de aanleg en/of aanpassing van de waterkeringen en de uitbreiding van het haven- en industrieterrein worden de historisch-geografische lijnelementen, de gebouwen en de historisch-geografische landschappen in geringe mate verstoord.

11.2.2 Archeologische (verwachtings)waarden

Als vervolg op het deelrapport Archeologie en Cultuurhistorie is het BAAC-rapport “Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum Archeologische verwachtings- en beleidskaart, d.d. november 2014 opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 32 bij deze toelichting opgenomen. Hierin zijn de aanwezige en te verwachten archeologische waarden voor het gehele plangebied vastgelegd en gekoppeld aan beleidsadviezen op een archeologische beleidskaart. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van Archis, de archeologische monumentenkaart (AMK), in het verleden verricht (deels nog in uitvoering) archeologisch onderzoek, historisch kaartmateriaal en overige kaarten, waaronder de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg, en informatie verkregen via de Belangengroep Archeologie en Heemkunde. De archeologische beleidskaart verdeelt het plangebied onder in een achttal categorieën van gebieden. Aan elke categorie zijn verschillende beleidsadviezen gekoppeld. Deze beleidsadviezen zijn hieronder weergegeven.

Categorie   Soort terrein   Diepte voorgenomen verstoring   Vrijstellingsgrens oppervlakte  
1   Terreinen met hoge archeologische verwachting, historische dorpskernen   Vrijstelling voor diepte < 30 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 250 m2  
2   Overige AMK-terreinen en bufferzones rond bekende vindplaatsen, kerken, kasteelterreinen en watermolens   Vrijstelling voor diepte < 30 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 100 m2  
3   Zones met een hoge archeologische verwachting   Vrijstelling voor diepte < 30 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 500 m2  
4   Zones met een middelhoge archeologische verwachting   Vrijstelling voor diepte < 30 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 2500 m2  
5   Afgedekte bufferzones rond bekende vindplaatsen, kerken, kasteelterreinen en watermolens   Vrijstelling voor diepte < 50 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 100 m2  
6   Afgedekte zones met een hoge archeologische verwachting   Vrijstelling voor diepte < 50 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 500 m2  
7   Afgedekte zones met een middelhoge archeologische verwachting   Vrijstelling voor diepte < 50 cm   Vrijstelling voor oppervlakte < 2500 m2  
8   Zones met een lage verwachting, vrijgegeven gebieden en afgegraven terreinen   Algehele vrijstelling   Algehele vrijstelling  

Tabel met categorieën archeologische verwachtingswaarde

Bovenstaande categorieën zijn vertaald in de dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1 tot en met 7. Via de regels bijhorende de dubbelbestemmingen worden beperkingen gesteld aan bouwwerkzaamheden en aan werken en overige werkzaamheden. Daarbij wordt in bepaalde gevallen (afhankelijk van de verwachtingswaarde) van de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een nader archeologisch onderzoek verlangd en kunnen ter bescherming van archeologische waarden specifieke voorschriften worden verbonden aan de omgevingsvergunning.

Voor een deel van het gebied, te weten een deel van het bestaande industrieterrein, is een van de bovenstaande beleidsadviezen afwijkend onderzoeksregime in de planregels opgenomen. De reden hiervoor is dat een deel van het bestaande industrieterrein sinds het midden van de vorige eeuw substantieel is opgehoogd. Aan het afwijkende onderzoeksregime ligt de volgende onderbouwing ten grondslag.

De bestaande haven en de gronden direct daarlangs zijn gelegen in een vormalig, laag gelegen, beekdal op een gemiddeld peil van 12 meter +NAP. Dit blijkt uit historische kaarten en informatie van de gemeente Venray. Na het graven van de haven is het industrieterrein gefaseerd ontwikkeld. Kavels konden worden aangekocht, bouwrijp gemaakt en bebouwd. In dat kader zijn de laaggelegen gronden langs de haven opgehoogd tot het huidige maaiveld. Gronden die verder van de haven af lagen, sloten vervolgens voor wat betreft de hoogte aan op de opgehoogde gronden.

Vervolgens is in overleg met de provinciaal archeoloog concreet onderzoek gedaan naar de ophogingen op het bestaande industrieterrein waarbij historische kaarten en het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) met elkaar zijn vergeleken. Het AHN is een bestand (digitale hoogtekaart) met voor heel Nederland gedetailleerde en precieze (actuele) hoogtegegevens, dat door overheden en bedrijfsleven wordt gehanteerd bij de uitvoering van verschillende taken. Uit de vergelijking is komen vast te staan dat een deel van de gronden op het bestaande industrieterrein zijn opgehoogd. Ook is hieruit gebleken waar de ophoging precies aanwezig is en hoe hoog deze is. De ophoging dateert van midden vorige eeuw,rondom het tijdstip van de havenaanleg, en het is daarom gerechtvaardigd aan te nemen dat zich in de ophoging zelf geen archeologische resten bevinden. Mogelijke resten kunnen wel aanwezig zijn beneden het oorspronkelijke maaiveld. Gezien het feit dat het om een voormalig beekdal gaat staat niet op voorhand vast dat deze (intensief) agrarisch zijn gebruikt en de bovenste laag daardoor bijvoorbeeld is verstoord.

Voor het bestaande industrieterrein is via de genoemde methode vast komen te staan waar ophogingen hebben plaatsgevonden. Dit houdt in dat enkel voor deze gronden de onderzoeksplicht voor archeologie ten opzichte van de beleidsadviezen kan worden versoepeld: de laag waarin mogelijke archeologische resten voorkomen, bevindt zich pas onder de ophoging op een gemiddelde hoogte van 12 meter +NAP. De desbetreffende gronden zijn met een aanduiding 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 2' op de verbeelding opgenomen. De versoepeling van de onderzoeksplicht is in de regels van de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie aan deze aanduiding gekoppeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0022.jpg"

Hoogtekaart van het industrieterrein en omgeving

Voor de overige gronden binnen het bestaande industrieterrein blijft de onderzoeksplicht conform de beleidsadviezen gelden. Deze is afhankelijk van de oppervlakte van een activiteit (bouwwerken of werken en werkzaamheden) én de diepte vanaf het maaiveld. Er is geen reden aan te nemen dat het bestaande industrieterrein door het huidige gebruik en bebouwing beneden de onderzoeksdiepte (30 respectievelijk 50 cm) al zodanig is verstoord dat de verwachtingswaarde op zichzelf niet meer in stand kan blijven. Omdat een deel van dit terrein in het verleden is opgehoogd is een nadere aanduiding 'specifieke vorm van waarde - opgehoogd terrein 2' in de regels opgenomen.

De gronden waarop de uitbreiding van het industrieterrein is voorzien worden in de toekomst opgehoogd met gemiddeld een meter. De gronden worden op dit moment vooral agrarisch gebruikt. De beleidsadviezen worden hier onverkort toegepast, zij het dat de onderzoeksdiepte wordt bepaald vanaf het huidige maaiveld, dat minimaal op 14,5 meter +NAP ligt. Deze gronden worden op de verbeelding aangeduid met 'specifieke vorm van waarde – opgehoogd terrein 1'. In de verschillende dubbelbestemmingen wordt voor deze gronden de onderzoeksplicht gekoppeld aan de omvang van de activiteit én de diepte vanaf het huidige laagste peil van 14,5 meter +NAP.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0023.jpg"

Referentie hoogteligging industrieterrein t.b.v. onderzoeksplicht archeologie

Het in het inpassingsplan opgenomen stelsel van regels zorgt er voor dat de archeologische waarden in het plangebied voldoende worden beschermd en dat er geen onevenredige effecten optreden door de uitvoering van het plan.

11.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Het aspect archeologie is door het stelsel van regels gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart voldoende beschermd en vormt evenmin een belemmering.

Hoofdstuk 12 Verkeer en vervoer

12.1 Inleiding

Limburgse Uitgangspunten Weginrichting en integrale wegcategorisering

De provincie Limburg heeft de 'Limburgse Uitgangspunten Weginrichting' (LUW) en de integrale wegcategorisering opgesteld als gezamenlijke provinciale beleidsvisie als aanvulling op het Provinciaal Verkeers- en Vervoersplan. Doel van de visie is het optimaal Duurzaam Veilig inrichten van het Limburgs wegennet. In de LUW en de integrale wegcategorisering wordt de gewenste relatie aangegeven tussen de functie van het wegennet en de vormgeving en inrichting van die wegen. Daarmee dient de bereikbaarheid te worden bevorderd en de verkeersveiligheid te worden verbeterd. De LUW en de integrale wegcategorisering hanteren de volgende landelijke wegcategorieën:

  • 1. stroomwegen;
  • 2. gebiedsontsluitingswegen;
  • 3. erftoegangswegen.

12.2 Situatie plangebied

Ten behoeve van het aspect verkeer en vervoer is een deelrapport opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 17 bij deze toelichting opgenomen. Vanuit het project zijn ten aanzien van verkeer drie subdoelen aan te wijzen die middels de gebiedsontwikkeling bereikt worden, namelijk:

  • 1. een verbetering van de (verkeers)leefbaarheid;
  • 2. een verbetering van de bereikbaarheid en doorstroming;
  • 3. een verbetering van de verkeersveiligheid.

Door de aard van de ingreep heeft het project vooral gevolgen voor verkeer in en rond de kern van Wanssum, de ontsluiting van de haven en industrie terreinen rond Wanssum en op de route van Wanssum, via Blitterswijck, en Ooijen naar Broekhuizenvorst. Deze infrastructuur is getoetst aan bovenstaande subdoelen door toekomstige intensiteiten te spiegelen met de toekomstige wegcategorie en de daarbij behorende kenmerken. De intensiteit op de toekomstige wegvakken in het gebied zijn daarbij bepaald aan de hand van de prognoses voor het plan (middels het verkeersmodel van de Provincie Limburg, basisjaar 2010).

12.2.1 Huidige situatie

Venrayseweg Brugstraat N270

Dwars door het centrum van Wanssum loopt de provinciale weg (N270). Deze weg vormt de oost-west verbinding en maakt onderdeel uit van het Regionaal Verbindend Wegennet. De N270 is de enige oversteek van de Maas tussen Heijen en Venlo waardoor de N270 een drukke verbinding is voor doorgaand verkeer. De weg vormt een barrière tussen het noorden en het zuiden van de kern Wanssum en staat verdere ontwikkeling van het centrumgebied in de weg. In de huidige situatie rijden er ruim 11.000 motorvoertuigen per etmaal door het centrum van Wanssum. In onderstaand tabel zijn de verkeerintensiteiten uit het jaar 2010 weergegeven.

Nr.   Straatnaam   Intensiteit (mvt/etm)  
1   Venrayseweg (N270)   11.300  
2   Brugstraat (N270)   10.700  
3   Brugstraat (N270, ten westen van rotonde)   10.500  

Haven- en industrieterrein

De N270 vormt samen met de Geijsterseweg en de Stayerhofweg de belangrijkste ontsluitingswegen van het haven- en industrieterrein. De verkeerintensiteiten uit 2010 staan in onderstaande tabel weergegeven.

Nr.   Straatnaam   Intensiteit (mvt/etm)  
1   Geijsterseweg   2.700  
2   Stayerhofweg   1.400  

Route Blitterswijck - Broekhuizenvorst

De route van Blitterswijck naar Broekhuizenvorst is een belangrijke verbinding tussen de dorpen langs de Maas. Deze route vormt tevens de verbinding voor een aantal bedrijven naar de N270. De weg is nu nog aangemerkt als 80km weg.

Nr.   Straatnaam   Intensiteit (mvt/etm)  
1   Ooijenseweg   2.200  
12.2.2 Toekomstige situatie

Venrayseweg Brugstraat N270

Met de aanleg van de nieuwe rondweg wordt het doorgaande verkeer om de kern van Wanssum geleid. De maximumsnelheid op de nieuwe rondweg wordt 80 kilometer per uur. De maximumsnelheid op de oude weg wordt op delen teruggebracht van 50 naar 30 kilometer per uur. Om de verkeersintensiteit in de nieuwe situatie te bepalen is een verkeersmodel opgesteld. De resultaten staan in onderstaande tabel weergeven.

Nr.   Straatnaam   Intensiteit (mvt/etm)  
1   Venrayseweg (N270)   4.000  
2   Brugstraat (N270)   4.400  
3   Brugstraat (N270, ten westen van rotonde)   2.400  
4   Rondweg Wanssum West   9.600  
5   Rondweg Wanssum Oost   15.400  
6   Aansluiting Rondweg Oost   6.800  

Haven- en industrieterrein

De omvang van de uitbreiding van het haven- en industrieterrein bedraagt 19,2 ha. De goederenstromen voor bulk en container zullen daardoor toenemen. Dit leidt tot 17 extra scheepvaartbewegingen per week en 600 vrachtautobewegingen per werkdag. De ontsluiting naar de N270 van de bedrijven loopt in de toekomstige situaties via de noordelijke en oostelijke rotonde en niet meer via de kern Wanssum.

Nr.   Straatnaam   Intensiteit (mvt/etm)  
1   Geijsterseweg (ten zuiden van rondweg)   1.100  
2   Stayerhofweg (ten zuiden van rondweg)   900  

Route Blitterswijck - Broekhuizenvorst

De route van Blitterswijck naar Broekhuizenvorst doorsnijdt de Oude Maasarm (OMA) twee maal en krijgt daardoor op twee plekken een brug. Het project wordt tevens gebruikt om de route van 80 km naar 60km te brengen. Omwille van de hoeveelheden vrachtverkeer is voor langzaamverkeer voorzien in een parallele route langs de OMA. Op de bruggen is daarom voorzien in de aanleg van vrijliggende fietsvoorzieningen.

Nr.   Straatnaam   Intensiteit (mvt/etm)  
1   Ooijenseweg   1.600  

12.3 Conclusie

Door de aanleg van de rondweg rond Wanssum wordt verkeer meer dan voorheen geconcentreerd op wegen die daarvoor zijn uitgerust. Deze regionaal verbindende weg loopt bovendien niet langer door maar om het dorp Wanssum. Door de industriehaven in de toekomst rechtstreeks aan de rondweg te koppelen is Wanssum bovendien verlost van het daarmee samenhangende vrachtverkeer.

Het afwaarderen in snelheid van de bestaande tracés door Wanssum en van de route tussen Ooijen en Blitterswijk komt de veiligheid en leefbaarheid aldaar te goede. De intensiteiten zijn na realisatie van het project beter in balans met de dan geldende wegcategorie.

Omdat de getoonde intensiteiten alle ruim beneden de voor deze wegcategorieën geldende maximale capaciteiten liggen, gaat de verbetering van de leefbaarheid en veiligheid niet ten koste van de bereikbaarheid.

Hoofdstuk 13 Luchtkwaliteit

13.1 Inleiding

Volgens de Wet milieubeheer (titel 5.2) moet het bevoegd gezag onder meer bij ruimtelijke besluiten, zoals een provinciaal inpassingsplan, de luchtkwaliteit meenemen in de besluitvorming. Als aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid het inpassingsplan vast te stellen:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde voor luchtkwaliteit;
  • een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Bij de voorbereiding van het inpassingsplan is onderzoek gedaan naar de gevolgen van de daarin opgenomen activiteiten (uitbreiding industrieterrein, aanleg rondweg en dergelijke) voor de luchtkwaliteit ter hoogte van gevoelige functies, zoals woningen. Ook in het het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij het opstellen van een inpassingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Dit aspect is ook meegenomen in het onderzoek.

13.2 Situatie plangebied

Het luchtkwaliteitonderzoek is uitgevoerd voor de voorkeursvariant zoals bekend ten tijde van het MER. Het onderzoek is als Bijlage 18 bij deze toelichting opgenomen. Het inpassingsplan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk. De aanpassingen van de voorkeursvariant die later zijn gedaan, leiden echter niet tot andere conclusies voor het aspect.

In het luchtkwaliteitonderzoek zijn de gevolgen van het inpassingsplan voor de luchtkwaliteit onderzocht. Door de uitbreiding van het haven- en industrieterrein Wanssum neemt de bedrijvigheid toe en zal ook het aantal scheepvaartbewegingen toenemen. Daarnaast is berekend wat de effecten zijn van de nieuwe rondweg en de nieuwe Geijsterseweg. Er is onderzocht wat de effecten van deze ontwikkelingen zijn op de luchtkwaliteit bij gevoelige bestemmingen (zoals woningen, kinderdagverblijven, etc.). Hiervoor is voor een gebied in en rond Wanssum de luchtkwaliteit berekend op alle gevoelige bestemmingen.

De grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen zijn:

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig vanaf  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   2010  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg m³   2005  
  dagnorm
24-uurgemiddeldeconcentratie  
max. 35 keer p.j.
meer dan 50 µg/m³  
2005  
fijn stof (PM 2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³   2015  

Huidige situatie

De achtergrondconcentratie wordt onder meer vastgesteld voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De achtergrondconcentraties in de huidige situatie liggen voor NO2 en PM10 in de ruime omgeving van het plangebied ver onder de wettelijke grenswaarden.

Toekomstige situatie

Uit de berekeningen blijkt dat de totale NO2 en PM10 concentraties in het studiegebied ver onder de grenswaarden liggen. De achtergrondconcentratie in het studiegebied is in de orde van 15 µg/m3 voor NO2 en 23 µg/m3 voor PM10. De maximale planbijdrage in de toekomstige situatie bedraagt voor NO2 ongeveer 3 µg/m3. Voor PM10 bedraagt de maximale planbijdrage in de orde van 1 µg/m3. De cumulatie van deze waarden toont aan dat de totale concentraties ver onder de grenswaarden blijven. Daarmee kan gesteld worden dat het project niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden. Nu ruimschoots aan de luchtkwaliteitgrenswaarden wordt voldaan, is als gevolg van de activiteiten in het inpassingsplan een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd.

13.3 Conclusie

Het project leidt niet tot overschrijding van de grenswaarden. Het inpassingsplan kan derhalve voor wat betreft luchtkwaliteit worden gerealiseerd op basis van de Wet milieubeheer. Een goed woon- en leefklimaat is gegarandeerd.

Hoofdstuk 14 Geluid en trillingen

14.1 Inleiding

Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) gelden geluidzones langs onder meer bestaande wegen en rond grote bestaande industrieterreinen. In de Wgh is bepaald dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan (waaronder ook een inpassingsplan wordt begrepen) voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Ook de aanleg van nieuwe wegen, zoals de rondweg, valt onder het regime van de Wgh. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen wordt overschreden, kan op grond van de Wgh onder voorwaarden een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag. Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Ook moet het geluid in een geluidgevoelige bestemming aan een bepaald maximum voldoen.

Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in geval van een besluit hogere waarde, de binnenwaarde te worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. Het bevoegd gezag kan beleidsregels formuleren die worden gehanteerd bij besluitvorming over het toelaten van hogere waarden. Zowel de provincie Limburg ('Beleidsregels vaststellen en wijzigen hogere waarden Wet geluidhinder' van 19 december 2013) als de gemeente Venray (“Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder", 2016) hebben dergelijke beleidsregels vastgesteld. Ook in het het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij het opstellen van een inpassingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met geluid. Dit aspect is ook meegenomen in het onderzoek, evenals het aspect trillingen. Het aspect trillingshinder is op basis van expert judgement beoordeeld.

14.2 Situatie plangebied

14.2.1 Wijziging geluidzone haven- en industrieterrein Wanssum

Op een deel van het bestaande industrieterrein Wanssum zijn inrichtingen toegelaten die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Deze inrichtingen staan genoemd in onderdeel D van Bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht. Het bovenstaande betekent dat het industrieterrein Wanssum een industrieterrein is in de zin van artikel 1 Wet geluidhinder. Rond dit industrieterrein is daarom een geluidzone vastgesteld zoals bedoeld in artikel 54 Wet geluidhinder in samenhang met artikel 41 Wet geluidhinder. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting van alle op het industrieterrein gevestigde bedrijven tezamen niet meer bedragen dan 50 dB(A). Dit plan maakt de uitbreiding van dit geluidgezoneerde industrieterrein mogelijk. De uitbreiding omvat onder meer een verlenging van de bestaande insteekhaven met omliggende gronden ten behoeve van havengerelateerde en industriële bedrijvigheid. Daarnaast wordt het zuidoostelijk gelegen bedrijventerrein aan het gezoneerde industrieterrein toegevoegd. Met de geplande uitbreiding wijzigt niet alleen de grens van het industrieterrein maar ook de ligging van de geluidzone. De uitbreiding van het industrieterrein en de nieuwe zonegrens zijn zo gekozen dat zowel voldoende geluidruimte voor de bedrijven beschikbaar is als voldoende bescherming wordt geboden aan de woningen die in de geluidzone van het industrieterrein liggen. Op onderstaande afbeelding is de nieuwe grens van het industrieterrein en de nieuwe grens van de geluidzone weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0024.jpg"

Nieuwe geluidzone en de grens van het industrieterrein

Hiermee wordt de ligging van de zone ex artikel 54 Wet geluidhinder in samenhang met artikel 41 Wet geluidhinder bepaald, maar nog niet de verdeling en sturing van de geluidruimte op het industrieterrein. Dit plan voorziet daarom in een regeling om een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte over de diverse kavels van het industrieterrein, en daarmee een doelmatig grondgebruik, waarborgen.

Geluidverkaveling

Verdeling geluidruimte

Dit plan regelt middels een geluidverkaveling de toedeling van geluidruimte op het gezoneerde industrieterrein. Dit biedt de kans om voor bedrijven duidelijkheid te scheppen én te krijgen over de beschikbare geluidruimte en de toekomstige vestiging- en uitbreidingsmogelijkheden op afzonderlijke kavels. Bovendien kan door de gebudgetteerde geluidruimte per kavel worden voorkomen dat de aanwezige geluidruimte wordt ingevuld door de eerste bedrijven die zich vestigen, waardoor de vestiging van nieuwe bedrijven of de uitbreidingsmogelijkheden voor zittende bedrijven in gevaar komt.

Uitgangspunten bestaande en nieuwe kavels

Voor de bestaande bedrijven is uitgegaan van de bestaande kavels met de bijbehorende (vergunde) geluidruimte, als opgenomen in de geluidrapportage die als Bijlage 23 bij deze toelichting is gevoegd. Het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII), gesitueerd aan de zuidoostzijde van het industrieterrein, is daarbij separaat beschouwd. Voor de nieuwe kavels is uitgegaan van een budgettering op basis van een bij de bestemming passend akoestisch bronvermogen per vierkante meter, uitgedrukt in een emissiekental in dB(A)/m2. De uitbreiding van het industrieterrein is onderverdeeld in een aantal deelgebieden met verschillen in de emissiekentallen. De budgettering per deelgebied is weergegeven in onderstaande kaart, tezamen met een aanduiding van de bestaande kavels, toetspunten en woningen. Deelgebied V ziet op de gronden op het bestaande industrieterrein van het bedrijf Topterra, dat in verband met de komst van de rondweg niet op deze gronden zal worden gehandhaafd. Om die reden is deelgebied V beschouwd als een deelgebied voor nieuwe kavels.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0025.jpg"

Verkaveling industrieterrein

Het betreft hier etmaalwaarden. Dit betekent dat de generieke geluidruimte voor de deelgebieden in de avondperiode (van 19.00 tot 23.00 uur) 5 dB(A)/m2 lager is dan in de dagperiode (van 07.00 tot 19.00 uur) en in de nachtperiode (van 23.00 tot 07.00 uur) 10 dB(A)/m2 lager dan in de dagperiode.

De aldus vastgestelde geluidruimte voor de te onderscheiden deelgebieden en bestaande kavels in het plangebied is vastgelegd in toetsingstabellen (per periode van het etmaal één). In deze toetsingstabel staat per deelgebied en bestaand kavel (aangeduid met naam en adres) aangegeven hoeveel geluidruimte beschikbaar is voor de bedrijven. Dit wordt uitgedrukt gespecificeerd naar de dag-, avond- en nachtperiode als geluidbelasting in dB(A) voor elk van de toetspunten. Geluidruimte die niet wordt gebruikt door een bedrijf blijft beschikbaar voor een kavel; dit met het oog op de verkoopbaarheid van de kavels in de toekomst (behoud van economische waarde).

Voor de nieuwe bedrijven zijn de precieze kavels nog niet bekend. Voor elk nieuw uit te geven kavel is geluidruimte beschikbaar uitgaande van het emissiekental behorend bij het deelgebied waarin het kavel is gelegen. Een initiatiefnemer kan zelf (laten) uitrekenen, op welke geluidruimte hij recht heeft, door op basis van de ligging en grootte van het kavel en uitgaande van het emissiekental de resulterende geluidniveaus op de toetspunten uit te rekenen. Hij dient daarbij rekening te houden met de omgevingsituatie als vastgelegd in het geluidrapport bij dit plan. Het gaat hierbij met name om de afschermende/ reflecterende objecten op het industrieterrein en in de geluidzone. Bovendien dient hij rekening te houden met een aftrek van 1 dB van het op de kavelkaart aangegeven emissiekental. Van de beschikbare geluidruimte wordt namelijk 1 dB in reserve gehouden (zie hierna onder geluidreserve).

De aldus uitgerekende geluidniveaus op de toetspunten vormen het geluidbudget voor het nieuwe kavel. De geluidimmissie van het initiatief op het nieuwe kavel moet passen binnen dit geluidbudget. Het berekende geluidbudget blijft beschikbaar voor het kavel, ook als de vergunde/ gemelde geluidruimte lager is. NB: Bedrijven vallend onder het Activiteitenbesluit hebben recht op dezelfde geluidruimte als vergunningplichtige bedrijven. Indien het berekende geluidbudget resulteert in een hogere geluidbelasting dan 50 dB(A) op 50 meter afstand, kan bij maatwerkschrift worden voorzien in voldoende geluidruimte voor de beoogde activiteiten, onder de voorwaarde dat die moet passen binnen de gebudgetteerde geluidruimte in dit plan.

Geluidreserve

Bij de bepaling van de geluidzone is voor de bestaande bedrijven uitgegaan van de vergunde geluidbelasting van elk van deze bedrijven en daarbovenop een reservebudget van 1 dB voor alle bestaande bedrijven tezamen. Van de totale geluidruimte is daarmee 80% direct aan de kavels gekoppeld en 20% als reserve geluidruimte beschikbaar. Dit reservebudget geldt niet voor het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII). De geluidruimte op grond van het Activiteitenbesluit wordt niet volledig benut, zodat er voor dit deelgebied reeds voldoende reservebudget beschikbaar is.

Ook voor de nieuwe kavels wordt een (eigen) reservebudget aangehouden, tevens frictieruimte. Als voor de bepaling van de geluidzone is gerekend met een emissiekental van bijv. 65 dB(A) etmaalwaarde, dan wordt voor de geluidbudgettering voor een concreet nieuw bedrijf uitgegaan van een emissiekental van 64 dB(A) etmaalwaarde.

Op deze wijze ontstaat er in de geluidzone een reservebudget annex frictieruimte van 1 dB, zodat zonegrensoverschrijdingen bij de concrete invulling van het industrieterrein, bijvoorbeeld door reflecties, worden voorkomen. Bedrijven kunnen de geluidruimte met een omgevingsvergunning onder voorwaarden vergroten onder gebruikmaking van een deel van de reserveruimte. Dit geldt niet voor bedrijven binnen het deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII).

Gefaseerde uitgave reserve geluidruimte

Om te voorkomen dat met één aanvraag alle resterende reserve ruimte wordt opgebruikt is in de planregels opgenomen dat het gebruik van de reserve geluidruimte boven de 33% zoveel mogelijk dient te worden voorkomen (artikel 26.5). Hiermee is bedoeld dat per aanvraag voor omgevingsvergunning aanspraak gemaakt kan worden op niet meer dan 33% [getalswaarde] van de nog resterende geluidruimte per toetspunt op het moment van de desbetreffende aanvraag. Als bijvoorbeeld op het moment van aanvraag nog 0,6 dB(A) reserveruimte resteert in een toetspunt, dan kan van de resterende 0,6 dB(A) in beginsel 0,2 dB (33% van 0,6) in een omgevingsvergunning worden uitgegeven.

Akoestisch niet relevante bijdragen

In de toetstabellen is van elk deelgebied en bestaand kavel de geluidbijdrage op de toetspunten weergegeven. Op de verder van het kavel gelegen toetspunten zal die bijdrage doorgaans akoestisch niet relevant zijn. Voor elk van de toetspunten is in de toetstabellen ook de gecumuleerde geluidbelasting weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen het totaal van de bestaande kavels (deelgebied I), het totaal van de bestaande kavels op deelgebied bestaand zuid-oost (deelgebied VII)en het totaal van de nieuwe kavels. De gecumuleerde geluidbelasting wordt per periode van het etmaal getoetst en beoordeeld op één cijfer achter de komma. Een eventuele overschrijding van de waarde voor het kavel op één of meer toetspunten in de toetstabellen kan als verwaarloosbaar worden beschouwd, indien de gecumuleerde geluidbelasting (beoordeeld op één cijfer achter de komma) niét toeneemt.

Voor de nieuwe kavels, waarbij per kavel het geluidbudget wordt bepaald, dient hierbij gecorrigeerd te worden voor dat geluidbudget. Daartoe wordt het voor het nieuwe kavel berekende geluidbudget op het totaal in mindering gebracht en wordt de geluidimmissie van de aangevraagde/gemelde situatie daarvoor in de plaats toegevoegd.

Veranderen omvang bestaand kavel

Het is in de praktijk goed mogelijk, dat bij nieuwvestiging en/of splitsing van bedrijven, de aanvraag c.q. de melding betrekking heeft op een inrichting die door splitsing, vergroting of verkleining van het kavel afwijkt van de bestaande inrichtingen als opgenomen in de kavelkaart en de bijbehorende toetstabellen. Directe toelating is dan niet mogelijk, zodat deze aanvragen c.q. meldingen per definitie gelden als een aanvraag om afwijking van het plan. Splitsing, vergroting of verkleining van kavels mag niet leiden tot een onevenredige beperking van de gereserveerde geluidruimte op één van de kaveldelen.

Het is mogelijk, dat één of meer van de aldus ontstane nieuwe kavels niet genoeg heeft aan de na splitsing, vergroting of verkleining verkregen geluidruimte. Onder voorwaarden kan de geluidruimte van deze kavels met een omgevingsvergunning worden vergroot, onder gebruikmaking van een deel van de reserveruimte.

Werkwijze

De werkwijze voor het behandelen van vergunningsaanvragen en meldingen is vertaald in de regels van het inpassingsplan. Zie Hoofdstuk 17 voor een nadere toelichting hierop.

14.2.2 Rondweg en wijziging aan bestaande wegen

Ingevolge de Wet geluidhinder zijn ten behoeve van het inpassingsplan de onderstaande situaties getoetst aan de grenswaarden:

  • 1. Wegverkeerslawaai: aanleg nieuwe rondweg.
  • 2. Wegverkeerslawaai: wijzigingen aan bestaande wegen (reconstructie):
    • a. Verplaatste Geijsterseweg;
    • b. Wijziging aansluiting verplaatste Geijsterseweg op bestaande Geijsterseweg;
    • c. Wijziging van de Venrayseweg N270 thv aansluiting op nieuwe rondweg;
    • d. Locatie Blitterswijck en locatie Ooijen;
    • e. Wijziging linksaffer N270 ter hoogte van Oirlosedijk/Ericaweg

Voor de nieuwe rondweg geldt als vaststaand ontwerpcriterium dat op deze weg een geluidreducerende wegdekverharding wordt toegepast. Voor het inpassingsplan is hierbij uitgegaan van steenmastiek asfalt NL-8G+ (SMA NL-8G+). Op rotondes en kunstwerken kan deze verharding niet worden toegepast. Op de rotondes is uitgegaan van fijngebezemd beton. Op de kunstwerken en de afslag ter hoogte van de Oirlosedijk/Ericaweg is uitgegaan van SMA NL-8. Ook is als vaststaand ontwerpcriterium een dichte geleidebarrier van 0,9 meter hoog voorzien langs de rondweg aan de zijde van de kern van Wanssum.

Gebleken is overigens dat de wijziging van de weg, oftewel de realisatie van de nieuwe brug tussen Ooijen en Broekhuizenvorst over de Oude Maasarm, niet als een reconstructie in de zin van de Wgh wordt beschouwd.

14.2.3 Hogere waarden en afweging goede ruimtelijke ordening

Bij het oordeel of de optredende geluidbelastingen zijn te verantwoorden vanuit een ‘goede ruimtelijke ordening’, is de navolgende afweging gemaakt. De met dit inpassingsplan voorziene waterstandsverlaging en gebiedsontwikkeling, biedt voor het gebied de mogelijkheid om wenselijke economische ontwikkelingen een stimulans te geven. Aan dit collectieve belang wordt een grote waarde gehecht. Dit belang weegt op tegen de met het inpassingsplan samenhangende geluidbelastingen mits deze geluidbelastingen aanvaardbaar kunnen worden geacht en een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft.

In dat kader spelen de volgende aspecten een belangrijke rol:

  • De gecumuleerde geluidbelasting van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen die gelegen zijn binnen de zone van zowel het industrieterrein als de rondweg is nergens hoger dan de wettelijk ten hoogste toegestane geluidbelasting van één van beide bronnen afzonderlijk.
  • Ter plaatse van woningen met de hoogste cumulatieve geluidbelasting blijft de cumulatieve geluidbelasting ten minste gelijk of neemt af ten opzichte van de autonome situatie. Deze afname is het gevolg van het afwaarderen van de bestaande N270 en de afname van verkeer op de bestaande Geijsterseweg.
  • Voor woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen waar de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder wordt overschreden ten gevolge van het inpassingsplan zijn hogere waardenbesluiten voorbereid door het bevoegd gezag. Bij het vaststellen van hogere waarden neemt het bevoegd gezag de (hoogst berekende) gecumuleerde geluidbelasting op de gevel van de desbetreffende woningen als uitgangspunt voor het garanderen van de binnenwaarde in plaats van de vast te stellen hogere waarde.
  • Openstelling van de nieuwe rondweg in combinatie met het afwaarderen van de bestaande N270 leidt bij een groot aantal woningen tot een afname van de cumulatieve geluidbelasting.

Een bijzondere categorie woningen vormen de bestaande woningen op het gezoneerde industrieterrein (Brugstraat 29 en Stayershofweg 5) en de bestaande recreatiewoningen nabij het Kamillepad. Bij het oordeel of het inpassingsplan voorziet in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen op het gezoneerde industrieterrein en de recreatiewoningen wordt het volgende overwogen.

Woningen op het industrieterrein (Brugstraat 29 en Stayershofweg 5)

Omdat de woningen zich ook nu reeds bevinden op een industrieterrein en de vigerende bestemming ter plaatse reeds voorziet in bedrijven en industrie wordt een beschermingsniveau tot 65 dB(A)-etmaalwaarde passend geacht. Deze waarde komt overeen met de richtwaarde voor bedrijfswoningen op een industrieterrein zoals vermeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat deze richtwaarde – zelfs bij volledige uitgifte en ingebruikname van het nieuwe industrieterrein – ten gevolge van industrielawaai niet wordt overschreden.

Anders dan het vigerende bestemmingsplan “Haven- en Industrieterrein Wanssum” sluit het inpassingsplan de vestiging van (nieuwe) grote lawaaimakers in de directe omgeving van de Brugstraat 29 en Stayershofweg 5 uit. Hierdoor zijn de panden beter beschermd tegen een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting dan in de autonome situatie. Daarbij wordt opgemerkt dat er geen sprake is van een toename van de geluidbelasting tot boven de hiervoor genoemde richtwaarde. Dit wordt onder meer ingegeven door het feit dat in het inpassingsplan wordt gestreefd naar inwaartse zonering waardoor – in tegenstelling tot het vigerende bestemmingsplan - de vestiging van een aantal milieubelastende bedrijfsactiviteiten wordt uitgesloten.

De bewoning van panden aan de Brugstraat 29 en Stayershofweg 5 betreft een eindige situatie gelet op de in het inpassingsplan opgenomen uitsterfconstructie. De geluidbelasting vanwege de nieuwe rondweg is bij deze woningen lager dan de voorkeurgrenswaarde op grond van de Wet geluidhinder.

Recreatiewoningen nabij het Kamillepad

Recreatiewoningen genieten in het kader van de Wet geluidhinder anders dan reguliere woningen geen bescherming tegen geluidhinder. In het kader van ruimtelijke procedures wordt echter wel aandacht geschonken aan dergelijke woningen; er moet immers sprake zijn van een 'goede ruimtelijke ordening'. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de voorkeurswaarde van 48 dB die voor reguliere woningen geldt, slechts beperkt worden overschreden en ruim onder de maximale ontheffingswaarde van 63 dB blijft, welke waarden gelden in het geval sprake zou zijn van een reguliere woning. Ook de gecumuleerde geluidbelasting bij de recreatiewoningen ligt ruim beneden de ten hoogste toegestane geluidbelasting van één van beide bronnen afzonderlijk. Het feit dat een aantal van de voornoemde woningen permanent wordt bewoond (en hiervoor een persoonsgebonden gedoogbeschikking is verstrekt) doet aan het voornoemde overigens niets af omdat op grond van de Wet geluidhinder het bestemde gebruik bepalend is en de bestemming ongewijzigd blijft.

Bij de recreatiewoningen is sprake van een aanvaardbare akoestische situatie en daarmee van een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat en een goede ruimtelijke ordening.

Hogere waardenbesluit Industrielawaai

Het ontwerp besluit Hogere waarden Industrielawaai heeft van 17 december 2015 tot en met 27 januari 2016 ter inzage gelegen. Het besluit heeft betrekking op 123 bestaande woningen in de gewijzigde geluidszone van Haven- en Industrieterrein Wanssum. Voor bestaande woningen geldt als gevolg van de Wet geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De wet biedt de mogelijkheid om een hogere waarde vast te stellen tot een waarde van maximaal 60 dB(A). Tevens ligt een deel van woningbouwplan “Burgemeester Ponjeestraat” in de zone. Voor geprojecteerde woningen geldt een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A). Van 2 februari 2016 tot en met 5 april 2016 heeft vervolgens voor nog 7 woningen aanvullend een ontwerp besluit Hogere waarden Industrielawaai te inzage gelegen.

Het verlenen van de hogere waarden is getoetst aan zowel het provinciale geluidsbeleid als het gemeentelijke geluidsbeleid van Venray. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat voor alle woningen, waarvoor de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, de gecumuleerde geluidbelasting ruim lager is dan de maximale ontheffingswaarde verhoogd met 3 dB. Hierdoor is sprake van een aanvaardbare situatie. Bij de afweging over de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidbelasting is tevens meegewogen dat met de in het inpassingsplan voorziene waterstandsverlaging en gebiedsontwikkeling, de mogelijkheid wordt geboden om wenselijke economische ontwikkelingen een stimulans te geven. Ook is meegewogen dat de realisatie van de nieuwe rondweg in combinatie met het afwaarderen van de bestaande N270 bij een groot aantal woningen tot een afname van de geluidbelasting leidt. Voor de aanvaardbaarheid van de gecumuleerde geluidbelasting is het verder van belang dat bij eventuele overschrijding van de binnenwaarden, de (hoogst berekende) gecumuleerde geluidsbelasting op de gevel van de desbetreffende woningen als uitgangspunt wordt genomen voor het treffen van geluidsisolerende maatregelen teneinde alsnog te voldoen aan de binnenwaarde.

Hogere waardenbesluit wegverkeerslawaai

Het ontwerp besluit Hogere waarden Wegvekeerslawaai heeft van 17 december 2015 tot en met 27 januari 2016 ter inzage gelegen. Het besluit heeft betrekking op 5 woningen die vanwege de aanleg van de rondweg een hogere geluidsbeslasting zullen hebben dan de voorkeursgrenswaarde. Het verlenen van de hogere waarden voor deze woningen is getoetst aan het provinciale beleid. De voorkeursgrenswaarde bij deze woningen is nergens hoger dan de maximaal te verlenen hogere waarde. Omdat ook de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting, wordt voor de woningen een hogere waarde van de geluidsbelasting toelaatbaar geacht.

14.2.4 Geluidsituatie verhuizing het Gilde

Voor een beoordeling van de geluidsituatie als gevolg van de verhuizing van het Gilde naar de kasteelruïne Blitterswijck wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

14.2.5 Trillingen

Er zal geen toename plaatsvinden van het aantal trillingsgehinderden. Aandachtspunt is om trillingsniveaus die hinder kunnen veroorzaken vanwege de nieuwe rondweg uit te sluiten:

  • Het wegdek egaal uit te voeren,
  • De voegovergangen tussen de weg en de brug over het water voegloos uit te voeren om aanstoten te voorkomen.

14.3 Conclusie

Geluid

Het gehele industrieterrein Haven wordt gezoneerd ingevolge de Wet geluidhinder. Als gevolg van de zonering dienen voor 130 woningen en één woningbouwlocatie hogere waarden te worden vastgesteld. 5 woningen zullen een geluidsbelasting ondervinden hoger dan de voorkeursgrenswaarde als gevolg van de nieuwe rondweg. Voor deze woningen zijn eveneens hogere waarden vastgesteld.

Trillingen

Er zal geen toename plaatsvinden van het aantal trillingsgehinderden. Na het zoneren van het industrieterrein Haven en het vaststellen van hogere waarden voor een aantal woningen wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Trillingshinder is niet te verwachten. Gesteld kan worden dat het inpassingsplan met het oog op de aspecten geluid en trillingen uitvoerbaar is. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat het Inpassingsplan voorziet in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van deze aspecten.

Hoofdstuk 15 Externe veiligheid

15.1 Inleiding

Externe Veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is, voor personen die niet bij deze activiteit betrokken zijn. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen en omstandigheden. Het betreft enerzijds de risico's verbonden aan risicovolle inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds het vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen en buisleidingen.

In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BevB) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) zijn risiconormen opgenomen voor inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hiermee moet onder meer in ruimtelijke plannen rekening worden gehouden. Deze risico's worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR).Voor het plaatsgebonden risico is een wettelijke norm vastgesteld, voor het groepsrisico alleen een oriënterende waarde.

15.2 Situatie plangebied

De risicobronnen die vanuit het oogpunt van externe veiligheid relevant zijn voor de gebiedsontwikkeling zijn in de eerste plaats de risicobronnen die in het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast kunnen ook risicobronnen die buiten het plangebied liggen relevant zijn. Hiervan is sprake wanneer het invloedsgebied of veiligheidsafstand van een risicobron het plangebied overlapt. Op onderstaande afbeelding zijn de relevante risicobronnen weergegeven. Voor het inpassingsplan zijn de volgende risicobronnen relevant vanuit het oogpunt van externe veiligheid:

  • 1. Inrichting 'Jewagas B.V.'
  • 2. Inrichting 'Oerlemans Foods Nederland B.V.'
  • 3. Inrichting 'Van de Ligt Alligt vof'
  • 4. Transport van gevaarlijke stoffen over de A73
  • 5. Transport van gevaarlijke stoffen over de N554
  • 6. Transport van gevaarlijke stoffen over de N270
  • 7. Transport van gevaarlijke stoffen over de N271
  • 8. Transport van gevaarlijke stoffen over de Maas
  • 9. Transport van aardgas per buisleiding Z-541-11 en Z541-12
  • 10. Propaantank 'Residentie de Kooy Brasserie de Maashoeve'
  • 11. Uitbreiding haven- en industrieterrein Wanssum, toekomstige risicovolle inrichtingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0026.jpg"

Ligging relevante risicobronnen

Ten behoeve van onderliggende inpassingsplan dient te worden getoetst aan de normen die volgen uit wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Hiervoor is een rapport opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 24 bij deze toelichting opgenomen. Voor de relevante risicobronnen is getoetst aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor de hogedruk aardgastransportleidingen en het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 zijn hiervoor risicoberekeningen uitgevoerd. Voor de overige risicobronnen is gebruik gemaakt van de relevante handreikingen die volgen uit de wet- en regelgeving.

Toetsing plaatsgebonden risico en groepsrisico

Plaatsgebonden risico

Voor de bestaande risicobronnen kan worden opgemaakt dat binnen de plaatsgebonden risicocontour PR=10-6/jaar geen objecten zijn gelegen, waarin mensen verblijven. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen. Voor de uitbreiding van het haven- en industrieterrein is een veiligheidszone vastgesteld rondom het gebied waar risicovolle bedrijven zich mogen vestigen. De veiligheidszone geeft het gebied aan waarbinnen de plaatsgebonden risicocontouren van de toekomstige risicovolle bedrijven moeten blijven. Het doel van de veiligheidszone is om de woonkern van Wanssum zo min mogelijk bloot te stellen aan de externe veiligheidsrisico's van de mogelijke risicovolle bedrijven op het havengebied.

Groepsrisico 

Voor de bestaande risicobronnen (met uitzondering van de N270) hebben de ontwikkelingen van het inpassingsplan geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico van deze risicobronnen blijft ruim onder de oriëntatiewaarde. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de N270 neemt het groepsrisico door de gebiedsontwikkeling toe onder de oriëntatiewaarde. Deze toename wordt veroorzaakt doordat de N270 bij de omlegging in zijn geheel een weg 'buiten de bebouwde kom' wordt. Het transport van gevaarlijke stoffen over een weg buiten de bebouwde kom heeft een hogere faalfrequentie dan over een weg binnen de bebouwde kom en daarmee een negatieve invloed op het groepsrisico. Voor de toekomstige risicovolle bedrijven in de haven neemt het groepsrisico ten opzichte van de huidige situatie toe.

Verantwoording groepsrisico

Uit het rapport externe veiligheid (Bijlage 24) blijkt dat voor een aantal risicobronnen het groepsrisico volledig dient te worden verantwoord en dat voor een aantal kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De verantwoording van het groepsrisico is een plicht voor het bevoegd gezag om naast de omvang van het groepsrisico ook andere aspecten, zoals de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid mee te wegen in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. De verantwoording van het groepsrisico is als Bijlage 25 bij deze toelichting opgenomen.

Uit de verantwoording blijkt dat de hoogte van de groepsrisico van de relevante risicobronnen ligt onder de oriëntatiewaarde. Tevens blijkt dat alleen het groepsrisico van N270 toeneemt door het inpassingsplan. Voor de overige risicobronnen geldt dat het groepsrisico niet verandert door het plan. Voor de N270 is een maatregel getroffen om het groepsrisico van de N270 te beperken door eisen te stellen aan de komst van Bevi-inrichtingen in het havengebied. Om het aantal transporten van gevaarlijke stoffen over de N270 te beperken, zijn enkel specifieke Bevi-inrichtingen in de haven toegestaan die geen (grote) hoeveelheden transporten gevaarlijke stoffen over de weg kunnen genereren. Deze maatregel is geborgd in de planregels van onderliggend inpassingsplan. Voor de overige risicobronnen is er geen aanleiding om maatregelen te treffen in het kader van (de verlaging van) het groepsrisico.

15.3 Conclusie

Ter bescherming van de woonkern Wanssum tegen risicovolle bedrijven op het havengebied, is een 'veiligheidszone - bevi' opgenomen. De veiligheidszone geeft het gebied aan waarbinnen de plaatsgebonden risicocontouren van de toekomstige risicovolle bedrijven moeten blijven. Tevens is binnen deze zone de bouw of vestiging van nieuwe kwetsbare objecten niet toegestaan. Er wordt met dit inpassingsplan voldaan aan de wettelijke eisen. Hierdoor kan worden gesteld dat het plan met betrekking tot het aspect externe veiligheid uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 16 Waterhuishouding

16.1 Inleiding

Ter uitvoering van het Nationaal Bestuursakkoord Water is in artikel 3.1.6 lid 1 sub b in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat de toelichting bij een inpassingsplan een beschrijving bevat van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Om tot een goede beschrijving daarvan te komen is het nodig het proces van de watertoets te doorlopen, zoals beschreven in de Bestuurlijke Notitie Watertoets.

16.2 Situatie plangebied

De maatregelen uit de gebiedsontwikkeling hebben zowel kwalitatief als kwantitatief effect op het watersysteem. In deze waterparagraaf wordt ingegaan op diverse onderdelen waar de gebiedsontwikkeling effect op heeft. Voor wat betreft de waterkwaliteit wordt bezien in hoeverre wordt voldaan aan de Kaderrichtlijn Water (zie ook paragraaf 16.2.5). Voor de waterveiligheid zijn de reactivering van de Oude Maasarm, de hoogwatergeulen en het dijkenplan van belang. De reactivering van de Oude Maasarm en de aanleg van de hoogwatergeulen kan effect hebben op de grondwaterstanden, het peilbeheer en de eco-systemen. Ook kunnen deze maatregelen effecten hebben op de Maas zelf.

16.2.1 Waterhuishoudkundig plan

Voor de gebiedsontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, dit plan is opgesteld om de effecten van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum op het bestaande waterhuishoudkundig systeem in beeld te brengen en invulling te geven aan het toekomstige waterhuishoudkundig systeem, voor die locaties waar de gebiedsontwikkeling inwerkt op het huidige regionale oppervlaktewatersysteem.

Bij de uitwerking van het waterhuishoudkundig plan zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Uitwerking van benodigde wijzigingen in het regionale watersysteem en waterhuishouding als gevolg van maatregelen die in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum genomen worden zoals de aanleg van de hoogwatergeulen, de reactivering van de Oude Maasarm, de natuurinrichting en de dijkenaanleg;
  • Het benodigde ruimtebeslag voor de wijzigingen in het waterhuishoudkundig systeem zijn in beeld gebracht;
  • In het waterhuishoudkundig plan is voornamelijk ingegaan op primaire en secundaire watergangen. Bij de inventarisatie van knelpunten is op hoofdlijnen gekeken naar tertiaire watergangen. Uitwerking van oplossingen voor tertiaire watergangen is onderdeel van de plandetaillering na het inpassingsplan;
  • In het centrale deel van de Oude Maasarm zijn alleen al in 2012 NLP-maatregelen uitgevoerd, waaronder het realiseren van klimaatbuffers en enkele stuwen. Vanwege aanwezigheid van landbouwpercelen en een visvijver kon de realisatie van klimaatbuffers niet volledig worden afgerond en konden enkele stuwniveaus nog niet worden verhoogd. In het kader van de gebiedsontwikkeling wordt nog invulling gegeven aan de realisatie van het resterende deel van de klimaatbuffer-segmenten;
  • De bestaande landbouwterreinen en bebouwde gebieden moeten kunnen blijven afwateren;
  • Er mag geen verslechtering optreden in de afwatering en grondwaterstanden. De huidige mogelijkheden voor grondgebruik in het gebied mogen niet verslechteren, voor die gebieden die niet worden omgevormd tot natuurgebied.

Voor de primaire en secundaire watergangen zijn de effecten van de gebiedsontwikkeling inzichtelijk gemaakt en per watergang aangegeven of er (aanvullende) maatregelen noodzakelijk zijn en hoe deze maatregelen er uit zouden moeten komen te zien. Het gaat daarbij voornamelijk om ont- en afwatering en de effecten op het (water)peil. Voor de aanvullingen en/of aanpassingen is ook aangegeven wat voor effect deze hebben op de keur en legger.

16.2.2 Waterveiligheidsmaatregelen

Om de waterveiligheid te vergroten worden diverse maatregelen genomen. In deze paragraaf wordt ingegaan op diverse maatregelen in het kader van de waterveiligheid. Voor zowel de korte- als de lange-termijnveiligheid dient de Oude Maasarm te worden gereactiveerd en dient de afvoercapaciteit van de Maas middels hoogwatergeulen te worden vergroot.

Oude Maasarm

In paragraaf 4.2 is uitgebreid ingegaan op de reactivering van de Oude Maasarm. Door het weghalen van enkele kades in de Oude Maasarm wordt deze weer gereactiveerd en ontstaat er weer meer ruimte voor de Maas tijdens een hoogwater. Naast het verwijderen van de kades vindt er ook nog rivierverruiming plaats door het graven van diverse geulsegmenten. Doel hiervan is een optimalisatie w.b.t. hydraulische voorwaarden, vegetatiebeheer en ontwikkeling grondwaterafhankelijke natuur in een TOP-antiverdrogingsgebied.

Hoogwatergeul Ooijen

In paragraaf 4.2 is uitgebreid ingegaan op de Hoogwatergeul Ooijen. De hoogwatergeul is eenzijdig, benedenstrooms aan de rivier aangetakt en gaat alleen bij hoge afvoeren meestromen. De hoogwatergeul wordt aangelegd in de binnenbocht van de rivier, omdat dan de effectiviteit voor de hoogwaterbescherming het hoogst is. De weerdverlaging die de geul omzoomt, volgt zoveel mogelijk het van nature langs de Maas aanwezige reliëf. In de geul is het grootste deel van het jaar sprake van een nagenoeg stagnant watermilieu. Het landschapsbeeld van de geul wordt gedomineerd door een wateroppervlak dat wordt omzoomd door moerassige oevers die overgaan in meer grazige vegetaties.

Hoogwatergeul Wanssum

In paragraaf 4.2 is uitgebreid ingegaan op de Hoogwatergeul Wanssum. Ook voor de Hoogwatergeul Wanssum geldt dat deze mee gaat stromen bij hoge afvoeren.

Beschermingsniveau en hoogwaterrisico

Enkele maatregelen die onderdeel uitmaken van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum zijn de aanleg van nieuwe primaire waterkeringen en het verwijderen van de bestaande tijdelijke keringen die destijds op grond van de Deltawet grote rivieren (DGR) zijn aangelegd . Door het verwijderen van deze tijdelijke DGR-kaden, in het bijzonder de kade die de dijkringgebieden 63 en 64 met elkaar verbindt, zal een beperkt aantal gebouwen een grotere kans krijgen op wateroverlast.

Ten aanzien van deze gebouwen (woningen en bedrijfsopstallen waar regelmatig mensen verblijven) is bezien of na realisatie van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum kan worden voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Van een goede ruimtelijke ordening is sprake als de woning of opstal waar regelmatig mensen verblijven, hydraulisch gezien gehandhaafd kan blijven en bovendien veilig en bewoonbaar zijn. De criteria ter invulling daarvan zijn ontleend aan de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de spelregels die door Rijkswaterstaat worden toegepast bij Ruimte-voor-de Rivierprojecten. Het betreft de volgende criteria:

  • 1. De woning/opstal belemmert de afvoerfunctie van de Oude Maasarm niet.
  • 2. De kans dat de begane grond van de woning of de opstal onder water komt te staan, is kleiner dan eens per 25 jaar. De overstromingsfrequentie dient aldus minder dan 1:25 te zijn.
  • 3. De waterstand in de woning/opstal bij overstroming is minder dan 1 meter. Daarbij is uitgaan van het maatgevend hoogwater. Dat is de waterstand waarop de primaire waterkeringen in het GOW-gebied zijn berekend (1:250).
  • 4. Het water bij overstroming zorgt niet voor constructieve schade aan de woning/opstal. Dit houdt in dat de woning/opstal en de ondergrond daarvan bouwkundig bestand zijn tegen condities die optreden bij het maatgevend hoog water. Het gaat er daarbij om dat de woning/opstal constructief blijft staan bij maatgevend hoogwater en eventuele schade niet onherstelbaar is.
  • 5. De bewoners en gebruikers van de woning/de opstal zijn te evacueren.
  • 6. Het hoogwater is tijdig te voorzien.

Voor alle woningen/opstallen waar regelmatig mensen verblijven (hierna: woningen en opstallen) in het gebied dat na realisatie van de gebiedsontwikkeling buitendijks zal zijn, geldt dat aan bovenstaande criteria wordt voldaan. Dit wordt hierna toegelicht.

Belemmeren afvoerfunctie

In het gebied van de Oude Maasarm staan in de huidige situatie geen woningen en opstallen die de afvoerfunctie wezenlijk belemmeren. Daarbij is van belang dat de meeste woningen en opstallen gelegen zijn aan de rand van de Oude Maasarm op stromingsluwe locaties. Enkele gebouwen staan midden in de Oude Maasarm . Omdat de Oude Maasarm daar erg breed is, vormen deze geen evenwel wezenlijke belemmering voor de doorstroming.

Overstromingsfrequentie

Op basis van rivierkundige berekeningen is in beeld gebracht wat de overstromingsfrequentie is van de woningen en opstallen in de Oude Maasarm. Enkele woningen die frequenter 1/25 gaan overstromen zijn opgekocht in het kader van de gebiedsontwikkeling. Alle andere woningen en opstallen hebben een lagere overstromingsfrequentie dan 1/25.

Waterstand in woning

Op basis van hoogtemetingen in/rondom gebouwen en rivierkundige berekeningen is bepaald welke waterstanden tijdens een maatgevend hoogwater van 1/250 in de in het gebied aanwezige woningen en opstallen kunnen optreden. Al deze waterstanden bevinden zich duidelijk onder de 1 meter (maximaal 70 cm) ten opzichte van de begane grondvloer.

Constructieve schade

De woningen en opstallen in het gebied zijn veelal op het zand gefundeerd. Daarnaast is het aannemelijk dat bij aanwezigheid van een eventuele veenlaag deze is verwijderd tijdens de bouw. Er zijn geen gevallen bekend van panden die als gevolg van de hoogwaters in 1993 en 1995 onherstelbare schade hebben opgelopen. De stroomsnelheden van het Maaswater zijn ook gering (veelal minder dan 1 m/s). Daarom wordt ook niet verwacht dat er door overstroming onherstelbare schade aan de gebouwen en opstallen gaat optreden.

Evacuatiemogelijkheid

Vrijwel alle woningen en opstallen bevinden zich aan de rand van de Oude Maasarm en hebben een ontsluiting naar de hoger gelegen gronden. Voor de meest laaggelegen woningen (aan de Legert en Ganzenkampstraat) geldt daarnaast dat de waterdieptes relatief beperkt zijn waardoor in de beginfase van een hoogwater ook nog evacuatie per as mogelijk is.

Voorzienbaarheid hoogwater

In de berichtgeving rondom hoogwater wordt veelal gerefereerd aan de afvoer en waterstanden bij Borgharen. Vanaf die locatie duurt het nog meer dan 2 dagen alvorens het Maaswater Ooijen-Wanssum bereikt. Een hoogwater is dus tijdig te voorzien.

Maatwerkbeschermingsmaatregelen

Indien een bestemming aanvaardbaar is (in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening), maar qua (feitelijk) beschermingsniveau er wel op achteruit gaat als gevolg van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is onderzocht of een maatwerkkering gerealiseerd kan worden waarmee een feitelijk beschermingsniveau kan worden geboden van 1/50. Het bieden van een feitelijk beschermingsniveau van 1/50 middels een maatwerkkering komt voort uit een (bestuurlijke) wens om - indien redelijkerwijs mogelijk - het feitelijk beschermingsniveau dat de DGR-kaden in de huidige situatie bieden van 1/50 te handhaven. De beschermingsaanpak waarin deze maatwerkbeschermingsmaatregelen zijn opgenomen en uitgewerkt, is als bijlage bij het inpassingsplan gevoegd. Verwezen wordt naar het document "Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum beschermingsaanpak". De maatwerkkeringen worden planologisch mogelijk gemaakt door het opnemen van de gebiedsaanduiding 'overige zone - hoge grond 1' en 'overige zone - hoge grond 2' op de verbeelding. De maatwerkkeringen worden door de aannemer aangelegd en door de grondeigenaren zelf beheerd en onderhouden. Daartoe zijn contracten gesloten met de grondeigenaren.

16.2.3 Rivierkunde

Ten behoeve van het aspect rivierkunde is het deelrapport MER Rivierkunde opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 11 bij deze toelichting opgenomen. De volgende aspecten zijn hierbij onderzocht:

  • Waterstandsdaling op de rivieras (taakstelling);
  • MHW-stand op as rivier – benedenstroomse waterstandstoename;
  • MHW-stand buiten as van de rivier;
  • Dwarsstroming;
  • Morfologie.

De rivierkundige effecten van de hoogwatermaatregelen, zoals verankerd in dit inpassingsplan, zijn beoordeeld conform het 'Rivierkundig Beoordelingskader voor ingrepen in de Grote Rivieren', versie 2.01 (1 juli 2009). Conform de subdoelstelling is bepaald wat de waterstandsdaling is bij rivierkilometer 123. De te bereiken waterstandsdaling dient 35 cm te bedragen bij een afvoer van 3.275 m3/s. Dit betreft de afvoer van water welke gemiddeld eens per 250 jaar voorkomt.

De maximale waterstandsdaling bij een afvoer van 3.275 m3/s bedraagt 36,8 cm ter hoogte van kilometer 122,7. Daarmee wordt voldaan aan te taakstelling van 35 cm. Vanwege de hoogwatermaatregelen zal een waterstandsdaling van 36,8 cm optreden bij een afvoer van 3.275 m3/s. Hiermee wordt de doelstelling van een waterstandsdaling van 35 cm behaald.

Ter plaatse van de instroom en uitstroom naar de hoogwatergeulen neemt de dwarsstroming het meest toe. De dwarsstromen komen echter niet boven de maximale toelaatbare dwarsstroom van 0,15 m/s uit. Tevens zal er meer water door de uiterwaarden (hoogwatergeulen) gaan stromen. Deze zogeheten onttrekkingen van water aan het zomerbed zullen ervoor zorgen dat ter hoogte van de hoogwatergeulen morfologische veranderingen plaatsvinden in het zomerbed in de vorm van aanzandingen in de vaargeul. Het ontwerp is dusdanig geoptimaliseerd dat de aanzanding -die onontkoombaar is- beperkt blijft en door de rivierbeheerder als acceptabel wordt beschouwd.

Conclusie

Bij piekafvoeren treed een waterstandverlagend effect op. De gebiedsontwikkeling geeft geen hinder op de scheepvaart op de Maas. Het aspect rivierkunde staat de uitvoerbaarheid van dit inpassingsplan niet in de weg.

16.2.4 Grondwater en landbouw

De grondwaterstandseffecten zijn berekend met het Ibrahym modelinstrumentarium. De basis voor de modelberekeningen is het MLP-model van het Waterschap Peel en Maasvallei. Aan dit model is een module toegevoegd die inundatie vanuit de Maas in de hoogwatergeulen en de Oude Maasarm berekent, zodat een en ander is meegenomen bij de grondwaterstandsberekeningen. De volgende effecten zijn berekend:

  • verandering Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG), Gemiddelde Voorjaars Grondwaterstand (GVG) en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand (GLG);
  • kwelverandering voorjaarssituatie of jaargemiddelde;
  • verandering stijghoogte hoogwatersituatie;
  • verandering van kwel in een maatgevende hoogwatersituatie.

De effecten in de uitvoeringsfase zullen naar verwachting altijd kleiner zijn dan de effecten in de eindsituatie, omdat de ontgravingen voor de haven en de hoogwatergeulen in open verbinding met de Maas zullen plaatsvinden. Als gevolg daarvan ontstaat geleidelijk de grondwaterstandsverlaging die voor de eindsituatie is voorspeld. De grondwatereffecten zijn dus kleiner en/of uiteindelijk gelijk aan de effecten in de eindsituatie. Daarom is een aparte effectbeoordeling van de uitvoeringsfase niet nodig; de effecten groeien in deze fase naar de eindsituatie toe.

Grondwater

Zettingsrisico van gebouwen en infrastructuur als gevolg van verandering in grondwaterstanden

Een structurele grondwaterstandsdaling kan leiden tot zettingen van de ondergrond en daarmee tot schade aan gebouwen en infrastructuur. Het is hierbij vooral van belang of bodemlagen die in de huidige situatie permanent onder de grondwaterspiegel liggen in de nieuwe situatie (een deel van de tijd) droog komen te liggen. Bij de effectbeoordeling wordt dan ook gekeken naar de berekende grondwaterstandsdaling voor de gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG).

In de onderstaande afbeeldingen is de verandering van de grondwaterstand als gevolg van de realisatie van de gebiedsontwikkeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0027.png"

Verandering gemiddeld hoogste grondwaterstand

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0028.png"

Verandering gemiddeld laagste grondwaterstand

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0029.png"

Verandering gemiddelde voorjaarsgrondwaterstand

Ter plaatse van het buurtschap Ooijen treden grondwaterstandsverlagingen op in de GLG situatie van iets meer dan 0,5 meter. Deze verlagingen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door de vergravingen in de hoogwatergeul Ooijen. Ter plaatse van Blitterswijck zijn de grondwaterstandsverlagingen lager dan 0,1 meter en ter plaatse van Wanssum tussen de 0,1 en 0,2 meter. De grondwaterstandsverlagingen in Blitterswijck en Wanssum ten oosten van de haven worden veroorzaakt door vergravingen in de hoogwatergeul Wanssum. De verlagingen in Wanssum ten westen van de haven worden veroorzaakt door verlenging van de havenkom. Buiten de kernen is er geen sprake van solitaire bebouwing met grotere grondwaterstandsverlagingen in de GLG situatie.

Grondwateroverlast ter plaatse van bebouwing

Voor grondwateroverlast ter plaatse van bebouwing wordt gekeken naar de stijging van de grondwaterstand in de winter, in een gemiddeld hoogste grondwaterstandsituatie. Indien de gemiddeld hoogste grondwaterstand structureel hoger komt te liggen kan grondwateroverlast ontstaan of verergeren.

Ter plaatse van camping 't Karrewiel en bebouwing in het buitengebied in de omgeving van Broekhuizenvorst treedt een grondwaterstandsverhoging op in de GHG situatie van 0,01 tot 0,05 meter. Ook ter plaatse van het Roekenbosch treedt een verhoging op van 0,01 tot 0,05 meter en lokaal 0,05 tot 0,1 meter. De grondwaterstandsverhogingen worden veroorzaakt door herinrichting van de Oude Maasarm (afronding klimaatbufferproject) en extensivering van de afwatering in de Oude Maasarm (laten verlanden watergangen). In het zuidwesten treedt een grondwaterstandsverhoging op als gevolg van de dekgrondberging in de omputlocaties.

Kwel toename binnendijks gebied

Voor de kwel berekening is in de berekening de hoogwatergolf van 2003 op dagbasis doorgerekend en output weggeschreven. Het blijkt dat de kwelflux in het (deels toekomstig) binnendijks gebied bij Ooijen, rond de Koninginnebrug en rond haven Wanssum toeneemt. Bij de Boltweg/Veerweg en bij Broekhuizenvorst neemt de kwel af. Deze kwelveranderingen treden op door wijziging in Maaspeil tijdens hoogwater, reactivering van de Oude Maasarm en aanleg van nieuwe dijken, waardoor bepaalde gebieden niet meer inunderen maar onder invloed van kwel komen te staan. De toename van kwel in binnendijks gebied per km2 ligt in de klasse 1 tot 5 mm/d.

Door de uitvoering van het Programma Maaswerken van Rijkswaterstaat en de verandering van de waterlopen zal ook de grondwaterstand wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. Door deze verandering zal op een aantal plaatsen een zettingsrisico optreden en kans op grondwateroverlast en kweltoename. Voor het gepresenteerde zettingsrisico nabij het buurtschap Ooijen is nader onderzoek naar de lokale bodemopbouw uitgevoerd. Uit geotechnisch onderzoek blijkt dat in het noordelijk en westelijk deel van het gebied rondom Ooijen geen veenlagen worden aangetroffen. Eventueel aanwezige klei- en leemlagen zijn beperkt zettingsgevoelig. Het risico op zetting van de bebouwing in dit gebied is klein.

In het zuidelijk deel van het gebied rondom Ooijen zijn ondiep veenlagen van veelal beperkte dikte aangetroffen. In dit gebied zijn verlagingen van de grondwaterstand onder GLG voorzien van (netto) maximaal 0,1 meter. Het risico op zetting van bebouwing in dit gebied is klein, bij aanleg van de panden zijn de veenlagen in het verleden afgegraven.

Landbouw

Door de (her)inrichting van de hoogwatergeulen, de Oude Maasarm, de uitbreiding van het haven- en industrieterrein en de nieuwe rondweg gaat ongeveer 395 ha aan landbouwgrond verloren. De gronden gelegen in de hoogwatergeulgebieden en de Oude Maasarm worden omgezet naar natuur. De noordoostzijde van de hoogwatergeul Wanssum blijft in gebruik als landbouw.

Droogteschade

Droogteschade aan de landbouwgrond wordt over het algemeen veroorzaakt door het wegzakken van de grondwaterstand. Een lagere grondwaterstand kan ertoe leiden dat gewassen geen of minder grondwater opnemen. Een lagere grondwaterstand kan leiden tot een afname van de landbouwopbrengst. Door grondverzet treden veranderingen op in de grondwaterstand. De grondwaterstandsveranderingen leiden op enkele plekken ten zuiden van de Oude Maasarm tot een afname van de droogteschade van 1% tot 3%. In de omgeving van haven Wanssum en de Boltweg/Veerweg neemt de droogteschade toe met 1% tot 3%. In de omgeving van Ooijen varieert de toename van de droogteschade van 1%-3% tot 10%-20%.

Natschade

Natschade aan de landbouwgrond wordt veroorzaakt door te hoge grondwaterstanden. Een hogere grondwaterstand kan leiden tot een afname van de landbouwopbrengst als gevolg van natschade.

De daling van de grondwaterstand in de winter leidt in de omgeving van Wanssum, de Boltweg/Veerweg en Ooijen tot een afname van de natschade van 1% tot 5%. Bij Wanssum loopt de afname van de natschade op tot meer dan 40%. De afname van de natschade bij de Boltweg/Veerweg wordt veroorzaakt doordat het gebied wordt ingedijkt en daarmee bij hoogwater de grondwaterstand ter plekke minder stijgt dan in de huidige situatie.

De toename van de natschade treedt vooral op langs de watergangen Annadijk, Beerendonck en de Gun en in beperktere mate in de omgeving van de Schelbergshof. De natschade neemt hier toe variërend van 1%-3% tot 10%-20%. Dit komt doordat de afwatering in de Oude Maasarm wordt geëxtensiveerd en het afwateringsniveau van de watergangen die op de Oude Maasarm afwateren wordt verhoogd. Door het verwijderen van de kades bij de instroom en uitstroom van de Oude Maasarm, wordt het beschermingsniveau van landbouwgronden grenzend aan de Oude Maasarm verlaagd. De inundatiefrequentie die optreedt, varieert afhankelijk van het maaiveldhoogteniveau.

Conclusie

Grondwater

Door uitvoering te geven aan het Programma Maaswerken van Rijkswaterstaat en de verandering van de waterlopen wijzigt ook de grondwaterstand ten opzichte van de huidige situatie. Door deze verandering treedt op een aantal plaatsen een zettingsrisico op en is er kans op grondwateroverlast en kweltoename. Het risico op zetting van de bebouwing is klein. Bij aanleg van panden in het zuidelijk deel van het plangebied zijn de veenlagen afgegraven.

Landbouw

Door het grondverzet ontstaat een toename van droogteschade. Overwegend is er sprake van een afname van natschade. De toename van natschade vindt plaats langs enkele watergangen. Het onderzoek Grondwater en landbouw is als Bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen.

In de landbouweffectrapportage wordt nader ingegaan op het aspect droogte- en natschade voor de landbouw en op welke wijze dit wordt gemitigeerd

16.2.5 Oppervlaktewater

In het kader van oppervlaktewater is onderzocht in hoeverre het plan bijdraagt aan de opgave vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) en eventuele nevendoelen (Natuurbeschermingswet). Hiervoor worden de hydrologische - en morfologische ontwerpkenmerken van de verschillende relevante deelgebieden/objecten in ogenschouw genomen (zoals substraat, waterdiepte, oevertaluds, peilfluctuaties, watervoerendheid, mate van isolatie en kwel). Aan de hand van dergelijke kenmerken is bekeken in hoeverre de inrichting ook daadwerkelijk een bijdrage levert aan de gegeven realisatie van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water als het gaat om te realiseren (aquatische) habitats en habitatkwaliteit (variatie aan watertypen, droge en natte natuur grazige vegetaties) en/of Natura 2000 soorten.

KRW-Doelen

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) bepaalt dat voor alle oppervlaktewaterlichamen in de lidstaten, in redelijkheid rekening houdend met omstandigheden, doelen voor biologische kwaliteitelementen moeten worden geformuleerd (2009) en dat deze via gerichte maatregelen in 2015 (of na fasering in 2021 of uiterlijk 2027) moeten worden gerealiseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met het feit dat sterk veranderde of kunstmatige waterlichamen niet altijd dezelfde doelen kunnen behalen als natuurlijke wateren.

Op verzoek van Rijkswaterstaat heeft Grontmij onderzocht in hoeverre de gebiedsontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze toets is als Bijlage 46 van deze toelichting opgenomen. Hieruit blijkt dat vier habitattypen kunnen bijdragen aan de ecologische kwaliteit in het kader van de KRW:

  • 1. nevengeulen en oevergeulen (geïsoleerd danwel éénzijdig aangetakt, ecotoop ondiep water);
  • 2. natuurvriendelijke oevers aan de Maas;
  • 3. moeras met oevervegetatie;
  • 4. aanvullende verbinding van de Groote Molenbeek met de Maas, zodanig dat paaigebieden worden ontsloten voor vissen.

Er ontstaat circa 30 hectare aan ondiep water en circa 9 hectare aan oeverplanten. De plannen gaan uit van een ambitie van de aanleg van circa 2100 meter aan natuurvriendelijke oever. Voor de doelgroep macrofyten (waterplanten die leven langs de oever of in het water) kan de gebiedsontwikkeling bijdragen aan het behalen van de ecologische doelen voor de Zandmaas. De maatregel levert dus een positieve bijdrage aan de KRW mits bij de uitvoering vier habitattypes worden gerealiseerd. Eén en ander wordt bevestigd in het deelrapport Natuur en oppervlaktewater (zie Bijlage 14). In dit rapport wordt het volgende aangegeven voor wat betreft de KRW:

  • Het effect op de KRW-doelen is over het algemeen positief. In de afgravingsgebieden zal afhankelijk van de maaiveldafwerking sprake zijn van kwelafhankelijke en rivierbegeleidende droge en natte natuur, waaronder de ontwikkeling van paai- en oproeigebieden (positief) inclusief bijbehorende flora en fauna. Alleen de geulen bij Ooijen scoren minder, vanwege hun grote diepte;
  • In het af te graven gebied van de Instroom Oude Maasarm, voornamelijk ten westen van de Blitterswijckse weg, zal kwelwater dominant worden in de relatief ondiepe plassen en plasdraszone. Aquatisch ecologisch ontstaan hier interessante (nat-droog) gradiëntmilieus. De periodieke terugkeer van de Maas-doorstroming van de Oude Maasarm wordt vanuit herstel rivier(begeleidende) natuur eveneens positief gewaardeerd;
  • Het landbouwgebied van de Hoogwatergeul Wanssum wordt zo afgegraven en ingericht om kwelpotenties en nat-droog gradiënten maximaal te kunnen ontwikkelen. De aanwezige, ondiepe (kwel)plassen dragen in sterke mate bij aan die aquatisch ecologische habitatvariantie. Er ontstaat een groot aaneengesloten oppervlak aan (natte) rivier-begeleidende natuur;
  • De gecompartimenteerde, maar doorgaans grote, (vrij) diepe plassen bij Ooijen, waarvan het benedenstroomse segment in open verbinding met de Maas(peil) staat. Lokale aanwezige flauwe taluds en kwel hebben een beperkte invloed (aquatisch ecologisch interessante accenten), mede door (periodiek) binnendringend Maaswater.

SEF-waterlopen (natuurbeken)

De effecten op bestaande "Specifiek Ecologische Functie (SEF) waterlopen" zijn beperkt doordat de actuele natuurwaarden daarvan veelal al beperkt zijn. In het POL 2014 hebben deze SEF-waterlopen de aanduiding 'natuurbeken' gekregen. Na herinrichting gaan die er vaak sterk op vooruit. Opheffen van het onderhoud van drainerende watergangen in de Oude Maasarm (toename kwel naar maaiveld, moerasvorming/paaigebieden) en/of vrij afstromen over maaiveld, zorgen ter plaatse voor het ontstaan van gradiëntrijke overgangen.

  • De haven van Wanssum als migratie barrière zal niet kunnen worden opgeheven, hooguit wat verzacht, door het weghalen van enkele drempels en de verzanding aan de zuidrand van de havenkom bij uitstroom van de beek.
  • Voor de Wolterskamp geldt dat de ontgravingen bij de kortsluiting van Blitterswijck en haar mondingszone bij de Maas (voornamelijk grasland) een beperkt negatief effect heeft op deze waterloop en de daaraan verbonden (kwel)afhankelijke flora en fauna. Na herinrichting zal niet alleen dit deeltraject, maar nagenoeg het hele stroomgebied in natuurgebied komen te liggen. Daardoor mag volledig herstel en zelf versterking worden verwacht. Enkele bestaande migratiebelemmeringen in de Wolterskamp komen weliswaar te vervallen maar maken plaats voor enkele compartimenteringconstructies (om verdroging tegen te gaan). In de bovenloop gaat deze watergang volledig op in het te ontwikkelen moerasgebied (tevens geschikt als paai- en opgroeigebied) en vormt daarbinnen een soort doorstroomzone.

Conclusie

De planvorming heeft een positief effect op het halen van de KRW-doelstellingen en voldoet dan ook aan de KRW. Voor de SEF-waterlopen is het effect beperkt en wordt acceptabel geacht gelet op bovenstaande afwegingen.

16.2.6 Watersysteem haven Wanssum

Het huidige haven- en industrieterrein Wanssum wordt uitgebreid door het aanleggen van een nieuwe haven. Rondom worden een rondweg met fietspad en infiltratiesloot aangelegd. Verder wordt een dassencompensatiegebied aangelegd met een waterbuffer (berging en infiltratie van verhard oppervlak industrieterrein) en wordt rondom het nieuwe haven- en industrieterrein een kade aangelegd. Door de uitbreiding van het haven- en industrieterrein zal het verhard oppervlak toenemen. Het watersysteem zal hier op aangepast dienen te worden.

Verhard oppervlak

De toename van het verhard oppervlak bestaat uit de rondweg met het fietspad en het haven- en industrieterrein. De rondweg en het fietspad hebben een lengte van circa 1.250 meter en een breedte van 10,5 meter (rondweg 7 meter en fietspad 3,5 meter). Het verhard oppervlak bedraagt derhalve 13.125 m2. Het verhard oppervlak van het nieuw industrieterrein is circa 20 hectare. Hiervan wordt circa 40% bebouwd (8 hectare) en is 60% terreinverharding (12 hectare).

Maaiveldhoogtes en grondwaterstanden

Het plangebied ter plaatse van het nieuwe haven- en industrieterrein met rondweg en fietspad wordt circa 1 à 1,5 meter opgehoogd tot 16 m+NAP. De aan te leggen greppel/sloot langs de rondweg komt ook in het opgehoogde terreindeel. Voorafgaand aan de ophoging wordt de huidige teelaarde verwijderd. De ophoging vindt plaats met zandig materiaal. De bodem onder de teelaardelaag is tot 4 m-mv opgebouwd uit (grof) zand en grind met plaatselijk rond 1 m-mv een leemlaag (bron: DINO-loket). Vanaf 4 m-mv tot minus 50 m-mv komt een zandpakket voor (bron: DINO-loket/REGIS2.1). De grondwaterstand ter plaatse van het nieuwe haven- en industrieterrein met rondweg bevindt zich op basis van de grondwaterkaart globaal tussen de 11 en 13 m+NAP.

Ter plaatse van de geplande waterbuffer bevindt het maaiveld zich op circa 14,5 tot 15 m+NAP. De grondwaterstand ter plaatse van de bufferzone bevindt zich op basis van de grondwaterkaart globaal tussen de 11 tot 12 m+NAP. De bodem is tot 4 m-mv opgebouwd uit (grof) zand en grind met plaatselijk rond 1 m-mv een leemlaag (bron: DINO-loket). Vanaf 4 m-mv tot minus 50 m-mv komt een zandpakket voor (bron: DINO-loket/REGIS2.1).

Aan te leggen watersysteem op hoofdlijnen

Infiltratiesloot ten behoeve van de rondweg en het fietspad

Het verhard oppervlak van de rondweg en het fietspad wordt afgewaterd in een nieuw aan te leggen infiltratiesloot langs het fietspad. De benodigde berging bij een T=10 (50 mm) situatie bedraagt 790 m3 (13.125 m2 x 0,05 m). De benodigde berging bij een T=100 (63 mm) bedraagt 830 m3 (13.125 m2 x 0,063 m). De lengte van de infiltratiesloot bedraagt 1.250 meter. Bij een gekozen profiel zoals weergegeven in navolgende figuur, bedraagt de inhoud van de infiltratiesloot circa 940 m3. Het ruimtebeslag bedraagt 3.125 m2 (2,5 m x 1.250 m). De grondwaterstand is 2 tot 4 meter beneden de onderzijde van de sloot gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0030.png"

Principeprofiel infiltratiesloot

Waterbuffer ten behoeve van het haven- en industrieterrein

Het hemelwater van het verhard oppervlak van het haven- en industrieterrein wordt in een waterbuffer buiten het plangebied geborgen en geïnfiltreerd. Met toestemming van Rijkswaterstaat mag hemelwater van de daken direct op de Maas worden geloosd. Voor het overig verharde deel van het haven- en industrieterrein (12 hectare) wordt het water in de waterbuffer geborgen en geïnfiltreerd. Een deel van het hemelwater is schoon en een deel is mogelijk verontreinigd. Daarom wordt het eerste deel van de buffer ingericht met een helofytenfilter.

De benodigde berging bij een T=10 (50 mm) situatie bedraagt 6.000 m3 (120.000 m2 x 0,05 m). De benodigde berging bij een T=100 (63 mm) bedraagt 7.560 m3 (120.000 m2 x 0,063 m). De lengte van de waterbuffer bedraagt circa 425 meter. Bij een gekozen profiel zoals weergegeven in navolgende figuur, bedraagt de inhoud van de infiltratiesloot circa 7.950 m3. Het ruimtebeslag bedraagt 7.225 m2 (17 m x 425 m). Omdat er ook een onderhoudspad langs de buffer aangelegd moet worden (2 meter breed en 425 meter lang) moet hiervoor nog 850 m2 ruimtebeslag worden opgenomen. Het totale ruimtebeslag komt dan op circa 8.100 m2. De grondwaterstand is 1 tot 2 meter beneden de onderzijde van de waterbuffer gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.9931.PIPGOW-VG01_0031.png"

Principeprofiel waterbuffer

In het inpassingsplan is voldoende ruimte voor de infiltratiesloten en de waterbuffer.

16.2.7 Duurzaam waterbeheer

Regenwater afkoppelen van de gemengde riolering en daarmee het relatief schone regenwater gescheiden houden van het afvalwater is geen doel op zich, maar een middel om duurzaam stedelijk waterbeheer te realiseren. Het afgekoppelde water wordt zoveel mogelijk bij de bron in de bodem gebracht of hergebruikt en als dat niet mogelijk is, verantwoord afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het hemelwatersysteem dient bij voorkeur te voldoen aan de volgende uitgangspunten met betrekking tot duurzaam waterbeheer:

  • Bovengronds open systeem met bodemfilter en eventueel aanvullende voorbehandeling en risico-beperkende maatregelen. Bij zeer waarschijnlijke vervuiling c.q. hoog risico in principe aansluiten op riolering.
  • Geen uitlogende materialen gebruiken.
  • Uitgangspunt is een infiltratievoorziening gedimensioneerd op T=10 (50mm) met een doorkijk naar T=100 (84mm). Bij voldoende infiltratiecapaciteit (leegloop na T=10 binnen 24 uur) kan voor T=100 worden gerekend met een dynamische berging; dit komt neer op circa 63 mm effectieve bergingscapaciteit bij de bui T=100.
  • De bui T=100 (84 mm) mag geen overlast veroorzaken ter plaatse van bebouwing of afstromen naar percelen van derden.
  • Indien de infiltratiecapaciteit van de ondergrond onvoldoende is, is een vertraagde leegloop van 1 l/s/ha naar oppervlaktewater toegestaan, onder voorwaarde dat het ontvangend oppervlaktewater deze hoeveelheid zonder negatieve gevolgen kan verwerken.
  • Bergings- en infiltratievoorzieningen worden altijd voorzien van een noodoverlaat.
  • De bodem van de infiltratievoorziening en dynamische berging moeten op of boven GHG-niveau worden aangelegd.

In het kader van het MER en de passende beoordeling is onderzoek uitgevoerd naar rivierkunde (Maaswaterstanden), grondwaterstanden, landbouwschade en zettingsrisico van gebouwen. Het waterhuishoudkundig plan richt zich specifiek op het waterhuishoudkundig systeem. Met de uitvoering van het waterhuishoudkundig plan worden de effecten van de wijzigingen in het Maassysteem op voldoende wijze ondervangen.

16.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de realisatie van onderhavig plan. Alle maatregelen die onderdeel zijn van de gebiedsontwikkeling hebben zowel kwalitatieve als kwantitatieve effecten op het watersysteem. Deze effecten zijn onderzocht. Geconcludeerd kan worden dat wordt voldaan aan alle veiligheidseisen zoals deze gelden vanuit de Waterwet.

Hoofdstuk 17 Juridische planbeschrijving

17.1 Relatie inpassingsplan vs gemeentelijke bestemmingsplannen/beheersverordening

Op grond van artikel 3.26 lid 3 Wro kan bij een inpassingsplan worden bepaald in hoeverre bestemmingsplannen binnen het plangebied van het inpassingsplan hun werking behouden. Voor zover de werking niet bij het inpassingsplan is geregeld, wordt het inpassingsplan geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan of de bestemmingsplannen waarop het betrekking heeft. De in het inpassingsplan opgenomen enkelbestemmingen vervangen de onderliggende bestemmingen uit de gemeentelijke bestemmingsplannen of de beheersverordening De dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen uit dit inpassingsplan voor zover deze niet samenvallen met een enkelbestemming uit het inpassingsplan, gelden naast de (enkel-)bestemmingen uit het gemeentelijk planologisch regime van de gemeente Venray of Horst aan de Maas. Dit is ook zo geregeld in artikel 31.2.1 van de planregels van het inpassingsplan. Daarnaast is in artikel 31.2.2 geregeld dat de gemeenteraden van Venray en Horst aan de Maas in bepaalde gevallen drie jaar na vaststelling van het inpassingsplan dan wel in bepaalde gevallen vanaf een dag na de inwerkingtreding van het inpassingsplan, bevoegd zijn om een gemeentelijk bestemmingsplan vast te stellen. Hiermee is het voor de gemeenten mogelijk om hun gemeentelijke bestemmingsplannen voor de in artikel 31.2.2 aangewezen gronden te actualiseren. Wel moeten de gemeenten de dubbelbestemming en/of gebiedsaanduiding uit dit inpassingsplan in hun gemeentelijk bestemmingsplan overnemen.

17.2 Systematiek van het inpassingsplan

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 regelt de bestemmingen en het daarop toegestane gebruik. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels waaronder algemene aanduidings-, bouw- en gebruiksregels en een aantal flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. Ten slotte staan in hoofdstuk 4 de overgangs- en slotregels.

17.2.1 Wijze van bestemmen

De aanleg van de hoogwatergeulen en de reactivering van de Oude Maasarm wordt mogelijk gemaakt via een bestemming 'Natuur'. Het huidige en toekomstige Haven- en Industrieterrein Wanssum krijgt een bestemming 'Bedrijventerrein'. Het nieuwe tracé van de N270 wordt mogelijk gemaakt middels een bestemming 'Verkeer'. De nieuw aan te leggen dijken worden mogelijk gemaakt middels de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Daar waar er geen wijzigingen optreden ten opzichte van de huidige situatie, is het bestaande gebruik overeenkomstig bestemd. Op verzoek van het waterschap zijn de watergangen die in hun huidige omvang en staat blijven bestaan bestemd als 'Water'.

17.2.2 Artikelsgewijze toelichting
17.2.2.1 Hoofdstuk 1: inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit artikel worden de relevante begrippen gedefinieerd, die in de planregels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het inpassingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover in de regels begrippen worden gebruikt die niet in dit artikel staan vermeld, wordt uitgegaan van het normale spraakgebruik.

Artikel 2 Wijze van meten en berekenen

Dit artikel geeft aan hoe de diverse maten die bij het bouwen in acht moeten worden genomen, bepaald moeten worden. Verder geeft dit artikel aan op welke wijze geluidruimte moet worden berekend in verband met de toepassing van de geluidverkavelingsregeling.

17.2.2.2 Hoofdstuk 2: Bestemmingen

Artikel 3 Agrarisch met waarden

Dit artikel regelt het gebruik van deze gronden waarbij agrarische doeleinden worden gecombineerd met de instandhouding van de aanwezige landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden. Binnen deze bestemming is tijdelijk recreatief medegebruik van agrarische gronden toegestaan. Op deze gronden mogen (met uitzondering van een in verband met de rondweg te verplaatsen kleine kapel) geen gebouwen worden opgericht, enkel bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegestaan.

Artikel 4 Bedrijventerrein - 1

Met dit artikel wordt een deel van het bestaande industrieterrein bestemd (zijnde de bedrijfsgronden die niet aan de bestaande havenkom zijn gesitueerd) en de voorziene uitbreiding aan de oostzijde. Deze uitbreiding dient ter compensatie van bedrijfsgronden die benodigd zijn voor de rondweg. Op dit deel van het bedrijventerrein mogen in beginsel alleen bedrijven worden gevestigd die voorkomen op de Staat van bedrijfsactiviteiten en in milieucategorie 2 tot en met milieucategorie 4.2. Ten zuiden van de nieuwe rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 2 tot en met 3.2 toegestaan en ten noorden van de nieuwe rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 3.1 tot en met 4.2 toegestaan. Enkele bestaande bedrijven die niet rechtstreeks passen binnen de op die locatie toegestane milieucategorieën zijn specifiek bestemd (maatbestemming) door middel van een specifieke aanduiding gekregen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om metaalverwerkingsbedrijven en een gassenhandel. Risicovolle bedrijven zijn onder voorwaarden toegestaan. Daarnaast zijn volumineuze detailhandel, dienstverlening, een tankstation zonder verkooppunt van LPG en een rioolgemaal toegestaan op de daarvoor aangewezen locaties. Kantooractiviteiten ten dienste van de toegestane bedrijvigheid en ondergeschikte detailhandel zijn eveneens toegestaan.

Behalve bouwregels voor gebouwen zijn er ook bouwregels opgenomen voor specifieke bouwwerken, zoals (portaal-)kranen, reclame-uitingen en lichtmasten. Verder zijn er specifieke gebruiksregels opgenomen voor containers, mobiele kranen en overige buitenopslag. In het geval en voor zover bestaande bedrijven in strijd met de nieuwe bouw- en/of gebruiksregels aanwezig zijn, is de bestaande vergunde situatie als uitgangspunt genomen en specifiek bestemd.

De woningen aan de Stayerhofweg 5 en de Brugstraat 5 in Wanssum zijn gelegen op het industrieterrein. Deze woningen zijn opgericht als reguliere woning, maar in het bestemmingsplan "Haven- en Industrieterrein Wanssum" al wegbestemd. Omdat deze woningen niet opnieuw onder het overgangsrecht gebracht mogen worden, zijn deze woningen in dit inpassingsplan opgenomen middels een aanduiding 'wonen'. Eindigheid van dit gebruik is geregeld via een uitsterfregeling. Als het gebruik voor een periode van meer dan één jaar wordt gestaakt, is het daarna alleen toegestaan om de woning conform de bestemming 'Bedrijventerrein - 1' te gebruiken.

Artikel 5 Bedrijventerrein - 2

Met dit artikel wordt zowel een deel van het reeds bestaande industrieterrein bestemd als een bestemming gegeven aan de voorziene uitbreiding van het haven- en industrieterrein aan de westzijde. Op het industrieterrein mogen zich alleen havengebonden en havengerelateerde bedrijven van milieucategorie 2 tot en met milieucategorie 4.2 vestigen. Hiermee verschilt dit gedeelte van het industrieterrein van het industrieterrein met de bestemming Bedrijventerrein - 1. Ten zuiden van de nieuwe rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 2 tot en met 3.2 toegestaan en ten noorden van de nieuwe rondweg zijn bedrijven in de milieucategorieën 3.1 tot en met 4.2 toegestaan.

Enkele bestaande bedrijven die niet rechtstreeks passen binnen de milieucategorisering of die niet zijn genoemd op de Staat van Bedrijfsactiviteiten en bestaande bedrijven die niet havengebonden of havengerelateerd zijn specifiek bestemd (maatbestemming) door middel van een specifieke aanduiding.

Het gaat daarbij om metaalverwerkingsbedrijven, mengvoederbedrijven, een betonwarenfabriek, eenbouw- en grondstoffenbedrijf en een betonmortelcentrale. Daarnaast zijn binnen deze bestemming havengebonden en havengerelateerde risicovolle bedrijven, alsmede een dekaardeproductiebedrijf onder voorwaarden toegestaan. Tevens zijn kantooractiviteiten ten dienste van de toegestane bedrijvigheid en ondergeschikte detailhandel toegestaan.

Behalve bouwregels voor gebouwen zijn er ook bouwregels opgenomen voor specifieke bouwwerken, zoals (portaal-)kranen, silo's, reclame-uitingen en lichtmasten. Verder zijn er specifieke gebruiksregels opgenomen voor containers, mobiele kranen, zand en grind, betonelementen en overige buitenopslag. In het geval en voor zover bestaande bedrijven in strijd met de nieuwe bouw- en/of gebruiksregels aanwezig zijn, is de bestaande vergunde situatie als uitgangspunt genomen en specifiek bestemd.

De bestemming 'Bedrijventerrein - 2' mag gewijzigd worden in een bestemming 'Verkeer', wanneer de noodzaak hiertoe vanuit verkeerskundig oogpunt is aangetoond. Na bedrijfsbeëindiging op het perceel kan de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - containeropslag' worden verwijderd. Containeroplag blijft mogelijk, maar dan tot een hoogte van maximaal 9 m.

Artikel 6 Gemengd - Kasteelterrein

Middels deze bestemming worden de waardevolle elementen, patronen en gebieden behorende bij de kasteelruïne Blitterswijck beschermd. Met deze bestemming wordt tevens de verplaatsing van de schutterij mogelijk gemaakt. Op het terrein is tevens dagrecreatief medegebruik toegestaan. Het terrein mag voor maximaal 100 m2 aan gebouwen bebouwd worden ten behoeve van de schutterij.

Artikel 7 Natuur

De gronden bestemd als 'Natuur' zijn aangewezen voor natuurgebied en water. De bestemming 'Natuur' dient ter bescherming van natuurlijke, cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Bestaande natuur, beken en waterlopen vallen ook onder deze bestemming.

Binnen de bestemming 'Natuur' kunnen de belangrijkste hoogwaterveiligheidsmaatregelen worden gerealiseerd. Het gaat daarbij om de hoogwatergeulen bij Ooijen en bij Wanssum en de reactivering van de Oude Maasarm. Middels specifieke gebruiksregels wordt verzekerd dat een waterstandsdaling van ten minste 35 cm en maximaal 37 cm wordt behaald. De ontgravingsdiepten zijn geregeld middels gebiedsaanduidingen die benoemd worden onder de 'Algemene aanduidingsregels' in artikel 26.

De bestemming 'Natuur' regelt verder nog hoogwatervluchtplaatsen, een visvijver en drempels tussen de verschillende delen van de hoogwatergeulen.

Artikel 8 Recreatie

Binnen de bestemming 'Recreatie' is het bestaande terrein voor recreatiewoningen en groepsaccommodaties van recreatiepark Het Roekenbosch en de uitbreiding van dat terrein geregeld. Op het terrein is een inpandige bedrijfswoning toegestaan. Ten opzichte van het huidige bestemmingsplan vindt er geen toename van het aantal toegestane recreatiewoningen en groepsaccommodaties plaats. Het gebruik van gronden gebouwen en/of bouwwerken voor ondergeschikte functies en nevenactiviteiten is onder voorwaarden middels een omgevingsvergunning toegestaan.

Artikel 9 Recreatie - Jachthaven

De bestemming 'Recreatie-Jachthaven reguleert de aanwezige jachthaven in Wanssum. Binnen de bestemming is horeca in de categorieën 1 en 2 toegestaan. Steigers mogen alleen gebouwd worden op de aangeduide locaties en na schriftelijk advies van de waterbeheerder.

Artikel 10 Verkeer

Binnen de bestemming Verkeer zijn de belangrijkste verkeersfuncties toegestaan. Zowel bestaande wegen als te verleggen wegen en de nieuwe rondweg zijn met deze bestemming geregeld. Tevens is er ruimte voor onder meer groenvoorzieningen, water, voorzieningen van openbaar nut, geluidwerende voorzieningen en faunapassages. Voor alle wegen waaronder ook de nieuwe rondweg, geldt dat deze maximaal twee rijstroken mogen hebben. Binnen deze bestemming zijn vier nieuwe bruggen mogelijk gemaakt. Alle vier bruggen hebben een specifieke bouwhoogte afgestemd op de benodigde doorvaarthoogtes.

Artikel 11 Water - 1

Het water en alle havenvoorzieningen (voorzieningen ten behoeve van overslag, verkeersvoorzieningen, kades en aanmeerpalen) behorende bij de bestaande havenkom en het uitbreidingsgedeelte van de havenkom van Wanssum zijn bestemd als Water-1. Voor het bouwen van aanmeerpalen dient schriftelijk advies ingewonnen te worden bij de waterbeheerder. De gronden en wateren binnen de bestemming mogen niet gebruikt worden voor onder meer woonschepen.

Artikel 12 Water - 2

Waterlopen welke buiten de havenkom van Wanssum liggen, die van enige omvang zijn en waarvan de loop reeds vaststaat, zijn bestemd als 'Water-2'. Voor het bouwen van steigers dient schriftelijk advies ingewonnen te worden bij de waterbeheerder. Ook de gronden en wateren binnen deze bestemming mogen niet gebruikt worden voor onder meer woonschepen.

Artikel 13 Wonen

Binnen het plangebied zijn enkele woningen gelegen die op verzoek van de gemeente Venray via het inpassingsplan bestemd worden. De planologische regeling voor deze woningen is ontleend aan het voorontwerp bestemmingsplan voor de kern Wanssum en het ontwerpbestemmingsplan Kerkdorpen.

Binnen deze bestemming zijn woningen toegestaan, maar ook beroepen aan huis. Tevens zijn de bij de functie wonen behorende voorzieningen toegestaan.

Hoofdgebouwen mogen worden gebouwd binnen de bouwvlakken. Bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. Een beroep aan huis is onder voorwaarden toegestaan.

Het gebruik van gronden gebouwen en/of bouwwerken voor ondergeschikte functies is onder voorwaarden middels een omgevingsvergunning toegestaan.

Artikel 14 Leiding - Riool

Met deze bestemming is de juridisch-planologische bescherming van een rioolleiding geregeld. Ter bescherming van de waarden van de rioolleiding is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

Artikel 15 tot en met 21: Waarde - Archeologie 1 tot en met 7

Deze artikelen regelen de bescherming van de archeologische waarden die in het gebied aanwezig kunnen zijn. De verschillende dubbelbestemmingen zijn gebaseerd op de beleidsadviezen op basis van de archeologische verwachtingskaart en het daaraan ten grondslag liggende archeologisch rapport voor het gebied. In de regels zijn, afhankelijk van de omvang en diepte van de activiteit, specifieke bouwregels opgenomen en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Afwijken van de specifieke regels en verlening van de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is mogelijk, na voorafgaand archeologisch onderzoek en eventueel onder het stellen van voorschriften. Met een aanduiding 'specifieke vorm van waarde - opgehoogd terrein 1' of 'specifieke vorm van waarde - opgehoogd terrein 2 ' zijn gebieden aangegeven waar, in afwijking van de beleidsadviezen, de onderzoeksplicht niet geldt vanaf maaiveld, maar vanaf een bepaalde NAP-hoogte. De gronden in deze gebieden zijn of worden namelijk substantieel opgehoogd, waardoor de mogelijke archeologische resten zich op een grotere diepte onder maaiveld kunnen bevinden. Het archeologisch onderzoek kan bestaan uit bureaustudies, inventariserend veldonderzoek of opgravingen.

Artikel 22 Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed

De gronden met deze dubbelbestemming zijn bestemd voor de bescherming en het behoud van het stroomvoerend deel van het rivierbed. Bouwen is na verlening van een omgevingsvergunning alleen toegestaan als hierbij geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het stroomvoerend vermogen van het rivierbed en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij Rijkswaterstaat. Ter informatie wordt erop gewezen dat voor (bouw-)werkzaamheden in het stroomvoerend deel van het rivierbed een watervergunningplicht bestaat. Gewezen wordt op de toepasselijkheid van de Waterwet, het Waterbesluit en de Beleidsregels grote rivieren.

Artikel 23 Waterstaat - Waterbergend rivierbed

De gronden met de dubbelbestemming Waterstaat - Waterbergend rivierbed zijn bestemd voor de bescherming en behoud van het waterbergend rivierbed. Ter informatie wordt erop gewezen dat voor (bouw-)werkzaamheden in het stroomvoerend deel van het rivierbed een watervergunningplicht bestaat. Gewezen wordt op de toepasselijkheid van de Waterwet, het Waterbesluit en de Beleidsregels grote rivieren.

Artikel 24 Waterstaat - Waterkering

De gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' zijn bestemd voor de aanleg, het onderhoud en de instandhouding van waterkeringen en voorzieningen ten behoeve van de waterkering. Tevens worden hierbinnen wegen voor langzaam verkeer, ontsluitingswegen voor agrarische percelen en calamiteitenwegen, waterhuishoudkundige voorzieningen en de terugplaatsing van een kloosterpoortje toegestaan. Geregeld is wat de maximum hoogte van groene en harde keringen mag zijn. Verder zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen.

17.2.2.3 Hoofdstuk 3: Algemene regels

Artikel 25 Anti-dubbeltelregel

De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan of inpassingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 26 Algemene aanduidingsregels

De diverse aanduidingen welke niet gelieerd zijn aan één enkelbestemming worden in dit artikel gedefinieerd. Daarbij gaat het om:

  • 1. geluidzone - industrie: de geluidzone rondom het haven- en industrieterrein Wanssum, is vastgelegd middels deze gebiedsaanduiding. Binnen deze zone zijn geluidgevoelige objecten niet toegestaan.
  • 2. veiligheidszone - bevi: de veiligheidszone als gevolg van Bevi-inrichtingen is geregeld middels een aanduiding. Binnen deze gebiedsaanduiding zijn nieuwe kwetsbare objecten niet toegestaan.
  • 3. vrijwaringszone - dijk: de (buiten)beschermingszone van de waterkeringen wordt beschermd middels deze gebiedsaanduiding. Nieuwe gebouwen en bouwwerken zijn niet toegestaan. Verder zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen.
  • 4. vrijwaringszone - vaarweg: binnen deze aanduiding valt de beschermingszone van de rijksvaarweg. Nieuwe gebouwen en bouwwerken zijn niet toegestaan. Middels een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden de gronden beschermd voor verandering in het nadeel van de vaarweg.
  • 5. overige zone - geluidruimte: deze aanduiding en de bijbehorende regels dienen ter regeling van de verdeling van de totale beschikbare geluidruimte op het Haven- en Industrieterrein Wanssum.
  • 6. overige zone - gronddepot en grondverwerking: binnen deze zone vallen de twee omputlocaties. De omputlocaties mogen alleen gebruikt worden voor de hoogwaterveiligheidsmaatregelen in dit plan. De gronden mogen afgegraven worden tot een diepte van 20 meter met een totaal maximum van 3.000.000 m3. Het bevoegd gezag kan met gebruik van een wijzigingsbevoegheid de omputlocaties uit het plan halen, zodra het gebruik van de omputlocaties niet meer nodig is ter realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen.
  • 7. overige zone - hoge grond 1: binnen deze aanduiding mag de grond ter plaatse worden opgehoogd. Deze ophoging van grond is nodig ten behoeve van bolle akkers. Ook is naast enkele waterkeringen ophoging van grond wenselijk, onder meer in verband met de inpassing van de waterkering. Binnen deze aanduiding is het vermengen, keren en bewerken van lagen in het bodemprofiel met een diepte van maximaal 0,5 m toegestaan.
  • 8. overige zone - hoge grond 2: binnen deze aanduiding mag de grond ter plaatse worden opgehoogd. Deze ophoging van grond is nodig ten behoeve van maatwerkbescherming. Binnen deze aanduiding is het vermengen, keren en bewerken van lagen in het bodemprofiel met een diepte van maximaal 0,5 m niet toegestaan.
  • 9. overige zone - Hoogwatergeul Ooijen: ter realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen mag de hoogwatergeul Ooijen gestaffeld afgegraven worden tot 2 meter, 4 meter respectievelijk 6 meter diep met een totale inhoud van 1.482.000 m3 grond. Ter bescherming van de doorstroming is het gebruik van de gronden als bos ter plaatse van de aanduiding niet toegestaan.
  • 10. overige zone - Hoogwatergeul Wanssum: ter realisatie van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen mag de hoogwatergeul Wanssum gestaffeld afgegraven worden tot 2 meter, 4 meter respectievelijk 6 meter diep met een totale inhoud van 1.230.000 m3 grond. Ter bescherming van de doorstroming is het gebruik van de gronden als bos ter plaatse van de aanduiding niet toegestaan.
  • 11. overige zone - OMA Blitterswijck: het deel van de Oude Maasarm nabij Blitterswijck mag ten behoeve van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen gestaffeld afgegraven worden tot 2 meter, 4 meter respectievelijk 6 meter diep. De totale inhoud die mag worden afgegraven bedraagt tezamen met de afgravingen ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - OMA midden' en 'overige zone - OMA Molenbeekdal' 221.000 m3
  • 12. overige zone - OMA instroom: het deel van de Oude Maasarm nabij de instroom mag ten behoeve van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen gestaffeld afgegraven worden tot 2 meter, 4 meter respectievelijk 6 meter diep met een totale inhoud van 604.000 m3 grond.
  • 13. overige zone - OMA midden: het middelste gedeelte van de Oude Maasarm mag ten behoeve van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen afgegraven worden tot 2 meter diep. De totale inhoud die mag worden afgegraven bedraagt tezamen met de afgravingen ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - OMA Blitterswijck' en 'overige zone - OMA Molenbeekdal' 221.000 m3.
  • 14. overige zone - OMA Molenbeekdal: het deel van de Oude Maasarm nabij het Molenbeekdal mag ten behoeve van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen afgegraven worden tot 2 meter diep. De totale inhoud die mag worden afgegraven bedraagt tezamen met de afgravingen ter plaatse van de aanduidingen 'overige zone - OMA midden' en 'overige zone - OMA Molenbeekdal' 221.000 m3.
  • 15. overige zone - Jachthaven Wanssum: in en rondom Jachthaven Wanssum mag ten behoeve van de hoogwaterveiligheidsmaatregelen afgegraven worden tot 6 meter diep met een totale inhoud van 98.000 m3 grond.

Onderstaande wetgevingzones zijn opgenomen om te kunnen komen tot een beter integraal ontwerp, een betere inpassing en een hogere ruimtelijke kwaliteit conform het ruimtelijk kwaliteitskader.

  • 16. wetgevingzone - wijzigingsbevoegdheid 1: om de waterkering met daarop de weg op onderdelen te kunnen verleggen/verschuiven, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. Het bevoegd gezag is bevoegd de gronden ter plaatse van deze aanduiding te wijzigen in de bestemming 'Verkeer'.
  • 17. wetgevingzone - wijzigingsbevoegdheid 2: om de waterkering op onderdelen te kunnen verleggen/verschuiven, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. het bevoegd gezag is bevoegd de gronden ter plaatse van deze aanduiding te wijzigen ten behoeve van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'.
  • 18. wetgevingzone - wijzigingsbevoegdheid 3: om de naast de waterkering gelegen (buiten)beschermingszone op onderdelen te kunnen verleggen/verschuiven, is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen. het bevoegd gezag is bevoegd de gronden ter plaatse van deze aanduiding te wijzigen ten behoeve van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk'.

Artikel 27 Algemene bouwregels

Deze bepaling regelt kleine overschrijdingen van de bouwbepalingen uit de enkelbestemmingen. Verder voorziet dit artikel in een regeling om te kunnen voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van normen die zijn opgenomen in het Venrays parkeerbeleid. Dit beleid heeft de provincie voor dit inpassingsplan als uitgangspunt genomen.

Artikel 28 Algemene gebruiksregels

Deze bepalingen geven algemene gebruiksregels. Geregeld is het verbod op delfstoffenwinning, anders dan ter plaatse van de omputlocaties. Tevens is bepaald onder welke voorwaarden een uitzondering op dit verbod geldt. Verder is de gefaseerde ingebruikname van de uitbreiding van het Haven- en Industrieterrein Wanssum gedeelte; deze is gekoppeld aan het verdwijnen van een agrarisch bedrijf dat aldaar gevestigd is en het met inpassingsplan aldaar is wegbestemd.

Artikel 29 Algemene afwijkingsregels

Deze algemene afwijkingsbepaling maakt het mogelijk dat kleine overschrijdingen, welke niet gefaciliteerd kunnen worden door andere artikelen, kunnen worden toegestaan. Voor het afwijken is een afwegingskader opgenomen.

Artikel 30 Algemene wijzigingsregels

Middels een wijzigingsbevoegdheid kan de Staat van bedrijfsactiviteiten als de Staat van Horeca activiteiten worden gewijzigd. Het gaat daarbij om toevoegingen, andere indelingen en verwijderingen uit de beide Staten.

Artikel 31 Overige regels

Artikel 31.1 regelt de prioriteit van de dubbelbestemmingen uit het inpassingsplan ten aanzien van de enkelbestemmingen. Daarnaast geeft dit artikel een voorrangsregeling voor die gronden waar twee of meer dubbelbestemmingen tegelijkertijd gelden.

Artikel 31.2 regelt de verhouding tussen de dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen in het inpassingsplan en de onderliggende gemeentelijke bestemmingsplannen. Tevens bevat dit artikel een bepaling dat de gemeenteraden van Venray en Horst aan de Maas bevoegd zijn om een bestemmingsplan vast te stellen ter plaatse van de gronden in dit inpassingsplan. Voor gronden ter plaatse van enkel de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' mag dit na drie jaar na vaststelling van dit inpassingsplan. Voor gronden ter plaatse van enkel een dubbelbestemming (niet zijnde 'Waterstaat - Waterkering') en/of gebiedsaanduiding of de gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - bestemmingsplanbevoegdheid' mag dit vanaf de dag na inwerkingtreding van dit inpassingsplan. Voorwaarde is wel dat de dubbelbestemmingen en/of gebiedsaanduidingen overeenkomstig dit inpassingsplan worden opgenomen in het bestemmingsplan.

17.2.2.4 Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels

Artikel 32 Overgangsrecht

Dit artikel is opgenomen conform de bepalingen in het Besluit ruimtelijke ordening. In dit artikel staan de regels, die betrekking hebben op het overgangsrecht: bouwwerken die op het moment van tervisielegging van het plan bestaan, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de in het nieuwe plan gegeven bebouwingsregels. Dit geldt ook voor strijdig gebruik van gebouwen en gronden.

Artikel 33 Slotregel

Dit artikel geeft de exacte naam van de regels van het inpassingsplan aan.

Hoofdstuk 18 Economische uitvoerbaarheid

18.1 Financiering

De financiering van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is in diverse overeenkomsten geborgd:

  • Provincie Limburg en de gemeenten Venray en Horst aan de Maas hebben op 3 november 2010 een samenwerkingsovereenkomst Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum gesloten.
  • Het Rijk, de Provincie Limburg en Waterschap Peel en Maasvallei zijn overeen gekomen om gezamenlijk de rijksdoelen en regionale doelen voor waterbeheer uit te voeren. In de Bestuursovereenkomst Waterveiligheid Maas d.d. 10 november 2011 (verder: Bestuursovereenkomst) hebben deze partijen afspraken gemaakt over de financiën van de gebiedsontwikkeling voor wat betreft de hoogwaterveiligheid.
  • Op 2 november 2012 zijn in een (bestuurs-)Overeenkomst Planuitwerkingsfase (verder: Overeenkomst) aanvullende afspraken gemaakt over de randvoorwaarden voor de realisatiefase en de financiering daarvan binnen de afspraken van de Bestuursovereenkomst van 2011. De gemeenten Venray en Horst aan de Maas zijn ook partij bij de Overeenkomst.

Er is een taakstellend budget beschikbaar (inclusief jaarlijkse indexering en BTW) voor de maatregelen en voorzieningen die onderdeel zijn van het uiteindelijke voorkeursalternatief, zoals dat in het inpassingsplan planologisch is geregeld.

18.2 Schade

Grondverwerving

Voor de aanleg van de rondweg, de waterkeringen, de rivierverruiming (hoogwatergeulen) en het realiseren van de natuuropgave moeten de Provincie Limburg en het Waterschap Peel en Maasvallei de beschikking hebben over de daarvoor noodzakelijke gronden. Voor zover deze nog niet in eigendom zijn van de Provincie Limburg (dan wel nog niet in eigendom zijn van het Waterschap Peel en Maasvallei, voor wat betreft de gronden waar de kernzone van de aan te leggen waterkering op ligt, planologisch aangeduid middels de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering'), geldt dat een onderhandelingstraject is gestart om de gronden van grondeigenaren te verwerven ten behoeve van het realiseren van de enkelbestemming 'Verkeer', de dubbelbestemming 'Waterstaat-Waterkering' en de enkelbestemming 'Natuur', en om deze grondeigenaren volledig te compenseren voor de schade. Deze volledige schadeloosstelling houdt rekening met de mogelijk door de grondeigenaren te lijden vermogensschade, inkomensschade en met de bijkomende (eenmalige) kosten (zoals de eventuele ver- of herplaatsing van beregeningsputten ten behoeve van de voortzetting van agrarische bedrijfsvoering). Schadeposten zoals de waardedaling van overblijvende percelen, planschade en schade als verminderde bereikbaarheid worden verdisconteerd in de hoogte van de schadeloosstelling.

Voor zover sprake is van (agrarische) bedrijfsvoering op de te verwerven gronden geldt dat - indien redelijkerwijs mogelijk en wenselijk voor de grondeigenaar - de mogelijkheden zijn verkend voor het aanbieden van ruilpercelen waarop de grondeigenaar zijn bedrijfsactiviteiten kan voortzetten. Specifiek voor de agrarische bedrijfsvoering geldt dat door de onttrekking van het benodigde grondareaal in het plangebied landbouwgrond schaarser wordt, er mogelijk meer druk op de grondmarkt komt in de omgeving van het projectgebied en dat dit - een en ander afhankelijk van de overige relevante omstandigheden op de grondmarkt - mogelijk kan leiden tot een prijsstijging. Bij de bepaling van de schadeloosstelling zal te zijner tijd rekening worden gehouden met de actuele waarde van de agrarische gronden, zodat betrokkenen in alle gevallen volledig schadeloos gesteld zijn. Voor een deel van het plangebied geldt dat deze gronden worden gepacht. Indien sprake is van reguliere (niet-geliberaliseerde) pacht, zal deze pacht worden afgekocht onder het aanbieden van een volledige schadeloosstelling. Mocht het onderhandelingstraject niet leiden tot de vereiste minnelijke overeenstemming, dan zal de Provincie Limburg de betreffende gronden onteigenen. Het inpassingsplan vormt de basis voor de onteigening. Het inpassingsplan leidt gezien de voorgaande uitgevoerde en uit te voeren maatregelen niet tot onevenredige schade voor grondeigenaren en gebruikers van gronden in het plangebied. Voorts is een rendabele bedrijfsvoering voor (agrarische) bedrijven gewaarborgd.

Compensatie en mitigatie van natuurwaarden

Een deel van de activiteiten in het inpassingsplan zorgt voor een aantasting van natuurwaarden, die worden gemitigeerd of gecompenseerd. Gronden die hiervoor nodig zijn, worden in beginsel ook aangekocht, tenzij gronden in eigendom zijn van de gemeenten of andere overheidsorganen. In dat geval worden afspraken gemaakt met deze overheidsorganen.

Planschade/nadeelcompensatie

Het inpassingsplan c.q. Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum kan leiden tot (rechtmatig veroorzaakte) schade. Deze schade kan in beginsel bijvoorbeeld worden verhaald door middel van het indienen van een verzoek tot planschade (op grond van artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening) of een verzoek tot nadeelcompensatie (als deze schade wordt veroorzaakt door de uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer, op grond van artikel 7.14 Waterwet). Bij de voorbereiding van het inpassingsplan is onderzoek gedaan naar de mogelijk rechtmatig veroorzaakte schade als gevolg van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. De schadecomponent die samenhangt met de (uitvoering van) Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum staat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Voor zover de schade samenhangt met bouwplannen in het kader van artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), wordt deze meegenomen in de overeenkomsten over het kostenverhaal. Er wordt een centraal schadeloket ingericht voor de afhandeling van verschillende soorten (rechtmatig veroorzaakte) schade. Een ieder die meent schade te lijden kan bij dit loket terecht voor informatie over schade en voor het indienen van concrete verzoeken om schadevergoeding. Dit schadeloket wordt ingesteld voor de behandeling van verzoeken om verschillende soorten schadevergoedingen die samenhangen met Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Dit centraal schadeloket zorgt ervoor dat de juiste procedure bij het juiste bevoegd gezag in gang wordt gezet. Meer informatie over (plan-)schadevergoeding en nadeelcompensatie ten gevolge van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum en over dit schadeloket is opgenomen in het hoofdstuk "Maatschappelijke uitvoerbaarheid" van de plantoelichting.

18.3 Kostenverhaal

Op grond van het inpassingsplan ontstaat de planologische mogelijkheid om bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro te realiseren. Op grond van artikel 6.12 Wro moet in dat geval in beginsel tegelijk met het inpassingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld. In de volgende gevallen kan van het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het bestemmingsplan begrepen gronden is anderszins verzekerd;
  • er is geen noodzaak tot het stellen van locatie-eisen over een tijdvak, een fasering, het aanbrengen van koppelingen tussen de aanleg van werken en de verlening van omgevingsvergunningen voor het bouwen, het stellen van eisen en regels over (de uitvoering van) werken met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg nutsvoorzieningen en inrichting openbare ruimte.

De bouwplannen als bedoeld in het Bro worden alleen mogelijk gemaakt op (de uitbreiding van) het industrieterrein, bij recreatiepark Roekenbosch en op de nieuwe locatie voor de schutterij. De uitbreiding van het industrieterrein en de uitbreiding van recreatiepark het Roekenbosch zijn private initiatieven. Met de initiatiefnemers worden vóór vaststelling van het inpassingsplan anterieure overeenkomsten gesloten. Het kostenverhaal van deze onderdelen van het plan is daarmee verzekerd. Overige delen van het inpassingsplan, de hoogwaterbeschermingsmaatregelen en de rondweg, zijn geen bouwplannen als bedoeld in artikel 6.2.1 Wro.

Bij de vaststelling van het inpassingsplan is besloten om geen exploitatieplan vast te stellen.

18.4 Conclusie

Uit het vorenstaande volgt dat het inpassingsplan financieel uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 19 Procedure en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor het vaststellen van onderhavig inpassingsplan wordt de bestemmingsplanprocedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro, afdeling 3.2) doorlopen. Artikel 3.26 Wro verklaart de bestemmingsplanprocedure van overeenkomstige toepassing op inpassingsplannen.

19.1 Vooroverleg

Op basis van artikel 3.1.1 Bro heeft wettelijk vooroverleg plaatsgevonden. Rijkswaterstaat, de gemeenten Horst aan de Maas, Venray en Bergen, het Waterschap Peel en Maasvallei en het Waterschapsbedrijf Limburg zijn in de gelegenheid gesteld om een reactie te geven op het voorontwerp inpassingsplan Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Een samenvatting van de reacties is hieronder weergegeven.

Rijkswaterstaat Zuid Nederland

In een brief van 24 april 2015 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu een vooroverlegreactie gegeven. Deze reactie is als Bijlage 49 bij de toelichting van dit inpassingsplan opgenomen. De redactionele wijzigingen in de reactie zijn verwerkt en worden niet meer apart genoemd. In de brief komen de volgende inhoudelijke onderwerpen aan de orde:

  • De planbegrenzing is voor wat betreft de oevers van de Maas is niet consistent: deze lijken, met name ter hoogte van Ooijen buiten het plangebied van het inpassingsplan te liggen. Dit is niet wenselijk. In het ontwerp inpassingsplan is dit hersteld;
  • Het natuurcompensatie- en landschapsplan was in het voorontwerp van het inpassingsplan nog niet planologisch verwerkt; de minister verzoekt dit alsnog te doen en hierbij eerder gemaakte opmerkingen op voorgestelde maatregelen te betrekken. Een voorbeeld hiervan is het vermijden van dwars op de stroomrichting staande landschapselementen aan de noordkant van de Haven van Wanssum. Het natuur- en landschapscompensatieplan is bijgesteld, onder andere naar aanleiding van de opmerkingen van de minister en de zienswijzen op het ontwerp inpassingsplan, en planologisch verwerkt.
  • In het plangebied is de mogelijkheid opgenomen een jachthaven aan te leggen bij Camping Kasteel Ooijen; een ruimtelijke onderbouwing voor dit initiatief ontbreekt, zodat dit onderdeel niet op vergunbaarheid kan worden beoordeeld en hiervoor een voorbehoud geldt. In het vastgestelde inpassingsplan wordt het initiatief niet meer meegenomen. Initiatiefnemer is in overleg met de gemeente Horst aan de Maas om het initiatief via een gemeentelijke bestemmingsplanprocedure te realiseren.
  • Binnen de bestemming Gemengd-kasteelterrein (artikel 6) wordt een schutterij gevestigd. Vanwege de waterkwaliteit zijn kogelvangers noodzakelijk en in de regels bij deze bestemming mogelijk gemaakt.
  • Binnen de bestemming Natuur (Artikel 7) is de aanleg van bos mogelijk. Ruwe vegetatie in de hoogwatergeulen kan de taakstelling voor de waterstandsverlaging beperken. Artikel 21 Waterstaat - Rivierbed en artikel 25.3 Vrijwaringszone - vaarweg moeten worden uitgebreid met gebruiksregels voor werken en werkzaamheden. De artikelen zijn aangepast.
  • De teksten in de toelichting over evacuatie- en calamiteitenroutes in geval van hoog water moeten worden aangepast: het is niet duidelijk welke calamiteitenroute wordt bedoeld en waarom alleen de Ooijenseweg specifiek als evacuatieroute wordt genoemd. De routes over de drempel in Wanssum en de weg en bruggen bij Blitterswijck en Ooijen hebben immers al de bestemming Verkeer. Verder is er geen garantie dat deze routes watervrij zijn tijdens hoog water. De toelichting van het ontwerp inpassingsplan is aangepast.

Gemeente Horst aan de Maas

De gemeente Horst aan de Maas heeft diversen verbeterpunten opgemerkt ten aanzien van de regels, plantoelichting, verbeelding en milieuonderzoeken. Deze zijn in overleg met de gemeente verwerkt in het ontwerp inpassingsplan. Ook was er zorg bij de gemeente over mogelijk zettingsrisico wat in het MER onderzoek geconstateerd is bij Ooijen als gevolg van de uitvoering van de maatregelen in het kader van de gebiedsontwikkeling. Zettingsrisico houdt in dat door de uitvoering van de maatregelen vanwege de gebiedsontwikkeling er veranderingen in de ondergrond, bodemlagen kunnen optreden bijvoorbeeld door veranderde waterstanden en dat deze bodemlagen dan bijvoorbeeld in elkaar gedrukt worden, inklinken. Dit speelt bijvoorbeeld bij Ooijen waar deels venige ondergrond aanwezig is. Op grond daarvan is nader kwalitatief onderzoek gedaan naar dit risico. Daaruit blijkt dat het risico klein is en wordt aanbevolen dit punt te monitoren tijdens de uitvoering.

Gemeente Venray

De gemeente Venray heeft verbeterpunten opgemerkt ten aanzien van de regels, plantoelichting, verbeelding en milieuonderzoeken. Deze zijn in overleg met de gemeente verwerkt in het ontwerp inpassingsplan.

Waterschap Peel en Maasvallei

Het waterschap heeft ten aanzien van de regels, plantoelichting en verbeelding opmerkingen gemaakt die goed verwerkt konden worden (zie Bijlage 50). Belangrijkste opmerkingen gingen over het ontbreken van aandacht voor duurzaam waterbeheer, de verbetering op onderdelen van de plantoelichting en de planregels m.n. voor zover die betrekking hebben op het onderdeel “waterstaat-waterkering.” Voorts is in onderling overleg met het waterschap op onderdelen de situering van de nieuw te realiseren waterkering(en) aangepast. Ook zijn opmerkingen gemaakt op het waterhuishoudkundig plan, ruimtelijk kwaliteitskader en het natuur-en landschapscompensatieplan welke in onderling overleg verwerkt zijn.

Waterschapsbedrijf Limburg (WBL):

WBL miste de planologische bescherming in de regels en verbeelding van het voorontwerp van een aantal rioolwatertransportleidingen. Deze omissie is hersteld. Verder heeft WBL opmerkingen gemaakt over het gegeven dat een waterkering is geprojecteerd over een aantal riooltransportleidingen. Dit zal leiden tot aanpassingen in het leidingwerk tijdens de uitvoering.

19.2 Inspraak

Direct betrokken bewoners, bedrijven, dorpsraden en belangenorganisaties zijn vanaf het begin van de planvorming actief betrokken. In de planuitwerkingsfase is de consultatie van de omgeving geformaliseerd in de oprichting van 9 belangengroepen en één klankbordgroep. Er zijn 4 belangengroepen waarin de belangen van de verschillende deelgebieden van het plangebied zijn vertegenwoordigd: Wanssum/Geijsteren/Well, Blitterswijck/de Hei, Meerlo/Megelsum/Gun/Legert/Moleneind en Broekhuizen/Broekhuizenvorst/Ooijen. Daarnaast zijn er 5 sectorgebonden belangengroepen: MKB, Land- en tuinbouw, Recreatie en Toerisme, Archeologie en Heemkunde en Natuur en Milieu.

De belangengroepen komen 3 tot 4 keer per jaar bij elkaar. Tijdens de bijeenkomsten wordt uitleg gegeven over (het proces van) de gebiedsontwikkeling en kunnen de belangengroepen input geven voor de planvorming. De samenstelling en verslagen van de belangengroepen zijn terug te lezen op www.ooijen-wanssum.nl.

De klankbordgroep is samengesteld uit vertegenwoordigers van de 9 belangengroepen en wordt voorgezeten door een onafhankelijk voorzitter. De klankbordgroep komt zo'n twee keer per jaar bij elkaar en heeft met name de taak om te kijken of het proces van consultatie goed verloopt. De klankbordgroep mag gevraagd en ongevraagd advies geven aan de directie van het projectbureau of de stuurgroep.

Naast de consultatie via belangengroepen vindt er regelmatig overleg plaats met de lokale dorpsraden. In de planuitwerkingsfase hebben een aantal algemene en specifieke informatieavonden plaatsgevonden waarin de laatste plannen aan het grote publiek zijn gepresenteerd (14 mei 2013 inzake voortgang, NRD + infomarkt, 11 september 2013 inzake plannen Broekhuizen/Broekhuizenvorst en Ooijen, 4 november 2013 inzake centrum Wanssum, 24 en 29 september 2014 algemene informatieavonden laatste stand van zaken, 11 maart 2015 inzake centrum Wanssum). Tijdens deze avonden was er ook steeds de mogelijkheid om te reageren en vragen te stellen.

Tijdens de planuitwerking werd duidelijk dat bij sommige onderdelen van het project tegengestelde belangen samenkwamen, of dat de (technische) uitwerking nog ruimte liet voor inbreng van belanghebbenden. Voor de oplossing van deze 'issues' zijn in mei en juni van 2014 werkateliers georganiseerd, waarbij samen met de betrokkenen is gezocht naar de meest optimale oplossing.

19.3 Zienswijzen

Op basis van artikel 3.8 Wro heeft het ontwerp Provinciaal Inpassingsplan met bijbehorende stukken, waaronder het MER, gedurende een periode van 6 weken (18 juni tot en met 29 juli 2015) voor een ieder ter inzage gelegen. Op 30 juni 2015 is een informatiebijeenkomst georganiseerd in het kader van de zienswijzen periode.

Gedurende deze periode zijn 156 zienswijzen tegen het ontwerp inpassingsplan en MER ingediend. Enkele van deze zienswijzen hebben geleid tot wijzigingen in het inpassingsplan. In de Nota van Zienswijzen zijn alle zienswijzen samengevat en voorzien van een reactie. De Nota van Zienswijzen is als Bijlage 51 bij de toelichting van dit inpassingsplan opgenomen.

19.4 Wijzigingen

Het definitieve inpassingsplan is op verschillende punten gewijzigd ten opzicht van het ontwerp inpassingsplan zoals dat ter inzage heeft gelegen. Deze wijzigingen zijn het gevolg van ambtshalve aanpassingen, bijvoorbeeld als gevolg van het vervallen of wijzigen van enkele particuliere initiatieven. Daarnaast heeft, zoals hiervoor is aangegeven, een aantal ingediende zienswijzen geleid tot aanpassing van het ontwerp inpassingsplan. Vanwege hun gewijzigd effect op ruimtebeslag of ruimtelijke uitstraling zijn de volgende wijzigingen het meest relevant:

  • 1. Het initiatief voor de uitbreiding van het recreatiepark Kasteel Ooijen is niet opgenomen in het inpassingsplan. De initiatiefnemer voor de jachthaven is momenteel in overleg met de gemeente Horst aan de Maas om zijn initiatief via een gemeentelijke procedure verder ten uitvoering te brengen.
  • 2. In overleg met initiatiefnemer is de uitbreiding van de haven in Wanssum kleiner van omvang (oppervlakte van 22,6 naar 19,2 ha bruto industrieterrein). Tevens is de uitbreiding van de insteekhaven ingekort (van 438 naar 400 meter). Als gevolg van de verkleining van de haven en industrieterrein is ook de benodigde natuurcompensatie en landschappelijk inpassing gewijzigd.
  • 3. In overleg met het Waterschap en mede naar aanleiding van overleg met particulieren is het dijkenplan geoptimaliseerd en zijn dijktracés op een aantal plaatsen aangepast.
  • 4. De uitbreiding van het recreatiepark Roekenbosch is aangepast, met name naar aanleiding van een aangetroffen belopen dassenburcht. Het aantal huisjes wordt daarbij niet meer dan in het vigerende bestemmingsplan mogelijk gemaakt is. Het areaal waar vakantiewoningen kunnen worden gebouwd is ten opzichte van het ontwerp inpassingsplan verkleind.
  • 5. Om te kunnen komen tot een beter integraal ontwerp, een betere inpassing en een hogere ruimtelijke kwaliteit conform het ruimtelijk kwaliteitskader zijn op enkele locaties wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Het gaat hier hoofdzakelijk om de wijze waarop de viaducten/bruggen in het ontwerp inpassingsplan zijn opgenomen. Daarnaast wordt er op twee specifieke locaties 'hoge grond' mogelijk gemaakt met een waterkerende functie. Tevens worden in delen van de Hoogwatergeulen en de Oude Maasarm grotere ontgravingsdieptes (van -4 meter naar -6 meter resp. van  -1 naar gedeeltelijk -2/ -4/-6 meter ) mogelijk gemaakt.

Een overzicht van alle wijzigingen van de regels en verbeelding naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve aanpassingen is in de Nota van Wijzigingen opgenomen. De Nota van Wijzigingen is als Bijlage 53 bij de toelichting van dit inpassingsplan opgenomen.

19.5 Schade

Burgers en bedrijven kunnen schade ondervinden als gevolg van de planologische, infrastructurele en waterstaatkundige gevolgen van de Gebiedsontwikkeling Ooijen- Wanssum. Ook kan schade ontstaan als gevolg van (maatregelen in verband met) de uitvoering van werkzaamheden.

Soorten schade en schadevergoeding

Er zijn meerdere vormen van schade en schadevergoeding die zich in verband met de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum kunnen voordoen. Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar beperkt zich tot de vormen van schade en schadevergoeding die naar verwachting - gelet op de aard van het project - eventueel zouden kunnen optreden. Onderzocht is bij de voorbereiding van het inpassingsplan welke schade mogelijkerwijs kan optreden en of hierbij sprake is van zodanige schade dat deze zwaarder zou moeten wegen dan het belang dat is gediend bij de voortgang van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Er is bijvoorbeeld onderzocht of ontoelaatbare schade aan opstallen optreedt, woongenot onaanvaardbaar wordt verstoord en of de continuïteit van de bedrijfsvoering wordt bedreigd. Waar dat mogelijk speelt, is vroegtijdig in overleg met betrokkenen naar een oplossingsrichting gezocht in de vorm van mitigatie, (financiële) compensatie of een combinatie van beide. De conclusie is dat de schade die kan optreden niet zodanig is dat deze in de weg staat aan de voortgang van Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Voor zover schade bestaat uit het verlies van gronden (en de daarmee samenhangende schade) geldt dat deze wordt gedekt door aankoop, minnelijke schadeloosstelling of onteigening. Voor zover mogelijke schade niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins wordt vergoed en in alle andere gevallen geldt; een ieder die meent als gevolg van het inpassingsplan c.q. de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum schade te lijden kan hiervoor te zijner tijd een verzoek om schadevergoeding indienen bij het schadeloket. Dit schadeloket wordt ingesteld voor de behandeling van verzoeken om verschillende soorten schadevergoedingen die samenhangen met Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.

Planschade, artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening

Planschade is schade in de vorm van een inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak die kan optreden als gevolg van planologische wijzigingen ten opzichte van het daarvoor geldend planologisch regime. De bouw- en gebruiksmogelijkheden van een perceel kunnen bijvoorbeeld worden beperkt of in de omgeving van een perceel treden bepaalde planologische ontwikkelingen op, waardoor uitzicht mogelijk wordt verminderd (en hiermee het woongenot). Te denken valt aan de aanleg of versterking van waterkeringen, de rondweg, de hoogwatergeulen of de natuuropgave. Een tegemoetkoming in planschade kan worden toegekend als de schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van de burger of de onderneming behoort te komen en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Een deel van de schade blijft voor rekening van de aanvrager omdat dit geacht wordt te behoren tot het normale maatschappelijke risico. Ook komen bijvoorbeeld voorzienbare schade en schade die niet rechtstreeks in verband gebracht kan worden met het inpassingsplan, niet voor vergoeding in aanmerking. Een verzoek om planschadevergoeding kan worden ingediend vanaf het moment dat de schadeoorzaak, in dit geval dus het inpassingsplan, onherroepelijk is. Aan het indienen van een verzoek om planschadevergoeding zijn legeskosten verbonden.

Nadeelcompensatie

Bedrijven en burgers kunnen door rechtmatig optreden van de overheid schade ondervinden. Hierbij kan gedacht worden aan het tijdelijk afsluiten van een weg, tijdens en ten behoeve van werkzaamheden. Het, op zich correcte, optreden van de overheid kan in zulke gevallen leiden tot nadeel, zoals omrijschade of omzetverlies als gevolg van tijdelijk verminderde bereikbaarheid. Nadeelcompensatie is gebaseerd op het zogenaamde égalitébeginsel. Dit houdt in dat de overheid onder voorwaarden de onevenredige nadelen die zij in de uitoefening van haar publiekrechtelijke taak veroorzaakt moet compenseren. Zo worden de publieke lasten evenredig over de burgers en bedrijven verdeeld. Voor deze vorm van schade bestaat nog geen algemene wettelijke grondslag. Voor schade die is veroorzaakt door de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer is een specifieke schadevergoedingsregeling opgenomen in artikel 7.14 van die wet. Deze schade kan het gevolg zijn van zowel besluiten als feitelijke handelingen. Voor mogelijke schadevergoeding op grond van artikel 7.14 van de Waterwet geldt dat een vergoeding van schade alleen op zijn plaats is als deze schade niet of niet geheel tot de lasten van de gedupeerde behoort te blijven en dat de vergoeding van schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. Artikel 7.15 van de Waterwet stelt dat voor de toepassing van artikel 7.14 mede wordt verstaan schade in verband met wateroverlast of overstromingen, voor zover deze het gevolg zijn van een verlegging van een waterkering of van andere maatregelen, gericht op het vergroten van de afvoer- en bergingscapaciteit van watersystemen Om in aanmerking te komen voor nadeelcompensatie moet sprake zijn van schade en deze schade moet het gevolg zijn van het overheidsoptreden. Daarnaast moet de schade het maatschappelijke risico of ondernemersrisico te boven gaan en mag de schade of de schadeoorzaak niet voorzienbaar zijn geweest. Een verzoek om nadeelcompensatie kan worden ingediend vanaf het moment dat de schade geleden wordt. Aan het indienen van een verzoek om nadeelcompensatie zijn geen kosten verbonden.

Uitvoeringsschade of bouwschade

Uiteraard wordt er naar gestreefd de werkzaamheden uit te voeren zonder hierbij schade te veroorzaken. Toch kan het gebeuren dat er schade ontstaat als gevolg van (de uitvoering van) de werkzaamheden. Daarbij valt te denken aan verzakking van panden, scheurvorming in panden, tijdelijke grondwateroverlast of schade aan kabels en leidingen. Een eventuele schadevergoeding dient betaald te worden door de natuurlijke of rechtspersoon die de schade heeft veroorzaakt.

Schaderegeling en schadeloket

Als een burger of bedrijf van mening is dat hij/zij als gevolg van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum schade heeft geleden, kan hij/zij een verzoek om vergoeding van deze schade indienen. Uit het voorgaande blijkt dat het lastig is om te beoordelen welk schaderegime van toepassing is; dit is immers afhankelijk van de aard en de oorzaak van de schade. Mede hierom wordt een centraal schadeloket ingericht waar iedereen terecht kan met alle vragen met betrekking tot schade en waar verzoeken om schadevergoeding kunnen worden ingediend. Voor het schadeloket maakt het niet uit wie de schade veroorzaakt heeft, hoe de schade ontstaan is, hoe hoog de schade is en of de schade voor vergoeding in aanmerking komt. Het schadeloket zorgt er voor dat alle verzoeken om schadevergoeding op de juiste wijze en door de juiste instantie in behandeling genomen worden.